[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [šŸ§‘mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [šŸ” uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

Vergunningstelsel die zijn uitgezonderd op grond van het Europese recht (voorrangsregel dienstenrichtlijn)

Wijziging van de Algemene wet bestuursrecht, de Dienstenwet en enige andere wetten ter vastlegging van uitzonderingen op de toepasselijkheid van de positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen ingevolge de Dienstenwet

Bijlage

Nummer: 2011D04593, datum: 2011-01-31, bijgewerkt: 2024-02-19 10:56, versie: 1

Directe link naar document (.doc), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Bijlage bij: Memorie van toelichting (2011D04592)

Preview document (šŸ”— origineel)


Bijlage 

Vergunningstelsel die zijn uitgezonderd op grond van het Europese recht
(voorrangsregel dienstenrichtlijn)

Ministerie van Financiƫn 

Artikel 5, eerste lid, van de Wet toezicht accountantsorganisaties.

Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie 

Artikel 107 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren juncto
artikelen 5, 6, 8, 9 en 10 van het Kalverenbesluit. 

Artikel 107 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren juncto de
artikelen 2a, 2aa, artikel 4, eerste lid, tweede, vierde en vijfde lid,
artikel 5, eerste, tweede, derde en vierde lid, artikelen 8 en 11 van
het Varkensbesluit.

Artikel 101 van de Regeling diervoeders en artikel 28, eerste lid, onder
c, van het Besluit Diervoeders. 

Artikel 99 van de Regeling diervoeders en artikel 23 van de Kaderwet
diervoeders. 

Artikelen 2 en 3, eerste lid, van de Regeling erkenning en aanwijzing
veterinaire laboratoria.

Artikel 2 van het Besluit Sera en entstoffen.

Artikel 3 van het Besluit Sera en entstoffen.

Artikelen 2 en 19, derde lid, van de Regeling paraveterinairen juncto
artikel 2 van het Besluit paraveterinairen.

Artikelen 2 en 3 van het Besluit paraveterinairen.

Artikelen 6 en 7 van het Besluit paraveterinairen.

Artikelen 9 en 10 van het Besluit paraveterinairen.

Artikelen 6 en 9 van het Besluit paraveterinairen en de artikelen 15,
18, 19, derde lid, van de Regeling paraveterinairen

Artikel 9 van de Wet op de uitoefening van de diergeneeskunde 1990 en de
Regeling aanmelding tot uitoefening der diergeneeskunde.

Artikelen 2, 3, 8, eerste lid, 9 en 14 van de Wet op de uitoefening van
de diergeneeskunde 1990.

Artikelen 2, 4, 8, tweede lid, 9 en 15 van de Wet op de uitoefening van
de diergeneeskunde 1990.

Artikel 3 van het Fokkerijbesluit.

Artikel 3, eerste lid, van het Besluit in-, uit- en doorvoer van
radioactieve afvalstoffen en bestraalde splijtstoffen juncto artikel 67
van de Kernenergiewet.

Ministerie van Infrastructuur en Milieu

Artikel 6.2 van de Waterwet juncto artikelen 6.2 tot en met 6.6 van het
Besluit houdende regels met betrekking tot het beheer en gebruik van
watersystemen.

Artikel 6.3 van de Waterwet. 

Artikel 6.4 van de Waterwet.

Artikel 6.5 onderdeel a, van de Waterwet juncto artikelen 6.17 van het
Besluit houdende regels met betrekking tot het beheer en gebruik van
watersystemen.

Artikel 6.5, onderdeel c, van de Waterwet juncto artikelen 6.12, eerste
lid,  6.13, eerste lid en 6.14, eerste lid, van het Besluit houdende
regels met betrekking tot het beheer en gebruik van watersystemen.

     Artikel 5, eerste lid, van de Regeling geluidemissie
buitenmaterieel juncto artikel 2, eerste lid, tweede lid, onderdeel d,
en derde lid, van de Wet geluidhinder.

     Artikel 5, eerste lid, van de Wet explosieven voor civiel gebruik.

     Artikel 10, eerste lid, onderdeel a, van de Wet explosieven voor
civiel gebruik.

     Artikel 10, eerste lid, onderdeel b, van de Wet explosieven voor
civiel gebruik.

     Artikel 10, tweede lid, van de Wet explosieven voor civiel gebruik.

     Artikel 17, eerste lid, van de Wet explosieven voor civiel gebruik.

     Voorschrift 1.2, bijlage I, van het Besluit LPG-tankstations
milieubeheer juncto de artikelen 8.40, 8.41, 8.42 en 8.42a van de Wet
milieubeheer.

     Artikel 1.12, eerste lid, van de Regeling Bouwbesluit 2003 juncto
artikel 1.10 van het Bouwbesluit 2003 juncto artikel 2 van de Woningwet.

Ministerie van Veiligheid en Justitie

Artikelen 2a en 2b van de Advocatenwet.

Artikelen 16g tot en met 16k van de Advocatenwet.

Artikel 23b e.v. van de Regeling particuliere beveiligingsorganisaties
en recherchebureaus.

Artikel 4, eerste lid, van de Wet wapens en munitie. 

Artikel 9, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Artikel 13, tweede lid, van de Wet wapens en munitie.

