33572 Adv RvSt inzake Wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met de herziening van de regels over werking van de strafwet buiten Nederland (herziening regels betreffende extraterritoriale rechtsmacht in strafzaken)
Wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met de herziening van de regels over werking van de strafwet buiten Nederland (herziening regels betreffende extraterritoriale rechtsmacht in strafzaken)
Advies Afdeling advisering Raad van State
Nummer: 2013D10122, datum: 2013-03-12, bijgewerkt: 2024-02-19 10:56, versie: 1
Directe link naar document (.doc), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Onderdeel van zaak 2013Z04759:
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Veiligheid en Justitie (2010-2017)
- Stemmingen en besluiten:
- 2013-11-07 10:14 â Wetsvoorstel zonder stemming aangenomen. (Besluit)
- 2013-10-03 13:45 â Agenderen voor plenair debat. (Besluit)
- 2013-10-02 14:30 â Aanmelden voor plenaire behandeling. (Besluit)
- 2013-04-18 14:00 â Inbreng geleverd. (Besluit)
- 2013-03-27 14:30 â Inbrengdatum voor het verslag vastgesteld op 18 april 2013. (Besluit)
- 2013-03-12 15:00 â Koninklijke boodschap, met de erbij behorende stukken, is al rondgezonden en gepubliceerd. (Besluit)
- 2013-03-12 15:00: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2013-03-27 14:30: Procedures en brieven (Procedurevergadering), vaste commissie voor Veiligheid en Justitie (2010-2017)
- 2013-04-18 14:00: Wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met de herziening van de regels over werking van de strafwet buiten Nederland (herziening regels betreffende extraterritoriale rechtsmacht in strafzaken) (33572) (Inbreng verslag (wetsvoorstel)), vaste commissie voor Veiligheid en Justitie (2010-2017)
- 2013-10-02 14:30: Procedures en brieven (Procedurevergadering), vaste commissie voor Veiligheid en Justitie (2010-2017)
- 2013-10-03 13:45: Aanvang middagvergadering: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2013-11-07 10:14: Hamerstuk: Wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met de herziening van de regels over werking van de strafwet buiten Nederland (herziening regels betreffende extraterritoriale rechtsmacht in strafzaken) (33572) (Hamerstukken), TK
Preview document (đ origineel)
No.W03.12.0458/II 's-Gravenhage, 10 december 2012 Bij Kabinetsmissive van 14 november 2012, no.12.002690, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Veiligheid en Justitie, mede namens de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met de herziening van de regels over de werking van de strafwet buiten Nederland (herziening regels betreffende extraterritoriale rechtsmacht in strafzaken), met memorie van toelichting. Het wetsvoorstel strekt tot herziening van de regeling in het Wetboek van Strafrecht (Sr) betreffende de uitoefening van extraterritoriale rechtsmacht door Nederland. Extraterritoriale rechtsmacht houdt in dat strafbare feiten die in het buitenland zijn begaan, in Nederland kunnen worden vervolgd en berecht. Het wetsvoorstel beoogt (a) meer bescherming te bieden aan Nederlanders en met hen in dat opzicht gelijk te stellen vreemdelingen die in het buitenland slachtoffer worden van een strafbaar feit, (b) de rechtsmacht uit te breiden ten aanzien van in Nederland woon- of verblijfplaats hebbende vreemdelingen die zich in het buitenland schuldig hebben gemaakt aan een strafbaar feit en (c) de rechtsmachtregeling toegankelijker te maken. De Afdeling advisering van de Raad van State is van oordeel dat met het voorstel de regeling inderdaad aanmerkelijk inzichtelijker en overzichtelijker wordt gemaakt. Zij maakt opmerkingen met betrekking tot de effectiviteit en uitvoerbaarheid van de uitbreiding van de extraterritoriale rechtsmacht in het algemeen, de uitbreiding van de extraterritoriale rechtsmacht ten aanzien van vreemdelingen, de dubbele strafbaarheid, het nationaliteitsbeginsel en de terugwerkende kracht. Zij is van oordeel dat in verband daarmee aanpassing van het voorstel wenselijk is. Het op de voorgestelde wet gebaseerde ontwerpbesluit inzake internationale verplichtingen is met het ter advisering