[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [šŸ§‘mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [šŸ” uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

Eindtekst

Implementatie van kaderbesluit 2009/829/JBZ van de Raad van de Europese Unie van 23 oktober 2009 inzake de toepassing tussen de lidstaten van de Europese Unie, van het beginsel van wederzijdse erkenning op beslissingen inzake toezichtmaatregelen als alternatief voor voorlopige hechtenis (PbEU L 294)

Eindtekst

Nummer: 2013D24231, datum: 2013-05-16, bijgewerkt: 2024-02-19 10:56, versie: 1

Directe link naar document (.doc), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Onderdeel van zaak 2012Z16574:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (šŸ”— origineel)


De Tweede Kamer der Staten- PRIVATE  

Generaal zendt bijgaand door

haar aangenomen wetsvoorstel

aan de Eerste Kamer.

De Voorzitter,

16 mei 2013



	Implementatie van kaderbesluit 2009/829/JBZ van de Raad van de Europese
Unie van 23 oktober 2009 inzake de toepassing tussen de lidstaten van de
Europese Unie, van het beginsel van wederzijdse erkenning op
beslissingen inzake toezichtmaatregelen als alternatief voor voorlopige
hechtenis (PbEU L 294) 







VOORSTEL VAN WET



	Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de implementatie van
kaderbesluit 2009/829/JBZ van de Raad van de Europese Unie van 23
oktober 2009 inzake de toepassing tussen de lidstaten van de Europese
Unie, van het beginsel van wederzijdse erkenning op beslissingen inzake
toezichtmaatregelen als alternatief voor voorlopige hechtenis (PbEU L
294) noodzaakt tot het stellen van regels voor de wederzijdse erkenning
en tenuitvoerlegging van toezichtmaatregelen die aan een verdachte zijn
opgelegd als alternatief voor voorlopige hechtenis of als voorwaarde van
de schorsing van de voorlopige hechtenis;

Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State
gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden
en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

Het Wetboek van Strafvordering wordt als volgt gewijzigd:

Onder vernummering van het Vijfde Boek tot Zesde Boek, wordt na het
Vierde Boek een Boek ingevoegd, luidende:

VIJFDE BOEK	INTERNATIONALE EN EUROPESE STRAFVORDERLIJKE SAMENWERKING

TITEL 1

[gereserveerd]

TITEL 2

[gereserveerd]

TITEL 3 WEDERZIJDSE ERKENNING EN TENUITVOERLEGGING VAN BEVELEN
BETREFFENDE DE VOORLOPIGE HECHTENIS TUSSEN DE LIDSTATEN VAN DE EUROPESE
UNIE

EERSTE AFDELING ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

In deze titel en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. kaderbesluit: kaderbesluit 2009/829/JBZ van de Raad van de Europese
Unie van 23 oktober 2009 inzake de toepassing, tussen de lidstaten van
de Europese Unie, van het beginsel van wederzijdse erkenning op
beslissingen inzake toezichtmaatregelen als alternatief voor voorlopige
hechtenis (PbEU L 294);

b. toezichtbeslissing: een uitvoerbare beslissing van een bevoegde
autoriteit, genomen in het kader van een strafrechtelijke procedure,
waarbij aan een natuurlijke persoon als alternatief voor voorlopige
hechtenis of als voorwaarde van de schorsing van de voorlopige
hechtenis, een of meer toezichtmaatregelen zijn opgelegd; 

c. toezichtmaatregel: een verplichting als bedoeld in artikel 3 die
overeenkomstig het recht van de uitvaardigende lidstaat is opgelegd; 

d. uitvaardigende lidstaat: lidstaat van de Europese Unie waarin een
toezichtbeslissing is genomen, die met het oog op tenuitvoerlegging
daarvan aan een andere lidstaat is of wordt toegezonden;

e. uitvoerende lidstaat: lidstaat van de Europese Unie waaraan een in
een andere lidstaat genomen toezichtbeslissing met het oog op
tenuitvoerlegging daarvan is of wordt toegezonden.

