Evaluatie van het Experiment Verbetering Verantwoording en Begroting
Bijlage
Nummer: 2011D14622, datum: 2011-03-22, bijgewerkt: 2024-02-19 10:56, versie: 1
Directe link naar document (.doc), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Bijlage bij: Aanbieding evaluatie van het Experiment Verbetering Verantwoording en Begroting (2011D14619)
Preview document (š origineel)
Aanleiding Eind 2007 heeft de minister van FinanciĆ«n in overleg met de Algemene Rekenkamer en de Tweede Kamer besloten een experiment uit te voeren met betrekking tot het begrotings- en verantwoordingsproces, het (later zogenoemde) experiment Verbetering Verantwoording en Begroting. Het experiment had twee doelen: het verantwoordingsdebat en de jaarverslagen meer politieke zeggingskracht en focus geven; de verantwoordingslasten van de departementen verminderen. Met het verschijnen van de jaarverslagen 2009 is het experiment Verbetering Verantwoording en Begroting (VVB) afgerond. Vanaf dat moment gelden weer de normale spelregels. De Algemene Rekenkamer en het Ministerie van FinanciĆ«n hebben het experiment VVB gezamenlijk geĆ«valueerd in de tweede helft van 2010. In het kader van deze evaluatie is onderzocht in hoeverre de doelen van het experiment bereikt zijn en of aan de tussen Kamer en kabinet afgesproken randvoorwaarden is voldaan. Hiervoor is een analyse gemaakt van de verschillende onderdelen van het experiment zoals de experimentele jaarverslagen en de verantwoordingsbrieven. Ook is aan de hand van Kamerstukken (verslagen, moties, Kamervragen) onderzocht hoe de experimentele stukken door de Kamer zijn behandeld en gewaardeerd. Ook de brieven van de Commissie voor de Rijksuitgaven over het experiment vormden een belangrijke bron. Deze brief gaat in op de belangrijkste bevindingen en conclusies van de evaluatie. In de bijlage bij deze brief wordt in meer detail op de resultaten van de evaluatie ingegaan. Resultaten evaluatie experiment Ad 1. Meer politieke zeggingskracht en focus Het experiment VVB is redelijk geslaagd in het bereiken van het eerste doel. Dit komt met name doordat het schrijven van een verantwoordingsbrief door het kabinet en het in de Tweede Kamer verschijnen van de minister-president op verantwoordingsdag, het verantwoordingsdebat een impuls hebben gegeven. Uit de evaluatie is verder naar voren gekomen dat de begrotingen en jaarverslagen toegankelijker zijn geworden en dat deze door de nadruk op de kabinetsprioriteiten ook beter zijn gestructureerd. Ook het opnemen van beleidsconclusies in de jaarverslagen was een verbetering, waarbij wel de kanttekening geldt dat de beleidsconclusies niet in alle gevallen voldoende specifiek en onderbouwd waren. De beleidsconclusies kunnen duidelijker zijn over wat er meer, minder of anders moet gebeuren om het doel te bereiken. Ieder jaarverslag zou bovendien voldoende informatie moeten bevatten voor de onderbouwing en beoordeling van de daarin opgenomen beleidsconclusies. Door explicieter in te gaan op de lessen uit het afgelopen jaar kan de politieke relevantie van de plenaire en departementale verantwoordingsdebatten tussen Kamer en kabinet verder worden vergroot. Het meesturen van beleidsdoorlichtingen met jaarverslagen heeft niet het beoogde effect gehad. Beleidsdoorlichtingen kunnen van groot belang zijn voor het debat tussen Kamer en kabinet over de effectiviteit en doelmatigheid van beleid. De meegestuurde doorlichtingen hebben echter geen rol gespeeld in de dialoog tussen departement en Kamer naar aanleiding van het jaarverslag. Belangrijk knelpunt was verder dat de leesbaarheid en inzichtelijkheid werd bemoeilijkt door de over het algemeen moeizame inhoudelijke en financiĆ«le link tussen de