[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

33355 Adv RvSt inzake Implementatie van richtlijn nr. 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures (PbEU L 280)

Implementatie van richtlijn nr. 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures (PbEU L 280)

Advies Afdeling advisering Raad van State

Nummer: 2012D33195, datum: 2012-08-29, bijgewerkt: 2024-02-19 10:56, versie: 1

Directe link naar document (.doc), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Onderdeel van zaak 2012Z15457:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


No.W03.12.0210/II	's-Gravenhage, 18 juli 2012

Bij Kabinetsmissive van 27 juni 2012, no.12.001454, heeft Uwe Majesteit,
op voordracht van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, bij de
Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig
gemaakt het voorstel van wet tot implementatie van richtlijn nr.
2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010
betreffende het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures
(PbEU L 280), met memorie van toelichting.

De richtlijn bevat minimumwaarborgen met betrekking tot de vertolking en
vertaling in strafprocedures. Het wetsvoorstel voorziet in hoofdzaak in
wijzigingen in het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv).  

De Afdeling advisering van de Raad van State onderschrijft de strekking
van het wetsvoorstel, maar maakt een aantal opmerkingen met betrekking
tot de bestuurlijke strafbeschikking, beslissingen tot
vrijheidsbeneming, de raadkamerprocedure, de vaststelling dat de
verdachte tolkenbijstand behoeft, de wijziging van de tenlastelegging,
het gebruik van communicatietechnologie en de verhouding tot het
wetsvoorstel raadsman en politieverhoor. Zij is van oordeel dat in
verband daarmee enige aanpassing van het voorstel wenselijk is.

1.	Bestuurlijke strafbeschikking 

Artikel 1, derde lid, van de richtlijn bepaalt dat als de wet van een
lidstaat erin voorziet dat voor 'lichte strafbare feiten een sanctie
wordt opgelegd door een andere autoriteit dan een in strafzaken bevoegde
rechtbank en tegen het opleggen van de sanctie beroep bij deze rechtbank
kan worden ingesteld, de richtlijn alleen van toepassing is op de
procedure voor deze rechtbank als gevolg van dit beroep'.  In verband
hiermee wordt in het voorstel onderscheid gemaakt tussen
strafbeschikkingen die zijn uitgevaardigd wegens misdrijven en wegens
overtredingen. Indien blijkt dat de verdachte de Nederlandse taal niet
of onvoldoende beheerst en de strafbeschikking is uitgevaardigd wegens
misdrijf, wordt de strafbeschikking of een aantal genoemde onderdelen
daarvan vertaald in een voor de verdachte begrijpelijke taal (artikel
257a, zevende lid, Sv); voor strafbeschikkingen die zijn uitgevaardigd
wegens overtreding geldt een dergelijke verplichting niet. 

Het valt de Afdeling op dat niet is ingegaan op de eveneens in het
Wetboek van Strafvordering geregelde bestuurlijke strafbeschikking. De
bevoegdheid om zo'n strafbeschikking uit te vaardigen kan worden
verleend aan bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen lichamen
of personen met een publieke taak belast. In lagere regelgeving is de
toepassing van de bestuurlijke strafbeschikking beperkt tot strafbare
feiten van geringe ernst. Dat neemt niet weg dat ook voor het
uitvaardigen van een bestuurlijke strafbeschikking de uiterste grens
geldt van een misdrijf waarop een maximum van zes jaar gevangenisstraf
staat en dezelfde sancties kunnen worden opgelegd. Bovendien staat het
gebruik onder toezicht van en volgens richtlijnen vast te stellen door
het College van procureurs-generaal en is zij geregeld in het Wetboek
van Strafvordering. 

In het licht van het voorgaande adviseert de Afdeling in de toelichting
in te gaan op de bestuurlijke strafbeschikking en het voorstel zo nodig
aan te passen.   

2. 	Beslissingen tot vrijheidsbeneming   

Volgens artikel 3, tweede lid, van de richtlijn zorgen de lidstaten
ervoor dat de verdachte die de taal van de strafprocedure niet verstaat
een schriftelijke vertaling  - of, bij uitzondering, een mondelinge
samenvatting - ontvangt van onder meer 'beslissingen tot
vrijheidsbeneming'. Naar aanleiding hiervan is in het wetsvoorstel een
verplichting opgenomen om aan de verdachte die de Nederlandse taal niet
of onvoldoende beheerst, zo spoedig mogelijk in een voor hem
begrijpelijke taal schriftelijk mededeling te doen van de bevelen inzake
inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis. 

