[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [šŸ§‘mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [šŸ” uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

Inbreng verslag schriftelijk overleg over de evaluatie van de Onderwijsagenda d.d. 16 mei 2012 voor Caribisch Nederland

Inbreng verslag schriftelijk overleg

Nummer: 2012D26340, datum: 2012-06-19, bijgewerkt: 2024-02-19 10:56, versie: 1

Directe link naar document (.doc), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen:

Onderdeel van zaak 2012Z09609:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (šŸ”— origineel)


33 000 IV	Vaststelling van de begrotingsstaat van Koninkrijksrelaties
(IV) voor het jaar 2012

31 568			Staatkundig proces Nederlandse Antillen

Nr. 			Verslag van een schriftelijk overleg

Vastgesteld d.d. ā€¦

Binnen de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap hebben
enkele fracties de behoefte om vragen en opmerkingen voor te leggen over
de brieven van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over de
evaluatie van de Onderwijsagenda d.d. 16 mei 2012 voor Caribisch
Nederland (Kamerstuk 31 568, nr. 103) en het wegnemen van belemmeringen
voor Nederlandse leraren in het Caribisch gebied d.d. 26 april 2012
(Kamerstuk 33 000 IV, nr. 72). Bij brief van ... heeft de minister deze
beantwoord. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt. 

 

De voorzitter van de commissie

Van Bochove

Adjunct-griffier van de commissie

BoÅ”njaković-van Bemmel

Inhoud

Evaluatie van de Onderwijsagenda voor Caribisch Nederland (brief 16 mei
2012)

Onderwijsagenda voor Caribisch Nederland

Prioriteiten Onderwijsagenda voor Caribisch Nederland

Verbeterplannen per school 	

Aandachtspunten

Bevindingen Inspectie van het Onderwijs

Tot slot

Wegnemen van belemmeringen voor Nederlandse leraren in het Caribisch
gebied (brief 26 april 2012)

Uitkomsten onderzoek mogelijkheden opheffen belemmeringen leraren naar
Caribisch Nederland

Mogelijkheden tot kwijtschelding van studieschuld indien van Caribisch
Nederland afkomstige studenten willen terugkeren naar Caribisch
Nederland om daar te werken, bijvoorbeeld in het onderwijs 

I	Vragen en opmerkingen uit de fracties

De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de brieven van de
minister. De genoemde leden zien aanleiding tot het stellen van een
aantal vragen.

De leden van de CDA-fractie onderschrijven het uitgangspunt van de
Onderwijsagenda voor Caribisch Nederland, namelijk dat leerlingen in
Caribisch Nederland recht hebben op kwalitatief goed onderwijs.
Vanzelfsprekend zet een ieder zich vanuit zijn eigen rol en
verantwoordelijkheid daarvoor in. Het valt op dat er van de kant van de
minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap een actief beleid wordt
gevoerd om te komen tot verbetering van zowel de kwaliteit van het
onderwijs en de huisvesting van onderwijsvoorzieningen als tot
verbetering van de (rechts)positie van docenten. Daarbij past inderdaad
de kanttekening, zoals de minister schrijft, dat we realistisch moeten
zijn in onze ambities. Tegelijkertijd mag dat geen excuus zijn om niet
de noodzakelijke stappen te zetten om tot verbeteringen te komen. Deelt
de minister deze benadering, zo vragen de leden.

De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van de brieven en
rapportages over het onderwijs in Caribisch Nederland. Zij benadrukken
het belang van goed onderwijs in heel Nederland, dus ook in de
Caribische delen. Zonder goed onderwijs worden jongeren kansen ontnomen
en daarmee ook het Caribisch Nederland zelf. Het baart de leden dan ook
zorgen dat de leerprestaties achterblijven en er te weinig bevoegde
docenten zijn. Het is goed dat ook de minister hier zorgen over heeft en
deze problemen wil oplossen. 

Evaluatie van de Onderwijsagenda voor Caribisch Nederland (brief 16 mei
2012)

Onderwijsagenda voor Caribisch Nederland

De leden van de CDA-fractie merken op dat goed onderwijs voldoende goede
docenten vraagt. Uit de brief van de minister blijkt dat er afspraken
zijn gemaakt met de Universiteit van de Nederlandse Antillen (UNA) op
CuraƧao over het in stand houden van de dependance van de
lerarenopleiding voor het primair onderwijs op Bonaire. Deze
opleidingsmogelijkheid zal een bijdrage leveren aan het beschikbaar zijn
van voldoende bevoegde en bekwame leerkrachten voor het primair
onderwijs. Deze leden menen dat het correct is dat de minister het heeft
over een ā€œbijdrage leveren aanā€. Is aannemelijk te maken dat in de
behoefte aan goede leraren voorzien kan worden door opleidingen in
Caribisch Nederland? Ziet de minister, indien nodig, mogelijkheden om de
opleidingscapaciteit uit te breiden, zo vragen de leden.

