[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [šŸ§‘mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [šŸ” uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

Conceptverslag Inburgering buitenland en huwelijksmigratie

Verslag van een algemeen overleg

Nummer: 2010D00770, datum: 2009-11-18, bijgewerkt: 2024-02-19 10:56, versie: 1

Directe link naar document (.doc), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (šŸ”— origineel)


CONCEPTVERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG OVER:

Inburgering buitenland en huwelijksmigratie

Desgewenst kunt u correcties in de weergave van uw woorden aanbrengen. U
wordt verzocht, deze correcties uiterlijk dinsdag 12 januari te 18.00
uur aan de Dienst Verslag en Redactie te retourneren. Het is voldoende,
alleen gecorrigeerde blaadjes aan ons terug te zenden, eventueel per
fax. Hebben wij op het moment van het verstrijken van de
correctietermijn geen reactie ontvangen, dan gaan wij ervan uit dat u
instemt met de weergave van uw woorden. Let op! Neem voor uitstel van de
uiterste correctiedatum contact op met de griffier van de desbetreffende
commissie.

Inlichtingen: tel. 3182104 / 3183019.

Faxnummer Dienst Verslag en Redactie 070-3182116.

________________________________________________________________________
_

VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld

De algemene commissie voor Wonen, Wijken en Integratie<1> en de vaste
commissie voor Justitie<2> hebben op 18 november 2009 overleg gevoerd
met minister Van der Laan voor Wonen, Wijken en Integratie en minister
Hirsch Ballin en staatssecretaris Albayrak van Justitie over:

- de brief van de minister voor Wonen, Wijken en Integratie d.d. 2 juli
2009 over de evaluatie van de Wet inburgering in het buitenland (32005,
nr. 1);

- de brief van de minister voor Wonen, Wijken en Integratie d.d. 2
oktober 2009 over kabinetsaanpak huwelijks- en gezinsmigratie (32175,
nr. 1);

- de brief van de minister van Justitie d.d. 21 oktober 2009 over de
uitspraken van de rechtbank in Amsterdam m.b.t. de Wet inburgering in
het buitenland (32005, nr. 2);

- de brief van de minister van Justitie d.d. 16 november 2009 over de
huwelijksleeftijd (2009Z21723);

- de brief van de minister voor Wonen, Wijken en Integratie d.d. 17
november 2009 over de monitorrapportage Wet inburgering in het
buitenland (2009Z21842).

Van het overleg brengen de commissies bijgaand stenografisch verslag
uit.

De voorzitter van de algemene commissie voor Wonen, Wijken en
Integratie,

Van Gent

De voorzitter van de vaste commissie voor Justitie,

De Pater-van der Meer

De griffier van de algemene commissie voor Wonen, Wijken en Integratie,

Van der Leeden

Voorzitter: Van Gent

Griffier: Van der Leeden

Aanwezig zijn negen leden der Kamer, te weten: Dibi, Dijsselbloem,
Fritsma, Van Gent, Karabulut, De Krom, Ortega-Martijn, Sterk en Verdonk 

en minister Van der Laan, minister Hirsch Ballin en staatssecretaris
Albayrak, die vergezeld zijn van enkele ambtenaren van hun ministerie.

De voorzitter: Dames en heren, hartelijk welkom. Hierbij open ik het
algemeen overleg van de algemene commissie voor Wonen, Wijken en
Integratie. Ik wil graag de bewindspersonen welkom heten. Minister
Hirsch Ballin zal iets later zal aanschuiven, maar in de beantwoording
zal hij natuurlijk volop meedoen.

Onder voorbehoud is nog een agendapunt toegevoegd en wel met betrekking
tot de Monitorrapportage Wet inburgering in het buitenland. U kunt hier
ook bij de begroting aandacht aan besteden, maar het leek ons een goed
idee om het alvast op de agenda te zetten. Ik zie dat hiertegen geen
bezwaar wordt gemaakt en ik bespeur zelfs enthousiasme. Dat is dan
helemaal een goed begin van dit overleg. Ten slotte deel ik mee dat wij
de spreektijd hebben gesteld op zeven minuten per fractie.

De heer Fritsma (PVV): Voorzitter. We hebben het vandaag over partner-
en gezinsmigratie, de ware motor achter de voortgaande massa-immigratie.
Dit type migratie is er bijvoorbeeld debet aan dat de Marokkaanse en
Turkse gemeenschappen in ons land nu respectievelijk 341.000 en 378.000
mensen tellen. De partner- en gezinsmigratie wordt dus door bijzonder
veel mensen aangegrepen om verblijfsrecht in Nederland te krijgen, ook
door kwaadwillenden, die met schijnrelaties de boel op kinderlijk
eenvoudige wijze bedonderen. Laten wij eens kijken naar de praktijk. We
weten dat heel veel allochtonen een partner uit het land van herkomst
halen. Na drie jaar krijgt die partner zelfstandig verblijfsrecht. Dan
is het verblijfsrecht dus niet meer afhankelijk van de relatie waarmee
het verkregen is. Veel relaties duren dan ook niet veel langer dan die
drie jaar, waarna beide partners vaak weer nieuwe partners uit het land
van herkomst halen. De nieuwe partners doen dat op hun beurt vaak ook
weer. Dit sneeuwbaleffect van ketenmigratie heeft ervoor gezorgd dat
letterlijk halve dorpen uit het Marokkaanse Rifgebergte en het Turkse
AnatoliĆ« naar Nederland zijn geĆÆmporteerd. We zien dagelijks de
desastreuze effecten van die massa-immigratie op onze samenleving. Die
is hierdoor helemaal ontwricht. Alsof we helemaal geen immigratie- en
integratieproblemen hebben, staan de sluizen nog steeds wagenwijd open.
De partner- en gezinsmigratie is vorig jaar weer met duizenden personen
gestegen en wordt door dit kabinet nota bene versoepeld door het
makkelijker te maken om ouders naar Nederland te halen. Het kabinet zegt
nu wat aan de partner- en gezinsmigratie te willen doen, maar de
PVV-fractie kan helaas slechts concluderen dat het kruimelwerk is. Het
pakketje maatregelen van het kabinet is niets meer en niets minder dan
gerommel in de marge.

Om de uit de klauwen gelopen massa-immigratie en de daaraan verbonden
islamisering van onze samenleving te stoppen, wil de PVV, zoals bekend,
een immigratiestop instellen voor mensen uit moslimlanden. Daarnaast
zijn er wat betreft de partner- en gezinsmigratie heel doeltreffende
maatregelen te nemen om de problemen veel serieuzer aan te pakken dan
het kabinet nu doet. Het kabinet laat de meest noodzakelijke
aanscherpingen van het gezinsmigratiebeleid geheel achterwege. 

De heer Dibi (GroenLinks): Ik heb u al zo vaak over een immigratiestop
gehoord dat ik wel benieuwd ben naar een concreet voorstel. Kunt u een
lijstje geven van wat dan moslimlanden zijn? Ik heb begrepen dat u de
verhoging van de AOW daartegen wilt wegstrepen. Zou u kunnen doorrekenen
hoeveel u daarmee bespaart? Ik wil graag een concreet voorstel zien dat
wij kunnen beoordelen. Anders blijft het zo hangen.

De heer Fritsma (PVV): Dat is simpel: een moslimland is een land waar
meer dan 50% van de bevolking bestaat uit moslims. Ik heb de lijst bij
me als u deze wilt hebben, maar ik wil deze ook wel voorlezen. De
definitie is echter simpel. 

De voorzitter: Mijnheer Fritsma, er bestaat veel belangstelling voor.
Wilt u het lijstje aan mij geven? Dan zal het worden gekopieerd en
rondgedeeld. 

De heer Fritsma (PVV): Van mij mag het. 

De heer Fritsma (PVV): Ook de tweede vraag van de heer Dibi over de
berekening kan ik concreet beantwoorden. Het weekblad Elsevier heeft
bijvoorbeeld berekend dat de voortgaande massa-immigratie ongeveer 13
mld. per jaar kost. Per niet-westerse allochtoon spreken we over ā‚¬7000
per jaar. Zetten we dat af tegen het aantal moslims dat Nederland
binnenkomt -- conservatief geschat 20.000 -- en het aantal kinderen dat
daarbij komt, dan kunnen we uitgaan van 40.000 maal die ā‚¬7000. Over
een periode van tien jaar besparen we ons dan gemakkelijk 4 mld. en dat
is precies het bedrag dat het kabinet over vijftien jaar wil vrijmaken
door de AOW maatregelen. Dit is een concrete berekening, gebaseerd op
zelfs nog conservatieve inschattingen. 

De heer Dibi (GroenLinks): Ik krijg die doorberekening graag op papier.
Dan kunnen wij haar beoordelen. Dat is belangrijk voor het debat. Ik
concludeer overigens dat de heer Fritsma helemaal geen behoefte heeft
aan een onderzoek. Hij heeft minister Van der Laan al heel vaak gevraagd
om een onderzoek, maar nu heeft hij zelf al helemaal uitgerekend hoeveel
kan worden bespaard. Is wat hem betreft het onderzoek door de minister
bij dezen dan ook van de baan? 

De heer Fritsma (PVV): Zeker niet. Ik heb het onderzoek van het weekblad
Elsevier zojuist aangehaald en daarin zijn heel veel elementen buiten
beschouwing gelaten. Dit onderzoek geeft geen volledig beeld. De PVV
stuurt er dus nog steeds op aan om een onafhankelijk onderzoek te laten
doen. Daarnaast hebben wij de website www.watkostdemassaimmigratie.nl
opgezet. Veel mensen denken met ons mee en kunnen daar een reactie
achterlaten. Dat zullen we allemaal meenemen in het onderzoek dat we
zelf gaan uitzetten. Ik ben blij dat ik dat nog even kon toelichten. 

De voorzitter: Mijnheer Fritsma, kunt u wat puntiger antwoorden? Er zijn
namelijk nog een paar vragen voor u. 

Mevrouw Sterk (CDA): In sommige moslimlanden wonen natuurlijk ook
christenen of mensen die helemaal geen geloof aanhangen. Begrijp ik uw
voorstel goed dat ook deze mensen niet naar Nederland zouden mogen
komen? 

De heer Fritsma (PVV): Dat klopt wat betreft de reguliere immigratie. De
enkele christen die op een reguliere toelatingsgrond vanuit een
moslimland naar Nederland zou willen komen, zou hier niet mogen komen.
Dat is een nadeel om deze werkbare maatregel toch doorgang te laten
vinden. Nogmaals, dat geldt voor reguliere immigratie en niet voor
asielzoekers, maar dat hebben wij reeds verduidelijkt. 

De heer Dijsselbloem (PvdA): Ik verheug mij al op het begrotingsdebat
van volgende week, want dan zullen wij hierover uitputtend
discussiƫren. Ik begrijp dat de grenzen dicht gaan voor landen met meer
dan 50% moslims. Geldt die grens ook voor landen met 49% moslims?
Bovendien, hoe gaat de IND na of iemand moslim is, moslim was, belijdend
moslim is, bekeerd christen is of bekeerd moslim? Dat wordt een heel
interessante uitvoeringsoperatie.

De heer Fritsma (PVV): Het antwoord is simpel. Wij willen een
immigratiestop voor mensen uit moslimlanden. Dat geldt voor alle mensen
die uit moslimlanden komen, dus ook voor de enkele niet-moslims . De
grens ligt voor ons bij de gangbare definitie die demografen en
geografen gebruiken, namelijk dat je over een moslimland spreekt wanneer
het merendeel van de bevolking van dat land moslim is. Dat zijn meer dan
vijftig landen. Voor die landen geldt wat ons betreft de immigratiestop.
We kijken dus niet naar wie moslim is en wie christen. Wij willen die
stop erop zetten, zodat iedereen uit dat land die vanwege reguliere
toelatingsgronden naar Nederland wil, dat niet meer kan. Dat is helder.
Op dit moment wordt er ook al onderscheid gemaakt naar landen van
herkomst. Zo hoeft een Amerikaan niet in te burgeren in het buitenland
en een Marokkaan bijvoorbeeld wel. Het is dus heel gebruikelijk om
onderscheid te maken naar land van herkomst. Wij vinden dat hierbij
relevant om te doen om de islamisering van Nederland tegen te gaan.

Mevrouw Karabulut (SP): Beoordeelt de heer Fritsma personen nu op wat
zij zijn of op wat zij doen? Met andere woorden: beoordeelt hij hen puur
en alleen op het feit dat zij bijvoorbeeld een moslimidentiteit hebben
of kijkt hij of iemand zich aan de regels en wetten en normen en waarden
houdt?

De heer Fritsma (PVV): Wij kijken naar de islam en de islamisering. De
islam is in de ogen van de PVV een kwaadaardige politieke ideologie die
totaal onverenigbaar is met onze westerse samenleving en daarom met
kracht moet worden bestreden. Dan is het logisch om met een
immigratiestop te komen voor mensen uit moslimlanden. Hoe wil je anders
de islamisering indammen? Wij hebben ook altijd gezegd dat we
onderscheid maken tussen die ideologie en de mens.

Mevrouw Karabulut (SP): De heer Fritsma heeft mijn vraag jammer genoeg
niet beantwoord. Laat ik de vraag heel concreet stellen: als een man met
alleen de Nederlandse nationaliteit verliefd wordt op een vrouw uit een
moslimland en zij keurig netjes de toets inburgering buitenland aflegt,
wil de PVV dat onmogelijk maken?

De heer Fritsma (PVV): Ja.

Mevrouw Karabulut (SP): Wil de PVV nu echt verbieden dat al die mensen
die toevallig verliefd worden op iemand die of een moslimidentiteit
heeft of uit een bepaald land komt van het lijstje dat de heer Fritsma
zal overhandigen, trouwen met degene van wie zij houden? Dat lijkt me
nogal wat voor de achterban en de kiezer.

De heer Fritsma (PVV): Ik kan niet duidelijker zijn. Wij willen een
immigratiestop voor mensen uit moslimlanden en dus ook in zoā€™n geval.
Nogmaals, je kunt de islamisering van onze samenleving niet tegengaan
als je die daadkracht niet tentoonspreidt. Het is van het grootste
belang om de islamisering van de samenleving tegen te gaan. Het
ontwricht onze samenleving en het bedreigt al onze vrijheden en
kernwaarden. Natuurlijk moet je dan met deze daadkracht komen. Als men
dat niet wil doen onder het mom van tolerantie wordt onze hele
samenleving te grabbel gegooid. Dat is een slechte zaak.

Ik had het over de cruciale maatregelen om gezins- en partnermigratie
tegen te gaan. Een cruciale maatregel is bijvoorbeeld het oprekken van
de termijn waarna partner- en gezinsmigranten zelfstandig verblijfsrecht
krijgen. Zoals gezegd is die termijn nu slechts drie jaar, waardoor het
sneeuwbaleffect van de ketenmigratie welig tiert. De PVV wil dat dit
zelfstandig verblijfsrecht pas na tien jaar wordt verkregen. Ik verzoek
het kabinet om dit voorstel zo snel mogelijk over te nemen, anders
blijven we zitten met gezinsmigranten die veel te snel andere
gezinsmigranten naar Nederland halen, die dat op hun beurt ook weer
doen.

In het verlengde van de ketenmigratie ligt ook een ander cruciaal punt
dat dit kabinet laat liggen en dat is het absurde feit dat er niet eens
een limiet is gesteld aan het aantal partners dat iemand achter elkaar
naar Nederland kan halen. Er zijn voorbeelden van Marokkanen die wel
acht, negen of tien verschillende partners achter elkaar uit het land
van herkomst halen. Ik verzoek het kabinet zo snel mogelijk een einde
aan deze waanzin te maken. 

De heer Dijsselbloem (PvdA): Ik moet de heer Fritsma op dit punt
bijvallen. Als het echt om grote aantallen gaat, moeten we dat boven
water krijgen en daar eens goed naar kijken. Mijn concrete vraag aan de
heer Fritsma is dan ook of hij zijn betoog wil versterken. Hij noemt dit
namelijk heel vaak. Zou hij ons en de bewindslieden een lijstje met
voorbeelden kunnen geven? Hij heeft het over ā€œveel gevallenā€ en
ā€œacht, negen of tien keerā€. Als dat echt gebeurt, zou het geweldig
helpen als we met dat lijstje tegen de minister konden zeggen dat dit
toch echt niet kan. Als het inderdaad waar is, ben ik het echt eens met
de heer Fritsma.

De heer Fritsma (PVV): Ik heb voorbeelden van verschillende misstanden.
Ik heb ook eens 200 dossiernummers aan de staatssecretaris gegeven met
de vraag om daarop te reageren. Dat heeft de staatssecretaris niet
gedaan. Dat ging ook over dit soort gevallen. Ik heb deze vragen
overigens bij me. Ik heb de staatssecretaris ook eens gevraagd aan te
geven hoeveel mensen er achter elkaar uit het land van herkomst worden
gehaald door individuele personen. Zij antwoordde geen idee te hebben,
omdat de IND dit niet bijhoudt. Het kabinet houdt dit soort cruciale
informatie dus niet bij. 

De heer Dijsselbloem (PvdA): Ik begrijp het probleem van mijnheer
Fritsma. Hij zegt dat de cijfers er niet zijn, maar mijn probleem is dat
hij in elk debat zegt dat er vele voorbeelden zijn van gevallen waarin
iemand acht, negen keer achter elkaar een partner uit het buitenland
haalt. Ik bestrijd dat helemaal niet; ik weet het niet. Het kabinet zegt
dat het niet wordt bijgehouden, maar de heer Fritsma zegt het wel te
weten. Daarom vraag ik hem om zoā€™n lijst met voorbeelden. Dan hebben
we een casus en kunnen we het kabinet zeggen dat dit een reƫel probleem
is.

De heer Fritsma (PVV): Ik kom vaak genoeg met IND-stukken, maar dan
begint iedereen weer te piepen dat het schandalig is dat ik met
IND-beschikkingen over de brug kom. 

De heer Dijsselbloem (PvdA): U gaat nu een slag te ver. 

De heer Fritsma (PVV): Ook uw collega Spekman heeft er schande van
gesproken als ik met heel concrete IND-beschikkingen kom. Ik heb al die
voorbeelden ook gegeven, maar dan spreken alle woordvoerders -- ook die
van de PvdA -- er schande van dat ik met individuele zaken mijn punt
aantoon. 

Mevrouw Sterk (CDA): Ik heb geen antwoord gehoord van de heer Fritsma.
Het is mooi om met een casus te komen, maar het is natuurlijk pas echt
een probleem als het inderdaad waar is. We moeten wel eerst de feiten op
tafel hebben. Of de heer Fritsma heeft de feiten, of hij kan zijn
bewering niet waarmaken. 

De heer Fritsma (PVV): Nogmaals, ik heb al die feiten en ik heb ook
genoeg voorbeelden. Ik wijs in dit verband op het PVV-immigratieplan. Ik
heb de dossiernummers aan de staatssecretaris gegeven. Waar het hier
echter om gaat -- en dat is veel kwalijker -- is dat de IND en de
staatssecretaris niet het aantal partners registeren dat een individuele
vreemdeling gemiddeld naar Nederland haalt. Dat moet de Kamer toch ook
vreemd vinden? Als zij het probleem serieus vindt, stel ik voor het
kabinet om een grootschalig dossieronderzoek te vragen, zodat deze
feiten boven water komen. Als ik een motie indien om dit te vragen, ga
ik ervan uit dat de Kamer die steunt en dan krijgen we die informatie
concreet. Hoe kunnen we het immigratiebeleid controleren als het kabinet
zelf dit soort concrete informatie niet bijhoudt? 

Mevrouw Sterk (CDA): Ik stel vast dat de heer Fritsma een reƫel punt
lijkt aan te snijden. Hij ondersteunt dat op dit moment alleen niet met
feiten over de aantallen. Het lijkt mij echter wel een reƫle vraag aan
het kabinet, waarvoor wij mijns inziens helemaal geen motie nodig
hebben. 

De heer Dibi (GroenLinks): De GroenLinks-fractie staat natuurlijk ook
open voor de suggestie van de heer Fritsma, maar ik laat daardoor niet
de aandacht afleiden van de eerdere opmerking van de heer Fritsma.
Kunnen we afspreken dat hij in ieder geval een voorbeeld geeft,
bijvoorbeeld in de schorsing voor de tweede termijn? Dan kunnen we
straks een reactie aan de minister vragen op het feit dat een man zeven
of acht keer opnieuw een partner heeft gehaald. Dat zou ik erg
waarderen. 

De heer Fritsma (PVV): Ik kan gewoon verwijzen naar het immigratieplan
van de PVV dat ook op internet staat, waarin een concreet voorbeeld
wordt genoemd. De heer Dibi of een van zijn medewerkers hoeft dus alleen
maar even het internet op te gaan en dan kan het zo worden uitgeprint. 

Een andere misstand die niet wordt aangepakt, wordt in het IND-jargon de
ā€œwisseltrucā€ genoemd. Het is schering en inslag dat allochtonen met
deze truc hun ex-partner, met wie de relatie eigenlijk nooit verbroken
is, uit het land van herkomst halen. Deze allochtonen zijn middels een
avontuur met een zogenaamde nieuwe partner naar Nederland gekomen, maar
na drie jaar -- daar heb je die termijn weer -- is dat avontuur voorbij.
Gesteld wordt dan dat de relatie met de ex-partner weer is opgeleefd,
die dan natuurlijk naar Nederland wordt gehaald, vaak met kinderen. Het
misbruik druipt er werkelijk vanaf. Via een schijnrelatie krijgt een
heel gezin kinderlijk eenvoudig het verblijfsrecht. Ik wil het kabinet
vragen hier niet langer in te tuinen. Het is duidelijk dat men geen
ex-partners, al of niet met kinderen, naar Nederland moet kunnen halen.
Zonder die wisseltruc aan te pakken, zonder wat aan de veel te korte
termijn te doen waarna zelfstandig verblijfsrecht wordt verkregen en
zonder iets te doen aan de waanzin dat er onbeperkt nieuwe partners naar
Nederland kunnen worden gehaald, blijft elke vorm van aanpak van de
partner- en gezinsmigratie hopeloos tekort schieten. Het is jammer dat
het kabinet dit nog steeds niet begrepen heeft. 

Zoals in onze initiatiefnota over immigratie staat, wil de PVV voor
partner- en gezinsmigratie een minimumleeftijd stellen van 24 jaar. Het
kabinet heeft hiernaar gekeken, maar we hebben kunnen lezen dat dit in
strijd is met een Europese richtlijn. Zo staat Europa voor de zoveelste
keer daadkracht om immigratieproblemen aan te pakken vreselijk in de
weg. Daarom verzoek ik het kabinet nogmaals ervoor te zorgen dat
Nederland het immigratiebeleid in eigen handen houdt. 

Dat dit erg belangrijk is, blijkt ook uit een ander belangrijk punt: de
Europaroute. De PVV blijft erop hameren dat dit enorme immigratielek zo
snel mogelijk gedicht moet worden. Met de Europaroute kunnen partner- en
gezinsmigranten namelijk alle gebruikelijke toelatingsvoorwaarden
omzeilen, evenals de inburgerings- en inkomensvereisten. Criminelen
worden helaas ook moeilijker tegengehouden, omdat het gangbare
openbare-ordebeleid natuurlijk ook niet geldt. De Europaroute is een
achterdeur die niet slechts een beetje openstaat, maar volkomen uit zijn
hengsels is getild, waardoor iedereen door het gapende gat kan rennen en
een verblijfsvergunning kan ophalen. Wil je een partner uit Marokko
halen maar voldoe je niet aan de voorwaarden? Geen probleem: je vestigt
je even in Belgiƫ of Duitsland en het probleem is opgelost. Ben je
illegaal in Nederland en wil je eindelijk eens verblijfsrecht? Geen
probleem: je regelt een partner of een zogenaamde partner die
bijvoorbeeld een Belgisch of Duits paspoort heeft en het probleem is
opgelost, nogmaals, zonder aan de gebruikelijke toelatingsvoorwaarden te
hoeven voldoen. Dat kan allemaal. 

De heer Dijsselbloem (PvdA): De problematiek van de Belgiƫroute is
bekend. Daar hebben we vaak over gesproken, maar nu de oplossing. De PVV
is in de peilingen de grootste partij. De heer Fritsma is dus in
potentie de nieuwe minister voor migratiebeleid. Ik wil heel concreet
van hem weten wat hij op zijn eerste dag als minister doet aan de
Belgiƫroute, zodat mensen weten hoe realistisch het allemaal is als zij
overwegen op de PVV te stemmen. Daar wil ik graag nog een tweede vraag
aan verbinden. De heer Fritsma heeft het over een gapend gat. Dat
suggereert heel grote aantallen. Welke cijfers heeft mijnheer Fritsma
die wij niet hebben? 

De heer Fritsma (PVV): Ik wil graag met de laatste vraag beginnen. Deze
laatste vraag heb ik al honderdduizend keer aan de staatssecretaris
gesteld en ik heb honderdduizend keer het antwoord gekregen dat zij geen
idee had. Heeft de PvdA-fractie echt geen beetje realiteitszin? Als je
de deur zo wagenwijd openzet voor partner- en gezinsmigranten die aan
geen enkele voorwaarde hoeven te voldoen om verblijfsrecht te krijgen,
is het toch logisch dat heel veel mensen daar gebruik van maken? Ik weet
dat het er heel veel zijn. Kijk eens op internetsites als www.marokko.nl
en www.buitenlandsepartner.nl. Het is daar al jaren feest omdat de
Europaroute bestaat. Ik hoop dat de heer Dijsselbloem daar eens een
kijkje neemt, want dan weet hij wat er speelt. 

De heer Dijsselbloem (PvdA): Mijn eerste vraag is nog onbeantwoord, maar
ik wil even terugkomen op de tweede vraag. De heer Fritsma baseert zich
op www.marokko.nl. Dat doet hij op andere momenten niet, want dan vindt
hij wat daar staat onbetrouwbaar en zelfs zeer lasterlijk. Nu citeert
hij echter wat hij daar allemaal aantreft. Ik wil graag mijn punt
herhalen. Dat de Belgiƫroute bestaat, weten we allemaal. Echter, de
heer Fritsma stelt te weten dat het om vele gevallen gaat. Dat doet hij
voortdurend. Als we hem vragen waar hij dat op baseert zegt hij steeds
dat hij dat aan de staatssecretaris vraagt, maar dat zij het niet weet.
De cijfers zijn er dus niet, maar de heer Fritsma weet het wel. Daar
komen we dus nooit uit. Ik moet nogmaals constateren dat een
onderbouwing van het verhaal van de heer Fritsma elke keer ontbreekt. 

De heer Fritsma (PVV): Ik kan alleen maar putten uit dit soort bronnen
en uit geluiden die ik vanuit de IND krijg omdat, nogmaals, deze
regering helemaal niets registreert. Hoe kan ik het beleid van de
regering controleren, als ze zelf totaal geen relevante informatie
bijhoudt? Daar moet de heer Dijsselbloem mij niet op aanvallen; daar
moet hij de staatssecretaris op aanspreken. Hij moet haar aansporen om
relevante informatie te verzamelen en daar wat mee te doen.

Ik heb het kabinet eerder gevraagd om niet over huwelijksmigratie te
spreken, maar over partnermigratie. De term ā€œhuwelijksmigratieā€
suggereert namelijk dat je getrouwd moet zijn om een partner naar
Nederland te halen. Dat is niet het geval. Je hebt er ook geen
samenlevingscontract of geregistreerd partnerschap voor nodig. Heel veel
mensen die een partner naar Nederland halen, zijn juist niet getrouwd en
zullen dat ook niet doen. Wellicht komen schijnrelaties zonder huwelijk
nog vaker voor dan de beroemde schijnhuwelijken. Dat is ook wel logisch
natuurlijk, want waarom zou je een fake relatie bezegelen met een fake
huwelijk als dat helemaal niet nodig is? 

