[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

Advies Raad van State

Wijziging van enkele socialezekerheidswetten teneinde de Sociale verzekeringsbank en het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de mogelijkheid te geven om van terugvordering af te zien door medewerking aan voorstellen tot schuldregeling

Advies Afdeling advisering Raad van State

Nummer: 2008D03167, datum: 2008-09-08, bijgewerkt: 2024-02-19 10:56, versie: 1

Directe link naar document (.doc), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Onderdeel van zaak 2008Z01910:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


No.W12.08.0176/III	's-Gravenhage, 13 juni 2008

Bij Kabinetsmissive van 21 mei 2008, no.08.001486, heeft Uwe Majesteit,
op voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid, mede namens de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt
het voorstel van wet tot wijziging van enkele socialezekerheidswetten
teneinde de Sociale verzekeringsbank en het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen de mogelijkheid te geven om van terugvordering
af te zien door medewerking aan voorstellen tot schuldregeling, met
memorie van toelichting.

Het voorstel beoogt het treffen van een minnelijke schuldenregeling te
vergemakkelijken in die gevallen waarin het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV) of de Sociale Verzekeringsbank (SVB) ÊÊn
van de schuldeisers is. Thans hebben deze instanties geen wettelijke
mogelijkheid om vrijwillig aan een minnelijke regeling mee te werken, en
moet medewerking worden afgedwongen via rechterlijke tussenkomst. Het
voorstel bevat de voorwaarden waaronder het UWV en de SVB aan een
dergelijke regeling mogen meewerken. Voorts worden vorderingen van het
UWV en de SVB bevoorrecht. Dit betreft een voorrecht op alle goederen.
In rangorde komen deze vorderingen onmiddellijk na de vorderingen uit
artikel 288 van boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.

De Raad van State onderschrijft de strekking van het voorstel voor
medewerking aan een minnelijke regeling, maar maakt opmerkingen over de
wettelijke bevoorrechting van de vorderingen van UWV en de SVB. Hij is
van oordeel dat in verband daarmee aanpassing van het voorstel wenselijk
is.

1.	De bevoorrechting van alle vorderingen van het UWV en de SVB op grond
van sociale zekerheidswetten leidt er volgens het voorstel toe dat in
een minnelijk traject van schuldsanering ten behoeve van natuurlijke
personen bij de uitdeling op de vorderingen van het UWV en SVB, zolang
zij niet volledig zijn voldaan, twee keer zoveel wordt betaald als op
concurrente vorderingen. Ook wanneer het gaat om een wettelijke
schuldsanering ten behoeve van natuurlijke personen geldt dit ingevolge
artikel 349 van de Faillissementswet. In geval van faillissement worden
deze vorderingen, zowel op natuurlijke personen als op rechtspersonen,
bij voorrang boven concurrente vorderingen voldaan. De toelichting
motiveert de algemene preferentie door deze vorderingen te vergelijken
met die van de belastingdienst en van gemeenten, die op grond van de wet
ook gaan boven de vorderingen van andere schuldeisers. Voorts wordt
opgemerkt dat het hier gaat om publieke middelen. Ten slotte stelt de
toelichting dat een uitkering op voorhand niet kan worden geweigerd
wegens het aangaan van schulden door de betrokkene.

De Raad merkt het volgende op.

a.	Bevoorrechting van vorderingen doorbreekt de gelijkheid van
crediteuren (paritas creditorum). De fiscus heeft van oudsher een
bevoorrechte positie voor belastingschulden. Gemeenten hebben een
bevoorrechte positie ten aanzien van vorderingen op grond van onder meer
de Wet werk en bijstand. Nu wordt een algemene preferentie voor de
vorderingen van het UWV en de SVB voorgesteld. Het grote aantal
bevoorrechte vorderingen leidt ertoe dat de positie van de concurrente
crediteuren, met bijvoorbeeld een vordering wegens schadevergoeding uit
onrechtmatige daad of tot verkrijging van (achterstallige)
kinderalimentatie, in een schuldenregeling of een faillissement zwak is.
In veel gevallen krijgen deze crediteuren niets uitgekeerd. Elke nieuwe
bevoorrechte vordering verzwakt hun positie verder. Voortdurende
uitbreiding van de bevoorrechting van vorderingen leidt tot uitholling
van het uitgangspunt van gelijkheid van crediteuren. Daarom dient
terughoudend te worden omgegaan met het in het leven roepen van nieuwe
preferente vorderingen, en steeds zorgvuldig te worden afgewogen of het
belang van de te bevoorrechten crediteur moet opwegen tegen de
verslechtering van de positie van de overige crediteuren.

