[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

Memo dechargeverlening door CRU

Overig (openbaar)

Nummer: 2009D18292, datum: 2009-04-14, bijgewerkt: 2025-05-21 12:24, versie: 3

Directe link naar document (.doc), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen:

Preview document (🔗 origineel)




BOR NOTITIE





Aan	Commissie voor de Rijksuitgaven

	Onderwerp	Dechargeverlening (achtergrondnotitie)

Te betrekken bij	Bijsturen werkprogramma commissie RU (09-RU-N-005)

Nummer	09-BOR-N-040 / 09-RU-N-006

Datum	14 april 2009

Dienst	  DocVariable "Dienst::[Diensten]"   DefaultValue:=[Dienst]  
Bureau Onderzoek en Rijksuitgaven 

Gesteld door	Rob de Bakker

Toestel	  DocVariable "Toestel"   DefaultValue:=[Doorkiesnummer]    2315

Samenvatting

Dechargeverlening is sinds midden jaren ’90 eigenlijk een formaliteit.
In 1995 werd voor het laatst decharge opgeschort.

In de Comptabiliteitswet is geregeld dat decharge alleen betrekking
heeft op het financiële beheer van de ministers en geen betrekking
heeft op het gevoerde beleid en de behaalde beleidsresultaten. 

De Kamer heeft - naast explicietere aandacht voor dechargeverlening -
drie mogelijkheden om dechargeverlening ook inhoudelijk meer gewicht te
geven. De eerste twee opties kunnen worden vormgegeven binnen de
bestaande wettelijke kaders. Voor de derde optie zou een wijziging van
de Comptabiliteitswet nodig zijn:

1. Eigen weging bevindingen van de Algemene Rekenkamer

Niet alleen de (schaarse) bezwaren van de Algemene Rekenkamer, maar ook
de (ernstige) onvolkomenheden die de AR signaleert en de reacties van de
bewindspersonen hierop, zouden door de Kamer expliciet kunnen worden
betrokken bij de dechargeverlening. De Kamer zou vanuit haar eigen
controlerende rol meer gewicht kunnen geven aan (ernstige)
onvolkomenheden die niet direct tot een formeel bezwaar van de
Rekenkamer leiden, maar die de Kamer zelf wel van cruciaal belang acht.
De Kamer zou zo meer druk kunnen leggen op de oplossing van deze
onvolkomenheden door de betreffende ministers. 

2. Eigen waarnemingen Kamer

De Algemene Rekenkamer controleert op strijdigheden met
(begrotings-)wetten en op administratieve onvolkomenheden. De Kamer zou
daarnaast meer inhoudelijk en in breder verband kunnen beoordelen of de
ministers (andere) afspraken met de Kamer nakomen, zoals toezeggingen,
moties en uitkomsten uit debatten. Het gaat hier dan uiteraard nog
steeds alleen over financiële zaken. 

3. Uitbreiding reikwijdte dechargeverlening 

De Kamer zou zich de principiëlere vraag kunnen stellen of
dechargeverlening – naast op het financiële beheer - ook betrekking
zou moeten hebben op de doeltreffendheid en doelmatigheid van het
gevoerde beleid. Deze bredere reikwijdte van dechargeverlening zou in
principe aansluiten op de ontwikkelingen die begroting en jaarverslag de
laatste jaren als gevolg van VBTB hebben doorgemaakt. De Kamer
beoordeelt met deze huidige begrotingen en jaarverslagen de ministers
feitelijk al jaarlijks op hun voorgenomen en bereikte beleidsprestaties
en doelstellingen. Met een grotere reikwijdte van dechargeverlening zou
extra nadruk kunnen worden gelegd op het belang van de jaarlijkse
verantwoording.  

N.B. In de procedurevergadering van de commissie voor de Rijksuitgaven
d.d. 16 april 2009 heeft de commissie besloten vooralsnog geen
voorstander te zijn van deze derde optie.

