[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [šŸ§‘mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [šŸ” uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

Advies Raad van State inzake Implementatie van de richtlijn 2011/93/EU van het Europees Parlement en de Raad ter bestrijding van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie, en ter vervanging van Kaderbesluit 2004/68/JBZ van de Raad (PbEU L 335)

Implementatie van de richtlijn 2011/93/EU van het Europees Parlement en de Raad ter bestrijding van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie, en ter vervanging van Kaderbesluit 2004/68/JBZ van de Raad (PbEU L 335)

Advies Afdeling advisering Raad van State

Nummer: 2013D11750, datum: 2013-03-20, bijgewerkt: 2024-02-19 10:56, versie: 1

Directe link naar document (.doc), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen:

Onderdeel van zaak 2013Z05376:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (šŸ”— origineel)


No.W03.12.0474/II	's-Gravenhage, 20 december 2012

Bij Kabinetsmissive van 28 november 2012, no.12.002833, heeft Uwe
Majesteit, op voordracht van de Minister van Veiligheid en Justitie, bij
de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig
gemaakt het voorstel van wet tot implementatie van de richtlijn
2011/93/EU van het Europees Parlement en de Raad ter bestrijding van
seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen en
kinderpornografie, en ter vervanging van Kaderbesluit 2004/68/JBZ van de
Raad (PbEU L 335), met memorie van toelichting.

Het voorstel strekt tot implementatie van richtlijn 2011/93/EU, die ziet
op de bestrijding van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van
kinderen en kinderpornografie. Daartoe wordt een aantal strafverzwarende
omstandigheden toegevoegd aan de reeds bestaande opsomming van gevallen
van strafverzwaring in artikel 248 van het Wetboek van Strafrecht (Sr).
Daarnaast wordt het strafmaximum voor ontucht met misbruik van gezag
verhoogd en wordt een specifieke strafbepaling ingevoegd die ziet op
door dwang, geweld of een andere feitelijkheid of door dreiging, het
plegen van ontucht door een persoon van onder de 18 jaar met een derde
opzettelijk teweegbrengen of bevorderen. Ten slotte wordt het Besluit
justitiƫle en strafvorderlijke gegevens aangepast, waardoor in alle
gevallen justitiƫle gegevens aan andere lidstaten zullen moeten worden
doorgegeven ten behoeve van een procedure die verband houdt met het
aannemen van personeel voor activiteiten waarbij de betrokkene
rechtstreeks en geregeld in aanraking komt met kinderen.

De Afdeling advisering van de Raad van State onderschrijft de strekking
van het wetsvoorstel, maar maakt een aantal opmerkingen met betrekking
tot de implementatie van de richtlijn en met betrekking tot de
aanpassing van een besluit door middel van een wet. Zij is van oordeel
dat in verband daarmee enige aanpassing van het voorstel wenselijk is.

1.	Voldoende implementatie

a. Implementatie door middel van beleidsmaatregelen

De Afdeling merkt op dat een deel van de verplichtingen die voortvloeien
uit de richtlijn, wordt geĆÆmplementeerd door uitvoering in de praktijk.
Het betreft dan met name maatregelen ter ondersteuning en bescherming
van kindslachtoffers, preventie en interventieprogramma’s. 

Indien richtlijnbepalingen, blijkens aard, inhoud en strekking, direct
of indirect beogen rechten en/of verplichtingen voor particulieren in
het leven te roepen, zijn de door het Europese Hof van Justitie
aangelegde criteria voor de vorm en middelen van implementatie strikt.
Het is niet noodzakelijk dat richtlijnbepalingen formeel en woordelijk
in uitdrukkelijke specifieke bepalingen van nationale regelgeving zijn
vervat. Naargelang van de inhoud van de richtlijn kan worden volstaan
met een algemene juridische context, mits deze daadwerkelijk de
volledige toepassing van de richtlijn op voldoende duidelijke en
nauwkeurige wijze verzekert, zodat, ingeval de richtlijn rechten voor
particulieren in het leven beoogt te roepen, de begunstigden al hun
rechten kunnen kennen en deze zo nodig voor de nationale rechterlijke
instanties kunnen doen gelden. Implementatie van de bepalingen door
middel van algemeen verbindende voorschriften is dan veelal
onontkoombaar. 