Gelet hierop acht de Raad de motivering voor de bevoorrechting in de
toelichting onvoldoende. Het gegeven dat de vorderingen van de
belastingdienst en die van de gemeenten op grond van de Wet werk en
bijstand bevoorrecht zijn, is op zichzelf onvoldoende reden om ook de
vorderingen van het UWV en de SVB ook bevoorrecht te doen zijn. Dat het
gaat om uitkeringen, die ook als er al schulden zijn gemaakt, niet
geweigerd kunnen worden, en om publieke middelen, brengt op zichzelf nog
niet mee dat deze vorderingen steeds zouden moeten voorgaan boven die
van concurrente crediteuren.

In de toelichting wordt verwezen naar het advies van de Commissie
Insolventierecht (Commissie Kortmann) die een voorontwerp voor een
Insolventiewet heeft voorbereid. Daarin is het gehele stelsel van
voorrechten opnieuw bezien. In dit licht adviseert de Raad om niet op
dit moment nieuwe algemene voorrechten in het leven te roepen, maar de
bevoorrechting van vorderingen te bezien in het bredere kader van alle
preferenties, aan de orde bij een nieuwe Insolventiewet.

Anders dan bijvoorbeeld bij vorderingen van gemeenten op grond van de
Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
gewezen zelfstandigen ziet de bevoorrechting ook op boetes. Volgens de
toelichting ligt het niet voor de hand dat
sociaalverzekeringsrechtelijke boetes worden toegelaten tot een
(buiten)gerechtelijke schuldregeling, omdat het kwijtschelden van boetes
maatschappelijk als onaanvaardbaar wordt gezien en daarmee een verkeerd
signaal wordt afgegeven. Voor zover deze boetes toch tot een
schuldregeling worden toegelaten zijn deze vorderingen preferent, aldus
de toelichting. De Raad vindt deze motivering onvoldoende. Boetes moeten
worden betaald, maar andere vorderingen, zoals
schadevergoedingsvorderingen, ook. Het is maatschappelijk evenzeer niet
aanvaardbaar dat bijvoorbeeld een letselschadeslachtoffer zijn schade in
een schuldsanering niet betaald kan krijgen maar de boete wel (deels)
betaald zou worden.

De Raad adviseert de bevoorrechting nader te bezien en in elk geval van
een meer dragende motivering te voorzien. Hij adviseert, indien de
voorgenomen bevoorrechting gehandhaafd blijft, de boetes hiervan uit te
zonderen.

b.	De bevoorrechting ziet op alle vorderingen van het UWV en de SVB op
grond van socialezekerheidswetten. Dat betreft niet alleen vorderingen
jegens natuurlijke personen op grond van de terugvordering van ten
onrechte verstrekte uitkeringen, maar bijvoorbeeld ook vorderingen
jegens werkgevers op grond van achterstallige werkgeversbijdragen. De
bevoorrechting werkt ook voor alle vorderingen in de situatie van
faillissement. Het wetsvoorstel beoogt slechts onder voorwaarden het
minnelijke schuldsaneringstraject voor vorderingen van het UWV en de SVB
jegens natuurlijke personen mogelijk te maken. Gelet op dit doel ligt
het voor de hand de bevoorrechting te beperken tot de gevallen waarin
een minnelijk schuldsaneringstraject tot stand komt. Dit kan bereikt
worden door in de socialezekerheidswetten een bepaling op te nemen dat
in een uitdeling op grond van een minnelijk schuldsaneringstraject op de
vorderingen van het UWV en de SVB twee keer zoveel wordt betaald.

De Raad adviseert de bevoorrechting te beperken tot de minnelijke
schuldregeling ten behoeve van natuurlijke personen.

2.	Voor redactionele kanttekeningen verwijst de Raad naar de bij het
advies behorende bijlage.

De Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet te zenden
aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, nadat met het vorenstaande
rekening zal zijn gehouden.

De Vice-President van de Raad van State,

Bijlage bij het advies van de Raad van State betreffende
no.W12.08.0176/III met redactionele kanttekeningen die de Raad in
overweging geeft.

In artikel II "Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen" telkens vervangen door: Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen.

In artikel III "Wet op de arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten" telkens vervangen door: Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten.

In artikel XI in de zinsnede "Wet inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers" na "arbeidsongeschikte" het
woord "werkloze" invoegen.

In onderdeel 5 van de artikelen XI en XII, alsmede in onderdeel 4 van
artikel XIII telkens verwijzen naar de juiste bepalingen met betrekking
tot de inlichtingenplicht en de boete.

In artikel 25a, vierde lid, van de Wet IOAW, artikel 25a, vierde lid,
van de Wet IOAZ en in artikel 31, vierde lid, van de Wet werk en inkomen
kunstenaars, de zinsnede "Het besluit tot gedeeltelijk afzien van
terugvordering of gedeeltelijk afzien van verdere terugvordering,
wijzigen in "Het besluit tot het afzien van terugvordering of van
verdere terugvordering", teneinde aan te sluiten bij de tekst van het
derde lid van deze bepalingen.

 PAGE    

  PAGE  3 

 PAGE   I 

AAN DE KONINGIN

........................................................................
...........