[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

Notitie privacybeleid

Bijlage

Nummer: 2011D23006, datum: 2011-04-29, bijgewerkt: 2024-02-19 10:56, versie: 3

Directe link naar document (.doc), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Bijlage bij: Notitie inzake privacybeleid. Kabinetsstandpunt inzake gegevensverwerking en gegevensbescherming en een nadere visie op de Europese en internationale ontwikkeling op het gebied van gegevensverwerking. (2011D23001)

Preview document (🔗 origineel)






Directie Wetgeving

 

Contactpersoon

T  070 370 79 11

F  070 370 79 10

 

Datum

29 april 2011

 

Ons kenmerk

  DOCPROPERTY onskenmerk  5688920/11/6 

 

Datum vaststelling

29 april 2011

 







  DOCPROPERTY rubricering   







	  DOCPROPERTY titel Notitie privacybeleid 

	  DOCPROPERTY subtitel  

		

		

		

Bijlage nummer		1

Horend bij		Brief van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie en
de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

		

		





Notitie privacybeleid

Samenvatting 

In deze notitie geeft het kabinet allereerst een overzicht van de
maatregelen op het gebied van gegevensverwerking en gegevensbescherming
ter uitvoering van het regeerakkoord. Daarnaast geeft het kabinet, op
verzoek van de Tweede Kamer, een nadere visie op de Europese en
internationale ontwikkelingen op het gebied van de gegevensverwerking.
Vervolgens geeft het kabinet een stand van zaken weer van de uitvoering
van een kabinetsstandpunt naar aanleiding van de evaluatie van de Wet
bescherming persoonsgegevens en het advies van de Adviescommissie
veiligheid en de persoonlijke levenssfeer. Verder wordt in deze notitie,
naar aanleiding van verzoeken van de Tweede Kamer, ingegaan op enkele
brieven die de Kamer mocht ontvangen, van onder meer het College
bescherming persoonsgegevens.

  

Inleiding

Privacybeleid, regeerakkoord en andere beleidsinitiatieven 

In het regeerakkoord "Vrijheid en verantwoordelijkheid" van 30 september
2010 wordt op verschillende plaatsen krachtig ingezet op meer aandacht
voor de informatiebeveiliging en de bescherming van persoonsgegevens. De
voornemens in het regeerakkoord hebben zowel betrekking op de verwerking
als op de bescherming van persoonsgegevens. 

De verwerking van persoonsgegevens kan in de visie van het kabinet een
belangrijke ondersteuning betekenen van een beleid dat is gericht op
bevordering van de veiligheid in de openbare ruimte. Zo heeft het
kabinet meer cameratoezicht in het vooruitzicht gesteld. Ook wordt de
toepassing van ANPR (automatische nummerplaatherkenning) ten behoeve van
de opsporing nader genormeerd. Nadere voorstellen volgen voor een
bredere toepassing van ANPR. 

De bescherming van persoonsgegevens kan in de visie van het kabinet
worden verbeterd. 

Het kabinet heeft verschillende maatregelen in het vooruitzicht gesteld.
Allereerst zullen alle voorgenomen maatregelen die de opslag, de
koppeling en de verdere verwerking van persoonsgegevens behelzen bij de
voorbereiding nadrukkelijk meer worden getoetst aan de effectiviteit.
Voorgenomen maatregelen zullen bovendien zoveel mogelijk worden voorzien
van een horizonbepaling. 

Daarnaast komt er een verplichting om in gevallen van verlies, diefstal
of misbruik van persoonsgegevens melding te maken van dat voorval aan de
toezichthouder. De toezichthouder kan boetes opleggen indien de
meldplicht niet wordt nageleefd. Verder zal het toezicht op
grootschalige informatiseringsprojecten en het oplossen van
automatiseringsproblemen structureel worden aangescherpt. Tenslotte komt
het kabinet met een integrale aanpak van cybercrime. De invulling van
elk van deze gegevens wordt hierna toegelicht.

Ook op Europees niveau zal het kabinet zich inzetten voor het bereiken
van de in het regeerakkoord geformuleerde doelen. Op 4 november 2010
heeft de Europese Commissie een Mededeling over "Een integrale
bescherming van persoonsgegevens in de Europese Unie" vastgesteld. Een
eerste inhoudelijke beoordeling van die mededeling in de vorm van een
BNC-fiche is de Tweede Kamer aangeboden bij brief van 21 december 2010
van de Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken (Kamerstukken II 2010/11,
22 112, nr. 1116). De mededeling wijst de weg naar een modernisering van
het gegevensbeschermingsrecht van de Europese Unie dat samen met artikel
10 van de Grondwet de basis vormt voor onze nationale wetgeving op het
gebied van de bescherming van persoonsgegevens.    

Het vorige kabinet heeft bij brief van 9 november 2009 van de toenmalige
Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken
II 2009/10, 31 051, nr. 5) een kabinetsstandpunt toegezonden naar
aanleiding van de rapporten over de evaluatie van de Wet bescherming
persoonsgegevens (Wbp) en het rapport van de Adviescommissie veiligheid
en de persoonlijke levenssfeer. In dat kabinetsstandpunt is een aantal
voornemens tot wetgeving aangekondigd die nog niet zijn uitgevoerd.  

Bij de behandeling van de begroting van het Ministerie van Veiligheid en
Justitie in de Tweede Kamer op 24 november 2010 is door de eerste
ondergetekende de toezegging gedaan een nadere visie te geven op het
integraal privacybeleid, waarbij is aangegeven dat zoveel mogelijk
rekening wordt gehouden met de Europese ontwikkelingen ter zake. Met
deze brief geven wij uitvoering gegeven aan die toezegging. 

Bij brief van 13 januari 2011 heeft de eerste ondergetekende u toegezegd
in deze notitie nog een reactie te geven op het schrijven van het
College bescherming persoonsgegevens (Cbp) van 6 december 2010 aan de
leden van de Vaste Commissie voor Veiligheid en Justitie.  

Bij brief van 15 februari 2011 heeft de Vaste Commissie voor
Binnenlandse Zaken de Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties en de Minister van Veiligheid en Justitie verzocht
te reageren op een onderzoek van Privacy International over de stand van
zaken over de privacy in Nederland. Wij geven in deze notitie een korte
reactie op dat onderzoek. 

Tenslotte heeft de eerste ondergetekende tijdens het algemeen overleg
dat op 17 februari 2011 plaatsvond over de JBZ Raad van 24 en 25
februari 2011 aangekondigd dat in deze notitie nog op een aantal
specifieke onderwerpen die door de leden van de fractie van D66 zijn
genoemd zal worden ingaan.  