Artikel 2

1. Toezichtbeslissingen genomen in een andere lidstaat van de Europese
Unie en aan Nederland gezonden worden overeenkomstig de bepalingen van
deze titel erkend en ten uitvoer gelegd.

2. In Nederland genomen toezichtbeslissingen kunnen overeenkomstig de
bepalingen van deze titel worden gezonden aan een andere lidstaat van de
Europese Unie met het oog op de tenuitvoerlegging aldaar.

Artikel 3

1. Vatbaar voor erkenning en tenuitvoerlegging in Nederland dan wel
toezending aan een andere lidstaat van de Europese Unie zijn
toezichtbeslissingen, voor zover daarbij een of meer van de volgende
toezichtmaatregelen zijn opgelegd:

a. het gebod een bepaalde autoriteit in kennis te stellen van elke
wijziging van woon- of verblijfplaats;

b. het verbod bepaalde locaties, plaatsen of afgebakende gebieden te
betreden;

c. het gebod op bepaalde tijdstippen of gedurende een bepaalde periode
op een bepaalde locatie aanwezig te zijn;

d. de beperking van het recht om de uitvoerende lidstaat te verlaten; 

e. het gebod zich op bepaalde tijdstippen bij een bepaalde instantie te
melden; 

f. het verbod contact te leggen of te laten leggen met bepaalde personen
of instellingen;

g. andere toezichtmaatregelen op de naleving waarvan de uitvoerende
lidstaat bereid is toe te zien.

2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen toezichtmaatregelen als
bedoeld in het eerste lid, onder g, worden aangewezen, voor zover het
Nederland als uitvoerende lidstaat betreft. 

Artikel 4

1. Het openbaar ministerie is bevoegd te beslissen over de erkenning van
een van de uitvaardigende lidstaat ontvangen toezichtbeslissing met het
oog op tenuitvoerlegging in Nederland. 

2. Het openbaar ministerie is bevoegd tot toezending van een Nederlandse
toezichtbeslissing aan de uitvoerende lidstaat met het oog op de
erkenning en tenuitvoerlegging aldaar.

3. Telkens wanneer dit nodig wordt geacht, pleegt het openbaar
ministerie overleg met de bevoegde autoriteiten in de uitvaardigende of
uitvoerende lidstaat ten behoeve van een vlotte en efficiƫnte
uitvoering van de bepalingen in deze titel.

TWEEDE AFDELING ERKENNING EN TENUITVOERLEGGING VAN BUITENLANDSE
TOEZICHTBESLISSINGEN IN NEDERLAND

Artikel 5

1. Een in de uitvaardigende lidstaat genomen toezichtbeslissing kan
worden erkend en ten uitvoer gelegd in Nederland indien de betrokkene
zijn vaste woon- of verblijfplaats in Nederland heeft en, na van de
toezichtmaatregelen op de hoogte te zijn gesteld, ermee heeft ingestemd
naar Nederland terug te keren.

2. Het openbaar ministerie kan, in andere gevallen dan bedoeld in het
eerste lid, instemmen met de toezending van een in een lidstaat van de
Europese Unie genomen toezichtbeslissing met het oog op de erkenning en
tenuitvoerlegging daarvan in Nederland, indien de betrokkene om de
toezending heeft verzocht en er sprake is van een aantoonbare en
voldoende binding met Nederland. 

Artikel 6

1. De toezichtbeslissing wordt vergezeld van een ingevuld certificaat
aan het openbaar ministerie gezonden. Het certificaat is opgesteld
overeenkomstig het in bijlage I van het kaderbesluit opgenomen model. 

2. De toezending kan plaatsvinden per gewone post, telefax of
elektronische post, mits de echtheid van de toegezonden documenten door
het openbaar ministerie kan worden vastgesteld.