kabinetsprioriteiten en de beleidsartikelen. Een ander obstakel voor de nagestreefde focus was dat de kabinetsprioriteiten in veel gevallen niet goed meetbaar waren. Dit bemoeilijkt het afleggen van verantwoording. Ook de Commissie voor de Rijksuitgaven heeft dat opgemerkt (Tweede Kamer, 2009-2010, 32057 nr. 1). Ad 2. Vermindering verantwoordingslasten departementen Uit de evaluatie blijkt niet dat het experiment VVB heeft gezorgd voor het verminderen van de verantwoordingslasten voor de departementen. Uit de evaluatie komt naar voren dat er minder tijd is gaan zitten in het opstellen van de teksten voor de beleidsartikelen in de experimentele jaarverslagen. Dit is een direct gevolg van het aldaar niet opnemen van niet-financiĆ«le informatie. Tegelijkertijd is er meer tijd gaan zitten in het opstellen van de beleidsagenda en het beleidsverslag. Dit kwam niet alleen doordat deze teksten volgens de kabinetsprioriteiten moesten worden opgebouwd, maar ook door de koppeling die daar met de beleidsartikelen moest worden gelegd. Daarnaast is een aantal externe factoren van grote invloed geweest op de verantwoordingslasten. Met name het separaat aanleveren door de departementen van (delivery-)informatie voor de verantwoordingsbrief van het kabinet heeft extra werk met zich meegebracht. Per saldo was geen sprake van een duidelijke toename of afname van de verantwoordingslasten. Randvoorwaarden verbonden aan het experiment Uit de evaluatie is ook gebleken dat aan de voor het experiment VVB afgesproken randvoorwaarden niet volledig is voldaan. Uit de evaluatie bleek namelijk dat er tijdens het experiment sprake is geweest van ongewenst informatieverlies in de experimentele jaarverslagen. Conform de afspraken van het experiment werd niet-financiĆ«le beleidsinformatie niet meer opgenomen in de beleidsartikelen van de experimentele jaarverslagen. Dit leidde per definitie tot informatieverlies. Als ongewenst is de situatie aangemerkt waarin informatieverlies in de jaarverslagen leidt tot onvoldoende onderbouwde beleidsconclusies. Hiervan zijn we in de evaluatie een aantal gevallen tegengekomen. Ook hebben we opmerkingen en vragen van Kamerleden geĆÆnventariseerd over ontbrekende informatie in de jaarverslagen. Zowel in relatief als in absoluut opzicht ging het om een gering aantal vragen. Uiteindelijk is de vraag van belang of de Kamer van oordeel was of zij met de experimentstukken beter in staat was haar autorisatie- en controlefunctie uit te oefenen. Voor de Commissie voor de Rijksuitgaven heeft blijkbaar het informatieverlies op artikelniveau het zwaarst gewogen: āDe commissie is van oordeel dat tot nu toe de nadelen die de Kamer op dit punt ervaart niet worden gecompenseerdā (Tweede Kamer, 2009-2010, 31 865, nr. 23). Samengevat: het experiment Verbeteren Verantwoording en Begroting is in redelijke mate geslaagd in het eerste doel, het aanbrengen van meer politieke zeggingskracht en focus, met dien verstande dat wel enig ongewenst informatieverlies voor de Tweede Kamer is opgetreden. In het tweede doel, het verminderen van de verantwoordingslasten van de departementen, is het experiment niet geslaagd. Tot slot De uitdaging blijft om jaarstukken te maken die meer gefocust zijn en toegankelijker, zonder dat dit ten koste gaat van de informatieve waarde. De evaluatie heeft laten zien dat dat niet bereikt kan worden door het weglaten van niet-prioritaire informatie uit de beleidsartikelen. Het is wel mogelijk om scherper te zijn op de bruikbaarheid en relevantie van niet-financiĆ«le informatie in beleidsartikelen. Een manier om daar te komen is meer uit te gaan van de verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de minister. Voor een aantal beleidsartikelen