[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

33320 Adv RvSt inzake de Wet implementatie richtlijn nr. 2008/52/EG betreffende bepaalde aspecten van bemiddeling/mediation in burgerlijke en handelszaken

Implementatie van de richtlijn betreffende bepaald aspecten van bemiddeling/mediation in burgerlijke en handelszaken (Wet implementatie richtlijn nr. 2008/52/EG betreffende bepaalde aspecten van bemiddeling/mediation in burgerlijke en handelszaken)

Advies Afdeling advisering Raad van State

Nummer: 2012D28785, datum: 2012-06-28, bijgewerkt: 2024-02-19 10:56, versie: 1

Directe link naar document (.doc), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Onderdeel van zaak 2012Z13318:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


No.W03.12.0195/II	's-Gravenhage, 13 juni 2012

Bij Kabinetsmissive van 11 juni 2012, no.12.001322, heeft Uwe Majesteit,
op voordracht van de Minister van Veiligheid en Justitie, bij de
Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig
gemaakt Voorstel van wet houdende wijziging van de Wet tot aanpassing
van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek en het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering aan de richtlijn betreffende bepaalde aspecten van
bemiddeling/mediation in burgerlijke en handelszaken (Wet implementatie
richtlijn nr. 2008/52/EG betreffende bepaalde aspecten van
bemiddeling/mediation in burgerlijke en handelszaken), met memorie van
toelichting.

Het wetsvoorstel wijzigt het thans bij de Eerste Kamer aanhangige
wetsvoorstel tot aanpassing van boek 3 van het Burgerlijk Wetboek en het
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering aan de richtlijn betreffende
bepaalde aspecten van bemiddeling/mediation in burgerlijke en
handelszaken. Dit wetsvoorstel kan in zijn huidige vorm niet op
voldoende draagvlak rekenen in de Eerste Kamer. Om deze reden wordt het
bij de Eerste Kamer aanhangige wetsvoorstel vervangen door een nieuw
wetsvoorstel dat niet langer boek 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en
het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) wijzigt, maar een
zelfstandige wet is tot implementatie van de hiervoor genoemde richtlijn
(hierna: richtlijn mediation). Het wetsvoorstel implementeert de
richtlijn mediation door daarbij nauw aan te sluiten. Dit betekent met
name dat de wettelijke regeling wordt beperkt tot grensoverschrijdende
gevallen van mediation. Daarmee komt het in de richtlijn geregelde
verschoningsrecht van mediators en de daarin geregelde opschorting van
de verjaring gedurende een mediation alleen toe aan mediators
respectievelijk mediations die in grensoverschrijdende situaties
plaatsvinden. De implementatietermijn van de richtlijn is op 21 mei 2011
verstreken.  

De Afdeling onderschrijft de strekking van het voorstel om in het
bijzonder het verschoningsrecht van mediators te beperken tot
grensoverschrijdende situaties als bedoeld in de richtlijn mediation.
Zij maakt opmerkingen over de novelle als zelfstandige wet, het
overgangsrecht en de inwerkingtreding bij koninklijk besluit. Zij is van
oordeel dat het wetsvoorstel aanpassing behoeft, in het bijzonder omdat
een novelle die de inhoud heeft van een zelfstandige wet ook als
zelfstandige wet moet worden gepresenteerd. Voorts is de Afdeling van
mening dat geen overgangsrecht als voorgesteld getroffen kan worden.

1.	Novelle

Het wetsvoorstel wijzigt een bij de Eerste Kamer aanhangig wetsvoorstel.
Het bij de Eerste Kamer aanhangige wetsvoorstel voorziet in artikel I in
een wijziging van boek 3 BW, in artikel II in een wijziging van het
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, in artikel III in
overgangsrecht en in artikel IV in de inwerkingtreding. De artikelen I
tot en met III worden in het wetsvoorstel vervangen door een
zelfstandige wettelijke regeling inclusief het daarbij behorende
overgangsrecht en een citeertitel. Deze zelfstandige wettelijke regeling
is beperkt tot implementatie van de richtlijn. Zij wijzigt niet langer
het BW en Rv, omdat dat onduidelijkheid zou scheppen. Het opschrift van
de uiteindelijke wettelijke regeling, alsmede de considerans blijven
evenwel luiden dat boek 3 BW en Rv aangepast worden aan de richtlijn
mediation. Dat kan ook niet anders in verband met het karakter van een
novelle dat het onderhavige voorstel heeft. Naar het oordeel van de
Afdeling brengt ordentelijke wetgeving mee dat de regeling in het
lichaam van het wetsvoorstel aansluit bij het opschrift ervan en de
considerans. Dat voorkomt verwarring. De inhoud van de novelle sluit
evenwel niet aan op het oorspronkelijke, te handhaven wetsvoorstel, dat
een wijziging van het BW en Rv beoogt. In dit licht adviseert de
Afdeling het voorstel als een zelfstandig voorstel van wet op te zetten
en niet als een novelle dan wel als een wijziging van het BW en Rv en
niet als een zelfstandige wet, zoals thans wordt voorgesteld.

2.	Overgangsrecht

Het bij de zelfstandige wet behorende overgangsrecht correspondeert met
het overgangsrecht, zoals opgenomen in het bij de Eerste Kamer
aanhangige wetsvoorstel. Dit overgangsrecht impliceert, kort gezegd, dat
voor op het tijdstip van inwerkingtreding van de wet lopende mediations
de wet niet van toepassing is. 

