[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

Wetgevings- en werkprogramma 2010 van de Europese Commissie

Stenogram

Nummer: 2010D19317, datum: 2010-04-20, bijgewerkt: 2024-02-19 10:56, versie: 1

Directe link naar document (.doc), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


VERSLAG VAN EEN NOTAOVERLEG

De vaste commissie voor Europese Zaken<1> heeft op 19 april 2010 overleg
gevoerd met minister Verhagen van Buitenlandse Zaken, minister voor
Ontwikkelingssamenwerking over het Wetgevings- en Werkprogramma 2010 van
de Europese Commissie.

Van het overleg brengt de commissie bijgaand stenografisch verslag uit.

De voorzitter van de vaste commissie voor Europese Zaken,

Waalkens

De griffier van de vaste commissie voor Europese Zaken,

Nijssen

**

Voorzitter: Waalkens

aanwezig zijn vijf leden der Kamer, te weten:

Van Bommel, Ten Broeke, Ormel, Waalkens en Wiegman-van Meppelen
Scheppink,

en de heer Verhagen, minister van Buitenlandse Zaken en voor
Ontwikkelingssamenwerking.

Aan de orde is de behandeling van:

	- het Wetgevings- en Werkprogramma van de Europese Commissie voor 2010
(2010Z06797);

	- de brief van de minister van Buitenlandse Zaken d.d. 13 april 2010
met de aanbieding van de kabinetsreactie op het Wetgevings- en
Werkprogramma 2010 (22112, nr. 1007);

	- de brief van de voorzitter van de vaste commissie voor Europese Zaken
d.d. 15 april 2010 met het overzicht prioriteitsstelling Tweede Kamer
ten aanzien van voorstellen uit het Wetgevings- en Werkprogramma 2010
(2010Z06793).

De voorzitter: Ik heet de minister en de hem vergezellende ambtenaren,
de mensen op de publieke tribune en de mensen die via internet dit debat
volgen, van harte welkom. De agenda van dit notaoverleg behelst het
werk- en wetgevingsprogramma van de Europese Commissie en de
kabinetsappreciatie daarvan. Wij hebben van tevoren naar de spreektijden
gekeken, maar met de vier sprekers is er ruim voldoende tijd om iedereen
z'n tekst uit te laten spreken, maar wij zullen de tijd zeker in de
gaten houden. Wij hebben voor dit overleg drie uur uitgetrokken. Het
woord is aan de heer Ormel van het CDA.

**

De heer Ormel (CDA): Voorzitter. Dit is het eerste jaarlijkse
werkprogramma van de nieuwe Europese Commissie, voor een kort jaar, want
in november verschijnt weer een nieuw jaarlijks werkprogramma. Het is
echter het eerste programma met een meerjarig overzicht. Dat vinden wij
van belang. Zo worden langeretermijnstrategieën zichtbaar. De
CDA-fractie heeft hier met belangstelling kennis van genomen. De
uitdagingen die voor ons liggen zoals klimaatverandering, immigratie,
demografische verandering, globalisering en vooral ook economische
ontwikkeling kunnen wij niet alleen aan in Nederland. Wij moeten die
uitdagingen in de Europese Unie aanpakken.

	Nu de taart wordt uitgedeeld, feliciteer ik de voorzitter namens de
gehele CDA-fractie van harte met zijn verjaardag. Wij zijn hiervoor in
speciale vergadering bijeen geweest en mij is verzocht, deze
felicitaties aan u, voorzitter, over te brengen.

	Het CDA is een pro-Europese partij die van mening is dat de grote
grensoverschrijdende problemen op zijn minst in Europees verband
aangepakt kunnen worden. Daarnaast moeten wij er wel voor waken dat de
Europese Unie niet doorschiet in details. Subsidiariteit dient een
leidend principe te blijven. Ook moet een aantal plannen dat reeds in
uitvoering is, worden aangepast aan de realiteit van de huidige
moeilijke financiële situatie. Te denken valt aan Natura 2000.
Uitgaande van deze afweging beoordelen wij het werkprogramma. Tevens is
het belangrijk om op te merken dat dit werkprogramma onder de regels van
het Verdrag van Lissabon zal worden uitgewerkt. Dat vraagt om alertheid
van ons allen om de nieuwe spelregels optimaal te benutten.

	In dat kader vragen wij de regering de toezegging dat de BNC-fiches van
die onderwerpen waarvan wij aangeven dat we een behandelingvoorbehoud
overwegen of een subsidiariteitstoets, in ieder geval binnen drie weken
naar de Kamer gezonden zullen worden. Eigenlijk moet dat ook voor de
prioritaire onderwerpen gelden, maar met name de eerste twee
categorieën achten wij van groot belang. Wij vragen op dat punt een
toezegging.

	In de vaste Kamercommissies is een analyse gemaakt langs drie
hoofdlijnen: de prioritaire onderwerpen, de onderwerpen voor een
subsidiariteitstoets en het behandelvoorbehoud. De CDA-fractie steunt de
lijst die na behandeling door de diverse vaste Kamercommissies is
opgesteld. De lijst is bij de regering onder de aandacht gebracht. De
regering heeft in haar reactie ook aangegeven welke onderwerpen volgens
haar prioriteit hebben. Het lijkt erop dat er nauwelijks licht tussen
beide lijstjes zit.

	Op de middellange termijn komen diverse andere onderwerpen op de agenda
waar wij ook scherp op willen inspelen zoals het Europees
Ontwikkelingsfonds. De CDA-fractie vindt dat de Europese Unie zich dus
moet richten op kerntaken die niet alleen door lidstaten kunnen worden
uitgevoerd. Het uitgangspunt subsidiariteit vinden wij bijvoorbeeld niet
terug in voorstellen rond een richtlijn waterefficiëntie van gebouwen
of rond een verordening voedselverstrekking aan minderbedeelden in de
gemeenschap. Een kritische subsidiariteitstoets is daarom nodig.

	Prioritaire onderwerpen zoals Europese digitale agenda,
energie-infrastructuurpakket, mededeling inzake versterken
reactiecapaciteit van de EU bij rampen enzovoorts, enzovoorts, dienen
wij alert te volgen. Laat ik wat dat betreft een aantal voorbeelden
noemen uit de regeringsreactie. Op pagina 4 geeft de regering aan dat de
voorstellen betreffende de pensioensystemen te zijner tijd aan een
nauwgezet onderzoek onderworpen moeten worden. Wij vragen de regering om
goed op onze pensioenzaak te letten. Wij gaan ervan uit dat wij niet
zullen reageren op EU-oplossingen, maar dat wij nadrukkelijk het
subsidiariteitsprincipe ten aanzien van pensioensystemen zullen bewaken.

	Een ander voorbeeld staat ook op pagina 4, namelijk dat de aanpak van
administratieve lasten voor bedrijven en burgers grote aandacht behoeft.
Op pagina 7 wordt daarop verder ingegaan met het Smart
Regulation-programma. Het voorbeeld op pagina 19 gaat over de toepassing
van staatssteunregels op decentrale overheden. De regering geeft in haar
reactie aan dat dit zeer complex is. Dat is een waarheid als een koe,
maar wat daar dan aan te doen? In die samenhang vragen wij de regering
om aan te geven hoe zij de samenhang ziet tussen aanpak administratieve
lasten, Smart Regulation en deze, zoals de regering terecht aanduidt,
zeer complexe toepassing van staatssteunregels.

	Dat geldt ook voor het gestelde op pagina 19 over de geldende
financiële drempels voor overheidsopdrachten voor leveringen en
diensten. De regering geeft aan dat deze verhoogd moeten worden. Dat
zijn wij van harte met de regering eens, met name voor de toegang van
het mkb tot opdrachten. Nu zucht bijvoorbeeld de beroepsgroep
architecten onder zeer ingewikkelde aanbestedingsregels, waarbij al bij
een grens van €500.000 Europees aanbesteed moet worden. Dat is wel
prachtig voor de interne markt, maar schieten wij daarmee niet door? De
mkb'ers kunnen dat niet bolwerken. Dan krijgen wij enkel multinationaal
opererende bedrijven die dergelijke opdrachten gaan doen. Als echter een
gemeentehuis in Baskenland gebouwd moet worden of in de Achterhoek, moet
dat dan Europees worden aanbesteed? Wordt de regionale economie daardoor
niet om zeep geholpen, die wij vervolgens weer met Europese subsidie in
stand moeten zien te houden? Ik vraag de minister om uitgaande van het
standpunt dat wij de administratieve lasten voor bedrijven en burgers
moeten aanpakken, ook daadwerkelijk en concreet iets te ondernemen. Ik
heb nu een voorbeeld genoemd, maar er zijn er meerdere. Ik vraag de
minister om daar aandacht aan te besteden.

	De EDEO wordt kort genoemd. Wij verwachten nog een kabinetsreactie
daarop. Wanneer komt deze? Kunnen wij daar woensdag over spreken bij de
Raad Algemene Zaken of komt zij op een ander moment?

	De CDA-fractie onderstreept voor de commissie Europese Zaken de
prioriteit van de budget review van 2013. De nieuwe perspectieven moeten
transparanter, efficiënter en evenwichtig zijn. Het rondpompen van geld
en oncontroleerbare bestedingen moeten zwaar worden teruggedrongen en
eigenlijk niet meer mogelijk zijn enerzijds. Aan de andere kant moeten
wij er wel voor zorgen dat Nederland zijn capaciteiten, bijvoorbeeld op
agrarisch gebied, goed kan benutten. Die dubbelslag moet gemaakt worden
binnen de nieuwe perspectieven. Ik ben blij dat mijn collega van de VVD
over dit geheel "goed zo" heeft gezegd.

	Ook over het gemeenschappelijk landbouwbeleid komen wij nog nader te
spreken.

	De wisselwerking tussen Kamer en regering is in een dynamische Europese
Unie van groot belang om tijdig, maar wel flexibel te kunnen acteren op
het EU-speelveld. Tijdige informatie-uitwisseling en overleg zoals dit,
maar vooral keer op keer in de vakcommissies, en tijdig aangeven waar
het over gaat en waar het Nederlands belang ligt, zijn daarvoor
onverkort nodig.

De heer Ten Broeke (VVD): Voorzitter. Dit is elk jaar weer het meest
spectaculaire debat op de agenda voor Europese Zaken. Ik ben blij dat de
voorzitter erin heeft toegestemd dat dit debat met publiek kan
plaatsvinden. Dat is goed, want dit raakt de kern van onze parlementaire
controle, en ook de controle op Europa. Het raakt ook de kern van de
kritiekpunten die Nederlandse burgers hebben geventileerd op Europa bij
het referendum in 2005, die er in het kort op neerkwam dat Nederlanders
vonden dat Europa te veel, te duur, te groot en te snel is en dat Europa
vooral over en zonder de Nederlandse burgers besluiten neemt. Dat
Nederlandse trauma hebben wij sinds die tijd geprobeerd wat aan te
pakken en ook aan te passen. Dat heeft er onder andere toe geleid dat er
in het nieuwe Verdrag van Lissabon een voorziening is getroffen in de
vorm van de oranje kaart, naast de gele kaart. Dat is een goede zaak.
Het is uitstekend dat dit nu mogelijk is. Wij hebben nu dat Verdrag van
Lissabon en nu moeten wij ook proberen om langs die weg te procederen.
In die goedkeuringswet hebben wij ook een behandelvoorbehoud opgenomen.
Het is goed dat het Nederlandse parlement die emancipatie heeft
doorgemaakt. Wij moeten vandaag een aantal dingen doen om na te gaan wat
prioritair is, wat zich voor de subsidiariteitstoets leent en wat voor
het behandelvoorbehoud. Prioritair krijgt extra aandacht, ook in deze
Kamer. Wij zouden met briefings en thematische debatten kunnen opereren,
maar het betekent in ieder geval dat de regering de zogenaamde
BNC-fiches liefst niet binnen zes weken, maar maximaal binnen drie weken
na publicatie van het wetsvoorstel naar de Kamer zal zenden. Ook ik
vraag de regering om daarover een heldere toezegging te doen.

	Hetzelfde geldt voor de subsidiariteitstoets, die buitengewoon relevant
is, ook voor onze samenwerking met andere parlementen, voor het
eventueel trekken van die oranje en gele kaart en ook voor het
behandelvoorbehoud. Op het moment dat wij aangeven dat wij op een
bijzondere wijze geïnformeerd willen worden -- die formulering is
letterlijk in de wet opgenomen -- gaan wij binnen drie maanden na
publicatie van een wetgevend voornemen van de Europese Commissie tot een
speciaal AO over. Daarvoor is het wel noodzakelijk dat wij op tijd door
de regering worden geïnformeerd. Ik sluit mij op dat punt aan bij
collega Ormel. Wij moeten in dit debat echt zekerheid van de regering
krijgen dat voor die subsidiariteitstoets en het behandelvoorbehoud een
BNC-fichetermijn van maximaal drie weken staat en dat op wat door de
regering als prioritair is benoemd in ieder geval een
inspanningsverplichting volgt om dat binnen drie weken te doen,
afhankelijk van de behandeling in Brussel. Die toegeving kunnen wij van
onze kant doen. Als de minister dat kan toezeggen, dan hebben wij op dat
vlak in ieder geval iets bereikt.

	Ik wil een aantal onderwerpen de revue laten passeren, te beginnen met
financiën. De mededeling inzake oprichting systeem voor verbeterde
beleidscoördinatie krijgt terecht prioriteit. De VVD heeft echter al
een aantal keren aangegeven dat dit niet mag betekenen dat wij spreken
in termen van een economische regering. Dat staat hier ook niet en ook
niet in de vertaalde versie, maar ten overvloede lijkt het mij goed om
dat hier te markeren. Ik ga ervan uit dat de regering die mening ook is
toegedaan.

	De task force die nu door de heren Van Rompuy en Barroso zal worden
geleid, is van belang als daar tenminste uitkomt wat de VVD nu al een
jaar lang consequent bepleit en wat ik de regering ook wil meegeven. Ik
heb overigens begrepen dat daartoe het afgelopen weekend in Madrid zou
zijn besloten, namelijk dat in elk geval de cohesiefondsen als sticks
and carrots worden gebruikt. Dat kan wellicht en wat ons betreft
uiteindelijk ook gelden voor de voorzieningen rondom de
structuurfondsen. Nu zijn het alleen de carrots, maar daar horen wat ons
betreft sanctiemogelijkheden bij om bijvoorbeeld via het Stabiliteits-
en Groeipact de disciplinering van de lidstaten af te dwingen en daarmee
het gat in de Monetaire Unie te dichten. Het is wat ons betreft niet aan
de orde om telkens opnieuw over financieringsbronnen te spreken op het
moment dat een land als Griekenland -- ik noem een willekeurig voorbeeld
-- nog altijd 6 mld. per jaar uitgekeerd krijgt via de structuur- en
cohesiefondsen. Wij hebben prima fondsen om dat land tot verdere
disciplinering aan te sporen.

	Enkele andere zaken krijgen ook prioriteit, zoals het transparanter
maken van de derivatenmarkten, het depositogarantiestelsel en een beter
kiezersmanagement. Men kent onze voorkeur voor meer toezicht op
financiële markten. Verder noem ik nog de herziening van de
kapitaaleisenrichtlijn, het zogenaamde Baselpakket. Twee jaar geleden
zouden op zijn best de wenkbrauwen omhoog zijn gegaan, maar nu weten wij
hoe fundamenteel de spelregels zijn om meer transparantie in de
financiële markten te krijgen. Ik maak mij wel de nodige zorgen over de
parlementaire controle op het Baselproces, om de doodeenvoudige reden
dat daar onder andere centrale bankiers samenkomen, niet alleen uit de
Europese Unie, maar ook van daarbuiten. Het is lastig om de vinger
daarachter te krijgen, dus het is goed dat dit prioriteit krijgt. Dat
zal dan ook nadrukkelijk door ons worden gevolgd.

	Ik kom op onderwijs, sociale zaken en interne markt. De Tweede Kamer
heeft het youth on the move-programma over intra-Europese mobiliteit van
studenten prioritair verklaard. Het Bologna-proces, Da Vinci, Erasmus,
al die zaken hebben daarmee te maken. De regering stelt dat dit
prioriteit heeft. Wij kijken daar kritisch naar. Een aantal elementen
hebben wij zeker nodig, maar aan sommige van die Brusselse elementen
hebben wij helemaal geen behoefte, zoals initiatieven voor het tegengaan
van schooluitval. Dat staat nog altijd in de opvolger van het
Lissabon-programma, maar dat moet er wat ons betreft gewoon uit. Ik zie
dat de regering dat niet doet en dat is niet conform hetgeen wij eerder
hebben gehoord van die kant. Dit soort zaken hoeven wij niet te
benchmarken. Zij dragen niet bij aan een geloofwaardige ontwikkeling die
Europa moet doormaken. Dat kan er wat ons betreft gewoon uit.