Artikel 14, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Toelichting

Ministerie van Financiƫn 

1.	Voor zover de op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet toezicht
accountantsorganisaties aangevraagde vergunning betrekking heeft op
wettelijke controles zoals bedoeld in Richtlijn 2006/43/EG, geldt er een
vergunningplicht op grond van die richtlijn. De voorrangsregeling van
artikel 3 van de Dienstenrichtlijn leid ertoe dat de Richtlijn
2006/43/EG in dit geval voor de Dienstenrichtlijn gaat, zodat de LSP
niet kan worden toegepast. Zie voor een nadere toelichting de
artikelsgewijze toelichting bij artikel X.

Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie

Ontheffing van de voorschriften van het kalverenbesluit. De artikelen 5,
6, 8, 9 en 10 van het Kalverenbesluit stellen eisen aan het houden en de
huisvesting van kalveren. De Minister van Landbouw, Economische zaken en
Innovatie kan, voor zover het belang van de gezondheid of het welzijn
van dieren dan wel, voor zover het verband houdt met niet voor
menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten, het belang van de
gezondheid van mensen zich daartegen niet verzet, van het bij of
krachtens de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren  bepaalde
ontheffing verlenen. Uitzondering is noodzakelijk vanwege richtlijn nr.
91/629/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 19 november
1991 tot vaststelling van minimumnormen ter bescherming van kalveren
(PbEG L 340)

Ontheffing van de voorschriften van het Varkensbesluit. De artikelen 2a,
2aa, 4, eerste lid, tweede, vierde en vijfde lid, 5, eerste, tweede,
derde en vierde lid, 8 en 11 van het Varkensbesluit stellen regels aan
het houden en de huisvesting van varkens in verband met het welzijn van
deze dieren. De Minister van Landbouw, Economische zaken en Innovatie
kan, voor zover het belang van de gezondheid of het welzijn van dieren
dan wel, voor zover het verband houdt met niet voor menselijke
consumptie bestemde dierlijke bijproducten, het belang van de gezondheid
van mensen zich daartegen niet verzet, van het bij of krachtens
Gezondheids- en welzijnswet voor dieren gestelde bepaalde ontheffing
verlenen. Uitzondering is noodzakelijk vanwege richtlijn 91/630/EEG van
de Raad van de Europese Gemeenschappen van 19 november 1991 tot
vaststelling van minimumnormen ter bescherming van varkens (PbEG L 340) 

Toestemming voor een onderzoek of een proef met het gebruik van
toevoegingsmiddelen of vervangende voederproteĆÆnen in diervoeders. De
Minister van Landbouw, Economische zaken en Innovatie kan toestemming
verlenen om bij wijze van proef of voor onderzoek toevoegingsmiddelen of
vervangende voederprotoĆÆnen aan diervoeders toe te voegen. Het
onderzoek dient te voldoen aan bij ministeriƫle regeling ter uitvoering
van EU-recht vastgestelde voorschriften. Uitzondering is noodzakelijk
vanwege: richtlijn 83/228/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen
van 18 april 1983 tot vaststelling van richtsnoeren voor de beoordeling
van bepaalde produkten die worden gebruikt in de diervoeding (PbEG L
126); richtlijn 87/ 153/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen
van 16 februari 1987 tot vaststelling van richtsnoeren voor de
beoordeling van toevoegingsmiddelen in diervoeding (PbEG L 64) en
artikel 7 van verordening (EG) nr. 1831/2003 van het Europees Parlement
en de Raad van de Europese Gemeenschappen van 22 september 2003
betreffende toevoegingsmiddelen voor diervoeding (PbEG L 268).

Aanwijzing van laboratoria ter uitvoering van analyses op
diervoedermonsters. De vergunning betreft de aanwijzing door de Minister
van Landbouw, Economische zaken en Innovatie van de laboratoria die in
het kader van toezicht en handhaving van de Kaderwet diervoeders,
analyses uitvoeren op monster genomen tijdens officiƫle controles. De
aanwijzing van bevoegde laboratoria vindt plaats bij algemeen verbinden
voorschrift. De uitgevoerde analyses behoren tot de uitvoering van een
publieke taak. De aanwijzing van de laboratoria is verplicht op grond
van artikel 12 van Verordening (EG) 882/2004 van het Europees Parlement
en de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 inzake officiƫle
controles op de naleving van de wetgeving inzake diervoeders en
levensmiddelen en de voorschriften inzake diergezondheid en
dierenwelzijn (PbEG L 156). Artikel 12 van deze verordening vereist
voorafgaand onderzoek (evaluatie).

