Memo dechargeverlening door CRU
Overig (openbaar)
Nummer: 2009D18292, datum: 2009-04-14, bijgewerkt: 2025-05-21 12:24, versie: 3
Directe link naar document (.doc), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: E.A.J. Groen, griffier
Preview document (🔗 origineel)
BOR NOTITIE Aan Commissie voor de Rijksuitgaven Onderwerp Dechargeverlening (achtergrondnotitie) Te betrekken bij Bijsturen werkprogramma commissie RU (09-RU-N-005) Nummer 09-BOR-N-040 / 09-RU-N-006 Datum 14 april 2009 Dienst DocVariable "Dienst::[Diensten]" DefaultValue:=[Dienst] Bureau Onderzoek en Rijksuitgaven Gesteld door Rob de Bakker Toestel DocVariable "Toestel" DefaultValue:=[Doorkiesnummer] 2315 Samenvatting Dechargeverlening is sinds midden jaren ’90 eigenlijk een formaliteit. In 1995 werd voor het laatst decharge opgeschort. In de Comptabiliteitswet is geregeld dat decharge alleen betrekking heeft op het financiële beheer van de ministers en geen betrekking heeft op het gevoerde beleid en de behaalde beleidsresultaten. De Kamer heeft - naast explicietere aandacht voor dechargeverlening - drie mogelijkheden om dechargeverlening ook inhoudelijk meer gewicht te geven. De eerste twee opties kunnen worden vormgegeven binnen de bestaande wettelijke kaders. Voor de derde optie zou een wijziging van de Comptabiliteitswet nodig zijn: 1. Eigen weging bevindingen van de Algemene Rekenkamer Niet alleen de (schaarse) bezwaren van de Algemene Rekenkamer, maar ook de (ernstige) onvolkomenheden die de AR signaleert en de reacties van de bewindspersonen hierop, zouden door de Kamer expliciet kunnen worden betrokken bij de dechargeverlening. De Kamer zou vanuit haar eigen controlerende rol meer gewicht kunnen geven aan (ernstige) onvolkomenheden die niet direct tot een formeel bezwaar van de Rekenkamer leiden, maar die de Kamer zelf wel van cruciaal belang acht. De Kamer zou zo meer druk kunnen leggen op de oplossing van deze onvolkomenheden door de betreffende ministers. 2. Eigen waarnemingen Kamer De Algemene Rekenkamer controleert op strijdigheden met (begrotings-)wetten en op administratieve onvolkomenheden. De Kamer zou daarnaast meer inhoudelijk en in breder verband kunnen beoordelen of de ministers (andere) afspraken met de Kamer nakomen, zoals toezeggingen, moties en uitkomsten uit debatten. Het gaat hier dan uiteraard nog steeds alleen over financiële zaken. 3. Uitbreiding reikwijdte dechargeverlening De Kamer zou zich de principiëlere vraag kunnen stellen of dechargeverlening – naast op het financiële beheer - ook betrekking zou moeten hebben op de doeltreffendheid en doelmatigheid van het gevoerde beleid. Deze bredere reikwijdte van dechargeverlening zou in principe aansluiten op de ontwikkelingen die begroting en jaarverslag de laatste jaren als gevolg van VBTB hebben doorgemaakt. De Kamer beoordeelt met deze huidige begrotingen en jaarverslagen de ministers feitelijk al jaarlijks op hun voorgenomen en bereikte beleidsprestaties en doelstellingen. Met een grotere reikwijdte van dechargeverlening zou extra nadruk kunnen worden gelegd op het belang van de jaarlijkse verantwoording. N.B. In de procedurevergadering van de commissie voor de Rijksuitgaven d.d. 16 april 2009 heeft de commissie besloten vooralsnog geen voorstander te zijn van deze derde optie. Inleiding Het sluitstuk van de begrotingscyclus is de goedkeuring van de slotwetten door de Tweede Kamer met hieraan gekoppeld de decharge-verlening voor het gevoerde financieel beheer aan de betreffende ministers. De dechargeverlening was de laatste jaren een formaliteit. Tijdens de laatste regeling van werkzaamheden voor het zomerreces deed de voorzitter voorstellen om decharge te verlenen, zoals het volgende voorbeeld: De voorzitter: Ik stel voor, de slotwetten over 2006, te weten de hoofdstukken I t/m XVI en de fondsen A t/m G (31031), zonder stemming aan te nemen. Voorts stel ik voor, de bij de jaarverslagen over het jaar 2006 van de ministeries en fondsen behorende rapporten