	Hetzelfde geldt voor de communication on the Platform against Poverty.
Dat hangt weer samen met de herziening van de Working Time Directive. In
de annex kun je zien dat nog steeds sprake is van Europese initiatieven
op het gebied van ouderschaps- en zelfs vaderschapsverlof. De regering
ziet met belangstelling uit naar de voorstellen van de Europese
Commissie. Ik zie daar ook met belangstelling naar uit, maar om het met
de grond gelijk te maken. Ik hoop dat de minister dat vandaag ook wil
doen.

	Een kerntaak van de Europese Unie is natuurlijk wel de interne markt,
en ook het energiepakket dat wij het komende jaar zullen bespreken. Het
proces van de relaunch van de interne markt, het Mario Monti-stuk, is
interessant en cruciaal. Dat moet hoog op de agenda staan en zo niet,
dan zullen wij daar mede zelf voor zorgen. Dat hangt ook samen met wat
er in de annex staat over de competitiveness en het innovation framework
voor 2014 tot 2020. Wij vinden het heel belangrijk dat de regering werk
maakt van het energie- en infrastructuurpakket en de wetgevende basis
voor de zogenaamde smart grids. Dat zijn netwerken die het mogelijk
maken om in de toekomst energie makkelijk door Europa te transporteren.
Dat hangt samen met een verdergaande liberalisering van de energiemarkt.
Het is cruciaal dat Europa daarvoor niet alleen de wetgevende basis
legt, maar ook de fondsen ervoor vrijmaakt. Men weet dat de VVD in haar
tegenbegroting voor Europa, die zij bij de Staat van de Unie in november
heeft ingediend, daarvoor 7 mld. uittrekt. Ik zie met genoegen tegemoet
wat de regering daarvoor over heeft, ook in het kader van de budget
review die het komende jaar zal plaatsvinden.

	Justitie. Het Stockholm-programma krijgt wat ons betreft terecht
prioriteit. Wij zien uit naar wat de evaluatiemechanismen moeten zijn.
Het vervelende is dat het in de hele notie rondom het
Stockholm-programma nog altijd ontbreekt aan het fundamenteel
uitgangspunt dat het Europese asiel- en migratiebeleid restrictief moet
zijn. Dat is nergens te lezen. Europa heeft wat dat betreft echt nog een
inhaalslag te maken. Helaas is het met de restrictievere houding van
Nederland de afgelopen jaren onder dit kabinet weer wat uit de hand
gelopen, maar wij zien uit naar een nieuwe legislatuur. Ik wijs dus op
de notie van een restrictief migratiebeleid. Ik zie dat de minister van
Buitenlandse Zaken dat ook met genoegen tegemoet ziet. Er doemen nieuwe
horizonten op, kernenergie en andere zaken waarop iedereen zit te
wachten. Dat geldt dus ook voor een restrictief migratiebeleid. Ik wijs
erop dat in het hele WWP niets staat over het Europese pact inzake asiel
en migratie. Dat was al een beetje slap, maar nu het er niet in staat,
baart het ons nog grotere zorgen.

	Ik kom op de interne veiligheidsstrategie en de bescherming van
persoonsgegevens. Ik vat die zaken samen omdat het voor ons essentieel
is dat privacy en veiligheid hand in hand blijven gaan. Bij
dataprotectie, artikel 16 van het nieuwe verdrag, moet je goed nadenken
voordat je ook in Europese systemen je privacygegevens stopt. Maar op
het moment dat dit gebeurt, kan het wel leiden tot een veel effectievere
opsporing en een effectiever antiterreurbeleid.

	Over landbouw is een houtskoolschets verschenen die raakt aan de budget
review. Het is helder dat de VVD af wil van allerlei landbouwregelingen
zoals het ILG, het investeringsbudget Landelijk Gebied, dat in Nederland
nog altijd opgeld doet. Het ILG leidt ertoe dat er in een gemeente in de
kop van Overijssel voor €750.000 allerlei prachtige zaken zijn zoals
echte fietspaden en interieurverzorgers. Je gelooft het niet, maar het
bestaat echt, ik dacht in de gemeente Kampen.

De gemeente heeft amper geld om haar eigen energie-infrastructuur te
vernieuwen, maar trekt wel Europese gelden uit om fietspaden aan te
leggen. Die gelden zijn gewoon rondgepompt en dit is wat de
geloofwaardigheid van Europa ondermijnt! Ik vind dan ook dat wij hiermee
direct moeten stoppen, zeg ik tegen collega Ormel. Maar dat bedoelde hij
waarschijnlijk ook toen hij deze zaken aansneed.

	Natura 2000 is ons een doorn in het oog. Dit programma is in Nederland
volstrekt doorgeschoten. Er zijn heel wat ondernemers op het platteland
die vroeger "boeren" werden genoemd, maar die er tegenwoordig gelukkig
heel veel andere dingen bij doen. Die ondernemers worden beperkt door de
eindeloze regulering vanuit Brussel die met name in Natura 2000 vorm
krijgt.

	Wij vinden het juist dat de drempels voor staatssteun worden verhoogd.
De heer Ormel zei dat je dat niet moet doen omdat je dan bijvoorbeeld de
regionale economie in de Achterhoek om zeep helpt. Dat zou ik natuurlijk
ook niet willen. Ik zeg er wel bij dat we dan ook moeten ophouden met de
subsidies die dat dan weer moeten repareren. Als het CDA dat ook vindt,
hebben wij tenminste een eensluidend verhaal.

	Ik wil nog even aandacht vragen voor de bijzondere positie van zzp'ers.
De premier heeft bij het laatstgehouden debat over de Europese Top een
toezegging gedaan. Voor zzp'ers is het buitengewoon ingewikkeld om mee
te doen met Europese aanbestedingen. Dat heeft te maken met hun
bijzondere positie. Ze moeten eindeloos veel formulieren invullen en
moeten beschikken over jarenlange overzichten van hun omzetten. Dat gaat
dus niet. Zzp'ers vormen het stootkussen van de economie op dit moment.
Zij vangen de klappen op. Het zijn geen mensen die massaal naar het
Malieveld komen, maar het zijn wel de mensen die ons uit de crisis gaan
halen. Voor die mensen moeten wij dus in de nieuwe strategie aandacht
hebben. De premier leek daarover helderheid te willen verschaffen, maar
sinds het debat over de Europese Top heb ik niets meer gehoord. Ik hoor
graag van deze minister of hij daarvoor alsnog ruimte wil maken.

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie): Voorzitter. Aan
de ene kant is de behandeling van het werk- en wetgevingsprogramma
dezelfde als de voorgaande jaren, maar aan de andere kant is het toch
ook weer heel anders. Het is het eerste programma van de Commissie onder
het nieuwe verdrag met ook nog eens een nieuwe Commissie. Het is vooral
ook nieuw omdat wij nu als Kamer de mogelijkheid hebben om een
behandelvoorbehoud te plaatsen bij onderwerpen waar wij dat nodig
achten. Juist omdat onder het Verdrag van Lissabon meer onderwerpen op
Europees niveau geregeld mogen worden, is het goed dat wij er als
parlement nauwlettend op toezien. Doet de EU wat moet en gebeurt het ook
op de juiste manier? Blijft de EU af waar ze van af moet blijven omdat
het nationaal veel beter kan en omdat het daar ook thuishoort? Een
sterke betrokkenheid is ook nodig omdat de rol van nationale lidstaten
– beter gezegd: regeringsleiders – toeneemt. Zeker in de afgelopen
maanden waren het de lidstaten die tijdens de crisisbestrijding de
leiding namen. Het is daarom zaak, regelmatig met de regering van
gedachten te wisselen over de te volgen koers en gebruik te maken van
het behandelvoorbehoud bij belangrijke onderwerpen, zoals de maatregelen
voor Griekenland.

	De ontwikkelingen rondom Griekenland laten zien dat dit niet een
eens-per-jaar-overleg is waarna we er weer een jaar vanaf zijn.
Ontwikkelingen kunnen snel gaan, ook buiten het officiële werkprogramma
van de Commissie om. Dat vraagt om regelmatig overleg. Daarom wil ik
vandaag duidelijk maken dat de ChristenUnie hetgeen wij vandaag
bespreken niet eng wil interpreteren. Het gaat niet om het maken van een
lijstje van prioritaire onderwerpen, maar om het actief inspelen op
wensen van de Kamer. Dat vergt een vroege en snelle
informatievoorziening, waarbij dilemma's worden voorgelegd en waarbij
nieuwe onderwerpen in lijn met de prioritaire onderwerpen kunnen worden
behandeld. Als er nieuwe ontwikkelingen zijn die nog niet zijn
aangemerkt als "prioritair" moet de regering handelen in lijn met
afspraken over verwante onderwerpen. Hoe kunnen wij het werk- en
wetgevingsprogramma beter in lijn laten lopen met onze jaarlijkse
behandeling van de Staat van de Unie?

	Ik wil verder wijzen op de toch wel bijzondere manier van handelen van
de grotere lidstaten de afgelopen tijd, met name rond de crisis. Er
begint een haantjescultuur te ontstaan. Het lijkt wel alsof de lidstaten
willen laten zien dat zij het snelst met de beste ideeën kunnen komen.
Aldus plaatsen zij de andere lidstaten voor voldongen feiten. Ik noem
landen als Duitsland, Italië en Frankrijk. Hoe borgt de regering dat
Nederland invloed kan blijven uitoefenen en dat overleg met de Kamer
mogelijk is?

Ook nieuw is de grotere rol van het Europese Parlement. Daarmee zal
rekening moeten worden gehouden door het kabinet. Ik denk aan het
goedkeuren van de begroting.

Vervolgens wil ik enkele inhoudelijke opmerkingen maken over het werk-
en wetgevingsprogramma en dan allereerst over de samenhang die wij
moeten zien te bewaken. We hebben te maken met oude commissarissen, met
nieuwe commissarissen en met nieuwe portefeuilles. Er liggen grote
uitdagingen voor ons die zich over meerdere dossiers uitspreiden. Hoe
kan volgens het kabinet de samenhang het beste worden bewaakt? Het
komende jaar staat in het teken van de crisis. De ChristenUnie spreekt
graag over de crisis als een kans. Het wetgevings- en werkprogramma
geeft daar gelukkig blijk van. Er zijn grote uitdagingen die om een
antwoord vragen: de klimaatverandering, een duurzame economie, een
duurzame energievoorziening en de financiële crisis. Logisch dat de
Kamer aan veel van deze programmaonderdelen de status "prioritair"
geeft.

De economische crisis heeft duidelijk gemaakt dat de instrumenten en
bevoegdheden van de EU nog onvoldoende zijn toegesneden op een crisis
van grote omvang. In het voorstel van D66-europarlementariër In 't Veld
dat Europa het recht moet krijgen om in te grijpen in de begrotingen van
eurolanden zien wij helemaal niets. Wel zien wij graag meer afstemming,
een betere handhaving van het stabiliteits- en groeipact en meer
begrotingsdiscipline. Het mag niet de EU zijn die bepaalt waaraan wij
onze centen uitgeven. Deze onderwerpen willen wij graag relateren aan de
ingestelde task force waarover het kabinet ook spreekt in de
appreciatie. Een ander onderwerp in de appreciatie is de implementatie.
Wat de ChristenUnie betreft wordt daarvan in de komende jaren echt werk
gemaakt. In het algemeen doet Nederland het goed als het gaat om de
implementatie van nieuwe regels, maar Nederland heeft wel vaak last van
achterblijvende implementatie door andere eurolanden. Ik denk aan de
scheepsbouwsector. Er is wat dit betreft veel verschil tussen Nederland
en Spanje. Dat kan een nadelige positie van de Nederlandse
scheepsbouwsector betekenen. Ook denk ik aan de visserij waar met gemak
een concurrentienadeel kan ontstaan omdat andere landen minder
handhaven. Ook Natura 2000 lijkt mij belangrijk genoeg om gelijk met
elkaar op te blijven trekken. Ten slotte noem ik nog de energiemarkt.
Wij lopen vaak voor de troepen uit. Dat kan heel mooi zijn, maar wij
moeten wel oog hebben voor de traagheid van andere lidstaten. We moeten
dan zelf iets terughoudender zijn en bij de Commissie aandringen op
versnelde implementatie door de andere landen.

Voorzitter. Ik wil er enkele prioritaire onderwerpen uitlichten en noem
allereerst het Europese antwoord op de klimaatverandering. De
20-50-strategie voor een koolstofarme economie spreekt mij bijzonder
aan. De ChristenUnie volgt dan ook nauwgezet de inzet van de EU bij de
lopende klimaatonderhandelingen. Ook de toekomst van het
gemeenschappelijk landbouwbeleid geeft de ChristenUnie prioriteit. Het
gaat daarbij om voedselzekerheid, voedselveiligheid, dierenwelzijn,
maatschappelijke diensten en budget voor het gemeenschappelijk
landbouwbeleid. Ons uitgangspunt is: minder liberaliseren, behoud van
EU-beleid en –budget en een landbouw met belangrijke maatschappelijke
taken.

Europa moet streven naar een eerlijke, sociale en duurzame Europese
economie. De EU moet verder kijken dan haar eigen grenzen en moet de
allerarmsten op deze wereld steunen. Ik zie graag een Europa dat de
mensenrechten hoog in het vaandel heeft staan en een Europa dat streeft
naar eerlijke handel binnen en buiten haar grenzen.

Op de lijst van prioritaire onderwerpen -- die het parlement met name op
subsidiariteit zal toetsen -- staan veel zaken op het gebied van
onderwijs, sociale zaken en justitie. Op deze onderwerpen zal de inzet
van de ChristenUnie kritisch zijn. We moeten alleen grensoverschrijdende
oplossingen zoeken voor problemen in de EU die ook werkelijk
grensoverschrijdend zijn.

De heer Ten Broeke (VVD): Ik heb veel debatten met mevrouw Wiegman mogen
voeren, maar heb nooit begrepen dat zij zich verzet tegen een afbouw van
landbouwsubsidies die vanaf 2013 gaat plaatsvinden. Begrijp ik het goed
dat zij dat nu wel doet?

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie): Op een gegeven
moment zijn de melkquota aan de orde geweest. Toen zeiden wij: wacht nu
even met al te rigoureus afbouwen, want wij willen graag de boer
behouden in de EU. Er moet een eerlijke prijs voor een eerlijk product
worden betaald. In dat licht moet u mijn opmerkingen over het
gemeenschappelijk landbouwbeleid zien.

De heer Ten Broeke (VVD): De melkprijzen hadden vooral te maken met de
wereldmarktprijzen. De EU-landen hebben afgesproken dat na 2013 de
inkomenssubsidies voor boeren versneld zullen worden afgebouwd. Dat is
cruciaal omdat er anders opnieuw gigantische budgetten beschikbaar
moeten worden gesteld voor de landbouwsector. We zitten nu al met een
begroting van 140 mld. en ik weet niet hoeveel geld u daaraan nog wilt
toevoegen. Het is van groot belang dat de ChristenUnie helderheid schept
op dit punt.

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie): Die kan ik geven.
Ik ben zeker voor een hervorming van het gemeenschappelijk
landbouwbeleid. Er zal zeker iets moeten gebeuren aan de huidige
financiële stromen, maar wij zeggen niet dat de inkomenssteun zonder
meer moet worden afgebouwd. Als wij de boeren een rol willen laten
spelen in landschaps- en natuurbeheer, moet daar iets tegenover staan.
Hoe je dat dan noemt, is minder belangrijk.

	Voorzitter. Ik wil vandaag graag aandacht vragen voor de positie van de
Roma. Dit staat niet als zodanig geagendeerd, maar het is wel een
grensoverschrijdend onderwerp. Beleidsmatig is er vooruitgang geboekt
sinds de eerste top in Brussel, maar het gaat nog te langzaam. Aan de
basis merken de Roma nog te weinig. In een speech tijdens de jongste
Roma-top legde de Hongaarse zakenman en filantroop George Soros de
vinger op de zere plek. Financiële injecties van de EU en de
afzonderlijke lidstaten ten spijt is de positie van de Roma in Europa er
nauwelijks op vooruitgegaan en neemt de publieke opinie steeds
openlijker vijandige vormen aan ten opzichte van deze grootste Europese
minderheid. Daarnaast treft de economische crisis de zwakste schakels
van de samenleving onevenredig zwaar. De Roma worden als vanouds in de
positie van zondebok geplaatst. Ze staan niet als zodanig geagendeerd op
het prioriteitenlijstje van de Kamer, maar verdienen wel bijzondere
aandacht als wij het hebben over de bestrijding van mensenhandel en het
functioneren van de Europese arbeidsmarkt. Hoge functionarissen van de
Wereldbank staven met cijfers dat investeringen in de Roma niet alleen
aan onze mooie Europese waarden appelleren, maar ook een harde
economische noodzaak zijn. Eigenlijk is het dus een vorm van
eigenbelang. De redenering is simpel. De meerderheid van de Roma
beschikt in de werkzame leeftijd niet over voldoende onderwijs om
succesvol te kunnen deelnemen aan de arbeidsmarkt. Daardoor verliezen
EU-lidstaten jaarlijks honderden miljoenen euro's aan productiviteit en
fiscale inkomsten.

