Reactie op de vraag over mogelijkheden voor verbetering financiële situatie n.a.v. afwijzing ingediend bezwaarschrift bij CAK over hoogte eigen bijdrage voor verzorgingshuis
Brief regering
Nummer: 2015D15160, datum: 2015-04-22, bijgewerkt: 2024-02-19 10:56, versie: 2
Directe link naar document (.doc), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: M.J. van Rijn, staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Onderdeel van zaak 2015Z07465:
- Indiener: M.J. van Rijn, staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport
- Stemmingen en besluiten:
- 2015-06-02 15:30 ⇒ Afgevoerd van de stand der werkzaamheden. (Besluit)
- 2015-05-21 13:30 ⇒ Doorgezonden aan de betrokken commissie(s). (Besluit)
- 2015-05-20 10:15 ⇒ Voor kennisgeving aangenomen; adressant informeren. (Besluit)
- 2015-05-20 10:15: Procedurevergadering (Procedurevergadering), vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport
- 2015-05-21 13:30: Aanvang middag vergadering: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2015-06-02 15:30: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
Preview document (🔗 origineel)
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Den Haag, 22 april 2015 Bij brief van 26 februari 2015 heeft u mij, namens de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport, verzocht om te reageren op een brief over de mogelijkheden voor verbetering van de financiële situatie van briefschrijfster naar aanleiding van een afwijzing op een bij het CAK ingediend bezwaar over de hoogte van een opgelegde eigen bijdrage voor zorg met verblijf in een instelling. U vraagt mijn reactie op die brief, waarin aan de commissie de vraag wordt gesteld of u nog mogelijkheden ziet die hun financiële situatie zouden kunnen verbeteren. Allereerst wil ik vooropstellen dat ik niet alle relevante feiten ken met betrekking tot de situatie van het gezin van briefschrijfster. Ik ben niet bekend met de inkomens- en vermogenssituatie van mevrouw en ga uit van de juistheid van de opgelegde bijdrage. Het CAK is als zelfstandig bestuursorgaan belast met de berekening en de inning van de eigen bijdrage , die afhankelijk is van het inkomen en vermogen, de woonsituatie en de leeftijd van de verzekerde en eventuele partner. De wijze waarop de hoogte daarvan door het CAK is vastgesteld wordt, zo begrijp ik, op zichzelf ook niet betwist. Mevrouw geeft aan bij het CAK bezwaar gemaakt te hebben tegen de berekening van de eigen bijdrage van haar man, omdat geen rekening zou zijn gehouden met de gezinssituatie. Het CAK geeft in het besluit op bezwaar terecht aan dat met artikel 3.3.2.2, eerste lid, onder c, van het Besluit langdurige zorg van toepassing is. In de toelichting bij dat artikel wordt toegelicht dat de systematiek van de lage eigen bijdrage geldt indien verzekerden in een instelling verblijven, maar ook nog een “thuissituatie” moeten onderhouden. Voor hen geldt, in afwijking van de hoofdregel van de hoge eigen bijdrage, dat de eigen bijdrage op een andere manier wordt vastgesteld vanwege de kosten die zij nog hebben aan de thuissituatie. Hierdoor wordt voor de zorg van de echtgenoot van briefschrijfster de lage eigen bijdrage opgelegd. Bij een verblijf in een instelling mag en kan het CAK overigens geen hardheidsclausule toepassen waarbij een vrijstelling kan worden gegeven voor het betalen van de eigen bijdrage. Bij de berekening van het bijdrageplichtig inkomen wordt al rekening gehouden met de draagkracht die uit het inkomen blijkt en wordt tevens rekening gehouden met het feit dat sprake is van lasten van het huishouden naast de zorg met verblijf van de man. Bij de bijdragen gelden bovendien minimum- en maximumbedragen. De opgelegde eigen bijdrage bedraagt in dit geval € 676,54 per maand. In een situatie waarin de ‘lage’ eigen bijdrage wordt opgelegd, zal de bijdrage echter minimaal € 158,60 per maand en maximaal € 832,60 per maand zijn. Met de eigen bijdrage van € 676,54 euro per maand betalen briefschrijfster en haar echtgenoot meer dan de gemiddelde cliënt met een lage eigen bijdrage (gemiddelde is circa € 408,50). Dit betekent dat het relevante verzamelinkomen of het meegenomen vermogen in de situatie van de briefschrijfster relatief hoog is. Mevrouw geeft aan dat een verlaging van de eigen bijdrage eigenlijk alleen kan plaatsvinden indien het (verzamel)inkomen of vermogen wordt verlaagd of indien zij en haar man zouden scheiden. Doordat haar man in het geval van een scheiding alimentatieplichtig zou zijn en als een eenpersoonshuishouden de lage eigen bijdrage zal betalen, kan de bijdrage immers lager uitvallen. Uiteraard zou ik ongewenst vinden als mensen voor deze optie zouden kiezen. Wellicht ten overvloede wijs ik op de mogelijkheid van peiljaarverlegging, die kan worden aangevraagd indien het bijdrageplichtig inkomen in 2015 € 2.500,- of meer lager is dan in 2013. Bij de berekening van de eigen bijdrage wordt namelijk het inkomen uit het jaar t-2 genomen. Uit de brief van mevrouw maak ik echter niet op dat sprake is van een dergelijke achteruitgang in het inkomen. Hoewel ik kan me voorstellen dat de regelgeving voor de briefschrijfster als nadelig wordt ervaren, ben ik van mening dat de huidige regelgeving rekening houdt met het inkomen, vermogen, de leeftijd én de bestaande thuissituatie. D DOCPROPERTY RolOndertekenaar \* MERGEFORMAT e staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport , M.J. van Rijn