Erkenning van veterinaire laboratoria die bepaalde onderzoeken naar
dierziekten verrichten. Onderzoeken naar bepaalde dierziekten zoals BSE,
runderbrucellose en Aujeszky kunnen worden verricht door veterinaire
laboratoria die door de Minister van Landbouw, Economische zaken en
Innovatie zijn erkend. Het is noodzakelijk dat er een voorafgaand
onderzoek door de VWA in samenwerking met het Centraal Veterinair
Instituut (CVI, voorheen CIDC-Lelystad) plaatsvindt, en veelal ook een
audit door CVI plaatsvindt om de werkwijze van het lab te bekijken.
Uitzondering is noodzakelijk vanwege artikel 6, eerste en derde lid, en
bijlage X, hoofdstuk C, onderdeel 2, van verordening (EG) nr. 999/2001
van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Gemeenschappen van
22 mei 2001 houdende vaststelling van voorschriften inzake preventie,
bestrijding en uitroeiing van bepaalde overdraagbare spongiforme
encefalopathieƫn (PbEG L 147); bijlage B, hoofdstuk I, punt 2, en
hoofdstuk II, punt 2, van richtlijn nr. 88/407/EEG van de Raad van de
Europese Gemeenschappen van 14 juni 1988 tot vaststelling van de
veterinairrechtelijke voorschriften van toepassing op het
intracommunautaire handelsverkeer in sperma van runderen en de invoer
daarvan (PbEG L 194); beschikking nr. 2001/618/EG van de Commissie van
de Europese Gemeenschappen van 23 juli 2001 betreffende aanvullende
garanties ten aanzien van de ziekte van Aujeszky voor het
intracommunautaire handelsverkeer van varkens, betreffende criteria voor
de over deze ziekte te verstrekken gegevens en houdende intrekking van
de beschikkingen 93/24/EEG en 93/244/EEG (PbEG L 215); beschikking nr.
2003/100/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 13
februari 2003 tot vaststelling van minimumeisen voor fokprogramma’s
ter verkrijging van resistentie tegen overdraagbare spongiforme
encefalopathieƫn bij schapen (PbEU L 41); beschikking nr. 2004/226/EG
van de Commissie van de Europese Gemeenschappen houdende erkenning van
tests voor de opsporing van antilichamen tegen runderbrucellose in het
kader van Richtlijn 64/432/EEG van de Raad van de Europese
Gemeenschappen (PbEU L 68) en beschikking nr. 2004/558/EG van de
Commissie van de Europese Gemeenschappen van 15 juli 2004 tot uitvoering
van richtlijn 64/432/EEG van de Raad voor wat betreft aanvullende
garanties voor het intracommunautaire handelsverkeer in runderen ten
aanzien van infectieuze boviene rhinotracheĆÆtis en de goedkeuring van
de door sommige lidstaten ingediende uitroeiingsprogramma’s (PbEU L
249).

Ontheffing van het verbod om aangewezen soorten of categorieƫn van
dieren te (laten) behandelen met levende entstoffen. Het is verboden
vee, pluimvee, bijen, nertsen en andere in het Besluit aanwijzing
diersoorten besmettelijke dierziekten aangewezen soorten of categorieƫn
van dieren te (laten) behandelen met levende entstoffen. De Minister kan
hiervoor ontheffing verlenen indien de algemene bestrijdingsmethodiek
van de desbetreffende dierziekte niet wordt doorkruist en de uitvoering
van nationale gezondheidsprogramma’s niet wordt belemmerd. Verlening
van de ontheffing speelt in het algemeen in tijden van dierziektecrises.
In die situaties dienen EL&I/VWA een veterinaire afweging te maken
omtrent het risico, het nut en de noodzaak van het gebruik van
entstoffen ter preventie of bestrijding van dierziekten. De ontheffing
betreft een bijzondere situatie in afwijking van algemene regels die een
beslissing vooraf vereist. Uitzondering is noodzakelijk vanwege:
richtlijn nr. 64/432/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van
26 juni 1964 inzake veterinairrechtelijke vraagstukken op het gebied van
intracommunautaire handelsverkeer in runderen en varkens (PbEG L 121);
richtlijn nr. 80/217/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van
22 januari 1980 tot vaststelling van gemeenschappelijke maatregelen ter
bestrijding van klassieke varkenspest (PbEG L 47); richtlijn nr.
85/511/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 18 november
1985 tot vaststelling van gemeenschappelijke maatregelen ter bestrijding
van mond- en klauwzeer (PbEG L 315); richtlijn nr. 90/677/EEG van de
Raad van de Europese Gemeenschappen van 13 december 1990 tot uitbreiding
van de werkingssfeer van richtlijn 81/851/EEG betreffende de onderlinge
aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake geneesmiddelen voor
diergeneeskundig gebruik, en houdende aanvullende bepalingen voor
immunologische geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik (PbEG L
373/26); richtlijn nr. 92/35/EEG van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 29 april 1992 tot vaststelling van
controlevoorschriften en van maatregelen ter bestrijding van paardepest
(PbEG L 157); richtlijn nr. 92/40/ EEG van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 19 mei 1992 tot vaststelling van communautaire
maatregelen voor de bestrijding van aviaire influenza (PbEG L 167);
richtlijn nr. 92/66/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van
14 juli 1992 tot vaststelling van communautaire maatregelen voor de
bestrijding van de ziekte van Newcastle (PbEG L 260); richtlijn nr.
92/119/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 december
1992 tot vaststelling van algemene communautaire maatregelen voor de
bestrijding van bepaalde dierziekten en van specifieke maatregelen ten
aanzien van vesiculaire varkensziekte (PbEG 1993, L 62) en richtlijn nr.
93/53/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 24 juni 1993
tot vaststelling van minimale communautaire maatregelen voor de
bestrijding van bepaalde visziekten (PbEG L 175);

Ontheffing van het verbod om aangewezen soorten of categorieƫn van
dieren te (laten) behandelen met niet-levende entstoffen of met sera
tegen bepaalde aangewezen besmettelijke dierziekten. Het is verboden
vee, pluimvee, bijen, nertsen en andere in het Besluit aanwijzing
diersoorten besmettelijke dierziekten aangewezen soorten of categorieƫn
van dieren te (laten) behandelen met niet-levende entstoffen en met sera
tegen onder meer MKZ, varkenspest, paardepest, aviaire influenza en de
ziekte van Aujeszky. Verlening van de ontheffing speelt in het algemeen
in tijden van dierziektecrises. In die situaties dienen Eli/Voedsel en
Warenautoriteit een afweging te maken omtrent het risico, het nut en de
noodzaak van het gebruik van entstoffen ter preventie of bestrijding van
dierziekten. De ontheffing betreft een bijzondere situatie in afwijking
van algemene regels die een beslissing vooraf vereist. Uitzondering is
noodzakelijk van vanwege: zie voorgaande opsomming onder 6.

