[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

33954 Adv RvSt inzake Implementatie van richtlijn 2011/99/EU van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 13 december 2011 betreffende het Europees beschermingsbevel (PbEU L 338)

Implementatie van richtlijn 2011/99/EU van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 13 december 2011 betreffende het Europees beschermingsbevel (PbEU L 338)

Advies Afdeling advisering Raad van State

Nummer: 2014D21351, datum: 2014-06-05, bijgewerkt: 2024-02-19 10:56, versie: 1

Directe link naar document (.doc), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Onderdeel van zaak 2014Z10416:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


No.W03.14.0039/II	's-Gravenhage, 10 april 2014

Bij Kabinetsmissive van 18 februari 2014, no.2014000356, heeft Uwe
Majesteit, op voordracht van de Minister van Veiligheid en Justitie, bij
de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig
gemaakt het voorstel van wet tot implementatie van richtlijn 2011/99/EU
van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 13
december 2011 betreffende het Europees beschermingsbevel (PbEU L 338),
met memorie van toelichting.

Richtlijn 2011/99/EU (hierna: de richtlijn) beoogt maatregelen die een
slachtoffer beschermen en zijn opgelegd in de ene lidstaat, te kunnen
uitbreiden naar een andere lidstaat. Een Europees beschermingsbevel kan
alleen worden uitgevaardigd indien in de beslissingsstaat al een
nationale beschermingsmaatregel is vastgesteld. Het moet daarbij gaan om
beslissingen in strafzaken. Drie typen beschermingsmaatregelen kunnen
worden omgezet in een Europees beschermingsbevel: locatieverboden,
contactverboden en benaderingsverboden. Andere maatregelen kunnen niet
worden overgedragen op basis van de richtlijn.

De Afdeling advisering van de Raad van State onderschrijft de strekking
van het wetsvoorstel, maar maakt opmerkingen over de vervaltermijn van
de uitvoeringsmaatregelen en enkele artikelsgewijze opmerkingen. Zij is
van oordeel dat in verband daarmee enige aanpassing van het wetsvoorstel
wenselijk is.

1.	Vervaltermijn uitvoeringsmaatregelen

De richtlijn laat de keuze voor de geldingstermijn van de
uitvoeringsmaatregelen van het Europees beschermingsbevel over aan het
nationale recht van de lidstaten. In het voorstel wordt de maximale
termijn van een beschermingsbevel op één jaar vastgelegd, ook na
mogelijke verlenging. In artikel 14, eerste lid, onder b, van de
richtlijn wordt het verstrijken van de termijn voor de
uitvoeringsmaatregelen als een facultatieve grond voor intrekking van
die maatregelen genoemd. Artikel 5:4:9, eerste lid, onder b, van het
voorstel, sluit daarbij aan. De toelichting vermeldt dat indien de
termijn is verstreken, de maatregelen niet automatisch vervallen, maar
dat een besluit tot intrekking moet worden genomen. De genoemde
richtlijnbepaling wordt in de toelichting geïnterpreteerd als “uiting
van bezorgdheid van de Europese wetgever over het belang van de
beschermde persoon.” Voordat de officier van justitie tot intrekking
besluit kan hij bij de bevoegde autoriteit van de uitvaardigende
lidstaat inlichtingen inwinnen omtrent de vraag of de bij het Europees
bevel geboden bescherming in de gegeven omstandigheden noodzakelijk
blijft. De toelichting wijst op de mogelijkheid dat de autoriteiten van
de uitvaardigende lidstaat van mening zijn dat bescherming noodzakelijk
blijft na verloop van de termijn. In dat geval zullen deze autoriteiten
moeten aangeven op welke juridische basis zij de medewerking van de
Nederlandse autoriteiten verzoeken.

De Afdeling merkt op dat het op grond van de richtlijn en het
wetsvoorstel mogelijk is om de uitvoeringsmaatregelen niet in te
trekken, ook al is de volgens het nationale recht geldende maximumduur
van de ter uitvoering van het Europees beschermingsbevel genomen
maatregelen verstreken. De toelichting maakt echter niet duidelijk wat
de status is van niet-ingetrokken uitvoeringsmaatregelen, nĂĄ het
verstrijken van de maximale duur van deze maatregelen. 

Ziet de Afdeling het goed dan zal, indien een maatregel geboden blijft,
de procedure voor erkenning van het Europees beschermingsbevel opnieuw
moeten worden gevolgd. Daardoor bestaat het risico dat de persoon die
bescherming behoeft, daarvan (enige tijd) verstoken blijft. 

De Afdeling adviseert in het belang van de te beschermen persoon de
toelichting op dit punt te verduidelijken.

2.	Overige opmerkingen, artikelsgewijs

a.	Artikel 5:4:1, onder b

Artikel 5:4:1, onder b, van het voorstel, geeft de definitie van
beschermingsmaatregel. Deze definitie sluit aan bij artikel 2, tweede
lid, van de richtlijn, maar het laatste deel daarvan, waarbij een
beperking is opgenomen door te verwijzen naar de maatregelen in artikel
5 van de richtlijn, ontbreekt in deze bepaling. De in artikel 5 van de
richtlijn opgenomen bepalingen zijn overgenomen in artikel 5:4:3, onder
a, van het voorstel. 

