Onderdeel Jeugdzorg en aanverwante zaken van de begrotingen VWS en V&J 2016
Stenogram
Nummer: 2015D44137, datum: 2015-11-17, bijgewerkt: 2024-02-19 10:56, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Onderdeel van activiteiten:- 2015-11-16 10:00: Onderdeel Jeugdzorg en aanverwante zaken van de begrotingen VWS en V&J 2016 (Wetgevingsoverleg), vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Preview document (🔗 origineel)
CONCEPTVERSLAG VAN EEN WETGEVINGSOVERLEG
De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft op 16
november 2015 overleg gevoerd met de heer Van Rijn, staatssecretaris van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport over het onderdeel Jeugdzorg
en aanverwante zaken van de begrotingen van VWS en V&J voor
2016.
Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk
verslag uit.
De voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en
Sport,
Lodders
De griffier van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en
Sport,
Teunissen
Voorzitter: De Lange
Griffier: Sjerp
Aanwezig zijn acht leden der Kamer, te weten: Bergkamp, Van der Burg,
Keijzer, Kooiman, De Lange, Voordewind, Voortman en Ypma,
en de heer Van Rijn, staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en
Sport.
Aanvang 10.03 uur.
Onderdeel Jeugdzorg en aanverwante zaken van de begrotingen VWS en
Aan de orde is de behandeling van:
het wetsvoorstel Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Veiligheid en Justitie (VI) voor het jaar 2016 (34300-VI);
het wetsvoorstel Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (XVI) voor het jaar 2016 (34300-XVI);
de brief van de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 7 september 2015 inzake Landelijk Professioneel Kader nieuwe veldnorm jeugdgezondheidszorg (JGZ) (32793, nr. 198);
de brief van de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 27 oktober 2015 met een reactie op het programma "Undercover in Nederland" inzake de mishandeling van kinderen op een zorgboerderij (31765, nr. 168);
de brief van de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 2 november 2015 met een reactie op een onderzoek over het ronselen van slachtoffers van loverboys/mensenhandel die verblijven in een instelling voor verstandelijk gehandicapten (31839, nr. 493);
de brief van de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 10 november 2015 inzake de voortgang van het gedecentraliseerd jeugdstelsel (2015Z21135);
de brief van de minister van Veiligheid en Justitie d.d. 13 november 2015 inzake aanbieding van het rapport verkenning invulling vrijheidsbeneming justitiële jeugd (2015Z21452);
de brief van de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 13 november 2015 met een reactie op het verzoek van het lid Keijzer, gedaan tijdens de regeling van werkzaamheden van 5 november 2015, over het bericht "50 medewerkers Kannerhuis op straat door sluiting logeerhuizen" (2015Z21541);
de brief van de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 13 november 2015 inzake de toekomst van de ouderbijdrage en de borging van de Centra Seksueel Geweld (CSG’s) (2015Z21540).
De voorzitter:
Goedemorgen. Ik heet in het bijzonder staatssecretaris Van Rijn van
harte welkom. Ter informatie van iedereen die dit overleg in de zaal of
erbuiten volgt: net is in goed overleg met de leden besloten dat
minister Van der Steur, die ook is uitgenodigd voor dit overleg, niet
bij dit overleg aanwezig zal zijn, zodat hij zich kan richten op de
zaken die te maken hebben met de nasleep van de verschrikkelijke aanslag
in Parijs. Ik dank de leden voor het bieden van deze mogelijkheid.
Staatssecretaris Van Rijn zal de vragen beantwoorden. Mochten er nog
heel specifieke vragen zijn, dan zullen die schriftelijk afgedaan
worden.
Dit is een wetgevingsoverleg over een begroting. Natuurlijk moet er dan
de mogelijkheid zijn om interrupties te plaatsen. De interrupties gaan
in tweeën. Kunnen we het bij een maximum van vier interrupties houden?
Is dat een goed richtsnoer? Ik zie dat dit het geval is. Dan spreken we
dat af. We doen nu de eerste termijn. We zullen bekijken hoe de
schorsing valt. We zullen deze vergadering in ieder geval om 12.00 uur
schorsen om stil te staan bij de gebeurtenissen in Parijs; dat spreekt
vanzelf.
Wegens ziekte is mevrouw Agema afwezig. We hebben niet gehoord of zij
wordt vervangen, maar waarschijnlijk is dat niet het geval. De heer
Voordewind is verlaat. Verder hebben we geen afmeldingen ontvangen. Ik
geef graag het woord aan mevrouw Kooiman.
Mevrouw Kooiman (SP):
Voorzitter. Het is erg onwerkelijk om na zo'n weekend, na de aanslagen
in Parijs, weer over te gaan naar de orde van de dag. Ik denk dat ik
namens iedereen spreek als ik zeg dat we er erg veel last van hebben en
hier met een zwaar hart zitten. We leven mee met de slachtoffers en de
nabestaanden in Parijs. Het is erg onwerkelijk.
Dit gezegd hebbende kan ik eigenlijk geen normale overgang maken naar
hetgeen we vandaag bespreken, maar ik ga het proberen. We hebben vandaag
de eer om te spreken over een heel belangrijk thema, namelijk onze jeugd
en de zorg voor onze jeugd. Dat de SP hier zorgen over heeft, moge
duidelijk zijn. Wij hebben indertijd niet kunnen instemmen met de
Jeugdwet, omdat het recht op jeugdzorg werd afgeschaft, de gemeente op
de stoel van de professional kwam te zitten en de zorg voor gezinnen
wegbezuinigd werd.
De SP doet in haar tegenbegroting wat dit kabinet nalaat. Wij draaien
namelijk wel de gehele bezuiniging op de zorg voor jeugd terug. Dit
voorkomt dat gemeenten volgend jaar soms wel met 30% op het totale
jeugdzorgbudget worden gekort. Waarom laat de staatssecretaris dit
gebeuren? Hoewel dit kabinet niks doet tegen het uithollen en afbreken
van de jeugdzorg, repareert het wel gedeeltelijk één dom besluit. Ik heb
het over het terugdraaien van de belasting op zorg, de ouderbijdrage in
de jeugdzorg. Ik heb gelezen dat de staatssecretaris de gemeenten
hiervoor compenseert met 26,6 miljoen. Blijkbaar was er nog een oude sok
met geld, maar daar zat volgens mij niet voldoende in. Als de
staatssecretaris alles compenseert, moet het gaan om 32,5 miljoen in
2016. Waarom compenseert de staatssecretaris niet het gehele bedrag?
Waarom doet hij het alleen in 2016? Laten we wel wezen, deze fout geldt
ook voor dit jaar. Waarom herstelt hij het dan niet met terugwerkende
kracht?
Terwijl dit kabinet en de kabinetspartijen de ontstane chaos in de
jeugdzorg afdoen met te zeggen dat het maar incidenten zijn, schetst de
Kinderombudsman een heel ander beeld. Hij spreekt namelijk over een
administratieve chaos. De kosten wegens soms zwaarder dan het belang van
het kind. Kinderen moeten te lang wachten op zorg. Er is onvoldoende
afstemming tussen verwijzers. Dit zijn grove fouten. De SP heeft hier
ook eerder voor gewaarschuwd. Wat gaat de staatssecretaris doen om dit
te herstellen? Het gaat om de papieren werkelijkheid van het kabinet
versus de werkelijkheid van de werkvloer. Daarom heb ik afgelopen week
besloten om een klein onderzoekje te doen onder jeugdhulpverleners. Van
de 423 hulpverleners zegt 85% dat de werkdruk na de decentralisatie is
toegenomen. Ze hebben meer werk, zwaardere zaken en minder collega's en
minder tijd. 76% zegt tevens dat de bureaucratie is toegenomen, 83%
geeft aan dat er forse wachtlijsten zijn en bijna de helft daarvan zegt
een ruime toename van de wachtlijsten te zien. Hoewel gemeenten goede
intenties hebben, zegt een derde van de hulpverleners dat de kwaliteit
van de zorg is afgenomen. Op al die punten beloofde het kabinet
verbetering, maar de realiteit op de werkvloer is dus een andere. Wat
heeft de staatssecretaris deze hulpverleners te zeggen?
Ik heb in mijn kleine, kortlopende enquête de hulpverleners ook gevraagd
welke zorgen ik vandaag nog meer bespreekbaar moest maken. Eén echt
opvallend punt kwam naar voren dat ik graag wil bespreken en dat is de
privacy. Hulpverleners geven aan dat de uitwisseling van informatie over
kinderen vaak slordig gebeurt, bijvoorbeeld onveilig over de mail. De
NOS kwam zondag ook al met dit nieuws. Niet voor niets, want dit raakt
de veiligheid van kinderen. Nu is er een veilig systeem — CORV — en
vanaf 1 januari zijn gemeenten verplicht om dit veilige systeem te
gebruiken. Uit de cijfers van de Raad voor de Kinderbescherming zou
echter blijken dat in 35% van de gevallen dit systeem niet gebruikt
wordt. Sommige gemeenten hebben nog nooit ingelogd in het veilige
systeem om dat te gebruiken. Landelijk is er geen regie en het
ministerie schuift dit af naar de gemeenten, zo schrijven zij in een
reactie. Als dit wettelijk verplicht is, waarom grijpt de
staatssecretaris dan niet in en neemt hij de regie hierin?
Veelbesproken is de verplichte meldcode versus de meldplicht. Ik heb al
uit de krant begrepen dat er een potje koehandel heeft plaatsgevonden en
er toch is gekozen voor een meldplicht, maar officieel moet de
staatssecretaris nog een uitgebreide reactie op het voorstel hiertoe van
de Taskforce kindermishandeling. Omdat ik het vermoeden heb dat dit
vandaag nog wel aan de orde zal komen, wil ik graag vooruitlopen op de
reactie van de staatssecretaris.
De Rapporteur Mensenhandel en de taskforce geven beiden aan dat de
registratie door Veilig Thuis moet verbeteren. Meldingen komen niet
altijd op naam van het kind te staan. Dat dit beter moet, kan ik
onderschrijven. Met dat onderdeel ben ik het dus zeker eens. Aan de stap
om een meldplicht in te voeren, zitten heel veel ook juridische haken en
ogen. De Kinderombudsman heeft ons een uitgebreide reflectie geschreven,
waarin hij stelt dat ruim 55% van alle meldingen van het AMK —
tegenwoordig Veilig Thuis — hermeldingen zijn. De meeste gezinnen die
gemeld worden, hebben al een hulpverleningsgeschiedenis en anderhalf
jaar na het opstarten van de hulp vindt in de helft van de gemelde
gezinnen nog steeds excessief geweld plaats. Je kunt als hulpverlener
wel verplicht melden, maar het achterliggende probleem wordt daarmee
niet opgelost. Ik ben het helemaal eens met de taskforce dat niemand
zich mag verschuilen achter bijvoorbeeld zijn of haar beroepsgeheim.
Daar is veel te winnen. Waar ziekenhuizen zich door de invoering van een
combinatiepakket, bestaande uit training, screeningsprocedure en
inspectietoezicht, in twee jaar ontwikkeld hebben tot de beroepsgroep
die op de politie na het meest meldt maar ook het meeste advies vraagt,
denk ik dat er in andere sectoren dit combinatiepakket mogelijk ook zal
helpen. Is de staatssecretaris bereid om dit in navolging van de
ziekenhuizen beter in te voeren? Mevrouw Van der Burg heeft daar
regelmatig op gewezen. Daar hebben we naar mijn mening echt een slag te
winnen.
Een ander punt van zorg is de commissie-De Winter. Het is erg belangrijk
dat wij leren van het verleden en slachtoffers van misbruik en geweld in
de jeugdzorg de erkenning en de zorg bieden die nodig is. De
commissie-Samson deed eerder onderzoek naar misbruik in de jeugdzorg en
de commissie-De Winter doet onderzoek naar mishandeling in de jeugdzorg.
Er zijn nu al 70 meldingen binnen. De 80-jarige Margriet Biemans uit
Houten draagt al jaren haar traumatische ervaringen uit het verleden met
zich mee. Ze werd in de oorlogsjaren geplaatst bij een pleeggezin waar
ze werd misbruikt en mishandeld. Ze wilde destijds bij de
commissie-Samson haar verhaal doen en nu weer bij de commissie-De
Winter, maar dat kan niet. Beide commissies hanteren een grens van 1945.
Alles wat daarvoor heeft plaatsgevonden, mag niet in het onderzoek
worden meegenomen. Margriet Biemans reageerde daar terecht op door te
stellen dat zij ook een mens is en waarom zij dan niet gehoord mocht
worden. Ik vraag de staatssecretaris ook waarom dat eigenlijk niet
gebeurt. Is hij bereid om voor het onderzoek van de commissie-De Winter
de grens zodanig te verruimen, dat slachtoffers van mishandeling in de
jeugdzorg in of voor de oorlogsjaren ook hun verhaal kunnen doen? Een
ander punt van zorg van de SP is natuurlijk het particuliere
jeugdzorgtoezicht. Zo heeft de SP in het verleden al gewezen op het feit
dat de Inspectie Jeugdzorg geen toezicht hield op organisaties zoals De
Loot, Salida en de stichting Stop Loverboys NU. Ook heb ik vragen
gesteld over Turkijezorg, een particuliere jeugdzorginstantie die zich
richt op de zorg voor slachtoffers van loverboys in Turkije. Ik heb
begrepen dat een pgb-fraudeur medeoprichter is van deze instantie. Nota
bene: deze zorg wordt ingekocht met gemeenschapsgeld. Ik vraag de
staatssecretaris: hoe kan dit? Is de staatssecretaris het met de SP eens
dat waar met gemeenschapsgeld zorg wordt ingekocht, al is het met een
pgb, de inspectie structureel toezicht moet houden?
Tot slot. De staatssecretaris heeft de SP en de PvdA beloofd om met een
oplossing te komen voor de landelijke uitrol van centra voor seksueel
geweld. Deze centra zorgen meteen voor medische en psychische zorg aan
slachtoffers én voor politieonderzoek. Hiervoor is geld nodig. De
staatssecretaris zegt in zijn brief toe dat er volgend jaar geld komt.
Ik kan in de brief alleen niet zien hoeveel en of dat voldoende is. Wil
de staatssecretaris vandaag of anders in een reactie voor de
begrotingsbehandeling van het ministerie van Veiligheid en Justitie, dat
bij dit onderdeel betrokken is, hierop een nadere toelichting geven? Als
het niet voldoende is, ben ik namelijk nog in staat om tijdens de
begrotingsbehandeling van Veiligheid en Justitie samen met de Partij van
de Arbeid een oplossing aan te dragen.
De voorzitter:
U hebt nog ruim drie minuten over voor de tweede termijn.
Ik geef het woord aan mevrouw Van der Burg namens de fractie van de
VVD.
Mevrouw Van der Burg (VVD):
Voorzitter. Ik sluit me graag aan bij de woorden van collega Kooiman
over het gevoel dat ons bekruipt bij wat er in Parijs is gebeurd, zeker
ook omdat wij natuurlijk veel met de jeugd doen. Als je ziet hoe jong de
daders, maar vooral ook de slachtoffers zijn, slaat je de kou om het
hart.
Graag wil ik het tijdens dit wetgevingsoverleg over twee
hoofdonderwerpen hebben: de aanpak van kindermishandeling en de
decentralisatie van de jeugdzorg. Ik begin bij het eerste. In Nederland
wordt in elke klas gemiddeld een kind per jaar mishandeld en sterft
gemiddeld een kind per week door mishandeling. Ondanks alle inspanningen
en zaken die al goed gaan, missen we nog te veel kinderen die mishandeld
worden en daarvan hun hele leven de littekens dragen of het met de dood
moeten bekopen. Wat de VVD-fractie betreft, is dit onbestaanbaar. De
aanpak van kindermishandeling kan en moet beter. Een veel gehoorde frase
is: het kind staat centraal. Ik constateer dat dit in de praktijk te
vaak niet het geval is. Zo geeft een deel van de professionals als reden
van het niet melden van kindermishandeling op dat zij de
vertrouwensrelatie met de ouders niet in gevaar wilden brengen. "En het
kind dan?", vraag ik.
Net zo min als de signalering is de monitoring op orde. Veilig Thuis
volgt niet hoe het met de veiligheid is gesteld van kinderen bij wie
sprake is geweest van mishandeling. Uit wetenschappelijk onderzoek
blijkt dat er veel hermeldingen zijn en dat de mishandeling in de
tussentijd gewoon is doorgegaan. Indien hulpverleners mishandeling
constateren, worden kinderen vaak nog uit huis geplaatst in plaats van
de mishandelende ouder via het tijdelijke huisverbod. Bovendien worden
trauma's van jonge slachtoffers van kindermishandeling vaak gebrekkig
of, erger nog, helemaal niet behandeld. Dat moet veranderen. Kinderen
zijn in deze situatie slachtoffer. Zij moeten kunnen rekenen op
bescherming. Mevrouw Kooiman zei daarover ook al iets. Al deze zaken
zijn voor mij en de VVD onbestaanbaar. Om die reden heb ik een actieplan
opgesteld. Ik doe in mijn plan aanbevelingen om de signalering,
bestrijding en behandeling van kindermishandeling te verbeteren. Ik ga
zo in op deze drie elementen in het plan. Eerst bied ik dit actieplan
voor de aanpak van kindermishandeling aan de staatssecretaris van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport aan. De minister, die er niet is,
krijgt dit ook, evenals de collega-Kamerleden aan weerszijden van mij en
de voorzitter.
De voorzitter:
Ik neem aan dat er geen bezwaar tegen bestaat dat dit stuk ter inzage
wordt gelegd bij het Centraal Informatiepunt van de Kamer.
(Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt van de Tweede Kamer
der Staten-Generaal.)
De voorzitter:
Dank u wel. Ik geef het woord weer aan mevrouw Van der Burg.
Mevrouw Van der Burg (VVD):
Om tot betere signalering te komen, vraagt de VVD-fractie de
staatssecretaris om drie zaken. Ten eerste vragen wij dat de verplichte
meldcode kindermishandeling en huiselijk geweld zodanig wordt aangepast
dat melden in stap 5 niet langer vrijblijvend is voor professionals. Ten
tweede vragen wij dat op de locaties waar veel kinderen en/of ouders
komen beroepsgroepen worden gestimuleerd of gestimuleerd blijven om zich
te scholen of bij te scholen op het herkennen van kindermishandeling en
er via onder meer de inspecties op toe te zien dat dit ook daadwerkelijk
gebeurt. Ten derde vragen wij dat er een aanpak wordt ontwikkeld waarbij
de signalering van kindermishandeling plaatsvindt op basis van factoren
waarvan bewezen is dat ze tot een verhoogd risico op kindermishandeling
leiden, en dat daarbij de goede ervaringen met het oude protocol worden
betrokken.
Mevrouw Bergkamp (D66):
Ik wil mevrouw Van der Burg bedanken voor haar plan. We zullen daar heel
goed naar kijken. In het Algemeen Dagblad hebben we vanochtend iets
kunnen lezen; mijn collega van de SP vroeg daar net ook naar. Heeft de
VVD op enigerlei wijze afspraken gemaakt met de PvdA over de
ouderbijdrage in ruil voor een aanpassing van de meldcode?
Mevrouw Van der Burg (VVD):
Uiteraard is er in aanloop naar de begrotingsbehandeling over mijn plan
gesproken met de staatssecretaris. U weet ook dat ik al heel lang bezig
ben met kindermishandeling en een aantal onderwerpen die in het plan
staan. Uiteraard is er ook gesproken over de ouderbijdrage, maar deze
twee onderwerpen staan los van elkaar.
Mevrouw Bergkamp (D66):
Ik ben er blij mee dat de VVD aangeeft dat deze twee onderwerpen niet
aan elkaar zijn gelieerd. Mevrouw Van der Burg zegt dus dat het artikel
in het Algemeen Dagblad is gebaseerd op foutieve informatie, want daar
worden die twee wel aan elkaar gekoppeld.
Mevrouw Van der Burg (VVD):
Ik ga niet over wat er in de pers verschijnt. Ik geef aan dat beide
onderwerpen uiteraard aan de orde zijn geweest, net zo goed als de
Centra Seksueel Geweld, waar wij heel breed in de Kamer met elkaar een
punt van hebben gemaakt. Dat is normaal bij een begrotingsbehandeling. U
weet ook dat voor de VVD de aanpak van kindermishandeling heel hoog op
de agenda staat. Centra Seksueel Geweld zijn dat volgens mij voor alle
partijen, en die liggen volgens mij in lijn hiermee. De ouderbijdrage
staat voor de PvdA hoog op de agenda. Het lijkt mij dus logisch dat daar
in voorbereiding op de begrotingsbehandeling met elkaar over gesproken
wordt, maar de onderwerpen staan inhoudelijk los van elkaar.
Mevrouw Keijzer (CDA):
Het is blijkbaar geen deal; dat zal de komende tijd wel blijken.
Vanochtend werd duidelijk dat het om een meldplicht zou gaan. Is dat ook
zo? Want ik lees in het actieplan — waarvoor trouwens dank — dat de
verplichte meldcode zo aangepast moet worden dat stap 5 niet langer
vrijblijvend is. Voor de kijkers thuis: stap 5 betreft de eeuwige
discussie of het een eigen afweging is van de professional of dat die
verplicht moet melden als hij bij stap 5 aankomt. Wat gaat het volgens
de VVD nou worden?
Mevrouw Van der Burg (VVD):
In de eerste plaats complimenteer ik mevrouw Keijzer omdat ze het stuk
al zo snel gelezen heeft. Ik heb in het vorige debat hierover kort
aangegeven dat ik het een slimme oplossing vond van de taskforce om stap
5 aan te passen. Ik vind dat slimme oplossingen altijd gewaardeerd
moeten worden, want daardoor is er wel een zorgvuldige afweging. Vandaar
dat ik het ook in mijn plan heb aangegeven. Op deze manier is de
vrijblijvendheid van het melden af en wordt de situatie dat je zult
moeten melden als al die stappen zijn doorlopen en er nog steeds een
ernstig vermoeden van kindermishandeling is.
Mevrouw Keijzer (CDA):
Dat is helder. De VVD vindt dat er een meldplicht moet komen. Dat is
geen nieuws; dat wisten we al langer. Maar heeft de VVD nu een
meerderheid gevonden doordat de coalitiepartner daarmee ingestemd heeft?
Want dat is volgens mij het springende punt van vandaag.
Mevrouw Van der Burg (VVD):
Ik bied het rapport vandaag aan. Daarin staat veel meer. Ik denk dat een
heleboel collega's punten uit het verleden zullen herkennen en dat zij
daar ook in zullen herkennen. Vandaag zal moeten blijken hoe de
staatssecretaris reageert, maar het zal ook moeten blijken in de komende
tijd.
Mevrouw Keijzer (CDA):
Dat is geen antwoord op mijn vraag. Vrijdag is er overleg geweest.
Hebben ze elkaar nu gevonden op dit punt?
De voorzitter:
Aan het begin van de vergadering hebben we afgesproken dat we
interrupties in tweeën doen en vier interrupties in totaal.
Mevrouw Van der Burg (VVD):
Ik bied vandaag het plan aan. Ik heb net antwoord gegeven op de vraag
van mevrouw Bergkamp. Ik zal zien wat de reactie daarop is.
Mevrouw Kooiman (SP):
Een actieplan spreekt de SP altijd aan. Ik kijk een beetje jaloers naar
mijn buurvrouw, mevrouw Van der Burg. Het is altijd goed dat er een
actieplan is voor de aanpak van kindermishandeling, maar daar zitten nog
wel een hoop haken en ogen aan. Een punt waar ik ook aandacht aan heb
besteed, is het combinatiepakket waar de VVD ook altijd voor stond. Ik
ben niet zo snel met alles in een keer lezen, maar is mevrouw Van den
Burg ook voorstander van meer trainen, meer screenen en meer
inspectietoezicht, net zoals dat in de ziekenhuizen gebeurt? Als je
kijkt naar bijvoorbeeld de huisartsen, heeft een derde daarvan nog nooit
een training gevolgd. Daar wordt ook het minste gemeld. We hebben daar
dus nog een wereld te winnen.
Mevrouw Van der Burg (VVD):
Ik moet het compliment aan mevrouw Kooiman teruggeven, want de SP maakt
altijd actieplannen. Ik dacht: ik doe dat nu ook, want het onderwerp is
daar meer dan belangrijk genoeg voor. In het plan zal mevrouw Kooiman
dit soort elementen ook herkennen. Training is uiteraard belangrijk,
evenals toezicht, maar je moet dan wel een titel hebben om toezicht te
houden. Dat is nu net een van de problemen. We zijn het er echter
allemaal over eens dat het zorgvuldig moet gebeuren. Mevrouw Kooiman
zal, als ze het plan leest, zien dat al deze elementen erin staan, en
ook nog meer.
Mevrouw Kooiman (SP):
Dan zal ik het plan nog eens goed moeten lezen. Ik begrijp dat de VVD
dus wel voorstander is van meer trainen, meer dan nu het geval is, meer
screeningsprocedures en meer inspectietoezicht.
Mevrouw Van der Burg (VVD):
Ja, daar is de VVD voor. Na twee jaar meldcode vind ik het ook best wel
schokkend dat een belangrijk deel van de artsen, dan wel de huisartsen —
ik noemde net de aantallen — geen training of recent geen training heeft
gevolgd. Dat geeft ook iets aan over de urgentie.
Mevrouw Keijzer (CDA):
Ik heb toch nog één vraag. Ik heb nog even verder gelezen in het
actieplan. De VVD vindt dat er onderzoek moet komen waarmee artikel 304
van het Wetboek van Strafrecht wordt gewijzigd waardoor er een
strafverzwarende omstandigheid komt. Dat is de reden waarom ik een
beetje moeite heb met het invoeren van een meldplicht. Want als je
vervolgens bezuinigt op forensisch-pediatrisch onderzoek, heb je
eigenlijk helemaal niks. Iedereen die mij al drie jaar in deze commissie
volgt, weet hoe ik strijd voor voldoende ruimte voor
forensisch-pediatrisch onderzoek. Vanavond is er een documentaire over
dit onderzoek die met name gaat over de Forensische Polikliniek
Kindermishandeling (FPKM) in Utrecht. Kan ik de VVD aan mijn zijde
vinden om samen een motie in te dienen om de deal, waarbij de politie
niet langer de FPKM aantrekt als gelijke supplier voor
forensisch-pediatrisch onderzoek, van tafel te krijgen? Anders heb je
hier een prachtig actieplan, maar daadwerkelijk middelen om onderzoek te
doen naar al die meldingen, zijn er niet.
Mevrouw Van der Burg (VVD):
Ik zit al iets langer in de Kamer dan mevrouw Keijzer. Degenen die mij
gevolgd hebben, weten ook dat ik degene ben geweest die in de vorige
periode heeft aangekaart dat er ook 1 miljoen moest komen voor het
inzetten van forensisch-medisch-pediatrische expertise, tenminste als
zorgverleners dat zouden kunnen gebruiken. Voor die tijd was het alleen
gebruikelijk als het al gebeurd was en de politie aan zet was. Dus ja,
dat is heel belangrijk. Waarover wij misschien van mening verschillen,
is dat ik niet degene ben die puur voor één instelling pleit. Ik ben bij
de FPKM op werkbezoek geweest en was daarvan erg onder de indruk, maar
ik wil gewoon dat de forensisch-medisch-pediatrische expertise aanwezig
is. Daarom vindt de Kamer volgens mij de Centra Seksueel Geweld ook zo
belangrijk. Daar is namelijk ook een stuk forensische expertise aanwezig
om ervoor te zorgen dat mensen aangifte kunnen doen als zij dat
willen.
Mevrouw Keijzer (CDA):
Ik had een simpele vraag en krijg een heel uitgebreid antwoord. De FPKM
is een van de weinige instellingen met forensisch-pediatrische
expertise, anders gezegd: gewoon artsen die het werk kunnen doen. Ik had
een heel simpele vraag. Het ministerie van Justitie heeft de FPKM buiten
de deur gezet en maakt alleen nog gebruik van de diensten van het NFI.
Wil de VVD samen optrekken met het CDA om ervoor te zorgen dat er
voldoende ingehuurd wordt bij deze organisatie? Of die organisatie nu
FPKM of ABCD heet, interesseert mij niet, maar als deze organisatie
omvalt, valt er heel veel expertise weg. Wil de VVD-fractie nu boter bij
de vis leveren bij dit actieplan, dat op het eerste gezicht, met
uitzondering van de meldplicht, interessant is? Wil de VVD ervoor zorgen
dat er, als er straks een stapel meldingen ligt, dan ook voldoende
mensen zijn die kunnen onderzoeken of blauwe plekken het gevolg zijn van
vallen met een fietsje of van mishandeling? Anders heeft de VVD
uiteindelijk namelijk niets bereikt.
Mevrouw Van der Burg (VVD):
Volgens mij verschillen wij niet van mening — dat heb ik in mijn
antwoord proberen duidelijk te maken — over het belang van
forensisch-medisch-pediatrische expertise. Het is echter de vraag of die
alleen door één partij geleverd kan worden. Ik denk dat mevrouw Keijzer
wel aan de staatssecretaris zal vragen of de betreffende instelling op
omvallen staat. Dat hoor ik graag, want die expertise hebben we nodig.
Ik weet echter ook dat er op andere plekken expertise is. Over het
belang hiervan zijn wij het volledig eens. Niet voor niets heb ik er in
het verleden voor gestreden dat hier geld voor komt. Als er sprake is
van kindermishandeling, moet dat daadwerkelijk vastgesteld kunnen
worden, maar ook als het tegendeel het geval is, moet duidelijk worden
dat er geen sprake is van kindermishandeling, al lijkt het op het oog
wel zo. Dat vind ik buitengewoon belangrijk.
Even kijken waar ik was gebleven. Ik ga verder met mijn derde punt: het
ontwikkelen van een aanpak waarbij de signalering plaatsvindt op basis
van factoren waarvan bewezen is dat deze tot een verhoogd risico op
kindermishandeling leiden; daarbij moeten de goede ervaringen met het
oude protocol worden betrokken.
Dan kom ik bij de punten om tot een betere bestrijding van
kindermishandeling te komen. Mijn fractie vraagt hierin ook drie zaken.
Ten eerste wil zij een verplicht volgsysteem voor kinderen over wier
veiligheid Veilig Thuis zorgen heeft. Veilig Thuis moet verantwoordelijk
worden gemaakt voor deze monitoring. Ten tweede moeten er in onveilige
situaties voor het kind tijd en rust worden gecreëerd, bijvoorbeeld door
de inzet van een tijdelijk huisverbod, maar het kan ook op andere
manieren. Zo moet voor het kind, liefst thuis en anders in een
pleeggezin, een veilige situatie worden gecreëerd die duurzaam is. Ten
derde wil mijn fractie laten onderzoeken of het invoeren van een artikel
in het Wetboek van Strafrecht waarin fysieke mishandeling van een kind
strafbaar wordt gesteld, kan bijdragen aan een effectievere en
daadkrachtigere bestrijding van kindermishandeling. Om tot een betere
behandeling van kindermishandeling te komen, vraagt de VVD-fractie het
kind daadwerkelijk centraal te stellen door bewezen effectievere
behandelingen voor kinderen die slachtoffer zijn van kindermishandeling
in multidisciplinaire centra aan te bieden. Ten slotte vraagt de
VVD-fractie om kindermishandeling zo veel mogelijk te voorkomen door
verdieping van de kennis bij jeugdartsen en jeugdverpleegkundigen
werkzaam bij consultatiebureaus over onveilige hechting en door
intensievere screening op een dergelijke problematiek en behandeling
ervan. Ook pleit de VVD-fractie ervoor om die te borgen binnen de
jeugdgezondheidszorg. Graag ontvang ik op dit hele plan een reactie van
de staatssecretaris van VWS.
Mevrouw Kooiman (SP):
Nu ik het verhaal van mevrouw Van der Burg goed heb beluisterd, wil ik
haar toch één punt van zorg meegeven. Veilig Thuis krijgt steeds meer
zaken en signalen en de wachtlijsten lopen op. De organisatie geeft aan
dat behandeling en pleegzorg nodig zijn. Maar het is natuurlijk heel
krom als de VVD dit enerzijds vertelt maar anderzijds wel fors bezuinigt
op de jeugdzorg. Mevrouw Van der Burg zegt dat zij wil dat er goede zorg
komt. Waarom holt de VVD de jeugdzorg dan uit?
Mevrouw Van der Burg (VVD):
Ik had die vraag al verwacht. Die wordt standaard in dit soort debatten
gesteld. Er zullen inderdaad op een aantal punten middelen bij moeten,
maar dat geldt niet voor alle punten, omdat daar gewoon een andere wijze
van werken nodig is. Ik heb aanbevelingen gedaan voor de gehele keten,
zoals dat in Haags jargon heet. Laten we nu met elkaar het kind centraal
stellen, het belang van dat kind vooropstellen en ervoor zorgen dat die
organisaties tot verbeteringen komen. Ik hoop op steun van de
collega's.
Mevrouw Kooiman (SP):
Als ik nu focus op de positieve dingen die mevrouw Van der Burg zegt,
dan hoor ik in haar eerste zin dat er in bepaalde gevallen soms middelen
bij moeten. Als je kijkt naar de organisatie Veilig Thuis, zie je dat
gemeenten nu al vaak vastlopen, omdat zij ontzettend veel meldingen
krijgen. Ook bij de Raad voor de Kinderbescherming loopt het vaak vast.
Is mevrouw Van der Burg bereid om de staatssecretaris in ieder geval mee
te geven dat moet worden gekeken naar die signalen, dat de gang van
zaken bij die wachtlijsten moet worden onderzocht en dat daarop ingezet
moet worden. Als we iedereen oproepen om te melden, kan het natuurlijk
niet zo zijn dat er niet voldoende middelen zijn om die kinderen ook te
helpen.
Mevrouw Van der Burg (VVD):
Ik vind dat er bijvoorbeeld op het terrein van scholing meer moet
gebeuren, maar ik vind ook dat de branche en de beroepsorganisaties zelf
meer moeten doen. Daar zijn immers ook middelen voor. Ik vind dat er ook
op andere terreinen meer moet gebeuren. Soms moet er wat geld bij, maar
heel vaak gaat het echt om een andere manier van werken, om een andere
manier van met elkaar kijken naar de problematiek. Laten we ons daarvoor
inzetten. Dat lijkt mij de manier waarop het moet gaan. Ik heb vandaag
het plan gepresenteerd en ik ben benieuwd naar de reactie van de
staatssecretaris.
Een stap in een betere behandeling van slachtoffers van seksueel geweld
is gelukkig al gezet. De staatssecretaris geeft in zijn brief aan dat
hij zijn toezegging dat de landelijke uitrol en financiering van de
centra tegen seksueel geweld geregeld worden, die hij heeft gedaan in
het algemeen overleg van 6 oktober jongstleden, gestand doet. De VVD
bedankt hem daarvoor. Dat is heel belangrijk, zodat meisjes en vrouwen,
maar ook jongens die verkracht zijn, medische zorg krijgen, het bewijs
van verkrachting veiliggesteld kan worden, aangifte gedaan kan worden en
gemonitord kan worden of het slachtoffer een posttraumatisch
stresssyndroom ontwikkelt, zodat tijdige behandeling plaats kan
vinden.
Ik ga naar mijn tweede hoofdonderwerp: de stand van zaken bij de
decentralisatie van jeugdzorg. Tijdens het wetgevingsoverleg van vorig
jaar stonden we aan de vooravond van de overgang van de jeugdhulp en
jeugdbescherming naar de gemeenten. Er waren zorgen of gemeenten deze
zorg wel tijdig ingekocht zouden hebben. Ook waren er zorgen of de
telefoon wel opgenomen zou worden als ouders of kinderen op 1 januari
zouden bellen voor ondersteuning of zorg. Kortom, er waren zorgen of er
wel jeugdhulp zou zijn voor de kinderen die deze zorg nodig
hadden.
Vandaag spreken we, nadat de Jeugdwet zo'n driekwart jaar in werking is
getreden, weer met elkaar. In Nederland maken 270.000 jongeren gebruik
van deze hulp en lopen er maar liefst 338.000 jeugdhulptrajecten in het
eerste halfjaar tot driekwart jaar. Er worden ook meer jongeren geholpen
dan voorheen. Uit de onderzoeken, monitors en gesprekken kan
geconstateerd worden dat de continuïteit van jeugdhulp en bescherming
geborgd is door gemeenten en aanbieders en ook dat ze zaken steeds beter
onder de knie krijgen. Dat is bijvoorbeeld het geval bij het met elkaar
samenwerken.
Uit onderzoek van de Kinderombudsman blijkt dat de ouders en kinderen na
negen maanden de jeugdhulp en bescherming waarderen met een ruime
voldoende. Het is belangrijk om op te merken dat er in dat cijfer 7,4 na
negen maanden natuurlijk ook kinderen en ouders zitten die nieuw
ingestroomd zijn in 2015. Ook geven ouders en kinderen steeds vaker aan
dat ze weten wat ze moeten doen als ze nieuwe hulp nodig hebben, hoewel
op dit punt absoluut nog een verdere verbetering nodig is. Ten slotte
geven ze aan dat de wijkteams na negen maanden al beter in staat zijn om
de regie te voeren dan de Bureaus Jeugdzorg, die dat voorheen deden. Dat
vind ik opmerkelijk. Vaak hebben ze ook daadwerkelijk een plan, is er
goed geluisterd en werken ze aan duidelijke doelen. Ook kan deze hulp
steeds vaker thuis geboden worden.
Dit alles wijst erop dat de overgang rustig geland is en dat de
ontwikkelingen in lijn zijn met de hoofddoelen van de Jeugdwet. Dat laat
echter onverlet dat er ook zorgen zijn, soms grote zorgen, en dat nu
volop ingezet moet worden op de beoogde verandering. Ik ga daar graag
nader op in.
Ten eerste. Van 160.000 productcodes naar 400 klinkt heel mooi, maar de
echte verandering die nodig is, is inkopen, sturen en rapporteren op
uitkomsten door gemeenten. Zo wordt duidelijk wat aanbieders echt doen
om een kind effectief te behandelen. Ook nemen dan de administratieve
lasten, de bureaucratie, af voor de aanbieders en de gemeenten en kunnen
wethouder en raadsleden op hoofdlijnen sturen en controleren. Dan gaan
we in plaats van monitoren naar verantwoorden.
Ik geef een voorbeeld waar ik tegenaan liep. Trias, een
jeugdhulpaanbieder uit het oosten van het land, wordt door de regio
Enschede en omgeving ingekocht op basis van productcodes en door de
regio West-Overijssel op basis van outcome-resultaat. Trias kan nu al,
na driekwart jaar, aangeven dat inkopen op basis van resultaat leidt tot
meer en betere jeugdhulp voor dezelfde euro. Uiteraard zijn de
administratieve lasten daarbij veel en veel lager. Wil de
staatssecretaris dit stimuleren? Het is niet de eerste keer dat ik dat
vraag, maar dit punt vraagt elke keer aandacht, zodat mensen dit inzien
en niet blijven hangen in de oude methode van inkopen en sturen.
Ten tweede. Ouders, Kinderombudsman en anderen klagen dat gemeenten soms
op de stoel van hulpverleners gaan zitten, dat er soms verregaande
inzage in dossiers wordt geëist en dat geld soms doorslaggevend is in
het aanbod. Ook geeft de Kinderombudsman aan dat er soms bewust niet
doorverwezen wordt door jeugdhulpaanbieders. Ik vind dit ernstig. Is de
staatssecretaris bereid om deze zaken aan te kaarten bij de VNG en de
brancheorganisaties? Is hij bovendien bereid om als dit bewust gebeurt,
deze gemeenten of jeugdhulpaanbieders stevig terecht te wijzen? Ik hoor
dat graag. Is de staatssecretaris verder bereid om met de VNG werk te
maken van het bekendmaken en invullen van de wettelijk geregelde
onafhankelijke cliëntondersteuning? Alleen zo kun je namelijk ouders en
kinderen in een positie zetten om zelf mee te beslissen over de
ondersteuning en de zorg die zij zelf kunnen regelen, en de
ondersteuning en zorg die zij nodig hebben van de overheid. Ik krijg
graag een toezegging op dit punt. Omdat er dan een vertegenwoordiger bij
is die de wet goed kent, voorkom je dat sommige gemeenten buiten de wet
treden.
Mevrouw Voortman (GroenLinks):
Onafhankelijke cliëntondersteuning is een onderwerp dat de fractie van
GroenLinks, maar volgens mij ook andere fracties, zeer aan het hart
gaat. Er is ook een amendement van mij over aangenomen. Wij zien echter
dat gemeentes er nog in tekortschieten; onafhankelijke
cliëntondersteuning is vaak niet aanwezig. Mevrouw Van der Burg vraagt
om een toezegging, maar wat wil zij na vandaag nou concreet veranderd
hebben?
Mevrouw Van der Burg (VVD):
Dat is een terecht punt van mevrouw Voortman. Haar amendement is door
velen gesteund. Het is wettelijk geregeld. Dat geldt op een aantal
andere punten ook, maar het kost tijd om dat goed in te regelen zodat
alle gemeenten het ook daadwerkelijk doen. Volgens mij is de manier om
dat voor elkaar te krijgen dat de staatssecretaris er met de VNG heel
veel aandacht aan gaat besteden. Ik geef een voorbeeld. Ik heb vaak in
debatten aandacht gevraagd voor het feit dat de jeugdgezondheidszorg
niet betrokken was bij de wijkteams. In het begin was dat in nog 50% van
de gevallen het geval, maar in het laatste algemeen overleg hierover
hoorden we dat nu vrijwel 100% aangesloten is. Je moet dus voortdurend
aandacht vragen voor zo'n punt. Met mevrouw Voortman vind ik het dit een
buitengewoon belangrijk onderwerp, anders bracht ik het vandaag niet
naar voren. Ik vind dat ouders en kinderen ondersteund moeten worden
middels cliëntondersteuning.
Mevrouw Voortman (GroenLinks):
Ik ben blij dat te horen. Je ziet nu vaak dat men de cliëntondersteuning
wil onderbrengen bij de wijkteams, maar de vraag hoe onafhankelijk de
cliëntondersteuning dan is. Begrijp ik het goed dat de VVD ook zegt dat
de onafhankelijke cliëntondersteuning echt los moet staan, zodat mensen
weten: dit is iemand die er echt voor mij is?
Mevrouw Van der Burg (VVD):
Ik ga niet helemaal in op de uitvoering en op wijze waarop je het
regelt, maar volgens mij zijn wij het helemaal met elkaar eens.
Onafhankelijke cliëntondersteuning heet niet voor niets onafhankelijk,
dus dan moet die dat wel zijn. Je kunt soms iets op een heel slimme
manier regelen, maar het moet onafhankelijk zijn.
Ten derde. In het voorjaar krijgen wij te horen wat er is gedaan aan de
waarheidsvinding en de fouten daarin bij de gecertificeerde instellingen
en de Raad voor de Kinderbescherming. Wij hebben het in het vorige AO
uitgebreid daarover gehad. Ik heb in de brief gelezen dat de minister in
het voorjaar daarop terugkomt. Gezien de ernst hiervan, wil ik de
toezegging van de minister dat de Kamer hierover direct begin 2016 wordt
bericht. Ook wil ik weten wat er gebeurt om te voorkomen dat
instellingen kinderen gesloten plaatsen zonder machtiging van de rechter
en welke consequenties eraan zijn of kunnen worden verbonden wanneer dit
wel gebeurt. Graag hoor ik hoe voor eens en altijd een eind wordt
gemaakt aan deze ernstige praktijken.
