[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

Rapportage bevindingen Inspectie van het Onderwijs

Bijlage

Nummer: 2011D01666, datum: 2011-01-14, bijgewerkt: 2024-02-19 10:56, versie: 1

Directe link naar document (.DOC), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Bijlage bij: Rapportage Inspectie van het Onderwijs met bevindingen onderzoek bevoegdheden docenten mbo (2011D01665)

Preview document (🔗 origineel)


Bijlage 1: 

Rapportage bevindingen Inspectie van het Onderwijs

Het totaal aantal onderzochte opleidingsteams is 47, verdeeld over 23
instellingen en twee mbo-sectoren: het agrarisch onderwijs en het
economisch onderwijs. In combinatie met de stelselonderzoeken van 2011
kan na die onderzoeken een goed beeld van gehele mbo worden verkregen.
De onderzochte opleidingen vormen geen representatieve selectie van deze
twee onderzochte sectoren van het mbo. Daarvoor zijn de aantallen
onderzochte opleidingen te klein. Niettemin vormen nu de gepresenteerde
cijfers wel belangrijke indicaties voor de omvang van deze
verschijnselen en de samenhang ervan met aspecten van de
onderwijskwaliteit.

De inspectie is van mening dat bij de onderzochte opleidingen docenten
in ruime mate buiten hun oorspronkelijke vakgebied worden ingezet.
Zeventien procent van de docenten is voor meer dan een kwart van de
werktijd actief op andere onderwijsgebieden dan waarvoor zij een
bevoegdheid hebben verworven en 83 procent werkt geheel of voor minstens
driekwart van de tijd op het eigen vakgebied. Zie tabel 1 in de bijlage
bij deze nota.

De vakgebieden waarop de docenten bij de onderzochte instellingen actief
zijn zonder formele bevoegdheid zijn:

-	Bij de algemene vakken vooral Nederlands, wiskunde en LLB (Leren,
Loopbaan 	Burgerschap). 

-	Bij de beroepsgerichte vakken vooral bij het vak ICT.

Van de 516 docenten waarover informatie beschikbaar was bleek 7 procent
onbevoegd te zijn.

De gegevens hieronder zijn verbijzonderd naar docenten algemene vakken
en docenten beroepsgerichte vakken. 

-	De inzet buiten het oorspronkelijke vakterrein is bij algemene vakken
groter 	(30 procent) dan bij docenten beroepsgerichte vakken (18
procent). 

-	Bij de docenten algemene vakken is verder een groter deel bevoegd op
grond 	van een lerarenopleiding (82,5 procent) dan bij de docenten
beroepsgerichte 	vakken (72,5 procent).

Het aantal onbevoegde docenten verschilt niet erg sterk: algemene vakken
5 procent, beroepsgerichte vakken 8 procent.

In het onderzoek is ook gekeken naar de positie van onderwijsgevenden,
niet zijnde docenten (dat wil zeggen: instructeurs en
onderwijsassistenten).

Daarvan is vastgesteld dat bijna vijftig procent wordt ingezet op een
wijze waarbij geen direct toezicht wordt uitgeoefend door een bevoegd
docent en ook geen verantwoording achteraf plaatsvindt. Slechts een
beperkt deel van deze onderwijsgevenden (iets meer dan 10 procent) heeft
een reguliere opleiding in het hoger onderwijs afgerond. Zie tabel 2 in
de bijlage bij deze nota.

Onderzocht is verder of er samenhangen bestaan tussen de inzet van
onbevoegden respectievelijk de inzet van docenten buiten het eigen
vakgebied en aspecten van de onderwijskwaliteit. De gegevens over
onbevoegde docenten en de inzet van docenten buiten hun vakgebied zijn
gerelateerd aan uitkomsten van het zogenaamde stelselonderzoek 2010.
Hoewel de interpretatie van deze gegevens met grote omzichtigheid dient
te geschieden lijkt er een verband te bestaan tussen het aantal
onbevoegde docenten respectievelijk het aantal docenten dat buiten het
eigen vakgebied wordt ingezet met negatieve scores voor de
kwaliteitscriteria ‘maatwerk’, ‘didactisch handelen’ en
‘begeleiding in de instelling’. De gegevens vormen in ieder geval
voldoende aanleiding dit verband verder te onderzoeken.

Er is overigens geen verband gevonden met de overall kwaliteit van
opleidingen.