Over fraude en misbruik heb ik de volgende vragen. Hoe is het mogelijk
dat het kabinet niet eens weet hoeveel schijnrelaties door de IND zijn
ontdekt? Hoe is het mogelijk dat het kabinet ook niet weet hoe vaak door
de vreemdelingenpolitie adrescontroles worden verricht? Kan het kabinet
alsnog antwoord geven op deze simpele vragen? Kan het kabinet erop
inzetten de adrescontroles op te voeren, ook als er geen concrete
fraude-indicaties zijn? Ik zou graag at random adrescontroles willen
zien, want dat is hier hard nodig. Hoe vaak doet de IND aangifte als
valse relaties zijn aangetroffen, of als er sprake is van
schijnrelaties? Ik wil ook vragen of de mensen die het betreft in het
vervolg niet meer in aanmerking kunnen komen voor verblijfsrecht.
Bedriegers en oplichters kunnen we hier namelijk niet gebruiken en die
verdienen ook geen nieuwe ronde met nieuwe kansen. Daar wil ik het bij
laten. 

De heer De Krom (VVD): Voorzitter. Allereerst dank aan het kabinet voor
de stukken. De brief over gezins- en huwelijksmigratie geeft voor mij
aan dat het kabinet nu wel degelijk serieus iets aan dit probleem wil
doen. In het algemeen steunen wij deze voorstellen, maar ik zal toch een
paar punten langsgaan. Ik heb namelijk een aantal vragen en suggesties.
Ik zou het zeer op prijs stellen als het kabinet de suggesties, ideeƫn
en voorstellen van mijn kant serieus zou kunnen oppakken.

In het algemeen ben ik er verheugd over dat de minister voor Integratie
eindelijk de moed heeft om de problematiek van de gezins- en
huwelijksmigratie op de agenda te zetten. De VVD-fractie heeft daar al
langer om gevraagd, kennelijk dan toch met het resultaat dat deze brief
nu op tafel ligt. We herkennen een aantal voorstellen in de brief, die
wij zelf ook al eerder hebben gedaan en waarmee wij uiteraard serieus om
zullen gaan.

Allereerst wil ik ingaan op het niet langer erkennen van buitenlandse
huwelijken onder de wettelijke leeftijd van achttien jaar. We hebben een
separate brief hierover gehad van de minister van Justitie. Wij steunen
dat, maar ik zou wel graag willen weten wat het kabinet nu concreet gaat
doen om de internationale verdragsrechtelijke belemmeringen van het
verdrag van maart 1978 weg te nemen. Wat zijn de mogelijkheden en wat is
het stappenplan?

De VVD vindt het vanzelfsprekend dat na ernstige geweldsdelicten,
fraude, dwang of bedrog -- ik reken daar de schijnhuwelijken ook maar
even onder -- geen nieuwe partner uit het buitenland kan worden gehaald.
Het kabinet zegt dat zelf ook in zijn brief. Wij zijn het daar van harte
mee eens, maar vragen ons af of daar verblijfsrechtelijke consequenties
aan vastzitten, zowel voor de referent als voor de partner. Dat is mij
niet helder. Ik neem aan dat dit wel het geval is. Kan het kabinet dat
bevestigen?

Inkomensfraude moet natuurlijk keihard worden aangepakt. Een aantal
gevallen is opgespoord. Op een aantal van 15.000 vond ik dat aantal heel
klein. Dat kan betekenen dat het nauwelijks voorkomt, maar ook dat niet
goed genoeg wordt gecontroleerd. De minister kan natuurlijk niet
garanderen dat in al die andere gevallen geen sprake is van
inkomensfraude, maar ik zou het op prijs stellen wanneer hij duidelijk
en scherp zou aangeven hoe dat wordt gecontroleerd. Vindt hij de huidige
controles voldoende? 100% zekerheid is er nooit, maar we moeten wel een
zo groot mogelijke zekerheid krijgen dat het ook inderdaad niet gebeurt.

Het kabinet stelt voor om IND-medewerkers in het land van herkomst te
detacheren. Dat lijkt mij een buitengewoon goed idee. Ik vraag mij
echter af wat nu precies het doel daarvan is. Is het doel om door lokaal
onderzoek van IND-medewerkers ter plekke te laten vaststellen of mensen
naar Nederland mogen reizen, nadat is vastgesteld dat er geen sprake is
van inkomensfraude, dwang, schijnhuwelijk, of een neef/nicht-huwelijk? 

Mevrouw Verdonk (Verdonk): Hoe denkt de heer Krom dat een IND-ambtenaar
gaat controleren of er sprake is van een neef/nicht-huwelijk? Ik zag
namelijk geen concreet voorstel in de brief van de minister en de
staatssecretaris. 

De heer De Krom (VVD): Ik neem aan dat dit wordt nagegaan en
gecontroleerd, zo mogelijk ook met behulp van getuigen, en dat daar
processen en procedures voor zijn. Wellicht kan het kabinet daarover
straks enige uitleg geven. 

Mevrouw Verdonk (Verdonk): Soms hoor ik heel zinnige suggesties aan mijn
linkerkant. Ik begreep dat de heer Dibi van GroenLinks voor een
integrale DNA-test is. Daar kan ik mij natuurlijk heel erg in vinden en
naar ik hoop de heer De Krom ook. 

De heer Dibi (GroenLinks): Dat was een sarcastische suggestie!

De voorzitter: Die indruk had ik al, maar mevrouw Verdonk had het woord
niet. De heer Krom vervolgt zijn betoog. 

De heer De Krom (VVD): Ik neem aan dat het kabinet alle gelegenheid te
baat neemt om de sarcastische opmerking van de heer Dibi in het antwoord
mee te nemen. 

Over de Belgiƫroute is al vaak gesproken. Tot nu toe is het resultaat
nul, verdragsrechtelijk gezien. Wanneer kunnen we daar echt resultaten
van verwachten? Welke stappen worden genomen? Wanneer komt het terug bij
de Kamer?

Het kabinet stelt in zijn brief voor dat de referenten ook zelf aan de
inburgeringseisen moeten voldoen. Dat lijkt de VVD-fractie
vanzelfsprekend. Ik neem aan dat het kabinet bedoelt dat de referenten
zelf ook met succes de inburgeringsexamens moeten hebben afgelegd. Dat
staat er niet expliciet in, maar ik neem aan dat het impliciet wel wordt
bedoeld. Welke regels moeten daarvoor precies worden gewijzigd en
wanneer krijgt de Kamer die informatie?

Het kabinet wil onderzoeken of er opleidingseisen aan partners kunnen
worden gesteld. Ook dat lijkt mij uiterst zinnig. We hebben dat zelf ook
al eerder gesuggereerd. Je zou kunnen denken aan minimaal mbo-niveau en
natuurlijk een adequate kennis van de Nederlandse of de Engelse taal, in
ieder geval goed genoeg om op de arbeidsmarkt mee te kunnen draaien. Wat
zijn dan de mogelijkheden, gelet op artikel 8 van het EVRM en de
gezinsherenigingsrichtlijnen? Als je een verblijfsvergunning afhankelijk
wilt maken van die eisen, zou je in ieder geval die obstakels uit de weg
moeten ruimen. Is het de bedoeling dat een mvv pas wordt afgegeven nadat
aan die eisen is voldaan, dus voordat iemand naar Nederland komt, of
moeten zij na toelating binnen een bepaalde periode dat opleidingsniveau
hebben? In het laatste geval zijn zij de poort al gepasseerd en moeten
zij pas later aan de opleidingseisen voldoen. Zij zijn dan echter wel in
Nederland en het kabinet weet dat als iemand eenmaal binnen is, hij
nooit meer weggaat. Waarom zou zoā€™n eis dan niet worden gesteld
voordat iemand naar Nederland komt? Ik wil hierbij graag refereren aan
het systeem in Canada. Dat is een puntenstelsel, waarin opleidingseisen
worden gesteld. Pas als iemand daar helemaal aan voldoet, kan hij naar
binnen. Zou het kabinet daar een antwoord op kunnen geven?

Het kabinet heeft de ambassades geĆÆnstrueerd alert te zijn op zaken van
achterlating en huwelijksdwang. Dat is prima wat mij betreft, maar de
vraag blijft ook hier welke sancties het kabinet oplegt aan landen die
niet voldoende meewerken. Dezelfde vraag geldt overigens ook voor
mensenhandelaren en mensensmokkel. Dat staat hier niet op de agenda,
maar dat is hetzelfde punt. Ik kan me bijvoorbeeld moeilijk voorstellen
dat je een ontwikkelingssamenwerkingsrelatie aanhoudt met landen die
niet voldoende meewerken bij dat soort problemen. 

We hebben het net al even kort over de neef/nicht-huwelijken gehad. We
constateren dat het kabinet deze nu ook wil bestrijden. Ik kon het uit
de tekst van de brief niet helemaal duidelijk opmaken, maar voor een
goed begrip zou ik graag willen weten of dat voor iedereen geldt. Ik
neem aan dat het kabinet daar nu op in kan gaan. Geldt het voor alle
neef/nicht-huwelijken, dus ook alle neef/nicht-huwelijken die in
Nederland zijn afgesloten? Of geldt het alleen voor
neef/nicht-huwelijken met een buitenlandse partner of bij twee
buitenlandse partners? Ik zou daarover graag opheldering willen. 

Mevrouw Ortega-Martijn (ChristenUnie): Ik heb een vraag over de
neef/nicht-huwelijken. Wat stelt de heer De Krom zelf voor? Moet het
voor alle neef/nicht-huwelijken gelden, ook voor de Nederlandse, of
vindt de heer De Krom het gerechtvaardigd om het alleen voor het
buitenland te laten gelden? 

De heer De Krom (VVD): Dat is precies de achtergrond van mijn vraag.
Hierbij staat het gelijkheidsbeginsel, waar je natuurlijk op moet
letten, tegenover het idee om de problemen op te lossen waar zij zich
voordoen. Dat is precies het dilemma waarover ik het kabinet om
opheldering vraag. Hoe gaat het kabinet hiermee om en mag ik daar de
argumenten voor horen? 

Polygame huwelijken worden in het buitenland gesloten en hier erkend.
Dat moet stoppen. De regering zegt daar het een en ander over en ik zou
daarvoor graag hele concrete stappen willen zien. Het kabinet wil ook
naar zelfstandige woonruimte kijken. Dat is prima, laat maar onderzoeken
wat daar de consequenties van zijn. 

De repeteerhuwelijken kwamen zojuist al even ter sprake. Is dit
inderdaad een probleem en, zo ja, hoe groot? Als dit een probleem is,
zou de termijn voor een zelfstandige verblijfstitel wat ons betreft
inderdaad moeten worden opgerekt naar tien jaar. Ik ga daar nu niet
verder op in, maar wil alleen weten hoe groot dat probleem nu eigenlijk
is. 

De heer Dijsselbloem (PvdA): Ik wil even weten of ik het goed begrijp.
We hebben het over het verzelfstandigen van de partnerafhankelijke en
partnergerelateerde verblijfsvergunning. We hebben de duur daarvan
verkort met het oog op het belang voor de vrouwen die vastzitten in
allerlei nare huwelijken. Dat hebben wij bewust gedaan. Zegt u nu dat we
dat niet alleen moeten terugdraaien, maar zelfs moeten verlengen naar
tien jaar? 

De heer De Krom (VVD): Dat is precies wat ik zeg, op voorwaarde
natuurlijk dat er daadwerkelijk een probleem is. Ik hoor dat er een
probleem is. Als de heer Dijsselbloem mij zou vragen om feiten en
cijfers kan ik hem laten weten dat ik die niet heb, vandaar ook mijn
vraag aan het kabinet. Ik hoor echter uit verschillende hoeken en gaten
dat er misbruik van deze regeling wordt gemaakt en dat er meerdere
partners achtereenvolgens naar Nederland komen. Ik vind deze vraag heel
serieus en daarom heb ik zojuist aan het kabinet gevraagd hoe groot dat
probleem nu eigenlijk is. Ik stel voor dat je in de eerste tien jaar
maar Ć©Ć©n partner naar Nederland mag halen en niet meer.

Voorzitter. Ik zal afronden en als u mij heel even de tijd geeft, beloof
ik dat ik mij in mijn interrupties zal beperken. Ik stel voor de
zelfstandige verblijfstitel op te rekken naar tien jaar. Dat hebben wij
al eerder aangegeven, ook in een motie. Wat mij betreft, hebben mensen
de eerste tien jaar ook geen recht op bijstand. We moeten naar een
ingroeimodel voor de sociale zekerheid, maar tot nu toe hebben we nog
geen concrete stappen van het kabinet gezien. Als je dat na die tien
jaar allemaal gelijk zou trekken, zou dat mooi zijn. Ik zou graag van
het kabinet willen weten waarom het daar niet voor is. Tot nu toe heb ik
niet gehoord of het er voor of tegen is. Ik zou graag de argumenten
daartegen willen horen.

Tenslotte wil ik ingaan op de Wet inburgering buitenland. Het voorstel
is gedaan om de eisen op te trekken naar taalniveau A1. Ik wil graag
mijn steun daarvoor geven.

Mevrouw Verdonk (Verdonk): Voorzitter. Iedereen die in Nederland wil
wonen, moet de Nederlandse taal leren en de Nederlandse normen en
waarden onderschrijven. Dat is geen moreel appel; dat is gewoon een
harde eis. Mensen die zich niet voldoende inspannen, krijgen geen
permanente verblijfsvergunning of worden teruggestuurd. Dat is de lijn
die gevolgd dient te worden volgens Trots op Nederland. Voor veel mensen
die hier al zijn, geldt dezelfde eis. Daar was de Wet inburgering
namelijk voor bedoeld: voor al die mensen, een heel grote groep, die
weigeren de Nederlandse taal te leren en weigeren zich te houden aan
onze Nederlandse normen en waarden. Juist omdat die groepen zo groot
zijn, waren er in de Wet inburgering sancties opgenomen zoals het
weigeren van een permanente verblijfsvergunning, of het korten, binnen
de socialezekerheidswetgeving, van oudkomers met een WW-uitkering die
niet willen integreren, enz. Graag hoor ik van de minister welke
sancties door PvdA minister Vogelaar niet uit de wet zijn gehaald. 

De heer Dijsselbloem (PvdA): Ik heb dit al vaker aan mevrouw Verdonk
gevraagd, want ze lijkt het echt gemist te hebben. Door mevrouw Vogelaar
is de Wet inburgering op meerdere punten gewijzigd. Een daarvan is dat
de gemeentes voortaan vanaf dag een mogen handhaven. Dat was namelijk
een weeffout in de wet van mevrouw Verdonk, dat de gemeentes pas na drie
respectievelijk vijf jaar mochten handhaven. Mevrouw Verdonk heeft dus
meegekregen dat gemeenten dankzij die wetswijziging nu vanaf dag een
kunnen handhaven. 

Mevrouw Verdonk (Verdonk): Dat had ik inderdaad meegekregen, maar als
niemand meer verplicht naar die cursus moet, hoeft er ook niet meer
gehandhaafd te worden. Dan ben je gauw klaar. Ik stel dus nogmaals mijn
vraag: welke sancties zijn door de PvdA, door minister Vogelaar, niet
uit de wet gehaald?

De eigen bijdrage wordt niet meer geĆÆnd. Dat was een stok achter de
deur die nu gesloopt is door de PvdA, de gemeente Amsterdam. Dat is
altijd het probleem met de PvdA: zij komt met een heldere notitie en een
duidelijke probleembeschrijving, maar daarna met projecten, pilots,
praatgroepen, prognoses en proefballonnetjes. Kortom, de PvdA pampert de
allochtonen. Ik kijk de minister voor Integratie eens in de ogen en wil
hem vragen of hij het daarmee eens is of dat hij echt de eerste is die
deze lijn gaat wijzigen.

Uit de evaluatie blijkt dat de Wet inburgering precies doet wat ermee
werd beoogd. Het is een eerste stap in de integratie en de inburgering,
met belangrijke neveneffecten. Er wordt bewust nagedacht over
partnerkeuze en de keuze om al dan niet naar Nederland te komen. Dat
werkt goed binnen de uitvoerende en financiƫle kaders; een grote
uitzondering op dit moment in Nederland. Er zijn geen noemenswaardige
klachten. De instroom is tussen 2003 en 2007 gedaald met 37%. Het aantal
ingewilligde aanvragen voor verlenging van de mvv is gedaald van 23.000
naar 11.000. Dat is meer dan 50%, ondanks alle tegenwerking van de PvdA.
Wat een mooi resultaat. Wat hebben de ambtenaren van het ministerie van
Justitie dat toch geweldig gedaan. 

De heer Dijsselbloem (PvdA): Misschien heeft mevrouw Verdonk nog meer
niet meegekregen, maar wij hebben haar gesteund bij de Wet inburgering
buitenland en hebben ervoor gestemd. Dat is misschien een kleinigheidje
in de parlementaire geschiedenis dat haar is ontgaan. 

Mevrouw Verdonk (Verdonk): De heer Dijsselbloem denkt waarschijnlijk dat
er geen debatten zijn in de Kamer. Als ik moest herhalen wat daar
allemaal naar voren is gebracht en wat men daar allemaal heeft
geprobeerd te wijzigen in die wet omdat het allemaal zo zielig was voor
de mensen die hier naartoe wilden komen! Laten we het daar niet over
hebben, mijnheer Dijsselbloem. 

Nu hebben we een PvdA-staatssecretaris en een PvdA-minister hier aan
tafel zitten. Gelukkig een andere minister dan minister Vogelaar, die in
een halfjaar tijd het gehele integratiebeleid op tien jaar achterstand
heeft gezet: het aantal gezinsvormers en gezinsherenigers is in 2008
naar 15.000 gestegen. Dat is een stijging, minister Van der Laan, van
ruim 30% in een jaar. Ik zeg het maar tegen hem, want de
staatssecretaris weet het allemaal al en ik heb niet het idee dat het
haar echt interesseert. In de brief over de kabinetsaanpak staat dat het
aantal gezinsvormers en gezinsherenigers in 2009 daalt of in ieder geval
gelijk blijft. Het cijfer staat van juli tot en met juli op 9125. In
2008 waren het er 15.000, zoals ik al zei. Ik wil graag de cijfers van
de IND die ik vanmiddag van de website heb geplukt, aan de voorzitter
overhandigen. Daar staat dat er tot en met oktober al 23.110 mensen een
aanvraag voor een mvv hebben gedaan. Ik krijg graag een toelichting op
de cijfers van de staatssecretaris en hoor graag de mening van de
minister voor Integratie hierover.

In de kabinetsplannen staat dat het niveau van het inburgeringsexamen
buitenland wordt verhoogd van A1- naar A1 en dat een schriftelijke toets
zal worden toegevoegd. Dat lijkt me prachtig, maar hoe zorgt de minister
ervoor dat dit past binnen artikel 8 EVRM en de richtlijn
gezinshereniging? Met andere woorden: is dit een reƫel voorstel of gaat
de minister, net als Denemarken, voor een opt-out? Dat zou ook een heel
goed idee zijn. Het aantal gezinsherenigers stijgt in 2008, met 15.000
ingewilligde mvv's. Het aantal mensen dat een inburgeringspakket
aanvraagt, daalt van een kleine 8.000 in 2007 tot een kleine 5.000 in
2008. Hoe kan dat?

Op pag. 5 van de kabinetsaanpak staat dat een eventuele (toekomstige)
hogere toestroom uit asiellanden Nederland voor nieuwe problemen zal
plaatsen, ook omdat deze groepen mogelijk met grotere achterstanden te
maken hebben. Is minister van der Laan het ermee eens dat de enige
oplossing hiervoor is om een restrictief toelatingsbeleid te hanteren,
en dan ook een echt restrictief toelatingsbeleid?

Op blz. 7 staat: ā€œHet tegengaan van problemen die door de instroom van
met name laagopgeleide huwelijksmigranten uit dergelijke omstandigheden
kunnen voortvloeien, zoals taalachterstanden, aansluiting op de
arbeidsmarkt, opvoedkundige problemen met kinderen, huiselijk geweld en
schooluitval, vergt veel inspanningen van de Nederlandse samenleving en
drukt op de openbare middelen en voorzieningen waaronder inburgering en
hulpverlening.ā€ Dat is een prachtige zin, die ik zo verzonnen zou
kunnen hebben. Wat gaat de minister doen om dit soort problemen op te
lossen?

In bijlage 3 komen de aanvullende maatregelen aan de orde. Er staan een
aantal aanvullende maatregelen wat betreft de bestrijding van fraude en
misbruik genoemd en op blz. 10 staat dat deze concreet worden vertaald
in praktische maatregelen. Wanneer en hoe gaat dat gebeuren? Wie gaat
dat doen? Wie voert bijvoorbeeld de adrescontroles uit? We hebben al
bijna geen politie meer in Nederland en dit zal zij echt niet doen. Ik
krijg graag een antwoord over wanneer, hoe en door wie.

Over de Europaroute wordt bij de bestaande maatregelen alleen maar
melding gemaakt van onderzoek, onderzoek en onderzoek. Ik ben heel
benieuwd naar het onderzoek van het WODC en de IND. Dat zou in het
najaar komen, maar het is nu bijna winter. We zijn dus wel drie keer aan
het lijntje gehouden. Wanneer komt dat onderzoek?

Als je als allochtone vrouw hier in Nederland leeft, word je niet echt
gelukkig. Ook daarover wordt bij de aanvullende maatregelen alleen maar
onderzoek gedaan. Daar ben je ook gauw klaar mee. Deze minister voor
Integratie zit er nu een jaar. Wat mij betreft, is de lijn goed, zijn de
woorden goed, maar moeten nu nog de daden verricht worden. Ik hoop dat
hij daar vandaag mee begint door een aantal concrete en heldere
antwoorden te geven, waarin hij ook concrete en heldere maatregelen
beschrijft.

Mevrouw Sterk (CDA): Voorzitter. Zoā€™n vijf jaar geleden ben ik door
Noordoost-Marokko gereisd, een prachtig en fascinerend gebied, maar ook
arm en desolaat. We bezochten scholen waar kinderen nog op leien
plankjes schreven. We zagen mensen in tenten wonen en hoorden dat een
groot aantal mensen Ć¼berhaupt niet naar school gaat, namelijk 40%. Ik
vroeg mij toen af hoe het mogelijk is om de overgang te maken naar het
moderne Nederland. Ik heb veel respect voor die mensen die het redden,
maar helaas moet ik ook constateren dat een grote groep het niet redt.
Ze hebben domweg te weinig in hun rugzak meegekregen om hun toekomst in
Nederland goed op te kunnen bouwen. Ze komen terecht in een isolement.
Toch zijn er ieder jaar opnieuw mensen die vanwege een huwelijk de stap
nemen, vrijwillig of gedwongen. Overigens vind ik het wel belangrijk om
aan het begin van dit overleg op te merken dat natuurlijk niet alle
huwelijksmigranten uit moeilijke omstandigheden komen. Ook goedopgeleide
migranten komen naar Nederland en vinden relatief probleemloos hun weg.
Daarbij moeten we echter constateren dat de constante instroom van
kansarme huwelijksmigranten de spankracht op veel plaatsen in onze
samenleving te boven gaat. De inzet is dus, wat het CDA betreft, om te
komen tot kansrijke migratie. Daarom betoogde het CDA vorig jaar bij de
begroting dat er hogere eisen moeten worden gesteld aan
huwelijksmigratie. 

Mevrouw Karabulut (SP): Ik zou graag van het CDA willen weten wat zijn
doelstelling precies is. Hoeveel minder gezinsmigranten uit bijvoorbeeld
Marokko -- want mevrouw Sterk begint daarover -- zou zij willen toelaten
in Nederland? 

Mevrouw Sterk (CDA): Ik ga het hier niet hebben over quota, want dat
vind ik een onzinnige discussie. Waar ik het wel over wil hebben, is
ervoor te zorgen dat mensen die wij toelaten ook oprecht een kans maken
in de Nederlandse samenleving. Op dat punt hebben wij nog veel te doen.
Ik ben heel blij dat de Wet inburgering buitenland, die uiteindelijk
ooit door het CDA is voorgesteld, nu langzaam vruchten lijkt af te
werpen. Er lijkt een licht positief effect te zijn, ook op de integratie
van mensen in Nederland. Ik denk dat we gewoon eerlijk moeten zijn: als
wij mensen de kans bieden om naar Nederland te komen, moeten wij er ook
voor zorgen dat zij echt een kans maken. 

Mevrouw Karabulut (SP): Daar ben ik het natuurlijk helemaal mee eens.
Ook de SP vindt dat we deze mensen moeten voorbereiden, zodat ze die
verantwoordelijkheid kunnen nemen, in tegenstelling tot wat decennialang
onder andere door het CDA is gebeurd. Toen het deze mensen uit het
Rifgebergte nodig had, heeft het CDA ze hierheen gehaald. Ze zijn ook
zelf gekomen, maar de consequenties daarvan ondervinden we nu. Ik heb
het over de cijfers van nu. Het aantal gezinsmigranten uit Marokko zit
op 1000 in totaal. Mevrouw Sterk zegt dat zij dat nog te veel vindt. Kan
zij concretiseren wat haar doel is op dat punt? 

Mevrouw Sterk (CDA): Ik heb niet gezegd dat het te veel is, maar wel dat
we nog steeds zien dat veel mensen het op deze manier niet redden. Wij
willen dat mensen meer in hun rugzak krijgen, zodat ze het makkelijker
redden in Nederland. Ik wil echt geen discussie over aantallen en
bovendien zijn er meerdere landen waar je aan zou kunnen denken. Die
worden ook in de nota van het kabinet genoemd. We zouden ook aan Aziƫ
kunnen denken, bijvoorbeeld de Filippijnen of Thailand. Ik vind het
overigens dapper van het kabinet dat het ook dit probleem noemt: de
Nederlandse mannen die hun bruiden uit die landen halen en hier in
Nederland soms in bepaalde toestanden en omstandigheden laten leven. Wat
dat betreft wil ik geen quotum, maar wel kwaliteit. 

De heer Fritsma (PVV): Ik vind de CDA-fractie wel wat vaag over
aantallen. De partner- en gezinsmigratie was vorig jaar ver boven de
20.000. Waarom zegt mevrouw Sterk niet gewoon dat dit veel is? Vindt het
CDA dat te veel of niet? Mogen wij doorgaan met de partner- en
gezinsmigratie op dit niveau? Ik krijg graag een helder antwoord. 

Mevrouw Sterk (CDA): Ik vind dat de PVV ook niet bepaald uitblinkt in
heldere cijfers, maar dat terzijde. Wij willen de discussie voeren
vanuit de inhoud en die is dat wij helaas moeten constateren dat er
mensen zijn die het in Nederland niet redden. Dat noemen wij de kansarme
migranten. Volgens mij zijn wij het op dat punt volkomen eens met
elkaar. Als wij mensen toelaten of naar Nederland halen, willen wij
graag dat zij die stap kunnen maken doordat ze voldoende in hun rugzak
hebben om hun weg te vinden in de Nederlandse samenleving. De
consequentie daarvan, namelijk dat er minder mensen naar Nederland
komen, aanvaarden wij ook, niet omdat we mensen koste wat kost willen
weigeren, maar omdat wij zien dat de spankracht van de samenleving deze
groep op dit moment niet aankan en dat deze mensen en hun kinderen het
bovendien zelf ontzettend moeilijk hebben in deze samenleving.

Mevrouw Verdonk (Verdonk): Mevrouw Sterk hamert er erg op dat mensen
voldoende in hun rugzak moeten hebben. Het kabinet is dat met haar eens.
Het kabinet zegt dat het niveau A1 moet worden en dat er een
schriftelijke toets bij de inburgering buitenland moet komen. Denkt
mevrouw Sterk dat dit te realiseren is binnen het EVRM en de richtlijn
gezinshereniging? Wat verwacht zij van het kabinet?

Mevrouw Sterk (CDA): Het is interessant dat mevrouw Verdonk dat vraagt,
want in Duitsland is het blijkbaar wel te regelen. Duitsland stelt deze
eis en heeft zich ook gehouden aan het EVRM. Blijkbaar is het dus in
ieder geval voor Duitsland mogelijk om deze eis te stellen. Ik ga ervan
uit dat het kabinet dit heeft onderzocht en niet zomaar deze eis stelt.