In de toelichting is niet ingegaan op beslissingen inzake andere
vrijheidsbenemende dwangmiddelen, te weten aanhouden (buiten heterdaad)
en in het bijzonder het ophouden voor onderzoek (artikelen 53, 54 en 61
Sv). Het ophouden voor onderzoek vindt plaats op bevel van de officier
van justitie of de hulpofficier van justitie en kan ten hoogste zes uur
duren, waarbij de tijd tussen middernacht en 9.00 uur in de ochtend niet
wordt meegerekend. Mogelijk is de gedachte dat in het kader van het
ophouden voor onderzoek de algemene regeling volstaat dat in alle
gevallen waarin een verdachte die de Nederlandse taal niet of
onvoldoende beheerst, de hulp van een tolk wordt ingeroepen (artikel 29a
Sv, als voorgesteld). Die bepaling geldt echter ook voor het verhoor van
de verdachte in het kader van de inverzekeringstelling of voorlopige
hechtenis, terwijl daarvoor wel een afzonderlijke regeling wordt
getroffen. 

De Afdeling adviseert in het licht van artikel 3, tweede lid, van de
richtlijn in de toelichting in te gaan op de verplichting met betrekking
tot verdachten die het Nederlands niet of onvoldoende beheersen tot
schriftelijke mededeling in een voor de verdachte begrijpelijke taal van
bevelen tot aanhouding (buiten heterdaad) en met name het ophouden voor
onderzoek en het voorstel zo nodig aan te passen. 

3. 	Raadkamerprocedure

Volgens artikel 2, eerste lid, van de richtlijn zorgen de lidstaten
ervoor dat een verdachte die de taal van de lidstaat niet spreekt
onverwijld door een tolk wordt bijgestaan tijdens de strafprocedure
onder meer tijdens alle zittingen en alle 'noodzakelijke tussentijdse
zittingen'. Over de implementatie van deze bepaling heeft de Afdeling
twee opmerkingen.

a. 	Uitsluiting van bijstand door een tolk 

In de toelichting wordt gesteld dat een verdachte die de Nederlandse
taal niet of onvoldoende beheerst in de praktijk in raadkamerprocedures
wordt bijgestaan door een tolk, maar dat deze praktijk niet expliciet in
de wet is opgenomen. Ter implementatie wordt voorgesteld om artikel 23
Sv aan te vullen met een nieuw vierde lid dat bepaalt dat indien de
verdachte de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst, door het
openbaar ministerie de bijstand van een tolk wordt ingeroepen. Volgens
het nieuwe zesde lid van artikel 23 is (onder meer) het vierde lid niet
van toepassing 'voor zover het belang van het onderzoek hierdoor ernstig
wordt geschaad'. In de toelichting wordt de noodzaak voor deze
uitsluiting niet gemotiveerd. Daar komt bij dat de richtlijn geen
mogelijkheid bevat tot het maken van een dergelijke uitzondering op
tolkenbijstand tijdens alle (noodzakelijke tussentijdse) zittingen. 

Gelet hierop adviseert de Afdeling het voorstel om tolkenbijstand in de
raadkamerprocedure uit te kunnen sluiten indien het onderzoek hierdoor
ernstig wordt geschaad te schrappen. 

b. 	Beschikkingen 

In de artikelen 365 en 366 Sv wordt een regeling voorgesteld met
betrekking de vertaling van de essentiële onderdelen van vonnissen voor
de gevallen dat de verdachte die de taal niet of onvoldoende beheerst,
niet bij de uitspraak aanwezig was en hij daarom verzoekt. De Raad voor
de rechtspraak heeft in zijn advies opgemerkt dat een overeenkomende
regeling voor vertaling van raadkamerbeschikkingen ontbreekt. Naar het
oordeel van de regering kan uit de richtlijn niet worden afgeleid dat
onder de term 'vonnissen' ook beschikkingen zouden moeten worden
verstaan. Voorts stelt de regering dat in het algemeen geen regeling kan
worden getroffen voor de veelheid aan raadkamerbeslissingen die ook
ondergeschikte onderdelen van het vonnis kunnen betreffen. 