Prioriteiten Onderwijsagenda voor Caribisch Nederland

De leden van de SP-fractie merken op dat in 2011 de scholen, naast de
lumpsum, eenmalig extra financiƫle ruimte (zeven miljoen dollar) voor
de materiƫle inrichting hebben gekregen. Is het tekort aan leermiddelen
dat de Inspectie van het Onderwijs in het schooljaar 2010-2011
constateerde opgelost met deze eenmalige investering? Zo nee, was het
geld niet toereikend of is het gespendeerd aan andere zaken? Als dat
laatste het geval is, kan worden toegelicht waaraan, zo vragen de leden.

Verbeterplannen per school 	

De leden van de VVD-fractie merken op dat scholen in Caribisch Nederland
extra financiering ontvangen voor de uitvoering van verbeterplannen die
met schoolcoaches per school zijn opgesteld. Zijn er prestatieafspraken
gekoppeld aan de extra financiering? Zo ja, welke, zo vragen de leden.

Aandachtspunten

De leden van de VVD-fractie merken op dat uit de brief blijkt dat er
ā€œzaken (zijn) die meer inzet en tijd kosten dan voorzien.ā€ Wat is de
reden daarvoor? Ondermeer het plan van aanpak leraren kost meer tijd dan
voorzien. Scholen zijn zelf al met ā€œzakenā€ gestart. Kan de minister
uitleggen wat zij verstaat onder ā€œzakenā€, zo vragen de leden.
Begrijpen de genoemde leden het goed dat de vertraging van aanpak
leraren niet bij de scholen ligt, maar bij het ministerie van Onderwijs,
Cultuur en Wetenschap, zo vragen zij.

De leden merken voorts op dat inzicht krijgen in de financiƫle situatie
van scholen meer tijd heeft gekost dan verwacht, maar de minister zegt
inmiddels over de definitieve gegevens van 2011 te beschikken. Hoe zorgt
de minister ervoor dat de administratie en het inzicht daarin in de
toekomst wordt verbeterd, zo vragen de leden.

Tevens vragen de leden wanneer de Kamer wordt geĆÆnformeerd over de
kosten van onderwijshuisvesting en eventuele versoberingen.

Voorts merken de leden op dat er de afgelopen jaar problemen zijn
geweest rond de accreditatie van de Saba University School of Medicine
in het Nederlandse systeem. De leden vragen de minister de huidige stand
van zaken rond dit probleem weer te geven. Is de school inmiddels
geaccrediteerd, zo vragen zij.

De leden van de SP-fractie constateren dat de minister schrijft dat het
meer tijd kostte dan verwacht om inzicht te krijgen in de financiƫle
situatie van de scholen. Zijn de boekhouding en andere administratie op
de scholen nu op orde? Zo nee, waarom niet en wanneer zal dat wel het
geval zijn? Goed onderwijs is gebaat bij een goede administratie. Zo
kunnen de leerprestaties worden bijgehouden door de school. Ook moet de
Inspectie van het Onderwijs kunnen nagaan of het geld doelmatig en
rechtmatig is besteed, zo menen deze leden.

Bevindingen Inspectie van het Onderwijs

De leden van de CDA-fractie stellen vast dat de onderwijsachterstanden
in Caribisch Nederland ten opzichte van Europees Nederland nog groot
zijn. Met waardering voor de onderwijsgevenden stellen de leden vast dat
er hard wordt gewerkt om deze achterstand te verkleinen. De hardwerkende
onderwijsgevenden moeten hierbij volop worden gesteund door verregaande
ondersteuning van deskundigen/scholing, verbetering van de onderwijs
(hulp)middelen, goede huisvesting etc. Veel van deze punten zitten in
verbeteringstrajecten. Maar is het tempo hoog genoeg? Bijvoorbeeld ten
aanzien van huisvesting. De nood is hoog. De noodzaak om tot
verbeteringen te komen, is groot. De minister schrijft dat de
Rijksgebouwendienst hierbij is/wordt betrokken. Leidt dit in plaats van
het op papier mogelijk terugdringen van kosten, ook tot daadwerkelijke
aanpak van problemen op de korte termijn? Wat kan de minister toezeggen
om zo zorgen bij de leden weg te nemen, dat er voorlopig niets gaat
gebeuren? Hoe wordt het tekort aan leermiddelen omgezet in een voldoende
aantal hiervan en op welke termijn is dit geregeld, zo vragen de leden.

