[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

Concept verslag Milieuraad

Verslag van een algemeen overleg

Nummer: 2009D66516, datum: 2009-12-09, bijgewerkt: 2024-02-19 10:56, versie: 1

Directe link naar document (.DOC), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


CONCEPTVERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG OVER:

Milieuraad

Desgewenst kunt u correcties in de weergave van uw woorden aanbrengen. U
wordt verzocht, deze correcties uiterlijk dinsdag 22 december te 18.00
uur aan de Dienst Verslag en Redactie te retourneren. Het is voldoende,
alleen gecorrigeerde blaadjes aan ons terug te zenden, eventueel per
fax. Hebben wij op het moment van het verstrijken van de
correctietermijn geen reactie ontvangen, dan gaan wij ervan uit dat u
instemt met de weergave van uw woorden. Let op! Neem voor uitstel van de
uiterste correctiedatum contact op met de griffier van de desbetreffende
commissie.

Inlichtingen: tel. 3182104 / 3183019.

Faxnummer Dienst Verslag en Redactie 070-3182116.

VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld

De vaste commissie voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer<1> en de vaste commissie voor Europese Zaken<2> hebben op 9
december 2009 overleg gevoerd met minister Cramer van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer over:

- de brief van de staatssecretaris van Buitenlandse Zaken d.d. 30
november 2009 over het fiche: Verordening inzake CO2-emissies van lichte
voertuigen (22112, nr. 970);

- de brief van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer d.d. 1 december 2009 over transparantie duurzaamheid
biobrandstoffen (30196, nr. 89);

- de brief van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer d.d. 2 december 2009 met de geannoteerde agenda van de
Milieuraad van 22 december 2009 en een geactualiseerd
VROM-voortgangsoverzicht van Europese wetgevingsinitiatieven (21501-08,
nr. 320);

- de brief van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer d.d. 7 december 2009 inzake informatie over de
betrouwbaarheid en integriteit van klimaatwetenschap (2009Z23616);

- de brief van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer d.d. 8 december 2009 met het verslag van de Milieuraad van
23 november 2009 (2009Z23870).

Van het overleg brengen de commissies bijgaand stenografisch verslag
uit.

De voorzitter van de vaste commissie voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer,

Koopmans

De voorzitter van de vaste commissie voor Europese Zaken,

Waalkens

De griffier van de vaste commissie voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer,

Van der Leeden



Voorzitter: Koopmans

Griffier: Van der Leeden

Aanwezig zijn zes leden der Kamer, te weten: Spies, Neppérus,
Boelhouwer, Jansen, Vendrik en Koopmans,

en minister Cramer van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer, die vergezeld is van enkele ambtenaren van haar
ministerie.

De voorzitter: Ik open deze vergadering van de vaste commissies voor
VROM en voor Europese Zaken. Aan de orde is een algemeen overleg met de
minister van VROM over de Milieuraad. Wij hebben een aantal brieven ter
voorbereiding van de Milieuraad ontvangen. Er zijn op dit moment vier
woordvoerders aanwezig. Voor dit overleg is twee uur uitgetrokken. Wij
hoeven niet al die tijd te gebruiken. Ik stel voor een spreektijd van
zes minuten per spreker te hanteren. Dat lijkt mij eigenlijk al veel.

Mevrouw Spies (CDA): Voorzitter. Soms zou je willen dat je een glazen
bol had. Dat geldt zeker op dit moment nu de klimaatconferentie in
Kopenhagen is gestart. De minister moet volgende week met al haar
collega's en heel veel regeringsleiders tot conclusies komen. Dit is een
enorm karwei waarvoor wij de inzet kennen, maar de uitkomst natuurlijk
niet kunnen voorspellen. Dit maakt het ook lastig om een voorbeschouwing
te geven op de Milieuraad die op 22 december aanstaande wordt gehouden.

Het lijkt mij dat daar in ieder geval twee vervolgstappen aan de orde
moeten komen en daarbij reken ik nog steeds op een mooi resultaat van
"Kopenhagen". In de eerste plaats: hoe zorgt de EU er na "Kopenhagen"
voor dat de eigen richtlijnen zo snel mogelijk worden aangepast aan de
min-30%-doelstelling? Voor mijn fractie is hierbij een belangrijk
aandachtspunt de inzet om de lijst van sectoren die worden uitgezonderd
van emissiehandel, zo kort mogelijk te laten zijn.

In de tweede plaats zou de vraag aan de orde moeten komen hoe verankerd
wordt dat het tijdpad dat nodig is om het politieke akkoord van
"Kopenhagen" om te zetten in bindende verdragsteksten, vorm en inhoud
krijgt. Dit zou toch niet langer dan een aantal maanden moeten duren.

Dan een paar opmerkingen over andere onderwerpen die op de agenda staan.
Ik begin met de biocideverordening. Ik steun de inzet van de regering om
niet met twee systemen naast elkaar te werken. Dat is vragen om ellende
en levert alleen maar overbodige ballast op. Ik pleit echter, net als in
een eerder algemeen overleg, voor een andere invalshoek dan de minister.
De CDA-fractie zou graag zien dat er een uniform Europees systeem komt
om te voorkomen dat 27 landen allemaal hun eigen dingen gaan doen.
Waarom probeert de minister het Nederlandse systeem en de Nederlandse
eisen niet het model voor Europa te laten worden? Ik ben van mening dat
wij af moeten van 27 losse en verschillende toelatingen. Ik krijg hier
graag een reactie op. Ik vraag de minister verder om een pleidooi te
houden voor afspraken over een stringente handhaving.

Naar aanleiding van de WEEE-richtlijn merk ik op dat het volstrekt
helder is dat wij beter moeten presteren op het gebied van de inzameling
van afgedankte elektrische en elektronische apparatuur. Wij hebben nu,
helaas ook in Nederland, nog voor een te groot deel geen idee waar die
afgedankte apparaten blijven. Daarin moet verbetering komen. Ik heb een
paar vragen over de Nederlandse inzet. De minister schrijft dat
Nederland voorstander is van een relatieve inzameldoelstelling waarbij
een vast percentage van de verkochte apparaten moet worden ingezameld.
Dit zou een benadering kunnen zijn, maar dat moet dan wel mogelijk zijn.
Ik zal een praktisch voorbeeld geven. Als wordt gesteld dat 65% van de
verkoop van led-lampen gedurende de afgelopen twee jaar moet worden
ingezameld, dan kan dat simpelweg niet. Die dingen gaan veel langer mee
dan twee jaar en zijn ook nog maar kort op de markt. Ik vraag mij dus af
of deze benadering wel de juiste is. Daarnaast stelt de minister dat
Nederland pleit voor een afgifteverplichting. Nu wordt er in Nederland
steeds meer op vrijwillige basis in die richting gewerkt. Mijn fractie
steunt dit ook. Begrijp ik nu goed dat wij een inzameldoelstelling en
afgifteverplichting gaan combineren? Zijn beide naast elkaar nuttig en
nodig?

In het kader van het interoperabele productenregister pleit de minister
ervoor om vast te houden aan nationale registers. Ik begrijp dat niet zo
goed, omdat daardoor de administratieve lasten naar mijn mening eerder
toenemen dan afnemen. Ik zou toe willen naar een eenmalige registratie
voor de hele Europese Unie.

De RoHS-richtlijn is een volgend agendapunt. De relatie tussen deze
richtlijn en REACH is niet duidelijk. REACH registreert stoffen, maar
wat hierover wordt geschreven in de desbetreffende alinea in de
geannoteerde agenda is echt abracadabra. "Goede aansluiting op het
REACH-kader is van primair belang. Voorafgaand dient de relatie tussen
beide verhelderd te worden om complementariteit te waarborgen." Verklaar
u nader, zou ik zeggen.

Voor beide richtlijnen geldt dat ze zonder een eenduidige handhaving
alleen prachtig papier blijven. Naar mijn mening moeten afspraken over
richtlijnen ook afspraken over handhaving bevatten.

Tot slot nog twee opmerkingen. Mijn fractie is blij met de CO2-norm voor
bestelauto's. Die had wel scherper gemogen, maar zij deelt het optimisme
dat daar in ieder geval de voortschrijdende aangescherpte normstelling
in zit.

De biobrandstoffen zijn nog heel recentelijk toegevoegd aan de agenda
van dit algemeen overleg. De minister wil per 1 april 2010 een convenant
in werking laten treden. Wat betekent dit bijvoorbeeld voor de afspraken
over E85 in het Belastingplan en de dubbeltelling van de goede
biobrandstoffen? Kunnen die op hetzelfde moment in werking treden?

Mevrouw Neppérus (VVD): Voorzitter. Er wordt veel gesproken over
"Kopenhagen". Wij hebben dat gisteren gedaan en wij zullen dat
morgenmiddag en -avond doen. Daarom zal ik mij beperken tot de andere
onderwerpen op de agenda.

Ik begin met de verordening voor normen voor bestelauto's. Het is een
goede zaak dat zo'n richtlijn er komt, want een bronbeleid spreekt ons
aan.

Op de agenda staan twee richtlijnen met ingewikkelde namen en
afkortingen. Ik heb begrip voor de gedachte achter de WEEE-richtlijn.
Waar blijft al dit afval? Ik heb die vraag laatst al gesteld over
kunststofafval in het algemeen. Waar gaat al dit afval naartoe? Hoe zal
dit werken? Ik ben een voorstander van kritische normen die een bepaalde
prikkel bevatten, maar in hoeverre is dit haalbaar?

Ik heb ook geprobeerd de samenhang te onderkennen tussen de
RoHS-richtlijn en REACH. De brieven uit de sector wijzen ook op veel
onduidelijkheid. Als wij hiermee willen verdergaan, is het van belang
dat op zijn minst wordt vastgesteld hoe dit nu precies werkt en welke
relatie er is met andere regels.