De Afdeling adviseert in artikel 5:4:1, onder b, nader aan te sluiten
bij de definitie in de richtlijn, door te verwijzen naar artikel 5:4:3,
onder a, van het voorstel.

b. 	Artikel 5:4:16, vierde lid

Op grond van artikel 5:4:16, vierde lid, van het voorstel, doet de
officier van justitie mededeling van elke genomen beslissing die strekt
tot wijziging of intrekking van het Europees beschermingsbevel aan de
bevoegde autoriteit van de uitvoerende lidstaat en aan de beschermde
persoon. De persoon die gevaar veroorzaakt wordt in deze bepaling niet
genoemd. De richtlijn bevat geen bepalingen over het doen van
mededelingen aan betrokkenen in deze situatie. In de toelichting op
artikel 5:4:13 van het voorstel wordt uiteengezet dat, hoewel de
richtlijn hier niet in voorziet, het van belang is dat de beschermde
persoon en de persoon die gevaar veroorzaakt op de hoogte zijn van het
nemen van een beslissing over het Europees beschermingsbevel. Niet wordt
toegelicht waarom bij het wijzigen of intrekken van de maatregelen als
bedoeld in artikel 5:4:16 een andere keuze wordt gemaakt.

De Afdeling adviseert hier nader op in te gaan en het voorstel zo nodig
aan te passen.

c.	Artikel 9, tweede lid, van de richtlijn

Artikel 9, tweede lid, van de richtlijn, bepaalt onder meer dat een
maatregel die op basis van een vervolgbeslissing als bedoeld in artikel
11 van de richtlijn wordt genomen, zoveel mogelijk overeenstemt met de
in de beslissingsstaat opgelegde beschermingsmaatregel. In de
toelichting staat vermeld dat deze bepaling zo wordt begrepen dat de
autoriteit bij vervolgbeslissingen een maatregel dient te kiezen die
zoveel mogelijk overeenkomt met de in de uitvaardigende lidstaat
opgelegde beschermingsmaatregel. Daarbij wordt vermeld dat dit onderdeel
van deze bepaling niet wordt geĂŻmplementeerd omdat deze situatie in
Nederland theoretisch is. Waarom deze situatie theoretisch is, wordt
echter niet toegelicht.

De Afdeling adviseert dit nader toe te lichten en het voorstel zo nodig
aan te passen.  

3.	De Afdeling verwijst naar de bij dit advies behorende redactionele
bijlage.

De Afdeling advisering van de Raad van State geeft U in overweging het
voorstel van wet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal,
nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.

De vice-president van de Raad van State,

Redactionele bijlage bij het advies van de Afdeling advisering van de
Raad van State betreffende no.W03.14.0039/II

Toelichten waarom in artikel 5:4:1, onder e en f, niet de definities
“beslissingsstaat” en “tenuitvoerleggingsstaat” uit artikel 2,
vijfde en zesde lid van de richtlijn zijn overgenomen. 

In artikel 5:4:4 in alle leden ofwel overal 4 weken, ofwel overal 28
dagen opnemen.

In artikel 5:4:5, onder f, “het aan” schrappen.

In de transponeringstabel voor artikel 6, zevende lid, 13.1b en 13.4
niet opnemen dat de bepaling ‘naar zijn aard geen omzetting
behoeft’, nu het bij die bepalingen om inhoudelijke redenen voor niet
omzetten gaat. 

In artikel 5:4:8, vierde lid, opnemen dat de officier van justitie -
naast de in deze bepaling opgenomen mededeling aan betrokkenen van
weigering en intrekking (tweede en derde lid) van uitvoeringsmaatregelen
- eveneens mededeling doet van verlenging of wijziging van
uitvoeringsmaatregelen (als bedoeld in het eerste lid).

In artikel 5:4:9 “artikel 8, tweede lid” vervangen door: artikel
5:4:8, tweede lid.

In artikel 5:4:12, tweede en derde lid, na “behandeling” invoegen:
van het verzoek.

In artikel 5:4:13 voor het tweede tekstblok beginnend met “Indien de
officier (..)” de aanduiding ‘2.’ opnemen.

De Europese Commissie en het Raadssecretariaat verzoeken de in de
artikelsgewijze toelichting  bij artikel 5:4:7 vermelde kennelijke
verschrijving in de Nederlandstalige versie van Bijlage II bij de
richtlijn te rectificeren.

	Artikel 5.

 	Artikel 2, tweede lid. Volgens overweging 10 van de considerans bij de
richtlijn speelt het strafrechtelijk, burgerrechtelijk of
bestuursrechtelijk karakter van de autoriteit die de
beschermingsmaatregel oplegt daarbij geen rol.

 	Artikel 5:4:6, derde lid en 5:4:8, eerste lid.

 	Memorie van toelichting, Artikelsgewijs, Artikel 5:4:9.

 	Memorie van toelichting, ibid.

Artikel 5:4:9, tweede lid van het voorstel vermeldt in lijn met artikel
14, derde lid, van de richtlijn dat de officier van justitie bij de
autoriteit van de uitvaardigende staat inlichtingen kan inwinnen over de
vraag of de bij het Europees beschermingsbevel geboden bescherming in de
gegeven omstandigheden noodzakelijk blijft.

	Memorie van toelichting, Artikelsgewijs, Artikel 5:4:7. 

 PAGE   1 

  PAGE  2 

 PAGE   I 

........................................................................
...........

AAN DE KONING