33126 Adv RvSt inzake de Wet tot wijziging van de Wet collectieve afwikkeling massaschade
Wijziging van het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Faillissementswet teneinde de collectieve afwikkeling van massavorderingen verder te vergemakkelijken (Wet tot wijziging van de Wet collectieve afwikkeling massaschade)
Advies Afdeling advisering Raad van State
Nummer: 2011D64057, datum: 2011-12-22, bijgewerkt: 2024-02-19 10:56, versie: 1
Directe link naar document (.doc), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Onderdeel van zaak 2011Z26985:
- Indiener: I.W. Opstelten, minister van Veiligheid en Justitie
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Veiligheid en Justitie (2010-2017)
- 2011-12-22 13:00: Aanvang middagvergadering: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2012-01-17 14:45: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2012-02-02 14:00: Procedures en brieven (Procedurevergadering), vaste commissie voor Veiligheid en Justitie (2010-2017)
- 2012-03-01 14:00: Wijziging van het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Faillissementswet teneinde de collectieve afwikkeling van massavorderingen verder te vergemakkelijken (Wet tot wijziging van de Wet collectieve afwikkeling massaschade) (33126) (Inbreng verslag (wetsvoorstel)), vaste commissie voor Veiligheid en Justitie (2010-2017)
- 2012-05-31 13:30: Procedures (groslijst controversieel verklaren) (Procedurevergadering), vaste commissie voor Veiligheid en Justitie (2010-2017)
- 2012-10-10 13:30: Procedures en brieven (Procedurevergadering), vaste commissie voor Veiligheid en Justitie (2010-2017)
- 2013-03-13 20:45: Wet tot wijziging van de Wet collectieve afwikkeling massaschade (33126) (Plenair debat (wetgeving)), TK
- 2013-03-19 15:15: Stemmingen (Stemmingen), TK
Preview document (🔗 origineel)
No.W03.11.0296/II 's-Gravenhage, 14 oktober 2011
Bij Kabinetsmissive van 19 juli 2011, no.11.001787, heeft Uwe Majesteit,
op voordracht van de Minister van Veiligheid en Justitie, bij de
Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig
gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek,
het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Faillissementswet
teneinde de collectieve afwikkeling van massavorderingen verder te
vergemakkelijken (Wet tot wijziging van de Wet collectieve afwikkeling
massaschade), met memorie van toelichting.
Het wetsvoorstel voorziet in de eerste plaats in opneming in het
Burgerlijk Wetboek (BW) van een representativiteitseis voor verenigingen
en stichtingen die de belangen van de gedupeerden behartigen in het
kader van de collectieve actie.
Voorts wordt een aantal technische wijzigingen van de Wet collectieve
afwikkeling massaschade (Wcam) voorgesteld die voortvloeien uit een
evaluatie van deze wet. Nieuw is de introductie van een preprocessuele
comparitie van partijen in het voorgestelde artikel 1018a van het
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Tenslotte strekt het
wetsvoorstel ertoe de Faillissementswet (Fw) aan te passen, zodat het
met gebruikmaking van de Wcam mogelijk wordt massaclaims binnen een
faillissement op een efficiënte wijze af te doen. Voorgesteld wordt in
een faillissement gebruik te maken van een verbindend verklaarde
Wcam-overeenkomst, waarbij de indiening van de vorderingen op de wijze
in de Wcam-overeenkomst bepaald, de indiening ter verificatie vervangt
(voorgestelde wijziging van onder meer de artikelen 26, 110 en 138 Fw).
Het toepassingsbereik van de Wcam wordt daartoe verruimd, zodat ook
andere massaclaims dan vorderingen tot schadevergoeding met
gebruikmaking van die wet kunnen worden afgewikkeld.