	Voorzitter. Ik sluit mij aan bij de woorden van de heer Ormel over de
staatssteunregels. Ook ik vraag aandacht voor een betere regelgeving op
het gebied van aanbestedingen. De Commissie heeft aangekondigd in 2010
te zullen kijken naar een evaluatie van het Europese
aanbestedingsbeleid. Het is van belang dat de aanbestedingsregels
efficiënter en effectiever worden en dat de administratieve lasten bij
aanbestedingen zo laag mogelijk worden.

De heer Van Bommel (SP): Voorzitter. Zoals altijd met dit terugkerend
jaarlijks overleg is het de vraag waarover wij het precies gaan hebben.
Het werkprogramma gaat in principe over alle activiteiten die in het
Europese plaatshebben. Wij kunnen het dus overal over hebben. Ik heb ook
even gekeken naar het verslag van vorig jaar en dan kom je onderwerpen
tegen als de fietspaden in Drenthe, de Duitse auto-industrie, Turkije en
nog veel meer. Wat de SP betreft, moet het in ieder geval gaan over de
vraag of de Commissie wel de juiste prioriteiten kiest en wat wij daarin
missen. Daarnaast besteden wij in het overleg altijd aandacht aan wat
wij vrij kunnen omschrijven als "de Commissie als wetgevingsmachine".
Wat is de kwaliteit van de regels? Kunnen lidstaten de implementatie
bijbenen? Wordt er wel gekozen voor de juiste instrumenten? Leert de
Commissie wel van de bezwaren rond subsidiariteit enz. enz.? Ten slotte
wil ik enkele opmerkingen maken over concrete voorstellen en over de
vraag hoe het kabinet daarmee omgaat.

	Allereerst moet opgemerkt worden dat wij ten opzichte van de vorige
bespreking in een heel andere politieke situatie zitten. Niet alleen
door het Verdrag van Lissabon dat in werking is getreden, maar ook door
de financieel-economische crisis. Wij zijn in ieder geval tevreden met
de titel, want het is inderdaad tijd voor daden. De
financieel-economische crisis en de klimaatcrisis vragen dat van ons en
van de EU. In het vorige programma stond daar nog weinig over in, omdat
de crisis toen net losbarstte.

	Van de prioriteiten op korte termijn richten de meeste
wetgevingsvoorstellen zich op de aanpak van de financiële markten. Veel
daarvan zijn herzieningen van bestaande richtlijnen die bedoeld zijn om
de markt beter te temmen. Daarmee wordt deels erkend dat het probleem
met de crisis niet zozeer is dat de EU niet genoeg bevoegdheden of
regels heeft, maar dat de markt gewoon te veel ruimte is gegeven in het
verleden. Een belangrijke benadering in dezen is de empowerment van de
lidstaten. Die moeten weer in staat zijn om te doen waar ze voor zijn:
het dienen van het algemeen belang. Dus niet meteen de conclusie trekken
dat daarvoor weer nieuwe Europese bevoegdheden of instellingen nodig
zijn. Helaas wordt dat een aantal keren wel gedaan, zoals bij de opzet
van de Europese toezichthouder. Ik vrees dat deze empowerment naar de
achtergrond verdwijnt. Is het kabinet bereid om dit als aandachtspunt
naar voren te brengen en hierop toe te zien?

	Het is een groot gemis dat bij de voorstellen een initiatief om op
korte termijn iets te doen aan de belastingconcurrentie tussen
lidstaten, die onder andere heeft gezorgd voor een erosie van de
inkomsten van de lidstaten, niet aan de orde komt. Het is niet voor
niets dat veel landen die in de problemen zitten zeer lage tarieven
hanteren. Afspraken over een minimumvennootschapsbelasting zouden kunnen
helpen. Tevens is het aanpakken van speculatie en flitskapitaal
noodzakelijk. Een bankenheffing staat hier niet genoemd, maar ik ga er
vanuit dat er ruimte is bij de Commissie om dat terstond uit te werken
zodra daarover overeenstemming is bereikt.

	Vervolgens wil ik iets zeggen over de 20/20/20-doelstelling. De rest
van de agenda voor de korte termijn betreft vooral niet-wetgevende
voorstellen op het gebied van deze strategie. Wij hebben al eerder
gezegd dat hierbij te veel nadruk wordt gelegd op economische
doelstellingen en dat sociale doelstellingen ondersneeuwen of daarvan
afhankelijk worden. Een claim van de voorstanders van het Verdrag van
Lissabon was dat dit verdrag Europa socialer zou maken. Waarom dan niet
meteen beginnen met de paar aanknopingspunten die het Verdrag biedt, uit
te werken? De Commissie schuift echter de uitwerking van het protocol
voor diensten van algemeen belang naar achteren. Wij zouden juist
verwachten dat dit kabinet, dat claimt bijna zelfstandig voor dit
protocol te hebben gezorgd, hier zo snel mogelijk werk van maakt. Of is
dit voor het kabinet een dode letter geworden? Zou de uitwerking
hiervan, ook gelet op het Handvest van de Grondrechten dat nu formeel is
vastgesteld, niet met voorrang moeten plaatsvinden vanwege de veel
initiatieven aangaande de interne markt? Hier ligt een
handelingsmogelijkheid voor het kabinet.

	Een ander gevolg van het Verdrag van Lissabon is dat de Commissie ook
aan zet is voor wat betreft de politie- en justitiesamenwerking. In het
verleden zagen wij dat ze sluipenderwijs probeerden een voet aan de
grond te krijgen op dit terrein. Ik noem de introductie van
strafrechtelijke bepalingen op allerlei gebieden, zoals het milieu. Ook
de dataretentierichtlijn, de verplichte opslag van
internetverkeersgegevens, is hiervan een voorbeeld. Er is overigens een
herziening van deze richtlijn aangekondigd. Het resultaat is wel dat
deze ontwikkeling steeds ad hoc heeft plaatsgevonden. Ook de lidstaten
hebben hieraan meegewerkt. Niet voor niets zien we nu allerlei
correcties achteraf, zoals het waarborgen van de rechten van verdachten
in de procesgang, terwijl we al bezig zijn met een Europees
arrestatiebevel en met het uitwisselen van verdachten. Ook het starten
van het beoordelen van elkaars strafrecht komt natuurlijk laat, als wij
nu al uitgaan van wederzijds vertrouwen in elkaars wetgeving. Geldt hier
wellicht het motto "Beter laat dan nooit?" Mijn fractie is er
voorstander van dat wordt nagedacht over de vraag hoe kan worden
voorkomen dat het Europees strafrechtelijk bouwwerk niet een lappendeken
wordt met deels tegenstrijdige bepalingen. Zien wij niet iets
soortgelijks bij het consumentenrecht? Nu al wordt getracht te voorkomen
dat gewerkt wordt met verschillende definities en bepalingen in de
richtlijnen op dit gebied.

Het Verdrag van Lissabon heeft tevens gevolgen voor de algehele
werkwijze van de Europese Unie en dus ook voor dit programma. Het lijkt
erop dat veel voorstellen het gevolg zijn van een verzoek van de
Europese Raad. Is die indruk juist? Er wordt eveneens gevolg gegeven aan
verzoeken van het Europees Parlement. Op zichzelf juichen wij dat toe,
want daardoor wordt de Commissie steeds meer de uitvoerder van het
beleid in plaats van de initiator. Wij vonden het namelijk altijd al
vreemd dat een dergelijk democratisch niet-gelegitimeerd orgaan als
initiator optrad. Deelt het kabinet deze analyse?

	Het belang van het bespreken van dit programma neemt sterk af als de
initiatieven elders al zijn aangekondigd.

	Het kabinet steunt het voornemen van de Commissie dat inhoudt dat er
beter wordt gelet op de implementatie van wetgeving. Dat voorstel
steunen wij eveneens. We hebben namelijk te vaak de indruk dat Nederland
het braafste jongetje van de klas is wat het naleven van regels betreft.
Op het naleven van de regelgeving mag in andere landen beter worden
gelet. De vraag is hoe het kabinet dat zou aanpakken. Dit moet niet
slechts een strafexercitie worden. Zal er ook ruimte zijn om lessen te
leren over de implementatie? Is het daardoor bijvoorbeeld ook mogelijk
om ruimte te creëren, opdat we in Nederland iets losser met de
wetgeving kunnen omgaan en men die in andere landen ietwat stringenter
kan hanteren? De Commissie kan dan in eerste instantie misschien veel
beter volstaan met een interpretatieve mededeling dan met het
onmiddellijk opleggen van een strafmaatregel.

	Veel initiatieven hangen samen met de aangekondigde
begrotingsherziening. Er zijn op deelterreinen onder andere relevante
evaluaties gehouden en besluiten genomen, bijvoorbeeld over de
cohesiefondsen. Ons parlement pleit voor een sterke vereenvoudiging
daarvan, opdat er wordt gestopt met het rondpompen van geld. Het
beheersen van de agenda is, om iets dergelijks te bereiken, het halve
werk. Hoe wenst het kabinet te voorkomen dat de volgorde van behandeling
de Nederlandse inzet doorkruist, of dat de Kamer achter de feiten
aanloopt? Het zou toch raar zijn om hier te spreken over de inzet van
cohesiefondsen, zonder dat precies duidelijk is of die straks voor alle
lidstaten beschikbaar zullen zijn, of slechts voor de armste lidstaten.
Het laatste heeft ook het kabinet met enige regelmaat als wens
uitgesproken. Graag wil ik een reactie op dit punt.

	Is het een idee om in het algemeen, naast de toets op de subsidiariteit
en de administratieve lasten, een zogenaamde rondpomptoets te
introduceren? Is het oormerken van nationale uitgaven die moeten
bijdragen aan het realiseren van Europese doelstellingen -- dat gebeurde
deels al met de Lissabonstrategie -- veelal niet intelligenter?

	Tot slot sluit ik aan bij alle woordvoerders die het kabinet verzochten
om in elk geval binnen drie weken een reactie te geven op voorstellen
waarvoor een behandelvoorbehoud geldt, of waarop de Kamer een
subsidiariteittoets wenst uit te voeren.

De voorzitter: De heer Blom laat zich verontschuldigen, want hij zit
ziek thuis. Ik zou daarom graag het woord voeren namens de fractie van
de PvdA.

**

Voorzitter: Van Bommel

De heer Waalkens (PvdA): Voorzitter. De Europese Commissie kwam met haar
Wetgevings- en Werkprogramma voor 2010 nadat de EU bijna twee jaar lang
stil stond, in afwachting van de inwerkingtreding van het Verdrag van
Lissabon. Bij de beoordeling van dat programma zijn onze uitgangspunten
als volgt: een Europa waarin sociale verworvenheden en publieke
dienstverlening niet ondergeschikt zijn aan marktregels en
internationale concurrentie. Het moet een Europa zijn met een schone,
veilige en zekere energievoorziening, dat een leidende rol speelt in de
strijd tegen de klimaatveranderingen. Wij gaan uit van een Europa dat de
gevolgen van de globalisering opvangt, dat een bijdrage levert aan
internationale solidariteit en dat werkt aan vrede en veiligheid in de
wereld. Deze terreinen zijn bij uitstek geschikt voor een Europese
aanpak.

	Ook de financiële crisis liet het belang van een Europese aanpak
duidelijk zien. In het vervolg daarop, zal er op Europees niveau
internationaal toezicht georganiseerd moeten worden. Het is immers
duidelijk dat kapitaalschieters en banken zich al lang niet meer houden
aan landsgrenzen. Internationaal toezicht heeft voor ons dan ook hoge
prioriteit. Er moeten alleen Europese maatregelen worden vastgesteld,
indien die daadwerkelijk noodzakelijk zijn en zij dus een toegevoegde
waarde hebben. We verwachten ambitie en daadkracht van deze nieuwe
Europese Commissie, binnen de haar toegekende bevoegdheden. Wat dat
betreft is er voor ons parlement een belangrijke rol weggelegd. We
moeten ook zelf inzet tonen om de ontwikkeling in de wet- en regelgeving
binnen de Europese Unie te volgen, want een meerderheid van de nationale
parlementen heeft de mogelijkheid om aan te geven dat er geen reden is
om voor het oplossen van een probleem Europese regelgeving op te
stellen. Ons uitgangspunt is dat lidstaten zelf bepalen welke publieke
diensten zij hun burgers aanbieden. Denk daarbij onder andere aan
pensioenen, zorg en onderwijs. Voor het realiseren van de sociale
doelstellingen kan het noodzakelijk zijn om op sommige terreinen te
kiezen voor Europees beleid, naast nationaal beleid.

	Een van de onderdelen van het Wetgevings- en Werkprogramma is het
protocol over de diensten van algemeen economisch belang. Dit is nu de
aangelegenheid van het ministerie van Economische Zaken. Het is naar ons
oordeel van groot belang dat het werkveld van onder andere coöperaties,
aanbestedingen in de zorg, geen onderwerp wordt van dispuut met de
Commissie. We moeten wat dat betreft zeker onze eigen grenzen trekken.
We weten als geen ander dat, als alleen de minister van EZ daarnaar
kijkt, dit niet automatisch betekent dat men ook oog heeft voor het
typisch Nederlandse maatschappelijk middenveld. Deze zorg is gebaseerd
op de opstelling van de ministeries van EZ en Financiën in het
verleden. Daardoor is ons volkshuisvestingsbestel nu onderwerp van
dispuut met de Commissie, terwijl dat bestel al langer bestaat dan de
Europese regels. Dat zou dus wat de staatsteun betreft niet meer ter
discussie moeten staan. Wij willen niet meer via de achterdeur verrast
worden en verzoeken het kabinet daarom, ervoor te zorgen dat de
departementen van VWS en WWI hierbij op goede wijze worden betrokken.

De heer Ten Broeke (VVD): Kan de heer Waalkens mij uitleggen waarom men
in Brussel wetgeving zou moeten maken om vaderschaps- of zelfs
ouderschapsverlof te regelen?

De heer Waalkens (PvdA): Ik kan me heel goed voorstellen dat er in
Europa gesproken wordt over vormen van verlof. Dat neemt niet weg dat
voor ons voorop staat dat de nationale regelgeving leidend moet zijn en
dat er op Europees niveau minimumeisen gesteld dienen te worden, zoals
dat op meerdere terreinen gebeurt.

De heer Ten Broeke (VVD): Als onze wetgeving leidend is, hebben we uit
Brussel niets nodig. We hebben immers al wetgeving op dat terrein.
Sterker nog, in Nederland is er ook sociale wetgeving voor ouders die
hun kinderen naar school of naar een crèche moeten sturen. Waarom wijst
de heer Waalkens die regelgeving van Brussel dan niet af?

De heer Waalkens (PvdA): Onze inzet is erop gericht dat Europa
minimumstandaarden vaststelt. Zodoende geeft men ook het sociale Europa
een gezicht. Het staat iedere lidstaat vervolgens vrij om een kop op die
regelgeving te zetten. Dat kan in sommige gevallen goed werken. Ik duid
onder andere op regelgeving die betrekking heeft op de natuur. De
lidstaten hebben wat dat betreft bijzondere verantwoordelijkheden en het
is daarbij gerechtvaardigd om extra eisen te stellen.

	Ik kom op het financieel beheer. De Europese maatregelen die
voortvloeien uit de financiële crisis, hebben voor ons hoge prioriteit.
Dat geldt in het bijzonder voor de voorstellen die tot doel hebben om
het Stabiliteits- en Groeipact te versterken. Verder geldt dat voor de
Richtlijn voor het toezicht op financiële conglomeraten, later Omnibus
II, en de herziening van de Richtlijn depositogarantiestelsel, de
herziening van de Richtlijn kapitaalvereisten en de mededeling over
opties voor banken: resolution funds. Wij hebben wat dit betreft geen
andere opvatting dan de regering, die liet weten dat zij een groot
voorstander is van een versterkt Europees toezicht op de financiële
sector. De hoop die de regering heeft, namelijk dat de EU op dit punt
haar ambitie en snelheid kan tonen, hebben wij ook. De PvdA-fractie
steunt eveneens de inzet van de regering ten aanzien van het
Stabiliteits- en Groeipact, alsmede haar opstelling op het punt van
regelgeving, inclusief gedragsregels, over de beleggingsfondsen en de
fondsbeheerders.