geldt dat het beleidsdoel heel goed afrekenbaar kan worden geformuleerd en dat met behulp van indicatoren de voortgang uitstekend kan worden gevolgd. Voor andere beleidsartikelen geldt echter dat het algemene beleidsdoel slechts in algemene of abstracte termen geformuleerd kan worden. In zulke gevallen zijn indicatoren niet altijd even zinvol. Belangrijk is in zoān geval dat hoe dan ook uit de stukken duidelijk wordt waartoe het geld aangewend wordt en over welke verantwoordelijkheden en bevoegdheden de minister beschikt om het resultaat te beĆÆnvloeden. Bijlage Aanleiding tot het experiment Tijdens het Verantwoordingsdebat op 22 mei 2007 (Handelingen der kamer II, vergaderjaar 2007ā2008, nr. 87, blz. 6115ā6150), heeft de Tweede Kamer haar zorgen geuit over het verantwoordingsproces. De verantwoordingsdag ontmoette te weinig politieke belangstelling, de jaarverantwoording was te weinig politiek en te weinig op hoofdlijnen, en het ontbrak in de verantwoording aan een koppeling tussen de beoogde plannen en de beleidsresultaten. Na overleg met de Algemene Rekenkamer deed de minister van FinanciĆ«n in december 2007 het voorstel tot een aantal experimentele maatregelen om het verantwoordingsdebat en de jaarverslagen meer politieke zeggingskracht en focus te geven. Tegelijkertijd wilde het kabinet met het experiment de verantwoordingslasten van de departementen verminderen. In februari 2008 ging de Kamer akkoord met de voorstellen van het kabinet. De belangrijkste experimentmaatregelen waren: invoering van een verantwoordingsbrief waarin de minister-president zich verantwoordt over de voortgang van de hoofdlijnen van het kabinetsbeleid; meer nadruk op het beleidsverslag in het jaarverslag; focus op kabinetsprioriteiten in beleidsagenda en beleidsverslag; Niet-financiĆ«le informatie niet meer in de beleidsartikelen van de jaarverslagen van aanvankelijk drie (uiteindelijk zes) departementen; gelijktijdig meesturen van een beleidsdoorlichting met het jaarverslag naar de Tweede Kamer. In de brief van december 2007 formuleerde de minister van FinanciĆ«n tevens een aantal randvoorwaarden voor het experiment: handhaving van de kwaliteit van begroting en verantwoording; een voldoende koppeling tussen begrotings- en verantwoordingsinformatie; geen ongewenst informatieverlies voor de Tweede Kamer; volledig recht doen aan het budgetrecht van de Tweede Kamer. Het geheel aan maatregelen kwam uiteindelijk bekend te staan onder de naam Experiment Verbetering Verantwoording en Begroting. Met de behandeling van de jaarverslagen 2009 door de Tweede Kamer, eind 2010, is het experiment beĆ«indigd. De evaluatie van het experiment is gezamenlijk door de Algemene Rekenkamer en het Ministerie van FinanciĆ«n uitgevoerd. Resultaten van de evaluatie In de tweede helft van 2010 hebben medewerkers van het Ministerie van FinanciĆ«n en de Algemene Rekenkamer het experiment gezamenlijk geĆ«valueerd, op basis van een gezamenlijk opgesteld plan van aanpak. Het doel van de evaluatie was om te bepalen of het experiment gebracht heeft wat ermee beoogd werd, en vervolgens de Tweede Kamer te informeren en te adviseren ten behoeve van de discussie over de verbetering van de jaarverantwoording en het verantwoordingsdebat. Deze evaluatie is nu afgerond. In de evaluatie stonden de volgende hoofdvragen centraal: Hoe zijn de vormvereisten (ingezette instrumenten en procesveranderingen) van het Experiment Verbetering Verantwoording en Begroting nageleefd? Is de politieke relevantie bij de jaarverantwoording toegenomen? Heeft het experiment bijgedragen aan een efficiĆ«nter verantwoordingsproces binnen de experiment departementen? Is voldaan aan de bij het experiment gestelde randvoorwaarden? In hoofdlijnen kunnen we op basis van de evaluatie de volgende conclusies trekken. 