[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

33427 Adv RvSt inzake Wijziging van enige wetten in verband met de handhaving van voorschriften in de Engelse taal

Wijziging van enige wetten in verband met de handhaving van voorschriften in de Engelse taal

Advies Afdeling advisering Raad van State

Nummer: 2012D37030, datum: 2012-10-05, bijgewerkt: 2024-02-19 10:56, versie: 1

Directe link naar document (.doc), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Onderdeel van zaak 2012Z16867:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


No.W03.12.0197/II	's-Gravenhage, 16 juli 2012

Bij Kabinetsmissive van 18 juni 2012, no.12.001344, heeft Uwe Majesteit,
op voordracht van de Minister van Veiligheid en Justitie, bij de
Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig
gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van enige wetten in verband
met de handhaving van voorschriften in een vreemde taal, met memorie van
toelichting.

Het voorstel sterkt ertoe om de mogelijkheid te scheppen dat bepalingen
van verdragen en besluiten van internationale organisaties die
strafrechtelijk dienen te worden gehandhaafd, niet langer in alle
gevallen in het Nederlands hoeven te zijn opgesteld. De Afdeling
advisering van de Raad van State maakt naar aanleiding van het
wetsvoorstel een aantal opmerkingen met betrekking tot onder meer de
noodzaak van het voorstel en de afbakening van de afwijkingsbevoegdheid.
Zij is van oordeel dat in verband daarmee het voorstel nader dient te
worden onderbouwd en zo nodig aan te passen.

1.	Engels als vreemde taal

In het opschrift van het voorstel van wet en in de considerans wordt
gesproken van "voorschriften (die zijn gesteld) in een vreemde taal",
terwijl in de voorgestelde wijzigingen uitsluitend sprake is van het
Engels als vreemde taal. Nu niet binnen afzienbare tijd te verwachten is
dat de in het voorstel als aanleiding gekozen situatie dat een andere
taal dan het Nederlands "voertaal" is, zich ten aanzien van een andere
vreemde taal dan het Engels zal voordoen, adviseert de Afdeling deze
beperking in het opschrift en de considerans tot uitdrukking te brengen
en ook in de memorie van toelichting met deze beperking rekening te
houden.

2.	Noodzaak

Aanleiding voor het voorstel vormt het feit dat in de wetgeving op
sommige terreinen veelvuldig verwezen wordt naar regels die door
bijvoorbeeld internationale organisaties worden opgesteld in het Engels
als de authentieke taal. De Hoge Raad heeft in een arrest van 24 juni
1997 overwogen dat het begrip 'wettelijke strafbepaling' in artikel 16
van de Grondwet en artikel 1, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht
zo moet worden geïnterpreteerd, dat daarmee uitsluitend wordt gedoeld
op van een strafbepaling voorziene normen die in de Nederlandse taal
zijn gesteld en bekendgemaakt. Deze interpretatie brengt mee dat de
hiervoor genoemde in het Engels gestelde regels van internationale
organisaties vertaald moeten worden naar het Nederlands, indien zij
normen bevatten die via het strafrecht worden gehandhaafd.

In de toelichting geeft de regering aan dat in die gevallen waarin de
regels een hoog technische karakter hebben en zich richten tot een
doelgroep die gewend is in die vreemde taal te communiceren, de eis dat
de voorschriften in het Nederlands moeten worden vertaald, niet steeds
gerechtvaardigd is. De regering stelt dat het vertalen van deze
voorschriften veel geld kost en tijdrovend is. Tevens kan het in
bepaalde gevallen contraproductief werken omdat het moeilijk is om een
goede vertaling van bepaalde voorschriften te maken, waardoor er
verschillen kunnen ontstaan tussen de authentieke tekst en de
Nederlandse vertaling. 

De Afdeling merkt op dat voor verdragen op zich geen verplichting geldt
deze te vertalen in het Nederlands. Artikel 16, eerste lid, van de
Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen bepaalt dat de
bekendmaking van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke
organisaties geschiedt in het Tractatenblad van het Koninkrijk der
Nederlanden. Artikel 17, onder a, stelt dat in het Tractatenblad worden
geplaatst: de tekst van het verdrag of het besluit in één of meer
talen. Artikel 18, onder a, bepaalt vervolgens dat voorts in het
Tractatenblad kan worden geplaatst: een vertaling in het Nederlands van
het verdrag of het besluit.