	In 2011 worden de eerste concrete voorstellen verwacht over het nieuwe
meerjarige financiële kader van de EU-begroting. Gezien onze eerdere
inzet, zijn wij van mening dat die behandeling door de Tweede Kamer
verdienen. We kunnen ons voorstellen dat wij ten aanzien daarvan een
parlementair voorbehoud maken, mede met het oog op het belang van deze
meerjarige financiële perspectieven. Evenals de regering, wil de
PvdA-fractie dat de EU-begroting binnen de perken wordt gehouden. Als
alle landen veel moeite doen om de gevolgen van de financiële crisis op
te vangen door de eigen begroting binnen de perken te houden, mag dat
ook van de EU worden verwacht. De Nederlandse inzet is eerder
bekendgemaakt ten behoeve van de begrotingsherziening. Die kan heel goed
als uitgangspunt dienen. We moeten inderdaad voorkomen dat onderdelen
van de toekomstige financiële perspectieven worden vastgelegd, voordat
de onderhandelingen daarover zijn afgerond. Ook de PvdA-fractie is
namelijk van mening dat alle onderdelen integraal onderdeel moeten zijn
van de gehele begrotingsherziening. We mogen daarbij ook niet uit het
oog verliezen dat de Europa 2020-strategie één van de pijlers van die
herziening zou kunnen zijn. De EU begroting is hard aan modernisering
toe. Denk daarbij met name aan het hervormen van het gemeenschappelijk
landbouwbeleid tot een GLB dat niet meer gericht zal zijn op
inkomenssteun, maar op het stimuleren van ondernemerschap in de brede
zin van het woord. Er dient te worden gediscussieerd over een nieuwe
visie op de rol van de landbouw, bijvoorbeeld als onderdeel van de
oplossing voor het klimaatprobleem, naast onder andere voedselzekerheid
en armoedebestrijding.

	Gezien het huidige aandeel van het GLB in de totale EU-begroting in
combinatie met andere prioriteiten die gefinancierd dienen te worden,
dient het eerstgenoemde beleid onderdeel te zijn van het grotere geheel.
De totale omvang van de EU-begroting mag niet toenemen. Er moet dus
worden geschoven met budgetten. Vooruitlopend op het nieuwe meerjarige
financiële kader van de EU-begroting zeg ik nogmaals dat er geen
afspraken kunnen worden gemaakt die tot gevolg hebben dat onderdelen van
de toekomstige financiële perspectieven al worden vastgelegd.

Met dit alles in het achterhoofd meent de Partij van de Arbeid-fractie
dat het maken van een behandelvoorbehoud op de wetgeving volgend op de
mededeling over het GLB na 2030 nuttig kan zijn.

De heer Ten Broeke (VVD): Bij de Staat van de Unie deed de VVD
voorstellen om de EU-begroting voor de toekomst radicaal te hervormen en
eindelijk eens te laten gaan over dingen waar gewone mensen het ook over
hebben. Dat is dus niet de huidige begroting, want die gaat voor 80%
naar zaken die vooral te maken hebben met de vorige eeuw. In dat debat
zei de vertegenwoordiger van de Partij van de Arbeid dat dit voorstel
interessant was en dat de PvdA misschien daarin mee kan gaan. Toen werd
ook de suggestie gewekt dat de Partij van de Arbeid ook in is voor een
verlaging van de begroting, namelijk andere posten en een lager plafond.
De heer Waalkens zegt nu echter: een klein beetje hervormen, maar
eigenlijk op de bekende weg, en geen verlaging. Is dat een goede
samenvatting?

De heer Waalkens (PvdA): De volgorde is wat ons betreft dat wij binnen
de Europese Unie doelen stellen en vervolgens kijken hoe wij die via de
instrumenten, de richtlijnen en andere wetgeving vanuit Brussel,
faciliteren met regelgeving. Het budget is dus het uitvloeisel van de
doelen en de instrumenten. Dat is de volgorde. Ik ben het absoluut eens
met de heer Ten Broeke dat wij doelen moeten stellen die gericht zijn op
het klimaat. Wij moeten namelijk de kosten voor klimaatadaptatie en
-mitigatie voor onze rekening nemen, zodat wij tot duurzame en veilige
energie komen en zeker ook tot energiezekerheid. Je moet dus opnieuw
bekijken in hoeverre voor deze belangrijke doelstellingen regelgeving en
budget nodig is. Met het stellen van de doelen begin ik dus niet aan de
achterkant maar aan de voorkant. Uiteindelijk wordt in de
subsidiariteitstoets de besluitvorming ofwel verdeeld over de lidstaten
ofwel bij Brussel neergelegd. Het is echter zeker zo dat Brussel niet
duurder moet worden dan wij met elkaar hebben afgesproken.

De heer Ten Broeke (VVD): Onze voorwaarden zijn bekend. Wij hebben
keuzen gemaakt waarover die nieuwe begroting moet gaan. Andere partijen
zijn daarover echter onduidelijk. De heer Waalkens was destijds in het
debat wel helder, maar nu laat hij het geld staan. Hij zegt dat er een
paar nieuwe zaken zijn waaraan hij aandacht wil besteden. Om echter te
voorkomen dat wij een situatie krijgen waarin geld op zoek gaat naar
beleid, vraag ik de heer Waalkens wat het hem waard is. Gaat de
EU-begroting omlaag bij de Partij van de Arbeid? Gaat bijvoorbeeld ook
de Nederlandse afdracht omlaag? Dat suggereert de PvdA namelijk wel in
haar programma. De heer Waalkens creëert hier echter mist.

De heer Waalkens (PvdA): Nee, laten wij helder zijn. De nieuwe ambities
van Europa worden nu vastgelegd in het wet- en werkgevingsprogramma van
de Commissie. Het is onze taak om de nieuwe doelen die wij in Europa
stellen, te budgetteren. Daarbij is soberheid absoluut troef. Als dit
kan inhouden dat het budget naar beneden bijgesteld wordt, is dat een
interessante gedachte. Wij beginnen echter met de trits: doelen,
regelgeving en budget.

	Naast de modernisering van de EU-begroting moet er ook veel aandacht
zijn voor de verantwoording van de EU-uitgaven. De EU-Rekenkamer wijst
keer op keer op de tekortkomingen in de verantwoording van de
EU-uitgaven door de verschillende landen. Zoals de Partij van de
Arbeid-fractie al eerder heeft ingebracht, kan wellicht een deel van de
tekortkomingen al opgevangen worden door een vereenvoudiging van de
regels.

Het financiële reglement van de EU-begroting is ook op dat punt aan
herziening toe.

	Ik ga verder met de toekomst van het Europees ontwikkelingsfonds. Op
dit onderwerp willen wij graag een behandelvoorbehoud maken. Verder
willen wij het groenboek begrotingssteun OS als prioritair voorstellen,
net als het voorstel voor een nieuw partnerschap tussen de EU en de
overzeese gebieden.

	Er staat niets in het wetgevings- en werkprogramma over de European
External Action Service van de Hoge Vertegenwoordiger. Als reden
hiervoor wordt aangevoerd dat er officieel nog niets is afgerond. Dat
maakt het echter niet minder belangrijk. Wij willen daarom graag
benadrukken dat wellicht Hoge Vertegenwoordiger Ashton hierin zelf een
actieve rol moet spelen en veel nadrukkelijker met opvattingen en
voorstellen voor een gemeenschappelijk standpunt moet komen.

	Tot slot wil ik aansluiten bij de opmerkingen dat de Kamer met het
kabinet afspraken wil maken over hetgeen wij prioritair en subsidiair
hebben gesteld op grond van de beoordeling in de vakcommissies, voor
zover dat mogelijk is. Wij zien graag binnen drie weken de BNC-fiches en
in ieder geval een geannoteerde positie van het kabinet tegemoet.

De heer Ormel (CDA): De heer Waalkens was nogal stellig over het
Europees Ontwikkelingsfonds. De PvdA wil daarvoor een
behandelingsvoorbehoud maken. Pas op de middenlange termijn kunnen wij
daarover een positie verwachten. Het is dus wat vroeg om dat nu al te
stellen. Bovendien stellen wij hier alleen maar het voornemen om dat
eventueel te gaan doen. Mag ik de heer Waalkens vragen waarom hij zo
stellig is? Wat is zijn punt over het Europees Ontwikkelingsfonds?

De heer Waalkens (PvdA): Ik ben zo stellig omdat het meer en meer
zonneklaar wordt dat wij veel meer via Europa zouden moeten doen dan via
de nationale lidstaten. De verdeling van de gelden over Europa kan vele
malen effectiever. Wij willen op dit punt de positie van het Europees
Ontwikkelingsfonds scherp tegen het licht houden. Wij vinden namelijk
dat Europa niet de zoveelste donorgemeenschap is, maar dé
donorgemeenschap, die op basis van een groot budget echt het verschil
kan maken.

De heer Ormel (CDA): Als u een behandelingsvoorbehoud maakt, dan wilt u
daarmee aangeven dat u juist reserves hebt. U zegt: ho, pas op de
plaats. U wilt echter juist een versnelling.

De heer Waalkens (PvdA): Dat is een negatieve uitleg van het
behandelvoorbehoud. Het behandelvoorbehoud is een positie waarin je op
het scherpst van de snede met elkaar discussieert over wat je wilt.
Mijnheer Ormel concludeert daaruit dat wij iets niet willen. Je kunt ook
stellen dat wij een aantal dingen wel willen. Het is geen negatief
instrument, maar het is een positief instrument. Zo heb ik het ook
beschouwd in de voordracht van de heer Ten Broeke en mevrouw Wiegman.

Voorzitter: Waalkens

De voorzitter: Dit was de inbreng van de Kamer in eerste termijn. Ik
geef de minister voor Buitenlandse Zaken graag het woord.

**

Minister Verhagen: Voorzitter. Ik ben de minister ván Buitenlandse
Zaken en vóór Ontwikkelingssamenwerking. Zo gaat dat maar door
tegenwoordig.

De voorzitter: En de minister is demissionair!

**

Minister Verhagen: En dat alles demissionair.

De heer Ormel (CDA): De minister is vóór kernenergie.

Minister Verhagen: Zo hebben wij heel de campagne weer gehad.

	Voorzitter. Ik dank de Kamer voor haar commentaar. Om te beginnen sluit
ik mij aan bij de openingsopmerkingen van de heer Ten Broeke. Daarin zei
hij dat het van belang was om hier vandaag met elkaar over het
wetgevings- en werkprogramma te spreken.

	Het commissiewerkprogramma wordt vanuit Brussel vaak een beetje gezien
als een technocratische exercitie; een boodschappenlijstje van
initiatieven en wetsvoorstellen die de Commissie de komende periode wil
afscheiden, met een doorkijkje naar de volgende jaren. Ik ben het daar
niet mee eens. Volgens mij is de Kamer het daar ook niet mee eens. Dat
geldt in het bijzonder voor de heer Ten Broeke, temeer omdat hij zo op
het belang wees om hierover met elkaar van gedachten te wisselen. Hoe
vroeger Kamer en regering anticiperen op potentieel voor Nederland
belangrijke commissievoorstellen, des te beter beslagen komen wij te
zijner tijd ten ijs. Juist in de beoordeling en het bijsturen is het van
belang om dit in een vroeg stadium te doen. Daarom is het van belang dat
de Kamer en de regering in dit vroege stadium in den brede eens over het
nieuwe programma discussiëren. Het betreft dan de vraag wat onze
prioriteiten zijn, waarop wij moeten focussen en waar wij nu al
voorbehouden willen maken etc., met juist als oogmerk om te komen tot
een gezamenlijke prioriteitenlijst.

Natuurlijk -- dat weten we allemaal -- liggen ook met dit werkprogramma
niet alle voorstellen op tafel. Er moet nog een uitwerking komen. Toch
is het goed om al in dit stadium met elkaar van gedachten te wisselen.

	De Kamer heeft een lijst samengesteld met daarop punten die zij
prioritair vindt en van het grootste belang acht. Als ik die lijst
vergelijk met de lijst van het kabinet, dan komen die twee grotendeels
overeen. Het is natuurlijk wel plezierig dat de Kamer en de regering
eensgezind kunnen omgaan met de plannen van de Europese Commissie.
Terecht vragen de heer Ormel en anderen om erop toe te zien dat de Kamer
tijdig geïnformeerd wordt over belangrijke en door ons prioritair
geachte initiatieven van de commissie. Anders kun je ook niet op het
juiste moment ingrijpen.

	Ik zeg de Kamer graag toe dat voor de voorstellen waarop de Kamer ofwel
een subsidiariteitstoets wil inroepen ofwel een parlementair voorbehoud,
de versnelde procedure voor BNC-fiches geldt. Dat betekent dat het in
ieder geval naar de Kamer komt voordat het in Brussel behandeld wordt,
liefst binnen drie weken, maar in ieder geval voordat het in Brussel
behandeld wordt. Anders wordt de bevoegdheid van de Kamer ter zake
uitgehold, puur door het verstrijken van de tijd, en dat is niet mijn
bedoeling.

	Voor de andere voorstellen, die prioritair zijn, maar waarop de Kamer
geen voorbehoud of subsidiariteitstoets van toepassing heeft verklaard,
geldt de gebruikelijke termijn van zes weken. Daarop is er dan weer de
gebruikelijke uitzondering voor witboeken en groenboeken, waarover een
meer principieel debat gewenst is, ook op basis van een kabinetsreactie.
In alle gevallen, dus ook voor prioritaire zaken, geldt dat het moment
van behandeling in Brussel leidend zal zijn. De Kamer moet voldoende
tijd krijgen om de voorstellen goed te bestuderen.

De heer Ten Broeke (VVD): Voorzitter. We moeten toch iets preciezer
zijn. Er is aan de kant van de Kamer heel nadrukkelijk meegedacht en er
is een reëel voorstel geformuleerd. Dat moet de minister niet weer gaan
oprekken, want dat doet hij nu toch een beetje. Hij besteedt heel veel
warme woorden aan de Kamer en loopt zelfs een beetje vooruit op wat
wellicht na 9 juni zijn eigen situatie wordt, maar het gaat hier om het
volgende. Als er een behandelvoorbehoud gesteld wordt, dan willen we het
binnen drie weken. Punt. Is een punt prioritair en subsidiair, dan
kunnen we zeggen: akkoord, de inspanningsverplichting moet er zijn om
het binnen zes weken te doen en voor de rest kijkt de minister zelf hoe
het met de dossiers gaat in Brussel en afhankelijk daarvan maakt hij een
keuze. In het andere geval moet het echter binnen drie weken. Dat is dus
geen inspanningsverplichting om het binnen zes weken te doen. Nee, dan
moet het gewoon binnen drie weken.

Minister Verhagen: Ik begrijp dat de heer Ten Broeke nog steeds in zijn
oppositionele rol zit en derhalve overal verschillen probeert te vinden
waar die niet zijn. Misschien dat hij ook vooruitloopt op de toekomst.
Ik gun hem dat niet. Ik gun een ieder allerlei andere ontwikkelingen.

	Met de voorzitter zijn ook op dit punt afspraken gemaakt. De voorzitter
zegt zelf dat het in dezen essentieel is geweest dat de Kamer haar werk
kan doen. Derhalve moet voor het moment van behandeling in Brussel
hierover in goede orde een debat gevoerd kunnen worden, opdat de
bevoegdheden kunnen worden waargemaakt. De heer Ten Broeke kan wel
spijkers op laag water gaan zoeken, maar ik heb de Kamer de verkorte
procedure toegezegd. De verkorte procedure houdt in dat het binnen drie
weken hier is. Al gaat de heer Ten Broeke hier op zijn kop staan, dan
nog krijgt hij niets anders te horen.

De heer Ten Broeke (VVD): De verhoudingen liggen toch echt iets anders.
Als er iemand op zijn kop moet gaan staan, is het de minister als de
Kamer daarom in meerderheid vraagt. Ik heb heel goed geluisterd. Er is
gezegd: drie weken. Misschien maak ik het verschil te groot. Dat zou dan
mooi zijn. Er bestaat een verschil tussen een inspanningsverplichting en
een resultaatverplichting. Wij vragen op het behandelvoorbehoud een
resultaatverplichting. Dat is dus heel helder. Als de minister daarop
gewoon “ja” zegt, hebben wij dus geen verschil van mening. Dan hoeft
er niemand op zijn kop te gaan staan en gaan wij de controle gewoon goed
doen.

Minister Verhagen: Voorzitter. Ik constateer dat de heer ten Broeke niet
goed luistert. Ik zeg dat de verkorte procedure betekent: binnen drie
weken. Dat wil hij kennelijk niet horen. Hij begint vervolgens over
resultaatverplichtingen en inspanningsverplichtingen. Daarover heb ik
niet gesproken. Ik constateer dat hij spijkers op laag water zoekt. Hij
ziet althans verschillen die er niet zijn. Zo kunnen wij de hele dag wel
doorgaan. De heer Ten Broeke suggereert dat ik iets anders zeg dan het
geval is. Ik zeg niets meer dan hetgeen de heer Ormel als eerste lid van
de Kamer heeft gevraagd.

De heer Ormel (CDA): Ik dank de minister voor de toezegging die hij
heeft gedaan. Ik wil nog een verduidelijkende vraag stellen. De minister
heeft toegezegd: “binnen drie weken, voor het in Brussel behandeld
wordt”. Bedoelt hij met de behandeling in Brussel de bespreking in de
Europese Commissie?

