[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

33004, bijgewerkt t/m nr. 15 (derde NvW d.d. 11 november 2011)

Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Overige fiscale maatregelen 2012)

Bijgewerkte tekst

Nummer: 2011D52700, datum: 2011-10-25, bijgewerkt: 2024-02-19 10:56, versie: 4

Directe link naar document (.doc), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Onderdeel van zaak 2011Z18009:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


Bijgewerkt t/m nr. 15(derde NvW d.d.11 november 2011)

TWEEDE  KAMER  DER STATEN-GENERAAL	2

Vergaderjaar 2011-2012







	33 004	Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten
(Overige fiscale maatregelen 2012)







Nr. 2	VOORSTEL VAN WET



	

	Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in het kader van het
fiscale beleid voor het jaar 2012 wenselijk is in een aantal
belastingwetten en enige andere wetten wijzigingen, bijstellingen of
technische reparaties aan te brengen;

Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State
gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden
en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

De Wet op de inkomstenbelasting 2001 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1.2, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel e wordt geletterd f.

2. Na onderdeel d wordt, onder vervanging van “, of” aan het slot
van onderdeel d door een puntkomma, een onderdeel ingevoegd, luidende:

e. waarbij op dat woonadres tevens een minderjarig kind van ten minste
een van beiden staat ingeschreven, behoudens ingeval de
belastingplichtige door middel van een schriftelijke huurovereenkomst,
waaraan bij ministeriële regeling nadere voorwaarden kunnen worden
gesteld, doet blijken dat een van beiden op zakelijke gronden een
gedeelte van de woning huurt van de ander, of.

B

Artikel 3.13, eerste lid, onderdeel i, komt te luiden:

i. voordelen die worden genoten op grond van door Onze Minister in
overeenstemming met Onze Minister van Infrastructuur en Milieu bij
ministeriële regeling aan te wijzen mobiliteitsprojecten die worden
gehouden in het kader van het project Anders betalen voor mobiliteit of
die worden gehouden in het kader van het programma Beter Benutten.

C

In artikel 3.36, eerste lid, wordt “Onze Minister” vervangen door:
Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie.

D

In artikel 3.42, zesde lid, wordt “Onze Minister” vervangen door:
Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie.

E

In artikel 3.42a, zevende lid, wordt “Onze Minister” vervangen door:
Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie.

F

Na artikel 3.98c wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 3.98d Doorschuiving bij overgang krachtens verdeling van een
huwelijksgemeenschap anders dan door overlijden

1. De verdeling van een huwelijksgemeenschap waartoe een ter beschikking
gesteld vermogensbestanddeel als bedoeld in artikel 3.92, eerste of
tweede lid, behoort binnen twee jaren na de ontbinding van de
huwelijksgemeenschap anders dan door overlijden, wordt met betrekking
tot dat vermogensbestanddeel niet als een vervreemding aangemerkt mits
het vermogensbestanddeel bij de verkrijger tot een werkzaamheid blijft
behoren. De verkrijger stelt het deel van het vermogensbestanddeel dat
hij verkrijgt te boek op de laatste boekwaarde van dat deel van het
vermogensbestanddeel bij degene van wie het is verkregen. De eerste
volzin is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot fiscale
reserves als bedoeld in artikel 3.53 alsmede voorzieningen die in
overeenstemming met artikel 3.25 zijn gevormd bij de bepaling van het
resultaat uit de werkzaamheid. Degene naar wie de reserve of voorziening
is overgegaan, wordt geacht in de plaats te zijn getreden van degene die
de reserve of voorziening heeft gevormd.

2. Het eerste lid vindt geen toepassing indien de beide gewezen
echtgenoten hier gezamenlijk voor kiezen. De keuze wordt schriftelijk
kenbaar gemaakt aan de inspecteur van de gewezen echtgenoot bij wie een
vervreemdingsvoordeel in aanmerking wordt genomen.

3. De artikelen 3.98a en 3.98b zijn bij een belastingplichtige van
overeenkomstige toepassing op een ter beschikking gestelde
schuldvordering als bedoeld in artikel 3.92, eerste of tweede lid, die
voorafgaande aan de verdeling van een huwelijksgemeenschap is
afgewaardeerd ten laste van het resultaat uit een werkzaamheid van zijn
gewezen echtgenoot.

G

In artikel 3.146, tweede lid, wordt “tweede, derde en vierde lid”
vervangen door: tweede, derde, vierde en zevende lid.

H

Artikel 5.4 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste tot en met vierde lid komen te luiden:

1. Tot de bezittingen behoren niet niet opeisbare geldvorderingen op de
echtgenoot van een overleden ouder van de belastingplichtige:

a. die voortvloeien uit de verdeling van de nalatenschap van die ouder;

b. die voortvloeien uit een door die echtgenoot schuldig gebleven
vergoeding voor een legaat tegen inbreng van de waarde aan die
echtgenoot op grond van een uiterste wilsbeschikking van die ouder;

c. die anderszins voortvloeien uit een uiterste wilsbeschikking van die
ouder, of

d. ter zake van een legitieme portie als bedoeld in artikel 80, eerste
lid, van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek van de belastingplichtige die
niet opeisbaar zijn op grond van artikel 81 van Boek 4 van dat wetboek
of die niet opeisbaar zijn omdat de opeisbaarheid afhankelijk is van een
voorwaarde of van omstandigheden als bedoeld in de artikelen 82 of 83
van Boek 4 van dat wetboek.

2. Tot de schulden behoren niet schulden die corresponderen met de in
het eerste lid genoemde vorderingen.

3. Tot de bezittingen behoren niet goederen:

a. waarop een vruchtgebruik rust ten behoeve van de echtgenoot van een
overleden ouder van de belastingplichtige op grond van een uiterste
wilsbeschikking van die ouder;

b. waarop ten gevolge van de uitoefening door de belastingplichtige van
een wilsrecht als bedoeld in de artikelen 19 of 21 van Boek 4 van het
Burgerlijk Wetboek een vruchtgebruik rust ten behoeve van de
langstlevende echtgenoot, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van Boek 4
van dat wetboek;

c. waarop ten behoeve van de echtgenoot van een overleden ouder van de
belastingplichtige op grond van artikel 29 of 30 van Boek 4 van het
Burgerlijk Wetboek een vruchtgebruik is gevestigd.

4. Indien goederen ingevolge het derde lid niet tot de bezittingen van
de belastingplichtige behoren, worden die goederen bij de in dat lid
bedoelde echtgenoot in aanmerking genomen voor de waarde die deze
goederen zouden hebben indien daarop geen vruchtgebruik zou rusten.

2. In het vijfde lid, onderdeel a, wordt “eerste lid” vervangen
door: eerste of derde lid.

3. In het vijfde lid, onderdeel b, wordt “tweede lid” vervangen
door: derde lid.

4. In het zesde lid wordt vóór de punt aan het slot ingevoegd: , en
wordt onder ouder mede begrepen de echtgenoot van de ouder van de
belastingplichtige.

I

In artikel 5.20, derde lid, wordt “en op deze verhuur afdeling 5 van
titel 4 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing is”
vervangen door: en op deze verhuur afdeling 5 van titel 4 van Boek 7 van
het Burgerlijk Wetboek van toepassing is, of ingevolge een voor ten
minste 12 jaren aangegane pachtovereenkomst wordt verpacht en op deze
verpachting titel 5 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing
is.

J

Aan artikel 6.17 wordt een lid toegevoegd, luidende:

9. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel a, wordt onder
genees- en heelkundige hulp verstaan:

a. een behandeling door een arts; 

b. een behandeling op voorschrift en onder begeleiding van een arts door
een paramedicus;

c. een behandeling door een bij ministeriële regeling aan te wijzen
paramedicus, mits voor de behandeling een verklaring door de paramedicus
is afgegeven die voldoet aan bij ministeriële regeling te stellen
voorwaarden.

ARTIKEL Ia

	In de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001 wordt hoofdstuk 2,
artikel I, onderdeel O, als volgt gewijzigd:

	

	1. Er wordt een lid toegevoegd, luidende: 

	9. Voor zover een aanspraak op een lijfrente als bedoeld in het zesde
lid wordt omgezet in een aanspraak op een lijfrente als bedoeld in
artikel 3.124, eerste lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting
2001, wordt de tweede aanspraak beschouwd als een voortzetting van de
eerste aanspraak. 

	2. In het negende lid (nieuw) wordt “een aanspraak op een lijfrente
als bedoeld in artikel 3.124, eerste lid, onderdeel a” vervangen door
“een aanspraak op een lijfrente als bedoeld in artikel 3.124, eerste
lid, onderdeel a, of op een lijfrentespaarrekening of
lijfrentebeleggingsrecht als bedoeld in artikel 3.126a”. Voorts worden
twee volzinnen toegevoegd, luidende: Op het tijdstip van de omzetting
van de eerstgenoemde aanspraak in een aanspraak op een
lijfrentespaarrekening of lijfrentebeleggingsrecht als bedoeld in
artikel 3.126a van de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt geacht tevens
een verzoek te zijn gedaan als bedoeld in artikel 75, eerste lid,
laatste volzin, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, zoals die
bepaling luidde op 31 december 2000. Voor de toepassing van deze wet
wordt een aanspraak op een lijfrentespaarrekening of
lijfrentebeleggingsrecht gelijkgesteld met een recht op periodieke
uitkeringen en verstrekkingen.

ARTIKEL II

De Wet op de loonbelasting 1964 wordt als volgt gewijzigd:

A

Aan artikel 13a wordt een lid toegevoegd, luidende:

7. In afwijking van het eerste lid wordt loon dat door de
inhoudingsplichtige overeenkomstig een door hem bestendig gevolgde
gedragslijn aan een eerder in het kalenderjaar gelegen tijdvak wordt
toegerekend dan het tijdvak waarin het ingevolge het eerste lid wordt
genoten, geacht in dat eerdere tijdvak te zijn genoten. 

B

Artikel 28a wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt “de inhoudingsplichtige” vervangen door
“de inhoudingsplichtige of gewezen inhoudingsplichtige”, wordt
“binnen vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin het
tijdvak is aangevangen waarover die aangifte is gedaan” vervangen door
“over een tijdvak in een verstreken kalenderjaar binnen vijf jaren na
het einde van dat kalenderjaar”, wordt “hij een onjuiste of
onvolledige aangifte heeft gedaan” vervangen door “die aangifte
onjuist of onvolledig is en niet bij een latere aangifte in dat jaar is
hersteld,” en wordt “daarop volgende” vervangen door:
daaropvolgende.

2. Na het eerste lid wordt, onder vernummering van het tweede tot en met
negende lid tot derde tot en met tiende lid, een lid ingevoegd,
luidende:

2. Indien de inspecteur met betrekking tot een aangifte over een tijdvak
in een verstreken kalenderjaar binnen een halfjaar na het einde van dat
kalenderjaar constateert dat die aangifte onjuist of onvolledig is en
niet bij een latere aangifte in dat jaar is hersteld, en deze
tekortkoming aan de inhoudingsplichtige of gewezen inhoudingsplichtige
is toe te rekenen, kan hij de inhoudingsplichtige, onderscheidenlijk
gewezen inhoudingsplichtige, verplichten binnen de door hem gestelde
termijn door middel van een jaaropgave gegevens te verstrekken van in
dat kalenderjaar door de werknemer genoten loon, en de bij ministeriële
regeling te bepalen andere gegevens te verstrekken welke van belang
kunnen zijn voor de heffing van inkomstenbelasting en premie voor de
volksverzekeringen, voor de heffing van inkomensafhankelijke bijdrage,
bedoeld in de Zorgverzekeringswet, en ten behoeve van de
basisregistratie inkomen, bedoeld in de Algemene wet inzake
rijksbelastingen.