Ik ben het eens met de lijn voor biociden, maar ik deel de vrees dat wij
straks 27 systemen hebben. Hoe wordt er in de andere lidstaten
geoordeeld over het Nederlandse systeem?

Tot slot de biobrandstoffen en het convenant ter zake. Wij hebben al
eerder vastgesteld dat iedereen het erover eens is dat er betere regels
moeten komen en dat duurzaamheid van belang is. Dat de minister in die
richting werkt, spreekt mijn fractie zeer aan. Hoe verhoudt dit streven
zich tot andere bestaande regels?

De heer Boelhouwer (PvdA): Voorzitter. Ik vraag aandacht voor een paar
punten, in de eerste plaats voor de combinatietoxicologie die aan de
orde komt. Het is goed dat hiernaar onderzoek wordt gedaan. Als de
uitkomsten van het onderzoek daartoe aanleiding geven, kan aanpassing
van het bestaande EU-beleid noodzakelijk zijn. Deelt de minister mijn
mening dat het te ver gaat om de resultaten van een Deens onderzoek naar
hormoonverstorende stoffen te vertalen naar alle stoffen? Sommige
lidstaten hebben hiervoor gepleit. Welke positie neemt Nederland in
dezen in? Om welke landen gaat het eigenlijk? De verontreiniging met
hormonale stoffen kan een onderschat probleem zijn. Zal de minister een
dergelijk onderzoek steunen als dit in EU-verband wordt voorgesteld?

Ik sluit mij aan bij de opmerkingen over biociden, met name bij die van
mevrouw Spies. Voorkomen moet worden dat er veel verschillende
toelatingsnormen zijn. De wens van een gelijk speelveld in Europa gaat
ook op voor dit terrein. Het heeft mijn voorkeur dat alle landen zich
aan de strenge Nederlandse normen houden, maar een gelijk speelveld
staat voorop.

Ik ben enthousiast over de WEEE-richtlijn en de RoHS-richtlijn. De
inzameling van afgedankte elektrische en elektronische apparatuur
verloopt weliswaar goed in Nederland, maar het kan altijd nog beter. De
inzameldoelstelling is moeilijk te halen, omdat er nog een hoeveelheid
afgedankte apparatuur buiten de producenten om gaat. De minister pleit
voor de invoering van een verplichting voor gemeenten en detaillisten om
de door hen ingenomen apparaten af te geven aan de producenten en
importeurs. Aan een dergelijke afgifteverplichting is naar mijn mening
onlosmakelijk een verplichting verbonden voor de producenten en
importeurs om een vergoeding te geven aan gemeenten en detaillisten voor
de gemaakte kosten. Het adagium is immers nog steeds dat de vervuiler
betaalt. Degene die het afval veroorzaakt, moet er ook voor zorgen dat
het wordt opgeruimd. Dat is toch de algemene norm in ons beleid?

De minister is van mening dat op deze manier de kosten voor inzameling,
verwerking en registratie automatisch ten laste zullen komen van de
producenten. Waarop baseert zij die veronderstelling? Worden die kosten
niet automatisch doorberekend aan de consument als de productiekosten
hoger worden?

Ik wil ook nog iets zeggen over de relatie tussen de RoHS-richtlijn en
REACH. Het is mij ook niet helemaal duidelijk wat die precies inhoudt.
Ik ben natuurlijk ook gevoed door verschillende bedrijven die daarmee te
maken krijgen en die vragen om duidelijkheid. Ik geef een mooi
voorbeeld: de toepassing van brandvertragers. Door een broomverbinding
toe te voegen aan een meubelstof kan worden voorkomen dat het meubelstuk
bij brand als een soort bom ontploft. In Engeland en Ierland is die
toevoeging verplicht, maar in Nederland wordt die niet toegelaten. Wil
de minister iets zeggen over de onderlinge verhoudingen?

Ik verwelkom een Europese norm voor de CO2-uitstoot door nieuwe
bestelauto's. Dit is eigenlijk een logisch en noodzakelijk vervolg op de
Europese emissienormen voor nieuwe personenauto's van 23 april 2009. Het
is wel teleurstellend dat de eisen in deze verordening enigszins
achterblijven bij eerdere uitlatingen van de Commissie, maar beter dit
dan helemaal niets. Ik ga ervan uit dat de minister wel voorstander
blijft van een ambitieuzere doelstelling. Het zou goed zijn als zij dit
ook weer bij deze gelegenheid kenbaar zal maken. Ik verwelkom dit begin,
maar het is wat mij betreft ook pas een begin.

Ik vraag nog aandacht voor de duurzaamheidcriteria voor vaste biomassa.
Op het moment dat vaste biomassa en biobrandstoffen steeds meer door
elkaar gaan lopen op de biomarkt, is het goed dat ze ook met elkaar in
verband worden gebracht bij de toepassing. Ik juich het daarom toe dat
de minister tijdens de Milieuraad zal pleiten voor een snelle publicatie
van een voorstel van de Commissie voor de invoering van bindende
duurzaamheidcriteria voor vaste biomassa. Die zouden dezelfde moeten
zijn als de criteria voor biobrandstoffen. Of heb ik het totaal verkeerd
begrepen?

De heer Jansen (SP): Voorzitter. Ik wens de minister nogmaals succes in
Kopenhagen. Ik ga het van dichtbij volgen, maar wij hebben het daar al
zo vaak over gehad dat ik dat vandaag maar niet wil doen.

Ik begin met de vernieuwing van de doelstelling voor biodiversiteit na
2010. Mijn fractie heeft de indruk dat de doelstellingen in de afgelopen
periode bepaald niet zijn bereikt. Dit wordt misschien veroorzaakt
doordat ze erg abstract zijn geformuleerd en er onvoldoende concrete
maatregelen zijn om die doelstellingen te realiseren. Ik pleit ervoor
dat Nederland op dit terrein het goede voorbeeld geeft, net als bij
klimaatbeleid. Daarbij kan worden gedacht aan een harde begrenzing in de
structuurvisie voor de ehs. Ook het bestemmingsplan voor de Noordzee zou
een stap in de goede richting kunnen zijn. Dit kan dan vervolgens in
Europees verband worden ingezet om andere lidstaten mee te krijgen in
het streven om de lat op internationaal niveau hoger te leggen. Ook
zaken zoals de import van illegaal niet duurzaam hout en soja vallen
allemaal in deze categorie.

Ik betwist de stelling van de minister dat er geen gezamenlijk beleid
nodig is voor de Noordzee. Ik denk juist dat het heel nuttig kan zijn om
gezamenlijke afspraken te maken over visserij, energie, scheepvaart en
natuur en over de samenwerking tussen havens voor bijvoorbeeld het
inzamelen van scheepsafval, slobs. Waarom zouden wij op deze punten niet
samenwerken met onze buurlanden langs de Noordzee?

Anders dan mijn buurman ben ik het met de minister eens dat de
biocideverordening primair een nationale zaak is. Ik ben van mening dat
wij dan ook de vrijheid hebben om de lat wat hoger te leggen dan andere
landen. Het is waar dat daarmee het level playing field wordt
doorbroken, maar daar kies je dan voor. De milieubaten staat daar weer
tegenover. Die keuze kunnen wij op dit niveau maken.

Ik ben het eens met de opmerking dat het jammer is dat het niet wat
harder gaat met de bestelauto's.

Mevrouw Spies (CDA): Zou het niet veel mooier zijn als het Nederlandse
beleid met betrekking tot biociden het voorbeeld wordt voor de hele
Europese Unie? Dan kunnen heel veel administratieve lasten en gedoe
achterwege blijven en dienen wij ook nog eens een keer het milieu in de
andere lidstaten. Die benadering moet de SP-fractie toch ook aanspreken?
Dat is toch beter dan 27 keer opnieuw het wiel uitvinden?

De heer Jansen (SP): Waar Nederland voorop loopt, moet je zeker proberen
om de rest mee te krijgen. Dan moet je wel duidelijk maken dat je bereid
bent om je nek uit te steken. Ik beluister nu juist dat wij niet te veel
voorop moeten lopen, omdat dan het level playing field wordt doorbroken.
Ik heb mij daar blijkbaar in vergist.

In het kader van de regeling voor bestelauto's vraag ik nog naar de
autootjes van de koeriersdiensten. Volgens mij vallen die formeel onder
de categorie bestelauto's, maar het zijn in wezen gewoon personenauto's
waarvan een paar zijruiten zijn dichtgemaakt of grijs geverfd. Ik ben
van mening dat daarvoor de norm voor personenauto's moet worden
aangehouden. Die is lager dan deze norm. Is dit een maas in de regeling?
Overigens is het goed dat er een traject is afgesproken om de lat
langzaam maar zeker hoger te leggen. Dat is wisselgeld voor wat wij nu
te weinig krijgen.

Ik heb gemengde gevoelens over de beweging van de staatssecretaris op
het gebied van de verplichte bijmenging. De doelstelling zou weer omhoog
moeten. Naar mijn mening is nog onvoldoende hard gemaakt dat de
duurzaamheidcriteria effectief gecontroleerd kunnen worden. De
SP-fractie heeft er in het verleden voor gepleit om in Nederland te
"blenden". Er is dan een verbod op de import van geblende brandstoffen,
want je kunt de herkomst van de onderscheiden stoffen niet nagaan. Als
je het hier doet, heb je al meer grip op de duurzaamheid van de
bijgeblende biobrandstof. Hoe denkt de minister over een dergelijke
aanpak? Wat zal zij doen om dit waar te maken?