Ten vierde. Hoe zit het nu met de uitwisseling van informatie via de
Collectieve Opdracht Routeer Voorziening (CORV), het gebruik ervan en de
veiligheid van de informatie-uitwisseling? Collega Kooiman vroeg daar
ook al naar. Wat is er aan de hand en wat gaat de minister hieraan
doen?
Ten vijfde. De bewindslieden van V en J hebben ons laten weten dat er in
het voorjaar een nader plan komt voor een andere inrichting van het
justitiële stelsel. Ik wacht dat met belangstelling af. Wij hebben
uitgebreid hierover gesproken tijdens het AO kortgeleden. Wel wil ik de
minister vragen of weekendarrangementen voor jongens die in het weekend
wijken op stelten zetten en gezinsopnames die nu door vernieuwende
jeugdhulpaanbieders worden aangeboden en door enkele regio's worden
ingekocht, in dat kader ook bezien kunnen worden op hun
meerwaarde.
Het is altijd een lastige overgang, maar ik wil eindigen met het droeve
feit dat veel kinderen in het verleden seksueel misbruikt zijn in
jeugdinstellingen. De commissie-Samson heeft hier onderzoek naar gedaan.
Het gaat om kinderen die ontzettend veel leed is aangedaan, zeker omdat
niemand ze geloofde, vrijwel niemand het erkende en zij bij niemand
terecht konden. Na zoveel jaren hiermee naar buiten komen is
buitengewoon heftig. Ik ben de bewindspersonen dan ook erkentelijk dat
zij na mijn vraag hierover de termijn hebben verlengd tot maart 2017
waarin deze slachtoffers zich kunnen melden om erkenning en enige
genoegdoening te krijgen voor het leed dat hun is aangedaan.
Verder is het goed dat de commissie-De Winter is gestart met haar
onderzoek om na te gaan of kinderen die te maken hebben gehad met zwaar
fysiek geweld in jeugdinstellingen, net als in de instellingen van de
katholieke kerk, ook recht gedaan kan worden. De VVD zal dit
buitengewoon scherp volgen, omdat ook deze slachtoffers wat mijn fractie
betreft na zoveel jaren erkenning verdienen.
Ik zie uit naar de beantwoording door de bewindslieden en in het
bijzonder, gegeven ook het laatste punt, naar de reactie op mijn
actieplan Aanpak kindermishandeling. Laten wij niet dezelfde fouten
maken als in het verleden.
Mevrouw Keijzer (CDA):
Voorzitter. Om met de deur in huis te vallen: wat is er nu precies
afgesproken afgelopen vrijdag? Wordt de ouderbijdrage in de Jeugdwet nu
afgeschaft en hoe gaat de staatssecretaris dit juridisch regelen?
Tijdens het eerste overleg werd na mijn juridische analyse gezegd dat
dit niet zomaar even kon. Ik weet wel beter, maar hoe gaat de
staatssecretaris dit nu doen? Hoe zit het met de dekking? Dat lijkt mij
ook nog wel een interessante vraag.
Ik kom op de meldplicht. Ik had niet kunnen bevroeden dat een en ander
gekoppeld zou worden, maar blijkbaar is het toch zo gegaan. Dat de
staatssecretaris hierin lijkt mee te gaan — we weten dat nog niet — vind
ik bijzonder. Blijkbaar vindt hij dit tweeënhalf jaar na de invoering
van de meldcode verantwoord. Hoe gaat het er in de praktijk uitzien?
Waar moeten professionals registreren — ik geloof dat dat het toverwoord
is — dat er sprake is van kindermishandeling? Is dat niet gewoon een
meldplicht en zo niet, wat is dan het verschil? Hoe wordt ervoor gezorgd
dat een sector die amper aan de invoering van de meldcode gewend is, dit
gaat uitvoeren? Wat is het risico van onterechte meldingen? Waar kunnen
ouders terecht wanneer een melding volgens hen onterecht is? Hoe haal je
zo'n melding dan weer uit het systeem? Komt daar een instantie voor? In
het buitenland blijken er stapels onbehandelde meldingen te zijn. Als er
onvoldoende tijd is om de grote hoeveelheid meldingen te onderzoeken,
hoe weet je dan zeker dat er geen meldingen van mishandelde kinderen
tussen zitten? Wie gaat onderzoek doen naar al deze meldingen? Zoals al
bleek uit het interruptiedebatje tussen mij en mevrouw Van der Burg vind
ik dat een van de belangrijkste vragen. Hoeveel geld krijgen gemeenten
erbij om de organisatie Veilig Thuis, de AMK's, uit te breiden?
De afgelopen jaren heb ik meerdere keren vragen gesteld over de
Forensische Polikliniek Kindermishandeling in Utrecht. Meest recentelijk
heb ik dat op 2 oktober jongstleden gedaan. Die vragen zijn op 13
oktober beantwoord. De antwoorden zijn naar mijn mening gezocht. Tot 1
september jongstleden was er geen sprake van dat het NFI preferred
supplier was. Nu is het dat opeens wel. Er komt daar één forensisch arts
bij. De forensisch-pediatrische artsen bij de FPKM moeten afwachten hoe
het verder gaat. Daar kun je geen bedrijf op draaien. Schat de minister
de deskundigheid van de FPKM anders in dan die van het NFI? Klopt het
dat de FPKM al een loket heeft met 24/7 bereikbaarheid en dat dit bij
het NFI nog moet worden ingevoerd? Wil de staatssecretaris dit
heroverwegen? Als dat niet het geval is, dan dien ik een motie in om het
tij te keren voor het te laat is. Dat wordt dan de zoveelste
motie.
Ik spreek mijn waardering uit voor alle gemeenteraadsleden, wethouders
en ambtenaren die hun uiterste best doen om al het werk dat naar mijn
mening in een te hoog tempo is overgedragen, tot een succes te maken.
Laat dat gezegd zijn. Dat er zorgen zijn, blijkt wel uit allerlei
onderzoeken en enquêtes. Een peiling van Binnenlands Bestuur laat
bijvoorbeeld zien dat een groot deel van de gemeenteambtenaren van
mening is dat de overheveling van taken stroef en chaotisch verlopen is.
De problemen zijn tot nu toe verzacht door overgangsrecht en
continuïteit van zorg. Het is onduidelijk wat de staatssecretaris met
deze zorgen doet. Hij houdt de vinger aan de pols, hij legt zijn oor te
luisteren, maar daadwerkelijke veranderingen zijn nog niet zichtbaar. De
Kinderombudsman is concreter. Hij adviseert de
systeemverantwoordelijkheid aan te pakken door iets te doen aan de
inkoopgedrevenheid, de organisatiebelangen en de administratieve lasten.
Ten aanzien van dat eerste punt heb ik eerder een motie ingediend waarin
ik de regering heb verzocht om onderzoek te doen naar het niveau van de
tarieven die gemeenten opleggen. Te vaak bereiken ons signalen dat het
gaat om bodemtarieven. Je hoort vaak dat gemeenten een hoofdaannemer
hebben aangetrokken die vervolgens onderaannemers contracteert. Ik weet
welke tarieven zij hanteren. Het is eerder gebeurd dat moties van mij
werden weggestemd en dat zij later beleid werden. Misschien gebeurt dat
ook met deze motie. Ik hoor dat dan graag.
Ik kom op de administratieve lasten. Er ligt een door het CDA gesteunde
motie van collega Voortman van GroenLinks op dit vlak. Wat gaat de
staatssecretaris doen? Waar wacht hij op?
Ik kom op autismezorg. Kinderen komen tussen systemen en wetten terecht.
Volgens de Kinderombudsman heeft de jeugdzorg te weinig oog voor het
belang van het kind. Zijn analyse van afgelopen donderdag was niet mals.
Het onderzoek kan ons allen niet verbazen. Zoals gezegd krijgen wij
dezelfde signalen uit verschillende hoeken. De afgelopen week zagen we
dat steeds meer ouders de eigen jeugdzorg zelf gaan betalen omdat het te
lastig is om die van de gemeente vergoed te krijgen of omdat het te lang
duurt als gevolg van wachtlijsten. Zo ontstaat er een tweedeling in de
zorg. Daar zou toch ook de VVD zich iets van moeten aantrekken. Dit is
niet alleen een budgettair probleem; het heeft ook te maken met
bureaucratie. Eind oktober kwam een tragisch voorbeeld daarvan in het
nieuws. Dat ging om Thijs, een jongen voor wie inmiddels een oplossing
wordt gezocht zoals blijkt uit een brief. Ik zeg tegen de
staatssecretaris: dat is mooi, maar wel een beetje laat. De
staatssecretaris is er daar niet mee. Wat gaat hij regelen voor al die
andere jongvolwassenen in deze situatie? De tijd van alle problemen
terugbrengen tot incidenten is inmiddels echt voorbij. De moeder van
Thijs zal ons dat allemaal op het hart drukken. Het is fijn dat er een
oplossing komt voor Thijs, maar die is er niet voor zijn strijdmakkers
die in dezelfde situatie zitten. Het is in ieder geval onduidelijk onder
welke wet een jongere valt, met als gevolg dat er niemand
verantwoordelijkheid voor hem neemt. Dat geldt bijvoorbeeld voor
jongeren die gedetineerd zijn en bij wie er geruzied wordt over
behandeling.
Hoelang zijn de wachtlijsten inmiddels voor kinderen met autisme die
iets minder zware zorg nodig hebben? We hebben gehoord dat de
logeerhuizen van het Dr. Leo Kannerhuis gaan sluiten. De
staatssecretaris gaat deze onder het landelijk inkooparrangement
brengen. Dat is mooi, maar is dit het enige probleem op dit vlak, of is
dit ook alleen een reactie op een incident?
Zorgboerderijen zijn voorbijgekomen tijdens een uitzending van
Undercover in Nederland. Ik begrijp dat daar op dit moment geen kinderen
meer zitten. Hoe staat het met het onderzoek? Hoe heeft het zover kunnen
komen? Is het toezichtsysteem inmiddels beter? Kan inmiddels voorkomen
worden dat dit soort dingen op deze manier kan gebeuren? Kan de
staatssecretaris aangeven wie in dit geval verantwoordelijk is voor het
toekennen van budgetten aan deze zorgboerderij? Wie is verantwoordelijk
voor het toezicht? Is de Inspectie Jeugdzorg, die ervoor moet zorgen dat
de regels worden nageleefd, daar voldoende geweest?
Vorige week was ik op werkbezoek bij 's Heeren Loo. Daar werd mij op het
hart gedrukt dat zorg voor kinderen met een licht verstandelijke
beperking die van 18-min naar 18-plus gaan, niet goed geregeld is. De
instrumenten bewind, ondercuratelestelling en mentorschap volstaan niet.
Kent de staatssecretaris Hyba uit de documentaire "Het leven begint bij
18" nog? Dat is de problematiek waarop ik doel. Deze jongens en meisjes
worden weliswaar 18, maar lopen achter in hun ontwikkeling. Ze zijn niet
18 zoals andere jongens en meiden 18 zijn. Ze vervallen vervolgens in
criminaliteit, verslaving en prostitutie. Mij werd verteld dat de
politie dan zegt: ja, ze is nu eenmaal volwassen en prostitutie is een
legaal beroep. Mijn hart huilt. Herkent de staatssecretaris deze
problemen? Wil hij voor het CDA een onderzoek doen naar het wettelijk
instrumentarium voor kinderen die van 18-min naar 18-plus gaan, om te
bezien of dat volstaat en met voorstellen komen als dat niet zo
is?
Tot slot kom ik op de grenskinderen. Deze discussie speelt al een tijd.
De Eerste Kamer heeft een motie aangenomen om dit goed te regelen.
Inmiddels is de wet in werking getreden en kunnen kinderen die in
Duitsland woonachtig zijn en in Nederland op school zitten, op
Nederlandse scholen geen aanspraak maken op zorg en ondersteuning. De
staatssecretaris is daar eerder duidelijk over geweest tegen het CDA:
hij ziet dit probleem niet. Daarom vraag ik hem of hij dan eens wil gaan
kijken op deze scholen en in die regio's. Het gaat om een groot deel van
Nederland, want we hebben een lange buitengrens. Hoe gaat het daar? Wat
zijn de problemen? Wil de staatssecretaris zo nodig bekijken hoe hij
daar een maatwerkoplossing voor kan bieden?
Voorzitter, volgens mij heb ik nog drie minuten van mijn spreektijd
over.
De voorzitter:
Zeker. U hebt nog ruim drie minuten voor de tweede termijn. Het woord is
nu aan mevrouw Ypma.
Mevrouw Ypma (PvdA):
Voorzitter. De kinderen uit groep 8 in Pijnacker vertelden me vorige
week over Stichting Bram. "Eerst kende ik helemaal geen gehandicapte
kinderen of jongeren," vertelde Anna, "laat staan dat ik wist hoe ik met
hen om moest gaan." "Deze kinderen willen ook gewoon meedoen," zei Rens,
"en daarom vind ik het leuk dat we samen op school zitten. Zij leren van
ons en wij leren van hen. Het zijn gewoon kinderen van onze school."
Rens, Anna en alle andere kinderen komen dagelijks met kinderen met een
beperking in contact, omdat zij onder hetzelfde dak als de reguliere
school hun dagbesteding krijgen. Ze horen er gewoon bij, binnen de
school, maar ook buiten de school als de kinderen elkaar tegenkomen in
de wijk. Wat voorheen een ver-van-hun-bedshow was, begint simpelweg met
ontmoeten. Alle kinderen doen mee aan de activiteiten met Pasen en
kerst. De animo om te helpen met voorlezen, eten, buiten wandelen,
spelen of muziekles is zeer groot. De kinderen uit groep 6, 7 en 8
helpen zelfs in hun eigen vakantie op school mee bij de dagbesteding van
de kinderen met een beperking.
Bram van 8 jaar en zijn vijf vriendjes met een ernstige meervoudige
beperking zijn zichtbaar gelukkig met het feit dat ze ondanks hun
beperking toch elke dag naar een reguliere school in de buurt kunnen.
Bram leefde in zijn eigen wereld. Hij zocht geen contact met anderen.
Hij werd op de dagbesteding in een hoekje gezet, afgeschermd met een hek
zodat hij veilig was. Zo kon hij helemaal in zijn eigen wereldje zitten.
Maar de moeder van Bram, Marion, gelooft in het uitgangspunt dat contact
van toegevoegde waarde is, ook voor haar kind. Want Bram leert van
imiteren, van contact met andere kinderen. Hij is er ook bij gebaat als
hij net als zijn broertjes en zusjes in de buurt naar school kan. Door
de nabijheid en doordat zijn ouders hem elke dag zelf wegbrengen — hij
gaat niet met een taxibusje — is er een goede overdracht tussen de
ouders en de school. Er wordt altijd een kopje koffie of thee gedronken
bij het halfuurtje brengen en het halfuurtje ophalen, zodat er een goede
uitwisseling plaatsvindt en er over en weer praktische tips uitgewisseld
kunnen worden. Dat komt Bram en al zijn klasgenootjes ten goede. Ik zag
zelf ook dat het werkt. Bram was aan het spelen met de andere kinderen.
Hij zat in een stoel en was met blaadjes uit het bos aan het gooien,
helemaal gericht op de andere kinderen. Zijn ogen straalden. Hij lachte
en luisterde. Zo kan ook hij leren.
Dit soort initiatieven van onderop, van ouders zelf, verdient veel
steun. Eigenlijk gun je ieder kind met een beperking en zijn ouders
zoiets. Het kind moet gewoon zo veel mogelijk meedoen in de eigen wijk.
Het was niet gemakkelijk voor Marion en eigenlijk klopt het nog niet
helemaal. Het is een zorginstelling die onderwijs aanbiedt, zodat deze
kinderen zich kunnen ontwikkelen. Om te kunnen leren, moesten ze echter
ontheffing van de leerplicht aanvragen. Dat is eigenlijk heel vreemd.
Bovendien moet de moeder van Bram alles zelf uitzoeken. Er zijn nog geen
bestaande wegen, maar wel een hoop praktische problemen. Het zorgkantoor
sluit geen nieuwe overeenkomsten meer af, dus er mogen geen therapeuten
in loondienst komen. Gelukkig biedt de Jeugdwet wel uitkomst. Daardoor
kon er één werknemer via "zorg in natura" in dienst genomen worden.
Inmiddels geldt dit voor alle zes de kinderen. Maar de fysiotherapie en
de logopedie lopen via de zorgverzekeraar. De Wlz is dus niet de juiste
oplossing voor Bram, zo hebben deze ouders besloten.
Ondanks het feit dat iedereen, dus de wijk, de kinderen, de school, het
samenwerkingsverband, het speciaal onderwijs en de gemeentepolitiek, dit
initiatief geweldig vindt, bestaat er voor iedere manier een "ja, maar".
Altijd is er wel een "ja, maar". Er is een luxe aan keuzemogelijkheden,
want iedereen ondersteunt het initiatief, maar moeten ze nu kiezen voor
een zorgarrangement, voor een speciaalonderwijsschool als onderaannemer
of moet de instelling als BRIN-nummer aansluiten bij de
bassischool?
Eigenlijk is deze combinatie tussen inclusief onderwijs en jeugdzorg
ontzettend mooi. Iedereen ziet de meerwaarde ervan, maar er zijn nog wel
enkele zaken nodig. Allereerst moet er erkenning komen voor deze
initiatieven als onderwijsinstelling en als zorginstelling, zodat deze
initiatieven mogelijk zijn en aan verschillende financieringen gekoppeld
worden. Dit is een mooi alternatief voor het medisch kinderdagverblijf.
Het is kleinschalig, dicht bij huis en zorg op maat. Dat willen wij
allemaal. Is de staatssecretaris daarom bereid om hier een langs te gaan
en een gesprek te hebben, samen met zijn collega van Onderwijs en
misschien ook met de Nederlandse Stichting voor het Gehandicapte Kind?
Op die manier hoeft het wiel niet steeds opnieuw uitgevonden te worden.
Als de staatssecretaris deze stichting als uitgangspunt neemt, de
belemmeringen inventariseert en probeert weg te nemen, kan die als
voorbeeld dienen voor dit soort initiatieven van onderop, van de ouders
zelf. Daarbij staat niet het schot tussen onderwijs en zorg centraal,
maar het belang van het kind. Daarbij krijgen ouders zo veel mogelijk
zeggenschap en komen er voorbeelden van wat wel werkt. Dat helpt ouders
en zorgprofessionals bij de vele keuzes die ze moeten maken.
Het lijkt misschien maar een voorbeeld, maar ik ben het met Hilhorst en
Van der Lans eens dat het juist hierom gaat. De verandering van de
verzorgingsstaat is een keten van kleine voorbeelden, nieuwe standaarden
en zoekende experimenten. Hilhorst en Van der Lans concluderen daarom:
maak het tastbaar en klein, probeer het uit, stel dan opnieuw de vraag
en bekijk welke antwoorden er vanuit de praktijk komen. Dan gaat het
ergens over.
Zo besloot de gemeente Wageningen dat er bij de omgang met ingewikkelde,
complexe hulpvragen nooit meer óver kinderen en óver ouders, maar altijd
mét de betrokken ouders gesproken moet worden. Met die regel wil de
gemeente recht doen aan het principe dat als mensen zelf
verantwoordelijkheid moeten nemen voor de oplossing van hun problemen,
het niet meer passend is om daarover professionele onderonsjes te
organiseren. Dan moeten ze ook volwaardig meepraten.
Die nieuwe regel wordt strikt toegepast en dan ontstaan er allerlei
vragen. Wat gebeurt er met verzoeken van professionals die toch met
elkaar willen overleggen in afwezigheid van hun cliënten? Hulpverleners
worstelen met hun dubbele loyaliteit. Aan wiens zijde staan ze in dat
gesprek? Zijn zij vertrouwenspersoon, belangenbehartiger of durven zij
zich ook kritisch uit te laten? Hoe gaan de hulpverleners om met boze
ouders, die ontevreden zijn omdat zij niet krijgen wat zij vragen?
Dat is allemaal wennen in Wageningen. Het is ook een hoop gedoe, maar
het principe blijft overeind. Sterker nog, vrijwel iedereen ziet het nut
ervan in. Voor elk probleem wordt een passende oplossing gezocht. Er
wordt nog steeds weleens vergaderd zonder dat de hoofdpersonen aanwezig
zijn, maar toch is er iets wezenlijks veranderd. Nog niet zo lang
geleden was het uitzonderlijk dat vragers van ingewikkelde hulp bij het
professionele gesprek aanwezig waren. Nu is het uitzonderlijk als dat
niet meer het geval is. Dan moeten daarvoor zwaarwegende argumenten
worden aangedragen. Daarmee is de standaard veranderd.
Het zijn misschien maar kleine, lokale voorbeelden, maar de verandering
van de verzorgingsstaat is een keten van kleine voorbeelden, nieuwe
standaarden en zoekende experimenten. Er is geen handboek of blauwdruk,
maar de discussies die uit deze praktische veranderingen voortvloeien,
zijn vaak stevig en principieel. In de praktijk worden er juist wel
altijd oplossingen gevonden waarmee weer nieuwe stappen vooruit gezet
kunnen worden.
Mevrouw Kooiman (SP):
Ik heb heel goed naar het verhaal van de Partij van de Arbeid
geluisterd. Het is een heel mooi verhaal: we leven weer lang en gelukkig
en dat is het einde van het boek van Bram. Laten we wel wezen, de PvdA
heeft het over experimenten, maar er is een gevaarlijk experiment dat de
Partij van de Arbeid zelf heeft gecreëerd, namelijk het kapotbezuinigen
van de jeugdzorg. Als je kijkt naar de wachtlijsten, de behandeldruk, de
Brammen die nu helemaal geen hulp krijgen, is dat wel het experiment van
de Partij van de Arbeid zelf. Wat gaat zij daaraan doen?
Mevrouw Ypma (PvdA):
Alle kinderen hebben zorg nodig. Meestal krijgen zij die zorg van hun
ouders, die ze liefhebben, over hen waken en ervoor zorgen dat zij
veilig kunnen opgroeien, maar sommige kinderen hebben geen ouders of
hebben extra hulp nodig. Daarom hebben we de jeugdhulp. Sinds 1 januari
hebben we een nieuwe Jeugdwet, omdat er voorheen sprake was van een
versnipperd systeem, met verschillende financieringsstromen en
ongelofelijk veel bureaucratie. Hardwerkende professionals deden hun
stinkende best, maar werden beperkt door de wijze waarop de jeugdzorg
was georganiseerd. Om die reden zijn wij naar dat nieuw systeem gegaan.
Ik wacht de voorstellen van mevrouw Kooiman af. Als zij vindt dat er
meer geld bij moet, moet zij ook boter bij de vis doen.
Mevrouw Kooiman (SP):
Ik vind dit opgelezen antwoord op mijn interruptie fantastisch. Dat
hadden we natuurlijk aan zien komen. Mevrouw Ypma had ook onze
tegenbegroting kunnen omarmen, want wij doen genoeg voorstellen. Het is
een politieke keuze van de Partij van de Arbeid om de jeugdzorg uit te
hollen. Nu zit het veld met de chaos die zij zelf heeft gecreëerd.
Mevrouw Ypma loopt hier een leuk verhaaltje voor te lezen, met als
strekking: we leven lang en gelukkig, terwijl de gemeenten met een enorm
probleem zitten. Ze gaat compleet voorbij aan al die gezinnen die nu
niet de juiste hulp krijgen.
Mevrouw Ypma (PvdA):
Dat doe ik zeker niet. Ik ben nog niet eens op de helft van mijn
spreektijd. De Jeugdwet is nu bijna een jaar van kracht. Gelukkig gaat
er heel veel goed. Er zijn steeds minder wisselende zorgprofessionals.
Kinderen ontvangen de goede zorg. In het rapport van de Ombudsman wordt
een goed rapportcijfer gegeven, maar er moeten nog een hoop stappen
worden gezet, want er gaan nog steeds heel veel dingen mis. Die moeten
we niet uit de weg gaan, maar juist bespreken, onderzoeken en aanpakken.
Daarom zou ik graag verdergaan met mijn spreektekst.
De voorzitter:
Aan u het woord.
Mevrouw Ypma (PvdA):
De ouderbijdrage hebben wij onderzocht en aangepakt. In januari sprak ik
met ouders van kinderen die onder de Jeugdwet vallen, over hoe zij de
zorg, de kosten en al het regelwerk rond de zorg voor hun kind ervaren.
Deze gesprekken hebben een diepe indruk bij mij achtergelaten. Veel
ouders vertelden me dat zij juist extra kosten maken. Het is al zo
onrechtvaardig als je zo veel zorgen hebt. Om dan ook nog extra kosten
te maken vonden zij echt verschrikkelijk. Zelfs de ouders die recht
hebben op dubbele kinderbijslag hebben hogere kosten dan
inkomsten.
Toen wij in januari over de jeugdhulp spraken, heb ik daarom gevraagd om
een onderzoek naar de ouderbijdrage en de effecten daarvan op de
toegankelijkheid van het jeugdstelsel. Zorgt deze bijdrage dan toch voor
drempels tot de toegang? Uit het onderzoek blijkt dat er geen sprake is
van een algemeen besparingsmotief, oftewel: de kosten die de ouders
maken zijn inderdaad hoger dan hun inkomsten. De ouderbijdrage werpt een
drempel op, waardoor ouders geen, minder of later gebruikmaken van de
zorg.
Ieder kind moet veilig en onbezorgd kunnen opgroeien. Voor kinderen bij
wie dat niet vanzelf gaat, is snel de juiste hulp nodig. Dan mogen nooit
drempels worden opgeworpen. Ik dank de staatssecretaris dan ook voor het
nemen van de belangrijke stap om de ouderbijdrage per 1 januari 2016 af
te schaffen.
Ik verwacht interrupties.
De voorzitter:
U lokt ze zelfs uit.
Mevrouw Bergkamp (D66):
Als mevrouw Ypma zo graag een interruptie wil, dan gaan we dat gewoon
doen.
Ik vroeg mevrouw Van der Burg naar de relatie tussen de ouderbijdrage en
de aanpassing van de meldcode. In het vorige algemeen overleg wist de
PvdA eigenlijk niet of zij nu voor een meldplicht was of niet. Het
betoog van de PvdA was heel onduidelijk. Hoe staat de PvdA daar
inmiddels tegenover? Is de PvdA voor een meldplicht of niet?
Mevrouw Ypma (PvdA):
De vraag die collega Bergkamp net stelde aan de VVD ging ook over de
ouderbijdrage. Nogmaals: de Partij van de Arbeid is er ontzettend blij
mee dat die van tafel is. Nu stelt mevrouw Bergkamp een vraag over de
meldplicht. De Partij van de Arbeid en de VVD willen hetzelfde, namelijk
dat er geen kinderen tussen wal en schip vallen. Een meldplicht vindt de
Partij van de Arbeid echter geen oplossing. Dat er niet wordt gemeld,
betekent niet dat er niks mee gebeurt. Zorgverleners doen immers hun
stinkende best om kinderen te helpen. Zij hebben een handelingsplicht,
niet alleen op basis van de meldcode, maar ook op basis van de
beroepscode. Er is een verschil tussen melden en handelen. De Partij van
de Arbeid zegt dat er wel wordt gehandeld.
Mevrouw Bergkamp (D66):
Ik hoop dat de kijkers thuis dit hebben kunnen volgen; ik had er wat
moeite mee. Ik probeer het even samen te vatten. De PvdA is opeens tegen
de meldplicht. De vorige keer kon zij dat nog niet zeggen. Er is dus
iets gebeurd. Deze week hebben wij het persbericht gezien over de
ouderbijdrage. Dat roept toch wel de indruk op dat de VVD en de PvdA met
elkaar hebben gesproken. De vorige keer wist de PvdA immers nog niet of
zij voor of tegen de meldplicht was, maar nu durft de PvdA te zeggen dat
zij tegen de meldplicht is. Opeens is de ouderbijdrage er niet meer.
Daar ben ik overigens blij om. Ik vraag mevrouw Ypma daarom nogmaals hoe
het nu kan dat de PvdA hier opeens durft te zeggen dat zij tegen de
meldplicht is. Overigens ben ik daar ook blij om. Waarom heeft dat — ik
zou bijna zeggen "in godsnaam" — een jaar geduurd?
Mevrouw Ypma (PvdA):
Volgens mij is de Partij van de Arbeid hier altijd heel duidelijk over
geweest. Wij zijn geen voorstander van de meldplicht. Mijn collega Rebel
zal dat vaak uit de doeken hebben gedaan. Dat wil ik dus wel even
rechtzetten. Ik wil benadrukken dat er een verschil is tussen melden en
handelen. Professionals moeten op basis van hun beroepscode en op basis
van de meldcode handelen. Er doet zich wel nog een probleem voor bij het
delen van informatie. Een huisarts die bijvoorbeeld ziet of vermoedt dat
een kind wordt mishandeld, kan dat nu in het eigen systeem zetten.
Niemand heeft daar toegang toe. Daar is wel een probleem en daarom
vinden wij dat de informatie beter ontsloten moet worden. Die informatie
mag niet verloren gaan. De registratie zou ons inziens moeten
plaatsvinden bij Veilig Thuis, maar daar moeten we het gesprek nog over
aangaan. Het verschil met de meldplicht is dat Veilig Thuis het daarin
zou overnemen. Dat willen wij niet. De huisarts moet zijn of haar eigen
afwegingen kunnen blijven maken, maar het moet wel ergens geregistreerd
worden.
De voorzitter:
Ik zag een interruptie van mevrouw Keijzer.
Mevrouw Bergkamp (D66):
Ik wil mijn derde interruptie hieraan besteden.
De voorzitter:
Prima. Dat kan.
Mevrouw Bergkamp (D66):
Dank u wel. En die mag in tweeën volgens mij.
Ik heb toch nog een vraag daarover om het echt scherp te krijgen en
anders gaan mijn collega's er nog wel op door. Het is een vaag verhaal.
Uit het verhaal van mevrouw Ypma werd niet helder wat de PvdA nu wil,
een meldplicht of niet. Zij zegt dat zij tegen een meldplicht is,
opeens. Nou, fijn. Maar dan komt er opeens een verhaal over een soort
registratieplicht. Dat vind ik raar. Ik hoop dat mevrouw Ypma dat kan
uitleggen. Eerlijk gezegd, heeft zij de schijn tegen. Zij wekt namelijk
de indruk dat een afspraak is gemaakt, want opeens zijn ze tegen de
meldplicht, maar wel voor een soort registratieplicht en dan zonder
ouderbijdrage. Het is een zeer verwarrend verhaal. Is het
uitonderhandeld dat er een soort registratieplicht komt? Is dat dan niet
het eerlijke antwoord?
Mevrouw Ypma (PvdA):
Je moet volgens ons altijd het belang van het kind centraal stellen. Het
is niet in het belang van het kind als die informatie alleen maar bij
een huisarts in het eigen systeem blijft zitten. Daarom zijn wij van
mening dat die informatie gedeeld moet worden. Dat betekent echter niet
dat de verantwoordelijkheid vervolgens overgenomen moet worden door een
andere instantie. Daar zit het grote verschil. Ik hoop dat ik dat nu
helder heb kunnen maken.
Mevrouw Bergkamp (D66):
Ik vind dit toch wel erg. Ik heb het idee dat de PvdA en de VVD hebben
zitten te kwartetten over de ouderbijdrage voor een registratieplicht.
Die indruk blijft bij mij hangen. Ik herhaal dus mijn vraag of daarover
is gesproken. Is er een afspraak gemaakt om de ouderbijdrage uit te
rollen voor een wijziging van de meldcode in de vorm een
registratieplicht?
Mevrouw Ypma (PvdA):
Ja, er is over beide onderwerpen gesproken, maar nee, het is geen
handjeklap geweest om het een voor het ander in te ruilen. Er is
gesproken over de ouderbijdrage. Die is godzijdank eindelijk van tafel.
Er is ook gesproken over het delen van informatie als het gaat over
kindermishandeling. Dat zijn de twee onderwerpen waarover wij gesproken
hebben.
Mevrouw Keijzer (CDA):
Is dat dan het verplicht delen van informatie?
Mevrouw Ypma (PvdA):
Hoe dat precies wordt geregeld, laat ik aan de staatssecretaris. Daar
moeten wij het gesprek nog over aangaan. De PvdA is van mening dat de
informatie gedeeld moet worden en dat dit op deze manier kan gebeuren.
Daarbij sluiten wij ons overigens aan bij de Taskforce
kindermishandeling, de Nationaal Rapporteur en ook de …
Mevrouw Keijzer (CDA):
De laatste niet.
Mevrouw Ypma (PvdA):
Volgens mij heeft de Nationaal Rapporteur er ook een en ander over
gezegd. We moeten dat op een verstandige manier oplossen en niet
allerlei politieke spelletjes laten winnen. We moeten het belang van het
kind centraal stellen en ervoor zorgen dat de informatie bij de juiste
mensen terechtkomt, zodat kinderen ook gemonitord kunnen worden om te
zien of het op latere leeftijd beter gaat.
Mevrouw Keijzer (CDA):
Behalve de taskforce is zo'n beetje iedereen die met kinderen werkt,
tegen een meldplicht. Een van de redenen daarvan is dat die ertoe leidt
dat mensen gaan melden om er maar van af te zijn. Dan zitten ze veilig,
dan zijn ze safe en kunnen ze nooit aangesproken worden op allerlei
regels waaraan ze zich hebben te houden. Of ze melden helemaal niets
meer en zeggen dat er helemaal geen sprake van is. Stap vijf van de
meldcode zegt dat de huisarts, orthopedagogen, onderwijzend personeel of
mensen die bij het Centrum voor Ethiek en Gezondheid (CEG) werken mogen
beslissen over het zelf hulp organiseren of melden. De afspraak is
gemaakt — waar de PvdA nu voor is — dat dit niet meer het beslissen over
zelf hulp organiseren of melden is. Stap vijf wordt dus het verplicht
registreren bij Veilig Thuis — het voormalige AMHK — dat er vermoedens
zijn van kindersmishandeling. Dat is een meldplicht. Ik ben er niet
voor, om allerlei redenen die vandaag al meerdere keren zijn genoemd. De
hele sector is er niet voor. Het lijkt me goed als de PvdA er duidelijk
over is.
De voorzitter:
Wat is uw vraag?
Mevrouw Keijzer (CDA):
Ik vraag de PvdA om er duidelijk over te zijn, juist in het belang van
de kinderen. De sector heeft werkelijk geen idee meer waar hij zich aan
moet houden. Het zou verstandig zijn om het niet te doen. Het zou
verstandig zijn als de PvdA blijft bij wat iedereen gezegd heeft. Het
kwartetten bij het tot stand komen van het regeerakkoord is toch een
slechte manier gebleken voor het nemen van politieke besluiten.
Mevrouw Ypma (PvdA):
Ik zal nog één poging doen. We willen graag dat professionals blijven
handelen. Dat doen ze volgens hun beroepscode en de meldcode. We willen
graag dat dit blijft gebeuren. Tegelijkertijd willen we dat de
informatie niet verloren gaat. We willen niet dat die bijvoorbeeld
alleen maar in het systeem van een huisarts blijft zitten. Dat is de
doelstelling. Volgens mij verschillen we niet van mening over de wijze
waarop we dit inregelen. Dat moet gebeuren met zo veel mogelijk
draagvlak vanuit de sector. We moeten ook goed luisteren naar de
taskforce en de Nationaal Rapporteur. Die zijn namelijk niet voor niets
met hun zorgen gekomen.
De voorzitter:
Mevrouw Keijzer, we hebben afgesproken om interrupties in tweeën te
doen.
Mevrouw Keijzer (CDA):
Dan is dit mijn vierde interruptie, want dit is te belangrijk. Ik wil
hier toch nog op doorgaan. Ik heb één heel simpele vraag. Wordt stap
vijf aangepast volgens de PvdA? Nu staat er: beslissen over zelf hulp
organiseren of melden. Wordt dat: registreren bij het AMHK dat je
vermoedens hebt van kindermishandeling?
Mevrouw Ypma (PvdA):
Ik denk dat er inderdaad sprake is van een aanpassing van stap vijf, dat
je dus informatie gaat delen.
De voorzitter:
Helder.
Mevrouw Keijzer (CDA):
Voorzitter, dat zegt u goed: helder.
Mevrouw Voortman (GroenLinks):
Ik ben blij dat de Partij van de Arbeid nu toegeeft dat ze de facto voor
een meldplicht is. Los je hiermee het werkelijke probleem op? We zien
namelijk dat het melden niet het probleem is. Zorgverleners weten heel
goed wanneer ze iets moeten melden. Het gaat er juist om wat er gebeurt
met de meldingen. Hoe zorgen we ervoor dat kinderen de juiste zorg
krijgen? Hoe gaat deze stap, deze meldplicht, die voor de PvdA geen
"meldplicht" mag heten, kinderen beter helpen?
Mevrouw Ypma (PvdA):
Het belangrijkste is dat de informatie niet verloren gaat en dat die
ergens vastligt.
Mevrouw Voortman (GroenLinks):
Dan vraag ik me af hoe het zit met de privacy van cliënten. Hoe zit het
met het beroepsgeheim van zorgverleners? Dat is heel belangrijk in de
relatie tussen cliënt en zorgverlener. De PvdA zegt dat het erom gaat
dat de informatie niet verloren gaat. Dan wil ik ook weten hoe dit zich
volgens de PvdA verhoudt tot het beroepsgeheim. En nogmaals, hoe gaat
dit ervoor zorgen dat kinderen die zorg nodig hebben, beter geholpen
worden? Die meldingen worden namelijk wel gedaan.
Mevrouw Ypma (PvdA):
Ten eerste blijven we van professionals verwachten dat ze zelf handelen.
Dat zorgt ervoor dat kinderen goed geholpen worden. Als er meerdere
professionals zijn die zorgen hebben, moet de informatie wel ergens bij
elkaar komen. Dat betekent dat je die moet delen. Uiteraard moet dit op
een goede manier ingericht worden, met respect voor het beroepsgeheim en
met respect voor de privacyregels. Ik heb er alle vertrouwen in dat de
staatssecretaris hiermee uit de voeten kan.
De heer Voordewind (ChristenUnie):
Ik vraag even door op dit onderwerp. De Kamer heeft hierover eerder heel
lang en uitvoerig gesproken. Tweeënhalf jaar geleden is heel bewust een
meldcode afgesproken, ook op aangeven van de professionals. De Partij
van de Arbeid is heel erg voor onderzoek. Pas na onderzoek volgt er een
wijziging van beleid. Dat hebben we ook gezien bij de
ouderschapsbijdrage. Ik vraag me af wat er gaat gebeuren als huisartsen,
professionals, verplicht moeten registreren. Wat is dan de volgende
stap, de stap na de registratie?
Mevrouw Ypma (PvdA):
Volgens mij heeft de taskforce zelf gevraagd om het inrichten van extra
stappen. Eerlijk gezegd heb ik nog geen antwoord op de vraag van de heer
Voordewind. Volgens mij moeten we dit inderdaad onderzoeken en moeten we
bekijken hoe we dit kunnen uitwerken. Nogmaals, ik heb er vertrouwen in
dat de staatssecretaris in dezen met goede voorstellen komt.
De heer Voordewind (ChristenUnie):
Maar volgens de media is er een deal tussen de Partij van de Arbeid en
de VVD dat registratieplicht onderdeel van de meldcode moet zijn, al
weet mevrouw Ypma nog niet waar die registratie toe leidt. Ik vind dat
we het uiteindelijk moeten hebben van het antwoord op de vraag hoe we
kindermishandeling het best kunnen bestrijden. We moeten dus ook
overzien wat de gevolgen van registratie zijn. Als registratie niet in
het belang van het kind is, moeten we het niet doen. Laten we eerst
onderzoeken of registratie tot een betere aanpak van kindermishandeling
leidt. Zodra de Kamer daarvan overtuigd is, moet daartoe worden
besloten. Is de Partij van de Arbeid het daarmee eens?
Mevrouw Ypma (PvdA):
De Partij van de Arbeid is het er zeker mee eens dat het in het belang
van de kinderen moet zijn. Ik begon er ook mee dat geen kind tussen wal
en schip mag vallen en dat we kindermishandeling willen aanpakken. Dat
is het doel van mijn partij en volgens mij van alle andere partijen. De
Nationaal Rapporteur en de taskforce, niet zomaar een persoon en een
instelling, hebben gezegd dat er dingen worden gesignaleerd, maar in
slechts één systeem blijven zitten. Die dingen worden niet gedeeld. Dat
is niet in het belang van kinderen. Zij hebben deze conclusie al
getrokken. Zij hebben dat onderzoek al gedaan. Daarom moeten wij onze
verantwoordelijkheid nemen en zeggen dat hiernaar wellicht nog eens goed
moet worden gekeken. Ik ben het met de heer Voordewind eens dat we het
aan het ministerie moeten overlaten om met goede voorstellen te
komen.
De voorzitter:
We hebben eigenlijk afgesproken dat we interrupties in tweeën doen.
De heer Voordewind (ChristenUnie):
Dan neem ik mijn tweede interruptie nu voor mijn rekening, want ik vind
het belangrijk om hierover duidelijkheid te hebben.
Mijn tweede vraag aan de Partij van de Arbeid is of zij vindt dat
registratie in punt 5 van de meldcode moet worden geïntegreerd of dat de
staatssecretaris dit nog eens moet onderzoeken en met voorstellen naar
de Kamer moet komen, zodat de Kamer een wijs besluit kan nemen. Wat is
het voorstel van de Partij van de Arbeid?
Mevrouw Ypma (PvdA):
Dat laatste, al kan dat ertoe leiden dat je de laatste stap aanpast.
Daarom ben ik er ook eerlijk over.
De heer Voordewind (ChristenUnie):
Voor de helderheid: de Partij van de Arbeid-fractie geeft de
staatssecretaris de opdracht om dat te gaan onderzoeken en om te
rapporteren alvorens de meldcode aan te passen. Begrijp ik dat goed?
Mevrouw Ypma (PvdA):
Dat is correct.
Mevrouw Voortman (GroenLinks):
Dit is weer een interessant moment. Ik begrijp nu dat de Partij van de
Arbeid de staatssecretaris vraagt om het te onderzoeken. Zij zegt niet
per definitie dat een en ander moet uitkomen op registratie van
informatie en op een plicht voor artsen om gegevens te delen. Heb ik dat
goed begrepen?
Mevrouw Ypma (PvdA):
Ja. Je moet alleen niet onderzoek doen als je denkt dat er iets uitkomt,
waarmee je het niet eens bent. Wij vinden dat dergelijke informatie in
het belang van kinderen moet worden gedeeld. Natuurlijk willen wij weten
hoe dat het best kan. Dat moet worden onderzocht.
Mevrouw Voortman (GroenLinks):
De Partij van de Arbeid vraagt dus om onderzoek, maar zegt bij voorbaat
dat artsen hun gegevens moeten delen, al weet zij niet wat de gevolgen
van registratie zijn. De staatssecretaris mag het allemaal weer
uitwerken. Weet de Partij van de Arbeid eigenlijk wel waarmee zij heeft
ingestemd?