Voor zover het daarbij om strafrechtelijk te handhaven bepalingen van
verdragen en besluiten van internationale organisaties gaat, heeft de
Hoge Raad echter de hiervoor vermelde interpretatie van artikel 16 van
de Grondwet gegeven. Zoals de toelichting aangeeft, staat het de
wetgever vrij om een nadere interpretatie te geven aan een bepaalde
Grondwetsbepaling, ook als deze interpretatie afwijkt van die van de
Hoge Raad. Dit vraagt evenwel om een dragende motivering van de noodzaak
van de wijziging.

De Afdeling mist in de toelichting een dergelijke motivering. In de
eerste plaats is het de Afdeling opgevallen dat het arrest van de Hoge
Raad zo'n vijftien jaar geleden is gewezen. De toelichting maakt geen
melding van problemen van enige omvang die sindsdien zijn ontstaat.
Voorts overweegt de Afdeling het volgende. Artikel 16 van de Grondwet
betreft het nulla poena beginsel. Onderdeel van dit beginsel, dat ook in
artikel 1 van het Wetboek van Strafrecht en in mensenrechtenverdragen is
neergelegd, vormt de eis van bepaalbaarheid van strafbepalingen. Het
werken met regels die gesteld worden in verdragen en door internationale
organisaties zonder dat deze regels in het Nederlands vertaald worden,
kan afbreuk doen aan deze bepaalbaarheid. 

De Afdeling onderkent dat de in het voorstel opgenomen onderwerpen
terreinen betreffen waarbij van degenen die op die terreinen actief
zijn, althans in overgrote meerderheid, verwacht mag worden dat zij de
Engelse taal machtig zijn. Dit is echter, reeds omdat zich in die
taalvaardigheid gradaties voordoen, vanuit het oogpunt van de
bepaalbaarheid geen afdoende reden om een uitzondering te maken op de
door de Hoge Raad reeds in 1997 gegeven interpretatie van artikel 16 van
de Grondwet. 

De algemene verwijzingen naar veranderde omstandigheden en een toename
van technologisering en internationalisering biedt naar het oordeel van
de Afdeling daarvoor ook geen afdoende motivering, evenmin als de
stelling dat het in sommige sectoren wenselijk is om het Engels als
voertaal te stimuleren. Het enkele feit dat in de onderlinge
communicatie tussen deelnemers in een bepaalde sector het Engels de
voertaal is, staat er immers niet aan in de weg dat strafbepalingen ook
in de Nederlandse taal kenbaar worden gemaakt. Zeker nu in alle gevallen
de authentieke tekst van het verdrag of de overeenkomst in Nederland
wordt gepubliceerd, wordt aan deze deelnemers voldoende mogelijkheid
geboden om kennis te nemen van de Engelse bepalingen. 

Over het aspect van de kosten die de verplichte vertaling met zich
brengt, is de toelichting onduidelijk. Enerzijds wordt in de toelichting
aangegeven dat deze kosten een factor zijn om te besluiten om geen
vertaling beschikbaar te stellen. Anderzijds stelt de toelichting dat
het voorstel er weliswaar toe leidt dat de verantwoordelijke
departementen zich de kosten en moeite van een vertaling van vreemde
voorschriften kunnen besparen, maar dat dit een bescheiden besparing
oplevert en niet het doel van het wetsvoorstel is. 

Op grond van het voorgaande concludeert de Afdeling dat de noodzaak het
uitgangspunt van de Nederlandse taal als rechtstaal los te laten en de
interpretatie van de Hoge Raad van het begrip 'wettelijke strafbepaling'
in artikel 16 van de Grondwet niet langer te volgen, niet toereikend
zijn gemotiveerd. De Afdeling adviseert in de toelichting de noodzaak
van het voorstel alsnog dragend te motiveren en het voorstel zo nodig
aan te passen. 

3. 	Doelmatigheid

Met betrekking tot de handhaving vermeldt de toelichting dat niet is
gebleken dat in de praktijk problemen zijn ontstaan door de uitspraak
van de Hoge Raad. De toelichting vermeldt dat er weliswaar
strafbepalingen zijn die niet in het Nederlands zijn vertaald, maar dat
dit niet tot handhavingsproblemen leidt. Aangegeven wordt dat dit
verschillende oorzaken kan hebben. Zo kan het zijn dat overtredingen van
zulke bepalingen nooit tot de oplegging van een strafsanctie leiden,
omdat de overtredingen op andere wijze worden afgedaan. Denkbaar is ook
dat de bij de sanctie-oplegging betrokken personen zulke situaties niet
als problematisch ervaren.