3. Het derde lid (nieuw) komt te luiden:

3. Indien de inspecteur met betrekking tot een aangifte over een tijdvak
in een verstreken kalenderjaar binnen vijf jaren na het einde van dat
kalenderjaar constateert dat die aangifte onjuist of onvolledig is, kan
hij de inhoudingsplichtige of gewezen inhoudingsplichtige verplichten
gelijktijdig met een aangifte door middel van een correctiebericht het
bij ministeriële regeling te bepalen deel van de juiste en volledige
gegevens te verstrekken.

4. In het vierde lid (nieuw) wordt “de gegevens bedoeld in het eerste
en tweede lid” vervangen door: de gegevens, bedoeld in het eerste en
derde lid,. 

5. Na het vierde lid (nieuw) wordt, onder vernummering van het vijfde
tot en met tiende lid (nieuw) tot zesde tot en met elfde lid, een lid
ingevoegd, luidende:

5. De inhoudingsplichtige is gehouden de jaaropgave, bedoeld in het
tweede lid, te verstrekken in een bij ministeriële regeling te bepalen
vorm en op een bij ministeriële regeling te bepalen wijze.

6. In het zevende lid (nieuw) wordt “Een correctiebericht is”
vervangen door: Een correctiebericht als bedoeld in het eerste en derde
lid en een jaaropgave als bedoeld in het tweede lid zijn.

C

Artikel 28b wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt “het correctiebericht bedoeld in artikel
28a, eerste en tweede lid” vervangen door: het correctiebericht,
bedoeld in artikel 28a, eerste en derde lid, alsmede de jaaropgave,
bedoeld in artikel 28a, tweede lid.

2. In het tweede lid wordt “het feit bedoeld in artikel 28a, eerste
lid” vervangen door: het feit, bedoeld in artikel 28a, eerste lid.

3. In het derde lid wordt “het feit bedoeld in artikel 28a, tweede
lid” vervangen door: het feit, bedoeld in artikel 28a, derde lid.

4. Na het derde lid wordt, onder vernummering van het vierde en vijfde
lid tot vijfde en zesde lid, een lid ingevoegd, luidende:

4. De bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete wegens het
feit, bedoeld in artikel 28a, tweede lid, vervalt door verloop van een
jaar na het einde van het kalenderjaar waarin de opgave had moeten
worden verstrekt.

Ca 

In artikel 31a wordt na het achtste lid, onder vernummering van het
negende lid tot tiende lid, een lid ingevoegd, luidende:

9. Bij de toepassing van het tweede lid wordt, in afwijking van artikel
13, zesde lid, de ingevolge artikel 13, eerste tot en met vijfde lid, in
aanmerking te nemen waarde van verstrekkingen als bedoeld in artikel 31,
eerste lid, onderdeel f en onderdeel g, verminderd met het bedrag dat de
inhoudingsplichtige ter zake van die verstrekkingen in totaal aan zijn
werknemers in rekening heeft gebracht, met dien verstande dat de aldus
verminderde waarde ten minste op nihil wordt gesteld.

D

De artikelen 39a en 39b vervallen.

ARTIKEL III

De Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de
volksverzekeringen wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 14 wordt als volgt gewijzigd:

1. Na het eerste lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

2. Het eerste lid, aanhef en onderdeel a, is in het geval waarin de
inhoudingsplichtige niet tevens is het bedrijf dat of de organisatie die
bevoegd als bedoeld in artikel 7.2.10 van de Wet educatie en
beroepsonderwijs de beroepspraktijkvorming verzorgt, slechts van
toepassing indien er tussen de inhoudingsplichtige en dat bedrijf of die
organisatie een overeenkomst van opdracht is gesloten die voldoet aan
bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden.

2. In het zesde lid wordt “de in het eerste lid, onderdelen a, b, c,
d, f en g, en artikel 14a, tweede lid, bedoelde overeenkomsten”
vervangen door: de in het eerste lid, onderdelen a, b, c, d, f en g, het
tweede lid en artikel 14a, tweede lid, bedoelde overeenkomsten.

B

In artikel 17, vijfde lid, wordt “het derde lid” vervangen door: het
vierde lid.

ARTIKEL IV

De Wet op de vennootschapsbelasting 1969 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 2, zevende lid, wordt na onderdeel o een onderdeel ingevoegd,
luidende:

p. Ultra Centrifuge Nederland N.V.;.

B

Artikel 5, eerste lid, onderdeel c, wordt als volgt gewijzigd:

1. De aanhef komt te luiden:

c. lichamen welke uitsluitend of nagenoeg uitsluitend werkzaamheden
verrichten welke bestaan uit:.

2. Onderdeel 1˚ komt te luiden:

1°. het genezen, verplegen of verzorgen van zieken, kraamvrouwen,
mensen met een verstandelijke of lichamelijke beperking, wezen of
ouderen die niet meer zelfstandig kunnen wonen;.

3. Onderdeel 2˚ komt te luiden: 

2°. het bieden van een passende werkzaamheid aan mensen met een
verstandelijke of lichamelijke beperking; dan wel.

4. Onderdeel 3˚ vervalt, onder vernummering van onderdeel 4˚ tot
onderdeel 3˚.

C

Artikel 9 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid, onderdeel h, komt te luiden:

h. bij een algemeen nut beogende instelling en bij een lichaam dat een
sociaal belang behartigt en de winst hoofdzakelijk behaalt met behulp
van arbeid die door natuurlijke personen om niet of naar een loon dat in
belangrijke mate lager is dan hetgeen in het economische verkeer
gebruikelijk is, wordt verricht (vrijwilligers): de kosten die met
betrekking tot vrijwilligers aftrekbaar zouden zijn indien hun beloning
plaats zou vinden op basis van het minimumloon, verminderd met de
werkelijke kosten. 

2. Het eerste lid, onderdeel i, vervalt.

3. In het derde lid wordt “onderdeel i” vervangen door: onderdeel h.

4. Onder vernummering van het vierde en vijfde lid tot vijfde en zesde
lid wordt na het derde lid een lid ingevoegd, luidende:

4. De kosten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel h, komen slechts in
aftrek indien het lichaam deze in zijn administratie heeft
gespecificeerd naar de in dat onderdeel bedoelde personen onder opgave
van hun naam, adres, woonplaats en de daadwerkelijk aan hen verstrekte
beloningen. 

5. In het vijfde lid (nieuw), eerste volzin, wordt “onderdeel i”
vervangen door “onderdeel h” en wordt “van het eerste lid,
onderdeel h” vervangen door: ingevolge artikel 9a.

6. In het vijfde lid (nieuw), tweede volzin, wordt “aftrekken”
vervangen door “aftrek”, wordt “onderdelen h en i” vervangen
door “onderdeel h” en vervalt “ingevolge die onderdelen”.

7. Het vijfde lid (nieuw), derde volzin, komt te luiden: Indien vóór
het in aanmerking nemen van de aftrek van het eerste lid, onderdeel h,
de berekening van de winst reeds leidt tot een negatief bedrag, vindt
die aftrek geen toepassing. 

8. Het zesde lid (nieuw) komt te luiden:

6. Bij ministeriële regeling kunnen ter voorkoming van
concurrentieverstoring, lichamen, groepen lichamen of activiteiten
worden uitgezonderd van de toepassing van het eerste lid, onderdeel h.

D

Na artikel 9 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 9a

1. Bij het bepalen van de winst komen mede in aftrek:

a. bij een algemeen nut beogende instelling: een bedrag ter grootte van
de winst behaald met kenbaar fondswervende activiteiten;

b. bij een fondswerver: de uitkeringen aan een algemeen nut beogende
instelling.

2. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:

a. kenbaar fondswervende activiteiten: 

1o. activiteiten die in belangrijke mate met behulp van vrijwilligers
worden verricht en die bestaan uit het verkopen van roerende zaken of
het leveren van diensten tegen een prijs die meer bedraagt dan de prijs
die doorgaans in het economische verkeer als zakelijk wordt ervaren, en
waarbij naar de koper van de zaak of de afnemer van de dienst kenbaar is
gemaakt dat de opbrengst uitsluitend of nagenoeg uitsluitend ten goede
komt aan een algemeen nut beogende instelling;

2 o. activiteiten die in belangrijke mate met behulp van vrijwilligers
worden verricht en die bestaan uit het verkopen van roerende zaken of
het leveren van diensten tegen een prijs die doorgaans in het
economische verkeer als zakelijk wordt ervaren, doch waarvan de
kostprijs aanmerkelijk lager is dan in het economische verkeer
gebruikelijk is omdat voor de vervaardiging van de zaak of de levering
van de dienst vrijwilligers hun arbeid ter beschikking stellen en naar
de koper van de zaak of de afnemer van de dienst kenbaar is gemaakt dat
de opbrengst uitsluitend of nagenoeg uitsluitend ten goede komt aan een
algemeen nut beogende instelling; of

3 o. activiteiten die bestaan uit het inzamelen van roerende zaken om
niet en waarbij naar degenen die de zaken afstaan kenbaar is gemaakt dat
de opbrengst van het ingezamelde uitsluitend of nagenoeg uitsluitend ten
goede komt aan een algemeen nut beogende instelling;

b. een fondswerver: een lichaam dat uitsluitend kenbaar fondswervende
activiteiten verricht.

3. De uitkeringen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, worden
slechts in aanmerking genomen indien:

a. de fondswerver zich statutair of ingevolge overeenkomst uiterlijk bij
aanvang van de kenbaar fondswervende activiteiten heeft verplicht de
opbrengst geheel of nagenoeg geheel uit te keren, en 

b. de uitkeringen zijn gedaan uiterlijk zes maanden na afloop van het
jaar waarin de daarvoor bestemde gelden zijn verworven.

Op verzoek worden de in de eerste volzin, onderdeel b, bedoelde
uitkeringen reeds in aanmerking genomen in het boekjaar waarin de
daarvoor bestemde gelden zijn verworven.

4. Indien de berekening van de winst door de aftrek van het eerste lid,
onderdeel b, zou leiden tot een negatief bedrag, blijft de aftrek
beperkt tot een zodanig bedrag dat geen negatief bedrag ontstaat. Indien
vóór het in aanmerking nemen van de aftrek van het eerste lid,
onderdeel b, de berekening van de winst reeds leidt tot een negatief
bedrag, vindt die aftrek geen toepassing.

E

Na artikel 26 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 27 

1. De inspecteur herziet een voorlopige aanslag op verzoek voor zover
die voorlopige aanslag op een ander bedrag is vastgesteld dan het bedrag
waarop de aanslag, na verrekening van voorheffingen en reeds opgelegde
voorlopige aanslagen, vermoedelijk zal worden vastgesteld.

2. Ingeval een verzoek om herziening geheel of gedeeltelijk wordt
afgewezen, beslist de inspecteur bij een voor bezwaar vatbare
beschikking, waarbij de termijn voor het instellen van bezwaar eindigt
op de dag van de dagtekening van de aanslag waarmee de voorlopige
aanslag wordt verrekend. 

3. In afwijking van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 26 van de
Algemene wet inzake rijksbelastingen is een voorlopige aanslag niet voor
bezwaar vatbaar.