voorgelegde wetsvoorstel meegezonden, hetgeen van nut is bij de beoordeling van het wetsvoorstel. De Afdeling beperkt zich in dit stadium evenwel tot advisering over het voorstel van wet. 1. Effectiviteit en uitvoerbaarheid Het voorstel betreft een herziening en uitbreiding van de extraterritoriale rechtsmachtbepalingen in het Wetboek van Strafrecht. In het in de toelichting genoemde WODC-rapport âCommunicerende grondslagen van extraterritoriale rechtsmachtâ wordt gesteld dat van een herziening van deze rechtsmachtbepalingen niet al te veel moet worden verwacht, als er geen grotere opsporingscapaciteit beschikbaar is. âMeer nog dan de aard en structuur van de rechtsmachtbepalingen verklaart de afwezigheid van een infrastructuur het ontbreken van vervolging van feiten buiten Nederland in de praktijk.â Volgens het aan het rapport ten grondslag liggende onderzoek valt uit de resultaten van de aanpak van internationale misdrijven te leren dat de opsporing en vervolging in de praktijk wel mogelijk blijken te zijn, maar dat deze een zekere infrastructuur verlangen en daarvoor een extra inspanning moet worden gedaan. De onderzoekers bevelen aan de capaciteit van opsporing, vervolging en berechting af te stemmen op de omvang van de aan Nederland toekomende rechtsmacht. In de toelichting wordt in reactie op het rapport gesteld dat er omtrent de toepassing van de rechtsmachtbepalingen niet al te hooggespannen verwachtingen mogen bestaan. Nederland komt gewoonlijk slechts in actie, indien de autoriteiten van het land waar het strafbare feit is begaan, de opsporing niet ter hand nemen. In die gevallen blijkt het doen van onderzoek in het buitenland vaak echter complex. Dit laat onverlet dat de wetgeving adequaat moet zijn voor de gevallen waarin deze voor toepassing in aanmerking komt. De verwachting is volgens de toelichting dat de omvang en strekking van de uitbreiding van de rechtsmacht geen noemenswaardige consequenties zullen hebben voor de werklast van de rechtspraak en het OM. De Afdeling mist in de toelichting een globale aanduiding van de omvang van het aantal gevallen waarin ten aanzien van de met het voorstel bestreken feiten in het land waar die zijn begaan, niet tot vervolging wordt overgegaan. Die informatie is van belang in verband met de aanbeveling in genoemd onderzoek om de capaciteit van opsporing, vervolging en berechting af te stemmen op de omvang van de rechtsmachtregeling. Uitbreiding van die regeling dient immers niet te leiden tot een navenante verlaging van de ophelderingspercentages. De Afdeling wijst in dat verband met name op de voorgestelde uitbreiding van de rechtsmacht ten behoeve van Nederlanders en vreemdelingen die slachtoffer zijn geworden van in het buitenland gepleegde strafbare feiten en op de beoogde uitbreiding van de rechtsmacht voor in het buitenland door vreemdelingen begane strafbare feiten. Dat de wetgeving adequaat dient te zijn voor de gevallen waarin deze voor toepassing in aanmerking komt, houdt ook in dat daaraan effectief uitvoering dient te kunnen worden gegeven. De Afdeling adviseert in de toelichting nader in te gaan op de noodzaak de capaciteit voor de opsporing, vervolging en berechting aan te passen aan de voorgestelde uitbreiding, gerelateerd aan het te verwachten aantal gevallen dat het land waar het strafbare feit is begaan, de opsporing niet ter hand neemt. In dat verband dient tevens nader te worden ingegaan op de te verwachte toename van artikel 12 Sv-procedures, ten aanzien waarvan in toelichting nu slechts wordt gesteld dat die toename verregaand is ingedamd door te kiezen voor een hoge toepasselijkheidsgrens voor de extraterritoriale rechtsmacht. 