Doel van deze notitie 

Met deze notitie beoogt het kabinet vooral zo concreet mogelijk aan te
geven hoe het regeerakkoord, de Europese ontwikkelingen en de voornemens
in het kabinetsstandpunt zich tot elkaar verhouden. Daarbij wordt
aangegeven wat op korte termijn wordt aangevat in de vorm van wetgeving,
welke onderdelen van het regeerakkoord dit betreft, wat bij de
voorbereiding van wetgeving ook wordt meegenomen van hetgeen nog moet
worden uitgevoerd, en wat daarvan bij nadere afweging - gelet op de
verwachte ontwikkelingen in Europa - niet zal worden meegenomen. 

De nadere visie van het kabinet is dus vooral gericht op uitvoering in
de vorm van wetgeving op zo kort mogelijke termijn van hetgeen in het
regeerakkoord is opgenomen en van een aantal eerder voorgenomen
maatregelen. Wat visievorming voor het overige betreft, geeft het
kabinet in deze notitie aan hoe het aankijkt tegen de door het vorige
kabinet vastgestelde standpunt over de toekomst van de Wbp op de kortere
termijn en de verhouding van de Wbp tot het veiligheidsdomein. Het
huidige kabinet ziet het als prioriteit om een aantal maatregelen uit
dat standpunt daadwerkelijk uit te voeren. Dit kabinet heeft niet de
behoefte op deze punten weer met een nieuwe beleidsvisie te komen. Dat
doet het kabinet niet alleen omdat het de bestaande problemen met de Wbp
onderkent en de oplossingsrichting daarvoor in grote lijnen
onderschrijft, maar ook omdat in Europa inmiddels stappen worden gezet
die van grote invloed zijn op de mogelijkheden om in Nederland eigen
wetgeving tot stand te brengen op het gebied van de bescherming van
persoonsgegevens. Op die Europese initiatieven heeft het kabinet een
visie die de Kamer inmiddels in de vorm van het BNC-fiche heeft
ontvangen. Op een enkel onderdeel van die Europese initiatieven geeft
het kabinet een aanvullende visie, omdat dit buiten het kader valt van
hetgeen normaliter in een BNC-fiche wordt verantwoord.

 

Deze notitie richt zich vooral op het recht inzake de bescherming van
persoonsgegevens en enkele direct daarmee samenhangende aspecten van
informatiebeveiliging. De aanpak van grootschalige
automatiseringsprojecten, het oplossen van automatiseringsproblemen en
de aanpak van cybercrime valt buiten het kader van deze notitie. Wat de
bestrijding van cybercrime betreft, heeft de Minister van Veiligheid en
Justitie inmiddels bij brief van 22 februari 2011 aan de voorzitter van
de Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II 2010/11, 26 643,
nr. 174) de Nationale Cyber Security Strategie gepresenteerd. 

Uitvoering regeerakkoord

Cameratoezicht en automatische nummerplaatherkenning

Het bevorderen van het feitelijk gebruik van het algemene cameratoezicht
is vooral een kwestie van aanpak door decentrale overheden en
particuliere belanghebbenden zelf. In de sfeer van de regelgeving zal
het kabinet echter nog een voornemen uitvoeren. In de Gemeentewet staat
dat camerabeelden gedurende vier weken mogen worden bewaard. Voor de
private toepassing van cameratoezicht ontbreekt een specifieke regeling
en moet worden teruggevallen op de algemene regeling van de Wet
bescherming persoonsgegevens. In het Vrijstellingsbesluit Wbp is een
regeling opgenomen die verantwoordelijken vrijstelt van de verplichting
hun gegevensverwerking voor bewakings- en beveiligingsdoeleinden te
melden bij het Cbp, onder de voorwaarde dat camerabeelden aan een
beperkte bewaartermijn van slechts 24 uur zijn onderworpen. Het ligt in
de bedoeling om op korte termijn een reeds in consultatie gegeven
wijziging van het Vrijstellingsbesluit Wbp aan de ministerraad voor te
leggen met het doel om de bewaartermijn voor deze camerabeelden gelijk
te trekken met de bewaartermijn voor camerabeelden uit het publieke
domein. Op die manier kunnen burgers en bedrijven zonder onderworpen te
zijn aan de administratieve last van de melding beter en meer afgewogen
zelf beoordelen of zij deze beelden gebruiken voor het verbeteren van
hun eigen veiligheid of voor het doen van aangifte van op de beelden
geconstateerde strafbare feiten. 

Met betrekking tot automatische nummerplaatherkenning (ANPR) door de
politie heeft de Minister van Veiligheid en Justitie een wetsvoorstel in
consultatie gegeven tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering
waarin een solide regeling wordt voorgesteld voor het bewaren van
kentekengegevens voor de opsporing van strafbare feiten en de aanhouding
van voortvluchtige personen. Hierin is voor de duur van de bewaartermijn
aangesloten bij de hiervoor genoemde termijn van vier weken.   

  

Toetsing voorgenomen maatregelen gegevensverwerking

Nieuwe voorgenomen wettelijke maatregelen die gericht zijn op de
invoering en rechtvaardiging van nieuwe grootschalige verwerkingen van
persoonsgegevens door de overheid zullen nadrukkelijker dan voorheen het
geval is moeten worden getoetst op effectiviteit. Over de technische en
informationele effectiviteit moet op transparante wijze verantwoording
worden afgelegd. Ook de vraag of een nieuw systeem in alle opzichten
voldoet aan de eisen die voortvloeien uit Europees en internationaal
recht en uit de Wbp behoort daarbij telkens onder ogen te worden gezien.
Uit oogpunt van goede wetgeving zullen de ministeries van Veiligheid en
Justitie en Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties daarop toezien.
Bij die toetsing komt ook aan de orde of het wetsvoorstel ten minste
voorzien is van een evaluatiebepaling, en of het opnemen van een
horizonbepaling aan de orde is. Of een horizonbepaling moet worden
vastgesteld is mede afhankelijk van mate en de aard van de inmenging in
de rechten op bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de
bescherming van persoonsgegevens, en daarnaast van de investeringen die
met de voorgenomen maatregelen zijn gemoeid. Dit zal van geval tot geval
moeten worden vastgesteld. In het hierboven genoemde wetsvoorstel tot
regeling van de ANPR is zowel een horizonbepaling als een
evaluatiebepaling opgenomen.  

Meldplicht datalekken 

De laatste jaren hebben zich in het ons omringende buitenland met een
zekere regelmaat ernstige incidenten voorgedaan waarbij grote
hoeveelheden persoonsgegevens in het openbare domein zijn gebracht als
gevolg van ontoereikend gebleken beveiligingsmaatregelen. Zulke
incidenten kunnen zich ook in Nederland voordoen. Op grond van artikel
13 van de Wbp is de verantwoordelijke voor een verwerking van
persoonsgegevens verplicht om passende technische en organisatorische
maatregelen ten uitvoer te leggen om persoonsgegevens te beveiligen
tegen verlies of enige vorm van onrechtmatige verwerking. De Wbp regelt
thans niet welke feitelijke gevolgen moeten worden verbonden aan
gevallen waarin sprake is van verlies of onrechtmatig gebruik van
persoonsgegevens als gevolg van ontoereikend gebleken
beveiligingsmaatregelen. 