4. In afwijking van artikel 7:10, eerste lid, van de Algemene wet
bestuursrecht beslist de inspecteur binnen zes weken na ontvangst van
een bezwaarschrift als bedoeld in het tweede lid.

5. De voorgaande leden zijn van overeenkomstige toepassing met
betrekking tot beschikkingen die afzonderlijk op het aanslagbiljet van
de voorlopige aanslag zijn vermeld, waarbij voor de toepassing van dit
artikel de betalingskorting, bedoeld in artikel 27a van de
Invorderingswet 1990, alsmede de belastingrente, bedoeld in Hoofdstuk VA
van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, geacht worden onderdeel uit
te maken van de voorlopige aanslag.

ARTIKEL V

De Successiewet 1956 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 21 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het achtste lid wordt “op deze verhuur afdeling 5 van titel 4
van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing is” vervangen
door “en op deze verhuur afdeling 5 van titel 4 van Boek 7 van het
Burgerlijk Wetboek van toepassing is, of ingevolge een voor ten minste
12 jaren aangegane pachtovereenkomst wordt verpacht en op deze
verpachting titel 5 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing
is” en wordt “bedoeld in het vijfde lid” telkens vervangen door
"bedoeld in het vijfde of zesde lid". Voorts wordt “door een huurder
van die onroerende zaak” vervangen door: door een huurder,
onderscheidenlijk een pachter, van die onroerende zaak.

2. In het negende lid wordt “berekend volgens het vijfde lid”
vervangen door: berekend volgens het vijfde of zesde lid.

B

Artikel 66 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel 2o, wordt na “registers van de
burgerlijke stand,” ingevoegd: dan wel ingeval niet tijdig aangifte is
gedaan, na de dag van die aangifte.

2. Het derde lid komt te luiden:

3. Indien voor de erfbelasting de aangifte over een bestanddeel van het
voorwerp van die belasting dat in het buitenland wordt gehouden of is
opgekomen niet, onjuist of onvolledig is gedaan, vervalt, in afwijking
van artikel 16, vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen,
de bevoegdheid tot het vaststellen van een navorderingsaanslag niet.

C

Artikel 72 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden: 

1. Executeurs van nalatenschappen zijn, op gelijke wijze als de
erfgenamen, tot vervulling van al de bij deze wet opgelegde
verplichtingen gehouden. 

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

3. Desgevraagd verstrekt de Belastingdienst de erfgenaam inzage in de
voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang zijnde stukken.

ARTIKEL VI

In de Wet op belastingen van rechtsverkeer wordt artikel 25 als volgt
gewijzigd:

1. In het zesde lid wordt ”niet in Nederland” vervangen door: in een
lidstaat van de Europese Unie of in een bij ministeriële regeling
aangewezen staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de
Europese Economische Ruimte, maar niet in Nederland,.

2. Na het zesde lid wordt, onder vernummering van het zevende lid tot
het achtste lid, een lid ingevoegd, luidende:

7. Indien het eerste, tweede, derde en vijfde lid geen toepassing kunnen
vinden, is de verzekeraar die niet in een lidstaat van de Europese Unie
of in een bij ministeriële regeling aangewezen staat die partij is bij
de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte woont of is
gevestigd gehouden een fiscaal vertegenwoordiger aan te stellen die in
Nederland woont of gevestigd is. De belasting wordt in dat geval geheven
van die fiscaal vertegenwoordiger.

ARTIKEL VII

De Wet op de omzetbelasting 1968 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 15, eerste lid, tweede volzin, wordt “artikel 30, eerste,
tweede en derde lid” vervangen door: artikel 30, eerste en tweede lid.

B

Aan artikel 17b wordt een lid toegevoegd, luidende:

3. Het tweede lid is niet van toepassing en de intracommunautaire
verwerving van goederen wordt geacht overeenkomstig het eerste lid aan
de heffing te zijn onderworpen indien:

a. de afnemer aantoont de verwerving te hebben verricht met het oog op
een daaropvolgende levering binnen het grondgebied van de overeenkomstig
het eerste lid bepaalde lidstaat, waarvoor degene voor wie deze levering
bestemd is, overeenkomstig artikel 197 van BTW-richtlijn 2006 is
aangewezen als de tot voldoening van de belasting gehouden persoon; en

b. de afnemer heeft voldaan aan het bepaalde in artikel 37a.

C

Artikel 30 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid vervalt onder vernummering van het derde en vierde lid
tot tweede en derde lid.

2. In het tweede lid (nieuw) vervalt “voorts”.

D

Artikel 37a wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid, onderdeel b, komt te luiden:

b. aan wie in een andere lidstaat goederen zijn geleverd in aansluiting
op de ingevolge artikel 17b, derde lid, in die lidstaat door de
ondernemer verrichte intracommunautaire verwervingen;.

2. In het derde lid wordt “hoger is dan € 100 000” vervangen
door: hoger is dan het daartoe bij ministeriële regeling vastgestelde
bedrag.

ARTIKEL VIII

De Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 wordt
als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1, derde lid, wordt “Ingeval een geregistreerd ander
motorrijtuig dan een personenauto, een motorrijwiel of een bestelauto in
een zodanige staat wordt gebracht dat het een personenauto, een
motorrijwiel of een bestelauto is,” vervangen door: Ingeval een
geregistreerd motorrijtuig zodanig wordt veranderd dat het de
hoedanigheid verkrijgt van een personenauto, een motorrijwiel of een
bestelauto,.

B

In artikel 8 wordt “kan de inspecteur een ondernemer die voldoet aan
bij ministeriĂ«le regeling te stellen voorwaarden en die” vervangen
door: kan de inspecteur, onder bij ministeriële regeling te stellen
voorwaarden en beperkingen, een ondernemer die.

Ba

Artikel 10 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het zevende lid wordt “de gegevens die van belang zijn voor de
vaststelling van de afschrijving” vervangen door “de gegevens die
bij de aangifte zijn gebruikt voor het vaststellen van de
afschrijving”. Voorts worden twee volzinnen aan het lid toegevoegd,
luidende: Wanneer naar het oordeel van de inspecteur gegevens ontbreken
die van belang kunnen zijn voor de vaststelling van de in het eerste lid
bedoelde vermindering, worden de ontbrekende gegevens toegevoegd.
Gegevens die niet bij de aangifte zijn gebruikt voor het vaststellen van
de afschrijving, en evenmin op verzoek van de inspecteur zijn
toegevoegd, kunnen door degene die gehouden is de belasting op aangifte
te voldoen niet op een later tijdstip alsnog worden gebruikt om de bij
de aangifte toegepaste afschrijving te wijzigen. 

2. Aan het achtste lid wordt een volzin toegevoegd, luidende: Voorts kan
daarbij een termijn worden vastgesteld waarbinnen het motorrijtuig in
ongewijzigde staat beschikbaar wordt gehouden voor controle met het oog
op een juiste vaststelling van de afschrijving, bedoeld in het tweede
lid.

C

Na artikel 10b wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 10c

1. Indien voor een gebruikt geregistreerd motorrijtuig de belasting is
verschuldigd ingevolge artikel 1, derde lid, wordt, in afwijking van
artikel 10, tweede lid, de vermindering, bedoeld in artikel 10, eerste
lid, vastgesteld met overeenkomstige toepassing van artikel 10, zesde
lid.

2. Ingeval voor een motorrijtuig waarvoor de belasting is verschuldigd
ingevolge artikel 1, derde lid, de belasting al eerder is betaald,
wordt, onder bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden en
beperkingen, de verschuldigde belasting verminderd met een bedrag ter
zake van de eerder betaalde belasting.

3. Indien een niet geregistreerd motorrijtuig zodanig wordt veranderd
dat het de hoedanigheid verkrijgt van een personenauto, een motorrijwiel
of een bestelauto, terwijl voor dat motorrijtuig de belasting al eerder
is betaald, wordt, onder bij ministeriële regeling te stellen
voorwaarden en beperkingen, de ingevolge artikel 1, zesde lid, voor dat
motorrijtuig verschuldigde belasting verminderd met een bedrag ter zake
van de eerder betaalde belasting.

4. De vermindering, bedoeld in het tweede en derde lid, bedraagt ten
hoogste het bedrag van de verschuldigde belasting. De vermindering wordt
voor een gebruikt motorrijtuig berekend met overeenkomstige toepassing
van artikel 14a, vierde lid.

5. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten
behoeve van de uitvoering van dit artikel.

D

In artikel 13a, derde lid, wordt “overeenkomstig artikel 10,”
vervangen door “met overeenkomstige toepassing van artikel 10, zesde
lid,”. Voorts wordt na de eerste volzin een zin ingevoegd, luidende:
Artikel 10, derde, vierde, vijfde en zevende lid, is van overeenkomstige
toepassing.

E

Artikel 13b wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid wordt “met overeenkomstige toepassing van artikel
10,” vervangen door: nadat dit is verminderd met overeenkomstige
toepassing van artikel 10, zesde lid,.

2. In het derde lid wordt “de artikelen 5, 6, en 12b” vervangen
door: de artikelen 5, 6, 10, derde, vierde, vijfde en zevende lid, en
12b.

F

Na artikel 14a wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 14b

1. Voor een motorrijtuig dat is geregistreerd in een andere lidstaat van
de Europese Unie of een staat die partij is bij de Overeenkomst
betreffende de Europese Economische Ruimte, en dat voor een periode van
ten hoogste vier jaren wordt verhuurd aan een inwoner van Nederland door
een in die andere staat gevestigde ondernemer als bedoeld in artikel 7
van de Wet op de omzetbelasting 1968, wordt, onder bij algemene
maatregel van bestuur te stellen voorwaarden en beperkingen, op verzoek
de ingevolge artikel 1, zesde lid, te betalen belasting op voorhand
verrekend met de teruggaaf die op de voet van artikel 14a kan worden
verleend als het motorrijtuig na afloop van de overeengekomen
huurperiode weer buiten Nederland wordt gebracht.

2. Ingeval op een later tijdstip een andere huurperiode voor het
motorrijtuig wordt overeengekomen dan de eerder overeengekomen
huurperiode, wordt het te verrekenen bedrag van de teruggaaf, bedoeld in
het eerste lid, overeenkomstig herzien, met dien verstande dat bij een
verkorting van de huurperiode het teveel betaalde gedeelte van de
verschuldigde belasting op verzoek wordt teruggegeven, en bij een
verlenging van de huurperiode de teveel verrekende belasting op aangifte
wordt voldaan binnen een maand na het tijdstip waarop de andere
huurperiode is overeengekomen.

3. Indien voor een motorrijtuig niet langer wordt voldaan aan de
voorwaarden en beperkingen voor de verrekening, wordt het te verrekenen
bedrag van de teruggaaf, bedoeld in het eerste lid, herzien, met dien
verstande dat het volledige door de verrekening nog niet betaalde
gedeelte van de verschuldigde belasting op aangifte wordt voldaan binnen
een maand na het tijstip waarop niet langer aan de voorwaarden en
beperkingen voor de verrekening wordt voldaan. De eerste volzin is mede
van toepassing ingeval door een verandering van de overeengekomen
huurperiode als bedoeld in het tweede lid, de totale overeengekomen
huurperiode meer bedraagt dan vier jaren.