Bij brief van 8 september 2011 heeft de Minister van Veiligheid en
Justitie medegedeeld dat hij de Raad voor de Rechtspraak en de
Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak om nader advies heeft gevraagd
over de na de consultatie aan het voorstel toegevoegde wijzigingen van
de Faillissementswet. Deze adviezen heeft de minister de Afdeling doen
toekomen op 29 onderscheidenlijk 30 september 2011.
De Afdeling advisering van de Raad van State onderschrijft de strekking
van het wetsvoorstel, maar maakt opmerkingen met betrekking tot de
representativiteitseis, de preprocessuele comparitie en de toepassing
van de Wcam-regeling in het faillissement. Zij is van oordeel dat in
verband daarmee aanpassing van het voorstel nodig is.
1. Representativiteit
Het wetsvoorstel beoogt strengere toegangseisen te stellen voor
verenigingen en stichtingen bij het instellen van een collectieve actie
in het burgerlijk recht (artikel 3:305a BW). Het voorgestelde artikel
3:305a lid 2, derde volzin, BW bepaalt dat deze rechtspersonen niet
ontvankelijk zijn in hun vordering, indien:
1. zij, in het geval de omstandigheden van het geval dat verlangen, niet
voldoende representatief zijn ter zake van de belangen van degenen ten
behoeve van wie de rechtsvordering is ingesteld; of
2. met de rechtsvordering de belangen van de gedupeerden onvoldoende
gewaarborgd zijn.
Soortgelijke eisen gelden in de Wcam (artikel 7:907 lid 2, onder e en f,
BW). Daar leidt het niet voldoen aan de representativiteitseis of de
omstandigheid dat de belangen van de gedupeerden onvoldoende zijn
gewaarborgd, tot afwijzing door de rechter van het verzoek tot
verbindendverklaring van een Wcam-overeenkomst.
Doel van de voorgestelde wijziging is maatregelen te treffen om
rechtspersonen te ontmoedigen zich op te werpen als belangenbehartigers
van gedupeerden in gevallen waarin getwijfeld kan worden aan de
zuiverheid van de motieven van deze rechtspersonen. De toelichting wijst
op de vrijwel voorbehoudloze toegang tot de rechter bij een collectieve
actie en de sterke opkomst van claimstichtingen die worden opgericht na
een gebeurtenis die massaschade heeft veroorzaakt en die niet in alle
gevallen primair op belangenbehartiging gericht zijn, maar op
commercieel gewin. De introductie van beide eisen in artikel 3:305a BW
biedt de rechter een handvat om kritisch te oordelen over de
ontvankelijkheid in een collectieve actie, indien hij twijfelt aan de
motieven voor het instellen van deze actie, aldus de toelichting.
Met de voorgestelde hierboven als eerste aangeduide eis van
representativiteit wordt een open norm geïntroduceerd.
"Representativiteit" is een onvoldoende helder omlijnd en
uitgekristalliseerd begrip. Daaronder kunnen uiteenlopende betekenissen
schuilgaan. Zo kan representativiteit zien op de kwaliteit van een
rechtspersoon om in voorkomende gevallen ter bescherming van een
collectief belang in rechte op te treden, op de kwaliteit om op te
treden voor een specifieke groep belanghebbenden, op de acceptatie van
de rechtspersoon door de overheid als gesprekspartner en op de
feitelijke werkzaamheden van de rechtspersoon ter behartiging van de
belangen van de benadeelden.
De representativiteitseis, zoals voorgesteld, geldt voorts niet in alle
gevallen, maar slechts indien de omstandigheden van het geval dat
verlangen en als de rechter twijfelt aan de beweegredenen van de
rechtspersoon. Het laatste komt evenwel ook aan de orde in de eis van
voldoende waarborging van de aan de orde zijnde belangen. In
tegenstelling tot de commercieel gedreven rechtspersonen, behoeven
blijkens de toelichting ideële organisaties en milieu- en
dierenwelzijnsorganisaties niet aan de representativiteitseis te
voldoen, ook al zijn deze niet uitdrukkelijk uitgesloten. Gegeven het
voorgaande kan de toevoeging van genoemde eis aan artikel 3:305a BW naar
het oordeel van de Afdeling in de praktijk tot sterk uiteenlopende
beoordelingen van de ontvankelijkheid en daarmee tot rechtsonzekerheid
en, onder omstandigheden, zelfs willekeur leiden. De Afdeling acht dit
onwenselijk.