Bij het inzamelen van witgoed wordt er veel overgelaten aan het
bedrijfsleven. Het inzamelen verloopt op zichzelf wel goed, dat wil ik
best geloven, maar het probleem zit veel meer achterin de keten. Wat
gebeurt er vervolgens met het afval? Er verdwijnen zaken over de grens
onder het mom van nuttig hergebruik. Daar zou ergens anders iets nuttigs
mee worden gedaan, maar na verloop van tijd blijkt dit vaak niet het
geval te zijn. Intussen zijn er flinke winsten gemaakt in de keten
terwijl er ook nog een verwijderingsbijdrage is betaald door de
consument. Dit wringt. Als de markt niet in staat is om de rest van de
keten fatsoenlijk te regelen, zou dit toch anders georganiseerd moeten
worden. Wellicht speelt het feit dat de grenzen openstaan voor
reststoffen hierin een hoofdrol. De vraag is of wij hierin verandering
kunnen brengen. Zolang dit nog niet is gebeurd, blijven wij zitten met
het feit dat de inzameling wel goed loopt, maar dat de rest van de keten
rammelt.

De heer Vendrik (GroenLinks): Voorzitter. Ik begin met de bestelauto's,
want op dat punt gaat het niet goed. Ik moedig het kabinet aan om waar
het maar in het Brusselse ter tafel komt, af en toe nog eens een beuk
uit te delen in de richting van de partijen die dwarsliggen. Het kabinet
schrijft zeer terecht dat de versoepelde norm die is voorgesteld door de
Commissie, die kennelijk weer is gezwicht voor de autolobby, ertoe leidt
dat wij hiervan nauwelijks iets mogen verwachten voor het behalen van de
doelen van Schoon en Zuinig. Dit is een zeer terechte constatering en ik
steun de poging van de minister om in ieder geval de eerdere
normstelling vast te houden, zowel voor de korte als voor de lange
termijn; dat wil zeggen 175 gram per kilometer in 2012 en 135 gram per
kilometer in 2020. Eigenlijk zou het nog een beetje strakker moeten,
maar ik begrijp dat het al een hele oefening zal zijn om dit overeind te
houden.

In de brief van de staatssecretaris van Buitenlandse Zaken staat dat de
verordening waarin de normering voor bestelauto's wordt geregeld, ook
een rol zou kunnen spelen bij het verder stimuleren van zuinige en
duurzame voertuigen, elektrische vervoer, voertuigen op waterstof
enzovoorts. Ik kan mij daarbij veel voorstellen, maar ik hoor graag wat
het kabinet zich daarbij voorstelt. Wij hebben net een debat achter de
rug met de ministers van Verkeer en Waterstaat en van Economische Zaken
over de elektrische auto. De Kamer wil unaniem vol gas geven voor die
elektrische bak. Dat gaan wij doen. Daarmee valt veel winst te behalen.
Een meerderheid van de Kamer is zelfs van mening dat de ambities nog wel
groter mogen zijn. Dit voorjaar komt er een voortgangsrapportage en de
prins wordt aan het werk gezet. Dit is allemaal prachtig. Kan Europa nog
helpen via deze verordening?

Ik kom nu op de brief van de minister over de duurzaamheid van
biobrandstoffen. Het kabinet zal in het voorjaar een nader voorstel doen
en dan zullen wij een debat voeren over dit onderwerp. De minister
kondigt in haar brief van 1 december aan dat zij in ieder geval een
convenant wil dat per 1 april 2010 in werking moet treden. Dit convenant
zou op vrijwillige basis openbaarheid moeten bewerkstelligen. Volgens
mij is openbaarheid een cruciale hoeksteen voor een nieuw beleid voor
biobrandstoffen, omdat wij echt moeten weten dat de nog vast te stellen
"Cramer-criteria", waarover nog een Europees debat wordt gevoerd, worden
uitgevoerd en nageleefd door fabrikanten en importeurs van
biobrandstoffen. Ik vind dit dus een riskante formulering. Waarom heeft
de minister dit zo geformuleerd? Transparantie is de hoeksteen en moet
dus verplicht zijn voor alle convenantpartijen. Daar kan niet over
gemarchandeerd worden.

Mevrouw Spies (CDA): Kan het niet zo zijn dat wij de voorlopers, de
duurzame producenten van biobrandstoffen, zo eindelijk een duwtje in de
rug geven? Zij worden constant afgeremd, terwijl een convenant die
kopgroep zou kunnen belonen door hen in ieder geval een aantal
faciliteiten in het vooruitzicht te stellen die wij al in rij en gelid
hebben gezet in het Belastingplan en in algemene maatregelen van
bestuur.

De heer Vendrik (GroenLinks): Een echte koploper heeft geen bezwaar
tegen transparantie. Waarom moet het dan vrijwillig? Dat snap ik niet.
Als vrijwilligheid geïntroduceerd wordt bij het bieden van
transparantie over de kenmerken van de biobrandstofketen, geven wij de
voorlopers geen steun in de rug, maar pleiten wij de achterblijvers vrij
van verplichtingen die hoe dan ook moeten worden ingevoerd.
Transparantie over de keten van productie van biobrandstoffen is immers
cruciaal voor de toetsing op de Cramer-criteria.

Mevrouw Spies (CDA): Ik ken de heer Vendrik als een ambitieus man. Als
wij nu juist degenen die de goede dingen doen een kans geven om voor de
muziek uit te lopen, is het toch extra aantrekkelijk dat zij in een
convenant kunnen participeren waarin zij eerder dan de rest aan een
aantal voorwaarden voldoen? Dan kunnen wij de slag in de richting van
duurzame biobrandstoffen toch weer een stukje verder maken. De heer
Vendrik kan of wil het niet begrijpen of het is de slijtage van de
laatste weken voor het reces. Volgens mij is hier helemaal niets mis
mee.

De heer Vendrik (GroenLinks): Dat van die ambities klopt en dat van die
slijtage ook. Het verlangen naar het kerstreces komt dit jaar inderdaad
eerder dan andere jaren, geef ik onmiddellijk toe. Ik sluit niet uit dat
ik het verkeerd heb begrepen. Dat is heel goed mogelijk, maar ik vraag
aan de minister wat zij met deze zinsnede bedoelt. Ik hoop maar dat ik
het verkeerd heb begrepen.

Na "Kopenhagen" mogen wij met reces en mag de minister nog een dag naar
Brussel voor de Milieuraad. Dat is toch heel wat. Volgens de huidige
EU-positie ter zake van Kopenhagen zou op 22 december al een begin
kunnen worden gemaakt met het debat over de vraag of Europa van 20% naar
30% gaat. Immers, pas dan kan een eerste kwalificatie worden gegeven van
het aanbod van andere rijke landen. Een vergelijkbaar bod is het
criterium om over te stappen naar een reductiedoelstelling van 30% in
2020. Ik constateer, zoals ik gisteren al heb gedaan bij de behandeling
van de begroting van het ministerie van VROM, dat er druk staat op de
Europese Unie, maar ook dat er lidstaten zijn die erop aandringen dat
die stap naar 30% nu al wordt gemaakt. Ik noem het Verenigd Koninkrijk;
de heer Brown heeft zich daarover uitgesproken. Dit sluit aan bij het
pleidooi van mijn fractie in de afgelopen maanden: doe het alsjeblieft
voor "Kopenhagen". Mijn fractie vreest voor een ingewikkeld
besluitvormingstraject na "Kopenhagen" om alsnog tot die 30% te komen.
Ik zie liever dat daarover nu al een besluit wordt genomen. Ik krijg
graag een positieve toezegging van de minister.

Het laatste punt behoort strikt genomen niet tot de agenda, maar
misschien toch weer wel. De voorlopige onderhandelingstekst van
"Kopenhagen" is uitgelekt. Ik heb die tekst vanochtend bekeken en ik ben
ervan geschrokken. De minister kan er misschien nu nog niet op reageren,
maar wellicht kan zij dit morgen doen als zij antwoord geeft op de
vragen die zijn gesteld over de begroting van haar ministerie. Het lijkt
erop, maar ik zeg het voorzichtig, dat de bindende Kyoto-systematiek van
verplichtende doelstellingen voor de rijke landen ten dele wordt
losgelaten. Dit zou echt een achteruitgang zijn. Zeg me dat dit niet
waar is, minister!

Als je het voorstel op zijn merites bekijkt, en er zijn snelle rekenaars
mee aan de gang geweest, zou dit betekenen dat rijke landen tot in
lengte van jaren een veel hogere uitstoot per hoofd van de bevolking
krijgen toebedeeld dan arme landen. Dit is een onmogelijk bod waarmee de
ontwikkelingslanden volgende week in Kopenhagen weg moeten gaan. Ik hoop
dat het kabinet duidelijk wil maken dat het zeer kritisch is over deze
twee punten van de onderhandelingstekst zoals die er nu ligt.

Minister Cramer: Voorzitter. Dank voor de inbreng in eerste termijn. Ik
begin met "Kopenhagen", omdat ik dat het allerbelangrijkste onderwerp op
de agenda vind. Natuurlijk zijn alle onderwerpen belangrijk, maar aan de
vooravond van "Kopenhagen" lijkt het mij goed om de vragen daarover het
eerst te beantwoorden.

Mevrouw Spies vroeg in het kader van de te maken afspraken wat wij na
"Kopenhagen" gaan doen. Wij maken zo snel mogelijk afspraken over de
consequenties van hetgeen wij in Kopenhagen hebben besloten. De
discussie over de 30% zal onmiddellijk starten. Het tijdpad is enkele
maanden om tot een juridisch onderbouwde en bindende verdragstekst te
komen. Dat is ook de afspraak: voor de zomer van volgend jaar opdat het
kan worden bekrachtigd in Mexico. Het idee is dat de tekst af is in
juni. Dat is de marsroute waar wij van uitgaan.