Inleiding

Het sluitstuk van de begrotingscyclus is de goedkeuring van de
slotwetten door de Tweede Kamer met hieraan gekoppeld de
decharge-verlening voor het gevoerde financieel beheer aan de
betreffende ministers. 

De dechargeverlening was de laatste jaren een formaliteit. Tijdens de
laatste regeling van werkzaamheden voor het zomerreces deed de
voorzitter voorstellen om decharge te verlenen, zoals het volgende
voorbeeld: 

De voorzitter: Ik stel voor, de slotwetten over 2006, te weten de
hoofdstukken I t/m XVI en de fondsen A t/m G (31031), zonder stemming
aan te nemen. Voorts stel ik voor, de bij de jaarverslagen over het jaar
2006 van de ministeries en fondsen behorende rapporten van de Algemene
Rekenkamer voor kennisgeving aan te nemen en de desbetreffende ministers
decharge te verlenen voor het door hen gevoerde financiële beheer.

Overeenkomstig de voorstellen van de voorzitter wordt besloten.

In september verleent ook de Eerste Kamer langs dezelfde lijnen
decharge.

Deze notitie behandelt de recente geschiedenis van dechargeverlening (§
2), de wettelijke bepalingen (§ 3), enkele voorbeelden uit de omgeving
en eindigt met enkele mogelijkheden die de Kamer heeft om decharge meer
inhoud te geven.  

Recente geschiedenis

De Tweede Kamer heeft – voor zover wij hebben kunnen nagaan – nog
nooit decharge geheel onthouden, maar heeft deze wel opgeschort. De
laatste maal dat dechargeverlening werd opgeschort was in 1995, naar
aanleiding van een bezwaar van de Algemene Rekenkamer van de bij de
financiële verantwoording over 1994. Toen ging het om een bezwaar tegen
bijna 10 miljoen gulden aan onrechtmatige uitgaven in 1994 aan
rechtspositionele uitkeringen aan onderwijspersoneel.

Dit was overigens ook de laatste maal dat de Rekenkamer bezwaar heeft
gemaakt. Naar aanleiding van dit bezwaar diende de minister van OCW een
indemniteitswet in, waarin hij de Kamer vroeg om alsnog de uitgave goed
te keuren die de Algemene Rekenkamer als onrechtmatig heeft beoordeeld.
Begin 1997 werd decharge uiteindelijk verleend. 

Vóór de versnelling van de financiële verantwoording, een van de
resultaten van de operatie Comptabel Bestel die begin jaren ’90 werd
afgerond, was het gebruikelijk om de jaarstukken en dus ook de decharge
pas enkele jaren na het begrotingsjaar te verlenen. Deze ‘verjaring’
had de facto ook zijn weerslag op de inhoudelijke betekenis van de
dechargeverlening. 

Een ander resultaat van de operatie Comptabel Bestel is de vereiste
goedkeurende verklaring van de Algemene Rekenkamer. Dit is in de jaren
na de operatie de enige grondslag geweest voor het opschorten van de
dechargeverlening door de Tweede Kamer. 

Wettelijke bepalingen

Reikwijdte decharge

Artikelen 63 en 64 van de Comptabiliteitswet 2001 vormen de de basis
voor dechargeverlening door de Tweede Kamer.

Artikel 63

1. Ter verlening van decharge door beide Kamers der Staten-Generaal aan
Onze betrokken Ministers over het gevoerde financiële beheer in een
verslagjaar, zendt Onze Minister van Financiën op de derde woensdag van
mei van het jaar volgend op het verslagjaar de door de Algemene
Rekenkamer onderzochte departementale en niet-departementale
jaarverslagen, alsmede het door de Algemene Rekenkamer onderzochte
Financieel jaarverslag van het Rijk aan de Tweede Kamer. Het Financieel
jaarverslag van het Rijk wordt tevens aan de Eerste Kamer gezonden.