Mevrouw Ypma (PvdA):
Wij willen dat de informatie wordt gedeeld. Volgens mij heb ik dat
talloze malen herhaald. Dat betekent dat het niet alleen in het systeem
blijft zitten van degene die een vermoeden van kindermishandeling heeft,
maar dat ook anderen ernaar kunnen kijken. Ik ben zeer specifiek geweest
door te zeggen dat het bij Veilig Thuis zou moeten plaatsvinden. Dat is
iets anders dan dat de zorg wordt overgenomen door Veilig Thuis. Dat is
niet onze intentie. Iedereen mag het framen zoals hij wil, maar volgens
mij ben ik daarover vrij helder geweest.
De voorzitter:
U mag uw betoog vervolgen.
Mevrouw Ypma (PvdA):
Uit zowel de eerste als de tweede rapportage van de Kinderombudsman
blijkt dat de zorgcontinuïteit in het nieuwe stelsel is geborgd en dat
zij met een rapportcijfer 7,4 wordt gewaardeerd. Tegelijkertijd zijn er
zorgen en onduidelijkheden. Zo berichtte de Kinderombudsman in zijn
deelrapport over jeugdhulp dat kosten, eigenbelang en administratieve
lasten soms vóór de belangen van het kind gaan. Hierdoor kan het
gebeuren dat kinderen te laat, verkeerde of soms helemaal geen zorg
ontvangen. Dit is voor mij onacceptabel. Middels schriftelijke vragen
vroeg ik de staatssecretaris waar ouders terechtkunnen met eventuele
signalen en klachten als er geen of niet-passende zorg wordt geboden.
Hoe gaat de staatssecretaris aan ouders bekendmaken waar zij
terechtkunnen? Ik geloof dat gemeenten en professionals het beste voor
hebben met kinderen, maar in veel gemeenten zijn de wijkteams net
opgezet en kunnen professionals goed hulp gebruiken.
Ze moeten weten hoe ze de juiste beslissingen nemen en hoe de toegang en
kwaliteit zo goed mogelijk geborgd kunnen worden. We horen bijvoorbeeld
al een poos veel verschillende geluiden over wachtlijsten. Natuurlijk
zijn wachtlijsten niet nieuw, want die waren er ook in het oude stelsel,
maar er zijn regio's waar ze worden weggewerkt en gemeenten waar ze
oplopen. Waarom lukt het sommige gemeenten wel? Kijken gemeenten wel
voldoende met elkaar mee? Hoe worden de ervaringen gedeeld? Verwijzen
aanbieders naar elkaar door als zij een wachtlijst hebben? Of laten,
zoals de Kinderombudsman ons vertelde tijdens de briefing, instellingen
kinderen op de wachtlijst staan omdat dit financieel beter voor die
instellingen is? De staatssecretaris en de gemeenten moeten de
instellingen aansporen om transparanter te zijn over de capaciteit.
Hoeveel bedden hebben ze leegstaan en waar kan een kind nog wel terecht?
De gevolgen zijn immers dat kinderen zorg mislopen of zij zo lang moeten
wachten dat hun ziektebeeld of hun problematiek erger wordt. Ik vraag de
staatssecretaris om actie te ondernemen zodat wachtlijsten niet verder
kunnen oplopen. Het kan toch niet waar zijn dat de ene instelling een
wachtlijst heeft en de ander leegstand? Hier moet transparantie over
zijn. Is de staatssecretaris bereid om dit te bespreken met de sector en
de gemeenten?
Door mediation van de Kinderombudsman blijkt het vaak wel mogelijk om
tot oplossingen te komen bij gemeenten en instellingen. Dan kan iemand
bijvoorbeeld buiten een regio worden geplaatst bij bureaucratisch
getouwtrek. Ik geloof dan ook dat gemeenten en instellingen gezamenlijk
kunnen werken aan een verbetercultuur: niet meer ieder voor zich maar
gezamenlijk bekijken wat nog beter kan. Ik zou graag toegaan naar een
cultuur waarin het gebruikelijk is om vreemden in de eigen keuken mee te
laten kijken. Daarbij leren professionals van elkaar en is feedback
geven heel normaal. Welke rol ziet de staatssecretaris voor zichzelf om
deze verbetercultuur te stimuleren? Zou het een idee zijn om net als in
het onderwijs de verbetercultuur van onderop te stimuleren door
professionals bij elkaar mee te laten kijken? Daarbij wordt met een
externe blik de nodige reflectie geleverd om te bekijken of een wijkteam
goed is ingericht, de juiste afwegingen worden gemaakt, kinderen eerder
bereikt worden en de hulp kwalitatief goed is. Zo kan men aanbevelingen
doen vanuit de eigen ervaringen en kan men van elkaar leren.
Het nader onderzoek toegang jeugdhulp laat zien dat het met de toegang
erg verschilt. Het onderzoek roept bij mij veel vragen op. Ik wil dus
vragen om nogmaals te kijken naar de toegang, maar dan met een
kwalitatief onderzoek. Het is volgens mij veel interessanter om vanuit
casuïstiek te bekijken of kinderen met een zorgvraag bij de juiste zorg
terechtkomen, via welke route dat gebeurt en met welke tevredenheid. Dit
zou nog nader onderzocht moeten worden. De belangrijkste vraag voor de
stelselverantwoordelijkheid is namelijk: krijgen kinderen snel genoeg de
juiste hulp? Het mag niet te lang duren voordat zij hulp ontvangen. Wij
willen weten of de laagdrempelige toegang genoeg en gemakkelijk te
vinden is.
De ouderorganisaties hebben een brief gestuurd. Daarin vragen zij om
meer aandacht te besteden aan de Eigen Kracht-conferenties. Met de heer
Voordewind heb ik een amendement ingediend op de Jeugdwet. Het is van
het grootste belang dat de Eigen Kracht-conferenties op de juiste manier
uitgevoerd worden. Ze moeten dus niet plaatsvinden nádat de
professionals een plan hebben gemaakt, maar vóórdat. Ik vraag hier
nogmaals aandacht van de staatssecretaris voor en wil graag weten wat
hij van plan is om dit te realiseren. De wet moet simpelweg worden
uitgevoerd.
Daarnaast vraag ik de staatssecretaris om de toezegging dat gemeenten
worden gewezen op hun taak om jongeren en ouders te betrekken bij hun
beleid en de uitvoering. Zouden we de medezeggenschap in de jeugdhulp
via de Wmcz niet gelijk kunnen trekken met de medezeggenschap in de Wlz
en de Zorgverzekeringswet?
Ten slotte zou ik opnieuw aandacht willen vragen voor de groep van
jongeren in de jeugdzorg die 18 worden. Jaarlijks gaat dat om zo'n 6.000
kinderen. Heel veel kinderen in Nederland kunnen zelf beslissen of ze na
hun 18de op zichzelf gaan wonen of bij hun ouders blijven wonen. In de
jeugdzorg is dat niet het geval. 18 is de deadline en daarna sta je op
straat. De staatssecretaris gaf tijdens het laatste algemeen overleg aan
dat hij hiermee aan de slag zou gaan. Tot mijn verontrusting lees ik
echter dat hij alleen een werkconferentie wil organiseren. Ik vind het
niet verantwoord om langer af te wachten; er meer moet gebeuren dan
alleen een werkconferentie. Ik stel voor om voor alle jongeren een
risicotaxatie te maken. Daarnaast zouden alle jongeren zelf, met hun
eigen netwerk, een actieplan moeten maken, waarin huisvesting, financiën
en scholing zijn opgenomen. Zo maak je het ook een plan van de jongeren
zelf. Door de hulpverleners wordt er een risicotaxatie gemaakt of dit
plan voldoende is. Ik weet dat dit soms al gebeurt, maar ik wil zeker
weten dat alle jongeren goed worden begeleid op het moment dat ze 18
jaar worden. Het moet bekend zijn of jongeren na hun 18de verjaardag in
een veilige situatie terechtkomen en of zij voldoende zelfredzaam zijn.
Net zoals bij collega Keijzer huilt ook mijn hart als ik hoor over
kinderen met een verstandelijke beperking die in de prostitutie
terechtkomen. Dat is verschrikkelijk. Het moet bekend zijn of er een
risico is. En als er sprake is van een risico, moeten de hulpverleners
er op tijd voor zorgen dat de hulp wordt voortgezet, ook in de Wmo. Dat
kan, en er zijn gelukkig ook al gemeenten die een geïntegreerde Wmo- en
jeugdhulpverordening hebben. Dat kan bijdragen aan oplossingen.
De heer Voordewind (ChristenUnie):
Ik heb nog even een vraag over de Eigen Kracht-conferentie. Mevrouw Ypma
en ik hebben daar verschillende keren contact over gehad. We weten dat
die organisatie bijna op omvallen staat. De organisatie heeft echter
unieke expertise en ook een landelijk dekkend netwerk. Een en ander is
ook verankerd in de wet. De vraag is op welke wijze we de expertise in
stand kunnen houden. Daartoe hebben we ook een amendement ingediend; de
heer Van der Staaij heeft daarin het voortouw genomen. Hoe staat de
Partij van de Arbeid tegenover een mogelijke overbruggingsfinanciering
om de Eigen Kracht-conferentie en de expertise daarbinnen op de been te
houden?
Mevrouw Ypma (PvdA):
De Partij van de Arbeid is groot voorstander van de expertise die tot nu
toe is opgedaan bij de Eigen Kracht Centrale. Ik heb dat ook regelmatig
uitgedragen. We gaan hier echter niet over het overeind houden van
instellingen. Ik heb daar ook wel moeite mee. De Transitie Autoriteit
Jeugd (TAJ) is wat mij betreft de aangewezen organisatie om naar deze
organisatie te kijken, afwegingen te maken en, zo nodig, de financiële
middelen uit te trekken om er zo voor te zorgen dat de Eigen
Kracht-conferentie niet omvalt.
De heer Voordewind (ChristenUnie):
Die route is bewandeld door de Eigen Kracht-conferentie. Men is bij de
TAJ geweest en die heeft weer doorverwezen naar het ministerie. Vandaar
dat het nu weer hier op ons bordje ligt. Je kunt echter niet blijven
doorverwijzen. Het ministerie legt het immers weer terug bij de
gemeenten en zo is het kringetje weer rond. Als we echt wat willen doen
aan die unieke informatie- en deskundigheidspositie van de Eigen
Kracht-conferentie, zullen we toch een overbruggingsfinanciering moeten
organiseren, al is het maar tijdelijk, bijvoorbeeld voor een jaar.
Tegelijkertijd moeten we de tijd nemen om die organisatie goed tussen de
oren van de gemeenten te krijgen.
Mevrouw Ypma (PvdA):
Voor dat laatste heb ik ook regelmatig gepleit. De VNG heeft een aantal
handleidingen, maar die moet je wel op de juiste manier beschrijven. Ik
blijf echter bij mijn punt dat we niet voor niets een Transitie
Autoriteit Jeugd hebben opgericht. Daar zit een behoorlijke smak geld.
De TAJ weegt af of en zorgt ervoor dat een instelling die specifieke
expertise heeft, overeind blijft. Dat is de plek waar de Eigen
Kracht-conferentie terecht moet.
Mevrouw Voortman (GroenLinks):
Mevrouw Ypma heeft veel spreektijd omdat zij lid is van een grote
fractie; dat is haar geluk. Wat ik echter nog miste in haar bijdrage, is
een verhaal over de positie van kinderen van asielzoekers en
ongedocumenteerde kinderen. Zij hebben door een uitzondering in de
Jeugdwet maar recht op maximaal een halfjaar zorg. Zij zou ook nog wel
wat kunnen melden over kinderen in de noodopvang en crisisopvang in
Nederland. Wil mevrouw Ypma daar dus nog even op ingaan?
Mevrouw Ypma (PvdA):
Ik zie dat er in de crisisopvang en noodopvang wel wordt gezorgd voor
die kinderen; er wordt onderdak geboden en er wordt structuur geboden,
maar geen echte hulp. Dat leidt ertoe dat er niet echt wordt gewerkt aan
doelen. Er bestaan dan ook veel problemen in die crisis- en noodopvang.
Het is zaak dat kinderen zo snel mogelijk in een opvang terechtkomen,
het liefst in een gezinsopvang. Daarvoor heb ik al regelmatig gepleit en
daarvoor heb ik ook het amendement over het in huis plaatsen ingediend,
zodat zo veel mogelijk kinderen in de liefdevolle omgeving van een
pleeggezin of een gezinshuis terechtkomen. Dat geldt eigenlijk voor alle
kinderen, zowel voor kinderen die nu in de jeugdzorg zitten, als voor
kinderen met een asielachtergrond.
Mevrouw Voortman (GroenLinks):
We kennen allemaal de voorbeelden van kinderen die van azc naar azc zijn
verhuisd. Er zijn op dit moment kinderen in de crisisopvang die al op
vijf verschillende plekken zijn geweest. Ik neem aan dat de PvdA ook
vindt dat daar snel verandering in moet komen. Ik had daarnaast ook een
vraag gesteld over de positie van asielzoekerskinderen en
ongedocumenteerde kinderen in de Jeugdwet. Door een uitzondering op de
wet kunnen deze kinderen maar maximaal een halfjaar zorg krijgen. Het
idee daarachter is dat je de uitzetting zou bemoeilijken als kinderen
meer zorg zouden krijgen. Wat vindt de PvdA daar nou van?
Mevrouw Ypma (PvdA):
Ik denk niet dat je een wet die we net hebben aangenomen, moet
veranderen. Dat had mevrouw Voortman kunnen veranderen toen we de
wetsbehandeling …
Mevrouw Voortman (GroenLinks):
Daar heeft de fractie van GroenLinks toen een voorstel voor gedaan.
Mevrouw Ypma (PvdA):
Dat is toen niet gelukt, is mijn constatering. Kinderen die zorg nodig
hebben, moeten die zorg ook krijgen, ook kinderen met een
asielachtergrond. Daarom hebben we dat ook geregeld in de Jeugdwet. Als
blijkt dat kinderen langer dan een halfjaar zorg nodig hebben, moet je
daar volgens mij met maatwerk naar kijken. Kinderen mogen nooit tussen
wal en schip vallen. Het kan niet zo zijn dat kinderen die na een
halfjaar nog niet uitbehandeld zijn, zomaar aan de kant worden
gezet.
De voorzitter:
Mevrouw Ypma, daarmee komt er een einde aan uw termijn. U hebt nog ruim
vierenhalve minuut over voor de tweede termijn. Het woord is aan mevrouw
Bergkamp.
Mevrouw Bergkamp (D66):
Voorzitter. Er wordt keihard gewerkt door professionals, wijkteams en
gemeenten aan de decentralisatie van de jeugdzorg. Wat blijkt? Als wij
kijken naar huidige cliënten, zien we dat er veel goed gaat. De
decentralisatie van de jeugdzorg gaat echter niet zonder horten of
stoten. Ik ben realistisch. Een optimale situatie was natuurlijk niet
meteen te verwachten en voor de decentralisatie was de situatie ook niet
optimaal. Kinderen mogen echter nooit de dupe worden van deze hobbels en
obstakels. Daarom vindt de fractie van D66 dat de staatssecretaris op
een aantal onderwerpen meer de regie moet voeren.
Ik wil een aantal onderwerpen behandelen. Allereerst sluit ik mij aan
bij de opmerkingen van mevrouw Van der Burg over waarheidsvinding.
Privacy is voor ons een belangrijk onderwerp. Het is nogal wat, hoe er
in een aantal gemeenten met dossiers wordt omgegaan. Soms vragen
wethouders aan ouders hoe het nu met hun kind gaat, omdat zij in het
dossier hebben gelezen dat het niet zo goed ging. Er zijn meerdere
waarschuwingen van de monitor van de Kinderombudsman over
rondslingerende privacygevoelige dossiers. Sinds gisteren is daar nog
bijgekomen dat gemeenten dossiers gerust via de mail of de post naar
elkaar toesturen.
Daarnaast bereiken mij ook verontrustende signalen dat dossiers worden
ingezet als wapen tegen ouders om hen tot een andere of goedkopere
behandeling te dwingen. Ambtenaren zitten daarmee op de stoel van de
professionals en dat is in strijd met de wet. De fractie van D66 pleit
daarom voor een strikte omgang met dossiers. Alleen bevoegde
functionarissen mogen inzage hebben. Mijn fractie wil nu echt actie op
dit punt. We zijn hier al twee jaar mee bezig. We hebben geprobeerd de
staatssecretaris onder druk te zetten met allerlei moties en vragen,
maar het is nog niet opgelost. We wachten op de veegwet, die per 1
januari 2016 zou ingaan. Dat gaat echter niet lukken. Dit zorgt ook voor
onduidelijkheid bij gemeenten. Graag krijg ik een reactie op dit
wetgevingstraject. Voor de uitvoering, de praktijk, wil de fractie van
D66 themagericht toezicht om de privacy- en informatiebeveiliging bij
gemeenten zo spoedig mogelijk door de inspectie te laten uitvoeren.
Graag krijg ik op dit punt een toezegging.
De fractie van D66 wil dat voor iedereen helder is hoe er wordt omgegaan
met de privacy van dossiers om te voorkomen dat de kinderen van nu
straks achtervolgd worden door hun dossiers. Waar liggen de dossiers
eigenlijk? Welke gegevens worden waar opgeslagen en belangrijker nog:
met welk doel? Dit zou bijvoorbeeld op de site van iedere gemeente
moeten staan. Deze informatievoorziening ontbreekt op dit moment. Dat
moet anders.
Ook zou standaard iedere jeugdhulpverlener aan cliënten een
informatiebrochure over de bewaartermijn van dossiers verstrekken. Die
toezegging heeft de staatssecretaris eerder gedaan. Hoe staat het met
deze informatiebrochure?
Ik kom op de verwijsindex risicojongeren. We kunnen vaststellen dat deze
in de praktijk onvoldoende werkt. Er is ook een registratie via Veilig
Thuis. In hoeverre sluiten deze systemen op elkaar aan? Versterken zij
elkaar of zorgen zij juist voor een versnippering van gegevens? Graag
krijg ik hierop een reactie.
Ik kom te spreken over Veilig Thuis. D66 wil dat Veilig Thuis als hét
vertrouwenspunt gaat werken, of zoals de Kinderombudsman en Augeo
Foundation aangaven: Veilig Thuis moet meer ingericht worden als radar.
Hiervoor moet wel een aantal zaken op orde komen. Er zijn wachtlijsten.
Die moeten verdwijnen. Er moet voldoende capaciteit zijn bij de
vertrouwensartsen. Ook moet de registratie verbeterd worden om de
versnippering en verspreiding van gegevens tegen te gaan en om signalen
sneller op te kunnen pakken. Om dit te bereiken, moet ook de
informatiepositie van Veilig Thuis versterkt worden. Maar dat is lastig
met 5 nieuwe ICT-systemen in 26 organisaties. Ik hoor hierop graag een
reactie.
Alleen deze bijna obsessie op melding of plicht is natuurlijk
onvoldoende. Professionals moeten beter worden opgeleid. En wat gebeurt
er na een melding? Ik denk dat dat veel belangrijker is. Kinderen en
ouders moeten voldoende ondersteuning en hulp krijgen. De
Kinderombudsman en Augeo doen een aantal suggesties om de werking van de
huidige meldcode te verbeteren. D66 hoopt dat de staatssecretaris deze
aanbevelingen overneemt in zijn brief daarover, die in november aan de
Kamer gestuurd wordt. Ik hoor graag een toezegging op dit punt.
Als je eenmaal te horen hebt gekregen dat je eigen kind psychologische
hulp nodig heeft, wil je niet op een wachtlijst van 26 weken staan. Je
wilt via de gemeente goede zorg krijgen. Maar daar knelt het nu. Er is
onvoldoende zorg ingekocht of er is niet de juiste zorg ingekocht. D66
heeft altijd ernstige bedenkingen gehad tegen de overheveling van de
jeugd-ggz naar de gemeenten. We zien ook dat ze daar nu met de brokken
zitten. D66 wil dat de jeugd-ggz van deze staatssecretaris meer aandacht
krijgt. Ouders en kinderen moeten niet de dupe worden van getouwtrek
tussen gemeenten en instellingen. Daarnaast moeten ouders ook niet
gedwongen worden om de zorg zelf in te kopen. Er mag geen tweedeling
ontstaan tussen ouders die het wel en niet kunnen betalen.
Mevrouw Van der Burg (VVD):
We weten natuurlijk hoe D66 daarin stond en toch heeft ingestemd met de
Jeugdwet. Mijn vraag gaat echter over iets anders. Mevrouw Bergkamp zegt
dat er te weinig is ingekocht. We hebben juist in de wet geregeld dat de
huisarts, de jeugdarts en de kinderarts onafhankelijk kunnen
doorverwijzen. Nu blijkt dat één van de zorgpunten is dat er heel veel
wordt doorverwezen naar de jeugd-ggz. Sterker nog, de jeugd-ggz zegt
zelf soms ook dat men gevallen krijgt die daar helemaal niet thuishoren.
Dat is een probleem, aldus de jeugd-ggz. Vraagt D66 daar dan ook
aandacht voor? Dat zou immers al enorm helpen bij het ervoor zorgen dat
het systeem niet verstopt raakt. Ik heb daar tijdens het vorige algemeen
overleg aandacht voor gevraagd. Zou D66 mij daarin willen steunen?
Mevrouw Bergkamp (D66):
D66 heeft ingestemd met de Jeugdwet, maar heeft een amendement ingediend
tegen de overheveling van de jeugd-ggz. Daar waren we dus tegen en daar
staan we nog steeds achter. Mevrouw Van der Burg geeft aan dat er vaker
wordt doorverwezen. Dan denk ik dat we dat goed hebben geregeld in de
wet. Via de huisarts mag je doorverwijzen. Ik krijg de signalen die
mevrouw Van der Burg noemt, ook. Ik krijg echter ook signalen dat ouders
zelf de kosten betalen voor de behandeling van hun kind, omdat ze de
behandeling niet vergoed krijgen, omdat ze de specialistische
behandeling niet via de gemeente en hun professional kunnen inkopen en
vergoed krijgen. Dat zijn zorgwekkende signalen. Ik vraag de
staatssecretaris om daar een reactie op te geven.
Mevrouw Van der Burg (VVD):
Dat laatste is natuurlijk terecht. Er kan gewoon doorverwezen worden,
dus er moet ook betaald worden. Dat hebben we zo ook geregeld. Ik wijs
op mijn eerste punt: dat er zo veel gevallen doorverwezen worden dat
zelfs de ggz zelf aangeeft dat er daardoor tijd verloren gaat aan
kinderen die er eigenlijk niet thuishoren. Vraagt D66 ook aan de
staatssecretaris om daar met de branche over in gesprek te gaan, net
zoals ik dat tijdens het vorige algemeen overleg heb gedaan? Ik denk dat
dat in het belang is van de kinderen die jeugd-ggz nodig hebben.
Mevrouw Bergkamp (D66):
Ik deel met mevrouw Van der Burg dat de doorverwijzingen natuurlijk goed
moeten gaan. Ik ga ervan uit dat huisartsen en wijkteams goed
doorverwijzen. Als dat niet het geval is, moeten we daar natuurlijk goed
naar kijken. Het systeem is er natuurlijk op gericht dat kinderen de
juiste hulp moeten krijgen.
Ik vervolg mijn betoog met een aantal opmerkingen over autisme. Naast de
algemene jeugd-ggz maak ik me specifiek zorgen over jongeren met
autisme. Gemeenten zouden te weinig gebruikmaken van de specialistische
kennis binnen de ggz en daar als eerste op bezuinigen. Herkent de
staatssecretaris deze signalen? Als dat zo is, kan hij deze dan
bespreken met de gemeenten?
Bij toezicht op basis van de Jeugdwet treden inspecties van de
jeugdzorg, de gezondheidszorg en Veiligheid en Justitie samen op. Maar
instellingen die jongeren op basis van een pgb opvangen, vallen buiten
het blikveld van deze inspecties. Mocht er een vermeend misverstand
zijn, dan kan de IGZ worden ingeschakeld. D66 pleit ervoor dat de
Inspectie Jeugdzorg gevraagd en ongevraagd, aangekondigd en
onaangekondigd, inspecties kan uitvoeren daar waar er zorg aan kinderen
en/of jongeren wordt verleend die wordt gefinancierd via een pgb.
Mevrouw Kooiman van de SP vroeg hier ook al aandacht voor, mede naar
aanleiding van de zorgboerderij die in het nieuws kwam. D66 maakt zich
ook zorgen in bredere zin. Graag een reactie daarop.
Over het budget het volgende. Er is nog steeds discussie over de
zogenaamde objectieve verdeelmodellen. Graag een reactie daarop.
Dan kom ik te spreken over de ouderbijdrage. Veel ouders zullen blij
zijn dat er geen ouderbijdrage meer is en dat dit nu geregeld is.
Begrijp ik echter goed dat ouders die in 2015 een ouderbijdrage hebben
betaald, deze niet terugkrijgen en andere deze alsnog moeten betalen? Is
dat niet oneerlijk? Vanwege het onderzoek op verzoek van de PvdA heeft
een en ander een jaar geduurd. Dan kan de rekening toch niet bij de
ouders worden gelegd?
Een prangende kwestie op dit moment is het vluchtelingenvraagstuk. In
een interruptie van GroenLinks werd daar terecht al een vraag over
gesteld. Mannen, vrouwen en kinderen vluchten uit gebieden die
letterlijk in brand staan. We konden een paar weken geleden in de krant
lezen dat de rechten van asielzoekerskinderen geschonden worden. Het COA
wordt overspoeld door aantallen waar het zichtbaar mee worstelt. Ik wil
daarom op deze plek specifiek aandacht vragen voor goede zorg voor deze
kwetsbare kinderen. Deze mogen we niet in de chaos en drukte uit het oog
verliezen. Ik vraag de staatssecretaris of we deze kinderen scherp
genoeg in het vizier hebben. Is er voldoende psychische hulp
gewaarborgd? Kan de staatssecretaris erop toezien dat kinderen zo min
mogelijk verhuisd worden en dus niet van crisisopvang naar crisisopvang
gesleept worden? Heeft de staatssecretaris van VWS eigenlijk een plan
hiervoor? Zo ja, wil hij dit plan dan naar de Kamer sturen?
Mevrouw Kooiman (SP):
Ik vind het erg goed dat mevrouw Bergkamp aandacht besteed, net als
mevrouw Voortman dat al in een interruptie deed, aan de vluchtelingen.
Ik had daar helaas in mijn termijn geen tijd voor, omdat de fractie van
de SP wat kleiner is. Een aantal EMDR-therapeuten in Nederland heeft
aangeboden, traumatherapie te geven aan vluchtelingenkinderen. Daar
hebben zij echter wel een zetje voor nodig van de staatssecretaris. Is
mevrouw Bergkamp van mening dat we de staatssecretaris daartoe moeten
oproepen, om ervoor te zorgen dat kinderen die een trauma hebben
opgelopen in staat worden gesteld om die behandeling te krijgen?
Mevrouw Bergkamp (D66):
Ik vind dit een mooie oproep van mevrouw Kooiman. Mijn vraag aan de
staatssecretaris was of er een plan is en om dat dan naar de Kamer te
sturen. Traumaopvang hoort natuurlijk in zo'n plan te zitten, dat is een
terecht punt.
Voorzitter. Ik heb een vraag aan de staatssecretaris over het punt dat
jongeren steeds vaker zonder machtiging van de kinderrechter worden
opgenomen in gesloten jeugdhulpinstellingen. Inspectie Jeugdzorg,
Defence for Children en ook ouderorganisaties hebben daar aandacht voor
gevraagd. Dergelijke opname zonder machtiging is in strijd met nationaal
en internationaalrecht en onaanvaardbaar wat D66 betreft. De
staatssecretaris heeft eerder toegezegd, met instellingen in gesprek te
gaan. Ik ben heel benieuwd wat die gesprekken hebben opgeleverd.
Tot slot. Alle partijen moeten nog hard werken om de kwaliteit en
toegankelijkheid van de zorg te realiseren. De staatssecretaris is, hoe
je het ook wendt of keert, de stelselverantwoordelijke en moet de regie
oppakken op een aantal van de thema's die ik net heb besproken. Ik hoop
dat we daar niet om hoeven blijven vragen. Ik noem in dit kader de
privacy. Het recente rapport van de Kinderombudsman loog er niet om; er
is nog een grote verbeterslag noodzakelijk. Geef gemeenten de ruimte,
maar biedt ze ook een helpende hand en ondersteun ze.
De voorzitter:
Dank u wel. U hebt nog bijna vier minuten voor uw tweede termijn, maar
eerst komt er nog een vraag van mevrouw Van der Burg.
Mevrouw Van der Burg (VVD):
Mevrouw Bergkamp vraag terecht aandacht voor privacy. Ik heb dat in mijn
bijdrage ook gedaan, hoewel in iets andere bewoordingen. Volgens mij zei
de Kinderombudsman tegen ons dat het kader voor de gemeenten nog wat
helderder moet worden. Vraagt mevrouw Bergkamp ook aan de
staatssecretaris om daar met de VNG over in gesprek te gaan?
Mevrouw Bergkamp (D66):
Dat is een terechte vraag. Ik vraag eigenlijk twee dingen. Wij moeten de
veegwet snel behandelen — dat is het wettelijke kader — en er moet een
duidelijk uitvoeringskader zijn voor de gemeenten, want die worstelen.
Er is veel onduidelijkheid. Er zijn ook verschillen tussen gemeenten,
dus het antwoord op de vraag is ja.
Mevrouw Van der Burg (VVD):
Dank u wel voor deze duidelijke beantwoording. Ik ben het ermee eens dat
de veegwet zo snel mogelijk moet worden behandeld, zodat het netjes is
geregeld. Dank voor het bevestigende antwoord over het kader.
De heer Voordewind (ChristenUnie):
Voorzitter. Het is goed dat wij alle rapportages hier weer bespreken,
als het gaat om de decentralisatie van de jeugdzorg. Uit die vele
rapportages, ook van de cliëntenorganisaties, blijkt dat er op zich
goede voortgang wordt gemaakt. Er zijn nog steeds zorgen en de fractie
van de ChristenUnie deelt die, maar het gaat wel de goede kant op. Wij
moeten nog steeds de pijnpunten goed adresseren. Ik noem de wachtlijsten
bij de doorverwijzing. Er is nog steeds onduidelijkheid over de toegang.
Ik heb de afgelopen weken een paar werkbezoeken afgelegd. Die geluiden
kwamen daar terug. Het is ook een wens van bepaalde gemeenten om op een
gegeven moment de toegang te verschuiven van de huisarts naar de
gemeente zelf, omdat je daar een integrale afweging kunt maken en ook de
specialistische hulp kunt organiseren. Ik ben benieuwd of de
staatssecretaris een bepaalde voorkeur heeft of een bepaalde trend ziet,
als het gaat om de doorverwijzing, die nu nog veelal via de huisarts
plaatsvindt. Zou dat niet meer richting de gemeenten zelf moeten, hetzij
via de wijkteams, hetzij via de CJG's? Ik ben benieuwd wat hij daarvan
vindt.
Je komt dan ook weer de zorgpunten tegen als het gaat om het nieuwe
objectieve verdeelmodel. Ik heb er eerder voor gepleit om een zachtere
landing te organiseren als het gaat om de financiering. Laten wij
daarvoor 2016-2017 nemen. Dat zou een verlichting kunnen betekenen voor
gemeenten zoals Lelystad, waar er echt miljoenen uit gaan vallen. Ik
weet niet hoe de staatssecretaris daarin zit. Het kost natuurlijk geld,
maar je vertraagt de invoering. Anders zullen wij in de Kamer moeten
bekijken of wij de staatssecretaris daartoe kunnen bewegen. De
brandbrief van de 234 gemeenten geeft ook aan dat er zorgen zijn over de
financiën.
Ik had het net over de toegang. Er is bij de huisarts soms nog te weinig
bekend over de doorverwijzing en ook over de gemeentelijke toegang. Zou
de staatssecretaris de VNG, jeugdzorgverleners en de
huisartsenvereniging erop kunnen wijzen dat er een integrale afweging
kan plaatsvinden bij de huisartsen?
Ik ben blij dat de eigen bijdrage is afgeschaft. Complimenten aan de
staatssecretaris dat hij ook op dit punt heeft doorgepakt nadat hij dat
onderzoek heeft uitgevoerd. Hij zorgt voor een dekking voor die 26
miljoen. Het is goed dat dit is geregeld. Ik had vrijdagochtend nog een
amendement ingediend voor die 26 miljoen en ik werd vrijdagmiddag heel
snel bediend. Dat heeft natuurlijk niets met elkaar te maken, maar ik
ben wel blij dat het zo snel voor dit debat is geregeld. Ik zal — dat
moet ik hier melden — dan ook het amendement intrekken.
Mevrouw Bergkamp (D66):
Ik heb inderdaad het amendement van de ChristenUnie gelezen over de
dekking voor de ouderbijdrage, hoewel wij volgens mij wisten dat de
staatssecretaris zou komen. Is het niet interessant om te bekijken of
het amendement van de heer Voordewind kan worden gebruikt voor de
dekking voor 2015? Is het niet handig om het amendement daarvoor om te
vormen? Dan slaan wij twee vliegen in één klap.
De heer Voordewind (ChristenUnie):
Als de staatssecretaris daarover wil meedenken en het amendement zelfs
kan worden ondersteund door het kabinet, dan zou het amendement nog in
stemming kunnen komen als wij overeenstemming hebben over de dekking. Ik
krijg graag een reactie van de staatssecretaris op de dekking die wij
hebben aangeboden.
Mevrouw Bergkamp (D66):
Volgens mij groeit er hier iets moois. Wij wachten de reactie af.
De voorzitter:
Mijnheer Voordewind, u zei net dat u het amendement ging intrekken. Is
dat het geval?
De heer Voordewind (ChristenUnie):
Ik wacht nog even met intrekken totdat ik een reactie van de
staatssecretaris heb gekregen. Ik dank mevrouw Bergkamp voor haar
suggestie.
De voorzitter:
Dat is dan voor de statistieken.
Het spijt me dat ik uw betoog moet onderbreken, mijnheer Voordewind,
maar ik heb een punt van orde. Er wordt zo in de Statenpassage een
moment van stilte in acht genomen om gezamenlijk stil te staan bij de
verschrikkingen in Parijs. Het lijkt mij goed om iedereen de gelegenheid
te geven om daarnaartoe te gaan. Ik verzoek iedereen om na afloop hier
weer terug te komen, zodat wij de vergadering kunnen hervatten. Ik
schors de vergadering nu voor een moment van herdenking.
De vergadering wordt van 11.53 uur tot 12.07 uur geschorst.
De voorzitter:
We gaan verder met de eerste termijn van de Kamer. Ik geef het woord aan
de heer Voordewind om verder te gaan met zijn betoog.
De heer Voordewind (ChristenUnie):
Voorzitter. Ik heb nog een aantal opmerkingen. De eerste betreft de
Eigen Kracht Centrale. Tijdens een interruptiedebatje met mevrouw Ypma
hebben we het daar al even over gehad. Ik vraag de staatssecretaris door
middel van een amendement dat inmiddels is rondgegaan, om toch te kijken
naar het behoud van de expertise van de Eigen Kracht Centrale, omdat die
toch een heel unieke functie heeft in het hele aanbod met betrekking tot
het familiegroepsplan. Ik krijg graag een reactie van de
staatssecretaris daarop.
Alcoholpreventie is een onderwerp waarover we eerder veel gesproken
hebben in de Kamer. Het aantal ziekenhuisopnames door overmatig
alcoholgebruik onder jongeren blijft stijgen. Gemeenten dragen zorg voor
de preventie van alcoholmisbruik, maar de staatssecretaris heeft daar
wel een campagne op losgelaten, namelijk de NIX-campagne. Die campagne
ging voornamelijk over de leeftijd. Komt er nog een campagne om te
waarschuwen voor de schadelijke gevolgen van alcoholgebruik door
jongeren? Dat is mijn vraag aan de staatssecretaris. Ik heb daar ook een
amendement over ingediend, aangezet door de Nationale Drug Monitor 2015
waarin staat dat de plannen van gemeenten op dit moment matig zijn. Nu
zou je kunnen zeggen dat de gemeenten met stevigere plannen moeten
komen, maar ik vraag de staatssecretaris ook of we de schadelijke
gevolgen van alcoholgebruik door jongeren door middel van rijksbrede
voorlichting onder de aandacht kunnen brengen.
Ik kom op vechtscheidingen. Ook dat is een onderwerp waarover we eerder
hebben gedebatteerd. Meestal is de staatssecretaris van Justitie
aanwezig als wij het daarover hebben. Er is steeds meer aandacht voor,
ook omdat de laatste onderzoeksgegevens de indruk wekken dat het aantal
vechtscheidingen toeneemt. Voorheen gingen we er altijd van uit dat 10%
van het totaal aantal echtscheidingen vechtscheidingen zijn. Inmiddels
zou het gaan om 20% of 25%. In het tv-programma Arena van afgelopen
woensdag zei een echtscheidingsadvocaat dat het zelfs om 50% gaat. Dat
zijn wel zorgwekkende aantallen. Eerder is het voorstel gedaan om tot
verplichte mediation te komen. Het WODC heeft daar ook onderzoek naar
gedaan, maar het kan niet tot een eenduidige conclusie komen. Het vindt
wel dat er een pilot moet worden georganiseerd met betrekking tot het
voorstel voor een bijzondere curator. Ik zou de staatssecretaris dit
punt toch willen meegeven. Zouden we een soort pilot kunnen organiseren
om te bezien of de route van verplichte mediation bij vechtscheidingen,
kinderen zou kunnen helpen in een dergelijke belabberde situatie? Ik heb
ook voorgesteld om relatietherapie terug te brengen in het basispakket
van de zorg. Het kabinet-Rutte I heeft die eruit gehaald. Die zou ook
nog kunnen werken aan de preventieve kant, bij het voorkomen van
echtscheidingen. Daarnaast heb ik voorgesteld om bij de zwangerschapsgym
niet alleen aandacht te besteden aan de techniek van de bevalling, maar
ook aan het ouderschap en de vraag wat het betekent om ouder te worden.
Uit de laatste cijfers blijkt dat 83% van de ouders in een serieuze
relatiecrisis komt na de geboorte van het eerste kind.
De cijfers ten aanzien van kindermishandeling zijn schrikbarend. Het
gaat om 119.000 gevallen per jaar. De commissie-De Winter heeft nu al
meer dan 70 meldingen met betrekking tot kindermisbruik ontvangen. Er is
dus alle aanleiding om daar goed naar te kijken. Daarbij moet ook worden
gekeken naar de registratieplicht die de Partij van de Arbeid
voorstelde. Ik wil graag gedegen onderzoek naar de kansen en
mogelijkheden van registreren bij Veilig Thuis om te kunnen bepalen of
dat een route is die we moeten gaan. Ik zou graag willen dat de
staatssecretaris de Kamer daarover informeert voordat wij stappen nemen
om in de meldcode, die we nog maar tweeënhalf jaar hebben, veranderingen
aan te brengen.
Ik steun het pleidooi van collega Voortman dat asielkinderen niet minder
zorg moeten krijgen dan reguliere kinderen in Nederland, met name als
het gaat om traumabehandelingen. Kan de staatssecretaris toezeggen dat
de zorg voor die kwetsbare kinderen in moeilijke omstandigheden
gegarandeerd blijft?
De voorzitter:
Dank u wel. U hebt nog één minuut spreektijd over voor uw tweede
termijn. Het woord is aan mevrouw Voortman.
Mevrouw Voortman (GroenLinks):
Voorzitter. Ik ben geschrokken van de verschillende verhalen over de
positie van kinderen met een zorgvraag in Nederland. Het gaat om
kinderen die kwetsbaar zijn en de dupe worden van de bezuinigingen op de
jeugdzorg. Het kostenplaatje staat vaker centraal dan het kind zelf,
terwijl toch juist het belang van het kind voorop zou moeten
staan.
Uit het rapport van de Kinderombudsman komt naar voren dat in veel
gemeenten de ambtenaar op de stoel van de zorgverlener gaat zitten.
Hierdoor wordt er niet altijd gekozen voor het jeugdzorgtraject dat het
beste is voor het kind, maar voor het traject dat het beste past binnen
het krappe gemeentebudget. Het financiële belang van de gemeente wordt
boven de zorgbehoefte van het kind geplaatst. Zo noemde de
Kinderombudsman het voorbeeld van een jongen met psychische problemen
die wordt neergezet als een lastige puber omdat de gemeente in conflict
met de zorgverlener en de ouders is geraakt over het juiste zorgtraject.
De kostenbesparing op het zorgtraject van de jongen wordt boven het
advies van de zorgverlener, de wens van de ouders en de hulpvraag van de
jongen geplaatst, terwijl de ontwikkeling van het kind juist zo
belangrijk is en eventuele schade onomkeerbaar is.
Gemeenten geven nu al aan de opeenstapeling van kortingen niet meer aan
te kunnen en zeggen dit terug te zien in de jeugdzorg. Desalniettemin
lopen de bezuinigingen ook volgend jaar weer op. Verder bezuinigen
beperkt de jeugdzorg juist nog meer, waardoor kwetsbare kinderen het
slachtoffer worden van kostenbesparingen. Met toekenningen van jeugdzorg
moeten gemeenten het belang van goede jeugdzorg boven het
organisatiebelang zetten. Door de plafondafspraken van de gemeenten met
de zorgverlener ontstaan er wachtlijsten als er te weinig behandelingen
zijn ingekocht. Gemeenten trekken nu aan de bel omdat het
jeugdzorgbudget op is. Wat gaat de staatssecretaris doen om
ontoereikende budgetten te voorkomen?
De staatssecretaris stelt dat het aan de gemeenten is om een oplossing
te vinden voor het verkorten van de wachtlijsten. Ziet hij echter ook
dat de bezuinigingen een oorzaak zijn van een nieuw soort wachtlijst?
Door getreuzel van gemeenten die vanuit kostenbesparingen de zorg
bepalen, nemen ouders het heft in eigen hand en kiezen zij voor duurdere
behandelingen buiten de gemeentelijke jeugdzorg om. Hierdoor ontstaat er
een wachtlijst bij praktijken die slechts een deel van de ouders kan
betalen. De kloof tussen arm en rijk gaat op deze manier een rol spelen,
terwijl toch elk kind gelijke toegang tot zorg zou moeten hebben. Hoe
ziet de staatssecretaris deze tweedeling in de jeugdzorg?
Wat betreft privacy kan ik me aansluiten bij SP en D66.
Er zijn in Nederland kwetsbare jongeren die tussen regelingen in vallen.
Denk bijvoorbeeld aan de KOPP-kinderen, kinderen van ouders met
psychische en/of verslavingsproblemen. Deze kinderen krijgen amper de
ruimte om kind te zijn, omdat zij vaak vanaf jonge leeftijd al voor een
of meerdere ouders moeten zorgen. Ze lopen een verhoogd risico op
verwaarlozing, mishandeling en misbruik. Wie zorgt er voor deze
kinderen? Het beperkte budget van gemeenten gaat vaak eerst naar de
urgente jeugdzorg en pas later naar deze vorm van preventieve zorg.