In het wetsvoorstel tot wijziging van de Telecommunicatiewet in verband
met de implementatie van het gewijzigd Europees regelgevend kader voor
elektronische communicatie (NRF) (Kamerstukken II 2010/11, 32 549, nr.
1-3) is een verplichting opgenomen voor de aanbieders van elektronische
communicatienetwerken en -diensten om de persoonsgegevens en de
persoonlijke levenssfeer van de abonnee of gebruiker beter te beschermen
tegen inbreuken op de veiligheid van persoonsgegevens en de ongunstige
gevolgen die dit kan hebben voor de persoonlijke levenssfeer van degene
wiens persoonsgegevens het betreft. Indien zich een dergelijke inbreuk
voordoet heeft de aanbieder van een openbare telecommunicatiedienst de
verplichting die inbreuk, onverwijld nadat hij die inbreuk heeft
geconstateerd, te melden bij de toezichthouder. Ingeval de inbreuk
waarschijnlijk ongunstige gevolgen zal hebben voor de persoonsgegevens
en de persoonlijke levenssfeer van degene wiens persoonsgegevens het
betreft, dient de aanbieder van de telecommunicatiedienst of het
-netwerk degene wiens persoonsgegevens het betreft onmiddellijk in
kennis te stellen van de inbreuk en hem  te informeren over de eventuele
middelen die de eindgebruiker zelf kan treffen om de risico's die
hieruit voortvloeien tegen te gaan. 

In het regeerakkoord is aangegeven dat een dergelijke meldplicht zich
ook moet uitstrekken over alle diensten van informatiemaatschappij, de
overheid daaronder begrepen. Bij de behandeling van het
kabinetsstandpunt in de Tweede Kamer is door het vorige kabinet reeds
toegezegd dat deze meldplicht ook in de Wbp zou worden opgenomen. Het
regeerakkoord sluit bij dit voornemen aan. 

In een wetsvoorstel dat medio 2011 in consultatie zal gaan zal een
dergelijke verplichting worden opgenomen. De meldplicht zal tweeledig
zijn. Enerzijds zal de meldplicht moeten worden nagekomen met het oog op
de belangen van betrokkenen. Anderzijds zal de meldplicht moeten worden
nagekomen met het oog op de handhaving. Dat betekent dat zowel de
betrokkenen als de toezichthouder zullen moeten worden ingelicht. Een
nadere begrenzing van de meldplicht zal noodzakelijk zijn om meldingen
van bagatelzaken tegen te gaan. Dit is van belang, aangezien de
administratieve lasten en de nalevingskosten gemoeid met deze maatregel,
zo beperkt mogelijk moeten blijven. Dat betekent dat de precieze inhoud
van de melding en wijze van melden aandacht verdient. Daarnaast moet
worden bezien of er redenen zijn de meldplicht ten opzichte van de
toezichthouder te differentiëren van de meldplicht ten aanzien van
betrokkenen. Ook zal nog moeten worden nagegaan hoe de meldplicht zich
verhoudt tot de aansprakelijkheid van de verantwoordelijke. 

De reikwijdte van deze meldplicht verdient afzonderlijke aandacht.
Voorop staat dat de regeling in de Telecommunicatiewet, zoals aangevuld
met het vorenbedoelde wetsvoorstel, onverkort gehandhaafd blijft. Dat is
noodzakelijk om de desbetreffende EU-besluiten herkenbaar te
implementeren en het daarmee verband houdende begrippenapparaat van de
Telecommunicatiewet niet te compliceren. De meldplicht voor datalekken
zal voor alle andere gevallen worden opgenomen in hoofdstuk 5 van de
Wbp. Aangezien de verplichtingen uit deze laatste wet zich richten tot
de "verantwoordelijke" (dat is de partij die het doel en de middelen
voor een gegevensverwerking vaststelt), ligt het voor de hand dat de
meldplicht wordt gelegd op de verantwoordelijke. Dit heeft wel tot
consequentie dat de kring van partijen tot wie de verplichting zich
richt niet per definitie gelijk is aan de aanbieders van diensten "van
de informatiemaatschappij", zoals bedoeld in het regeerakkoord. Het is
echter buiten twijfel dat die dienstaanbieders zodra zij
persoonsgegevens verwerken als verantwoordelijke in zin van de Wbp
moeten worden aangemerkt. 

Verder is het zo dat gegeven de wettelijk geregelde verhouding tussen de
verantwoordelijke en de bewerker (dat is een partij aan wie een
gegevensverwerking wordt uitbesteed) de verantwoordelijkheid voor het
naleven van de meldplicht ook bij de verantwoordelijke blijft berusten
in de gevallen waarin sprake is van uitbesteding.        

De meldplicht zal worden gesanctioneerd met een punitieve sanctie.
Daarbij ligt de bestuurlijke boetebevoegdheid het meest in de rede. Die
sanctionering staat niet op zichzelf. Ook dit kabinet onderschrijft het
voornemen de sanctionering van de gegevensbeschermingswetgeving
kwalitatief te versterken.                 

Aanpak sanctionering overtredingen Wet bescherming persoonsgegevens 

Tot dusverre is het opleggen van een bestuurlijke boete door het Cbp
alleen mogelijk wanneer administratieve verplichtingen van de Wbp niet
worden nagekomen. De keuze om handhaving van de meldplicht voor
datalekken te sanctioneren met een bestuurlijke boete roept de vraag op
of dit handhavingsinstrument een bredere toepassing verdient. In het
meergenoemde kabinetsstandpunt is al aangegeven dat het voornemens was
om de handhaving van de Wbp te versterken door ook de materiële
bepalingen van die wet te sanctioneren met behulp van een bestuurlijke
boete. Ook zal de strafrechtelijke sanctionering opnieuw worden bezien.
Dit voornemen wordt thans ten uitvoer gelegd in het hierboven bedoelde
wetsvoorstel.  

Bij de uitwerking van dit voornemen dienen een aantal nadere keuzes te
worden gemaakt. Zo moet allereerst worden vastgesteld welke onderdelen
van de Wbp voor een sanctionering met een bestuurlijke boete in
aanmerking komen. Dat zijn in ieder geval de normen van de Wbp die
rechtstreeks verplichtingen leggen op de verantwoordelijke en de normen
die een verbod inhouden. Daarbij moet ook rekening worden gehouden met
de belangen van de bestrijding van fraude en andere criminaliteit.
Nadere besluitvorming terzake moet uit oogpunt van uitvoerbaarheid en
handhaafbaarheid in samenspraak met het Cbp plaatsvinden. 