De Afdeling onderkent dat het bij raadkamerbeslissingen kan gaan om een
veelheid van beschikkingen, maar de richtlijn spreekt heel algemeen over
'vonnissen'. In de uitleg van de regering zou de richtlijn enerzijds het
recht van de verdachte op vertolking bij 'alle noodzakelijke
tussentijdse zittingen' uitdrukkelijk regelen, maar anderzijds zou de
rechterlijke beslissing naar aanleiding van die tussentijdse procedure
niet hoeven worden vertaald, in de gevallen dat de verdachte die het
Nederlands niet of onvoldoende beheerst niet bij de uitspraak aanwezig
was. Een dergelijke interpretatie ligt niet in de rede. Daarbij wijst de
Afdeling op het woordgebruik voor 'vonnissen' in andere taalversies van
de richtlijn, zoals in de Engelse versie 'any judgment' en in de Duitse
taalversie 'jegliches Urteil'.  

Gelet hierop adviseert de Afdeling een met de artikelen 365 en 366 Sv
overeenkomende regeling te treffen met betrekking tot de vertaling van
de essentiële onderdelen van beschikkingen die relevant zijn voor de
zaak zelf als bedoeld in artikel 3, vierde lid van de richtlijn, voor de
gevallen dat de verdachte niet bij de uitspraak aanwezig was en hij
daarom verzoekt.  

4. 	Vaststelling dat de verdachte tolkenbijstand behoeft 

Volgens artikel 2, vierde lid, van de richtlijn moeten de lidstaten
ervoor zorgen dat er een procedure is om te controleren of de verdachte
de taal van de procedure spreekt en of hij de bijstand van een tolk
nodig heeft. De regering is van oordeel dat deze bepaling zich naar haar
aard minder goed voor implementatie in een wet leent en dat het meer
gaat om praktische maatregelen in de vorm van een aanwijzing. 

In de toelichting wordt gesteld dat het moment van het eerste verhoor
bij de politie cruciaal is. "In beginsel wordt voor een verdachte,
wanneer deze aangeeft niet in staat te zijn in het Nederlands een
verklaring af te leggen, steeds een tolk opgeroepen. Dit is alleen
anders wanneer de politie weet dat de verdachte het Nederlands goed
beheerst, bijvoorbeeld omdat het niet de eerste keer is dat hij met de
politie in aanraking is gekomen. Wanneer de verdachte en verbalisant van
mening verschillen over de vraag of tolkenbijstand is geboden, wordt de
kwestie voorgelegd aan de (hulp)officier van justitie die beslist." 

Gelet op de fundamentele belangen die worden gediend met vertolking en
vertaling in strafprocedures  - te weten het recht van de verdachte op
een eerlijk proces, het belang van de interne openbaarheid en het belang
van de  waarheidsvinding - is de Afdeling van oordeel dat het
aanbeveling verdient om in de wet zelf een procedure op te nemen met het
oog op de vaststelling dat een verdachte tolkenbijstand behoeft tijdens
het voorbereidend onderzoek. Daarbij verdient het aanbeveling om in
geval van verschil van mening de officier van justitie te laten
beslissen. De officier van justitie heeft de leiding over en is
verantwoordelijk voor het voorbereidend onderzoek. Daartoe adviseert de
Afdeling. 

5. 	Wijziging tenlastelegging 

Volgens artikel 3, eerste lid, van de richtlijn zorgen de lidstaten
ervoor dat een verdachte die de taal van de strafprocedure niet verstaat
binnen een redelijke termijn een schriftelijke vertaling ontvangt van de
dagvaarding of tenlastelegging. Ter implementatie wordt voorgesteld dat
indien de verdachte de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst hem
een schriftelijke vertaling van de dagvaarding wordt verstrekt dan wel
hem schriftelijk mededeling wordt gedaan van de essentiële onderdelen
daarvan (artikel 260, vierde lid, Sv). 

