Pakket Belastingplan 2017
Stenogram
Nummer: 2016D42841, datum: 2016-11-09, bijgewerkt: 2024-02-19 10:56, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Onderdeel van activiteiten:- 2016-11-07 11:00: Pakket Belastingplan 2017 (Wetgevingsoverleg), vaste commissie voor Financiën
Preview document (🔗 origineel)
VERSLAG VAN EEN WETGEVINGSOVERLEG
Concept
De vaste commissie voor Financiën heeft op 7 november 2016 vervolgoverleg gevoerd met mevrouw Bussemaker, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, en de heer Wiebes, staatssecretaris van Financiën, over:
het wetsvoorstel Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2017) (34552);
de brief van de staatssecretaris van Financiën d.d. 3 november 2016 met antwoorden op vragen van de commissie, gesteld tijdens het wetgevingsoverleg van 31 oktober 2016 (34552, nr. 19);
het wetsvoorstel Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Overige fiscale maatregelen 2017) (34553);
het wetsvoorstel Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Fiscale vereenvoudigingswet 2017) (34554);
het wetsvoorstel Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten tot uitfasering van het pensioen in eigen beheer en het treffen van enkele fiscale maatregelen inzake oudedagsvoorzieningen (Wet uitfasering pensioen in eigen beheer en overige fiscale pensioenmaatregelen) (34555);
het wetsvoorstel Wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001 met het oog op afschaffing van de aftrek van uitgaven voor monumentenpanden en de aftrek van scholingsuitgaven (Wet fiscale maatregelen rijksmonumenten en scholing) (34556);
de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 20 september 2016 inzake aanpassingen in de financiering van de monumentenzorg (32156, nr. 74);
de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 10 oktober 2016 inzake toekomst stimulering scholing en onderhoud monumenten (32156, nr. 75);
de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 3 november 2016 met antwoorden op vragen van de commissie, gesteld tijdens het wetgevingsoverleg Pakket Belastingplan 2017 van 31 oktober 2016, over het wetsvoorstel Wet fiscale maatregelen rijksmonumenten en scholing (34556) (34556, nr. 8);
het wetsvoorstel Wijziging van de Wet belastingen op milieugrondslag (Wet tijdelijk verlaagd tarief laadpalen met een zelfstandige aansluiting) (34545);
het wetsvoorstel Wijziging van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen in verband met de automatische uitwisseling van inlichtingen over grensoverschrijdende rulings en verrekenprijsafspraken (Wet uitwisseling inlichtingen over rulings) (34527);
de brief van de staatssecretaris van Financiën d.d. 4 november 2016 met de reactie op de motie-Grashoff/Groot over aanscherping substance-eisen voor vennootschappen (34550, nr. 43) (25087, nr. 136);
de brief van de staatssecretaris van Financiën d.d. 2 november 2016 inzake actualisatie CPB-notitie doorrekening standaardkoopkracht (32140, nr. 29).
Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.
De voorzitter van de vaste commissie voor Financiën,
Duisenberg
De griffier van de vaste commissie voor Financiën,
Berck
Voorzitter: Duisenberg
Griffier: Van den Eeden
Aanwezig zijn tien leden der Kamer, te weten: Bashir, Tony van Dijck, Duisenberg, Grashoff, Groot, Omtzigt, Rog, Schouten, Aukje de Vries en Van Weyenberg,
en mevrouw Bussemaker, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, en de heer Wiebes, staatssecretaris van Financiën.
Aanvang 11.04 uur.
De voorzitter:
Vorige week is het eerste wetgevingsoverleg over het Pakket
Belastingplan 2017 gevoerd. Na deze week wordt het Belastingplan plenair
afgerond. Eventuele moties zullen plenair worden ingediend.
We hebben vorige keer al afgesproken hoe vandaag eruit zou zien. We
starten met een korte spreektijd in eerste termijn over de brief met de
reactie op de motie-Grashoff/Groot betreffende de aanscherping van
substance-eisen voor vennootschappen. We hebben vorige keer, op verzoek
van de heer Omtzigt, afgesproken dat iedereen daar kort — één, maximaal
twee minuten — iets van kan zeggen en zijn vragen kan stellen aan de
staatssecretaris.