Mevrouw Verdonk (Verdonk): Mevrouw Sterk gaat ervan uit. Hoe belangrijk
is dit punt voor het CDA als het niet zo blijkt te zijn?

Mevrouw Sterk (CDA): Ik ga niet in op als-dan-vragen. Ik ga ervan uit
dat het kabinet het goed heeft bestudeerd. Ik zie in de stukken die we
hebben gekregen, en die mevrouw Verdonk ook heeft kunnen lezen, dat het
in Duitsland mogelijk is. Volgens mij gaat Duitsland op dit punt zelfs
nog iets verder dan Nederland. Ik zou graag willen dat het kabinet
ingaat op de reden waarom wij niet zo ver gaan als Duitsland, als mijn
taxatie tenminste juist is. Ik zie eerlijk gezegd niet waarom Duitsland
dat wel zou kunnen doen en wij niet, want we hebben met hetzelfde EVRM
te maken.

Vorig jaar hebben wij bij de begroting betoogd dat er hogere eisen
moeten worden gesteld aan huwelijksmigratie, omdat de draagkracht van de
samenleving onder druk staat. Mijn collega Madeleine van Toorenburg
heeft samen met collega Dijsselbloem een motie hierover ingediend om een
groot aantal zaken te onderzoeken. Het antwoord daarop vinden we vandaag
terug in de kabinetsbrief. Ik vind dit een stevige, dappere en reƫle
brief. Niet eerder durfde een kabinet zo ver te gaan om in te zetten op
kansrijke migratie. Men erkent volmondig de problemen en komt met
gewaagde maar, in onze ogen, broodnodige oplossingen. Complimenten
daarvoor.

Mevrouw Karabulut (SP): Ik vind het altijd fascinerend dat het CDA
mensen met heel veel hersenen en ook laagopgeleiden wil zien als ze die
nodig hebben, maar hen eruit willen schoppen als ze niet meer nodig
zijn. Mevrouw Sterk heeft het over de spankracht van de samenleving en
zij zegt dat zij alleen kansrijke migranten, en daaronder verstaat zij
hoogopgeleide migranten, wil toelaten. Hoe zit het dan met de
arbeidsmigranten uit Oost-Europa? Wat de aantallen betreft, is het
aantal gezinsmigranten met 50% afgenomen en het aantal arbeidsmigranten
met 95% gestegen.

De voorzitter: Mevrouw Karabulut, ik zou het prettig vinden als we het
een beetje bij het onderwerp houden. We hebben vorige week een
uitgebreid algemeen overleg gehad over deze onderwerpen. Ik wil u
natuurlijk niet de mond snoeren, maar ik vraag u wel om een korte vraag
te stellen die gaat over het onderwerp van vandaag.

Mevrouw Sterk (CDA): Om te beginnen werp ik de kwalificaties van de SP
in de eerste vraag verre van mij. Eerlijk gezegd vind ik deze zelfs
ongepast. Ik trek me dat wat mijn partij betreft dan ook niet aan.

Wat betreft de arbeidsmigratie zien wij ook problemen. Ik heb laatst in
een artikel geschreven dat mensen die naar Nederland komen in het kader
van arbeidsmigratie, niet ook zomaar een beroep op de sociale zekerheid
mogen doen. Ook wij zijn van mening dat deze mensen de taal moeten leren
om te voorkomen dat we over dertig jaar dezelfde discussie hebben over
de Polen als we nu hebben over de voormalige gastarbeiders.

Mevrouw Karabulut (SP): Mevrouw Sterk sprak over de spankracht van de
samenleving en zei dat de wijken en de buurten het allemaal niet meer
aankunnen. Daarnaast heeft zij het over arbeidsmigranten. Zou zij samen
met de SP bijvoorbeeld de tewerkstellingsvergunning weer willen invoeren
om werkgevers te verplichten dat hun werknemers de taal moeten leren en
in te stellen dat werkgevers de cursus moeten betalen?

Mevrouw Sterk (CDA): De werkgevers mogen inderdaad meer aangesproken
worden op hun verantwoordelijkheid om niet alleen een baan te bieden,
maar om er ook voor te zorgen dat mensen scholing krijgen. Wat betreft
de tewerkstellingsvergunning merk ik op dat we vrij verkeer in Nederland
hebben. We weten echter ook dat je hier alleen mag komen werken als je
in je eigen onderhoud kunt voorzien. Als je dat niet kunt wanneer je
vijf jaar in Nederland verblijft en als je een beroep doet op een
bijstandsuitkering, moet je in principe teruggestuurd worden naar het
land waar je vandaan komt. Ik zie de tewerkstellingsvergunning niet als
een onmiddellijke noodzaak.

Mevrouw Verdonk (Verdonk): Is mevrouw Sterk op de hoogte van het feit
dat in bepaalde wijken heel veel problemen ontstaan, omdat heel veel
Polen hun gezinnen laten overkomen en opnieuw beginnen met allerlei
taal- en inburgeringsproblemen?

De voorzitter: Ik wil u er nogmaals op wijzen dat dit algemeen overleg
niet over dit onderwerp gaat, hoewel u de tijd tot acht uur hier
natuurlijk best aan kunt besteden. Ik vraag u echter zich enigszins aan
de agenda te houden, want het is prettig als we antwoord kunnen krijgen
van het kabinet.

Mevrouw Verdonk (Verdonk): Mijn vraag gaat gewoon over gezinshereniging,
maar dan over Polen. Dat is het onderwerp van vandaag.

Mevrouw Sterk (CDA): Ik kan het mevrouw Verdonk niet kwalijk nemen dat
zij in haar eentje niet bij elk overleg aanwezig kan zijn. Wij hebben al
een aantal moties ingediend om de inburgeringseisen ook aan onze
Europese medeburgers te stellen, juist om te voorkomen, zoals ik net
zei, dat we over dertig jaar dezelfde discussie hebben als we vandaag
voeren.

De heer Fritsma (PVV): De CDA-fractie weet toch wel dat EU-burgers zoals
Polen niet inburgeringsplichtig zijn? Waarom heeft het CDA dan zo snel
ingestemd met de openstelling van de arbeidsmarkt voor deze mensen? Je
weet toch van tevoren dat het EUā€™ers zijn? Je weet toch van tevoren
dat het op deze problemen uitloopt? Toch heeft de fractie van het CDA de
arbeidsmarkt wagenwijd opengegooid.

Mevrouw Sterk (CDA): Ik stel vast dat wij dat niet onmiddellijk hebben
gedaan, maar dat wij juist een pas op de plaats hebben gemaakt voordat
we de grenzen hebben opengesteld.. Ik stel ook vast dat wij in ieder
geval ook steeds de partij zijn geweest die heeft gewaarschuwd voor
problemen, ook bij de inburgering. Dat kunt u mijn partij niet
verwijten.

Uit de evaluatie van de inburgering in het land van herkomst die we
vandaag bespreken, blijkt dat het een redelijke eis is om het niveau te
verhogen naar niveau A1. Ik heb net al de vraag gesteld over Duitsland.
Overigens laat de evaluatie een voorzichtig positief resultaat zien. Er
blijkt een positieve werking uit te gaan van het volgen van deze cursus
op de inburgering in Nederland. Dat is natuurlijk een fantastisch
resultaat. Daar hebben we vier jaar geleden heel veel discussie over
gehad, herinner ik mij.

De CDA-fractie is een groot voorstander van diploma-eisen. Deze eisen
kunnen gesteld worden aan personen die in Nederland wonen, maar ook aan
de voorkant, dat wil zeggen als zij naar Nederland willen komen. Ik hoor
graag van het kabinet de reden waarom het niet heeft gekozen voor een
diploma-eis voordat mensen naar Nederland kunnen komen. Dat zou namelijk
heel eenvoudig zijn bij de maatregelen die we moeten nemen in Nederland.
Daar heb je geen infrastructuur voor nodig. Het kabinet kiest echter
voor een tienjarige leerplicht. Daar kunnen wij ons wel iets bij
voorstellen, want iedereen in Nederland gaat inmiddels minimaal tot zijn
zestiende naar school. Het gebeurt volgens ons ook te vaak dat de man
zijn baan verliest en dat de vrouw dan pas begint met een vorm van
scholing, zodat zij tussentijds afhankelijk zijn van de sociale
zekerheid. De CDA-fractie zou nog een stap verder willen gaan door een
levenslange kwalitatieve leerplicht tot het niveau van een
startkwalificatie met een hardheidsclausule te introduceren. Immers,
zonder deze startkwalificatie kan je geen baan vinden. Kan het kabinet
daarop ingaan? Kan de minister aangeven waarom hij zijn voorstel van de
tienjarige leerplicht juridisch haalbaar vindt?

Het kabinet wil ook de positie van de referent aanscherpen. Wat ons
betreft zou deze nog wel wat verder aangescherpt kunnen worden. Het
betekent namelijk ook dat iemand moet zorgen voor zelfstandige
woonruimte. Ook zou de referent meer kosten moeten kunnen dragen. Geldt
dat ook voor de tienjarige leerplicht die wordt ingesteld? Betekent dit
dat de kosten van de leerplicht voor rekening komen van de referent of
in ieder geval van het gezin?

De minister stelt ook voor om de neef/nicht-huwelijken te verbieden. Dat
is al enige jaren een hartenkreet van ons. Het is een middel om
gedwongen huwelijken tegen te gaan en daarnaast heeft het ook nog een
aantal neveneffecten op medisch gebied. Niettemin maakt het kabinet een
uitzondering mogelijk via de rechter. Kan het kabinet aangeven waarom
het dat doet? Hierbij wil ik graag voortborduren op het punt van de VVD:
geldt het voor nichten en neven in het buitenland of geldt het ook voor
Nederland? Is het Ć¼berhaupt mogelijk om die splitsing te maken?
Probeert het kabinet die mogelijkheid te bieden door de clausule om dat
via de rechter te laten lopen? Kan het kabinet aangeven hoe die
mogelijkheid eruit gaat zien? Hoe lang moet je samen zijn om toestemming
te kunnen krijgen om te mogen trouwen? Ik begrijp dat men op basis van
deze vorm mogelijk toch nog zou kunnen trouwen met een neef of nicht.

De heer Dibi (GroenLinks): Hoe ziet mevrouw Sterk de uitvoering van de
controles op neef/nicht-huwelijken precies voor zich? 

Mevrouw Sterk (CDA): De heer Dibi gaf zojuist een interessante
suggestie! Ik ben niet onmiddellijk voor een DNA-test als dat niet nodig
is, maar ik zou me er wel iets bij kunnen voorstellen. Graag een reactie
hierop van het kabinet.

De heer Dibi (GroenLinks): Ik wil toch een uitgebreider antwoord van
mevrouw Sterk. Moet er in het buitenland een bloedtest worden afgenomen
of moet dat in Nederland gebeuren en, zo ja, hoe gaan we dat precies
doen? Hoe ziet zij dat voor zich? Zij zei dat het een hartenkreet was
van het CDA, dus zij heeft daar vast over nagedacht. 

Mevrouw Sterk (CDA): Ik kan me voorstellen dat daarvoor op de ambassade
maatregelen worden genomen of dat er gebruik wordt gemaakt van een
DNA-test, zoals de heer Dibi net suggereerde.

Ik vind het goed dat het kabinet polygame huwelijken wil tegenhouden. Ik
kreeg net het bericht dat er in Nederland 1374 polygame huwelijken
geregistreerd staan. Dat lijkt mij een enorm aantal; des te meer reden
om dat aan te pakken. 

Verder wil het kabinet scherper toezien op misbruik van regelingen. Dat
is ook heel goed. Stel dat iemand binnen een jaar niet meer voldoet aan
het middelenvereiste waarop het kabinet wil controleren, betekent dit
dan dat de partner wordt teruggestuurd? Raakt hij zijn
verblijfsvergunning kwijt of krijgt de referent alleen een boete? Wat
ons betreft moet dat eigenlijk gewoon een einde betekenen aan de
verblijfsvergunning van die persoon.

In de brief wordt geen onderscheid gemaakt tussen verschillende soorten
verblijfsvergunningen. Zo hebben asielmigranten bijvoorbeeld soms een
tijdelijke verblijfsvergunning. Op dit moment vindt veel gezinsmigratie
ten gevolge van asielmigratie plaats uit Irak en Somaliƫ. Volgens de
jurisprudentie is er geen recht op domiciliekeuze. Als bij de aanvraag
tot verlenging blijkt dat de situatie in het land van herkomst veilig of
veiliger is geworden, zou wat ons betreft geen gezinsvorming mogen
worden toegestaan. Ik wil graag een reactie van de staatssecretaris
hierop.

In bredere zin vindt de CDA-fractie het ook belangrijk om te komen tot
Europees beleid, zeker als het gaat om de Europaroute. Krijgen wij de
resultaten van het onderzoek daadwerkelijk voor kerst toegestuurd? 

Vandaag hebben wij ook een nagezonden brief van het kabinet gekregen
over de uitvoering van de motie-Van de Camp. Wij zijn nog niet helemaal
tevreden met de reactie van het kabinet, maar we zullen daarop later
terugkomen. De staatssecretaris kondigt een onderzoek aan om te weten te
komen hoe vaak deze groep vreemdelingen een beroep doet op de sociale
zekerheid. Wij vinden het gek dat iemand die hier nooit een kwartje
heeft verdiend, toch op kosten van de samenleving allerlei zorg kan
krijgen om hier ouder te worden. Ik krijg hierop graag een reactie.

Veel van wat het kabinet zich voorneemt, moet nog onderzocht worden. Kan
het kabinet ons informeren op welke termijn het verwacht dat de
verschillende onderzoeken zijn afgerond? Het is namelijk zaak om haast
te maken. De samenleving staat onder druk en wij moeten naar een
selectief immigratiebeleid.

De heer Fritsma (PVV): Mevrouw Sterk sloot haar betoog af met de term
"een selectief immigratiebeleid". Dat kun je de Europaroute niet noemen.
Partnermigranten komen gewoon binnen en kunnen verblijfsrecht krijgen
zonder aan een enkele toelatingseis te voldoen. Hoe staat het CDA daar
tegenover? Ik heb mevrouw Sterk daar niet over gehoord.

Mevrouw Sterk (CDA): Ik neem aan dat de heer Fritsma op de Europaroute
doelt?

De heer Fritsma (PVV): Daar doel ik op.

Mevrouw Sterk (CDA): Daar heb ik vier jaar geleden al allerlei debatten
met de toenmalige minister over gevoerd en toen heb ik dat aan de kaak
gesteld. Wij vinden dat gewoon niet kunnen. Dit geeft ook het belang aan
van een beleid op Europees niveau. Ik vind dat veel van wat hier nu
wordt aangekondigd, ook op Europees niveau geregeld moet worden en ik
vind dat het ook niet meer mogelijk zou moeten zijn op die manier.

De heer Fritsma (PVV): Ik heb herhaaldelijk moties ingediend om de
Europaroute te sluiten. De CDA-fractie heeft geen enkele keer zoā€™n
motie gesteund. Mevrouw Sterk voegt de daad weer niet bij het woord. Zij
zegt wel hierop tegen te zijn, maar de CDA-fractie geeft niet thuis als
het er bij de stemmingen op aankomt. Dan hebben we helemaal niets aan
het CDA, werkelijk helemaal niets. Het blijft bij praatjes en mooie
woorden maar daadkracht, ho maar.

Mevrouw Sterk (CDA): Mijnheer Fritsma, weet u wat soms het vervelende
met de PVV is? De PVV benoemt soms wel terecht problemen, maar de
oplossingen zijn wel kort door de bocht. Dat geldt hier ook voor. We
kunnen niet zeggen dat het probleem is opgelost als we de route sluiten.
Dat zouden we wel willen. Een motie indienen met de vraag hoe we de
Europaroute kunnen sluiten, lijkt mij overbodig, want daar is het
kabinet al mee bezig.

Mevrouw Verdonk (Verdonk): Ik herinner mij het appel van het CDA in een
andere periode van mijn leven. Toen waren er al allerlei praktische
afspraken tussen de IND en de immigratiedienst in Belgiƫ en was er al
heel veel aan de gang. Hoe komt het dat dit allemaal tot stilstand is
gekomen, nu al drie jaar?

Mevrouw Sterk (CDA): Dat het tot stilstand is gekomen is uw conclusie.
Feit is in ieder geval dat die mogelijkheid er nog steeds is. Het is
blijkbaar heel taai, want ik twijfel niet aan de wil van het kabinet om
de route te stoppen. De route zomaar stoppen kan echter niet. Dat moet
de heer Fritsma toch ook erkennen, want ook hem is het niet gelukt om
die route te stoppen.

Mevrouw Verdonk (Verdonk): Mevrouw Sterk wil mijn vraag niet horen. Er
was al heel veel praktische samenwerking tussen de immigratiediensten.
Op de een of andere manier lijkt het toch zo te zijn dat je daar als
verantwoordelijke politica druk op moet zetten en daar ook mee door moet
willen gaan. Dit kabinet komt nu weer met een onderzoek en mevrouw Sterk
wil dat graag voor kerst hebben. Er staat in de brief dat we het in het
najaar zullen krijgen. We hadden het al twee keer eerder moeten krijgen.
Is mevrouw Sterk van mening dat het kabinet het er gewoon bij heeft
laten zitten wat betreft de Belgiƫroute?

Mevrouw Sterk (CDA): Mevrouw Verdonk verwijt mij dat ik de vraag niet
begrijp, maar volgens mij is ze het gewoon niet eens met mijn antwoord.
Ik zie dat het kabinet alles op alles zet om de route te stoppen, maar
sommige zaken zijn een stuk ingewikkelder zijn dan Trots op Nederland en
misschien ook wel de PVV zo vaak voorspiegelen.

De heer Dijsselbloem (PvdA): Voorzitter. Vijf jaar geleden, toen ik ook
al woordvoerder was, zijn er maatregelen ingevoerd om voorwaarden aan
huwelijksmigratie te verbinden. Die hadden betrekking op de
inkomensgrens, de leeftijdsgrens en de Wet inburgering buitenland.
Alweer een aantal maanden geleden hebben we de motie-Van
Toorenburg/Dijsselbloem aangenomen om alle evaluaties eens bij elkaar te
pakken en te komen met een samenhangend verhaal. Dat bespreken we nu
vandaag. Het onderwerp huwelijksdwang wordt binnenkort in een apart
overleg besproken, dus ik zal daar vandaag relatief weinig over zeggen.
We hebben daar inmiddels ook eigen voorstellen over gepresenteerd. Mijn
collega Arib heeft dat gedaan.

Het kabinet stelt de problematiek voortvloeiend uit de huwelijksmigratie
duidelijk in het teken van de achterblijvende integratie van de
huwelijksmigrant, de achterstanden van hun kinderen en de spankracht van
de Nederlandse samenleving. Het komt nu met een aantal nieuwe
maatregelen, zoals het verhogen van het niveau van het
inburgeringsexamen, een alfabetiseringstoets gekoppeld aan het examen en
zelfs de introductie van een nieuwe vorm van leerplicht. Het kabinet zet
verder zwaar in op het bestrijden van gedwongen huwelijken, polygamie en
fraude en wil nieuw gesloten neef/nicht-huwelijken niet meer accepteren
als grond voor toelating.

Voor de PvdA geldt dat aanhoudende huwelijksmigratie een rem op het
integratieproces is. We hebben dat al in onze integratienota uit 2003
verwoord en in de integratieresolutie herhaald. Dat betekent niet dat
huwelijksmigratie wat ons betreft onmogelijk moet worden, maar wel dat
we gerichte voorwaarden moeten durven stellen waardoor de kans op een
zelfstandig bestaan van de komende partner aanmerkelijk verbetert. In
tegenstelling tot voor anderen is voor ons het doel nooit geweest om
huwelijksmigratie zo veel mogelijk af te knijpen.

In 2004 steunden wij de invoering van de Wet inburgering buitenland. Ik
herinnerde mevrouw Verdonk daar al aan. Wij vonden en vinden het
legitiem om van mensen die vrijwillig kiezen voor een toekomst in
Nederland te verlangen dat zij zich terdege voorbereiden op dat nieuwe
land. De invoering en uitvoering van de wet is heel soepel verlopen, dat
moet vastgesteld worden. De ambassades verdienen ook een compliment voor
de wijze waarop ze dat hebben gedaan. De onderzoekers en de evaluatie
laten zien dat door deze wet de nieuwkomers enigszins voorbereid,
zelfredzaam en gemotiveerd naar Nederland komen. Het effect op de
taalbeheersing is duidelijk, zij het dat het niveau zeer laag is,
aansluitend bij de lage eisen van het examen. Het latere effect op
participatie in onderwijs of werk is nog niet meetbaar. Daarvoor is er
nog te weinig uitstroom uit de daarop volgende inburgering in Nederland.
Het slagingspercentage bij de Wet inburgering buitenland ligt zeer hoog:
rond de 90%. Het aantal huwelijksmigranten is gedaald en trekt vanaf
2008 weer wat aan. Het kabinet wil nu de winst die te behalen is in
termen van taalbeheersing verhogen door de exameneisen op te krikken.
Gegeven de slagingspercentages is daar zeker ruimte voor en wij steunen
dat dan ook.

Mevrouw Verdonk (Verdonk): Ik hoor de heer Dijsselbloem zeggen dat een
grote gezinshereniging en gezinsmigratie in het algemeen een rem op het
integratieproces is. Hij constateerde daarnet nogal laconiek dat het
aantal in 2008 en 2009 weer stijgt. Is hij daar gelukkig mee? 

De heer Dijsselbloem (PvdA): Ik heb duidelijk gezegd dat het wat ons
betreft niet om aantallen gaat, maar om het succes van de mensen die
naar Nederland komen met succesvolle integratie en een eigen,
zelfstandig bestaan. Daarom was ik geĆÆnteresseerd in de evaluatie, want
de cijfers kregen we om het halfjaar wel. Het effect dat mevrouw Verdonk
wenst, namelijk dat het naar nul moet, kan met die cijfers worden
gemeten. Ik was geĆÆnteresseerd in de vraag of dit eraan heeft
bijgedragen dat de mensen die wel worden toegelaten, zich daadwerkelijk
een betere positie verwerven: spreken ze beter Nederlands? Gaat het
beter met de inburgering? Er is enig effect, daarin moeten we duidelijk
zijn, maar het is allemaal nog heel, heel beperkt.

Mevrouw Verdonk (Verdonk): Iemand die voldoet aan alle voorwaarden zowel
in het buitenland als in Nederland en meedoet aan de samenleving, is wat
betreft Trots op Nederland welkom. Ik begrijp echter dat het de PvdA
helemaal niet uitmaakt hoeveel mensen op basis van gezinsmigratie ons
land binnen komen.

De heer Dijsselbloem (PvdA): De spankracht van de samenleving kun je op
twee manieren ontlasten, enerzijds door het cijfer omlaag te brengen of
de grenzen dicht te doen -- dat kan, maar dat is niet onze keuze -- en
anderzijds door te zeggen dat huwelijksmigratie toegestaan is en dat
mensen het recht hebben om die keuze te maken, maar dat we wel willen
dat die mensen vervolgens succesvol zijn in Nederland. Je kunt er ook
voor zorgen dat mensen die in het kader van huwelijksmigratie nog wel
worden toegelaten, aan bepaalde haalbare maar wel effectieve eisen
moeten voldoen. Dat heeft mevrouw Verdonk beoogd met de wet. Ik kan mij
herinneren dat zij altijd heeft gezegd dat het haar niet om de cijfers
maar om het effect ging. Ik was het daar altijd mee eens. Misschien
denkt zij daar nu anders over, maar dat was toen haar redenering. Ik ben
dus geĆÆnteresseerd in het effect. Het effect is er, zeggen de
onderzoekers, maar het is heel klein en het kabinet zegt dat er meer in
zit. We moeten ervoor zorgen dat mensen beter voorbereid naar Nederland
komen, onder andere door het inburgeringsexamen in het buitenland.

De PvdA is er verheugd over dat haar voorstel van destijds om ook te
kijken naar de mogelijkheid van een opleidingseis, dat mensen op zijn
minst gealfabetiseerd zijn in hun eigen taal, nu wordt ingevoerd en
wordt gekoppeld aan het inburgeringsexamen buitenland. Dat wordt er aan
toegevoegd. Toen was het juridisch oordeel van de toenmalige minister
dat dit niet mogelijk was. Ik ga ervan uit dat dit inzicht nu blijkbaar
is veranderd. Misschien kan de minister daar iets over zeggen. De vraag
is of de alfabetiseringseis ook hoger zou kunnen. Ik ging toen op dat
niveau zitten, maar waar ligt de grens van wat binnen het EVRM haalbaar
en toelaatbaar is? Ik wil graag een reactie daarop.

Verder bepleiten de onderzoekers twee vragen die ik zou willen
overnemen. De eerste betreft het verbeteren van voorbereiding
bijvoorbeeld door uitbreiding van het oefenpakket. Daarnaast hebben zij
ook opmerkingen gemaakt over de kwaliteit van cursussen waar we niet
helemaal aan voorbij moeten gaan. De tweede vraag betreft de
procesmatige en inhoudelijke aansluiting op de inburgering die daarna
volgt in Nederland. Ik wil graag een reactie van de minister op deze
twee aanbevelingen van de onderzoekers.

Mede op basis van de evaluatie stelt de minister een hardheidsbepaling
voor. Wanneer het Wib-vereiste zal leiden tot onbillijkheid van
overwegende aard kan de minister daar een uitzondering voor maken. Dat
is prima.

Het punt van de verhoogde inkomensgrens hebben wij niet gesteund. Dat
was het enige punt waarop mevrouw Verdonk gelijk had. Wij vinden een
onderhoudsplicht uitstekend. Dat is legitiem, maar een verdere verhoging
leidt ertoe dat alleen mensen met een beter inkomen een huwelijkspartner
zullen kunnen halen en mensen met een laag inkomen niet. In de evaluatie
zie ik nauwelijks argumenten om te zeggen dat de inkomensgrens een goed
effect heeft gehad. Ik stel daarom voor om terug te gaan naar het oude
niveau, de oude onderhoudsplicht. Het enige zelfstandige effect van de
hogere inkomensgrens is het uitstel van de overkomst van de partner. Dat
effect wordt echter ook al bereikt door het verhogen van de
leeftijdsgrens. Daarmee bereik je dat namelijk heel direct. Mensen mogen
immers pas op hun 21ste komen. Ook in dat opzicht heeft de verhoogde
inkomensgrens dus geen extra meerwaarde. 

Het kabinet wil de erkenning van huwelijken vanaf 15 jaar ter discussie
stellen op basis van de openbare orde en de goede zeden. Is het nodig om
daarvoor verdragen te wijzigen? Het openbare-ordecriterium staat immers
al in verdragen? Kan Nederland niet eenvoudigweg zelf zeggen dat het dit
type huwelijken -- en dat geldt ook voor polygame huwelijken -- niet
meer erkent op basis van het openbare-ordecriterium dat al in het
verdrag staat? Ik wil graag weten of het verdrag daarvoor gewijzigd moet
worden en, zo ja, of dat onmiddellijk kan.

Ik kom even terug op de opmerking van de heer Fritsma. Als veel mensen
inderdaad heel veel partners achter elkaar halen, hebben we natuurlijk
een probleem. De heer Fritsma heeft in zijn nota een voorbeeld gegeven
en de heer Dibi was zo goed om dat op te zoeken. Ik heb een vraag over
dat voorbeeld, want ik kan niet beoordelen of het reƫel is of
verzonnen. Er wordt gesuggereerd dat in een heel korte tijd achter
elkaar partners worden gehaald en dat dit vanaf de jaren zeventig
speelt. Het staat mij bij dat er toen nog een partnerafhankelijke
verblijfsvergunning voor vijf jaar was. Wat hier staat, namelijk dat om
de drie jaar een nieuwe partner werd gehaald, zou volgens de wet van
toen niet kunnen. Ik zou graag willen dat het kabinet reageert op het
realiteitsgehalte van dit voorbeeld. Als iemand toentertijd binnen vijf
jaar zijn partner verliet, moest die partner terug. 