2. Indien de derde woensdag van mei valt in een periode waarin de Tweede
Kamer der Staten-Generaal in verband met de verkiezing van de leden van
die Kamer niet in vergadering bijeenkomt, wordt als datum van inzending
van de in het eerste lid bedoelde bescheiden aangehouden de tweede
woensdag na de eerste samenkomst van de nieuw gekozen Tweede Kamer.

3. Gelijktijdig met deze stukken zendt Onze Minister van Financiën in
voorkomende gevallen aan de Tweede Kamer een overzicht van de
jaarverslagen, van de slotwetsvoorstellen en van de voorstellen van een
indemniteitswet die niet uiterlijk op de woensdag, bedoeld in het eerste
dan wel het tweede lid, aan de Tweede Kamer worden gezonden, met de
reden daarvan.

4. In voorkomende gevallen zendt Onze betrokken Minister, in een
aanvulling op het betrokken jaarverslag, zijn standpunt inzake het in
artikel 89, derde lid, bedoelde bezwaar van de Algemene Rekenkamer zo
spoedig mogelijk, doch in elk geval vóór de behandeling van het
jaarverslag door de Tweede Kamer, aan de Tweede Kamer.

Artikel 64

1. Decharge aan Onze Ministers wordt verleend aan de hand van de
betrokken jaarverslagen door daartoe strekkende uitspraken van elk van
de beide Kamers der Staten-Generaal.

Decharge wordt niet eerder verleend dan nadat de verklaring van
goedkeuring van de Algemene Rekenkamer, bedoeld in artikel 83, derde
lid, is ontvangen en het betrokken slotwetsvoorstel, en in voorkomende
gevallen een voorstel van een indemniteitswet, is aangenomen.

2. Nadat de Tweede Kamer Onze betrokken Minister decharge heeft
verleend, plaatst de voorzitter van die Kamer op het betrokken
jaarverslag een aantekening, waaruit de verlening van de decharge en de
datum waarop die heeft plaatsgevonden, blijken.

Het jaarverslag wordt daarop ter behandeling doorgezonden aan de
voorzitter van de Eerste Kamer.

3. Nadat de Eerste Kamer Onze betrokken Minister decharge heeft
verleend, plaatst de voorzitter van die Kamer op het betrokken
jaarverslag een aantekening, waaruit de verlening van decharge en de
datum waarop die heeft plaatsgevonden, blijken.

Het jaarverslag wordt vervolgens door de voorzitter van de Eerste Kamer
aan Onze Minister van Financiën gezonden.

4. Onze Minister van Financiën doet aan Onze Ministers en aan de
Algemene Rekenkamer mededeling van de dechargeverleningen die hebben
plaatsgevonden.

Uit artikel 63 blijkt dat dechargeverlening specifiek betrekking heeft
op het financiële beheer van de betreffende ministers. Decharge dekt
dus niet de lading die de begrotingen en jaarverslagen als gevolg van
VBTB hebben gekregen. Dit is destijds een expliciete keuze van de
toenmalige minister van Financiën geweest, waarmee de Kamer heeft
ingestemd. In de memorie van toelichting van de CW licht de minister van
Financiën de keuze voor deze definitie van dechargeverlening expliciet
toe:

In het eerste lid is geen uitbreiding gegeven aan de reikwijdte van de
dechargeverlening van de

ministers door de Staten-Generaal. In het rapport Jaarverslag in de
politieke arena van een

ambtelijke werkgroep, ingesteld door de Commissie voor de Rijksuitgaven
is een ruime definitie

van dechargeverlening gehanteerd. Daaronder werd door de werkgroep zowel
de formele

decharge over het door een minister gevoerde financiële beheer verstaan
als de materiële

decharge over het gevoerde beleid en de kosten daarvan.

Ik acht dat niet opportuun. Materiële “dechargeverlening” over
beleid wordt staatsrechtelijk

doorlopend verleend op de momenten dat een minister zich in een van
beide kamers der Staten-

Generaal moet verantwoorden over voorgenomen of uitgevoerd beleid.
Zolang een minister

daarbij het vertrouwen van de meerderheid van elk der kamers niet
verliest, wordt materieel

“gedechargeerd”. Op deze wijze kan een minister dus ook materieel
“gedechargeerd” worden

aan de hand van (de behandeling van) een departementaal jaarverslag door
de Staten-Generaal.