Minister Verhagen: Het moment van behandeling in Brussel betreft de
bespreking in de Raad van Ministers. De Europese Commissie gaat daaraan
vooraf. Zo lang de Commissie het niet heeft behandeld, kan het
überhaupt niet naar de Kamer worden gezonden, laat staan dat ik een
BNC-fiche zou kunnen laten maken. De Commissie behandelt het dus eerst.
Daarna wordt het conform de gangbare BNC-procedure met een begeleidend
schrijven van het kabinet aan de Kamer toegezonden. Wij kunnen er dan
over spreken voordat de behandeling in de Raad van Ministers
plaatsvindt, dus voordat er besluiten over worden genomen die de Kamer
onwelgevallig zouden zijn.

De heer Ormel (CDA): Dat betekent dus dat het de Kamer bereikt nadat het
door de Europese Commissie is behandeld. Dan bereikt een BNC-fiche ons
dus binnen drie weken nadat het door de Europese Commissie is besproken?

Minister Verhagen: Nadat wij het hebben ontvangen. Als wij het niet
hebben, kunnen wij er immers niets mee doen.

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie): Begrijp ik het
goed dat het dan binnen maximaal drie weken na publicatie van het
voorstel naar de Kamer komt? De termijn is dus niet maximaal drie weken
nadat de regering ernaar gekeken heeft, maar maximaal drie weken na
publicatie van het voorstel door de Europese Commissie?

Minister Verhagen: Ik neem aan dat het minder relevant is midden in de
zomer wanneer er geen Raad van Ministers plaatsvindt en de Kamer niet
bij elkaar komt. Zoals ik al heb gezegd, ga ik ervan uit dat het kabinet
de Kamer het BNC-fiche via de versnelde procedure zal doen toekomen als
de Kamer een subsidiariteitstoets wil inroepen of een voorbehoud wil
maken.

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie): Ik wil zeker geen
spijkers op laag water zoeken. Het is heel vriendelijk dat de minister
zegt dat hij graag rekening houdt met de zomervakantie van de
Kamerleden. Dat is heel prettig.

Minister Verhagen: Reces is toch iets anders dan zomervakantie?

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie): Precies. Daarom
zou het volgens mij goed zijn om de Kamer zelf te laten bepalen binnen
welke termijn wij zaken gaan behandelen. We willen de minister echt
vastpinnen op het maximum van drie weken.

Minister Verhagen: Meer dan vastpinnen kunt u niet, maar ik begrijp dat
u er groot belang aan hecht, allemaal. Vandaar dat u dit nog steeds
onderstreept, behalve de heer Van Bommel.

De heer Van Bommel (SP): Ik zit voortdurend instemmend te knikken!

Minister Verhagen: Gelukkig. Er is een Kamerbrede eagerness om zo snel
mogelijk alles te horen en om te weten te komen waarover het gaat. Daar
houden wij vanzelfsprekend rekening mee.

	Bij de prioritaire thema's waarop de Commissie zich zou moeten
concentreren ten behoeve het werkplan gaat het om een aantal zaken die u
zelf aan de orde hebt gesteld, maar ook om een aantal bredere zaken. Het
gaat hierbij om duurzaamheid en om de draagkracht van de aarde en ook om
de noodzaak dat Europa een voortrekkersrol speelt bij mondiale
uitdagingen als klimaatverandering en uitputting van de grondstoffen en
traditionele energiebronnen. Het gaat uiteraard ook over de hand over
hand toenemende vervlechting van de markt en de sterke opkomst van de
concurrerende economieën. Dit betekent dat Europa fors moet investeren
in versterking van ons concurrerend en innovatief vermogen, wil het niet
achterop raken. We kijken ook naar de opkomende economieën, die steeds
meer speelruimte voor zichzelf opeisen, niet alleen economisch, maar ook
op internationaal politiek terrein. Er is een beweging naar een meer
multipolaire en internationale orde. Europa moet daarop anticiperen.
Europa moet durven uitgaan van zijn eigen kracht. De waarden die wij
daarbij steeds centraal stellen zijn vrijheid en democratie, een
weerbare sociale markteconomie en een waardering voor culturele en
religieuze verscheidenheid. We moeten de durf behouden om dat te blijven
uitdragen. Met dat in het achterhoofd heeft het kabinet gekeken naar het
voorliggende werkprogramma. Daar zijn wij op zich niet ontevreden over,
maar we blijven wel kritisch.

De Commissie zal zich ten eerste moeten toeleggen op het zoeken van een
prudente uitweg uit de financieel-economische crisis. Mevrouw Wiegman
merkte terecht op dat dat een van de belangrijkste taken in de komende
periode is, met behoud en versterking van het Europese sociale
marktmodel. Als je kijkt naar de recente discussie over de
ontwikkelingen van de financiële situatie in Griekenland, is het
duidelijk dat het economische herstel nog zeer broos is. Er moeten dus
nog veel initiatieven genomen worden. Er is veel werk aan de winkel.

	Ten tweede is het van belang dat de Commissie, wellicht meer dan in het
verleden, zich concentreert op praktische maatregelen en praktische
stappen, die de burger rechtstreeks en positief beïnvloeden. Deze
maatregelen moeten ook de zichtbaarheid van Europa voor de burger
versterken. Het gaat hierbij ook om elementen waar de burger
rechtstreeks de vruchten van kan plukken.

	Ten derde zal de Commissie naar onze mening handen en voeten moeten
geven aan onze ambities op het externe beleid. Het internationale
politieke gewicht van Europa correspondeert nog steeds niet met het
economische gewicht. Met het Verdrag van Lissabon hebben we daarvoor een
aantal instrumenten. Terecht wezen de heer Ormel en de voorzitter op de
noodzaak van een fatsoenlijk functionerende Europese diplomatieke dienst
en van het fatsoenlijk functioneren van de Hoge Vertegenwoordiger,
mevrouw Ashton.

Ik heb de brief inzake de voorstellen van EDEO, de externe dienst, dit
weekend getekend. Ik ga er dus van uit dat deze onderweg is naar de
Kamer. Ik zie dat er instemmend wordt geknikt.

De voorzitter: Hij is er al.

**

Minister Verhagen: Hij is er zelfs al. Als de leden hun internet openen,
moet de brief te vinden zijn.

De heer Ormel (CDA): We luisteren nu naar u.

Minister Verhagen: Inderdaad: u luistert nu naar mij. In neem aan dat we
nog een apart debat zullen voeren over het onderwerp van die brief. De
voorstellen inzake EDEO staan niet in het werkprogramma maar wel in de
voorstellen die Ashton heeft gepresenteerd, waarover ik de Kamer mijn
bevindingen heb toegestuurd. Die heeft de Kamer nu dus. Even los van de
elementen die ik net noemde, zal de nadruk op dit punt gedurende de
komende periode vooral liggen op de materiële bestrijding van de
financieel-economische crisis en de versterking van het toezicht op de
financiële sector.

	De heer Ormel vraagt of een gemeentehuis in de Achterhoek ook Europees
moet worden aanbesteed. Deze vraag doet mij denken aan een discussie die
ik in het verleden heb gevoerd, onder andere met de Vereniging van
Nederlandse Gemeenten, over de Europese aanbestedingsregels. Dit
gebeurde naar aanleiding van een gemeente die zomaar verklaarde dat de
Europese aanbestedingsregels voor haar niet golden en die derhalve de
opdracht maar gunde aan de lokale aannemer. Die tijd is voorbij. Ook in
de Achterhoek, ook in Baskenland moet een gemeentehuis Europees
aanbesteed worden. Die combinatie staat letterlijk zo in het verslag:
Baskenland of de Achterhoek. Ik wil de Achterhoek absoluut niet
vergelijken met Baskenland!

De heer Van Bommel (SP): De vraagsteller misschien wel …

Minister Verhagen: In het kader van die discussie kwam naar voren dat
het Gemeentelijk Havenbedrijf Rotterdam een functionaris heeft die
alleen maar bezig is met Europese aanbestedingen. Hij zei dat het
havenbedrijf geld heeft verdiend door zich te houden aan de Europese
aanbestedingsregels. Je moet het dus wel goed doen. We vinden het
belangrijk dat Nederlandse aannemers, zeker die in de Achterhoek, ook in
Duitsland wegen kunnen aanleggen dan wel gemeentehuizen of bruggen
kunnen bouwen. Daar zijn de Europese aanbestedingsregels natuurlijk
voor. Die maken het mogelijk dat een geweldig goede aannemer uit de
Achterhoek over de grens aan de slag kan, in een ander deel van de
euregio. Uiteraard moeten de Europese aanbestedingsregels wel werkbaar
zijn. Daarop zien wij toe.

	De heer Ormel vraagt hoe het zit met de toepassing van de
staatssteunregels. Ook die acht hij zeer complex voor met name de lokale
overheden. Hij wil weten hoe die complexiteit zich verhoudt tot de
aanpak van de administratievelastendruk. De complementering van de
interne markt achten wij van groot belang. Daarbij hoort uiteraard ook
de juiste toepassing van de regels voor staatssteun, want anders krijg
je valse concurrentie. Tegelijkertijd is duidelijk dat de toepassing van
de staatssteunregels in de praktijk inderdaad zeer complex is voor
decentrale overheden. Nederland zal er dan ook nauw op toezien dat die
regels uitvoerbaar blijven en dat de administratieve lasten als gevolg
van deze regels niet toenemen. Het kabinet is hierover in nauw overleg
met de decentrale overheden, de VNG en het IPO. In 2009 is in opdracht
van het ministerie van Economische Zaken en het ministerie van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties een onderzoek uitgevoerd.
Hieruit blijkt dat gemeenten en provincies zich bewust zijn van de
Europese regels voor staatssteun en dat zij er alert op zijn dat die
goed worden toegepast. Door samen te werken proberen we er nu voor te
zorgen dat er door de complexiteit geen overbodige administratieve
lasten tot stand komen.

	De heer Ormel vraagt naar de Europese ontwikkelingssamenwerking. De
heer Waalkens sprak daar ook over, zij het in een iets andere context.
Zoals aangekondigd in het werkprogramma, komt de Europese Commissie
aanstaande woensdag met haar jaarrapport over de Europese
ontwikkelingssamenwerking. Daarin geeft zij onder meer een overzicht van
welke landen on track zijn voor de Millennium Development Goals. Op
aandringen van de Kamer hebben wij er steeds op aangedrongen dat andere
Europese landen zich eindelijk gaan houden aan het nakomen van hun
verplichtingen, zowel voor de Millennium Development Goals als voor de
verplichte ODA-uitgaven van 0,7% in 2015. We zullen erop blijven
aandringen dat alle landen zich aan die afspraken houden.

	In datzelfde rapport zal de Commissie een aanzet geven voor de positie
van de Europese Unie bij de Millennium Development Goals-top in
september. Ze is van plan met een ambitieuze inzet te komen. Ik vind
dit, wat nu aangekondigd is, iets anders dan het Europees
Ontwikkelingsfonds en de discussie over de vraag of Europa doet wat het
moet doen voor ontwikkelingssamenwerking, waar de heer Waalkens
kanttekeningen bij plaatst. Ik vind het opmerkelijk, maar ook triest om
te moeten constateren dat ikzelf in 1990, toen ik
Ontwikkelingssamenwerking deed in Europa, een paper schreef over exact
het dilemma dat hij schetst. Die paper ging over de Europese Unie als
dertiende lidstaat. Toen waren er nog twaalf lidstaten. Ik heb toen een
pleidooi gehouden voor een taakverdeling. De EU moet niet gewoon een
dertiende lidstaat zijn. Dan heeft ze geen toegevoegde waarde. De Unie
moet, conform het subsidiariteitsbeginsel, datgene doen waarbij ze
meerwaarde heeft en niet gewoon dupliceren.

	Ik vind die discussie nog steeds relevant. Het feit dat de heer
Waalkens die anno 2010 nog opvoert, geeft aan dat het enerzijds een
belangrijke discussie is maar anderzijds ook een zaak van lange adem.
Dat is een van de redenen waarom ik in de discussie met Ashton steeds
zeg dat het Europees ontwikkelingsbeleid geïntegreerd hoort te zijn in
het totale externe beleid van de Europese Unie, ook al heb je als
commissaris voor Ontwikkelingssamenwerking een onderscheiden
verantwoordelijkheid van de Hoge Vertegenwoordiger.

	Ik vind het een interessante discussie. Ik weet niet of het nodig is om
direct een voorbehoud op dit punt op te leggen, maar het geeft wel aan
dat het relevant is. Nederland neemt overigens het voortouw om te komen
tot een taakverdeling. Gebruikmakend van de expertise die je hebt op dat
punt, kun je zeggen: hierbij neemt Nederland het voortouw, laat
Frankrijk daarbij het voortouw nemen enzovoorts. Dan moet je dus ook af
van de wens die lidstaten nog hebben om hun eigen vlaggetje neer te
zetten. Wil je een efficiënte besteding van gelden, ook van
ontwikkelingsgelden, dan zul je deze discussie aanmoeten.

	Dat laat één ding onverlet. Het is nu voor het eerst dat het Europees
Parlement eindelijk zeggenschap heeft over het Europees
Ontwikkelingsfonds, terwijl het eerder altijd intergouvernementeel was
en derhalve zonder invloed van het Europees parlement. Dat is een van de
grote veranderingen van het Verdrag van Lissabon.

De heer Van Bommel (SP): We kunnen misschien wel vaststellen dat, met
uitzondering van de betrokkenheid van het Europees Parlement, de
afgelopen twintig jaar op dit punt niet zo veel veranderd is, ondanks de
visionaire blik van het Europees Parlementslid Verhagen toen en de kijk
van het Kamerlid Waalkens heden. Heeft het niet ook alles te maken met
de historie van dit beleidsterrein en met het postkoloniale tijdperk,
waarin lidstaten als vanzelfsprekend hun blik ook op het verleden hebben
gericht? In die zin hebben ze ook een verantwoordelijkheid in te vullen
die maakt dat zij bilateraal een grotere betrokkenheid bij bepaalde
landen hebben. Op het punt van complementariteit moeten we niet zozeer
naar Europa kijken, maar misschien wel naar een groter verband,
bijvoorbeeld de Verenigde Naties. Daar zou mijn partij meer de aandacht
op willen vestigen.

De voorzitter: Mag ik erop wijzen dat wij geen indringend debat voeren
over het EOF, maar meer over de thema's die van belang zijn?

**

Minister Verhagen: De heer Van Bommel heeft deels gelijk dat
markttoegang/oud-koloniaal verleden absoluut een rol heeft gespeeld in
de oorsprong van de relatie met de African, Caribean and Pacific-landen
in het kader van het Europees ontwikkelingsfonds. Nu het belang van een
extern beleid in het kader van 2010 en het Verdrag van Lissabon in den
brede wordt onderstreept, zou je daarin voortgang kunnen maken, maar die
discussie gaan wij ongetwijfeld nog een keer voeren.

	De heer Ten Broeke vroeg hoe het zit met aandacht voor asiel. Hij zag
het Haags Programma nergens meer. Het Haags Programma heet niet meer
Haags Programma, want het heeft een vervolg gekregen. Dat zie je wel
terug in het werkprogramma: het Stockholm Programma. Ik verwelkom de
belangrijke plaats die de Commissie daarvoor inruimt. De Commissie
voorziet daarin een verdere uitbouw van de Europese ruimte van vrijheid,
veiligheid en recht. De Commissie zou juist wel met voorstellen moeten
komen ter voltooiing van het gemeenschappelijk Europees asielbeleid,
want door de verschillen kan het ene land een aanzuigende werking
hebben, omdat het bepaalde regels soepeler hanteert, ten opzichte van
het andere land. Het is van belang dat de Commissie op dat punt wel
degelijk voorstellen doet. Die worden ook aangekondigd. Het nieuwe
verdrag voorziet verder in mogelijkheden om toe te treden tot het EVRM,
voorstellen voor een raamwerk voor gegevensbescherming en een interne
veiligheidsstrategie. Met andere woorden, op dit terrein zal de
Commissie met extra voorstellen komen, ook op basis van het huidige
werkprogramma.

	De heer Ten Broeke vraagt zich af of het, gezien de voorstellen over
economisch beleid en de ontwikkelingen, niet eens tijd wordt dat wij
niet alleen de carrots maar ook de sticks wat nadrukkelijker op tafel
leggen. Ik vind met hem dat de opties van sticks, van sancties,
nadrukkelijker op tafel zouden moeten liggen indien de lidstaten de
regels van het Groei- en Stabiliteitspact niet respecteren. Daar bestaan
mogelijkheden voor. Die zijn niet benut. Wij vinden dat wij die moeten
benutten. Daarnaast vindt de Nederlandse regering dat wij ook moeten
bekijken of nog andere effectievere sancties denkbaar zijn. Dat zal ook
aan de orde komen in de werkgroep onder leiding van de heer Van Rompuy.
Wij als regering zijn de heer Ten Broeke erkentelijk voor zijn
aansporing.