De heer Fritsma (PVV): Je kunt de relatie natuurlijk na drie jaar
verbreken. Dan zou de partner in feite terug moeten. De heer
Dijsselbloem moet het kabinet echter vragen hoe vaak dat daadwerkelijk
gebeurt. Heel vaak wordt de verblijfsvergunning niet ingetrokken met een
beroep op artikel 8 EVRM. Zelfs als de relaties worden verbroken binnen
de periode waarin er geen zelfstandig verblijfsrecht is, geldt nog
steeds dat de mensen vaak niet teruggaan naar hun land van herkomst,
hoewel dat wel zou moeten. Dat is een relevante vraag en die zou ik bij
dezen ook graag aan het kabinet willen stellen. 

De heer Dijsselbloem (PvdA): Dan schuiven wij die vraag nu door naar het
kabinet. Ik stel echter vast dat het aantal malen en het tempo waarin
het al dan niet fictieve voorbeeld zich voordoet grote vragen oproept,
omdat de mensen nog duidelijk in de partnerafhankelijke periode zitten
en helemaal geen zelfstandig verblijfsrecht hebben. Maar goed, we
schuiven die vraag door. Het ene voorbeeld dat de heer Fritsma geeft,
moet natuurlijk wel op zijn realiteitsgehalte worden beproefd. 

De voorzitter: De heer Fritsma heeft zijn twee reacties op dit punt
gehad, maar dit is natuurlijk wel een beetje uitlokking. Ik geef de heer
Fritsma toch nog even kort het woord. 

De heer Fritsma (PVV): De PvdA zet vraagtekens bij het waarheidsgehalte
van het voorbeeld dat ik heb gegeven. Dat is op zichzelf al een
ongegronde aanval. De heer Dijsselbloem moet zijn realiteitszin laten
spreken. Bovendien is mijn vraag helder. Ik wilde de feiten boven water
hebben en daarom heb ik het kabinet maanden geleden al gevraagd hoe vaak
dit voor komt. Het kabinet heeft daar geen antwoord op gegeven. De PvdA
moet de PVV helpen in de jacht op de cijfers, maar dat heeft zij tot nu
toe nog nooit gedaan. Ik zal het kabinet wellicht in een motie vragen om
een grootschalig onderzoek te doen om de cijfers boven water te halen.
Daarbij verwacht ik steun van de heer Dijsselbloem, anders kan ik mijn
punt inderdaad niet bewijzen dat het kabinet niets, maar dan ook niets,
bijhoudt. Ik kan het kabinet niet controleren als het zelf geen
relevante gegevens bijhoudt.

`

De heer Dijsselbloem (PvdA): Ik ben bereid dat te doen, maar dan wil ik
een afspraak maken met de heer Fritsma dat hij voortaan, voordat hij
grote woorden gebruikt en aantallen suggereert die hij zelf niet kan
onderbouwen, de volgorde omdraait en eerst vraagt naar de feiten,
bijvoorbeeld door te zeggen: het schijnt dat dit voorkomt; kan de
minister mij laten zien hoe vaak het voorkomt? Nu doet hij het andersom.
Hij zegt dat er een groot probleem is, dat de grenzen openstaan en dat
het om duizenden gevallen gaat en daarna zegt hij dat hij geen cijfers
heeft en vraagt hij of hij die cijfers kan krijgen. Als we daar een
afspraak over kunnen maken, denk ik dat we het debat een stuk
feitelijker kunnen laten verlopen.

De voorzitter: Ik stel voor dat we hier geen tweegesprek van maken. De
heer Fritsma heeft een vraag gesteld en de heer Dijsselbloem heeft daar
antwoord op gegeven. Daar kunt u in tweede termijn op terugkomen. 

Mevrouw Karabulut (SP): Ik heb een korte vraag voor de heer Dijsselbloem
met betrekking tot het verhogen van het niveau en het toevoegen van een
schriftelijke toets, zoals het kabinet voorstelt. U zegt terecht dat in
het rapport staat dat de effecten van de Wet inburgering buitenland op
de integratie en emancipatie eigenlijk nog niet bepaald kunnen worden
omdat het te vroeg is. Vindt u ook dat we dat in ieder geval zouden
moeten weten? Ook wijst de evaluatie uit dat een grote groep mensen die
lager- of middelbaar zijn opgeleid, zou worden uitgesloten als je de
eisen onder de gegeven omstandigheden zou aanpassen. Vindt u ook dat de
infrastructuur ook moet worden geregeld als je dat verhoogt?

De heer Dijsselbloem (PvdA): Ik heb in eerdere debatten al gezegd dat
analfabetisme niet een soort ziekte is die je niet kunt overwinnen. Er
is wat aan te doen. Je kunt van mensen vragen om zich wat betreft
onderwijs voor te bereiden op de grote tocht naar Nederland, zal ik maar
zeggen. Is Nederland dan verantwoordelijk voor de infrastructuur? Dat
denk ik niet. We kunnen niet in heel de wereld opleidingsinstituten op
gaan zetten. De onderzoekers hebben de suggestie gedaan om meer te doen
aan het aanbod van oefenexamens en oefenpakketten of om deze uit te
breiden. Dat gaat niet zo ver, maar het lijken mij in principe zinvolle
suggesties. Ik heb hierover al een vraag gesteld aan de minister.

De onderzoekers zeggen inderdaad dat er een effect te zien is, maar dat
het effect qua taalbeheersing heel klein is omdat we nu eenmaal heel
lage eisen stellen. Je zou kunnen zeggen dat we eerst meer effect moeten
meten, maar dat meet je natuurlijk pas op het moment dat je de eisen
durft te verhogen. De onderzoekers zeggen dus dat het systeem wel werkt,
maar dat je slechts een heel klein effect meet omdat de eisen die we
stellen heel laag zijn. Naar aanleiding van die redenering steun ik de
verhoging van de eisen.

Mevrouw Verdonk (Verdonk): Denkt de heer Dijsselbloem dat de hogere
eisen vallen binnen het EVRM en de richtlijnen?

De heer Dijsselbloem (PvdA): Daar heb ik net een vraag over gesteld aan
het kabinet. Ik kan mij herinneren dat wij deze discussie ook al eerder
hebben gehad. Toen was mevrouw Verdonk minister. Zij wilde niet verder
gaan en wilde geen hogere eisen stellen omdat ze zei dat het niet kon.
Blijkbaar weten we nu meer, want er is ook gerefereerd aan ervaringen in
Duitsland. Het kabinet zegt nu dat het wel kan. Er zit nog ruimte
voordat we het fundamentele recht van gezinsvorming aantasten en ik denk
dat we die ruimte moeten benutten om mensen op een hoger niveau te
brengen voordat we mensen in Nederland toelaten.

Mevrouw Verdonk (Verdonk): Ik stelde een vraag aan de heer Dijsselbloem
als PvdA-Kamerlid en vroeg hem of hij denkt -- en niet of de rest van de
wereld denkt -- dat de verhoging van de eisen past binnen de EVRM en de
richtlijnen. 

De heer Dijsselbloem (PvdA): Ik heb geen enkele reden om aan te nemen
dat dit niet zou kunnen.

Over het onderwerp neef/nicht-huwelijken hebben wij lang zitten dubben.
Dat heeft te maken met de discussie over hoe groot de
gezondheidsrisicoā€™s zijn, welke winst daar nog te behalen is door
middel van voorlichting, etc. Gegeven de cijfers die in de brief worden
genoemd, namelijk dat ook onder Marokkaanse en Turkse Nederlanders op
dit moment naar schatting nog 25% binnen de familie trouwt en gezien de
effecten daarvan op bijvoorbeeld de problematiek in Amsterdam, waar door
de wethouder is gewezen op de problematiek van de mantelzorg, willen wij
in principe het verbod op neef/nicht-huwelijken steunen. Wij hebben wel
een aantal vragen, die ook door anderen al zijn opgeworpen, over de
handhaafbaarheid. Dit zal namelijk nog wel wat vergen in de uitvoering.
Ik denk dat het kabinet daar een goed verhaal over moet hebben.
Deskundigen zeggen dat het juridisch niet kan. Dat snap ik dan weer
niet. Wij begrijpen namelijk dat in meerdere EU-landen een verbod op
neef/nicht-huwelijken bestaat. Blijkbaar kan het in die landen juridisch
gezien wel. Waarom zou het hier niet kunnen? Het is een beetje een
cirkelredenering, maar goed, ook de juridische deskundigen verdienen een
antwoord.

De voorzitter: Ik wil u erop attent maken dat de minister van Justitie
nu aanschuift. Exact op tijd, dat is altijd mooi. Welkom. Mevrouw
Verdonk, ik had al gezegd dat het uw laatste keer is geweest. U mag
maximaal twee interrupties doen.

Mevrouw Verdonk (Verdonk): Dit gaat over een ander onderwerp.

De voorzitter: Dan zal ik in de pauze duidelijkere afspraken maken over
het aantal interrupties, want dit loopt een beetje uit de hand, maar dat
geldt niet alleen voor u. Mevrouw Verdonk, een korte vraag.

Mevrouw Verdonk (Verdonk): Voorzitter. Is de heer Dijsselbloem voor een
DNA-test om te kijken of mensen neef en nicht zijn of om te kijken of er
familierelaties zijn?

De heer Dijsselbloem (PvdA): Volgens mij is dat niet nodig.

Ik heb nog enkele kleine punten. Ik heb het openbare-ordecriterium
genoemd. De minister wil in het licht van de fundamentele rechten van
vrouwen en homoā€™s weer een nieuw onderwijsdoel en zelfs een nieuwe
onderwijsmethode invoeren, gericht op gendereducatie. Niet alleen gaat
hij mij daar iets te snel voorbij aan alles wat er al op dit terrein
gebeurt, maar wij verzetten ons er ook tegen dat in elke nieuwe
beleidsbrief van het kabinet weer een nieuw onderwijsdoel wordt
aangekondigd. Laat de minister zich aansluiten bij wat er gebeurt en het
oor te luisteren leggen bij zijn collegaā€™s Bussemaker en Plasterk.

De kabinet heeft aangekondigd de leeftijdsonafhankelijke leerplicht in
dit verband te willen onderzoeken. Dat is een interessante gedachte,
maar we moeten wel even nadenken over wat dit precies gaat betekenen. Ik
hoor sommige collegaā€™s al praten over mbo-2 niveau en zelfs een
slaagplicht. Mensen zouden dat dus moeten halen. Moeten zij dat dan van
tevoren halen? Moet alleen de komende partner dat halen nadat hij of zij
in Nederland is aangekomen? Of gaat dat ook gelden voor de partner die
al in Nederland is? Mag hij pas een partner halen als hij mbo-2 heeft
gehaald? Ik denk dat we heel erg moeten oppassen met het introduceren
van het mbo-2 niveau als verplicht niveau. Laten we ons realiseren dat
40.000 kinderen per jaar dat niveau niet halen. We moeten ons wel even
bedenken wat we aan eisen gaan formuleren. De PvdA steunt liever
strengere eisen vooraf in termen van het opleidingsniveau en het
inburgeringsexamen. Dat vinden we eerlijker en realistischer dan dat we
mensen eerst laten komen en ze vervolgens in Nederland confronteren met
bijvoorbeeld een mbo-2 eis, wat voor veel mensen echt een drama wordt.
Dat is ook voor veel autochtone Nederlanders echt niet realistisch.

De heer Fritsma (PVV): De heer Dijsselbloem noemde gezinsvorming een
fundamenteel recht. Heeft hij er wel eens over nagedacht dat
gezinsvorming ook in Marokko kan plaatsvinden? Dat is vaak veel
logischer. Als een Marokkaan een partner overhaalt, spreken beide
partners Marokkaans of Arabisch of Berbers en delen ze dezelfde cultuur
en dezelfde achtergrond. Is het geen idee om te zeggen dat de
gezinsvorming dan ook in Marokko kan plaatsvinden? Waarom moet dat
altijd in Nederland?

De heer Dijsselbloem (PvdA): De vraag was of ik daar wel eens over heb
nagedacht. Daar heb ik over nagedacht en die mogelijkheid bestaat ook.

De heer Fritsma (PVV): Hoe beoordeelt u het dan dat het in de praktijk
nooit voorkomt en dat in bijna alle gevallen de gezinsvorming in
Nederland plaatsvindt? Vindt u dat goed of vindt u dat het ook vaker in
Marokko kan?

De heer Dijsselbloem (PvdA): Daar ga ik niet over. Dat zal vast en zeker
ook in Marokko kunnen, zoals u het formuleert. Om terug te komen op het
begin van mijn betoog, ik vind dat degenen die gebruik willen maken van
dat fundamentele recht en zich willen vestigen in Nederland, gewoon
moeten voldoen aan een aantal eisen, waardoor de spankracht van de
samenleving minder wordt belast. De eisen die we nu stellen, zijn daar
nog niet goed genoeg voor. In deze brief worden nieuwe en aanvullende
eisen gesteld. Zeker wat de eisen vooraf betreft, waarmee ik mijn betoog
eindigde, zijn wij het daar ook zeer mee eens.

De heer Dibi (GroenLinks): Voorzitter. Het kabinet begint in de brief
over huwelijksmigratie over Faiza oumā€™Hamed en haar gedwongen huwelijk
met een tiran. Het hartverscheurende verhaal van het jonge meisje dat nu
is uitgegroeid tot een schrijfster en voorbeeld voor vele anderen is
zeer belangrijk omdat we hier lessen voor de toekomst uit kunnen
trekken. Ik moet zeggen dat ik een onbehaaglijk gevoel kreeg bij het
lezen van de brief en de lessen die het kabinet trekt, omdat er een
grote naĆÆviteit uit spreekt, een vergelijkbaar onbehaaglijk gevoel als
de minister een tijdje geleden kreeg. De minister wil Faiza en haar
lotgenoten beschermen met een stevig pakket aan maatregelen: een verbod
op neef/nicht-huwelijken, een verhoging van het niveau van het
inburgeringsexamen in het buitenland, het simultaan verhoren van
huwelijkspartners plus adrescontroles op basis van risicoprofielen en
het eisen van tenminste mbo-2 voor degene die iemand naar Nederland wil
laten komen. In een artikel in Trouw schrijft diezelfde Faiza dat de
importbruiden die hier illegaal naartoe komen helemaal niets aan dit
soort maatregelen hebben, terwijl die meisjes het juist het zwaarst te
verduren hebben.

Bij het lezen van de brief lag het onbehaaglijke gevoel vooral in het
feit dat het kabinet generieke immigratiebeperkende maatregelen neemt --
dat mag en daar moet het ook gewoon voor uitkomen -- en deze verkoopt
onder het mom van het bestrijden van huwelijksdwang. GroenLinks staat
altijd open voor elke maatregel waarmee het kabinet komt, maar
beoordeelt deze wel op de effectiviteit ervan. Het zou het kabinet
sieren als het zou zeggen dat het hier gewoon gaat om het beperken van
de immigratie. Met de huidige maatregelen zie ik niet veel terechtkomen
van het bestrijden van huwelijksdwang en schijnhuwelijken. Sterker nog,
wanneer de drempels worden verhoogd, zullen de sluiproutes vaker worden
doorlopen. Dat is slechts een kwestie van berekening en menselijk
gedrag. Daardoor zal de groep jonge meiden zoals Faiza oumā€™Hamed
groeien, terwijl wij deze juist willen reduceren tot nul. Ik wil graag
een reactie op de mogelijk negatieve effecten van de maatregelen die het
kabinet voorstelt. De groep waarop ze gericht zijn, wordt hierdoor juist
onzichtbaar en komt illegaal Nederland binnen.

Mevrouw Sterk (CDA): Ik betrap de heer Dibi, geloof ik, op een
cirkelredenering. Eigenlijk zegt de heer Dibi dat we alle eisen gewoon
moeten laten varen: dan hebben we nooit meer last van gedwongen
huwelijken.

De heer Dibi (GroenLinks): Dat is niet juist. Ik beoordeel deze eisen op
hun effectiviteit. Als je zegt dat je deze maatregelen neemt om meisjes
die nu enigszins ondergronds onderdrukt of mishandeld worden te
beschermen, ga ik kijken of die maatregelen daar ook echt tegen werken.
Iemand die dit zelf heeft ondervonden, zegt dat ze hier niets aan gehad
zou hebben. Ik vind daarom dat het kabinet met een goed verhaal hierover
moet komen. Als het dit echt wil voorkomen, moeten de maatregelen ook
aansluiten op wat het wil voorkomen.

Mevrouw Sterk (CDA): Ik zou graag willen horen welke maatregelen
GroenLinks wel effectief zou vinden. 

De heer Dibi (GroenLinks): Daar kom ik net op. In dit debat staat voor
GroenLinks de gelijkheid tussen man en vrouw en de emancipatie van
kwetsbare vrouwen centraal. Dat is ook de reden dat ik naar dit debat
ben gekomen. Ik heb al gezegd dat wij openstaan voor alle voorstellen,
maar dat wij deze altijd beoordelen op hun effectiviteit. We doen
allereerst een voorstel dat we al eerder hebben gedaan, namelijk om een
kwalificatieplicht voor de huwelijksmigrant te introduceren en de
rekening bij de partner neer te leggen, voor zover dat mogelijk is. Dat
betekent als het ware een emancipatieplicht voor degene die een partner
laat overkomen. Hij of zij moet weten dat wanneer een partner Nederland
binnenkomt, daar bepaalde kosten mee gemoeid zijn en dat hij of zij de
opleiding zal moeten betalen. Natuurlijk zal niet iedereen het
mbo-2-niveau kunnen halen. Daarom moet er een soort uitzonderingsgrond
zijn voor mensen die daar niet toe in staat zijn. Wij vinden echter dat
we duidelijker moeten communiceren wat het betekent voor het huishouden
en voor het gezin wanneer de partners daadwerkelijk zijn toegelaten in
Nederland. Ik hoor graag een reactie op dit voorstel. Ik heb begrepen
dat het kabinet onderzoek laat doen naar een aantal andere voorstellen.
Zou het dit willen meenemen in dat aanvullende onderzoek?

Mevrouw Verdonk (Verdonk): Ik vraag me af wat de heer Dibi verstaat
onder een kwalificatieplicht.

De heer Dibi (GroenLinks): We kennen nu al een kwalificatieplicht in
Nederland. We hebben de leerplicht een tijd geleden enigszins uitgebreid
met een kwalificatieplicht. Dat betekent eigenlijk havo, vwo of
mbo-2-niveau. Wanneer iemand een huwelijkspartner van buiten Nederland
laat komen, weet hij of zij als partner dat dit een aantal inspanningen
zal vereisen om deze partner op een bepaald niveau te tillen. Het gaat
ook vaak om mannen, maar die worden vaak vergeten; we hebben het heel
vaak over bruiden, maar het gaat vaak genoeg over bruidegommen. Wij
willen graag dat vrouwen een bepaald onderwijsniveau hebben. Dat brengt
namelijk een bepaalde emancipatie met zich mee. 

Mevrouw Verdonk (Verdonk): Bedoelt de heer Dibi dat degene die in
Nederland woont, de gehele opleiding moet betalen tot aan de
kwalificatieplicht van de partner die hier naartoe gehaald wordt?

De heer Dibi (GroenLinks): Ik heb het kabinet gevraagd om de
mogelijkheden te onderzoeken van het neerleggen van een deel van de
kosten bij de partner. Ik kan me echter voorstellen dat niet iedereen
dat kan ophoesten. Als je nog jong bent en bijvoorbeeld tijdens de
vakantie verliefd bent geworden, hoef je niet meteen een hele
mbo-2-opleiding te bekostigen, maar je mag daar wel aan bijdragen. Ik
ben benieuwd naar de uitkomsten van zoā€™n onderzoek.

De heer Dijsselbloem (PvdA): Dit is in ieder geval een radicale
verhoging van de inkomensgrens en het effect zal in de cijfers ook
radicaal zijn. Stel dat dit toch leidt tot huwelijksmigratie, hoe gaat u
dit dan handhaven met betrekking tot de effectiviteit waarover u het
heeft? U keert zich tegen voorwaarden vooraf en verhoogt de voorwaarden
in Nederland. Ik neem aan dat mensen hier vier jaar de tijd voor
krijgen. Wat gaat GroenLinks doen om alsnog op te treden tegen deze
huwelijksmigratie als men na die vier of vijf jaar het mbo-2-niveau niet
heeft gehaald?

De heer Dibi (GroenLinks): Ik snap dat u meteen met detailvragen en
uitvoeringsvragen komt. Dat doet iedereen. Dat doe ik zelf ook, dat mag.
Echter, dit is een gedachte die GroenLinks al een aantal jaren heeft.
Het staat ook in onze integratienota van een aantal jaar geleden, Het
hoofd koel, het hart warm. Het zou veel mensen goed doen om in het
immigratiedebat het hoofd koel te houden en het hart warm. Als je
kwetsbare meiden wilt beschermen die naar Nederland komen, kan dat ook
door ze toegang te geven tot het onderwijs. Je moet ervoor zorgen dat de
man weet dat hij daaraan een bepaalde bijdrage moet leveren. Ik laat het
over aan het kabinet om te kijken binnen welke periode het niveau
behaald moet worden.

De heer Dijsselbloem (PvdA): Het is ook een oud D66-voorstel, maar ook
met D66 hebben we deze discussie gehad. De heer Dibi begint op een
tamelijk hoge toon te zeggen dat de maatregelen van het kabinet allemaal
niet deugen. Vervolgens doet hij een alternatief voorstel dat qua
effectiviteit en uitvoerbaarheid volstrekt niet doordacht is. Daarom
stel ik nog een keer de vraag wat er gebeurt als mensen na vier of vijf
jaar -- dat vullen we later nog wel in -- de startkwalificatie niet
halen? Ik vrees namelijk dat dit op grote schaal gaat gebeuren.

De heer Dibi (GroenLinks): Ik vind het raar dat iemand mij
uitvoeringsvragen stelt die zelf voor het verbod op
neef/nicht-huwelijken is, maar dat even terzijde. De rompslomp die je
met de uitvoering daarvan creƫert, is namelijk enorm en het effect is
volgens mij heel erg klein. Het is echter een terechte vraag. Niet
iedereen zal het mbo-2-niveau of een havo- of vwo-diploma kunnen halen.
Dat hoeft ook niet iedereen te halen. Echter, laten we de lat in ieder
geval ergens leggen en laten we uitzonderingsgronden creƫren voor de
mensen die dat niet halen. Dat doen we nu ook. Er zijn allerlei
leerwegen die je kunt volgen naast het halen van de startkwalificatie,
zoals de arbeidsmarktgerichte leerweg. Er zijn er genoeg te noemen. Er
wordt altijd meteen gedacht dat er een sanctie moet zijn als je het niet
haalt, omdat mensen het zogenaamd niet willen doen als er geen sanctie
is. Ik denk echter dat de meeste mensen dolgraag onderwijs willen volgen
om daardoor toegang te krijgen tot de arbeidsmarkt. Ik vraag het kabinet
nogmaals om met een open mind hiernaar te kijken.

Mevrouw Sterk (CDA): In hoeverre verschilt uw voorstel eigenlijk met het
voorstel van het kabinet?

De heer Dibi (GroenLinks): Welk voorstel bedoelt u?

Mevrouw Sterk (CDA): Daar was ik al een beetje bang voor. Het kabinet
doet een voorstel voor een tienjarige leerplicht. Dat lijkt ontzettend
op wat u voorstelt, u gaat alleen iets verder, net als het CDA. U gaat
eigenlijk naar een soort levenslange leerplicht en het belang van een
startkwalificatie; dat is het mbo-2-niveau. Waarom heeft u heel veel
kritiek op het kabinet wegens ineffectieve maatregelen, terwijl u met uw
maatregel volgens mij verder gaat dan het kabinet?

De heer Dibi (GroenLinks): Ik heb niet kritiek op alle maatregelen, ik
heb alleen een aantal maatregelen genoemd die ik ineffectief vind. Er
zijn een aantal maatregelen die ik zo zal noemen waar wij heel veel voor
voelen. Laat het kabinet ons voorstel maar naast het eigen voorstel
leggen, dan kijken we wel welk voorstel beter is. Als ze een grote
gelijkenis vertonen, kunnen we vast wel zaken doen en tot een compromis
komen.

Dan kom ik op mijn volgende voorstel. GroenLinks denkt dat er ontzettend
veel te behalen valt als het netwerk rondom gezinnen en huishoudens en
rondom paartjes die gaan samenwonen alert is en weet hoe te handelen als
er signalen zijn van dwang en mishandeling. Mevrouw oumā€™Hamed zegt
terecht dat juffen het merken als moeders hun kinderen nooit komen
brengen. Dit zijn momenten waarop professionals kunnen en moeten
handelen. Ik vraag de minister om in de meldcode huiselijk geweld en
kindermishandeling, waar op dit moment volgens mij aan gewerkt wordt,
het aspect van huwelijksdwang mee te nemen. Daarbij moet de gemeente
beter worden toegerust om deze vrouwen op te kunnen vangen. Welke
aanvullende maatregelen kunnen de bewindslieden treffen als het gaat om
het netwerk rondom de vrouwen die mogelijk onderdrukt en mishandeld
worden? Ik denk dat de effectiviteit hier het grootst kan zijn als wij
huwelijksdwang willen bestrijden en gedwongen huwelijken willen
tegengaan.

Het is een hiaat van hier tot en met Casablanca en Istanboel dat
huwelijksdwang in ons Wetboek van Strafrecht nog niet verboden is. Dit
is een punt waar GroenLinks al langer voorstander van is. Wij realiseren
ons dat we hiermee niet kunnen voorkomen dat huwelijksdwang in de
toekomst nog zal plaatsvinden, maar met de wet aan hun zijde zullen
slachtoffers van huwelijksdwang zich gesterkt weten in hun zoektocht
voor vrijheid. Ik vraag de minister om hier werk van te maken. Ik heb
hier al eerder een motie over aangehouden. Het vorige demissionaire
kabinet had hier oren naar en zou het doorgeven aan het volgende
kabinet. Volgens mij ligt het nu bij minister Hirsch Ballin. Ik ben
benieuwd hoe de minister er tegenaan kijkt om in het Wetboek van
Strafrecht apart op te nemen dat huwelijksdwang strafbaar is, zodat
iedereen weet hoe wij daar tegenaan kijken.

Tot slot wil ik iets zeggen over het Nederlandse staatsburgerschap. Het
Nederlandse staatsburgerschap is GroenLinks heel wat waard. Nederlandse
staatsburgers krijgen wat ons betreft toegang tot allerlei vrijheden.
Een van die vrijheden is het recht op gezinsvorming en gezinshereniging.
Dat recht is niet oneindig. Je kunt er opleidingseisen en inkomenseisen
aan stellen, maar op een gegeven moment moet je zeggen: dit is de lat
die wij leggen, dit is de grens die wij stellen en we gaan niet elke
keer als de immigratie enigszins toeneemt de lat hoger leggen. Op een
gegeven moment moet je accepteren dat je raakt aan een fundamenteel
recht. Ik wil dat graag benoemd hebben in dit debat omdat ik bij het
lezen van de stukken van het kabinet en bij het horen van de voorgaande
inbrengen het gevoel heb dat het alleen maar om immigratiebeperking
gaat. Het Nederlandse staatsburgerschap is, nogmaals, GroenLinks wat
waard.

Mijn medewerker had de suggestie gehoord en op de site was inderdaad een
voorbeeld te vinden. Ik vind het een zorgelijke zaak als het waar is,
maar of het waar is weet ik nog niet. Er staat bijvoorbeeld geen
dossiernummer bij. Ik vraag de staatssecretaris van Justitie om hierop
in te gaan en de Kamer schriftelijk te informeren of dit waar is en of
er meerdere gevallen zijn van een partner die soms wel negen keer
opnieuw een partner uit het land van herkomst laat komen. Als het waar
is, kunnen we daar maatregelen tegen treffen. Ik neem aan dat het
dossiernummer kan worden overgedragen aan de staatssecretaris zodat zij
er meteen mee aan de slag kan. Als het niet waar is, heeft de heer
Fritsma een groot probleem.