De Afdeling stelt vast dat niet is geregeld dat de verdachte ook een
vertaling ontvangt van een wijziging van de tenlastelegging in de zin
van de artikelen 313 en 314 Sv. Mede gelet op het grote gewicht van de
tenlastelegging in het Nederlands strafproces adviseert de Afdeling om
een regeling op te nemen met betrekking tot vertaling van een wijziging
van de tenlastelegging voor de verdachte die het Nederlands niet
verstaat.  

6.	Het gebruik van communicatietechnologie 

Artikel 2, zesde lid, van de richtlijn bepaalt dat in voorkomend geval
gebruik kan worden gemaakt van communicatietechnologie zoals
videoconferentie, telefoon en internet, tenzij de aanwezigheid van de
tolk ter plaatse vereist is om het eerlijk verloop van de procedure te
waarborgen. Uit de toelichting bij de in de bijlage opgenomen
transponeringstabel blijkt dat de regering meent dat deze bepaling 'uit
haar aard' geen implementatie behoeft. De Afdeling is daarvan niet
overtuigd. De Afdeling wijst er in dit verband op dat bij wet van 16
juli 2005 een algemene regeling over het horen van personen per
videoconferentie in het Wetboek van Strafvordering is opgenomen. Op
grond daarvan kan videoconferentie worden toegepast in alle situaties
waarin in het Wetboek van Strafvordering wordt gesproken van het horen,
verhoren of ondervragen van personen. Naar het oordeel van de Afdeling
kan deze regeling niet worden beschouwd als een implementatie van
artikel 2, zesde lid, van de richtlijn, reeds omdat zij niet de
uitzondering bevat van het waarborgen van het eerlijk proces. 

De Afdeling adviseert alsnog een regeling in het voorstel op te nemen
ter implementatie van artikel 2, zesde lid, van de richtlijn.  

 

7. 	Verhouding tot het wetsvoorstel raadsman en politieverhoor

Ter uitwerking van de richtlijn stelt artikel 28, derde lid, van het
voorstel de raadsman verantwoordelijk voor het oproepen van een tolk
indien voor het overleg tussen raadsman en verdachte de bijstand van een
tolk nodig is. In het voorstel raadsman en politieverhoor waarover de
Afdeling onlangs heeft geadviseerd, is in artikel 46, tweede lid,
laatste volzin, Sv eenzelfde regeling voorgesteld. Het wetsvoorstel
raadsman en politieverhoor bevat bovendien een regeling voor het geval
dat het onderhavige voorstel eerder of tegelijk met het voorstel
raadsman en politieverhoor in werking treedt. Daarin wordt in artikel
28, vijfde lid, Sv een soortgelijk voorschrift opgenomen als in artikel
28, derde lid, Sv van het voorliggende voorstel. De Afdeling adviseert
de afstemming met het wetsvoorstel raadsman en politieverhoor nader te
bezien en ook in het voorliggende wetsvoorstel een regeling voor de
samenloop met het wetsvoorstel raadsman en politieverhoor op te nemen.  

8. 	Voor redactionele kanttekeningen verwijst de Afdeling naar de bij
het advies behorende bijlage.

De Afdeling advisering van de Raad van State geeft U in overweging het
voorstel van wet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal,
nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.

De vice-president van de Raad van State,	

Bijlage bij het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State
betreffende no.W03.12.0210/II met redactionele kanttekeningen die de
Afdeling in overweging geeft.

Artikel I, onderdeel P, "In de artikelen 263, eerste lid, en 275, eerste
lid" wijzigen in: In de artikelen 51c, derde lid, 263, eerste lid, en
275, eerste lid. 

In de transponeringstabel met betrekking tot artikel 1, tweede lid, van
de richtlijn de zinsnede "Bepaling behoeft uit haar aard geen
implementatie" schrappen en in de kolom 'Artikel wetsvoorstel of
bestaande wet- of regelgeving' opnemen: Artikel I, onderdelen A, C, E,
F, K, L, O, R en S van het wetsvoorstel.    

Bij de ondertekening van het wetsvoorstel en van de memorie van
toelichting "De Minister van Veiligheid en Justitie" wijzigen in: De
Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

In de memorie van toelichting, par. 1, vijfde alinea, ingaan op de in
het  wetsvoorstel raadsman en politieverhoor opgenomen voorschriften met
betrekking tot de verplichting tot mededeling aan de verdachte van zijn
rechten, waaronder het recht op vertolking en vertaling.         

