33954 Adv RvSt inzake Implementatie van richtlijn 2011/99/EU van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 13 december 2011 betreffende het Europees beschermingsbevel (PbEU L 338)
Implementatie van richtlijn 2011/99/EU van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 13 december 2011 betreffende het Europees beschermingsbevel (PbEU L 338)
Advies Afdeling advisering Raad van State
Nummer: 2014D21351, datum: 2014-06-05, bijgewerkt: 2024-02-19 10:56, versie: 1
Directe link naar document (.doc), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Onderdeel van zaak 2014Z10416:
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Veiligheid en Justitie (2010-2017)
- Stemmingen en besluiten:
-
2014-11-18 15:15 â Aangenomen. (Besluit)
- Voor 136: 50PLUS | CDA | ChristenUnie | D66 | GrKĂ | GroenLinks | Klein | PvdA | PvdD | SGP | SP | VVD | Van Vliet
- Tegen 14: GrBvK | PVV
- 2014-11-05 14:30 â Aanmelden voor plenaire behandeling als hamerstuk. (Besluit)
- 2014-09-04 14:00 â Inbreng geleverd. (Besluit)
- 2014-06-18 14:30 â Inbrengdatum voor het verslag vastgesteld op 4 september 2014. (Besluit)
- 2014-06-11 13:40 â In handen gesteld van de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie (Besluit)
- 2014-06-11 13:40 â Koninklijke boodschap, met de erbij behorende stukken, is al rondgezonden en gepubliceerd. (Besluit)
-
2014-11-18 15:15 â Aangenomen. (Besluit)
- 2014-06-11 13:40: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2014-06-18 14:30: Procedures en brieven (Procedurevergadering), vaste commissie voor Veiligheid en Justitie (2010-2017)
- 2014-09-04 14:00: Implementatie van richtlijn 2011/99/EU van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 13 december 2011 betreffende het Europees beschermingsbevel (PbEU L 338) (33954) (Inbreng verslag (wetsvoorstel)), vaste commissie voor Veiligheid en Justitie (2010-2017)
- 2014-11-05 14:30: Procedures en brieven (Procedurevergadering), vaste commissie voor Veiligheid en Justitie (2010-2017)
- 2014-11-18 15:15: Stemmingen (Stemmingen), TK
Preview document (đ origineel)
No.W03.14.0039/II 's-Gravenhage, 10 april 2014 Bij Kabinetsmissive van 18 februari 2014, no.2014000356, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Veiligheid en Justitie, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot implementatie van richtlijn 2011/99/EU van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 13 december 2011 betreffende het Europees beschermingsbevel (PbEU L 338), met memorie van toelichting. Richtlijn 2011/99/EU (hierna: de richtlijn) beoogt maatregelen die een slachtoffer beschermen en zijn opgelegd in de ene lidstaat, te kunnen uitbreiden naar een andere lidstaat. Een Europees beschermingsbevel kan alleen worden uitgevaardigd indien in de beslissingsstaat al een nationale beschermingsmaatregel is vastgesteld. Het moet daarbij gaan om beslissingen in strafzaken. Drie typen beschermingsmaatregelen kunnen worden omgezet in een Europees beschermingsbevel: locatieverboden, contactverboden en benaderingsverboden. Andere maatregelen kunnen niet worden overgedragen op basis van de richtlijn. De Afdeling advisering van de Raad van State onderschrijft de strekking van het wetsvoorstel, maar maakt opmerkingen over de vervaltermijn van de uitvoeringsmaatregelen en enkele artikelsgewijze opmerkingen. Zij is van oordeel dat in verband daarmee enige aanpassing van het wetsvoorstel wenselijk is. 1. Vervaltermijn uitvoeringsmaatregelen De richtlijn laat de keuze voor de geldingstermijn van de uitvoeringsmaatregelen van het Europees beschermingsbevel over aan het nationale recht van de