4. Indien de overeengekomen huurperiode wordt gewijzigd, dan wel niet
langer wordt voldaan aan de voorwaarden en beperkingen voor de
verrekening, wordt dit door de huurder van het motorrijtuig onverwijld
schriftelijk ter kennis gebracht van de inspecteur.

5. Het te verrekenen bedrag van de teruggaaf, bedoeld in het eerste lid,
dan wel het terug te geven bedrag ingevolge het tweede lid, wordt door
de inspecteur vastgesteld bij voor bezwaar vatbare beschikking.

6. De verrekening van de teruggaaf, bedoeld in het eerste lid, dan wel
een herziening van deze verrekening ingevolge het tweede of derde lid,
wordt voor de toepassing van deze wet aangemerkt als een teruggaaf
ingevolge artikel 14a, respectievelijk als een herziening van deze
teruggaaf.

7. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten
behoeve van de uitvoering van dit artikel.

G

In artikel 15, vierde lid, wordt “met overeenkomstige toepassing van
artikel 10,” vervangen door “nadat dit is verminderd met
overeenkomstige toepassing van artikel 10, zesde lid,”. Voorts wordt
na de eerste volzin een zin ingevoegd, luidende: Artikel 10, derde,
vierde, vijfde, zevende en achtste lid, is van overeenkomstige
toepassing.

H

Artikel 15a, achtste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In de eerste volzin wordt “het teruggegeven bedrag” vervangen
door: het teruggegeven bedrag, nadat dit is verminderd met
overeenkomstige toepassing van artikel 10, zesde lid,. 

2. In de tweede volzin wordt “verschuldigd” vervangen door:
verschuldigd, met overeenkomstige toepassing van artikel 10, eerste en
zesde lid,.

3. In de laatste volzin wordt “De artikelen 10 en 12a” vervangen
door: De artikelen 10, derde, vierde, vijfde en zevende lid, en 12a.

I

Artikel 16aa, wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid wordt “met overeenkomstige toepassing van artikel
10,” vervangen door: nadat dit is verminderd met overeenkomstige
toepassing van artikel 10, zesde lid,.

2. In het derde lid wordt “de artikelen 5, 6, en 12b” vervangen
door: de artikelen 5, 6, 10, derde, vierde, vijfde en zevende lid, en
12b.

ARTIKEL IX

De Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1, eerste lid, komt te luiden:

1. Onder de naam ‘motorrijtuigenbelasting’ wordt een belasting
geheven ter zake van het houden van een personenauto, een bestelauto,
een motorrijwiel, een vrachtauto of een autobus.

B

Voor artikel 6 wordt de aanduiding “Hoofdstuk II Personenauto’s,
bestelauto’s, motorrijwielen en vrachtauto’s” vervangen door
“Hoofdstuk II Belastingplichtige”. Voorts vervalt de aanduiding
“Afdeling 1 Belastingplichtige”.

C

In artikel 6 vervalt “voor een personenauto, een bestelauto, een
motorrijwiel en een vrachtauto”.

D

In artikel 7, eerste lid, vervalt “- welk begrip in dit hoofdstuk
uitsluitend omvat een motorrijtuig als bedoeld in artikel 6 -”.

E

Voor artikel 10 wordt de aanduiding “Afdeling 2 Wijze van heffing”
vervangen door: “Hoofdstuk III Wijze van heffing” en wordt na deze
aanduiding ingevoegd: Afdeling 1 Tijdvak. 

F

Voor artikel 14 wordt ingevoegd de aanduiding “Afdeling 2 Aangifte en
tijdstip van betaling”.

G

In artikel 15, derde lid, wordt “bestelauto’s of motorrijwielen”
vervangen door: bestelauto’s, motorrijwielen of autobussen.

H

Voor artikel 17 vervalt de aanduiding “Afdeling 3 Aangifte”, onder
vernummering van de vierde en vijfde afdeling tot derde en vierde
afdeling.

I

In artikel 19, tweede lid, onderdeel b, wordt “een vrachtauto”
vervangen door: een vrachtauto of een autobus.

J

Na artikel 21 wordt ingevoegd de aanduiding “Hoofdstuk IV Tarief” .
Voorts wordt de aanduiding “Afdeling 6 Tarief” vervangen door:
Afdeling 1 Algemeen.

K

Voor artikel 23 wordt ingevoegd de aanduiding “Afdeling 2 Tarief
personenauto”.

L

Voor artikel 24 wordt ingevoegd de aanduiding “Afdeling 3 Tarief
bestelauto”.

M

Voor artikel 25 wordt ingevoegd de aanduiding “Afdeling 4 Tarief
motorrijwiel”.

N

Voor artikel 25a wordt ingevoegd de aanduiding “Afdeling 5 Tarief
vrachtauto”.

O

Voor artikel 25b wordt ingevoegd de aanduiding ”Afdeling 6 Tarief
rijdende winkel”.

P

Na artikel 25b wordt een afdeling ingevoegd luidende:

Afdeling 7. Tarief autobus

Artikel 25c

1. Voor een autobus bedraagt de belasting:

bij een eigen massa in kilogrammen van	over een tijdvak van drie maanden
vermeerderd 

met	per 100 kg eigen massa boven

1000 of minder	€ 25,28



1100 tot en met 2600	€ 28,52	€ 3,25	1 100 kg

2700 en meer	€ 79,98	€ 1,05	2 700 kg



2. De belasting bedraagt nihil voor een autobus die hoofdzakelijk wordt
gebruikt voor het openbaar vervoer, bedoeld in artikel 1, onderdeel h,
van de Wet personenvervoer 2000, en die is bestemd om hoofdzakelijk te
worden aangedreven door een kracht die wordt ontleend aan vloeibaar
gemaakt petroleumgas als bedoeld in 26, zesde lid, van de Wet op de
accijns of aan aardgas.

Q

Voor artikel 26 wordt ingevoegd de aanduiding “Afdeling 8 Tarief
buitenlands motorrijtuig”.

R

Voor artikel 27 wordt ingevoegd de aanduiding “Afdeling 9 Overige
bepalingen”.

S

Artikel 27 wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding “1”geplaatst.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

2. Bedragen van € 5 en minder worden niet geheven.

T

In artikel 31 wordt “deze afdeling” gewijzigd in: dit hoofdstuk.

U

Voor artikel 33 wordt de aanduiding “Afdeling 7 Naheffing” vervangen
door de aanduiding “Hoofdstuk V Naheffing”.

V

In artikel 35a, onderdeel a, ten tweede, wordt “een vrachtauto”
vervangen door: een vrachtauto of een autobus.

W

Voor artikel 37a wordt de aanduiding “Hoofdstuk IIA” vervangen door
de aanduiding “Hoofdstuk VI”.

X

Hoofdstuk III vervalt.

Y

Voor artikel 62 wordt de aanduiding “Hoofdstuk V” vervangen door de
aanduiding “Hoofdstuk VII”.

Z

Voor artikel 71 wordt de aanduiding “Hoofdstuk VI” vervangen door de
aanduiding “Hoofdstuk VIII”.

AA

Voor artikel 78 wordt de aanduiding “Hoofdstuk VII” vervangen door
de aanduiding “Hoofdstuk IX”.

BB

Voor artikel 80 wordt de aanduiding “Hoofdstuk VIII” vervangen door
de aanduiding “Hoofdstuk X”.

CC

In artikel 81a wordt “25b, 37c, eerste lid, en 47, eerste lid,”
vervangen door: 25b, 25c, eerste lid, en 37c, eerste lid,.

DD

Artikel 83 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid vervalt “, dan wel het in artikel 40, eerste lid,
bedoelde tijdvak van drie maanden”.

2. In het tweede lid vervalt “, dan wel artikel 40, eerste lid,”.

3. Aan het derde lid wordt een zin toegevoegd, luidende: Bedragen van
€ 10 of minder worden niet geheven.

4. Aan het vierde lid wordt een zin toegevoegd, luidende: Bedragen van
€ 10 en minder worden niet terugbetaald.

5. Het vijfde en het zesde lid vervallen.

EE

Voor artikel 85 wordt de aanduiding “Hoofdstuk IX” vervangen door de
aanduiding “Hoofdstuk XI”.

ARTIKEL X

De Wet op de accijns wordt als volgt gewijzigd:

A

	Artikel 27 wordt als volgt gewijzigd:

	

	1. Het tweede lid vervalt.

	

	2. In het zevende lid wordt “het eerste lid, onderdelen a en b, het
tweede lid en het derde lid” vervangen door: het eerste lid,
onderdelen a en b, en het derde lid.

B

In artikel 27a wordt “artikelen 27, eerste tot en met derde lid”
vervangen door: artikelen 27, eerste en derde lid.

C

Artikel 28 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt “artikel 27, eerste, tweede, dan wel derde
lid” telkens vervangen door: artikel 27, eerste of derde lid.

2. In het tweede lid wordt “artikel 27, eerste, tweede, dan wel derde
lid” vervangen door: artikel 27, eerste of derde lid.

3. In het derde lid wordt “artikel 27, eerste dan wel derde lid”
vervangen door: artikel 27, eerste of derde lid.

Ca

Artikel 51, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel a, onder 1o, wordt “onttrokken of, in geval van
onregelmatige onttrekking” vervangen door: onttrokken en, in geval van
onregelmatige onttrekking.

2. In onderdeel b wordt “voorhanden heeft of enig andere persoon”
vervangen door: voorhanden heeft en enig andere persoon.

3. In onderdeel c wordt “produceert, of in geval van onregelmatige
productie” vervangen door: produceert, en in geval van onregelmatige
productie.

4. In onderdeel d wordt “aangegeven of, in geval van onregelmatige
invoer” vervangen door: aangegeven en, in geval van onregelmatige
invoer.

D

In artikel 66 vervalt het derde lid, onder vernummering van het vierde
en vijfde lid tot derde en vierde lid.

E

Artikel 71d wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid vervalt, onder vernummering van het derde en vierde
lid tot tweede en derde lid.

2. In het derde lid (nieuw) wordt “de in het derde lid bedoelde
persoon” vervangen door: de in het tweede lid bedoelde persoon.

F

Artikel 84a wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt “artikel 27, eerste, tweede of derde lid”
telkens vervangen door: artikel 27, eerste of derde lid.

2. In het tweede lid, onderdeel a, wordt “artikel 27, eerste, tweede
of derde lid” vervangen door: artikel 27, eerste of derde lid.

G

In artikel 84b, eerste lid, wordt “artikel 27, eerste, tweede of derde
lid” telkens vervangen door: artikel 27, eerste of derde lid.

H

Artikel 95, tweede lid, onderdeel b, komt te luiden:

b. een hogere prijs dan die is vermeld op de accijnszegels.

ARTIKEL Xa

De Wet op de accijns wordt met ingang van 1 juli 2012 als volgt
gewijzigd:

A

Artikel 5, vierde lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel h wordt geletterd i.

2. Na onderdeel g wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

h. 3811;.

B

Artikel 28 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onder vernummering van het tweede, derde en vierde lid tot derde,
vierde en vijfde lid, wordt een lid ingevoegd, luidende:

2. Onverminderd het eerste lid worden minerale oliën van GN-code 3811
voor de toepassing van het tarief gelijkgesteld met de motorbrandstof
waaraan zij bestemd zijn te worden toegevoegd.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

6. Het vijfde lid is van overeenkomstige toepassing op minerale oliën
van GN-code 3811 die aan meer dan een soort motorbrandstof kunnen worden
toegevoegd.