2. 1 Vormvereisten Algemeen Ten eerste hebben we vastgesteld dat de vormvereisten van het experiment door de departementen over het algemeen redelijk tot goed zijn nageleefd. We willen hier benadrukken dat deze vaststelling niets meer of minder is dan de noodzakelijke eerste stap van de evaluatie en spreken hiermee geen waardeoordeel uit. Nadruk op beleidsverslag Allereerst iets over de naleving van de vormvereisten voor begroting en jaarverslag. In alle begrotingen en jaarverslagen werden de kabinetsprioriteiten gebruikt voor de opbouw van de beleidsagendaās en beleidsverslagen, zij het dat dit soms nog beter had kunnen worden doorgevoerd. Ook werden doorgaans in de beleidsverslagen per kabinetsprioriteit beleidsconclusies getrokken, zoals ook de bedoeling was. Er was hier wel duidelijk sprake van een groeiproces. De beleidsconclusies waren in de eerste jaarverslagen vaak nog weinig concreet, eerder samenvattend dan concluderend. Later is dat verbeterd, in die zin dat steeds meer daadwerkelijke conclusies werden getrokken. Wel zijn wij het met de Commissie voor de Rijksuitgaven (CRU) eens dat de beleidsconclusies nog beter moeten aangeven wat meer, anders of minder zou moeten gebeuren om een doelstelling te realiseren (Tweede Kamer, vergaderjaar 2009-2010, 31865, nr. 23). Hieronder zijn enkele voorbeelden van goede en minder goede beleidsconclusies opgenomen. Verantwoordingsbrief minister-president Voor de afspraak over de verantwoordingsbrief van de minister-president geldt dat deze gedurende het experiment consequent is uitgevoerd. Dat geldt ook voor de nadere afspraken die Kamer en kabinet in een later stadium hebben gemaakt over de invulling van de brief, bijvoorbeeld de afspraak over de vijf onderwerpen in de verantwoordingsbrief over 2009 (motie KoÅer Kaya, Tweede Kamer, vergaderjaar 2009-2010, 32123, nr.30). Meesturen beleidsdoorlichtingen De afspraak over het meesturen van een beleidsdoorlichting bij ieder experimenteel jaarverslag is niet altijd nageleefd. Voor verantwoordingsdag 2010 hielden alleen LNV en JenG zich nog aan deze afspraak. Een jaar eerder werden nog bij vijf experimentele jaarverslagen beleidsdoorlichtingen meegezonden, maar deze werden in de meeste gevallen niet geagendeerd voor het wetgevingsoverleg (WGO). Onderstaande tabel geeft een overzicht van de beleidsdoorlichtingen die door experimentdepartementen zijn meegestuurd bij de jaarverslagen 2008 en 2009. Onderwerp Geagendeerd voor WGO Genoemd in WGO LNV 2008 Voedselkwaliteit en diergezondheid Ja Ja LNV 2009 Duurzaam ondernemen Nee Nee VWS 2008 Voedselveiligheid Ja Nee J&G 2009 Jeugdbeleid Nee Nee VROM 2008 Bodemsanering Nee Nee WWI 2008 Huurcommissies Nee Nee BuZa 2008 Medefinancieringsstelsel (āMSFā) Nee Nee In maart 2009 had een kamermeerderheid bij nader inzien al vraagtekens gezet bij dit onderdeel van het experiment en gesteld dat de beleidsdoorlichtingen ondersneeuwen bij de andere stukken voor verantwoordingsdag (motie Bashir, Tweede Kamer, vergaderjaar 2008-2009, 31865, nr. 4). 2.2 Politieke relevantie Zoals hierboven aangegeven had het experiment twee doelen. Het eerste doel was de begrotingen en jaarverslagen alsook het verantwoordingsdebat in de Kamer politiek relevanter te maken en meer focus te geven. Onze conclusie is dat het experiment hier in redelijke mate in geslaagd is. Ten aanzien van het plenaire verantwoordingsdebat hebben de innovaties van het experiment de politieke aandacht een aanzienlijke impuls gegeven. In onderstaande grafiek is weergegeven hoe het aantal ingediende moties en het aantal aanwezige fractievoorzitters zich ontwikkelde sinds de invoering