[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

33871 Adv RvSt inzake Implementatie van richtlijn nr. 2012/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het recht op informatie in strafprocedures (PbEU L 142)

Implementatie van richtlijn nr. 2012/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het recht op informatie in strafprocedures (PbEU L 142)

Advies Afdeling advisering Raad van State

Nummer: 2014D05692, datum: 2014-02-13, bijgewerkt: 2024-02-19 10:56, versie: 1

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Onderdeel van zaak 2014Z02872:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


RAADNo.W03.13.0397/II 's-Gravenhage, 16 januari 2014

...................................................................................

Bij Kabinetsmissive van 1 november 2013, no.13.002259, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Veiligheid en Justitie, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot implementatie van richtlijn nr. 2012/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het recht op informatie in strafprocedures (PbEU L 142), met memorie van toelichting.

Het wetsvoorstel strekt tot implementatie van Richtlijn 2012/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het recht op informatie in strafprocedures (hierna: de richtlijn). De richtlijn bevat minimumnormen inzake het verstrekken van informatie aan verdachten over de hen toekomende procedurele rechten,1 het recht op informatie van verdachten van een strafbaar feit over de tegen hen gerichte beschuldiging en het recht van verdachten en hun advocaten op toegang tot de stukken van het dossier. De richtlijn beoogt het recht op vrijheid, het recht op een eerlijk proces en de rechten van de verdediging te beschermen.2

De Afdeling advisering van de Raad van State onderschrijft de strekking van het wetsvoorstel, maar maakt enkele opmerkingen over de weigering van de toegang tot de processtukken. Zij is van oordeel dat in verband daarmee een nadere motivering en zo nodig een aanpassing van het wetsvoorstel wenselijk is.

Volgens de richtlijn kan de verdachte of diens raadsman de toegang tot bepaalde processtukken worden geweigerd,3 ‘op voorwaarde dat het recht op een eerlijk proces hierdoor niet wordt geschonden, indien door die toegang het leven of de grondrechten van een andere persoon ernstig in het gedrang zouden kunnen komen of indien die weigering strikt noodzakelijk is ter bescherming van een zwaarwegend algemeen belang, zoals wanneer door de toegang een lopend onderzoek zou kunnen worden geschaad of de nationale veiligheid van de lidstaat waar de strafprocedure wordt gevoerd ernstig zou kunnen worden bedreigd’.4 In de memorie van toelichting wordt betoogd dat aanvullende regelgeving ter implementatie van artikel 7 van de richtlijn niet nodig is.5 Voor zover het gaat om artikel 7, vierde lid, sluiten de in deze bepaling genoemde belangen volgens de toelichting aan bij de in Sv genoemde belangen op grond waarvan toegang tot processtukken kan worden geweigerd.6 Op grond van het huidige Sv is weigering mogelijk indien (a) een getuige ernstige overlast zal ondervinden of in de uitoefening van zijn ambt of beroep ernstig zal worden belemmerd, (b) een zwaarwegend opsporingsbelang of (c) het belang van de staatsveiligheid worden geschaad.7

De Afdeling merkt op dat wat betreft de weigering van de toegang tot de processtukken de tekst van de strafvorderlijke bepalingen op een aantal punten niet met artikel 7, vierde lid, van de richtlijn overeenkomt.

a. De huidige strafvorderlijke weigeringsgrond dat een getuige ‘ernstige overlast zal ondervinden of in de uitoefening van zijn ambt of beroep ernstig zal worden belemmerd’8 komt niet met zo veel woorden voor in artikel 7, vierde lid, van de richtlijn. Zij lijkt ruimer dan de daarin opgenomen voorwaarde dat ‘het leven of de grondrechten van een ander persoon ernstig in het gedrang kunnen komen’. De Afdeling adviseert nader aan te geven hoe de genoemde strafvorderlijke weigeringsgrond zich verhoudt tot artikel 7, vierde lid, van de richtlijn en zo nodig het voorstel aan te passen.