3. Indien het certificaat en de toezichtbeslissing niet aan het openbaar
ministerie zijn gezonden, worden ze door de geadresseerde onverwijld aan
het openbaar ministerie doorgezonden. De geadresseerde stelt de bevoegde
autoriteit van de uitvaardigende lidstaat hiervan onverwijld
schriftelijk in kennis. Het openbaar ministerie bevestigt de ontvangst
van de aan hem doorgezonden documenten aan de bevoegde autoriteit van de
uitvaardigende lidstaat.

Artikel 7

1. Het openbaar ministerie neemt het certificaat en de
toezichtbeslissing in behandeling.

2. Het openbaar ministerie kan de bevoegde autoriteit in de
uitvaardigende lidstaat verzoeken het origineel van het certificaat over
te leggen of een gewaarmerkt afschrift van de toezichtbeslissing .

3. Indien het certificaat niet is gesteld in de Nederlandse taal of,
indien Nederland zulks heeft medegedeeld in een bij het
secretariaat-generaal van de Raad van de Europese Unie neergelegde
verklaring, in een van de in die verklaring genoemde talen, verzoekt het
openbaar ministerie de bevoegde autoriteit in de uitvaardigende lidstaat
het certificaat alsnog te vertalen.

4. Indien het certificaat ontbreekt, onvolledig is of kennelijk niet in
overeenstemming is met de toezichtbeslissing, verzoekt het openbaar
ministerie de bevoegde autoriteit in de uitvaardigende lidstaat het
certificaat alsnog te overleggen, aan te vullen of te verbeteren.

Artikel 8

1. Het openbaar ministerie beslist binnen een termijn van achtentwintig
dagen na ontvangst van het certificaat over de erkenning van de
toezichtbeslissing. Het openbaar ministerie stelt de bevoegde autoriteit
van de uitvaardigende lidstaat onverwijld schriftelijk en met redenen
omkleed in kennis van zijn beslissing.

2. De beslissing van het openbaar ministerie kan slechts worden
uitgesteld:

a. totdat een vertaling beschikbaar is als bedoeld in artikel 7, derde
lid;

b. totdat binnen redelijke termijn is voldaan aan het verzoek, bedoeld
in artikel 7, vierde lid;

c. indien het vanwege uitzonderlijke omstandigheden niet mogelijk is de
termijn, bedoeld in het eerste lid, te halen. 

3. Het openbaar ministerie stelt de bevoegde autoriteit van de
uitvaardigende lidstaat onverwijld in kennis van de uitzonderlijke
omstandigheden, bedoeld in het tweede lid, onder c, en van de tijd die
benodigd is om een beslissing te nemen.

Artikel 9

1. Indien de aard van de aan de betrokkene opgelegde toezichtmaatregel
onverenigbaar is met het Nederlandse recht, past het openbaar ministerie
deze zodanig aan, dat tenuitvoerlegging naar Nederlands recht mogelijk
is op een wijze die zoveel mogelijk overeenstemt met de in de
uitvaardigende lidstaat opgelegde toezichtmaatregel.

2. De aanpassing, bedoeld in het eerste lid, houdt in geen geval een
verzwaring van de in de uitvaardigende lidstaat opgelegde
toezichtmaatregel in.

Artikel 10

1. Het openbaar ministerie weigert de erkenning van de
toezichtbeslissing, indien:

a. het certificaat niet is overgelegd, onvolledig is of kennelijk niet
in overeenstemming is met de toezichtbeslissing en niet binnen redelijke
termijn aan het verzoek, bedoeld in artikel 7, vierde lid, is voldaan;

b. niet is voldaan aan de voorwaarden voor erkenning, bedoeld in de
artikelen 3 en 5;

c. de tenuitvoerlegging van de toezichtbeslissing onverenigbaar is met
het aan artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 255, eerste
lid, van dit Wetboek ten grondslag liggende beginsel;

d. behoudens het bepaalde in het derde lid, het feit waarop de
toezichtbeslissing betrekking heeft, indien het in Nederland was begaan,
naar Nederlands recht niet strafbaar zou zijn;