van de Algemene Rekenkamer voor kennisgeving aan te nemen en de desbetreffende ministers decharge te verlenen voor het door hen gevoerde financiële beheer. Overeenkomstig de voorstellen van de voorzitter wordt besloten. In september verleent ook de Eerste Kamer langs dezelfde lijnen decharge. Deze notitie behandelt de recente geschiedenis van dechargeverlening (§ 2), de wettelijke bepalingen (§ 3), enkele voorbeelden uit de omgeving en eindigt met enkele mogelijkheden die de Kamer heeft om decharge meer inhoud te geven. Recente geschiedenis De Tweede Kamer heeft – voor zover wij hebben kunnen nagaan – nog nooit decharge geheel onthouden, maar heeft deze wel opgeschort. De laatste maal dat dechargeverlening werd opgeschort was in 1995, naar aanleiding van een bezwaar van de Algemene Rekenkamer van de bij de financiële verantwoording over 1994. Toen ging het om een bezwaar tegen bijna 10 miljoen gulden aan onrechtmatige uitgaven in 1994 aan rechtspositionele uitkeringen aan onderwijspersoneel. Dit was overigens ook de laatste maal dat de Rekenkamer bezwaar heeft gemaakt. Naar aanleiding van dit bezwaar diende de minister van OCW een indemniteitswet in, waarin hij de Kamer vroeg om alsnog de uitgave goed te keuren die de Algemene Rekenkamer als onrechtmatig heeft beoordeeld. Begin 1997 werd decharge uiteindelijk verleend. Vóór de versnelling van de financiële verantwoording, een van de resultaten van de operatie Comptabel Bestel die begin jaren ’90 werd afgerond, was het gebruikelijk om de jaarstukken en dus ook de decharge pas enkele jaren na het begrotingsjaar te verlenen. Deze ‘verjaring’ had de facto ook zijn weerslag op de inhoudelijke betekenis van de dechargeverlening. Een ander resultaat van de operatie Comptabel Bestel is de vereiste goedkeurende verklaring van de Algemene Rekenkamer. Dit is in de jaren na de operatie de enige grondslag geweest voor het opschorten van de dechargeverlening door de Tweede Kamer. Wettelijke bepalingen Reikwijdte decharge Artikelen 63 en 64 van de Comptabiliteitswet 2001 vormen de de basis voor dechargeverlening door de Tweede Kamer. Artikel 63 1. Ter verlening van decharge door beide Kamers der Staten-Generaal aan Onze betrokken Ministers over het gevoerde financiële beheer in een verslagjaar, zendt Onze Minister van Financiën op de derde woensdag van mei van het jaar volgend op het verslagjaar de door de Algemene Rekenkamer onderzochte departementale en niet-departementale jaarverslagen, alsmede het door de Algemene Rekenkamer onderzochte Financieel jaarverslag van het Rijk aan de Tweede Kamer. Het Financieel jaarverslag van het Rijk wordt tevens aan de Eerste Kamer gezonden. 2. Indien de derde woensdag van mei valt in een periode waarin de Tweede Kamer der Staten-Generaal in verband met de verkiezing van de leden van die Kamer niet in vergadering bijeenkomt, wordt als datum van inzending van de in het eerste lid bedoelde bescheiden aangehouden de tweede woensdag na de eerste samenkomst van de nieuw gekozen Tweede Kamer. 3. Gelijktijdig met deze stukken zendt Onze Minister van Financiën in voorkomende gevallen aan de Tweede Kamer een overzicht van de jaarverslagen, van de slotwetsvoorstellen en van de voorstellen van een indemniteitswet die niet uiterlijk op de woensdag, bedoeld in het eerste dan wel het tweede lid, aan de Tweede Kamer worden gezonden, met de reden daarvan. 4. In voorkomende gevallen zendt Onze betrokken Minister, in een aanvulling op het betrokken jaarverslag, zijn standpunt inzake het in artikel 89, derde lid, bedoelde bezwaar van de Algemene Rekenkamer zo spoedig mogelijk, doch in elk geval vóór de behandeling van het jaarverslag door de Tweede Kamer, aan de Tweede Kamer. Artikel 64 1. Decharge aan Onze Ministers wordt verleend aan de hand van de betrokken jaarverslagen door daartoe strekkende uitspraken van elk van de beide Kamers der Staten-Generaal. Decharge wordt niet eerder verleend dan nadat de verklaring van goedkeuring van de Algemene Rekenkamer, bedoeld in artikel 83, derde lid, is ontvangen en het betrokken slotwetsvoorstel, en in voorkomende gevallen een voorstel van een indemniteitswet, is aangenomen. 