De heer Dijsselbloem (PvdA): Ik begrijp de inbreng van de heer Dibi
niet. Hij zegt dat het fundamentele recht op gezinsvorming en
gezinshereniging wordt aangetast door hoge eisen te stellen, maar het
voorstel van GroenLinks gaat echt het allerverst. Het gaat het verst in
termen van de kosten, want de kosten van een hele mbo-2-opleiding worden
bij voorbaat bij de halende partner gelegd. We hebben het hier echt over
tonnen. Om een mbo-2-opleiding te halen zit je vier jaar op school, en
dan ga ik ervan uit dat je de vier jaar school die daaraan voorafgaat al
hebt gehad. Ik begrijp het allemaal wel, maar ik begrijp verwijt aan het
kabinet niet. Het inhoudelijke niveau dat van de huwelijksmigrant wordt
gevraagd, is ook veel hoger dan wat het kabinet tot nu toe vraagt.
GroenLinks gaat op beide punten dus veel verder en verwijt vervolgens
het kabinet dat het de gezinshereniging aan banden wil leggen. Dat
begrijp ik niet.

De heer Dibi (GroenLinks): Wij stellen eisen wanneer de huwelijksmigrant
Nederland betreedt. Dat wil ik nogmaals benadrukken. Ik zeg niet dat
iedereen mbo-2-niveau of een havo- of vwo-diploma moet behalen. Wij
willen als lijn uitzetten dat iedereen die hierheen komt, onderwijs moet
volgen om op een bepaald niveau te komen zodat ze kansrijk worden in de
samenleving en dat de kosten voor een deel, maar niet geheel, bij de
partner worden gelegd. Je kunt over ontzettend veel regelingen nadenken
om dat op een goede manier te regelen. Het onderwijsniveau is voor ons
erg belangrijk.

Mijn spreektijd is volgens mij nog niet helemaal om, dus ik neem de kans
om een punt aan te stippen dat ik was vergeten. Wij vinden de
voorgestelde maatregel om polygame huwelijken tegen te gaan, om partners
die al meerdere keren zijn getrouwd, te verbieden om een partner uit het
land van herkomst te halen en de maatregel om de leeftijdsgrens op te
schroeven naar 18 jaar in plaats van de huidige 15 jaar, wel effectief.
Wij denken dat de huwelijksdwang daarmee wel bestreden kan worden en we
zijn daar erg blij mee.

De voorzitter: Er zijn een aantal vragen aan u. Uw spreektijd was wel
degelijk om, dus daar kunt u alvast even over nadenken.

De heer Fritsma (PVV): Om te beginnen vind ik het voorstel van de heer
Dibi een goed voorstel. Het kabinet moet aangeven hoe vaak het gebeurt
dat mensen meerdere partners uit het land van herkomst halen. Ik heb
daar jaren geleden al om gevraagd. Ik wil vragen waarom GroenLinks dat
verzoek toen niet steunde. Ik heb toen gevraagd hoeveel referenten
gedurende het hele verblijf in Nederland meer dan een partner uit het
buitenland laten overkomen. Dat is de vraag waar het om gaat. Toen heeft
het kabinet geantwoord dat er geen cijfers over voorhanden zijn. Waarom
hebt u daar toen geen schande over gesproken? Waarom hebt u toen niet
gezegd: kabinet, kom op met die informatie, we moeten nu de feiten boven
water halen? Ik heb dat toen gevraagd, niemand interesseerde het wat en
nu roept u het plotseling.

De heer Dibi (GroenLinks): Dan zeg ik de heer Fritsma na: kom op,
kabinet! Als er partners zijn die negen keer een partner over laten
komen naar Nederland, als dat zomaar kan, willen wij die cijfers ook
boven tafel hebben. Daarover is geen verschil van inzicht.

Tot slot merk ik op dat Nederland het op twee na strengste land is als
het gaat om de grenzen voor huwelijksmigratie. Laten we niet doen alsof
de grenzen openstaan en iedereen lukraak Nederland binnen kan komen. Dat
is een mythe die ontkracht moet worden.

Mevrouw Karabulut (SP): Voorzitter We hebben het vandaag over het
tegengaan en het bestrijden van huwelijksdwang en de evaluatie van de
Wet inburgering buitenland, de wet waaraan migranten die hier naartoe
willen komen voor gezinshereniging of -vorming moeten voldoen. De brief
van het kabinet gaat over deze twee punten. Als eerste wil ik het hebben
over de aanpak van huwelijksdwang. Laat ik daarover duidelijk zijn; wat
de SP betreft vallen huiselijk geweld, eergerelateerd geweld en, nog
specifieker, psychische of fysieke dwang en het dwingen van personen tot
het aangaan van een huwelijk onder schending van de mensenrechten. De SP
vindt de keuzevrijheid van iemand om te kiezen voor een partner
ontzettend belangrijk. Belemmeringen van deze keuze door dwang,
onderdrukking of geweld, ook wel huwelijksdwang genoemd, moeten wat de
SP betreft zo veel mogelijk voorkomen worden.

Ik vind dit een mooie brief van het kabinet, omdat deze de keuzevrijheid
centraal stelt. We weten allemaal dat exacte cijfers over het aantal
gevallen van huwelijksdwang en de verschillende vormen daarvan
ontbreken, juist omdat het zo ontzettend complex is. De enkele gevallen
die de minister voor Integratie heeft genoemd bij de presentatie van de
brief en de gevallen die ook anders in de pers zijn gekomen, zijn
ernstig genoeg. Laten we er eerlijk over zijn, mannen die met steun van
hun directe omgeving doen aan vrouwenhandel, of die meisjes verkopen aan
andere mannen, hier of in het buitenland, moeten aangepakt worden als
misdadigers en criminelen, want dat zijn ze volgens mij. In een artikel
in Trouw wordt het voorbeeld van Souad genoemd, het dertienjarige meisje
dat werd uitgehuwelijkt aan een man van 21, waarbij hij een bruidsschat
betaalde en een grootse bruiloft bekostigde, terwijl het meisje
vervolgens allerlei moeite moest doen om hier geholpen te worden. De
professionals hier waren zich niet bewust van de slinksheid en de ernst
van de situatie en ik geloof dat de daders nog vrij rond lopen. Dat kan
ik niet erg goed verkroppen.

Het belang en de bescherming van het slachtoffer zouden voorop moeten
staan, maar de vervolging van dit soort daders is voor mij ook
ontzettend belangrijk. De minister van Justitie zegt meer te gaan
inzetten op opsporing en vervolging door huwelijksdwang op te nemen in
de Aanwijzing eergerelateerd geweld, en dat steun ik. De minister noemt
voor- en nadelen van het strafbaar stellen van huwelijksdwang. Mijn
vraag is waarom wordt gekozen voor deze vorm en niet voor
strafbaarstelling. Hoe kijkt de minister aan tegen de specifieke
strafbaarstelling die in BelgiĆ« is geĆÆntroduceerd? Is hij bereid hier
serieus naar te kijken en het eventueel strafbaar te stellen?

Ik ben laatst in Rotterdam geweest, waar wethouder Kriens met haar team
echt ontzettend goed bezig is. Rotterdam doet ontzettend veel vanuit de
praktijk, met het Steunpunt Huiselijk en Eergerelateerd Geweld, waarbij
heel veel betrokkenen, zoals partijen, scholen, hulpverleners, politie,
justitie en zelforganisaties een vuist maken tegen onderdrukking, geweld
en gedwongen huwelijken. Dit voorbeeld van nauwe samenwerking, waarbij
per geval van onderop bekeken wordt wat er aan de hand is en wat er
gedaan moet worden, verdient volgens mij steun. Ik heb begrepen dat de
gemeente Rotterdam hiertoe inmiddels een verzoek heeft ingediend bij de
minister van Justitie. Klopt dat en op welke manier gaat de minister dit
ondersteunen? Gaan de andere grote steden dit voorbeeld volgen of niet?
Het gaat uiteindelijk ook om preventie, dus om het bewust maken dat je
je eigen toekomst, je eigen lot, in eigen handen kunt nemen. Daarbij
zijn partijen zoals scholen, zelforganisaties en gemeenschappen hard
nodig.

Resumerend, het kabinet neemt een aantal maatregelen die ik steun, maar
ik vind ook dat het iets tekortschiet. Ik zou er graag een aanvulling op
zien, namelijk het verzamelen van informatie via kwalitatief en
kwantitatief onderzoek. De Rotterdamse ervaring leert hoe nodig dat is.
In het nieuws kwam dat er vijftien meisjes verdwenen waren, waarbij het
in geen van de gevallen vooralsnog om huwelijksdwang blijkt te gaan. Ik
ben daar geweest. Het is complex en het moet uitgezocht worden. Ik wil
niet dat er een heel nieuw steunpunt wordt georganiseerd, maar er moet
zo veel mogelijk worden aangesloten bij de aanpak van huiselijk en
eergerelateerd geweld. Ik verzoek het kabinet om hiervoor landelijke
kaders op te stellen. Dat betekent ook dat hiervoor voldoende expertise,
tijd en capaciteit vrijgemaakt moet worden. Als laatste wil ik weten of
het kabinet bereid is te kijken naar de vervolging en strafbaarstelling
van daders. Ik zou ook informatie willen over hoe dat in de praktijk
gaat.

Dan kom ik op de aanscherping van de eisen voor gezinsmigratie om
dwanghuwelijken te voorkomen. Ik vind dat erg kort door de bocht. De
SP-fractie heeft de Wet inburgering buitenland gesteund en steunt deze,
omdat wij vinden dat mensen die hier naartoe komen zich moeten
voorbereiden op en kennis moeten hebben van de Nederlandse samenleving
zodat de inburgering hier vlot verloopt. Als ik kijk naar de resultaten
van de aangescherpte inkomenseisen, zie ik dat het aantal
gezinsmigranten drastisch is afgenomen. Bij de Turkse en Marokkaanse
Nederlanders is het met meer dan 50% afgenomen. We zien ook dat de jonge
generaties hun partner in Nederland zoeken. Er wordt gesproken over de
spankracht van de samenleving, maar ik denk niet dat deze aantallen en
omvang de spankracht van de Nederlandse samenleving bedreigen. Ik vind
het prima als men de dwanghuwelijken tegen wil gaan, maar men kan mij
toch niet wijsmaken dat het fenomeen dat Nederlanders die verliefd
worden of uit verstand een keuze maken voor een partner uit het
buitenland, vereenzelvigd kan worden met het dwanghuwelijk?

De heer Fritsma (PVV): De aantallen zijn de afgelopen jaren niet onder
de 20.000 geweest. Ik heb hier cijfers van het Centraal Bureau voor de
Statistiek, die ook rondgedeeld mogen worden voor de belangstellenden.
In 2005 hadden we meer dan 25.000 partner- en gezinsmigranten. In 2007
was het ruim 25.000. Baren die aantallen de SP-fractie echt geen zorgen?
U ziet toch het effect van deze massa-immigratie op de stadswijken en op
het bestaan in Nederland? U ziet toch dat het de samenleving ontwricht? 

Mevrouw Karabulut (SP): Wij hebben het hier over vrijheid; de vrijheid
om keuzes te kunnen maken voor je partner, om keuzes te kunnen maken om
hier te werken, te wonen en te leven. Ik vind het belangrijk dat mensen
hun best doen en zich inspannen om mee te kunnen doen. De aantallen
hoeven op zichzelf helemaal geen probleem te zijn. Het sociale probleem
dat de heer Fritsma benoemt, herken ik wel en zie ik wel, maar dat
speelt zich af in Nederland. De grote concentratie van problemen in
buurten en wijken is in Nederland aan de hand. Het punt is dat er
dertig, veertig jaar lang falend integratiebeleid is gevoerd en dat
diverse kabinetten hun kop in het zand hebben gestoken voor de echte
problemen, waardoor er nu grote problemen in de buurten en wijken zijn.
Daar wil ik iets aan doen. Daar wil ik de segregatie aanpakken. Ik vind
het belangrijk dat wij eindelijk, na tientallen jaren, vragen aan mensen
om de taal te leren. Mensen hebben zich gewoon te houden aan regels. Als
zij dat doen, zijn mensen, waar ze ook vandaan komen, in eerste
instantie niet het probleem.

De heer Fritsma (PVV): Ik heb een vervolgvraag. Die aantallen zijn
namelijk wel een probleem. Ook het generaal pardon was een probleem:
27.000 nepvluchtelingen wiens asielverzoek allang was afgewezen zijn
toegelaten, ook dankzij de SP.

De voorzitter: Mijnheer Fritsma, u moet geen betoogvraag stellen.

De heer Fritsma (PVV): Ik vraag mevrouw Karabulut hoe ze daarop
terugkijkt; of ze dat nog steeds een fantastische beslissing vindt.

Mevrouw Karabulut (SP): Als er een ding is waarover ik de
staatssecretaris complimenten wil maken, is dat het generaal pardon. Dat
heeft mijn partij zeker gesteund. Daar hebben we samen voor gevochten
toen we in de oppositie zaten. Ik ben daar hartstikke trots op. De heer
Fritsma wil zelfs die mensen die jarenlang in onzekerheid hebben
verkeerd en uit een oorlogssituatie kwamen, in de steek laten omdat hij
zo bang is voor alles wat vreemd is. Ik ben echter trots op het generaal
pardon. 

De heer De Krom (VVD): Ik heb eigenlijk dezelfde vraag. Ik hoor mevrouw
Karabulut zeggen dat een aantal achtereenvolgende kabinetten de zaak uit
de klauwen heeft laten lopen met achterstanden en segregatie. Mijn vraag
is dan ook: heeft dat er iets mee te maken dat u het generaal pardon
hebt gesteund? Hoe kan ik dat nu allemaal rijmen? 

Mevrouw Karabulut (SP): Of ik begrijp de vraag van de heer De Krom niet,
of de heer De Krom weet niet hoe de wereld in elkaar steekt, een van de
twee.

De heer De Krom (VVD): Het is heel simpel. Als mevrouw Karabulut hier
terecht zegt dat er sprake is van grote achterstanden, van segregatie in
wijken, etc., is mijn vraag hoe het generaal pardon eraan heeft
bijgedragen om dat probleem kleiner te maken.

Mevrouw Karabulut (SP): Als wij dat generaal pardon al veel eerder
hadden geregeld, hadden deze mensen veel sneller kunnen werken en kunnen
bijdragen aan de samenleving. De heer De Krom mag zelf wel eens wat
bescheidener doen, want het is zijn partij geweest die ervoor heeft
gezorgd dat we nu te maken hebben met gettovorming en achterstanden. Het
is zijn partij geweest die de grenzen wagenwijd open heeft gezet voor
een nieuwe groep arbeidsmigranten, omdat werkgevers die goedkope
arbeidsmigranten nodig hebben.

De heer De Krom (VVD): Voorzitter, staat u mij toe om een korte reactie
te geven? Het was mijn partij die in het vorige kabinet er als eerste in
slaagde om de asiel- en immigratiecijfers naar beneden te krijgen.
Volgens mij was de SP de partij die door die erfenis een streep zette
met het generaal pardon.

Mevrouw Karabulut (SP): Ik houd erg van een scherp, open en eerlijk
debat. Mensen schieten er niks mee op als men bepaalde dingen probeert
te verdoezelen. De problemen in Nederland waar we het nu over hebben,
zijn een erfenis van uw regering. Die zijn een erfenis van de puinhopen
die uw partij mede heeft achtergelaten. Ik wil eraan herinneren dat er
door eerdere kabinetten waar de VVD onderdeel van uitmaakte, totaal geen
eisen aan de gezinsmigratie werden gesteld: iedereen mocht komen. Daar
is uw partij mee begonnen.

Mijnheer De Krom en alle andere partijen vinden mij aan hun zijde
wanneer we het hebben over echte oplossingen van sociale problemen. Op
grond van de evaluatie van de Wet inburgering buitenland en de huidige
aantallen gezinsmigranten constateer ik dat daar niet de grote problemen
zitten. De evaluatie wijst uit dat de mensen die het examen behalen,
enorm gemotiveerd zijn. Twee derde van de kandidaten die de
voorbereiding hebben afgerond, vond het examen heel erg moeilijk. Het
opleidingsniveau is gestegen. Het is nog te vroeg om conclusies te
trekken over de vraag of deze wet ertoe heeft geleid waarvoor deze was
bedoeld: om de emancipatie en de integratie hier beter te maken. Daarom
vind ik het voorbarig om de eis te verhogen, temeer omdat je daarmee een
grote groep mensen, namelijk de lager- en misschien wel middelbaar
opgeleiden, zou uitsluiten van de keuzevrijheid om zich te voegen bij
hun geliefde.

Mevrouw Ortega-Martijn (ChristenUnie): Voorzitter. Sinds de in 2004
ingevoerde inkomens- en leeftijdseisen is er sprake van een forse daling
van het aantal huwelijksmigranten en een enigszins verbeterde
arbeidsmarktparticipatie. Daar staat echter tegenover dat het aantal
huwelijksmigranten in het laatste jaar weer groeit en dat er voor deze
maatregelen al sprake was van daling van het aantal huwelijken met een
partner uit het land van herkomst onder Turken en Marokkanen. Kan er dus
wel een een-op-een relatie worden gelegd met de genomen maatregelen? Ik
hoor hierop graag een reactie van het kabinet.

Ook de ChristenUnie heeft zorg over de integratie van de
gezinsmigranten. Een kwart van de gezinsmigranten die het
inburgeringsexamen in het buitenland afleggen, is ontoereikend opgeleid
om in de Nederlandse samenleving te kunnen participeren. Het is
begrijpelijk dat de taaleisen daarom worden opgeschroefd. Zet de
minister zich ervoor in om de kwaliteit van de cursussen in het
buitenland zo veel mogelijk te laten aansluiten? Er is namelijk kritiek
op de kwaliteit van de huidige cursussen.

We kunnen niet alles ophangen aan het inburgeringsexamen. Dat is slechts
de eerste stap richting integratie. De minister constateert dat het
duurzame effect van inburgering in het buitenland beperkt is. De
ChristenUnie mist in de brief voorstellen om dit probleem aan te pakken.
In die zin kan ik mij vinden in de vragen die de heer Dijsselbloem heeft
gesteld over de aanbevelingen van de onderzoekers. Ik hoor hierop graag
een reactie van het kabinet.

Ook is mijn vraag in hoeverre de hogere opleidingseisen zich verhouden
tot de artikelen 8 en 12 van het EVRM. Op Europees niveau wordt ervoor
gepleit dat de referent bij een relevante strafrechtelijke veroordeling
niet nogmaals als referent op kan treden. Wanneer wordt dit duidelijk?
Begrijp ik uit de brief van de minister dat aanpassingen hierop alleen
op Europees niveau mogelijk zijn? De regering noemt nu alleen de optie
van het intrekken van de vergunning van de referent zodat deze
automatisch niet meer als referent kan worden gebruikt. De vraag van de
Kamer ging echter juist om de situatie waarin het strafbare feit niet zo
zwaar is om de verblijfsvergunning in te trekken, maar waarbij het wel
voor de hand ligt dat iemand opnieuw als referent optreedt. De minister
noemt het stellen van een opleidingseis aan de referent als extra
stimulans om de opleiding af te maken. De vraag is echter of regelgeving
rond het huwelijk het geƫigende instrument is om te stimuleren dat
mensen hun opleiding afmaken. Hierop hoor ik graag een reactie van de
minister.

Huwelijksdwang moet gewoon voorkomen worden, want ingrijpen achteraf
leidt altijd tot meer schade. In de brief wordt voorgesteld om
Nederlandse vertegenwoordigingen in het buitenland hiernaar te laten
vragen bij bij het afleggen van het basisexamen inburgering. Er wordt
nog onderzocht hoe dit het beste kan. Wanneer komt hierover helderheid?
Wat zijn de gevolgen als er sterke aanwijzingen zijn dat er inderdaad
sprake is van huwelijksdwang? Aan wat voor vervolgactie denkt de
minister dan? De minister stelt in de brief dat hij geen kwantitatieve
gegevens heeft en dus niet zo goed weet hoe het zit met de
huwelijksdwang. Mijn vraag is of er een onderzoek kan komen naar deze
verschijnselen.

De minimumleeftijd voor een huwelijk is nu 18 jaar, behoudens de
bijzondere dispensatieregeling in geval van zwangerschap. Het kabinet
onderzoekt de mogelijkheid van verdragsonderhandelingen met andere
landen over het erkennen van huwelijken die zijn gesloten in landen waar
de minimumleeftijd lager is. Hoe zit het precies met personen met een
niet-Nederlandse nationaliteit die in het land van herkomst al op
15-jarige leeftijd mogen trouwen en daarom ook in Nederland al op die
leeftijd mogen trouwen? Begrijp ik goed uit de brief van de minister dat
dit niet verboden kan worden op grond van internationale verdragen? Ook
wordt mij uit de brief niet duidelijk wat de juridische positie is van
mensen die in het buitenland op zeer jonge leeftijd zijn getrouwd, maar
pas op hun achttiende naar Nederland komen. Ik wil graag een reactie
hierop van het kabinet. 

Wat betreft het neef/nicht-huwelijk sluit ik mij aan bij de vragen van
de heer De Krom. Over de leeftijdsonafhankelijke leerplicht vindt de
fractie van de ChristenUnie dat we beter kunnen investeren in ervoor
zorg dragen dat mensen op de juiste manier naar Nederland komen en een
goede basis hebben om door te gaan. Er wordt nu voorgesteld dat er een
levenslange leerplicht is. Ik pleit ervoor om ervoor te zorgen dat de
inburgeringscursus die mensen moeten volgen, kwalitatief en effectief
is. 

De heer Dibi (GroenLinks): Mevrouw Ortega vraagt om een onderzoek naar
de omvang huwelijksdwang, terwijl er verregaande maatregelen worden
bepleit om huwelijksdwang te voorkomen. Vindt zij, als
vertegenwoordigster van een gezinspartij, het terecht dat het kabinet zo
treedt in het recht op gezinsvorming en -hereniging op basis van feiten
waarvan wij de omvang niet eens weten?

Mevrouw Ortega-Martijn (ChristenUnie): Willen we goed beleid voeren, dan
moeten we dat baseren op feiten. Vandaar dat ik heb gevraagd of het
mogelijk is om met kwantitatieve gegevens te komen die gebaseerd zijn op
onderzoek.

De heer Dibi (GroenLinks): Mevrouw Ortega zegt dus eigenlijk dat de
feiten ontbreken, maar tegelijkertijd constateer ik dat er wel
verregaande maatregelen worden bepleit. Wat is het oordeel van de
ChristenUnie over dit pakket van maatregelen, zonder dat wij precies
weten om hoeveel vrouwen het gaat die mogelijk gedwongen worden?

Mevrouw Ortega-Martijn (ChristenUnie): Ik zeg nogmaals dat ik wil dat er
feitelijk materiaal op tafel komt, zodat we de juiste beslissingen
kunnen nemen.

De voorzitter: Ik wijs u erop dat we volgende week de begroting hebben
waar een aantal themaā€™s eventueel nog terug kunnen komen. Ik geef
allereerst het woord aan minister van der Laan in de beantwoording in
eerste termijn. 

Minister Van der Laan: Voorzitter. Ik dank de Kamerleden voor de vele
relevante opmerkingen die gemaakt zijn. Mijn collegaā€™s Albayrak en
Hirsch Ballin zullen zo de onderwerpen uit de brief nemen die op hun
terrein liggen. Ik zal een paar algemene opmerkingen maken en een aantal
opmerkingen die zijn toegesneden op inburgering. Ik weet dat we na twee
uur lang vragen stellen en opmerkingen maken vast niet aan alles
toekomen, maar we zullen daar graag, als de Tweede Kamer dat in tweede
termijn aangeeft, schriftelijk op terugkomen. We proberen de hoofdpunten
nu in ieder geval te behandelen.

Dit is een onderwerp van groot belang, zoals ook blijkt uit de bijdragen
van de Kamerleden. Het is ook een onderwerp waar hier en daar emotie mee
verbonden is. We praten over fundamentele zaken als partnerkeuze en
gezinsvorming. Er is ook een andere kant die aangrijpt, waar ik als
minister van Integratie verantwoordelijk voor ben. Dat is de kant die
gevolgen van de aanwezigheid betreft en de komst van een grote groep
mensen met een flinke achterstand tot de samenleving. Daar zijn gevolgen
aan verbonden, in het bijzonder voor de mensen die met deze mensen
werken, zoals onderwijzers, hulpverleners in de zorg, maar ook de
politie.

Tegelijkertijd komen er bij het onderwerp huwelijksmigratie zaken voor
waar we niet van mogen wegkijken en die alle woordvoerders ter sprake
hebben gebracht. Het meest sprekende verhaal is dat van mevrouw Faiza
oumā€™Hamed. Daar kom ik nog op terug. De combinatie van de spankracht,
de steeds opnieuw regenererende achterstanden en wat er op het spel
staat als we ingrijpen omdat het belangrijk blijkt te zijn om in te
grijpen in plaats van grote terughoudendheid -- dat wil zeggen, het
humanitaire aspect -- heeft het kabinet bewogen de extra maatregelen te
treffen. In verband met de uitvoering van de motie van het CDA en de
PvdA zal ik zo dadelijk de chronologie daarvan vertellen. Daarbij werd
een hele reeks punten genoemd met vragen als: zoek dat nu eens goed uit
of geeft dat geen aanleiding om.

De huwelijks- en gezinsmigratie is een bijzondere categorie van
migranten. Mijn collegaā€™s zullen daar zo meteen op doorgaan. Als de
integratie voor die groep faalt, heeft dat niet alleen gevolgen voor
henzelf, maar ook voor hun kinderen en hun verdere omgeving. We hebben
de afgelopen decennia gezien dat de integratie daadwerkelijk is
achtergebleven. In dit verband zijn er langzamerhand duizenden
voorbeelden die ik per jaar kan geven. Het schrijnendste is misschien
wel van een moeder die ik tegenkwam, die niet weet op welke school haar
kinderen zitten. Dat is een voorbeeld van de afstand die zoā€™n moeder
heeft tot zoā€™n belangrijke en wezenlijke voorziening voor haarzelf en
voor haar gezin.

Dat plaatst ons als samenleving en als overheid voor een grote opgave.
We zijn nog steeds bezig een inhaalslag te plegen op het gebied van
inburgering, taalachterstand, opvoedingsondersteuning, toeleiding naar
de arbeidsmarkt enz., voor de groep die al jaren geleden naar Nederland
is gekomen. Dat trekt een voortdurende wissel op de professionals die
dagelijks bezig zijn in al die vakgebieden en het hoofd moeten bieden
aan de gevolgen daarvan.

Door de Kamerleden is aangehaald, en we hebben het ook in de brief
geschreven, dat 25% van de gezinsmigranten die het examen in het
buitenland afleggen, niet meer heeft dan de basisschool. Ik was
getroffen door de woorden mevrouw Sterk dat zij daar vijf jaar geleden
was en zich afvroeg hoe wij het in die situatie eigenlijk ooit konden
redden in Nederland. Natuurlijk kan dat, maar ik kan me de vraag van
mevrouw Sterk uitermate goed voorstellen. Voor de statistiek is dit een
grote groep. Voor velen zal dat heel erg moeilijk zijn door de kloof die
overbrugd moet worden naar het kennisniveau dat de Nederlander nodig
heeft om goed te kunnen functioneren als burger, ouder en werknemer.

Ik wil hier ook nog een keer zeggen dat er een duidelijk verband is met
wat wij van ouders verwachten. Als zij de taal nog niet spreken, bieden
zij hun kinderen van vier jaar statistisch gesproken een achterstand aan
van ongeveer twee jaar. Dat kan je kinderen niet aandoen, omdat die
nauwelijks is weg te werken en gevolgen heeft in de rest van het leven
van het kind, met betrekking tot schooluitval, overlast en
criminaliteit. Wij kennen de statistieken uit ons hoofd.