De toelichting verwijst in dit verband naar het geldend algemeen
wettelijk kader, waarbinnen de door de richtlijn gediende belangen tot
hun recht komen. Daarmee is naar het oordeel van de Afdeling evenwel nog
niet voor al de verplichtingen die voortvloeien uit de richtlijn,
duidelijk dat deze afdoende zijn gewaarborgd. Dit geldt bijvoorbeeld
voor onderdelen van de bepalingen die strekken tot bescherming van het
slachtoffer (zie hieronder onder c en e), maar mogelijk ook voor de
aanspraak tot behandeling van verdachten (zie hieronder onder f). Naar
het oordeel van de Afdeling wordt de richtlijn daarmee niet op alle
punten voldoende geĆÆmplementeerd. 

De Afdeling adviseert allereerst in algemene zin in de toelichting en
transponeringstabel per verplichting duidelijk te maken welk kader
strekt ter waarborging hiervan. Daarnaast maakt de Afdeling de volgende
specifieke opmerkingen.

b. Strafbaarstelling seksuele handelingen

De richtlijn vereist strafbaarstelling en een minimale maximumstraf voor
diverse vormen van seksuele handelingen met kinderen. Het begrip
seksuele handelingen wordt in de richtlijn niet gedefinieerd, maar is
een dermate brede term dat het lijkt aan te sluiten op de in de
Nederlandse strafbepalingen gebruikelijke term ontucht of ontuchtige
handelingen. Voor de implementatie van de richtlijn wordt in de
transponeringstabel in veel gevallen dan ook aangesloten bij bestaande
strafbepalingen die zien op ontucht. Voor enkele andere onderdelen sluit
de transponeringstabel evenwel aan op bepalingen die zien op seksueel
binnendringen, hetgeen een zwaardere delictsomschrijving inhoudt. 

De toelichting gaat niet in op het begrip seksuele handelingen en maakt
evenmin duidelijk waarom het voorstel in het ene geval aansluit bij het
brede begrip ontuchtige handelingen en in het andere geval aansluit bij
seksueel binnendringen. Naar het oordeel van de Afdeling staat daarmee
onvoldoende vast dat de richtlijn op alle onderdelen voldoende wordt
geĆÆmplementeerd.

De Afdeling adviseert in de toelichting op het bovenstaande in te gaan
en zo nodig het voorstel aan te passen.

c. Bijstand van het kindslachtoffer

Artikel 20, eerste lid, van de richtlijn verplicht ervoor te zorgen dat
de bevoegde autoriteiten met het oog op het strafonderzoek en het
strafproces een bijzondere vertegenwoordiger van het kindslachtoffer
aanwijzen, wanneer de personen die de ouderlijke verantwoordelijkheid
dragen, het kind niet mogen vertegenwoordigen omdat tussen hen en het
kindslachtoffer een belangenconflict bestaat, of wanneer het kind niet
begeleid is of van zijn gezin is gescheiden. Voor de implementatie van
deze verplichting verwijst de toelichting naar de mogelijkheid van het
aanwijzen van een bijzondere curator in aangelegenheden betreffende de
verzorging en opvoeding, dan wel het vermogen van de minderjarige
(artikel 1:250 BW), alsmede naar de mogelijkheid van het ontheffen van
een ouder van het gezag over het kind (artikel 1:266 BW).

Op basis van geen van beide bepalingen bestaat evenwel de mogelijkheid
om een bijzonder vertegenwoordiger van het kindslachtoffer te benoemen
met het oog op het strafonderzoek en het strafproces. De Afdeling acht
het evenwel zeer wel denkbaar dat de bijzondere curator ook met zo’n
taak zou kunnen worden belast.

De Afdeling adviseert in het voorstel de mogelijkheid van het benoemen
van een bijzondere curator van overeenkomstige toepassing te verklaren
voor de situaties genoemd in de richtlijn.

d. Doorbreking van de geheimhoudingsplicht

De richtlijn verplicht ertoe dat vertrouwelijkheidsregels die op grond
van het nationale recht gelden voor bepaalde beroepsbeoefenaars, geen
belemmering vormen om bij de kinderbescherming melding te maken van
iedere situatie waarin redelijke grond bestaat om aan te nemen dat een
kind het slachtoffer is van een van de in de richtlijn genoemde
strafbare feiten. 