Daarvoor hoeft in de CW niets extra geregeld te worden. Waar het om gaat
is dat een minister

zich op transparante wijze verantwoordt over het gevoerde beleid. In het
algemeen zal dat het

geval zijn als het departementaal jaarverslag wordt gepresenteerd op de
wijze als elders in deze

wet (en in de daarop gebaseerde lagere regelgeving) is voorgeschreven.
Het is jaarlijks aan de

beide kamers der Staten-Generaal om aan de hand van elk departementaal
jaarverslag

afzonderlijk te oordelen of de betrokken minister zich op een voldoende
transparante wijze heeft

verantwoord.

De formele dechargeverlening over het gevoerde financieel beheer dient
wel in de CW een

wettelijke basis te behouden. Ik hecht er dus aan dat de formele
dechargeverlening in de CW

gekoppeld blijft aan het financieel beheer. Ik zie dit ook in samenhang
met de

autorisatiebeslissing rond de begroting. Het verlenen van autorisatie
hangt rechtstreeks samen

met het budgetrecht van de Staten-Generaal. De nota-VBTB heeft, zoals
uitvoerig in een brief

aan de Staten-Generaal (kamerstukken II, 2000/2001, 26.573, nr. 49) is
toegelicht, onder meer

tot doel het budgetrecht van de Kamer te versterken. Deze versterking
van het budgetrecht leidt

evenwel niet als vanzelfsprekend tot een wijziging van de
autorisatiebeslissing. Deze laatste zal

zich primair blijven richten op het ter beschikking stellen van een
budget op het niveau van een

begrotingsartikel. Vanuit die optiek dient de reikwijdte van de
dechargebeslissing te worden

gespiegeld aan de reikwijdte van de autorisatiebeslissing; het gaat
uiteindelijk bij

dechargeverlening om de vraag of een minister het hem toegekende budget
op een rechtmatige

en doelmatige wijze heeft beheerd.

Bron: Memorie van toelichting Comptabiliteitswet 2001

Bezwaar Algemene Rekenkamer

Uit de artikelen 63 en 64 wordt verder duidelijk waarom de Algemene
Rekenkamer een centrale rol speelt bij de dechargeverlening door de
Kamer. De Rekenkamer kan namelijk bezwaar maken als een minister in
strijd met de regels geld uitgeeft of mogelijke ontvangenst niet int, of
onregelmatigheden in de administratie van zijn of haar ministerie laat
voortbestaan. Het aantekenen van bezwaar is een ultimum remedium van de
Algemene Rekenkamer. Dit verklaart mede waarom de Rekenkamer dit in 1995
voor het laatst heeft gedaan. De artikelen 83 tot en met 89 van de
Comptabiliteitswet bevatten de bepalingen ten aanzien van de gang van
zaken rond bezwaar door de Rekenkamer. In de memorie van toelichting van
de CW (zie kader onder) wordt dit toegelicht.

Er bestaan twee soorten bezwaar: bezwaar wegens geconstateerde
onjuistheden en bezwaar vanwege het onbreken van een redelijke mate van
zekerheid over de uitgaven of inkomsten. 

Als de Rekenkamer bezwaar aantekent vanwege onjuistheden, dan gaat het
om een strijdigheid met wetten. De minister moet dan een indemniteitswet
indienen bij het parlement. Dit is een wet waarbij het parlement alsnog
een uitgave goedkeurt die de Algemene Rekenkamer als onrechtmatig heeft
beoordeeld. 

