Wetgevings- en werkprogramma 2010 van de Europese Commissie
Stenogram
Nummer: 2010D19317, datum: 2010-04-20, bijgewerkt: 2024-02-19 10:56, versie: 1
Directe link naar document (.doc), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Onderdeel van activiteiten:- 2010-04-19 13:00: Wetgevings- en werkprogramma 2010 van de Europese Commissie (Notaoverleg), vaste commissie voor Europese Zaken
Preview document (🔗 origineel)
VERSLAG VAN EEN NOTAOVERLEG De vaste commissie voor Europese Zaken<1> heeft op 19 april 2010 overleg gevoerd met minister Verhagen van Buitenlandse Zaken, minister voor Ontwikkelingssamenwerking over het Wetgevings- en Werkprogramma 2010 van de Europese Commissie. Van het overleg brengt de commissie bijgaand stenografisch verslag uit. De voorzitter van de vaste commissie voor Europese Zaken, Waalkens De griffier van de vaste commissie voor Europese Zaken, Nijssen ** Voorzitter: Waalkens aanwezig zijn vijf leden der Kamer, te weten: Van Bommel, Ten Broeke, Ormel, Waalkens en Wiegman-van Meppelen Scheppink, en de heer Verhagen, minister van Buitenlandse Zaken en voor Ontwikkelingssamenwerking. Aan de orde is de behandeling van: - het Wetgevings- en Werkprogramma van de Europese Commissie voor 2010 (2010Z06797); - de brief van de minister van Buitenlandse Zaken d.d. 13 april 2010 met de aanbieding van de kabinetsreactie op het Wetgevings- en Werkprogramma 2010 (22112, nr. 1007); - de brief van de voorzitter van de vaste commissie voor Europese Zaken d.d. 15 april 2010 met het overzicht prioriteitsstelling Tweede Kamer ten aanzien van voorstellen uit het Wetgevings- en Werkprogramma 2010 (2010Z06793). De voorzitter: Ik heet de minister en de hem vergezellende ambtenaren, de mensen op de publieke tribune en de mensen die via internet dit debat volgen, van harte welkom. De agenda van dit notaoverleg behelst het werk- en wetgevingsprogramma van de Europese Commissie en de kabinetsappreciatie daarvan. Wij hebben van tevoren naar de spreektijden gekeken, maar met de vier sprekers is er ruim voldoende tijd om iedereen z'n tekst uit te laten spreken, maar wij zullen de tijd zeker in de gaten houden. Wij hebben voor dit overleg drie uur uitgetrokken. Het woord is aan de heer Ormel van het CDA. ** De heer Ormel (CDA): Voorzitter. Dit is het eerste jaarlijkse werkprogramma van de nieuwe Europese Commissie, voor een kort jaar, want in november verschijnt weer een nieuw jaarlijks werkprogramma. Het is echter het eerste programma met een meerjarig overzicht. Dat vinden wij van belang. Zo worden langeretermijnstrategieën zichtbaar. De CDA-fractie heeft hier met belangstelling kennis van genomen. De uitdagingen die voor ons liggen zoals klimaatverandering, immigratie, demografische verandering, globalisering en vooral ook economische ontwikkeling kunnen wij niet alleen aan in Nederland. Wij moeten die uitdagingen in de Europese Unie aanpakken. Nu de taart wordt uitgedeeld, feliciteer ik de voorzitter namens de gehele CDA-fractie van harte met zijn verjaardag. Wij zijn hiervoor in speciale vergadering bijeen geweest en mij is verzocht, deze felicitaties aan u, voorzitter, over te brengen. Het CDA is een pro-Europese partij die van mening is dat de grote grensoverschrijdende problemen op zijn minst in Europees verband aangepakt kunnen worden. Daarnaast moeten wij er wel voor waken dat de Europese Unie niet doorschiet in details. Subsidiariteit dient een leidend principe te blijven. Ook moet een aantal plannen dat reeds in uitvoering is, worden aangepast aan de realiteit van de huidige moeilijke financiële situatie. Te denken valt aan Natura 2000. Uitgaande van deze afweging beoordelen wij het werkprogramma. Tevens is het belangrijk om op te merken dat dit werkprogramma onder de regels van het Verdrag van Lissabon zal worden uitgewerkt. Dat vraagt om alertheid van ons allen om de nieuwe spelregels optimaal te benutten. In dat kader vragen wij de regering de toezegging dat de BNC-fiches van die onderwerpen waarvan wij aangeven dat we een behandelingvoorbehoud overwegen of een subsidiariteitstoets, in ieder geval binnen drie weken naar de Kamer gezonden zullen worden. Eigenlijk moet dat ook voor de prioritaire onderwerpen gelden, maar met name de eerste twee categorieën achten wij van groot belang. Wij vragen op dat punt een toezegging. In de vaste Kamercommissies is een analyse gemaakt langs drie hoofdlijnen: de prioritaire onderwerpen, de onderwerpen voor een subsidiariteitstoets en het behandelvoorbehoud. De CDA-fractie steunt de lijst die na behandeling door de diverse vaste Kamercommissies is opgesteld. De lijst is bij de regering onder de aandacht gebracht. De regering heeft in haar reactie ook aangegeven welke onderwerpen volgens haar prioriteit hebben. Het lijkt erop dat er nauwelijks licht tussen beide lijstjes zit. Op de middellange termijn komen diverse andere onderwerpen op de agenda waar wij ook scherp op willen inspelen zoals het Europees Ontwikkelingsfonds. De CDA-fractie vindt dat de Europese Unie zich dus moet richten op kerntaken die niet alleen door lidstaten kunnen worden uitgevoerd. Het uitgangspunt subsidiariteit vinden wij bijvoorbeeld niet terug in voorstellen rond een richtlijn waterefficiëntie van gebouwen of rond een verordening voedselverstrekking aan minderbedeelden in de gemeenschap. Een kritische subsidiariteitstoets is daarom nodig. Prioritaire onderwerpen zoals Europese digitale agenda, energie-infrastructuurpakket, mededeling inzake versterken reactiecapaciteit van de EU bij rampen enzovoorts, enzovoorts, dienen wij alert te volgen. Laat ik wat dat betreft een aantal voorbeelden noemen uit de regeringsreactie. Op pagina 4 geeft de regering aan dat de voorstellen betreffende de pensioensystemen te zijner tijd aan een nauwgezet onderzoek onderworpen moeten worden. Wij vragen de regering om goed op onze pensioenzaak te letten. Wij gaan ervan uit dat wij niet zullen reageren op EU-oplossingen, maar dat wij nadrukkelijk het subsidiariteitsprincipe ten aanzien van pensioensystemen zullen bewaken. Een ander voorbeeld staat ook op pagina 4, namelijk dat de aanpak van administratieve lasten voor bedrijven en burgers grote aandacht behoeft. Op pagina 7 wordt daarop verder ingegaan met het Smart Regulation-programma. Het voorbeeld op pagina 19 gaat over de toepassing van staatssteunregels op decentrale overheden. De regering geeft in haar reactie aan dat dit zeer complex is. Dat is een waarheid als een koe, maar wat daar dan aan te doen? In die samenhang vragen wij de regering om aan te geven hoe zij de samenhang ziet tussen aanpak administratieve lasten, Smart Regulation en deze, zoals de regering terecht aanduidt, zeer complexe toepassing van staatssteunregels. Dat geldt ook voor het gestelde op pagina 19 over de geldende financiële drempels voor overheidsopdrachten voor leveringen en diensten. De regering geeft aan dat deze verhoogd moeten worden. Dat zijn wij van harte met de regering eens, met name voor de toegang van het mkb tot opdrachten. Nu zucht bijvoorbeeld de beroepsgroep architecten onder zeer ingewikkelde aanbestedingsregels, waarbij al bij een grens van €500.000 Europees aanbesteed moet worden. Dat is wel prachtig voor de interne markt, maar schieten wij daarmee niet door? De mkb'ers kunnen dat niet bolwerken. Dan krijgen wij enkel multinationaal opererende bedrijven die dergelijke opdrachten gaan doen. Als echter een gemeentehuis in Baskenland gebouwd moet worden of in de Achterhoek, moet dat dan Europees worden aanbesteed? Wordt de regionale economie daardoor niet om zeep geholpen, die wij vervolgens weer met Europese subsidie in stand moeten zien te houden? Ik vraag de minister om uitgaande van het standpunt dat wij de administratieve lasten voor bedrijven en burgers moeten aanpakken, ook daadwerkelijk en concreet iets te ondernemen. Ik heb nu een voorbeeld genoemd, maar er zijn er meerdere. Ik vraag de minister om daar aandacht aan te besteden. De EDEO wordt kort genoemd. Wij verwachten nog een kabinetsreactie daarop. Wanneer komt deze? Kunnen wij daar woensdag over spreken bij de Raad Algemene Zaken of komt zij op een ander moment? De CDA-fractie onderstreept voor de commissie Europese Zaken de prioriteit van de budget review van 2013. De nieuwe perspectieven moeten transparanter, efficiënter en evenwichtig zijn. Het rondpompen van geld en oncontroleerbare bestedingen moeten zwaar worden teruggedrongen en eigenlijk niet meer mogelijk zijn enerzijds. Aan de andere kant moeten wij er wel voor zorgen dat Nederland zijn capaciteiten, bijvoorbeeld op agrarisch gebied, goed kan benutten. Die dubbelslag moet gemaakt worden binnen de nieuwe perspectieven. Ik ben blij dat mijn collega van de VVD over dit geheel "goed zo" heeft gezegd. Ook over het gemeenschappelijk landbouwbeleid komen wij nog nader te spreken. De wisselwerking tussen Kamer en regering is in een dynamische Europese Unie van groot belang om tijdig, maar wel flexibel te kunnen acteren op het EU-speelveld. Tijdige informatie-uitwisseling en overleg zoals dit, maar vooral keer op keer in de vakcommissies, en tijdig aangeven waar het over gaat en waar het Nederlands belang ligt, zijn daarvoor onverkort nodig. De heer Ten Broeke (VVD): Voorzitter. Dit is elk jaar weer het meest spectaculaire debat op de agenda voor Europese Zaken. Ik ben blij dat de voorzitter erin heeft toegestemd dat dit debat met publiek kan plaatsvinden. Dat is goed, want dit raakt de kern van onze parlementaire controle, en ook de controle op Europa. Het raakt ook de kern van de kritiekpunten die Nederlandse burgers hebben geventileerd op Europa bij het referendum in 2005, die er in het kort op neerkwam dat Nederlanders vonden dat Europa te veel, te duur, te groot en te snel is en dat Europa vooral over en zonder de Nederlandse burgers besluiten neemt. Dat Nederlandse trauma hebben wij sinds die tijd geprobeerd wat aan te pakken en ook aan te passen. Dat heeft er onder andere toe geleid dat er in het nieuwe Verdrag van Lissabon een voorziening is getroffen in de vorm van de oranje kaart, naast de gele kaart. Dat is een goede zaak. Het is uitstekend dat dit nu mogelijk is. Wij hebben nu dat Verdrag van Lissabon en nu moeten wij ook proberen om langs die weg te procederen. In die goedkeuringswet hebben wij ook een behandelvoorbehoud opgenomen. Het is goed dat het Nederlandse parlement die emancipatie heeft doorgemaakt. Wij moeten vandaag een aantal dingen doen om na te gaan wat prioritair is, wat zich voor de subsidiariteitstoets leent en wat voor het behandelvoorbehoud. Prioritair krijgt extra aandacht, ook in deze Kamer. Wij zouden met briefings en thematische debatten kunnen opereren, maar het betekent in ieder geval dat de regering de zogenaamde BNC-fiches liefst niet binnen zes weken, maar maximaal binnen drie weken na publicatie van het wetsvoorstel naar de Kamer zal zenden. Ook ik vraag de regering om daarover een heldere toezegging te doen. Hetzelfde geldt voor de subsidiariteitstoets, die buitengewoon relevant is, ook voor onze samenwerking met andere parlementen, voor het eventueel trekken van die oranje en gele kaart en ook voor het behandelvoorbehoud. Op het moment dat wij aangeven dat wij op een bijzondere wijze geïnformeerd willen worden -- die formulering is letterlijk in de wet opgenomen -- gaan wij binnen drie maanden na publicatie van een wetgevend voornemen van de Europese Commissie tot een speciaal AO over. Daarvoor is het wel noodzakelijk dat wij op tijd door de regering worden geïnformeerd. Ik sluit mij op dat punt aan bij collega Ormel. Wij moeten in dit debat echt zekerheid van de regering krijgen dat voor die subsidiariteitstoets en het behandelvoorbehoud een BNC-fichetermijn van maximaal drie weken staat en dat op wat door de regering als prioritair is benoemd in ieder geval een inspanningsverplichting volgt om dat binnen drie weken te doen, afhankelijk van de behandeling in Brussel. Die toegeving kunnen wij van onze kant doen. Als de minister dat kan toezeggen, dan hebben wij op dat vlak in ieder geval iets bereikt. Ik wil een aantal onderwerpen de revue laten passeren, te beginnen met financiën. De mededeling inzake oprichting systeem voor verbeterde beleidscoördinatie krijgt terecht prioriteit. De VVD heeft echter al een aantal keren aangegeven dat dit niet mag betekenen dat wij spreken in termen van een economische regering. Dat staat hier ook niet en ook niet in de vertaalde versie, maar ten overvloede lijkt het mij goed om dat hier te markeren. Ik ga ervan uit dat de regering die mening ook is toegedaan. De task force die nu door de heren Van Rompuy en Barroso zal worden geleid, is van belang als daar tenminste uitkomt wat de VVD nu al een jaar lang consequent bepleit en wat ik de regering ook wil meegeven. Ik heb overigens begrepen dat daartoe het afgelopen weekend in Madrid zou zijn besloten, namelijk dat in elk geval de cohesiefondsen als sticks and carrots worden gebruikt. Dat kan wellicht en wat ons betreft uiteindelijk ook gelden voor de voorzieningen rondom de structuurfondsen. Nu zijn het alleen de carrots, maar daar horen wat ons betreft sanctiemogelijkheden bij om bijvoorbeeld via het Stabiliteits- en Groeipact de disciplinering van de lidstaten af te dwingen en daarmee het gat in de Monetaire Unie te dichten. Het is wat ons betreft niet aan de orde om telkens opnieuw over financieringsbronnen te spreken op het moment dat een land als Griekenland -- ik noem een willekeurig voorbeeld -- nog altijd 6 mld. per jaar uitgekeerd krijgt via de structuur- en cohesiefondsen. Wij hebben prima fondsen om dat land tot verdere disciplinering aan te sporen. Enkele andere zaken krijgen ook prioriteit, zoals het transparanter maken van de derivatenmarkten, het depositogarantiestelsel en een beter kiezersmanagement. Men kent onze voorkeur voor meer toezicht op financiële markten. Verder noem ik nog de herziening van de kapitaaleisenrichtlijn, het zogenaamde Baselpakket. Twee jaar geleden zouden op zijn best de wenkbrauwen omhoog zijn gegaan, maar nu weten wij hoe fundamenteel de spelregels zijn om meer transparantie in de financiële markten te krijgen. Ik maak mij wel de nodige zorgen over de parlementaire controle op het Baselproces, om de doodeenvoudige reden dat daar onder andere centrale bankiers samenkomen, niet alleen uit de Europese Unie, maar ook van daarbuiten. Het is lastig om de vinger daarachter te krijgen, dus het is goed dat dit prioriteit krijgt. Dat zal dan ook nadrukkelijk door ons worden gevolgd. Ik kom op onderwijs, sociale zaken en interne markt. De Tweede Kamer heeft het youth on the move-programma over intra-Europese mobiliteit van studenten prioritair verklaard. Het Bologna-proces, Da Vinci, Erasmus, al die zaken hebben daarmee te maken. De regering stelt dat dit prioriteit heeft. Wij kijken daar kritisch naar. Een aantal elementen hebben wij zeker nodig, maar aan sommige van die Brusselse elementen hebben wij helemaal geen behoefte, zoals initiatieven voor het tegengaan van schooluitval. Dat staat nog altijd in de opvolger van het Lissabon-programma, maar dat moet er wat ons betreft gewoon uit. Ik zie dat de regering dat niet doet en dat is niet conform hetgeen wij eerder hebben gehoord van die kant. Dit soort zaken hoeven wij niet te benchmarken. Zij dragen niet bij aan een geloofwaardige ontwikkeling die Europa moet doormaken. Dat kan er wat ons betreft gewoon uit. Hetzelfde geldt voor de communication on the Platform against Poverty. Dat hangt weer samen met de herziening van de Working Time Directive. In de annex kun je zien dat nog steeds sprake is van Europese initiatieven op het gebied