De tweede, inhoudelijke eis namelijk dat met de rechtsvordering de
belangen van de vertegenwoordigde personen voldoende gewaarborgd dienen
te zijn, biedt ruimte voor een materiële beoordeling van de motieven
van de rechtspersoon en van de waarborgen die de rechtspersoon biedt ten
aanzien van de belangen van de gedupeerden. De Afdeling merkt in dit
verband op dat de toelichting ervan uit lijkt te gaan dat commercieel
gewin impliceert dat de motieven van de rechtspersoon niet helemaal
zuiver zijn. Rechtspersonen als hier bedoeld, die (mede) uit commercieel
gewin handelen, hoeven evenwel geen onzuivere motieven te hebben.
De tweede eis biedt de rechter een ruim toetsingskader, indien hij
twijfelt aan de motieven van de rechtspersoon voor het instellen van de
actie. Die toets leent zich er naar het oordeel van de Afdeling goed toe
om het gesignaleerde probleem - het weren van uit onzuivere motieven
handelende rechtspersonen en het bieden van houvast aan de gedupeerden -
het hoofd te bieden. Daarnaast biedt deze eis ruimte voor een weging van
factoren die volgens de toelichting een rol kunnen spelen bij de
beoordeling van de representativiteit van de rechtspersoon.
Naar het oordeel van de Afdeling kan het gesignaleerde probleem met een
voldoende inhoudelijke toetsing aan het tweede criterium worden
opgelost.
Gelet op de rechtsonzekerheid die de eerste eis met zich brengt en op de
hiervoor getrokken conclusie dat met het tweede criterium het in de
toelichting geschetste probleem kan worden opgelost, adviseert de
Afdeling de eerste eis "voldoende representatief indien de
omstandigheden van het geval dat verlangen" te schrappen en te volstaan
met het stellen van de eis dat met de rechtsvordering de belangen van
betrokkenen voldoende gewaarborgd dienen te zijn.
2. Preprocessuele comparitie
Het voorgestelde artikel 1018a Rv strekt tot de invoering van een nieuwe
rechtsfiguur, de preprocessuele comparitie van partijen. Indien zich een
massaschadeveroorzakende gebeurtenis heeft voorgedaan, kan de rechter,
voordat een zaak daaromtrent aanhangig is, op gezamenlijk verzoek van
partijen of van een van hen, verschijning van de partijen ter
terechtzitting bevelen. De sanctie op het niet verschijnen ter
terechtzitting is de veroordeling tot vergoeding in de door de
wederpartij aangewende kosten.
De toelichting vermeldt dat de preprocessuele comparitie tot doel heeft
partijen en de rechter de gelegenheid te bieden te bezien of een
collectieve schikking kan worden getroffen. Daarnaast dient de
comparitie ertoe partijen te ondersteunen in buitengerechtelijke
onderhandelingen, zodat zij zelf een vaststellingsovereenkomst kunnen
sluiten.
De rechter heeft volgens de toelichting in de preprocessuele comparitie
een faciliterende en begeleidende functie. Tijdens de comparitie kan aan
de orde gesteld worden de wenselijkheid van het aanspannen van een
collectieve actie of mediation, de vraag hoe partijen verder zullen
trachten een vaststellingsovereenkomst te bereiken, dan wel hoe de
verdere wijze van behandeling van geschillen over de massavorderingen
plaats zal vinden.
De Afdeling merkt op dat de introductie van de preprocessuele comparitie
een substantiële verandering in de rol van de civiele rechter betekent.