2. Nadat de Tweede Kamer Onze betrokken Minister decharge heeft verleend, plaatst de voorzitter van die Kamer op het betrokken jaarverslag een aantekening, waaruit de verlening van de decharge en de datum waarop die heeft plaatsgevonden, blijken. Het jaarverslag wordt daarop ter behandeling doorgezonden aan de voorzitter van de Eerste Kamer. 3. Nadat de Eerste Kamer Onze betrokken Minister decharge heeft verleend, plaatst de voorzitter van die Kamer op het betrokken jaarverslag een aantekening, waaruit de verlening van decharge en de datum waarop die heeft plaatsgevonden, blijken. Het jaarverslag wordt vervolgens door de voorzitter van de Eerste Kamer aan Onze Minister van Financiën gezonden. 4. Onze Minister van Financiën doet aan Onze Ministers en aan de Algemene Rekenkamer mededeling van de dechargeverleningen die hebben plaatsgevonden. Uit artikel 63 blijkt dat dechargeverlening specifiek betrekking heeft op het financiële beheer van de betreffende ministers. Decharge dekt dus niet de lading die de begrotingen en jaarverslagen als gevolg van VBTB hebben gekregen. Dit is destijds een expliciete keuze van de toenmalige minister van Financiën geweest, waarmee de Kamer heeft ingestemd. In de memorie van toelichting van de CW licht de minister van Financiën de keuze voor deze definitie van dechargeverlening expliciet toe: In het eerste lid is geen uitbreiding gegeven aan de reikwijdte van de dechargeverlening van de ministers door de Staten-Generaal. In het rapport Jaarverslag in de politieke arena van een ambtelijke werkgroep, ingesteld door de Commissie voor de Rijksuitgaven is een ruime definitie van dechargeverlening gehanteerd. Daaronder werd door de werkgroep zowel de formele decharge over het door een minister gevoerde financiële beheer verstaan als de materiële decharge over het gevoerde beleid en de kosten daarvan. Ik acht dat niet opportuun. Materiële “dechargeverlening” over beleid wordt staatsrechtelijk doorlopend verleend op de momenten dat een minister zich in een van beide kamers der Staten- Generaal moet verantwoorden over voorgenomen of uitgevoerd beleid. Zolang een minister daarbij het vertrouwen van de meerderheid van elk der kamers niet verliest, wordt materieel “gedechargeerd”. Op deze wijze kan een minister dus ook materieel “gedechargeerd” worden aan de hand van (de behandeling van) een departementaal jaarverslag door de Staten-Generaal. Daarvoor hoeft in de CW niets extra geregeld te worden. Waar het om gaat is dat een minister zich op transparante wijze verantwoordt over het gevoerde beleid. In het algemeen zal dat het geval zijn als het departementaal jaarverslag wordt gepresenteerd op de wijze als elders in deze wet (en in de daarop gebaseerde lagere regelgeving) is voorgeschreven. Het is jaarlijks aan de beide kamers der Staten-Generaal om aan de hand van elk departementaal jaarverslag afzonderlijk te oordelen of de betrokken minister zich op een voldoende transparante wijze heeft verantwoord. De formele dechargeverlening over het gevoerde financieel beheer dient wel in de CW een wettelijke basis te behouden. Ik hecht er dus aan dat de formele dechargeverlening in de CW gekoppeld blijft aan het financieel beheer. Ik zie dit ook in samenhang met de autorisatiebeslissing rond de begroting. Het verlenen van autorisatie hangt rechtstreeks samen met het budgetrecht van de Staten-Generaal. De nota-VBTB heeft, zoals uitvoerig in een brief aan de Staten-Generaal (kamerstukken II, 2000/2001, 26.573, nr. 49) is toegelicht, onder meer tot doel het budgetrecht van de Kamer te versterken. Deze versterking van het budgetrecht leidt evenwel niet als vanzelfsprekend tot een wijziging van de autorisatiebeslissing. Deze laatste zal zich primair blijven richten op het ter beschikking stellen van een budget op het niveau