Toelating en registratie van paraveterinairen. Artikel 2 van het Besluit
paraveterinairen in samenhang met artikelen 2 en 19, derde lid, van de
Regeling Paraveterinairen strekken tot uitvoering van de wettelijke
bepalingen in de Wet op de uitoefening van de diergeneeskunde met
betrekking tot de toelating en registratie van dierfysiotherapeuten als
paraveterinairen. De paraveterinaire beroepen worden aangemerkt als
gereglementeerde beroepen waarvoor een algemeen systeem van wederzijdse
erkenning van diploma’s geldt, zowel wat betreft de dienstverlening
als wat betreft de vestiging. Bevoegde autoriteit voor het aanvragen van
toelating of registratie is de Voedsel en Waren Autoriteit. Deze voert
haar taken uit conform de Richtlijn erkenning beroepskwalificaties.
Uitzondering is noodzakelijk vanwege deze Richtlijn erkenning
beroepskwalificaties, waarvan de bepalingen op grond van artikel 3,
eerste lid, van de richtlijn voorrang hebben op de Dienstenrichtlijn.

Toelating dierfysiotherapeut. Artikelen 2 en 3 Besluit paraveterinairen
strekken tot uitvoering van de wettelijke bepalingen in de Wet op de
uitoefening van de diergeneeskunde met betrekking tot de toelating en
registratie van paraveterinaire beroepen. Voor verdere toelichting: zie
hiervoor onder 8.

Toelating embryotransplanteur. Artikelen 6 en 7 van het Besluit
paraveterinairen strekken tot uitvoering van de wettelijke bepalingen in
de Wet op de uitoefening van de diergeneeskunde met betrekking tot de
toelating en registratie van paraveterinaire beroepen. Deze vergunning
betreft de toelating tot het paraveterinaire beroep van
embryotransplantateur. Voor verdere toelichting: zie hiervoor onder 8.

Toelating dierenartsassistent. Artikelen 6 en 7 Besluit paraveterinairen
strekken tot uitvoering van de wettelijke bepalingen in de Wet op de
uitoefening van de diergeneeskunde met betrekking tot de toelating en
registratie van paraveterinaire beroepen. Deze vergunning betreft de
toelating tot het paraveterinaire beroep van dierenartsassistent. Voor
verdere toelichting: zie hiervoor onder 8.

Toelating embryotransplanteur en dierenartsassistent. Artikelen 6 en 9
van het Besluit paraveterinairen strekken tot uitvoering van de
wettelijke bepalingen in de Wet op de uitoefening van de diergeneeskunde
met betrekking tot de toelating en registratie van paraveterinaire
beroepen. Deze vergunningen betreffen de toelating tot de
paraveterinaire beroepen van dierenartsassistent en embryotransplanteur.
In de Regeling paraveterinairen zijn de beroepskwalificaties van deze
beroepen geregeld. Voor verdere toelichting: zie hiervoor onder 8.

Registratie tot het beroep van dierenarts en paraveterinair. Artikel 9
van de Wet op de uitoefening van de diergeneeskunde 1990 en de Regeling
aanmelding tot uitoefening der diergeneeskunde hebben betrekking de
registratie van dierenartsen en paraveterinairen. Voor verdere
toelichting: zie hiervoor onder 8.

Toelating en registratie tot het beroep van dierenarts. De artikelen 2,
3, 8, eerste lid, 9 en 14 van de Wet op de uitoefening van de
diergeneeskunde 1990 hebben betrekking op de toelating en registratie
van dierenartsen, en de zorgplicht waaraan zij dienen te voldoen. Het
beroep van dierenarts is een gereglementeerd beroep waarvoor een
algemeen systeem van wederzijdse erkenning van diploma’s geldt, zowel
wat betreft de dienstverlening als wat betreft de vestiging. Voor
verdere toelichting: zie hiervoor onder 8.

Toelating en registratie van paraveterinairen. De artikelen 2, 4, 8,
tweede lid, en 15 van de Wet op de uitoefening van de diergeneeskunde
1990 hebben betrekking op de toelating en registratie van
paraveterinaire beroepen, en de zorgplicht waaraan de toegelaten
beroepsbeoefenaars dienen te voldoen. De paraveterinaire beroepen worden
aangemerkt als gereglementeerd beroepen waarvoor een algemeen systeem
van wederzijdse erkenning van diploma’s geldt, zowel wat betreft de
dienstverlening als wat betreft de vestiging. Voor verdere toelichting:
zie hiervoor onder 8.

Erkenning van een organisatie als instelling die een of meer stamboeken
of registers bij houdt. De vergunning betreft de erkenning van een
stamboekhouder of fokkerij-instelling voor paardachtigen, runderen,
buffels, varkens, schapen of geiten. De bepaling is vastgesteld ter
implementatie van Europese zoƶtechnische richtlijnen. De bevoegdheid
wordt in medebewind uitgeoefend door (de voorzitter van) het
Productschap Vee en Vlees. Er is voorafgaand onderzoek nodig of
stamboekhouder of fokkerij-instelling voldoet aan de Europese eisen. Het
betreft richtlijn nr. 77/504/EEG van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 25 juli 1977 betreffende raszuivere fokrunderen (PbEG
L 206); nr. 88/661/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 19
december 1988 betreffende zoƶtechnische normen die gelden voor
fokvarkens (PbEG L 382); richtlijn nr. 89/361/EEG van de Raad van de
Europese Gemeenschappen van 30 mei 1989 betreffende raszuivere
fokschapen en -geiten (PbEG L 153) en richtlijn nr. 90/427/EEG van de
Raad van de Europese Gemeenschappen van 26 juni 1990 tot vaststelling
van zoƶtechnische en genealogische voorschriften voor het
intracommunautaire handelsverkeer in paardachtigen (PbEG L 224).