van ouderschaps- en zelfs vaderschapsverlof. De regering ziet met belangstelling uit naar de voorstellen van de Europese Commissie. Ik zie daar ook met belangstelling naar uit, maar om het met de grond gelijk te maken. Ik hoop dat de minister dat vandaag ook wil doen. Een kerntaak van de Europese Unie is natuurlijk wel de interne markt, en ook het energiepakket dat wij het komende jaar zullen bespreken. Het proces van de relaunch van de interne markt, het Mario Monti-stuk, is interessant en cruciaal. Dat moet hoog op de agenda staan en zo niet, dan zullen wij daar mede zelf voor zorgen. Dat hangt ook samen met wat er in de annex staat over de competitiveness en het innovation framework voor 2014 tot 2020. Wij vinden het heel belangrijk dat de regering werk maakt van het energie- en infrastructuurpakket en de wetgevende basis voor de zogenaamde smart grids. Dat zijn netwerken die het mogelijk maken om in de toekomst energie makkelijk door Europa te transporteren. Dat hangt samen met een verdergaande liberalisering van de energiemarkt. Het is cruciaal dat Europa daarvoor niet alleen de wetgevende basis legt, maar ook de fondsen ervoor vrijmaakt. Men weet dat de VVD in haar tegenbegroting voor Europa, die zij bij de Staat van de Unie in november heeft ingediend, daarvoor 7 mld. uittrekt. Ik zie met genoegen tegemoet wat de regering daarvoor over heeft, ook in het kader van de budget review die het komende jaar zal plaatsvinden. Justitie. Het Stockholm-programma krijgt wat ons betreft terecht prioriteit. Wij zien uit naar wat de evaluatiemechanismen moeten zijn. Het vervelende is dat het in de hele notie rondom het Stockholm-programma nog altijd ontbreekt aan het fundamenteel uitgangspunt dat het Europese asiel- en migratiebeleid restrictief moet zijn. Dat is nergens te lezen. Europa heeft wat dat betreft echt nog een inhaalslag te maken. Helaas is het met de restrictievere houding van Nederland de afgelopen jaren onder dit kabinet weer wat uit de hand gelopen, maar wij zien uit naar een nieuwe legislatuur. Ik wijs dus op de notie van een restrictief migratiebeleid. Ik zie dat de minister van Buitenlandse Zaken dat ook met genoegen tegemoet ziet. Er doemen nieuwe horizonten op, kernenergie en andere zaken waarop iedereen zit te wachten. Dat geldt dus ook voor een restrictief migratiebeleid. Ik wijs erop dat in het hele WWP niets staat over het Europese pact inzake asiel en migratie. Dat was al een beetje slap, maar nu het er niet in staat, baart het ons nog grotere zorgen. Ik kom op de interne veiligheidsstrategie en de bescherming van persoonsgegevens. Ik vat die zaken samen omdat het voor ons essentieel is dat privacy en veiligheid hand in hand blijven gaan. Bij dataprotectie, artikel 16 van het nieuwe verdrag, moet je goed nadenken voordat je ook in Europese systemen je privacygegevens stopt. Maar op het moment dat dit gebeurt, kan het wel leiden tot een veel effectievere opsporing en een effectiever antiterreurbeleid. Over landbouw is een houtskoolschets verschenen die raakt aan de budget review. Het is helder dat de VVD af wil van allerlei landbouwregelingen zoals het ILG, het investeringsbudget Landelijk Gebied, dat in Nederland nog altijd opgeld doet. Het ILG leidt ertoe dat er in een gemeente in de kop van Overijssel voor €750.000 allerlei prachtige zaken zijn zoals echte fietspaden en interieurverzorgers. Je gelooft het niet, maar het bestaat echt, ik dacht in de gemeente Kampen. De gemeente heeft amper geld om haar eigen energie-infrastructuur te vernieuwen, maar trekt wel Europese gelden uit om fietspaden aan te leggen. Die gelden zijn gewoon rondgepompt en dit is wat de geloofwaardigheid van Europa ondermijnt! Ik vind dan ook dat wij hiermee direct moeten stoppen, zeg ik tegen collega Ormel. Maar dat bedoelde hij waarschijnlijk ook toen hij deze zaken aansneed. Natura 2000 is ons een doorn in het oog. Dit programma is in Nederland volstrekt doorgeschoten. Er zijn heel wat ondernemers op het platteland die vroeger "boeren" werden genoemd, maar die er tegenwoordig gelukkig heel veel andere dingen bij doen. Die ondernemers worden beperkt door de eindeloze regulering vanuit Brussel die met name in Natura 2000 vorm krijgt. Wij vinden het juist dat de drempels voor staatssteun worden verhoogd. De heer Ormel zei dat je dat niet moet doen omdat je dan bijvoorbeeld de regionale economie in de Achterhoek om zeep helpt. Dat zou ik natuurlijk ook niet willen. Ik zeg er wel bij dat we dan ook moeten ophouden met de subsidies die dat dan weer moeten repareren. Als het CDA dat ook vindt, hebben wij tenminste een eensluidend verhaal. Ik wil nog even aandacht vragen voor de bijzondere positie van zzp'ers. De premier heeft bij het laatstgehouden debat over de Europese Top een toezegging gedaan. Voor zzp'ers is het buitengewoon ingewikkeld om mee te doen met Europese aanbestedingen. Dat heeft te maken met hun bijzondere positie. Ze moeten eindeloos veel formulieren invullen en moeten beschikken over jarenlange overzichten van hun omzetten. Dat gaat dus niet. Zzp'ers vormen het stootkussen van de economie op dit moment. Zij vangen de klappen op. Het zijn geen mensen die massaal naar het Malieveld komen, maar het zijn wel de mensen die ons uit de crisis gaan halen. Voor die mensen moeten wij dus in de nieuwe strategie aandacht hebben. De premier leek daarover helderheid te willen verschaffen, maar sinds het debat over de Europese Top heb ik niets meer gehoord. Ik hoor graag van deze minister of hij daarvoor alsnog ruimte wil maken. Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie): Voorzitter. Aan de ene kant is de behandeling van het werk- en wetgevingsprogramma dezelfde als de voorgaande jaren, maar aan de andere kant is het toch ook weer heel anders. Het is het eerste programma van de Commissie onder het nieuwe verdrag met ook nog eens een nieuwe Commissie. Het is vooral ook nieuw omdat wij nu als Kamer de mogelijkheid hebben om een behandelvoorbehoud te plaatsen bij onderwerpen waar wij dat nodig achten. Juist omdat onder het Verdrag van Lissabon meer onderwerpen op Europees niveau geregeld mogen worden, is het goed dat wij er als parlement nauwlettend op toezien. Doet de EU wat moet en gebeurt het ook op de juiste manier? Blijft de EU af waar ze van af moet blijven omdat het nationaal veel beter kan en omdat het daar ook thuishoort? Een sterke betrokkenheid is ook nodig omdat de rol van nationale lidstaten – beter gezegd: regeringsleiders – toeneemt. Zeker in de afgelopen maanden waren het de lidstaten die tijdens de crisisbestrijding de leiding namen. Het is daarom zaak, regelmatig met de regering van gedachten te wisselen over de te volgen koers en gebruik te maken van het behandelvoorbehoud bij belangrijke onderwerpen, zoals de maatregelen voor Griekenland. De ontwikkelingen rondom Griekenland laten zien dat dit niet een eens-per-jaar-overleg is waarna we er weer een jaar vanaf zijn. Ontwikkelingen kunnen snel gaan, ook buiten het officiële werkprogramma van de Commissie om. Dat vraagt om regelmatig overleg. Daarom wil ik vandaag duidelijk maken dat de ChristenUnie hetgeen wij vandaag bespreken niet eng wil interpreteren. Het gaat niet om het maken van een lijstje van prioritaire onderwerpen, maar om het actief inspelen op wensen van de Kamer. Dat vergt een vroege en snelle informatievoorziening, waarbij dilemma's worden voorgelegd en waarbij nieuwe onderwerpen in lijn met de prioritaire onderwerpen kunnen worden behandeld. Als er nieuwe ontwikkelingen zijn die nog niet zijn aangemerkt als "prioritair" moet de regering handelen in lijn met afspraken over verwante onderwerpen. Hoe kunnen wij het werk- en wetgevingsprogramma beter in lijn laten lopen met onze jaarlijkse behandeling van de Staat van de Unie? Ik wil verder wijzen op de toch wel bijzondere manier van handelen van de grotere lidstaten de afgelopen tijd, met name rond de crisis. Er begint een haantjescultuur te ontstaan. Het lijkt wel alsof de lidstaten willen laten zien dat zij het snelst met de beste ideeën kunnen komen. Aldus plaatsen zij de andere lidstaten voor voldongen feiten. Ik noem landen als Duitsland, Italië en Frankrijk. Hoe borgt de regering dat Nederland invloed kan blijven uitoefenen en dat overleg met de Kamer mogelijk is? Ook nieuw is de grotere rol van het Europese Parlement. Daarmee zal rekening moeten worden gehouden door het kabinet. Ik denk aan het goedkeuren van de begroting. Vervolgens wil ik enkele inhoudelijke opmerkingen maken over het werk- en wetgevingsprogramma en dan allereerst over de samenhang die wij moeten zien te bewaken. We hebben te maken met oude commissarissen, met nieuwe commissarissen en met nieuwe portefeuilles. Er liggen grote uitdagingen voor ons die zich over meerdere dossiers uitspreiden. Hoe kan volgens het kabinet de samenhang het beste worden bewaakt? Het komende jaar staat in het teken van de crisis. De ChristenUnie spreekt graag over de crisis als een kans. Het wetgevings- en werkprogramma geeft daar gelukkig blijk van. Er zijn grote uitdagingen die om een antwoord vragen: de klimaatverandering, een duurzame economie, een duurzame energievoorziening en de financiële crisis. Logisch dat de Kamer aan veel van deze programmaonderdelen de status "prioritair" geeft. De economische crisis heeft duidelijk gemaakt dat de instrumenten en bevoegdheden van de EU nog onvoldoende zijn toegesneden op een crisis van grote omvang. In het voorstel van D66-europarlementariër In 't Veld dat Europa het recht moet krijgen om in te grijpen in de begrotingen van eurolanden zien wij helemaal niets. Wel zien wij graag meer afstemming, een betere handhaving van het stabiliteits- en groeipact en meer begrotingsdiscipline. Het mag niet de EU zijn die bepaalt waaraan wij onze centen uitgeven. Deze onderwerpen willen wij graag relateren aan de ingestelde task force waarover het kabinet ook spreekt in de appreciatie. Een ander onderwerp in de appreciatie is de implementatie. Wat de ChristenUnie betreft wordt daarvan in de komende jaren echt werk gemaakt. In het algemeen doet Nederland het goed als het gaat om de implementatie van nieuwe regels, maar Nederland heeft wel vaak last van achterblijvende implementatie door andere eurolanden. Ik denk aan de scheepsbouwsector. Er is wat dit betreft veel verschil tussen Nederland en Spanje. Dat kan een nadelige positie van de Nederlandse scheepsbouwsector betekenen. Ook denk ik aan de visserij waar met gemak een concurrentienadeel kan ontstaan omdat andere landen minder handhaven. Ook Natura 2000 lijkt mij belangrijk genoeg om gelijk met elkaar op te blijven trekken. Ten slotte noem ik nog de energiemarkt. Wij lopen vaak voor de troepen uit. Dat kan heel mooi zijn, maar wij moeten wel oog hebben voor de traagheid van andere lidstaten. We moeten dan zelf iets terughoudender zijn en bij de Commissie aandringen op versnelde implementatie door de andere landen. Voorzitter. Ik wil er enkele prioritaire onderwerpen uitlichten en noem allereerst het Europese antwoord op de klimaatverandering. De 20-50-strategie voor een koolstofarme economie spreekt mij bijzonder aan. De ChristenUnie volgt dan ook nauwgezet de inzet van de EU bij de lopende klimaatonderhandelingen. Ook de toekomst van het gemeenschappelijk landbouwbeleid geeft de ChristenUnie prioriteit. Het gaat daarbij om voedselzekerheid, voedselveiligheid, dierenwelzijn, maatschappelijke diensten en budget voor het gemeenschappelijk landbouwbeleid. Ons uitgangspunt is: minder liberaliseren, behoud van EU-beleid en –budget en een landbouw met belangrijke maatschappelijke taken. Europa moet streven naar een eerlijke, sociale en duurzame Europese economie. De EU moet verder kijken dan haar eigen grenzen en moet de allerarmsten op deze wereld steunen. Ik zie graag een Europa dat de mensenrechten hoog in het vaandel heeft staan en een Europa dat streeft naar eerlijke handel binnen en buiten haar grenzen. Op de lijst van prioritaire onderwerpen -- die het parlement met name op subsidiariteit zal toetsen -- staan veel zaken op het gebied van onderwijs, sociale zaken en justitie. Op deze onderwerpen zal de inzet van de ChristenUnie kritisch zijn. We moeten alleen grensoverschrijdende oplossingen zoeken voor problemen in de EU die ook werkelijk grensoverschrijdend zijn. De heer Ten Broeke (VVD): Ik heb veel debatten met mevrouw Wiegman mogen voeren, maar heb nooit begrepen dat zij zich verzet tegen een afbouw van landbouwsubsidies die vanaf 2013 gaat plaatsvinden. Begrijp ik het goed dat zij dat nu wel doet? Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie): Op een gegeven moment zijn de melkquota aan de orde geweest. Toen zeiden wij: wacht nu even met al te rigoureus afbouwen, want wij willen graag de boer behouden in de EU. Er moet een eerlijke prijs voor een eerlijk product worden betaald. In dat licht moet u mijn opmerkingen over het gemeenschappelijk landbouwbeleid zien. De heer Ten Broeke (VVD): De melkprijzen hadden vooral te maken met de wereldmarktprijzen. De EU-landen hebben afgesproken dat na 2013 de inkomenssubsidies voor boeren versneld zullen worden afgebouwd. Dat is cruciaal omdat er anders opnieuw gigantische budgetten beschikbaar moeten worden gesteld voor de landbouwsector. We zitten nu al met een begroting van 140 mld. en ik weet niet hoeveel geld u daaraan nog wilt toevoegen. Het is van groot belang dat de ChristenUnie helderheid schept op dit punt. Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie): Die kan ik geven. Ik ben zeker voor een hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid. Er zal zeker iets moeten gebeuren aan de huidige financiële stromen, maar wij zeggen niet dat de inkomenssteun zonder meer moet worden afgebouwd. Als wij de boeren een rol willen laten spelen in landschaps- en natuurbeheer, moet daar iets tegenover staan. Hoe je dat dan noemt, is minder belangrijk. Voorzitter. Ik wil vandaag graag aandacht vragen voor de positie van de Roma. Dit staat niet als zodanig geagendeerd, maar het is wel een grensoverschrijdend onderwerp. Beleidsmatig is er vooruitgang geboekt sinds de eerste top in Brussel, maar het gaat nog te langzaam. Aan de basis merken de Roma nog te weinig. In een speech tijdens de jongste Roma-top legde de Hongaarse zakenman en filantroop George Soros de vinger op de zere plek. Financiële injecties van de EU en de afzonderlijke lidstaten ten spijt is de positie van de Roma in Europa er nauwelijks op vooruitgegaan en neemt de publieke opinie steeds openlijker vijandige vormen aan ten opzichte van deze grootste Europese minderheid. Daarnaast treft de economische crisis de zwakste schakels van de samenleving onevenredig zwaar. De Roma worden als vanouds in de positie van zondebok geplaatst. Ze staan niet als zodanig geagendeerd op het prioriteitenlijstje van de Kamer, maar verdienen wel bijzondere aandacht als wij het hebben over de bestrijding van mensenhandel en het functioneren van de Europese arbeidsmarkt. Hoge functionarissen van de Wereldbank staven met cijfers dat investeringen in de Roma niet alleen aan onze mooie Europese waarden appelleren, maar ook een harde economische noodzaak zijn. Eigenlijk is het dus een vorm van eigenbelang. De redenering is simpel. De meerderheid van de Roma beschikt in de werkzame leeftijd niet over voldoende onderwijs om succesvol te kunnen deelnemen aan de arbeidsmarkt. Daardoor verliezen EU-lidstaten jaarlijks honderden miljoenen euro's aan productiviteit en fiscale inkomsten. Voorzitter. Ik sluit mij aan bij de woorden van de heer Ormel over de staatssteunregels. Ook ik vraag aandacht voor een betere regelgeving op het gebied van aanbestedingen. De Commissie heeft aangekondigd in 2010 te zullen kijken naar een evaluatie van het Europese aanbestedingsbeleid. Het is van belang dat de aanbestedingsregels efficiënter en effectiever worden en dat de administratieve lasten bij aanbestedingen zo laag mogelijk worden. De heer Van Bommel (SP): Voorzitter. Zoals altijd met dit terugkerend jaarlijks overleg is het de vraag waarover wij het precies gaan hebben. Het werkprogramma gaat in principe over alle activiteiten die in het Europese plaatshebben. Wij kunnen het dus overal over hebben. Ik heb ook even gekeken naar het verslag van vorig jaar en dan kom je onderwerpen tegen als de fietspaden in Drenthe, de Duitse auto-industrie, Turkije en nog veel meer. Wat de SP betreft, moet het in ieder geval gaan over de vraag of de Commissie wel de juiste prioriteiten kiest en wat wij daarin missen. Daarnaast besteden wij in het overleg altijd aandacht aan wat wij vrij kunnen omschrijven als "de Commissie als wetgevingsmachine". Wat is de kwaliteit van de regels? Kunnen lidstaten de implementatie bijbenen? Wordt er wel gekozen voor de juiste instrumenten? Leert de Commissie wel van de bezwaren rond subsidiariteit enz. enz.? Ten slotte wil ik enkele opmerkingen maken over concrete voorstellen en over de vraag hoe het kabinet daarmee omgaat. Allereerst moet opgemerkt worden dat wij ten opzichte van de vorige bespreking in een heel andere politieke situatie zitten. Niet alleen door het Verdrag van Lissabon dat in werking is getreden, maar ook door de financieel-economische crisis. Wij zijn in ieder geval tevreden met de titel, want het is inderdaad tijd voor daden. De financieel-economische crisis en de klimaatcrisis vragen dat van ons en van de EU. In het vorige programma stond daar nog weinig over in, omdat de crisis toen net losbarstte. Van de prioriteiten op korte termijn richten de meeste wetgevingsvoorstellen zich op de aanpak van de financiële markten. Veel daarvan zijn herzieningen van bestaande richtlijnen die bedoeld zijn om de markt beter te temmen. Daarmee wordt deels erkend dat het probleem met de crisis niet zozeer is dat de EU niet genoeg bevoegdheden of regels heeft, maar dat de markt gewoon te veel ruimte is gegeven in het verleden. Een belangrijke benadering in dezen is de empowerment van de lidstaten. Die moeten weer in staat zijn om te doen waar ze voor zijn: het dienen van het algemeen belang. Dus niet meteen de conclusie trekken dat daarvoor weer nieuwe Europese bevoegdheden of instellingen nodig zijn. Helaas wordt dat een aantal keren wel gedaan, zoals bij de opzet van de Europese toezichthouder. Ik vrees dat deze empowerment naar de achtergrond verdwijnt. Is het kabinet bereid om dit als aandachtspunt naar voren te brengen en hierop toe te zien? Het is een groot gemis dat bij de voorstellen een initiatief om op korte termijn iets te doen aan de belastingconcurrentie tussen lidstaten, die onder andere heeft gezorgd voor een erosie van de inkomsten van de lidstaten, niet aan de orde komt. Het is niet voor niets dat veel landen die in de problemen zitten zeer lage tarieven hanteren. Afspraken over een minimumvennootschapsbelasting zouden kunnen helpen. Tevens is het aanpakken van speculatie en flitskapitaal noodzakelijk. Een bankenheffing staat hier niet genoemd, maar ik ga er vanuit dat er ruimte is bij de Commissie om dat terstond uit te werken zodra daarover overeenstemming is bereikt. Vervolgens wil ik iets zeggen over de 20/20/20-doelstelling. De rest van de agenda voor de korte termijn betreft vooral niet-wetgevende voorstellen op het gebied van deze strategie. Wij hebben al eerder gezegd dat hierbij te veel nadruk wordt gelegd op economische doelstellingen en dat sociale doelstellingen ondersneeuwen of daarvan afhankelijk worden. Een claim van de voorstanders van het Verdrag van Lissabon was dat dit verdrag Europa socialer zou maken. Waarom dan niet meteen beginnen met de paar aanknopingspunten die het Verdrag biedt, uit te werken? De Commissie schuift echter de uitwerking van het protocol voor diensten van algemeen belang naar achteren. Wij zouden juist verwachten dat dit kabinet, dat claimt bijna zelfstandig voor dit protocol te hebben gezorgd, hier zo snel mogelijk werk van maakt. Of is dit voor het kabinet een dode letter geworden? Zou de uitwerking hiervan, ook gelet op het Handvest van de Grondrechten dat nu formeel is vastgesteld, niet met voorrang moeten plaatsvinden vanwege de veel initiatieven aangaande de interne markt? Hier ligt een handelingsmogelijkheid voor het kabinet. Een ander gevolg van het Verdrag van Lissabon is dat de Commissie ook aan zet is voor wat betreft de politie- en justitiesamenwerking. In het verleden zagen wij dat ze sluipenderwijs probeerden een voet aan de grond te krijgen op dit terrein. Ik noem de introductie van strafrechtelijke bepalingen op allerlei gebieden, zoals het milieu. Ook de dataretentierichtlijn, de verplichte opslag van internetverkeersgegevens, is hiervan een voorbeeld. Er is overigens een herziening van deze richtlijn aangekondigd. Het resultaat is wel dat deze ontwikkeling steeds ad hoc heeft plaatsgevonden. Ook de lidstaten hebben hieraan meegewerkt. Niet voor niets zien we nu allerlei correcties achteraf, zoals het waarborgen van de rechten van verdachten in de procesgang, terwijl we al bezig zijn met een Europees arrestatiebevel en met het uitwisselen van verdachten. Ook het starten van het beoordelen van elkaars strafrecht komt natuurlijk laat, als wij nu al uitgaan van wederzijds vertrouwen in elkaars wetgeving. Geldt hier wellicht het motto "Beter laat dan nooit?" Mijn fractie is er voorstander van dat wordt nagedacht over de vraag hoe kan worden voorkomen dat het Europees strafrechtelijk bouwwerk niet een lappendeken wordt met deels tegenstrijdige bepalingen. Zien wij niet iets soortgelijks bij het consumentenrecht? Nu al wordt getracht te voorkomen dat gewerkt wordt met verschillende definities en bepalingen in de richtlijnen op dit gebied. Het Verdrag van Lissabon heeft tevens gevolgen voor de algehele werkwijze van de Europese Unie en dus ook voor dit programma. Het lijkt erop dat veel voorstellen het gevolg zijn van een verzoek van de Europese Raad. Is die indruk juist? Er wordt eveneens gevolg gegeven aan verzoeken van het Europees Parlement. Op zichzelf juichen wij dat toe, want daardoor wordt de Commissie steeds meer de uitvoerder van het beleid in plaats van de initiator. Wij vonden het namelijk altijd al vreemd dat een dergelijk democratisch niet-gelegitimeerd orgaan als initiator optrad. Deelt het kabinet deze analyse? Het belang van het bespreken van dit programma neemt sterk af als de initiatieven elders al zijn aangekondigd. Het kabinet steunt het voornemen van de Commissie dat inhoudt dat er beter wordt gelet op de implementatie van wetgeving. Dat voorstel steunen wij eveneens. We hebben namelijk te vaak de indruk dat Nederland het braafste jongetje van de klas is wat het naleven van regels betreft. Op het naleven van de regelgeving mag in andere landen beter worden gelet. De vraag is hoe het kabinet dat zou aanpakken. Dit moet niet slechts een strafexercitie worden. Zal er ook ruimte zijn om lessen te leren over de implementatie? Is het daardoor bijvoorbeeld ook mogelijk om ruimte te creëren, opdat we in Nederland iets losser met de wetgeving kunnen omgaan en men die in andere landen ietwat stringenter kan hanteren? De Commissie kan dan in eerste instantie misschien veel beter volstaan met een interpretatieve mededeling dan met het onmiddellijk opleggen van een strafmaatregel. Veel initiatieven hangen samen met de aangekondigde begrotingsherziening. Er zijn op deelterreinen onder andere relevante evaluaties gehouden en besluiten genomen, bijvoorbeeld over de cohesiefondsen. Ons parlement pleit voor een sterke vereenvoudiging daarvan, opdat er wordt gestopt met het rondpompen van geld. Het beheersen van de agenda is, om iets dergelijks te bereiken, het halve werk. Hoe wenst het kabinet te voorkomen dat de volgorde van behandeling de Nederlandse inzet doorkruist, of dat de Kamer achter de feiten aanloopt? Het zou toch raar zijn om hier te spreken over de inzet van cohesiefondsen, zonder dat precies duidelijk is of die straks voor alle lidstaten beschikbaar zullen zijn, of slechts voor de armste lidstaten. Het laatste heeft ook het kabinet met enige regelmaat als wens uitgesproken. Graag wil ik een reactie op dit punt. Is het een idee om in het algemeen, naast de toets op de subsidiariteit en de administratieve lasten, een zogenaamde rondpomptoets te introduceren? Is het oormerken van nationale uitgaven die moeten bijdragen aan het realiseren van Europese doelstellingen -- dat gebeurde deels al met de Lissabonstrategie -- veelal niet intelligenter? Tot slot sluit ik aan bij alle woordvoerders die het kabinet verzochten om in elk geval binnen drie weken een reactie te geven op voorstellen waarvoor een behandelvoorbehoud geldt, of waarop de Kamer een subsidiariteittoets wenst uit te voeren. De voorzitter: De heer Blom laat zich verontschuldigen, want hij zit ziek thuis. Ik zou daarom graag het woord voeren namens de fractie van de PvdA. ** Voorzitter: Van Bommel De heer Waalkens (PvdA): Voorzitter. De Europese Commissie kwam met haar Wetgevings- en Werkprogramma voor 2010 nadat de EU bijna twee jaar lang stil stond, in afwachting van de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon. Bij de beoordeling van dat programma zijn onze uitgangspunten als volgt: een Europa waarin sociale verworvenheden en publieke dienstverlening niet ondergeschikt zijn aan marktregels en internationale concurrentie. Het moet een Europa zijn met een schone, veilige en zekere energievoorziening, dat een leidende rol speelt in de strijd tegen de klimaatveranderingen. Wij gaan uit van een Europa dat de gevolgen van de globalisering opvangt, dat een bijdrage levert aan internationale solidariteit en dat werkt aan vrede en veiligheid in de wereld. Deze terreinen zijn bij uitstek geschikt voor een Europese aanpak. Ook de financiële crisis liet het belang van een Europese aanpak duidelijk zien. In het vervolg daarop, zal er op Europees niveau internationaal toezicht georganiseerd moeten worden. Het is immers duidelijk dat kapitaalschieters en banken zich al lang niet meer houden aan landsgrenzen. Internationaal toezicht heeft voor ons dan ook hoge prioriteit. Er moeten alleen Europese maatregelen worden vastgesteld, indien die daadwerkelijk noodzakelijk zijn en zij dus een toegevoegde waarde hebben. We verwachten ambitie en daadkracht van deze nieuwe Europese Commissie, binnen de haar toegekende bevoegdheden. Wat dat betreft is er voor ons parlement een belangrijke rol weggelegd. We moeten ook zelf inzet tonen om de ontwikkeling in de wet- en regelgeving binnen de Europese Unie te volgen, want een meerderheid van de nationale parlementen heeft de mogelijkheid om aan te geven dat er geen reden is om voor het oplossen van een probleem Europese regelgeving op te stellen. Ons uitgangspunt is dat lidstaten zelf bepalen welke publieke diensten zij hun burgers aanbieden. Denk daarbij onder andere aan pensioenen, zorg en onderwijs. Voor het realiseren van de sociale doelstellingen kan het noodzakelijk zijn om op sommige terreinen te kiezen voor Europees beleid, naast nationaal beleid. Een van de onderdelen van het Wetgevings- en Werkprogramma is het protocol over de diensten van algemeen economisch belang. Dit is nu de aangelegenheid van het ministerie van Economische Zaken. Het is naar ons oordeel van groot belang dat het werkveld van onder andere coöperaties, aanbestedingen in de zorg, geen onderwerp wordt van dispuut met de Commissie. We moeten wat dat betreft zeker onze eigen grenzen trekken. We weten als geen ander dat, als alleen de minister van EZ daarnaar kijkt, dit niet automatisch betekent dat men ook oog heeft voor het typisch Nederlandse maatschappelijk middenveld. Deze zorg is gebaseerd op de opstelling van de ministeries van EZ en Financiën in het verleden. Daardoor is ons volkshuisvestingsbestel nu onderwerp van dispuut met de Commissie, terwijl dat bestel al langer bestaat dan de Europese regels. Dat zou dus wat de staatsteun betreft niet meer ter discussie moeten staan. Wij willen niet meer via de achterdeur verrast worden en verzoeken het kabinet daarom, ervoor te zorgen dat de departementen van VWS en WWI hierbij op goede wijze worden betrokken. De heer Ten Broeke (VVD): Kan de heer Waalkens mij uitleggen waarom men in Brussel wetgeving zou moeten maken om vaderschaps- of zelfs ouderschapsverlof te regelen? De heer Waalkens (PvdA): Ik kan me heel goed voorstellen dat er in Europa gesproken wordt over vormen van verlof. Dat neemt niet weg dat voor ons voorop staat dat de nationale regelgeving leidend moet zijn en dat er op Europees niveau minimumeisen gesteld dienen te worden, zoals dat op meerdere terreinen gebeurt. De heer Ten Broeke (VVD): Als onze wetgeving leidend is, hebben we uit Brussel niets nodig. We hebben immers al wetgeving op dat terrein. Sterker nog, in Nederland is er ook sociale wetgeving voor ouders die hun kinderen naar school of naar een crèche moeten sturen. Waarom wijst de heer Waalkens die regelgeving van Brussel dan niet af? De heer Waalkens (PvdA): Onze inzet is erop gericht dat Europa minimumstandaarden vaststelt. Zodoende geeft men ook het sociale Europa een gezicht. Het staat iedere lidstaat vervolgens vrij om een kop op die regelgeving te zetten. Dat kan in sommige gevallen goed werken. Ik duid onder andere op regelgeving die betrekking heeft op de natuur. De lidstaten hebben wat dat betreft bijzondere verantwoordelijkheden en het is daarbij gerechtvaardigd om extra eisen te stellen. Ik kom op het financieel beheer. De Europese maatregelen die voortvloeien uit de financiële crisis, hebben voor ons hoge prioriteit. Dat geldt in het bijzonder voor de voorstellen die tot doel hebben om het Stabiliteits- en Groeipact te versterken. Verder geldt dat voor de Richtlijn voor het toezicht op financiële conglomeraten, later Omnibus II, en de herziening van de Richtlijn depositogarantiestelsel, de herziening van de Richtlijn kapitaalvereisten en de mededeling over opties voor banken: resolution funds. Wij hebben wat dit betreft geen andere opvatting dan de regering, die liet weten dat zij een groot voorstander is van een versterkt Europees toezicht op de financiële sector. De hoop die de regering heeft, namelijk dat de EU op dit punt haar ambitie en snelheid kan tonen, hebben wij ook. De PvdA-fractie steunt eveneens de inzet van de regering ten aanzien van het Stabiliteits- en Groeipact, alsmede haar opstelling op het punt van regelgeving, inclusief gedragsregels, over de beleggingsfondsen en de fondsbeheerders. In 2011 worden de eerste concrete voorstellen verwacht over het nieuwe meerjarige financiële kader van de EU-begroting. Gezien onze eerdere inzet, zijn wij van mening dat die behandeling door de Tweede Kamer verdienen. We kunnen ons voorstellen dat wij ten aanzien daarvan een parlementair voorbehoud maken, mede met het oog op het belang van deze meerjarige financiële perspectieven. Evenals de regering, wil de PvdA-fractie dat de EU-begroting binnen de perken wordt gehouden. Als alle landen veel moeite doen om de gevolgen van de financiële crisis op te vangen door de eigen begroting binnen de perken te houden, mag dat ook van de EU worden verwacht. De Nederlandse inzet is eerder bekendgemaakt ten behoeve van de begrotingsherziening. Die kan heel goed als uitgangspunt dienen. We moeten inderdaad voorkomen dat onderdelen van de toekomstige