Bovendien is jeugdzorg veelal door middel van arrangementen regionaal
ingekocht. Deze kinderen hebben echter juist behoefte aan een
persoonlijke en lokale aanpak. Is de staatssecretaris bereid om de zorg
van KOPP-kinderen in kaart te brengen en te monitoren?
Kinderen van gescheiden ouders hebben het vaak al zwaar, maar in de
huidige situatie wordt hun positie nog verder afgezwakt. Uit het
onderzoek van de Kinderombudsman blijkt dat het woonplaatsbeginsel
regelmatig een discussiepunt is tussen gemeenten onderling,
hulpverleners en ouders. Stel je voor dat een kind met gescheiden ouders
een eetstoornis heeft en hiervoor de juiste hulp zoekt. In plaats van
direct te zoeken naar de beste zorg en ondersteuning ruziën gemeenten
over wie er voor de kosten op moet draaien. In afwachting van hulp zwakt
het kind intussen verder af, waardoor er vervolgens een acute opname
moet plaatsvinden. Dit kan en mag in Nederland niet gebeuren. De zorg
voor het kind moet de eerste prioriteit zijn, niet de verdeling van de
rekening. Ook de kinderen die tussen wal en schip vallen, moeten worden
opgevangen met de meest geschikte zorg. Er moeten richtlijnen komen die
ervoor zorgen dat er bij gemeenten meer duidelijkheid is over de
rafelranden van de Jeugdwet en de problemen die hieruit voortkomen. De
problemen met het woonplaatsbeginsel moeten dus uniform worden opgelost
door middel van heldere richtlijnen. Kan de staatssecretaris aangeven
hoe hij de problemen met het woonplaatsbeginsel ziet en wat hij van plan
is om hieraan te doen?
Kinderen moeten beschermd worden, ongeacht hun verblijfsstatus.
Jeugdzorg moet beschikbaar zijn voor alle kinderen die in Nederland
verblijven, ook voor kinderen die gevlucht zijn voor oorlog en armoede,
voor kinderen van wie de vader of moeder voor hun ogen is vermoord, en
ook voor kinderen die een lange tocht hebben moeten maken om in
Nederland aan te komen. Juist die kinderen hebben directe zorg en
aandacht nodig om trauma's te verwerken en hun toekomst niet door hun
verleden te laten bepalen. Nu zijn minderjarige asielzoekers
uitgezonderd van de Jeugdwet. Zij hebben niet dezelfde toegang tot zorg.
Jeugdzorg voor asielzoekers en ongedocumenteerde kinderen wordt nog wel
verstrekt, maar door een uitzondering op de wet tot maximaal een
halfjaar om de kans op uitzetting vooral niet te verkleinen. Deze
uitzondering moet uit de Jeugdwet worden gehaald, zodat alle kinderen
dezelfde toegang hebben tot jeugdzorg.
Voor deze kinderen is er echter meer nodig dan alleen de Jeugdwet.
Asielkinderen worden helaas nog steeds van de ene naar de andere
opvanglocatie gezeuld. Dit zorgt ervoor dat zij niet aan hun nieuwe
omgeving kunnen wennen, terwijl het voor deze kinderen juist heel
belangrijk is om een veilige en vertrouwde omgeving te hebben. Het
belang van het kind moet in elke fase van de asielprocedure worden
meegenomen. Daar moet beter op worden toegezien. Dit betekent dat het
heen en weer verhuizen van asielkinderen moet ophouden en dat er meer en
specifiekere aandacht moet komen voor de psychische zorg die deze
kinderen nodig hebben.
Zoals ik tijdens het AO Opvang, terugkeer en vreemdelingenbewaring al
heb gezegd, moeten wij af van de crisisopvang. De kwetsbare positie van
asielkinderen is een belangrijk argument tegen de tijdelijke, korte
opvang. Graag krijg ik een reactie van de staatssecretaris die gaat over
de zorg voor kinderen.
Tot slot heb ik nog een vraag van mijn collega Kees van der Staaij van
de SGP over het uitblijven van de beleidsbrief handreiking
adoptienazorg. Die is ondertussen een jaar vertraagd. Collega Van der
Staaij vraagt via mij om een reactie hierop.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Voortman. Dat was ruim binnen de tijd. U hebt nog
twee minuten over voor de tweede termijn.
Ik stel voor om de voorbereiding van de beantwoording door de
staatssecretaris te combineren met de lunch en de vergadering zolang te
schorsen. Ik stel vast dat dit op ieders instemming kan rekenen.
De vergadering wordt van 12.19 uur tot 13.05 uur geschorst.
De voorzitter:
Voordat we aan de termijn van de zijde van het kabinet beginnen, heb ik
nog het verzoek om de interrupties in tweeën te doen en om te proberen
met drie interrupties uit te komen.
Mevrouw Keijzer (CDA):
Graag, maar ik wil dan ook wel afspreken dat we korte, feitelijke
antwoorden krijgen op onze vragen, want dat is de reden dat je vaak een
wat onbevredigd gevoel overhoudt na zo'n interruptie en drie
interrupties soms te weinig zijn.
De voorzitter:
Helder. Volgens mij is dat gehoord, dus dat gaat helemaal goed
komen.
Staatssecretaris Van Rijn:
Voorzitter. Op duidelijke interrupties ga ik duidelijke antwoorden
geven. Laten we dat afspreken.
Ik dank de leden voor hun inbreng. Ik wil graag onderstrepen dat toen ik
dit weekend het debat aan het voorbereiden was, er ook andere dingen in
mijn hoofd zaten, naar het journaal en naar allerlei andere zaken
kijkend. Letterlijk en figuurlijk huilt je hart als je de ontwikkelingen
in Parijs ziet. Het is goed dat wij daar zojuist apart aandacht aan
hebben besteed, met die herdenking. Om die reden heeft minister Van der
Steur verzocht om niet bij dit overleg te hoeven zijn, omdat hij nogal
wat te doen heeft om de nasleep van Parijs nader in kaart te brengen. Ik
denk dat we dat allemaal heel erg kunnen begrijpen.
Ik zal straks nog uitgebreid terugkomen op de stand van zaken, maar ik
zal nu een beeld ervan schetsen, waarbij ik inga op twee ervaringen uit
de afgelopen periode. Enige tijd geleden was ik op werkbezoek bij het
wijkteam in Leiden. Ik had een gesprek met de hulpverleners. Ik vroeg
wat het belangrijkste verschil is bij wat zij meemaken. Een medewerkster
van Bureau Jeugdzorg zei dat zij vroeger een intake deed en een rapport
maakte dat zij naar haar collega stuurde die daar vervolgens mee aan de
slag ging. Dan kreeg zij later te horen hoe het daarmee stond. Nu zit
zij met die collega in hetzelfde wijkteam en als er een casus komt,
spreken zij onmiddellijk af wie wat doet en welke andere expertise moet
worden ingeschakeld. Dat werkt eigenlijk veel prettiger en veel
directer. Zij waren zeer gelukkig met de wijze waarop het wijkteam
functioneerde. Er zijn nog niet veel regels, afspraken en protocollen,
maar er wordt heel praktisch gekeken naar hoe zij jeugdhulp verlenen.
Dat vond ik een heel mooi voorbeeld van hoe er in Holland Rijnland, in
dit geval in Leiden, wordt gewerkt. Het is zwaar werk. Ook de
professionals zeggen dat het heel erg aanpoten is. Zij hebben ook heel
veel administratieve lasten te verwerken gehad, en misschien nog wel,
maar tegelijkertijd zien zij dat deze methode heel veel in zich
heeft.
De tweede ervaring had ik vorige week, toen ik met de gemeenten en de
aanbieders ook een gesprek had over de stand van zaken. Daar kwam het
volgende beeld uit. Men zei: laten wij de zegeningen tellen dat wij er
zo in geslaagd zijn om de continuïteit te borgen, waar wij allemaal
bezorgd over waren. Op papier is er een gezamenlijke visie op de
ontwikkeling van de zorg en van de jeugdhulp in de toekomst, die vrij
ingrijpend is. Elke maand zitten zij in een cockpit om knelpunten te
bespreken. Dat is heel goed.
Tegelijkertijd zijn er zorgen over hoe je van A naar B komt, waarbij dat
een geleidelijke overgang is. Hoe zorg je ervoor dat de administratieve
lasten verminderen of dat het probleem van 18-min en 18-plus wordt
opgelost? Hoe voorkom je dat de specialistische jeugdhulp die we in de
toekomst nodig hebben, in de knel komt in de inkoop van afzonderlijke
gemeenten of regio's? Hoe gaan we dat doen?
Ik denk dat daar het beeld uitkomt dat we te maken hebben met heel
praktische knelpunten die een oplossing vergen, waarbij een aantal
mensen met verstand van zaken bij elkaar moeten gaan zitten en afspreken
wie wat doet. Verder moeten er misschien bestuurlijke afspraken worden
gemaakt over vraagstukken zoals het inkopen van specialistische of
bovenregionale zorg. We hebben de afspraak gemaakt dat we allebei gaan
doen. Er wordt bekeken wat we naar boven kunnen halen als punten waarop
bestuurlijke besluiten en afspraken nodig zijn. Daarnaast worden heel
praktisch een aantal mensen met verstand van de praktijk bij elkaar
gezet om een aantal schuurpunten op te lossen. Misschien illustreren die
twee ervaringen wel onze positie van nu. Wij hebben een periode gehad
waarin wij ons heel erg hebben beziggehouden met de ontwikkeling van de
Jeugdwet. Daarbij maakten wij ons zorgen over de continuïteit van zorg.
Nu zitten wij in de fase waarin wij kunnen constateren dat het met het
overpakken van de zorg en de verantwoordelijkheid door de gemeenten
gelukkig goed is gegaan. Dat wil echter niet zeggen dat er geen
knelpunten zijn. De knelpunten die er zijn, moeten wij opsporen en
oplossen, en soms moet dat in heel praktische zin gebeuren. Verder
moeten wij de goede voorbeelden een beetje in het zonnetje zetten, opdat
iedereen ervan kan leren.
Ik zoom even dieper in op het overall beeld. Aan de ene kant kunnen wij
zien dat Nederland ongelofelijk hoog op de wereldranglijst van
KidsRights staat. Wij staan namelijk op nummer twee. Dat merken wij ook
weer als wij in Genève tegenover de internationale gemeenschap duidelijk
maken hoe Nederland ervoor staat en daarover verantwoording afleggen.
CBS-cijfers laten zien dat het aantal uithuisplaatsingen afneemt. Dat is
bemoedigend. Zoals wij het Kinderrechtencomité hebben beloofd, zullen
wij nog verdere inspanningen leveren om kinderen, jeugdigen en
organisaties voor kinderrechten nog veel meer te betrekken bij de
ontwikkeling en de uitvoering van het beleid. Verleden jaar hadden wij
zorgen, maar er zijn grote stappen voorwaarts gezet. Aan de andere kant
wil dit niet zeggen dat er geen knelpunten zijn. De Kinderombudsman
signaleert die ook. De knelpunten hebben onder meer betrekking op nieuwe
aanvragen. Is de toegang voldoende herkenbaar? Die toegang is inderdaad
in ontwikkeling. Dat kun je overal constateren. Hoe zit het met de
vereiste deskundigheid van de medewerker? Is die overal op orde? Verder
moeten de administratieve lasten echt omlaag. Ik gaf net al een
voorbeeld. Ik ben en blijf intensief in gesprek met gemeenten en
branches om te bekijken hoe wij de verbetering stapsgewijs kunnen
uitvoeren. Ik wijs de wethouders daar regelmatig schriftelijk op, maar
dat doe ik ook in algemene zin bij de communicatie met wethouders,
laatst nog op 21 september 2015.
Om een zo scherp mogelijk beeld van de werkelijkheid te krijgen, moeten
wij ervoor oppassen dat wij een knelpunt dat zich ergens voordoet, niet
het voorbeeld van de werkelijkheid laten zijn. Omgekeerd geldt dat
echter ook als iets goed gaat. Wij moeten een zo scherp mogelijk beeld
krijgen van die werkelijkheid. Ik wil erop wijzen dat wij met elkaar een
heel stelsel hebben bedacht. Als ik zo eens het rijtje voor mij zie van
de zaken die wij allemaal aan het monitoren en aan het bekijken zijn,
dan constateer ik dat dit tamelijk indrukwekkend is. Wij hebben de
cliëntenmonitor, de Kinderombudsman, de CBS-cijfers, de
Transitiecommissie Sociaal Domein, de VNG-monitor, de Transitie
Autoriteit Jeugd, de maandelijkse cockpit tussen gemeenten en
zorgaanbieders, het Meldpunt Juiste Loket en de Inspectie voor de
Gezondheidszorg. Verder hebben wij de politiek en de media, die
natuurlijk terecht aandacht vragen voor allerlei zaken. Het zijn er
toevallig tien. Ik heb het weleens over tien vingers aan de pols gehad.
Dat zijn echter niet mijn tien vingers, maar vingers van professionals,
cliënten, gemeenten en zorgaanbieders. Zij bekijken permanent hoe de
stand van zaken is.
De cliëntenmonitor is ingericht als thermometer voor het functioneren
van het jeugdstelsel. De rapportages zijn openbaar en voor iedereen te
vinden. In het eerste kwartaal zijn uit deze monitor 139 meldingen
binnengekomen. In het tweede kwartaal waren dat er 90 en in het derde
kwartaal 89. Die meldingen gaan vooral over de vraag: wat zijn mijn
rechten, waar kan ik terecht voor informatie en waar kan ik terecht voor
mijn hulpvraag? Dat is een beetje het punt van de toegang. Verder gaat
het om klachten, vragen of opmerkingen over de manier waarop met mensen
wordt gepraat. Dan gaat het dus over de bejegening. Ik denk dat dit goed
is en daar gaan we ook mee door. Het is echter ook wel goed om nu even
in te zoomen op een aantal knelpunten die genoemd zijn. Daarmee wil ik
ook van mijn kant nogmaals benadrukken dat ik geen wet op het jeugdwerk
maak en tegen gemeenten en aanbieders zeg dat ze het maar moeten
uitzoeken. Samen met alle partijen zoeken we naar praktische oplossingen
voor een betere uitvoering. Ik was het eens met mevrouw Bergkamp. Zij
zei het mooi, hoewel het ook wel weer vragen oproept: geef gemeenten de
ruimte, maar reik ze wel de helpende hand. Zo zit ik er ook in, hoewel
die helpende hand soms wordt ervaren als een vermanende of bestraffende
hand en soms juist weer niet. Naar mijn mening is dat ook de juiste
houding. Gemeenten moeten de ruimte hebben, maar er moet wel een
partnership zijn om te kijken of we knelpunten kunnen oplossen.
Er zijn ook in dit debat zeven punten genoemd die ik de revue zal laten
passeren. Ik doel daarbij op de werking van de toegang, de
ouderbijdrage, de administratieve lasten, de 18-min- en
18-plus-problematiek, de samenloop met andere domeinen, de aanpak van
kindermishandeling en de privacy. Deze onderwerpen zijn vandaag
uitgebreid aan de orde geweest.
Ik zal allereerst ingaan op het verbeteren van de toegang, die door vele
woordvoerders is genoemd. Recentelijk zijn twee onderzoeken naar de
werking van de toegang beschikbaar gekomen, namelijk het onderzoek van
de Kinderombudsman en het onderzoek naar de toegang dat in mijn opdracht
is uitgevoerd.
Mevrouw Voortman (GroenLinks):
Ik heb een punt van orde. Waarbij komen de asielkinderen aan de
orde?
Staatssecretaris Van Rijn:
Die wil ik toevoegen, maar daar wil ik specifiek en apart aandacht aan
besteden.
Mevrouw Voortman (GroenLinks):
Dank u wel.
Staatssecretaris Van Rijn:
Ik zou ze niet durven of willen vergeten.
Beide onderzoeken laten inderdaad zien dat de toegang nog volop in
ontwikkeling is. In een aantal gemeenten wordt al heel goed samengewerkt
tussen de professionals en in andere moeten bijvoorbeeld wijkteams en
huisartsen nog goed met elkaar gaan samenwerken. Uit de onderzoeken
blijkt ook dat de wijkteams heel verschillend worden vormgegeven.
Naarmate de tijd vordert, zullen wij meer en meer zien wat wel en wat
niet werkt, maar de onderzoekers geven nu in ieder geval aan dat het
daar nog te vroeg voor is en dat nog niet gezegd kan worden of het een
beter werkt dan het ander. Het lijkt mij overigens goed om dit type
onderzoek te blijven doen totdat we daar wel een beter beeld van hebben.
In antwoord op de vragen van mevrouw Ypma en mevrouw Bergkamp kan ik
zeggen dat ook in 2016 de werking van de toegang verder zal worden
onderzocht. Wij zullen dat onderzoek herhalen en dat betekent dat we
meer inzicht krijgen en dat er meer gemeenten zijn die gebruikmaken van
verschillende soorten modellen.
Kennisinstituten zoals Movisie, het Nederlands Jeugdinstituut, Vilans,
Trimbos en het nationale centrum voor jeugdonderzoek zijn met de VNG, de
G4 en de G21 een gezamenlijk programma gestart om juist het integraal
werken in de wijken te ondersteunen, ook in verband met de vraag wat wel
en wat niet werkt en om de gemeenten te ondersteunen bij heel concrete
vragen. De Inspectie Jeugdzorg doet ook onderzoek naar de werking van de
toegang en het rapport daarover verwacht ik in 2016. Ook ondersteunen
wij de professionalisering van de jeugdsector met het vierjarig
professionaliseringsprogramma, dat begin dit jaar van start is gegaan.
Het gaat dus niet alleen om het vergaren van kennis over de werking in
de praktijk, maar ook om heel concrete en inhoudelijke ondersteuning met
onderzoek en toezicht.
Mevrouw Bergkamp en de heer Voordewind hebben extra aandacht gevraagd
voor de relatie tussen wijkteams en huisartsen. Dat is heel terecht,
omdat de huisarts ook volgens de cijfers van het CBS een heel
belangrijke doorverwijzer blijkt te zijn. Dat is bewust gecreëerd in de
Jeugdwet. Wij wilden meerdere toegangspoorten behouden, zeker in het
begin om zowel het loket bij de gemeente als dat bij de jeugdarts, de
kinderarts of de huisarts intact te houden. Dat was met name het geval
in de discussie over de ggz. Het is goed dat gemeenten en huisartsen met
elkaar in gesprek gaan over de doorverwijzing. Huisartsen weten relatief
misschien nog weinig over de wijze waarop het gemeentelijke loket is
georganiseerd en waartoe de gemeente wel en niet in staat is. Vanuit de
positie van de gemeente is het ook weer gebruikelijk dat zij met de
huisartsen in gesprek gaan over hun verwijsgedrag en het gemeentelijk
loket. De afspraken tussen gemeenten en huisartsen kunnen een impuls
krijgen. De Landelijke Huisartsen Vereniging en de VNG hebben ook
afgesproken om dit gezamenlijk te stimuleren.
De heer Voordewind heeft gevraagd wat ik wil dat er gebeurt. Ik wil dat
het gemeentelijke loket, de wijkteams, meer en meer gezien wordt als een
kwalitatief goede toegang, waar je terechtkunt en waar integrale
afwegingen worden gemaakt. Ik denk eigenlijk dat het een natuurlijk
proces is. Iedereen was gewend aan de loketten die er waren. Met de
wijkteams is er een loket bij gekomen. Naarmate dit beter functioneert,
zal dit ook beter gevonden worden. Dat moeten we niet afdwingen. Het
moet een kwestie zijn van goede afspraken en een samenwerking tussen
gemeenten en huisartsen. Dan zal iedereen zien dat dit loket op een
goede manier werkt. Ik wil dat dit meer en meer het geval is. Dat is
mijn antwoord op de vraag van de heer Voordewind.
Mevrouw Bergkamp (D66):
We hebben er tijdens de wetsbehandeling van de Jeugdwet uitgebreid over
gesproken. De doorverwijzing door de huisarts is en blijft een
mogelijkheid. In zijn betoog zegt de staatssecretaris: zeker in het
begin. Dat doet mij twijfelen. Is de staatssecretaris van plan om dit in
de toekomst te wijzigen? Het was voor D66 heel belangrijk dat die
verwijzing zou blijven. Door het betoog van de staatssecretaris word ik
daar toch een beetje ongerust over.
Staatssecretaris Van Rijn:
Misschien kan ik die ongerustheid wegnemen. Ik heb geen plannen om dit
te wijzigen. Ik vind wel dat de afspraken tussen gemeenten en huisartsen
veel beter kunnen. Huisartsen kunnen beter weten hoe het gemeentelijke
loket in elkaar zit en wat de gemeente nog meer kan. Gemeenten moeten
zich ook verdiepen in de aard van de verwijzing, zodat ze van elkaar
kunnen leren. Dat heb ik ook met de Landelijke Huisartsen Vereniging en
de VNG afgesproken.
Mevrouw Bergkamp (D66):
Als ik de staatssecretaris zo beluister, blijft die toegang via de
huisarts, de verwijsfunctie. Gelukkig maar. Ik ben het ermee eens dat de
samenwerking verbeterd kan worden. Het wijkteam is voor heel veel ouders
nog onbekend. Uiteindelijk zal, op basis van de kwaliteit die ouders
ervaren, de toegang via de wijkteams toenemen. Dat kan echter ook niet
het geval zijn. Ik denk niet dat er sprake kan zijn van een verplichting
daartoe. Ik denk dat het ook afhangt van de kwaliteit van de wijkteams
of mensen daarnaartoe gaan. Is de staatssecretaris dat met mij eens?
Staatssecretaris Van Rijn:
Dat ben ik zeer met mevrouw Bergkamp eens. Het is heel goed dat er een
goede en laagdrempelige toegang is. Zeker als er sprake is van
multiproblematiek, moet de laagdrempelige toegang tot de wijkteams ook
kwalitatief goed zijn. Het is belangrijk dat de mensen dit ook zo zien
en dat dit niet wordt afgedwongen. Dat lijkt me het
allerbelangrijkste.
Hiermee kom ik vanzelf op het volgende aandachtspunt dat genoemd is in
diverse onderzoeken, namelijk de wachttijden en de plaatsingsproblemen.
Er is sprake van een gemengd beeld. In de berichtgeving hierover zie je
dat er zorgen zijn over de vraag of mensen te lang moeten wachten. Duurt
het te lang voordat je doorgeleid wordt? Als onze mensen erop afgaan,
blijkt dat er soms sprake is van een budgetplafond of een wachtlijst bij
een bepaalde aanbieder, maar dat dit bij andere aanbieders niet het
geval is. Sommigen van u hebben gezegd dat er meer aandacht voor een
goede doorverwijzing moet zijn. Als een aanbieder vol zit, moet er
automatisch worden doorverwezen. Dat moet van tevoren worden bedacht.
Dat lijkt me heel goed. In de regio Brabant is bijvoorbeeld een
wegwijzer voor specialistische jeugdhulp ontwikkeld voor medewerkers in
de wijkteams en in de frontlinie. Hierin wordt een heel helder overzicht
geboden van wat er gebeurt als je niet snel genoeg hulp kunt verlenen.
Wat moet je dan vervolgens doen? Welke afspraken maak je daarover met de
verschillende aanbieders? Mevrouw Van der Burg en mevrouw Ypma hebben
gevraagd of ik dit nogmaals wil bespreken met de VNG. Dat wil ik doen.
Je moet van tevoren kunnen zien aankomen dat een zorgaanbieder dicht
zit. Het is niet de bedoeling dat ouders eerst hierdoorheen moeten en
vervolgens naar een andere aanbieder moeten. Het is handig als dat wat
automatischer kan. Dat wil ik graag meenemen.
Ter nuancering wijs ik op het volgende. Ik had bijna gezegd dat volgens
een rapport van de Rekenkamer op 1 juli in de vier grote steden 2.974
kinderen op de wachtlijst stonden voor jeugdzorg. Dat is echter een
bericht van 1 juli 2011. Dat betekent dat die wachtlijstendiscussie van
alle tijden is. Die discussie is zeker niet iets van het nieuwe stelsel.
Ook in het oude stelsel kwam die zeer veelvuldig voor. We hebben nu het
voordeel dat er veel minder sprake is van versnippering. Er is
eenduidiger zicht op de wijze waarop het aanbod zich ontwikkelt.
Gemeenten kunnen daar samen met aanbieders ongelooflijk veel aan
doen.
Mevrouw Ypma (PvdA):
Ik dank de staatssecretaris voor de toezegging om dit nog eens met de
VNG te bespreken. Dat lijkt mij heel erg belangrijk. Wat is er eigenlijk
op tegen om een transparant systeem te maken, een landelijk systeem,
waarin iedere aanbieder duidelijk aangeeft of hij plek heeft en, zo ja,
voor welke kinderen? Waarom bestaat dat niet?
Staatssecretaris Van Rijn:
Ik ben voor transparantie, maar we moeten een beetje oppassen dat het
registreren niet zo veel werk oplevert dat je weinig zicht hebt. Vaak is
er sprake van kortdurende trajecten. Daardoor is de volatiliteit van de
toegang en van de beschikbare ruimte zodanig dat je het bijna niet in
een landelijk systeem krijgt. Ik vind wel dat de gemeente, die samen met
de aanbieders verantwoordelijk is, plaatselijk of regionaal heel goed
moet nagaan waar er nog plekken zijn en waar iets proactief kan worden
gedaan. Ik geloof niet in een landelijk systeem, wel denk ik dat
gemeenten samen met de aanbieders die zij contracteren dit soort
afspraken kunnen maken, desnoods regionaal. Ik zal er bij de VNG nader
op aandringen.
Mevrouw Ypma (PvdA):
Ik dank de staatssecretaris voor dit antwoord. Moet de staatssecretaris
juist niet hierbij zijn stelselverantwoordelijkheid nemen? Moet hij niet
zeggen dat een dergelijk systeem gewoon moet worden opgezet, zodat het
in heel Nederland klip-en-klaar is en er eventueel tot bovenregionale
plaatsing kan worden overgegaan als er in Drenthe wel plek is en in
Overijssel niet?
Staatssecretaris Van Rijn:
Mij lijkt dat het probleem moet worden opgelost waar het zich voordoet.
Als er sprake is van gespecialiseerde hulp of bovenregionale plaatsing,
moeten die afspraken er gewoon zijn. Die zijn er ook als zij via de
landelijke inkoop of het arrangement zijn gemaakt. Gaat het om directe
hulp van de jeugdzorgaanbieder in de gemeente of in de regio, dan moet
goed zichtbaar zijn waar er al dan niet plaats is om te voorkomen dat
ouders eerst dat traject moeten afleggen. Daarover maak ik graag
afspraken met de VNG.
Mevrouw Bergkamp vraagt zich bezorgd af of het wel goed gaat met de
jeugd-ggz en of daarvoor wel voldoende aandacht is. Daarvoor is heel
veel aandacht. De jeugd-ggz zonder verblijf is ook ongeveer de enige
sector die heel erg groeit. De toegangspoorten werken dus, sterker nog,
af en toe is er discussie over de vraag of die niet te goed werken.
Mevrouw Van der Burg wees daar ook op. De ggz vraagt zich van sommige
doorverwijzingen naar instellingen ook af of die wel nodig zijn. Bij de
toegang en de toewijzing kan het dus scherper. Hetzelfde geldt voor de
afspraken tussen gemeenten en de jeugd-ggz. Men vraagt zich af of er
voldoende wordt doorverwezen, maar de cijfers tonen een groei aan die
soms zo fors is dat de ggz-sector zegt dat de gemeenten het scherper
kunnen doen. Ik denk dat er in het begin sprake was van wijkteams die
bij twijfel doorverwezen om er zeker van te zijn dat er hulp geboden
werd. Wellicht hadden die beter moeten kijken.
Mevrouw Bergkamp (D66):
Dat er groei is, is voor mij nog geen geruststelling dat het goed gaat.
Wij krijgen signalen dat ouders de behandeling zelf gaan vergoeden. Dat
er groei is in de sector, is voor mij niet bevredigend genoeg. Wil de
staatssecretaris iets meer de diepte ingaan en nagaan of er echt geen
problemen zijn? Wil hij specifiek aandacht besteden aan kinderen en
jongeren met autisme? Wij krijgen serieuze signalen dat het met hen niet
goed gaat.
Staatssecretaris Van Rijn:
Ik ben zeker bereid om dat te doen, dus dat zeg ik bij dezen toe.
Tegelijkertijd ben ik het met mevrouw Bergkamp eens dat groei op
zichzelf niets zegt. Aan de ene kant heb je discussie over de vraag of
er voldoende is ingekocht, aan de andere kant heb ik niet het idee dat
er te weinig is ingekocht. Uit het onderzoek van de Transitie Autoriteit
Jeugd blijkt immers dat de instroom bij de jeugd-ggz om en nabij de 16%
is. Dat is de keerzijde ervan. Ik vind het hoe dan ook geen enkel
probleem om dit nog eens verdiepend uit te zoeken.
Ik wil nu ingaan op het tweede punt, de ouderbijdrage. Dat hebben wij
destijds met de Kamer uitgebreid besproken. Van de zijde van de Kamer is
toen gevraagd om onderzoek te doen naar de vraag hoe de ouderbijdrage
werkt. Dat onderzoek ligt er nu. Kernpunt daarvan is dat het niet gaat
om een eigen bijdrage maar een ouderbijdrage. Die ouderbijdrage was er
met de veronderstelling dat ouders kosten uitsparen als hun kind
gedurende langere of kortere tijd in een instelling verblijft. Het is
dan redelijk om een ouderbijdrage te vragen. Uit het onderzoek is te
zien dat het een beperkte werking heeft en dat die kostenbesparing er
soms niet is, hoogstens in het geval van kinderopvang. Er is dan een
kans dat dit een oneigenlijke drempel zou kunnen zijn voor
jeugdhulpgebruik. Bovendien zijn er flinke administratieve lasten
gemoeid met het innen van de ouderbijdrage. Om die reden heb ik het
voorstel gedaan zoals ik het heb gedaan. Ik was daarom bereid daar
oplossingen voor te zoeken. Dat was geen gemakkelijke zaak, want
daarvoor moest in de begroting en de cijfertjes flink geschraapt worden.
Voor een deel hebben we meevallers gebruikt uit de realisatiecijfers van
de aantallen mensen die een beroep doen op de Wet langdurige zorg of
aanverwante wetten. Ook heeft er voor een deel een herschikking
plaatsgevonden op de jeugdzorgbegroting zelf. Die combinatie heeft
geleid tot 26,6 miljoen euro. In antwoord op de vraag van mevrouw
Kooiman zeg ik: dat is het bedrag dat we uit het Gemeentefonds hebben
gehaald als zijnde opbrengsten voor de gemeenten. Nu compenseren we dat.
We geven dus precies aan de gemeenten terug wat we destijds uit het
Gemeentefonds hebben gehaald.
Mevrouw Kooiman (SP):
Volgens het onderzoek naar de ouderbijdrage moeten gemeenten eigenlijk
voor 32,5 miljoen gecompenseerd worden, want dat is het bedrag dat ze
eigenlijk zouden krijgen. De staatssecretaris slaat hiermee eigenlijk
ook het voorstel af dat ChristenUnie en D66 zojuist deden. We hebben
hier allemaal gevraagd — of in ieder geval de oppositiepartijen, laat ik
wel wezen — om de fout te herstellen voor 2015. Gaat de staatssecretaris
daar nog iets aan doen?
Staatssecretaris Van Rijn:
Ik heb daar eerlijk gezegd wel enige moeite mee. Toen wij discussieerden
over de vraag van de ouderbijdragen hebben de gemeenten nogal
nadrukkelijk tegen ons gezegd: volgens de wet moeten we innen en dat
zullen we doen, maar als er veranderingen zijn, moet dat teruggegeven
worden aan de gemeenten. Op 1 januari 2016 wijzigen we de wet. We gaan
de gemeenten daarvoor compenseren. Zolang de wet wel werkte, was er ook
al een ouderbijdrage, niet alleen in de wet van vorig jaar maar ook al
in de AWBZ. Op enig moment moet je dus een grens stellen. Als een nieuwe
wet ingaat en er iets verandert — of dat nou belastingwetten,
ouderbijdragewetten of andere wetten zijn — dan denk ik dat het goed is
om vast te houden aan de datum waarop we de wet kunnen invoeren. Dat zal
ik overigens met terugwerkende kracht tot 1 januari moeten doen omdat de
wet later in werking treedt. Dit is nu mijn standpunt.
Mevrouw Kooiman (SP):
Dit snap ik eigenlijk niet. De staatssecretaris krijgt van de
ChristenUnie een ontzettend mooi cadeautje op een presenteerblaadje,
waarmee wordt gezegd: hier heb je de mogelijkheid om je eigen fouten te
herstellen. De staatssecretaris zegt daarop: ik weet dat het niet zo
handig was, maar ik ga er niet naar kijken. Dat kan toch eigenlijk niet?
Ik doe dus nogmaals de oproep aan de staatssecretaris om goed te kijken
naar het herstellen van deze fout. De SP is nooit een voorstander
geweest van het innen van die ouderbijdrage. Ik zou dus zeggen: kijk in
ieder geval of de fout voor 2015 hersteld kan worden.
Staatssecretaris Van Rijn:
Even ter nuancering: mevrouw Kooiman noemt het een fout, maar deze
ouderbijdrage zat al sinds jaar en dag in de AWBZ. Die zat destijds ook
in de Wet op de jeugdzorg. Mevrouw Kooiman noemt dat met terugwerkende
kracht een fout. Dat waardeer ik, maar ik zit er zo in dat wij sinds
jaar een dag een ouderbijdrage hadden. Op verzoek van de Kamer was die
er niet in de jeugd-ggz. Dat was aanleiding om breder te kijken. Ik heb
nu gezegd: als je breder naar de werking kijkt, constateer ik dat er
voetangels en klemmen aan zitten en dat er redenen kunnen zijn om het
niet te doen. Dat is de reden voor mijn voorstel om het per 1 januari
2016 af te schaffen. Dit lijkt mij een belangrijke tegemoetkoming aan de
wensen van de Kamer en ook aan die van de ouders van de kinderen om wie
het gaat. Als er andere dekkingsvoorstellen of amendementen zijn, zullen
we die uiteraard bekijken, maar dit is mijn standpunt op dit moment.
Mevrouw Keijzer (CDA):
Het kabinet is altijd zeer secuur in het beoordelen van amendementen in
de begroting en in het al dan niet deugdelijk zijn van de dekking
daarvan. Ik heb echter behoefte aan een wat een preciezere uitwerking
van de dekking van 26,6 miljoen. Er wordt gesproken over een
ramingsbijstelling voor Wlz-uitgaven. Volgens mij zijn daar grote
tekorten omdat er een minder grote extramuralisering plaatsvindt dan
voorgenomen. Verder is er sprake van een herschikking van de middelen op
de jeugdbegroting. Waar is dat dan precies?
Staatssecretaris Van Rijn:
Als mevrouw Keijzer daar prijs op stelt, ben ik zeer bereid om nog voor
de stemming aan te geven hoe dat precies in elkaar zit.
Mevrouw Keijzer (CDA):
Fijn. Dan heb ik nog een andere vraag. We spraken net over de inkoop van
autismezorg. Je merkt dat bij gemeenten wordt onderschat welke
specifieke deskundigheid ervoor nodig is om deze kinderen goed te
begeleiden en ze een goede toekomst te bieden. Ik heb gehoord dat er een
organisatie is, Kentalis genaamd, die gespecialiseerd is in
communicatieproblemen die met name kinderen met autisme hebben: de
spraaktaalontwikkelingsstoornissen. Ook hiervoor geldt dat er niets is
geregeld op landelijk of bovenregionaal niveau. Gemeenten maken geen
gebruik meer van deze expertise. Wat krijg je dan? Dan krijg je kinderen
die onvoldoende deskundige ondersteuning krijgen en uiteindelijk weer
een instituut dat omvalt. Neemt de staatssecretaris dit ook mee in het
onderzoek dat hij zojuist heeft toegezegd?
Staatssecretaris Van Rijn:
Ik heb geen signalen dat er grote problemen zouden zijn bij Kentalis wat
betreft kinderen met autisme. Ik wil er wel op wijzen dat wij met de
ouders van autistische kinderen een werkgroep hebben, de werkgroep
Vanuit autisme bekeken, waarbinnen een programma wordt ontwikkeld om
ervoor te zorgen dat de kennis en kunde van de gemeenten op dit punt ook
voor de inkoop worden versterkt. Dat lijkt me een heel goede zaak, want
kinderen met autisme verdienen goede zorg, dus zorg waaraan zij behoefte
hebben. Overigens wisselt dat zeer sterk per persoon en hangt het ook af
van het onderdeel van het autismespectrum waar kinderen last van hebben.
Het is een heel goede zaak om dat samen met de werkgroep Vanuit autisme
bekeken verder te ontwikkelen. Voor zover de inkoop gevolgen heeft voor
instellingen, moeten we die als zodanig bekijken, ook in het kader van
de Jeugdwet en de jeugdhulp, en eventueel met gebruikmaking van de
kennis en kunde die bij de Transitie Autoriteit Jeugd een rol spelen. Ik
meen dat het niet goed is om instellingen eruit te lichten.
Mevrouw Keijzer (CDA):
Ik heb een punt van orde. Ik heb het niet over een specifieke
instelling, maar over deskundigheid; die hangt nu eenmaal vaak aan een
instelling.
Staatssecretaris Van Rijn:
Waar deskundigheid is, wordt deze ook benut. Mevrouw Keijzer had het
echter over de vraag of Kentalis financiële problemen zou hebben als
gevolg van het niet-benutten van deskundigheid. Misschien heb ik het
verkeerd begrepen, maar dat is wat ik eruit opmaakte, en daar nam ik wat
stelling tegen.
Mevrouw Keijzer (CDA):
Mijn vraag was de volgende. De staatssecretaris heeft net een onderzoek
naar autismezorg toegezegd aan mevrouw Bergkamp. Wordt deze specifieke
tak van sport, de communicatieproblemen, daarin meegenomen?
Staatssecretaris Van Rijn:
Daarop is het antwoord "ja". Ik heb daarbij aangegeven dat we dat voor
een deel al doen, namelijk door samen met de werkgroep Vanuit autisme
bekeken, met de ouders van autistische kinderen, te bekijken welke
interventies, welke benadering en welke inkoop gemeenten het best kunnen
toepassen om een zo goed mogelijke zorg te kunnen bieden aan kinderen
met een autismestoornis.
Mevrouw Bergkamp (D66):
Ik had net het tweede deel van mijn interruptiemogelijkheid niet
gebruikt, dus ik zou nu graag nog een vraag stellen. Kan de
staatssecretaris aangeven wanneer en hoe hij de Kamer hierover kan
informeren?
Staatssecretaris Van Rijn:
Wat mij betreft kan dat bij de voortgangsrapportage die wij elke keer
maken. De eerstvolgende rapportage verschijnt in het voorjaar.
Dan kom ik op de vermindering van de administratieve lasten. Dit punt is
door veel leden aan de orde gesteld en staat ook hoog op mijn agenda. Ik
wil hiervoor een goede aanpak ontwikkelen. Gemeenten en zorgaanbieders
zijn momenteel bezig om een aantal heel concrete maatregelen te nemen om
de administratieve lasten terug te dringen. De VNG ontwikkelt een nieuwe
bekostigingsmethodiek die gecombineerd wordt met resultaatafspraken. Dat
zal mevrouw Van der Burg erg aanspreken, gelet op het feit dat zij hier
steeds, terecht, op aandringt. Voor individuele betalingen en
zorgtoewijzingen is een aantal standaarden ontwikkeld, zowel voor de Wmo
als voor de Jeugdwet. De VNG en branches hebben onlangs, zoals mevrouw
Van der Burg al zei, het aantal productcodes voor de Wmo en Jeugdwet
gereduceerd van 160.000 tot 400. Sommige regio's zijn hierin voorlopers,
andere lopen daarin wat achter. Het is duidelijk dat dit echt een
belangrijk punt is. Ik zie hiervoor overigens veel urgentie bij zowel
gemeenten als zorgaanbieders. Het zal de komende periode de kunst zijn
om niet alleen afspraken te maken over vermindering, maar hierin ook
heel concrete stappen te zetten.
Mevrouw Van der Burg vroeg of het inkoopmodel van Trias niet een heel
mooi voorbeeld is. Inderdaad, inkoopmodellen die gebaseerd worden op
resultaatafspraken, zoals de outcome-indicatoren, lijken effectiever en
lijken ook gepaard te gaan met veel minder administratieve lasten. Ik
ben zeer bereid om samen met bijvoorbeeld de zorginstelling uit dit
voorbeeld na te gaan of we deze kennis kunnen verspreiden en verder
kunnen uitrollen. Ik zie hiervoor grote urgentie bij zowel gemeenten als
zorgaanbieders. Een van de uitspraken die in de gezamenlijke visie is
gedaan, is zelfs: we registreren niet, tenzij. Papier is echter
geduldig, dus de komende periode zal het er echt op aankomen. Er moet
niet alleen een visie zijn op het reduceren van administratieve lasten,
maar deze vermindering moet ook daadwerkelijk in de praktijk zichtbaar
worden, zodat zorgverleners het ook gaan merken. Ik denk dat er twee
dingen spelen: enerzijds een aantal structurele dingen, anderzijds een
aantal praktische dingen. Structurele dingen betreffen bijvoorbeeld de
vraag hoe het zit met de standaardisering, de informatievoorziening en
de vermindering van het aantal productcodes. Dat moet allemaal gebeuren.
Praktische dingen zijn dat er concreet een aantal zaken geschrapt moeten
worden die niet nodig zijn en niet werken. Die dubbelslag zou ik ook op
dit terrein willen zien. Misschien moeten we een aantal bestuurlijke
besluiten nemen om een aantal wetten en regelingen aan te passen die
onnodige registratielasten met zich brengen. Daarnaast gaat het heel
praktisch, op de werkvloer, om vragen als: welk contract sluit je af,
welke registratieafspraken heb je gemaakt en kun je daar niet van af?
Van mijn kant zal ik er bij gemeenten en zorgaanbieders zeer op
aandringen en toezien dat er niet alleen visies en afspraken zijn, maar
dat deze ook daadwerkelijk gangbare en zichtbare resultaten
opleveren.
Mevrouw Van der Burg (VVD):
Ik dank de staatssecretaris hiervoor. Hij weet dat ik hierop zo ongeveer
elk overleg terugkom. Dat is ook nodig. De staatssecretaris doet nu ook
een aantal toezeggingen. Er moeten concrete stappen worden gezet.
Wanneer informeert de staatssecretaris de Kamer over de stappen die
concreet worden gezet? Er is namelijk koudwatervrees bij ambtenaren,
zorgaanbieders en soms ook bij wethouders. Deze stap moet daadwerkelijk
worden gezet in het belang van kinderen zodat zij betere zorg krijgen en
in het belang van professionals zodat zij meer werkvrijheid krijgen en
minder met onnodige registratieverplichtingen worden geconfronteerd.