    Vergunning in-, uit- en doorvoer van radioactieve afvalstoffen en
bestraalde splijtstoffen. Het is verboden zonder vergunning van de
Minister van Infrastructuur en Milieu radioactieve afvalstoffen of
bestraalde splijtstoffen binnen of buiten Nederland te brengen of door
Nederland te voeren. Toepassing van de LSP zou strijdig zijn met
richtlijn nr. 2006/117/Euratom van de Raad van de Europese Unie van 20
november 2006 betreffende toezicht en controle op overbrenging van
radioactieve afvalstoffen en bestraalde splijtstof (PbEU L 337). Deze
richtlijn, waarop de regeling is gebaseerd, gaat namelijk uit van een
instemming van het land van doorvoer en het land van bestemming voordat
een vergunning wordt verleend. Een van rechtswege verleende vergunning
verdraagt zich daar niet mee.

Ministerie van Infrastructuur en Milieu

Algemene toelichting bij de nrs. 1-5: De dwingende redenen betreffende
veiligheid, milieu en gezondheid staan in de weg aan de toepassing van
het instrument van de LSP op de vergunningen op grond van de Waterwet.
De Waterwet heeft betrekking op de regulering van watersystemen. Deze
watersystemen vervullen een belangrijke rol in de veiligheid en
bewoonbaarheid van het land. Om watersystemen te beschermen en duurzaam
van de mogelijkheden die erdoor geboden worden te kunnen profiteren is
het noodzakelijk dat handelingen die watersystemen kunnen beĆÆnvloeden,
gereguleerd worden. Bij de vaststelling van de Waterwet heeft als ƩƩn
van de uitgangspunten gegolden het vereenvoudigen en terugdringen van
het aantal vergunningen en het verbreden van het gebruik van algemene
regels. De keuze voor het al dan niet handhaven van het
vergunninginstrument is verder bepaald door internationale
verplichtingen waaraan Nederland moet voldoen, de effectiviteit van het
instrument in verband met het te bereiken doel en de (maatschappelijke)
kosten die de inzet van de instrumenten met zich mee brengt. Zo zijn 
handelingen waarvan de invloed op het te beschermen belang gering is of
waarvoor een vergunningplicht om andere redenen niet nodig is, niet
vergunningplichtig gesteld onder de Waterwet. Daarbij kan bijvoorbeeld
worden gedacht aan het lozen en onttrekken van geringe waterhoeveelheden
of aan fysieke ingrepen waar dit in een watersysteem geen nadelige
gevolgen heeft. Waar mogelijk is voorzien in  een vrijstelling van de
gestelde vergunningplicht. Ook bij dergelijke vrijstellingen dienen
geldende Europese en internationale verplichtingen in acht genomen te
worden (bijv. op grond van de IPPC-richtlijn).

Vergunning betreffende lozen op een oppervlaktewaterlichaam of een
zuiveringtechnisch werk. De vergunningplicht voor het lozen van stoffen
in oppervlaktewaterlichamen en storten van stoffen in zee geeft
invulling aan de verplichtingen van artikel 11, derde lid, onder f, van
richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van de
Europese Unie van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor
communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PbEU L 373)
(hierna: de Kaderrichtlijn water): voorafgaande regulering van lozingen
door puntbronnen, zoals een verbod op het in het water brengen van
verontreinigende stoffen, of een voorafgaande toestemming, of
registratie op basis van algemeen bindende regels, waarin
emissiebeheersingsmaatregelen worden voorgeschreven voor de betrokken
verontreinigende stoffen. Een met de LSP verleende vergunning voldoet
niet aan deze eisen. In geval van coƶrdinatie tussen de watervergunning
voor het lozen in een oppervlaktewaterlichaam en een milieuvergunning
voor het oprichten of wijzigen van een inrichting is sprake van
verplicht advies van het Wm-bevoegd gezag met betrekking tot de
samenhang tussen beide vergunningen..

Vergunning betreffende storten van stoffen op zee. De vergunningplicht
voor het lozen van stoffen in oppervlaktewaterlichamen en storten van
stoffen in zee geeft invulling aan de verplichtingen van artikel 11,
derde lid, onder f, van de Kaderrichtlijn water: voorafgaande regulering
van lozingen door puntbronnen, zoals een verbod op het in het water
brengen van verontreinigende stoffen, of een voorafgaande toestemming,
of registratie op basis van algemeen bindende regels, waarin
emissiebeheersingsmaatregelen worden voorgeschreven voor de betrokken
verontreinigende stoffen. Een met de LSP verleende vergunning voldoet
niet aan deze eisen. 