In de toelichting wordt niet ingegaan op de vraag of en in hoeverre
strafrechtelijk te handhaven regels die uitsluitend in het Engels zijn
gesteld, complicaties kunnen opleveren bij de strafvervolging en
berechting. Van de daarbij betrokken vervolgende en rechterlijke
instanties kan moeilijk worden verondersteld dat het Engels hun
"voertaal" is. Ook wordt niet ingegaan op de vraag of bij vervolging op
basis van een uitsluitend in het Engels gestelde strafnorm ook de
telastelegging in het Engels dient te worden gesteld om het risico te
beperken dat deze niet volledig aansluit bij de strafnorm, zodat ontslag
van rechtsvervolging dient te volgen. 

De Afdeling adviseert in de toelichting aandacht te besteden aan de
complicaties die het voorstel voor de strafvervolging met zich kan
brengen.

Onverminderd het bovenstaande merkt de Afdeling het volgende op.

4.	Wettelijke regeling van de afbakening van de afwijkingsbevoegdheid

In de toelichting worden enkele criteria gegeven waaraan voldaan moet
worden om sanctionering van voorschriften in een vreemde taal toe te
staan. De toelichting stelt hierover dat de wetgever hierbij steeds
nauwkeurig moet aangeven om welke (categorieën) voorschriften het gaat.
Daarnaast moeten de voorschriften zich richten tot een doelgroep die
gewend is in de betrokken vreemde taal te communiceren, het moeten
voorschriften betreffen met een in hoge mate technische karakter die
moeilijk vertaalbaar zijn en de betrokken voorschriften moeten zo
omvangrijk zijn of zo vaak wijzigen dat het vertalen in het Nederlands
onevenredig hoge kosten meebrengt. De Afdeling onderschrijft de genoemde
criteria, maar acht het noodzakelijk dat wordt aangegeven of deze al dan
niet cumulatief gelden. 

De Afdeling wijst er daarnaast op dat niet in alle artikelen uit het
voorstel aan deze criteria strak de hand wordt gehouden. Artikel IV
maakt het bijvoorbeeld mogelijk om bij of krachtens de
Scheepvaartverkeerswet overtreding van besluiten van volkenrechtelijke
organisaties als strafbaar feit aan te merken, als deze besluiten in de
Engelse taal zijn gesteld en bekend gemaakt. Het artikel bevat geen
omschrijving van het onderwerp van deze besluiten, noch geeft het enige
nadere specificatie van de volkenrechtelijke organisaties die het zou
kunnen betreffen. Dit betekent dat bij lagere regelgeving feitelijk
vrijwel alle besluiten van volkenrechtelijke organisaties zouden kunnen
worden aangewezen. Ook artikel VIII bevat een dergelijke ruime
omschrijving. In de toelichting bij beide artikelen wordt weliswaar
nauwkeuriger aangegeven om welk type besluiten het gaat, maar deze
nadere specificatie is niet opgenomen in de tekst van het artikel. 

De Afdeling adviseert de afwijkingsbevoegdheid en de daarvoor geldende
criteria in het Wetboek van Strafrecht op te nemen en op basis daarvan
de afzonderlijke voorgestelde afwijkingsbevoegdheden zo nauwkeurig
mogelijk af te bakenen, opdat voldoende verzekerd is dat deze voldoen
aan de gestelde criteria. De Afdeling adviseert het voorstel in het
licht van het bovenstaande aan te passen.

5.	Voor redactionele kanttekeningen verwijst de Afdeling naar de bij het
advies behorende bijlage.

De Afdeling advisering van de Raad van State geeft U in overweging het
voorstel van wet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal nadat
met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.

De vice-president van de Raad van State,

Bijlage bij het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State
betreffende no.W03.12.0197/II met redactionele kanttekeningen die de
Afdeling in overweging geeft.

In artikel I, onderdeel C, aangeven wat het nummer wordt van het nieuw
toe te voegen lid.

Paragraaf 3 van de toelichting splitsen in een artikelsgewijze
toelichting.

	HR 24 juni 1997, NJ 1998/70, LJN ZD 0773.

	Toelichting, paragraaf 1, vierde alinea. 

	Toelichting, paragraaf 4, derde alinea.

	Toelichting, paragraaf 4, eerste alinea. 

	Toelichting paragraaf 1, vierde alinea.

 PAGE    

  PAGE  4 

 PAGE   I 

AAN DE KONINGIN

........................................................................
...........