De normen van de Wbp zijn, zoals bekend, abstract geformuleerd. Dat
roept voor de wetgever en handhaver wel de verplichting op om zoveel
mogelijk duidelijkheid te verschaffen over de vraag of een bepaald
handelen of nalaten in strijd is met de Wbp. Aan de normen van de Wbp
zal inhoudelijk weinig kunnen worden veranderd. Zij zijn gebaseerd op
richtlijn nr. 95/46/EG, de EU-privacyrichtlijn. 

In de afgelopen jaren zijn deze normen nader ingevuld door de
jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie. De opinies
van de samenwerkende privacytoezichthouders van de EU, de artikel 29
Werkgroep, kunnen behulpzaam zijn bij een verdere duiding van de
relevante normen. Ook op nationaal niveau is er inmiddels jurisprudentie
tot stand gekomen. Daarnaast zijn de normen van de Wbp aangevuld met
specifieke wettelijke regels voor specifieke toepassingen. Er is ook een
vaste toepassingspraktijk van het Cbp. 

Niettemin zal zich van tijd tot tijd de noodzaak voordoen dat het Cbp
met behulp van boeterichtsnoeren zo nauwkeurig mogelijk nader  aangeeft
in welke categorieën van gevallen er handhavend moet worden opgetreden.
Het Cbp wordt dan ook uitgenodigd daarvoor in aanmerking komende
onderwerpen mee te delen en daarbij aan te geven wanneer de daarvoor
benodigde richtsnoeren zullen worden vastgesteld, zodat in de memorie
van toelichting bij het wetsvoorstel waarin de sanctionering wordt
geregeld zoveel mogelijk duidelijkheid kan worden gegeven. Verwacht mag
worden dat die nader invulling door het Cbp ook een zekere prioritering
van zaken, zoals het Cbp die ziet, weerspiegelt.

Verder zal nog moeten worden vastgesteld welk boetemaximum wordt
voorgesteld. Een boetemaximum moet maatschappelijk gezien aanvaardbaar
zijn en in verhouding tot de aard van de normen proportioneel zijn. In
samenhang met de vaststelling van het boetemaximum zal worden bezien of
het maximum van de strafrechtelijke boetes moet worden verhoogd. Hoewel
in het reeds geruime tijd bij de Tweede Kamer aanhangige wetsvoorstel
tot wijziging van de Wbp in verband met de vermindering van
administratieve lasten (Kamerstukken II 2008/09, 31 841, nr. 2) een
verhoging van de geldboetecategorieën is opgenomen, is het verstandig
het maximum van strafrechtelijke en de bestuursrechtelijke boete zoveel
mogelijk te harmoniseren. 

Tenslotte zal in een wetsvoorstel worden geregeld dat bezwaar en beroep
wordt opengesteld tegen een definitief rapport van bevindingen, in de
zin van artikel 60 van de Wbp. Dat biedt verantwoordelijken de
gelegenheid om desgewenst het oordeel van de rechter in te winnen over
feiten die door het Cbp zijn verzameld en de kwalificatie die het Cbp
daaraan geeft. Op deze wijze worden de "checks and balances" in de Wbp
uitgebreid. Dit is niet alleen voor verantwoordelijken van belang, het
is ook voor het Cbp van belang. Immers, het kan in een
bezwaarschriftprocedure zonodig tot heroverweging overgaan. 

Uiteraard is bezwaar en beroep tegen een besluit tot oplegging van een
bestuurlijke boete mogelijk.   

Gegevens delen ten behoeve van het voorkomen van overlast, huiselijk
geweld en criminaliteit 

Het regeerakkoord vermeldt dat daders in hun eigen omgeving moeten
worden aangepakt. Veiligheidshuizen spelen hierbij een belangrijke rol.
De veiligheidshuizen, samenwerkingsverbanden van verschillende
organisaties, gaan dadergericht te werk bij het terugdringen van
overlast, huiselijk geweld en criminaliteit. De voordelen van deze wijze
van preventief werken hebben tot goede resultaten geleid. De
veiligheidshuizen zullen worden voortgezet en verder ontwikkeld.

Het kabinet staat een dadergerichte aanpak voor om ernstige overlast,
huiselijk geweld en criminaliteit terug te dringen. Deze aanpak is
gericht op een combinatie van preventie, repressie en zorg en krijgt
concreet vorm in samenwerkingsverbanden, zoals het Veiligheidshuis en de
Netwerk- en trajectberaden nazorg jeugd. Hier komen partners vanuit
verschillende disciplines (zorg, hulpverlening, gemeente, justitie) bij
elkaar en wordt op basis van de ernst van het gedrag en de onderliggende
problematiek bepaald welk traject wordt ingezet om overlastgevend of
crimineel gedrag te voorkomen of aan te pakken. Deze werkwijze kan
alleen plaatsvinden als relevante informatie wordt gedeeld tussen de
deelnemende partners. Deze informatie moet niet alleen lokaal maar ook
landelijk kunnen worden gedeeld, aangezien hardnekkige overlastgevers en
criminelen zich vaak bewegen over meerdere regio’s. Ook hier geldt dat
deze informatie-uitwisseling zorgvuldig moet plaatsvinden,
overeenkomstig het in de paragraaf Helpdesk voor professionals in
veiligheid en justitiële jeugdzorg van deze brief geschetste
6-stappenplan. Deze informatie-uitwisseling vindt zoveel mogelijk plaats
met toepassing van de bestaande regels voor samenwerkingsverbanden op
grond van de Wbp, de Wet politiegegevens, de Wet justitiële en
strafvorderlijke gegevens en de Wet op de jeugdzorg. Echter, wanneer
blijkt dat deze  regelgeving onvoldoende ruimte zou bieden voor
structurele en niet-vrijblijvende informatie-uitwisseling binnen
netwerkverbanden zoals het Veiligheidshuis, zal het kabinet zonodig
initiatieven nemen om de daarvoor in aanmerking komende regelgeving aan
te passen. Ook op andere terreinen van de rechtshandhaving is het delen
van juiste informatie tussen de juiste betrokkenen essentieel voor de
effectiviteit van de handhaving. Fraude- en criminaliteitsbestrijding is
daarvan een prominent voorbeeld. Ook hier zal het kabinet zonder
aarzelen initiatieven nemen tot aanpassing van de daarvoor in aanmerking
komende regelgeving, wanneer zou blijken dat die regelgeving
tekortschiet om de effectiviteit van de handhaving te bewerkstelligen.

Europese en internationale ontwikkelingen 

Bij meergenoemde brief van 21 december 2010 heeft de Staatssecretaris
van Buitenlandse Zaken aan de Voorzitter van de Tweede Kamer een
BNC-fiche aangeboden waarin een eerste beoordeling door het kabinet is
neergelegd van de Mededeling van de Europese Commissie van 4 november
2010, COM (2010) 609 def., "Een integrale aanpak van de bescherming van
persoonsgegevens in de Europese Unie". In het BNC-fiche is puntsgewijs
aangegeven wat de reactie van het kabinet is op de diverse onderdelen
van de visie en de voornemens van de Commissie. 