Voor de implementatie van deze bepaling verwijst de toelichting naar
artikel 53 van de Wet op de Jeugdzorg. Dat artikel maakt doorbreking van
de geheimhoudingsplicht, zonder toestemming van degene die het betreft,
mogelijk indien het inlichten van een bureau jeugdzorg noodzakelijk kan
worden geacht om een situatie van kindermishandeling te beƫindigen of
een redelijk vermoeden van kindermishandeling te onderzoeken.

De Wet op de Jeugdzorg beperkt het begrip kindermishandeling tot elke
vorm van voor een minderjarige bedreigende of gewelddadige interactie
van fysieke, psychische of seksuele aard, met de ouders of andere
personen ten opzichte van wie de minderjarige in een relatie van
afhankelijkheid of van onvrijheid staat. 

Door deze beperking valt naar het oordeel van de Afdeling niet iedere
ter implementatie van de richtlijn strafbaar gestelde gedraging binnen
het bereik van de vrijstelling in artikel 53 van de Wet op de Jeugdzorg.
Voor deze strafbaarstellingen is het bestaan van een
afhankelijkheidsrelatie met de dader in veel gevallen immers geen
voorwaarde.

De Afdeling adviseert in de toelichting op het bovenstaande in te gaan
en zo nodig het voorstel aan te passen. 

e. Bescherming van kindslachtoffers tijdens het strafonderzoek en het
strafproces

De richtlijn verplicht tot maatregelen ter bescherming van
kindslachtoffers tijdens het strafonderzoek en het strafproces. Hoewel
in de transponeringstabel voor al deze maatregelen wordt verwezen naar
bestaande aanwijzingen voor het openbaar ministerie, blijkt uit die
aanwijzingen niet zonder meer dat aan al deze verplichtingen is voldaan.
De Afdeling wijst op de volgende onderdelen. 

Uit de transponeringstabel blijkt niet per onderdeel van artikel 20,
derde lid, van de richtlijn, welk artikel of welke aanwijzing strekt tot
implementatie. Uit de genoemde artikelen en aanwijzingen blijkt niet dat
is vastgelegd dat ondervragingen van het kindslachtoffer zo veel
mogelijk door dezelfde personen worden verricht en dat het aantal
ondervragingen zo beperkt mogelijk wordt gehouden.

In de transponeringstabel wordt ter implementatie van de verplichting
tot het nemen van de nodige maatregelen om de privacy, identiteit en
beeltenis van kindslachtoffers te beschermen en de verspreiding van
informatie die tot identificatie zou kunnen leiden te voorkomen,
verwezen naar de Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel
misbruik. Deze aanwijzing bevat echter geen algemeen verbindende
voorschriften. Ook wordt in deze aanwijzing aan dit onderwerp geen
aandacht besteed.

De Afdeling adviseert in de toelichting nader in te gaan op de
implementatie van de bovengenoemde onderdelen en zo nodig het voorstel
aan te passen.

f. Toegang verdachten tot interventieprogramma’s

De richtlijn verplicht lidstaten de nodige maatregelen te nemen om
ervoor te zorgen dat personen tegen wie een strafprocedure loopt voor
een van de in de richtlijn genoemde strafbare feiten, toegang kunnen
hebben tot interventieprogramma’s met het oog op het voorkomen en het
tot een minimum terugbrengen van het risico op herhaling van
zedendelicten tegen kinderen. Het deelnemen aan deze programma’s mag
geen negatieve gevolgen hebben voor of in strijd zijn met de rechten van
de verdediging of de vereisten van een eerlijk en onpartijdig proces, en
zouden het beginsel van de onschuldpresumptie in acht moeten nemen.