financiële perspectieven worden vastgelegd, voordat de onderhandelingen daarover zijn afgerond. Ook de PvdA-fractie is namelijk van mening dat alle onderdelen integraal onderdeel moeten zijn van de gehele begrotingsherziening. We mogen daarbij ook niet uit het oog verliezen dat de Europa 2020-strategie één van de pijlers van die herziening zou kunnen zijn. De EU begroting is hard aan modernisering toe. Denk daarbij met name aan het hervormen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid tot een GLB dat niet meer gericht zal zijn op inkomenssteun, maar op het stimuleren van ondernemerschap in de brede zin van het woord. Er dient te worden gediscussieerd over een nieuwe visie op de rol van de landbouw, bijvoorbeeld als onderdeel van de oplossing voor het klimaatprobleem, naast onder andere voedselzekerheid en armoedebestrijding. Gezien het huidige aandeel van het GLB in de totale EU-begroting in combinatie met andere prioriteiten die gefinancierd dienen te worden, dient het eerstgenoemde beleid onderdeel te zijn van het grotere geheel. De totale omvang van de EU-begroting mag niet toenemen. Er moet dus worden geschoven met budgetten. Vooruitlopend op het nieuwe meerjarige financiële kader van de EU-begroting zeg ik nogmaals dat er geen afspraken kunnen worden gemaakt die tot gevolg hebben dat onderdelen van de toekomstige financiële perspectieven al worden vastgelegd. Met dit alles in het achterhoofd meent de Partij van de Arbeid-fractie dat het maken van een behandelvoorbehoud op de wetgeving volgend op de mededeling over het GLB na 2030 nuttig kan zijn. De heer Ten Broeke (VVD): Bij de Staat van de Unie deed de VVD voorstellen om de EU-begroting voor de toekomst radicaal te hervormen en eindelijk eens te laten gaan over dingen waar gewone mensen het ook over hebben. Dat is dus niet de huidige begroting, want die gaat voor 80% naar zaken die vooral te maken hebben met de vorige eeuw. In dat debat zei de vertegenwoordiger van de Partij van de Arbeid dat dit voorstel interessant was en dat de PvdA misschien daarin mee kan gaan. Toen werd ook de suggestie gewekt dat de Partij van de Arbeid ook in is voor een verlaging van de begroting, namelijk andere posten en een lager plafond. De heer Waalkens zegt nu echter: een klein beetje hervormen, maar eigenlijk op de bekende weg, en geen verlaging. Is dat een goede samenvatting? De heer Waalkens (PvdA): De volgorde is wat ons betreft dat wij binnen de Europese Unie doelen stellen en vervolgens kijken hoe wij die via de instrumenten, de richtlijnen en andere wetgeving vanuit Brussel, faciliteren met regelgeving. Het budget is dus het uitvloeisel van de doelen en de instrumenten. Dat is de volgorde. Ik ben het absoluut eens met de heer Ten Broeke dat wij doelen moeten stellen die gericht zijn op het klimaat. Wij moeten namelijk de kosten voor klimaatadaptatie en -mitigatie voor onze rekening nemen, zodat wij tot duurzame en veilige energie komen en zeker ook tot energiezekerheid. Je moet dus opnieuw bekijken in hoeverre voor deze belangrijke doelstellingen regelgeving en budget nodig is. Met het stellen van de doelen begin ik dus niet aan de achterkant maar aan de voorkant. Uiteindelijk wordt in de subsidiariteitstoets de besluitvorming ofwel verdeeld over de lidstaten ofwel bij Brussel neergelegd. Het is echter zeker zo dat Brussel niet duurder moet worden dan wij met elkaar hebben afgesproken. De heer Ten Broeke (VVD): Onze voorwaarden zijn bekend. Wij hebben keuzen gemaakt waarover die nieuwe begroting moet gaan. Andere partijen zijn daarover echter onduidelijk. De heer Waalkens was destijds in het debat wel helder, maar nu laat hij het geld staan. Hij zegt dat er een paar nieuwe zaken zijn waaraan hij aandacht wil besteden. Om echter te voorkomen dat wij een situatie krijgen waarin geld op zoek gaat naar beleid, vraag ik de heer Waalkens wat het hem waard is. Gaat de EU-begroting omlaag bij de Partij van de Arbeid? Gaat bijvoorbeeld ook de Nederlandse afdracht omlaag? Dat suggereert de PvdA namelijk wel in haar programma. De heer Waalkens creëert hier echter mist. De heer Waalkens (PvdA): Nee, laten wij helder zijn. De nieuwe ambities van Europa worden nu vastgelegd in het wet- en werkgevingsprogramma van de Commissie. Het is onze taak om de nieuwe doelen die wij in Europa stellen, te budgetteren. Daarbij is soberheid absoluut troef. Als dit kan inhouden dat het budget naar beneden bijgesteld wordt, is dat een interessante gedachte. Wij beginnen echter met de trits: doelen, regelgeving en budget. Naast de modernisering van de EU-begroting moet er ook veel aandacht zijn voor de verantwoording van de EU-uitgaven. De EU-Rekenkamer wijst keer op keer op de tekortkomingen in de verantwoording van de EU-uitgaven door de verschillende landen. Zoals de Partij van de Arbeid-fractie al eerder heeft ingebracht, kan wellicht een deel van de tekortkomingen al opgevangen worden door een vereenvoudiging van de regels. Het financiële reglement van de EU-begroting is ook op dat punt aan herziening toe. Ik ga verder met de toekomst van het Europees ontwikkelingsfonds. Op dit onderwerp willen wij graag een behandelvoorbehoud maken. Verder willen wij het groenboek begrotingssteun OS als prioritair voorstellen, net als het voorstel voor een nieuw partnerschap tussen de EU en de overzeese gebieden. Er staat niets in het wetgevings- en werkprogramma over de European External Action Service van de Hoge Vertegenwoordiger. Als reden hiervoor wordt aangevoerd dat er officieel nog niets is afgerond. Dat maakt het echter niet minder belangrijk. Wij willen daarom graag benadrukken dat wellicht Hoge Vertegenwoordiger Ashton hierin zelf een actieve rol moet spelen en veel nadrukkelijker met opvattingen en voorstellen voor een gemeenschappelijk standpunt moet komen. Tot slot wil ik aansluiten bij de opmerkingen dat de Kamer met het kabinet afspraken wil maken over hetgeen wij prioritair en subsidiair hebben gesteld op grond van de beoordeling in de vakcommissies, voor zover dat mogelijk is. Wij zien graag binnen drie weken de BNC-fiches en in ieder geval een geannoteerde positie van het kabinet tegemoet. De heer Ormel (CDA): De heer Waalkens was nogal stellig over het Europees Ontwikkelingsfonds. De PvdA wil daarvoor een behandelingsvoorbehoud maken. Pas op de middenlange termijn kunnen wij daarover een positie verwachten. Het is dus wat vroeg om dat nu al te stellen. Bovendien stellen wij hier alleen maar het voornemen om dat eventueel te gaan doen. Mag ik de heer Waalkens vragen waarom hij zo stellig is? Wat is zijn punt over het Europees Ontwikkelingsfonds? De heer Waalkens (PvdA): Ik ben zo stellig omdat het meer en meer zonneklaar wordt dat wij veel meer via Europa zouden moeten doen dan via de nationale lidstaten. De verdeling van de gelden over Europa kan vele malen effectiever. Wij willen op dit punt de positie van het Europees Ontwikkelingsfonds scherp tegen het licht houden. Wij vinden namelijk dat Europa niet de zoveelste donorgemeenschap is, maar dé donorgemeenschap, die op basis van een groot budget echt het verschil kan maken. De heer Ormel (CDA): Als u een behandelingsvoorbehoud maakt, dan wilt u daarmee aangeven dat u juist reserves hebt. U zegt: ho, pas op de plaats. U wilt echter juist een versnelling. De heer Waalkens (PvdA): Dat is een negatieve uitleg van het behandelvoorbehoud. Het behandelvoorbehoud is een positie waarin je op het scherpst van de snede met elkaar discussieert over wat je wilt. Mijnheer Ormel concludeert daaruit dat wij iets niet willen. Je kunt ook stellen dat wij een aantal dingen wel willen. Het is geen negatief instrument, maar het is een positief instrument. Zo heb ik het ook beschouwd in de voordracht van de heer Ten Broeke en mevrouw Wiegman. Voorzitter: Waalkens De voorzitter: Dit was de inbreng van de Kamer in eerste termijn. Ik geef de minister voor Buitenlandse Zaken graag het woord. ** Minister Verhagen: Voorzitter. Ik ben de minister ván Buitenlandse Zaken en vóór Ontwikkelingssamenwerking. Zo gaat dat maar door tegenwoordig. De voorzitter: En de minister is demissionair! ** Minister Verhagen: En dat alles demissionair. De heer Ormel (CDA): De minister is vóór kernenergie. Minister Verhagen: Zo hebben wij heel de campagne weer gehad. Voorzitter. Ik dank de Kamer voor haar commentaar. Om te beginnen sluit ik mij aan bij de openingsopmerkingen van de heer Ten Broeke. Daarin zei hij dat het van belang was om hier vandaag met elkaar over het wetgevings- en werkprogramma te spreken. Het commissiewerkprogramma wordt vanuit Brussel vaak een beetje gezien als een technocratische exercitie; een boodschappenlijstje van initiatieven en wetsvoorstellen die de Commissie de komende periode wil afscheiden, met een doorkijkje naar de volgende jaren. Ik ben het daar niet mee eens. Volgens mij is de Kamer het daar ook niet mee eens. Dat geldt in het bijzonder voor de heer Ten Broeke, temeer omdat hij zo op het belang wees om hierover met elkaar van gedachten te wisselen. Hoe vroeger Kamer en regering anticiperen op potentieel voor Nederland belangrijke commissievoorstellen, des te beter beslagen komen wij te zijner tijd ten ijs. Juist in de beoordeling en het bijsturen is het van belang om dit in een vroeg stadium te doen. Daarom is het van belang dat de Kamer en de regering in dit vroege stadium in den brede eens over het nieuwe programma discussiëren. Het betreft dan de vraag wat onze prioriteiten zijn, waarop wij moeten focussen en waar wij nu al voorbehouden willen maken etc., met juist als oogmerk om te komen tot een gezamenlijke prioriteitenlijst. Natuurlijk -- dat weten we allemaal -- liggen ook met dit werkprogramma niet alle voorstellen op tafel. Er moet nog een uitwerking komen. Toch is het goed om al in dit stadium met elkaar van gedachten te wisselen. De Kamer heeft een lijst samengesteld met daarop punten die zij prioritair vindt en van het grootste belang acht. Als ik die lijst vergelijk met de lijst van het kabinet, dan komen die twee grotendeels overeen. Het is natuurlijk wel plezierig dat de Kamer en de regering eensgezind kunnen omgaan met de plannen van de Europese Commissie. Terecht vragen de heer Ormel en anderen om erop toe te zien dat de Kamer tijdig geïnformeerd wordt over belangrijke en door ons prioritair geachte initiatieven van de commissie. Anders kun je ook niet op het juiste moment ingrijpen. Ik zeg de Kamer graag toe dat voor de voorstellen waarop de Kamer ofwel een subsidiariteitstoets wil inroepen ofwel een parlementair voorbehoud, de versnelde procedure voor BNC-fiches geldt. Dat betekent dat het in ieder geval naar de Kamer komt voordat het in Brussel behandeld wordt, liefst binnen drie weken, maar in ieder geval voordat het in Brussel behandeld wordt. Anders wordt de bevoegdheid van de Kamer ter zake uitgehold, puur door het verstrijken van de tijd, en dat is niet mijn bedoeling. Voor de andere voorstellen, die prioritair zijn, maar waarop de Kamer geen voorbehoud of subsidiariteitstoets van toepassing heeft verklaard, geldt de gebruikelijke termijn van zes weken. Daarop is er dan weer de gebruikelijke uitzondering voor witboeken en groenboeken, waarover een meer principieel debat gewenst is, ook op basis van een kabinetsreactie. In alle gevallen, dus ook voor prioritaire zaken, geldt dat het moment van behandeling in Brussel leidend zal zijn. De Kamer moet voldoende tijd krijgen om de voorstellen goed te bestuderen. De heer Ten Broeke (VVD): Voorzitter. We moeten toch iets preciezer zijn. Er is aan de kant van de Kamer heel nadrukkelijk meegedacht en er is een reëel voorstel geformuleerd. Dat moet de minister niet weer gaan oprekken, want dat doet hij nu toch een beetje. Hij besteedt heel veel warme woorden aan de Kamer en loopt zelfs een beetje vooruit op wat wellicht na 9 juni zijn eigen situatie wordt, maar het gaat hier om het volgende. Als er een behandelvoorbehoud gesteld wordt, dan willen we het binnen drie weken. Punt. Is een punt prioritair en subsidiair, dan kunnen we zeggen: akkoord, de inspanningsverplichting moet er zijn om het binnen zes weken te doen en voor de rest kijkt de minister zelf hoe het met de dossiers gaat in Brussel en afhankelijk daarvan maakt hij een keuze. In het andere geval moet het echter binnen drie weken. Dat is dus geen inspanningsverplichting om het binnen zes weken te doen. Nee, dan moet het gewoon binnen drie weken. Minister Verhagen: Ik begrijp dat de heer Ten Broeke nog steeds in zijn oppositionele rol zit en derhalve overal verschillen probeert te vinden waar die niet zijn. Misschien dat hij ook vooruitloopt op de toekomst. Ik gun hem dat niet. Ik gun een ieder allerlei andere ontwikkelingen. Met de voorzitter zijn ook op dit punt afspraken gemaakt. De voorzitter zegt zelf dat het in dezen essentieel is geweest dat de Kamer haar werk kan doen. Derhalve moet voor het moment van behandeling in Brussel hierover in goede orde een debat gevoerd kunnen worden, opdat de bevoegdheden kunnen worden waargemaakt. De heer Ten Broeke kan wel spijkers op laag water gaan zoeken, maar ik heb de Kamer de verkorte procedure toegezegd. De verkorte procedure houdt in dat het binnen drie weken hier is. Al gaat de heer Ten Broeke hier op zijn kop staan, dan nog krijgt hij niets anders te horen. De heer Ten Broeke (VVD): De verhoudingen liggen toch echt iets anders. Als er iemand op zijn kop moet gaan staan, is het de minister als de Kamer daarom in meerderheid vraagt. Ik heb heel goed geluisterd. Er is gezegd: drie weken. Misschien maak ik het verschil te groot. Dat zou dan mooi zijn. Er bestaat een verschil tussen een inspanningsverplichting en een resultaatverplichting. Wij vragen op het behandelvoorbehoud een resultaatverplichting. Dat is dus heel helder. Als de minister daarop gewoon “ja” zegt, hebben wij dus geen verschil van mening. Dan hoeft er niemand op zijn kop te gaan staan en gaan wij de controle gewoon goed doen. Minister Verhagen: Voorzitter. Ik constateer dat de heer ten Broeke niet goed luistert. Ik zeg dat de verkorte procedure betekent: binnen drie weken. Dat wil hij kennelijk niet horen. Hij begint vervolgens over resultaatverplichtingen en inspanningsverplichtingen. Daarover heb ik niet gesproken. Ik constateer dat hij spijkers op laag water zoekt. Hij ziet althans verschillen die er niet zijn. Zo kunnen wij de hele dag wel doorgaan. De heer Ten Broeke suggereert dat ik iets anders zeg dan het geval is. Ik zeg niets meer dan hetgeen de heer Ormel als eerste lid van de Kamer heeft gevraagd. De heer Ormel (CDA): Ik dank de minister voor de toezegging die hij heeft gedaan. Ik wil nog een verduidelijkende vraag stellen. De minister heeft toegezegd: “binnen drie weken, voor het in Brussel behandeld wordt”. Bedoelt hij met de behandeling in Brussel de bespreking in de Europese Commissie? Minister Verhagen: Het moment van behandeling in Brussel betreft de bespreking in de Raad van Ministers. De Europese Commissie gaat daaraan vooraf. Zo lang de Commissie het niet heeft behandeld, kan het überhaupt niet naar de Kamer worden gezonden, laat staan dat ik een BNC-fiche zou kunnen laten maken. De Commissie behandelt het dus eerst. Daarna wordt het conform de gangbare BNC-procedure met een begeleidend schrijven van het kabinet aan de Kamer toegezonden. Wij kunnen er dan over spreken voordat de behandeling in de Raad van Ministers plaatsvindt, dus voordat er besluiten over worden genomen die de Kamer onwelgevallig zouden zijn. De heer Ormel (CDA): Dat betekent dus dat het de Kamer bereikt nadat het door de Europese Commissie is behandeld. Dan bereikt een BNC-fiche ons dus binnen drie weken nadat het door de Europese Commissie is besproken? Minister Verhagen: Nadat wij het hebben ontvangen. Als wij het niet hebben, kunnen wij er immers niets mee doen. Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie): Begrijp ik het goed dat het dan binnen maximaal drie weken na publicatie van het voorstel naar de Kamer komt? De termijn is dus niet maximaal drie weken nadat de regering ernaar gekeken heeft, maar maximaal drie weken na publicatie van het voorstel door de Europese Commissie? Minister Verhagen: Ik neem aan dat het minder relevant is midden in de zomer wanneer er geen Raad van Ministers plaatsvindt en de Kamer niet bij elkaar komt. Zoals ik al heb gezegd, ga ik ervan uit dat het kabinet de Kamer het BNC-fiche via de versnelde procedure zal doen toekomen als de Kamer een subsidiariteitstoets wil inroepen of een voorbehoud wil maken. Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie): Ik wil zeker geen spijkers op laag water zoeken. Het is heel vriendelijk dat de minister zegt dat hij graag rekening houdt met de zomervakantie van de Kamerleden. Dat is heel prettig. Minister Verhagen: Reces is toch iets anders dan zomervakantie? Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie): Precies. Daarom zou het volgens mij goed zijn om de Kamer zelf te laten bepalen binnen welke termijn wij zaken gaan behandelen. We willen de minister echt vastpinnen op het maximum van drie weken. Minister Verhagen: Meer dan vastpinnen kunt u niet, maar ik begrijp dat u er groot belang aan hecht, allemaal. Vandaar dat u dit nog steeds onderstreept, behalve de heer Van Bommel. De heer Van Bommel (SP): Ik zit voortdurend instemmend te knikken! Minister Verhagen: Gelukkig. Er is een Kamerbrede eagerness om zo snel mogelijk alles te horen en om te weten te komen waarover het gaat. Daar houden wij vanzelfsprekend rekening mee. Bij de prioritaire thema's waarop de Commissie zich zou moeten concentreren ten behoeve het werkplan gaat het om een aantal zaken die u zelf aan de orde hebt gesteld, maar ook om een aantal bredere zaken. Het gaat hierbij om duurzaamheid en om de draagkracht van de aarde en ook om de noodzaak dat Europa een voortrekkersrol speelt bij mondiale uitdagingen als klimaatverandering en uitputting van de grondstoffen en traditionele energiebronnen. Het gaat uiteraard ook over de hand over hand toenemende vervlechting van de markt en de sterke opkomst van de concurrerende economieën. Dit betekent dat Europa fors moet investeren in versterking van ons concurrerend en innovatief vermogen, wil het niet achterop raken. We kijken ook naar de opkomende economieën, die steeds meer speelruimte voor zichzelf opeisen, niet alleen economisch, maar ook op internationaal politiek terrein. Er is een beweging naar een meer multipolaire en internationale orde. Europa moet daarop anticiperen. Europa moet durven uitgaan van zijn eigen kracht. De waarden die wij daarbij steeds centraal stellen zijn vrijheid en democratie, een weerbare sociale markteconomie en een waardering voor culturele en religieuze verscheidenheid. We moeten de durf behouden om dat te blijven uitdragen. Met dat in het achterhoofd heeft het kabinet gekeken naar het voorliggende werkprogramma. Daar zijn wij op zich niet ontevreden over, maar we blijven wel kritisch. De Commissie zal zich ten eerste moeten toeleggen op het zoeken van een prudente uitweg uit de financieel-economische crisis. Mevrouw Wiegman merkte terecht op dat dat een van de belangrijkste taken in de komende periode is, met behoud en versterking van het Europese sociale marktmodel. Als je kijkt naar de recente discussie over de ontwikkelingen van de financiële situatie in Griekenland, is het duidelijk dat het economische herstel nog zeer broos is. Er moeten dus nog veel initiatieven genomen worden. Er is veel werk aan de winkel. Ten tweede is het van belang dat de Commissie, wellicht meer dan in het verleden, zich concentreert op praktische maatregelen en praktische stappen, die de burger rechtstreeks en positief beïnvloeden. Deze maatregelen moeten ook de zichtbaarheid van Europa voor de burger versterken. Het gaat hierbij ook om elementen waar de burger rechtstreeks de vruchten van kan plukken. Ten derde zal de Commissie naar onze mening handen en voeten moeten geven aan onze ambities op het externe beleid. Het internationale politieke gewicht van Europa correspondeert nog steeds niet met het economische gewicht. Met het Verdrag van Lissabon hebben we daarvoor een aantal instrumenten. Terecht wezen de heer Ormel en de voorzitter op de noodzaak van een fatsoenlijk functionerende Europese diplomatieke dienst en van het fatsoenlijk functioneren van de Hoge Vertegenwoordiger, mevrouw Ashton. Ik heb de brief inzake de voorstellen van EDEO, de externe dienst, dit weekend getekend. Ik ga er dus van uit dat deze onderweg is naar de Kamer. Ik zie dat er instemmend wordt geknikt. De voorzitter: Hij is er al. ** Minister Verhagen: Hij is er zelfs al. Als de leden hun internet openen, moet de brief te vinden zijn. De heer Ormel (CDA): We luisteren nu naar u. Minister Verhagen: Inderdaad: u luistert nu naar mij. In neem aan dat we nog een apart debat zullen voeren over het onderwerp van die brief. De voorstellen inzake EDEO staan niet in het werkprogramma maar wel in de voorstellen die Ashton heeft gepresenteerd, waarover ik de Kamer mijn bevindingen heb toegestuurd. Die heeft de Kamer nu dus. Even los van de elementen die ik net noemde, zal de nadruk op dit punt gedurende de komende periode vooral liggen op de materiële bestrijding van de financieel-economische crisis en de versterking van het toezicht op de financiële sector. De heer Ormel vraagt of een gemeentehuis in de Achterhoek ook Europees moet worden aanbesteed. Deze vraag doet mij denken aan een discussie die ik in het verleden heb gevoerd, onder andere met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, over de Europese aanbestedingsregels. Dit gebeurde naar aanleiding van een gemeente die zomaar verklaarde dat de Europese aanbestedingsregels voor haar niet golden en die derhalve de opdracht maar gunde aan de lokale aannemer. Die tijd is voorbij. Ook in de Achterhoek, ook in Baskenland moet een gemeentehuis Europees aanbesteed worden. Die combinatie staat letterlijk zo in het verslag: Baskenland of de Achterhoek. Ik wil de Achterhoek absoluut niet vergelijken met Baskenland! De heer Van Bommel (SP): De vraagsteller misschien wel … Minister Verhagen: In het kader van die discussie kwam naar voren dat het Gemeentelijk Havenbedrijf Rotterdam een functionaris heeft die alleen maar bezig is met Europese aanbestedingen. Hij zei dat het havenbedrijf geld heeft verdiend door zich te houden aan de Europese aanbestedingsregels. Je moet het dus wel goed doen. We vinden het belangrijk dat Nederlandse aannemers, zeker die in de Achterhoek, ook in Duitsland wegen kunnen aanleggen dan wel gemeentehuizen of bruggen kunnen bouwen. Daar zijn de Europese aanbestedingsregels natuurlijk voor. Die maken het mogelijk dat een geweldig goede aannemer uit de Achterhoek over de grens aan de slag kan, in een ander deel van de euregio. Uiteraard moeten de Europese aanbestedingsregels wel werkbaar zijn. Daarop zien wij toe. De heer Ormel vraagt hoe het zit met de toepassing van de staatssteunregels. Ook die acht hij zeer complex voor met name de lokale overheden. Hij wil weten hoe die complexiteit zich verhoudt tot de aanpak van de administratievelastendruk. De complementering van de interne markt achten wij van groot belang. Daarbij hoort uiteraard ook de juiste toepassing van de regels voor staatssteun, want anders krijg je valse concurrentie. Tegelijkertijd is duidelijk dat de toepassing van de staatssteunregels in de praktijk inderdaad zeer complex is voor decentrale overheden. Nederland zal er dan ook nauw op toezien dat die regels uitvoerbaar blijven en dat de administratieve lasten als gevolg van deze regels niet toenemen. Het kabinet is hierover in nauw overleg met de decentrale overheden, de VNG en het IPO. In 2009 is in opdracht van het ministerie van Economische Zaken en het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties een onderzoek uitgevoerd. Hieruit blijkt dat gemeenten en provincies zich bewust zijn van de Europese regels voor staatssteun en dat zij er alert op zijn dat die goed worden toegepast. Door samen te werken proberen we er nu voor te zorgen dat er door de complexiteit geen overbodige administratieve lasten tot stand komen. De heer Ormel vraagt naar de Europese ontwikkelingssamenwerking. De heer Waalkens sprak daar ook over, zij het in een iets andere context. Zoals aangekondigd in het werkprogramma, komt de Europese Commissie aanstaande woensdag met haar jaarrapport over de Europese ontwikkelingssamenwerking. Daarin geeft zij onder meer een overzicht van welke landen on track zijn voor de Millennium Development Goals. Op aandringen van de Kamer hebben wij er steeds op aangedrongen dat andere Europese landen zich eindelijk gaan houden aan het nakomen van hun verplichtingen, zowel voor de Millennium Development Goals als voor de verplichte ODA-uitgaven van 0,7% in 2015. We zullen erop blijven aandringen dat alle landen zich aan die afspraken houden. In datzelfde rapport zal de Commissie een aanzet geven voor de positie van de Europese Unie bij de Millennium Development Goals-top in september. Ze is van plan met een ambitieuze inzet te komen. Ik vind dit, wat nu aangekondigd is, iets anders dan het Europees Ontwikkelingsfonds en de discussie over de vraag of Europa doet wat het moet doen voor ontwikkelingssamenwerking, waar de heer Waalkens kanttekeningen bij plaatst. Ik vind het opmerkelijk, maar ook triest om te moeten constateren dat ikzelf in 1990, toen ik Ontwikkelingssamenwerking deed in Europa, een paper schreef over exact het dilemma dat hij schetst. Die paper ging over de Europese Unie als dertiende lidstaat. Toen waren er nog twaalf lidstaten. Ik heb toen een pleidooi gehouden voor een taakverdeling. De EU moet niet gewoon een dertiende lidstaat zijn. Dan heeft ze geen toegevoegde waarde. De Unie moet, conform het subsidiariteitsbeginsel, datgene doen waarbij ze meerwaarde heeft en niet gewoon dupliceren. Ik vind die discussie nog steeds relevant. Het feit dat de heer Waalkens die anno 2010 nog opvoert, geeft aan dat het enerzijds een belangrijke discussie is maar anderzijds ook een zaak van lange adem. Dat is een van de redenen waarom ik in de discussie met Ashton steeds zeg dat het Europees ontwikkelingsbeleid geïntegreerd hoort te zijn in het totale externe beleid van de Europese Unie, ook al heb je als commissaris voor Ontwikkelingssamenwerking een onderscheiden verantwoordelijkheid van de Hoge Vertegenwoordiger. Ik vind het een interessante discussie. Ik weet niet of het nodig is om direct een voorbehoud op dit punt op te leggen, maar het geeft wel aan dat het relevant is. Nederland neemt overigens het voortouw om te komen tot een taakverdeling. Gebruikmakend van de expertise die je hebt op dat punt, kun je zeggen: hierbij neemt Nederland het voortouw, laat Frankrijk daarbij het voortouw nemen enzovoorts. Dan moet je dus ook af van de wens die lidstaten nog hebben om hun eigen vlaggetje neer te zetten. Wil je een efficiënte besteding van gelden, ook van ontwikkelingsgelden, dan zul je deze discussie aanmoeten. Dat laat één ding onverlet. Het is nu voor het eerst dat het Europees Parlement eindelijk zeggenschap heeft over het Europees Ontwikkelingsfonds, terwijl het eerder altijd intergouvernementeel was en derhalve zonder invloed van het Europees parlement. Dat is een van de grote veranderingen van het Verdrag van Lissabon. De heer Van Bommel (SP): We kunnen misschien wel vaststellen dat, met uitzondering van de betrokkenheid van het Europees Parlement, de afgelopen twintig jaar op dit punt niet zo veel veranderd is, ondanks de visionaire blik van het Europees Parlementslid Verhagen toen en de kijk van het Kamerlid Waalkens heden. Heeft het niet ook alles te maken met de historie van dit beleidsterrein en met het postkoloniale tijdperk, waarin lidstaten als vanzelfsprekend hun blik ook op het verleden hebben gericht? In die zin hebben ze ook een verantwoordelijkheid in te vullen die maakt dat zij bilateraal een grotere betrokkenheid bij bepaalde landen hebben. Op het punt van complementariteit moeten we niet zozeer naar Europa kijken, maar misschien wel naar een groter verband, bijvoorbeeld de Verenigde Naties. Daar zou mijn partij meer de aandacht op willen vestigen. De voorzitter: Mag ik erop wijzen dat wij geen indringend debat voeren over het EOF, maar meer over de thema's die van belang zijn? ** Minister Verhagen: De heer Van Bommel heeft deels gelijk dat markttoegang/oud-koloniaal verleden absoluut een rol heeft gespeeld in de oorsprong van de relatie met de African, Caribean and Pacific-landen in het kader van het Europees ontwikkelingsfonds. Nu het belang van een extern beleid in het kader van 2010 en het Verdrag van Lissabon in den brede wordt onderstreept, zou je daarin voortgang kunnen maken, maar die discussie gaan wij ongetwijfeld nog een keer voeren. De heer Ten Broeke vroeg hoe het zit met aandacht voor asiel. Hij zag het Haags Programma nergens meer. Het Haags Programma heet niet meer Haags Programma, want het heeft een vervolg gekregen. Dat zie je wel terug in het werkprogramma: het Stockholm Programma. Ik verwelkom de belangrijke plaats die de Commissie daarvoor inruimt. De Commissie voorziet daarin een verdere uitbouw van de Europese ruimte van vrijheid, veiligheid en recht. De Commissie zou juist wel met voorstellen moeten komen ter voltooiing van het gemeenschappelijk Europees asielbeleid, want door de verschillen kan het ene land een aanzuigende werking hebben, omdat het bepaalde regels soepeler hanteert, ten opzichte van het andere land. Het is van belang dat de Commissie op dat punt wel degelijk voorstellen doet. Die worden ook aangekondigd. Het nieuwe verdrag voorziet verder in mogelijkheden om toe te treden tot het EVRM, voorstellen voor een raamwerk voor gegevensbescherming en een interne veiligheidsstrategie. Met andere woorden, op dit terrein zal de Commissie met extra voorstellen komen, ook op basis van het huidige werkprogramma. De heer Ten Broeke vraagt zich af of het, gezien de voorstellen over economisch beleid en de ontwikkelingen, niet eens tijd wordt dat wij niet alleen de carrots maar ook de sticks wat nadrukkelijker op tafel leggen. Ik vind met hem dat de opties van sticks, van sancties, nadrukkelijker op tafel zouden moeten liggen indien de lidstaten de regels van het Groei- en Stabiliteitspact niet respecteren. Daar bestaan mogelijkheden voor. Die zijn niet benut. Wij vinden dat wij die moeten benutten. Daarnaast vindt de Nederlandse regering dat wij ook moeten bekijken of nog andere effectievere sancties denkbaar zijn. Dat zal ook aan de orde komen in de werkgroep onder leiding van de heer Van Rompuy. Wij als regering zijn de heer Ten Broeke erkentelijk voor zijn aansporing. De heer Ten Broeke vraagt wat de regering doet bij Europese aanbestedingen, in het bijzonder voor zzp'ers. Voor zzp'ers is het inderdaad vaak lastig om mee te dingen in zo'n aanbestedingsprocedure. In dit opzicht is het van belang dat opdrachten niet te groot zijn. Je kunt een opdracht immers zo groot maken dat het voor een zzp'er volstrekt onmogelijk is om eraan mee te doen. Theoretisch zou hij dat kunnen maar in de praktijk absoluut niet. Je moet ook geen onredelijke eisen aan een opdracht verbinden die bij voorbaat niet in te vullen zijn door een zzp'er. Als bijvoorbeeld de eis is