Vervolg

De inspectie zal bij de volgende onderzoeksronde van de
stelselonderzoeken (in 2011), in dat jaar bij de sectoren Techniek en
Zorg en Welzijn, opnieuw onderzoek doen naar deze verschijnselen. Mede
dankzij een langere voorbereidingstijd hoopt de inspectie dan ook nader
inzicht te kunnen verkrijgen in de wijze waarop instellingen omgaan met
de inzet van docenten en andere onderwijsgevenden en hoe zij omgaan met
eventuele negatieve effecten. 

Conform afspraak zal de inspectie de minister vóór 1 november 2011
informeren over de uit uitkomsten van het tweede deel van dit onderzoek.
Voor het totaalbeeld zal zij haar bevindingen over 2010 en 2011 ook in
een overkoepelend rapport publiceren.

 

Inzet docenten buiten oorspronkelijk vakgebied

Tabel 1 geeft een overzicht van de inzet van de docenten buiten het
vakgebied.

In de tabel worden afzonderlijk weergegeven de gegevens voor de totale
groep en die voor de docenten algemene vakken en de docenten
beroepsgerichte vakken.

Tabel 1 Inzet docenten buiten vakgebied

	Docenten 

algemene vakken	Docenten beroepsgerichte vakken	Totaal

	Aantal	%	Aantal	%	Aantal	%

0%	159	70	153	81.8	312	75.4

0-25%	22	9.7	9	4.8	31	7.5

25-50%	15	6.6	5	2.7	20	4.8

>50%	31	13.7	20	10.7	51	12.3

Totaal	227	100	187	100	414	100



Voor alle docenten gezamenlijk geldt dat 75 procent volledig wordt
ingezet op eigen bevoegdheidsgebied; 17 procent wordt voor een
substantieel deel (>25%) en 8 procent wordt voor een beperkt deel (<25%)
ingezet buiten het oorspronkelijke bevoegdheidsgebied.

70 Procent van de docenten algemene vakken is volledig binnen het
oorspronkelijke bevoegdheidsterrein actief. Net iets meer dan 20 procent
is voor een substantieel deel (>25%) daarbuiten actief.

Van de docenten beroepsgerichte vakken is 82 procent volledig binnen het
oorspronkelijke bevoegdheidsterrein actief. Iets meer dan 13 procent is
voor een substantieel deel (>25%) daarbuiten actief.

Uit de gegevens blijkt verder dat bij de algemene vakken in vergelijking
met beroepsgerichte vakken minder vaak onbevoegden worden ingezet, maat
wel vaker docenten die niet specifiek voor het betreffende vakgebied
zijn opgeleid.

Onderwijsgevenden, anders dan docenten

Bij deze categorie onderwijsgevenden gaat het om andere vragen dan bij
de docenten. EĂ©n vraag stond hierbij centraal: op welke wijze voorziet
de instelling erin dat het onderwijs dat door deze categorie wordt
verzorgd, geschiedt onder toezicht en verantwoordelijkheid van iemand
die bevoegd docent is.

Tabel 2 Onderwijsgevenden Anders: Positie naar Aantal docenten en fte

	Aantal	Pct aantal

Zelfstandig	35	47,9%

Verantwoording achteraf	8	11,0%

Docent-op-afstand	16	21,9%

Bevoegd docent aanwezig in zelfde lokaal	4	5,5%



Opgaven met meer dan 1 antwoord

1/2 Zelfstandig Ă©n      Verantwoording achteraf	

3	

4,1%

3/2 Docent-op-afstand Ă©n Verantwoording achteraf	4	5,5%

3/4 Docent-op-afstand en  docent in zelfde lokaal	3	4,1%

Totaal	73	100,0%



Uit de tabel blijkt dat 46 van de 73 (63  procent) onderwijsgevenden,
niet zijnde docent, onderwijs verzorgt zonder dat een bevoegd docent
direct aanwezig of beschikbaar is. Bij 11 van deze 46 (15 procent van de
totale populatie) is er nog wel sprake van een verantwoording achteraf.
Voor de overige 35 (48  procent) is dus niet voorzien in een vorm van
toezicht door of verantwoording aan een volledig bevoegd docent.

Van deze groep onderwijsgevenden heeft 12,5  procent een reguliere
opleiding in het hoger onderwijs behaald, nog eens 60 procent heeft ten
minste een pedagogisch-didactisch getuigschrift in het hbo behaald.

Opvallend is dat bijna 45 procent van deze onderwijsgevenden in de eigen
instelling wel als ‘docent’ wordt aangeduid.

Wanneer de gegevens van deze categorie onderwijsgevenden worden
gerelateerd aan de totale groep van onderwijsgevenden, blijkt dat deze
categorie (van instructeurs en onderwijsassistenten) 13 procent van het
totaal aan onderwijsgevenden uitmaakt.