Onder de noemer van huwelijksmigratie komen daarnaast allerlei situaties
voor die we niet kunnen accepteren: de niet-vrije partnerkeuze,
huwelijksdwang, polygamie, neef/nicht-huwelijken, schijnhuwelijken en
opsluiting van vrouwen. Dit zijn zaken die het kabinet onacceptabel
vindt. Ook vindt het kabinet het onaanvaardbaar dat er bewust in het
buitenland wordt gezocht naar ongeƫmancipeerde vrouwen -- dat komt
gewoon voor -- omdat men de meiden in Nederland te geƫmancipeerd vindt.
Die meiden worden op die manier namelijk afgestraft voor hun succes en
hun inspanningen in de Nederlandse samenleving. Dat is natuurlijk
ontzettend averechts.

Ik maak nog een opmerking over de spankracht. Ik heb geadstrueerd dat
dit voor het kabinet een extra reden was om in actie te komen. Het
kabinet is zich er heel goed van bewust dat de problemen zeker niet voor
de hele groep gelden, maar dat de urgentie ervan groot genoeg is om die
maatregelen nu te treffen. Ik ga in dit verband even in op wat ik
beschouw als een hele serieuze opmerking van de heer Dibi. Hij zegt dat
hij een onbehaaglijk gevoel krijgt bij het lezen van de brief. Door
mevrouw Karabulut werd dit niet met zoveel woorden gezegd, maar ook daar
zat de vraag in of de maatregelen wel bij de analyse passen. Ik wil heel
nadrukkelijk zeggen dat de heer Dibi geen last hoeft te hebben van welk
onbehaaglijk gevoel dan ook. Ik heb bij de presentatie van de
maatregelen samen met collega Hirsch Ballin namelijk al gezegd dat er
twee verschillende pijlers zijn. Die pijlers liggen op verschillende
manieren in elkaars verlengde en versterken en ondersteunen elkaar.

Aan het adres van de heer Dibi wil ik in ieder geval opmerken dat wij in
december pas de motie kregen waarin werd gevraagd om ermee aan de slag
te gaan. Daarbij heb ik verzocht om zo snel mogelijk geĆÆnformeerd te
worden door de IND over wat er allemaal onder de portefeuille van
mevrouw Albayrak en heer Hirsch Ballin valt en in hoeverre dat
raakvlakken heeft met deze problematiek. Ik heb die presentatie in april
gehad en zag toen voor het eerst in mijn leven -- het was op dat moment
geloof ik ook kakelvers -- de grafiek lopen. Ik ben een oude bĆØta en
dan is het niet zo moeilijk om dit te zien als een knik. Dat zeg ik ook
in de richting van mevrouw Verdonk. Daarover zijn wij onmiddellijk in
overleg gegaan met elkaar in de maand mei. Ik betrek met name mevrouw
Verdonk hierbij, maar het is ook een antwoord aan de heer Dibi. Wij zijn
heel snel opgetreden. Ik bedank mevrouw Sterk voor de complimenten die
zij daarvoor heeft gegeven. Wij zijn met concrete maatregelen gekomen.
Dat zal ik zo verder onderbouwen en dat zullen mijn collegaā€™s voor hun
maatregelen ook doen.

De brief was in oktober en ik denk dat het heel goed is dat wij in vijf
maanden tijd die maatregelen op tafel hebben gelegd. Ik begrijp dat het
voor mevrouw Verdonk, met de geschiedenis van niet altijd genoeg geƫerd
zijn geweest voor een bepaalde wet, te harde aanvallen en alle dingen
die gebeurd zijn, die ik erken, soms moeilijk is om te zeggen: dit is
misschien een goede stap voorwaarts ten opzichte van wat ik gedaan heb.
Ik ben geen psycholoog, maar het is natuurlijk een beetje onzin om te
zeggen dat in deze brief enkel pilots, experimenten en onderzoeken
staan. Er staan heel concrete maatregelen in. Op de vraag van mevrouw
Sterk naar een planning van alle onderzoeken zeg ik toe dat wij de brief
nog eens goed zullen lezen op alle dingen die een onduidelijke timing
hebben en in december een timing zullen verschaffen, zodat men deze kan
lezen en ons daaraan kan houden. De boodschap van mevrouw Verdonk was:
boter bij de vis. Zij doet niet helemaal recht aan de brief, zoals haar
misschien naar haar gevoel ook niet altijd recht is gedaan. Zullen wij
het dan beter proberen?

Mevrouw Verdonk (Verdonk): Dit is uitlokking.

Minister Van der Laan: Ik vind het geen uitlokking. Het is communicatie.

Mevrouw Verdonk (Verdonk): Toen ik deze minister gisteravond hoorde bij
Pauw en Witteman nam hij de credits voor de wet. Prachtig. Laat ik het
zo stellen: ik zal aan het eind van dit debat zeggen of ik vind dat de
minister wel of niet concreet genoeg is. Dat komt dus nog.

Mevrouw Karabulut (SP): De minister had het over de knik omhoog in de
cijfers en de maatregelen waarmee hij kwam. Wat zijn de kwalitatieve en
kwantitatieve doelstellingen als het gaat om de cijfers?

Minister Van der Laan: Ik heb zelf niet zozeer een kwantitatieve
doelstelling. Ik geloof dat mevrouw Sterk en anderen dat ook hebben
gezegd en ik geloof dat het ook voor mijn collegaā€™s geldt, maar die
moeten voor zichzelf spreken want dit hebben wij niet expliciet zo
voorbereid. Ik schrok van die knik. Dat is geloof ik vrij normaal. Wij
willen die knik weer ombuigen op grond van de motieven die ik heb
genoemd. Ik ga nu niet kwantitatief zeggen dat het op X-duizend of
Y-duizend moet komen. Ik volg wat dat betreft wat ik daarnet hoorde van
mevrouw Sterk. Ik heb daar helemaal niet over nagedacht. 

Ik wil graag mijn antwoord richting de heer Dibi afmaken omdat ik dat
belangrijk vind. Verschillende themaā€™s kunnen in je hoofd en in dit
geval ook in je hart samenkomen, waardoor je met elkaar in actie komt.
Het is ieder mens toegestaan elk gevoel te hebben wat hij heeft. Ik wil
echter wel zeggen dat het met mij wat makkelijker communiceert als het
blijft bij de inhoud en het geloof in elkaars intenties dan als dat
wordt geƫxpliciteerd als een onbehaaglijkheid. Ik heb het artikel over
Faiza niet bij me en ik weet niet of ik dat artikel in de reeks gelezen
heb, maar ik stel mij voor dat Faiza bedoeld heeft te zeggen dat alle
maatregelen die er al waren sinds 2000 en die er nu in 2009 bijkomen,
haar niet hadden geholpen omdat zij al in 1995 illegaal was
binnengebracht. Dat zou de meest eenvoudige verklaring zijn voor wat zij
zegt. Dat hoeft niet tegenover onze intentie te worden gelegd.

De heer Dibi (GroenLinks): Ik wil voor de duidelijkheid zeggen dat ik
een aantal maatregelen heel goed. Die worden ook in het ingezonden stuk
van Faiza genoemd, samen met een aantal maatregelen die ineffectief
genoemd worden. Het punt is dat er sprake is van een enigszins
gebrekkige analyse omdat de cijfers niet helemaal boven tafel zijn.
Daarom vraag ik of de maatregelen er niet toe leiden dat er sprake zal
zijn van meer illegale huwelijksmigratie en dat de groep die Faiza
vertegenwoordigt groter zal worden.

Minister Van der Laan: Ik geloof daar totaal niet in. Als we bij het
treffen van maatregelen er altijd van zouden uitgaan dat hoe strakker de
maatregel is, hoe groter de kans op ontduiking is, denk ik dat dit land
nooit geworden was wat het is geworden. Ik vind het wel terecht dat u
zegt dat wij ons altijd moeten afvragen of we met bepaalde maatregelen
geen effecten oproepen die andere of grotere nadelen hebben. Ik denk dat
wij daar bij deze brief over gesproken hebben. Ik zie ze op dit moment
niet en op hun terrein zien mijn collegaā€™s ze ook niet.

Ik wil graag naar de maatregelen en de vragen die daarover gesteld zijn.
Ik zal de toelichting daarop zo kort mogelijk houden en daarna zal ik
met een aantal resterende dingen afsluiten. Ik wil beginnen met de
verhoging naar het niveau A1 van het basisexamen inburgering buitenland,
waarover vandaag is gesproken. Deze verhoging is technisch eenvoudig te
realiseren, maar zij moet wel leiden tot een aanpassing van het
vreemdelingenbesluit en van het examenprogramma. Daar wordt de komende
maanden en ook nu al aan gewerkt. Daarbij zal uiteraard ook het
verplichte adviestraject met de Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken
en de Raad van State worden gevolgd.

De verhoging naar het niveau A1 zal per 1 juli 2010 worden
geƫffectueerd. Met de schriftelijke toets ligt het iets anders. Deze
zal naast de verhoging naar A1 worden geĆÆntroduceerd. Ook daarvoor
moeten het vreemdelingenbesluit en het examenprogramma worden aangepast.
Dat zal gelijktijdig met de aanpassingen voor de verhoging naar niveau
A1 gebeuren. Er is echter een iets andere tijdshorizon voor het
ontwikkelen van het schriftelijk examen, want dat kost ongeveer tien
maanden. Het kabinet stelt voor om dit examen per 1 januari 2011 te
introduceren. Dat is een verschil van een halfjaar. Het uitgangspunt bij
de ontwikkeling van het examen zal zijn dat het helemaal geautomatiseerd
kan worden afgenomen en beoordeeld en dat het inzetbaar is op 124
buitenlandse posten. Bij de invulling van het schriftelijk examen zal
worden gezocht naar een evenwicht tussen de substantiƫle invulling van
het examen, waardoor het daadwerkelijk bijdraagt aan de taalvaardigheid
voor de komst naar Nederland, en de mate waarin het examen haalbaar
blijft. We weten uit het recht namelijk dat het examen geen
onoverkomelijke drempel mag opwerpen. Over de precieze invulling van het
examen zal de Kamer in het voorjaar worden geĆÆnformeerd.

Het lijkt mij heel belangrijk om de haalbaarheid van het examen te
vergroten. Dat zeg ik om degenen gerust te stellen die bang zijn dat
hier kwantitatieve doelen achter zouden zitten. Om de haalbaarheid van
het examen te vergroten zullen de bestaande voorbereidingsmogelijkheden
worden uitgebreid, onder meer door de aanvulling van het oefenpakket.
Als ik het me goed herinner, heeft de heer Dijsselbloem daarnaar
gevraagd. Dit zal gebeuren in samenwerking met buitenlandse instituten.
Ik kan daar op dit moment niet veel meer over zeggen. Dat kan ik pas als
dat ook daadwerkelijk is gelukt.

De verhoogde exameneisen zullen worden gesteld aan dezelfde groep als
voor wie het huidige examen geldt, dus voor gezinsvormers en -herenigers
tussen 18 en 65 jaar die voor de komst naar Nederland een mvv dienen aan
te vragen. Er wordt een uitzondering gemaakt voor kandidaten die om
medische redenen niet in staat zijn om te slagen voor het examen.
Daarnaast kent de huidige wet, en dat blijft ook zo, de mogelijkheid om
in onvoorziene gevallen het examenvereiste niet te stellen, namelijk
wanneer dat zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Heel
eigenwijs wijs ik erop dat die beslissing is voorbehouden aan de
minister voor Wonen, Wijken en Integratie.

Een van de aanbevelingen bij de evaluatie van de wet is om het
inburgeringsexamen in het buitenland beter te laten aansluiten op het
inburgeringsprogramma in Nederland. Er is aan gerefereerd dat
verbetering daarvan een van de fijne dingen is uit de evaluatie, maar
dat het nog beter kan. Ik maak eerst een opmerking over het proces en
vervolgens over de inhoud. De tijd tussen het examen in het buitenland
en de start van het inburgeringsprogramma moet volgens de aanbevelingen
worden beperkt. Dat zal gebeuren wanneer de procedures voor de mvv en de
verblijfsvergunning worden samengevoegd in het kader van het moderne
migratiebeleid van mijn collegaā€™s. Nieuwkomers zullen dan vrijwel
meteen na aankomst in Nederland inburgeringsplichtig zijn.

In de evaluatie is geconstateerd dat bij de inburgering in Nederland
weinig wordt gekeken naar de taalvaardigheid en kennis die nieuwkomers
in het buitenland hebben opgedaan. Ik zal in overleg treden met
gemeentes en taalaanbieder om te zien hoe dat in de praktijk beter kan.
Er werd mij zojuist verteld dat het overleg daarover al is gestart.
Uiteraard zal ook bij de nieuwe schriftelijke vormgeving van het examen
in het buitenland rekening worden gehouden met de aansluiting op het
inburgeringsexamen in Nederland.

In het inburgerings- en opleidingstraject van de buitenlandse partner
zal een groter beroep worden gedaan op de verantwoordelijkheid van
referenten. De partner in Nederland, die wij referent noemen, zal al
voor de komst van zijn of haar buitenlandse partner worden aangesproken
op die verantwoordelijkheid. Wanneer de partner onvoldoende meewerkt aan
het programma of daartoe belemmerend optreedt, zal de referent worden
gesanctioneerd. Momenteel wordt met de collegaā€™s van Justitie
onderzocht hoe we dat juridisch het beste kunnen verankeren. De
schematische hoofdvraag daarbij is of je daarvoor bij de
Vreemdelingenwet moet zijn of bij de Wet inburgering of misschien wel
allebei. Dat overleg loopt ook.

In de toekomst zal onderzocht worden hoe een opleidingsinspanning kan
worden gevraagd van buitenlandse partners, zodat men in Nederland een
betere aansluiting kan vinden op de arbeidsmarkt. Diverse sprekers
hebben geĆÆnformeerd naar of opmerkingen gemaakt over de
leeftijdsonafhankelijke leerplicht, zoals geadviseerd door de
commissie-Bakker. De trekker hiervan is Sociale Zaken. Dit heb ik in een
aantal verbanden al eerder gezegd. Zodra dat mogelijk is zal Sociale
Zaken in overleg met ons de Kamer hierover informeren. Op dat moment zal
duidelijk worden welk niveau daarbij wordt beoogd. De discussie over het
vaststellen van een startkwalificatie en de consequenties daarvan
speelde daarstraks als even. Die discussie is belangrijk voor de norm
die je beoogt. Ik stel voor dat we dat als het aangewezen moment
beschouwen om daarover inhoudelijk in discussie te gaan.

De heer Dijsselbloem (PvdA): Denkt het kabinet daarbij aan een
deelnameplicht zoals de Leerplichtwet kent, of aan een
niveauslagingsplicht?

Minister Van der Laan: Deze minister voor WWI weet niet wat een
niveauslagingsplicht is.

De heer Dijsselbloem (PvdA): Als u het verplicht maakt dat mensen een
bepaald niveau moeten halen, is de systematiek daarvan heel anders dan
die van de Leerplichtwet. Op grond van de Leerplichtwet moet iemand tot
een bepaalde leeftijd deelnemen aan het onderwijs.

Minister Van der Laan: Het gaat dus om het verschil tussen deelnemen en
halen. Ik kan daar het antwoord niet op geven en ik weet niet of mijn
collegaā€™s daar al op in kunnen gaan. Ik stel voor dat wij de
ongetwijfeld voortreffelijke voorstellen van collega Donner afwachten.
Als ik iets niet kan, kan ik het niet.

Aan mevrouw Sterk wil ik nog zeggen dat het voordeel van een algemene
leerplicht die voor alle ingezetenen in Nederland geldt, is dat deze ook
gesteld kan worden aan de nieuwe gezinsvormers en -herenigers en,
breder, alle vrijwillige inburgeraars. Bij de discussie in deze
commissie is dit een wezenlijke kijkrichting die hopelijk voldoende
oplevert, zodat we de problematiek van de vrijwillige inburgeraars
makkelijker te lijf kunnen gaan. Ik kan er veel meer over zeggen, maar
ik stel dus voor om daar even mee te wachten. Bovendien kan ik er op dit
moment niet voldoende over zeggen.

Naast die maatregelen bevat onze brief ook andere maatregelen om de
integratie en emancipatie van huwelijksmigranten, in het bijzonder van
vrouwen, te versterken. Ik noem er enkele. Op verschillende
contactmomenten, zoals bij de buitenlandse posten, maar ook bij de
inburgering in Nederland, zal aandacht zijn voor vrije partnerkeuze en
huwelijksdwang. Mijn collega Hirsch Ballin zal daar zo meteen op
doorgaan. Dit is een wezenlijk onderdeel van onze brief, want daar
liggen nog allerlei mogelijkheden. Bij de inburgering in Nederland zal
worden onderzocht hoe beter aansluiting kan worden gevonden bij gerichte
hulpverlening van de gemeente wanneer signalen van huwelijksdwang,
opsluiting en/of geweld bekend worden bij inburgeringsambtenaren.
Daarvoor zal met enkele voorbeeldgemeenten, onder andere Rotterdam,
worden geĆÆnventariseerd hoe we dat het beste kunnen aanpakken. Het is
in ieder geval al duidelijk dat zoā€™n maatregel ook in het belang van
de gemeenten zelf is, omdat zij gebaat zijn bij inburgeringstrajecten
die succesvol worden afgerond. Dat wordt natuurlijk extra lastig wanneer
de inburgeraar zelf het slachtoffer is of dreigt te worden van huiselijk
geweld. Het is wel van groot belang dat de gemeenten meldpunten
inrichten waar dat soort signalen kunnen worden afgegeven. Het is in
ieder geval zo dat het samenvallen van de belangen hier gunstig kan
zijn.

Door de Kamerleden is ook gevraagd naar de huisvesting. Hier moet ik het
woord ā€œonderzoekā€ gebruiken, maar dat doe ik met ere want je doet
liever iets goed dan fout. We gaan onderzoeken of en op welke wijze bij
de toelatingsprocedure de eis van zelfstandige huisvesting kan worden
gesteld aan de referent en hoe daarop toezicht kan worden uitgeoefend.
Zelfstandige huisvesting kan ervoor zorgen dat toekomstige buitenlandse
partners niet noodgedwongen bij de schoonfamilie moeten inwonen, omdat
daardoor ook ongewenste situaties kunnen ontstaan. Dat was een van de
scherpste punten uit het verhaal van Faiza en dat schijnt veel vaker te
gebeuren. In dat kader is het van belang om vast te stellen hoe de
huisvestingseis zoals opgenomen in de EU-gezinsherenigingsrichtlijn,
namelijk passende huisvesting in de betreffende regio, geĆÆnterpreteerd
mag worden.

Over de handhaving wordt gesproken met ketenpartners zoals het UWV en de
gemeenten, die de handhaving van de huisvestingseisen in het kader van
de Wet arbeid vreemdelingen uitvoeren. Ik kwam net met mevrouw van Gent
uit een ander algemeen overleg waarbij dat ook aan de orde was. Mogelijk
kan dezelfde systematiek worden gehanteerd. Daarnaast zal door het WODC
worden onderzocht of aan buitenlandse partners, wanneer ze dat willen,
inzage kan worden verschaft in het huwelijks- en antecedentenonderzoek
van de toekomstige partner. In dat kader gaan wij natuurlijk kijken naar
de Wet bescherming persoonsgegevens. Hier zal mijn collega Albayrak
nader op in gaan.

Mevrouw Verdonk (Verdonk): In de richtlijn is een huisvestingsvereiste
gewoon toegestaan. Waarom kan dat niet volgens het EVRM?

Minister Van der Laan: Wat ik begrijp is dat enkel gesproken mag worden
over passende huisvesting voor de betreffende regio. Of wij daarin
verder mogen gaan is een onderzoeksvraag. Zo ligt het. Ik zeg dat niet
met enig pessimisme of optimisme. Het is slechts een van de vele dingen
die gecheckt moeten worden.

Ik kom nu bij het slot van het algemene stuk dat van tevoren gereed was
gemaakt. Het is van belang om aan te geven dat een integraal
huwelijksmigratiebeleid uiteraard ook voor het kabinet onlosmakelijk
verbonden is met de internationale verplichtingen en daardoor is
begrensd. Dat neemt echter niet weg dat we daarover het gesprek met
Europa kunnen voeren, wanneer we dat als Nederland noodzakelijk vinden.
Zo kan de opleidingseis voor referenten een verdere bijdrage leveren aan
de integratie voor zijn of haar buitenlandse partner. Die eis is nu
echter strijdig met de richtlijn voor de gezinshereniging. Samen met de
verhoging van de leeftijdseis naar 24 jaar en het verbod om als referent
op te treden bij strafrechtelijke veroordelingen op andere
contra-indicaties, moeten we dat punt inbrengen zodra de Europese
Commissie komt met nieuwe voorstellen tot harmonisatie van de
gezinsherenigingsrichtlijn. Mijn collegaā€™s zullen daar vanuit hun
terrein verder op ingaan.

Ik kijk even naar wat er op mijn terrein nog ligt aan specifieke vragen.
Ik zal proberen voort te maken. Ik hoop voor dit moment genoeg te hebben
gezegd over de tienjarige leerplicht. Daar gaan we snel uitvoerig op in.
De heer Dijsselbloem heeft gezegd dat hij het ermee eens is dat we de
regel van het niveau stellen voor de komst. Hij heeft erop gewezen dat
het beter is om het voor de komst te doen dan daarna, omdat er dan een
groter probleem moet worden opgelost als het niveau niet gehaald wordt.
Zijn vraag was wat er dan gebeurt. Het kabinet deelt die opvatting en
heeft bewust die keuze gemaakt. Dat is tegelijkertijd slecht nieuws voor
de heer Dibi, die precies het omgekeerde voorstelt. In de visie van het
kabinet is dit echter het effectiefst, maar ook het humaanst. Vastlopen
in een doodlopende steeg in Nederland heeft volgens ons namelijk grotere
consequenties. Met respect voor wat hij daarvan denkt, dat is de keuze
die we gemaakt hebben.

De heer Dibi (GroenLinks): Ik heb ook alle respect voor wat de minister
ervan denkt, maar denkt hij werkelijk dat je effectiever bezig bent en
beter de taal leert en integreert in een ander land, waar je niet
gedwongen bent om met de omgeving te communiceren, dan in Nederland waar
je gedwongen wordt de taal te spreken? Ik denk dat je minder effectief
bezig bent als je begint in het land van herkomst.

Minister Van der Laan: Ik vind dat u daar een punt hebt. Ik denk
namelijk dat de algemene ervaring leert dat je makkelijker de taal leert
als je naar het land toegaat dan als je dat doet vanuit het andere land.
Als je deze dingen in de matrix zet, scoort dat in uw vakje. Daarmee is
echter niet gezegd dat de eindafweging ook scoort in uw richting.

De heer De Krom heeft een vraag gesteld over de eis die aan de referent
gesteld wordt, dat hij zelf ingeburgerd moet zijn voordat hij een
buitenlandse partner mag laten overkomen. Die eis mag nu niet gesteld
worden. Het is een limitatieve opsomming in de
EU-gezinsherenigingsrichtlijn. Zoals gezegd brengen we dat ter sprake in
de onderhandelingen daarover. De opleidingseis voor of na binnenkomst
heb ik besproken. Dan wil ik ingaan op het Canadese systeem met zijn
diploma- en/of opleidingseis via een puntensysteem, waarbij een hoger
opleidingsniveau meer punten oplevert. Dat systeem geldt daar voor de
economische migranten, maar niet voor de gezinsmigranten. Ik heb mensen
al heel vaak horen pleiten voor het Canadese systeem, maar ik denk dat
die twee dingen te makkelijk op Ć©Ć©n hoop worden gegooid. Ik wil best
nog eens kijken in Canada, zonder dat dit als toezegging wordt
genoteerd. Bij heel veel van dit soort dingen vind ik dat het zin heeft
om in het buitenland te kijken en ik heb er geen enkel bezwaar tegen om
te zeggen dat wij ook die inspiratie tot ons zullen nemen.

De heer De Krom (VVD): De gedachte achter het Canadese puntensysteem is
dat je er pas inkomt als je aan de eisen voldoet. Uw redenering is dat
wij wel opleidingseisen en inburgering hebben, maar dat mensen in
Nederland de kans krijgen om daaraan te voldoen. Als zij daar op een
gegeven moment niet aan voldoen, is de consequentie natuurlijk niet dat
zij hun verblijfsvergunning of verblijfsrecht verliezen. Wat mij betreft
is het het een of het ander: of je voldoet voordat je binnenkomt aan de
eisen, of je verliest je verblijfsrecht als je in Nederland niet aan de
eisen voldoet. Dat kan niet anders. 

Minister Van der Laan: De heer De Krom doet mij een beetje glimlachen
omdat in het algemeen de gedachte "het is het een of het ander" meestal
al niet klopt. Als deze gevolgd wordt door de conclusie dat het niet
anders kan, krijgt zoā€™n gesprek natuurlijk nog wat extra spanning.
Hierbij is dat allemaal niet zo en zal het ook zeker niet zo zijn. We
hebben namelijk een examen in het buitenland waarvoor men een bepaald
percentage van de kennis die men uiteindelijk voor het examen hier in
Nederland moet opdoen al leert. Ik heb me laten vertellen dat het
huidige percentage 10 Ć  15 is. Daarna ga je de rest van het examen in
Nederland doen. Dat is dus 85% Ć  90%. We gaan die verhouding nu wat
veranderen. We gaan het in het buitenland zwaarder maken. Echter, aan
het inburgeringsexamen zelf veranderen we in dit opzicht verder niets.

Laten we zeggen dat we bekijken hoe ze het in Canada doen, waarbij ik
mij ook aanbevolen houd voor andere voorbeelden, niet om het systeem te
veranderen, maar om te leren hoe wij dat wat wij hebben, wat een
mengsysteem is en dus geen betrekking heeft op ā€œhet een of het
anderā€, beter kunnen maken. Wat mij aanspreekt bij het Canadese
systeem voor economische migranten, is dat je het allemaal van tevoren
moet doen, dat je er zelfs handtekeningen voor moet zetten, etc.

Mevrouw Verdonk vraagt wanneer het kabinet de maatregelen gaat invoeren.
Ook in antwoord op de vraag van mevrouw Sterk zeg ik toe dat de Kamer in
december een brief ontvangt met de verdere planning. Mevrouw Verdonk
heeft ook gevraagd naar de sancties die uit de Wet inburgering zijn
gehaald. Ik geloof dat de heer Dijsselbloem al heeft gezegd dat er
Ć¼berhaupt geen sancties uit de wet zijn gehaald, maar dat er alleen
maar sancties zijn toegevoegd. Ik kan me voorstellen dat mevrouw Verdonk
erop doelt dat we de gemeente de ruimte hebben gegeven om de eigen
bijdrage niet of pas achteraf te heffen, om de vrijwillige inburgeraars
niet voor een enorm obstakel te plaatsen maar juist makkelijker te
kunnen werven. Iets anders is er niet gebeurd dat mij associaties geeft
bij uw vraag.

Mevrouw Verdonk (Verdonk): Heeft dat effect gehad op het aantal
inburgeraars?

Minister Van der Laan: We hebben het net ingevoerd, dus het is
onmogelijk om dat nu al te zeggen. De menselijke ervaring leert dat het
een slok op een borrel scheelt als je tegen mensen die ergens niet toe
verplicht worden en die je moet verleiden, zegt dat ze geen ā‚¬270 eigen
bijdrage hoeven te betalen.

Dan wil ik ingaan op de Europeanen en de inburgeringsplicht van
MOE-landers. De kabinetsreactie op de Risbo-onderzoeken gaat morgen in
overleg met minister Donner de deur uit. We hebben volgende week
ongetwijfeld een gesprek over de brief over de MOE-landers en alle
aspecten die daarmee te maken hebben.

Duitsland eist A1-niveau voor mondelinge en schriftelijke vaardigheden.
Ze kunnen dat doen omdat ze wereldwijd via de Goethe-instituten locaties
hebben om cursussen te geven. Dat heeft Nederland niet. Ons niveau gaat
voor mondelinge vaardigheid en leesvaardigheid nu echter ook naar A1.
Dat is niet hetzelfde als de schriftelijke vaardigheid, als ik het juist
heb. Wij zullen daarvoor aanvullend lesmateriaal ontwikkelen. Wij zoeken
daarnaast contact met dergelijke instituten om op de Duitse manier te
kunnen opereren en behandeld te worden.