Vergunning betreffende onttrekken van grondwater en (in samenhang
daarmee) infiltreren van water. De vergunningplicht voor het onttrekken
van grondwater geeft invulling aan de verplichting van artikel 11, derde
lid, onder e, van de Kaderrichtlijn water: de lidstaten moeten
beheersingsmaatregelen nemen ten aanzien van de onttrekking van zoet
oppervlaktewater en grondwater en de opstuwing van zoet
oppervlaktewater, met inbegrip van een register of registers van
wateronttrekkingen en het vereiste van voorafgaande toestemming voor
wateronttrekking en opstuwing. Een met de LSP verleende vergunning
voldoet niet aan deze eisen.

Vergunning betreffende brengen van water in of onttrekken van water aan
oppervlaktewaterlichamen. De vergunningplicht voor het onttrekken van
water aan en het brengen van water in rijkswateren geeft invulling aan
de verplichting van artikel 11, derde lid, onder e, van de
Kaderrichtlijn water: de lidstaten moeten beheersingsmaatregelen nemen
ten aanzien van de onttrekking van zoet oppervlaktewater en grondwater
en de opstuwing van zoet oppervlaktewater, met inbegrip van een register
of registers van wateronttrekkingen en het vereiste van voorafgaande
toestemming voor wateronttrekking en opstuwing. Een met de LSP verleende
vergunning voldoet niet aan deze eisen.

Vergunning betreffende het gebruik van rijkswaterstaatswerken. De
vergunningplicht voor het gebruik van rijkswaterstaatswerken geeft
invulling aan artikel 11, derde lid, onder i, van de Kaderrichtlijn
water: maatregelen i.v.m. significante negatieve effecten op de
watertoestand die overeenkomstig artikel 5 en bijlage II geconstateerd
zijn, om ervoor te zorgen dat de hydromorfologische toestand van de
waterlichamen verenigbaar is met het bereiken van de vereiste
ecologische toestand of een goed ecologisch potentieel.
Beheersingsmaatregelen voor deze doeleinden mogen de vorm aannemen van
een vereiste inzake voorafgaande toestemming, of registratie op basis
van algemeen bindende regels. Een met de LSP verleende vergunning
voldoet niet aan deze eisen.

     Aanwijzing Regeling geluidemissie buitenmaterieel. De Minister van
Infrastructuur en Milieu wijst een of meer instanties aan tot
keuringsinstantie (instantie onder wier verantwoordelijkheid de
overeenstemmingsbeoordelingsprocedures van de bijlagen VI, VII en VIII
van richtlijn nr. 2000/14/EG van het Europees Parlement en de Raad van
de Europese Gemeenschappen van 8 mei 2000 inzake de harmonisatie van de
wetgevingen der lidstaten betreffende de geluidsemissie in het milieu
door materieel voor gebruik buitenshuis (PbEG L 162) (hierna: Richtlijn
2000/14/EG) worden uitgevoerd respectievelijk een instantie die door een
andere lidstaat is aangewezen als instantie om die
overeenstemmingsbeoordeling uit te voeren). Het betreft een vergunning
die wordt verleend door de Minister van Infrastructuur en Milieu. De LSP
is niet toepasbaar omdat dit in strijd zou zijn met Richtlijn
2000/14/EG. Deze richtlijn gaat ervan uit dat de lidstaten uitsluitend
instanties aanwijzen die voldoen aan de criteria van bijlage IX. Het van
rechtswege aanwijzen van instanties die niet aan deze criteria voldoen
bij termijnoverschrijding verdraagt zich dan ook niet met deze
richtlijn.

Aanwijzing instanties Wet explosieven voor civiel gebruik. De Minister
van Infrastructuur en Milieu wijst een of meer instellingen aan die
bevoegd zijn tot het verrichten van onderzoek, controles en
beoordelingen zoals omschreven in de in artikel 7, eerste lid, bedoelde
procedures (dit betreft procedures voor CE markering op explosieven). De
aanwijzing door de Minister is aan te merken als een vergunning. Voor
aanwijzing komen alleen instanties in aanmerking die voldoen aan de
minimumcriteria die zijn opgenomen in bijlage III van richtlijn nr.
93/15/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 5 april 1993
betreffende de harmonisatie van de bepalingen inzake het in de handel
brengen van en de controle op explosieven voor civiel gebruik (PbEG L
121) (hierna: Richtlijn 93/15/EEG) (zie artikel 5, tweede lid). De LSP
is niet toepasbaar omdat dit in strijd zou zijn met deze richtlijn. Deze
richtlijn gaat er namelijk van uit dat lidstaten instanties, die
beoordelingen en controles uitvoeren, bij de Europese Commissie
aanmelden. In de Nederlandse situatie betreffen dat de instanties die
door de Minister zijn aangewezen op grond van artikel 5, eerste lid van
de Wet explosieven voor civiel gebruik. De instanties moeten voldoen aan
minimumcriteria die zijn opgenomen in bijlage III van de richtlijn (zie
artikel 6, tweede lid van de richtlijn). Als de instanties niet aan deze
minimumcriteria voldoen kunnen ze niet bij de Europese Commissie worden
aangemeld. Invoering van de LSP voor dit vergunningenstelsel verdraagt
zich dan ook niet met Richtlijn 93/15/EEG.