In grote lijnen kan het kabinet zich vinden in de uitgangspunten van de
mededeling. Ook het kabinet is van oordeel dat de beide uitgangspunten
van  de EU-privacyrichtlijn, het garanderen van een hoog niveau van de
bescherming van het recht op gegevensbescherming en het garanderen van
een vrij verkeer van persoonsgegevens binnen de EU, nog onverkort
geldend zijn. Het is, ook in de visie van het kabinet, een juiste
analyse dat de ontwikkeling van de technische mogelijkheden, en de mede
daaruit voortvloeiende globalisering, hebben geleid tot veranderingen.
Die veranderingen bestaan hierin dat gegevens wereldwijd worden verwerkt
voor de meest uiteenlopende doeleinden en dat dit op 

een steeds geavanceerdere wijze en tegen steeds lagere kosten mogelijk
is. De wereldwijde dimensie van die ontwikkeling maakt dat het steeds
moeilijker wordt om vast te stellen welk recht van toepassing is op de
gegevensverwerking, omdat verschillende aspecten van die verwerking
aanknopingspunten hebben met verschillende rechtsstelsels binnen en
buiten de EU. Cloudcomputing is daarvan het beste voorbeeld. Hoewel
cloudcomputing en "software as a service" voor het bedrijfsleven grote
voordelen biedt in de vorm van gebruiksgemak en lagere kosten, is ook
aannemelijk is dat de risico's voor de bescherming van de
persoonsgegevens door cloudcomputing toenemen. Wanneer Europese burgers
voor de handhaving van de hun toekomende rechten afhankelijk zijn van
verantwoordelijken die zich buiten de EU bevinden roept dit de vraag op
aan welk rechtsstelsel voor de bescherming van persoonsgegevens die
verantwoordelijken zijn onderworpen. Niet vanzelfsprekend is dat die
verantwoordelijken de op hen rustende verplichtingen nakomen op een
niveau vergelijkbaar met het niveau dat in de EU geldt. Ook kan niet
worden gegarandeerd dat de rechten op inzage, correctie, afscherming en
verzet in dergelijke situaties volledig tot gelding kunnen worden
gebracht. 

De omvang en aard van deze problemen zijn zodanig dat een oplossing
daarvan op nationaal niveau niet goed mogelijk is. Uiteindelijk zullen
daarvoor alleen op mondiaal niveau oplossingen kunnen worden gevonden.
De EU heeft de ambitie om daarin een belangrijke rol te spelen. Het
kabinet onderschrijft dit. Het kabinet streeft er daarom naar op het
niveau van de EU, overeenkomstig artikel 16 van het Verdrag betreffende
de werking van de Europese Unie, oplossingen voor deze problemen voor te
stellen en uit te werken. 

Daarbij moet wel worden vastgesteld dat een oplossing van al die
problemen op korte termijn niet kan worden verwacht, noch op EU-niveau,
noch op mondiaal niveau. De oorzaken daarvoor zijn tweeërlei.
Allereerst is voldoende duidelijk dat de technische ontwikkelingen op
ICT-gebied onverminderd doorgaan en dat steeds moet worden bezien of op
nieuwe ontwikkelingen een reactie in de vorm van wetgeving nodig is.
Daarnaast is de benadering van het gegevensbeschermingsrecht in de EU
nogal verschillend van de benadering van dat recht in andere delen van
de wereld. De EU formuleert een grondrecht op de bescherming van
persoonsgegevens. In de Verenigde Staten en in Azië is het recht op
bescherming van persoonsgegevens veel meer ingebed in de diverse
rechtsgebieden die onderdeel zijn van het privaatrecht. Dit leidt tot
belangrijke verschillen op het gebied van toezicht op de naleving,
handhaving en sanctionering tussen de werelddelen.  

Om die redenen is het niet verwonderlijk dat ook de Commissie in de
mededeling niet in staat is om kant en klare oplossingen te formuleren,
maar dat een aantal onderwerpen nog nadere studie verdienen. Het kabinet
is wel van mening dat op sommige onderdelen wel beslissingen genomen
hadden kunnen worden. Zo is het kabinet teleurgesteld dat in de
mededeling geen uitsluitsel wordt gegeven over de keuze van het
instrument waarin de wetgevingsvoornemens worden neergelegd, namelijk
een richtlijn, een verordening of een combinatie van beide. Ook op het
gebied van de terugdringing van de administratieve lasten had de
Commissie naar het oordeel van het kabinet de keuze kunnen maken om de
bestaande instrumenten als de verplichting tot het melden van elke
gegevensverwerking en het voorafgaand onderzoek af te schaffen of te
behouden.  

Het kabinet herkent overigens de vijf voornaamste knelpunten die de
Commissie in de mededeling heeft geïdentificeerd. Het betreft de omgang
met de gevolgen van nieuwe technologieën, de noodzaak tot uitwerking
van de internemarktdimensie, verbetering van de mogelijkheden voor
internationale gegevensdoorgifte, effectievere handhaving van het
gegevensbeschermingsrecht en meer samenhang in het wettelijk kader.
Zoals verantwoord in het BNC-fiche betekent dit niet dat het kabinet ook
zonder meer met alle onderdelen van de mededeling instemt. Voor de
details verwijst het kabinet naar het fiche. 

Naar aanleiding van een vraag van de leden van de fractie van D66
tijdens het algemeen overleg van 17 februari 2011 over de JBZ Raad van
24 en 25 februari 2011 over de positie van collectiefbelangacties in het
privacyrecht, verwijst het kabinet naar het meergenoemde BNC-fiche. Kort
weergegeven staat daarin dat het kabinet niet afwijzend staat tegenover
de introductie van deze acties, maar dat dit alleen onder voorwaarden
acceptabel is. Het kabinet is geen voorstander van de mogelijkheid om
met een dergelijke actie schadevergoeding in geld te vorderen. Verder
moet de in rechte optredende organisatie een zekere legitimiteit
bezitten en is een behoorlijke regeling van het procesrecht nodig.

Tenslotte is het waard te vermelden dat ook de Raad van Europa nog een
initiatief heeft genomen. Aangekondigd is dat het op 28 januari 1981 te
Straatsburg tot stand gekomen Verdrag tot bescherming van personen met
betrekking tot de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens (Trb.
1988, 7) - ook wel bekend als Verdrag nr. 108, of het
Dataprotectieverdrag - zal worden herzien. In de loop van 2011 kunnen de
nodige voorstellen daarvoor worden verwacht. Het kabinet zal
vanzelfsprekend ook deze ontwikkeling nauwgezet volgen. Daarbij zet het
kabinet in op het garanderen van synergie tussen het
Dataprotectieverdrag en het komende nieuwe EU-instrumentarium. Het
kabinet acht dit ook van belang met het oog op de implementatie van
beide nieuwe instrumenten in de Wbp. 