Staatssecretaris Van Rijn:
Ik wil mijn toezegging op dit punt verbreden. Ik heb net een stuk of
zeven, acht vraagstukken genoemd waarvoor verbeterslagen gemaakt moeten
worden. In de eerstvolgende voortgangsrapportage wil ik over al die
punten apart rapporteren. Daarbij gaat het dus niet alleen om de stand
van zaken op het gebied van de administratieve lasten, maar om alle
zeven, acht punten die ik heb genoemd en die ik vandaag even met de
leden langswandel. Ik denk dat het heel verstandig is om met elkaar te
kijken of we daar ook een aantal resultaten gaan boeken.
Mevrouw Van der Burg (VVD):
Dank daarvoor. Ik wil daar nog iets aan toevoegen. Ik heb gezegd dat het
ook belangrijk is voor de wethouder en de gemeenteraadsleden zelf. Als
mensen een win-winsituatie gaan zien in een bepaalde manier van werken,
werkt dat altijd beter dan wanneer je moet duwen, om het zo maar te
zeggen. We weten ook dat raadsleden best moeite hebben om hun
controlerende taak uit te voeren. Ik zie dus ook graag op dat vlak
stappen.
Staatssecretaris Van Rijn:
Ik denk dat dit ook een beetje een relatie heeft met de opmerking van
mevrouw Bergkamp. Gemeenten moeten die verantwoordelijkheid dragen, ook
richting hun raad. Dat betekent dat daar dan ook meer de vinger aan de
pols moet worden gehouden. Dat moet niet alleen door de staatssecretaris
worden gedaan — met tien vingers! — maar die vingers moeten ook
langzamerhand vervangen worden door de vingers van de gemeenteraden. Dat
kan alleen maar als er ook goede voorbeelden zijn waaruit blijkt hoe het
wel kan. De discussie over de vraag waarom het in een bepaalde gemeente
nog niet gebeurt zoals elders, moet ook op lokaal en regionaal niveau
plaatsvinden. Daarbij zie ik ook een nadrukkelijke rol voor mijzelf. Ik
moet zichtbaar maken hoe het wel kan, zodat in een gemeenteraad ook de
vraag opkomt waarom het in die gemeente nog niet op die manier gebeurt.
Daar zie ik dus zeker ook een rol voor mijzelf weggelegd.
Dan het punt van de 18-minners en 18-plussers. Dit punt hangt eigenlijk
niet samen met de vraag of er wel of niet een jeugdstelsel is. Dit
onderwerp speelt al jaren in de zorg, ook toen er sprake was van
provinciale jeugdzorg. Een van de allerbelangrijkste punten is dat dit
te maken heeft met enerzijds de hulp die een jongere voor zijn of haar
18de verjaardag krijgt en anderzijds de houding van die jongere ten
aanzien van de veranderingen die optreden als hij of zij 18 jaar wordt.
Er zijn op dat vlak heel veel verschillen te zien.
Ik ben een tijdje terug met de meidenbus meegereden. Daarin zaten
allemaal jonge meiden uit Amsterdam, met heel veel verschillende
problemen. Dat varieerde van seksueel misbruik tot allerlei problemen in
de thuissituatie. Die meiden zeiden tegen mij: wij zien een beetje op
tegen het moment waarop wij 18 jaar worden, omdat we dan niet meer
kunnen terugvallen op de hulp die we nu krijgen. Aan de andere kant zijn
er ook heel veel jongeren die niet kunnen wachten totdat zij de
18-jarige leeftijd hebben bereikt, omdat zij dan af zijn van alle
betutteling en alle hulp die zij hebben gekregen. Zij zeggen: dan kies
ik gewoon mijn eigen pad. Of ze dat nu kunnen of niet!
Je kunt daar uitgebreid over spreken in bestuurlijke zin, je kunt ook
uitgebreid bediscussiëren welke wet- en regelgeving nodig is, maar
eigenlijk is het vrij simpel. In de praktijk blijkt het overigens niet
zo simpel te zijn. Het gaat om de vraag of we daar met de jongeren die
op de een of andere manier met hulpverlening te maken hebben, tijdig
over kunnen nadenken. Als je 16 of 17 jaar bent, is de kans dat je 18
jaar wordt vrij groot. Dat gaat immers automatisch. Dan kun je dus ook
één of twee jaar van tevoren bedenken hoe het straks met zo'n kind zal
gaan. Kan het straks een zelfstandig bestaan opbouwen of moet er toch
nog een beetje hulp worden geboden? Ik denk dat, nu gemeenten meer regie
hebben over de jeugdzorg, de maatschappelijke ondersteuning en de
participatie, de kansen voor gemeenten om daarover afspraken te maken en
jongeren in de gaten te houden, groter zijn. Ik ben dat met mevrouw Ypma
eens.
Ik vind het ook heel belangrijk dat hulpverleners in de jeugdzorg al met
kwetsbare jongeren van 16 of 17 jaar naar de risico's kijken. Het
allermooiste is natuurlijk als de jongere zelf daar ook ideeën over
heeft. Mevrouw Ypma sprak over de mogelijkheid dat de jongere zelf een
plan maakt. Ik ben het daar zeer mee eens. De jongere die daar zelf ook
over nadenkt en een plan maakt, heeft de halve wedstrijd al gewonnen. Ik
denk dat het probleem 'm vaak zit in de jongeren die zeggen: als ik 18
ben, dan ben ik hier weg en zie ik wel.
Dat betekent dat vooral de relatie tussen de jongere en de hulpverlener
ongelooflijk belangrijk is, dat er sprake is van kennis en van
wederzijds vertrouwen om te bedenken dat je na je 18de misschien ook nog
ondersteuning nodig hebt. We zijn samen met de VNG en het Nederlands
Jeugdinstituut ook bezig om die goede voorbeelden te verzamelen. Er zijn
ook al goede voorbeelden in de maak. Ik noem het sturen met het
inkoopbeleid op zorgcontinuïteit, het betrekken van het onderwijs erbij,
het in een vroeg stadium maken van afspraken met werkgevers en het
ervoor zorgen dat er tijdig een mentor of een jongerencoach is. Kortom,
ik heb hier grote aandacht voor.
Ik ben er tegelijkertijd van overtuigd dat het vooral op de werkvloer
moet worden opgelost. De hulpverlener of zorgaanbieder moet tijdig in
gesprek gaan met de jongere van 16 of 17 jaar, en met de ouders als die
in beeld zijn, om te kijken wat er gebeurt na het bereiken van de
18-jarige leeftijd. Misschien is daar helemaal niet zo veel regelgeving
voor nodig, maar moeten er heel praktische oplossingen en voorbeelden
worden bedacht. Soms zijn er al succesvolle methodes, die breder zouden
kunnen worden verspreid. Dit is echt een onderwerp waarop we verdere
stappen moeten zetten, maar dan met name op de werkvloer, bij de
zorginstellingen, met de jongeren zelf.
Mevrouw Keijzer (CDA):
Is hiermee ook mijn vraag over 18-min/18-plus beantwoord?
Staatssecretaris Van Rijn:
Mevrouw Keijzer wil mij vast nog even helpen herinneren aan die
vraag.
Mevrouw Keijzer (CDA):
Ik had niet zozeer gevraagd naar de goede voorbeelden, maar naar een
onderzoek naar de juridische instrumenten die er zijn en waarvan wordt
beweerd dat ze niet volstaan. Ik noem bewindvoering, curatele en
mentorschap. Dit is juist vaak het probleem bij de groep die zegt "nu
ben ik 18 en nu ben ik er mooi van af" en bij de groep licht
verstandelijk beperkten. Ze vinden zelf niet dat ze een probleem
hebben.
Staatssecretaris Van Rijn:
Daar ging ik inderdaad te kort door de bocht; excuus. De voorbeelden die
er zijn van mentoren en jongerencoaches lijken goede ervaringen op te
leveren, maar het probleem doet zich inderdaad voor daar waar men dat
niet wil. Ik ben zeer bereid om te kijken of er een nader
instrumentarium nodig is om de genade een handje te helpen. Ik zal dit
dus zeker meenemen.
Mevrouw Keijzer (CDA):
Dank u.
Staatssecretaris Van Rijn:
Voorzitter. Ik kom bij de samenloop van verschillende stelsels,
regelingen en wetten. Het is herkenbaar dat burgers nog vragen hebben en
zich afvragen of ze wel bij het juiste loket zitten. Het aantal vragen
is overigens vrij beperkt, maar ze zijn er wel. Je ziet dat veel burgers
zich afvragen waar ze nu precies terecht kunnen. Met name in situaties
waarin mensen moeten gebruikmaken van verschillende stelsels — bekend is
natuurlijk de combinatie onderwijs en jeugdzorg — zie je dat het vaak
ontzettend veel moeite kost, ook voor de ouders, om een oplossing te
creëren die is toegesneden op de zorgvraag van het kind. In enkele
bijzondere, complexe gevallen is er niet meteen een passend hulpaanbod
ter beschikking. We zien ook dat het voor kinderen met een meervoudige
problematiek vaak echt zoeken is bij welke zorginstelling ze terecht
kunnen, niet alleen omdat er een plekje is maar ook omdat je denkt dat
daar goede hulp kan worden gegeven aan jouw kind. Je ziet dat het een
hele worsteltocht is, ook voor ouders, om dat voor elkaar te
krijgen.
Heel recentelijk heb ik met collega Sander Dekker van Onderwijs en een
aantal andere mensen hierover gesproken. Kunnen we, naast de
verantwoordelijkheden die er allemaal zijn, niet ook een heel praktisch
team bij elkaar zetten waarin zowel mensen van Onderwijs als mensen van
Zorg dit soort complexe problematiek onderzoeken? Daarbij zou bijna
casuïstisch te werk moeten worden gegaan om heel concreet te bekijken
wat hier nu precies speelt. Dat is dan niet om de verantwoordelijkheid
over te nemen, maar om de helpende hand te bieden, zodat ouders,
scholen, gemeenten en zorgpartners tot een passend en concreet
zorgarrangement kunnen komen in de gevallen waarin het stokt. Wij vinden
het ongewenst dat daar veel te lang over wordt gedaan. Met collega
Dekker heb ik afgesproken om zo'n teampje op te richten, zodat we
zorgaanbieders, gemeenten en ouders op dat punt heel concreet kunnen
ondersteunen. We hebben afgesproken om nog dit jaar te starten met deze
aanpak. Collega Dekker zal de Kamer nader informeren over de
voortgangsrapportage passend onderwijs, die de Kamer op 4 december
ontvangt. De Kamer weet nu alvast van mij dat we dit gezamenlijk
oppakken.
Mevrouw Ypma (PvdA):
Het is mooi dat de staatssecretaris aangeeft dat hij dit samen met zijn
collega oppakt. Ik wil hem uitdagen om nog een stapje verder te gaan. Op
dit moment wordt dit door verschillende stichtingen echt als een
probleem ervaren. Ik heb vandaag over Stichting Bram Ridderkerk
gesproken. Eerder sprak ik al eens over Stichting TIM. Ook mijn
collega's hebben hier weleens over gesproken. Volgens mij hebben wij
vaker aandacht hiervoor gevraagd. Mijn vraag aan de staatssecretaris was
heel concreet, namelijk of hij bereid is om een keer langs te gaan bij
of een gesprek te hebben met mensen die zo'n stichting hebben opgericht.
Het zijn initiatieven van onderop, van ouders die daar zelf mee komen,
maar vervolgens tegen allerlei regelgeving rondom onderwijs en jeugdzorg
aanlopen. Wat volgens mij helpt, is om te kijken naar wat we nu hebben,
naar zo'n stichting, en daar de regels langs te leggen, zodat je kunt
zien of dat op elkaar past en of er belemmeringen zijn die je mogelijk
kunt weghalen.
Staatssecretaris Van Rijn:
Daar ben ik zeer toe bereid. Het is precies wat ik bedoel. We zijn
overigens al in gesprek daarover met diverse ouders en ouderclubjes,
maar als er nog meer zijn en als er behoefte aan is, ben ik zeer bereid
om te doen wat mevrouw Ypma vraagt, want dat is precies wat ik bedoel:
bekijken tegen welke praktische vraagstukken ouders met deze kinderen
aanlopen en hoe we die kunnen oplossen. Zo kunnen we er ook achter komen
of het praktische knelpunten betreft die oplosbaar zijn of dat er meer
achter zit, waarover we dan bestuurlijke afspraken moeten maken. Gaarne,
dus.
Voorzitter. Ik kom te spreken over kindermishandeling. Misschien is het
goed als ik eerst even in herinnering roep welke discussie we daar
eerder over hebben gevoerd. Toen we een tijdje terug het debat voerden
over dit onderwerp, zeiden we tegen elkaar dat we zo langzamerhand alle
wetten en regels ten behoeve van een goede aanpak van kindermishandeling
wel zo'n beetje op zijn plek hadden, en dat we vooral moesten gaan
kijken of datgene wat we bedacht hadden, ook echt werkte. Aan de orde
kwam destijds de meldcode, de informatievoorziening betreffende Veilig
Thuis en de campagne over kindermishandeling in het algemeen en seksueel
geweld in het bijzonder, waarbij de uitrol van de Centra Seksueel Geweld
een rol speelde. De boodschap die ik toen probeerde te geven, was dat we
ons heel goed moesten richten op de goede werking van hetgeen we
verzonnen hadden. Werkte de meldcode die we hadden bedacht in de
praktijk en hoe konden we dat uitzoeken? Ik heb destijds gezegd dat we
zouden gaan praten met de beroepsgroepen, met Veilig Thuis, met de
rapporteur mensenhandel en met de taskforce.
Mevrouw Van der Burg heeft zojuist een plan overhandigd waarmee we een
verdere impuls zouden kunnen geven aan de uitvoering van het
kindermishandelingsbeleid, gericht op signaleren, bestrijden en
behandelen. Als ik het zo op het eerste oog kan bekijken — we hebben er
ook al iets eerder over kunnen spreken, heb ik kunnen lezen — doet zij
precies op dat punt een aantal voorstellen. De vraag komt aan de orde
hoe je de signalen verder kunt versterken. Mevrouw Bergkamp noemde dat
de "radarfunctie" van Veilig Thuis. Ook gaat het erover hoe je de
bestrijding en de informatievoorziening effectiever kunt maken. Daarbij
komt bijvoorbeeld aan de orde de terugkoppeling van Veilig Thuis naar de
zorgaanbieders of de huisartsen. Ook gaat het in dit kader om de vraag
of de registratie van adviezen beter kan en hoe de behandelingen beter
kunnen. Dat leidt onder andere tot een discussie over de Centra Seksueel
Geweld.
Wat mij opvalt in de hele discussie over een meldcode en een meldplicht,
is het volgende. Aan de ene kant vindt er een grote discussie plaats
over de voor- en nadelen van die meldplicht. Als je wat dieper kijkt, is
er eigenlijk heel veel overeenstemming in alle signalen die ik erover
krijg. Iedereen vindt dat de meldcode ongelofelijk goed is, dat die zijn
werking moet gaan krijgen en dat we niet al te snel moeten zeggen dat
het toch weer helemaal anders moet. Aan de andere kant zien we ook dat
er een aantal knelpunten zijn. Er zijn vraagtekens te plaatsen bij de
vraag of er wel voldoende wordt gemeld evenals bij de vraag of er
voldoende radarfunctie zit in de informatievoorziening tussen de
zorgaanbieders en Veilig Thuis en of er voldoende terugkoppeling
plaatsvindt als er signalen zijn dat het niet goed gaat.
In stap vijf van de meldcode zit de keuze: je meldt of je start een
hulptraject. Ik vind het zo aantrekkelijk aan het actieplan van mevrouw
Van der Burg dat het die vinger op die plek legt. Je gaat niet ineens
over tot een platte meldplicht, maar je probeert die stap vijf minder
vrijblijvend te maken. In het geval dat er geen melding van
kindermishandeling hoeft te worden gedaan, maar er een hulptraject kan
worden ingezet, is het goed dat er bij het registratiepunt een goede
check kan zijn: klopt dat, is er iets anders aan de hand en hebben we
goed in de gaten wat er nog meer rond dat kind of dat gezin zou kunnen
spelen? Ik ben er nog niet helemaal uit, maar ik ben zeer bereid om te
bekijken wat dat betekent voor de manier waarop wij de registratie
verder kunnen verbeteren. Als dat lukt, denk ik dat wij precies
tegemoetkomen aan de opmerkingen van zowel de Nationaal Rapporteur
Mensenhandel als de Kinderombudsman, Augeo en de taskforce: ga niet
alles veranderen, maar zorg ervoor dat die vrijblijvendheid uit die stap
vijf is en dat er een betere registratie en terugkoppeling is van
eventuele behandeling op grond van kindermishandeling.
De heer Voordewind (ChristenUnie):
Ik begrijp dat de staatssecretaris een compromis zoekt tussen het
plan-Van der Burg en het plan van de Partij van de Arbeid. Ik hoop dat
wij allen het belang van de strijd tegen kindermishandeling voor ogen
hebben. Ik ga ervan uit dat de staatssecretaris hetzelfde belang heeft.
Hebben wij nu scherp in beeld dat op het moment dat een huisarts zo'n
eigen plan opzet samen met de professionals, dat tot voldoende resultaat
leidt? Ik vraag mij af of je met die registratie niet organiseert wat de
huisarts nu al doet, namelijk professionals om advies vragen, een plan
opstellen en er vervolgens mee aan de gang gaan zonder dat er een
officiële meldplicht is voor die huisarts. Ik krijg daar graag
duidelijkheid over.
Staatssecretaris Van Rijn:
Het verschil is dat op het moment dat je een melding doet van
kindermishandeling, Veilig Thuis die zaak als het ware overneemt — het
is een verkeerde term, maar u begrijpt wat ik bedoel — om een traject
rondom kindermishandeling en jeugdhulp in te zetten. Op het moment dat
de behandelende arts die melding niet doet maar een traject opstart,
blijft het wat mij betreft bij die zorgaanbieder, maar is het wel goed
om te bekijken of er nog meer speelt wat informatie toevoegt waardoor je
tot een ander oordeel zou kunnen komen. Het belangrijkste in de
discussie rondom meldplicht, registratie en wat dies meer zij, is dat
bijna alle partijen zorgen hebben of het systeem van
informatievoorziening over en weer voldoende is. De Nationaal Rapporteur
Mensenhandel zegt: zorg ook bij adviesaanvragen voor een veel betere
registratie en een goede terugkoppeling naar de zorgaanbieder. Dat
zeggen Augeo en de Kinderombudsman ook: zorg ervoor dat die radarfunctie
wordt versterkt. De taskforce zegt: dit werkt goed, maar zorg ervoor dat
als er andere signalen zijn, die ook gecommuniceerd kunnen worden. Ik
denk dat het een verantwoord voorstel zou kunnen zijn. Als je ervan
overtuigd dat er sprake is van kindermishandeling, meld je dat gewoon
conform de vijfde stap. Als je denkt dat een traject volstaat, is het
goed als er een check is: klopt dat, zijn er misschien meer signalen die
tot een andere conclusie leiden? Dan hebben wij het in ieder geval in
beeld. Ik zal bekijken wat dat betekent. Misschien moet de wet daarvoor
worden aangepast en misschien hoeft dat helemaal niet. Het lijkt mij
verstandig om die discussie in die richting te beslechten, zodat wij in
het belang van het kind een beter werkend systeem hebben van de huidige
meldcode, waaraan wij nu toch een beetje twijfelen: werkt het goed, is
de kennis en kunde bij de zorgaanbieders goed, is de registratie goed?
Dan maakt het mij niet zoveel uit hoe je het duidt. Je kunt het een
verbetertraject rondom de huidige meldcode noemen. Je kunt zeggen dat de
vrijblijvendheid ervan afgaat. Ik merk dat als wij deze stap zouden
zetten, wij daadwerkelijk iets toevoegen om de werking van het huidige
stelsel van de meldcode te verbeteren.
De heer Voordewind (ChristenUnie):
Ik begrijp van de staatssecretaris dat dit niet leidt tot een meldplicht
in die vijfde stap, maar dat het signaal wordt afgestemd met de andere
professionals en dat zaken niet meteen uit handen worden geven aan
Veilig Thuis. Ik zie de staatssecretaris knikken. Dan is mijn vraag:
gebeurt dat op dit moment dan niet? Consulteert een zorgaanbieder de
andere professionals nu niet als hij het vermoeden heeft dat, en als hij
mogelijk een eigen traject wil inzetten? Wat is het belangrijkste
verschil met de huidige praktijk? Wat is er anders op het moment dat die
registratie misschien plaatsvindt?
Staatssecretaris Van Rijn:
Gelet op het aantal meldingen is er her en der wel twijfel over de vraag
of er voldoende wordt gemeld. Ik doe daar verder geen uitspraak over.
Dat probleem los je niet alleen op door het invoeren van een meldplicht,
maar ook door de werking van de meldcode te verbeteren. Daarnaast zie je
dat de koppeling tussen het besluit van een individuele zorgaanbieder en
de check of er meer speelt en of er op een andere plek meer informatie
is, kan worden versterkt. De Nationaal Rapporteur Mensenhandel, de
taskforce en de Kinderombudsman wijzen daar ook op. Je ziet dus
inderdaad dat de werking van de meldcode verbeterd kan worden.
Mevrouw Keijzer (CDA):
Ik vind het eigenlijk heel erg wat hier gebeurt. De staatssecretaris
legt eerst een beetje uit hoe de meldcode werkt, maar halverwege zijn
verhaal zegt hij: het is nu ook al zo dat je bij stap vijf beslist of je
zorg gaat verlenen of dat je het verplicht moet melden als er sprake is
van kindermishandeling. Dat is niet zo. Dat staat nu niet in de
meldcode. Vervolgens komt er een woordenbrij en zegt de staatssecretaris
ook nog dat hij gecharmeerd is van het voorstel van de VVD. Nou, dat
ziet op een meldplicht! Een en ander wordt even in de tijd
vooruitgeschoven en straks krijgen we een brief waarin dat staat. Dat
kan niet op deze manier, juist niet vanuit het belang van kinderen.
Volgens mij hebben wij hier allemaal een flink aantal vragen over
gesteld. Wat betekent dat straks? Wie gaat de opvolging doen? Wie gaat
het onderzoek doen? Hoe zit het met al die professionals die zeggen: doe
ons dit nu niet aan, want wij moeten goed implementeren en wij moeten
opgeleid worden? Hoe weet je dat er sprake is van kindermishandeling als
er een melding wordt gedaan? Waar kunnen ouders terecht die zeggen: dit
is waanzin; ik wil deze melding uit het systeem hebben? Dit kan niet op
deze manier.
Staatssecretaris Van Rijn:
Dat is toch een beetje jammer, want ik heb de meldcode gewoon voor me en
stap vijf houdt in: beslissen over zelf hulp organiseren of melden.
Mevrouw Keijzer (CDA):
Dat zeg ik.
Staatssecretaris Van Rijn:
Dat staat in de meldcode.
Mevrouw Keijzer (CDA):
Die heb ik ook al een aantal keren geciteerd.
Staatssecretaris Van Rijn:
We hebben het nu over de vraag hoe we dat effectief maken. Of je bent er
zo van overtuigd dat er sprake is van kindermishandeling dat je geen
hulpverleningstraject inzet en een melding van kindermishandeling doet,
met alle toeters en bellen die daarbij horen, om het maar even simpel
uit te drukken. Ik denk dan aan het inschakelen van Veilig Thuis, het
zorgen voor jeugdhulp en het bekijken of het kind nog thuis kan blijven.
Al die maatregelen kun je nemen en wat mij betreft moet je ook bekijken
hoe ze worden opgevolgd. Of je zet zelf een hulpverleningstraject in. In
dat geval vind ik het verstandig dat bekeken wordt of er meer informatie
beschikbaar is om te bekijken of er sprake is van een
hulpverleningstraject of dat er meer aan de hand is. Het lijkt mij heel
erg goed om dat te doen. Het lijkt mij heel goed dat er een
terugkoppelmechanisme van Veilig Thuis naar de zorgaanbieder is, zodat
kan worden bekeken of er meer informatie voorhanden is die de
zorgaanbieder zou moeten betrekken bij zijn of haar keuze. Het lijkt mij
echt heel verstandig om een dergelijk mechanisme te hebben. Dat
versterkt de radarfunctie van Veilig Thuis en de onderbouwde beslissing
van de hulpverlener en dat laat de verantwoordelijkheid van de
hulpverlener volledig intact. Ik kan dus niet anders zeggen dan dat dit
weleens een heel verstandig voorstel zou kunnen zijn.
Mevrouw Keijzer (CDA):
Dan voert de staatssecretaris dus tegen de wil van de complete sector
een meldplicht in. Ik wil dan alsnog antwoord krijgen op alle feitelijke
vragen die ik net gesteld heb. We krijgen direct een stapel met
meldingen van al dan niet vermeende kindermishandeling. Wie gaat die
meldingen bekijken? Wie gaat dat onderzoeken? Ik neem aan dat de ouders
bericht ontvangen dat er sprake is van een melding. Waar kunnen die
ouders terecht? Echt waar, dit kan niet op deze manier. Hier moet je
over nadenken. Je moet vaststellen wat dit betekent voor de
werkvoorraad. Je moet kijken naar al die verschillende dingen die aan de
orde zijn gesteld. Ik vind het echt … Nou ja, goed, ik krijg graag
feitelijke antwoorden op alle vragen die ik in eerste termijn gesteld
heb.
Staatssecretaris Van Rijn:
Ik ben toch een beetje verbaasd. We hebben die meldcode al. Bijna alle
vragen die mevrouw Keijzer nu stelt, kun je ook stellen bij die
meldcode. Daarover kun je precies dezelfde vragen stellen. We
discussiëren nu over één vraag, namelijk: is het verstandig om stap vijf
zodanig te laten werken dat daarmee wordt bereikt wat men ervan
verwacht? Wordt er melding gedaan van kindermishandeling als men denkt
dat daar sprake van is? Als men denkt dat er volstaan kan worden met een
hulpverleningstraject, kan er nog eens gecheckt worden of dat op zijn
plek is of niet. Er is immers misschien nog meer informatie die de
zorgverlener zou moeten kennen om tot een effectievere benadering te
komen. Daardoor kan Veilig Thuis meer in zijn rol terechtkomen en de
radarfunctie, die mevrouw Bergkamp al noemde, beter vervullen. Daardoor
kan er ook een goede terugkoppeling plaatsvinden tussen de zorgaanbieder
en Veilig Thuis om ervoor te zorgen dat het systeem werkt. Al die vragen
van mevrouw Keijzer zijn heel goede vragen. Die zijn ook allemaal
gesteld bij inwerkingtreding van de meldcode. Die leidden allemaal tot
oplossingen of knelpunten die we moeten gaan verwerken. Het is wel
verstandig om rekening te houden met de vraag die we verleden keer
allemaal hadden, namelijk of het wel werkt en of de
informatievoorziening verbeterd kan worden. Als daar goede voorstellen
voor komen, ben ik zeer bereid om te bekijken of die geïmplementeerd
kunnen worden.
Mevrouw Keijzer (CDA):
Voorzitter, ik wil graag nog een vervolgvraag stellen of anders mijn
volgende interruptiemogelijkheid, de derde dus, gebruiken.
De voorzitter:
Dat sta ik toe.
Mevrouw Keijzer (CDA):
Dit is een beetje Van Rijniaans. De staatssecretaris zegt: als je een
vermoeden hebt van kindermishandeling, dan meld je dat. Dat is een
meldplicht. Vervolgens zegt hij: al die vragen die mevrouw Keijzer
stelt, zijn ook aan de orde geweest bij de meldcode. Maar dat was nou
juist geen meldplicht. Ik wil dus gewoon antwoord op die vragen. Wat
betekent dit voor de werkvoorraad van Veilig Thuis? Wie gaat al die
onderzoeken doen? Gaat er extra geld naar gemeenten? Gaat er extra geld
naar de FPKM? Waar kunnen ouders terecht als een melding volgens hen
onterecht is? Hoe komen de meldingen weer uit het systeem? In het
buitenland blijkt gewoon dat bij het invoeren van een meldplicht de
hoeveelheid meldingen tegen het dak gaat en dat er heel veel meldingen
zijn die niet verder onderzocht worden. Hoe gaat de staatssecretaris
daarmee om? Waarom ben ik hier zo precies op? Juist in het belang van
het kind! In de stapels moeten geen kinderen verdwijnen omdat er
onvoldoende capaciteit voor onderzoek is.
Staatssecretaris Van Rijn:
Ik zit me even af te vragen of dit een Keijzeriaanse vraag is. Zij heeft
een hele redenering: als we een meldplicht invoeren, dan krijgen we
verkeerde stapels, onterechte meldingen en wat dies meer zij. Dat ben ik
met haar eens. Daarom voeren we die meldplicht ook niet in. In stap vijf
staat dat je een melding doet of een hulpverleningstraject start. Wij
willen bewerkstelligen dat er bij het starten van een
hulpverleningstraject goede communicatie plaatsvindt tussen de
hulpverlener en Veilig Thuis om te bekijken of er een verantwoorde
beslissing genomen wordt. Dat is wat er aan de orde is. Dat is dus geen
meldplicht. Daarbij zouden alle bezwaren gelden die mevrouw Keijzer
noemde en waar ik het ook mee eens ben. Het gaat ons juist om die andere
kant, namelijk het beter laten werken van stap vijf van de meldcode. Dat
is echt wat anders dan mevrouw Keijzer veronderstelt. Het is geen
meldplicht. Het is versterkte communicatie bij het in gang zetten van
het hulptraject door de hulpverlener zelf, met een check erbij: volstaat
dit of is er nog meer informatie beschikbaar die aanleiding zou kunnen
zijn voor een andere beslissing? Dat lijkt mij een betere werking van de
meldcode. Dat is wat anders dan een meldplicht. Laten we dan ook niet
doen alsof het een meldplicht is, want dat is gewoon niet zo.
Mevrouw Keijzer (CDA):
Wat is het starten van een hulptraject in dezen? Is dat ook het gesprek
voeren over wat er aan de hand is?
Staatssecretaris Van Rijn:
Dat heeft dan natuurlijk al plaatsgevonden. Dat leidt dan juist tot de
beslissing om jeugdhulp, jeugd-ggz, ondersteuning in het gezin of
opvoedingsondersteuning in gang te zetten. Dat is een hulptraject
inzetten.
Mevrouw Voortman (GroenLinks):
De staatssecretaris zegt dat er eigenlijk geen sprake is van wijziging
van een meldcode naar een meldplicht, maar de coalitiepartijen hebben
wel gevraagd ervoor te zorgen dat informatie die bij hulpverleners rust,
gedeeld wordt. Dat is volgens mij wel een wijziging. Dat is een
wijziging waarvan ik mij afvraag of het niet ten koste gaat van de
privacy van mensen en van het medisch beroepsgeheim. Wij kunnen nog een
hele discussie voeren over de vraag of een registratieplicht hetzelfde
is als een meldplicht, maar is de staatssecretaris bereid om, als hij
met een voorstel komt, dat voor te leggen aan het College bescherming
persoonsgegevens en de Raad van State? Ik denk dat zij de meest
aangewezen partijen zijn om, voordat er een wetswijziging komt — áls er
een wetswijziging komt — een duidelijk overzicht te maken van de
privacyeffecten en de juridische kant hiervan.
Staatssecretaris Van Rijn:
Ja, dat was ik zelf ook van plan. Ik had eigenlijk het plan opgevat om
in de eerstvolgende rapportage over geweld in afhankelijkheidsrelaties —
die komt in december als ik mij niet vergis — een reactie te geven op
het plan van aanpak dat we zojuist aangeboden hebben gekregen, waarvan
dit element deel uitmaakt, en mee te nemen wat de ins en outs, de
juridische consequenties en regelgevingsconsequenties van het plan zijn.
Ik ga dus in de voortgangsrapportage die ergens in december verschijnt,
uitgebreid op dit voorstel in.
Mevrouw Voortman (GroenLinks):
Ik wil daar ook graag onafhankelijk advies bij hebben van het College
bescherming persoonsgegevens en de Raad van State. Zegt de
staatssecretaris dat ook toe?
Staatssecretaris Van Rijn:
De Raad van State wordt ingeschakeld als er sprake zou zijn van een
wetsvoorstel, maar daar ben ik nog niet uit.
Mevrouw Voortman (GroenLinks):
Nee, dat begrijp ik.
Staatssecretaris Van Rijn:
Is het niet verstandig dat ik eerst een uitgebreide reactie geef op het
plan van aanpak, inclusief alle voetangels, klemmen en juridische vragen
die je erbij zou kunnen hebben. Dan kan de Kamer daarover spreken.
Daarna kunnen wij altijd nog met elkaar bespreken welke adviezen er nog
meer nodig zijn om dit tot een goed einde te brengen.
De voorzitter:
Ik zag al eerder dat mevrouw Kooiman wilde interrumperen en ik zie nu
dat ook dat mevrouw Bergkamp een interruptie heeft.
Mevrouw Kooiman (SP):
Ik snap de worsteling van de taskforce enigszins. Er is een verplichte
meldcode. Als je de stappen van die verplichte meldcode doorloopt, kom
je uiteindelijk bij stap vijf terecht. Als je het vermoeden hebt dat er
kindermishandeling plaatsvindt en je die niet meldt, moet je je
natuurlijk niet verschuilen achter het beroepsgeheim en dat soort zaken.
Daar ben ik het wel mee eens. Wij hebben er alles aan gedaan om ervoor
te zorgen dat mensen die nu niet melden, wel gaan melden. De huisartsen
melden bijvoorbeeld bedroevend slecht, terwijl het melden juist
ontzettend goed gaat in de ziekenhuizen, omdat zij combinatiepakketten
hebben. Als wij bekijken waar het probleem daadwerkelijk zit, hebben wij
een wereld te winnen. Wij moeten ervoor zorgen dat wij de screening, de
inspectie en het trainen stimuleren. Wat gaat de staatssecretaris
daaraan doen?
Staatssecretaris Van Rijn:
Het korte antwoord is dat ik het daar honderd procent mee eens ben.
Verleden keer hebben wij gesproken over de meldcode en de werking
daarvan. Wij hebben toen ook gezien dat er her en der zorgen leven over
het aantal meldingen en over de vraag of de informatievoorziening goed
is. Wij hebben op dat vlak nog een heel verbetertraject te gaan. Mevrouw
Kooiman noemt nu de combinatie, namelijk zorgen voor goede scholing en
informatievoorziening, en dat er vervolgens gemeld wordt als dit aan de
orde is. Daar ben ik het zeer mee eens. Wat mij betreft maakt dit
integraal deel uit van de verbeteraanpak.
Mevrouw Kooiman (SP):
Dat zou echt al een hele verbetering zijn. Het andere punt dat collega's
ook al hebben aangekaart, is Veilig Thuis. In de praktijk lopen de
Veilig Thuis organisaties momenteel vast, omdat ze heel veel meldingen
krijgen en die niet allemaal aankunnen. In het debat gaf de collega van
de VVD ook al aan dat je misschien moet kijken naar het verschuiven van
middelen en dat je dus moet bekijken of die instanties meer middelen
nodig hebben. Is de staatssecretaris bereid om in de volgende
voortgangsrapportage in ieder geval op te nemen hoe het met de
wachtlijst staat en wat wij eraan kunnen doen om die zo veel mogelijk
weg te werken?
Staatssecretaris Van Rijn:
Zoals bekend had ik vorige keer toegezegd dat wij een rondje zouden
maken langs de Veilig Thuis organisaties om te bezien welke knelpunten
zij ondervinden. Ik ga ervan uit dat dit daar ongetwijfeld aan de orde
zal komen en dat wij aan de hand van dat rondje zullen bekijken welke
oplossingen er voor welke knelpunten zijn. Ik ga die oplossing in met
een open mind.
Mevrouw Bergkamp (D66):
Ik steun het betoog van mevrouw Keijzer en mevrouw Voortman. Wij moeten
hier zorgvuldig naar kijken en onafhankelijk advies hierover inwinnen.
Wij zijn nu een paar jaar verder. De meldcode is uitgebreid behandeld.
Ik zou echt het slecht vinden als wij in de tussentijd, dus lopende het
traject, zouden komen tot een wijziging. Dat ben ik ook niet gewend van
deze staatssecretaris. Wij gaan nu ook niet dingen op het gebied van de
Jeugdwet heel ingrijpend veranderen. Dit zou wel heel ingrijpend zijn
voor de meldcode. Daar komt ook nog bij dat er voor de meldcode echt
uitgebreid onderzoek is geweest. Er is gekeken naar ervaringen uit het
buitenland, naar de dingen die daar goed of juist averechts werken. Het
kan toch niet zo zijn dat er een wijziging komt, omdat de twee
coalitiepartijen er niet helemaal uitkomen? Ik vraag de staatssecretaris
echt om goed onderzoek te doen en om niet zomaar tot een verandering te
komen, want dat heeft allerlei consequenties op het gebied van privacy
en het medisch beroepsgeheim. Ook ontstaat er onduidelijkheid voor
professionals, omdat zij dan niet weten wat zij moeten doen. Ik vraag de
staatssecretaris dus om dit zorgvuldig te doen, er voldoende tijd voor
te nemen en om in deze periode niet met een wijziging te komen.
Staatssecretaris Van Rijn:
Ik ben het zeer eens wat betreft die zorgvuldigheid, die voorop zal
blijven staan. Voor mij staat de inhoud voorop bij dit onderwerp, daar
moet men van overtuigd zijn. Wat mij heeft gemotiveerd om te bekijken of
we een volgende verbeterslag moeten maken, is dat los van die discussie
over meldcode of meldplicht door elke partij werd gevraagd hoe we het
beter kunnen laten werken. Dat heeft soms te maken met de
informatievoorziening bij Veilig Thuis; met de terugkoppeling tussen
Veilig Thuis en de professionals of met de zorgen die er zijn of er wel
voldoende wordt gemeld.
Wat mij betreft is dit een verbeterslag van de meldcode, om ervoor te
zorgen dat de informatievoorziening tussen Veilig Thuis en de
zorgprofessionals beter gaat lopen. Ik ben het er zeer mee eens dat
daarbij zorgvuldigheid nodig is. Ik heb nog helemaal geen opvatting over
de vraag of dat zou moeten leiden tot een wetswijziging. Laten we dat
eerst maar eens heel zorgvuldig bekijken. Maar dat er een verbeterslag
nodig is bij de werking van die meldcode, is iets waarover de Rapporteur
Mensenhandel, de Kinderombudsman, Augeo en de taskforce het eens zijn,
dus het lijkt mij goed om daarnaar te luisteren en geen dingen te doen
waar wij spijt van zouden hebben. Daar ben ik het ook zeer mee eens.
Mevrouw Bergkamp (D66):
Dat klinkt heel redelijk. Ik ben blij dat de staatssecretaris zegt dat
het hem gaat om de inhoud. Ik hoor hem niet zeggen dat hij gaat kijken
wat hij kan doen om de scholing te verbeteren of om de capaciteit van de
vertrouwenspersonen te verbeteren of waarom er verschillende systemen
zijn bij Veilig Thuis die niet goed op elkaar aansluiten. Hij gaat niet
kijken waarom die verwijsindex niet werkt en hoe die verbeterd kan
worden. Ik vind dat we ons blind focussen op die meldplicht, meldcode en
registratieplicht, terwijl er heel veel andere dingen omheen zitten die
verbeterd kunnen worden. Niet zo lang geleden hebben we een debat
gevoerd, waarin bleek dat ook niet zeker is of Veilig Thuis zorgt voor
goede begeleiding en zorg, als er gemeld wordt. Als er strafrechtelijke
vervolging plaatsvindt, ontbreekt vaak het forensisch bewijsmateriaal.
Ik vind echt dat de focus verkeerd wordt gelegd. We moeten het traject
aan de voorkant en aan de achterkant verbeteren in plaats van die focus
op de meldplicht, die nu een registratieplicht wordt. Ik vraag aan de
staatssecretaris of dat hele pakket niet veel belangrijker is dan die
focus op of die fetisj van die verplichting. Andere dingen zijn veel
belangrijker voor een goed werkende meldcode, om ervoor te zorgen dat
kinderen gewoon veilig zijn.
Staatssecretaris Van Rijn:
Ik vrees dat ik niet zo gek veel verstand heb van fetisj, maar u hebt
gelijk. In het vorige Kamerdebat heb ik al aangegeven dat wij een rondje
Veilig Thuis gaan doen om te bekijken welke knelpunten er zijn en welke
verbeterslagen daar gemaakt moeten worden. In het vorige debat heb ik
aangegeven dat wij een rondje maken langs de beroepsgroepen, met
quickscans, om te kijken hoe het zit met de scholing, kennis en kunde
van de beroepsgroepen. In het vorige rondje heb ik aangegeven dat ik met
de Kinderombudsman en Augeo wil gaan kijken of de scholing en de
informatievoorziening bij zorgaanbieders en scholen verbeterd kunnen
worden. Dat is een traject waar wij al mee bezig waren. Ik zie ook dat
het plan van aanpak kindermishandeling van mevrouw Van der Burg veel
breder is dan alleen die meldplicht. Ik ben het daar wel mee eens. We
focussen nu zeer op dit punt, maar dat is maar een onderdeel van de hele
aanpak. We hebben al heel veel regelgeving ontworpen. Ik benadruk dat ik
sinds het vorige debat al acties in gang heb gezet die gericht waren op
het verder verbeteren van die meldcode. Dit kan daarbij een element
zijn.
De voorzitter:
Dat was inmiddels de derde vraag in de interruptieronde. Als u nog één
korte vraag ter verheldering hebt, …
Mevrouw Bergkamp (D66):
Dank u wel voor deze kans. Dan zou ik concreet willen weten wat er gaat
gebeuren. Komen er meer vertrouwensartsen? Hoe gaan we naar die scholen?
Het is heel belangrijk dat de staatssecretaris bezig is met Veilig
Thuis, maar ik wil wel weten wat de resultaten zijn op de terreinen die
ik net noemde, want daarmee hebben we echt een integraal pakket.
Staatssecretaris Van Rijn:
Dat wil ik ook. Wij zullen die meenemen in de voortgangsrapportage die
ik zojuist heb beloofd, en die een breed overzicht geeft van waar we
staan. Op welke punten kan de aanpak van kindermishandeling verbeterd
worden? Wat zijn de bevindingen van Veilig Thuis, de taskforce en de
Rapporteur Mensenrechten? Wat is het totale pakket aan verbeteringen dat
wij kunnen doorvoeren om het beter te laten werken?
De voorzitter:
Dit wordt meegenomen in de voortgangsrapportage. Ik vraag de
staatssecretaris om zijn betoog voort te zetten.
Staatssecretaris Van Rijn:
Dan kom ik nu toe aan het punt van de privacy.
De voorzitter:
Voordat u op de privacy ingaat, wil mevrouw Van der Burg toch nog een
vraag stellen.
Mevrouw Van der Burg (VVD):
Ik dank de staatssecretaris voor de toezegging om hierop terug te komen.
Ik begrijp dat hij nu niet op alles kan reageren. Ik dacht dat hij de
Centra Seksueel Geweld ook onder dit kopje zou behandelen. Eerlijk
gezegd, wil ik dat wel even weten. Dat is immers ook een zeer aangelegen
punt.
