[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

31489 Wet vergoedingen adviescolleges en commissies (nnavv)

Bijlage

Nummer: 2008D02283, datum: 2008-09-03, bijgewerkt: 2024-02-19 10:56, versie: 1

Directe link naar document (.doc), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen:

Bijlage bij: Nota naar aanleiding van het verslag (2008D02282)

Preview document (🔗 origineel)


31 489		Regeling van de vergoedingen voor adviescolleges en commissies 

		(Wet vergoedingen adviescolleges en commissies)

NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Inleiding

Met belangstelling heeft de regering kennisgenomen van het verslag dat
de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft
uitgebracht over het onderhavige wetsvoorstel.

In deze nota ga ik in op de vragen en opmerkingen in het verslag,
waarbij zoveel mogelijk de volgorde van het verslag is gevolgd.

Algemeen

De leden van de CDA-fractie vragen om een toelichting op het voorstel om
het Vacatiegeldenbesluit deels op het niveau van de wet te regelen en
voorts een grondslag te bieden voor het stellen van nadere regels bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur (bladzijde 2 van de memorie van
toelichting).

Het wetsvoorstel beoogt een einde te maken aan de nu bestaande situatie
dat de regeling met betrekking tot de vergoedingen van de leden van
commissies geen wettelijke grondslag heeft. Naar huidige rechtsopvatting
worden algemeen verbindende voorschriften in beginsel opgenomen in een
wet of een daarop berustende lagere regeling. Daarbij is het
gebruikelijk dat in een wet de bevoegdheid tot het vaststellen van
voorschriften die de in de wet opgenomen hoofdlijn uitwerken wordt
opgedragen aan de regering onderscheidenlijk een minister. Dat is thans
ook het geval bij de regeling van de vergoeding van de leden van
adviescolleges; artikel 14 van de Kaderwet adviescolleges biedt de
wettelijke grondslag voor de vaststelling van de vergoeding van reis- en
verblijfkosten en verdere vergoedingen aan leden van adviescolleges bij
of krachtens algemene maatregel van bestuur (het Vergoedingenbesluit
adviescolleges). In het onderhavige wetsvoorstel is een zelfde
constructie gekozen.

De leden van de PvdA-fractie vragen in hoeverre het mogelijk is dat er
(advies)commissies worden ingesteld door departementen, zelfstandige
bestuursorganen of andere Rechtspersonen met een Wettelijke Taak,
waarvoor afwijkende (ruimere) vergoedingen worden toegekend en in
hoeverre een verschuiving zal plaatsvinden van het instellen van
commissies naar het inhuren van consultants of van het verstrekken van
een adviesopdracht aan bedrijven, instellingen of personen buiten de
rijksdienst. Ook vragen zij hoe een dergelijke verschuiving kan worden
voorkomen.

Het wetsvoorstel heeft uitsluitend betrekking op de vergoedingen voor
adviescolleges (van de centrale overheid) als bedoeld in de Kaderwet
adviescolleges en voor commissies die bij of krachtens wet, bij
koninklijk besluit of bij ministerieel besluit worden ingesteld. Het
wetsvoorstel staat er niet aan in de weg dat commissies worden ingesteld
door andere organen. Ook thans is dat mogelijk; het wetsvoorstel brengt
geen wijziging in de bestaande situatie. Dergelijke commissies hebben
echter niet tot taak de centrale overheid van een onafhankelijk
beleidsadvies te voorzien.

De leden van de PvdA-fractie vragen zich af of een verschuiving van het
instellen van commissies naar externe inhuur zal plaatsvinden. De inhoud
van het wetsvoorstel geeft geen aanleiding te verwachten, dat hierdoor
een verschuiving zal plaatsvinden. De wet (en de daarop te baseren
algemene maatregel van bestuur) regelen in grote lijnen datgene, wat
thans in het Vacatiegeldenbesluit 1988 en het Vergoedingenbesluit
adviescolleges was geregeld en door samenvoeging een vereenvoudigde,
door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties te
beheren, regeling oplevert.

In een brief van 3 juni 2008 (Kamerstukken II 2007/08, 31 201, nr. 38)
heeft het kabinet aangegeven welke maatregelen worden genomen om
uitgaven van externe inhuur te beheersen en op welke wijze het kabinet
in deze kabinetsperiode de Tweede Kamer zal informeren over de uitgaven
voor externe inhuur.

Artikelsgewijs

Artikel 1

De leden van de CDA-fractie vragen of bij de instelling van
adviescolleges en commissies ook zal worden aangegeven dat deze vallen
onder de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies. 