De voorzitter: Mevrouw Spies wil interrumperen. Elk Kamerlid heeft
maximaal vier interrupties.

Mevrouw Spies (CDA): Ik voorzie een tamelijk heftige strijd om de lijst
van bedrijfstakken die nu al uitgezonderd zijn van emissiehandel, toch
weer wat kleiner te laten worden. Ik roep de minister ertoe op om,
uitgaande van het succes van "Kopenhagen" en uitgaande van het groter
wordende gelijke speelveld voor veel van die sectoren, ogenblikkelijk
het haakje dat nu in de richtlijn zit, te gebruiken om te bekijken hoe
je die lijst van sectoren kleiner kunt krijgen dan die nu is.

Minister Cramer: Ik ben het met mevrouw Spies eens dat die discussie ook
onmiddellijk gevoerd moet worden. Ik denk in dezelfde richting waarin
zij denkt.

De heer Vendrik vroeg naar een soortgelijk punt. Ja, de stap naar 30%
staat heel nadrukkelijk op de agenda. Die is cruciaal om de doelstelling
van twee graden te halen. Hij had het over Engeland. De inzet is ook
voor Nederland nog steeds 30%, maar wel onder de duidelijke voorwaarden
die wij altijd met u hebben gecommuniceerd.

De heer Vendrik (GroenLinks): Ik heb gisteren van de Engelse positie
begrepen dat premier Brown heeft voorgesteld om nu reeds 30% aan te
bieden in Kopenhagen namens de Europese Unie, in navolging van een
aantal andere landen. Is dat ook de positie van de Nederlandse regering?

Minister Cramer: De inzet van Groot-Brittannië is 30%. Dat is ook onze
inzet, maar ook voor Groot-Brittannië geldt een aantal voorwaarden
waaronder wij die 30% handhaven. Dat is de manier waarop wij het
formuleren. Die inzet op 30% is heel essentieel, omdat wij daarmee laten
zien dat het ons menens is om die 30% te introduceren. Dat is ook
absoluut nodig om die doelstelling van twee graden te halen. In dat
opzicht sluit ik mij helemaal aan bij datgene wat de heer Vendrik
voorstaat.

De heer Vendrik stelde ook een vraag over de concepttekst. Die
concepttekst is onder een beperkt aantal landen verspreid. Het is
slechts een concept en er kan dan ook geen enkele status aan verbonden
worden. In die tekst stonden inderdaad plotseling geen mitigatiecijfers
meer voor de westerse landen. Er stonden wel formuleringen in wanneer de
verschillende werelddelen hun top bereikt mochten hebben, het zogenaamde
"pieken". Beide punten zijn zeer omstreden. Die tekst is op dit moment
on hold. Het zal aan de milieuministers zijn om met een tekstvoorstel te
komen, op voorstel van de voorzitter van de vergadering, waarmee wij
verder werken.

De heer Vendrik (GroenLinks): Ik heb begrepen dat dit misschien een
non-paper is dat nog geen officiële status heeft, omdat landen zich er
nog niet aan verbonden hebben. Het circuleert en er wordt over
gesproken. Maar dit is wel de tekst van het politieke akkoord dat er
over anderhalve week moet liggen. Wat hier staat, vind ik tamelijk
verontrustend. Kan ik er samen met de minister van uitgaan dat deze
tekst nog zeer aanzienlijk wordt opgeknapt? Zoals het er nu staat,
kunnen wij daar echt niet mee leven.

Minister Cramer: Ik deel de zorg van de heer Vendrik. Mijns inziens moet
er een andere tekst op tafel komen als start van het
onderhandelingsproces. Ik ga aanstaande zaterdag al met de trein naar
Kopenhagen, opdat ik zondagmorgen kan starten met de informele
onderhandelingen met de landen die deelnemen aan de Groenland-dialoog.
Er zijn verschillende vertegenwoordigers vanuit verschillende
werelddelen. Zij zullen samen alvast werken aan een tekst die voorgelegd
kan worden op woensdag, wanneer wij officieel starten. Ik heb u gehoord
en ben het in dat opzicht geheel met u eens.

Ik kom bij de biodiversiteit en de strategie voor de Noordzee, te
beginnen met de biodiversiteitsdoelstelling. Ik deel de opmerking van de
heer Jansen dat de biodiversiteitsaanpak in internationaal verband op
dit moment te algemeen is en te weinig specifieke doelen heeft, waardoor
die onvoldoende gericht is. Nederland loopt in dat opzicht een beetje
voorop. Wij hebben op een heleboel fronten al wel gerichte acties
ondernomen die wij ook uitdragen in het buitenland. Ik wijs op de acties
die in gang zijn gezet samen met mevrouw Verburg als trekker van het
dossier biodiversiteit. Daarbij werken wij aan het duurzaam gebruik van
natuurlijke hulpbronnen en grondstoffen. Een belangrijk thema is
bijvoorbeeld het betalen voor biodiversiteit en het duurzaam gebruik van
ecosystemen, ofwel "Biodiversiteit werkt". Dat zijn allemaal
initiatieven die wij in Nederland al nemen. Daarnaast hebben wij
prioriteit gegeven aan het verduurzamen van bepaalde grondstofketens.
Nederland is al bezig met een aantal thema's. Onze belangrijkste inzet
zal zijn om de aanpak van biodiversiteit concreter te krijgen in
internationaal verband, zodat wij internationaal veel gerichter met dit
thema aan het werk kunnen gaan. Mevrouw Verburg heeft daarin een zeer
belangrijke voortrekkerspositie.

Het beleid ten aanzien van de Oostzee is zeer nadrukkelijk door het
Zweedse voorzitterschap op de agenda gezet. De lidstaten daar hebben een
probleem om in het kader van hun huidige wetgeving het Oostzee-beleid
goed in gang te zetten. Er is een duidelijk verschil met de
Noordzee-aanpak. Wat is de strategie in Europees verband als het gaat om
de Noordzee? Wij werken al sinds 1992 samen met andere EU-lidstaten die
op de Noordzee afwateren -- ik noem Zwitserland, Noorwegen en IJsland en
de Europese Commissie -- onder het zogenaamde OSPAR-verdrag, het verdrag
om de milieukwaliteit in de Noordzee te beschermen en te verbeteren.
Samenwerking is daarbij van groot belang. Door OSPAR en andere
samenwerkingsverbanden, zoals de Rijncommissie, is de milieukwaliteit
van de Noordzee aanzienlijk verbeterd. De meerwaarde van zo'n aparte
EU-strategie voor de Noordzee weegt niet op tegen de extra
administratieve en bureaucratische lasten die daaruit zouden
voortvloeien. Wij hebben het in wezen al goed geregeld. Wat de Oostzee
betreft, is er een problematiek doordat de lidstaten in de Oostzee-regio
nog niet zo'n gezamenlijke aanpak hebben en niet op basis van wetgeving
aan de slag gaan. Dat is de hoofdreden.

De heer Jansen (SP): Dat stelt mij wel gerust, want ik las tussen de
regels door dat er sprake zou zijn van een terugtrekkende beweging in
het kader van OSPAR. Dat is dus gelukkig niet zo en dat is mooi.

Ik had een concrete suggestie gedaan op het punt van de biodiversiteit,
het bestemmingsplan voor de Noordzee. Dat zou ook mooi aansluiten op de
samenwerking met Denemarken, Engeland et cetera. Wellicht kunnen zij op
dat punt ook gezamenlijk iets met ons doen. Vindt u het een goede
gedachte om dat op zijn minst in deze kabinetsperiode te implementeren?
Daar zitten wij op te wachten.

Minister Cramer: Mevrouw Verburg is hard bezig, ook in het kader van het
natuurbeschermingsbeleid voor de Noordzee, om er met Verkeer en
Waterstaat duidelijke afspraken over te maken. Ik weet niet in welke
vorm dat zal gebeuren, een beleidsnota bijvoorbeeld, maar u zult van
haar en van mevrouw Huizinga een rapportage krijgen over de afspraken
die daarover tussen beide ministeries worden gemaakt. Dat is dan ook
kabinetsbeleid. Het is met name gestimuleerd door de discussies over het
plaatsen van windturbines. Daarbij hebben wij gemerkt dat het al
tamelijk druk is op de Noordzee. Gezien de ruimte die wij moeten
creëren voor windturbines, is er toch een sterke behoefte om de
Noordzee überhaupt beter ruimtelijk te ordenen en daarbij de
natuurbeschermingsdoelen duidelijk overeind te houden.

De heer Jansen (SP): Dat wordt heel erg gewaardeerd, maar de
motie-Polderman vraagt om een bestemmingsplan, omdat dat een beter
juridisch kader is dan een wat vagere beleidsnota. Dat zou ook door u in
internationaal verband gepromoot kunnen worden bij onze buurlanden,
zodat wij een gezamenlijke gelijkwaardige bescherming krijgen.

Minister Cramer: Ik wil niet vooruitlopen op hetgeen over dit specifieke
punt naar de Kamer zal worden gezonden. Ik neem aan dat ook aan dit
beleid een wettelijke basis ten grondslag ligt. Ik ga ervan uit dat het
niet alleen een brief is die verder geen beleidsmatige consequenties
heeft. Ik zou het op prijs stellen als de heer Jansen op de
berichtgeving van minister Verburg en staatssecretaris Huizinga wacht.

De voorzitter: Weet u wanneer die notitie komt?

Minister Cramer: Nee.

De voorzitter: Misschien kunt u dat in tweede termijn of schriftelijk
aangeven, omdat het een aangenomen motie betreft. Het is goed als wij
dat weten.