	De heer Ten Broeke vraagt wat de regering doet bij Europese
aanbestedingen, in het bijzonder voor zzp'ers. Voor zzp'ers is het
inderdaad vaak lastig om mee te dingen in zo'n aanbestedingsprocedure.
In dit opzicht is het van belang dat opdrachten niet te groot zijn. Je
kunt een opdracht immers zo groot maken dat het voor een zzp'er
volstrekt onmogelijk is om eraan mee te doen. Theoretisch zou hij dat
kunnen maar in de praktijk absoluut niet. Je moet ook geen onredelijke
eisen aan een opdracht verbinden die bij voorbaat niet in te vullen zijn
door een zzp'er. Als bijvoorbeeld de eis is dat je minimaal zo veel
personeelsleden moet hebben, dan haak je als zzp'er al snel af. Zeker
als zo'n opdracht door een zzp'er uitgevoerd kan worden, moet de
overheid geen eisen stellen die het hem feitelijk onmogelijk maken om
mee te dingen.

	Daar kunnen wij deels zelf iets aan doen in Nederland of zelfs veel. De
minister van Economische Zaken heeft een nieuw voorstel in voorbereiding
voor de aanbestedingswet, waarin zij een aantal maatregelen voorstelt om
het voor zzp'ers gemakkelijker te maken. Dat komt naar de Kamer toe als
het is afgerond. Daar werkt de minister van EZ hard aan.

Daarin wordt onder andere naar voren gebracht dat een aanbestedende
dienst bij elke opdracht vooraf goed moet nadenken over de eisen,
criteria en voorwaarden die hij stelt aan een opdracht. Die eisen maken
het namelijk wel of niet mogelijk voor iemand om serieus te kunnen
meedingen.

	Aanbestedende diensten moeten bij elke opdracht dus eerst nagaan hoe de
markt uitziet wat betreft concurrentie. Zijn er in een markt veel kleine
bedrijven actief, zzp'ers maar ook bedrijven uit het mkb, dan ligt
opdeling van de opdracht voor de hand. Zo kan een zzp'er of een bedrijf
uit het mkb rechtstreeks inschrijven. De minister van Economische Zaken
heeft dus een nieuw voorstel voor de aanbestedingswet in voorbereiding.
Op basis van wat ik daar nu van heb gezien, denk ik dat dit voorstel ook
tegemoetkomt aan de hartenkreet van de heer Ten Broeke.

	De VVD-fractie is kritisch over voorstellen op het terrein van
ouderschapsverlof, zoals vaderschapsverlof. Zij wil die voorstellen met
de grond gelijkmaken en hoopt dat wij dat ook doen. De Commissie heeft
inderdaad aangegeven in 2010 een kosten-batenstudie te willen uitvoeren
naar een mogelijk initiatief voor vaderschapsverlof. De heer Ten Broeke
hoort mijn formulering en ik weet zijn antwoord al: zie je wel, het gaat
weer beetje bij beetje en uiteindelijk kunnen we geen nee meer zeggen.
Hij kan er echter van uitgaan dat wij dit voorstel buitengewoon kritisch
zullen beoordelen, vooral op het punt van subsidiariteit en
proportionaliteit. Ook de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
heeft de Kamer op 13 april in een brief geschreven dat wij het idee van
een vaderschapsverlof afwijzen. De heer Ten Broeke kan ervan uitgaan dat
die kritische blik van minister Donner overeenkomt met zijn
vernietigende blik.

	De heer Ten Broeke vraagt ook hoe wij aankijken tegen
energie-infrastructuur. Ik neem niet aan dat hij alleen doelde op het
debat van afgelopen vrijdag, althans de discussie die daarna in bepaalde
kranten werd gevoerd. Ik vind het Europese energiebeleid van
energieveiligheid, energiezekerheid en energiediversificatie zowel qua
leverancier als qua bron, als zodanig echter van groot belang. Daarbij
past ook een infrastructuur. Het is evident dat geen fatsoenlijk
Europees energiebeleid kunt voeren als je distributie en infrastructuur
niet op orde zijn. Infrastructurele projecten als Nabucco, South Stream
en North Stream vergroten de energiezekerheid. Versterking van de
interne markt op het punt van energie is het andere element. Het laatste
element is natuurlijk voor ons van groot belang. Het is voor Nederland
van groot belang om er voortvarend mee aan het werk te gaan, mede gelet
op het feit dat het onze ambitie is om de gasrotonde van Europa te
worden. Dat betekent dat onze inspanningen erop zijn gericht, ook in het
kader van buitenlands beleid, om de energieaanvoer richting Nederland
goed te hebben. Om onze functie als gasrotonde goed te kunnen
uitoefenen, is het echter ook van belang dat we de afvoer, ofwel de
distributie, goed op orde hebben. Anders kun je er ook niet in handelen.

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie): De heer Ten
Broeke heeft expliciet het smart grid genoemd. De voorbeelden die de
minister nu noemt, zijn echter de zogenaamde powerhouse-initiatieven.
Die zijn ook wel passend in deze tijd, maar het is nu juist het smart
grid-denken, decentraal en dus niet over grootste energievoorzieningen,
dat de impuls vraagt.

Minister Verhagen: Wij willen op zichzelf best een rol spelen bij de
ontwikkeling van de smart grids. Daarbij is het vinden van voldoende
financiële middelen echter nog een heel grote uitdaging. Ik ben
benieuwd waarmee de Commissie op dat punt komt. Het SET-plan biedt een
basis, maar hierbij geldt eigenlijk hetzelfde als bij de discussie over
kernenergie. De overheid moet de voorwaarden creëren, maar uiteindelijk
zijn de marktpartijen verantwoordelijk voor investeringen in de
infrastructuur op het punt van de smart grids.

Ik ben benieuwd waarmee de Commissie komt. Wij discussiëren nu over wat
des overheids en des markts is.

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie): Dat is zo, maar
daarom zal de overheid zich er heel goed bewust van moeten zijn wat zij
faciliteert. Bij het powerhousescenario stelt de overheid zich kennelijk
heel constructief en faciliterend op. De grote projecten en de
gasrotonde werden al genoemd. Bij het smart grid krijg ik echter te
horen dat er nog moet worden nagedacht over wat de rol van de overheid
is en dat de markt het moet oppakken. Dan denk ik: kijk goed naar de
keuzes die op dit moment worden gemaakt.

Minister Verhagen: Laat ik het voorbeeld van de Nord Stream noemen.
Daarin is de Nederlandse overheid zeer behulpzaam geweest. Uiteindelijk
zijn het de bedrijven die het geld op tafel leggen. Ik kan als minister
van Buitenlandse Zaken in mijn contacten met mijn collega's
bewerkstelligen dat Nederlandse bedrijven mogen participeren in zo'n
Nord Stream. Datzelfde geldt voor de premier met zijn counterparts. Wij
betalen die Nord Stream echter niet. De overheid levert dat geld niet.
Zelfs toen ik afgelopen vrijdag zei dat er een vergunning zou moeten
worden afgegeven, betekende dat niet dat wij die betalen. Wij geven de
mogelijkheid dat het wordt ontwikkeld.

De heer Ten Broeke (VVD): Dit is een interessante discussie, want dit
gaat over de kern waarmee Europa zich eigenlijk zou moeten bezighouden
en de kern van wat een overheid doet en wat de markt kan doen.
Vergunningen voor kerncentrales moet de minister vooral afgeven. Er is
er één aangevraagd, dus ik zou zeggen: waar wacht hij op? De regering
heeft drie jaar lang de tijd gehad en nu komt de minister in
verkiezingstijd ineens met een makkelijk nummertje.

De VVD heeft vooruit gekeken. Zo'n smart grid, een gelijkspanningsnet,
leidt er in Europa toe dat energie de grens kan oversteken. Dat kan tot
nu toe dus nog steeds niet. Komende uit Haaksbergen weet ik precies
waartoe dat leidt. Je zit aan de grens, maar kunt niet van over de grens
importeren. Daaraan moeten wij wat doen en op dat gebied moeten wij
keuzes maken. De minister kan wel wachten tot de Commissie met
voorstellen komt, maar hij kan ook zeggen dat hij ervoor wil zorgen dat
wij het initiatief blijven houden en de Commissie aansporen om met meer
te komen. Nederland heeft de ambitie om de gasrotonde te worden en om
mee te draaien in elektriciteit. Het is voor Nederland essentieel dat
wij onafhankelijk worden op de energiedistributie en -leverantie.

De voorzitter: Dit is meer een statement dan een vraag.

**

De heer Ten Broeke (VVD): Het lijkt mij een uitstekende oplossing. In
onze ogen is zo'n net zelfs een overheidstaak.

Minister Verhagen: Het staat op de rol. De Commissie heeft het
aangekondigd in het werkprogramma. Bij de financiële perspectieven zal
besproken worden in hoeverre hiervoor financiële middelen ter
beschikking moeten worden gesteld vanuit de Europese Unie. Tenzij de
heer Ten Broeke afstapt van zijn basisgedachte van wat des overheids en
des markts is, komt datgene waarop wij de Europese Commissie willen
beoordelen, voldoende terug. Het is een andere vraag, die wij eigenlijk
helemaal niet in dit gremium moeten bediscussiëren, wat het economisch
beleid en het energiebeleid van het Koninkrijk der Nederlanden als
zodanig is. Die discussie kan de Kamer beter in campagnetijd of met de
minister van Economische Zaken voeren.

	De heer Ten Broeke zette vraagtekens bij de benchmark voor
schooluitval. Ik wil het even los zetten van de onjuiste weergave van de
discussie zoals wij die gevoerd hebben voorafgaande aan de Europese
Raad. In de formulering van onze beoordeling van de plannen die ter
tafel lagen -- in relatie tot Europa 2020 -- keerden wij ons tegen de
armoededoelstelling zoals die geformuleerd was. Wij vinden dat
werkgelegenheid het beste middel is om armoede te bestrijden. Je moet
daarvoor dus geen aparte doelstelling formuleren. Over schooluitval is
een zeer genuanceerde opstelling gekomen.

Je kunt dus niet stellen dat wij destijds iets anders zeiden dan nu. De
heer Ten Broeke spitst het enigszins toe op het "Youth on the
move"-initiatief als een van de prioriteiten van de EU 2020-strategie.
De aanpak van schooluitval hoort bij Youth on the move. Het is de
bedoeling om de aantrekkingskracht van de instellingen voor hoger
onderwijs et cetera te verbeteren en om de algehele kwaliteit van het
onderwijs en het opleidingsniveau in de EU te verhogen. Het algehele
onderwijsniveau is van essentieel belang, zeker als je op innovatief
niveau mee wilt kunnen draaien, waar de EU 2020-strategie zich ook op
richt. Voor een land als Nederland, dat als geen ander in de toekomst
zijn brood moet verdienen met innovatie, vernieuwing, duurzaamheid en
het aanbieden van diensten -- om het heel simpel te zeggen: wij
verdienen hier weinig geld met onze handen -- is het van uitermate groot
belang dat mensen een behoorlijke startkwalificatie meekrijgen. Daar
past het terugdringen van de schooluitval bij, dat zodoende ook binnen
de EU 2020-strategie past. Ook gaat het hierbij om het uitwisselen van
best practices. Ik ben het op zich met de heer Ten Broeke eens dat het
om nationale bevoegdheden gaat. Maar zoals het hier geformuleerd is, net
als in de EU 2020-strategie, gaat het meer om de vraag wat we van een
ander kunnen leren.

	Het aardige is dat al die landen met eenzelfde problematiek te maken
hebben. We moeten ons positioneren in een globaliserende wereld. We
kunnen dan allemaal zelf het wiel gaan uitvinden, maar het zou best eens
kunnen dat men in andere landen iets heel inventiefs of een heel goede
strategie heeft waar wij iets van kunnen leren. Ik begrijp dat dit in
ons toenemende beperkte blikveld van "Nederland is de wereld"
onvoorstelbaar is, maar het zou zomaar eens zo kunnen zijn. Op het
moment dat wij ons gaan verzetten tegen zo'n programma, dat niets meer
of minder is dan best practices, het gebruik maken van de expertise en
de kennis en ervaring in andere landen, dan zeg ik: er is toch niets
tegen op zo'n programma, zelfs niet met de meest enge interpretatie van
het subsidiariteitsbeginsel?

De heer Ten Broeke (VVD): Dat heb ik net gezegd. Ik heb gezegd dat het
programma Youth on the move prima is. Ik heb het in lijn gebracht met
Bologna en met het Erasmusprogramma. Dat is allemaal goed. Maar, zo heb
ik erbij gezegd, de minister schrijft in zijn brief op pagina 22: Ook de
voorstellen die direct voortvloeien uit de EU 2020-strategie kunnen
rekenen op Nederlandse steun, zoals van het tegengaan van schooluitval
en de Europese vaardighedenagenda. Dan is het toch niet meer dan normaal
dat ik even zeg dat er bij die elementen iets zit waarover ik in het
verleden al een paar keer met de minister heb gewisseld dat wij dat
kritisch benaderen? Dat heeft niets te maken met het punt dat wij niet
iets uit het buitenland zouden kunnen leren. Dat is namelijk allemaal
prachtig. Het is zo voor de hand liggend dat we gewoon niet willen dat
als we in Europa zeggen dat we iets van elkaar willen leren, we het
volgende moment al met wetgeving zitten. Daar waarschuw ik voor. Laten
we wel proberen om het even zuiver te houden.

Minister Verhagen: Dat is altijd heel goed. Het is terecht dat u
waarschuwt voor bepaalde vreselijke ontwikkelingen, zeker als het gaat
om wetgeving. Maar als u pagina 22 voorleest, verzoek ik ook verder te
lezen. Na de zin die u voorlas staat namelijk: "Nederland zal de
subsidiariteit scherp in de gaten houden, met name waar het gaat om de
inhoud van het onderwijs. Europese samenwerking op onderwijsterrein
dient nadrukkelijk een vrijwillig karakter te houden." Ik weet niet waar
u het punt van die wetgeving vandaan haalt.

De heer Ten Broeke (VVD): Nu zijn we bij de kern van het punt. We hebben
het bij de EU 2020-strategie erover dat u daar vervolgens op gaat
benchmarken. Dat is althans het voorstel van Europa. Schooluitval is dan
weer een van de vele zaken die op de lijst staan. Ik heb hier een- en
andermaal aangegeven dat ik dat helemaal niet wens. Laten we dat nou
niet doen!

Minister Verhagen: Maar het benchmarken gebeurt op basis van
vrijwilligheid, namelijk best practices. Dat staat in de EU
2020-strategie. Als we de EU 2020-strategie pakken, dan pakken we die
ook helemaal.

Het feit dat er "benchmarken" staat, wil niet zeggen dat je wordt
verplicht om op basis van dat benchmarken iets te gaan doen. Er staat
ook niet dat je een sanctie krijgt als je niet aan de benchmarks
voldoet, nee, het betreft benchmarks in het kader van best practices. Ik
houd de subsidiariteit en de vrijwilligheid in de gaten. Als ergens
anders iets beter is geregeld dan in Nederland en ik zou niet willen
kijken of dat ook van toepassing kan zijn op Nederland, dan zou ik toch
helemaal van God los zijn? Dat is een open methode; die heet dan ook zo:
"de open methode voor coördinatie". Als de heer Ten Broeke dat niets
vindt, moet hij ook vooral niet naar Denemarken kijken voor de
flexibilisering van de arbeidsmarkt. Ik heb het verkiezingsprogramma van
zijn partij gelezen en volgens mij doet hij dat wel. Laten wij het
beestje bij de naam noemen. Hier staat niets in over wetgeving.

	Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink heeft een aantal kritische
vragen gesteld over het toezicht van Brussel op de nationale
begrotingen. Zij had wat vrees over hetgeen daarover afgelopen weekend
is besproken. Laat ik vooropstellen dat de delegatie nog niet heelhuids
is teruggekeerd van de informele Ecofin-raad; dat hebben wij ook aan
IJsland te danken. Ik ben dus niet helemaal op de hoogte van alle ins
and outs. Er ligt nog geen concreet voorstel op tafel. De Commissie zal
op 12 mei voorstellen doen. In zijn algemeenheid is het kabinet, net als
de Kamer, denk ik, terughoudend ten aanzien van het idee dat Brussel
nationale begrotingen zou moeten goedkeuren voordat deze door de
nationale parlementen kunnen worden behandeld.

	In het kader van de jaarlijkse midterm review is er in de Eurogroep
contact met de Commissie over de begrotingen van de lidstaten, om te
kijken of deze sporen met de gemaakte EU-afspraken. Het uitgangspunt is
uiteraard dat wij niet tornen aan de bevoegdheden van de Kamer, dat moge
duidelijk zijn. Ik las op Twitter dat de heer De Jager met een tas vol
spoedstukken werd opgewacht toen hij in Berlijn landde. Daar zal
ongetwijfeld een verslag over deze raad tussen zitten dat hij zo spoedig
mogelijk naar de Kamer zal sturen. Dat laat onverlet de discussie die ik
net met de heer Ten Broeke had over de noodzaak om meer sticks and
carrots te hebben in relatie tot GSP-verplichtingen.

	Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink vroeg hoe het gaat met de
implementatieregelgeving. Wij hebben op dat punt nu wel onze zaken op
orde, maar andere lidstaten misschien niet en daar had zij wat zorgen
over. Nederland zal uiteraard aandringen op tijdige implementatie van
wet- en regelgeving door alle lidstaten. De Commissie houdt de stand van
zaken goed bij. In het verleden zijn wij ook wel eens op onze vingers
getikt door de Europese Commissie, omdat wij te nalatig waren, maar
Nederland doet het nu goed. In het laatste kwartaaloverzicht zien wij
het laagste aantal te laat geïmplementeerde richtlijnen van de
afgelopen zeven jaar. Daarin heeft dit kabinet een enorme slag gemaakt.
Dat kwam onder andere doordat de Commissie ons steeds in het
beklaagdenbankje zette, maar dat doet zij ook ten aanzien van de andere
lidstaten. Wij kunnen nu met meer recht en rede aandringen op tijdige
implementatie, omdat wij zelf onze record op dat punt hebben verbeterd.
Dan komt er toch nog iets goeds uit dit kabinet, hè mijnheer Ten
Broeke?

	Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink vraagt terecht aandacht voor de
situatie van de Roma in Europa. Ik waardeer het dat zij daar aandacht
voor vraagt. Dat is ook niet zomaar. In de laatste uitslag van de
verkiezingen in een lidstaat nota bene van de Europese Unie, kreeg een
partij die zich expliciet tegen Roma en Joden keert, een derde van het
aantal stemmen. Dit geeft aan hoe belangrijk het is om op te komen voor
de rechten van minderheden en stelling te nemen tegen discriminatie,
tegen het over een kam scheren van bevolkingsgroepen. Daar maak ik me
zorgen over, net als mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink.

	Ik heb de Kamer 6 april jongstleden een brief gestuurd met de positie
van het kabinet ten aanzien van de inspanningen van de Europese Unie om
de situatie van Roma in Europa te verbeteren. De Commissie heeft recent
een mededeling over de Roma gepubliceerd en er heeft onder Spaans
voorzitterschap een EU-Roma-top plaatsgevonden. Naar mijn mening is er
terecht in toenemende aandacht voor de situatie van Roma. Daarbij heeft
de Commissie weliswaar een sturende rol te spelen, maar de primaire
verantwoordelijkheid voor dit deels sociaaleconomische beleidsterrein
ligt natuurlijk ook bij de lidstaten. Daarbij gaat het om het bevorderen
van de toegang tot onderwijs, de toegang tot de arbeidsmarkt,
huisvesting et cetera. Ik vind dat wij ook lidstaten hierop moeten
aanspreken. Dan moeten wij overigens ook niet verbaasd zijn als andere
lidstaten ons aanspreken.

	De heer Van Bommel vraagt of ik het toejuich dat de Commissie
voorstellen maakt op verzoek van de Europese Raad en het Europees
Parlement. De Commissie opereert natuurlijk in een context waarin zij
moet samenwerken met andere instellingen. Dat is de driedeling Commissie
- Raad - Parlement. Maar de Commissie heeft natuurlijk wel een
eigenstandige rol: het bevorderen en bewaken van gemeenschappelijke
Europese doelstellingen. Zolang de Commissie dat kan blijven doen, is
het goed dat zij zich ook verstaat met het Europees Parlement en met de
Europese Raad. De Commissie moet en mag ook niet verworden tot een
beetje de loopjongen van de Raad of het Europees Parlement. Zij heeft
ook gewoon een zelfstandige rol. Juist omdat zij eigen
verantwoordelijkheden heeft, moet zij die niet veronachtzamen. Als de
Commissie zich zou beperken tot de rol van loopjongen of uitvoerder van
wat wij roepen, in het Europees Parlement dan wel in de Raad, dan wordt
daarmee het gezag van de Europese Commissie in dat evenwicht tussen de
instellingen aangetast. Daarbij is ook sprake van een grote
verantwoordelijkheid van de Commissie zelf. Ik denk dat het goed is dat
in de discussies tussen het Europees Parlement en de Commissie de leden
van het Europees parlement dat in de gaten houden en dat wij dat ook
goed in het oog houden als wij met commissarissen praten.

De heer Van Bommel (SP): Ik heb deze opmerking gemaakt met daarbij ook
een verwijzing naar democratische legitimiteit. Die is bij het Europees
Parlement natuurlijk vanzelfsprekend en die is bij de Europese Raad in
ieder geval vanzelfsprekender dan bij de Europese Commissie. Ik heb
gevraagd of de minister dat ook in de discussie wil betrekken.

Minister Verhagen: Nee, dat doe ik even niet.

De heer Van Bommel (SP): Waarom niet? Volgens mij ligt daar wel de kern
…

Minister Verhagen: Dan gaan we een hele discussie krijgen over de vraag
of commissarissen wel of niet gekozen moeten worden.

	Het unieke van de Europese samenwerking, los van het sui
generis-karakter, is natuurlijk ook juist dat evenwicht tussen de
instellingen. Ik denk dat je iets moet hebben wat de lidstaten
vertegenwoordigt, zijnde de Europese Raad. Ook moet je iets hebben wat
de bevolkingen van die Europese lidstaten vertegenwoordigt, zijnde het
Europees Parlement. En dan moet je nog een instelling hebben die
eigenlijk de hoeder van de Europese Verdragen is, die juist omdat zij
opkomt voor het Europese belang, nooit ook een uitvoerder van een
individuele lidstaat kan zijn. Natuurlijk vind ik het van belang dat een
commissaris afkomstig is uit Nederland, omdat daarmee een lijn van
denken of een bepaalde cultuur vertegenwoordigd is. Maar mevrouw Kroes
is nooit de belangenbehartiger van Nederland als zodanig. Als zij dat
zou zijn geweest, dan zou Heineken niet veroordeeld zijn, dan zou
Piedboeuf of een andere brouwerij veroordeeld zijn. Ik noem maar een
voorbeeld. Zo werkt het. Dat zie je er wel eens insluipen: discussies
over de vraag hoe het mogelijk is dat een Nederlander nu opeens zo
kritisch is ten aanzien van een operatie van ING of een andere
instelling.

Ik denk dat juist de Commissie een hoeder moet zijn van die Europese
verdragen en dat zij het Europese belang in zijn totaliteit moet
verdedigen. Dat wringt dus een beetje met het idee van gekozen zijn,
want je wordt altijd door iemand gekozen, enzovoorts.

	De heer Van Bommel vroeg ook of het kabinet ervoor kan zorgen dat er
niet steeds nieuwe Europese instanties worden opgericht voor elk nieuw
probleem dat we hebben. We hebben daarover in het verleden ook vaak
gediscussieerd naar aanleiding van het opzetten van bepaalde
instituties. Nederland hanteert een zeer terughoudende opstelling ten
aanzien van het oprichten van nieuwe Europese instellingen en ik ben het
dus op zich met de heer Van Bommel eens. Voor versterking van het
financieel toezicht was een beter gecoördineerd toezicht absoluut nodig
als gevolg van de financieel-economische crisis. Je kunt je natuurlijk
afvragen of daarvoor weer nieuwe boards moeten worden opgericht: de
European Systemic Risk Board, de European Supervisory Authorities, et
cetera. Ik denk dat het in dit geval wel nodig was om te komen tot
"toezicht met tanden". We hebben daarover al gesproken in de discussies
die aan de oprichting voorafgingen. In zijn algemeenheid zijn we dus
terughoudend. Wij pleiten er niet bij elk probleem voor om een nieuwe
instelling op te richten; wij willen zoveel mogelijk gebruik maken van
de bestaande instellingen. Als je "toezicht met tanden" wilt, wil je
echter ook een breuk maken met de instellingen waarmee in het verleden
toezicht uitgeoefend werd. Het is dus ook afhankelijk van wat er aan de
hand is. In het algemeen zijn wij dus niet voor het oprichten van nieuwe
instanties, maar in dit specifieke geval vond de Nederlandse regering
het te billijken.

	De heer Van Bommel vroeg verder naar de visie van het kabinet op het
Protocol inzake de diensten van algemeen belang. Het Monti-rapport over
de interne markt is voor Nederland belangrijk. Daarbij is essentieel hoe
dat protocol uitgewerkt zal worden. We zullen alle vakdepartementen
betrekken bij de reactie; daarover sprak ook de heer Waalkens. Dit is zo
departementsgrensoverschrijdend dat we alle departementen willen
betrekken bij het formuleren van een standpunt hierover. Zodra dat is
gebeurd, krijgt deze commissie dat standpunt uiteraard te horen.

	Ik denk dat ik daarmee ben ingegaan op de specifieke punten die door de
commissie aan de orde zijn gesteld. In zijn algemeenheid moet ik zeggen
dat ik eraan hecht om dit overleg ook in den brede voort te zetten, ook
als er meer specifieke uitwerkingen van de Commissievoorstellen ter
tafel komen.

De voorzitter: We gaan over tot de tweede termijn van de Kamer.

**

De heer Ormel (CDA): Voorzitter. Ik kan vrij kort zijn. Ik bedank de
minister voor de behandeling van onze bijdrage in eerste termijn. Ik
bedank hem voor de toezegging over het toezenden van de BNC-fiches. Dat
zal gebeuren voor zover het onderwerpen betreft waarop we eventueel een
subsidiariteitstoets willen toepassen of een behandelingsvoorbehoud
willen maken voordat ze in Brussel behandeld worden. De minister zal het
fiche in elk geval sturen binnen drie weken nadat het voorstel uit de
Commissie komt.

	Het is goed dat de Kamer met de regering van gedachten wisselt over het
Werk- en wetgevingsprogramma. Er wordt ons vaak verweten dat wij het
paard achter de wagen spannen, dat wij onvoldoende op de hoogte zijn en
dat "het" allemaal in Brussel gebeurt. Uit het overzicht van de
behandeling van het wet- en werkprogramma in de nationale parlementen
blijkt dat het Nederlandse parlement met onze collega's in het
Italiaanse parlement en in het parlement van Litouwen het enige
parlement is dat dit echt plenair behandelt. Dit is een notaoverleg; wij
moeten dit dus als een plenaire behandeling zien.

	Ik ben het met de minister eens dat de Commissie geen loopjongen of
uitvoerder moet worden en dat daarvoor een grote verantwoordelijkheid
bij de Commissie zelf ligt.

Daarvoor ligt echter ook een verantwoordelijkheid bij ons. In die balans
tussen Raad en Commissie, tussen intergouvernementeel en communautair,
heeft Nederland van oudsher het belang van het communautaire benadrukt.
De Raad stelt nu toch met grote regelmaat aparte raden of aparte
vergaderingen samen om te praten over specifieke onderwerpen. Ik begrijp
dat wel, maar benadruk dat wij op onze zaak moeten letten. Wij moeten
vooral het belang van de Commissie als zelfstandig orgaan in de balans
van het Europese geheel zien.

	Wij komen nog te spreken over de verschillende deelonderwerpen. Het is
duidelijk waarop de CDA-fractie de nadruk heeft gelegd. Ik bedank de
minister.

De heer Ten Broeke (VVD): Voorzitter. Ook ik dank de minister voor zijn
beantwoording. Het is toch prettig om hier met een bewindspersoon te
zitten die allerlei verantwoordelijkheden weet te combineren:
buitenlandse zaken, ontwikkelingssamenwerking en Europese zaken. Het is
goed om hier met de opperprimaat van de apenrots te zitten die het
alleen voor het zeggen heeft, want dan kun je tenminste meters maken. Er
wordt hier gerefereerd aan Bokito, maar die vergelijking komt van iemand
anders. Ik weet niet of de heer Timmermans destijds de heer Verhagen op
het oog had, maar het is interessant om daarover nog eens een
reconstructie te vragen. Daarover moet ik echter nog even nadenken. In
elk geval is het goed dat wij de keiharde toezegging van drie weken
hebben. Die is noodzakelijk, want dan kunnen wij onze rol maximaal
vervullen. De minister wil dat ook juist graag, omdat hij niet alleen
die drie petten heeft, maar ook nog een hart voor de parlementaire
democratie. Dat wisten wij echter al sinds het moment dat hij scripties
schreef als lid van het Europees Parlement.

	Ik was niet degene die over het Haags programma begon, maar de
minister. Ik had het over het Stockholm Programma. Dit verwijst als
zodanig niet naar het Europees pact inzake asiel en migratie, wat op
zich niet zo erg is. Dat vloeit namelijk wel weer voort uit het Haags
programma, oftewel de "kan-deal" die mevrouw Albayrak vorig jaar
daarover heeft gesloten. Die is echter niet veel meer dan een
bevestiging van de oude afspraken. Juist vanwege het gebrek aan Europees
asiel- en migratiebeleid spreek ik de minister nogmaals daarop aan. Wij
hebben natuurlijk met overtuiging ook voor die onderdelen van het
Verdrag van Lissabon gestemd. Als wij dat beleid dan eindelijk krijgen,
is het hoogstnoodzakelijk dat Nederland inderdaad op zijn zaak let en
niet de achterdeur weer openzet. Ik verval niet de hele tijd in
flauwigheden dat dit onder dit kabinet wel is gebeurd, hoewel dat
feitelijk wel waar is. De VVD is echter wel van mening dat de notie van
een restrictief migratiebeleid nu eens eindelijk tussen de oren van
Europa -- voor zover dat oren heeft -- moet komen. Er zijn onderdelen
die wij graag behandeld zien in het Stockholm Programma, zoals het
stellen van een inkomenseis -- de minister is ook voorstander daarvan --
de problematiek rondom de "Dubliners" en bovendien het tien jaar lang
geen bijstand verstrekken. De VVD heeft dit laatste van de Denen
afgekeken, want ook de VVD leert van het buitenland. Al deze zaken
zitten echter helaas niet in het Stockholm Programma.

	Ik dank de minister voor zijn toezegging dat hij het cohesie-instrument
nu inderdaad als een stick zal gebruiken. Ik zie uit naar de voorstellen
ter zake van de minister van Financiën. Het mag nog wel wat worden
uitgebreid, maar daarover komen wij ongetwijfeld te spreken. Ik dank de
minister ook voor zijn toezegging dat in ieder geval de minister van
Economische Zaken de nodige voorstellen zal doen om het iets
gemakkelijker te maken voor Nederlandse zzp'ers om mee te doen aan de
aanbestedingen.

	Wat betreft de schooluitval, waarover wij zojuist hebben gesproken, let
de minister op zijn zaak en de subsidiariteit. Zolang de schooluitval in
de benchmark staat, is het niet uitgesloten dat Europa doelstellingen
daarop zet. Dat hebben wij de vorige keer ook gezien. Dat is dan ook
onze kritiek op het oude Lissabon Programma. Als iets in de benchmark
staat, ook al is het een open coördinatiemethode, dan komen er ook weer
doelstellingen. Vervolgens komt er de teleurstelling als blijkt dat
Brussel helemaal niets aan schooluitval kan doen. Dat is precies de kern
van dit debat. Laten wij geen dingen doen die wij niet kunnen waarmaken;
geen overpromise and underdelivery. Zoiets holt namelijk de
geloofwaardigheid van Europa uit en daarbij is niemand gebaat. De
schooluitval moet dus wat ons betreft eruit en de zzp'ers erin, want dan
heeft de minister direct iets waar hij wat aan heeft.

Ik dank de minister ook voor de toezegging dat minister Donner zich zal
hard maken voor het "killen" van het vaderschapsverlof. De zinsnede "met
belangstelling uitziet" was dus kennelijk ironisch bedoeld. Dat had ik
even niet zo gelezen, maar dat zal wel aan mijn gebrek aan humor hebben
gelegen. Zolang het "Donnerwetter" dan maar boven Brussel losbarst op
het moment dat dit onderwerp op de agenda staat.

	Ten slotte wil ik nog een opmerking maken over de energieveiligheid.
Zo'n smartgrid is juist van belang om heel de energiemix te kunnen
afhandelen, inclusief de door ons zo gewenste kernenergie. Dat geldt ook
voor allerlei andere vormen van duurzame energie waarin mevrouw Wiegman
zo heilig gelooft, bijna nog heiliger dan ... dat zal ik maar niet
zeggen.

De voorzitter: Mijnheer Ten Broeke, was dat uw laatste zin? Mevrouw
Wiegman wil u nog een vraag stellen.

**

De heer Ten Broeke (VVD): Dat hoopte ik eigenlijk al.

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie): Ik ben erachter
gekomen dat de VVD-fractie de begrippen "supergrid" en "smartgrid" door
elkaar haalt. Het is prima als een VVD'er met een geweldig
supergrid-programma komt, inclusief kernenergie, maar een smartgrid is
toch echt wat anders. Dat heeft namelijk alles te maken met decentraal
en duurzaam.

De heer Ten Broeke (VVD): Als mensen in de toekomst een elektrische auto
hebben, dan kan een smartgrid bij wijze van spreken zelf met slimme
meters uitmaken wanneer zo'n auto wordt opgeladen, namelijk als de
prijzen het laagst zijn. Wij krijgen die prijzen zo laag door de interne
markt verder te liberaliseren om die verbindingen over de grens tot
stand te brengen -- interconnectie -- en het aanleggen van een
supergrid. Daarvan zijn wij groot voorstander. Dat is overigens gewoon
een overheidstaak.