Reactie op de brief van het College bescherming persoonsgegevens van 6
december 2010

Het kabinet beschouwt de brief van het Cbp als een belangrijke
ondersteuning van het beleid dat is uiteengezet in het meergenoemde
BNC-fiche. Het kabinet wil zich dan ook tot een korte reactie op de vijf
hoofdlijnen van de brief beperken. 

Wat het versterken van de rechten van burgers door middel van een
collectiefbelangactie betreft, is het kabinet het met het Cbp eens dat
een dergelijk rechtsmiddel de positie van de betrokkene beslist positief
kan beïnvloeden. Zakelijk weergegeven is het Cbp van oordeel dat de
Commissie zich actiever zou moeten opstellen om dat recht daadwerkelijk
in een nieuwe richtlijn neer te leggen, in plaats van dit slechts te
overwegen. Het kabinet heeft in het BNC-fiche echter aangegeven dat er
nog wel het nodige zal moeten worden verduidelijkt over de vormgeving
van dat recht. 

Het kabinet voelt zich gesteund door het Cbp waar het de uitwerking van
het beginsel van accountability betreft. Het kabinet is met het Cbp van
mening dat wanneer het bedrijfsleven in staat en bereid is volgens de
weg van een zo groot mogelijke mate van zelfregulering
privacybescherming tot normaal onderdeel van het ondernemingsbeleid te
maken, er veel gewonnen wordt voor de gegevensbescherming. Het kabinet
zet in de EU gericht in op het bevorderen van dit belang. Op het advies
van de Staatscommissie Grondwet om het doelbindingsbeginsel
grondwettelijk vast te leggen, hetgeen het Cbp onderschrijft, zal het
kabinet afzonderlijk reageren. 

Het kabinet is met het Cbp van oordeel dat de gedachte dat "Privacy by
design" uitermate geschikt is om bij een technisch ontwerp van meet af
aan rekening te houden met de bescherming van de gegevens die op een
bepaalde wijze worden verwerkt. Het kabinet zal de toepassing van
privacy by design zoveel mogelijk stimuleren.  

Mede naar aanleiding van een vraag van de leden van de fractie van D66
op het algemeen overleg van 17 februari 2011 over de JBZ Raad van 24 en
25 februari 2011 onderschrijft het kabinet de gedachte van
overkoepelende privacyregulering voor alle sectoren, met inbegrip van
politie en justitie, op zichzelf genomen wel, mits  op de genoemde
terreinen de ruimte bestaat om gelding van dezelfde beginselen van
gegevensbeschermingsrecht te aanvaarden, maar dat de noodzaak tot
afzonderlijke regels buiten kijf staat. Het is ondenkbaar dat de
transparantieverplichtingen en het inzagerecht op het terrein van
politie en justitie op dezelfde wijze worden vormgegeven als voor het
overige gegevensbeschermingsrecht. 

Tenslotte heeft het kabinet al meermalen aangegeven dat het belang hecht
aan de versterking van de toezichthoudende rol van het Cbp. Wat een
versterking van de rol van de "Artikel 29 Werkgroep" - het Europees
samenwerkingsverband van toezichthouders - betreft, zal het kabinet
eerst de concrete voorstellen van de Commissie daarover afwachten,
zonder daarop vooruit te lopen.       

Kabinetsstandpunt rapporten Adviescommissie veiligheid en de
persoonlijke levenssfeer en evaluatie Wet bescherming persoonsgegevens 

In dit kabinetsstandpunt zijn door het vorige kabinet verschillende
maatregelen in het vooruitzicht gesteld. Een aantal van die maatregelen
heeft specifiek betrekking op het gebruik van persoonsgegevens ten
behoeve van de veiligheidszorgen en een aantal direct daarmee
samenhangende gebieden. Deze maatregelen zijn vooral feitelijk van aard,
en niet primair gericht op het totstandbrengen van regelgeving. Een
aantal andere maatregelen hebben betrekking op de bescherming van de
persoonlijke levenssfeer in algemene zin. Daar ligt het accent vooral op
het actualiseren van de Wbp. 

Privacy en veiligheid 

Wat de maatregelen op het gebied van de privacy in relatie tot de
veiligheidszorg betreft, hecht ook dit kabinet eraan te benadrukken dat
bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de zorg voor veiligheid
van samenleving en individu niet noodzakelijkerwijs tegengestelde
belangen zijn die zorgvuldig tegen elkaar moeten worden afgewogen. Het
kabinet rekent het tot zijn taak om beide belangen te beschermen. Onder
omstandigheden kan de afweging neerkomen op het aanvaarden van een
beperking van de persoonlijke levenssfeer ten behoeve van de zorg voor
veiligheid van de samenleving. Wettelijke maatregelen op nationaal
niveau behoren te zijn voorzien van een transparante toets aan de
grondrechten, en adviezen van de daarvoor in het bijzonder in aanmerking
komende organisaties. Zoals hierboven reeds aangegeven, zal er bij
volgende initiatieven steeds minimaal moeten worden voorzien in een
evaluatiebepaling. Een horizonbepaling is een optie voor die gevallen
waarin dat gelet op de mate en de aard van de inmenging in de
grondrechten en de te plegen investeringen in ICT gerechtvaardigd is.
Maar ook hier is enige terughoudendheid geboden.

Gegevens delen ten behoeve van de veiligheid in incidentele gevallen 

In het kabinetsstandpunt is het door de Adviescommissie veiligheid en de
persoonlijke levenssfeer uitgesproken standpunt onderschreven dat
wanneer het noodzakelijk is voor de veiligheid van personen gegevens
tussen verantwoordelijken in het overheidsdomein moeten kunnen worden
gedeeld, ook in situaties waarin een wettelijke regeling om op
structurele basis gegevens te delen nog ontbreekt, en, in
uitzonderingsgevallen zonodig zelfs met doorbreking van een wettelijke
geheimhoudingsplicht. Ook dit kabinet onderschrijft dat uitgangspunt
zeer zeker. Hierboven is al aangegeven dat het kabinet niet zal aarzelen
om ten behoeve van de fraude- en criminaliteitsbestrijding wettelijke
voorzieningen te treffen om het delen van gegevens tussen
toezichthouders en handhavers mogelijk te maken. 

In een wetsvoorstel tot aanpassing van de Wbp zal daarnaast een
aanvulling op art. 9 Wbp worden voorgesteld om binnen de ruimte die  
EU-privacyrichtlijn biedt  het delen van gegevens mogelijk te maken
wanneer het vitaal belang (daaronder wordt verstaan: een onmiddellijke
of dreigende aantasting van leven of gezondheid) van de betrokkene of
een derde dat vergt. De regeling blijft overigens beperkt tot het
regelen van een bevoegdheid die alleen bedoeld is voor afzonderlijke en
incidentele gevallen van dringende aard. Er heeft zich in het recente
verleden een aantal gevallen voorgedaan waarin aan deze bevoegdheid
grote behoefte bestond. Te denken valt aan enkele zeer schrijnende
gevallen van kindermishandeling en aan de mogelijkheden tot
gegevensverwerking ten behoeve van de nabestaanden van de slachtoffers
van de vliegramp in Libië.   