Voor de implementatie van deze verplichting verwijzen de toelichting en
de transponeringstabel naar de regeling voorwaardelijke veroordeling en
voorwaardelijke invrijheidsstelling in het Wetboek van Strafrecht
alsmede in algemene zin naar beleidsmaatregelen. Daarmee blijft
onduidelijk welke maatregelen strekken ter implementatie van de
verplichting jegens personen tegen wie een strafprocedure loopt, maar
waarbij (nog) geen voorwaardelijke veroordeling of voorwaardelijke
invrijheidsstelling mogelijk is. Daarnaast is naar het oordeel van de
Afdeling de verplichting dat deelname aan het interventieprogramma geen
negatieve gevolgen mag hebben, in de toelichting een onderbelicht punt. 

De Afdeling adviseert in de toelichting nader in te gaan op de wijze van
implementatie van deze specifieke uit de richtlijn voortvloeiende
verplichting.

2.	Strafbaarstelling van ontucht met misbruik van gezag

De richtlijn bepaalt dat het plegen van seksuele handelingen met een
kind waarbij misbruik wordt gemaakt van een erkende positie van
vertrouwen, gezag of invloed ten aanzien van het kind, wordt gestraft
met een maximumgevangenisstraf van ten minste acht jaar, indien het kind
nog niet seksueel meerderjarig is en van ten minste drie jaar, indien
het kind seksueel meerderjarig is. In het voorstel wordt voor de
implementatie van dit onderdeel het strafmaximum van de strafbepaling
die ontucht met misbruik van gezag strafbaar stelt, artikel 249 Sr,
verhoogd van zes jaar tot acht jaar. 

Daarmee gaat de toelichting voorbij aan de bestaande algemene bepaling
die ontucht met personen die nog niet seksueel meerderjarig zijn,
strafbaar stelt, waarbij misbruik van gezag een strafverzwarende
omstandigheid is die leidt tot een strafmaximum van acht jaar. Met het
bestaan van deze bepalingen lijkt reeds voldaan te zijn aan dit
onderdeel van de richtlijn, waarbij zelfs meer dan in de voorgestelde
algemene verhoging rekening wordt gehouden met het in de richtlijn
gehanteerde onderscheid tussen personen die nog niet en personen die al
wel seksueel meerderjarig zijn.

De Afdeling adviseert de noodzaak van een strafverzwaring van artikel
249 Sr nader te bezien en zo nodig het voorstel aan te passen. 

3.	Wijziging van het Besluit justitiƫle en strafvorderlijke gegevens

Artikel II van het wetsvoorstel strekt tot wijziging van het Besluit
justitiƫle en strafvorderlijke gegevens. De Afdeling wijst erop dat een
wijziging in beginsel dient te gebeuren door middel van een regeling van
gelijke orde. Het wijzigen van een algemene maatregel van bestuur door
middel van een wet is onwenselijk, nu dit onduidelijkheid kan opleveren
over de status van de aldus gewijzigde bepaling in het besluit. Immers,
beargumenteerd zou kunnen worden dat een aldus gewijzigde bepaling in de
toekomst ook enkel kan worden gewijzigd door middel van een wet.

 

De Afdeling adviseert artikel II te schrappen uit het wetsvoorstel en de
tekst van dit artikel op te nemen in een besluit tot wijziging van het
Besluit justitiƫle en strafvorderlijke gegevens.

Onverminderd het voorgaande merkt de Afdeling het volgende op met
betrekking tot dit onderdeel van het voorstel.

a. Afbakening gegevensuitwisseling

De gegevensuitwisseling ingevolge het voorgestelde nieuwe tweede lid van
artikel 35 van het Besluit justitiƫle en strafvorderlijke gegevens
blijft blijkens de toelichting niet beperkt tot onherroepelijke
veroordelingen, maar ziet tevens op sepotbeslissingen.

De Afdeling merkt op dat de richtlijn blijkens artikel 10, derde lid,
verplicht tot de uitwisseling van informatie met betrekking tot het
bestaan van strafrechtelijke veroordelingen of van verboden tot het
uitoefenen van activiteiten die rechtstreeks en geregeld contact met
kinderen behelzen als gevolg van strafrechtelijke veroordelingen.
Sepotbeslissingen vallen hier niet onder. De beoogde
gegevensuitwisseling van sepotbeslissingen gaat daarmee verder dan
noodzakelijk is ter implementatie van de richtlijn.