Mevrouw Sterk heeft mij gevraagd in te gaan op de aanbevelingen uit de
evaluatie van de wet. Ik hoop dat ik er voor dit moment genoeg op ben
ingegaan. We komen bij de voorstellen nog terug op hoe we dit precies
gaan doen, misschien met uitzondering van de individuele vrijstelling
die daarbij hoort. In de wet bestaat de optie al om in onvoorziene
gevallen van onevenredige hardheid en onbillijkheid vrijstelling te
verlenen. Het punt van de betere aansluiting op de inburgering wordt
expliciet opgepakt. Dat is een van de ondersteuningen bij de evaluatie
van de plannen.

Zij vroeg ook hoe de minister de kosten van het aanvullende lespakket in
het buitenland gaat financieren. Dat wordt bekostigd uit het budget voor
inburgering op de begroting van WWI. Omdat de mensen in het buitenland
dan een hoger niveau hebben hopen wij dat er minder geld voor
inburgering in Nederland nodig is. Dat zijn de communicerende vaten
waarover ik net even sprak. In ieder geval gebeurt het dus binnen mijn
eigen begroting.

Mevrouw Verdonk vroeg hoe ik ervoor zal zorgen met de verhoging naar het
niveau A1 en de schriftelijke toets binnen het EVRM te blijven. Ik
geloof dat we een heel eind komen met het gerichte voorbereidingspakket
en de andere maatregelen. Wij hebben daar uiteindelijk geen zorgen over.
We zullen nooit zeggen dat dit glad zal verlopen, maar wij gaan daar
enorm ons best voor doen.

 Mevrouw Verdonk (Verdonk): Gaat u ook zo ver met het invoeren van uw
ideeƫn dat u een opt-out zou willen?

Minister Van der Laan: Nee. Ik ben nu een jaar minister, maar ik geloof
dat bij het begrip ā€œopt-outā€ alle haren van alle mensen die daarbij
betrokken zijn, recht overeind gaan staan. Ik heb dat woord in dit
verband nooit willen gebruiken. 

Mevrouw Verdonk heeft ook opgemerkt dat het aantal mensen dat een
inburgeringspakket koopt, daalt. Wij hebben geen gegevens van de mensen
die dat pakket kopen, maar een mogelijke verklaring is dat de pakketten
worden geleend van kennissen, of tweedehands worden doorverkocht. Ik kan
verder niet anders dan er deze speculatie over geven. 

Mevrouw Verdonk (Verdonk): De minister zegt dat hij geen gegevens heeft,
maar die staan toch gewoon in de stukken? 

Minister Van der Laan: Ik heb geen nadere gegevens anders dan de
gegevens die u al heeft en waar u onze nadere interpretatie om vroeg.
Als u tevreden bent met de gegevens die wij u hebben verstrekt, ben ik
natuurlijk een blij mens. 

De voorzitter: We houden het op Ć©Ć©n interruptie per onderwerp. Ik moet
nu een beetje strenger gaan worden, zoals ik al had aangekondigd. Dat
gaat nu in want we hebben nog twee bewindspersonen uitgenodigd en het
lijkt me zinnig dat zij ook het woord kunnen krijgen. De minister
vervolgt zijn betoog. 

Minister Van der Laan: Ik wil graag de vraag van de heer Dijsselbloem
beantwoorden. De vraag was hoe hoog de lat lag bij alfabetisering en of
deze hoger kan liggen dan niveau A1. Hoger dan A1 lijkt ons te ver
gezocht. Voor analfabeten kost het veel tijd om te alfabetiseren, soms
meer dan twee jaar. Een verhoging van het niveau zou een extra moeilijke
stap zijn. Dat is ons idee. De heer Dijsselbloem vroeg ook of de
alfabetiseringseis op dit moment geen belemmering meer is. Ik geloof dat
er een misverstand is of dat de vraag niet helemaal goed is
opgeschreven. Het antwoord is in ieder geval dat het kabinet zal
investeren in gericht lesmateriaal voor taal, omdat dit nu niet bestaat.
Dat is een verschil met het vorige kabinet, dat daar wilde ophouden en
dat niet deed. Misschien is het voor het publiek niet erg aardig om wel
het antwoord te kennen maar niet de vraag, dus misschien wil mijnheer
Dijsselbloem straks de vraag herhalen, want ik wil geen ruzie met de
voorzitter. 

De heer Dijsselbloem (PvdA): Het antwoord was adequaat. Mijn vraag was
namelijk: waarom dit in het verleden niet kon. De vorige minister zei
dat die eis niet gesteld kon worden, maar dit kabinet gaat dat toch
doen.

De voorzitter: Ik stel voor dat de minister zijn betoog afmaakt en
vervolgens het woord aan de twee bewindslieden geeft. Ik sta nu even
geen interrupties meer toe.

Minister Van der Laan: Ik probeer nu tempo te maken.

Tegen mevrouw Ortega-Martijn zeg ik dat ik naar ik hoop genoeg heb
gesproken over de relatie tussen wat wij willen en het EVRM en over de
zaken waarover wij onderzoek doen en gaan onderhandelen. Mijn
collegaā€™s zullen voor hun terreinen op diverse punten daaromtrent
ingaan.

Zij vroeg ook naar het stellen van een opleidingseis aan de referent.
Deze wordt genoemd als extra stimulans voor mensen om hun opleiding af
te maken. Ik heb begrepen dat zij het voorstel steunt, maar wil weten of
de regelgeving rond het huwelijk een geƫigend instrument is om te
stimuleren dat mensen hun opleiding afmaken. Zij zegt dat we voor
Nederlanders ook geen opleidingseis stellen om te trouwen. Het antwoord
daarop is dat de verwachting is dat de referent in Nederland door een
opleidingseis te stellen beter in staat zal zijn om zijn toekomstige
buitenlandse partner te begeleiden bij het inburgerings- en
integratieproces. Daarnaast zal het ook een stimulans zijn om de
opleiding af te maken. De vergelijking met een huwelijk tussen twee
mensen die al in Nederland zijn gevestigd, gaat in mijn optiek niet op.
Binnen de migratiecontext heeft de referent een specifieke rol en
verantwoordelijkheid om de partner die hij of zij laat overkomen,
wegwijs te maken in de Nederlandse samenleving. Dat kan met een
afgeronde opleiding ook een stabielere toekomst aan de referent zelf
bieden. Dit is dus niet aan de orde bij een huwelijk tussen twee in
Nederland gevestigde personen.

Mevrouw Ortega-Martijn had ook een vraag over het voorstel in de brief
om de Nederlandse vertegenwoordiging in het buitenland te laten vragen
naar huwelijksdwang bij het afleggen van het basisexamen inburgering.
Zij vroeg wanneer hierover helderheid komt. Dit is iets wat uiteraard
met zeer veel waarborgen moet worden omkleed. Ik weet niet wat er
precies gebeurt bij het examen inburgering. Mijn collegaā€™s zullen
hierover misschien wel verdergaande gedachten hebben op grond van de
andere contactmomenten die er vanuit hun portefeuilles zijn.

De SP en de ChristenUnie hebben aanbevolen om te investeren in de
kwaliteit van de inburgering in Nederland. Daar gaan wij volgende week
ongetwijfeld zeer uitdrukkelijk over praten; ik zie daarnaar uit.
Mevrouw Karabulut vroeg om een nader kwantitatief onderzoek naar
huwelijksdwang. Ik kijk even naar mijn collegaā€™s. Ik heb hier al iets
over gezegd en zou het op prijs stellen als zij dat ook zouden willen
doen. Ik heb zelf geen behoefte aan zoā€™n onderzoek. Ik zou ook graag
willen dat mijn collegaā€™s ingaan op de aanvullende maatregelen om het
netwerk rond huwelijksdwang uit te breiden. Dat ligt net een slag meer
op hun terrein.

Dan kom ik nu op mijn allerlaatste punt. Ik heb genoteerd dat de meeste
partijen de brief voluit steunen. Daarvoor wil ik ze bedanken. Dat geldt
in ieder geval voor het CDA, de PvdA, de VVD en de ChristenUnie. De
bewoordingen die daarvoor gebruikt zijn, vind ik royaal, als ik dat zo
mag zeggen. Ik hoop dat we snel komen bij iets wat heel ver weg blijft
van ā€œonderzoek, onderzoek, onderzoekā€, pamperen, vaagheid of iets
dergelijks en dat we dit heel snel kunnen implementeren. Dat zal blijken
uit de planning die de Kamer in december krijgt.

Mevrouw Ortega-Martijn (ChristenUnie): Ik wil graag nog twee vragen
stellen. Over de opleidingseis van de referenten heb ik nooit gezegd dat
ik het daarmee eens ben of erachter sta. Ik zie het nut er namelijk niet
van in. Op het moment dat je een partner hier naartoe haalt, moet je je
partner inderdaad begeleiden, maar wat heeft dat met opleiding te maken?
Dit is geen vraag maar een opmerking.

Dan wil ik even iets zeggen over uw gebrek aan behoefte aan een
onderzoek over dwanghuwelijken. Ik vind het prima dat de minister dat zo
zegt, maar ik zou graag willen weten waarom hij daar geen behoefte aan
heeft.

Minister Van der Laan: Dat is vooral een vraag voor Justitie. Ik ben er
allang van overtuigd dat daar kwalitatief een groot probleem ligt dat
voldoende kwantitatief is om het aan te pakken. Zo hebben wij het altijd
besproken. Mijn collegaā€™s weten hier echter meer over. Ik heb niet
meer gegevens nodig om hier iets aan te doen.

Mevrouw Karabulut (SP): Ik wil mijn collega van de ChristenUnie even
bijstaan. U zegt dat u 25 tot 30% van de Nederlandse bevolking uitsluit
door de opleidingseisen op te schroeven en dat u tegelijkertijd
miljarden wilt bezuinigen in het onderwijs. Ik begrijp dat niet
helemaal. 

Minister Van der Laan: Ik zou hier minstens 24 uur over moeten nadenken
om hier een antwoord op te kunnen geven.

Mevrouw Verdonk: De minister zegt dat de planning in december komt, maar
wanneer denkt hij resultaat te behalen?

Minister Van der Laan: Wij zullen daar in de brief van december een
aparte paragraaf over maken. Dat is geen grapje. Ik wil met mijn
collegaā€™s heel serieus over dit belangrijke probleem boter bij de vis
leveren. Op grond van wat Hirsch Ballin, Albayrak en Van der Laan gedaan
hebben, kan men vaststellen dat er in een hoog tempo gereden wordt.

De heer De Krom (VVD): Een punt van orde. Wij zouden om acht uur
afsluiten. Als wij kunnen ingaan op het aanbod van de minister om de
vragen die zijn blijven liggen, schriftelijk te stellen en dat deze voor
de begrotingsbehandeling worden beantwoord, scheelt dat misschien een
stuk stress in de tijd die er nog over is.

De voorzitter: Ik wilde sowieso voorstellen om vandaag geen tweede
termijn te houden want dat is volstrekt onmogelijk. We hebben nog twee
bewindspersonen en u wilt vast interrumperen want dat kunt u zo goed. Ik
wil dat niet helemaal gaan afkappen, dus een tweede termijn zit er
vandaag niet in. Ik vraag aan de minister of hij bereid is om de
suggestie van mijnheer De Krom over te nemen.

Minister Van der Laan: Ik weet nog niet precies wanneer de begroting is.
Misschien weet de Kamer wel of dat dinsdag of woensdag is. 

De voorzitter: Dat weten wij morgen pas. 

Minister Van der Laan: Ik snap dat het nuttig is om die antwoorden te
hebben. Ik wil u toezeggen dat wij daar vanuit WWI ons best voor doen.
Voor de collegaā€™s van Justitie kan ik niks zeggen. Ik vind het
redelijk om toe te zeggen dat wij ons best zullen doen om het maandag
bij u te laten zijn. Als het niet helemaal lukt, is het in dit geval
echt over, want de hele machine loopt al op heel hoge snelheid, ook voor
de begroting. Er is nog maar weinig tijd, want we praten nu over drie of
vier werkdagen. 

De voorzitter: Dan stel ik voor dat de vragen morgen voor 12 uur worden
aangeleverd. Ik zie iedereen instemmend knikken dus dat gaan we dan
doen. Verder ga ik hier geen procedurevergadering houden. De minister
zal er alles aan doen om deze uiterlijk maandag te beantwoorden.
Misschien kunnen we dat nog laten afhangen van de plenaire agenda. Als
de begrotingsbehandeling later begint, hebben we iets meer ruimte.
Daarover zal de Kamer nog geĆÆnformeerd worden, maar ik verzoek de leden
om de vragen voor 12 uur aan te leveren. 

Minister Van der Laan: Mevrouw de Voorzitter, ik wil niet pietluttig
zijn, maar ik denk dat het hierbij moet gaan om vragen die in de eerste
termijn gesteld zijn en die zijn blijven liggen in de beantwoording. 

De voorzitter: Het gaat alleen om de vragen die zijn blijven liggen. Nu
moeten we het toch even afmaken, zonder pietluttig te willen zijn,
natuurlijk. Ik begreep dat de heer De Krom een aantal aanvullende vragen
wilde stellen.

Minister Van der Laan: Laten we eerst even afwachten waar we komen en
dan zien we wel weer verder. 

De heer De Krom (VVD): Ik geloof niet dat u het punt helemaal hebt
begrepen. We hebben nog 25 minuten en er moeten nog twee bewindslieden
aan het woord komen. De minister deed het aanbod om schriftelijk op
vragen terug te komen, omdat er zo weinig tijd voor discussie is. Het is
toch alleszins reƫel om te verzoeken of hij, als dat het geval is aan
het einde van dit overleg, die vragen voor de begroting wil
beantwoorden? Er is toch niks mis met dat verzoek?

De voorzitter: Het gaat om de openstaande vragen. Ik mag aannemen dat de
meeste al genoteerd zijn, maar als u de openstaande vragen die u al
eerder hebt gesteld wilt aanleveren, staat u dat vrij, als het maar voor
12 uur is. Dan geef ik nu het woord aan de staatssecretaris voor
Justitie in haar eerste termijn.

Staatssecretaris Albayrak: Ik denk dat het op mijn terrein wel meevalt,
omdat ik de woordvoerders vooral vragen heb horen stellen die in eerdere
debatten al aan de orde zijn geweest en waar al meerdere malen in de
Kamer antwoord op is gegeven. Dat zijn tevens vragen waarvan ik weet dat
ze ook in de resterende kabinetsperiode nog veelvuldig aan mij gesteld
zullen worden. Daar ga ik zomaar vanuit, inderdaad. De minister en ik
hebben de verdeling zo gemaakt dat hij ingaat op de vragen die op zijn
terrein liggen. Dat is alles wat te maken heeft met personen- en
familierecht en het strafrecht, dus ook huwelijksdwang, de
neef/nicht-huwelijken, polygamie, emancipatie en eergerelateerd geweld.
De Kamer weet dat de minister die debatten voert en de vragen daarover
zal beantwoorden. 

Ik denk dat het kortheidshalve het beste is als ik de woordvoerders
langsloop en kijk welke concrete vragen er aan mij gesteld zijn. Ik
sluit me voor het gemak aan bij de inleidende woorden van de minister
voor WWI. Dat verhaal was niet alleen namens de minister, maar ook
namens het kabinet, dus ook nadrukkelijk namens de bewindspersonen van
Justitie.

De heer Fritsma begon met de opmerking dat deze brief getuigt van een
versoepeling van het gezinsmigratiebeleid of het partnermigratiebeleid,
zoals hij dat noemt. Hij gebruikt daarvoor als voorbeeld het
ouderenbeleid. Ik grijp dit punt aan om in te gaan op de motie die door
de CDA-fractie is ingediend over het ouderenbeleid. De Kamer heeft
vandaag een brief gekregen waarin ik aangeef hoe ik die motie denk te
gaan uitvoeren. Dit is een aanvullende brief op een eerdere brief. Bij
de toelating van ouderen hebben we het beleid aangescherpt in die zin
dat Ć©Ć©n kind alleen het inkomen moet verdienen om een oudere mogen
toelaten. Als er vroeger vier kinderen in Nederland werden toegelaten
die alle vier een stukje inkomen hadden, wat vier keer niet voldoende
was om een oudere toe te laten, mocht je dat bij elkaar optellen. Wij
hebben nu gezegd dat het Ć©Ć©n kind moet zijn dat het volledige inkomen
verdient.

De Kamer heeft in de brief kunnen lezen dat we daarbovenop het vereiste
van samenwonen gaan introduceren. Dat is in veel gevallen ook het geval.
Als iemand op zeventigjarige leeftijd naar Nederland komt, is zo iemand
niet zelfstandig en gaat hij niet zelfstandig in een huis wonen. Daarbij
is sprake van mantelzorg. We willen deze eis stellen om een beroep op de
woningmarkt etc. hier in ieder geval uit te sluiten.

Het zijn betrekkelijk kleine aantallen, ongeveer tachtig per jaar. We
hebben forse criteria als het gaat om de toelating. Er mag niemand in
het land van herkomst zijn die voor de oudere kan zorgen, er mogen geen
andere kinderen daar zijn, etc. Pas als iemand zorgbehoeftig is, mag hij
naar Nederland komen. Onder die eisen laten we mensen toe. Nogmaals, ik
zie daar geen versoepeling in.

Het laatste voorstel dat we hebben gedaan, is de samenwoningsvereiste,
zoals de Kamer vandaag in de brief heeft kunnen lezen. We brengen graag
voor mevrouw Sterk en anderen in beeld wat het beroep is geweest op de
algemene middelen en de sociale zekerheid. Dan moeten we over de
afgelopen jaren onderzoeken wat het beroep daarop is geweest na drie of
vijf jaar, als mensen recht hebben op een zelfstandige
verblijfsvergunning.

De heer Fritsma (PVV): De staatssecretaris gaat helemaal niet in op de
versoepeling. Voorheen was het zo dat de IND kon zeggen als bijvoorbeeld
een Palestijnse vrouw naar Nederland wilde komen die in Jordaniƫ acht
kinderen heeft en in Nederland een, dat Jordaniƫ het meest aangewezen
land is, omdat ze daar acht kinderen heeft wonen en in Nederland maar
een. Nu creƫert het kabinet de mogelijkheid dat die ouderen naar
Nederland kunnen komen, ook al wonen er acht kinderen in Jordaniƫ, met
als gevolg dat de Nederlandse samenleving op kan draaien voor alle
kosten voor gezondheidszorg, sociale voorzieningen, noem maar op. Zij
kan toch niet ontkennen dat dit een versoepeling is? 

Staatssecretaris Albayrak: Nee. Daarom noemde ik ook het aantal. We
moeten niet overdrijven. Het gaat om tachtig ouderen waarvan is
aangetoond dat ze zorgbehoeftig zijn. Wat betreft de zorgkosten, daar
hebben we de verzekering voor. Mensen betalen premies en een
zorgverzekering is verplicht voor deze mensen op het moment dat ze naar
Nederland komen. Er zijn dus gewoon premies in het stelsel zoals wij dat
kennen. Als ze een beroep doen op de zorgverzekeringen, wordt dat gewoon
betaald door de algemene middelen. Dan is het aantal van tachtig op het
aantal verzekerden in ons zorgstelsel toch wel relatief klein. De heer
Fritsma kan daar een versoepeling in zien, maar die versoepeling kan ook
wel worden weggestreept tegen wat anderen zullen zien als een
aanscherping, denk ik.

De heer Fritsma (PVV): Ik begrijp dus dat we van het kabinet een
overzicht zullen krijgen?

Staatssecretaris Albayrak: In de brief van vandaag heb ik geschreven dat
we samen met Sociale Zaken zullen bekijken hoeveel van de in het kader
van het ouderenbeleid toegelaten ouderen na verloop van tijd een beroep
zijn gaan doen op de openbare middelen, bijstandsuitkering, sociale
voorzieningen, etc., voor zover dat te onderzoeken is want dat zal een
onderzoek met terugwerkende kracht zijn. Ik kijk even of dat onderzoek
te doen is, want het is een onderzoek met terugwerkende kracht en dan
ben je ervan afhankelijk of het allemaal geregistreerd is. 

De heer Dibi (GroenLinks): Ik kan het toch niet laten om te zeggen dat
ik het onzin vind om geld te besteden aan onderzoek naar tachtig ouderen
die in het verleden misschien wel eens aanspraak hebben gemaakt op de
zorg en de sociale zekerheid. Zie daar gewoon vanaf. 

Staatssecretaris Albayrak: De heer Dibi vraagt mij om een motie niet uit
te voeren die is aangenomen door een meerderheid van de Kamer. Dat is
zijn mening en dat is prima. Ik voer deze motie echter graag uit langs
deze lijnen. 

Dan ga ik in op het verzoek van de heer Fritsma om een immigratiestop
voor moslimlanden in te stellen. Het kabinet heeft eerder bij monde van
meerdere bewindspersonen, waaronder de minister-president zelf, gezegd
dat wij dat noch wenselijk noch uitvoerbaar vinden. Daar wil ik het
graag bij laten. 

De heer Fritsma bepleit om het zelfstandige verblijfsrecht te laten
ingaan wanneer iemand tien jaar een afhankelijke verblijfsvergunning
heeft gehad. Als is aangetoond dat er op grote schaal misbruik wordt
gemaakt van de afhankelijke verblijfsvergunning, volgt de heer De Krom
dit pleidooi om pas na tien jaar een zelfstandige verblijfsvergunning te
geven, als ik het goed begrijp. Ik roep even in herinnering waarom het
vanuit de gedachte van emancipatie, waarover vele debatten zijn gevoerd
in de Kamer, onwenselijk wordt geacht om vrouwen langer dan noodzakelijk
in een afhankelijke positie te laten. Dan zijn vrouwen chantabel voor
die mannen die ze dwingen tot van alles en nog wat en dan durven ze niet
naar de politie te gaan, omdat ze voor hun verblijfsrecht van hen
afhankelijk zijn. Alleen al met het oog op de bescherming van deze
vrouwen vind ik het hoogst onwenselijk om de termijn van afhankelijkheid
nog verder op te rekken. Als je naar de statistieken kijkt, zie je dat
er meer vrouwen als huwelijkspartner naar Nederland worden gehaald dan
mannen. Ook statistisch gezien is dit voor mij een bijzonder risicovolle
groep. 

De heer Fritsma (PVV): Heel veel vrouwen in huwelijken staan dus onder
druk en leven in een slechte relatie omdat de man ze min of meer dwingt
om de relatie intact te houden. Mijn vraag is dan: als de relatie
verbroken is, kan de partner toch terug naar het land van herkomst? Dan
is dat toch opgelost? Waarom wilt u iedereen in Nederland houden? 

Staatssecretaris Albayrak: Mijnheer Fritsma, ik geloof dat u werkelijk
niets heeft meegekregen van de debatten die we de laatste jaren hebben
gevoerd over eergerelateerd geweld en de maatregelen die door dit
kabinet en het vorige kabinet zijn genomen om slachtoffers van dit soort
situaties te beschermen. Er zijn vele debatten in de Kamer aan gewijd.
Juist het feit dat die mannen dreigen met uitzetting is een reden voor
die vrouwen om in die onderdrukkingssituatie te blijven. Ik gebruik nog
niet eens het formele argument dat betrekking heeft op de richtlijn
gezinshereniging, die werkt met een maximumtermijn van vijf jaar als het
gaat om een afhankelijkheidsrelatie. Formeel zouden we het dus niet eens
mogen, maar materieel zeg ik dat ik om emancipatieredenen nooit mee zou
gaan in de gedachte om de afhankelijkheid op te rekken tot tien jaar. 

De heer De Krom (VVD): Het zou echter wel kunnen helpen om het
verschijnsel repeteerhuwelijken tegen te gaan. 

Staatssecretaris Albayrak: Daar kom ik nu op. 

De heer De Krom (VVD): Het omgekeerde komt namelijk ook voor.
Buitenlandse partners komen naar Nederland toe, dumpen hun Nederlandse
of in Nederland gevestigde partner en gaan er na drie jaar vandoor. Dat
gebeurt dus ook. Dat is het omgekeerde. 

Staatssecretaris Albayrak: Het repeteerhuwelijk is een van de vele
fenomenen waarop de maatregelen in deze brief zijn gericht. Wij willen
fraude en misbruik van procedures allereerst bestrijden door er vaker
achter te komen. Ik wil even het voorbeeld van de heer Fritsma nemen,
van mensen die acht, negen, tien keer een aanvraag doen om een partner
over te laten komen. Als ik even reken, zou iemand die hier op zijn
twintigste is gekomen en hier al veertig jaar woont en al tien partners
hier naartoe heeft gehaald, dat om de vier jaar hebben gedaan. Dat is
even los van het feit dat ik mensen in mijn omgeving ken die een hogere
frequentie van partnerwissel hebben, maar dat zeg ik niet als een
persoonlijke ontboezeming. Het kan natuurlijk gebeuren dat iemand bij
herhaling een oprecht huwelijk sluit of een partner vindt in een land.
Dat kan het land van herkomst zijn of dat kunnen meerdere landen zijn.
De wereld zit nu eenmaal zo in elkaar dat mensen reizen en mensen
tegenkomen. Wat wij echter niet willen, en waar deze brief op is
gericht, is dat mensen met iemand trouwen en de tijd tegen betaling
uitzitten, het huwelijk verbreken en vervolgens tegen betaling weer een
nieuwe partner halen. Wij weten dat dit voorkomt. Fraude en misbruik
komen voor. Ik zou echter niet weten hoe vaak dat is. Dat antwoord heb
ik al eerder gegeven. Wil ik dat weten? Jazeker. Ga ik dat weten?
Jazeker. De registratie van de IND stelt ons niet in staat om dit soort
informatie boven tafel te krijgen. Het nieuwe Indigosysteem waarmee we
vanaf medio 2010 gaan werken, werkt als een soort Google. Als je daar
een naam van een vreemdeling intikt, komen alle hits tevoorschijn die er
in alle systemen zijn, zoals strafrechtelijke veroordelingen, openbare
orde tegengeworpen, eerdere aanvragen, asielverzoeken, veroordelingen
wegens fraude en misbruik. In dat systeem wordt dit soort informatie
automatisch gegenereerd wanneer je een naam intikt. Het wordt dus
mogelijk om beter zicht te krijgen op hoe het gebeurt en hoe vaak het
gebeurt. In het moderne migratiebeleid hebben we het systeem dat een
referent in een referentenregister komt. Dat referentenregister stelt
ons in staat om erachter te komen hoe vaak iemand als referent een
aanvraag heeft ingediend voor toelating. Dat kon inderdaad allemaal
niet. 

De heer Fritsma (PVV): Ik ben blij dat de staatssecretaris toegeeft dat
dit gebeurt, dat er mensen zijn die herhaaldelijk partners laten komen.
Ik ben minder blij met het antwoord dat ze absoluut geen idee heeft hoe
vaak het gebeurt. Het gaat erom dat haar beleid dit mogelijk maakt,
omdat er geen enkele limiet wordt gesteld aan het aantal partners dat
iemand uit het buitenland naar Nederland mag halen. Daar moet wat aan
gebeuren, anders maak je natuurlijk nooit een einde aan de
ketenmigratie. 

Staatssecretaris Albayrak: Ons beleid heeft tot doel om hier voor eens
en voor altijd korte metten mee te maken. Het was een feit dat dit niet
werd geregistreerd en dan kun je daar ook niet op sturen. Ik wil ingaan
op het voorkomen dat mensen herhaaldelijk partners hier naartoe halen.
Een van onze voornemens bij de evaluatie van de
gezinsherenigingsrichtlijn is om bij verzoeken voor partnermigratie en
voor gezinshereniging en -vorming tegen te kunnen werpen dat mensen
veroordeeld zijn, bijvoorbeeld voor eergerelateerd geweld en huiselijk
geweld, of om tegen te kunnen werpen dat ze fraude en misbruik van
procedures hebben gepleegd, bijvoorbeeld met betrekking tot het inkomen.
Dat kan nu allemaal niet, omdat de opsomming in de
gezinsherenigingsrichtlijn van de feiten die je mag tegenwerpen,
limitatief is. Bij de evaluatie gaan wij een poging doen om de definitie
zo op te rekken dat je ook dit soort tegenwerpingen mag doen. Als iemand
nu veroordeeld is in Nederland, kan dat alleen consequenties hebben voor
het verblijfsrecht van die persoon in kwestie, maar je kunt hem niet
weigeren om bij herhaling een nieuwe partner naar Nederland te halen.
Dat is echter wel het streven van dit kabinet.