Nog los van de mogelijke rechtstreekse werking van de richtlijn, merkt
de Afdeling op dat deze geen mogelijkheid geeft tot het treffen van
overgangsrechtelijke maatregelen. Deze kunnen in de periode na het
verstrijken van de implementatietermijn dan ook niet alsnog worden
vastgesteld. De toelichting bij het oorspronkelijke wetsvoorstel wijst
evenwel op een uitspraak van het Hof van Justitie van 18 juni 1998,
waarin het hof uiteenzette dat uit een oogpunt van rechtszekerheid op
procedures waarvoor vóór de termijn van omzetting van de betrokken
richtlijn een vergunningaanvraag was gedaan, het oude recht van
toepassing bleef, ondanks dat in de richtlijn hierover niets expliciet
was geregeld. Deze uitspraak betrof vergunningaanvragen waarvoor door de
desbetreffende richtlijn een m.e.r.-plicht zou gaan gelden. Die situatie
is niet goed vergelijkbaar met de onderhavige. Het ging daarin om een
aanmerkelijke verzwaring en vertraging van een reeds lopende
vergunningprocedure ten gevolge van specifieke eisen die door de
richtlijn werden voorgeschreven. Daarom gaat het hier niet. De Afdeling
adviseert daarom het voorgestelde overgangsrecht te schrappen.

Voor zover de regering bij de mening blijft dat dit arrest wel
toepassing zou kunnen vinden in het onderhavige geval, is de Afdeling
van oordeel dat het hof weliswaar ruimte voor eerbiedigende werking
geeft, maar slechts voor die gevallen waarin een mediation is
aangevangen vóór de vereiste implementatiedatum. De thans voorgestelde
overgangsregeling omvat ook die gevallen waarin na de
implementatiedatum, maar vóór de inwerkingtreding van de wet een
mediation is aangevangen. Voor zover nodig adviseert de Afdeling het
overgangsrecht te beperken tot de gevallen dat de mediation vóór 21
mei 2011 is aangevangen.

3.	Inwerkingtreding

Het enige artikel dat in het oorspronkelijke wetsvoorstel door de
novelle ongemoeid is gelaten betreft de inwerkingtreding. Deze geschiedt
bij koninklijk besluit. Nu een spoedige inwerkingtreding van de
implementatie van de richtlijn mediation gewenst is, ligt het niet voor
de hand om de inwerkingtreding bij koninklijk besluit te doen
geschieden, maar bijvoorbeeld de dag na plaatsing in het Staatsblad. De
Afdeling adviseert de inwerkingtredingsbepaling aan te passen. 

4.	Voor redactionele kanttekeningen verwijst de Afdeling naar de bij het
advies behorende bijlage.

De Afdeling advisering van de Raad van State geeft U in overweging het
voorstel van wet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal,
nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.

De vice-president van de Raad van State,

Bijlage bij het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State
betreffende no.W03.12.0195/II met redactionele kanttekeningen die de
Afdeling in overweging geeft.

-	In artikel I, onderdeel A, artikel 1, eerste liggende
streepje,"lidstaat" 	vervangen door: lidstaat met uitzondering van
Denemarken (vgl. artikel 1, 	derde lid, van de richtlijn mediation).

In artikel I, onderdeel A, artikel 1, derde liggende streepje, in de
bijzin tussen “die” en “ en” invoegen: derde.

In artikel I,  onderdeel A, artikel 1, de omschrijving van de richtlijn
onder het vierde liggende streepje laten vervallen, nu het begrip in de
artikelen niet terugkeert en uit de citeertitel van de wet al blijkt
waarop de wet betrekking heeft.

	Kamerstukken I 2010/11, 32 555, A. 

	HvJ EG, 9 augustus 1994, C-396/92 (Bund Naturschutz), Jur. 1994, p.
I-03717). Zie overw. 19, die luidt: "Los van de vraag of een Lid-Staat
uit hoofde van de richtlijn een overgangsregeling in het leven mag
roepen voor vóór de uiterste datum 3 juli 1988 ingeleide en reeds
aanhangige vergunningsprocedures, staat de richtlijn er dus hoe dan ook
aan in de weg,dat voor na die datum ingeleide procedures een regeling
als die waarom het gaat in het hoofdgeding, n het leven wordt geroepen
door een nationale wet waarbij de richtlijn in strijd met de bepalingen
ervan te laat in nationaal recht wordt omgezet. Een dergelijke
uitlegging zou ertoe leiden, dat de uiterste datum van 3 juli 1988 werd
opgeschoven, en zou in strijd zijn met de uit de richtlijn
voortvloeiende verplichtingen."

 	HvJ EG, 18 juni 1998, C-81/96 (BenW Haarlemmerliede en Spaarnwoude
e.a.), Jur. 1998, p. I-03923. Het Hof stelde in overw. 24: “Het gaat
niet aan dat procedures die op nationaal niveau reeds gecompliceerd zijn
en die formeel zijn ingeleid vóór het verstrijken van de termijn van
omzetting van de richtlijn, worden verzwaard en vertraagd ten gevolge
van specifieke eisen die door de richtlijn worden voorgeschreven, en dat
daardoor reeds ontstane situaties worden geraakt.”

 PAGE    

  PAGE  3 

 PAGE   I 

AAN DE KONINGIN

........................................................................
...........