Vervolgens starten we met de beantwoording in eerste termijn door het
kabinet, te beginnen met de beantwoording op het gebied van de aftrek
voor monumenten en scholing. Daarvoor is ook de minister van Onderwijs
aanwezig, die ik van harte welkom heet. Na de eerste termijn van de
regering over de scholingsaftrek en de monumentenaftrek volgen de tweede
termijn van de Kamer en het antwoord in tweede termijn van de regering
over deze onderwerpen.
Daarna gaan we over naar de beantwoording in eerste termijn van de
overige punten van het Belastingplan, inclusief de beantwoording van de
vragen die de woordvoerders straks wellicht nog inbrengen over de
substancebrief. Ik hoop dat de orde daarmee duidelijk is.
Ik ga op bepaalde momenten schorsen. U kunt rekenen op een late lunch.
Verder bekijken we een beetje hoe het vandaag loopt, maar we zullen
allemaal af en toe even de benen moeten strekken en iets moeten eten.
Dat doen we afhankelijk van hoe de vergadering loopt.
Tot slot zeg ik dat de stoel van de heer Van Weyenberg nu nog leeg is.
Hij heeft gevraagd of hij iets later kan komen. Aangezien we een vaste
sprekersvolgorde hanteren, hebben we zijn kaartje alvast klaargezet. Hij
heeft vooraf gebeld en zich geëxcuseerd, en zal dus straks binnenkomen.
De andere persoon die ik heel specifiek wil excuseren, is de heer Van
Vliet. Hij heeft vorige week nog een inbreng geleverd, maar is vandaag
ziek. Ik wens hem namens ons allemaal beterschap. Hij kan er helaas niet
bij zijn. U kunt erop rekenen dat als de heer Van Vliet niet bij de
behandeling van een belastingplan is, hij echt heel erg ziek is.
Dat gezegd hebbende neem ik aan dat er geen vragen meer zijn. Ik geef
graag voor de korte verlenging van de eerste termijn als eerste het
woord aan mevrouw De Vries van de VVD.
Mevrouw Aukje de Vries (VVD):
Voorzitter. Ik heb op dit moment eigenlijk geen vragen. Het is vooral
een inventariserende brief. Ik wil nog even goed bekijken wat de
gevolgen zijn van alle verschillende opties. Misschien dat de
staatssecretaris daar nog iets over kan zeggen. Voor de rest wil ik de
brief nog wat verder bestuderen.
De heer Bashir (SP):
Voorzitter. Ik heb op dit moment geen vragen. Ik stel voor dat we
overgaan tot de beantwoording van de vragen door de
staatssecretaris.
De heer Groot (PvdA):
Voorzitter. Ik heb wel een paar vragen. Dank voor de brief. Het is een
heel goede inventariserende brief. Er staat in dat er veel wordt gedaan,
onder meer door de uitvoering van de motie-Braakhuis/Groot, die dateert
van de vorige periode, en de maatregelen in Europees verband. De
staatssecretaris zegt dat dit nu al heeft geleid tot een
gedragsverandering in de praktijk. Ik vraag aan de staatssecretaris: is
dat wel echt zo? En waar blijkt dat uit? Voor zover ik weet, blijkt dat
in ieder geval nauwelijks uit de statistieken. Nederland blijft een land
waar lege vennootschappen zich vestigen om mee te liften op het
verdragennetwerk, met nul belastingen op royalty's en dividend. Dat zie
je onverminderd terug in de enorme kapitaalstromen die door Nederland
lopen.
Ik ben blij met de voorzetten die de staatssecretaris doet om de
substance-eisen verder aan te scherpen. We vinden het een goed idee dat
de eerste maatregel, het uitbreiden van de informatie-uitwisseling, ook
gaat gelden voor de zogenoemde houdstermaatschappijen. Ik zie de
voorzitter kijken, maar ik ben bijna klaar. We steunen ook het idee van
zwaardere substance-eisen om in aanmerking te komen voor zekerheid
vooraf. De staatssecretaris doet de suggestie om een minimumaantal
werknemers op te nemen als eis. Het risico daarvan is dat je heel veel
parttimers krijgt. We hebben bij de Belgische coördinatiecentra gezien
dat een aantal heel laagbetaalde schoonmakers in dienst werd genomen.