C

Artikel 64, eerste lid, onderdeel d, komt te luiden:

d. minerale oliën die kennelijk niet zijn bestemd om te worden gebruikt
als brandstof voor verwarming, als motorbrandstof of als additief in
motorbrandstoffen;.

ARTIKEL XI

De Algemene wet inzake rijksbelastingen wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1, eerste lid, wordt “de Raad van Beroep voor
belastingzaken” vervangen door: het Gerecht in eerste aanleg van
Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

B

Na artikel 10 wordt een artikel ingevoegd, luidende: 

Artikel 10a

1. In bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen gevallen kunnen
belastingplichtigen of inhoudingsplichtigen worden gehouden de
inspecteur eigener beweging mededeling te doen van onjuistheden of
onvolledigheden in voor de belastingheffing van belang zijnde gegevens
en inlichtingen die hun bekend zijn of zijn geworden. 

2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met
betrekking tot het uiterste tijdstip en de wijze waarop mededeling als
bedoeld in het eerste lid gedaan moet worden. 

3. Bij algemene maatregel van bestuur kan het niet nakomen van de in het
eerste en tweede lid bedoelde verplichting worden aangemerkt als een
overtreding. Indien het niet nakomen van die verplichting is te wijten
aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige of
inhoudingsplichtige, vormt dit een vergrijp ter zake waarvan de
inspecteur hem een bestuurlijke boete kan opleggen van ten hoogste 100
percent van het bedrag aan belasting dat als gevolg van het niet nakomen
van de in het eerste en tweede lid bedoelde verplichting niet is of zou
zijn geheven.

C

Na artikel 67pb wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 67q 

1. In afwijking van artikel 5:43 van de Algemene wet bestuursrecht kan
de inspecteur een vergrijpboete opleggen wegens hetzelfde feit als
waarvoor eerder een verzuimboete is opgelegd, indien nieuwe bezwaren
bekend zijn geworden. 

2. Als nieuwe bezwaren kunnen enkel worden aangemerkt verklaringen van
de belastingplichtige of inhoudingsplichtige of van derden en boeken,
bescheiden en andere gegevensdragers of de inhoud daarvan, welke later
bekend zijn geworden of niet zijn onderzocht. 

3. Het rapport, bedoeld in artikel 5:48 van de Algemene wet
bestuursrecht, vermeldt tevens waaruit de nieuwe bezwaren bestaan. 

4. De eerder opgelegde verzuimboete wordt verrekend met de wegens
hetzelfde feit opgelegde vergrijpboete. 

5. Bij toepassing van dit artikel vervalt de voorwaarde van
gelijktijdigheid, bedoeld in de artikelen 67d, eerste lid, 67e, eerste
lid, en 67f, derde lid, voor zover nodig.

ARTIKEL XII

De Invorderingswet 1990 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 2, eerste lid, onderdeel g, wordt “enige andere wettelijke
regeling” vervangen door: enig ander wettelijk voorschrift.

B

Artikel 7a wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste en tweede lid worden vernummerd tot tweede en derde lid.

2. Vóór het tweede lid (nieuw) wordt een lid ingevoegd, luidende:

1. In afwijking van artikel 4:89, eerste lid, van de Algemene wet
bestuursrecht vindt uitbetaling aan de belastingschuldige van
inkomstenbelasting en omzetbelasting uitsluitend plaats op een daartoe
door de belastingschuldige bestemde bankrekening die op naam staat van
de belastingschuldige. De belastingschuldige kan niet meer dan Ă©Ă©n
bankrekening bestemmen voor de uitbetaling van inkomstenbelasting en
voor de in artikel 25 van de Algemene wet inkomensafhankelijke
regelingen bedoelde uitbetaling van de hem toekomende voorschotten en
tegemoetkomingen.

3. In het derde lid (nieuw) wordt “eerste lid” vervangen door:
tweede lid.

C

Na artikel 17 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 18

1. Op eerste vordering van ambtenaren van de rijksbelastingdienst of van
opsporingsambtenaren als bedoeld in artikel 141 van het Wetboek van
Strafvordering is de bestuurder van een motorrijtuig verplicht dat te
doen stilstaan teneinde de tenuitvoerlegging van een dwangbevel te doen
plaatsvinden. De bestuurder van het motorrijtuig is verplicht de daartoe
door de in de eerste volzin bedoelde ambtenaren gegeven aanwijzingen op
te volgen.

2. De tenuitvoerlegging van een dwangbevel op de voet van het eerste lid
en de daaraan voorafgaande betekening van het hernieuwde bevel tot
betaling kunnen, in afwijking van de artikelen 64, eerste en tweede lid,
eerste volzin, en 438b van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering,
geschieden op alle dagen en uren.

3. In afwijking van artikel 14, eerste lid, kan een hernieuwd bevel tot
betaling ook worden betekend aan de bestuurder van het motorrijtuig,
bedoeld in het eerste lid.

4. In afwijking van artikel 434 van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering kan machtiging van de belastingdeurwaarder ook
plaatsvinden door middel van het beschikbaar stellen van de gegevens van
een dwangbevel waarvan de tenuitvoerlegging op de voet van het eerste
lid dient plaats te vinden.

5. Ingeval de schuld waarvoor op de voet van het eerste lid beslag is
gelegd een bij ministeriële regeling te bepalen bedrag te boven gaat,
wordt voor de toepassing van artikel 446 van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering in elk geval aangenomen dat het voor het behoud van de
op de voet van het eerste lid in executoriaal beslag genomen zaken
redelijkerwijze noodzakelijk is dat deze zaken in gerechtelijke bewaring
worden gegeven.

D

Artikel 25, twintigste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In de eerste volzin wordt “Successiewet 1956” vervangen door
“Successiewet 1956,” en wordt “de verkrijging van een
onderbedelingsvordering als bedoeld in” vervangen door: de verkrijging
van een onderbedelingsvordering, bedoeld in.

2. De tweede volzin komt te luiden: Het uitstel wordt slechts verleend
voor zover degene van wie op grond van de bevoegdheid, bedoeld in
artikel 78, eerste lid, van de Successiewet 1956, wordt gevorderd de
erfbelasting ter zake van de blote eigendom voor te schieten of uit de
met vruchtgebruik bezwaarde goederen te voldoen, onderscheidenlijk
degene die op grond van artikel 14, eerste lid, van Boek 4 van het
Burgerlijk Wetboek dan wel op grond van het testament gehouden is tot
voldoening van de erfbelasting ter zake van de onderbedelingsvordering,
niet in staat is anders dan met buitengewoon bezwaar als bedoeld in
artikel 26 de erfbelasting te betalen, waarbij het vruchtgebruik van de
woning, dan wel - voor zover de hiervoor bedoelde persoon de eigendom
van de woning heeft - de woning, bedoeld in artikel 35g van de
Successiewet 1956, buiten beschouwing blijft.

E

Artikel 26 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het derde lid, eerste volzin, wordt de zinsnede “voorzover de
waarde in het economische verkeer van die aanspraak is gedaald in
vergelijking tot die waarde ten tijde van het belastbare feit ter zake
waarvan de belastingaanslag is vastgesteld” vervangen door: voor
zover:

a. die belasting hoger is dan de belasting die zou zijn geheven ter zake
van de hiervoor bedoelde omstandigheid indien de belastingschuldige op
het moment waarop die omstandigheid zich voordeed in Nederland zou
hebben gewoond;

b. de omstandigheid die ingevolge artikel 25, vijfde lid, vierde volzin,
tot beëindiging van het uitstel van betaling heeft geleid, ingevolge
een regeling ter voorkoming van dubbele belasting niet belastbaar is in
Nederland.

2. Aan het vijfde lid, eerste volzin, wordt, onder vervanging van de
punt aan het slot van onderdeel b door een puntkomma, een onderdeel
toegevoegd, luidende:

c. voor zover de belasting waarvoor op de voet van artikel 25, achtste
lid, uitstel van betaling is verleend, hoger is dan de belasting die zou
zijn geheven indien de belastingschuldige op het moment van die
vervreemding in Nederland zou hebben gewoond.

3. Na het vijfde lid wordt, onder vernummering van het zesde en zevende
lid tot zevende en achtste lid, een lid ingevoegd, luidende:

6. Indien de ontvanger het op de voet van artikel 25, zesde lid,
verleende uitstel van betaling beëindigt, kan volgens bij ministeriële
regeling te stellen regels kwijtschelding worden verleend voor zover de
belasting waarvoor op de voet van artikel 25, zesde lid, uitstel van
betaling is verleend, hoger is dan de belasting die zou zijn geheven
indien de belastingschuldige op het moment van de omstandigheid op grond
waarvan het uitstel van betaling wordt beëindigd, in Nederland zou
hebben gewoond.

F

In artikel 43, tweede lid, wordt “met inachtneming van artikel 54”
vervangen door: in afwijking in zoverre van artikel 7a, eerste lid, en
met inachtneming van artikel 54.

ARTIKEL XIII

De Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen wordt als volgt
gewijzigd:

A

Artikel 8 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het derde, vierde en zesde lid vervallen, onder vernummering van het
vijfde lid tot derde lid.

2. Het derde lid (nieuw) komt te luiden:

3. Bij overlijden van de belanghebbende wordt, indien hij geen partner
heeft en er geen sprake is van een medebewoner, in afwijking in zoverre
van het eerste en tweede lid het toetsingsinkomen berekend door het op
grond van die leden bepaalde toetsingsinkomen tijdsevenredig te
herleiden naar een jaarinkomen.

B

In artikel 14 wordt na het tweede lid, onder vernummering van het derde
tot en met vijfde lid tot vierde tot en met zesde lid, een lid
ingevoegd, luidende: 

3. Indien op het moment van de toekenning van een tegemoetkoming ten
name van de belanghebbende, zijn partner of een medebewoner over het
berekeningsjaar geen inkomensgegeven in de basisregistratie inkomen,
bedoeld in artikel 21a, eerste lid, van de Algemene wet inzake
rijksbelastingen is opgenomen, die persoon niet is uitgenodigd tot het
doen van aangifte inkomstenbelasting en van die persoon ook geen
beschikking ter zake van niet in Nederland belastbaar inkomen is of
wordt vastgesteld, kent de Belastingdienst/Toeslagen de tegemoetkoming
toe als ware het toetsingsinkomen van die persoon nihil. De inspecteur
stelt bij beschikking vast dat op het moment van de toekenning van de
tegemoetkoming van die persoon geen inkomensgegeven in de
basisregistratie inkomen, bedoeld in artikel 21a, eerste lid, van de
Algemene wet inzake rijksbelastingen is opgenomen, die persoon niet is
uitgenodigd tot het doen van aangifte inkomstenbelasting en van die
persoon ook geen beschikking ter zake van niet in Nederland belastbaar
inkomen is of wordt vastgesteld. Deze beschikking wordt aangemerkt als
een voor bezwaar vatbare beschikking als bedoeld in hoofdstuk V van de
Algemene wet inzake rijksbelastingen en vervat in hetzelfde geschrift
als de toekenning van de tegemoetkoming.

C

In artikel 15, eerste lid, wordt “tot 1 april van het jaar”
vervangen door: tot 1 september van het jaar.

D

Artikel 20 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het opschrift wordt “wijziging” vervangen door: alsnog
beschikbaar komen of wijziging.