lidstaten. In het voorstel wordt de maximale termijn van een beschermingsbevel op één jaar vastgelegd, ook na mogelijke verlenging. In artikel 14, eerste lid, onder b, van de richtlijn wordt het verstrijken van de termijn voor de uitvoeringsmaatregelen als een facultatieve grond voor intrekking van die maatregelen genoemd. Artikel 5:4:9, eerste lid, onder b, van het voorstel, sluit daarbij aan. De toelichting vermeldt dat indien de termijn is verstreken, de maatregelen niet automatisch vervallen, maar dat een besluit tot intrekking moet worden genomen. De genoemde richtlijnbepaling wordt in de toelichting geĂŻnterpreteerd als âuiting van bezorgdheid van de Europese wetgever over het belang van de beschermde persoon.â Voordat de officier van justitie tot intrekking besluit kan hij bij de bevoegde autoriteit van de uitvaardigende lidstaat inlichtingen inwinnen omtrent de vraag of de bij het Europees bevel geboden bescherming in de gegeven omstandigheden noodzakelijk blijft. De toelichting wijst op de mogelijkheid dat de autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat van mening zijn dat bescherming noodzakelijk blijft na verloop van de termijn. In dat geval zullen deze autoriteiten moeten aangeven op welke juridische basis zij de medewerking van de Nederlandse autoriteiten verzoeken. De Afdeling merkt op dat het op grond van de richtlijn en het wetsvoorstel mogelijk is om de uitvoeringsmaatregelen niet in te trekken, ook al is de volgens het nationale recht geldende maximumduur van de ter uitvoering van het Europees beschermingsbevel genomen maatregelen verstreken. De toelichting maakt echter niet duidelijk wat de status is van niet-ingetrokken uitvoeringsmaatregelen, nĂĄ het verstrijken van de maximale duur van deze maatregelen. Ziet de Afdeling het goed dan zal, indien een maatregel geboden blijft, de procedure voor erkenning van het Europees beschermingsbevel opnieuw moeten worden gevolgd. Daardoor bestaat het risico dat de persoon die bescherming behoeft, daarvan (enige tijd) verstoken blijft. De Afdeling adviseert in het belang van de te beschermen persoon de toelichting op dit punt te verduidelijken. 2. Overige opmerkingen, artikelsgewijs a. Artikel 5:4:1, onder b Artikel 5:4:1, onder b, van het voorstel, geeft de definitie van beschermingsmaatregel. Deze definitie sluit aan bij artikel 2, tweede lid, van de richtlijn, maar het laatste deel daarvan, waarbij een beperking is opgenomen door te verwijzen naar de maatregelen in artikel 5 van de richtlijn, ontbreekt in deze bepaling. De in artikel 5 van de richtlijn opgenomen bepalingen zijn overgenomen in artikel 5:4:3, onder a, van het voorstel. De Afdeling adviseert in artikel 5:4:1, onder b, nader aan te sluiten bij de definitie in de richtlijn, door te verwijzen naar artikel 5:4:3, onder a, van het voorstel. b. Artikel 5:4:16, vierde lid Op grond van artikel 5:4:16, vierde lid, van het voorstel, doet de officier van justitie mededeling van elke genomen beslissing die strekt tot wijziging of intrekking van het Europees beschermingsbevel aan de bevoegde autoriteit van de uitvoerende lidstaat en aan de beschermde persoon. De persoon die gevaar veroorzaakt wordt in deze bepaling niet genoemd. De richtlijn bevat geen bepalingen over het doen van mededelingen aan betrokkenen in deze situatie. In de toelichting op artikel 5:4:13 van het voorstel wordt uiteengezet dat, hoewel de richtlijn hier niet in voorziet, het van belang is dat de beschermde persoon en de persoon die gevaar veroorzaakt op de hoogte zijn van het nemen van een beslissing over het Europees beschermingsbevel. Niet wordt toegelicht