33422 Advies Raad van State Implementatie van kaderbesluit 2009/829/JBZ van de Raad van de Europese Unie van 23 oktober 2009 inzake de toepassing tussen de lidstaten van de Europese Unie, van het beginsel van wederzijdse erkenning op beslissingen inzake toezichtmaatregelen als alternatief voor voorlopige hechtenis (PbEU L 294)
Implementatie van kaderbesluit 2009/829/JBZ van de Raad van de Europese Unie van 23 oktober 2009 inzake de toepassing tussen de lidstaten van de Europese Unie, van het beginsel van wederzijdse erkenning op beslissingen inzake toezichtmaatregelen als alternatief voor voorlopige hechtenis (PbEU L 294)
Advies Afdeling advisering Raad van State
Nummer: 2012D36236, datum: 2012-10-04, bijgewerkt: 2024-02-19 10:56, versie: 1
Directe link naar document (.doc), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: I.W. Opstelten, minister van Veiligheid en Justitie
Onderdeel van zaak 2012Z16574:
- Volgcommissie: vaste commissie voor Europese Zaken
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Veiligheid en Justitie (2010-2017)
- Stemmingen en besluiten:
- 2013-05-16 10:14 ⇒ Wetsvoorstel zonder stemming aangenomen. (Besluit)
- 2013-04-24 14:30 ⇒ Aanmelden voor plenaire behandeling; via een schriftelijke procedure zal de leden worden gevraagd kenbaar te maken of het wetsvoorstel als hamerstuk kan worden aangemeld. (Besluit)
- 2012-11-22 14:00 ⇒ Inbreng geleverd (Besluit)
- 2012-10-10 13:30 ⇒ Inbrengdatum voor het verslag vastgesteld op 22 november 2012. (Besluit)
- 2012-10-09 15:00 ⇒ Koninklijke boodschap, met de erbij behorende stukken, is al rondgezonden en gepubliceerd (Besluit)
- 2012-10-09 15:00: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2012-10-10 13:30: Procedures en brieven (Procedurevergadering), vaste commissie voor Veiligheid en Justitie (2010-2017)
- 2012-11-22 14:00: Implementatie van kaderbesluit 2009/829/JBZ van de Raad van de Europese Unie van 23 oktober 2009 inzake de toepassing tussen de lidstaten van de Europese Unie, van het beginsel van wederzijdse erkenning op beslissingen inzake toezichtmaatregelen als alternatief voor voorlopige hechtenis (PbEU L 294) (33422) (Inbreng verslag (wetsvoorstel)), vaste commissie voor Veiligheid en Justitie (2010-2017)
- 2013-04-24 14:30: Procedures en brieven (Procedurevergadering), vaste commissie voor Veiligheid en Justitie (2010-2017)
- 2013-05-16 10:14: Implementatie van kaderbesluit 2009/829/JBZ van de Raad van de Europese Unie van 23 oktober 2009 inzake de toepassing tussen de lidstaten van de Europese Unie, van het beginsel van wederzijdse erkenning op beslissingen inzake toezichtmaatregelen als alternatief voor voorlopige hechtenis (33 422) (Hamerstukken), TK
Preview document (🔗 origineel)
No.W03.12.0272/II 's-Gravenhage, 7 september 2012 Bij Kabinetsmissive van 20 juli 2012, no.12.001727, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Veiligheid en Justitie, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot implementatie van kaderbesluit 2009/829/JBZ van de Raad van de Europese Unie van 23 oktober 2009 inzake de toepassing tussen de lidstaten van de Europese Unie, van het beginsel van wederzijdse erkenning op beslissingen inzake toezichtmaatregelen als alternatief voor voorlopige hechtenis (PbEU L 294), met memorie van toelichting. Het wetsvoorstel strekt tot implementatie van het kaderbesluit 2009/829/JBZ van de Raad van de Europese Unie van 23 oktober 2009 houdende de toepassing, tussen de lidstaten van de Europese Unie, van het beginsel van wederzijdse erkenning op beslissingen houdende toezichtmaatregelen als alternatief voor voorlopige hechtenis (kaderbesluit). Een beslissing houdende de schorsing van de voorlopige hechtenis, waarbij aan betrokkene als voorwaarde voor de