van een begrotingsartikel. Vanuit die optiek dient de reikwijdte van de dechargebeslissing te worden gespiegeld aan de reikwijdte van de autorisatiebeslissing; het gaat uiteindelijk bij dechargeverlening om de vraag of een minister het hem toegekende budget op een rechtmatige en doelmatige wijze heeft beheerd. Bron: Memorie van toelichting Comptabiliteitswet 2001 Bezwaar Algemene Rekenkamer Uit de artikelen 63 en 64 wordt verder duidelijk waarom de Algemene Rekenkamer een centrale rol speelt bij de dechargeverlening door de Kamer. De Rekenkamer kan namelijk bezwaar maken als een minister in strijd met de regels geld uitgeeft of mogelijke ontvangenst niet int, of onregelmatigheden in de administratie van zijn of haar ministerie laat voortbestaan. Het aantekenen van bezwaar is een ultimum remedium van de Algemene Rekenkamer. Dit verklaart mede waarom de Rekenkamer dit in 1995 voor het laatst heeft gedaan. De artikelen 83 tot en met 89 van de Comptabiliteitswet bevatten de bepalingen ten aanzien van de gang van zaken rond bezwaar door de Rekenkamer. In de memorie van toelichting van de CW (zie kader onder) wordt dit toegelicht. Er bestaan twee soorten bezwaar: bezwaar wegens geconstateerde onjuistheden en bezwaar vanwege het onbreken van een redelijke mate van zekerheid over de uitgaven of inkomsten. Als de Rekenkamer bezwaar aantekent vanwege onjuistheden, dan gaat het om een strijdigheid met wetten. De minister moet dan een indemniteitswet indienen bij het parlement. Dit is een wet waarbij het parlement alsnog een uitgave goedkeurt die de Algemene Rekenkamer als onrechtmatig heeft beoordeeld. Als de Rekenkamer bezwaar aantekent vanwege het ontbreken van redelijke zekerheid, dan hoeft geen wettelijke oplossing gevonden te worden, omdat niet duidelijk is of sprake is van strijdigheid met wetten. De Rekenkamer maakt hiervan wel melding in haar rapporten en plaatst een aantekening bij de rekening van het Rijk. De betrokken minister dient zijn standpunt hierover uiteen te zetten, zo mogelijk in de toelichting bij de geïntegreerde slotwet/rekening. Beide gevallen van bezwaar worden dus expliciet aan het parlement voorgelegd, zodat het parlement zich hierover kan uitspreken. 4. Bezwaren van de Algemene Rekenkamer ten aanzien van het gevoerde financiële beheer en de verantwoording daarover Bij haar onderzoek van het gevoerde financiële beheer en de verantwoording daarover kan de Rekenkamer onjuistheden met betrekking tot de rechtmatigheid constateren. Ook kan het voorkomen dat het onderzoek van de Rekenkamer niet tot een redelijke mate van zekerheid ten aanzien van de rechtmatigheid leidt. De onjuistheden kunnen - evenals in de CW(76) -leiden tot bezwaren die de Rekenkamer ter kennis brengt van de betrokken minister. Deze zal er naar moeten streven de bezwaren van de Rekenkamer op te heffen. In het onderhavige voorstel van wet kan ook het ontbreken van een redelijke mate van zekerheid ten aanzien van de rechtmatigheid tot bezwaren leiden. De uiteindelijke afhandeling van deze bezwaren volgt in het voorstel van wet een andere weg dan de afhandeling van de bezwaren die voortvloeien uit onjuistheden in de rechtmatigheidssfeer. Bezwaren ten aanzien van onjuistheden betreffen aanwijsbare onjuistheden met betrekking tot de deugdelijke weergave van (groepen van) posten en/of rechtmatigheid van (groepen van) posten. Een minister kan de bezwaren van de Rekenkamer bijvoorbeeld opheffen door een foutieve aanwijzing op een begrotingsartikel te corrigeren. In bepaalde gevallen - bijvoorbeeld als een subsidie niet overeenkomstig de subsidieregeling is toegekend - zal het veelal niet mogelijk zijn geconstateerde onjuistheden met betrekking tot de rechtmatigheid van bepaalde posten te herstellen. Men kan slechts door het treffen van maatregelen voorkomen dat in de toekomst de geconstateerde fouten opnieuw worden gemaakt. In de aard en omvang van die maatregelen zou de Rekenkamer aanleiding kunnen vinden het bezwaar op te