Minister Cramer: Ik zal het zeker laten navragen. Ik zal dat
schriftelijk doen, want ik heb dat op dit moment niet bij de hand. Ik
zal ook de context uitleggen waarin deze afspraken zullen worden
vastgelegd.

Het volgende onderwerp betreft de combinatiechemicaliën. Dit punt is
ingebracht door Denemarken. Op dit moment zijn onvoldoende gegevens
voorhanden waaruit blijkt wat wij op dit punt moeten doen. Er is wel
zorg uitgesproken door Denemarken over de effecten die
combinatiechemicaliën met zich mee kunnen brengen en ook de
hormoonverstorende stoffen, endocriene disruptors in het jargon. Er is
een Deens onderzoek gedaan en dat wordt nu toegepast, maar alleen op die
stoffen die onder REACH vallen en niet op andere stoffen. Dat was de
specifieke vraag van de heer Boelhouwer. Het is dus beperkt tot de
REACH-stoffen. Wij zijn het ermee eens dat er meer onderzoek zou moeten
plaatsvinden, omdat het toch voortschrijdend inzicht is in hoeverre deze
stoffen daadwerkelijk problemen met zich mee kunnen brengen.

Ik kom bij de CO2-normen voor bestelauto's. Ik ben blij dat er een
vervolg is op de voorgestelde verordening inzake de emissienormen voor
personenvervoer. Het doel is duidelijk: het verminderen van de
CO2-emissies door bestelauto's. Dit moet onder andere worden bereikt
door het stimuleren van innovatie; dat zal ook mevrouw Neppérus zeer
aanspreken. In het voorstel staat een norm ter vermindering van de
CO2-uitstoot door bestelauto's. U hebt uit de toelichting begrepen dat
wij hebben gepleit voor scherpere normen, waarop zeer veel reacties
kwamen in tegenovergestelde richting. De normering zou gefaseerd in
werking treden in 2014-2016 en een langeretermijndoel hebben voor 2020.
Ik weet nog dat dezelfde discussie speelde over de personenauto's. Dat
lag ook eerst heel gevoelig. Ik heb toen tot het eind toe gepleit voor
nog scherpere normen en voor het handhaven van langetermijnnormen.
Uiteindelijk zijn die langetermijnnormen gelukt. Ook nu zal ik erbovenop
zitten om eruit te halen wat erin zit. Wij zijn degenen die veel willen,
evenals andere landen die zelf niet een industrie hebben die deze auto's
maakt. Alle landen die ook maar enigszins hierin een belang hebben,
dreigen echter weer op de rem te trappen. Je kunt wel zeggen: het is
voor uw eigen toekomst; als u vooroploopt met uw innovaties, staat u er
wereldwijd krachtiger voor. Dit soort oproepen schijnt de mensen echter
niet over de streep te helpen. Ik zal mijn uiterste best doen en daar
moedigt u mij ook toe aan. Dat heb ik heel duidelijk gehoord. Ik zal op
die manier de discussie ingaan.

Het voorstel voorziet ook in zogenaamde "supercredits" voor elektrische
of hybride auto's. Ik zal dat nader uitwerken, wanneer er meer over
bekend wordt. Het is nog niet helemaal duidelijk, maar er wordt al
getracht om te bezien hoe nog beter vervoer een streepje voor kan
krijgen.

De heer Vendrik (GroenLinks): Ik kan geen Nederlands woord verzinnen
voor "supercredits".

De heer Boelhouwer (PvdA): Bonuspunten!

De heer Vendrik (GroenLinks): Betekent het dat een autofabrikant die een
beetje zijn best doet op het gebied van elektrische auto's, vervolgens
soepeler wordt behandeld als het gaat om het behalen van de uitstootnorm
voor de bestelbussen die uit diezelfde fabriek komen? Is dat het
systeem?

Minister Cramer: Het is nog niet helemaal duidelijk hoe het systeem
werkt. Zodra wij meer informatie hebben, zullen wij u daarover
informeren. Uw punt zal anderen ook aanspreken: ga nog een stap verder,
als je een systeem van stimulering met credits kunt invoeren. Ik zal dat
met verve naar voren brengen. Het is voor ons van wezenlijk belang om zo
veel mogelijk tempo te maken met de reductie van CO2. Dat zal enorm
helpen.

De heer Vendrik (GroenLinks): De details doen er heel erg toe. Die
bonuspunten moeten er natuurlijk niet toe leiden dat je als fabrikant
van elektrische auto's soepeler wordt behandeld en minder zuinige
bestelbusjes hoeft af te leveren, want dan is de winst op het ene
terrein verlies op het andere terrein en kan voor Nederland zelfs
verlies optreden op weg naar 2020.

Minister Cramer: Ik begrijp het punt van de heer Vendrik. Ik houd daar
natuurlijk rekening mee. Mijn inzet zal zijn dat wij de CO2-uitstootnorm
voor de bestelauto's zo snel mogelijk aanscherpen en de
langetermijndoelstelling heel duidelijk vasthouden. Het grootste gevaar
is dat er wel iets wordt afgesproken voor de korte termijn, wat dan nog
maar een eerste stapje is en dat men het andere nog niet wil vastleggen.
Nee, het is juist belangrijk om die doelstelling voor de lange termijn
zo scherp mogelijk vast te leggen en te kijken op welke manier een
bonussysteem kan worden gecreëerd zonder dat het andere
CO2-emissiereducties tenietdoet, opdat beter en schoner vervoer wordt
gestimuleerd.

De heer Jansen stelde een vraag over de koeriersdiensten. Wat onder
bedrijfsauto's of light duty vehicles wordt verstaan, is nu nog een punt
van discussie. U hebt een punt te pakken waarover nu nog onduidelijkheid
is. Hoe meer auto's aan strenge normen gebonden kunnen worden, hoe beter
dat voor mij is, maar u hebt gelijk: als het een omgebouwde auto is die
moet vallen onder de personenauto's, moet die aan die norm voldoen en
niet aan een iets hogere norm die voor de huidige bestelauto's geldt. Ik
begrijp uw punt helemaal.

De heer Jansen (SP): Dit is een heel interessant punt voor het zetten
van de puntjes op de i, omdat het om heel grote aantallen auto's gaat.
De minister zal erop moeten inzetten dat wordt vastgesteld welke auto's
varianten zijn op personenwagens; het gaat om een paar honderdduizend
koerierwagens. Dat is dan wisselgeld dat waarschijnlijk nog
binnengehaald kan worden.

Minister Cramer: Ik heb het punt van de heer Jansen goed opgeslagen en
ik ben het met hem eens. Ik zal hier scherp op letten. Een omgebouwde
auto die plotseling een bestelauto is terwijl het gewoon een
personenwagen is, moet een personenwagen blijven.

De heer Boelhouwer (PvdA): Je hoeft maar naar programma's zoals
Wegmisbruikers en Blik op de weg te kijken om te zien dat dat soort
autootjes van koeriersdiensten altijd plankgas rijdt en dus sowieso veel
extra doet aan uitstoot van CO2. Dus pak ze terug!

De voorzitter: Kijkt de minister ook naar dat soort programma's?

Minister Cramer: Zeker. Als ik daar tijd voor heb, ga ik dat rustig
bekijken.

Ik zeg nu al toe -- dat hoeft niet als toezegging te worden genoteerd;
het gaat er meer om, de intentie van mijn reactie op de heer Jansen goed
te begrijpen -- dat één alinea van mijn inbreng tijdens de Milieuraad
speciaal hieraan gewijd zal worden. Datzelfde geldt voor het
bonuspuntensysteem, dat niet de CO2-emissiereductie van de andere
bestelauto's teniet moet doen.

Ik kom bij een aantal vragen over de Waste Electrical and Electronic
Equipment-richtlijn: de richtlijn afgedankte elektrische en
elektronische apparatuur. Wij zijn al jaren bezig met dit onderwerp.
Mevrouw Spies vroeg naar de relatieve doelstelling. Het gaat met name om
gedifferentieerde doelstellingen per productcategorie. Dat heeft ermee
te maken dat wij niet voor alle productcategorieën hetzelfde percentage
kunnen inzamelen. Dat doet meer recht aan de milieuwinst die wij kunnen
boeken. Bijvoorbeeld het percentage in te nemen verlichtingsapparatuur
is anders dan het percentage in te zamelen koelkasten. Percentages
kunnen worden gebaseerd op enerzijds de aanwezigheid van
milieugevaarlijke stoffen en anderzijds kenmerken van de
inzamelingspraktijk. Dat wordt bedoeld.

De andere vraag van mevrouw Spies had betrekking op de
inzameldoelstelling voor lampen. Het kabinet is voor een
gewichtspercentage voor de inzameldoelstelling. Dat gaat wel op voor de
lampen.

Mevrouw Spies (CDA): Ik begrijp de theorie achter de inzameldoelstelling
per productcategorie. De vraag is hoe hoog die wordt vastgesteld, omdat
je bijvoorbeeld voor de categorie led-lampen over de afgelopen twee jaar
nooit aan een inzamelpercentage van 65 kunt komen. Die dingen gaan veel
langer dan twee jaar mee en komen nog helemaal niet in het afgedankte
circuit terecht. Er is ook een enorm grijs circuit van hergebruik:
kinderen die op kamers gaan en noem het allemaal maar op.

De voorzitter: De vraag wordt begrepen, volgens mij.

Minister Cramer: De vraag wordt helemaal begrepen. Wij moeten die
relatieve doelstelling ook zo invullen. Aan de ene kant gaat het om de
percentages die je kunt inzamelen, maar aan de andere kant gaat het erom
dat producten op de markt komen nadat ze afgedankt zijn. U hebt een
punt.