   Vergunning overbrenging Wet explosieven voor civiel gebruik. Het is
verboden explosieven over te brengen, indien de desbetreffende
overbrenging in Nederland eindigt zonder dat aan de verkrijger van deze
explosieven daartoe vergunning is verleend. Het betreft een vergunning
die wordt verleend door het college van burgemeester en wethouders van
de gemeente waarin de overbrenging eindigt. Wanneer de explosieven
echter ten behoeve van de mijnbouw worden overgebracht, wordt de
vergunning verleend door de Minister van Economische Zaken, Landbouw en
Innovatie (zie art. 13 van de wet). De LSP is niet toepasbaar omdat dit
in strijd zou zijn met Richtlijn 93/15/EEG. Deze richtlijn gaat ervan
uit dat voor een overbrenging een vergunning moet worden verstrekt door
de bevoegde instantie van de bestemming (zie art. 9, derde en vijfde lid
van de richtlijn). Deze vergunning moet in fysieke vorm beschikbaar zijn
voor controles. Invoering van de LSP voor dit vergunningenstelsel
verdraagt zich dan ook niet met Richtlijn 93/15/EEG.

     Toestemming bij invoer Wet explosieven voor civiel gebruik. Als
explosieven afkomstig zijn uit een andere lidstaat van de Europese Unie
moet toestemming zijn verleend voor het deel van die overbrenging dat
binnen Nederland plaatsvindt. Het betreft een vergunning in enge zin die
wordt verleend door de Minister van Infrastructuur en Milieu. De LSP is
niet toepasbaar omdat dit in strijd zou zijn met Richtlijn 93/15/EEG.
Deze richtlijn gaat ervan uit dat de doorvoer van explosieven over het
grondgebied van een lidstaat door de voor de overbrenging
verantwoordelijke persoon wordt gemeld aan de bevoegde autoriteiten van
die lidstaat, die de overbrenging moet goedkeuren. Er is derhalve een
expliciete goedkeuring (oftewel een toestemming) vereist. Invoering van
de LSP voor dit vergunningenstelsel verdraagt zich dan ook niet met
Richtlijn 93/15/EEG.

     Toestemming bij uitvoer Wet explosieven voor civiel gebruik. Als
explosieven naar een andere lidstaat van de Europese Unie worden
overgebracht moet toestemming zijn verleend voor het deel van die
overbrenging dat binnen Nederland plaatsvindt. Het betreft een
vergunning die wordt verleend door de Minister van Infrastructuur en
Milieu. De LSP is niet toepasbaar omdat dit in strijd zou zijn met
Richtlijn 93/15/EEG. Deze richtlijn gaat er van uit dat de doorvoer van
explosieven over het grondgebied van een lidstaat door de voor de
overbrenging verantwoordelijke persoon wordt gemeld aan de bevoegde
autoriteiten van die lidstaat, die de overbrenging moet goedkeuren. Er
is derhalve een expliciete goedkeuring (of te wel een toestemming)
vereist. Invoering van de LSP voor dit vergunningenstelsel verdraagt
zich dan ook niet met Richtlijn 93/15/EEG.

Erkenning Wet explosieven voor civiel gebruik. Het is verboden zonder
erkenning explosieven te vervaardigen, op te slaan, te gebruiken, over
te brengen of te verhandelen. Het betreft een vergunning in enge zin die
wordt verleend door de korpschef in de plaats waar de aanvrager is
gevestigd. Wanneer het echter een erkenning betreft in het kader van
activiteiten waarop de Mijnbouwwet van toepassing is dan verleent de
Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie de erkenning. LSP
is niet toepasbaar omdat dit in strijd zou zijn met Richtlijn 93/15/EEG.
Deze richtlijn gaat er van uit dat iedere lidstaat het uitoefenen door
een persoon van werkzaamheden in de sector explosieven op zijn
grondgebied afhankelijk stelt van een vergunning of een machtiging.
Daarbij moet de lidstaat ten minste de integriteit controleren van de
betrokken persoon. Wanneer het een rechtspersoon betreft, heeft de
controle betrekking op de persoon (personen) die het bedrijf leidt
(leiden).  Invoering van de LSP voor dit vergunningenstelsel verdraagt
zich dan ook niet met Richtlijn 93/15/EEG.

      Aanwijzing instanties LPG-tankstations. Op grond van voorschrift
1.2 moet het reservoir voor de ingebruikname door een ingevolge
richtlijn nr. 97/23/EG van het Europees Parlement en de Raad van de
Europese Unie van 29 mei 1997 inzake de onderlinge aanpassing van de
wetgevingen der lidstaten betreffende drukapparatuur (PbEG L 181)
aangemelde instantie of een aangewezen aangemelde instantie als bedoeld
in artikel 1 van het Warenwetbesluit drukapparatuur zijn gekeurd.
Richtlijn 97/23/EG, voorziet in het gebruik van aangemelde instanties
(notifiedbodies) bij de nieuwbouw van risicovolle drukapparatuur. Deze
instanties zijn op grond van artikel 12 van genoemde richtlijn
aangewezen voor specifieke taken en hebben een van te voren door de
Europese Commissie toegekend identificatienummer. Toepassing van de LSP
verdraagt zich niet met deze systematiek van genoemde richtlijn.

Aanwijzing instanties Regeling Bouwbesluit 2003. De Minister van
Infrastructuur en Milieu wijst certificatie- en inspectie-instellingen
en testlaboratoria aan, die de taken, bedoeld in artikel 16
onderscheidenlijk artikel 18 van de richtlijn bouwproducten, uitvoeren.
De aanwijzing door de Minister valt aan te merken als een vergunning. De
LSP is niet toepasbaar omdat dit in strijd zou zijn met richtlijn
89/106/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 december
1988 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en
bestuursrechtelijke bepalingen der Lid-Staten inzake voor de bouw
bestemde produkten (PbEG L 40). Deze richtlijn gaat er van uit dat de
lidstaten uitsluitend instanties aanwijzen die voldoen aan de criteria
van bijlage IV (minimumvoorwaarden voor het aanwijzen van certificatie-
en inspectie-instellingen en testlaboratoria). Het van rechtswege
aanwijzen van instanties die mogelijk niet aan deze criteria voldoen,
verdraagt zich dan ook niet met deze richtlijn.