Het onderhavige wetsvoorstel ziet slechts op de toekenning van
vergoedingen aan de leden van adviescolleges en commissies en niet op de
instelling van de adviescolleges en commissies als zodanig. In de aanhef
van wetten, koninklijke besluiten en ministeriële regelingen tot
instelling van adviescolleges wordt wel verwezen naar de relevante
artikelen van de Kaderwet adviescolleges. Overigens ligt het in de rede
dat wanneer – na de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel –
besluiten worden genomen op grond van de Wet vergoedingen adviescolleges
en commissies, in de aanhef daarvan zal worden verwezen naar artikel 2
van deze wet.

De leden van de fractie van de PVV zijn erg kritisch over het instellen
van commissies en adviescolleges en zou graag willen zien dat de
regering alleen in hoogst uitzonderlijke gevallen overgaat tot het
instellen van deze commissies of adviescolleges.

Het kabinetsbeleid is er op gericht om terughoudend om te gaan met het
instellen van ad hoc

commissies en taken zoveel mogelijk bij al bestaande permanente
(advies)colleges te beleggen. Op grond van artikel 7 van de Kaderwet
adviescolleges heb ik medeondertekeningrecht bij de instelling van een
adviescollege. Ik ga over tot medeondertekening als (op grond van
artikel 123a van de Aanwijzingen voor de regelgeving) in de toelichting
bij een instellingsregeling van een adviescollege afdoende wordt
gemotiveerd waarom onafhankelijke advisering op het desbetreffende
terrein noodzakelijk wordt geacht en waarom de adviestaak niet aan een
bestaand adviescollege wordt opgedragen. Dit is in lijn met de door de
Tweede Kamer aangenomen motie-Halsema over terughoudendheid bij het
instellen van eenmalige ad hoc commissies (Kamerstukken II 2003/04, 29
508, nr. 3).

Artikel 2

Eerste lid

Bij leden van commissies moet de vraag of er sprake is van
ambtenaarschap worden beoordeeld op feiten en omstandigheden van het
concrete geval (memorie van toelichting, bladzijde 3). De leden van de
CDA-fractie vragen waarom niet bij het instellingsbesluit van de
commissie kan worden aangegeven of er sprake is van ambtenaarschap. Dat
levert toch de vereiste duidelijkheid op, zo menen deze leden.
Bovendien, zo vragen deze leden, zou toch terughoudend moeten worden
omgegaan met het toekennen van de status van ambtenaar aan leden van
adviescolleges en commissies.

In de memorie van toelichting is ten aanzien van leden van een commissie
reeds vermeld dat er normaliter geen ambtenaarrechtelijke verhouding tot
stand zal komen bij de benoeming tot lid. In die – zeer uitzonderlijke
– gevallen waarin is beoogd de betrokkene aan te stellen als
ambtenaar, is het inherent aan de (eenzijdige) aanstelling dat de
betrokkene hiervan bij zijn benoeming tot lid in kennis wordt gesteld.

De leden van de PvdA-fractie vragen of de regering bereid is om, indien
ex-politieke ambtsdragers worden benoemd tot lid van een commissie, hen
actief te wijzen op de voorwaarden die gelden voor hun wachtgeld, indien
van toepassing, om incidenten als die met de voorzitter van de commissie
Participatie van Vrouwen uit Etnische Minderheden (PaVEM) te voorkomen.

Het is inmiddels een goed gebruik dat vertrekkende Kamerleden en
bewindslieden schriftelijk worden geïnformeerd over de
rechtspositionele aanspraken na het aftreden. Daarbij wordt ook inzicht
geboden in de verrekening van neveninkomsten in een uitkeringssituatie.
Gewezen politieke ambtsdragers die een uitkering op grond van de
Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (Appa) ontvangen, krijgen
overigens maandelijks een inkomstenformulier dat voor continuering van
de Appa-uitkering moet worden geretourneerd. 

Ook ligt het in de rede dat alle aangezochte leden van een commissie nog
voor de benoeming zelf onderzoeken hoe de vergoeding en
onkostenvergoeding voor de werkzaamheden van een adviescommissie zich
verhouden tot de al lopende rechtspositionele aanspraken. Het ministerie
dat de commissie instelt kan daarbij als vraagbaak dienen waarbij
bovendien kan worden teruggevallen op het ministerie van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties. Mijn ministerie heeft voor ministeries en
(gewezen) politieke ambtsdragers een contactpunt voor rechtspositionele
vragen en vragen over de toepassing van relevante regelgeving. Gewezen
Kamerleden kunnen bovendien ook nog informatie krijgen vanuit de
griffies van beide Kamers. Gezien deze uiteenlopende informatiebronnen
acht ik het bovenmatig als de regering gewezen politieke ambtsdragers
die worden benoemd als lid van een commissie standaard aanvullend zou
moeten informeren.