van verantwoordingsdag. Figuur 1. Wat begroting en jaarverslag betreft, hebben we het begrip Ā“focusā als volgt omschreven: minder niet-financiĆ«le informatie over de niet-prioritaire beleidsonderwerpen en minder technische informatie; meer informatie over departementale prioriteiten en kabinetsprioriteiten, deels ook in de vorm van beleidsconclusies en beleidsdoorlichtingen; beter gepresenteerde informatie, dat wil zeggen leesbaarder en met meer grafische ondersteuning. Zoals we eerder al hebben aangegeven, hebben de departementen over het algemeen redelijk tot goed aan de vormvereisten voor de jaarstukken voldaan. Uit de evaluatie is naar voren gekomen dat de begrotingen en jaarverslagen hierdoor toegankelijker zijn geworden en door de nadruk op de kabinetsprioriteiten beter gestructureerd. Het opnemen van meer historische beleidsinformatie bleek ook een goede aanvulling te zijn. Wat wel afbreuk heeft gedaan aan de leesbaarheid en inzichtelijkheid is de soms moeizame link tussen kabinetsprioriteiten en beleidsartikelen (c.q. operationele doelstellingen), zowel inhoudelijk als financieel. Een ander obstakel voor de nagestreefde focus was dat de kabinetsdoelstellingen in veel gevallen niet goed toetsbaar waren. Ook de CRU heeft dat opgemerkt (Tweede Kamer, vergaderjaar 2009-2010, 32057 nr. 1). Op basis van verschillende bronnen ā zoals schriftelijke Kamervragen, verslagen van wetgevingsoverleggen, de brieven van de Commissie voor de Rijksuitgaven over het experiment ā hebben we vastgesteld dat het overleg tussen Kamer en kabinet zich in de loop van het experiment meer is gaan richten op de departementale prioriteiten en kabinetsprioriteiten. Zie ter illustratie onderstaande grafiek over de schriftelijke Kamervragen naar aanleiding van de jaarverslagen. Het is aannemelijk dat de experimentele inrichting van de jaarstukken hierop van invloed is geweest. Figuur 2. Algemene opmerkingen, bedrijfsvoering, actualiteiten en overige zaken Beleidsinhoudelijke opmerkingen over kabinetsdoelen of prioriteiten van het departement Opmerkingen over de overige doelen van het departement Het meesturen van de beleidsdoorlichtingen (zie blz. 7) heeft de wetgevingsoverleggen tussen de Kamercommissies en de bewindspersonen niet of nauwelijks beĆÆnvloed en dus ook niet voor meer focus gezorgd. Opvallend is dat in de beleidsverslagen niet of nauwelijks van de resultaten van beleidsdoorlichtingen gebruik is gemaakt, bijvoorbeeld bij de formulering van beleidsconclusies. De rol van de verantwoordingsbrief van de minister-president is met name in het plenaire verantwoordingsdebat zichtbaar geworden. Het verantwoordingsdebat over 2009 was meer gefocust dan voorgaande jaren, waarschijnlijk mede dankzij de verantwoordingsbrief over 2009 die op een beperkt aantal, door de Tweede Kamer gekozen onderwerpen inging. Ook hier was sprake van een groeiproces. De eerste verantwoordingsbrief, over 2007, ontbeerde nog een duidelijke lijn. De tweede brief, over 2008 had weliswaar een duidelijke invalshoek, maar waaierde toch breed uit doordat de stand van zaken van alle 74 kabinetsprioriteiten en 10 projecten aan de orde kwam. Pas in de verantwoordingsbrief over 2009 was echt sprake van focus, dat wil zeggen een keuze voor een beperkt aantal onderwerpen. Naast de verantwoordingsbrieven heeft ook de aanwezigheid van de minister-president bij het verantwoordingsdebat zeer waarschijnlijk een grote rol gespeeld in de toename van de politieke relevantie hiervan. 