waarom bij het wijzigen of intrekken van de maatregelen als bedoeld in artikel 5:4:16 een andere keuze wordt gemaakt. De Afdeling adviseert hier nader op in te gaan en het voorstel zo nodig aan te passen. c. Artikel 9, tweede lid, van de richtlijn Artikel 9, tweede lid, van de richtlijn, bepaalt onder meer dat een maatregel die op basis van een vervolgbeslissing als bedoeld in artikel 11 van de richtlijn wordt genomen, zoveel mogelijk overeenstemt met de in de beslissingsstaat opgelegde beschermingsmaatregel. In de toelichting staat vermeld dat deze bepaling zo wordt begrepen dat de autoriteit bij vervolgbeslissingen een maatregel dient te kiezen die zoveel mogelijk overeenkomt met de in de uitvaardigende lidstaat opgelegde beschermingsmaatregel. Daarbij wordt vermeld dat dit onderdeel van deze bepaling niet wordt geĂŻmplementeerd omdat deze situatie in Nederland theoretisch is. Waarom deze situatie theoretisch is, wordt echter niet toegelicht. De Afdeling adviseert dit nader toe te lichten en het voorstel zo nodig aan te passen. 3. De Afdeling verwijst naar de bij dit advies behorende redactionele bijlage. De Afdeling advisering van de Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden. De vice-president van de Raad van State, Redactionele bijlage bij het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State betreffende no.W03.14.0039/II Toelichten waarom in artikel 5:4:1, onder e en f, niet de definities âbeslissingsstaatâ en âtenuitvoerleggingsstaatâ uit artikel 2, vijfde en zesde lid van de richtlijn zijn overgenomen. In artikel 5:4:4 in alle leden ofwel overal 4 weken, ofwel overal 28 dagen opnemen. In artikel 5:4:5, onder f, âhet aanâ schrappen. In de transponeringstabel voor artikel 6, zevende lid, 13.1b en 13.4 niet opnemen dat de bepaling ânaar zijn aard geen omzetting behoeftâ, nu het bij die bepalingen om inhoudelijke redenen voor niet omzetten gaat. In artikel 5:4:8, vierde lid, opnemen dat de officier van justitie - naast de in deze bepaling opgenomen mededeling aan betrokkenen van weigering en intrekking (tweede en derde lid) van uitvoeringsmaatregelen - eveneens mededeling doet van verlenging of wijziging van uitvoeringsmaatregelen (als bedoeld in het eerste lid). In artikel 5:4:9 âartikel 8, tweede lidâ vervangen door: artikel 5:4:8, tweede lid. In artikel 5:4:12, tweede en derde lid, na âbehandelingâ invoegen: van het verzoek. In artikel 5:4:13 voor het tweede tekstblok beginnend met âIndien de officier (..)â de aanduiding â2.â opnemen. De Europese Commissie en het Raadssecretariaat verzoeken de in de artikelsgewijze toelichting bij artikel 5:4:7 vermelde kennelijke verschrijving in de Nederlandstalige versie van Bijlage II bij de richtlijn te rectificeren. Artikel 5. Artikel 2, tweede lid. Volgens overweging 10 van de considerans bij de richtlijn speelt het strafrechtelijk, burgerrechtelijk of bestuursrechtelijk karakter van de autoriteit die de beschermingsmaatregel oplegt daarbij geen rol. Artikel 5:4:6, derde lid en 5:4:8, eerste lid. Memorie van toelichting, Artikelsgewijs, Artikel 5:4:9. Memorie van toelichting, ibid. Artikel 5:4:9, tweede lid van het voorstel vermeldt in lijn met artikel 14, derde lid, van de richtlijn dat de officier van justitie bij de autoriteit van de uitvaardigende staat inlichtingen kan inwinnen over de vraag of de bij het Europees beschermingsbevel geboden bescherming in de gegeven omstandigheden noodzakelijk blijft. Memorie van toelichting, Artikelsgewijs, Artikel 5:4:7. PAGE 1 PAGE 2 PAGE I ........................................................................ ........... AAN DE KONING