2. In het eerste lid wordt “wijziging” telkens vervangen door:
eerste vaststelling, eerste bepaling of wijziging.

3. In het tweede lid wordt “het gewijzigde” vervangen door “het
voor het eerst vastgestelde, voor het eerst bepaalde of gewijzigde”.
Voorts wordt “wijziging” vervangen door: vaststelling, bepaling of
wijziging.

E

Artikel 25 komt te luiden:

Artikel 25 Wijze van uitbetalen

1. In afwijking van artikel 4:89, eerste lid, van de Algemene wet
bestuursrecht vindt uitbetaling aan de belanghebbende van een voorschot
of een tegemoetkoming door de Belastingdienst/Toeslagen uitsluitend
plaats op een daartoe door de belanghebbende bestemde bankrekening die
op naam staat van de belanghebbende. De belanghebbende kan niet meer dan
Ă©Ă©n bankrekening bestemmen voor de uitbetaling van een voorschot of
een tegemoetkoming en voor de uitbetaling van inkomstenbelasting.

2. Indien de belanghebbende geen bankrekening heeft bestemd voor
uitbetaling van een voorschot of een tegemoetkoming aan de
belanghebbende, vindt uitbetaling door de Belastingdienst/Toeslagen
plaats met overeenkomstige toepassing van artikel 7a, tweede lid, van de
Invorderingswet 1990.

3. In door Onze Minister in overeenstemming met Onze Ministers die het
mede aangaat bij of krachtens ministeriële regeling aan te wijzen
gevallen kan worden afgeweken van het eerste en tweede lid. Daarbij
worden regels gesteld met betrekking tot de bestemming van een andere
bankrekening voor de uitbetaling van een voorschot of een
tegemoetkoming.

Ea

	Artikel 33 wordt als volgt gewijzigd:

	1. Na het eerste lid wordt, onder vernummering van het tweede en derde
lid tot derde en vierde lid, een lid ingevoegd, luidende:

	2. Een derde aan wie op grond van artikel 25, derde lid, een voorschot
of een tegemoetkoming is uitbetaald, is hoofdelijk aansprakelijk voor
een door de belanghebbende verschuldigd bedrag aan terugvordering voor
zover dat bedrag kan worden toegerekend aan de aan die derde uitbetaalde
bedragen. Voor zover een terugvordering voortvloeit uit de toepassing
van artikel 24, wordt het bedrag waarvoor de derde aansprakelijk is,
bepaald op het gedeelte van de terugvordering dat in dezelfde verhouding
staat tot het bedrag van de terugvordering als de aan de derde over het
berekeningsjaar uitbetaalde voorschotten in verhouding staan tot het
totale bedrag van de over het berekeningsjaar uitbetaalde voorschotten.

	2. In het vierde lid (nieuw) wordt “tweede lid” vervangen door:
derde lid.

F

Artikel 37 wordt als volgt gewijzigd:

1. Na het tweede lid worden, onder vernummering van het derde lid tot
vijfde lid, twee leden ingevoegd, luidende:

3. Een bezwaar tegen de toekenning van een tegemoetkoming wordt, tenzij
uit het bezwaarschrift het tegendeel blijkt, geacht mede te zijn gericht
tegen de voor bezwaar vatbare beschikking, bedoeld in artikel 14, derde
lid, die is vervat in hetzelfde geschrift.

4. Een bezwaar tegen de voor bezwaar vatbare beschikking, bedoeld in
artikel 14, derde lid, wordt, tenzij uit het bezwaarschrift het
tegendeel blijkt, geacht mede te zijn gericht tegen de toekenning van
een tegemoetkoming die is vervat in hetzelfde geschrift. 

2. In het vijfde lid (nieuw) wordt “eerste en tweede lid” vervangen
door: eerste, tweede, derde en vierde lid.

G

Artikel 40 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt “van ten hoogste € 1500” vervangen
door: van ten hoogste € 4920.

2. In het tweede lid, eerste volzin, wordt “van 25 procent van het
bedrag” vervangen door “van ten hoogste 100 procent van het
bedrag”. Voorts vervalt de tweede volzin.

H

Artikel 41 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt “van ten hoogste € 1500” vervangen
door: van ten hoogste € 4920.

2. In het tweede lid wordt “een bestuurlijke boete opleggen van ten
hoogste € 5000” vervangen door: een geldboete opleggen van de vierde
categorie.

I

Na artikel 41 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 41a Indexatie boetebedragen

1. De in de artikelen 40, eerste lid, en 41, eerste lid, genoemde
bedragen worden elke vijf jaar, met ingang van 1 januari van een jaar,
bij ministeriële regeling gewijzigd. Deze wijziging vindt voor het
eerst plaats per 1 januari 2015. De artikelen 10.1 en 10.2 van de Wet
inkomstenbelasting 2001 zijn van overeenkomstige toepassing met dien
verstande dat als tabelcorrectiefactor wordt genomen het product van de
factoren van de laatste vijf kalenderjaren.

2. De gewijzigde bedragen vinden voor het eerst toepassing met
betrekking tot overtredingen die hebben plaatsgevonden na het begin van
het kalenderjaar bij de aanvang waarvan de bedragen zijn gewijzigd.

J

In artikel 46 wordt “ter voorkoming of beperking van samenloop”
vervangen door “over de samenloop”. Voorts vervalt de zinsnede
“naar aard en strekking daarmee overeenkomende”.

ARTIKEL XIIIa

In de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van
belastingen wordt in artikel 4a, eerste lid, onderdeel e, “richtlijn
nr. 85/611/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20
december 1985 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke
bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging
in effecten (Pb EG L 375)” vervangen door: Richtlijn 2009/65/EG van
het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot coördinatie van
de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde
instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe’s) (PbEU
2009, L 302).

ARTIKEL XIV

De Belastingwet BES wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1.3 wordt als volgt gewiizigd:

1. onderdeel p, komt te luiden: 

p. het Hof: het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao,
Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba;.

2. Na onderdeel p wordt onder verlettering van de onderdelen q en r tot
r en s een onderdeel ingevoegd, luidende:

q. het Gerecht in eerste aanleg: het Gerecht in eerste aanleg van
Bonaire, Sint Eustatius en Saba;.

B

Aan artikel 6.4, eerste lid, wordt, onder vervanging van de punt aan het
slot door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

g. de oplevering van een nieuw gebouw of van een nieuw gedeelte van een
gebouw door degene die dat gebouw of dat gedeelte van een gebouw heeft
vervaardigd.

Ba 

Na artikel 6.5 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 6.5a

1. Bij overgang van het geheel of een gedeelte van een algemeenheid van
goederen, al dan niet tegen vergoeding of in de vorm van een inbreng in
een vennootschap, wordt geacht dat geen leveringen of diensten
plaatsvinden en treedt, tenzij bij ministeriële regeling anders is
bepaald, degene op wie de goederen overgaan in de plaats van de
overdrager.

2. Indien van een overgang als bedoeld in het tweede lid deel uitmaakt
de levering van goederen die de overdrager als producent heeft
voortgebracht, worden deze goederen voor de overdrager geacht te zijn
belast als bedoeld in artikel 6.3, aanhef en slot.

3. Degene op wie de goederen overgaan als bedoeld in het eerste lid,
wordt  voor de volgende levering van goederen, die door de overdrager
als producent zijn voortgebracht, aangemerkt als producent van die
goederen en voor zover van toepassing als vervaardiger van die goederen
in de zin van artikel 6.4, eerste lid.

C

Artikel 6.10, tweede lid, onderdeel a, komt te luiden:

a. 6 percent ter zake van het verrichten van diensten, en in
uitzondering daarop, 7 percent ter zake van verzekeringen;.

D

Artikel 6.10a komt te luiden:

Artikel 6.10a

1. In afwijking van artikel 6.10, eerste en tweede lid, onderdelen a en
b, bedraagt in de openbare lichamen Sint Eustatius en Saba:

a. de in dat eerste lid bedoelde belasting: 6 percent;

b. de in dat tweede lid, onderdeel a, bedoelde belasting: 4 percent en
in uitzondering daarop, 5 percent ter zake van verzekeringen;

c. de in dat tweede lid, onderdeel b, bedoelde belasting 18, 22 of 30
percent, berekend aan de hand van de volgende tabel:

Bij een vergoeding voor de auto van meer dan

	maar niet  meer dan	bedraagt de belasting in kolom III vermelde bedrag
dat wordt vermeerderd met het in kolom IV vermelde percentage te nemen
van het gedeelte van het belastbare bedrag dat het in kolom I vermelde
bedrag te boven gaat



	I	II	III	IV

	USD 20 000

18 percent

USD 20 000	USD 30 000	USD 3 600	22 percent

USD 30 000

USD 5 800	30 percent



2. In afwijking in zoverre van het eerste lid, onderdeel c, geldt voor
het in dat onderdeel  opgenomen percentage van 18 voor niet gebruikte
personenauto’s een percentage van 10 en gelden voor de in de derde
kolom opgenomen bedragen van USD 3 600 en USD 5 800 bedragen van USD 2
000 en USD 4 200.

E

In artikel 6.11, eerste lid, wordt, onder vervanging van de punt aan het
slot van onderdeel v door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd,
luidende:

w. leveringen van goederen en het verrichten van diensten voor projecten
voor zover die in het kader van onderlinge hulp voor rekening van Aruba,
Curaçao of Sint Maarten komen, dan wel in het kader van
ontwikkelingshulp voor rekening van internationale organisaties komen.

Ea 

Artikel 6.17 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid vervalt onderdeel e onder vervanging van de
puntkomma aan het slot van onderdeel d door een punt.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

3. In afwijking in zoverre van het eerste en tweede lid wordt voor
accijnsgoederen in de zin van hoofdstuk 4 van de Douane- en Accijnswet
BES als invoer van goederen aangemerkt:

a. uitslag in de zin van artikel 4.4 van de Douane- en Accijnswet BES;

b. invoer in de zin van artikel 4.5 van de Douane- en Accijnswet BES.

F

Artikel 6.19a komt te luiden:

Artikel 6.19a

1. In afwijking van artikel 6.19, eerste lid en tweede lid, onderdeel a,
bedraagt in de openbare lichamen Sint Eustatius en Saba:

a. de in dat eerste lid bedoelde belasting: 6 percent,

b. de in dat tweede lid, onderdeel b, bedoelde belasting 18, 22 of 30
percent, berekend aan de hand van de volgende tabel:

Bij een douanewaarde voor de auto van meer dan

	maar niet meer dan	bedraagt de belasting in kolom III vermelde bedrag
dat wordt vermeerderd met het in kolom IV vermelde percentage te nemen
van het gedeelte van het belastbare bedrag dat het in kolom I vermelde
bedrag te boven gaat

	I	II	III	IV

	USD 20 000

18 percent

USD 20 000	USD 30 000	USD 3 600	22 percent

USD 30 000

USD 5 800	30 percent



2. In afwijking in zoverre van het eerste lid, onderdeel b, geldt voor
het in dat onderdeel opgenomen percentage van 18 voor niet gebruikte
personenauto’s een percentage van 10 en gelden voor de in de derde
kolom opgenomen bedragen van USD 3 600 en USD 5 800 bedragen van USD 2
000 en USD 4 200.

Fa

Artikel 8.6 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid vervalt “en kan daarbij voorwaarden stellen”.

2. In het tweede lid wordt “de belastingplichtige die de BES eilanden
metterwoon voornemens is te verlaten” vervangen door: de
belastingplichtige die voornemens is de BES eilanden metterwoon te
verlaten. 