Als de Rekenkamer bezwaar aantekent vanwege het ontbreken van redelijke
zekerheid, dan hoeft geen wettelijke oplossing gevonden te worden, omdat
niet duidelijk is of sprake is van strijdigheid met wetten. De
Rekenkamer maakt hiervan wel melding in haar rapporten en plaatst een
aantekening bij de rekening van het Rijk. De betrokken minister dient
zijn standpunt hierover uiteen te zetten, zo mogelijk in de toelichting
bij de geïntegreerde slotwet/rekening.

Beide gevallen van bezwaar worden dus expliciet aan het parlement
voorgelegd, zodat het parlement zich hierover kan uitspreken. 

4. Bezwaren van de Algemene Rekenkamer ten aanzien van het gevoerde
financiële

beheer en de verantwoording daarover

Bij haar onderzoek van het gevoerde financiële beheer en de
verantwoording daarover kan de

Rekenkamer onjuistheden met betrekking tot de rechtmatigheid
constateren. Ook kan het

voorkomen dat het onderzoek van de Rekenkamer niet tot een redelijke
mate van zekerheid ten

aanzien van de rechtmatigheid leidt. De onjuistheden kunnen - evenals in
de CW(76) -leiden tot

bezwaren die de Rekenkamer ter kennis brengt van de betrokken minister.
Deze zal er naar

moeten streven de bezwaren van de Rekenkamer op te heffen. In het
onderhavige voorstel van

wet kan ook het ontbreken van een redelijke mate van zekerheid ten
aanzien van de

rechtmatigheid tot bezwaren leiden. De uiteindelijke afhandeling van
deze bezwaren volgt in het

voorstel van wet een andere weg dan de afhandeling van de bezwaren die
voortvloeien uit

onjuistheden in de rechtmatigheidssfeer.

Bezwaren ten aanzien van onjuistheden betreffen aanwijsbare onjuistheden
met betrekking tot de

deugdelijke weergave van (groepen van) posten en/of rechtmatigheid van
(groepen van) posten.

Een minister kan de bezwaren van de Rekenkamer bijvoorbeeld opheffen
door een foutieve

aanwijzing op een begrotingsartikel te corrigeren. In bepaalde gevallen
- bijvoorbeeld als een

subsidie niet overeenkomstig de subsidieregeling is toegekend - zal het
veelal niet mogelijk zijn

geconstateerde onjuistheden met betrekking tot de rechtmatigheid van
bepaalde posten te

herstellen. Men kan slechts door het treffen van maatregelen voorkomen
dat in de toekomst de

geconstateerde fouten opnieuw worden gemaakt. In de aard en omvang van
die maatregelen zou

de Rekenkamer aanleiding kunnen vinden het bezwaar op te heffen. Heft
een minister het

bezwaar van de Rekenkamer ten aanzien van de rechtmatigheid niet op, dan
zal hij uiteindelijk

de Staten-Generaal via een voorstel van wet (een zogeheten
indemniteitswet) moeten verzoeken

het bezwaar op te heffen. Er kan dan langs formeel-juridische weg een
afhandeling van de

geconstateerde onjuistheid plaatsvinden. In het onderhavige voorstel van
wet is deze

indemniteitswetprocedure gehandhaafd (artikel 56, eerste en tweede lid).

Het kan ook voorkomen dat de Rekenkamer geen aanwijsbare onjuistheden
met betrekking tot

de deugdelijkheid van de financiële verantwoording of de rechtmatigheid
van bepaalde posten

constateert, maar zich ook geen redelijke mate van zekerheid kan
verschaffen dat deze

onjuistheden niet voorkomen. De oorzaak hiervan kan gelegen zijn in:

- tekortkomingen in de administratieve organisatie (inclusief interne
controle);

- tekortkomingen met betrekking tot de bestrijding van misbruik en
oneigenlijk gebruik bij de

uitvoering van wettelijke regelingen;

- tekortkomingen in de (interne) departementale accountantscontrole. De
werkwijze van de

Rekenkamer gaat er immers vanuit dat gebruik gemaakt kan worden van de
controles van de

departementale accountantsdiensten. Als dat niet mogelijk is doordat de
departementale

accountantsdienst bijvoorbeeld niet alle verplichtingen, uitgaven en
ontvangsten controleert,

zal het voor de Rekenkamer moeilijk, zo niet onmogelijk zijn een oordeel
te geven over dat

deel van het gevoerde financiële beheer.