De heer De Krom (VVD): Waarom kan dat niet? Dat zal ongetwijfeld met
internationale verdragsrechtelijke beperkingen te maken hebben. Laten we
nu eerst eens met zā€™n allen besluiten wat we willen en met zā€™n allen
zeggen: dit willen wij niet. Ik wil het in ieder geval niet, daar wil ik
heel duidelijk in zijn.

De voorzitter: Mijnheer De Krom, u stelt een vraag aan de voorzitter en
u gaat niet in discussie met de heer Dijsselbloem.

De heer De Krom (VVD): Ik wil graag een reactie op het idee om binnen
een periode van tien jaar maar Ć©Ć©n partner naar Nederland te mogen
halen.

Staatssecretaris Albayrak: Volgens mij ben ik hier al expliciet genoeg
over geweest. Nog voordat u uw eerste zin uitsprak, was mijn laatste zin
dat het kabinet dit niet wil. Als mensen wederom iemand in een situatie
van uitbuiting, mishandeling en onderdrukking willen brengen door middel
van huwelijksmigratie, willen wij regelen dat je veroordelingen voor
eergerelateerd geweld kunt tegenwerpen. We zijn nu aan regels gebonden
waardoor wij niet in staat zijn om extra eisen te stellen aan de
gezinsmigratie. Dit is een van de onderdelen die wij ter sprake hebben
gebracht bij de bespreking van de evaluatie van de
gezinsherenigingsrichtlijn in het kader van het Stockholmprogramma.

De heer De Krom zegt dat wij eerst moeten zeggen wat wij willen. Ik zou
niet weten hoe het kabinet nog explicieter moet zijn dan in deze brief
over wat we vooral niet willen. Wat we nu kunnen regelen, wordt nu
geregeld. Wanneer we afhankelijk zijn van het ter bespreking op de
agenda van de Europese Unie zetten, zullen we daarvoor de ruimte zoeken
om het mogelijk te maken om te bestrijden wat wij willen bestrijden,
zoals de minister voor WWI zojuist heeft aangegeven en zoals de minister
van Justitie dadelijk nogmaals zal aangeven.

Hetzelfde antwoord geldt min of meer voor de wisseltruc waarover de heer
Fritsma heeft gesproken, die betrekking heeft op schijnrelaties en
ex-partners. Hij zegt dat je moet verbieden dat ex-partners in het land
van herkomst zijn achtergebleven, terwijl iemand die met foute
bedoelingen met iemand in Nederland is getrouwd en een
verblijfsvergunning heeft gekregen, naar Nederland kan komen. Dat proces
zullen we middels al deze processen een stap voor zijn. Wij willen
schijnhuwelijken beter en adequater bestrijden bij de ambassades, door
de manier van werken bij de IND en door het nieuwe Indigosysteem,
doordat we er eerder achter komen dat het een risicogeval is of het
vermoeden bestaat dat een huwelijk of een partnerschap niet oprecht is.
Daardoor kunnen we meteen weigeren of als er op dat moment onvoldoende
bewijzen zijn om het hard te krijgen, gaat er in ieder geval een
vlaggetje op in het systeem zodat we, nadat iemand is toegelaten,
strakker en systematischer gaan controleren of aan alle voorwaarden
wordt voldaan. Deze controle is inclusief adrescontroles, die vaker en
gerichter zullen gaan plaatsvinden, zeg ik de heer Fritsma toe, want ik
weet dat dit een van zijn wensen is.

De heer Fritsma (PVV): Ik heb een vraag over de adrescontroles. Worden
die ook verricht als er geen fraude-indicaties zijn?

Staatssecretaris Albayrak: Het nieuwe van deze aanpak is dat we niet
werken met concrete fraude-indicaties die moeten leiden tot onderzoek,
maar met risicoprofielen vooraf. U zult begrijpen dat we niet in alle
gevallen kunnen controleren. Daar heb ik de mensen en het geld niet
voor. Je moet daarom gericht kijken naar wat de risicoā€™s zijn. Dat is
een van de onderdelen die nog concreet, praktisch worden uitgewerkt,
zoals mevrouw Verdonk vroeg. Wat zijn de risicoprofielen? Hoe gaan we
die vooraf aan de IND'ers beschikbaar stellen? Hoe gaan we overbrengen
dat er extra controle nodig is bij een mogelijk risicogeval? We doen het
dus vooraf op basis van risicoprofielen en we doen het
steekproefsgewijs. Ook daarvan zullen we vaker gebruikmaken. We doen het
dus zeker niet alleen op basis van concrete aanwijzingen van fraude.

Mevrouw Verdonk (Verdonk): Wanneer zijn de risicoprofielen klaar?

Staatssecretaris Albayrak: De minister voor WWI heeft gezegd dat er in
december een nadere uitwerking van de voorstellen komt. Het is
afhankelijk van hoeveel tijd ervoor nodig is, maar mijn voorstel is om
de IND heel snel met deze nieuwe systemen te laten werken. Indigo is
medio 2010 klaar. Dat gaat echt een slok op de borrel schelen. Door dat
Googlesysteem Indigo zullen we onafhankelijk worden van het individuele
dossieronderzoek dat je elke keer nodig hebt.

Het kabinet kiest niet voor een leeftijdsverhoging van 21 naar 24 jaar.
Wij hebben bij monde van de minister-president bij de algemeen politieke
beschouwingen gezegd dat wij graag bij de evaluatie van de
gezinsherenigingsrichtlijn ook de leeftijd van de partner zullen
betrekken. We kunnen ervoor gaan, maar we krijgen uit Europa heel veel
kritiek omdat het gemiddelde 18 is en wij daar al boven zitten. De kans
dat 27 landen het eens worden over de leeftijd van 24 is vrij klein.
Denemarken heeft in 1998 een opt-out bedongen; niet alleen op dit punt
maar bij het hele hoofdstuk asiel en migratie van het Verdrag van
Amsterdam. Als Nederland dat zou willen doen, zouden we het Verdrag van
Lissabon met terugwerkende kracht niet meer moeten accepteren. Ik geloof
dat dit een onbegaanbare weg is en we zouden dit ook een onwenselijke
weg vinden.

Over de Europaroute zal ik de Kamer voor kerst een brief doen toekomen
met daarin de resultaten van zowel het IND- als het WODC-onderzoek en de
kabinetsreactie daarop. Daarna zullen wij uitgebreid met de Kamer
spreken over gebruik, misbruik en oneigenlijk gebruik van de Europese
regelgeving op dit punt.

De heer Fritsma (PVV): De staatssecretaris heeft het wel erg kort over
de Europaroute gehad. Waar het om gaat is dat zij alleen naar misbruik
wil kijken. Zij wil het bestaan van de route openhouden. Dat is wat zij
altijd heeft gezegd. Vindt de staatssecretaris dat ze nog van een
restrictief toelatingsbeleid kan spreken als partner- en gezinsmigranten
via die route aan geen enkele eis hoeven te voldoen; niet aan de
inburgeringseis in het buitenland, de inburgering in Nederland, etc.?

De voorzitter: Ik wil graag dat u korte vragen stelt. Andere collegaā€™s
willen misschien ook de gelegenheid om een vraag te stellen.

De heer Fritsma (PVV): Dan is dit bij dezen mijn laatste vraag.

De voorzitter: Het was niet de bedoeling om u de mond te snoeren, maar
als dat zo is dan zij het zo.

Staatssecretaris Albayrak: We hebben nog een kwartier en een minister te
gaan.

Ik denk dat ik niet in de verleiding moet komen om het verhaal dat ik al
zo vaak heb gegeven te herhalen. Het gaat mij niet alleen om
fraudebestrijding, maar ook om het in beeld brengen van oneigenlijk
gebruik en het gebruik. Die drie trappen zitten erin. De Europaroute is
een legitieme route. Deze bestaat gewoon, maar ik wil weten wat de
achtergronden zijn. Daarbij wil ik vooral weten hoe vaak er misbruik en
oneigenlijk gebruik van wordt gemaakt. Dat moeten wij als eerste
bestrijden en dan komen we er nog over te spreken.

De vragen van de heer De Krom sluiten deels aan bij de vragen van
mevrouw Ortega over waarom we schijnhuwelijken en fraude niet kunnen
tegenwerpen als mensen bij herhaling een aanvraag indienen. Dat heb ik
denk ik voldoende behandeld. Dan kom ik bij het punt van de
inkomensfraude. De heer De Krom vraagt hoe die controle gaat. Het hele
project modern migratiebeleid is erop gericht om bestanden te koppelen
wanneer het formulier wordt ingevuld met de mededeling dat er een
inkomen is, waarmee aan het criterium wordt voldaan dat men
onafhankelijk is. Met het koppelen van de bestanden kunnen wij beter
controleren, bijvoorbeeld via de Belastingdienst, of iemand inderdaad
een inkomen krijgt dat vereist is om een partner hier naartoe te mogen
halen. Nogmaals, dat gaan we met de risicoprofielen beter, gerichter en
vaker doen. Nu doen we het vooral wanneer iemand terugkomt voor een
verlenging. We gaan in ieder geval in het eerste jaar bij herhaling
controleren bij mensen bij wie het op papier deugt, maar bij wie er een
vermoeden is dat er meer aan de hand is.

Dan kom ik op de vraag wat de IND'ers in het buitenland precies gaan
doen. De liaison officers worden daar geplaatst. Allereerst is er het
parallelle proces van het horen van partners. De partner hier zal op
hetzelfde moment bij de IND worden bevraagd als de partner daar op de
ambassade, zodat je maximaal kan checken of zij hetzelfde verhaal
vertellen. Als daar tijd tussen zit kunnen zij elkaar vertellen wat zij
hebben gezegd. Dat is een van de dingen waar de IND'ers mee bezig zijn.
Wanneer er twijfel is, zijn zij de eerste die een vlaggetje omhoog doen.
Daarmee geven ze aan dat ze niet kunnen bewijzen dat er fraude is, maar
dat het extra in de gaten gehouden moet worden. Ik denk dat dit heel
veel informatie gaat opleveren waarmee we trends in verschillende
herkomstlanden kunnen waarnemen.

De vraag over wat we doen met de ambassades komt in een ander verband
uitgebreid terug. De Kamer weet dat we dossiers van bijvoorbeeld
ontwikkelingssamenwerking en handel gaan verbinden. Wij willen alles
gebruiken om terugkeer mogelijk te maken, maar ook om landen die niet
meewerken te dwingen mee te werken. Ik zie met de IND geen probleem. Ik
denk dat deze belangrijke stap niet alleen in Nederland maar ook in de
Europese Unie gezet moet worden. We moeten het aandurven om dossiers in
de Europese Commissie met betrekking tot ontwikkelingssamenwerking en
handelsverdragen met elkaar te verbinden om ervoor te zorgen dat landen
die niet meewerken worden gedwongen om mee te werken.

Ik kom nu bij de vragen van mevrouw Verdonk. Als het gaat om
gezinsmigratie hebben wij per definitie een restrictief
toelatingsbeleid. Voor asielzoekers is het een ander verhaal, zeker als
het gaat om nareizende gezinsleden. Er worden hier beelden opgetrokken
die enige nuance verdienen, vooral als we naar de cijfers kijken. 60%
van de hogere instroom werd veroorzaakt door nareizende gezinsleden van
toegelaten vluchtelingen, aan wie we helemaal geen eisen mogen stellen
zoals inburgering in het land van herkomst. Dit zijn mensen in
oorlogssituaties die de toegelaten vluchteling binnen drie maanden mogen
nareizen. Somaliƫ en Irak zijn hiervan de belangrijkste veroorzakers.

De planning komt in december aan de orde. Mevrouw Verdonk vroeg ook even
naar de huisvestingseis. Zij zegt dat het mogelijk is om dat te regelen.
Op grond van de richtlijn moet er sprake zijn van passende huisvesting.
Wij willen dat dit zelfstandige huisvesting is. Passende huisvesting zou
op grond van de richtlijn ook kunnen zijn als je bij schoonouders in een
groot huis inwoont. Dat willen wij echter niet. Wij willen dat mensen
die een gezin starten, onafhankelijk van de schoonouders zijn en in een
andere situatie terechtkomen. Om die reden gaan we bekijken of we
zelfstandige huisvesting onder de definitie van ā€œpassende
huisvestingā€ in de gezinsherenigingsrichtlijn kunnen brengen. 

De voorzitter: Ik stel voor dat de staatssecretaris haar betoog afmaakt
en dat we dan gaan kijken of er nog tijd is. De minister van Justitie is
hier ook naartoe gekomen om te antwoorden en ik vind het niet netjes om
hem die gelegenheid niet te geven.

Mevrouw Verdonk (Verdonk): Geldt dan dezelfde regeling met betrekking
tot de vragen die wij nu niet kunnen stellen?

De voorzitter: Dat zullen wij straks regelen. Ik wil daar nu geen tijd
aan verdoen. Komt u daar straks nog even op terug.

Staatssecretaris Albayrak: Mevrouw Verdonk vraagt naar de discrepantie
tussen de cijfers die zij van de website van de IND heeft gehaald over
het aantal aanvragen voor mvvā€™s en de opmerking van het kabinet in de
brief dat het aantal stabiliseert. Mevrouw Verdonk noemt het aantal
aanvragen voor mvvā€™s. In de brief hebben wij het echter over het
aantal ingewilligde mvv-aanvragen. Dat was in 2008 15.000. In 2009 was
het de eerste tien maanden, tot en met oktober, 13.000. Die cijfers
moeten vergeleken worden, dat wil zeggen dat niet het aantal
ingewilligde aanvragen van 2008 moet worden vergeleken met het aantal
aanvragen van 2009. Dat was wat er zojuist gebeurde. Dat even voor de
volledigheid.

Veel vragen van mevrouw Sterk zijn al beantwoord en waren ook niet
primair aan mij gericht. Wel had zij nog een vraag over asiel. Zij zei
dat de vergunning voor gezinshereniging en -vorming geweigerd zou moeten
worden als iemand een tijdelijke asielvergunning heeft en de situatie in
het land van herkomst inmiddels veilig is. Dat is op dit moment staand
beleid. Als de situatie veilig is, wordt de tijdelijke vergunning
ingetrokken van de persoon die hier zit en wordt er geen gezinsvorming
of -hereniging meer toegelaten. Het laatste bewijs daarvan is hoe we
zijn omgegaan met Irakezen. We hebben allereerst de vergunningen
ingetrokken van mensen met een tijdelijke vergunning die een aanvraag
voor gezinshereniging hadden ingediend en de aanvraag voor
gezinshereniging geweigerd.

De heer Dijsselbloem was van mening dat de inkomensgrens omlaag zou
moeten. Daar kiezen wij op dit moment niet voor, omdat wij vinden dat
mensen met de 120%-norm beter in staat zijn om voor het gezin te zorgen.
De evaluatie laat een kanttekening zien die we hier moeten noemen. Dat
is dat studerenden bijvoorbeeld eerder met de studie zouden kunnen
stoppen om aan het inkomen te kunnen voldoen, een bijbaantje nemen, etc.
We kunnen nu nog geen conclusies verbinden aan dat effect, maar we
houden het in de gaten en zullen dit bij de volgende vergadering
uitdrukkelijk betrekken.

Ik heb de vragen van de heer Dibi geloof ik uitdrukkelijk beantwoord.
Wat de overige sprekers betreft zou ik graag afrondend willen
antwoorden. Het mooiste aan deze brief is volgens mij dat deze vooral
gericht is op het adresseren van de kwaadwillenden, om de goedwillenden
maximaal te ontzien. Het gaat erom gericht fraude en misbruik te
bestrijden, meer te registreren, meer te weten, niet reactief maar
proactief ingesteld te zijn, om erachter te komen wie de kwaadwillenden
zijn. Daar zitten de kansen van deze brief waar het kabinet uit volle
overtuiging mee is gekomen, juist uit respect voor mensenrechten,
eenheid van het gezin en het recht op huwen wie je wilt. Wij willen dat
mensen daar niet ten onrechte door lijden, wat op dit moment, denk ik,
af en toe toch wel het geval is.

De voorzitter: Ik stel u voor om tot uiterlijk tot vijf over acht door
te gaan om de minister van Justitie de gelegenheid te geven antwoord te
geven. Ik sta geen interrupties toe. Dat zult u begrijpen. Aan het eind
van de vergadering zullen we zien hoe we verdergaan. Ik geef nu het
woord aan de minister van Justitie. 

Minister Hirsch Ballin: Voorzitter. Ik denk dat het mij zal lukken om
mij aan uw strakke tijdschema te houden. Dat is me vergemakkelijkt omdat
collega Van der Laan al een heleboel dingen heeft gezegd, met
verwijzingen dat ik er nader op zou ingaan. In feite heeft hij de kern
daarvan echter al genoemd. Hij is zo behulpzaam geweest om kort te
antwoorden dat ik dit graag even vermeld.

Ik wil niet bij de Kamer de indruk te wekken dat het enige wat mij bij
dit onderwerp interesseert huwelijksbeletselen zijn, want in de
verantwoordelijkheid die in het bijzonder bij mij ligt, staat natuurlijk
het Burgerlijk Wetboek en de naleving van de verdragen voor de Rechten
van de Mens door Nederland voorop: de vrijheid om in liefde huwelijken
met elkaar aan te gaan. Dat wil ik graag nog eens zeggen, omdat ik het
in reactie op uw vragen vooral zal hebben over huwelijksbeletselen.

De reden waarom wij polygamie, te jong afgesloten huwelijken en
neef/nicht-huwelijken en oom/nicht-huwelijken en tante/neef-huwelijken
-- en naar Nederlands recht moet ik daaraan toevoegen
oom/neef-huwelijken en tante/nicht-huwelijken -- willen tegengaan en
beperken is dat wij het belangrijk vinden dat huwelijken en gezinsleven
kansen krijgen en dat relaties in vrijheid worden aangegaan. De
realiteit van het maatschappelijk leven gebiedt ons echter om te
onderkennen dat er vaak druk, aandrang en soms zelfs dwang aan te pas
komt om mensen huwelijken te laten aangaan die voor de huwelijkspartner
het uitgangspunt vormen voor het verkrijgen van een verblijfsvergunning,
met alle vervolgvragen van dien waarover mijn collegaā€™s al hebben
gesproken. Om die reden vinden wij het bijvoorbeeld nuttig om op de
ambassades de aantallen van de IND te hebben en voorafgaand aan de
verstrekking van een voorlopige verblijfsvergunning een gesprek aan te
gaan.

Uit een recente publicatie in het tijdschrift Demos, jaargang 25 nummer
8, blijkt dat het om een onderwerp gaat dat kwantitatief niet slechts
marginaal is. Daarin staat dat het percentage neef/nicht-huwelijken
blijkens een in 2006-2007 gehouden onderzoek onder tweede generatie
Turkse en Marokkaanse medeburgers in Amsterdam en Rotterdam 8,3
respectievelijk 6,3 is. Ik wil hierbij niet een algemeen negatief
oordeel uitspreken over neef/nicht-huwelijken. Ik vermeld als
persoonlijke noot dat ik vormselpeter ben van een allerliefste Arubaanse
Nederlandse die geboren is uit een neef/nicht-huwelijk. Haar overleden
ouders gekend hebbende, weet ik dat het een huwelijk zonder twijfel uit
oprechte liefde was. Zoals gezegd heeft dat dit vormselpetekind
voortgebracht. Daar is dus niets tegen, maar anderen kunnen er misschien
andere voorbeelden bij bedenken.

Ons Burgerlijk Wetboek heeft overigens de lijn, die wat minder ver is
doorgetrokken dan in 1970, dat je ook niet al te close moet zijn om een
huwelijk aan te gaan. Dat is niet alleen zo wegens een verhoogd
gezondheidsrisico voor de kinderen dat door deskundigen is onderstreept,
zeker wanneer het in dezelfde familie bij herhaling voorkomt, maar ook
uit sociaal oogpunt. Ik wijs erop dat bijvoorbeeld een huwelijk tussen
een adoptief broer en zus niet is toegestaan, behoudens ontheffing,
terwijl het genetische punt daar uiteraard geen rol speelt, maar de te
grote nabijheid wel. Vandaar de keus om dit niet te doen op een manier
die onderscheid maakt tussen vreemdelingen of immigranten en anderen die
naar Nederlands recht een huwelijk aangaan. Ik hecht eraan om dit
nogmaals te onderstrepen, ook gezien de vragen die hierover zijn
gesteld. Het zal een voorstel worden voor een algemene regel, met als
consequentie dat het huwelijk dat naar buitenlands recht is aangegaan,
waar een dergelijk huwelijksbeletsel niet geldt, geen basis zal vormen
voor de verlening van een verblijfsvergunning. Met alles moet er ruimte
zijn voor uitzonderingen. Uitzonderingen kunnen gerechtvaardigd zijn
door een reeds langer bestaand huwelijk dat in een ander land is
beleefd, maar het uitgangspunt is dat dit een beletsel zal zijn voor het
Nederlandse recht en voor de verstrekking van de verblijfsvergunning.

Het belang van het aangaan van een huwelijkse relatie in vrijheid, ook
in verband met het vreemdelingenrecht, zoals mevrouw Karabulut
uitdrukkelijk ter sprake bracht, vormt het uitgangspunt voor onze
benadering van dit onderwerp. Daarmee heb ik ook antwoord gegeven op de
specifieke vragen van de heer De Krom en mevrouw Sterk over de
reikwijdte van deze benadering. Deze geldt voor iedereen en er wordt
geen onderscheid in gemaakt. De redenen daarvoor heb ik al gegeven.

Ik kan kort zijn over de vraag van de heer De Krom over polygamie, omdat
we die inmiddels schriftelijk hebben beantwoord. Ik geloof dat hij het
antwoord hierop heeft ontvangen, waarin ik op alle punten ben ingegaan
die hij zojuist naar voren heeft gebracht. Ik ben in het algemene
gedeelte van mijn antwoord al ingegaan op de vraag van de heer De Krom
over de uitwerking van de bepalingen die ons voor ogen staat. Ik vermeld
hierbij nog dat tot 1970 in het Nederlands Burgerlijk Wetboek een verbod
gold voor huwelijken met familieleden in de derde graad. Dit betekent
dat er een verbod wordt geĆÆntroduceerd voor huwelijken in de derde en
de vierde graad.

Bij de vraag van de heer Dibi over de strafaanstelling van
huwelijksdwang kan ik verwijzen naar de brief die de Kamer hopelijk net
voorafgaand aan dit overleg heeft gekregen. Ik zie geen noodzaak om een
aparte strafaanstelling te introduceren, maar er zijn wel aanleidingen
om bepaalde punten meer specifiek onder ogen te zien, zoals ik in mijn
brief over dit onderwerp heb geschetst.

De heer De Krom en de heer Dijsselbloem zijn ingegaan op de vraag of
wijziging nodig is van de verdragsbepalingen. Ingevolge artikel 12 van
het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de
Fundamentele Vrijheden hebben mannen en vrouwen van huwbare leeftijd het
recht om te huwen en een gezin te stichten volgens de nationale wetten
die de uitoefening van dit recht beheersen. Dat laat dus ruimte voor
nationale wetgeving. Daar is onder de lidstaten die zijn aangesloten bij
het EVRM verscheidenheid in. Ons voorstel zal dus inhouden om binnen de
kaders van het verdrag de grenzen te trekken.

Dan kom ik op het Haagse Verdrag van 1978 over het huwelijksrecht en de
erkenning van huwelijken gesloten vanuit het recht van andere staten.
Daarin is de mogelijkheid opengehouden om beperkingen aan die erkenning
te stellen op grond van overwegingen van openbare orde. De openbare orde
is in het internationaal privaatrecht een heel ander begrip dan wanneer
we het over de politie hebben. Daarmee worden de bepalingen die men
binnen de nationale wetgeving voor wezenlijk houdt bedoeld. Wanneer wij,
Nederlandse wetgevers, de Kamerleden en hun collegaā€™s in de Eerste
Kamer en de regering samen tot de beoordeling komen dat de openbare orde
beperkingen vereist, bijvoorbeeld op het punt van de polygamie, meen ik
dat wij voldoen aan de eis van dit verdrag. Wij zullen uiteraard ook de
besprekingen in het Familierecht ComitƩ van de Raad van Europa
gebruiken om dit in Europees verband onder de aandacht te brengen.

Mevrouw Karabulut heeft een aantal vragen gesteld over eergerelateerd
geweld en de Rotterdamse aanpak. Het treft dat we daar morgen een ander
AO over hebben. Ik zou graag het AO morgen willen benutten om de vragen
van mevrouw Karabulut te beantwoorden om de termijn van vijf over acht
niet te overschrijden.

De voorzitter: Ik zou het volgende willen voorstellen. We hebben zojuist
met de minister voor WWI de afspraak gemaakt dat nog openstaande vragen
schriftelijk beantwoord zullen worden. Vragen die al eerder zijn
gesteld, maar die nog niet zijn beantwoord, kunnen de leden de
bewindspersonen morgen voor 12 uur schriftelijk doen toekomen. Wij
zullen dat via de griffier laten checken, want de griffier heeft de
vragen bijgehouden. Het lijkt mij niet de bedoeling om er een hele rits
nieuwe vragen aan toe te voegen. Ik zou diezelfde afspraak willen maken
met Justitie, hoewel het kan dat de perfectie benaderd is en er niet
veel openstaande vragen meer zijn. Ik zou het prettig vinden als door
Justitie toegezegd kan worden dat nog openstaande vragen, als die er
zijn, schriftelijk beantwoord worden. Er wordt geknikt door de
staatssecretaris.

Staatssecretaris Albayrak: Als mensen vragen willen stellen die een
relatie hebben tot de integratie, want daar gaat dit hele debat over,
heb ik er helemaal geen bezwaar tegen dat de minister bij het debat
daarover antwoord geeft.

De voorzitter: Dan houden wij dezelfde systematiek aan. Hartelijk dank
voor uw medewerking. Dan heeft u nu niet langer de gelegenheid om vragen
te stellen want, zoals u ziet, is het vijf over acht. Ik check even of u
het eens bent met de door mij voorgestelde procedure.

Mevrouw Sterk (CDA): Ik zou daarbij willen vragen of de Handelingen bij
dit overleg op tijd af kunnen zijn zodat we die kunnen nalezen in
voorbereiding op de begroting.

De voorzitter: Wij kunnen dat wel navragen, maar wij kunnen dat hier
niet toezeggen. Daar gaan wij niet over. Wij zullen het navragen en het
belang daarvan aangeven, maar ik kan het niet toezeggen.

De heer Dibi (GroenLinks): Een punt van orde. Ik ben bang dat ik een VAO
wil aanvragen. Misschien moet ik aan u vragen om dat te doen, want het
is op het terrein van de minister van Justitie.

De voorzitter: Zou u dat nog voor de begroting willen doen?

De heer Dibi (GroenLinks): Dat is geen probleem.

De voorzitter: Dan heb ik nog een punt te regelen: de toezeggingen. Zal
ik dat nu doen of schriftelijk? Wij doen dat schriftelijk en we zullen
deze heel nauwkeurig en precies opschrijven. Ik bedank de
bewindspersonen hartelijk voor hun aanwezigheid en de ambtenaren voor
hun medewerking.

algemeen overleg/Inburgering d.d.18 november 2009	blz.   PAGE  1 



09118Inburgering buitenland en huwelijksmigratie(RenƩe Bakker)

Uiterste corr.datum: dinsdag 12 januari te 18.00 uur/Inlichtingen tel.
3182104/3183019 fax. 3182116