Deze verdergaande uitwisseling kan wenselijk zijn in het licht van het
doel van de richtlijn. Het College van procureurs-generaal, dat aandrong
op de mogelijkheid, geeft als voorbeeld hiervoor de uitwisseling van
informatie betreffende een behandeling van een pedofiel in het kader van
een voorwaardelijk sepot. 

De toelichting zal, anders dan nu het geval is, in dat geval de noodzaak
van de gegevensuitwisseling, mede in het licht van artikel 8 EVRM en de
artikelen 7 en 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese
Unie, dragend moeten motiveren. Dit klemt temeer nu het gevoelige
gegevens betreft en sepot-beslissingen met minder waarborgen zijn
omkleed dan strafrechtelijke veroordelingen.

Voor zover de noodzaak van de beoogde gegevensuitwisseling is komen vast
te staan, wijst de Afdeling erop dat in de tekst van het voorstel een
grondslag voor deze beoogde bredere gegevensuitwisseling thans
ontbreekt. Het in het voorgestelde artikellid gehanteerde begrip
ā€˜justitiĆ«le gegevens’ omvat weliswaar sepotbeslissingen, maar dit
begrip wordt vervolgens beperkt tot die gegevens, die betrekking hebben
op een onherroepelijke veroordeling. Van een onherroepelijke
veroordeling is bij een sepot geen sprake.

De Afdeling adviseert de noodzaak van de uitwisseling van gegevens
betreffende sepotbeslissingen alsnog dragend te motiveren en de tekst
van het voorstel zo nodig aan te passen.

b. Advies College bescherming persoonsgegevens

Uit de toelichting blijkt niet of het College bescherming
persoonsgegevens in de gelegenheid is gesteld een reactie te geven over
de wijziging van het Besluit justitiƫle en strafvorderlijke gegevens,
terwijl de Wet justitiƫle en strafvorderlijke gegevens daar wel toe
verplicht.

Voor zover het College nog niet in de gelegenheid is gesteld om zijn
reactie op het voorstel te geven, adviseert de Afdeling die gelegenheid
alsnog te bieden. De Afdeling gaat ervan uit dat voor zover dit leidt
tot substantiƫle wijzigingen, dit onderdeel opnieuw zal worden
voorgelegd aan de Afdeling.

4.	De opzet van Titel XIV van het Wetboek van Strafrecht

Titel XIV van het Wetboek van Strafrecht, waarin de misdrijven tegen de
zeden zijn opgenomen, is in de afgelopen jaren aangevuld met een aantal
specifieke strafbaarstellingen. Daarbij is in artikel 248 Sr een aantal
strafverzwarende omstandigheden opgenomen. Hierdoor bestaat nu al tot op
zekere hoogte overlap tussen verschillende strafbepalingen. Het voorstel
voegt hier nog een specifieke bepaling en een aantal strafverzwarende
omstandigheden aan toe. 

Met de Nederlandse orde van advocaten is de Afdeling van oordeel dat de
reeds bestaande en daaraan toegevoegde hoeveelheid specifieke
strafbepalingen en strafverzwarende omstandigheden niet bevorderlijk is
voor de duidelijkheid van de normstelling die uitgaat van Titel XIV,
terwijl het gebruik van expliciete strafverzwarende omstandigheden kan
leiden tot onnodige bewijsproblemen waar de rechter bij het gebruik van
meer algemene strafbaarstellingen met dezelfde omstandigheden reeds in
de strafmaat rekening zou kunnen houden. 

De Afdeling merkt in dat verband op dat deze differentiatie tevens de
vraag oproept of er, gezien de relatieve zwaarte van de verschillende
misdrijven, nog een voldoende balans bestaat tussen de onderscheiden
strafmaxima. Zo zal ingevolge het voorstel voor ontucht onder dwang of
dreiging een strafmaximum gelden van acht jaar, terwijl voor het onder
dwang of dreiging teweegbrengen of bevorderen van ontucht met een derde
een strafmaximum zal gelden van tien jaar. Gelet op de verwantschap in
de aard van beide gedragingen is dit onderscheid in het relatieve
gewicht van beide bepalingen niet zonder meer vanzelfsprekend.