De leden van de VVD-fractie vragen om een nadere uitleg over de passage
in de memorie van toelichting die gaat over de vergoedingen aan
ambtenaren, die bij de werkzaamheden van een adviescollege of commissie
zijn betrokken. Zij vragen in hoeverre nu wettelijk is geregeld dat
ambtenaren geen (bijkomende) vergoeding krijgen, maar dat op hen het
Algemeen Rijksambtenarenreglement en het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke
Rijksambtenaren 1984 van toepassing zijn. Ook vragen zij of ambtenaren
die bij de werkzaamheden van een adviescollege of commissie zijn
betrokken, bijvoorbeeld als secretaris of anderszins als medewerker van
een commissie, nooit een vergoeding krijgen, zoals bedoeld in de
onderhavige wet. Zij vragen ten slotte welke gezagsverhouding er is
tussen een ambtenaar, die betrokken is bij de werkzaamheden van een
adviescollege of commissie en de minister van het departement, waar het
adviescollege of de commissie onder valt.

In artikel 2, tweede lid, van het wetsvoorstel is geregeld dat personen
die – kort gezegd – uit de openbare kas worden bezoldigd én uit
hoofde van hun functie betrokken zijn bij de werkzaamheden van een
adviescollege of een commissie, niet in aanmerking komen voor een
vergoeding als bedoeld in dit wetsvoorstel. Voor die personen geldt dat
hun werkzaamheden voor het adviescollege of de commissie worden geacht
deel uit te maken van hun reguliere (ambtelijke) werkzaamheden en
dienovereenkomstig zullen worden vergoed. In het geval van een
rijksambtenaar zal dat geschieden op basis van het Algemeen
Rijksambtenarenreglement/het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke
Rijksambtenaren 1984.

De ambtenaar die is betrokken bij de werkzaamheden van een adviescollege
of commissie en is aangesteld bij het departement waar dat college of
die commissie onder valt, staat in een normale (ambtelijke)
gezagsrelatie tot de minister van dat departement, met dien verstande
dat ten aanzien van de secretaris van een adviescollege in artikel 15,
tweede lid, van de Kaderwet adviescolleges is bepaald dat hij voor zijn
werkzaamheden voor het adviescollege uitsluitend verantwoording schuldig
is aan het adviescollege. Het spreekt voor zich dat het bevoegde gezag
zijn bevoegdheden in die gezagsrelatie zodanig zal gebruiken – zo
nodig in overleg met de voorzitter van dat college of die commissie –
dat het goed functioneren van het college of de commissie gewaarborgd
is.

Vierde lid

In artikel 2, vierde lid, staat de grondslag voor het stellen van nadere
regels met betrekking tot de vergoedingen, die bij of krachtens AMvB
kunnen worden vastgesteld. De leden van de CDA-fractie vragen of bij de
hoogte van de vergoeding niet het uitgangspunt gehanteerd wordt van het
honorarium van de minister-president als maximum bedrag van de
vergoeding. De leden van de VVD-fractie vragen of in de op te stellen
lagere regelgeving specifiek melding zal worden gemaakt van een
anticumulatieregeling en zo ja, of in deze lagere regelgeving zal worden
opgenomen dat de vergoeding voor een lid van een adviescollege of
commissie niet hoger zal zijn dan het salaris van een minister. De leden
van de PVV-fractie achten een maximumvergoeding gelijk aan het salaris
van een Kamerlid is voor leden van een adviescollege of commissie meer
dan voldoende.

In de op basis van artikel 2, vierde lid, van het wetsvoorstel vast te
stellen algemene maatregel van bestuur zal inderdaad worden voorzien in
een anticumulatieregeling. De hoogte van de vergoeding zal dat van een
ministerssalaris niet overtreffen en past daarmee ook binnen de in het
coalitieakkoord afgesproken beloningsstructuur van de inkomens in de
publieke en semi-publieke sector, waarbij het ministerssalaris de norm
is.

Artikelen 3 en 4 

De leden van de CDA-fractie vragen of vergoedingen van reeds bestaande
adviescolleges en commissies ook onder de werking van het wetsvoorstel
vallen.

In artikel 3 van het wetsvoorstel is bepaald dat de
vergoedingsregelingen van reeds bestaande adviescolleges worden
gesauveerd om te voorkomen dat na de inwerkingtreding van deze wet voor
alle bestaande adviescolleges opnieuw een vergoedingsregeling moet
worden vastgesteld. Artikel 4 kent een vergelijkbare overgangsregeling
voor beschikkingen en koninklijke besluiten die voorafgaand aan de
inwerkingtreding van dit wetsvoorstel op basis van het
Vacatiegeldenbesluit 1988 zijn genomen.

DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES,

Mevrouw dr. G. ter Horst

 PAGE   4 

 PAGE   4