Verschillende sprekers zijn ingegaan op de afgifteplicht. Het grote
probleem was dat een heleboel afgedankte apparatuur niet werd afgegeven
bij de daartoe opgerichte inzamelpunten. De gemeenten klaagden erover
dat zij te weinig kregen van de producenten voor het inzamelen van die
apparatuur, terwijl zij er wel werk voor moesten doen. Daardoor werd er
wel wat ingezameld, maar om uit de kosten te komen, gingen de gemeenten
de apparatuur die misschien nog herbruikbaar was of waarvoor zij
anderszins een hogere prijs kregen, via een derde verkopen. Dat systeem
wilden wij stoppen. Daarvoor moesten wij ervoor zorgen, ook in
Nederland, dat de afgifteplicht beter werd georganiseerd en dat er een
goede vergoeding tegenover stond. Dat hebben wij nu in Nederland
geregeld met de producenten; dat was vorig jaar zomer een discussiepunt.
Ditzelfde punt speelt nu ook op Europees niveau. Daarom pleiten wij in
Nederland voor een afgifteplicht voor afgedankte apparatuur voor
gemeenten aan producenten. Daar staat ook een vergoeding tegenover.

Mevrouw Spies (CDA): Ik heb daar twee vragen over. Waarom een
inzameldoelstelling en een afgifteverplichting naast elkaar? En waarom
per se een afgifteverplichting aan de gemeenten? Er zijn heel veel
recyclingbedrijven die op een gekwalificeerde wijze apparaten ontleden,
onderdelen hergebruiken enzovoorts. Draaien wij zo niet een op zichzelf
functionerende handel de nek om, als wij dat exclusief tot gemeenten
beperken?

Minister Cramer: Wij moeten een centrale inzameling hebben, want anders
is het niet goed te overzien. Wij moeten weten aan wie de kosten voor
het inzamelen vergoed worden. Als blijkt dat een hele lichting
ingeleverde apparatuur nog wel geschikt is voor verdere verwerking in de
richting die mevrouw Spies noemt, moet de gemeente dat vervolgens doen.
Die moet dat dan ook goed registreren.

Het grote probleem waarop onder anderen de heer Jansen en de heer
Boelhouwer wezen, is dat de afvalketen nog niet waterdicht is. Je moet
ervoor zorgen dat die waterdicht wordt. Daarom pleiten wij voor die
afgifteplicht om de doelstellingen te halen. Alleen het formuleren van
een doelstelling is niet voldoende. Dat is de hoofdreden.

Hoe kunnen wij de export van elektronica-afval naar ontwikkelingslanden
voorkomen? Wij kunnen het beste ervoor zorgen dat het verboden wordt om
afgedankte apparatuur bestaande uit afvalstoffen te exporteren naar
ontwikkelingslanden; dat is ook volgens de EVOA-richtlijn niet mogelijk.
Apparatuur die nog wel bruikbaar is, zou inderdaad kunnen worden
geëxporteerd naar ontwikkelingslanden, maar dan moet je er wel voor
zorgen dat er ter plekke een goed verwerkingssysteem is. Daarom hebben
wij bijvoorbeeld met Ghana een systeem opgezet voor goede inzameling en
verwerking, dat Ghana weer uitdraagt naar andere Afrikaanse landen. Wij
hebben daarvoor zelf de verantwoordelijkheid genomen. De huidige export
is nog steeds omvangrijk, maar doordat wij de afgifteplicht strikter
reguleren, wordt de stroom die wij niet in de hand hebben, in ieder
geval kleiner. Wij hebben het nog niet helemaal onder controle, maar het
wordt absoluut kleiner.

In tegenstelling tot het voorstel van de Commissie pleit ik samen met
een aantal andere lidstaten voor nationale registratie. Wij hebben
namelijk een nationaal registratiesysteem dat goed werkt. Wij denken dat
handhaving op het nakomen van de verplichtingen lastiger is als er één
systeem komt. Dan kunnen wij veel minder makkelijk controleren. Dit
heeft ook te maken met onze financiële verplichtingen. Bovendien: hoe
wordt de coördinatie dan geregeld en wie betaalt dan het systeem? Omdat
het hele WEEE-systeem qua uitwerking en ook qua kosten die je met elkaar
verrekent, gebaseerd is op een nationaal systeem, kun je beter de
nationale registratie handhaven. Dan heb je als land het systeem veel
beter onder controle.

De heer Boelhouwer vroeg hoe ik ervoor zorg dat de kosten bij de
producent terechtkomen. Een van de door mij genoemde instrumenten is de
afgifteplicht. De producenten zijn verantwoordelijk voor de verwerking
van de afgedankte apparatuur. Daar regelen zij ook de financiering voor.
Dan kun je dat in ieder geval goed koppelen. Door ervoor te zorgen dat
zo veel mogelijk afgedankte apparatuur bij hen terechtkomt, dragen zij
ook de kosten van de verwerking.

Mevrouw Spies (CDA): Dit voelt niet goed. Daarom herhaal ik mijn
procedurele verzoek van de vorige keer. Ik zou op dit punt heel graag
een impact assessment willen hebben, want er zijn dan 27 nationale
registers. In mijn beleving is de handhaafbaarheid van zo'n richtlijn
juist gediend met één uniform toegankelijk systeem voor alle 27
lidstaten, waarin iedereen de stromen zou kunnen volgen. Kortom, ik heb
het gevoel dat wij niet helemaal overzien welk gedoe wij weer aan het
lostrekken zijn. Het hoeft echt geen uitgebreide studie te zijn, maar in
aanvulling op het fiche dat wij eerder hierover hebben ontvangen, wil ik
toch scherper in beeld hebben wat de consequenties van het concept van
deze richtlijn zijn in termen van baten en kosten.

Minister Cramer: Ik wil op zich wel meegaan met de zorg van mevrouw
Spies, maar voor de duidelijkheid wijs ik erop dat wij dat nationale
register nodig hebben om onze keten gesloten te krijgen. Dat is het
hoofddoel. Die informatie geven wij door aan "Brussel", waar men er bij
wijze van spreken alleen nog een nietje doorheen hoeft te slaan. Wat is
daar nu het probleem van? Dat snap ik gewoon niet.

Mevrouw Spies (CDA): Mijn gevoel betreft het totaal van de richtlijn,
dus inclusief de keuzes die gemaakt worden voor nationale registers
versus een Europees uniform register. Ik zou voor Nederland willen weten
waar spullen eventueel de grens over gaan. We kennen allemaal de
EVOA-toestanden met verschepingen naar Duitsland en België. Op een
gegeven moment komt het op plekken in de wereld terecht waar wij het
allemaal niet willen hebben. Ik zou die inzameldoelstelling en de
afgifteverplichting naast elkaar uitgewerkt willen zien. Ik wil heel
simpel weten wat de baten en kosten van deze richtlijn zijn ten opzichte
van de huidige situatie.

Minister Cramer: Ik zeg toe dat wij dat nog een keer op een rij zetten,
opdat u daar duidelijkheid over krijgt. Ik blijf er toch op wijzen dat
wij ervoor moeten zorgen dat naast de inzamelverplichting ook de
afgifteverplichting er komt. Daar hebben wij niet voor niets voor
gekozen. Wij willen er immers voor zorgen dat de keten veel geslotener
wordt. Als u een ander idee hebt hoe wij die afgifteverplichting kunnen
vermijden maar de keten wel gesloten kunnen krijgen, houd ik mij
natuurlijk aanbevolen. Gelet op alle negatieve effecten die wij de
afgelopen jaren hebben gezien, bleek dit echter een betere oplossing.
Hiermee hebben wij ook geregeld dat er een vergoeding komt voor degenen
die in de gemeenten inzamelen. Dat was voorheen niet goed geregeld. Ook
daardoor kreeg je allerlei ongewenste lekstromen.

De voorzitter: Wanneer stuurt u dat overzicht naar ons toe?

Minister Cramer: Liever na de kerst. Mag dat?

Mevrouw Spies (CDA): Dat mag wel, hoor.

De voorzitter: Wij hebben dat het liefst na de kerst.

Mevrouw Spies (CDA): Het mag ook in de geannoteerde agenda voor de
volgende Milieuraad. Dat maakt mij helemaal niet uit.

De voorzitter: Dat is een heel goed idee.

Minister Cramer: Goed. Dan zullen wij ook nog eens op een rij zetten
welk doel wij met elkaar beogen en hoe wij de keten zo gesloten mogelijk
krijgen in het licht van de mogelijkheid dat er toch heel veel
geëxporteerd wordt als het om een tweedehands product gaat. Dat gebeurt
ook nog heel frequent.

Ik kom bij de relatie tussen de richtlijn ter beperking van het gebruik
van bepaalde gevaarlijke stoffen in elektrische en elektronische
apparatuur en de richtlijn die wij zojuist hebben besproken. Aan de hand
van de voorstellen van de Europese Commissie heeft Nederland al
geconstateerd dat de aansluiting tussen beide richtlijnen nu niet
duidelijk is en dat er overlap dreigt te ontstaan. Het uitgangspunt bij
Europese regels moet zijn dat zaken indien mogelijk op één plek worden
geregeld. Even voor de duidelijkheid: waar gaat het om? De ene richtlijn
gaat over stoffen in het kader van REACH. Die stoffen zijn
geregistreerd. Alles wat je daarvan gebruikt, moet aan de regels
voldoen. Bij de WEEE-richtlijn hebben we het over producten. Die
producten en groepen producten verschillen elke keer. Die zijn niet zo
in beton gegoten als die stoffen, want die stoffen zijn allemaal heel
duidelijk gespecificeerd. Daar zit dus ook een discussie. Het
uitgangspunt bij Europese regels moet dus zijn dat wij het op één plek
regelen. Zo gaan we ook om met de nationale, Nederlandse regels. De
Europese Commissie stelt voor om voor de beoordeling van nieuwe stoffen
aan te sluiten bij de autorisatie van REACH. Dat is dus niet het punt.
Het gaat erom dat de WEEE-richtlijn ook van die stoffen bevat, maar dat
die stoffen niet een-op-een zomaar gekoppeld kunnen zijn aan de
producten. Daar zit het probleem. Ik hoop dat ik het daarmee zo simpel
mogelijk heb uitgelegd.