2.3 Verantwoordingslasten Het tweede doel van het experiment was het efficiĆ«nter maken van het verantwoordingsproces. Helaas bleek het in de evaluatie niet goed mogelijk om eenduidig vast te stellen of dit is gelukt. Dit kwam vooral door het ontbreken van cijfers over de werkprocessen binnen de departementen, in de vorm van een nulmeting en tijdschrijfgegevens. Daarnaast waren er andere initiatieven, zowel binnen als buiten de departementen, die invloed hebben gehad op de efficiĆ«ntie van het verantwoordingsproces. Wij hebben dan ook enkel een kwalitatief onderzoek kunnen uitvoeren. Uit de evaluatie komt naar voren dat de verwachting dat er minder tijd is gestoken in de beleidsartikelen in het jaarverslag en dat er meer tijd is gaan zitten in de beleidsagenda en het beleidsverslag, door de departementen wordt bevestigd. Het kader hieronder is gebaseerd op de interviews die in het kader van de evaluatie zijn gehouden met de experimentdepartementen. Welke specifieke werkzaamheden zijn afgenomen? Het opstellen van de teksten voor beleidsartikelen, het afstemmen van deze teksten en de beleidstoetsing op de teksten is mogelijk afgenomen, vanwege het feit dat veel informatie is verplaatst naar het beleidsverslag en dubbelingen zijn geschrapt. De tijd die hierdoor wordt ingenomen neemt af doordat er minder hoeft te worden geschreven, minder geschreven teksten moeten worden besproken met collegaās, andere directies en meerderen, de toetsing op deze teksten niet nodig is, en dat de kans dat het proces van afstemming na wijziging vaker moet worden doorlopen minder groot is. Welke specifieke werkzaamheden zijn toegenomen? Werkzaamheden voor de beleidsagenda en het beleidsverslag zijn mogelijk toege-nomen, naar aanleiding van de koppeling aan de kabinetsprioriteiten. Daarnaast heeft de Tweede Kamer verzocht om de kabinetsprioriteiten in de departementale begrotingen en jaarverslagen te koppelen aan budget en realisatie. Dit heeft voor meer werk gezorgd. Dit aangezien de prioriteiten niet SMART waren en de informatiesystemen niet toereikend, waardoor veel overleg nodig bleek. Er is onvoldoende duidelijk op te maken of er per saldo minder of meer inspanningen benodigd zijn geweest om begroting en jaarverslag op te stellen. Het aanleveren van informatie ten behoeve van de delivery-functie, die bij Algemene Zaken was belegd, werd wel vaak en nadrukkelijk genoemd door de departementen als een extra inspanning. De delivery-systematiek maakte overigens geen deel uit van de maatregelen die als gevolg van dit experiment zijn ingevoerd. Eigen innovaties in het interne verantwoordingsproces bij departementen kunnen minstens zoān grote positieve invloed op de verantwoordingslasten hebben als verandering van de voorschriften. Zo is bij het Ministerie van VWS sinds 2009 een internet-tool (Wiki) in gebruik waarop redacteuren de meest actuele versie van beleidsteksten kunnen zien, aanpassen of becommentariĆ«ren. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft haar interne proces ten aanzien van verantwoording en begrotingsvoorbereiding herzien door een klein redactieteam samen te stellen uit leden van beleidsdirecties, gecoƶrdineerd door FEZ. Op deze manier wordt het aantal mede-redacteuren en daarmee de hoeveelheid afstemming fors verminderd. 2.4 Randvoorwaarden Tot slot staan we stil bij de vraag of het experiment aan de geformuleerde randvoorwaarden (zie blz. 5) heeft voldaan. Kwaliteit van begroting en jaarverslag Aan de kwaliteit van begroting en jaarverslag zijn verschillende aspecten te onderscheiden. De verbeterde toegankelijkheid is al in paragraaf 2.1 genoemd. Een ander aspect, en een directe consequentie van het experiment, is de ontkoppeling van de niet-financiĆ«le beleidsinformatie (in het beleidsverslag) van de financiĆ«le informatie (in de beleidsartikelen) in de experimentele jaarverslagen. Dit werd opgevangen door een tabel in het beleidsverslag op te nemen met verwijzingen