Fb 

Artikel 8.11, zesde lid, vervalt.

Fc

In artikel 8.12, tweede lid, wordt “naar aanleiding van een ingevolge
de belastingwet gedaan verzoek” vervangen door: naar aanleiding van
een gedaan verzoek.

Fd

In artikel 8.22, tweede lid, wordt “de ingevolge artikel 8.11, eerste
lid, gestelde termijn” vervangen door: de ingevolge artikel 8.5,
tweede lid, gestelde termijn. 

Fe 

Na artikel 8.24 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 8.24a Verzuim indienen jaarrekening

1. Indien een lichaam dat op grond van artikel 5.10 gehouden is een
jaarrekening in te dienen de jaarrekening niet of niet tijdig indient,
vormt dit een verzuim ter zake waarvan de inspecteur hem een boete van
ten hoogste USD 14 000 kan opleggen.

2. De bevoegdheid tot het opleggen van een boete als bedoeld in het
eerste lid vervalt door verloop van een jaar na het einde van de termijn
waarbinnen de jaarrekening, bedoeld in artikel 5.10, eerste lid, had
moeten worden ingediend.

Ff 

Artikel 8.34, vierde lid, vervalt. 

Fg

Artikel 8.74 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid, onderdeel c, vervalt onder verlettering van de
onderdelen d tot en met k tot c tot en met j. 

2. In het eerste lid, onderdeel f (nieuw), wordt “en deze in valse of
vervalste vorm” vervangen door: en deze niet of in valse of vervalste
vorm. 

3. In het derde lid wordt “het eerste lid, onderdelen e tot en met
k” vervangen door: het eerste lid, onderdelen d tot en met j. 

G

In artikel 8.82 wordt “het Gemeenschappelijk Hof van Justitie Aruba,
Curaçao, Sint Maarten en Bonaire, Sint Eustatius en Saba” vervangen
door: het Hof.

Ga 

Artikel 8.93 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het derde lid vervalt de tweede volzin.

2. In het vijfde lid wordt “een belastingaanslag met betrekking tot
welke ten onrechte geen aangifte is gedaan, de vereiste aangifte niet is
gedaan,” vervangen door: een belastingaanslag met betrekking tot welke
ten onrechte de vereiste aangifte niet is gedaan.

Gb

Artikel 8.94, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel c wordt “de Raad” vervangen door: het Gerecht in
eerste aanleg.

2. Onderdeel f vervalt onder vervanging van de puntkomma aan het slot
van onderdeel e door een punt. 

H

In hoofdstuk VIII, titel 8, vervalt afdeling 2.

I

In de artikelen 8.94, eerste lid, onderdeel c, 8.101, eerste lid, 8.103,
eerste lid, 8.104, tweede en vierde lid, 8.105, eerste lid, 8.107,
eerste en tweede lid, 8.108, derde en vierde lid, 8.109, opschrift en
tweede en vijfde lid, 8.110, eerste lid, 8.111, eerste en vierde lid,
8.112, eerste lid, 8.114, 8.115a, eerste lid, en 8.115b, eerste en
tweede lid, wordt “de Raad” telkens vervangen door “het Gerecht in
eerste aanleg”. Voorts wordt in de artikelen 8.101, vijfde lid, 8.105,
tweede lid, 8.106, 8.107, vierde lid, 8.108, tweede lid, 8.109, eerste
lid, 8.110, tweede lid, 8.111, eerste, tweede en vierde lid, 8.112,
vierde lid, 8.113, eerste en vijfde lid, en 8.115a, eerste lid, wordt
“De Raad” telkens vervangen door: Het Gerecht in eerste aanleg.

J

In de artikelen 8.104, tweede lid, 8.104a, opschrift en tekst, 8.111,
vijfde lid, 8.112, derde en vierde lid, 8.113, derde tot en met vijfde
lid, en 8.116 wordt “secretaris” telkens vervangen door: griffier.

K

Na artikel 8.102 worden twee artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 8.102a Behandeling door een enkelvoudige en een meervoudige
kamer

1. Zaken die bij het Gerecht in eerste aanleg aanhangig worden gemaakt,
worden in behandeling genomen door een enkelvoudige kamer.

2. De enkelvoudige kamer kan een zaak naar een meervoudige kamer
verwijzen. 

3. Verwijzing kan geschieden in elke stand van het geding. Een verwezen
zaak wordt voortgezet in de stand waarin zij zich bevindt.

Artikel 8.102b Gelijke toepassing voorschriften en bevoegdheden

1. De voorschriften omtrent de behandeling van het beroep zijn op de
behandeling zowel door een enkelvoudige als door een meervoudige kamer
van toepassing.

2. Degene die zitting heeft in een enkelvoudige kamer heeft tevens de
bevoegdheden en de verplichtingen die de voorzitter van een meervoudige
kamer heeft.

L

Na artikel 8.106 worden twee artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 8.106a Vereenvoudigde behandeling

Het Gerecht in eerste aanleg kan onmiddellijk uitspraak doen indien een
nader onderzoek het Gerecht niet nodig voorkomt, omdat:

a. het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is;

b. het beroep kennelijk ongegrond is;

c. het beroep kennelijk gegrond is, of

d. de inspecteur kennelijk aan de bezwaren van de belanghebbende
tegemoet is gekomen.

Artikel 8.106b Verzet

1. Tegen de in artikel 8.106a bedoelde uitspraak kunnen partijen
schriftelijk verzet doen bij het Gerecht in eerste aanleg. Artikel 8.103
is van overeenkomstige toepassing.

2. Alvorens een uitspraak te doen op het verzet, kan het Gerecht in
eerste aanleg de partij die het verzet deed in de gelegenheid stellen te
worden gehoord. Is het Gerecht in eerste aanleg van oordeel dat het
verzet ongegrond is, dan gaat het niet tot ongegrondverklaring over dan
na de indiener van het verzetschrift die daarom vroeg in de gelegenheid
te hebben gesteld te worden gehoord.

3. Is het Gerecht in eerste aanleg van oordeel dat het verzet gegrond
is, dan vervalt de in artikel 8.106a bedoelde uitspraak en wordt de zaak
alsnog in behandeling genomen.

M

Na artikel 8.116 wordt een afdeling ingevoegd, luidende:

Afdeling 3a Hoger beroep

Artikel 8.116a Hoger beroep

1. Partijen kunnen bij het Hof hoger beroep instellen tegen een
uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg als bedoeld in de artikelen
8.112 en 8.113.

2. De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt twee maanden
na de dag van de toezending van de uitspraak van het Gerecht in eerste
aanleg overeenkomstig artikel 8.116. 

3. De partij die hoger beroep instelt, wordt aangeduid als appellant in
hoger beroep, de wederpartij als verweerder in hoger beroep.

Artikel 8.116b Overeenkomstige toepassing

Op het hoger beroep zijn de artikelen van afdeling 3, met uitzondering
van de artikelen 8.102a en 8.102b, van overeenkomstige toepassing, voor
zover in deze afdeling niet anders is bepaald.

Artikel 8.116c Griffierecht

1. Van de indiener van het beroepschrift in hoger beroep wordt ten
behoeve van ‘s Rijks schatkist een griffierecht geheven ten bedrage
van USD 60.

2. De griffier wijst de indiener van het beroepschrift op de
verschuldigdheid van het griffierecht en deelt hem mee dat het
griffierecht binnen zes weken na de verzending van zijn mededeling dient
te zijn betaald aan het Hof.

3. Indien het griffierecht niet tijdig is betaald, wordt het beroep
niet-ontvankelijk verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden
geoordeeld dat de indiener van het beroepschrift in verzuim is geweest.

4. Indien het Hof het beroep geheel of gedeeltelijk gegrond verklaart,
vergoedt de inspecteur het door de indiener van het beroepschrift
betaalde griffierecht.

Artikel 8.116d Strekking uitspraak

1. Het Hof bevestigt de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg,
hetzij met overneming hetzij met verbetering van de gronden, of doet,
met gehele of gedeeltelijke vernietiging van die uitspraak, hetgeen het
Gerecht in eerste aanleg had behoren te doen.

2. Wanneer het Gerecht in eerste aanleg de niet-ontvankelijkheid heeft
uitgesproken en het Hof deze uitspraak vernietigt met een
ontvankelijkverklaring, wordt de zaak terugverwezen naar het Gerecht in
eerste aanleg om te worden hervat in de stand waarin de behandeling zich
bevond. Tegen de nieuwe uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg staat
hoger beroep open overeenkomstig deze afdeling.

3. In de gevallen, bedoeld in het tweede lid, kan het Hof de zaak zonder
terugwijzing afdoen, indien zij naar zijn oordeel geen nadere
behandeling door het Gerecht in eerste aanleg behoeft.

N

In artikel 8.117 wordt “het Gemeenschappelijk Hof van Justitie Aruba,
Curaçao, Sint Maarten en Bonaire, Sint Eustatius en Saba” vervangen
door: het Hof.

O

Artikel 8.137 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt “om een schuldvordering aan BES belasting
in te vorderen alsof het aan laatstgenoemde ontvanger verschuldigde
belasting betrof” vervangen door: om een schuldvordering van
eerstgenoemde ontvanger in te vorderen alsof het een schuldvordering van
laatstgenoemde ontvanger betrof.

2. In het tweede lid wordt ”een schuldvordering aan belasting ontstaan
in Nederland, in te vorderen alsof het aan laatstgenoemde ontvanger
verschuldigde belasting betrof” vervangen door: een schuldvordering
ontstaan in Nederland, in te vorderen alsof het een schuldvordering van
laatstgenoemde ontvanger betrof.

3. In het derde lid wordt “verschuldigde rijksbelasting
onderscheidenlijk BES belasting” vervangen door: een schuldvordering.

Artikel XV

De Douane- en Accijnswet BES wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 2.87 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt “de Raad van Beroep voor belastingzaken,
bedoeld in artikel 8.97 van de Belastingwet BES” vervangen door: het
Gerecht in eerste aanleg.

2. Het tweede lid komt te luiden: 

2. Bij het instellen van beroep bij het Gerecht in eerste aanleg zijn de
bepalingen van hoofdstuk VIII, titel 8, afdeling 3, van de Belastingwet
BES van overeenkomstige toepassing.

3. In het derde lid wordt “de Raad van Beroep voor belastingzaken”
vervangen door: het Gerecht in eerste aanleg.

B

Artikel 3.46 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt “USD 175” vervangen door: USD 500.

2. In het tweede lid wordt “USD 50” vervangen door: USD 150.

ARTIKEL XVI

De Wet inkomstenbelasting BES wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 24 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid wordt “USD 9.750” vervangen door: USD 10.016.

2. In het derde lid worden “USD 1.250” en “USD 2.500” vervangen
door: USD 1.284, onderscheidenlijk USD 2.568.

3. In het vierde lid wordt “USD 200” vervangen door: USD 455.

	4. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

	7. In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, komt een niet op de
BES eilanden woonachtige belastingplichtige die een uit de BES eilanden
afkomstige pensioenuitkering geniet die op grond van de voor de BES
eilanden geldende fiscale regels wordt belast, in aanmerking voor de in
het eerste lid, onderdeel a, onder 2°, genoemde belastingvrije som, met
dien verstande dat de belastingvrije som die deze belastingplichtige in
aanmerking mag nemen maximaal wordt gesteld op het bedrag van de
pensioenuitkering dat volgens de fiscale regels van de BES eilanden mag
worden belast.