De primaire rol van de rechter in het civiel recht, die van
geschilbeslechter, verschuift naar die van een begeleider en bemiddelaar
in een fase dat er nog geen procedure is. Deze ondersteunt in die fase
partijen bij de totstandkoming van een collectieve schikking, waarbij
getracht wordt een onwillige partij over de streep te trekken. Onderkend
wordt dat de rechter in de fase van een civielrechtelijke procedure soms
een bemiddelende rol kan vervullen of een schikking kan bevorderen, maar
dit alles gebeurt met de nodige terughoudendheid in het kader van een
geschil, waarvan de omvang door partijen wordt bepaald. Het kenmerkende
verschil met de preprocessuele comparitie is dat er dan nog geen geschil
is, maar dat een onafhankelijke en onpartijdige derde op grond van zijn
positie als rechter een rol gaat vervullen. Het gaat naar het oordeel
van de Afdeling te ver om deze ingrijpende en principiële verandering
van de positie en rol van de rechter, die nog wordt versterkt door de
voorgestelde “sanctie” voor een niet verschijnende partij en die de
regering eerder afwees, in zaken als hier aan de orde voor te stellen
zonder enige overweging gewijd aan de rol en positie van de rechter. De
Afdeling is van oordeel dat, voordat een voorstel als hier bedoeld wordt
gedaan, eerst een nader standpunt nodig is omtrent de rol en positie van
de rechter, mede in het licht van het geheel van ontwikkelingen die op
de rechtspraak afkomen. De Afdeling adviseert daarom af te zien van de
introductie van de preprocessuele comparitie van partijen in het kader
van de Wcam-procedure.
3. Wijziging Faillissementswet
Doel voorstel
Aanleiding voor de voorgestelde wijziging van de Faillissementswet zijn
problemen die verband houden met de afwikkeling van het faillissement
van DSB Bank N.V. (DSB Bank). Bij dat faillissement is een grote
hoeveelheid concurrerende crediteuren (ongeveer 200.000) met relatief
kleine vorderingen op DSB Bank betrokken. De verificatie van die
massavorderingen is bewerkelijk en kostbaar, aldus de toelichting. Het
gevolg daarvan is dat de vereffening van de boedel vertraging zou
oplopen, zodat andere schuldeisers niet uit de boedel kunnen worden
voldaan. Dit betreft onder meer rekeninghouders die een tegoed
aanhielden dat niet gedekt wordt door het depositogarantiestelsel.
Schets van de voorgestelde regeling
De curator en de rechtspersonen die de belangen van de schuldeisers
vertegenwoordigen, sluiten een Wcam-overeenkomst, waarin de vorderingen,
waarop de schuldeisers aanspraak maken, worden vastgesteld en in
verschillende groepen ingedeeld ('damage scheduling'). De vordering van
elke afzonderlijke schuldeiser, gerechtigde onder de Wcam-overeenkomst,
behoeft niet ter verificatie te worden ingediend. De indiening op de in
de overeenkomst bepaalde wijze treedt in de plaats van de verificatie.
Het voorstel leidt ertoe dat rechtsvorderingen die voldoening van een
verbintenis uit de boedel ten doel hebben, gedurende het faillissement
op de volgende wijze kunnen worden ingediend:
a. door overlegging van bewijsstukken door de schuldeisers bij de
curator ter verificatie, waarbij de eis van indiening ter verificatie
ook geldt voor gerechtigden onder de Wcam-overeenkomst die de opt
out-mededeling hebben gedaan als bedoeld in artikel 7:908 lid 2, BW, dan
wel
b. door de gerechtigden onder de Wcam-overeenkomst op de wijze zoals in
de Wcam-overeenkomst bepaald (daartoe wordt een nieuw derde lid aan
artikel 110 Fw toegevoegd).