De Afdeling onderkent dat een implementatietraject zich niet leent voor
een algemene herziening van Titel XIV of bredere beschouwingen op de
onderlinge samenhang van verschillende reeds bestaande bepalingen. De
Afdeling geeft evenwel in overweging in de toelichting in te gaan op de
wenselijkheid van een toekomstige herziening en vereenvoudiging van
Titel XIV binnen de randvoorwaarden van de richtlijn.

5.	Voor redactionele kanttekeningen verwijst de Afdeling naar de bij het
advies behorende bijlage.

De Afdeling advisering van de Raad van State geeft U in overweging het
voorstel van wet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal,
nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.

De waarnemend vice-president van de Raad van State,

Bijlage bij het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State
betreffende no.W03.12.0474/II met redactionele kanttekeningen die de
Afdeling in overweging geeft.

In Artikel I, onderdeel A, gelet op het reeds opgenomen bestanddeel
geweld in de delictsomschrijving van het voorgestelde artikel 248f, het
voorgestelde lid 5, ā€œartikel 248fā€ vervangen door: artikel 248e.

In de toelichting motiveren waarom is afgezien van het toevoegen van een
verwijzing naar artikel 248f in de bestaande onderdelen van artikel 248,
en zo nodig het voorstel aanvullen.

In de transponeringstabel de enkele stelling dat een bepaling uit haar
aard geen implementatie behoeft beperken tot die artikelen waarvoor dit
daadwerkelijk geldt en, overeenkomstig aanwijzing 338, derde lid van de
Aanwijzingen voor de regelgeving, telkens aangeven wat de reden van het
niet implementeren is. Overeenkomstig het voorgaande dient de opmerking
dat de bepaling uit haar aard geen implementatie behoeft bijvoorbeeld te
worden geschrapt bij artikel 8, artikel 15, eerste lid, artikel 17,
vijfde lid, artikel 19 en artikel 25, tweede lid. 

Waar de richtlijn ruimte laat voor beleidskeuzes, deze keuzes in de
transponeringstabel toelichten, bijvoorbeeld bij artikel 8, tweede en
derde lid en artikel 25, tweede lid, van de richtlijn. 

	Richtlijn 2011/93/EU van het Europees Parlement en de Raad ter
bestrijding van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen en
kinderpornografie, en ter vervanging van Kaderbesluit 2004/68/JBZ van de
Raad (PbEU L 335).

	Artikelen 18, 19, 20, 22, 23 en 24 van de richtlijn.

	Zie het arrest van het Hof van 30 mei 1991, 'Commissie tegen
Duitsland', zaak C-59/89, Jur. 1991, p. I-02607, r.o. 18, en het arrest
van 20 mei 1992, 'Commissie tegen Nederland', zaak C-190/90, Jur. 1992,
I-3300, r.o. 17). 

	Advies van de Afdeling advisering van de Raad van State van 2 maart
2012 inzake het voorstel van wet tot implementatie van de richtlijn
2011/36/EU van het Europees Parlement en de Raad inzake de voorkoming en
bestrijding van mensenhandel, de bescherming van slachtoffers ervan, en
ter vervanging van kaderbesluit 2002/629/JBZ van de Raad (PbEU L 101).

	De transponeringstabel verwijst bij artikel 3, lid, 5, onder ii, van de
richtlijn (seksuele handelingen waarbij misbruik wordt gemaakt van een
bijzonder kwetsbare situatie van het kind) naar artikel 243 Sr, dat ziet
op seksueel binnendringen van een bewusteloze, onmachtige of gestoorde.
Bij artikel 3, lid 5, onder iii, van de richtlijn (seksuele handelingen
waarbij gebruik wordt gemaakt van dwang, geweld of bedreiging) verwijst
de transponeringstabel naar artikel 242 Sr dat ziet op verkrachting.