Al deze tekortkomingen kunnen volgens het onderhavige voorstel van wet -
en dat is een nieuwe

bepaling in de CW - leiden tot bezwaren van de Rekenkamer ten aanzien
van het financiële

beheer. Ook deze bezwaren zal een minister moeten trachten op te heffen.
Worden deze

bezwaren naar het oordeel van de Rekenkamer niet opgeheven, bijvoorbeeld
omdat de

Rekenkamer er niet van overtuigd is dat de tekortkomingen in de toekomst
niet opnieuw zullen

voorkomen, dan kan dit evenwel niet leiden tot een
indemniteitswetprocedure; er is namelijk geen

strijdigheid van posten met wetten geconstateerd. Het voorstel van wet
voorziet erin dat de

Rekenkamer van dergelijke gevallen in haar rapport bij de financiële
verantwoording eventueel

melding maakt en daaromtrent een aantekening plaatst bij de rekening van
het Rijk. Bovendien

dient de betrokken minister over die aantekening (het gehandhaafde
bezwaar) - zo mogelijk in de

toelichting bij de geïntegreerde slotwet/rekening -zijn standpunt
uiteen te zetten (artikel 56, derde

en vierde lid), teneinde te bevorderen dat de Staten-Generaal zich op
basis van uitvoerige

informatie over het niet-opgeheven bezwaar zullen kunnen uitspreken. Dat
kan ertoe leiden dat

de Staten-Generaal uitspreken dat zij in de toelichting van begrotingen
van daarop volgende

jaren geïnformeerd willen worden over de vorderingen die worden gemaakt
met bijvoorbeeld het

verbeteren van de administratieve organisatie of van de interne
(accountants)controle.

Bron: Memorie van toelichting Comptabiliteitswet 2001

In de regel maakt de Rekenkamer niet direct bezwaar - uitgezonderd bij
zeer ernstige onvolkomheden – maar krijgen de ministers eerst de
gelegenheid om maatregelen te treffen. De Rekenkamer voert dan eerst een
bezwaaronderzoek uit om vast te stellen of sprake is van structurele
ernstige problemen, alvorens daadwerkelijk bezwaar te maken.

Enkele voorbeelden uit ‘de omgeving’

EU-begroting 2006

Minister Bos heeft in de Ecofin namens Nederland tegen decharge van de
EU-begroting 2006 gestemd. Dat was de eerste maal in 13 jaar. De
minister wilde hiermee een duidelijk signaal afgeven. Het Europees
Parlement heeft pas decharge verleend na aanvullende afspraken en
concessies van de Europese Commissie, oa. over het bereiken van een
positieve verklaring van de Europese Rekenkamer en het terugvorderen van
bepaalde onrechtmatige uitgaven, bijvoorbeeld bij aanbestedingen die
niet aan de regels voldoen. 

Arbeidsvoorziening

De minister van Sociale Zaken heeft in 2003 dechargeverlening aan de
oud-bestuurders van Arbeidsvoorziening aanvankelijk geweigerd. Dit
besluit was gebaseerd op drie punten: de behandeling van
ESF-subsidieaanvragen door de Regionale Besturen Arbeidsvoorziening, de
rechtspositionele regelingen die in 2000 en 2001 gesloten zijn met het
hoger management van het Centraal Bestuur Arbeidsvoorziening en de
algemene taakvervulling. Bezien in het licht van de aanzienlijke
tekorten van Arbeidsvoorziening in 2000 en 2001 lag volgens de minister
het verlenen van decharge niet in de rede. De minister volgde hiermee
het advies van de landsadvocaat. 