Op de terreinen waarvoor een aanleiding bestaat om een verplichting tot
het verstrekken van gegevens vast te stellen, zal in de desbetreffende
wetgeving een voorziening moeten worden getroffen. Verplichtingen tot
gegevensverstrekking passen niet in het systeem van de Wbp. Dit voorstel
sluit overigens inhoudelijk aan bij een reeds in het eerder vermelde
wetsvoorstel tot wijziging van de Wbp in verband met de vermindering van
administratieve lasten (Kamerstukken II 31841) opgenomen voorziening
voor de verwerking van bijzondere persoonsgegevens ten behoeve van het
vitaal belang van een betrokkene of derde.

Gegevens delen ten behoeve van nalevingstoezicht en handhaving op
structurele basis

In het kabinetsstandpunt is aangekondigd dat nader wetenschappelijk
onderzoek zou worden gedaan naar de mogelijkheden om in de Algemene wet
bestuursrecht een voorziening op te nemen om toezichtsgegevens -
waaronder mede begrepen persoonsgegevens - op structurele basis te
kunnen uitwisselen tussen toezichthouders, politie en OM. 

Dat wetenschappelijk onderzoek moet de vraag beantwoorden onder welke
voorwaarden, verband houdend met de Europese en Nederlandse wetgeving
tot bescherming van persoonsgegevens een structurele uitwisseling van
toezichtgegevens mogelijk is. Bijzondere aandacht moet daarbij uitgaan
naar de rol van geheimhoudingsverplichtingen in het fiscale recht, het
financieel bestuursrecht en het gegevensbeschermingsrecht voor politie
en justitie. Verder zal gezocht moeten worden naar een zekere symmetrie
in de informatiepositie van politie en justitie enerzijds en
bestuursorganen en toezichthouders anderzijds, zonder dat afbreuk wordt
gedaan aan de onderzoeksbelangen. Het belang van de bestrijding van
fraude en andere vormen van criminaliteit rechtvaardigt dat. Ook zal
enige aandacht moeten uitgaan naar de grensoverschrijdende aspecten
hiervan. Voor dit onderzoek is thans financiering beschikbaar. Het zal
in de loop van 2011 worden gestart en afgerond.  

Helpdesk voor professionals in veiligheid en justitiële jeugdzorg

Met de inrichting van een helpdesk voor professionals in de sector
veiligheid en justitiële jeugdzorg is in januari 2011 een begin
gemaakt. Dit Servicecentrum zal op vraaggedreven wijze ondersteuning
gaan geven aan de professionele praktijk. Daarbij moet met name worden
gedacht aan de behandeling van meer ingewikkelde
gegevensbeschermingsvraagstukken op het snijvlak van rechtshandhaving,
bestuur en jeugdzorg, zoals zogeheten casusoverleggen en de
veiligheidshuizen. Het werken in samenwerkingsverbanden waarin politie
en openbaar ministerie deelnemen leidt in de regel tot de toepassing van
verschillende privacywetten. Het verstrekken van gegevens aan en door
deze verbanden vergt afwegingen van gecompliceerde aard, waarbij een
bepaalde vorm van expertise moet worden ontwikkeld. Het Servicecentrum
zal gezamenlijk met de professionals producten ontwikkelen die hen in
staat stellen zelfstandig afwegingen te maken over veiligheid, de
bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de bescherming van
persoonsgegevens. Daarmee wordt tevens uitvoering gegeven aan de in het
kabinetsstandpunt naar aanleiding van het rapport van de Adviescommissie
veiligheid en de persoonlijke levenssfeer en de evaluatie van de Wbp
aangekondigde maatregelen ten aan zien van het beter monitoren van de
voorwaarden waaronder de verstrekking van persoonsgegevens in
samenwerkingsverbanden plaatsvindt. Het Servicecentrum moet op 1 januari
2012 volledig operationeel zijn.  

Overigens gelden als goede basis voor het inrichten van een
samenwerkingsverband de volgende zes stappen: het bepalen van a. de
taken en belangen b. het doel van het delen van informatie, c. de
desbetreffende gegevens d. de vorm en inhoud van het delen, e. de
verantwoordelijke f. afspraken over hoe en wanneer de verantwoordelijke
de betrokkene van informatie voorziet. Het Ministerie van Veiligheid en
Justitie is voornemens deze criteria in het vervolg strikt toe te passen
in alle samenwerkingsverbanden waarin het ministerie zelf participeert.

Privacy Impact Assessments

Een Privacy Impact Assessment (PIA) biedt inzicht in de risico's van een
verwerking van persoonsgegevens. Wanneer die risico's bekend zijn,
kunnen maatregelen worden genomen om deze te beheersen. Er bestaat in
Nederland geen verplichting tot het uitvoeren van een PIA. Een PIA heeft
de meeste waarde wanneer deze in de ontwerpfase van een
gegevensverwerking wordt uitgevoerd. 

Er bestaat noch op EU-niveau, noch in Nederland een vaststaand model of
algemeen aanvaarde methodiek voor het uitvoeren van PIA. In afgelopen
jaren is naar aanleiding van een initiatief van het Cbp gebleken dat de
gedachten voor het ontwikkelen van een uniforme methodiek voor het
uitvoeren van een PIA sterk uiteenlopen. Het bedrijfsleven was van
oordeel dat de voorgestelde systematiek te ingewikkeld en te omvangrijk
was en is niet langer bereid het initiatief te ondersteunen. Het
bedrijfsleven werkt inmiddels aan de ontwikkeling van een privacy
risicoscan, toegesneden op de eigen behoeften. 

Wat de overheid betreft, vormt het hierboven vermelde wetsvoorstel voor
ANPR een goede gelegenheid te bezien op welke wijze de effecten van de
voorgenomen maatregelen op de bescherming van de persoonlijke
levenssfeer zo goed mogelijk in kaart kunnen gebracht en transparant
worden gemaakt. De verwachting is dat de ervaring die daarbij wordt
opgedaan van nut kan zijn bij het verder ontwikkelen van PIA's voor
eventuele nieuwe gegevensverwerkingen op het werkgebied van het
ministerie van Veiligheid en Justitie. 

Naar aanleiding van een vraag van de leden van de fractie van D66 op het
algemeen overleg van 17 februari 2011 over de JBZ Raad van 24 en 25
februari 2011 naar aanleiding van PIA's, oordeelt het kabinet dat er
onvoldoende reden is om het gebruik van PIA's in wetgeving voor te
schrijven. Bedacht moet worden dat met het houden van een PIA de nodige
kosten zijn gemoeid. Die kosten moeten in een aanvaardbare verhouding
staan tot de risico's die met een PIA in kaart kunnen worden gebracht.
Het is aannemelijk dat het houden van een PIA voor het midden- en
kleinbedrijf relatief vaak zal leiden tot een onevenredig zware
verplichting. 