naar de relevante beleidsartikelen per kabinetsdoelstelling. Toch konden de verantwoorde uitgaven in de beleidsartikelen niet altijd duidelijk aan de kabinetsprioriteiten gekoppeld worden (en vice versa). Dit probleem ontstaat doordat de gevoerde administratie is ingericht op de beleidsartikelen en niet op de per kabinet wisselende politieke prioriteiten uit het kabinetsprogramma. In de praktijk bleek bovendien dat de mate waarin de kabinetsprioriteiten de omvang van de begroting afdekte, sterk verschilde van departement tot departement; zie ter illustratie onderstaande tabel. Tabel. Percentage van de totale financiĆ«le omvang van de begroting dat in de overzichtstabel in het beleidsverslag wordt afgedekt BuiZa LNV VROM WWI VWS JenG 90 90 5 20 5 30 Bron: Algemene Rekenkamer, Rijk verantwoord 2009. Percentages zijn afgerond. Ook de CRU geeft bij de evaluatie van de verantwoordingsstukken 2008 aan dat de kosten van het beleid niet inzichtelijk zijn (Tweede Kamer, vergaderjaar 2009-2010, 32057, nr. 1). In mindere mate deed hetzelfde probleem zich voor in de begrotingen; in de beleidsartikelen was (en is) weliswaar niet-financiĆ«le informatie opgenomen, maar de samenhang tussen beleidsagenda en beleidsartikelen kende dezelfde beperkingen als in het jaarverslag. Koppeling tussen begroting en jaarverslag De koppeling tussen begroting en jaarverslag bleef in voldoende mate aanwezig. In de beleidsverslagen vond doorgaans een confrontatie plaats tussen de beoogde en gerealiseerde activiteiten en prestaties per kabinetsprioriteit. De confrontatie ging weinig in op de effecten van het beleid. Ook van confrontatie tussen begrote en gerealiseerde uitgaven per kabinetsdoelstelling was in de beleidsverslagen nauwelijks sprake. Dit was ook lastig, vanwege de al genoemde, soms gebrekkige samenhang op dit punt tussen de beleidsagenda/verslag en de beleidsartikelen. Dit gold voor alle jaarstukken, de experimentele en de niet-experimentele. Ter illustratie twee voorbeelden van beleidsverslagen uit 2009: in het eerste voorbeeld wordt in het beleidsverslag een confrontatie gegeven van de begrote en gerealiseerde uitgaven per kabinetsprioriteit, in het tweede voorbeeld niet. Beleidsverslag VWS 2009 Beleidsverslag VROM 2009 Ongewenst informatieverlies in jaarverslagen Tot slot hebben we vastgesteld of er sprake is geweest van ongewenst informatieverlies in de jaarverslagen. Conform de afspraken van het experiment werd geen niet-financiĆ«le beleidsinformatie meer opgenomen in de beleidsartikelen van de experimentele jaarverslagen. Dit leidde natuurlijk per definitie tot enige mate van informatieverlies. Als ongewenst hebben we vervolgens de situatie aangemerkt waarin informatieverlies in de jaarverslagen leidt tot onvoldoende onderbouwde beleidsconclusies. Hiervan zijn we een aantal gevallen tegengekomen. Ook hebben we opmerkingen en vragen van Kamerleden geĆÆnventariseerd over ontbrekende informatie in de jaarverslagen. Kamerleden hebben op verschillende momenten en bij verschillende departementen opmerkingen gemaakt over het informatieverlies in de experimentele jaarverslagen. In haar eindevaluatie van het experiment wees de CRU erop dat met name het verlies aan beleidsinformatie op artikelniveau (in de experimentele jaarverslagen) door diverse Kamercommissies als een achteruitgang werd ervaren. De commissie was in de eindevaluatie van oordeel dat de nadelen die de Kamer op dit punt ervaart, niet gecompenseerd werden (Tweede Kamer, vergaderjaar 2009-2010, 31865, nr. 23). In figuur 3 is het totaal aantal gestelde vragen door Kamerleden (zowel de schriftelijke Kamervragen als vragen uit de wetgevingsoverleggen) onderverdeeld in een viertal categorieĆ«n van ongewenst