schorsing toezichtmaatregelen zijn opgelegd, wordt in de lidstaat waar betrokkene zijn woon- of verblijfplaats heeft, in beginsel erkend en tenuitvoergelegd, indien betrokkene instemt met terugkeer naar die lidstaat. De toezichtmaatregelen kunnen betreffen het gebod een bepaalde autoriteit in kennis te stellen van een wijziging van de woon- of verblijfplaats, een gebieds- of contactverbod, een meldplicht, of de beperking van het recht om de uitvoerende lidstaat te verlaten. Indien de betrokkene de verplichtingen niet naleeft, kan hij worden overgeleverd aan de uitvaardigende lidstaat. De Afdeling advisering van de Raad van State onderschrijft de strekking van het wetsvoorstel, maar maakt een opmerking over de verlenging van de termijn voor de erkenning. Zij is van oordeel dat in verband daarmee aanpassing van het voorstel wenselijk is. 1. Verlenging van de termijn voor de erkenning De Afdeling stelt vast dat het wetsvoorstel geen bepaling bevat ter implementatie van artikel 12, tweede lid, van het kaderbesluit. De in de transponeringstabel opgenomen toelichting op artikel 12 van het kaderbesluit gaat er abusievelijk vanuit, dat de term "beslissing" in artikel 12, tweede lid, van het kaderbesluit doelt op de erkenningsbeslissing in de uitvoerende lidstaat en dat genoemde bepaling van het kaderbesluit geen implementatie behoeft, omdat tegen de erkenningsbeslissing geen rechtsmiddel kan worden aangewend. De Afdeling merkt op dat uit artikel 12, eerste lid, in combinatie met het tweede lid, van het kaderbesluit volgt dat de term "beslissing" in artikel 12, tweede lid, van het kaderbesluit verwijst naar de beslissing inzake toezichtmaatregelen van de uitvaardigende lidstaat. Indien tegen laatstgenoemde beslissing in de uitvaardigende lidstaat een rechtsmiddel is aangewend, wordt de termijn voor erkenning van de beslissing in de uitvoerende lidstaat met 20 werkdagen verlengd. De Afdeling adviseert artikel 8 van het wetsvoorstel dienovereenkomstig aan te vullen. 2. Voor redactionele kanttekeningen verwijst de Afdeling naar de bij het advies behorende bijlage. De Afdeling advisering van de Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden. De vice-president van de Raad van State, Bijlage bij het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State betreffende no.W03.12.0272/II met redactionele kanttekeningen die de Afdeling in overweging geeft. In artikel I, in artikel 3, het tweede lid als volgt redigeren: "Bij algemene maatregel van bestuur kunnen toezichtmaatregelen als bedoeld in het eerste lid, onder g, worden aangewezen." In artikel I, in artikel 8 opnemen dat betrokkene in kennis wordt gesteld van de erkenningsbeslissing (overeenkomstig artikel 3:10, derde lid van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties (Stb. 2012, 333)). In artikel 80 Wetboek van Strafvordering opnemen dat de rechter kan bevelen dat toepassing wordt gegeven aan artikel 16 en 18. Doel van het kaderbesluit is de toepassing van niet tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen te bevorderen en te voorkomen dat niet-ingezeten verdachten minder snel in aanmerking komen voor alternatieven voor voorlopige hechtenis dan ingezetenen. Behoudens de weigeringsgronden ne bis in idem, verjaring, immuniteit en leeftijd van strafrechtelijke aansprakelijkheid, het ontbreken van dubbele strafbaarheid (in bepaalde gevallen) en beletselen inzake overlevering. Artikel 3 van het wetsvoorstel en artikel 8 van het kaderbesluit. Voor Nederland gaat het om 100 uitgaande zaken en ongeveer 50 inkomende zaken per jaar, indien alle lidstaten het kaderbesluit hebben geïmplementeerd. PAGE PAGE 2 PAGE I AAN DE KONINGIN ........................................................................ ...........