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie): Ik wil de heer
Ten Broeke er toch op wijzen dat voor een smartgrid echt geen
kernenergie nodig is.

De voorzitter: De heer Ten Broeke heeft nog een laatste opmerking.

**

De heer Ten Broeke (VVD): Het is heel smart om het gewoon wel te doen.

De voorzitter: Wij sluiten dit onderwerp af.

	De heer Ten Broeke sluit zijn betoog nu af.

De heer Ten Broeke (VVD): Ik sluit mijn betoog af door te zeggen dat ik
uitzie naar alle individuele voorstellen. Het is een goed begin om op
deze manier alvast de piketpaaltjes te hebben geslagen.

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie): Voorzitter. Ik
wil de minister graag danken voor zijn antwoorden. Ik ben blij met de
behandeling van het wetgevings- en werkprogramma ook te merken dat hij
geen enge opvatting heeft -- wij spreken er vandaag over en daarmee is
het klaar -- maar dat wij wel degelijk scherp in de gaten hebben welke
onderwerpen opnieuw in de Kamer moeten worden behandeld, op het moment
dat de Europese Commissie met uitgewerkte voorstellen komt.

	Ik wil nog wel graag de visie van de minister horen over de wijze
waarop de Staat van de Unie zich verhoudt tot het wetgevings- en
werkprogramma. Die twee verschillende debatten moeten meer met elkaar in
overeenstemming worden gebracht. Ik hoor ook graag nog een reactie van
de minister op de vraag hoe hij de samenhang tussen de verschillende
deeldossiers bewaakt. Neem bijvoorbeeld de hervorming van het GLB, een
prioritair onderwerp. Dat moet nadrukkelijk gebeuren in samenhang met de
grote ambities van de Europese Unie betreffende het klimaatbeleid. Die
ambities kunnen zelfs nog groter worden.

	De ChristenUnie zit geheel op één lijn met het kabinet bij de scherpe
inzet op het sociaal beleid. Het betreft een scherpe blik, zo niet een
vernietigende, op het moment dat er voorstellen bij de Europese
Commissie vandaan komen die zich qua subsidiariteit en proportionaliteit
niet verhouden tot de afspraken. Daar blijven wij het kabinet scherp op
volgen.

	Ik ben ook blij met de reactie van de minister op het thema van de
Roma. Laat ik er wel even op wijzen dat ik de Roma niet slechts als een
sociaal probleem noemde, waarvoor sociaal beleid nodig is en waarbij de
desbetreffende landen in eerste instantie zelf aan zet zijn. Het gaat
hierbij ook nadrukkelijk om een arbeidsmarktprobleem, een economisch
probleem of een economisch belang, dat wij grensoverschrijdend moeten
oplossen. Het vormt ook heel nadrukkelijk vanuit het oogpunt van
justitie een probleem wat betreft mensenhandel. Graag krijg ik dat punt
nog even een bevestiging.

De heer Van Bommel (SP): Voorzitter. De discussie over de
driewekentermijn is volgens mij wel beslecht. Wij hoeven dus geen nadere
voorstellen te doen, die Kamerbreed worden aangenomen. Dank daarvoor.

	De discussie over de verhouding tussen ontwikkelingssamenwerking vanuit
Europa en de lidstaten, waar het iets anders betreft dan hetgeen de
lidstaten doen -- geen dubbeling -- zullen wij voortdurend op de agenda
houden. Dat kan niet anders en dat moet wat mij betreft ook niet anders.
Het hoort niet helemaal hierbij thuis, maar het is goed om het nu alvast
even te hebben aangeroerd. Dat is mede van belang omdat er door
collega's ook naar is verwezen, zelfs in de sfeer van een
behandelvoorbehoud.

Op de positie van de Commissie zullen wij per geval terugkomen, althans
wanneer er door bij handelen van de Commissie vraagtekens worden
geplaatst door de SP-fractie. Ik ben blij dat de minister na aandringen
van mijn kant zijn visie wat nader heeft willen toelichten. Als wij
Europa vandaag zouden moeten uitvinden, zouden wij het bestuurlijk niet
bouwen zoals wij het nu kennen. Ik denk dat wij het daarover snel met
elkaar eens zijn en ik zie aan de glimlach van de minister dat hij het
meer dan gemiddeld met mij eens is, want anders schenkt hij mij niet
zo'n glimlach.

	De afkeer van nieuwe Europese instituties is bij mijn fractie groot. Ik
stel vast dat Nederland bij monde van de minister zeer terughoudend is
op dit punt en dat de financiële toezichthouder die er is gekomen, de
uitzondering is die de regel bevestigt. Zo hoort het ook te zijn, mede
omdat wij allerlei instituties hebben waarvan wij ons ook nu al moeten
afvragen of zij allemaal wel werken zoals zij zouden moeten werken en of
wij er nog iets aan kunnen toevoegen.

	Ik heb een vraag gesteld over de cohesiefondsen, die niet aan de orde
is geweest. De discussie daarover loopt. Door de Kamer, maar ook door de
regering, is steeds aangegeven dat wij moeten bezien of wij het in de
toekomst anders gaan doen. Het is wenselijk dat er geld van rijke landen
naar arme landen gaat, maar omgekeerd kan het nooit de bedoeling zijn.
Daar is nu wel sprake van. Wij moeten dat apart agenderen, ook omdat bij
de begrotingsherziening dit thema moet terugkomen. Zo kunnen wij niet
door. De wens, ook door anderen geuit, om in de toekomst Europa niet
meer te laten uitgeven, maar minder, is ook een wens van mijn partij. Ik
denk dat het past om het onderwerp van de fondsen daar volop bij te
betrekken, natuurlijk ook in het kader van de begrotingsherziening.

Voorzitter: Van Bommel

De voorzitter: Het woord is aan de heer Waalkens.

**

De heer Waalkens (PvdA): Voorzitter. Ook ik dank de minister van
Buitenlandse Zaken voor zijn reactie, ook op onze inbreng. Ik heb een
aantal dingen gemist. In de eerste plaats betreft dat de noodzaak om te
komen tot een versterkt Europees financieel toezicht. Het is een
springend punt op dit moment. Ik wil graag een reactie van de minister
op dit punt.

	Dan kom ik op het punt van de iedere keer terugkerende vraag van de
Europese Rekenkamer op het punt van de verantwoording van de
EU-uitgaven. Natuurlijk moet de Commissie zich verantwoorden, maar ook
de lidstaten moet dat doen. Ik ben blij om te horen dat het kabinet
informatie naar de Kamer stuurt over de aanbestedingsregels, in relatie
tot de zzp'ers. Wij zien dat met belangstelling tegemoet.

	De betrokkenheid van de vakdepartementen bij de diensten van algemeen
economisch belang is van uitermate groot belang. In het verleden hebben
wij vaak gezien dat wij verrast werden via de achterdeur. Ik noem het
volkshuisvestingsstelsel, maar ook de aanbesteding in de zorg,
staatsteun en aanbestedingsregels. Het is van belang om de verbinding
daartussen in discussies met de Europese Commissie goed naar onze kant
te laten rollen.

	Wij hebben twee discussies gevoerd over het EOF, namelijk over de
positie van het EOF en over de taak en reikwijdte van het EOF. Wij
handhaven onze opstelling, namelijk dat wij daarover zeer kritisch en in
constructief overleg met de regering willen spreken op het moment dat de
Commissie met voorstellen en informatie komt. Gezien de inspanningen van
de verschillende commissies zijn wij gekomen aan de vaststelling van de
prioritaire lijst, de subsidiariteitslijst en het behandelvoorbehoud.
Mijn fractie zal met heel veel plezier het Europese debat verder voeren.

Voorzitter: Waalkens

De voorzitter: Het woord is aan de minister van Buitenlandse Zaken.

**

Minister Verhagen: Voorzitter. Ik dank de Kamer voor de reactie in de
tweede termijn. Gelet op de discussie van vandaag denk ik dat de
accenten op de prioriteiten in het werkprogramma van de Commissie min of
meer stroken met de prioriteiten die wij hier gezamenlijk vaststellen.
Ik zeg "min of meer", omdat op een aantal terreinen, zoals klimaat,
budget en het Stabiliteits- en Groeipact het programma wel een tikkeltje
ambitieuzer had gekund. Maar ik denk dat wij de ambitie die naar voren
komt in het debat van vandaag en in de discussie die wij op basis van de
concrete voorstellen zullen voeren, in het programma zullen kunnen
vertalen.

U kunt er dus in ieder geval van uitgaan dat dit kabinet -- en ik neem
aan dat dit ook geldt voor het volgende kabinet -- in samenspraak met de
Kamer de Commissie als een kritische duvelstoejager achter de broek zal
zitten, opdat zij ook daadwerkelijk handen en voeten zal geven aan de
ambities. Ik proef hier nadrukkelijk een gezamenlijke opstelling, die
ook in lijn is met de subsidiariteit. Europa is niet hoe dan ook beter.
Het moet bekeken worden en daar waar Europa beter is, gaan we zeggen dat
het ambitieuzer kan. Daar waar Europa geen rol heeft, hoort Europa ook
geen rol te spelen. Sinds inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon
is de positie van de nationale parlementen versterkt en oefenen deze ook
rechtstreeks invloed uit op de Europese beleidsagenda. Ik denk dat wij
ons in het samenspel tussen Kamer en regering gezamenlijk daarvoor
moeten inzetten. Tegen de geachte afgevaardigde Ten Broeke onderstreep
ik hier nogmaals: binnen drie weken, indien er een
subsidiariteitstoets/voorbehoud uwerzijds gemaakt wordt. Dat zeg ik u
hier nu gewoon toe. Dan hoeven we daar verder weinig woorden meer aan
vuil maken.

	De heer Ten Broeke ging in zijn tweede termijn nog eens nadrukkelijk in
op de noodzaak om te komen tot een goed sluitend Europees asielsysteem,
een Europees asielbeleid en een restrictief immigratiebeleid. Hij noemde
ook een aantal voorbeelden, waaruit moge blijken dat dit ook in het
belang van een land als Nederland is. Hij vroeg zich af of wij daar als
kabinet voldoende op zaten. Laat ik dienaangaande citeren uit de brief
die het kabinet naar aanleiding van het werkprogramma aan de Europese
Commissie heeft gestuurd. "Om deze migratiestromen in goede banen te
leiden, is het noodzakelijk dat de Unie sneller resultaten boekt met het
ontwikkelen van een gemeenschappelijk beleid inzake grenscontroles,
asiel en immigratie. De EU-buitengrenzen zijn belangrijk voor onze
veiligheid, maar ook voor het tegengaan van illegale migratie.
Tegelijkertijd mag degene die binnen het Europees grondgebied
bescherming nodig heeft, niet belet worden om dat binnen het Europees
grondgebied aan te vragen. Het gemeenschappelijk Europees asielsysteem
moet daarom voor 2012 zijn voltooid." Volgens mij hebben uw leden kopie
van die brief gekregen. Daaruit moge blijken dat wij wat de ambitie
betreft niet anders tegenover die vraagstukken staan dan de Kamer. Ik
heb met belangstelling naar de energiemix van de heer Ten Broeke
geluisterd. Dat moge niet verbazen.

	Mevrouw Wiegman vraagt hoe het zit met de discussie over het
werkprogramma en hoe dat zich verhoudt tot de Staat van de Unie. Er zit
natuurlijk een verschil in tijd en een verschil in abstractieniveau, om
het maar simpel te stellen. De Staat van de Unie sturen wij de Kamer met
de begroting toe in september. Die gaat over het Europese beleid en de
Nederlandse inzet in brede zin, terwijl het werkprogramma van de
Commissie uitkomt in oktober/november en nadrukkelijk alleen de
voorstellen van de Commissie voor wetgeving betreft, met daarin een
specifieke rol voor de Tweede Kamer, gelet op het Verdrag van Lissabon.
Dat is dus een iets andere invalshoek. Als wij het hebben over zaken
zoals het externe beleid, dan heb je het niet zo zeer over wetgeving,
maar breder over de vraag hoe je Europa positioneert en wat je vindt dat
Europa zou moeten doen. Dat kan in een coördinerende rol liggen, in
plaats van in de sfeer van richtlijnen en dergelijke. Dat ligt echter
iets anders.

	Ik bevestig de brede benadering wat de Roma betreft.

Inderdaad heeft dat een bredere strekking. Ik wilde het onderscheid
maken ten aanzien van het sociale midden, mede gelet op onze discussie
over de rol van lidstaten hierbij. Ik bevestig de bredere benadering en
de zorgen die daarover leven.

	De heer Van Bommel heeft gevraagd naar de cohesiefondsen en de toekomst
van het cohesiebeleid. Ook de heer Ten Broeke is hierop teruggekomen. De
discussie over de toekomst van het cohesiebeleid zal dit jaar worden
gevoerd. Dat loopt vooruit op de financiële perspectieven. Onze inzet
in deze discussie zal zijn gebaseerd op het standpunt dat wij al in 2008
hebben geformuleerd. Daarin is het volgende vastgelegd voor de toekomst
van het cohesiebeleid. De cohesiemiddelen zullen in de eerste plaats
worden gefocust op de minst welvarende regio’s in de minst welvarende
lidstaten van de Europese Unie. In de tweede plaats zullen de
cohesiemiddelen worden gericht op grensoverschrijdende samenwerking. In
geval van grensoverschrijdende samenwerking kan dus worden afgeweken van
de eis van de minst welvarende gebieden. De discussie daarover wordt
thans gevoerd. Dat houdt niet in dat het nu wordt vastgesteld. In de
loop van de discussies worden de gedachten weliswaar gevormd, maar de
vaststelling vindt plaats bij het bepalen van de nieuwe prioriteiten in
het kader van de brede discussie over de nieuwe financiële
perspectieven. Ik neem aan dat de inzet die wij toen hebben gekozen,
strookt met de ideeën van de Kamer hieromtrent. Wij hebben daarover
toentertijd met de Kamer van gedachte gewisseld.

De heer Ten Broeke sprak over het gebruik van cohesiefondsen in relatie
tot de naleving van het Stabiliteits- en Groeipact. Zoals ik al eerder
heb gezegd, bestaan zelfs binnen het bestaande Stabiliteits- en
Groeipact mogelijkheden tot het opleggen van sancties. Die zouden wij
beter kunnen benutten. Daar hoort ook dit bij.

De heer Waalkens heeft gevraagd welke specifieke stappen zijn genomen om
het financieel toezicht te versterken, los van de discussie die wij
hierover hebben gevoerd in het kader van de Europese Raad. Het is
duidelijk dat de kredietcrisis op een heel pijnlijke wijze aan het licht
heeft gebracht dat een strikter en beter gecoördineerd toezicht op de
financiële sector noodzakelijk is. Het Europese toezichtmodel was
daarvoor niet uitgerust. Naar aanleiding van de aanbevelingen van de
groep van wijzen, waarvan onder anderen de heer Ruding deel uitmaakte,
over het verbeteren van dit toezicht, is een aantal afspraken gemaakt in
het kader van de Raad.

Momenteel wordt hard gewerkt om het toezicht op de financiële sector
structureel te hervormen en te verbeteren. Wij pleiten in Europees
verband voor een Europese toezichtsstructuur met tanden. Ik denk dat de
oprichting van de European Systemic Risk Board voor macro-economisch
toezicht en van de drie toezichtsautoriteiten voor microtoezicht op
individuele instellingen dat "toezicht met tanden" bewerkstelligt. Dat
is ook een van de redenen geweest waarom wij het hier wel mee eens
waren, ook al staan wij normaal terughoudend tegenover nieuwe
instellingen. We wilden het toezicht namelijk verbeteren en er grip op
krijgen. De bedoeling is dat deze voorstellen begin 2011 in werking
treden. Over de oprichting van een raamwerk dat dit toezicht moet
omvatten zijn besprekingen met het Europees Parlement gestart.

	De heer Waalkens heeft gevraagd naar de Europese Rekenkamer en de
verantwoording van de EU-gelden. Wij zijn een van de actiefste landen.
Het blijft onze grote zorg dat de verantwoording van de besteding van
Europese Unie-gelden goed wordt geregeld. Wij blijven op dat punt
Europabreed promoten dat er een nationale-lidstatenverklaring komt. Dat
betekent dat andere lidstaten de verantwoording op dezelfde wijze als
wij organiseren. We hebben op dit punt een heel record van initiatieven.
Ik denk dat je met een nationale-lidstatenverklaring andere lidstaten
beter kunt aanspreken op de goede besteding. Wij blijven hiermee
doorgaan; daarvan kunt u overtuigd zijn, ondanks onze demissionaire
status.

De voorzitter: Wij zijn gekomen aan het einde van dit notaoverleg. De
toezegging is meerdere keren ter tafel gekomen. In het stenografisch
verslag zal deze zeker een duidelijke plek krijgen: wij krijgen binnen
drie weken de reactie van het kabinet. Ik dank de minister en de hem
vergezellende ambtenaren. Ik dank ook de collega's en sluit deze
vergadering.

**

Sluiting 15.35 uur.