De aanspraken krachtens de Wcam-overeenkomst en de geverifieerde
vorderingen worden door plaatsing op de uitdelingslijst volgens de
regeling van de vereffening voldaan.
Een gevolg van het feit dat de gerechtigden onder de Wcam-overeenkomst
hun vordering niet ter verificatie behoeven in te dienen, is dat zij
geen gebruik kunnen maken van de zeggenschapsrechten van schuldeisers in
het faillissement. Voorts zijn de mogelijkheid van betwisting van hun
vorderingen door andere schuldeisers en de renvooiprocedure uitgesloten.
De schuldeisers wier aanspraken niet in een Wcam-overeenkomst zijn
opgenomen, kunnen de in een Wcam-overeenkomst opgenomen aanspraken
betwisten door middel van een verweerschrift in de Wcam-procedure
(voorgestelde wijziging van artikel 1013, vijfde lid, Rv).
Het voorstel betreffende de toepassing van de Wcam in het faillissement
kan naar het oordeel van de Afdeling vergaande implicaties hebben voor
de afwikkeling van faillissementen. De Afdeling meent dat een aantal
aspecten van de voorgestelde regeling onduidelijk is. Deze aspecten zijn
van belang voor de beantwoording van de vraag of de regeling, vastgelegd
in een Wcam-overeenkomst, in een faillissement uiteindelijk een
aanvaardbare doorbreking van de Faillissementswet betekent. Op aspecten
van deze doorbreking is ingegaan in de nadere adviezen van de Raad voor
de Rechtspraak en de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak. De
Afdeling gaat ervan uit dat op de door hen gemaakte opmerkingen in de
toelichting alsnog wordt gereageerd.
De Afdeling gaat op de strekking en gevolgen van het voorstel als volgt
in.
a. Nadere doordenking; alternatieven
De Faillissementswet is gestoeld op individuele behandeling van de
vorderingen die ter verificatie worden ingediend. De Wcam is in het
leven geroepen voor collectieve afwikkeling van grote aantallen
schadevorderingen die uit een schadeveroorzakende gebeurtenis
voortvloeien. De toepassing van de Wcam in het faillissement leidt ertoe
dat de voor de Faillissementswet kenmerkende individualisering van de
vorderingen wordt uitgeschakeld. De Afdeling wijst op het belang van een
goede doordenking van de implicaties van de voorgestelde regeling voor
de positie van alle schuldeisers in een faillissement. Ook de Raad voor
de Rechtspraak maakt in deze zin opmerkingen.
Een goede doordenking van een ingrijpende doorbreking van de
Faillissementswet als hier bedoeld, brengt mee dat ook alternatieven
worden overwogen waarmee hetzelfde doel geheel of grotendeels kan worden
bereikt. Dat is temeer van belang nu de voorgestelde regeling algemeen
luidt en ook voor andere situaties dan die aan de orde in het
faillissement van DSB Bank, gaat gelden. Het lijkt de bedoeling te zijn
dat de verificatieprocedure en de renvooiprocedure worden verplaatst
naar de Wcam. De vraag is of hiermee de beoogde versnelde afdoening kan
worden bereikt en of een dergelijke afdoening niet ook met een minder
ver strekkende aanpassing van de Faillissementswet kan worden bereikt.
In de toelichting wordt in een voetnoot verwezen naar de bijzondere
regeling voor groepen van schuldeisers in het kader van de surseance van
betaling (artikelen 281a - 281f Fw). Deze regeling houdt
vereenvoudigingen in van formaliteiten bij surseances van betaling
waarbij meer dan 5 000 (respectievelijk 10 000) schuldeisers zijn
betrokken. Daarin volstaat de vermelding van de verschillende groepen
van crediteuren, al naar gelang de aard van de vorderingen, en van het
(globale) aantal en bedrag van de gezamenlijke vorderingen van iedere
groep.