dat je minimaal zo veel personeelsleden moet hebben, dan haak je als zzp'er al snel af. Zeker als zo'n opdracht door een zzp'er uitgevoerd kan worden, moet de overheid geen eisen stellen die het hem feitelijk onmogelijk maken om mee te dingen. Daar kunnen wij deels zelf iets aan doen in Nederland of zelfs veel. De minister van Economische Zaken heeft een nieuw voorstel in voorbereiding voor de aanbestedingswet, waarin zij een aantal maatregelen voorstelt om het voor zzp'ers gemakkelijker te maken. Dat komt naar de Kamer toe als het is afgerond. Daar werkt de minister van EZ hard aan. Daarin wordt onder andere naar voren gebracht dat een aanbestedende dienst bij elke opdracht vooraf goed moet nadenken over de eisen, criteria en voorwaarden die hij stelt aan een opdracht. Die eisen maken het namelijk wel of niet mogelijk voor iemand om serieus te kunnen meedingen. Aanbestedende diensten moeten bij elke opdracht dus eerst nagaan hoe de markt uitziet wat betreft concurrentie. Zijn er in een markt veel kleine bedrijven actief, zzp'ers maar ook bedrijven uit het mkb, dan ligt opdeling van de opdracht voor de hand. Zo kan een zzp'er of een bedrijf uit het mkb rechtstreeks inschrijven. De minister van Economische Zaken heeft dus een nieuw voorstel voor de aanbestedingswet in voorbereiding. Op basis van wat ik daar nu van heb gezien, denk ik dat dit voorstel ook tegemoetkomt aan de hartenkreet van de heer Ten Broeke. De VVD-fractie is kritisch over voorstellen op het terrein van ouderschapsverlof, zoals vaderschapsverlof. Zij wil die voorstellen met de grond gelijkmaken en hoopt dat wij dat ook doen. De Commissie heeft inderdaad aangegeven in 2010 een kosten-batenstudie te willen uitvoeren naar een mogelijk initiatief voor vaderschapsverlof. De heer Ten Broeke hoort mijn formulering en ik weet zijn antwoord al: zie je wel, het gaat weer beetje bij beetje en uiteindelijk kunnen we geen nee meer zeggen. Hij kan er echter van uitgaan dat wij dit voorstel buitengewoon kritisch zullen beoordelen, vooral op het punt van subsidiariteit en proportionaliteit. Ook de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft de Kamer op 13 april in een brief geschreven dat wij het idee van een vaderschapsverlof afwijzen. De heer Ten Broeke kan ervan uitgaan dat die kritische blik van minister Donner overeenkomt met zijn vernietigende blik. De heer Ten Broeke vraagt ook hoe wij aankijken tegen energie-infrastructuur. Ik neem niet aan dat hij alleen doelde op het debat van afgelopen vrijdag, althans de discussie die daarna in bepaalde kranten werd gevoerd. Ik vind het Europese energiebeleid van energieveiligheid, energiezekerheid en energiediversificatie zowel qua leverancier als qua bron, als zodanig echter van groot belang. Daarbij past ook een infrastructuur. Het is evident dat geen fatsoenlijk Europees energiebeleid kunt voeren als je distributie en infrastructuur niet op orde zijn. Infrastructurele projecten als Nabucco, South Stream en North Stream vergroten de energiezekerheid. Versterking van de interne markt op het punt van energie is het andere element. Het laatste element is natuurlijk voor ons van groot belang. Het is voor Nederland van groot belang om er voortvarend mee aan het werk te gaan, mede gelet op het feit dat het onze ambitie is om de gasrotonde van Europa te worden. Dat betekent dat onze inspanningen erop zijn gericht, ook in het kader van buitenlands beleid, om de energieaanvoer richting Nederland goed te hebben. Om onze functie als gasrotonde goed te kunnen uitoefenen, is het echter ook van belang dat we de afvoer, ofwel de distributie, goed op orde hebben. Anders kun je er ook niet in handelen. Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie): De heer Ten Broeke heeft expliciet het smart grid genoemd. De voorbeelden die de minister nu noemt, zijn echter de zogenaamde powerhouse-initiatieven. Die zijn ook wel passend in deze tijd, maar het is nu juist het smart grid-denken, decentraal en dus niet over grootste energievoorzieningen, dat de impuls vraagt. Minister Verhagen: Wij willen op zichzelf best een rol spelen bij de ontwikkeling van de smart grids. Daarbij is het vinden van voldoende financiële middelen echter nog een heel grote uitdaging. Ik ben benieuwd waarmee de Commissie op dat punt komt. Het SET-plan biedt een basis, maar hierbij geldt eigenlijk hetzelfde als bij de discussie over kernenergie. De overheid moet de voorwaarden creëren, maar uiteindelijk zijn de marktpartijen verantwoordelijk voor investeringen in de infrastructuur op het punt van de smart grids. Ik ben benieuwd waarmee de Commissie komt. Wij discussiëren nu over wat des overheids en des markts is. Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie): Dat is zo, maar daarom zal de overheid zich er heel goed bewust van moeten zijn wat zij faciliteert. Bij het powerhousescenario stelt de overheid zich kennelijk heel constructief en faciliterend op. De grote projecten en de gasrotonde werden al genoemd. Bij het smart grid krijg ik echter te horen dat er nog moet worden nagedacht over wat de rol van de overheid is en dat de markt het moet oppakken. Dan denk ik: kijk goed naar de keuzes die op dit moment worden gemaakt. Minister Verhagen: Laat ik het voorbeeld van de Nord Stream noemen. Daarin is de Nederlandse overheid zeer behulpzaam geweest. Uiteindelijk zijn het de bedrijven die het geld op tafel leggen. Ik kan als minister van Buitenlandse Zaken in mijn contacten met mijn collega's bewerkstelligen dat Nederlandse bedrijven mogen participeren in zo'n Nord Stream. Datzelfde geldt voor de premier met zijn counterparts. Wij betalen die Nord Stream echter niet. De overheid levert dat geld niet. Zelfs toen ik afgelopen vrijdag zei dat er een vergunning zou moeten worden afgegeven, betekende dat niet dat wij die betalen. Wij geven de mogelijkheid dat het wordt ontwikkeld. De heer Ten Broeke (VVD): Dit is een interessante discussie, want dit gaat over de kern waarmee Europa zich eigenlijk zou moeten bezighouden en de kern van wat een overheid doet en wat de markt kan doen. Vergunningen voor kerncentrales moet de minister vooral afgeven. Er is er één aangevraagd, dus ik zou zeggen: waar wacht hij op? De regering heeft drie jaar lang de tijd gehad en nu komt de minister in verkiezingstijd ineens met een makkelijk nummertje. De VVD heeft vooruit gekeken. Zo'n smart grid, een gelijkspanningsnet, leidt er in Europa toe dat energie de grens kan oversteken. Dat kan tot nu toe dus nog steeds niet. Komende uit Haaksbergen weet ik precies waartoe dat leidt. Je zit aan de grens, maar kunt niet van over de grens importeren. Daaraan moeten wij wat doen en op dat gebied moeten wij keuzes maken. De minister kan wel wachten tot de Commissie met voorstellen komt, maar hij kan ook zeggen dat hij ervoor wil zorgen dat wij het initiatief blijven houden en de Commissie aansporen om met meer te komen. Nederland heeft de ambitie om de gasrotonde te worden en om mee te draaien in elektriciteit. Het is voor Nederland essentieel dat wij onafhankelijk worden op de energiedistributie en -leverantie. De voorzitter: Dit is meer een statement dan een vraag. ** De heer Ten Broeke (VVD): Het lijkt mij een uitstekende oplossing. In onze ogen is zo'n net zelfs een overheidstaak. Minister Verhagen: Het staat op de rol. De Commissie heeft het aangekondigd in het werkprogramma. Bij de financiële perspectieven zal besproken worden in hoeverre hiervoor financiële middelen ter beschikking moeten worden gesteld vanuit de Europese Unie. Tenzij de heer Ten Broeke afstapt van zijn basisgedachte van wat des overheids en des markts is, komt datgene waarop wij de Europese Commissie willen beoordelen, voldoende terug. Het is een andere vraag, die wij eigenlijk helemaal niet in dit gremium moeten bediscussiëren, wat het economisch beleid en het energiebeleid van het Koninkrijk der Nederlanden als zodanig is. Die discussie kan de Kamer beter in campagnetijd of met de minister van Economische Zaken voeren. De heer Ten Broeke zette vraagtekens bij de benchmark voor schooluitval. Ik wil het even los zetten van de onjuiste weergave van de discussie zoals wij die gevoerd hebben voorafgaande aan de Europese Raad. In de formulering van onze beoordeling van de plannen die ter tafel lagen -- in relatie tot Europa 2020 -- keerden wij ons tegen de armoededoelstelling zoals die geformuleerd was. Wij vinden dat werkgelegenheid het beste middel is om armoede te bestrijden. Je moet daarvoor dus geen aparte doelstelling formuleren. Over schooluitval is een zeer genuanceerde opstelling gekomen. Je kunt dus niet stellen dat wij destijds iets anders zeiden dan nu. De heer Ten Broeke spitst het enigszins toe op het "Youth on the move"-initiatief als een van de prioriteiten van de EU 2020-strategie. De aanpak van schooluitval hoort bij Youth on the move. Het is de bedoeling om de aantrekkingskracht van de instellingen voor hoger onderwijs et cetera te verbeteren en om de algehele kwaliteit van het onderwijs en het opleidingsniveau in de EU te verhogen. Het algehele onderwijsniveau is van essentieel belang, zeker als je op innovatief niveau mee wilt kunnen draaien, waar de EU 2020-strategie zich ook op richt. Voor een land als Nederland, dat als geen ander in de toekomst zijn brood moet verdienen met innovatie, vernieuwing, duurzaamheid en het aanbieden van diensten -- om het heel simpel te zeggen: wij verdienen hier weinig geld met onze handen -- is het van uitermate groot belang dat mensen een behoorlijke startkwalificatie meekrijgen. Daar past het terugdringen van de schooluitval bij, dat zodoende ook binnen de EU 2020-strategie past. Ook gaat het hierbij om het uitwisselen van best practices. Ik ben het op zich met de heer Ten Broeke eens dat het om nationale bevoegdheden gaat. Maar zoals het hier geformuleerd is, net als in de EU 2020-strategie, gaat het meer om de vraag wat we van een ander kunnen leren. Het aardige is dat al die landen met eenzelfde problematiek te maken hebben. We moeten ons positioneren in een globaliserende wereld. We kunnen dan allemaal zelf het wiel gaan uitvinden, maar het zou best eens kunnen dat men in andere landen iets heel inventiefs of een heel goede strategie heeft waar wij iets van kunnen leren. Ik begrijp dat dit in ons toenemende beperkte blikveld van "Nederland is de wereld" onvoorstelbaar is, maar het zou zomaar eens zo kunnen zijn. Op het moment dat wij ons gaan verzetten tegen zo'n programma, dat niets meer of minder is dan best practices, het gebruik maken van de expertise en de kennis en ervaring in andere landen, dan zeg ik: er is toch niets tegen op zo'n programma, zelfs niet met de meest enge interpretatie van het subsidiariteitsbeginsel? De heer Ten Broeke (VVD): Dat heb ik net gezegd. Ik heb gezegd dat het programma Youth on the move prima is. Ik heb het in lijn gebracht met Bologna en met het Erasmusprogramma. Dat is allemaal goed. Maar, zo heb ik erbij gezegd, de minister schrijft in zijn brief op pagina 22: Ook de voorstellen die direct voortvloeien uit de EU 2020-strategie kunnen rekenen op Nederlandse steun, zoals van het tegengaan van schooluitval en de Europese vaardighedenagenda. Dan is het toch niet meer dan normaal dat ik even zeg dat er bij die elementen iets zit waarover ik in het verleden al een paar keer met de minister heb gewisseld dat wij dat kritisch benaderen? Dat heeft niets te maken met het punt dat wij niet iets uit het buitenland zouden kunnen leren. Dat is namelijk allemaal prachtig. Het is zo voor de hand liggend dat we gewoon niet willen dat als we in Europa zeggen dat we iets van elkaar willen leren, we het volgende moment al met wetgeving zitten. Daar waarschuw ik voor. Laten we wel proberen om het even zuiver te houden. Minister Verhagen: Dat is altijd heel goed. Het is terecht dat u waarschuwt voor bepaalde vreselijke ontwikkelingen, zeker als het gaat om wetgeving. Maar als u pagina 22 voorleest, verzoek ik ook verder te lezen. Na de zin die u voorlas staat namelijk: "Nederland zal de subsidiariteit scherp in de gaten houden, met name waar het gaat om de inhoud van het onderwijs. Europese samenwerking op onderwijsterrein dient nadrukkelijk een vrijwillig karakter te houden." Ik weet niet waar u het punt van die wetgeving vandaan haalt. De heer Ten Broeke (VVD): Nu zijn we bij de kern van het punt. We hebben het bij de EU 2020-strategie erover dat u daar vervolgens op gaat benchmarken. Dat is althans het voorstel van Europa. Schooluitval is dan weer een van de vele zaken die op de lijst staan. Ik heb hier een- en andermaal aangegeven dat ik dat helemaal niet wens. Laten we dat nou niet doen! Minister Verhagen: Maar het benchmarken gebeurt op basis van vrijwilligheid, namelijk best practices. Dat staat in de EU 2020-strategie. Als we de EU 2020-strategie pakken, dan pakken we die ook helemaal. Het feit dat er "benchmarken" staat, wil niet zeggen dat je wordt verplicht om op basis van dat benchmarken iets te gaan doen. Er staat ook niet dat je een sanctie krijgt als je niet aan de benchmarks voldoet, nee, het betreft benchmarks in het kader van best practices. Ik houd de subsidiariteit en de vrijwilligheid in de gaten. Als ergens anders iets beter is geregeld dan in Nederland en ik zou niet willen kijken of dat ook van toepassing kan zijn op Nederland, dan zou ik toch helemaal van God los zijn? Dat is een open methode; die heet dan ook zo: "de open methode voor coördinatie". Als de heer Ten Broeke dat niets vindt, moet hij ook vooral niet naar Denemarken kijken voor de flexibilisering van de arbeidsmarkt. Ik heb het verkiezingsprogramma van zijn partij gelezen en volgens mij doet hij dat wel. Laten wij het beestje bij de naam noemen. Hier staat niets in over wetgeving. Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink heeft een aantal kritische vragen gesteld over het toezicht van Brussel op de nationale begrotingen. Zij had wat vrees over hetgeen daarover afgelopen weekend is besproken. Laat ik vooropstellen dat de delegatie nog niet heelhuids is teruggekeerd van de informele Ecofin-raad; dat hebben wij ook aan IJsland te danken. Ik ben dus niet helemaal op de hoogte van alle ins and outs. Er ligt nog geen concreet voorstel op tafel. De Commissie zal op 12 mei voorstellen doen. In zijn algemeenheid is het kabinet, net als de Kamer, denk ik, terughoudend ten aanzien van het idee dat Brussel nationale begrotingen zou moeten goedkeuren voordat deze door de nationale parlementen kunnen worden behandeld. In het kader van de jaarlijkse midterm review is er in de Eurogroep contact met de Commissie over de begrotingen van de lidstaten, om te kijken of deze sporen met de gemaakte EU-afspraken. Het uitgangspunt is uiteraard dat wij niet tornen aan de bevoegdheden van de Kamer, dat moge duidelijk zijn. Ik las op Twitter dat de heer De Jager met een tas vol spoedstukken werd opgewacht toen hij in Berlijn landde. Daar zal ongetwijfeld een verslag over deze raad tussen zitten dat hij zo spoedig mogelijk naar de Kamer zal sturen. Dat laat onverlet de discussie die ik net met de heer Ten Broeke had over de noodzaak om meer sticks and carrots te hebben in relatie tot GSP-verplichtingen. Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink vroeg hoe het gaat met de implementatieregelgeving. Wij hebben op dat punt nu wel onze zaken op orde, maar andere lidstaten misschien niet en daar had zij wat zorgen over. Nederland zal uiteraard aandringen op tijdige implementatie van wet- en regelgeving door alle lidstaten. De Commissie houdt de stand van zaken goed bij. In het verleden zijn wij ook wel eens op onze vingers getikt door de Europese Commissie, omdat wij te nalatig waren, maar Nederland doet het nu goed. In het laatste kwartaaloverzicht zien wij het laagste aantal te laat geïmplementeerde richtlijnen van de afgelopen zeven jaar. Daarin heeft dit kabinet een enorme slag gemaakt. Dat kwam onder andere doordat de Commissie ons steeds in het beklaagdenbankje zette, maar dat doet zij ook ten aanzien van de andere lidstaten. Wij kunnen nu met meer recht en rede aandringen op tijdige implementatie, omdat wij zelf onze record op dat punt hebben verbeterd. Dan komt er toch nog iets goeds uit dit kabinet, hè mijnheer Ten Broeke? Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink vraagt terecht aandacht voor de situatie van de Roma in Europa. Ik waardeer het dat zij daar aandacht voor vraagt. Dat is ook niet zomaar. In de laatste uitslag van de verkiezingen in een lidstaat nota bene van de Europese Unie, kreeg een partij die zich expliciet tegen Roma en Joden keert, een derde van het aantal stemmen. Dit geeft aan hoe belangrijk het is om op te komen voor de rechten van minderheden en stelling te nemen tegen discriminatie, tegen het over een kam scheren van bevolkingsgroepen. Daar maak ik me zorgen over, net als mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink. Ik heb de Kamer 6 april jongstleden een brief gestuurd met de positie van het kabinet ten aanzien van de inspanningen van de Europese Unie om de situatie van Roma in Europa te verbeteren. De Commissie heeft recent een mededeling over de Roma gepubliceerd en er heeft onder Spaans voorzitterschap een EU-Roma-top plaatsgevonden. Naar mijn mening is er terecht in toenemende aandacht voor de situatie van Roma. Daarbij heeft de Commissie weliswaar een sturende rol te spelen, maar de primaire verantwoordelijkheid voor dit deels sociaaleconomische beleidsterrein ligt natuurlijk ook bij de lidstaten. Daarbij gaat het om het bevorderen van de toegang tot onderwijs, de toegang tot de arbeidsmarkt, huisvesting et cetera. Ik vind dat wij ook lidstaten hierop moeten aanspreken. Dan moeten wij overigens ook niet verbaasd zijn als andere lidstaten ons aanspreken. De heer Van Bommel vraagt of ik het toejuich dat de Commissie voorstellen maakt op verzoek van de Europese Raad en het Europees Parlement. De Commissie opereert natuurlijk in een context waarin zij moet samenwerken met andere instellingen. Dat is de driedeling Commissie - Raad - Parlement. Maar de Commissie heeft natuurlijk wel een eigenstandige rol: het bevorderen en bewaken van gemeenschappelijke Europese doelstellingen. Zolang de Commissie dat kan blijven doen, is het goed dat zij zich ook verstaat met het Europees Parlement en met de Europese Raad. De Commissie moet en mag ook niet verworden tot een beetje de loopjongen van de Raad of het Europees Parlement. Zij heeft ook gewoon een zelfstandige rol. Juist omdat zij eigen verantwoordelijkheden heeft, moet zij die niet veronachtzamen. Als de Commissie zich zou beperken tot de rol van loopjongen of uitvoerder van wat wij roepen, in het Europees Parlement dan wel in de Raad, dan wordt daarmee het gezag van de Europese Commissie in dat evenwicht tussen de instellingen aangetast. Daarbij is ook sprake van een grote verantwoordelijkheid van de Commissie zelf. Ik denk dat het goed is dat in de discussies tussen het Europees Parlement en de Commissie de leden van het Europees parlement dat in de gaten houden en dat wij dat ook goed in het oog houden als wij met commissarissen praten. De heer Van Bommel (SP): Ik heb deze opmerking gemaakt met daarbij ook een verwijzing naar democratische legitimiteit. Die is bij het Europees Parlement natuurlijk vanzelfsprekend en die is bij de Europese Raad in ieder geval vanzelfsprekender dan bij de Europese Commissie. Ik heb gevraagd of de minister dat ook in de discussie wil betrekken. Minister Verhagen: Nee, dat doe ik even niet. De heer Van Bommel (SP): Waarom niet? Volgens mij ligt daar wel de kern … Minister Verhagen: Dan gaan we een hele discussie krijgen over de vraag of commissarissen wel of niet gekozen moeten worden. Het unieke van de Europese samenwerking, los van het sui generis-karakter, is natuurlijk ook juist dat evenwicht tussen de instellingen. Ik denk dat je iets moet hebben wat de lidstaten vertegenwoordigt, zijnde de Europese Raad. Ook moet je iets hebben wat de bevolkingen van die Europese lidstaten vertegenwoordigt, zijnde het Europees Parlement. En dan moet je nog een instelling hebben die eigenlijk de hoeder van de Europese Verdragen is, die juist omdat zij opkomt voor het Europese belang, nooit ook een uitvoerder van een individuele lidstaat kan zijn. Natuurlijk vind ik het van belang dat een commissaris afkomstig is uit Nederland, omdat daarmee een lijn van denken of een bepaalde cultuur vertegenwoordigd is. Maar mevrouw Kroes is nooit de belangenbehartiger van Nederland als zodanig. Als zij dat zou zijn geweest, dan zou Heineken niet veroordeeld zijn, dan zou Piedboeuf of een andere brouwerij veroordeeld zijn. Ik noem maar een voorbeeld. Zo werkt het. Dat zie je er wel eens insluipen: discussies over de vraag hoe het mogelijk is dat een Nederlander nu opeens zo kritisch is ten aanzien van een operatie van ING of een andere instelling. Ik denk dat juist de Commissie een hoeder moet zijn van die Europese verdragen en dat zij het Europese belang in zijn totaliteit moet verdedigen. Dat wringt dus een beetje met het idee van gekozen zijn, want je wordt altijd door iemand gekozen, enzovoorts. De heer Van Bommel vroeg ook of het kabinet ervoor kan zorgen dat er niet steeds nieuwe Europese instanties worden opgericht voor elk nieuw probleem dat we hebben. We hebben daarover in het verleden ook vaak gediscussieerd naar aanleiding van het opzetten van bepaalde instituties. Nederland hanteert een zeer terughoudende opstelling ten aanzien van het oprichten van nieuwe Europese instellingen en ik ben het dus op zich met de heer Van Bommel eens. Voor versterking van het financieel toezicht was een beter gecoördineerd toezicht absoluut nodig als gevolg van de financieel-economische crisis. Je kunt je natuurlijk afvragen of daarvoor weer nieuwe boards moeten worden opgericht: de European Systemic Risk Board, de European Supervisory Authorities, et cetera. Ik denk dat het in dit geval wel nodig was om te komen tot "toezicht met tanden". We hebben daarover al gesproken in de discussies die aan de oprichting voorafgingen. In zijn algemeenheid zijn we dus terughoudend. Wij pleiten er niet bij elk probleem voor om een nieuwe instelling op te richten; wij willen zoveel mogelijk gebruik maken van de bestaande instellingen. Als je "toezicht met tanden" wilt, wil je echter ook een breuk maken met de instellingen waarmee in het verleden toezicht uitgeoefend werd. Het is dus ook afhankelijk van wat er aan de hand is. In het algemeen zijn wij dus niet voor het oprichten van nieuwe instanties, maar in dit specifieke geval vond de Nederlandse regering het te billijken. De heer Van Bommel vroeg verder naar de visie van het kabinet op het Protocol inzake de diensten van algemeen belang. Het Monti-rapport over de interne markt is voor Nederland belangrijk. Daarbij is essentieel hoe dat protocol uitgewerkt zal worden. We zullen alle vakdepartementen betrekken bij de reactie; daarover sprak ook de heer Waalkens. Dit is zo departementsgrensoverschrijdend dat we alle departementen willen betrekken bij het formuleren van een standpunt hierover. Zodra dat is gebeurd, krijgt deze commissie dat standpunt uiteraard te horen. Ik denk dat ik daarmee ben ingegaan op de specifieke punten die door de commissie aan de orde zijn gesteld. In zijn algemeenheid moet ik zeggen dat ik eraan hecht om dit overleg ook in den brede voort te zetten, ook als er meer specifieke uitwerkingen van de Commissievoorstellen ter tafel komen. De voorzitter: We gaan over tot de tweede termijn van de Kamer. ** De heer Ormel (CDA): Voorzitter. Ik kan vrij kort zijn. Ik bedank de minister voor de behandeling van onze bijdrage in eerste termijn. Ik bedank hem voor de toezegging over het toezenden van de BNC-fiches. Dat zal gebeuren voor zover het onderwerpen betreft waarop we eventueel een subsidiariteitstoets willen toepassen of een behandelingsvoorbehoud willen maken voordat ze in Brussel behandeld worden. De minister zal het fiche in elk geval sturen binnen drie weken nadat het voorstel uit de Commissie komt. Het is goed dat de Kamer met de regering van gedachten wisselt over het Werk- en wetgevingsprogramma. Er wordt ons vaak verweten dat wij het paard achter de wagen spannen, dat wij onvoldoende op de hoogte zijn en dat "het" allemaal in Brussel gebeurt. Uit het overzicht van de behandeling van het wet- en werkprogramma in de nationale parlementen blijkt dat het Nederlandse parlement met onze collega's in het Italiaanse parlement en in het parlement van Litouwen het enige parlement is dat dit echt plenair behandelt. Dit is een notaoverleg; wij moeten dit dus als een plenaire behandeling zien. Ik ben het met de minister eens dat de Commissie geen loopjongen of uitvoerder moet worden en dat daarvoor een grote verantwoordelijkheid bij de Commissie zelf ligt. Daarvoor ligt echter ook een verantwoordelijkheid bij ons. In die balans tussen Raad en Commissie, tussen intergouvernementeel en communautair, heeft Nederland van oudsher het belang van het communautaire benadrukt. De Raad stelt nu toch met grote regelmaat aparte raden of aparte vergaderingen samen om te praten over specifieke onderwerpen. Ik begrijp dat wel, maar benadruk dat wij op onze zaak moeten letten. Wij moeten vooral het belang van de Commissie als zelfstandig orgaan in de balans van het Europese geheel zien. Wij komen nog te spreken over de verschillende deelonderwerpen. Het is duidelijk waarop de CDA-fractie de nadruk heeft gelegd. Ik bedank de minister. De heer Ten Broeke (VVD): Voorzitter. Ook ik dank de minister voor zijn beantwoording. Het is toch prettig om hier met een bewindspersoon te zitten die allerlei verantwoordelijkheden weet te combineren: buitenlandse zaken, ontwikkelingssamenwerking en Europese zaken. Het is goed om hier met de opperprimaat van de apenrots te zitten die het alleen voor het zeggen heeft, want dan kun je tenminste meters maken. Er wordt hier gerefereerd aan Bokito, maar die vergelijking komt van iemand anders. Ik weet niet of de heer Timmermans destijds de heer Verhagen op het oog had, maar het is interessant om daarover nog eens een reconstructie te vragen. Daarover moet ik echter nog even nadenken. In elk geval is het goed dat wij de keiharde toezegging van drie weken hebben. Die is noodzakelijk, want dan kunnen wij onze rol maximaal vervullen. De minister wil dat ook juist graag, omdat hij niet alleen die drie petten heeft, maar ook nog een hart voor de parlementaire democratie. Dat wisten wij echter al sinds het moment dat hij scripties schreef als lid van het Europees Parlement. Ik was niet degene die over het Haags programma begon, maar de minister. Ik had het over het Stockholm Programma. Dit verwijst als zodanig niet naar het Europees pact inzake asiel en migratie, wat op zich niet zo erg is. Dat vloeit namelijk wel weer voort uit het Haags programma, oftewel de "kan-deal" die mevrouw Albayrak vorig jaar daarover heeft gesloten. Die is echter niet veel meer dan een bevestiging van de oude afspraken. Juist vanwege het gebrek aan Europees asiel- en migratiebeleid spreek ik de minister nogmaals daarop aan. Wij hebben natuurlijk met overtuiging ook voor die onderdelen van het Verdrag van Lissabon gestemd. Als wij dat beleid dan eindelijk krijgen, is het hoogstnoodzakelijk dat Nederland inderdaad op zijn zaak let en niet de achterdeur weer openzet. Ik verval niet de hele tijd in flauwigheden dat dit onder dit kabinet wel is gebeurd, hoewel dat feitelijk wel waar is. De VVD is echter wel van mening dat de notie van een restrictief migratiebeleid nu eens eindelijk tussen de oren van Europa -- voor zover dat oren heeft -- moet komen. Er zijn onderdelen die wij graag behandeld zien in het Stockholm Programma, zoals het stellen van een inkomenseis -- de minister is ook voorstander daarvan -- de problematiek rondom de "Dubliners" en bovendien het tien jaar lang geen bijstand verstrekken. De VVD heeft dit laatste van de Denen afgekeken, want ook de VVD leert van het buitenland. Al deze zaken zitten echter helaas niet in het Stockholm Programma. Ik dank de minister voor zijn toezegging dat hij het cohesie-instrument nu inderdaad als een stick zal gebruiken. Ik zie uit naar de voorstellen ter zake van de minister van Financiën. Het mag nog wel wat worden uitgebreid, maar daarover komen wij ongetwijfeld te spreken. Ik dank de minister ook voor zijn toezegging dat in ieder geval de minister van Economische Zaken de nodige voorstellen zal doen om het iets gemakkelijker te maken voor Nederlandse zzp'ers om mee te doen aan de aanbestedingen. Wat betreft de schooluitval, waarover wij zojuist hebben gesproken, let de minister op zijn zaak en de subsidiariteit. Zolang de schooluitval in de benchmark staat, is het niet uitgesloten dat Europa doelstellingen daarop zet. Dat hebben wij de vorige keer ook gezien. Dat is dan ook onze kritiek op het oude Lissabon Programma. Als iets in de benchmark staat, ook al is het een open coördinatiemethode, dan komen er ook weer doelstellingen. Vervolgens komt er de teleurstelling als blijkt dat Brussel helemaal niets aan schooluitval kan doen. Dat is precies de kern van dit debat. Laten wij geen dingen doen die wij niet kunnen waarmaken; geen overpromise and underdelivery. Zoiets holt namelijk de geloofwaardigheid van Europa uit en daarbij is niemand gebaat. De schooluitval moet dus wat ons betreft eruit en de zzp'ers erin, want dan heeft de minister direct iets waar hij wat aan heeft. Ik dank de minister ook voor de toezegging dat minister Donner zich zal hard maken voor het "killen" van het vaderschapsverlof. De zinsnede "met belangstelling uitziet" was dus kennelijk ironisch bedoeld. Dat had ik even niet zo gelezen, maar dat zal wel aan mijn gebrek aan humor hebben gelegen. Zolang het "Donnerwetter" dan maar boven Brussel losbarst op het moment dat dit onderwerp op de agenda staat. Ten slotte wil ik nog een opmerking maken over de energieveiligheid. Zo'n smartgrid is juist van belang om heel de energiemix te kunnen afhandelen, inclusief de door ons zo gewenste kernenergie. Dat geldt ook voor allerlei andere vormen van duurzame energie waarin mevrouw Wiegman zo heilig gelooft, bijna nog heiliger dan ... dat zal ik maar niet zeggen. De voorzitter: Mijnheer Ten Broeke, was dat uw laatste zin? Mevrouw Wiegman wil u nog een vraag stellen. ** De heer Ten Broeke (VVD): Dat hoopte ik eigenlijk al. Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie): Ik ben erachter gekomen dat de VVD-fractie de begrippen "supergrid" en "smartgrid" door elkaar haalt. Het is prima als een VVD'er met een geweldig supergrid-programma komt, inclusief kernenergie, maar een smartgrid is toch echt wat anders. Dat heeft namelijk alles te maken met decentraal en duurzaam. De heer Ten Broeke (VVD): Als mensen in de toekomst een elektrische auto hebben, dan kan een smartgrid bij wijze van spreken zelf met slimme meters uitmaken wanneer zo'n auto wordt opgeladen, namelijk als de prijzen het laagst zijn. Wij krijgen die prijzen zo laag door de interne markt verder te liberaliseren om die verbindingen over de grens tot stand te brengen -- interconnectie -- en het aanleggen van een supergrid. Daarvan zijn wij groot voorstander. Dat is overigens gewoon een overheidstaak. Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie): Ik wil de heer Ten Broeke er toch op wijzen dat voor een smartgrid echt geen kernenergie nodig is. De voorzitter: De heer Ten Broeke heeft nog een laatste opmerking. ** De heer Ten Broeke (VVD): Het is heel smart om het gewoon wel te doen. De voorzitter: Wij sluiten dit onderwerp af. De heer Ten Broeke sluit zijn betoog nu af. De heer Ten Broeke (VVD): Ik sluit mijn betoog af door te zeggen dat ik uitzie naar alle individuele voorstellen. Het is een goed begin om op deze manier alvast de piketpaaltjes te hebben geslagen. Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie): Voorzitter. Ik wil de minister graag danken voor zijn antwoorden. Ik ben blij met de behandeling van het wetgevings- en werkprogramma ook te merken dat hij geen enge opvatting heeft -- wij spreken er vandaag over en daarmee is het klaar -- maar dat wij wel degelijk scherp in de gaten hebben welke onderwerpen opnieuw in de Kamer moeten worden behandeld, op het moment dat de Europese Commissie met uitgewerkte voorstellen komt. Ik wil nog wel graag de visie van de minister horen over de wijze waarop de Staat van de Unie zich verhoudt tot het wetgevings- en werkprogramma. Die twee verschillende debatten moeten meer met elkaar in overeenstemming worden gebracht. Ik hoor ook graag nog een reactie van de minister op de vraag hoe hij de samenhang tussen de verschillende deeldossiers bewaakt. Neem bijvoorbeeld de hervorming van het GLB, een prioritair onderwerp. Dat moet nadrukkelijk gebeuren in samenhang met de grote ambities van de Europese Unie betreffende het klimaatbeleid. Die ambities kunnen zelfs nog groter worden. De ChristenUnie zit geheel op één lijn met het kabinet bij de scherpe inzet op het sociaal beleid. Het betreft een scherpe blik, zo niet een vernietigende, op het moment dat er voorstellen bij de Europese Commissie vandaan komen die zich qua subsidiariteit en proportionaliteit niet verhouden tot de afspraken. Daar blijven wij het kabinet scherp op volgen. Ik ben ook blij met de reactie van de minister op het thema van de Roma. Laat ik er wel even op wijzen dat ik de Roma niet slechts als een sociaal probleem noemde, waarvoor sociaal beleid nodig is en waarbij de desbetreffende landen in eerste instantie zelf aan zet zijn. Het gaat hierbij ook nadrukkelijk om een arbeidsmarktprobleem, een economisch probleem of een economisch belang, dat wij grensoverschrijdend moeten oplossen. Het vormt ook heel nadrukkelijk vanuit het oogpunt van justitie een probleem wat betreft mensenhandel. Graag krijg ik dat punt nog even een bevestiging. De heer Van Bommel (SP): Voorzitter. De discussie over de driewekentermijn is volgens mij wel beslecht. Wij hoeven dus geen nadere voorstellen te doen, die Kamerbreed worden aangenomen. Dank daarvoor. De discussie over de verhouding tussen ontwikkelingssamenwerking vanuit Europa en de lidstaten, waar het iets anders betreft dan hetgeen de lidstaten doen -- geen dubbeling -- zullen wij voortdurend op de agenda houden. Dat kan niet anders en dat moet wat mij betreft ook niet anders. Het hoort niet helemaal hierbij thuis, maar het is goed om het nu alvast even te hebben aangeroerd. Dat is mede van belang omdat er door collega's ook naar is verwezen, zelfs in de sfeer van een behandelvoorbehoud. Op de positie van de Commissie zullen wij per geval terugkomen, althans wanneer er door bij handelen van de Commissie vraagtekens worden geplaatst door de SP-fractie. Ik ben blij dat de minister na aandringen van mijn kant zijn visie wat nader heeft willen toelichten. Als wij Europa vandaag zouden moeten uitvinden, zouden wij het bestuurlijk niet bouwen zoals wij het nu kennen. Ik denk dat wij het daarover snel met elkaar eens zijn en ik zie aan de glimlach van de minister dat hij het meer dan gemiddeld met mij eens is, want anders schenkt hij mij niet zo'n glimlach. De afkeer van nieuwe Europese instituties is bij mijn fractie groot. Ik stel vast dat Nederland bij monde van de minister zeer terughoudend is op dit punt en dat de financiële toezichthouder die er is gekomen, de uitzondering is die de regel bevestigt. Zo hoort het ook te zijn, mede omdat wij allerlei instituties hebben waarvan wij ons ook nu al moeten afvragen of zij allemaal wel werken zoals zij zouden moeten werken en of wij er nog iets aan kunnen toevoegen. Ik heb een vraag gesteld over de cohesiefondsen, die niet aan de orde is geweest. De discussie daarover loopt. Door de Kamer, maar ook door de regering, is steeds aangegeven dat wij moeten bezien of wij het in de toekomst anders gaan doen. Het is wenselijk dat er geld van rijke landen naar arme landen gaat, maar omgekeerd kan het nooit de bedoeling zijn. Daar is nu wel sprake van. Wij moeten dat apart agenderen, ook omdat bij de begrotingsherziening dit thema moet terugkomen. Zo kunnen wij niet door. De wens, ook door anderen geuit, om in de toekomst Europa niet meer te laten uitgeven, maar minder, is ook een wens van mijn partij. Ik denk dat het past om het onderwerp van de fondsen daar volop bij te betrekken, natuurlijk ook in het kader van de begrotingsherziening. Voorzitter: Van Bommel De voorzitter: Het woord is aan de heer Waalkens. ** De heer Waalkens (PvdA): Voorzitter. Ook ik dank de minister van Buitenlandse Zaken voor zijn reactie, ook op onze inbreng. Ik heb een aantal dingen gemist. In de eerste plaats betreft dat de noodzaak om te komen tot een versterkt Europees financieel toezicht. Het is een springend punt op dit moment. Ik wil graag een reactie van de minister op dit punt. Dan kom ik op het punt van de iedere keer terugkerende vraag van de Europese Rekenkamer op het punt van de verantwoording van de EU-uitgaven. Natuurlijk moet de Commissie zich verantwoorden, maar ook de lidstaten moet dat doen. Ik ben blij om te horen dat het kabinet informatie naar de Kamer stuurt over de aanbestedingsregels, in relatie tot de zzp'ers. Wij zien dat met belangstelling tegemoet. De betrokkenheid van de vakdepartementen bij de diensten van algemeen economisch belang is van uitermate groot belang. In het verleden hebben wij vaak gezien dat wij verrast werden via de achterdeur. Ik noem het volkshuisvestingsstelsel, maar ook de aanbesteding in de zorg, staatsteun en aanbestedingsregels. Het is van belang om de verbinding daartussen in discussies met de Europese Commissie goed naar onze kant te laten rollen. Wij hebben twee discussies gevoerd over het EOF, namelijk over de positie van het EOF en over de taak en reikwijdte van het EOF. Wij handhaven onze opstelling, namelijk dat wij daarover zeer kritisch en in constructief overleg met de regering willen spreken op het moment dat de Commissie met voorstellen en informatie komt. Gezien de inspanningen van de verschillende commissies zijn wij gekomen aan de vaststelling van de prioritaire lijst, de subsidiariteitslijst en het behandelvoorbehoud. Mijn fractie zal met heel veel plezier het Europese debat verder voeren. Voorzitter: Waalkens De voorzitter: Het woord is aan de minister van Buitenlandse Zaken. ** Minister Verhagen: Voorzitter. Ik dank de Kamer voor de reactie in de tweede termijn. Gelet op de discussie van vandaag denk ik dat de accenten op de prioriteiten in het werkprogramma van de Commissie min of meer stroken met de prioriteiten die wij hier gezamenlijk vaststellen. Ik zeg "min of meer", omdat op een aantal terreinen, zoals klimaat, budget en het Stabiliteits- en Groeipact het programma wel een tikkeltje ambitieuzer had gekund. Maar ik denk dat wij de ambitie die naar voren komt in het debat van vandaag en in de discussie die wij op basis van de concrete voorstellen zullen voeren, in het programma zullen kunnen vertalen. U kunt er dus in ieder geval van uitgaan dat dit kabinet -- en ik neem aan dat dit ook geldt voor het volgende kabinet -- in samenspraak met de Kamer de Commissie als een kritische duvelstoejager achter de broek zal zitten, opdat zij ook daadwerkelijk handen en voeten zal geven aan de ambities. Ik proef hier nadrukkelijk een gezamenlijke opstelling, die ook in lijn is met de subsidiariteit. Europa is niet hoe dan ook beter. Het moet bekeken worden en daar waar Europa beter is, gaan we zeggen dat het ambitieuzer kan. Daar waar Europa geen rol heeft, hoort Europa ook geen rol te spelen. Sinds inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon is de positie van de nationale parlementen versterkt en oefenen deze ook rechtstreeks invloed uit op de Europese beleidsagenda. Ik denk dat wij ons in het samenspel tussen Kamer en regering gezamenlijk daarvoor moeten inzetten. Tegen de geachte afgevaardigde Ten Broeke onderstreep ik hier nogmaals: binnen drie weken, indien er een subsidiariteitstoets/voorbehoud uwerzijds gemaakt wordt. Dat zeg ik u hier nu gewoon toe. Dan hoeven we daar verder weinig woorden meer aan vuil maken. De heer Ten Broeke ging in zijn tweede termijn nog eens nadrukkelijk in op de noodzaak om te komen tot een goed sluitend Europees asielsysteem, een Europees asielbeleid en een restrictief immigratiebeleid. Hij noemde ook een aantal voorbeelden, waaruit moge blijken dat dit ook in het belang van een land als Nederland is. Hij vroeg zich af of wij daar als kabinet voldoende op zaten. Laat ik dienaangaande citeren uit de brief die het kabinet naar aanleiding van het werkprogramma aan de Europese Commissie heeft gestuurd. "Om deze migratiestromen in goede banen te leiden, is het noodzakelijk dat de Unie sneller resultaten boekt met het ontwikkelen van een gemeenschappelijk beleid inzake grenscontroles, asiel en immigratie. De EU-buitengrenzen zijn belangrijk voor onze veiligheid, maar ook voor het tegengaan van illegale migratie. Tegelijkertijd mag degene die binnen het Europees grondgebied bescherming nodig heeft, niet belet worden om dat binnen het Europees grondgebied aan te vragen. Het gemeenschappelijk Europees asielsysteem moet daarom voor 2012 zijn voltooid." Volgens mij hebben uw leden kopie van die brief gekregen. Daaruit moge blijken dat wij wat de ambitie betreft niet anders tegenover die vraagstukken staan dan de Kamer. Ik heb met belangstelling naar de energiemix van de heer Ten Broeke geluisterd. Dat moge niet verbazen. Mevrouw Wiegman vraagt hoe het zit met de discussie over het werkprogramma en hoe dat zich verhoudt tot de Staat van de Unie. Er zit natuurlijk een verschil in tijd en een verschil in abstractieniveau, om het maar simpel te stellen. De Staat van de Unie sturen wij de Kamer met de begroting toe in september. Die gaat over het Europese beleid en de Nederlandse inzet in brede zin, terwijl het werkprogramma van de Commissie uitkomt in oktober/november en nadrukkelijk alleen de voorstellen van de Commissie voor wetgeving betreft, met daarin een specifieke rol voor de Tweede Kamer, gelet op het Verdrag van Lissabon. Dat is dus een iets andere invalshoek. Als wij het hebben over zaken zoals het externe beleid, dan heb je het niet zo zeer over wetgeving, maar breder over de vraag hoe je Europa positioneert en wat je vindt dat Europa zou moeten doen. Dat kan in een coördinerende rol liggen, in plaats van in de sfeer van richtlijnen en dergelijke. Dat ligt echter iets anders. Ik bevestig de brede benadering wat de Roma betreft. Inderdaad heeft dat een bredere strekking. Ik wilde het onderscheid maken ten aanzien van het sociale midden, mede gelet op onze discussie over de rol van lidstaten hierbij. Ik bevestig de bredere benadering en de zorgen die daarover leven. De heer Van Bommel heeft gevraagd naar de cohesiefondsen en de toekomst van het cohesiebeleid. Ook de heer Ten Broeke is hierop teruggekomen. De discussie over de toekomst van het cohesiebeleid zal dit jaar worden gevoerd. Dat loopt vooruit op de financiële perspectieven. Onze inzet in deze discussie zal zijn gebaseerd op het standpunt dat wij al in 2008 hebben geformuleerd. Daarin is het volgende vastgelegd voor de toekomst van het cohesiebeleid. De cohesiemiddelen zullen in de eerste plaats worden gefocust op de minst welvarende regio’s in de minst welvarende lidstaten van de Europese Unie. In de tweede plaats zullen de cohesiemiddelen worden gericht op grensoverschrijdende samenwerking. In geval van grensoverschrijdende samenwerking kan dus worden afgeweken van de eis van de minst welvarende gebieden. De discussie daarover wordt thans gevoerd. Dat houdt niet in dat het nu wordt vastgesteld. In de loop van de discussies worden de gedachten weliswaar gevormd, maar de vaststelling vindt plaats bij het bepalen van de nieuwe prioriteiten in het kader van de brede discussie over de nieuwe financiële perspectieven. Ik neem aan dat de inzet die wij toen hebben gekozen, strookt met de ideeën van de Kamer hieromtrent. Wij hebben daarover toentertijd met de Kamer van gedachte gewisseld. De heer Ten Broeke sprak over het gebruik van cohesiefondsen in relatie tot de naleving van het Stabiliteits- en Groeipact. Zoals ik al eerder heb gezegd, bestaan zelfs binnen het bestaande Stabiliteits- en Groeipact mogelijkheden tot het opleggen van sancties. Die zouden wij beter kunnen benutten. Daar hoort ook dit bij. De heer Waalkens heeft gevraagd welke specifieke stappen zijn genomen om het financieel toezicht te versterken, los van de discussie die wij hierover hebben gevoerd in het kader van de Europese Raad. Het is duidelijk dat de kredietcrisis op een heel pijnlijke wijze aan het licht heeft gebracht dat een strikter en beter gecoördineerd toezicht op de financiële sector noodzakelijk is. Het Europese toezichtmodel was daarvoor niet uitgerust. Naar aanleiding van de aanbevelingen van de groep van wijzen, waarvan onder anderen de heer Ruding deel uitmaakte, over het verbeteren van dit toezicht, is een aantal afspraken gemaakt in het kader van de Raad. Momenteel wordt hard gewerkt om het toezicht op de financiële sector structureel te hervormen en te verbeteren. Wij pleiten in Europees verband voor een Europese toezichtsstructuur met tanden. Ik denk dat de oprichting van de European Systemic Risk Board voor macro-economisch toezicht en van de drie toezichtsautoriteiten voor microtoezicht op individuele instellingen dat "toezicht met tanden" bewerkstelligt. Dat is ook een van de redenen geweest waarom wij het hier wel mee eens waren, ook al staan wij normaal terughoudend tegenover nieuwe instellingen. We wilden het toezicht namelijk verbeteren en er grip op krijgen. De bedoeling is dat deze voorstellen begin 2011 in werking treden. Over de oprichting van een raamwerk dat dit toezicht moet omvatten zijn besprekingen met het Europees Parlement gestart. De heer Waalkens heeft gevraagd naar de Europese Rekenkamer en de verantwoording van de EU-gelden. Wij zijn een van de actiefste landen. Het blijft onze grote zorg dat de verantwoording van de besteding van Europese Unie-gelden goed wordt geregeld. Wij blijven op dat punt Europabreed promoten dat er een nationale-lidstatenverklaring komt. Dat betekent dat andere lidstaten de verantwoording op dezelfde wijze als wij organiseren. We hebben op dit punt een heel record van initiatieven. Ik denk dat je met een nationale-lidstatenverklaring andere lidstaten beter kunt aanspreken op de goede besteding. Wij blijven hiermee doorgaan; daarvan kunt u overtuigd zijn, ondanks onze demissionaire status. De voorzitter: Wij zijn gekomen aan het einde van dit notaoverleg. De toezegging is meerdere keren ter tafel gekomen. In het stenografisch verslag zal deze zeker een duidelijke plek krijgen: wij krijgen binnen drie weken de reactie van het kabinet. Ik dank de minister en de hem vergezellende ambtenaren. Ik dank ook de collega's en sluit deze vergadering. ** Sluiting 15.35 uur.