Staatssecretaris Van Rijn:
Mevrouw Van der Burg heeft in mijn brief gelezen dat ik inderdaad van
plan ben om die uitrol te borgen. Ik kan mij echter ook voorstellen dat
zij iets meer wil weten: hoe gaat dit nu precies en welke middelen
worden daarvoor uitgetrokken? Ik dacht dat een aantal Kamerleden het
verzoek had gedaan om dat nog voor de begrotingsbehandeling van V en J
aan de Kamer kenbaar te maken. Dat wil ik graag toezeggen. Daar zal ik
dus voor zorgen.
De voorzitter:
Dat is dan deze week, want die begroting staat volgende week op de
agenda.
Staatssecretaris Van Rijn:
Dat is dan deze week, voorzitter.
Mevrouw Van der Burg (VVD):
Dank voor deze toezegging. Wij hebben de brief gelezen. Wij vertrouwen
erop dat dit inderdaad in orde komt.
De voorzitter:
De staatssecretaris vervolgt zijn betoog over de privacy.
Staatssecretaris Van Rijn:
In het verleden is al heel veel over de privacy gesproken. In de wet
zitten al enkele waarborgen. Dossiers die gegevens bevatten over de
gezondheid van de cliënt, zijn persoonsgebonden en mogen alleen worden
ingezien door de behandelend professional. Of die professional in dienst
is van de gemeente of niet, doet er niet toe, want de professional is
gebonden aan de eisen die in de wet staan. Daarin is ook geregeld wat
ambtenaren en professionals over de cliënt mogen weten. Dat hangt af van
de functie en van de relatie tot de cliënt. Dat staat ook in de
wet.
Ik denk dat wij hierbij met twee punten te maken hebben. Naar ik meen
hebben mevrouw Bergkamp en mevrouw Kooiman daarop gewezen. De wet bevat
waarborgen. Die klinken op zichzelf goed, maar uiteindelijk gaat het ook
hierbij natuurlijk om de werking in de praktijk. Snapt iedereen het? Is
iedereen voldoende op de hoogte? Is iedereen voorzichtig genoeg op dat
punt? Zijn er bijvoorbeeld goede regelingen voor het declaratieverkeer?
Op dat punt hebben wij met instemming van het College bescherming
persoonsgegevens een tijdelijke regeling opgesteld. Nu ligt de veegwet
voor, die naar de Kamer is gestuurd. Daarover zijn vragen gesteld en ik
heb geprobeerd om die zo goed mogelijk te beantwoorden. Ik zou het zeer
op prijs stellen als de Kamer deze wet zo snel mogelijk behandelt.
Daarmee wordt immers een stevige juridische basis onder die
privacyvraagstukken gelegd. Dat laat alle afspraken die onder anderen
door de minister van V en J met bijvoorbeeld de VNG zijn gemaakt,
onverlet. Deze hebben betrekking op de vraag hoe wij het
privacybewustzijn en de kennis en kunde bij de gemeenten nog verder
kunnen versterken door middel van cursussen en opleidingen. Dat er
knelpunten zijn op het gebied van kennis en kunde is immers helder. Dat
hebben wij op ons netvlies. Die twee bewegingen worden en moeten worden
gemaakt: aan de ene kant moet de veegwet zo snel mogelijk worden
behandeld om de juridische basis te versterken en aan de andere kant
moeten wij ervoor zorgen dat de kennis en kunde bij de gemeenten, de
professionals en ambtenaren verder wordt vergroot.
Misschien is het een beetje opvallend dat wij ook in dit debat heel
weinig hebben gesproken over de vernieuwingsslag. Wij hebben wel
gesproken over de transitie en de fase waarin wij ons nu bevinden, maar
niet over de vernieuwingsslag. Ik zal daar dus kort over zijn. De
opmerking van mevrouw Ypma wil ik natuurlijk niet tenietdoen. Vandaar
dat ik nog even wil noemen dat wij niet moeten vergeten dat er in het
veld ongelofelijk veel gebeurt. Ik heb dit voorjaar de Kamer de
Vernieuwingsagenda Jeugd aangeboden, met een aantal opmerkingen daarbij.
Op 5 oktober was ik bij de Voor de Jeugd Dag in Amsterdam, waar zo'n
1.400 professionals hun kennis hebben gedeeld over de goede voorbeelden
van vernieuwingen in het land. Ik kan niet anders zeggen dan dat ik
onder de indruk ben van de hoeveelheid acties, activiteiten en
vernieuwingen die op het gebied van de jeugdhulp en jeugdzorg zijn
doorgevoerd. Ik wil het komende voorjaar met alle stakeholders in de
jeugdzorg de voortgang van die vernieuwingen bespreken en ik zal de
Kamer daarover ongetwijfeld verder melden.
Ik kom nu aan een aantal specifieke vragen, maar niet dan nadat ik het
over de asielzoekersjongeren heb gehad. Mevrouw Voortman, de heer
Voordewind en mevrouw Bergkamp hebben daarover vragen gesteld. Het COA
hanteert als uitgangspunt dat ouders verantwoordelijk zijn voor het
welzijn van hun kinderen. De opvang moet goed zijn en er moet volop
aandacht zijn voor het welzijn en het welbevinden van kinderen. Dat
betekent dat geprobeerd is de opvang van gezinnen zodanig vorm te geven
dat het gezinsleven zoveel mogelijk kan worden voortgezet. Er zijn veel
extra voorzieningen gecreëerd met het oog op het belang en het welzijn
van het minderjarige kind, bijvoorbeeld met het project Kind in de
opvang. Ook worden jaarlijks juist in de azc's diverse projecten
gefinancierd om het welzijn van kinderen te verbeteren. Het COA heeft
ook gekwalificeerd personeel voor de kinderen beschikbaar.
Bij de opvang van alleenstaande minderjarige vreemdelingen is behalve
het COA ook de Stichting Nidos betrokken. De Stichting Nidos voert een
onafhankelijke voogdijtaak uit voor alle amv's in Nederland. Vooralsnog
ligt de dagelijkse zorg voor kinderen jonger dan 12 jaar bij een
pleeggezin, dat door de Stichting Nidos wordt toegewezen. Wij hebben
daar eerder op 15 september 2014 over gesproken. De toenmalige
staatssecretaris van Veiligheid en Justitie heeft toegezegd dat een
nieuw opvangmodel in werking zou treden, waarbij kleinschaligheid
vooropstaat en waarbij het uitgangspunt is dat jongeren in verband met
de continuïteit zo min mogelijk worden overgeplaatst. In de praktijk
zien we dat er een enorm aantal asielzoekers en dus ook jeugdige
asielzoekers in de opvang komt en dat het heel lastig is om tijdig de
nodige opvang en hulp te verlenen. Er is specifieke aandacht voor de
zorgbehoefte van kinderen, inclusief de traumazorg. Dat betekent dat er
voldoende aandacht voor is en dat die zorg na een half jaar niet stopt.
Wel vindt elk halfjaar een herbeoordeling plaats van de ontwikkeling van
het kind en van de eventuele status van het kind, zodat we weten wat we
in de volgende periode moeten doen. Het stopt dus niet na een halfjaar.
Er vindt een herbeoordeling plaats en als de zorg moet worden verlengd,
dan vindt die verlenging ook plaats. Dat is ook eerder met de
staatssecretaris van Veiligheid en Justitie gewisseld en deze afspraken
gelden nog steeds.
Mevrouw Voortman (GroenLinks):
Hoe zit het dan met andere kinderen, dat wil zeggen kinderen die niet
gedocumenteerd zijn en die in een asielzoekerscentrum wonen?
Staatssecretaris Van Rijn:
Bij mijn weten gelden voor hen dezelfde afspraken. Met het COA zijn
afspraken gemaakt over welke zorg nodig is voor een goed welzijn en
welbevinden van het kind. Elke keer wordt gekeken of dat goede zorg is,
inclusief de zorg die het specifieke kind in die specifieke situatie
nodig heeft.
Mevrouw Voortman (GroenLinks):
Ik denk dat de staatssecretaris mijn vraag niet goed heeft begrepen. Hoe
zit het met kinderen die niet die aparte status hebben gekregen in de
Jeugdwet? In de Jeugdwet is een apart artikel opgenomen voor kinderen in
azc's, voor ongedocumenteerde kinderen, namelijk dat na dat halfjaar
wordt gekeken hoe het met de zorg zit. Dat is anders dan met
bijvoorbeeld een kind van ons. Als mijn kind jeugdzorg nodig zou hebben,
wordt niet na een halfjaar gekeken hoe het daarmee zit. Dat is het
principiële verschil waar ik het hier over heb.
Staatssecretaris Van Rijn:
Dat heeft te maken met de asielstatus van het kind, waardoor nog niet
duidelijk is of er sprake is van terugzending of niet. Dat is destijds
ook gewisseld. Om die reden wordt ook elke keer gekeken welke zorg kan
worden gegeven. Als de procedure volgende maand eindigt en het kind
terug moet naar het land van herkomst, maakt het nogal wat uit welke
zorg je dan voor het kind beschikbaar hebt of niet. Het hangt natuurlijk
af van de lengte van het traject. De vraag welke zorg je wel of niet
verstrekt aan het kind, hangt samen met de speciale asielstatus.
De voorzitter:
Mevrouw Voortman, gaat u gebruikmaken van uw derde interruptie? We doen
interrupties namelijk in tweeën.
Mevrouw Voortman (GroenLinks):
Nee. De staatssecretaris heeft mijn vraag namelijk niet goed
begrepen.
De voorzitter:
Oké, daar ben ik coulant in. Dan kunt u een vraag stellen om een en
ander nog verhelderd te krijgen.
Mevrouw Voortman (GroenLinks):
Dank u wel, voorzitter. Dit is precies het punt waarop ik kritiek uit.
Je laat dus de asielstatus meewegen in de vraag of een kind zorg nodig
heeft of niet. Of een kind zorg nodig heeft of niet, moet volgens mij
worden bepaald aan de hand van de zorgvraag van het kind en niet aan de
hand van de vraag of een kind binnenkort wordt uitgezet.
Staatssecretaris Van Rijn:
Volgens mij hebben we dat punt gewogen bij de totstandkoming van de
Jeugdwet. Toen hebben we er ook over gediscussieerd. Natuurlijk is de
behoefte aan zorg bepalend voor de zorg die je geeft. Voor het traject
dat je kunt inzetten en de duur ervan maakt het echter wel uit of het
kind volgende maand teruggaat naar het land van herkomst of niet. De
zorgbehoefte is dus leidend, maar de vraag of een kind over een maand
nog hier verblijft, is bepalend voor de duur van de zorg die je
geeft.
Ik kom nu toe aan een aantal specifieke vragen. Mevrouw Kooiman vroeg
hoe we zorgen voor een merkbaar mindere regeldruk en hoe we dit gaan
meten. Ik zie af van een algemeen betoog over regeldruk, maar je hebt de
echte regeldruk, die veroorzaakt wordt door de regeltjes van
instellingen of het Rijk, en de ervaren regeldruk. We moeten hier niet
een abstract traject van maken waarin weer wat regels geschrapt worden.
We moeten met de werkvloer om de tafel zitten en bespreken welke regels
en regeldruk men ervaart. Vervolgens moeten we bekijken hoe we een en
ander kunnen opruimen. Ik wijs op het traject dat met de huisartsen is
afgelegd. Er is met hen bekeken welke regels overbodig zijn en waarin
slagen gemaakt kunnen worden. Ik wil zo'n zelfde traject in de
jeugdzorg. Gemeenten en aanbieders zijn hier overigens ook mee
bezig.
Mevrouw Kooiman heeft een vraag gesteld over de commissie-De Winter. Ze
vroeg zich af waarom 1945 wordt gehanteerd. Er zijn twee argumenten
voor. Ten eerste sluiten we aan bij de commissie-Samson. Deze hanteert,
overigens net als de commissie-Deetman, dezelfde onderzoeksperiode. Ten
tweede is er ook sprake van enige praktische argumentatie. Voor 1945 is
er niet of nauwelijks documentatie die onderzocht kan worden. De bronnen
zijn zeer onbetrouwbaar en moeilijk te achterhalen. Enerzijds sluit men
dus aan bij de bestaande commissies. Anderzijds is het simpelweg een
beslissing aan de hand van het aanwezige bronmateriaal.
Mevrouw Kooiman (SP):
De ene commissie heeft het niet gedaan, maar een andere commissie doet
het mogelijk wel. Al doende leert men, denk ik dan. Je zou ook de groep
kunnen verbreden, omdat je ziet dat er toch slachtoffers zijn. Zo zou je
ook kunnen redeneren. De staatssecretaris noemt ook de argumentatie over
de dossiers. Over de periode van 1945 en iets daarna zijn de dossiers
ook niet altijd toereikend. We stellen mensen echter wel in staat om hun
verhaal te doen. Ik verwacht niet dat de groep heel groot is. Er zijn nu
nog heel weinig overlevenden die hun verhaal kunnen doen, maar laat de
paar mensen die dit kunnen doen, hun verhaal doen bij de commissie-De
Winter. Die behoefte is er namelijk.
Staatssecretaris Van Rijn:
Misschien is het goed om dit te bespreken met de commissie-De Winter.
Dit waren in ieder geval de redenen waarom men het zo gedaan heeft. Men
wilde aansluiten bij alle andere commissies die op dit punt zijn
ingesteld. Ik wijs erop dat het op het gebied van geweld of
disciplinaire handelingen nog veel ingewikkelder is, omdat de
documentatie daarover ontbreekt. In die periode waren er nog nauwelijks
geweldsinstructies. Die hadden er wel moeten zijn. Het is dus echt heel
ingewikkeld om bij gebrek aan bronmateriaal te toetsen wat er aan de
hand is geweest. Laten we echter bekijken of de commissie-De Winter ook
vindt dat er aanleiding toe is. Ik ben zeer bereid om dit nog een keer
met de commissie te bespreken.
Mevrouw Kooiman (SP):
Dat is mooi, want ik had een motie op dit punt, maar die hoef ik niet in
te dienen als de staatssecretaris mij kan zeggen wanneer hij de Kamer
hierover informeert.
Staatssecretaris Van Rijn:
Zal ik in het voorjaar een voortgangsrapportagetje doen?
De voorzitter:
Toegezegd wordt dat er in het voorjaar wordt gerapporteerd.
Staatssecretaris Van Rijn:
Ik zal het verkleinwoord maar loslaten, want het worden altijd van die
dikke rapportages.
In antwoord op de vraag of de inspectie toezicht kan houden op met een
pgb ingekochte jeugdhulp merk ik op dat een instelling in Nederland
alleen onder de jeugdzorg valt als zij jeugdhulp verleent op
verantwoordelijkheid van de gemeente. Dan is er gewoon sprake van
toezicht door de Inspectie Jeugdzorg, ook als het gaat om een pgb.
Daarop kan de inspectie toezicht houden. Op een zorgaanbieder in het
buitenland zal de inspectie van het desbetreffende land toezicht moeten
houden. Onze inspectie heeft daar geen jurisdictie. De gemeente en
eventueel de inspectie hebben de taak om toezicht op een pgb te houden.
Mevrouw Kooiman heeft hierover schriftelijke vragen gesteld. Die
beantwoorden wij zo spoedig mogelijk.
Mevrouw Van der Burg heeft specifieke vragen gesteld over de
cliëntondersteuning. Zo heeft zij gevraagd of ik bereid ben om gemeenten
te stimuleren tot het daadwerkelijk inzetten van cliëntondersteuning en,
zo ja, hoe. In september jl. heb ik alle wethouders nadrukkelijk om
aandacht voor cliëntondersteuning gevraagd. Cliëntenorganisaties hebben
aanbevelingen bijgesteld. Ik zal dit nog eens meenemen in de brief die
ik binnenkort aan de wethouders stuur. Overigens kunnen
cliëntenorganisaties ook zelf de betreffende gemeenten aanspreken. Mij
lijkt dat een effectieve methode. Het hoeft niet allemaal via de
staatssecretaris te lopen. Ik ben het overigens met mevrouw Van der Burg
eens dat er onafhankelijke cliëntondersteuning moet zijn, maar dat de
vorm ervan kan verschillen. Ik geloof dat mevrouw Bergkamp daarnaar ook
vroeg. In sommige gevallen werkt het heel goed dat cliëntondersteuning
deel uitmaakt van het wijkteam, met behoud van de onafhankelijke
positie, omdat die dan zeer goed gewogen kan worden.
Mevrouw Van der Burg vroeg of de Tweede Kamer begin 2016 wordt
geïnformeerd over de uitkomsten van de overleggen met de gecertificeerde
instellingen over de waarheidsvinding. Namens de minister van Veiligheid
en Justitie kan ik dat inderdaad toezeggen.
Over de gesloten jeugdhulp en het plaatsen zonder machtigingen is
inderdaad nader overleg tussen het ministerie van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport en de Inspectie Jeugdzorg, Jeugdzorg Nederland en de
VNG gevoerd. Daaruit is een aantal vragen voortgekomen. Aan de ene kant
is iedereen het er volgens mij over eens dat er zonder machtigingen geen
sprake kan zijn van plaatsing in een gesloten jeugdzorginstelling met
het daarbij behorende regime. De instellingen hebben aangegeven dat een
en ander nogal afhangt van de setting. Stel je voor dat er op het
terrein meerdere gebouwen zijn en dat je in een gebouw gesloten
jeugdhulp met machtiging hebt en in een ander gebouw vrijwillige
plaatsing, niet in een gesloten setting, maar in een besloten setting,
om het zo maar te zeggen. Is er dan sprake van een ongewenste situatie?
Ik heb aan de inspectie gevraagd om dat punt even te toetsen, want ik
wil daarover zonneklaar zijn. Jongeren mogen natuurlijk niet in een
gesloten setting terechtkomen zonder dat daarvoor machtigingen zijn
gegeven. Tegelijkertijd wil ik nagaan of er op hetzelfde terrein
mogelijkheden zijn waarvan de instellingen zeggen dat het daaronder niet
valt. We hebben aan de inspectie gevraagd om dat te toetsen. In januari
zal dat gebeurd zijn. Daarna informeer ik de Kamer nader.
Mevrouw Van der Burg (VVD):
Ik dank de staatssecretaris voor deze toezegging, want het is een
ernstige zaak. Rechters blijken jeugdinstellingen hierom ook terug te
fluiten. Dat is op zichzelf heel positief. Ik heb gevraagd of het in dit
geval zo met de inspectie kan worden georganiseerd dat volstrekt
duidelijk is wanneer dit ongeoorloofd is en wat daarvan de consequenties
zijn. Dergelijke zeer ernstige praktijken waarbij een jeugdige zijn
vrijheid is ontnomen, kun je niet zomaar even terugdraaien. Daarom zit
ik hier zo op. Ik vind het echt vergaand.
Staatssecretaris Van Rijn:
Dat deel ik met mevrouw Van der Burg. Het moet zonneklaar zijn wat wel
en wat niet kan. Precies om die reden heb ik deze vraag aan de inspectie
voorgelegd.
Ik wil nu ingaan op de vragen van mevrouw Kooiman over CORV. Op 15
oktober heb ik de Kamer laten weten hoe het zit met het gebruik daarvan.
Toen vond ongeveer 65% van de gegevensuitwisseling plaats via CORV. We
hebben toegezegd de Kamer te berichten over de voortgang. Er zijn
berichten in de media dat het gebruik van CORV stagneert. Ik denk dat
CORV op zich een betrouwbaar systeem is. Ze is bijna 100% van de tijd
operationeel. Ze kan dus gebruikt worden, maar wordt nog niet volledig
gebruikt. De minister van V en J spreekt de partijen aan op de
wettelijke verplichting om CORV te gebruiken. Wij zijn ook bezig om het
gebruiksgemak verder te versterken en verbeteren. Daarnaast dringen wij
er bij de partijen op aan, behalve in de spoedgevallen, geen berichten
meer buiten CORV om te versturen en accepteren. Dat heeft steeds meer
effect. De komende tijd gaat de aandacht er dus naar uit om die 65% te
laten stijgen. Het ministerie van V en J heeft overigens een
projectleider aangetrokken om te zorgen dat het gebruik van CORV verder
wordt bevorderd. Die gaat naar de gemeenten toe, bekijkt wat er aan de
hand is en zal hen wijzen op hun verantwoordelijkheden. Wij zijn het
gebruik van CORV dus ook met personele capaciteit aan het
versterken.
De voorzitter:
Voor iedereen die dit debat volgt: CORV is een beveiligd elektronisch
communicatiesysteem.
Staatssecretaris Van Rijn:
Om dezelfde reden als mevrouw Van der Burg heb ik mij ook niet aan het
vertalen van die afkorting gewaagd. Ik hoop dat iedereen begrijpt wat
wordt bedoeld.
Mevrouw Van der Burg stelde een vraag over de kleinschalige
voorzieningen, met name de weekarrangementen. Dat is inderdaad een
lastig punt. Tot nu toe werken de justitiële jeugdinrichtingen niet met
weekarrangementen. Wel kan er als onderdeel van het algemene
verlofbeleid wat variatie en flexibiliteit worden geboden. Interessant
is dat er in Amsterdam een pilot met forensische pleegzorg van start is
gegaan. Mijn collega van V en J en ik bekijken of die pilot navolging
verdient. Ik heb het zo begrepen dat werd gevraagd of we ook willen
bekijken of er in de wet- en regelgeving en in het strafrecht meer
mogelijkheden zijn om dit type flexibiliteit in te bouwen. We zullen dat
doen aan de hand van de vraag of de pilot in Amsterdam succesvol is of
niet. Ik wil mevrouw Van der Burg dus graag toezeggen dat we aan de hand
van de pilot bekijken of nadere maatregelen noodzakelijk zijn.
Mevrouw Van der Burg (VVD):
Ik wil graag de tweede helft van mijn vorige interruptie gebruiken,
zoals collega's dat ook doen. Je ziet het in de jeugdzorg bij zware
gevallen toegepast worden. Er wordt gekeken naar de inrichting van het
justitiële stelsel. Er bestaat ook nachtdetentie. Het was mijn bedoeling
inderdaad om te bekijken of dit soort dingen kunnen helpen. Ik heb er
zelf nog geen oordeel over, maar ik wil het wel graag meegenomen hebben,
want de bewindslieden zijn er toch al mee bezig. Dat geldt ook voor de
gezinsopname. Ik zou dus graag op beide punten zien dat bekeken wordt
wat nodig is en of ze meerwaarde hebben. Of dat zo is, zien we vanzelf
in het plan.
Staatssecretaris Van Rijn:
Dat wil ik graag toezeggen.
De voorzitter:
Bij dezen.
Staatssecretaris Van Rijn:
Ik ga nu in op een aantal vragen van mevrouw Keijzer. Zij heeft weer een
aantal vragen gesteld over de FPKM. De precieze stand van zaken is dat
de tijdelijke subsidie die voor 2015 naar de FPKM ging, opgenomen is in
het decentralisatiebudget voor de gemeenten. Er is een raamovereenkomst
gesloten, zodat voor de FPKM en gemeenten duidelijk is onder welke
voorwaarden diensten kunnen worden ingekocht. Dat gebeurt ook. De FPKM
kan zich dus met andere aanbieders — dat zijn er overigens niet zo veel
— richting gemeenten manifesteren.
Mevrouw Keijzer vroeg hoe het precies zit met het NFI. Er is 1 fte
aangetrokken met de specifieke expertise die nodig is bij een aantal
strafrechtzaken. Dat heeft wellicht effecten, maar het kan natuurlijk
niet zo zijn dat dit ertoe leidt dat de FPKM om die reden in financiële
problemen zou komen. Overigens zijn daar ook geen signalen voor. Sterker
nog, ik zou het heel goed vinden als de FPKM haar expertise handhaaft,
maar deze ook inzet om de expertise op dat punt in andere regio's verder
vorm te geven en uit te breiden. Ik ben er dus voorstander van dat die
expertise verder wordt verbreid. Het is voorts inderdaad zo dat er bij
Justitie een extra fte is aangetrokken, maar daardoor ontstaan er geen
problemen bij de FPKM. Dat is althans niet mijn beeld.
Mevrouw Keijzer heeft ook gevraagd hoe het staat met het onderzoek naar
de Hoge Aard en de inspectie daarop. De inspecties voeren op dit moment
onderzoek uit. Het gaat dan om zowel de Inspectie Jeugdzorg als de
Inspectie voor de Gezondheidszorg. Volgens de laatste informatie wordt
het onderzoek binnenkort afgerond; naar verwachting is het begin
december gereed. Zoals ik al heb aangegeven in mijn brief, zal ik de
Kamer daarover snel informeren.
Dan had mevrouw Keijzer nog een specifieke vraag over de grenszorg. Op
het moment dat Nederlanders in het buitenland wonen, heeft dat voor- en
nadelen. Als het gaat om de jeugdhulp, moet er hulp worden gezocht in
het land waar men woont. Ik begrijp dat er voor alle gevallen die we nu
als grenszorg aanduiden, een bevredigende oplossing is gevonden voor de
financiering van de hulp vanaf 2016. Ik heb een aantal casussen gezien,
waaronder een casus in Twente. In die casus wordt bekeken hoe het zit
met de zorgverzekeraar. Ik ben hierover nog in overleg met Achmea,
zijnde de coördinerende ziektekostenverzekeraar in dit soort zaken, ook
om te horen of ze meer van dergelijke signalen hebben gekregen. Ik heb
ook contact met het Zorginstituut. Kortom, de vraag van mevrouw Keijzer
of ik me in dit probleem wil verdiepen en of ik wil kijken of daar nog
andere oplossingen voor zijn, heb ik inmiddels opgepakt. In overleg met
de betrokkenen zal ik daar ook mee doorgaan.
Mevrouw Ypma heeft gevraagd hoe ik de bijzondere combinatie van
onderwijs en zorg wil stimuleren en ondersteunen. Laat ik vooropstellen
dat ik dit soort initiatieven zeer toejuich. Een van de doelstellingen
van de transities in de zorg is dat juist door dit soort combinaties,
onderwijs voor kinderen met en zonder hulpvraag, de kinderen gewoon naar
school kunnen gaan. Ik kijk ook graag naar de casus over Pijnacker die
zij noemde, waarin het gaat om de mogelijkheid om zorg en onderwijs af
te stemmen. Ik vind dat echt heel erg belangrijk. Ik heb al verteld over
het initiatief dat ik samen met collega Dekker wil ondernemen om dit
verder te brengen. Ik wil daar dan ook graag naar verwijzen.
Mevrouw Ypma heeft verder gevraagd naar de verbetercultuur. Ze vroeg hoe
ik de verbetercultuur door kennisontwikkeling en kruisbestuiving tussen
professionals wil bevorderen. In de eerste plaats wordt de
professionalisering begeleid door wetenschappelijk onderzoek, nieuwe
richtlijnen en inderdaad ook intercollegiale toetsing. Wij financieren
door middel van ZonMw de academische werkplaatsen in de ontwikkeling van
richtlijnen. We stimuleren ook kennisontwikkeling binnen het programma
Professionalisering. Ik heb dan ook goede hoop dat met dit
professionaliseringsprogramma, dat vier jaar loopt en dat we apart
financieren, de kennisontwikkeling tussen professionals aanzienlijk zal
worden gestimuleerd.
Mevrouw Ypma vroeg ook naar de stand van zaken van Eigen Kracht. Dat was
eveneens een vraag van de heer Voordewind. Tijdens het algemeen overleg
van 6 oktober heb ik toegezegd om met de VNG in overleg te treden over
de mogelijkheden om het familiegroepsplan verder te bevorderen. Er is
ook een amendement over ingediend tijdens de begrotingsbehandeling. Ik
heb dat amendement schriftelijk ontraden. Dat is niet omdat ik het niet
belangrijk zou vinden, maar omdat ik het ingewikkeld vind om een
organisatie die dit product aanbiedt ook nog separaat te bevoordelen. Er
zijn immers nog meer aanbieders op dat punt. Ik blijf graag bij mijn
toezegging om nog eens met de gemeenten te bespreken hoe de inzet van
het familiegroepsplan verder kan worden bevorderd, zonder dat we
specifiek naar één organisatie kijken. Ik herhaal dus mijn toezegging
dat ik dit nog een keer apart met de VNG zal bespreken.
De heer Voordewind (ChristenUnie):
Het gaat hier toch echt om een zelfstandige organisatie die andere
expertise heeft dan de zorginstellingen die gebruikmaken van een
familiegroepsplan. Dat gebeurt dan vanuit een instelling. De Eigen
Kracht Centrale is juist onderscheidend omdat hij geen zorgaanbieder is,
maar een aanbieder om samen met de ouders of de mensen om wie het gaat
tot een plan te komen. Dat is toch heel iets anders dan de
zorgaanbieders, die gericht zijn op het aanbieden van zorg en een
familieplan meenemen in hun behandeling. Als we niets doen voor deze
organisatie, die toch vijftien jaar bestaat, gaat de kennis gewoon
verloren. Het is echt een laatste appel aan de staatssecretaris om
vanwege de uniekheid van de organisatie in ieder geval een
overbruggingsfinanciering te organiseren.
Staatssecretaris Van Rijn:
Ik vind de Eigen Kracht Centrale met zijn methode van het familieplan
echt een ongelofelijk goed instrument. Laat daarover geen misverstand
bestaan. Volgens mij is het echter heel lastig om voor één organisatie
die dit naast een beperkt aantal andere organisaties aanbiedt een
specifiek overbruggingsarrangement te maken. Daar heb ik moeite mee,
omdat het een zeer ongelijk speelveld zou opleveren ten opzichte van
andere organisaties die eenzelfde wens zouden kunnen hebben. Dat neemt
niet weg dat de inzet, kennis en kunde van de Eigen Kracht Centrale zeer
waardevol zijn. Vandaar mijn poging om te bevorderen dat de afweging op
dit punt eerder wordt gemaakt: niet nadat het plan is gemaakt, maar
daarvoor. Voor die tijd moet je deze kennis inzetten. Dit wil ik nog
eens heel nadrukkelijk onder de aandacht van de VNG en de gemeenten
brengen. Ik heb dit destijds ontraden.
Mevrouw Ypma (PvdA):
Op dit punt steun ik de staatssecretaris. Je kunt niet één organisatie
eruit lichten. We kunnen de staatssecretaris hoogstens vragen om er bij
de transitieautoriteit op aan te dringen om hier nog eens kritisch naar
te kijken en na te gaan of hiermee niet iets zou wegvallen wat van groot
belang is voor de transformatie van de jeugdzorg. Meer kunnen we mijns
inziens niet vragen.
Mijn vraag is echter een andere. De ouderorganisaties hebben ons een
brief geschreven waarin zij aangeven dat het juist de bedoeling was om
de regie bij de burgers zelf neer te leggen. In de huidige factsheet
wordt het echter niet op deze manier uitgelegd. De ouderorganisaties
doen het verzoek — dit verzoek leg ik nu graag bij de staatssecretaris
neer — om de huidige factsheet te laten vervangen door een factsheet die
wel in overeenstemming is met de wet. Het is een factsheet van de VNG,
dus de staatssecretaris kan dat niet zelf doen, maar hij kan wel aan de
VNG vragen om de factsheet in overeenstemming met de wet en de gedachte
achter de wet te brengen. Mocht de VNG behoefte aan uitleg hebben, dan
zullen de heer Voordewind en ik de VNG met alle liefde een keer
uitleggen wat de gedachte achter ons wetsvoorstel was.
Staatssecretaris Van Rijn:
Ik heb de brief waarin staat dat de factsheet niet zo klopt, ook
gelezen. Ik heb hierover nog geen afgerond oordeel, maar ik kan op
voorhand zeggen dat, als dit inderdaad zo is, de factsheet moet worden
aangepast. Als dit zo is, zal ik hierop aandringen bij de VNG. Het
aanbod van mevrouw Ypma en de heer Voordewind zal ik in gedachten houden
bij het verder brengen van dit gedachtegoed.
Mevrouw Ypma (PvdA):
Hartelijk dank voor deze toezegging. Wij zouden hierover graag
geïnformeerd worden. Als de staatssecretaris ons hierover wil
informeren, ben ik hem daar zeer erkentelijk voor.
Staatssecretaris Van Rijn:
Dat is prima.
De heer Voordewind (ChristenUnie):
Misschien mag ik het tweede deel van mijn interruptiemogelijkheid nog
gebruiken, want het woord ging vrij snel naar mevrouw Ypma, maar …
De voorzitter:
Dat was na twee keer, maar ik begrijp dat u nog een vraag hebt.
De heer Voordewind (ChristenUnie):
Ik heb net één keer een interruptie geplaatst en dit is mijn
vervolgvraag, in aanvulling op de vraag over de factsheet. Misschien is
er toch sprake van een misverstand. Het gaat om het familiegroepsplan.
Dat wordt wel uitgevoerd door de zorgaanbieders, maar het unieke van de
Eigen Kracht Centrale is dat hij geen zorgaanbieder is, maar puur een
bemiddelaar om de ouders in staat te stellen om een eigen plan te
bedenken en de regie te houden. Dat is het grote onderscheid. Vandaar
dat de transitieautoriteit heeft gezegd: in dat heel specifieke geval
moet je bij het ministerie zelf zijn, want in dat geval kunnen wij niet
acteren met de reservefondsen die we normaal wel zouden hebben. Daarom
heb ik ook dat amendement ingediend, maar goed, we moeten even kijken
hoe we hieruit komen, want ik begrijp dat we nu een patstelling
hebben.
Staatssecretaris Van Rijn:
Volgens mij was dit geen vraag, maar een terechte constatering van de
heer Voordewind.
Dan de vraag van mevrouw Ypma over participatie van jongeren en ouders.
De betrokkenheid van jongeren en ouders wordt inderdaad ook in de
Jeugdwet wettelijk verplicht gesteld. Ik heb participatie ook als
speerpunt opgenomen in de vernieuwingsagenda. Er zijn ook al een aantal
publicaties gedaan en handreikingen gegeven. Ik noem een publicatie van
LOC, de landelijke cliëntenorganisatie in de jeugdhulp, met voorbeelden
en tips voor gemeenten om participatie vorm te geven. Recentelijk hebben
de cliëntenorganisaties de handreiking cliëntparticipatie uitgebracht en
aangeboden aan de VNG. Ze zijn terecht zeer actief en willen direct
betrokken worden bij de ontwikkeling van beleid. Ik zal dat ook van mijn
kant blijven aanjagen.
Mevrouw Bergkamp heeft nog een aantal specifieke vragen gesteld. Zij
vroeg aandacht voor de ICT-systemen van Veilig Thuis. Er zijn nu vijf
ICT-systemen. Ik vertaal de woorden van mevrouw Bergkamp als volgt: als
je de volgende slag zou willen maken rondom Veilig Thuis, dan moet je
daar nog wel een aantal ongelooflijke verbeteringen doorvoeren. Ik denk
dat dit klopt. De organisaties van Veilig Thuis hebben zelf gekozen voor
een ICT-systeem. Dat hoeft natuurlijk geen probleem te zijn, maar het
gaat om de koppeling van die systemen in de praktijk. Bij het rondje dat
we nu aan het maken zijn, zullen we dit vraagstuk meenemen. Ik ben er
zeer voor om op dat punt een verdere standaardisatie door te voeren. Ik
kan me dus zomaar voorstellen dat in de acties die voortvloeien uit het
rondje, het punt van een informatieprotocol, de koppeling van systemen
en wat wel en niet kan, een expliciet aandachtspunt zal zijn.
Mevrouw Bergkamp heeft voorts een vraag gesteld over de verwijsindex
risicojongeren. Ze wijst op de evaluatie die onlangs is verschenen.
Daaruit blijkt dat door de gemeenten divers wordt ingezet en dat dit
soms goede resultaten heeft. Een op de vier matches leidt tot een eerste
contact tussen professionals, maar ook een op de tien matches leidt tot
een actie. Maar je mag door de oogharen ook wel concluderen dat het
gebruik van de verwijsindex niet optimaal is. Ik heb een beetje een
dilemma. Ik zie aan de ene kant dat het soms werkt, maar ik denk ook dat
als we nu met Veilig Thuis aan de slag gaan om te bekijken hoe de
informatievoorziening kan worden verbeterd, we dan ook zullen moeten
kijken naar de verwijsindex risicojongeren. Dus als de vraag van mevrouw
Bergkamp ook een beetje een oproep aan mij kan zijn om datgene wat we
doen met Veilig Thuis en datgene wat we doen ten aanzien van de
verwijsindex in samenhang te bekijken, dan pak ik die handschoen graag
op.
De voorzitter:
Voor het verslag: er wordt "ja" geknikt door mevrouw Bergkamp.
Mevrouw Bergkamp (D66):
Dank u wel. Ik heb geen interrupties meer.
De voorzitter:
Daarom help ik u even.
Staatssecretaris Van Rijn:
Mevrouw Bergkamp en de heer Voordewind hebben vragen gesteld over het
objectief verdeelmodel. Zij hebben opgemerkt dat daar nog steeds
discussie over is. Dat is ook een beetje de ervaring die ik heb: dat
objectieve modellen wel objectief zijn, maar dat die altijd leiden tot
voordeel- en nadeelgemeenten en dat een discussie dus nooit helemaal
afgesloten zal zijn. Ik denk wel dat we inmiddels heel ver zijn gekomen,
zeg ik dan maar voorzichtig. Ik wijs erop dat we uitgebreid over de
verdeelmodellen hebben gesproken en dat we er ook nog voor gekozen
hebben om een langer ingroeipad te maken. De VNG en de Raad voor de
gemeentefinanciën hadden een ingroeipad van twee à drie jaar geadviseerd
en ik heb vervolgens in overleg met de VNG voorgesteld om er toch maar
vier jaar van te maken. Ik snap dat er haast geboden is om dat
objectieve model in te voeren, maar we moeten de gemeenten
tegelijkertijd toch wel enige tijd gunnen om zich daaraan aan te
passen.
Naast die objectieve verdeelmodellen hebben we ook nog een
vangnetregeling. We hebben een aparte vangnetconstructie voor gevallen
waarin het nadeel groter is dan €15 per inwoner. Daarnaast is er ook nog
een cumulatief vangnetmodel. Als gemeenten op meerdere terreinen nadeel
ondervinden, wordt die gemeenten meer tijd gegund. Ik denk dat we
hiermee binnen de mogelijkheden de beste regeling hebben gecreëerd.
Daarmee geven we overigens ook een antwoord op de vraag van
verschillende wethouders om in de komende periode wat rust te creëren in
het budget. Dit was precies het onderwerp dat we met de VNG hebben
besproken: de vraag of we ervoor kunnen zorgen dat er meerjarig zicht is
op de budgetten. Dat hebben we gedaan. Ik merk op dat, naar ik meen mede
op verzoek van mevrouw Bergkamp, het objectief verdeelmodel ook nog zal
worden geëvalueerd, zodat we in ieder geval op basis van de vulling van
2015 en 2016 daar nadere informatie over gaan krijgen.
Tot de heer Voordewind zeg ik dat we het familiegroepsplan al met elkaar
hebben besproken.
De heer Voordewind maakte nog een aantal opmerkingen over de
vechtscheidingen. Vanuit het programma Effectief werken in de
jeugdsector worden nu vier gemeentelijke pilots georganiseerd voor het
organiseren van een hulpaanbod voor gezinnen die te maken hebben met een
problematische scheiding. Op 27 januari is er een AO gepland over
vechtscheidingen. Ik kan mij zo voorstellen dat we dan spreken over
zowel de stand van zaken van die pilots als het verzoek om een pilot ten
aanzien van verplichte mediation. Ik wil hierop overigens nog apart
ingaan in de voortgangsrapportage van medio december over geweld in
afhankelijkheidsrelaties, maar het is misschien goed om ook op 27
januari de stand van zaken van de pilots nog eens te bekijken. De vraag
van de heer Voordewind is dus voor een deel beantwoord: we zijn ermee
aan het experimenteren. Ik hoop bij het AO nadere antwoorden te
hebben.
De heer Voordewind had een specifieke vraag over alcoholgebruik —
misschien moet je zeggen: alcoholmisbruik — onder jongeren. Voor een
stukje moeten we de zegeningen tellen. Bij de jongste leeftijdsgroep van
12 tot 14 jaar zien we een afname van het alcoholgebruik. Ook blijkt dat
het aantal aankooppogingen door jongeren daalt. Dat neemt niet weg dat
we nog steeds zorgen hierover hebben. Die zorgen zijn heel terecht en ik
deel ze met de heer Voordewind. We hebben de NIX18-campagne. Uit
effectmetingen zijn er aanwijzingen dat deze campagne bijdraagt aan
normveranderingen. We zijn nu aan het bekijken of de campagne moet
worden aangepast, gericht op het geven van meer informatie aan de
doelgroep over schadelijk gebruik. Ik zou de evaluatie daarvan even
willen afwachten en dan bekijken of wij een volgende stap in de campagne
kunnen zetten. Overigens gaan we ook de Drank- en Horecawet evalueren,
maar dat duurt waarschijnlijk te lang. Ik zeg de heer Voordewind dus toe
dat we de campagne nader gaan bekijken om die in de volgende fase
verdere invulling te geven door nog nadrukkelijker te wijzen op de
gevolgen van alcoholmisbruik door jongeren. Misschien zou hij in dat
licht zijn amendement nog willen bezien.
De heer Voordewind (ChristenUnie):
Dat is goed om te horen. De staatssecretaris komt dus nog met een plan
als het gaat om de voorlichting over schadelijke effecten. Op welke
termijn gaat dat gebeuren? Wij moeten een amendement natuurlijk indienen
voor een behandeling van een begroting en er moet over worden gestemd.
Het amendement was bedoeld om de staatssecretaris aan te zetten tot zo'n
campagne, zo'n voorlichtingsactie. Als de staatssecretaris dus zegt met
zo'n actie te zullen komen, hoor ik graag wanneer dat dan gebeurt, met
welke omvang het gebeurt et cetera, zodat ik het amendement inderdaad
kan intrekken. Dan hebben we het een en ander op de rit.
Staatssecretaris Van Rijn:
Als de heer Voordewind het goed vindt, voorzitter, zoek ik dat op voor
de tweede termijn. Dan kan ik er specifiek antwoord op geven.
De voorzitter:
Dat houden we vast.
Staatssecretaris Van Rijn:
Voorzitter. Mevrouw Voortman vroeg mij hoe het zit met de zorg voor de
zogenoemde KOPP-kinderen en of ik bereid zou zijn om knelpunten in kaart
te brengen en te monitoren. Dit moet inderdaad onder de aandacht staan
van gemeenten en aanbieders. Het is een zeer specifieke groep kinderen
met een heel specifieke problematiek. Om een lang antwoord kort te
maken: ik ben bereid om in overleg met de VNG het zorgaanbod voor en de
knelpunten rondom KOPP-kinderen in kaart te brengen en om dat mee te
nemen in de voortgangsrapportage over geweld in
afhankelijkheidsrelaties.
Voor het woonplaatsbeginsel is expliciete aandacht in het project
vermindering administratieve lasten dat de VNG en de aanbieders samen
aan het maken zijn. Er komt een specifiek project over het oplossen van
knelpunten en de toepassing van het woonplaatsbeginsel. Ik verwacht op
dat punt dus nadere voorstellen van zowel de VNG als de aanbieders. Ik
verwacht overigens ook — maar dat is misschien iets te simpel gedacht —
dat gemeenten in hun regio zodanig samenwerken dat zij het kunnen
oplossen als er ten aanzien van de bekostiging van jeugdhulp discussie
zou zijn over de woonplaats waartoe kinderen behoren. Dat neemt niet weg
dat er expliciet aandacht voor is in het project vermindering
administratieve lasten.