   Naar aanleiding van het advies van de Afdeling advisering van de Raad
van State is in het Besluit OM-afdoening en enkele andere besluiten in
verband met de invoering van de bestuurlijke strafbeschikking de geringe
ernst van feiten als criterium opgenomen voor de mogelijkheid van
afdoening met een bestuurlijke strafbeschikking. Vgl. Staatscourant
2012, 7443. 

   Vgl. T&C Strafvordering, aantekening 2 bij artikel 257ba. 

  	Vergelijk de voorgestelde artikelen 59, zevende, en 78, zesde lid:
Indien de verdachte de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst,
wordt hem zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling gedaan van het
strafbare feit ten aanzien waarvan de verdenking is gerezen, de grond
voor uitvaardiging en de geldigheidsduur van het bevel.   

  	Onlangs heeft de Afdeling advies uitgebracht over het wetsvoorstel
raadsman en politieverhoor (W03.12.0110/II). Dat wetsvoorstel voorziet
erin dat de aangehouden verdachte wordt medegedeeld ter zake van welk
feit hij als verdachte is aangemerkt en dat hem voorafgaand aan zijn
eerste verhoor schriftelijk en mondeling mededeling wordt gedaan van de
rechten die hem toekomen, waaronder het recht op vertolking en
vertaling. Ook in dat wetsvoorstel is echter niet geregeld dat aan de
verdachte die de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst een
schriftelijke vertaling of een mondelinge samenvatting in de taal die de
verdachte verstaat wordt verstrekt van het bevel tot aanhouding of het
bevel tot ophouden voor onderzoek. 

  Ter implementatie van artikel 3, eerste lid, van de richtlijn.  

 	Onder 'beschikkingen' worden verstaan alle niet op de terechtzitting
gegeven rechterlijke beslissingen (artikel 138 Sv).  

 	Toelichting op onderdelen S en T, laatste alinea. 

 	Toelichting, par. 3.1, Vaststelling of de verdachte al dan niet
bijstand van een tolk behoeft, derde alinea. 

   Artikel 313 Sv bepaalt dat de officier van justitie een wijziging van
de tenlastelegging schriftelijk aan de rechtbank overlegt. Daarnaast kan
de officier van justitie, indien uit het onderzoek omstandigheden bekend
zijn geworden, die, niet in de dagvaarding vermeld, volgens de wet tot
verzwaring van straf opleveren, deze alsnog mondeling ten laste leggen
(artikel 312 Sv). Nu het in artikel 312 Sv gaat om mondelinge aanvulling
door de officier van justitie, gaat het niet aan om voor dit artikel
schriftelijke vertaling van de verzwaarde tenlastelegging voor te
stellen. 

  Wet van 16 juli 2005, Stb. 388, in werking getreden op 1 januari 2007.


 	Het voorgestelde artikel 28, derde lid, luidt: Indien voor het overleg
tussen de verdachte en zijn raadsman de bijstand van een tolk nodig is,
is de raadsman verantwoordelijk voor het oproepen van de tolk.  

 	W03.12.0110/II. Artikel 46, tweede lid, van het voorstel raadsman en
politieverhoor luidt:  De verdachte die de Nederlandse taal niet
verstaat of onvoldoende beheerst kan ten behoeve van zijn contacten met
zijn raadsman een beroep doen op bijstand van een beëdigde tolk. De
raadsman is verantwoordelijk voor het oproepen van een tolk. 

  Indien het voorliggende voorstel in werking is getreden voordat het
voorstel raadsman en politieverhoor in werking treedt, wordt een lid
toegevoegd aan artikel 28, luidende: 5. De verdachte die de Nederlandse
taal niet verstaat of onvoldoende beheerst kan ten behoeve van zijn
contacten met zijn raadsman een beroep doen op bijstand van een tolk. De
raadsman is verantwoordelijk voor het oproepen van een tolk. 

 PAGE    

  PAGE  5 

 PAGE   I 

AAN DE KONINGIN

........................................................................
...........