Mevrouw Neppérus (VVD): Het zal aan mijn vermoeidheid liggen dat die
simpelheid het voor mij nog niet helemaal duidelijk maakt.

De voorzitter: Probeer het nog een keer.

Mevrouw Neppérus (VVD): Mij bereiken signalen dat het niet alleen om
nieuwe stoffen zou gaan, maar dat ook bestaande stoffen nu aan andere
criteria zouden moeten voldoen dan in de huidige REACH-situatie. Als ik
ongelijk heb, hoor ik dat wel, maar op die vraag wil ik graag een helder
antwoord krijgen.

Minister Cramer: Het toevoegen van nieuwe stoffen is geen onderdeel van
deze herschikking. Ik ben er ook geen voorstander van om dat met deze
herschikking te doen, want dat maakt het nog gecompliceerder. Wel wordt
een mechanisme voorgesteld waarmee eventueel nieuwe stoffen toegevoegd
kunnen worden aan het RoHS-regime. Nogmaals, RoHS gaat over bestaande
stoffen die goedgekeurd zijn in het kader van REACH. De richtlijn WEEE
gaat over afgedankte elektrische en elektronische apparatuur, waarin
natuurlijk ook weer die stoffen zitten. Dat is de link. Ik vind het dus
een goede benadering als we die nieuwe stoffen daar geen onderdeel van
laten uitmaken. We moeten eerst helder hebben wat de methoden en de
criteria zijn om nieuwe stoffen toe te voegen. Dat kan dan in deze
herschikking eventueel worden geregeld. Na de inwerkingtreding van een
herziene richtlijn kunnen verzoeken om nieuwe stoffen toe te voegen, via
dit mechanisme en met deze criteria beoordeeld worden.

De gechloreerde en gebromeerde stoffen, de brandvertragers, zitten nu
niet in het RoHS-regime. Dat zijn dus nieuwe stoffen. Dat wist ik niet,
maar dat begrijp ik uit mijn tekst. Blijkbaar vallen zij niet onder
REACH. Die brandvertragers zijn namelijk bestaande stoffen. Ik weet dus
niet hoe het specifiek met die stoffen zit en of zij onder het huidige
RoHS-regime vallen. Ik kom in de tweede termijn terug op de
brandvertragende stoffen.

Dan een belangrijk punt: de biociden. In feite hebben alle woordvoerders
gevraagd waarom wij niet in heel Europa één systeem hebben, eventueel
het Nederlandse systeem, want dat is natuurlijk het beste systeem. Zij
willen geen 27 systemen. De tekst van de verordening is voor een
belangrijk deel gebaseerd op de Nederlandse praktijk. In dat opzicht
lijkt het heel veel op wat wij in Nederland doen. Nederland is ook een
voortrekker bij de invulling van de biociderichtlijn en draagt deze
ervaring continu over bij handleidingen, uitvoeringsvraagstukken
enzovoorts. De waarde van de verordening is dat de kwaliteitseisen en de
procedures in de 27 lidstaten gelijk zijn. Wij hebben dus niet 27
verschillende systemen. In dat opzicht is er een gelijk speelveld, maar
waarom willen wij dit niet alleen op Europees niveau regelen? Dat komt
doordat nationale omstandigheden, bijvoorbeeld in Nederland, kunnen
leiden tot verschillende uitkomsten, ook al zijn de procedures gelijk.
In sommige opzichten moeten wij in ons waterrijke Nederland namelijk
strenger zijn op het punt van het gebruik van biociden. Ook als het
Nederlandse systeem de norm is, houden fabrikanten dus dezelfde lasten
en kunnen de toelatingsresultaten verschillend zijn per lidstaat. Met
name de problematiek van het grondwater en de hoeveelheid biociden die
daardoor in Nederland toegepast kan worden, maakt dat wij niet moeten
doen alsof de toepassing van biociden overal in Europa hetzelfde is. De
toepassing verschilt per ecosysteem en de risico's zijn in ons
waterrijke land verhoudingsgewijs groter. Dat is de hoofdreden.

Mevrouw Spies (CDA): We moeten echt niet willen dat 27 lidstaten 27 keer
dezelfde toelatingsprocedure voor een stofje door laten lopen. Dat lijkt
mij buitengewoon ongewenst. U zegt dat de procedure en de criteria
dezelfde zijn, maar we gaan het dus wel 27 keer doen.

Minister Cramer: De kwaliteitseisen en de procedures zijn dezelfde, maar
bij de toepassing en de toelating moeten wij het gebruik van de biociden
wel koppelen aan ons specifieke systeem. Of het nu gaat om
rattenbestrijding of om iets anders, wij moeten bij het gebruik meer
uitkijken dan andere landen. Die toepassing moet je dus koppelen aan de
specifieke situatie. Het gaat om producten; de stoffen worden centraal
geregeld.

De heer Boelhouwer (PvdA): U sluit toch wel aan bij de ook door ons
geuite wens dat we het liefst één systeem zouden hebben dat aansluit
bij de Nederlandse norm?

Minister Cramer: Dat zou het mooiste zijn, maar dat zal niet in alle
situaties de praktijk worden. De stoffen worden dan centraal geregeld.
De toepassing zit in producten. Daarbij moeten wij wel uitkijken wat wij
toelaten in onze systemen.

De voorzitter: Gaat u verder.

Minister Cramer: De heer Jansen vroeg naar de rapportage over de
duurzaamheid van biobrandstoffen. Hoe kunnen wij de toekomstige
verplichte bijmenging rijmen met het goed hanteren van de
duurzaamheidcriteria? De doelen die wij voor 2010 hebben gesteld, moeten
wij natuurlijk halen. Het standpunt daarover gaat in juni naar de
Commissie. In het voorjaar is er overleg met de Kamer over de wijze
waarin wij in EU-verband tot die rapportageverplichting over de
duurzaamheid van biobrandstoffen komen. De heer Vendrik had het over het
convenant en de naleving: wat gaan wij nou precies doen in dat
convenant? Met het convenant kunnen we met de rapportage vooroplopen op
het door mevrouw Spies genoemde punt. Bovendien kunnen we voor
transparantie zorgen. Ik hoop dat het lukt om die afspraak met alle
partners te maken. Het moet dus niet zo zijn dat de een het wel doet en
de ander niet. We gaan ervan uit dat iedereen die deelneemt, zich houdt
aan die rapportageverplichting. Dat loopt eigenlijk vooruit op wat wij
in Europees verband willen, zodat wij als eerste in staat zijn om aan de
systeemeisen te voldoen. Daarmee creëer je een betere positie op de
markt, want over een jaar moet iedereen dit in Europa doen. Dat is de
hoofdreden voor de introductie hiervan. Natuurlijk moet de handhaving
een onderdeel zijn van de overeenkomst; dat spreekt absoluut voor zich.

De heer Vendrik vroeg hoe wij de transparantie zullen bevorderen.
Bedrijven moeten vanaf begin 2011 rapporteren over de duurzaamheid. Ik
wil graag dat die rapportages openbaar zijn, natuurlijk met bescherming
van bedrijfsgevoelige gegevens. Mijn doel is om voor de consument de
aard en de herkomst van de biobrandstoffen die zijn bijgemengd in
autobrandstof, duidelijk te maken. Ik wil in 2011 wettelijk geregeld
hebben dat dit als onderdeel van het pakket ter implementatie van de
EU-richtlijn over hernieuwbare energie daadwerkelijk gaat functioneren.
Ik heb hierover advies gevraagd van de commissie-Corbey. Die commissie
adviseert om vooruitlopend op de wettelijke verankering een convenant te
sluiten met de betrokken Nederlandse partijen. Dat is in nauwe
samenspraak met die bedrijven gebeurd, opdat zij zich heel goed kunnen
prepareren op die toekomst. Dat advies van de commissie-Corbey wil ik
daarom graag opvolgen. Op korte termijn zal ik met de
brancheverenigingen van brandstofleveranciers om de tafel gaan zitten om
de uitwerking van het convenant te bespreken.

De heer Jansen (SP): Ik heb gevraagd waarom wij niet alsnog de eis
stellen dat er lokaal geblend wordt. Wij moeten dus niet voorgeblende
brandstoffen importeren, omdat het veel moeilijker is om hun herkomst
vast te stellen. Dan wordt het een papieren transparantie en geen
feitelijke transparantie.

De heer Vendrik (GroenLinks): Kan de minister mij uitleggen wat de
relatie is tussen de bestaande bijmengverplichting en dit convenant? Ik
had nog niet begrepen dat meedoen aan het convenant straks een
voorwaarde is om in aanmerking te komen als leverancier in het kader van
de bijmengverplichting. Dat staat toch los van elkaar? Zie ik dat goed?

Mevrouw Spies (CDA): Ik heb een vraag in aanvulling daarop. Wat betekent
participatie aan het convenant voor bijvoorbeeld de fiscale maatregelen
uit het belastingplan voor de E85? Wat betekent de deelname aan het
convenant voor de dubbeltelling van de goede biobrandstoffen? Mag ik
ervan uitgaan dat de partners in het convenant gebruik kunnen maken van
die stimuleringsmaatregelen?