Mogelijkheden om decharge meer inhoud te geven 

Naast explicietere aandacht voor dechargeverlening heeft de Kamer drie
mogelijkheden om dechargeverlening ook inhoudelijk meer gewicht te
geven. De eerste twee opties kunnen worden vormgegeven binnen de
bestaande wettelijke kaders. Voor de derde optie zou een wijziging van
de Comptabiliteitswet nodig zijn:

1. Eigen weging bevindingen van de Algemene Rekenkamer

Niet alleen de (schaarse) bezwaren van de Algemene Rekenkamer, maar ook
de (ernstige) onvolkomenheden die de AR signaleert en de reacties van de
bewindspersonen hierop, zouden door de Kamer expliciet kunnen worden
betrokken bij de dechargeverlening. De Kamer zou vanuit haar eigen
controlerende rol meer gewicht kunnen geven aan (ernstige)
onvolkomenheden die niet direct tot een formeel bezwaar van de
Rekenkamer leiden, maar die de Kamer zelf wel van cruciaal belang acht.
De Kamer zou zo meer druk kunnen leggen op de oplossing van deze
onvolkomenheden door de betreffende ministers. 

2. Eigen waarnemingen Kamer

De Algemene Rekenkamer controleert op strijdigheden met
(begrotings-)wetten en op administratieve onvolkomenheden. De Kamer zou
daarnaast meer inhoudelijk en in breder verband kunnen beoordelen of de
ministers (andere) afspraken met de Kamer nakomen, zoals toezeggingen,
moties en uitkomsten uit debatten. Het gaat hier dan uiteraard nog
steeds alleen over financiële zaken. 

Zo zou bijvoorbeeld de Kamer bijvoorbeeld kunnen nagaan of de
begrotingsmiddelen wel zijn uitgegeven - de Kamer maximeert immers met
de begroting alleen de uitgaven, maar kan met goedkeuring van de
begroting alleen geen uitgaven afdwingen. Ook zou de Kamer kunnen nagaan
of de uitgaven niet alleen naar de letter, maar ook naar de geest van de
afspraken met de Kamer zijn gedaan. Daarnaast zouden mogelijk ook
signalen van andere externe partijen dan de AR kunnen worden gebruikt
voor de behandeling van het jaarverslag. 

3. Uitbreiding reikwijdte dechargeverlening 

De Kamer zou zich de principiëlere vraag kunnen stellen of
dechargeverlening – naast op het financiële beheer - ook betrekking
zou moeten hebben op de doeltreffendheid en doelmatigheid  van het
gevoerde beleid. Zo’n bredere reikwijdte van dechargeverlening zou in
principe aansluiten op de ontwikkelingen die begroting en jaarverslag de
laatste jaren als gevolg van VBTB hebben doorgemaakt. 

De Kamer beoordeelt met deze begrotingen en jaarverslagen de ministers
feitelijk al jaarlijks op hun voorgenomen en bereikte beleidsprestaties
en doelstellingen. Met een grotere reikwijdte van dechargeverlening zou
een extra nadruk kunnen worden gelegd op het belang van de jaarlijkse
verantwoording. 

Voor deze uitbreiding van de reikwijdte van dechargeverlening zou dan
wel de Comptabiliteitswet aangepast moeten worden. Daarnaast zouden
eventuele gevolgen voor de informatiebehoefte van de Kamer nog
geanalyseerd kunnen worden. 

 N.B. In de procedurevergadering van de commissie voor de Rijksuitgaven
d.d. 16 april 2009 heeft de commissie besloten vooralsnog geen
voorstander te zijn van deze derde optie.

- 0 – 0 – 0 -

 TK 25205, nr. 1.

  



Datum	14 april 2009

Referentie	09-BOR-N-040 / 09-RU-N-006 Dechargeverlening 

Onderwerp	Decharge





Deze notitie is uitsluitend bedoeld voor intern gebruik door de leden

	Bladzijde	  PAGE  6 

 

  





Deze notitie is uitsluitend bedoeld voor intern gebruik door de leden