verlies van beleidsinformatie. In de analyse zijn alle experimentdepartementen opgenomen. Het jaar 2006 is het controlejaar omdat de jaarverslagen 2006 niet experimenteel waren. In 2007 ging het om een mix van pre-experimentele jaarverslagen (WWI, VROM en J&G) en experimentele (LNV, VWS en BuZa). In 2008 en 2009 ging het om zes experimentjaarverslagen. Uit figuur 3 blijkt met name dat na de start van het experiment meer vragen worden gesteld over ontbrekende indicatoren die in de begroting stonden, dan voorafgaand aan het experiment. Dit aantal varieert tussen de 4% en 10% van alle Kamervragen over de experimentjaarverslagen. Ook in absolute zin gaat het om een beperkt aantal vragen. Het gemiddelde aantal vragen over ontbrekende indicatoren liep eerst op tot bijna 6 over 2007, 7 over 2008 en daalde toen naar 2 over 2009. Hieruit kan niet worden afgeleid dat er sprake is geweest van een grote mate van ongewenst informatieverlies. Figuur 3. Algemene opmerkingen, bedrijfsvoering, actualiteiten en overige zaken Beleidsinhoudelijke vragen over zaken waar in het jaarverslag op ingegaan wordt. Vragen over beleidinformatie uit de begroting die ontbreekt in het jaarverslag Beleidsinhoudelijk vragen over indicatoren uit de begroting die ontbreken in het jaarverslag. Het bovenstaande overziend is ten slotte de vraag wat de gevolgen zijn geweest van het experiment voor het budgetrecht van de Tweede Kamer. Deze randvoorwaarde omvat in feite de drie hiervoor behandelde randvoorwaarden. Uiteindelijk is de vraag van belang of de Kamer van oordeel was of zij met de experimentstukken beter in staat was haar autorisatie- en controlefunctie uit te oefenen. Voor de CRU heeft blijkbaar het informatieverlies op artikelniveau het zwaarst gewogen: āDe commissie is van oordeel dat tot nu toe de nadelen die de Kamer op dit punt ervaart niet worden gecompenseerdā (Tweede Kamer, 2009-2010, 31 865, nr. 23). Tweede Kamer 2007-2008, 31 031 en 29 949, nr. 19. Tegelijk met dit experiment startte eind 2007 een experiment met ruimere tolerantiegrenzen en een project voor de ontwikkeling van een uniform subsidiekader. PAGE \* MERGEFORMAT 3 Doelstelling: āExtra ondersteuning van consumenten waar nodigā, āIn 2009 is de gedragscode SMS-diensten geĆ«valueerd, waaruit blijkt dat de code niet goed werkt en aanscherping behoeft. In aanvulling op een door de sector aan te scherpen gedragscode wordt wetgeving voorbereid, waarin voorwaarden worden verbonden aan de mogelijkheid van operators om voor derden, bijvoorbeeld sms-contentaanbieders, de incassofunctie te vervullen. De Tweede Kamer is begin 2010 geĆÆnformeerd over de aanpak van deze problematiek.ā Doelstelling: āVerstedelijking en woningproductieā āDe woningproductie in 2009 bedraagt bijna 90 000 woningen. Hiermee is in 2009 de in het Ā«Actieplan woningproductieĀ» door het Kabinet voor de periode 2007 t/m 2011 opgenomen beleidsdoelstelling van 80 000 ā 83 000 woningen per jaar gehaald. Over de periode 2007 t/m 2009 bedraagt de woningproductie hiermee bijna 88 000 per jaar. Om, als gevolg van de economische crisis, een forse terugval van de woningproductie in 2010 en 2011 zoveel mogelijk te beperken heeft het Kabinet aanvullende maatregelen genomen.ā Doelstelling: āInvoering OV Chipkaartā āZowel de aandacht voor de wijze van aanbesteden als de invoering van de OV-chipkaart komen de kwaliteit van het openbaar vervoer ten goede. De verdere implementatie van beide punten zal de kwaliteit van het OV verder verbeteren.ā Doelstelling: āVerhogen kwaliteit ruimtelijke planvormingā āHet thema ligt grotendeels op schema: de visie op architectuur en ruimtelijk ontwerp is conform planning gerealiseerd. Het stimuleringsprogramma is voorbereid.ā