De Afdeling vraagt waarom niet het voorbeeld van de regeling voor grote
groepen schuldeisers in het kader van de surseance is gevolgd. De
Afdeling acht niet uitgesloten dat die regeling aanknopingspunten biedt
voor de afwikkeling van massaclaims in een faillissement.
Voorts zou onderzoek gedaan kunnen worden naar de mogelijkheid om een
schikkingsovereenkomst als in deze zaak bedoeld, ter verificatie in te
dienen en in het kader van de afwikkeling van het faillissement de
rechter-commissaris over de verschillende elementen van deze
overeenkomst in het licht van de belangen van alle schuldeisers te laten
oordelen.
De Afdeling adviseert nader onderzoek te doen naar alternatieven voor
het thans voorliggende voorstel met als doel een efficiënte en
effectieve afwikkeling van faillissementen waarin een groot aantal
schuldeisers zijn en waarin de belangen van alle schuldeisers in het
faillissement op evenwichtige wijze worden gewaarborgd, en het
wetsvoorstel zo nodig aan te passen.
b. Positie schuldeisers
De Afdeling merkt op dat in de toelichting de aandacht met name uitgaat
naar (de belangen van) de schuldeisers in het faillissement onder een
Wcam-overeenkomst, terwijl gevolgen van de (verbindendverklaring van de)
Wcam-overeenkomst voor de rechtspositie van andere schuldeisers
onderbelicht blijven. Onduidelijk is derhalve, of de gelijkheid van alle
schuldeisers (paritas creditorum) gewaarborgd blijft.
Over de mogelijkheden van betwisting van vorderingen bevat de
toelichting weinig gegevens. Het voorstel houdt in dat een schuldeiser
wiens aanspraak niet in de Wcam-overeenkomst is opgenomen, de andere
vorderingen kan betwisten door middel van een verweerschrift in de
Wcam-procedure. Zoals de Raad voor de Rechtspraak in zijn advies
opmerkt, moet dan wel duidelijk zijn welke individuele vorderingen deel
uitmaken van de Wcam-overeenkomst. Nu deze overeenkomst uitgaat van
groepen van vorderingen, staat dat niet op voorhand vast. Als alleen
betwisting in de Wcam-procedure mogelijk is, rijst de vraag of de
gronden voor afwijzing van een verzoek tot verbindendverklaring van een
schikkingsovereenkomst voldoende zijn toegesneden op de bijzondere
situatie dat in het kader van de verbindendverklaring de betwisting van
individuele of groepen van vorderingen aan de orde is. Onduidelijk is
verder welke gronden voor betwisting aangevoerd kunnen worden.
De Afdeling meent dat nader dient te worden ingegaan op de verhouding
tussen de Faillissementswet, de Wcam-overeenkomst en de Wcam-procedure
tot verbindendverklaring alsmede op de positie van schuldeisers in dit
verband die geen deel uitmaken van een Wcam-overeenkomst. De Afdeling
adviseert de toelichting aan te vullen en het wetsvoorstel zo nodig aan
te passen.
c. Inhoud overeenkomst
In de toelichting wordt vermeld dat in de Wcam-overeenkomst (groepen
van) geleden schades dan wel vorderingen worden opgenomen waarop
schuldeisers aanspraak maken. Ook wordt gesproken over (indiening van)
vorderingen die gerechtigden onder de Wcam-overeenkomst toekomen.
De Afdeling is van oordeel dat de toelichting onvoldoende duidelijkheid
biedt over de precieze inhoud van een Wcam-overeenkomst, in het
bijzonder ten aanzien van de rechten die uit de overeenkomst voor de
schuldeisers voortvloeien. Uit de toelichting zou kunnen worden afgeleid
dat in de Wcam-overeenkomst niet slechts de bestaande vorderingen van de
deelnemende schuldeisers worden vastgesteld, die vervolgens een recht op
uitdeling impliceren, maar ook afspraken worden gemaakt over de hoogte
van de vergoedingen voor (groepen van) schuldeisers gedurende het
faillissement. Die afspraken kunnen invloed hebben op de
boedelverdeling, in het bijzonder de hoogte van de vergoeding voor de
buiten de Wcam-overeenkomst staande schuldeisers. De Afdeling adviseert
in de toelichting in te gaan op de precieze inhoud van de
Wcam-overeenkomst.