Op de vragen over de asielzoekers heb ik al antwoord gegeven.
Mevrouw Voortman vroeg namens de SGP nog hoe het staat met het rapport
over de aanbevelingen van de Inspectie Jeugdzorg over de adoptienazorg.
Dat rapport zal de Kamer aan het einde van het jaar worden
toegezonden.
Voorzitter. Ik ben aan het einde van mijn termijn. Als ik het zelf mag
samenvatten, door de oogharen bezien, denk ik dat we na de
stelselwijzigingen, alle wetten en regels, nu echt in een nieuwe fase
zijn beland. In de praktijk werkt het zo dat gemeenten en aanbieders een
gezamenlijke visie hebben voor de toekomst. In de weg daarnaartoe moet
nog het nodige gebeuren en zitten ook een aantal knelpunten; ik heb ze
al genoemd. Mijn inzet is om die knelpunten te inventariseren en ze te
voorzien van praktische oplossingen waar dat nodig is en van
bestuurlijke oplossingen waar dat gewenst is. Mijn inzet is verder om
teams te vormen om de praktijkproblemen op te lossen, om bestuurlijke
oplossingen te krijgen voor zaken rondom een geleide omvorming van de
sector en om vernieuwing te stimuleren door goede voorbeelden ter kennis
te brengen in het gehele land en deze uit te rollen. Dit zal de komende
periode onze inzet zijn.
De voorzitter:
Dank u wel voor de uitvoerige beantwoording. Ik stel voor dat we drie
minuten schorsen voordat we verdergaan met de tweede termijn.
Mevrouw Keijzer (CDA):
Zou dat iets rianter mogen? Ik moet even heen en weer om mijn moties op
te halen en wellicht loop ik dan zelfs ook nog even langs de wc, als u
mij dat toestaat.
De voorzitter:
Ik ga u dit heel snel toezeggen. We beginnen om 15.15 uur met de tweede
termijn.
De vergadering wordt van 15.08 uur tot 15.17 uur geschorst.
De voorzitter:
In de tweede termijn van dit wetgevingsoverleg heeft de Kamer de
mogelijkheid om moties in te dienen. Als ik goed ben geïnformeerd, zal
daarvan gebruik worden gemaakt. Sterker nog, ik heb begrepen dat er een
achttiental moties in voorbereiding is. Ik neem aan dat naar aanleiding
van de beantwoording is bekeken of ze allemaal ingediend moeten worden.
In ieder geval ligt er vandaag een drietal amendementen, waarover in de
eerste termijn al enigszins is gesproken. Het is goed om die straks na
te lopen. Voor de administratie: het zijn de amendementen op stuk nrs.
91, 99 en 102.
Mevrouw Kooiman (SP):
Voorzitter. Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat wij hier hebben
geluisterd naar de goednieuwsuitzending van de Fabeltjeskrant. De
staatssecretaris opent weer met te zeggen dat er praktische problemen
zijn maar dat het verder allemaal prima gaat, terwijl er 300 miljoen
wordt bezuinigd op de jeugdzorg. De chaos blijft gewoon ontstaan.
Veel gemeenten hebben in het afgelopen jaar hun reserves aangesproken.
Volgend jaar zijn die reserves meestal op. Hoe moeten de gemeenten dit
probleem volgens de staatssecretaris oplossen? Natuurlijk ben ik heel
blij dat hij Leiden als voorbeeld noemt, want de wethouder Jeugdzorg is
een SP'er. Ik ben altijd blij als een PvdA-staatssecretaris tevreden is
over het werk van een SP'er. Ik heb heel veel mooie moties waarmee de
staatssecretaris heel blij kan zijn.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat nog niet iedere professional geschoold is in het gebruik
van de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling;
constaterende dat bijvoorbeeld 17% van de artsen niet bekend is met de
verplichting om te werken met de meldcode huiselijk geweld en
kindermishandeling en 35% van de artsen nog nooit een training of
opleiding heeft gevolgd op het terrein van kindermishandeling of
huiselijk geweld;
constaterende dat ziekenhuizen door de invoering van een
"combinatiepakket" bestaande uit screening, training en
inspectietoezicht zich in twee jaar ontwikkeld hebben tot de
beroepsgroep die (op de politie na) het meest meldt en advies vraagt bij
Veilig Thuis;
verzoekt de regering om te zorgen voor invoering van een
"combinatiepakket" bestaande uit screening, training en
inspectietoezicht voor alle relevante partijen die werken met de
verplichte meldcode, de voortgang hiervan nauwgezet te monitoren en de
Kamer over de voortgang en inzet te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Kooiman en Bergkamp. Naar mij
blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.
Zij krijgt nr. 103 (34300-XVI).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
van mening dat de uitwisseling van gegevens van gezinnen en kinderen
veilig moet gebeuren en volgens de geldende privacyregels;
constaterende dat hiervoor een veilig systeem beschikbaar is, namelijk
CORV, en gemeenten verplicht zijn dit systeem te gebruiken;
overwegende dat er nog steeds veel gemeenten zijn die dit veilige
systeem niet hanteren en dat er onvoldoende regie is om ervoor te zorgen
dat dit systeem wel gehanteerd wordt;
verzoekt de regering, de regie te nemen en ervoor te zorgen dat
gemeenten het CORV-systeem gebruiken voor een veilige
gegevensuitwisseling,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Kooiman, Bergkamp, Voortman en
Voordewind. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende
ondersteund.
Zij krijgt nr. 104 (34300-XVI).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat particuliere jeugdzorginstanties niet onder structureel
toezicht staan van de Inspectie Jeugdzorg;
constaterende dat er zorg wordt ingekocht bij particuliere
jeugdzorginstanties met gemeenschapsgeld;
verzoekt de regering, ervoor te zorgen dat daar waar met
gemeenschapsgeld zorg wordt ingekocht bij particuliere
jeugdzorginstanties, deze jeugdzorginstanties ook altijd onder toezicht
staan van de Inspectie Jeugdzorg,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Kooiman en Bergkamp. Naar mij
blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.
Zij krijgt nr. 105 (34300-XVI).
Mevrouw Kooiman (SP):
Tot slot wil ik nog twee punten aan de orde stellen. Ik heb onlangs
schriftelijke vragen gesteld over een particuliere jeugdzorginstelling
in Turkije, Turkijezorg. Ik was er toen nog niet zeker van dat degene
die deze instelling mede heeft opgericht wegens pgb-fraude was
veroordeeld. Zij heeft nu zelf op Twitter een uitgebreide reactie
gegeven waarin zij inderdaad toegeeft een fraudeur geweest te zijn. Ik
vraag de staatssecretaris hierop actie te ondernemen. Het kan toch niet
zo zijn dat mensen dan met dit werk voort kunnen gaan?
De Kinderombudsman heeft een heel mooi rapport geschreven. Wij hebben
dat vandaag besproken. Ik zou het wel netjes vinden dat als de
Kinderombudsman een rapport heeft geschreven, daarop een officiële
reactie van de staatsecretaris komt. Ik snap dat dat ook kan worden
meegenomen in de voortgangsrapportage. Ik krijg dus graag die
toezegging.
Mevrouw Van der Burg (VVD):
Voorzitter. Ik dank de staatssecretaris hartelijk voor zijn complimenten
over het plan dat ik heb ingediend. Ik wacht de verdere reactie daarop
af. Volgens mij heeft hij toegezegd dat die in december zal komen. Ik
wacht dat dus graag af.
Voor mij is het belangrijkste dat wij de aanpak van kindermishandeling
op alle terreinen verbeteren. Ik denk dat dat vandaag ook wel duidelijk
is geworden. Dat is in het belang van het kind. Dat gaat van de
signalering en de bestrijding van kindermishandeling tot de behandeling
van het kind en de preventie van kindermishandeling, want ook daarover
staat wat in het plan. Daar komt de staatssecretaris ongetwijfeld op
terug.
Er is afgesproken dat er volgende week een nadere brief volgt over de
Centra Seksueel Geweld. Ik ga ervan uit dat dit geregeld is, gezien de
brief die er al lag.
Ik kom op de onderwerpen die aan de orde zijn geweest in het kader van
de decentralisatie van de jeugdzorg. Ik dank de staatssecretaris voor
zijn toezeggingen op dat vlak. Er zijn nog twee punten waarop ik nader
wil ingaan. Ik begin met de kritiek van ouders, de Kinderombudsman en
andere partijen die ons hebben geschreven of die ik heb gesproken, dat
hulpverleners soms op de stoel van de gemeente gaan zitten, dat soms
vergaande inzage in dossiers wordt geëist en dat soms geld in plaats van
een passend aanbod doorslaggevend is. Het omgekeerde geldt ook, want de
Kinderombudsman heeft erop gewezen dat de jeugdhulpaanbieders soms
gewoon niet doorverwijzen, terwijl dat wel zou moeten om een kind een
passend aanbod te geven in plaats van het op de wachtlijst te zetten. De
staatssecretaris heeft daar een aantal dingen over gezegd. Hij heeft
gezegd dat hij dat zou aankaarten. Ik heb toch eigenlijk wel de volgende
vraag. Als dit bewust gebeurt, als wij dat weten, wanneer is dan het
moment gekomen om daar stevige uitspraken over te doen? Ik heb die vraag
ook in mijn eerste termijn gesteld. Wie is dan de aangewezen persoon om
dat te doen? Is dat de inspectie of de staatssecretaris? Ik ben heel
benieuwd naar het antwoord op die vragen, want op een bepaald moment
moeten we dit soort dingen benoemen. Dat moeten we niet doen als het
niet nodig is, maar wel als het echt heel bewust gebeurt. Ik krijg daar
graag nog een reactie op.
We zijn uitgebreid ingegaan op de onafhankelijke cliëntondersteuning. Ik
wil nog graag nadere informatie over het CORV-systeem ontvangen. De
staatssecretaris heeft toegezegd dat hij daarop terugkomt en dat hij zal
ingaan op het gebruik en de veiligheid daarvan, ook in relatie tot de
privacy van ouders en kinderen. Je hoeft dat maar een keer verkeerd te
doen en dan heb je een heel verkeerd beeld. Ik krijg dus graag de harde
toezegging dat we daar zo snel mogelijk informatie over krijgen.
Ik dank de staatssecretaris ten slotte hartelijk, ook voor het
beantwoorden van de vragen die waren gericht aan de minister.
Mevrouw Keijzer (CDA):
Voorzitter. Ik dank de staatssecretaris voor zijn antwoorden en voor de
toezegging om onderzoek te doen naar de effectiviteit van het bestaande
juridische instrumentarium met betrekking tot jongeren die 18 jaar
worden en die een licht verstandelijke beperking hebben. Ik hoef daar nu
geen motie over in te dienen.
Ik ben verdrietig over de politieke uitruil die heeft plaatsgevonden ten
aanzien van de meldplicht. Ik wil al mijn feitelijke vragen daarover
graag alsnog beantwoord zien in de brief die de staatssecretaris heeft
toegezegd.
Ik dien de volgende moties in.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat voor jongeren met autisme en een hoog IQ beschermd wonen
de aangewezen plek is en deze plek moeilijk tot niet gevonden kan
worden;
overwegende dat dit in praktijk zal leiden tot grote problemen in de
thuissituatie en dit een zeer kleine doelgroep is;
van mening dat deze groep niet tussen wal en schip mag vallen;
verzoekt de regering, binnen afzienbare tijd te komen met een plan van
aanpak zodat deze jongeren een toekomst geboden kan worden,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Keijzer. Naar mij blijkt, wordt
de indiening ervan voldoende ondersteund.
Zij krijgt nr. 106 (34300-XVI).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat in artikel 2.12 van de Jeugdwet staat opgenomen dat in
gemeentelijke verordeningen regels gesteld moeten worden teneinde een
goede verhouding te bewerkstelligen tussen de prijs van een voorziening
en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit, waarbij rekening moet
worden gehouden met de deskundigheid en de arbeidsvoorwaarden;
overwegende dat verschillende zorgaanbieders momenteel signalen afgeven
dat er onder de kostprijs voorzieningen worden ingekocht (al dan niet
via onderaannemingsconstructie) en dat er voor 2016 sprake is van nog
lagere tarieven;
verzoekt de regering, een representatief onderzoek te doen naar de
vastgestelde tarieven in gemeenten voor uitvoering van de
Jeugdwet,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Keijzer, Voortman en Kooiman.
Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.
Zij krijgt nr. 107 (34300-XVI).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat er signalen uit de grensregio komen dat kinderen die tot
1 januari 2015 zorg kregen in samenhang met de zorg die zij rond school
kregen, die zorg vanwege invoering van de Jeugdwet nu niet meer
krijgen;
van mening dat dit kan leiden tot problemen in of rondom school;
verzoekt de regering, daar waar school problemen signaleert indien nodig
een maatwerkoplossing aan te bieden,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Keijzer. Naar mij blijkt, wordt
de indiening ervan voldoende ondersteund.
Zij krijgt nr. 108 (34300-XVI).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
spreekt uit dat de Forensische Polikliniek Kindermishandeling (FPKM) te
Utrecht aan dezelfde eisen voldoet als het Nederlands Forensisch
Instituut (NFI),
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Keijzer en Bergkamp. Naar mij
blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.
Zij krijgt nr. 109 (34300-XVI).
Mevrouw Keijzer (CDA):
Deze motie moet gezien worden in relatie tot het amendement dat nog door
mevrouw Bergkamp en mij moet worden ingediend. Daarmee gaat een
overbruggingskrediet ter beschikking gesteld worden aan de FPKM om te
voorkomen dat zij omvalt, want dat zou echt een ramp zijn.
Ik heb een vraag gesteld, maar het antwoord daarop niet gehoord of
misschien gemist. Die vraag ging over kinderen die in de gevangenis
zitten en een behandeling moeten krijgen. Er wordt gepingpongd tussen de
gemeente waar de detentie-inrichting staat en de gemeente waar het kind
zich bevindt over de vraag wie dat moet betalen. Ik kan me voorstellen
dat dit op het terrein van V en J ligt, maar anders zou ik het antwoord
op deze vraag graag alsnog krijgen.
De voorzitter:
Wordt dat amendement vandaag nog ingediend?
Mevrouw Keijzer (CDA):
Nee, het moet nog langs het BOR.
De voorzitter:
Oké. Dan gaat het om een aankondiging van een amendement. We bespreken
de amendementen pas in december, dus dat gaat goedkomen.
Mevrouw Ypma (PvdA):
Het is altijd lastig om te reageren op een amendement dat er nog niet
ligt, maar ik ben er wel in geïnteresseerd. Dat de Forensische
Polikliniek Kindermishandeling niet mag omvallen, is een zorg van ons
allemaal. De Transitie Autoriteit Jeugd heeft budget. Zou het een idee
zijn om daarnaar te kijken in verband met deze, ook voor de jeugdzorg
belangrijke voorziening?
Mevrouw Keijzer (CDA):
Ik heb de dekking nu gezocht in het niet-verplicht juridische deel van
artikel 5 in de begroting. Als ik de PvdA aan mijn kant krijg door een
andere dekking te zoeken, ben ik daar zeer toe bereid.
Mevrouw Ypma (PvdA):
Daar gaan we samen nog eens naar kijken dan.
Voorzitter. Ik dank de staatssecretaris voor de toezegging dat hij samen
met zijn collega's wil kijken naar Stichting Bram en naar al die andere
mooie ouderinitiatieven die van onderop zijn ontstaan. Volgens mij past
dat heel erg bij de gedachte dat we zeggenschap zo veel mogelijk bij
mensen zelf neerleggen en echt bekijken wat er bij het kind past. We
zoeken praktische oplossingen waarbij we van systemen naar mensen
toegaan. Dat is hartstikke mooi. Hartelijk dank daarvoor.
Verder heb ik het gehad over de verbetercultuur in de jeugdzorg. Ik dank
de staatssecretaris voor zijn toezegging over de professionalisering. Ik
blijf daar graag van op de hoogte, want daar is echt nog een slag te
slaan.
Kwetsbare kinderen die jeugdzorg nodig hebben, mogen niet belemmerd
worden door financiële drempels. Daarom ben ik ontzettend blij dat het
voorstel is gedaan om de ouderbijdrage af te schaffen naar aanleiding
van het onderzoek waar ik om gevraagd had. Dat zorgt er volgens mij voor
dat ieder kind de zorg krijgt die het nodig heeft. Daarnaast moet de
expertise in de wijkteams overal echt op orde zijn. Daarom blijf ik
graag op de hoogte van de verbetercultuur.
Ik dien een motie in over 18-plussers.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat er jaarlijks ongeveer 6.000 jongeren in de jeugdzorg
zijn die 18 worden en dat zij op die leeftijd geen begeleiding meer
krijgen vanuit jeugdzorg;
van mening dat elk van deze jongeren op tijd moet nadenken over
huisvesting, scholing en inkomen voor als zij 18 jaar worden en dat de
instelling moet onderzoeken of de jongere veilig en zelfredzaam genoeg
is op zijn 18de;
verzoekt de regering, met Jeugdzorg Nederland, VGN en GGZ Nederland om
tafel te gaan om dit te bespreken en ervoor te zorgen dat jongeren in
hun 17de levensjaar zelf, met hun eigen netwerk, een actieplan maken
waarin plannen voor huisvesting, financiën en scholing uiteengezet
zijn;
verzoekt de regering daarnaast, met Jeugdzorg Nederland, VGN en GGZ
Nederland te bespreken op welke manier er voor álle jongeren een
risicotaxatie gemaakt kan worden, zodat bekend is of ze in een veilige
omgeving terechtkomen na hun 18de verjaardag en zelfredzaam genoeg zijn,
en indien nodig met een hulpvoortzettingsplan gekomen kan worden;
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Ypma. Naar mij blijkt, wordt de
indiening ervan voldoende ondersteund.
Zij krijgt nr. 110 (34300-XVI).
Mevrouw Bergkamp (D66):
Dit is een prima motie. Wij hebben eerder een amendement ingediend, dat
het ook gehaald heeft, waarin een goede aansluiting tussen de jeugd en
de Wmo werd geregeld. Mevrouw Ypma vraagt eigenlijk om een evaluatie
daarvan. Hoe staat het daar nu mee? Klopt het dat dit de portee is van
uw motie, mevrouw Ypma? Ik heb dat namelijk eerder gevraagd aan de
staatssecretaris en hij heeft toegezegd om dit te gaan onderzoeken.
Mevrouw Ypma (PvdA):
Nee, volgens mij wordt in deze motie om iets anders gevraagd.
Mevrouw Bergkamp (D66):
Kan mevrouw Ypma dat dan misschien iets concreter maken?
Mevrouw Ypma (PvdA):
Natuurlijk, graag zelfs. In deze motie verzoek ik de regering om ervoor
te zorgen dat jongeren in hun 17de levensjaar zelf een actieplan maken
samen met hun netwerk, waarin zowel scholing, huisvesting als financiën
uiteengezet worden. Vervolgens moet de instelling een risicotaxatie
hiervan maken. De instelling kan dan bepalen of zij vindt dat een
jongere veilig en zelfredzaam genoeg is na het 18de levensjaar. Zo niet,
dan zou er een hulpvoortzettingsplan vanuit de Wmo moeten komen. Dat
laatste stukje is belangrijk.
Mevrouw Bergkamp (D66):
Zegt mevrouw Ypma nu dat iedere jeugdinstelling dan zo zou moeten
werken? Gaan wij dat dan uniform opleggen aan iedere instelling? Moet de
gemeente erop toezien dat dit gebeurt en hoe?
Mevrouw Ypma (PvdA):
Dank voor deze vraag, want daarmee kan ik het mooi expliciteren. Nee,
mijn bedoeling is dat de regering om tafel gaat zitten met de sectoren
om te bespreken op welke wijze dit kan worden ingericht. Mijn punt is
dat jongeren zelf tijdens hun 17de levensjaar moeten nadenken over waar
zij straks naartoe gaan. Bovendien moet er altijd een risicotaxatie
gemaakt worden van de vraag of de kinderen veilig zijn. Wij hebben
namelijk te veel voorbeelden gezien van meisjes die bij loverboys
terechtkomen of jongeren die direct zwanger raken nadat zij uit de
instelling komen. Ik vind dat zo'n risicotaxatie altijd gemaakt moet
worden. Hoe dat precies moet gebeuren, daar wil ik mij niet in mengen.
Dat laat ik graag over aan de instellingen zelf.
Mevrouw Keijzer (CDA):
Ik ben op zoek naar wat in deze motie anders is dan wat de
staatssecretaris net toezegde. Een aantal leden vroeg zojuist hoe je
ervoor kunt zorgen dat kinderen met een licht verstandelijke beperking
die 18 jaar worden, de zorg krijgen die ze nodig hebben. Toen sprak de
staatssecretaris over goede voorbeelden, de uitrol daarvan en de
discussies daarover met VGN, met de VNG en GGZ Nederland. In hoeverre is
het verzoek in deze motie anders dan die toezegging?
Mevrouw Ypma (PvdA):
Volgens mij is de motie op twee punten anders. Ten eerste is de motie
specifieker. Ik vraag de jongere echt om op zijn 17de zelf hierover na
te denken met zijn netwerk en daar vervolgens een risicotaxatie van te
laten maken door de instelling. De motie is dus specifieker dan waar
mevrouw Keijzer naar verwijst. Het andere punt ben ik even kwijt, maar
dit is in ieder geval zo.
Mevrouw Keijzer (CDA):
De staatssecretaris zei vrij expliciet dat dit ook de bedoeling is. Ik
wil toch iets preciezer weten of ik een motie kan steunen of dat er al
een toezegging ligt, maar misschien kan de staatssecretaris daar nog op
ingaan.
Mevrouw Ypma (PvdA):
Volgens mij is over dit specifieke punt nog geen toezegging gedaan. Het
is wel hard nodig, zeg ik niet alleen in de richting van de
staatssecretaris maar ook van al die instellingen die dat nog niet doen.
Eigenlijk vind ik dat opmerkelijk en dat is mevrouw Keijzer vast wel met
mij eens. Het is toch vreemd dat dit soms wel gebeurt, want er zijn
gelukkig goede voorbeelden, maar nog niet overal. Ik vind dat dit overal
moet gebeuren, want nog niet iedere jongere is op zijn achttiende
volledig klaar om helemaal losgelaten te worden.
Mevrouw Kooiman (SP):
Voordat ik in de Kamer kwam, was ik gezinsvoogd. Toen hadden een paar
idiote Kamerleden bedacht om voor iedereen een risicotaxatie-instrument
in te stellen, waardoor gezinsvoogden hun werk niet meer konden doen,
omdat zij alleen maar bezig waren met die lijsten. Toen kwam de
parlementaire werkgroep jeugdzorg. Al die hulpverleners hebben toen
gevraagd om in hemelsnaam al die indicaties en die risicotaxatiegekte af
te schaffen. Laat mensen gewoon hun werk doen. Risicotaxatie is een
onderdeel van dat werk. Wat de PvdA nu vraagt, is niet meer of anders
dan wat er nu al gebeurt. Wil zij toezeggen dat wat zij nu vraagt, niet
leidt tot het maken van extra risicotaxatielijsten? Dat leidt alleen
maar tot meer werkdruk op de werkvloer.
Mevrouw Ypma (PvdA):
Dat is niet mijn bedoeling, dus op dat punt zitten mevrouw Kooiman en ik
dicht bij elkaar. Ik constateer wel dat meisjes zoals Ashra, met wie wij
laatst een zeer indrukwekkend gesprek hebben gehad, toch nog onvoldoende
worden begeleid. Er wordt nog onvoldoende gekeken naar het risico als
zij 18 jaar zijn geworden. Dat maakt dat sommige jongeren op hun
achttiende volledig vrij worden gelaten, terwijl zij al ontzettend veel
hebben meegemaakt. Er is soms onvoldoende gekeken naar de risico's
waarin zo'n meisje of zo'n jongen terechtkomt na het achttiende
levensjaar. Volgens mij zitten mevrouw Kooiman en ik niet ver van
elkaar. Het moet niet een enorme administratieve rompslomp zijn, laat ik
dat meegeven aan de staatssecretaris, maar ik vind wel dat er bij alle
kinderen die 18 worden, gekeken moet worden naar de risico's.
Mevrouw Kooiman (SP):
Dat is niet het grootste probleem. Het grootste probleem is wat mevrouw
Keijzer noemde. Mensen weten vaak wel dat deze meiden afglijden. We
weten dat er zorg is, maar dat deze na het achttiende levensjaar
ophoudt. Volgens mij heeft de staatssecretaris terecht toegezegd te
bekijken welke wettelijke en juridische mogelijkheden we nog meer hebben
om deze meisjes te beschermen. Daar zit het probleem. We kunnen
registreren tot we een ons wegen, maar we weten dat er na het achttiende
levensjaar juridische hiaten zijn.
Mevrouw Ypma (PvdA):
Ik heb gehoord wat mevrouw Keijzer vraagt en daar ben ik het zeer mee
eens. Het is uitstekend dat dit wordt geïnventariseerd, maar ik vraag
met deze motie om iets anders, namelijk dat jongeren daar in hun
zeventiende levensjaar zelf naar kijken, dat de instellingen bekijken
wat het risico is als zij 18 worden en dat er indien nodig een
hulpvoortzettingsplan moet komen, vanuit de Wmo, want dan zijn deze
jongeren 18 geworden. De hulp moet niet ophouden te bestaan, als er een
groot risico is dat deze jongens of meisjes in de problemen komen.
De voorzitter:
Tot zover de motie. Dan kunt u uw tweede termijn vervolgen.
Mevrouw Ypma (PvdA):
Dat doe ik met mijn tweede motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
van mening dat kinderen zo spoedig mogelijk geholpen moeten worden en
niet onnodig op een wachtlijst terecht mogen komen als zij bij een
andere instelling eerder hulp kunnen ontvangen;
verzoekt de regering om te bevorderen dat instellingen transparanter
zijn over hun capaciteit, zodat alle kinderen zo snel mogelijk de hulp
kunnen ontvangen die zij nodig hebben,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Ypma en Van der Burg. Naar mij
blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.
Zij krijgt nr. 111 (34300-XVI).
Mevrouw Bergkamp (D66):
Ik deel wat mevrouw Ypma zegt. Instellingen moeten inderdaad
transparanter zijn, maar de vraag is wel hoe zij die transparantie
moeten aangeven. Mevrouw Ypma zei dat dit via het internet helder moet
zijn, maar waar denkt zij zelf aan? Nogmaals, mijn steun voor de inzet
van deze motie.
Mevrouw Ypma (PvdA):
Hartelijk dank voor die steun. Ik heb in mijn eigen termijn aangegeven
dat dit via internet zou moeten gebeuren, maar ik laat het even aan de
staatssecretaris om daar een verstandig besluit over te nemen. Ik zou
het op prijs stellen als dat in de volgende voortgangsrapportage aan de
orde komt.
Mevrouw Bergkamp (D66):
Voorzitter. Ik heb een vraag gesteld over kinderen die zonder machtiging
van de kinderrechter in een gesloten jeugdhulpinstelling worden
opgesloten, maar ik weet niet wat het antwoord van de staatssecretaris
daarop was. Misschien was ik heel even weg en kan hij dat
herhalen.
Ik heb voor de rest nog een aantal moties. Mijn eerste motie is
medeondertekend door mevrouw Keijzer. Wij wilden deze motie eigenlijk
pas indienen in het VAO over kindermishandeling, maar omdat de coalitie
de kaarten zo duidelijk op tafel legt, vinden wij dat wij daarover als
oppositie een uitspraak moeten doen.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de verplichte meldcode pas in 2013, na overleg met het
veld zorgvuldig tot stand is gekomen;
constaterende dat buitenlands onderzoek aantoont dat er grote risico's
en nadelen zitten aan de meldplicht, waar het kind uiteindelijk geen
baat bij heeft, zoals het risico op het mijden van zorg door ouders en
toename van het aantal onterechte en ongegronde meldingen van
professionals ter voorkoming van tuchtrechtelijke gevolgen bij het niet
melden;
constaterende dat er op dit moment nog te weinig gebruik gemaakt wordt
van de verplichte meldcode en te veel mishandelde kinderen niet in het
vizier van Veilig Thuis komen;
van mening dat slachtoffers van kindermishandeling en seksueel misbruik
in beeld moeten komen, de juiste hulp verdienen en in beeld gehouden
moeten worden;
verzoekt de regering, niet over te gaan tot het introduceren van een
meldplicht, maar in samenspraak met het veld activiteiten en
samenwerking in de keten te bevorderen die de informatie-uitwisseling
tussen hulpverleners vergroot en daarmee de effectiviteit van de
verplichte meldcode vergroot,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Bergkamp en Keijzer. Naar mij
blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.
Zij krijgt nr. 112 (34300-XVI).
Mevrouw Bergkamp (D66):
Dan zijn er twee moties over privacy, waar we ons nog steeds grote
zorgen over maken. De eerste motie is medeondertekend door mevrouw
Kooiman en mevrouw Voortman.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat er door sommige gemeenten onzorgvuldig wordt omgegaan
met de dossiers van kinderen en/of jeugdigen, waardoor de privacy in het
geding komt;
constaterende dat de informatiebeveiliging niet in alle gemeenten goed
geregeld is, waardoor ook hierdoor de privacy in de knel komt;
van mening dat dit onacceptabel is;
verzoekt de regering, de Inspectie voor de Gezondheidszorg hier
themagericht toezicht op uit te laten voeren in de eerste helft van
2016,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Bergkamp, Kooiman en Voortman.
Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.
Zij krijgt nr. 113 (34300-XVI).
Mevrouw Bergkamp (D66):
De tweede motie is ook ondertekend door mevrouw Kooiman en mevrouw
Voortman.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
van mening dat het transparant moet zijn voor kinderen, jongeren en
ouders op welke wijze wordt omgegaan met hun gegevens, informatie en het
jeugddossier;
constaterende dat dit op dit moment voor veel kinderen, jongeren en
ouders niet zo is;
verzoekt de regering, samen met de VNG voor de zomer van 2016 te komen
tot een verbeterde informatievoorziening over de privacy in de jeugdhulp
bij gemeenten, waarbij iedere gemeente, voor zover dat nog niet het
geval is, inzichtelijk maakt voor kinderen, jongeren en ouders waar
dossiers bewaard liggen, welke gegevens waar worden opgeslagen, met wie
dit gedeeld kan worden en met welk doel,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Bergkamp, Kooiman en Voortman.
Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.
Zij krijgt nr. 114 (34300-XVI).
Mevrouw Bergkamp (D66):
Mijn laatste motie gaat over vluchtelingenkinderen en deze motie is
medeondertekend door mevrouw Voortman.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
van mening dat vluchtelingkinderen recht hebben op passende zorg, zoals
psychische en traumahulpverlening, en dat dit voor hen gewaarborgd moet
worden;
verzoekt de regering, te komen met een concreet plan over zorg voor
vluchtelingkinderen en dit voor het einde van het jaar naar de Kamer te
sturen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Bergkamp en Voortman. Naar mij
blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.
Zij krijgt nr. 115 (34300-XVI).
Mevrouw Bergkamp (D66):
Ik dank de staatssecretaris voor zijn beantwoording en een aantal
toezeggingen.
De heer Voordewind (ChristenUnie):
Voorzitter. Ik dank de staatssecretaris voor de beantwoording van mijn
vragen. Wat asielkinderen betreft sluit ik me met de volgende motie aan
bij mevrouw Bergkamp.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat regelmatig verhuizen slecht is voor de ontwikkeling van
het kind;
constaterende dat vluchtelingen van crisisopvang naar crisisopvang
worden verhuisd;
verzoekt de regering, in samenspraak met de staatssecretaris van V en J
het COA op te dragen gezinnen met kinderen en alleenstaande kinderen
prioriteit te geven bij de plaatsing in de noodopvang in plaats van in
de crisisopvang, teneinde het aantal verhuisbewegingen van deze kinderen
te beperken,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Voordewind en Voortman. Naar mij
blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.
Zij krijgt nr. 116 (34300-XVI).
De heer Voordewind (ChristenUnie):
Ik kom nog even terug op mijn amendement over de ouderbijdrage. Ik heb
de collega's gehoord. Ik zie geen meerderheid om de ouderbijdrage voor
2015 te compenseren, ondanks de steun van de SP. Ik ben wel blij dat we
de ouderbijdrage per 1 januari 2016 kunnen afschaffen. Daarom trek ik,
helaas, mijn amendement in.
De voorzitter:
Het amendement-Voordewind (stuk nr. 99) is ingetrokken.
De heer Voordewind (ChristenUnie):
Dan kom ik op mijn amendement over alcohol. Ik wacht de reactie van de
staatssecretaris in tweede termijn af. Mogelijk kan ik er nog op
reageren als de staatssecretaris met iets concretere plannen komt. Dat
is namelijk de bedoeling van het amendement.
Dan kom ik op het amendement over de Eigen Kracht Centrale. Ik moet
erbij zeggen dat de heer Van der Staaij de eerste indiener is. Ik ben de
tweede indiener. De heer Van der Staaij kon vandaag niet aanwezig zijn.
Daarom heb ik de moed gehad om dit onderwerp op te pakken. Ik begrijp de
patstelling. Ik geef nogmaals aan dat de Eigen Kracht Centrale geen
zorgaanbieder is. Het is een onafhankelijk instituut dat informatie
geeft over de wijze waarop je een plan opstelt. Daarom kan de TAJ ook
geen verzoek tot subsidie in behandeling nemen. Uiteindelijk komt het
dan terecht bij de staatssecretaris. Ik ben bereid om ook dit amendement
in te trekken als we hierover gezamenlijk een keer een gesprek kunnen
voeren. Mevrouw Ypma en ik hebben eerder een amendement ingediend. Een
en ander is in de wet neergelegd. Mogelijk kunnen we met zijn vieren, de
Eigen Kracht Centrale, de staatssecretaris, mevrouw Ypma en ik, een keer
eventjes bij elkaar zitten om te bekijken hoe we uit dit dilemma kunnen
komen. Dan kunnen we bekijken hoe we die kennis op de een of andere
manier kunnen borgen. Als de staatssecretaris daartoe bereid is, evenals
mevrouw Ypma, ben ik bereid om het amendement in te trekken.
De voorzitter:
Dank voor die laatste vragen. Het is goed om er in de tweede termijn
naar te kijken.
Mevrouw Voortman (GroenLinks):
Voorzitter. Ik beperk mij tot het indienen van moties. Als de
staatssecretaris een aantal toezeggingen doet, ben ik overigens gaarne
bereid om moties in te trekken.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat alle kinderen in Nederland gelijke toegang zouden moeten
hebben tot zorg;
constaterende dat voor asielkinderen en ongedocumenteerde kinderen een
aparte wettelijke bepaling in de Jeugdwet geldt;
verzoekt de regering, te inventariseren hoeveel asielkinderen en
ongedocumenteerde kinderen nu gebruikmaken van jeugdzorg en hoeveel
kinderen jeugdzorg hebben gevraagd maar die niet hebben gekregen op
grond van deze wettelijke bepaling, en de Kamer hierover te
informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Voortman, Bergkamp en
Voordewind. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende
ondersteund.
Zij krijgt nr. 117 (34300-XVI).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat er bij gemeenten onduidelijkheid is over het
woonplaatsbeginsel bij de toekenning van jeugdzorg;
overwegende dat kinderen niet benadeeld mogen worden door onenigheden
tussen gemeenten;
verzoekt de regering, heldere richtlijnen op te stellen die
onduidelijkheden wegnemen omtrent het woonplaatsbeginsel bij de
toekenning van jeugdzorg,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Voortman, Kooiman, Bergkamp en
Voordewind. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende
ondersteund.
Zij krijgt nr. 118 (34300-XVI).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat het kabinet met een voorstel komt om de meldcode
kindermishandeling zo aan te scherpen dat zorgverleners hun informatie
eerder delen;
overwegende dat de vraag is hoe dit zich verhoudt tot het medisch
beroepsgeheim;
verzoekt de regering, dit voorstel voor advies voor te leggen aan het
College Bescherming Persoonsgegevens en de Raad van State alvorens met
een definitief voorstel naar de Kamer te komen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Voortman. Naar mij blijkt, wordt
de indiening ervan voldoende ondersteund.
Zij krijgt nr. 119 (34300-XVI).
Mevrouw Bergkamp (D66):
Natuurlijk ben ik het volkomen eens met deze motie. Wil mevrouw Voortman
aan de motie het verzoek toevoegen dat ook wetenschappers of een
onderzoeksbureau ernaar kijken? Wij hebben allemaal wel een mening en
zijn bij de meldcode echt nagegaan hoe het qua onderzoek in het
buitenland zit. Is mevrouw Voortman bereid om dat toe te voegen aan haar
motie?
Mevrouw Voortman (GroenLinks):
Daartoe ben ik graag bereid. Iets in die richting voeg ik toe. Als de
staatssecretaris toezegt waarom ik in deze motie vraag, trek ik de motie
in.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat kinderen in asielzoekerscentra vaak traumatische
gebeurtenissen hebben meegemaakt;
overwegende dat deze kinderen een aanspreekpunt binnen de opvang nodig
hebben waar zij terechtkunnen met vragen en voor het bespreken van
persoonlijke problematiek;
verzoekt de regering, het COA te verzoeken om bij elke opvanglocatie een
vertrouwenspersoon voor minderjarige asielzoekers in te stellen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Voortman. Naar mij blijkt, wordt
de indiening ervan voldoende ondersteund.
Zij krijgt nr. 120 (34300-XVI).
Mevrouw Voortman (GroenLinks):
Ik had een motie voorbereid over kinderen van ouders met een
psychiatrische beperking, maar die motie hoef ik niet in te dienen omdat
de staatssecretaris heeft toegezegd dat hij in een overleg met de VNG de
knelpunten zal inventariseren.
De voorzitter:
Hiermee zijn alle achttien moties ingediend.
De vergadering wordt van 15.51 uur tot 16.00 uur geschorst.
De voorzitter:
Ik geef graag het woord aan de staatssecretaris voor een antwoord op de
vragen in de tweede termijn en een reactie op de moties en
amendementen.
Staatssecretaris Van Rijn:
Voorzitter. Er zijn een paar specifieke vragen gesteld. Mevrouw Kooiman
kwam terug op de gemeentelijke middelen. Daarbij spelen twee punten.
Over de budgetten voor de Wmo en de jeugdhulp hebben we uitgebreid met
de gemeenten gesproken, mede in het licht van de verdeelmodellen. Toen
was het punt: wat doen we? Gaan we elk jaar praten over de omvang van de
budgetten en de verschuivingen daarin, of proberen we een beetje
meerjarige zekerheid te creëren, waardoor de gemeenten in ieder geval
weten waar ze aan toe zijn? We hebben uiteindelijk voor die tweede opzet
gekozen. Zowel in het kader van de Wmo als in de Jeugdwet is er dus
meerjarig zicht op hoe de budgetten zich tot elkaar verhouden. De
wethouders van financiën zeggen natuurlijk: hoe zit het met de verdere
ontwikkeling van het Gemeentefonds? De ontwikkeling van het
Gemeentefonds en de kortingen en plussen moeten vooral met het
departement van Binnenlandse Zaken besproken worden. Wij hebben van onze
kant aangegeven welke zekerheid wij de komende jaren kunnen bieden.
Overigens blijft staan dat ik met de gemeenten heb afgesproken dat we in
de loop van de jaren zullen blijven volgen wat de behoefte aan hulp en
jeugdzorg is, en of de financiële middelen daarvoor toereikend
zijn.
Mevrouw Keijzer vroeg mij of haar vragen over de meldcode en meldplicht
in de toezegging over de voortgangsrapportage kunnen worden meegenomen.
Dat is wat mij betreft het geval; dat zullen we doen.
Mevrouw Keijzer (CDA):
Ik ben dan niet helemaal duidelijk geweest. Ik heb begrepen dat de
staatssecretaris komt met een brief naar de Kamer waarin de deal over de
registratieplicht, meldplicht of hoe dan ook wordt uitgewerkt. Mijn
verzoek is om de feitelijke vragen die ik gesteld heb daarbij mee te
nemen.
Staatssecretaris Van Rijn:
Daar had ik ja op gezegd.
Mevrouw Keijzer (CDA):
Dus niet in de voortgangsrapportage maar in de brief.
De voorzitter:
Volgens mij gaan er nu twee dingen door elkaar lopen. Mevrouw Keijzer
vraagt om een concrete brief.
Staatssecretaris Van Rijn:
Ik heb twee toezeggingen gedaan. Ik heb een brief toegezegd waarin ik
toelicht waar het geld vandaan komt. Mijn tweede toezegging is dat ik in
de voortgangsrapportage van half december uitgebreid zal ingaan op de
ins en outs van de discussie over de verbetering van de meldcode.
Mevrouw Bergkamp (D66):
De staatssecretaris heeft over de discussie over de meldplicht,
registratieplicht en meldcode tijdens het AO over kindermishandeling
toegezegd dat hij half november een brief zou sturen. Als ik even
meedenk met mevrouw Keijzer, lijkt het mij dat de antwoorden op haar
vragen in die brief kunnen worden meegenomen.
Staatssecretaris Van Rijn:
Op zich maakt het voertuig mij niet uit. Ik constateer dat in dit debat
twee toezeggingen zijn gedaan. Er werd gevraagd of ik toe kan lichten
hoe het met de dekking zit. Ik heb daarover een brief toegezegd. Ook
werd mij gevraagd in te gaan op alle ins en outs van het voorstel over
de verbetering van de meldcode. Ik heb gezegd: het lijkt mij op zich
prima om dat zo snel mogelijk te doen. Ook zei ik: we kunnen dat doen
ter gelegenheid van de rapportage GIA, die half december komt. Als u
daar een aparte brief van wilt maken, vind ik dat goed, maar het lijkt
mij goed om het in de rapportage mee te nemen.
Mevrouw Keijzer (CDA):
Het lek is boven. De toezegging over de dekking ging over de
ouderbijdrage en of een en ander nog precies uitgewerkt zou kunnen
worden. Daarna hebben we gesproken over de deal over de meldplicht
tussen de PvdA en de VVD. De staatssecretaris zou de Kamer informeren
over wat daaraan vastzit. Hoe hij het noemt mag hij zelf weten, maar ik
zou het wel fijn vinden als hij ook mijn feitelijke vragen daarover zou
beantwoorden.
Staatssecretaris Van Rijn:
Dat zal gebeuren. Ik ga de Kamer overigens niet informeren over de deal,
maar over de inhoudelijke merites van het voorstel ten aanzien van de
verbetering van de meldcode.
De voorzitter:
Helder. De staatssecretaris vervolgt.
Staatssecretaris Van Rijn:
Mevrouw Keijzer heeft gevraagd welke gemeente de behandeling doet in het
justitieel kader ten aanzien van de woonplaats. Daar zijn eerder al
vragen over gesteld, ook Kamervragen. Die zijn beantwoord. Om een lang
antwoord kort te maken: er zijn discussies over de vraag waar het
precies thuishoort. Samen met de VNG en de ministeries van VWS en V en J
zullen we tot nadere richtlijnen en verduidelijking daarover komen. Dat
beantwoordt de vraag van mevrouw Keijzer om daar enige helderheid in te
scheppen. Dat zullen we doen.