De leden van de SP-fractie constateren dat op de scholen in Caribisch
Nederland een grote achterstand is wat betreft leerprestaties taal en
rekenen. Het is goed dat de minister dit probleem helder voor ogen
heeft. Binnen hoeveel jaar wil zij dat dit probleem is opgelost? Kan zij
voor de komende vijf jaar toelichten wat haar streven is wat betreft de
prestaties op technisch lezen en rekenen/wiskunde? Oftewel, wat zijn de
tussendoelen? Hoeveel van de lesstof is in het Nederlands? Wat zijn de
mogelijkheden om lesstof aan te bieden in de taal die de leerlingen het
beste spreken? Dus Papiamento op Bonaire en Engels op Saba en
Sint-Eustatius, zo vragen de leden.

Tot slot

De leden van de VVD-fractie merken op dat de minister haar brief eindigt
met de volgende zin: ā€œIk heb er vertouwen in dat we met succes op de
ingezette weg voortgaan.ā€ Waar is dat vertrouwen op gebaseerd, zo
vragen de leden.

Wegnemen van belemmeringen voor Nederlandse leraren in het Caribisch
gebied (brief 26 april 2012)

 A. Uitkomsten onderzoek mogelijkheden opheffen belemmeringen leraren
naar Caribisch Nederland

De leden van de VVD-fractie merken op dat in artikel 4 van de
Voorjaarsnota de beschikbare middelen voor Caribisch Nederland worden
verhoogd. Zijn deze middelen incidenteel of structureel, zo vragen de
leden. Hoe worden deze extra middelen ingezet en hoe wordt gemeten of de
extra financiering het gewenste effect heeft, zo vragen zij.

Blijkens de brief heeft de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschap besloten eenmalig 4,5 miljoen euro beschikbaar te stellen
voor het aantrekken van ongeveer 40 docenten van buiten Caribisch
Nederland. Met dit bedrag kan een driejarig contract worden aangeboden
aan leraren en kunnen verschillende kostenposten voor die leraren worden
gecompenseerd. Daarmee is dit geen structurele investering in het
lerarenbestand, zo menen de leden. De genoemde leden willen graag weten
hoe ervoor wordt gezorgd dat er ook na de drie/vier jaar voldoende
leraren aanwezig zijn in Caribisch Nederland. Dit willen deze leden
weten aangezien de extra financiering eindig is en het ministerie van
Onderwijs, Cultuur en Wetenschap uitgaat van tijdelijke contracten.

De leden van de CDA-fractie merken op dat om de belemmeringen voor
leraren van buiten Caribisch Nederland, die op een school in Caribisch
Nederland willen gaan werken, weg te nemen, de staatssecretaris van
Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft besloten tijdelijk ā€“ voor een
periode van vier jaar ā€“ extra middelen beschikbaar te stellen aan de
scholen. Het betreft een totaalbedrag van ongeveer 4,5 miljoen euro. Is
de verwachting dat na vier jaar er voldoende leraren in Caribisch
Nederland zullen zijn of dat deze zonder extra financiƫle ondersteuning
aangetrokken kunnen worden van buiten? Of voorziet de minister dat de
tijdelijkheid van de maatregel langer zal moeten zijn dan de aangegeven
vier jaar? Krijgt een docent die per 1 augustus 2014 voor drie jaar
wordt aangesteld slechts tot 1 januari 2016 eventuele compensatie? Zowel
het schoolbestuur als de werknemer willen op dit punt vooraf zekerheid.
Wat gaat de minister hen bieden, zo vragen de leden.

De minister licht toe dat een expatregeling geen optie is, omdat leraren
geen rijksambtenaren zijn. Hoewel deze redenering op zich juist is -het
zijn geen rijksambtenaren- is de reactie volstrekt onbevredigend. Op
zich gaat het er om dat er sprake is van een dienstverband, meestal in
Nederland en via een verlofregeling werkzaam in het Caribisch gebied en
dat vanuit dat dienstverband de regeling kan worden uitgevoerd. De
minister dient in dat verband slechts te zorgen voor de financiƫle
compensatie van de werkgever voor de te maken kosten in verband met de
uitvoering van een dergelijke regeling. Waarom wordt dit niet op deze
manier uitgevoerd? Is overwogen dit te doen? Wat zijn de precieze
argumenten pro en contra, zo vragen de leden. De minister komt in het
vervolg van de betreffende brief met een aantal wel te nemen stappen.
Wat is het materiƫle verschil tussen de eerder genoemde expatregeling
en de voorstellen van de minister? Is het vanwege het belang van het
aantrekken van goede doecenten niet juist van betekenis om beide stappen
te zetten? In de brief geeft de minister aan dat zij bereid is tot een
compensatie van de doorbetaling van het werkgeversdeel van de ABP-premie
in Europees Nederland, in situaties waarbij sprake is van onbetaald
verlof. Op zich is dit, evenals de compensatie van AOW-opbouw, van
betekenis. Maar waarom wordt ook niet het werknemersdeel van die
ABP-premie, dus bij onbetaald verlof, geheel of gedeeltelijk vergoed?
Gezien de hoogte van de salarissen ter plekke en de lasten die men
heeft, lijkt dit een redelijke compensatie, zo menen de leden.