e. over het feit waarop de toezichtbeslissing betrekking heeft naar
Nederlands recht rechtsmacht kon worden uitgeoefend en het recht tot
strafvordering naar Nederlands recht zou zijn verjaard;

f. de tenuitvoerlegging van de toezichtbeslissing onverenigbaar is met
een naar Nederlands recht geldende immuniteit;

g. de betrokkene ten tijde van het begaan van het feit de leeftijd van
twaalf jaren nog niet had bereikt;

h. het aannemelijk is dat de overlevering van de betrokkene zal worden
geweigerd op grond van de Overleveringswet, in het geval dat hij een
toezichtmaatregel niet naleeft.

2. Het openbaar ministerie weigert de erkenning van de
toezichtbeslissing niet op grond van het eerste lid, onderdelen a, b en
c, dan nadat de bevoegde autoriteit van de uitvaardigende lidstaat in de
gelegenheid is gesteld hieromtrent inlichtingen te verschaffen.

3. Het openbaar ministerie weigert de erkenning van de
toezichtbeslissing niet op grond van het eerste lid, onderdeel d, indien
het feit waarop de toezichtbeslissing betrekking heeft, is vermeld op of
valt onder de bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde lijst met
feiten en soorten van feiten.

4. Het openbaar ministerie kan afzien van de weigering van de erkenning
van de toezichtbeslissing op grond van het eerste lid, onderdeel h,
indien de bevoegde autoriteit van de uitvaardigende lidstaat in kennis
is gesteld van de mogelijke weigering van de overlevering en zij het
certificaat niet intrekt.

Artikel 11

1. Nadat de toezichtbeslissing is erkend en de bevoegde autoriteit in de
uitvaardigende lidstaat niet binnen tien dagen na de kennisgeving,
bedoeld in artikel 8, eerste lid, het certificaat heeft ingetrokken,
draagt het openbaar ministerie er zorg voor dat de toezichtbeslissing zo
spoedig mogelijk, overeenkomstig het Nederlandse recht en met
inachtneming van de erkenningsbeslissing, ten uitvoer wordt gelegd. 

2. Het openbaar ministerie geeft aan een krachtens algemene maatregel
van bestuur aangewezen reclasseringsinstelling opdracht toezicht te
houden op de naleving van de aan de betrokkene opgelegde
toezichtmaatregelen en hem ten behoeve daarvan te begeleiden. De
betrokkene is verplicht zijn medewerking te verlenen aan het
reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder
begrepen.

3. Bij het houden van toezicht op de naleving van de toezichtmaatregelen
stelt de reclasseringsinstelling de identiteit van de betrokkene vast op
de wijze, bedoeld in artikel 27a, eerste lid, eerste volzin, en tweede
lid. 

4. Indien een toezichtmaatregel niet wordt nageleefd, doet de
reclasseringsinstelling daarvan onverwijld melding aan het openbaar
ministerie.

Artikel 12

1. Het openbaar ministerie stelt de bevoegde autoriteit van de
uitvaardigende lidstaat onverwijld in een vorm die toelaat dat het
schriftelijk wordt vastgelegd, in kennis van:

a. iedere wijziging van de woon- of verblijfplaats van de betrokkene;

b. het feit dat het onmogelijk is om toezicht te houden op de naleving
van de toezichtmaatregelen, omdat de betrokkene niet in Nederland kan
worden gevonden.

2. Het openbaar ministerie stelt de bevoegde autoriteit van de
uitvaardigende lidstaat onverwijld door middel van het formulier dat is
opgesteld overeenkomstig het in bijlage II van het kaderbesluit
opgenomen model, in kennis van:

a. zijn oordeel dat de betrokkene een toezichtmaatregel niet naleeft;

b. alle overige feiten en omstandigheden die tot gevolg zouden kunnen
hebben dat in de uitvaardigende lidstaat een beslissing wordt genomen
omtrent het voortduren, wijzigen of beƫindigen van de
toezichtmaatregelen.