Ministerie van Veiligheid en Justitie

Bevoegdheid voor advocaten uit andere lidstaten van de Europese Unie, de
Europese Economische Ruimte (EER) of uit Zwitserland, om in Nederland
als advocaat ingeschreven te worden. Artikelen 2a en 2b van de
Advocatenwet. In afwijking van artikel 2, eerste lid, van de
Advocatenwet, mag iemand die advocaat is in een andere lidstaat van de
EU, EER of in Zwitserland, verzoeken om in Nederland als advocaat
ingeschreven te worden. Daartoe is vereist dat hij een document overlegt
waaruit blijkt dat hij voldoende ervaring heeft met werkzaamheden als
advocaat in Nederland. Het document moet worden aangevraagd bij de raad
van toezicht in het arrondissement waar hij kantoor wenst te houden. De
LSP is niet toepasbaar op de vergunning omdat dat in strijd zou zijn met
ander EG-recht (artikel 3, eerste lid, Dienstenrichtlijn). In artikel 3
van richtlijn 98/5/EG van het Europees Parlement en de Raad van de
Europese Unie van 16 februari 1998 ter vergemakkelijking van de
permanente uitoefening van het beroep van advocaat in een andere
lidstaat dan die waar de beroepskwalificatie is verworven (PbEG L 77)
(hierna: Richtlijn 98/5/EG) is bepaald dat een advocaat die
werkzaamheden wenst te verrichten in een andere lidstaat dan waar de
beroepskwalificatie is verworven, gehouden is zich bij de bevoegde
instantie van die andere lidstaat in te schrijven. Zie tevens de
Richtlijn erkenning beroepskwalificaties en richtlijn nr. 77/249/EG van
de Raad van de Europese Gemeenschappen van 22 maart 1977 tot
vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening door advocaten van
het vrij verrichten van diensten (PbEG L 77) (hierna: Richtlijn
77/249/EG)

Eis van inschrijving als buitenlandse advocaat die in Nederland onder
oorspronkelijke beroepstitel werkzaam wil zijn. Artikelen 16g tot en met
16k van de Advocatenwet. Advocaten uit andere lidstaten van de EU, EER
of uit Zwitserland, mogen in Nederland onder hun oorspronkelijke
beroepstitel als advocaat werkzaam zijn. Daartoe is vereist dat hij zich
laat inschrijven bij de Raad van toezicht in het arrondissement waar hij
kantoor houdt. De LSP is niet toepasbaar op de vergunning omdat dit in
strijd zou zijn met ander EG-recht (artikel 3, eerste lid,
Dienstenrichtlijn). In artikel 3 van Richtlijn 98/5/EG is bepaald dat
een advocaat die werkzaamheden wenst te verrichten in een andere
lidstaat dan waar de beroepskwalificatie is verworven, gehouden is zich
bij de bevoegde instantie van die andere lidstaat in te schrijven. Zie
tevens de Richtlijn erkenning beroepskwalificaties en Richtlijn
77/249/EG.

Erkenning EG-beroepskwalificatie centralist particuliere alarmcentrale,
particulier rechercheur en alarminstallateur. Artikel 23b en verder van
de Regeling particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus.
Migrerende beroepsbeoefenaren die in Nederland als centralist in een
particuliere alarmcentrale, particulier rechercheur of als
alarminstallateur willen werken, kunnen een verzoek doen om erkenning
van hun beroepskwalificaties. Beoordeeld wordt of de kwalificaties met
het Nederlandse niveau overeenkomen. Voor beroepen in de veiligheidszorg
wordt ook de betrouwbaarheid en  integriteit van de aanvrager
beoordeeld. Op grond van onder meer artikel 3, 5, 13 e.v. van de
Richtlijn erkenning beroepskwalificaties moeten gelijkwaardige
beroepskwalificaties uit andere lidstaten worden erkend. Om te kunnen
erkennen moet getoetst worden of de betreffende beroepskwalificatie aan
de voorwaarden voor erkenning voldoet. Voor beroepen in de
veiligheidszorg wordt daarbij ook de betrouwbaarheid/ integriteit van de
aanvrager beoordeeld, zie artikel 7, tweede lid, van de Richtlijn
erkenning beroepskwalificaties.

4 – 7. Voor zover het op grond van artikel 4, 9, 13 of 14 aangevraagde
bevoegdheidsdocument betrekking heeft op een vuurwapen als bedoeld in
richtlijn 1991/477/EG van de Raad van Europese Gemeenschappen van 18
juni 1991 inzake controle op de verwerving en het voorhanden hebben van
wapens (PbEG L 256, hierna: Vuurwapenrichtlijn), geldt er een
vergunningplicht op grond van de Vuurwapenrichtlijn. De
voorrangsregeling van artikel 3 van de Dienstenrichtlijn leidt ertoe dat
de Vuurwapenrichtlijn in dit geval voor de Dienstenrichtlijn gaat, zodat
de LSP niet kan worden toegepast. Zie voor een nadere toelichting de
artikelsgewijze toelichting bij artikel XVIII. 

 PAGE    

 PAGE   1