De leden van de SP-fractie merken op dat om meer bevoegde leraren naar
Bonaire, Sint-Eustatius en Saba (de BES-eilanden) te halen er over vier
jaar ongeveer 4,5 miljoen euro wordt toegevoegd aan de lumpsum van de
scholen op deze eilanden. Waarom is hiervoor gekozen, terwijl de
administratie op de scholen nog niet op orde is? Hoe wordt voorkomen dat
het geld opgaat aan vliegreizen van schooldirecteuren die zelf in
Europees Nederland gaan werven? Deelt de minister de mening dat de
werving voor een groot deel in Nederland zal gebeuren? Indien dat het
geval is, waarom neemt de minister niet zelf het initiatief om leraren
te werven voor Caribisch Nederland, bijvoorbeeld via postbus 51? 

Welke structurele maatregelen worden ondertussen genomen om meer
bevoegde leraren te krijgen op de BES-eilanden? Deelt de minister de
mening dat het onverstandig is om een tijdelijke investering te doen om
het lerarentekort voor vier jaar op te lossen, als de eilanden na die
vier jaar weer terug bij af zijn.

B. Mogelijkheden tot kwijtschelding van studieschuld indien van
Caribisch Nederland afkomstige studenten willen terugkeren naar
Caribisch Nederland om daar te werken, bijvoorbeeld in het onderwijs 

De leden van de VVD-fractie merken op dat in de brief wordt aangegeven
dat er een tegemoetkoming van maximaal $ 8 840,ā€“ beschikbaar is voor
het afbetalen van de studieschuld van ambtenaren die in dienst treden
van de Rijksdienst Caribisch Nederland. De leden vragen waar dit bedrag
op is gebaseerd. Zij stellen dat het totale bedrag dat door een
overheidsinstantie wordt kwijtgescholden in ieder geval niet hoger mag
zijn dan de schuld die de ambtenaar heeft staan ten behoeve van het door
hem betaalde collegegeld, en dat het geld dat is geleend om tijdens de
studiejaren in het eigen levensonderhoud te voorzien niet mag worden
kwijtgescholden. Zij vragen of de minister deze mening deelt. Daarnaast
benadrukken de leden dat het vooral de verantwoordelijkheid van
particuliere werkgevers zelf is om hun beleid te bepalen rond het
kwijtschelden van studieschulden. Zij wijzen in dit kader ook op de
aangenomen motie van de leden Lucas en De Rouwe betreffende
scholarships. Deze motie is erop gericht om bedrijven studenten al
tijdens de masterfase van hun studie te laten werven en aan zich te
binden. Op deze manier kunnen ook bedrijven in Caribisch Nederland
Nederlandse studenten aan zich binden, zodat zij daar later gaan werken.

De leden van de CDA-fractie merken op het binnen het bestaande
studiefinancieringsbeleid een (hoge) studieschuld geen belemmering hoeft
te zijn voor een student afkomstig uit Caribisch Nederland om permanent
terug te keren, zo stelt de regering. De Wet studiefinanciering 2000 (en
de Wet studiefinanciering BES) bieden mogelijkheden waarop
afgestudeerden die willen terugkeren naar Caribisch Nederland en die hun
studieschuld daarbij als obstakel ervaren, een beroep kunnen doen. In
hoeverre acht de minister een financiƫle overweging belangrijk om de
functie van leraar te gaan uitoefenen? Is er perspectief dat deze
regeling ertoe bijdraagt dat er voldoende leraren de keuze gaan maken om
terug te keren na hun opleiding naar Caribisch Nederland, zo vragen de
leden.

II	 Reactie van de minister

 Kamerstuk 33280 VIII

 ABP: Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds

 AOW: Algemene Ouderdomswet

 Kamerstuk: 32500 VIII, nr. 61

 PAGE    

 PAGE   5