2. Rechtsmacht ten aanzien van vreemdelingen a. Het criterium van een vaste woon- of verblijfplaats De bestaande artikelen 5a en 5b Sr vestigen rechtsmacht ten aanzien van in het buitenland gepleegde strafbare feiten, waaraan vreemdelingen zich hebben schuldig gemaakt, respectievelijk waarvan vreemdelingen slachtoffers zijn die in Nederland een vaste woon- of verblijfplaats hebben. Het betreft onder meer misdrijven waarvan het beschermde belang en de strekking bestaan uit het tegengaan van seksuele uitbuiting, seksueel misbruik van kinderen en mensenhandel. De voorgestelde artikelen 5 en 7 Sr vestigen een ruimere rechtsmacht ten aanzien van door vreemdelingen begane strafbare feiten in het buitenland, respectievelijk strafbare feiten waarvan vreemdelingen in het buitenland slachtoffer zijn geworden. Voorgestelde voorwaarde voor het uitoefenen van rechtsmacht is echter dat de desbetreffende vreemdeling een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland heeft gedurende een onafgebroken periode van ten minste vijf jaar (artikel 86b). Deze wijziging van de vereiste verblijfsduur wordt niet toegelicht. De Afdeling wijst er allereerst op dat de wetsgeschiedenis van in het bijzonder het in 2002 ingevoerde artikel 5a Sr uitwijst, dat er bij die bepaling vanuit is gegaan dat aan het criterium van een vaste woon- en verblijfplaats is voldaan, indien betrokkene in Nederland woont en in de regel alhier mag verblijven. De eis van ten minste vijf jaar onafgebroken verblijf in Nederland wordt niet gesteld. Ten tweede merkt de Afdeling op dat voor de toepassing van bepalingen bij en krachtens de Vreemdelingenwet 2000 geldt, dat een vreemdeling een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland heeft, indien hij op een gesteld adres in de GBA is ingeschreven, voor welke inschrijving rechtmatig verblijf van de vreemdeling een vereiste is. Aan laatstgenoemd vereiste kan al zijn voldaan bij korter verblijf van de vreemdeling in Nederland dan vijf jaren. Ten slotte wijst de Afdeling erop dat het begrip ingezetene, waar de toelichting naar verwijst voor de gelijkstelling met de Nederlander, in het algemeen ziet op een persoon die voor een periode van vier maanden of langer in Nederland woont. De bestaande artikelen 5a en 5b Sr vatten derhalve een ruimere categorie vreemdelingen onder de werkingssfeer van de rechtsmachtbepalingen dan het wetsvoorstel doet. De eis van rechtmatig en onafgebroken verblijf van de vreemdeling in Nederland voor ten minste vijf jaren als invulling van het criterium van het hebben vaste woon- of verblijfplaats van de vreemdeling behoeft in dat licht een motivering. Het in de toelichting gehuldigde uitgangspunt dat de vervolging van vreemdelingen plaatsvindt in het land waar het feit is begaan en dat de verdachte in beginsel aan dat land wordt uit- of overgeleverd, neemt niet weg dat hier sprake is van een aanmerkelijke inperking van de vervolgingsmogelijkheid van vreemdelingen. Evenmin kan het voorgestelde artikel 8c Sr, dat rechtsmacht vestigt over strafbare feiten begaan door vreemdelingen die korter dan vijf jaar in Nederland verblijven, in dit verband als voldoende vangnetbepaling worden beschouwd. Genoemd artikel geldt immers slechts voor ernstige misdrijven (met strafbedreiging van 8 jaren of meer) ten aanzien van vreemdelingen van wie de uitlevering door Nederland is geweigerd of niet mogelijk is. Dit laatste is onder de bestaande regeling niet het geval. De Afdeling adviseert de keuze voor de eis van het rechtmatig verblijf van de vreemdeling in Nederland gedurende een onafgebroken periode van ten minste vijf jaar in de toelichting dragend te motiveren en het voorstel zo nodig aan te passen. Tevens dient in de toelichting te worden ingegaan op het feit dat in het voorgestelde artikel 86b Sr niet wordt bepaald of aan het criterium van het hebben van een vaste woon- of verblijfplaats moet zijn voldaan op het moment waarop het feit is begaan, of dat voldoende is dat daaraan is voldaan op het moment waarop wordt beslist tot vervolging over te gaan, zoals de bestaande artikelen 5, tweede lid, en 5a, vierde lid, Sr ten aanzien van het actieve personaliteitsbeginsel bepalen. Zo nodig dient het voorstel op dit punt te worden aangevuld. b. Feiten begaan jegens een onderdaan van het land waar het feit is begaan Het voorgestelde artikel 5 Sr, dat toepassing geeft aan het passieve personaliteitsbeginsel, stelt alle vreemdelingen met een vaste woon- of verblijfplaats voor de uitoefening van rechtsmacht gelijk met Nederlanders. De Afdeling acht het niet vanzelfsprekend dat de ratio van het passieve personaliteitsbeginsel - de beschermende