Mevrouw Keijzer (CDA):
Op welke termijn gebeurt dat?
Staatssecretaris Van Rijn:
We kunnen dat prima betrekken bij de voortgangsrapportage die in het
voorjaar verschijnt.
Dan heb ik nog een punt van orde. Ik weet alleen niet zeker of ik een
punt van orde mag inbrengen. In dat geval kan ik het ook anders
noemen.
De voorzitter:
Dan is het een vraag aan de voorzitter.
Staatssecretaris Van Rijn:
Mijn vraag aan de voorzitter is dan of het niet verstandig zou zijn om
de moties over asiel, asielkinderen en de jeugdzorg daarvoor nog eens
met mijn collega te bespreken en ervoor te zorgen dat de Kamer daarop
voor de stemmingen een schriftelijk antwoord krijgt. Het gaat dan over
de moties op stukken nrs. 115, 116, 117 en 120.
De voorzitter:
De stemmeningen zijn volgende week dinsdag. Als u kunt aangeven dat die
rapportage er voor het weekend is, zie ik daarvoor instemming bij de
leden.
Staatssecretaris Van Rijn:
Die toezegging doe ik namens mijn collega.
Mevrouw Kooiman (SP):
Voordat de staatssecretaris overgaat tot de behandeling van de moties,
wil ik opmerken dat ik nog wel een toezegging op zijn lijstje mis. Ik
krijg graag de toezegging dat de staatssecretaris een reactie geeft op
het rapport van de Kinderombudsman. Ik vind het wel zo netjes dat daar
een officiële reactie op komt. Ik snap dat de staatssecretaris dat
eventueel meeneemt in de voortgangsrapportage.
Staatssecretaris Van Rijn:
Dat ben ik met mevrouw Kooiman eens en dat zal ik dus doen.
Mevrouw Van der Burg (VVD):
Ik had ook nog een vraag gesteld. Als partijen, of dat nu een gemeente
of een jeugdhulpaanbieder is, bewust bijvoorbeeld de privacy schenden —
het was een heel lijstje, maar dat zal ik niet helemaal herhalen —
wanneer is dan het moment gekomen om deze berispend toe te spreken? En
hoe?
Staatssecretaris Van Rijn:
Dat gebeurt via twee wegen. Mevrouw Van der Burg noemde die zelf ook al.
Enerzijds ziet de inspectie erop toe dat de kwaliteit van zorg passend
en kwalitatief goed is. Anderzijds wordt de gemeente erop aangesproken
als zij handelt in strijd met de wet. De gemeente dient namelijk te
zorgen voor een passende voorziening. Als die niet passend is omdat
andere overwegingen een doorslaggevende rol spelen, wordt de gemeente op
die handelwijze aangesproken.
Wellicht ten overvloede ga ik nog in op een vraag van mevrouw Bergkamp
die overigens wel is beantwoord in de eerste termijn. Die vraag betrof
de plaatsing in een gesloten instelling terwijl er geen machtiging is.
Daarnaar loopt nu een onderzoek door de inspectie. Er zijn wat nadere
vragen over gesteld; deze zullen in januari worden beantwoord.
De voorzitter:
Ik kijk even naar de leden en constateer dat hiermee alle openstaande
vragen zijn beantwoord. We kunnen nu overgaan naar de moties en
amendementen.
Staatssecretaris Van Rijn:
In de motie-Kooiman/Bergkamp op stuk nr. 103 wordt de regering verzocht
om te zorgen voor invoering van een combinatiepakket bestaande uit
screening, training en inspectietoezicht voor alle relevante partijen
die werken met de verplichte meldcode. Ik had toegezegd met een
uitgebreid voorstel te komen naar aanleiding van de verbetering van de
meldcode, het plan van aanpak van mevrouw Van der Burg en de vragen van
mevrouw Kooiman over het combipakket. Ik kan mij voorstellen dat de
motie wordt aangehouden totdat ik die analyse op tafel heb gelegd. Dat
zou mijn voorstel zijn.
Mevrouw Kooiman (SP):
Deze motie is juist door mij en mevrouw Bergkamp ingediend zodat we
zeker weten dat dit in het voorstel terechtkomt. Ik twijfel daarom een
beetje of ik de motie moet aanhouden. Het is namelijk wel heel
belangrijk dat het wordt gerealiseerd.
Staatssecretaris Van Rijn:
Als mevrouw Kooiman die toezegging van mij wil, wil ik het oordeel aan
de Kamer laten. Volgens mij is er geen misverstand over de vraag welke
verbetertrajecten er allemaal kunnen worden ingevoerd. Voor een deel
zitten die ook in het plan van aanpak van mevrouw Van der Burg. Volgens
mij kunnen we elkaar daarop vinden.
De voorzitter:
Het oordeel over de motie op stuk nr. 103 is daarmee aan de Kamer.
Staatssecretaris Van Rijn:
Ik kom tot de motie op stuk nr. 104, waarin de regering wordt verzocht
de regie te nemen en ervoor te zorgen dat gemeenten het CORV-systeem
gebruiken. Zoals ik in het debat al heb aangegeven, spreken we de
partijen aan op de wettelijke verplichting. We zullen ook nog een aparte
functionaris aanstellen die hierop verder moet toezien. We zullen
hierover in het voorjaar berichten. Kortom, ik acht deze motie
ondersteuning van beleid en ik laat het oordeel daarover aan de
Kamer.
In de motie-Kooiman/Bergkamp op stuk nr. 105 wordt de regering verzocht,
ervoor te zorgen dat daar waar met gemeenschapsgeld zorg wordt ingekocht
bij particuliere jeugdzorginstanties, deze jeugdzorginstanties ook
altijd onder toezicht staan van de Inspectie Jeugdzorg. Ik had in het
debat al gezegd dat de Inspectie Jeugdzorg bevoegd is als er sprake is
van overheidsgeld. Dat geldt ook voor pgb's. Ik dacht dus dat ik dit al
voldoende had beantwoord en toegezegd.
Mevrouw Kooiman (SP):
De motie is zeker niet overbodig. Kijk bijvoorbeeld naar instanties als
stichting Stop Loverboys NU, waar sporadisch pgb-geld wordt ingezet. Je
kunt ook kijken naar de Zorgverzekeringswet, voor mensen boven de 18. Er
gaat namelijk wel gemeenschapsgeld naartoe, terwijl er geen structureel
inspectietoezicht plaatsvindt. Dat wil ik ondervangen. Ik kan ook nog
wel bedenken dat de staatssecretaris nader gaat onderzoeken of dit
inderdaad het geval is, maar het uitgangspunt moet zijn dat er, als er
gemeenschapsgeld in wordt gestoken, inspectietoezicht moet zijn, niet
sporadisch, maar gewoon standaard.
Staatssecretaris Van Rijn:
De inspectie is bevoegd en er is toezicht op. De volgende vraag is op
welke wijze het toezicht wordt uitgevoerd. Het is risicogericht
toezicht; soms gaat het om de frequentie, soms gebeurt het op basis van
signalen. Daar zit, denk ik, geen misverstand, maar ik vind het prima om
dat nog nader te duiden of uit te zoeken. Ik heb aangegeven dat de
inspectie bevoegd is als er overheids- of gemeenschapsgeld wordt besteed
aan een instelling. De discussie over de frequentie, de signalen en het
risicogericht toezicht is een andere.
Mevrouw Kooiman (SP):
Kan de staatssecretaris dan in ieder geval dat laatste punt betrekken
bij de voortgangsrapportage? Dan kan ik mijn motie aanhouden en haar
tegen dat licht bezien, want ik wil wel graag dat dit goed geregeld
wordt.
Staatssecretaris Van Rijn:
Dat voorstel spreekt mij aan. Laten wij dat doen.
De voorzitter:
Op verzoek van mevrouw Kooiman stel ik voor, haar motie (34300-XVI, nr. 105) aan te houden.
Daartoe wordt besloten.
Mevrouw Bergkamp (D66):
Ik ben het helemaal eens met mevrouw Kooiman, maar heb toch nog een
vraag. Het is heel goed dat de staatssecretaris hier in de
voortgangsrapportage naar zal kijken. Ik krijg namelijk signalen dat er
bij pgb-gefinancierde instellingen toch een probleem is met het
toezicht. Ik hoop dus dat de staatssecretaris hier specifiek naar zal
kijken. Ik denk bijvoorbeeld aan zorgboerderijen of andere
pgb-gefinancierde instellingen. Als de staatssecretaris dit punt bij de
voortgangsrapportage wil betrekken, ben ik daar heel tevreden over.
Staatssecretaris Van Rijn:
Dat is goed, maar dat gaat in feite over een ander onderdeel van de
discussie, namelijk wie de kwaliteit bepaalt. Normaal gesproken ziet de
inspectie toe op de kwaliteit van zorg. Bij een pgb is dat eigenlijk
gemandateerd aan degene die zorg inkoopt. Toch vinden we dat we daar dan
af en toe naar moeten kijken. Als ik de motie zo mag duiden, zal ik dit
punt meenemen.
In de motie-Keijzer op stuk nr. 106 wordt de regering verzocht, binnen
afzienbare tijd te komen met een plan van aanpak voor jongeren met
autisme en een hoog IQ. Dat is misschien wel breed. Ik heb aangegeven
dat we met de werkgroep Vanuit autisme bekeken nagaan hoe we dit verder
kunnen brengen, ook richting gemeenten. Ik zie deze motie als
ondersteuning van beleid en laat het oordeel hierover aan de
Kamer.
In de motie-Keijzer c.s. op stuk nr. 107 wordt de regering verzocht, een
onderzoek te doen naar de in gemeenten vastgestelde tarieven voor de
uitvoering van de Jeugdwet. Ik heb hierop een klein amendement. De TAJ
heeft dit onderzoek gedaan in 2015, dus dan zouden we de TAJ moeten
vragen om een herhaling van dat onderzoek. Dat wil ik wel doen. Daarbij
geef ik wel aan dat volledige openbaarmaking van de individuele tarieven
op mededingingsproblemen zou kunnen stuiten. Dat neemt echter niet weg
dat er wel een beeld gegeven kan worden van die tarieven, zoals de TAJ
in 2015 heeft gedaan. Als ik de motie zo mag interpreteren, dat ik de
TAJ daartoe een verzoek zal doen — ik ga ervan uit dat dit zal gebeuren
— laat ik het oordeel over deze motie aan de Kamer.
Mevrouw Keijzer (CDA):
Dat is goed.
Staatssecretaris Van Rijn:
De motie-Keijzer op stuk nr. 108 gaat over kinderen in de grensregio. In
deze motie wordt de regering verzocht om, als een school problemen
signaleert, indien nodig een maatwerkoplossing aan te bieden. Deze motie
ontraad ik. We hebben in de wet een duidelijk onderscheid gemaakt tussen
wie waarvoor in aanmerking komt. Ik heb aangeboden om waar knelpunten
zijn, na te gaan of in overleg met partijen een oplossing gevonden kan
worden, maar ik zou niet in zijn algemeenheid nieuwe rechten willen
creëren als er conform de wet geen rechten anders dan de
overgangstermijn zijn. Ik ben wel bereid tot een onderzoek naar de
knelpunten. Ik wil de motie om die reden dan ook ontraden.
Mevrouw Keijzer (CDA):
Ik wil hier nog een vraag over stellen. Is dat niet buitengewoon
onrechtvaardig? Dit zijn mensen die in Duitsland wonen, in Nederland
werken en hier alle belastingen betalen. Vaak is de ozb het enige wat ze
niet betalen, want die betalen ze in Duitsland. Ziektekostenpremies,
noem het allemaal maar op! Maar als hun kind dat in Nederland op school
zit, zorg nodig heeft, komt het woonplaatsbeginsel om de hoek kijken.
Dat kan toch niet de bedoeling zijn? Ik zou bijna willen zeggen dat het
niet rechtvaardig is, los van dat het praktisch tot allerlei problemen
leidt.
Staatssecretaris Van Rijn:
We hebben daar destijds bij de totstandkoming van de wet ook expliciet
over gesproken. Toen is gesproken over de vraag, welk woonplaatsbeginsel
hierbij zou gelden. Toen is hiervoor gekozen, met de afspraak dat ik nog
zou kijken naar de vraag of we tot een overgangstermijn zouden willen
komen. Die overgangstermijn is er gekomen. Die loopt inderdaad aan het
eind van dit jaar af. Ik heb nog een keer toegezegd dat ik er nog eens
heel specifiek naar zou kijken. Ik wil ervoor zorgen dat we na het
afgelopen van de overgangstermijn de wettelijke beperking die we met z'n
allen hebben vastgesteld, kunnen handhaven.
In de motie op stuk nr. 109 van de leden Keijzer en Bergkamp wordt
uitgesproken dat de FPKM te Utrecht aan dezelfde eisen voldoet als het
NFI. Ik zou me eigenlijk niet op dat terrein willen begeven. Ik ga ervan
uit dat beide organisaties kwalitatief ongelooflijk goed zijn. Ik heb
geen vergelijking gemaakt. Ik zou die ook niet willen maken. Het is van
belang dat er bij beide instanties forensische artsen beschikbaar zijn
voor onderzoek in ernstige zaken van kindermishandeling. Ik denk dat de
vergelijking niet aan de orde is. Dat geldt wel voor de samenhang en de
samenwerking. Om die reden ontraad ik de motie.
Mevrouw Keijzer (CDA):
Dat is bijzonder, want in de brief die wij van de staatssecretaris van V
en J kregen, stond dat het NFI de complexe en urgente zaken doet.
Daarmee wordt geïmpliceerd dat de FPKM dat niet kan, terwijl dit soort
onderzoek altijd complex en urgent is. Je hebt het nu eenmaal over
bijvoorbeeld blauwe plekken. Het is altijd ingewikkeld en complex om uit
te zoeken wat er aan de hand is. En het is altijd urgent, omdat de
blauwe plekken na een paar dagen verdwenen zijn. Dat is de reden waarom
ik deze motie heb ingediend. In deze Kamer is altijd gezegd dat de FPKM
een hoge kwaliteit heeft. Ik vind het gewoon van belang om van deze
staatssecretaris te horen dat de kwaliteit van de FPKM geen reden is
geweest om ervoor te kiezen om het NFI de preferred supplier van de
politie te laten zijn.
Staatssecretaris Van Rijn:
Er lopen nu toch discussies door elkaar. Er is volgens mij geen twijfel
over de kwaliteit van de FPKM. Het NFI heeft om redenen besloten om zijn
capaciteit, kennis en kunde op dat punt van de strafrechtelijke
onderzoeken met 1 fte uit te breiden. Dat is ook een besluit. Vervolgens
zouden we dan een soort uitspraak krijgen over wie waar goed in is. Ik
ga ervan uit dat de kwaliteit van beide organisaties goed is. Er kunnen
tal van redenen zijn om het ene product bij de ene organisatie in te
kopen en het andere product bij de andere organisatie. Ik blijf dus bij
mijn oordeel.
Mevrouw Keijzer (CDA):
Ik heb nog een vraag. Ik hoor de staatssecretaris net zeggen dat er geen
twijfel is over de kwaliteit van de FPKM. Dat wilde ik graag horen. Ik
vind het van belang om dat vast te stellen in de Kamer. Als ik de motie
wijzig in "spreekt uit dat de FPKM te Utrecht dezelfde kwaliteit heeft
als het NFI", kan dan het oordeel van de staatssecretaris wijzigen?
Staatssecretaris Van Rijn:
Nee, want ik vind het niet goed om een motie aan te nemen waarin een
vergelijking staat en een uitspraak wordt gedaan over de kwaliteit alsof
dat een discussie zou zijn. De FPKM heeft goede kwaliteiten, het NFI
heeft goede kwaliteiten. Er kunnen verschillende redenen zijn om die
zorg daar in te kopen. Ik heb ook geen reden om te veronderstellen dat
dat niet zo is. Ik wil bij dezen nog een keer uitspreken dat de FPKM een
uitstekende kwaliteit heeft. Een vergelijking lijkt mij echter niet aan
de orde.
De voorzitter:
Dan misschien toch een punt van orde. Wat betekent deze uitspraak van de
staatssecretaris voor het handhaven van de motie?
Mevrouw Keijzer (CDA):
Ik denk daar nog even over na, maar ik ben wel heel blij met deze
woorden van de staatssecretaris. Laat dat gezegd zijn.
Staatssecretaris Van Rijn:
In de motie op stuk nr. 110 wordt de regering verzocht om te kijken of
er voor alle jongeren een risicotaxatie gemaakt kan worden, zodat er
eventueel met een hulpvoortzettingsplan gekomen kan worden. Ik heb een
paar kanttekeningen. Ik heb in mijn betoog aangegeven — anderen hebben
er ook op gewezen — dat ik mij bereid heb verklaard om met de VNG en de
branche overleg te voeren over de beste manier om te handelen bij
18-min/18-plus. Samen met het Nederlands Jeugdinstituut zullen wij de
best practices bijeenbrengen om te achterhalen wat wel en niet werkt. Ik
wil er een beetje voor waken om hier nu uit te spreken dat voor alle
jongeren een risicotaxatie zal worden gemaakt en tot een
hulpvoortzettingsplan kan worden gekomen, ook omdat ik de
administratieve lasten niet wil vergroten. Indien het nodig is, denk ik
ook dat het tot de standaardwerkwijze behoort. Ik zou me kunnen
voorstellen dat ik dat overleg voer met de VNG en de branche om te
bekijken welke maatregelen er allemaal kunnen worden genomen. Misschien
wil de indienster overwegen om deze motie aan te houden totdat ik
daarover heb gerapporteerd.
De voorzitter:
Ik kijk mevrouw Ypma aan.
Mevrouw Ypma (PvdA):
Dan doe ik toch nog even een poging, voorzitter. Volgens mij gebeurt het
op sommige plekken wel. Daarom is het ook goed dat de staatssecretaris
dat gaat inventariseren. Het gebeurt op andere plekken echter niet. Ik
vind dat we dat niet kunnen toestaan. Ik vind dat er een signaal nodig
is vanuit de Kamer aan de instellingen dat kinderen op hun 18de altijd
op een veilige plek moeten terechtkomen en dat ze in beeld moeten zijn
als dat niet het geval is. Ook moet er tijdens hun 17de levensjaar zijn
nagedacht over hun toekomst. Dat is de intentie van deze motie. Als de
staatssecretaris bereid is om dat mee te nemen, mag hij haar op die
manier interpreteren. Ik word daarover dan graag gerapporteerd in de
volgende voortgangsrapportage. Ik handhaaf de motie dan om de
staatssecretaris dat duwtje in de rug te geven.
Staatssecretaris Van Rijn:
Ik heb al eerder aangegeven dat het ook mijn intentie is dat jongeren
waar nodig in beeld blijven en dat er, als ze 16 of 17 zijn, inderdaad
wordt nagedacht over de vervolgstappen. Ik had mij al bereid verklaard
om daarbij na te gaan of er andere wet- en regelgeving nodig is om dit
tot stand te brengen daar waar het niet automatisch tot stand komt. We
kunnen hier lang over spreken, maar volgens mij zijn wij het ontzettend
eens over dit punt. De kanttekening die ik erbij maak, is dat we moeten
oppassen dat we niet overal een risicotaxatie maken en overal
administratieve maatregelen nemen. Dit is gewoon onderdeel van het in
beeld houden en krijgen van jongeren als ze 18 zijn. Als ik de motie zo
mag lezen, heb ik er geen bezwaar tegen.
De voorzitter:
Dan is het dus: oordeel Kamer?
Staatssecretaris Van Rijn:
Dan is het: oordeel Kamer.
Ik kom bij de motie op stuk nr. 111, waarin wij worden gevraagd te
bevorderen dat instellingen transparanter zijn over de capaciteit. Dat
past bij de notitie Ruimte voor jeugdhulp, die onder
verantwoordelijkheid van gemeenten en branches is gemaakt om elkaar
eerder te informeren over de beschikbare capaciteit. Die moet niet
achteraf worden bepaald. Ik laat het oordeel over deze motie dus aan de
Kamer.
De motie op stuk nr. 112 is een heel interessante motie, waarin twee
dingen worden uitgesproken: om niet over te gaan tot het introduceren
van een meldplicht en om in samenspraak met het veld de activiteiten en
samenwerking te bevorderen die de informatie-uitwisseling vergroten. Ik
heb twee kanttekeningen bij de motie. Er staat "niet over te gaan tot
het introduceren van een meldplicht", alsof dat het plan was. Dat lijkt
mij een overweging die ik niet helemaal voor mijn rekening zou willen
nemen. Wel wil ik voor mijn rekening nemen dat in samenspraak met het
veld activiteiten en samenwerking in de keten worden bevorderd en dat de
uitwisseling tussen hulpverleners wordt vormgegeven. Als dat dictum weg
kan, zou ik zeer eens zijn met de uitspraak van de motie.
Mevrouw Bergkamp (D66):
Ik vind dit wel leuk van de staatssecretaris. De vorige keer heeft hij
echter toch een beetje in het midden gelaten of hij voor een meldplicht
was. Vandaag heeft hij duidelijk gezegd dat hij tegen een meldplicht is.
Volgens mij is deze motie dan ondersteuning van beleid, ook omdat de
staatssecretaris het eens is met het bevorderen van de samenwerking en
de informatie-uitwisseling. Ik herhaal dan de woorden van mevrouw Ypma.
Ik wil hem een duwtje in de rug geven.
Staatssecretaris Van Rijn:
Dan blijft het mijn hiccup dat de regering wordt verzocht om niet over
te gaan tot het introduceren van een meldplicht, alsof dat het voornemen
zou zijn. Dat voornemen was er niet. Vervolgens hebben wij vandaag
gesproken over de wijze waarop de werking van de meldcode kan worden
verbeterd, waarbij de Kamer een aantal belangrijke dingen heeft
aangegeven. Ik heb bezwaar tegen dat dictum. De rest van de overwegingen
in de motie wil ik omarmen. Dus mijn verzoek de indiensters is om dat
stukje van het dictum weg te laten.
Mevrouw Bergkamp (D66):
Ik heb toch een vraag daarover. Klopt het dat de staatssecretaris
tijdens dit wetgevingsoverleg heeft gezegd: ik ben tegen een meldplicht,
dat ga ik niet doen? Dat hebben we opgeschreven. Dan is het toch
ondersteuning van beleid?
Staatssecretaris Van Rijn:
Als u mijn inhoudelijke opvatting vraagt over de fase waarin we nu
zitten, dan denk ik dat er nog heel veel verbeterd kan worden aan de
meldcode zoals we in de Kamer hebben besproken en conform de aanpak van
mevrouw Van der Burg. Daarom gaan we geen meldplicht invoeren. Iets
anders is de vraag of we die once and for all gaan uitsluiten. Er wordt
een uitspraak van "de regering" gevraagd en "de" regering is er altijd.
Wij moeten een beetje oppassen dat we ook hier tot een soort semantiek
komen. Volgens mij zijn we het er ongelofelijk over eens, dat is
tenminste mijn constatering, dat er zeer brede overeenstemming is over
het feit dat de werking van de meldcode kan worden verbeterd en dat er
geen voornemen van de regering is om de meldplicht in te voeren maar wel
om in samenspraak de activiteiten te bevorderen die de keten en de
informatie-uitwisseling bevorderen, conform de plannen. Ik snap de
creativiteit van de moties, maar ik vraag toch ook om te bekijken of we
niet meer overeenstemming hebben dan op het eerste oog lijkt.
De voorzitter:
Op dit punt, mevrouw Bergkamp.
Mevrouw Bergkamp (D66):
Als ik de motie aanpas tot "verzoekt de regering, in deze
kabinetsperiode niet over te gaan" dan kom ik de staatssecretaris toch
een heel eind tegemoet? Dan is het niet voor het leven, maar voor in
ieder geval deze kabinetsperiode. Tromgeroffel!
Staatssecretaris Van Rijn:
Nee, ik blijf toch een beetje volhouden. Ik vind het niet goed. Er is
namelijk geen voornemen tot een meldplicht. Dat spreek ik bij dezen nog
een keer uit: er is geen voornemen tot een meldplicht. Een verzoek aan
de regering om daar niet toe over te gaan, lijkt mij dan het onnodig
voeren van een discussie die niet nodig is, omdat we het eens zijn over
de wijze waarop we de meldcode gaan verbeteren. Volgens mij moeten we af
van de discussie of dat een meldplicht wordt of niet. We gaan niet over
tot een meldplicht; we gaan over tot het verbeteren van de meldcode. De
meerderheid van de Kamer geeft ook aan wat de weg daartoe zou zijn. Om
die reden ben ik niet voor deze motie.
De voorzitter:
Oké. U ontraadt haar.
Mevrouw Kooiman (SP):
Ik weet niet goed hoe ik de motie moet lezen. De Taskforce
kindermishandeling noemt de verbetering van de verplichte meldcode een
meldplicht. Dus ik weet niet hoe ik de motie specifiek moet lezen. Ik
vraag de staatssecretaris dus nog één keer om mij uit te leggen hoe hij
dit leest. Zegt hij: een meldplicht noem ik geen meldplicht, want wat de
taskforce zegt, noem ik geen meldplicht? Begrijp ik dat goed?
Staatssecretaris Van Rijn:
Nee. Het is nog veel simpeler, althans in mijn ogen. Stap vijf van de
meldcode zegt dat je óf een melding doet, óf een hulpplan gaat maken.
Wij hebben vandaag heel lang gesproken over de vraag hoe we de werking
van die meldcode kunnen verbeteren. Dat zit enerzijds bij scholing en
bij wat mevrouw Kooiman het combinatiepakket noemt, om zo te bevorderen
dat daar waar een melding aan de orde is, zorgverleners daar ook toe
overgaan. Anderzijds dient daartoe bevorderd te worden dat als er
hulpverleningsprojecten worden ingezet er ook een goede radarfunctie is
bij Veilig Thuis, in samenspraak met de zorgaanbieders, zodat we
kinderen in het snotje houden voor wie er hulpverlening aan de gang is.
Dan heb je dus niet speciaal een actie van Veilig Thuis nodig, maar
blijft het gewoon bij de zorgaanbieders. Dat vind ik de verbetering van
de werking van de meldcode. Dat is iets anders dan de invoering van een
meldplicht, want dat behelsde stap vijf nou juist niet. Stap vijf is
immers de keuze: óf je meldt, óf je doet aan hulpverlening. Daar is de
verbetering op gericht. Vandaar dat ik de suggestie wil weghalen dat er
een overweging was om die meldplicht in te voeren. We zijn juist bezig
met een verbetering en omdat we het daarover eens zijn, lijkt het me
goed om die suggestie te blijven voeren. Dat is ook een beetje mijn
suggestie aan de indiensters.
Mevrouw Keijzer (CDA):
Misschien is het dan een oplossing dat we uit het dictum de woorden
"niet over te gaan tot het introduceren van een meldplicht" weghalen en
daarboven de woorden "constaterende dat het kabinet deze periode niet
overgaat tot het invoeren van een meldplicht " toevoegen.
De voorzitter:
Dan heb ik toch even een vraag, voordat er tekstaanpassingen worden
gedaan. Is dat de aanpassing van de motie die de twee indieners nu
voorstellen?
Mevrouw Keijzer (CDA):
Wat dacht u nu, voorzitter? Natuurlijk hebben wij hier overleg over.
De voorzitter:
Dan kijk ik de staatssecretaris aan.
Staatssecretaris Van Rijn:
Dan moeten wij even naar de precieze formulering kijken. Ik begrijp dat
er een overweging komt te staan, overwegende dat de regering heeft
gezegd enzovoorts, en dat de indieners dan komen tot een dictum.
Mevrouw Keijzer (CDA):
Er staan drie constateringen in de motie. Daar komt een vierde bij:
constaterende dat het kabinet deze periode niet overgaat tot het
invoeren van een meldplicht. In het dictum worden de woorden "niet over
te gaan tot het introduceren van een meldplicht, maar" geschrapt. Dan
constateren wij wat de staatssecretaris zegt: er komt nog geen
meldplicht. Vervolgens vragen wij hem om in samenspraak met het veld
activiteiten en samenwerking enzovoorts.
De voorzitter:
Ik denk dat wij de teksten niet meer helemaal scherp krijgen. Misschien
is het beter dat er een schriftelijke reactie volgt. Mevrouw Keijzer
overhandigt de tekst aan de staatssecretaris.
De motie-Bergkamp/Keijzer (34300-XVI, nr. 112) is in die zin gewijzigd dat zij thans luidt:
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de verplichte meldcode pas in 2013, na overleg met het
veld zorgvuldig tot stand is gekomen;
constaterende dat buitenlands onderzoek aantoont dat er grote risico's
en nadelen zitten aan de meldplicht, waar het kind uiteindelijk geen
baat bij heeft, zoals het risico op het mijden van zorg door ouders en
toename van het aantal onterechte en ongegronde meldingen van
professionals ter voorkoming van tuchtrechtelijke gevolgen bij het niet
melden;
constaterende dat er op dit moment nog te weinig gebruik gemaakt wordt
van de verplichte meldcode en te veel mishandelde kinderen niet in het
vizier van Veilig Thuis komen;
constaterende dat het kabinet deze periode niet overgaat tot het
invoeren van een meldplicht;
van mening dat slachtoffers van kindermishandeling en seksueel misbruik
in beeld moeten komen, de juiste hulp verdienen en in beeld gehouden
moeten worden;
verzoekt de regering, in samenspraak met het veld activiteiten en
samenwerking in de keten te bevorderen die de informatie-uitwisseling
tussen hulpverleners vergroot en daarmee de effectiviteit van de
verplichte meldcode vergroot
en gaat over tot de orde van de dag.
Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende
ondersteund.
Zij krijgt nr. ??, was nr. 112 (34300-XVI).
Staatssecretaris Van Rijn:
Zo kan het.
Mevrouw Kooiman (SP):
Ik vind het heel lastig. Ik worstel namelijk met het advies van de
taskforce, omdat ik een verbetering van de meldcode wel voor mij zie. Ik
kan het niet zo goed afwegen. Het zou mij heel erg helpen als de
staatssecretaris duidelijk uiteenzet hoe hij deze motie, waarvan ik de
aanpassingen nog niet heb gezien, interpreteert en hoe ik die moet
lezen. Ik vind het heel lastig, want ik kan nu geen oordeel geven.
De voorzitter:
Ik ga gaarne mee met uw voorstel. Er is nu een wijziging gekomen van de
motie. De leden hebben die niet allemaal kunnen lezen. Kunnen wij
afspreken dat de staatssecretaris nog voor het einde van deze week
reageert op de gewijzigde motie en aangeeft hoe hij die verder duidt en
wat zijn oordeel daarover is? Ja, dat zegt de staatssecretaris toe.
Staatssecretaris Van Rijn:
Mag ik nog een laatste poging doen om even te kijken hoezeer wij
hetzelfde hierover denken? Wij hebben eerst een debat gehad over de
invoering van de meldcode. Wij hebben geconstateerd dat die zijn werking
moet hebben en dat het niet nodig is om een meldplicht in te voeren.
Daarna zijn een aantal terechte zorgen boven water gekomen: wordt er
voldoende gemeld en is er voldoende informatieoverdracht tussen de
zorgaanbieders en bijvoorbeeld Veilig Thuis? Vervolgens krijgen wij een
discussie over de vraag hoe wij die meldcode kunnen verbeteren.
De regering was inderdaad niet voornemens om een meldplicht in te
voeren. Vervolgens constateren wij dat er een aantal reële zorgen zijn,
die bijvoorbeeld zijn verwoord in het plan van aanpak van mevrouw Van
der Burg. Door een aantal partijen wordt gezegd dat die verbeteringsslag
wel moet worden gemaakt. Mijn oproep zou zijn om na vandaag de discussie
over de meldplicht, verplicht en niet verplicht, te stoppen en
vervolgens in ogenschouw nemen het plan van aanpak van mevrouw Van der
Burg, waarin volgens mij zeer verantwoorde keuzes zitten, het
combipakket en de verdere verbeteringen in de informatievoorziening,
zoals in deze motie verwoord. Volgens mij hebben wij dan een goede
aanpak voor de verbetering van de meldcode en kunnen wij ons daarop
baseren in plaats van op semantiek rondom de vraag wat een verplichte
meldcode is, wat een verplichte melding is en hoe het anders in elkaar
zit. Dat is niet in het belang van dit onderwerp.
Mevrouw Keijzer (CDA):
Nu gebeurt er iets bijzonders. Nadat ik een wijzigingsvoorstel heb
gedaan, zegt de staatssecretaris: zo kan het. Vervolgens wordt het in
één haal in het plan van aanpak van de VVD-fractie geïncorporeerd. Dat
gaat mij te ver. Ik vind het een goed voorstel van mevrouw Kooiman. Kan
de staatssecretaris schriftelijk aangeven wat hij wil doen? Dit gaat mij
te vlot.
De voorzitter:
Dan zijn wij het eens met dat voorstel. Er komt een schriftelijke
reactie voor het einde van deze week. Wij gaan over naar de volgende
motie.
Staatssecretaris Van Rijn:
In de motie op stuk nr. 113 wordt de regering verzocht om de inspectie
themagericht onderzoek te laten uitvoeren in de eerste helft van 2016.
Ik wil de motie op twee manieren interpreteren, als dat voor de
indieners bespreekbaar is. Wij hebben al afgesproken, conform de motie
die hierna komt, om samen met de VNG te zorgen voor betere voorlichting:
hoe zit het met de privacy, hoe worden gegevens opgeslagen en op welke
manier kunnen mensen daarover voorgelicht worden? Ik zie de motie als
ondersteuning van beleid. Ik denk dat we de inspectie op basis daarvan
kunnen vragen: zie er voor ons op toe dat het ook gebeurt, zodat we wat
kunnen doen. De eerste helft van 2016 zou wat vroeg zijn, maar ik wil
dit wel met de inspectie bespreken om ervoor te zorgen dat het toezicht
er komt, gegeven de uitspraak die we hopelijk gaan doen aan de hand van
de motie op stuk nr. 114.
Mevrouw Bergkamp (D66):
Die moties horen inderdaad bij elkaar. Het is dus heel goed dat de
staatssecretaris ze aan elkaar verbindt. Ze zijn ook door dezelfde
Kamerleden ingediend. Als ik "de eerste helft van 2016" nu vervang door
"de tweede helft van 2016", dan zou de informatievoorziening aan ouders
op het punt van de privacy verbeterd moeten worden en zou de inspectie
daar toezicht op kunnen houden. Zij heeft dan wat meer tijd.
Staatssecretaris Van Rijn:
Dat lijkt mij een mooi.
De voorzitter:
Nog even voor de goede orde. Geeft u die wijzigingen nog door?
Mevrouw Bergkamp (D66):
Ja.
De voorzitter:
Dat geldt voor alle wijzigingen die zijn aangekondigd. Een en ander moet
worden aangepast om ervoor te zorgen dat de leden allemaal dezelfde
tekst hebben.
Mevrouw Bergkamp (D66):
Ik zal dat zeker doen.
Staatssecretaris Van Rijn:
Ik kom op de motie-Bergkamp c.s. op stuk nr. 114. Ik heb het al een
beetje laten doorschemeren: ik zie die motie als ondersteuning van
beleid en ik laat het oordeel daarover aan de Kamer.
Ik ga door naar de motie-Voortman c.s. op stuk nr. 118. In die motie
wordt de regering verzocht om heldere richtlijnen op te stellen en
onduidelijkheden weg te nemen omtrent het woonplaatsbeginsel. Ik heb al
gezegd dat gemeenten en zorgaanbieders in het kader van het project om
administratieve lasten te verminderen al bezig zijn om tot een nadere
verheldering te komen. Partijen zullen dus met voorstellen komen.
Mevrouw Keijzer zei net dat het, als iets wordt toegezegd wordt,
misschien niet nodig is om een motie in te dienen, maar ik laat het
oordeel over deze motie aan de Kamer.
Ik kom op de motie-Voortman op stuk nr. 119. In die motie wordt
voorgesteld om het voorstel voor advies voor te leggen aan het College
bescherming persoonsgegevens en de Raad van State, voordat er een nader
voorstel over de meldcode en de meldplicht naar de Kamer komt. Er is nog
geen voorstel. Volgens mij moeten we eerst door de voordeur en moet de
regering eerst in overleg met het parlement haar standpunt bepalen. Ik
heb daar toezeggingen over gedaan. De Kamer kan bekijken of het daarna
nog nodig is om een nader advies te krijgen. Ik ontraad deze motie
daarom.
Mevrouw Voortman (GroenLinks):
Ik wil de motie op stuk nr. 119 graag aanhouden totdat het voorstel er
is. Dan weet de staatssecretaris al wat ik dan aan de orde zal
stellen.
De voorzitter:
Op verzoek van mevrouw Voortman stel ik voor, haar motie (34300-XVI, nr. 119) aan te houden.
Daartoe wordt besloten.
Staatssecretaris Van Rijn:
Ik kom op het amendement-Van der Staaij-Voordewind (34300-XVI, nr. 91).
Dat amendement gaat over de Eigen Kracht Centrale. Tijdens het debat
hadden wij er net al even discussie over. De heer Voordewind heeft
voorgesteld dat we ons er eerst nog even inhoudelijk in verdiepen
alvorens we bekijken wat verder nodig is. Ik ondersteun dat
voorstel.
De voorzitter:
Dat voorstel wordt ondersteund. Ik ga ervan uit dat de heer Voordewind
dat overbrengt aan de heer Van der Staaij. Het zal ons niet verbazen als
dat zijn uitwerking heeft op de status van het amendement op stuk nr.
91.
De heer Voordewind (ChristenUnie):
Dat ga ik doen en dan zullen we een datum prikken om met elkaar om tafel
te gaan zitten. Ik dank de staatssecretaris hiervoor.
De voorzitter:
Nog even voor de helderheid. De heer Van der Staaij heeft dit amendement
ingediend, dus hij zal moeten beslissen of hij het amendement al dan
niet intrekt.
Mevrouw Van der Burg (VVD):
Er wordt geen oordeel over gegeven.
De voorzitter:
Nou ja, er is wel een oordeel over gegeven.
Staatssecretaris Van Rijn:
Tijdens de begrotingsbehandeling heb ik het amendement ontraden. Dat
oordeel blijft staan, maar gelet op de vraag van de heer Voordewind ben
ik bereid om het inhoudelijke debat daarover te voeren om te bekijken of
we die kennis en kunde op een andere manier kunnen borgen.
Naar ik heb begrepen is het amendement-Voordewind (34300-XVI, nr. 99)
ingetrokken.
De voorzitter:
Ja.
Staatssecretaris Van Rijn:
Dan kom ik op het amendement-Voordewind (34300-XVI, nr. 102). Dat
amendement gaat over drankmisbruik. Halverwege 2016 krijg ik een nadere
rapportage over de stand van zaken ten aanzien van alcoholgebruik en
alcoholmisbruik. We kunnen dan evalueren wat de stand van zaken ten
aanzien van de campagne is. Daarbij zouden we ook de vraag kunnen
betrekken of er, ook in het kader van de campagne, vervolginspanningen
nodig zijn om meer voorlichting te geven over alcoholmisbruik en de
gevolgen daarvan. Ik meen dat dat de vraag was van de heer Voordewind,
dus misschien wil hij in het licht van die toezegging bekijken of het
amendement heroverwogen zou kunnen worden.
Mevrouw Bergkamp (D66):
Kan de staatssecretaris ook schriftelijk reageren op de amendementen? Is
dat mogelijk? Ik heb ze niet allemaal gevolgd. Zijn het er maar
drie?
De voorzitter:
Feitelijk gezien blijven er niet veel meer over.
Mevrouw Bergkamp (D66):
Twee zelfs, hoor ik. Ik kijk even naar de non-verbale communicatie van
mijn collega's en dan kom ik daar wel uit.
De voorzitter:
De heer Voordewind kreeg nog een vraag over zijn amendement. Hoe kijkt
hij daar nu tegen aan?
De heer Voordewind (ChristenUnie):
Ik neem aan dat het denken niet stilstaat, ook niet tot en met de zomer.
Volgens mij is de staatssecretaris van plan om naast de NIX18-campagne
ook na te denken over een campagne over de schadelijke gevolgen van
alcoholgebruik. Als dat traject wordt ingezet en de toezegging wordt
gedaan dat er een campagne komt die ook ingaat op de schadelijke
gevolgen, kan ik het amendement intrekken. Ik begreep tenminste dat de
staatssecretaris daarnaartoe werkt.
Staatssecretaris Van Rijn:
In de tweede fase van de campagne gaan we nader in op de vraag welke
doelgroepen kunnen worden aangesproken en met welke middelen dat moet
gebeuren. Ik onderschrijf dat het heel verstandig kan zijn om gerichtere
voorlichting te geven over de mogelijke schadelijke gevolgen van
alcoholmisbruik. In die zin kan ik dat zo goed mogelijk inbedden in de
campagne. Ik wil graag toezeggen dat het denken inderdaad niet
stilstaat. Ik hoef ook niet tot het eind van de campagne te wachten om
daarover na te denken. Die toezegging wil ik dus graag doen.
De heer Voordewind (ChristenUnie):
Even voor de helderheid, mijn amendement was bedoeld om de schadelijke
gevolgen van overmatig alcoholgebruik onder jongeren te betrekken bij de
tweede fase van de campagne. Begrijp ik de staatssecretaris goed dat hij
dat wil doen?
Staatssecretaris Van Rijn:
Ja. Misschien ziet de heer Voordewind enige aarzeling bij mij, maar dat
is niet vanwege de inhoud. Die komt doordat we in het kader van de
campagne ook bekijken wat de meest effectieve methoden zijn en welke
doelgroepen we gaan aanspreken. Dat gaan we analyseren. De inzet is
echter om daarin ook de schadelijke gevolgen van alcoholmisbruik, met
name bij jongeren, mee te nemen.
De heer Voordewind (ChristenUnie):
Dan trek ik het amendement in.
De voorzitter:
Het amendement-Voordewind (stuk nr. 34300-XVI, nr. 102) is
ingetrokken.
Het is verder aan de heer Van der Staaij wat hij doet met het amendement op stuk nr. 91.
Mevrouw Keijzer (CDA):
Er komt dus ook nog een amendement van mij achteraan. Dat komt zo snel
mogelijk.
De voorzitter:
Ja, over de FPKM in Utrecht. Daar zal dan een schriftelijke reactie van
het kabinet op moeten komen. De amendementen worden pas in december
behandeld.
Ik constateer dat alle antwoorden zijn gegeven, net als de reacties op
de moties, en dat er nog één amendement komt. Er is ook een aantal
toezeggingen gedaan wat dat aangaat. Volgende week dinsdag wordt er
gestemd over de moties. Over de amendementen wordt later gestemd. Voor
het weekend wordt de Kamer nog nader geïnformeerd over openstaande
punten. Ik dank de staatssecretaris en zijn ondersteuning dat we dit
debat konden voeren. Ook dank ik de leden en zeker ook het publiek voor
hun uithoudingsvermogen.
Sluiting
Sluiting 16.43 uur.
ONGECORRIGEERD STENOGRAM |
Aan ongecorrigeerde verslagen kan geen enkel recht worden
ontleend. |
---|