d. Aantastbaarheid overeenkomst
De Afdeling vraagt aandacht voor het vraagstuk van de aantastbaarheid
van de verbindend verklaarde Wcam-overeenkomst. Voorstelbaar is dat zich
buiten die overeenkomst bijzondere omstandigheden voordoen die ertoe
leiden dat de curator dan wel de schuldeisers in redelijkheid niet aan
de overeenkomst kunnen worden gehouden. De toelichting op dit punt
ontbreekt.
De Afdeling adviseert hierop in de toelichting in te gaan.
e. Rechter-commissaris
In het wetvoorstel is voorzien in de verbindendverklaring van de
Wcam-overeenkomst in het faillissement door het gerechtshof Amsterdam,
zoals thans geschiedt in zaken betreffende de Wcam.
De Afdeling wijst in dit verband op de specifieke deskundigheid en de
toezichthoudende rol van de rechter-commissaris in faillissementen. De
curator legt via de rechter-commissaris verantwoording af. Voor veel
handelingen van de curator is een machtiging, toestemming of goedkeuring
van de rechter-commissaris vereist.
De Afdeling geeft in overweging om het oordeel over een verzoek tot
verbindendverklaring van de Wcam-overeenkomst in handen te leggen van de
rechter-commissaris.
De Afdeling adviseert in de toelichting hierop in te gaan en het
wetsvoorstel zo nodig aan te passen.
4. Artikel 7:907 lid 7 BW
De Wcam-regeling is in het leven geroepen tegen de achtergrond van een
collectieve afwikkeling van aanspraken op schadevergoeding. Thans doet
zich de wens voor de werkingssfeer van de Wcam uit te breiden, zodat
andersoortige aanspraken dan die op schadevergoeding, zoals
kwijtschelding van schulden, op grond van die wet kunnen worden
afgehandeld.
Daartoe wordt onder meer voorgesteld aan artikel 7:907 BW een zevende
lid toe te voegen. Daarin wordt uitdrukkelijk bepaald dat een beroep kan
worden gedaan "op de overeenkomst op een andere dan de in lid 1 (van
artikel 907) bedoelde wijze". Het eerste lid van artikel 907 blijft
ongewijzigd.
Naar het oordeel van de Afdeling biedt de voorgestelde redactie van het
zevende lid onvoldoende houvast, omdat dit te onbepaald is. De Afdeling
geeft in overweging het voorgestelde artikel 7:907 lid 7 BW te
verduidelijken.
5. Voor redactionele kanttekeningen verwijst de Afdeling naar de bij het
advies behorende bijlage.
De Afdeling advisering van de Raad van State geeft U in overweging het
voorstel van wet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal,
nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De vice-president van de Raad van State,Bijlage bij het advies van de
Afdeling advisering van de Raad van State betreffende no.W03.11.0296/II
met een redactionele kanttekening die de Afdeling in overweging geeft.
In Artikel III, onderdeel A, onder 7, in de eerste volzin van het nieuw
voorgestelde artikel 1013, zesde lid, ”overlegd” vervangen door:
overgelegd.
In artikel III, onderdeel F, in artikel 1018a, eerste lid, verwijzen
naar artikel 7:907 lid 3, onder f, BW teneinde te verzekeren dat de
rechtspersoon die om een preprocessuele comparitie verzoekt,
representatief is ter zake van de belangen van de benadeelden.
Kamerstukken II 2008/09, 31 762, nr. 1.
Memorie van toelichting, paragraaf 3, "De sterke opkomst van
claimstichtingen".