b. De huidige strafvorderlijke weigeringsgronden dat een ‘zwaarwegend opsporingsbelang’ of het ‘belang van de staatsveiligheid’ wordt geschaad9 zijn specifieker en daarmee strikter dan de in artikel 7, vierde lid, van de richtlijn opgenomen weigeringsgrond die gericht is op de bescherming van een ‘zwaarwegend algemeen belang’. Uit het woord ‘zoals’ in artikel 7, vierde lid, kan worden afgeleid dat onder ‘zwaarwegend algemeen belang’ meer belangen worden geschaard dan de daar uitdrukkelijk genoemde belangen van een lopend onderzoek of de nationale veiligheid. De Afdeling merkt op dat in het nationale recht van de lidstaten striktere weigeringsgronden kunnen worden opgenomen dan de richtlijn voorschrijft. De toelichting dient daarvoor echter een dragende motivering te bevatten. Die motivering ontbreekt in de toelichting. De Afdeling adviseert in de toelichting alsnog daarin te voorzien en zo nodig het voorstel aan te passen.

De Afdeling advisering van de Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.


De vice-president van de Raad van State,


  1. Dit geldt eveneens voor personen tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd.↩︎

  2. Overweging 41 van de Preambule van de richtlijn.↩︎

  3. Artikel 7, vierde lid, van de richtlijn↩︎

  4. Het EHRM oordeelt dat bepaalde informatie in het belang van de opsporing, de nationale veiligheid, de bescherming van getuigen, de bescherming van fundamentele rechten van anderen of vanwege een zwaarwegend algemeen belang kan worden achtergehouden, mits dit gebeurt op een zodanige wijze dat de rechten van de verdediging worden gerespecteerd. De rechten van de verdediging mogen alleen worden beperkt voor zover dit strikt noodzakelijk is en dergelijke beperkingen dienen in de procedure te worden gecompenseerd. EHRM 16 februari 2000, nr. 27052/95 (Jasper tegen het Verenigd Koninkrijk); EHRM 16 februari 2000, nr. 29777/96 (Fitt tegen het Verenigd Koninkrijk) en EHRM 16 februari 2000, nr. 28901/95 EHRC 2000, p. 296-299 m.nt. T. Spronken (Rowe en Davis tegen het Verenigd Koninkrijk); EHRM 22 juli 2003, EHRC 2003, p. 761-762 (m.nt. G. Mols) (Edwards en Lewis tegen het Verenigd Koninkrijk), bevestigd in de Grand Chamber EHRM 27 oktober 2004, EHRC 2004, p. 1083-1088 en EHRM 11 januari 2011, (McKeown tegen het Verenigd Koninkrijk), appl. nr. 6684/05 (niet gepubliceerd). Zie ook EHRM 25 september 2001, EHRC 2001 m.nt. T. Spronken, p. 697-711 (P.G. en J.H. tegen het Verenigd Koninkrijk); EHRM 19 juni 2001, EHRC 2001, 53 (Atlan tegen het Verenigd Koninkrijk); EHRM 24 juni 2003, EHRC 2003, 67 (Dowsett tegen het Verenigd Koninkrijk); EHRM 7 juni 2007, nr. 15187/03 (Botmeh en Alami tegen het Verenigd Koninkrijk).↩︎

  5. Memorie van toelichting, paragraaf 3.5 ‘Het recht op toegang tot processtukken’, tweede tekstblok.↩︎

  6. Memorie van toelichting, paragraaf 3.5 ‘Het recht op toegang tot processtukken’, voorlaatste tekstblok.↩︎

  7. Dit is geregeld in de artikelen 34, vierde lid (dit artikel ziet op het verzoek van de verdediging tot voeging of kennisneming van de stukken, criterium ‘onverenigbaarheid’) en 149b Sv (dit artikel ziet op het op initiatief van de officier van justitie niet voegen van stukken aan het dossier , criterium ‘noodzakelijk met het oog op de in artikel 187d, eerste lid, vermelde belangen). In beide artikelen wordt verwezen naar de in artikel 187d Sv vermelde weigeringsgronden.↩︎

  8. Artikel 187d, eerste lid, onder a, Sv.↩︎

  9. Artikel 187d, eerste lid, onder b en c, Sv.↩︎