Artikel 13

Het openbaar ministerie kan te allen tijde de bevoegde autoriteit van de
uitvaardigende lidstaat verzoeken om informatie te verschaffen over de
noodzaak van het voortduren van het toezicht op de naleving van de
toezichtmaatregelen.

Artikel 14

1. Indien de bevoegde autoriteit van de uitvaardigende lidstaat het
openbaar ministerie in kennis stelt van een wijziging van de
toezichtmaatregelen, erkent het openbaar ministerie deze wijziging, voor
zover de gewijzigde toezichtmaatregel op grond van artikel 3 in
Nederland ten uitvoer kan worden gelegd, zo nodig onder toepassing van
artikel 9.

2. Het openbaar ministerie erkent de wijziging van de
toezichtmaatregelen niet dan nadat een afschrift van de
wijzigingsbeslissing waarvan de echtheid kan worden vastgesteld, is
ontvangen. 

3. Het openbaar ministerie draagt er zorg voor dat de gewijzigde
toezichtmaatregel zo spoedig mogelijk ten uitvoer wordt gelegd.

Artikel 15

1. Het openbaar ministerie beƫindigt het toezicht op de naleving van de
aan de betrokkene opgelegde toezichtmaatregelen:

a. indien meermalen een kennisgeving als bedoeld in artikel 12, tweede
lid, aan de bevoegde autoriteit van de uitvaardigende lidstaat is
verzonden en naar aanleiding daarvan binnen redelijke termijn geen
beslissing is genomen omtrent de toezichtmaatregelen;

b. zodra een kennisgeving van de bevoegde autoriteit in de
uitvaardigende lidstaat is ontvangen dat de toezichtmaatregelen zijn
beƫindigd;

c. indien de betrokkene niet langer zijn vaste woon- of verblijfplaats
in Nederland heeft;

d. indien de betrokkene niet in Nederland kan worden gevonden.

2. Het openbaar ministerie stelt de bevoegde autoriteit van de
uitvaardigende lidstaat onverwijld in een vorm die toelaat dat het
schriftelijk wordt vastgelegd, in kennis van de beƫindiging van het
toezicht. Het openbaar ministerie stelt eveneens de
reclasseringsinstelling, belast met het toezicht, en zo mogelijk de
betrokkene in kennis van de beƫindiging van het toezicht. 

DERDE AFDELING ERKENNING EN TENUITVOERLEGGING VAN NEDERLANDSE BEVELEN
TOT SCHORSING VAN DE VOORLOPIGE HECHTENIS IN HET BUITENLAND 

Artikel 16 

1. Een bevel tot schorsing van de voorlopige hechtenis als bedoeld in
artikel 80 kan door het openbaar ministerie worden toegezonden aan de
lidstaat van de Europese Unie waar de verdachte zijn vaste woon- of
verblijfplaats heeft, indien hij ermee instemt naar die staat terug te
keren.

2. Op verzoek van de verdachte kan het openbaar ministerie het bevel tot
schorsing van de voorlopige hechtenis toezenden aan een andere lidstaat
dan de lidstaat, bedoeld in het eerste lid, indien de bevoegde
autoriteit van die lidstaat daarmee instemt. 

3. Het openbaar ministerie geeft geen toepassing aan het eerste of
tweede lid, dan nadat de rechter, bedoeld in artikel 86, eerste lid,
daartoe de opdracht heeft gegeven.

Artikel 17

1. Het openbaar ministerie zendt het bevel tot schorsing, vergezeld van
een ingevuld certificaat rechtstreeks aan de bevoegde autoriteit van de
uitvoerende lidstaat. Het certificaat is opgesteld overeenkomstig het in
bijlage I van het kaderbesluit opgenomen model. 

2. Het certificaat is gesteld in de officiƫle taal of een van de
officiƫle talen van de uitvoerende lidstaat dan wel, indien die staat
zulks heeft medegedeeld in een bij het secretariaat-generaal van de Raad
van de Europese Unie neergelegde verklaring, in een van de in die
verklaring genoemde talen.