heffen. Heft een minister het bezwaar van de Rekenkamer ten aanzien van de rechtmatigheid niet op, dan zal hij uiteindelijk de Staten-Generaal via een voorstel van wet (een zogeheten indemniteitswet) moeten verzoeken het bezwaar op te heffen. Er kan dan langs formeel-juridische weg een afhandeling van de geconstateerde onjuistheid plaatsvinden. In het onderhavige voorstel van wet is deze indemniteitswetprocedure gehandhaafd (artikel 56, eerste en tweede lid). Het kan ook voorkomen dat de Rekenkamer geen aanwijsbare onjuistheden met betrekking tot de deugdelijkheid van de financiële verantwoording of de rechtmatigheid van bepaalde posten constateert, maar zich ook geen redelijke mate van zekerheid kan verschaffen dat deze onjuistheden niet voorkomen. De oorzaak hiervan kan gelegen zijn in: - tekortkomingen in de administratieve organisatie (inclusief interne controle); - tekortkomingen met betrekking tot de bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik bij de uitvoering van wettelijke regelingen; - tekortkomingen in de (interne) departementale accountantscontrole. De werkwijze van de Rekenkamer gaat er immers vanuit dat gebruik gemaakt kan worden van de controles van de departementale accountantsdiensten. Als dat niet mogelijk is doordat de departementale accountantsdienst bijvoorbeeld niet alle verplichtingen, uitgaven en ontvangsten controleert, zal het voor de Rekenkamer moeilijk, zo niet onmogelijk zijn een oordeel te geven over dat deel van het gevoerde financiële beheer. Al deze tekortkomingen kunnen volgens het onderhavige voorstel van wet - en dat is een nieuwe bepaling in de CW - leiden tot bezwaren van de Rekenkamer ten aanzien van het financiële beheer. Ook deze bezwaren zal een minister moeten trachten op te heffen. Worden deze bezwaren naar het oordeel van de Rekenkamer niet opgeheven, bijvoorbeeld omdat de Rekenkamer er niet van overtuigd is dat de tekortkomingen in de toekomst niet opnieuw zullen voorkomen, dan kan dit evenwel niet leiden tot een indemniteitswetprocedure; er is namelijk geen strijdigheid van posten met wetten geconstateerd. Het voorstel van wet voorziet erin dat de Rekenkamer van dergelijke gevallen in haar rapport bij de financiële verantwoording eventueel melding maakt en daaromtrent een aantekening plaatst bij de rekening van het Rijk. Bovendien dient de betrokken minister over die aantekening (het gehandhaafde bezwaar) - zo mogelijk in de toelichting bij de geïntegreerde slotwet/rekening -zijn standpunt uiteen te zetten (artikel 56, derde en vierde lid), teneinde te bevorderen dat de Staten-Generaal zich op basis van uitvoerige informatie over het niet-opgeheven bezwaar zullen kunnen uitspreken. Dat kan ertoe leiden dat de Staten-Generaal uitspreken dat zij in de toelichting van begrotingen van daarop volgende jaren geïnformeerd willen worden over de vorderingen die worden gemaakt met bijvoorbeeld het verbeteren van de administratieve organisatie of van de interne (accountants)controle. Bron: Memorie van toelichting Comptabiliteitswet 2001 In de regel maakt de Rekenkamer niet direct bezwaar - uitgezonderd bij zeer ernstige onvolkomheden – maar krijgen de ministers eerst de gelegenheid om maatregelen te treffen. De Rekenkamer voert dan eerst een bezwaaronderzoek uit om vast te stellen of sprake is van structurele ernstige problemen, alvorens daadwerkelijk bezwaar te maken. Enkele voorbeelden uit ‘de omgeving’ EU-begroting 2006 Minister Bos heeft in de Ecofin namens Nederland tegen decharge van de EU-begroting 2006 gestemd. Dat was de eerste maal in 13 jaar. De minister wilde hiermee een duidelijk signaal afgeven. Het Europees Parlement heeft pas decharge verleend na aanvullende afspraken en concessies van de Europese Commissie, oa. over het bereiken van een positieve verklaring van de Europese Rekenkamer en het terugvorderen van bepaalde onrechtmatige uitgaven, bijvoorbeeld bij aanbestedingen die niet aan de regels voldoen. Arbeidsvoorziening De minister