functie en de speciale verantwoordelijkheid van Nederland daarvoor - ook buiten de speciale gevallen van misbruikdelicten jegens bijzonder kwetsbare groepen gelijkelijk geldt met betrekking tot vreemdelingen jegens wie het feit is begaan in het land waarvan zij de nationaliteit bezitten en waar het feit eveneens strafbaar is gesteld. Aan dit onderscheid wordt noch in de voorgestelde bepalingen noch in de toelichting aandacht besteed. De Afdeling adviseert dit alsnog te doen en het voorstel zo nodig op dit punt aan te passen. c. Andere belemmeringen dan uitleveringsbeletselen Het voorgestelde artikel 8c Sr breidt de extraterritoriale rechtsmacht uit over in Nederland verblijvende vreemdelingen die zich in het buitenland schuldig maken aan een misdrijf waarop een gevangenisstraf van 8 jaar of meer is gesteld, indien uitlevering a. door Nederland is geweigerd of b. niet mogelijk is wegens het ontbreken van een uitleveringsverdrag tussen Nederland en het andere land. De Afdeling wijst er met het College van Procureurs-Generaal op dat naast uitleveringsbeletselen tevens andere belemmeringen in het land waar het feit is gepleegd kunnen ontstaan, die het opportuun maken dat betrokkene in Nederland wordt vervolgd. Gewezen kan worden op onvoldoende opsporingsactiviteiten, capaciteit of medewerking van landen waar het feit is begaan en waarmee Nederland (wel) een uitleveringsrelatie heeft. Hoewel in laatstgenoemde gevallen het opportuniteitsbeginsel kan leiden tot het afzien van vervolging, adviseert de Afdeling de bepaling zodanig te formuleren dat daarmee ook de bedoelde andere belemmeringen worden bestreken. 3. Dubbele strafbaarheid In het voorgestelde artikel 5 Sr wordt voor alle daar geregelde gevallen voor de uitoefening van extraterritoriale rechtsmacht de voorwaarde gesteld dat het desbetreffende feit zowel naar Nederlands recht als naar het recht van het land waar het is begaan, strafbaar is; de dubbele strafbaarheid. Hoewel dubbele strafbaarheid bij extraterritoriale rechtsmachtsregelingen uitgangspunt is, wordt daarvan op grond van het beschermingsbeginsel in bepaalde gevallen afgeweken, omdat âafdoende bescherming van eigen staatsbelangen als regel niet in het buitenland wordt gevondenâ. In de toelichting wordt ten aanzien van de in artikel 5 Sr geregelde gevallen gesproken van âspecifieke nationale rechtsbelangenâ ter onderscheiding van de âalgemene nationale rechtsbelangenâ, geregeld in artikel 4. Voor enkele van de in het voorgestelde artikel 5 Sr geregelde gevallen geldt naar huidig recht niet de voorwaarde van dubbele strafbaarheid. Genoemd kunnen worden misdrijven begaan tegen luchtvaartuigen en vaartuigen (artikel 4 sub 7 respectievelijk sub 8 Sr). De Afdeling adviseert in de toelichting te motiveren waarom voor de in artikel 5 geregelde gevallen als algemene voorwaarde dubbele strafbaarheid is gesteld en aan te geven hoe dit zich verhoudt tot het volgens de toelichting voor het wetsvoorstel gekozen uitgangspunt van âde versterking van de beschermende functie van de Nederlandse strafwetâ. 4. Nationaliteitsbeginsel Het bestaande artikel 5, tweede lid, Sr regelt dat in de daar genoemde gevallen de vervolging ook kan plaatshebben, als de verdachte eerst na het begaan van het feit Nederlander wordt. De Afdeling beveelt aan deze mogelijkheid ook in de voorgestelde regeling te voorzien, voor overeenkomstige gevallen. 5. Terugwerkende kracht De consultatieversie van het wetsvoorstel bevatte een voorziening waaruit volgde dat de voorgestelde regels voor de uitoefening van extraterritoriale rechtsmacht alleen betrekking hadden op feiten die na de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel zouden plaatsvinden. Op advies van het College van Procureurs-Generaal is de overgangsrechtelijke regeling geschrapt: âEr is bij nader inzien geen aanleiding om de uitoefening van extraterritoriale rechtsmacht te beperken tot feiten die na de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel zij begaan.