B

Artikel 24 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid wordt “USD 10.016” vervangen door: USD 10.813.

2. In het derde lid worden “USD 1.284” en “USD 2.568” vervangen
door: USD 1.386, onderscheidenlijk USD 2.772.

3. In het vierde lid wordt “USD 455” vervangen door: USD 1.222.

4. In het zevende lid wordt “USD 26.396” vervangen door: USD 27.953.

C

Aan artikel 25, tweede lid, worden twee volzinnen toegevoegd, luidende:

Voor de toepassing van de tweede volzin wordt onder prijsindexcijfers
verstaan het aan de hand van het aantal inwoners gewogen gemiddelde van
de prijsindexcijfers voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Voor de
toepassing van de derde volzin wordt het aantal inwoners van Bonaire
gesteld op 15.700, het aantal inwoners van Sint Eustatius op 2.886 en
het aantal inwoners van Saba op 1.737.

Artikel XVII

Artikel 25 van de Wet inkomstenbelasting BES vindt op 1 januari 2012
geen toepassing.

ARTIKEL XVIII

De Wet loonbelasting BES wordt als volgt gewijzigd:

0A 

	Aan artikel 3, tweede lid, wordt, onder vervanging van de punt aan het
slot van onderdeel g door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd,
luidende:

	h. degene die arbeid verricht ten behoeve van een lichaam waarin hij
een aanmerkelijk belang als bedoeld in artikel 11, derde lid, van de Wet
inkomstenbelasting BES heeft.

0aA 

	Aan artikel 4, vierde lid, wordt een volzin toegevoegd, luidende: Voor
de toepassing van de eerste volzin worden organen of
organisatieonderdelen van de Staat der Nederlanden geacht op de BES
eilanden inhoudingsplichtig te zijn ten aanzien van personen die deze 
organen of organisatieonderdelen op de BES eilanden in dienst hebben en
ter zake van het loon uit vroegere dienstbetrekking dat deze organen of
organisatieonderdelen verstrekken.

A

In artikel 6, derde lid, wordt na onderdeel b, onder vervanging van de
punt aan het slot van onderdeel b door een puntkomma, een onderdeel
ingevoegd, luidende:

c. de verplichte bijdragen voor pensioenen en aan pensioenfondsen die
worden verrekend met de aan de werknemer, gewezen werknemer, zijn
echtgenoot, zijn gewezen echtgenoot, zijn kinderen of pleegkinderen als
bedoeld in artikel 6a, eerste lid, onderdeel a, toekomende
pensioenuitkeringen.

B

In artikel 9a, eerste lid, wordt “USD 20 000” vervangen door: USD
14.000.

ARTIKEL XIX

De Provinciewet wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 222 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid wordt “31 maart 1997” vervangen door
“31 december 2011” en wordt “ten hoogste 66,4” vervangen door:
ten hoogste 105.

2. In het derde lid, onderdeel d, wordt “bedraagt nihil” vervangen
door: nihil bedraagt.

3. Het vierde lid komt te luiden:

4. Vanaf 1 januari 2013 wordt bij het begin van het kalenderjaar het
aantal opcenten, genoemd in het tweede lid, bij ministeriële regeling
van Onze Minister van Financiën vervangen door een ander aantal. Dit
aantal wordt berekend door het te vervangen aantal te vermenigvuldigen
met de tabelcorrectiefactor, bedoeld in artikel 10.2 van de Wet op de
inkomstenbelasting 2001, en de uitkomst, indien deze twee of meer
decimalen telt, af te ronden op Ă©Ă©n decimaal. Indien het aantal
opcenten in het voorafgaande jaar is afgerond, wordt de
tabelcorrectiefactor toegepast op het niet afgeronde bedrag van het
voorgaande jaar.

B

Artikel 222a wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt “1 april” vervangen door “1 januari”
en wordt “vóór 31 december” vervangen door: vóór 1 december.

2. In het tweede lid wordt “die zijn betaald” vervangen door: die
verschuldigd zijn.

3. In het derde lid wordt “de artikelen 33, 34, 35, 36, 52, 53, 69 en
76” vervangen door: de artikelen 33, 34, 35, 36, 69 en 76.

4. In het zesde lid wordt “is betaald” vervangen door: verschuldigd
is.

ARTIKEL XX

In de Invoeringswet Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 vervalt in
artikel XVI de aanduiding “1” voor het eerste lid. Voorts vervalt
het tweede lid.

ARTIKEL XXa

In de Wegenverkeerswet 1994 vervalt in artikel 36, zevende lid, de
tweede volzin.

ARTIKEL XXI

Overige fiscale maatregelen 2009 wordt als volgt gewijzigd:

A

De artikelen IV en V vervallen.

B

Artikel XVII, zesde lid, vervalt.

ARTIKEL XXII

De Fiscale vereenvoudigingswet 2010 wordt als volgt gewijzigd:

A

Het in artikel XIX opgenomen artikel 3, tweede lid, van de Algemene wet
inkomensafhankelijke regeling wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel e wordt geletterd f.

2. Na onderdeel d wordt onder vervanging van “, of” aan het slot van
onderdeel d door een puntkomma, een onderdeel ingevoegd, luidende:

e. waarbij op dat woonadres tevens een minderjarig kind van ten minste
een van beiden staat ingeschreven, behoudens ingeval de belanghebbende
door middel van een schriftelijke huurovereenkomst, waaraan bij
ministeriële regeling nadere voorwaarden kunnen worden gesteld, doet
blijken dat een van beiden op zakelijke gronden een gedeelte van de
woning huurt van de ander, of.

B

Artikel XX wordt als volgt gewijzigd.

1. In onderdeel 1 wordt “onderdeel d” vervangen door: onderdeel e.

2. In onderdeel 2 wordt “onderdeel e” vervangen door “onderdeel
f”. Voorts wordt het ingevolge onderdeel 2 toe te voegen onderdeel f
geletterd g.

ARTIKEL XXIII

1. Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2012, met dien
verstande dat: 

a. de voorwaarden die ingevolge de wijzigingen van artikel III,
onderdeel A, worden gesteld aan de in artikel 14, tweede lid, van de Wet
vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen
bedoelde overeenkomst, voor het eerst toepassing vinden met betrekking
tot overeenkomsten die ingaan op of na 1 januari 2012;

b. de wijzigingen ingevolge artikel IV, onderdelen B, C, D en E, voor
het eerst toepassing vinden met betrekking tot boekjaren die aanvangen
op of na 1 januari 2012;

c. artikel 30, tweede lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968 zoals
dat luidde op 31 december 2011, van toepassing blijft met betrekking tot
de in die bepaling bedoelde intracommunautaire verwervingen die zijn
verricht vóór 1 januari 2012;

d. de wijziging ingevolge artikel XIII, onderdeel A, onder 1, voor het
eerst toepassing vindt met betrekking tot berekeningsjaren die zijn
aangevangen op of na 1 januari 2012;

e. de wijziging ingevolge artikel XIII, onderdeel A, onder 2, voor het
eerst toepassing vindt met betrekking tot berekeningsjaren die zijn
aangevangen op of na 1 januari 2010, waarbij voor het berekeningsjaar
dat is aangevangen op 1 januari 2010 "derde lid (nieuw)" wordt gelezen
als: vijfde lid.

f. de wijzigingen ingevolge artikel XIII, onderdelen B, D en F, gelden
voor de tegemoetkomingen met betrekking tot de berekeningsjaren die zijn
aangevangen of aanvangen op of na 1 januari 2006 voor zover die
tegemoetkomingen op 1 januari 2012 nog niet zijn toegekend, waarbij
voor de toepassing van artikel 14, derde lid, van Algemene wet
inkomensafhankelijke regelingen voor de berekeningsjaren 2006 en 2007
voor de zinsnede “geen inkomensgegeven in de basisregistratie inkomen,
bedoeld in artikel 21a, eerste lid, van de Algemene wet inzake
rijksbelastingen, is opgenomen, die persoon niet is uitgenodigd tot het
doen van aangifte inkomstenbelasting en van die persoon ook geen
beschikking ter zake van niet in Nederland belastbaar inkomen is of
wordt vastgesteld” telkens moet worden gelezen: geen toetsingsinkomen
als bedoeld in artikel 8 van de Algemene wet inkomensafhankelijke
regelingen zoals dit artikel luidde op 1 januari van het
berekeningsjaar is;

g. zaken die op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel
XIV, onderdelen A, G, H, I, J, K, L, M en N, en artikel XV, onderdeel A,
aanhangig waren bij de Raad van Beroep voor belastingzaken van
rechtswege over gaan naar het Gerecht in eerste aanleg;

h. de wijzigingen ingevolge artikel XIV, onderdelen Fe en Fg, voor het
eerst toepassing vinden met betrekking tot feiten die zijn begaan op of
na 1 januari 2012.

2. Artikel Ia, onderdeel 1, werkt terug tot en met 1 januari 2001.

3. Artikel Ia, onderdeel 2, werkt terug tot en met 1 januari 2008.

4. Artikel IV, onderdeel A, werkt terug tot en met 26 november 2009.

5. Artikel X, onderdeel Ca, werkt terug tot en met 1 april 2010.

6. Artikel XIII, onderdeel J, werkt terug tot en met 1 mei 2010.

7. Artikel I, onderdeel I, artikel V, onderdeel A, artikel XIV,
onderdelen B, E, Fa, Fd, Ff en Ga, artikel XVI, onderdelen A en C, en
artikel XVIII, onderdeel B, werken terug tot en met 1 januari 2011.

8. Artikel XIIIa werkt terug tot en met 1 juli 2011.

9. Artikel XIV, onderdelen C, D en F, artikel XV, onderdeel B, en
artikel XVIII, onderdeel A, werken, met uitzondering van de in artikel
XIV, onderdelen D en F, opgenomen wijzigingen van de tarieven voor de
levering en de invoer van auto’s, terug tot en met 1 oktober 2011,
met dien verstande dat de wijzigingen van de tarieven ter zake van
verzekeringen bij verzekeringen waarbij de laatste prolongatiedatum of
datum van stilzwijgende verlenging, of bij afwezigheid van die datum de
ingangsdatum van de verzekering voor 1 oktober 2011 ligt, van toepassing
zijn op de premies die na 30 september 2011 vervallen.

10. In afwijking van het eerste lid treedt artikel XIII, onderdelen G, H
en I, in werking met ingang van 1 juli 2012, met dien verstande dat de
verhoogde boetes voor het eerst toepassing vinden met betrekking tot
overtredingen die hebben plaatsgevonden vanaf 1 juli 2012.

11. In afwijking van het eerste lid treedt artikel XIII, onderdeel C, in
werking met ingang van 1 januari 2013 , met dien verstande dat de
wijziging ingevolge dit onderdeel voor het eerst toepassing vindt met
betrekking tot berekeningsjaren die zijn aangevangen op of na 1 januari 
2012.

12. In afwijking van het eerste lid treden artikel XI, onderdeel A,
artikel XII, onderdelen B en F, artikel XIII, onderdelen E en Ea,
artikel XIV, onderdelen A, G, Gb, onder 1, H, I, J, K, L, M en N, en
artikel XV, onderdeel A, in werking op een bij koninklijk besluit te
bepalen tijdstip.

ARTIKEL XXIV

Deze wet wordt aangehaald als: Overige fiscale maatregelen 2012.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat
alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven

De Staatssecretaris van Financiën,

 

 

 PAGE    

 PAGE   41