Privacy by design

Privacy by design is een goede manier om privacybescherming concreet
vorm te geven in informatiesystemen waarin persoonsgegevens worden
verwerkt. Door toepassing van privacy by design wordt
gegevensbescherming van meet af aan "ingebakken" in het systeemontwerp.
Hoewel deze gedachte al geruime tijd bekend is, vindt deze in Nederland
nog niet grote schaal toepassing. Het kabinet wil de toepassing van
privacy by design stimuleren. Daarvoor is kennis van de kansen en de
belemmeringen voor de toepassing noodzakelijk. Het ministerie van
Economische Zaken, Landbouw en Innovatie heeft TNO gevraagd hiernaar
onderzoek te doen. Dat onderzoek heeft tot doel na te gaan welke
drijvende en remmende krachten van invloed zijn op de beslissing van
bedrijven om al dan niet over te gaan op informatiesystemen die
privacyvriendelijk zijn ontworpen. Het is noodzakelijk meer inzicht te
krijgen in de kosten en de baten van privacy by design, in de vraag of
dat in het buitenland anders ligt dan in Nederland en in de vraag wat de
overheid eraan kan bijdragen om toepassing van privacyvriendelijke
systeemontwerpen te bevorderen.     

De bescherming van persoonsgegevens op andere terreinen dan veiligheid 

In het kabinetsstandpunt heeft het vorige kabinet een visie gegeven op
de evaluatie van de Wbp en de gevolgen die het daaraan verbond. In de
inleiding van de brief is reeds aangegeven dat dit kabinet die visie in
grote lijnen onderschrijft. Dat geldt in beginsel ook voor de in die
brief aangekondigde aanpassingen van de Wbp. 

Het kabinet ziet in de mededeling van de Commissie overigens aanleiding
om een aantal voornemens die zijn neergelegd in het meergenoemde
kabinetsstandpunt naar aanleiding van de evaluatie van de Wbp en het
rapport van de Adviescommissie veiligheid en de persoonlijke levenssfeer
vooralsnog niet in de vorm van Nederlandse wetgeving ten uitvoer te
leggen. 

Het betreft hier met name de uitwerking van het accountabilitybeginsel
in de Wbp (daaronder verstaat het kabinet het stimuleren van het
opzetten of uitbreiden van een eigen intern privacybeleid door
ondernemingen bij wijze van zelfregulering, in ruil voor het verlichten
van administratieve lasten; het bedrijfsleven zou daarbij in de visie
van het kabinet optimale keuzevrijheid moeten hebben met betrekking tot
de wijze waarop dit beleid wordt ingericht; wellicht is dit ook voor de
overheid denkbaar), de ontwikkeling van een zelfstandig klachtrecht voor
betrokkenen, zowel binnen als buiten het verband van zelfregulering, en
de ontwikkeling van een eigen Nederlandse regeling voor zogeheten
Binding Corporate Rules (gegevensbeschermingsregelingen die gelden
binnen een concern). 

De reden daarvoor is dat de mededeling nadere beleidsvorming door de EU
in het vooruitzicht stelt op die onderdelen. Dat beleid is thans nog
onvoldoende ontwikkeld, onder meer omdat over de genoemde punten tussen
de lidstaten nog verschillend wordt gedacht Wanneer in Nederland op die
terreinen op dit moment wetgeving in voorbereiding wordt genomen is het
risico te groot dat dit leidt tot interferentie met de voornemens van de
Commissie op dat punt. 

Dat neemt uiteraard niet weg dat het kabinet bij de komende herziening
van de richtlijn inzet op de ontwikkeling van deze instrumenten die het
bedrijfsleven veel te bieden hebben en die daardoor ook belangrijk
kunnen bijdragen aan een betere naleving van richtlijn en wet. 

Op een aantal andere onderdelen lijkt het risico van interferentie van
de Nederlandse wetgevingsvoornemens met die van de Commissie minder
groot. Het kabinet zal overigens een wetsvoorstel dat thans in
voorbereiding wordt genomen gelijktijdig met een consultatie ook
voorleggen aan de Europese Commissie om samenloopproblemen zoveel
mogelijk te voorkomen en te voldoen aan de verplichtingen van de
notificatierichtllijnen

Reactie op de brief van de Vaste Commissie voor Binnenlandse Zaken van
15 februari 2011

Bij bovengenoemde brief vraagt de Vaste Commissie voor Binnenlandse
Zaken om een reactie op het artikel "Netherlands - Privacy Profile", van
24 januari 2011 en afkomstig van  HYPERLINK
"http://www.privacyinternational.org" www.privacyinternational.org . Dit
artikel behelst een adequaat en evenwichtig samengesteld overzicht van
een groot aantal wetsvoorstellen, vastgestelde wetgeving, feitelijke
maatregelen en onderzoeken in verband met wetgeving die allemaal wel een
of andere relatie met het onderwerp bescherming van persoonsgegevens of
bescherming van de persoonlijke levenssfeer hebben. Het overzicht
beslaat een periode van, ruwweg, tien jaar.

Het artikel is niet zelf opiniërend van aard, maar verwijst wel - met
bronvermeldingen - naar diverse wetenschappelijke of andere publicaties
die dat wel zijn. Juist omdat het artikel niet zelf opiniërend is, ligt
het geven van een inhoudelijke reactie niet voor de hand.  



  DOCPROPERTY RUBRICERINGVOLG   

 PAGE    

VERTROUWELIJK	Pagina  van   NUMPAGES   \* MERGEFORMAT  14 



  DOCPROPERTY rubricering   	  DOCPROPERTY _pagina  Pagina    PAGE   \*
MERGEFORMAT  2    DOCPROPERTY _van  van    SECTIONPAGES   \* MERGEFORMAT
 2 



  PAGE  1 



	  DOCPROPERTY rubricering   	  if   NUMPAGES  1  = "1" "" " 
DOCPROPERTY _pagina  Pagina    PAGE  1    DOCPROPERTY _van  van   
NUMPAGES  15 "  





	  DOCPROPERTY rubricering   	  DOCPROPERTY _pagina  Pagina    PAGE   \*
MERGEFORMAT  15    DOCPROPERTY _van  van    SECTIONPAGES   \*
MERGEFORMAT  15 



  DOCPROPERTY rubricering   

  DOCPROPERTY directoraatvolg Directie Wetgeving   DOCPROPERTY
directoraatnaamvolg     DOCPROPERTY onderdeelvolg     DOCPROPERTY
directieregel   

 

  DOCPROPERTY _datum  Datum 

  DOCPROPERTY datum  27 april 2011 

  DOCPROPERTY _onskenmerk  Ons kenmerk

   DOCPROPERTY onskenmerk  5688920/11/6