	Voor de implementatie van artikel 3, lid 5, onder iii, van de
richtlijn, misbruik van een bijzonder kwetsbaar kind, wordt ter
implementatie verwezen naar artikel 243 Sr, waarin het seksueel
binnendringen van een kwetsbaar persoon is strafbaar gesteld. De
ontucht-variant van deze bepaling, artikel 247 Sr, voorziet in een
strafmaximum van zes jaar, hetgeen minder is dan de door de richtlijn
vereiste acht jaar in het geval het slachtoffer nog niet seksueel
meerderjarig is. Ook toepassing van de bestaande en voorgestelde
strafverzwarende omstandigheden van artikel 248 Sr maken niet dat tot
het vereiste strafmaximum wordt gekomen. 

	Artikel 16, eerste lid, van de richtlijn.

	Artikel 20 van de richtlijn.

	Artikel 20, derde lid, onderdeel d, van de richtlijn.

	Artikel 20, derde lid, onderdeel e, van de richtlijn.

	Artikel 20, zesde lid, van de richtlijn.

	Stc. 2010, 19123.

	Artikel 24, derde lid, onder a, van de richtlijn.

	Artikel 3, vijfde lid, onder i, van de richtlijn.

	Artikel 249, eerste lid, Sr:

Hij die ontucht pleegt met zijn minderjarig kind, stiefkind of
pleegkind, zijn pupil, een aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid
toevertrouwde minderjarige of zijn minderjarige bediende of
ondergeschikte, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes
jaren of geldboete van de vierde categorie.

	Artikel 247 Sr, jo. artikel 248, tweede lid, Sr.

Artikel 247 Sr:

Hij die […] met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten
echt ontuchtige handelingen pleegt of laatstgemelde tot het plegen of
dulden van zodanige handelingen buiten echt met een derde verleidt,
wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of
geldboete van de vierde categorie.

Artikel 248, tweede lid, Sr:

De in de artikelen 240b, 242 tot en met 247 en 248a tot en met 248e
bepaalde gevangenisstraffen kunnen met een derde worden verhoogd, indien
de schuldige het feit begaat tegen zijn kind, een kind over wie hij het
gezag uitoefent, een kind dat hij verzorgt of opvoedt als behorend tot
zijn gezin, zijn pupil, een aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid
toevertrouwde minderjarige of zijn minderjarige bediende of
ondergeschikte.

	Vergelijk aanwijzing 223 van de Aanwijzingen voor de regelgeving.

	Zoals de Afdeling eerder concludeerde in haar adviezen inzake het
initiatiefvoorstel voor de Nieuwe Wet openbaarheid van bestuur, nr.
W04.12.0249/I en inzake het wetvoorstel versterking samenwerking en
gemeenschappelijk functioneren politie, nr. W03.09.0470/I, bijlage.

	Advies van het College van procureurs-generaal

	De uitwisseling van justitiƫle en strafvorderlijke gegevens tussen
lidstaten wordt bestreken door Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad van
27 november 2008 over de bescherming van persoonsgegevens die worden
verwerkt in het kader van de politiƫle en justitiƫle samenwerking in
strafzaken (PbEU L 350/60).

	Zoals blijkt uit artikel 7 van het Besluit justitiƫle en
strafvorderlijke gegevens. 

	Vergelijk in dat verband de artikelsgewijze toelichting bij het
oorspronkelijke artikelen 34 en 35 van het Besluit justitiƫle en
strafvorderlijke gegevens, waaruit het verschil tot uitdrukking komt
tussen ā€˜JustitiĆ«le gegevens van natuurlijke personen, die betrekking
hebben op een onherroepelijke veroordeling’ in artikel 34 van het
Besluit justitiƫle en strafvorderlijke gegevens en het bredere
ā€˜JustitiĆ«le gegevens’ in artikel 35, eerste lid, van het Besluit
justitiƫle en strafvorderlijke gegevens.

	Artikel 2, tweede lid, van de Wet justitiƫle en strafvorderlijke
gegevens, jo. artikel 51, tweede lid, van de Wet bescherming
persoonsgegevens.

	Preadvies van de Adviescommissie Strafrecht van de Nederlandse orde van
advocaten zoals gevoegd bij het briefadvies van 30 juli 2012, blz. 3 en
4.

	Artikel 246 van het Wetboek van Strafrecht.

	Voorgesteld artikel 248f Wetboek van Strafrecht.

 PAGE   8 

  PAGE  8 

 PAGE   I 

AAN DE KONINGIN

........................................................................
...........