van Sociale Zaken heeft in 2003 dechargeverlening aan de oud-bestuurders van Arbeidsvoorziening aanvankelijk geweigerd. Dit besluit was gebaseerd op drie punten: de behandeling van ESF-subsidieaanvragen door de Regionale Besturen Arbeidsvoorziening, de rechtspositionele regelingen die in 2000 en 2001 gesloten zijn met het hoger management van het Centraal Bestuur Arbeidsvoorziening en de algemene taakvervulling. Bezien in het licht van de aanzienlijke tekorten van Arbeidsvoorziening in 2000 en 2001 lag volgens de minister het verlenen van decharge niet in de rede. De minister volgde hiermee het advies van de landsadvocaat. Mogelijkheden om decharge meer inhoud te geven Naast explicietere aandacht voor dechargeverlening heeft de Kamer drie mogelijkheden om dechargeverlening ook inhoudelijk meer gewicht te geven. De eerste twee opties kunnen worden vormgegeven binnen de bestaande wettelijke kaders. Voor de derde optie zou een wijziging van de Comptabiliteitswet nodig zijn: 1. Eigen weging bevindingen van de Algemene Rekenkamer Niet alleen de (schaarse) bezwaren van de Algemene Rekenkamer, maar ook de (ernstige) onvolkomenheden die de AR signaleert en de reacties van de bewindspersonen hierop, zouden door de Kamer expliciet kunnen worden betrokken bij de dechargeverlening. De Kamer zou vanuit haar eigen controlerende rol meer gewicht kunnen geven aan (ernstige) onvolkomenheden die niet direct tot een formeel bezwaar van de Rekenkamer leiden, maar die de Kamer zelf wel van cruciaal belang acht. De Kamer zou zo meer druk kunnen leggen op de oplossing van deze onvolkomenheden door de betreffende ministers. 2. Eigen waarnemingen Kamer De Algemene Rekenkamer controleert op strijdigheden met (begrotings-)wetten en op administratieve onvolkomenheden. De Kamer zou daarnaast meer inhoudelijk en in breder verband kunnen beoordelen of de ministers (andere) afspraken met de Kamer nakomen, zoals toezeggingen, moties en uitkomsten uit debatten. Het gaat hier dan uiteraard nog steeds alleen over financiële zaken. Zo zou bijvoorbeeld de Kamer bijvoorbeeld kunnen nagaan of de begrotingsmiddelen wel zijn uitgegeven - de Kamer maximeert immers met de begroting alleen de uitgaven, maar kan met goedkeuring van de begroting alleen geen uitgaven afdwingen. Ook zou de Kamer kunnen nagaan of de uitgaven niet alleen naar de letter, maar ook naar de geest van de afspraken met de Kamer zijn gedaan. Daarnaast zouden mogelijk ook signalen van andere externe partijen dan de AR kunnen worden gebruikt voor de behandeling van het jaarverslag. 3. Uitbreiding reikwijdte dechargeverlening De Kamer zou zich de principiëlere vraag kunnen stellen of dechargeverlening – naast op het financiële beheer - ook betrekking zou moeten hebben op de doeltreffendheid en doelmatigheid van het gevoerde beleid. Zo’n bredere reikwijdte van dechargeverlening zou in principe aansluiten op de ontwikkelingen die begroting en jaarverslag de laatste jaren als gevolg van VBTB hebben doorgemaakt. De Kamer beoordeelt met deze begrotingen en jaarverslagen de ministers feitelijk al jaarlijks op hun voorgenomen en bereikte beleidsprestaties en doelstellingen. Met een grotere reikwijdte van dechargeverlening zou een extra nadruk kunnen worden gelegd op het belang van de jaarlijkse verantwoording. Voor deze uitbreiding van de reikwijdte van dechargeverlening zou dan wel de Comptabiliteitswet aangepast moeten worden. Daarnaast zouden eventuele gevolgen voor de informatiebehoefte van de Kamer nog geanalyseerd kunnen worden. N.B. In de procedurevergadering van de commissie voor de Rijksuitgaven d.d. 16 april 2009 heeft de commissie besloten vooralsnog geen voorstander te zijn van deze derde optie. - 0 – 0 – 0 - TK 25205, nr. 1. Datum 14 april 2009 Referentie 09-BOR-N-040 / 09-RU-N-006 Dechargeverlening Onderwerp Decharge Deze notitie is uitsluitend bedoeld voor intern gebruik door de leden Bladzijde PAGE 6 Deze notitie is uitsluitend bedoeld voor intern gebruik door de leden