â, aldus de toelichting. De onmiddellijke werking brengt mee dat Nederland rechtsmacht kan uitoefenen over feiten, gepleegd in een land waar zulks ten tijde van het plegen nog niet strafbaar was. Daarbij valt bijvoorbeeld te denken aan gedragingen die onder een bepaald politiek regime niet strafbaar waren of zelfs werden opgedragen. De Afdeling is van oordeel dat voorzichtigheid is geboden bij het toekennen van terugwerkende kracht aan de rechtsmachtbepalingen, aangezien rechtsmacht vervolgbaarheid en strafrechtelijke aansprakelijkheid impliceert. De Afdeling wijst erop dat artikel 7, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) bepaalt dat niemand mag worden veroordeeld wegens een handelen of nalaten, dat geen strafbaar feit naar nationaal of internationaal recht uitmaakte ten tijde dat het handelen of nalaten geschiedde (het nulla poenabeginsel). Artikel 7, tweede lid, EVRM maakt een uitzondering op het nulla poenabeginsel voor de berechting of bestraffing van iemand die schuldig is aan een handelen of nalaten, dat ten tijde van het handelen of nalaten een misdrijf was overeenkomstig de algemene rechtsbeginselen die door beschaafde volken worden erkend. De Afdeling beveelt aan met het oog op de rechtszekerheid en kenbaarheid van strafbaarheid de inwerkingtreding van de wet zodanig te regelen dat aan de uitbreiding van de rechtsmacht slechts terugwerkende kracht toekomt ten aanzien van feiten die ten tijde van het handelen of nalaten strafbaar waren in het land waar deze zijn begaan dan wel misdrijven waren overeenkomstig de algemene rechtsbeginselen die door beschaafde volken worden erkend. De Afdeling adviseert in het licht van het voorgaande het in artikel IV bepaalde te nuanceren. De Afdeling advisering van de Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden. De vice-president van de Raad van State, Citeertitel en memorie van toelichting, paragraaf 1, vierde alinea. A.H. Klip & A.-S. Massa, âCommunicerende grondslagen van extraterritoriale rechtsmacht. Onderzoek naar de grondslagen voor extraterritoriale rechtsmacht in BelgiĂ«, Duitsland, Engeland en Wales en Nederland met conclusies en aanbevelingen voor de Nederlandse (wetgevings-) praktijk, Maastricht University 2010, in opdracht van het WODC, blz. 120 e.v. Zie ook Kamerstukken II 2010/11, 32 500 VI, nr. 3 en bijlage. Memorie van toelichting, paragraaf 3.4.2. Praktijk. Memorie van toelichting, paragraaf 3.4.2. Praktijk. Memorie van toelichting, paragraaf 1. 1, voorlaatste alinea. Op grond van artikel 12 Sv kunnen rechtstreeks belanghebbenden bij het gerechtshof beklag doen over het niet vervolgen van een strafbaar feit. Memorie van toelichting, paragraaf 4.2, De in artikel 5a Sr geregelde uitbreiding van de toepasselijkheid van de strafwet op in Nederland verblijvende vreemdelingen is een uitvloeisel van het gemeenschappelijk optreden van de EU-lidstaten van 24 februari 1997 ter bestrijding van mensenhandel en seksuele uitbuiting van kinderen. Zie ook artikel 3, eerste lid, onderdeel b van het ontwerpbesluit internationale verplichtingen extraterritoriale rechtsmacht, tezamen met het wetvoorstel aan de Afdeling gezonden. Stb. 2002, 388. Kamerstukken II 2001/02, 27 745, nr. 6, blz. 23-24. AB RvS, 23 mei 2003, 200302118/1. Artikel 26 Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens. Vgl. artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000. HYPERLINK "http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/persoonsgegevens/vraag-en-antwo ord/wat-is-de-registratie-niet-ingezetenen-rni.html" www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/persoonsgegevens/vraag-en-antwoord/wat- is-de-registratie-niet-ingezetenen-rni.html . Zie ook artikel 26 Wet GBA. Het voorgestelde artikel 8c Sr vestigt weliswaar in bepaalde gevallen rechtsmacht, doch dit artikel ziet op misdrijven van 8 jaren of meer en een uitleveringsbeletsel een voorwaarde is. Advies College van Procureurs-Generaal van 31 mei 2012, blz. 2, midden. E. van Sliedrecht, J.M. Sjöcrona en A.M.M. Orie, Handboek Internationaal Strafrecht, Kluwer, Deventer 2008, blz. 54. Memorie van toelichting, paragrafen 4.1 en 4.2. Memorie van toelichting, paragraaf 1. Artikelsgewijze toelichting op artikel IV. Idem. PAGE 6 AAN DE KONINGIN ........................................................................ ...........