Memorie van toelichting, Artikelsgewijze toelichting op Artikel I.
De voorwaarde van representativiteit heeft de Hoge Raad gesteld in
sommige arresten, gewezen voor de inwerkingtreding van art. 3:305 BW. In
art. 3:305a BW komt deze eis niet uitdrukkelijk voor, maar men vindt hem
impliciet terug in de verschillende deelaspecten van de regeling. Door
een aantal in de wet opgenomen waarborgen wordt voorkomen dat een
niet-representatieve organisatie te ver gaande bevoegdheden zou krijgen,
hetgeen met name volgt uit de leden 2, 4 en 5 van het wetsartikel.
Daarom achtte de wetgever het niet nodig de eis van representativiteit
met zoveel woorden te stellen. "Gedachtig het feit dat het een
nauwelijks nader inhoud te geven eis betreft is in het wetsvoorstel
collectieve actie in het privaatrecht in overeenstemming met de
bestaande rechtspraak van de Hoge Raad gekozen deze voorwaarde voor
ontvankelijkheid niet te stellen." Kamerstukken I, 1993/94, 22 486, nr.
103b, blz. 3.
In de dissertatie van I.N. Tzankova wordt in dit verband slechts in het
algemeen gesproken over "de representativiteitseisen". 'Toegang tot het
recht bij massaschade', Deventer: Kluwer 2007, blz. 162.
In de toelichting wordt op de volgende factoren gewezen: "De
representativiteit van de organisatie kan bijvoorbeeld afgeleid worden
uit de overige werkzaamheden die de organisatie verricht heeft om zich
voor de belangen van de benadeelden in te zetten, of uit het aantal
benadeelden dat aangesloten is bij of lid van de organisatie, dan wel
uit de vraag in hoeverre de benadeelden zelf de organisatie als
representatief aanvaarden. Ook kan de representativiteit afgeleid worden
uit het gegeven dat de organisatie ter zake van de schadeveroorzakende
gebeurtenis(sen) niet alleen ten opzichte van de schadeveroorzaker(s),
maar bijvoorbeeld ook ten opzichte van de overheid als gesprekspartner
is opgetreden. Het optreden als spreekbuis in de media kan ook een
belangrijke aanwijzing zijn." Memorie van toelichting, Artikelsgewijze
toelichting bij Artikel I.
Memorie van toelichting, Artikelsgewijze toelichting op artikel 1018a
Rv.
Memorie van toelichting, Artikelsgewijze toelichting op artikel 1018a
Rv.
Memorie van toelichting, paragraaf 4. 'Toepassing van de Wcam in geval
van faillissement', tweede alinea.
Ook anderen dan de failliet kunnen partij zijn bij de
WCAM-overeenkomst, bijvoorbeeld een partij die naast de gefailleerde
hoofdelijk aansprakelijk is.
In de toelichting wordt ook vermeld dat de schuldeisers op grond van de
Wcam-overeenkomst aanspraak maken op een vergoeding.
Memorie van toelichting, paragraaf 4. 'Toepassing van de Wcam in geval
van faillissement, tweede alinea.
Memorie van toelichting, paragraaf 4. 'Toepassing van de Wcam in geval
van faillissement'.
Memorie van toelichting, paragraaf 4. 'Toepassing van de Wcam in geval
van faillissement'.
Memorie van toelichting, Artikelsgewijze toelichting op Artikel IV.
Het voorgestelde zevende lid luidt als volgt: "Dit artikel en de
artikelen 908 tot en met 910 zijn van overeenkomstige toepassing op
overeenkomsten die voor personen die door een gebeurtenis of
gelijksoortige gebeurtenissen zijn benadeeld, een recht scheppen op een
andere dan de in lid 1 bedoelde wijze een beroep op de overeenkomst te
doen."
PAGE
PAGE 9
PAGE I
AAN DE KONINGIN
........................................................................
...........