Minister Cramer: Zodra het in werking treedt, gaan wij ermee aan de
slag. Dat is mijn antwoord op de vragen van mevrouw Spies. Zoals bekend
hebben wij op dit moment nog een probleem om de duurzaamheidcriteria van
de biobrandstoffen hard te maken. Dat systeem is nog in ontwikkeling.
Daarom hebben wij vorig jaar die percentages ietsje teruggeschroefd,
zodat wij niet te hard lopen. Dan weten wij zeker dat wij de
ontwikkeling enigszins kunnen sturen en ervoor kunnen zorgen dat zo snel
mogelijk de toetsing aan de duurzaamheidcriteria geregeld is. In
Nederland gaan wij nu dus voorop met dat convenant om de transparantie
te vergroten. De heer Jansen vroeg hiernaar. Dan zal duidelijk worden
wat wij op de markt brengen. In mijn ogen moeten wij dan aan de criteria
gaan voldoen. Op die manier komt vanzelf wel naar voren dat degenen die
importeren ook ervoor moeten zorgen dat wij kunnen garanderen dat het
wel duurzaam is. Dat loopt dus eigenlijk vooruit op wat iedereen in
Europa in 2011 moet doen.

De heer Jansen (SP): Over het doel zijn wij het eens. Als er geblende
brandstof geïmporteerd wordt, die elders geblend is met allerlei
bronnen, kun je toch nooit meer traceren of het klopt wat er op papier
staat, ook als er een plechtige verklaring bij is dat het om duurzaam
geblende brandstof gaat? Waarom kiest u er niet voor dat je in Nederland
moet blenden als je aan de regeling wilt meedoen, zodat wij ook de
grondstof die geblend wordt, apart kunnen bemonsteren? Daarmee kunnen
wij ter plekke een directe controle doen.

Minister Cramer: De vraag van de heer Jansen is juist een stimulans voor
degenen die nu de biobrandstoffen op de markt brengen, om transparantie
te verkrijgen in wat ze op de markt brengen. De ingewikkeldheid die nu
naar voren komt, zal ook een stimulans zijn om te zoeken naar andere
importeurs die wel kunnen garanderen dat hun leveranties volgens onze
criteria duurzaam zijn. Dat is juist de manier waarop wij nu in
Nederland de versnelling brengen. Wij moeten ervoor zorgen dat wij alles
gereed hebben voor 2011.

De heer Vendrik (GroenLinks): Ik vroeg nog naar een verduidelijking van
de relatie tussen het convenant en de bestaande bijmengverplichting.

Minister Cramer: Dat zei ik zojuist. Het convenant tracht juist die
transparantie over de herkomst en de duurzaamheid te geven. Op dit
moment hebben wij die dus nog niet.

De heer Vendrik (GroenLinks): Dat snap ik allemaal, maar is er een
relatie tussen het convenant en de bijmengverplichting in de zin dat
alleen duurzame brandstof die uit het convenanttraject komt, bijgemengd
mag worden? Volgens mij niet. Dat staat gewoon los van elkaar. Dat
regelen wij pas definitief bij de richtlijn. In die zin staan dus het
convenant dat de minister voornemens is te sluiten en de bestaande
bijmengverplichting los van elkaar. Heb ik dat goed begrepen?

Minister Cramer: Ik zou niet zeggen: los van elkaar. Wij en ook de
producenten zullen er natuurlijk alles aan doen om dat wat ze nu op de
markt brengen, duurzaam te maken. Zij gaan zich dus al eerder
voorbereiden. Ik kan derhalve geen verplichting opleggen. Het is echter
wel een enorme stimulans om nu al producten op de markt te brengen die
voldoen aan de criteria waaraan zij in de toekomst moeten voldoen. Het
jaar daarop moet dat namelijk wel. Dan zijn zij helemaal gereed en de
anderen niet. Zij hebben dan een voorkeurspositie. Dat is het idee.

De voorzitter: Ik heb zo vaak gehoord "Ik ben het met u eens", "Ik neem
dat op" en "ik neem het mee” dat ik denk dat er geen behoefte is aan
een tweede termijn.

Mevrouw Spies (CDA): Voorzitter. Ik kan het ook procedureel laten
worden. Met betrekking tot de biocidenverordening wil ik immers toch een
voorbehoud maken. Als ik het goed begrijp, wil de minister naar uniforme
criteria en uniforme procedures per lidstaat. Alleen de dosis, om het
maar zo te zeggen, zou je per lidstaat moeten kunnen differentiëren.
Als wij niet uitkijken, houden wij dus volgens mij dat grijze circuit
van grensverkeer: als ik het in Nederland niet kan krijgen, ga ik het
wel in België halen en als ik het in Duitsland niet mag krijgen, ga ik
het wel in Nederland halen. Dat zouden wij echt niet moeten willen.
Zolang op dit punt toch niet voor een grotere uniformiteit tussen al die
27 lidstaten wordt gekozen, maak ik namens de CDA-fractie echt een
voorbehoud bij de instemming met de verordening en de inzet van de
Nederlandse regering.

Mevrouw Neppérus (VVD): Voorzitter. Ik zit nog even met die RoHS. De
minister zou in tweede termijn erop terugkomen hoe het nou precies zit
met bestaande stoffen en nieuwe stoffen. Ik blijf namelijk wisselende
signalen horen. Wellicht kan het nog eens rustig op papier worden gezet.
Dan neemt wellicht mijn enthousiasme over dat stuk toe.

De heer Boelhouwer (PvdA): Voorzitter. Ik heb mij door de minister ervan
laten overtuigen dat er een verschil is tussen stof en toepassing. Bij
de biociden zit wel een punt. De oplossing is dat je, als er een soort
generieke toepassing is die in Nederland niet anders is, zou moeten
streven naar een eenduidig Europees toelatingsbeleid. Als dat beleid
voor een aantal stoffen verschillend is, kun je eventueel dat
onderscheid maken. Dat is volgens mij de uitweg.

Minister Cramer: Ik dank de Kamerleden voor hun inbreng in tweede
termijn. Het is ingewikkeld. Ik heb er alle begrip voor dat er om
verduidelijking wordt gevraagd. Ik zal het nog een keer verduidelijken.
Als dat niet voldoende overtuigend is, zullen wij dit schriftelijk doen.

Eerst zal ik ingaan op de biociden. Bij biociden worden de stoffen die
erin zitten, generiek geregeld. Alle werkzame stoffen moeten op de Annex
I-lijst van de biociderichtlijn en straks in de verordening opgenomen
zijn. Elke stof wordt slechts één keer beoordeeld met instemming van
alle lidstaten. De lidstaten beoordelen de producten waarin die werkzame
stof zit. De verordening stelt wel voor om een paar producten, de
producten met een laag risico, centraal te beoordelen. Die producten
hebben immers niet de problematiek die ik aan de hand van een voorbeeld
heb getracht uit te leggen. Als een product in een land is toegelaten --
dit punt is heel belangrijk voor mevrouw Spies -- kan een fabrikant met
wederzijdse erkenning binnen 120 dagen een toelating in een ander land
krijgen. Er worden dus niet 27 volledige procedures gedaan voor één
product. Niet-goedgekeurde biociden mag je dus niet op de markt brengen.
Dat zegt de verordening in alle 27 lidstaten. De generieke stoffen zijn
niet onze zorg. Bij producten moet je echter heel goed weten wat de
werkzame stof inhoudt, opdat je weet dat die in jouw ecosysteem geen
probleem oplevert. Dat is onze zorg. Een terrestisch ecosysteem is
natuurlijk heel wat anders dan een aquatisch ecosysteem. Met dat laatste
hebben wij heel veel te maken. De stoffen verspreiden zich zo in het
grondwater. Dan ben je verloren. Dat is in andere situaties dus niet het
geval. Dat is de hoofdreden waarom wij toch een voorbehoud maken bij het
compleet centraliseren.

Vervolgens wil ik ingaan de vraag van mevrouw Neppérus over de RoHS. De
RoHS gaat over bekende, bestaande stoffen in apparaten. Dat zijn dus
stoffen waarvan bekend is dat zij gevaarlijk zijn, mogelijk ook in het
afvalstadium. Het doel van de richtlijn is om de toepassing van
dergelijke stoffen te beperken. Daarmee lopen wij vooruit op REACH.
REACH moet namelijk al die stoffen gaan herkeuren. Dat is afgesproken en
gaat jaren duren. Daarom moet complementariteit daarin gezocht worden.
Als het om echt bekend gevaarlijke stoffen gaat, moet je het product nu
al kunnen afkeuren. De RoHS neemt dus het afvalstadium mee in de
beoordeling van het product. 

Met REACH kijk je daarentegen alleen naar de toxiciteit en
milieugevaarlijkheid van die stof. Je kijkt echter niet hoe het uitpakt
als je de stof in een product verwerkt dat in het afvalstadium op een
onbekende plaats terechtkomt. Omdat de betreffende stoffen bekend
gevaarlijk zijn, hoef je niet te wachten op beoordeling in het kader van
REACH. Er zijn enkele broomhoudende brandvertragers en ook een aantal
zeswaardige chroomhoudende brandvertragers waarvan nu al bekend is dat
ze zo gevaarlijk zijn dat ze niet hoeven te wachten op een beoordeling.
Daarom twijfelde ik zelf ook even. Niet alle brandvertragers vallen
onder REACH, maar enkele, heel duidelijk gespecificeerde vallen er wel
onder.

De voorzitter: Daarmee zijn wij aan het eind gekomen van dit overleg.

algemeen overleg/Milieuraad d.d. 9 december 2009/VROM/EU	blz.   PAGE  1 



  FILENAME \* Upper  \* MERGEFORMAT  091209MILIEURAAD.DOC 
(Meijer/Priem/Flohr)

Uiterste corr.termijn: dinsdag 22 december te 18.00 uur/Inlichtingen
tel. 3182104/3183019 fax. 3182116