3. Indien niet bekend is welke autoriteit in de uitvoerende lidstaat
bevoegd is tot erkenning van de rechterlijke uitspraak, verzoekt het
openbaar ministerie hieromtrent om inlichtingen.

4. Het bevel tot schorsing wordt niet aan twee of meer lidstaten
tegelijkertijd toegezonden.

5. De toezending kan plaatsvinden per gewone post, telefax of
elektronische post, mits de echtheid van de toegezonden documenten door
de bevoegde autoriteit van de uitvoerende lidstaat kan worden
vastgesteld.

6. Op verzoek van de bevoegde autoriteit van de uitvoerende lidstaat
stuurt het openbaar ministerie deze een gewaarmerkt afschrift van het
bevel tot schorsing dan wel het origineel van het certificaat toe.

Artikel 18 

1. Het openbaar ministerie kan het certificaat intrekken in opdracht van
de rechter, bedoeld in artikel 16, derde lid, naar aanleiding van:

a. de kennisgeving betreffende de maximumtermijn gedurende welke in de
uitvoerende lidstaat toezicht kan worden gehouden op de naleving van de
aan de schorsing van de voorlopige hechtenis verbonden voorwaarden;

b. de kennisgeving betreffende de beslissing van de bevoegde autoriteit
van de uitvoerende lidstaat tot aanpassing van de aan de schorsing van
de voorlopige hechtenis verbonden voorwaarden.

2. Het openbaar ministerie beslist over de intrekking van het
certificaat binnen een termijn van tien dagen na ontvangst van de
kennisgeving, bedoeld in het eerste lid. Het openbaar ministerie stelt
de bevoegde autoriteit van de uitvoerende lidstaat en de verdachte
onverwijld schriftelijk en met redenen omkleed in kennis van de
beslissing om het certificaat in te trekken.

Artikel 19

1. Het houden van toezicht op de naleving van de aan de schorsing van de
voorlopige hechtenis verbonden voorwaarden wordt opgeschort gedurende de
periode dat in de uitvoerende lidstaat daarop toezicht wordt gehouden.

2. Tot het houden van toezicht in Nederland kan worden overgegaan:

a. zodra van de bevoegde autoriteit van de uitvoerende lidstaat bericht
is ontvangen dat het toezicht is beƫindigd;

b. indien de verdachte niet langer zijn vaste woon- of verblijfplaats in
de uitvoerende lidstaat heeft;

c. indien de verdachte zich in Nederland bevindt.

Artikel 20

1. Het openbaar ministerie kan de bevoegde autoriteit in de uitvoerende
lidstaat verzoeken om verlenging van de termijn gedurende welke in de
uitvoerende lidstaat toezicht kan worden gehouden op de naleving van de
aan de schorsing van de voorlopige hechtenis verbonden voorwaarden.

2. Het openbaar ministerie stelt de bevoegde autoriteit van de
uitvoerende lidstaat onverwijld in een vorm die toelaat dat het
schriftelijk wordt vastgelegd, in kennis van:

a. een wijziging van het bevel tot schorsing; 

b. een beslissing die strekt tot beƫindiging van het toezicht op de
naleving van de aan de schorsing van de voorlopige hechtenis verbonden
voorwaarden;

c. informatie over de noodzaak van het voortduren van het toezicht op de
naleving van de aan de schorsing van de voorlopige hechtenis verbonden
voorwaarden, indien de bevoegde autoriteit van de uitvoerende lidstaat
daarom heeft verzocht.

ARTIKEL II

Voor de plaatsing van deze wet in het Staatsblad stelt Onze Minister van
Veiligheid en Justitie de nummering van de artikelen van deze wet
opnieuw vast en brengt hij de in deze wet voorkomende aanhalingen van de
artikelen met de nieuwe nummering in overeenstemming.

ARTIKEL III

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat
alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven

De Minister van Veiligheid en Justitie,

De Minister van Veiligheid en Justitie,

 

 

 PAGE    

 PAGE   9