Dat lijkt me niet de bedoeling. Mijn voorstel zou zijn om een minimale
loonsom op te nemen als substance-eis. Dat lijkt me de meest zuivere
benadering. Wil de staatssecretaris langs deze lijnen, de lijnen die hij
zelf schetst in zijn brief, de aanscherping van de substancemaatregelen
verder ter hand nemen? Zo ja, wanneer kunnen we dan een nader voorstel
verwachten? Is de staatssecretaris bereid om uit te voeren wat in de
brief staat langs alle geschetste lijnen?
De heer Tony van Dijck (PVV):
Voorzitter. Ik heb maar één vraag. Kan de staatssecretaris reageren op
het artikel uit Het Financieele Dagblad van 4 november? Dat was vorige
week. In dat artikel staat dat de Duitsers van plan zijn een Panamawet
te introduceren. Deze wet houdt in dat er een soort meldplicht komt voor
alle bedrijven en particulieren die met brievenbusfirma's in zee gaan of
zijn gegaan. Op overtreding, dus als je dit niet meldt, staat een boete
van €50.000. Is dit een alleingang van Duitsland, of wordt dit verder
uitgerold, zodat het ook in andere landen verplicht wordt? Duitsland zet
heel duidelijk in op transparantie. Iedereen die ook maar iets te maken
heeft met een brievenbusfirma, als aandeelhouder, investeerder, klant,
financier of wat dan ook, is verplicht dat te melden aan Duitsland. Dat
geldt ook voor de banken. Daarmee wordt het fiscale bankgeheim
opgeheven. Ook hierbij is sprake van aansprakelijkheid en een boete als
dit wordt verzuimd.
Ik heb nog een opmerking over dit artikel. De Duitsers hebben besloten
om, met Noordrijn-Westfalen als initiator, klokkenluiders openlijk te
betalen. Ik weet dat daarover hier ook discussie wordt gevoerd. Kunnen
wij ook zoiets tegemoetzien? Kunnen klokkenluiders die met name in
Zwitserland en Luxemburg diskettes door de brievenbus duwen bij de
belastingdienst, straks worden betaald?
De heer Omtzigt (CDA):
Voorzitter. Ik dank de staatssecretaris voor zijn brief over de
sustance-eisen. We hebben nu in Nederland kantoren als Maprima. Dat zet
gewoon op zijn website in Nederland het volgende. De tekst is in het
Engels, want waarom zou je het in het Nederlands doen? Substance office.
Since substance requirements tend to become stricter, some of our
clients prefer the company to have more physical substance instead of
only using our local office addresses as their company's address. Under
the substance office service Maprima facilitates a private office space
for your company. This room will be fully furnished and can, upon your
request, be equipped with a personal computer, a telephone and a
facsimile machine. Dat laatste is een fax; nou ja, dat is een beetje
ouderwets. Your company can also make use of our secretarial services.
In addition we can also make one of our employees available to your
company for a limited number of hours per month. Daar sprak mijn collega
van de PvdA net over. Your company will hire the employee in its own
name and will be obliged to fulfill all labor, tax and social security
obligations under the Dutch, Luxembourg or Belgian labor wage tax and
social security legislation. Is dit nou de bedoeling? Is dit substance
zoals het bedoeld is? Als dat zo is — ik geef hiermee eigenlijk een
illustratie van het meer academische betoog van de heer Groot — streven
we toch een wat theoretisch concept na. Substance had volgens mij iets
te maken met reële economische activiteit en dat is dit in ieder geval
niet.
De heer Groot (PvdA):
Dit is dus een voorbeeld dat illustreert dat de substance een beetje
opgepoetst moet worden. Dit zou je heel goed kunnen tegengaan door een
flinke loonsom als minimumeis neer te leggen. Dan kom je er niet meer
met dit soort poetsen. Als een trustkantoor dat een heleboel
brievenbusmaatschappijen in huis heeft, voor elke brievenbus
afzonderlijk een behoorlijke loonsom moet verantwoorden, gaat het de
bietenbrug op. Ik denk dus dat een loonsomcriterium wel degelijk heel
goed kan werken om het kaf van het koren te scheiden. Wat vindt de heer
Omtzigt van die suggestie?
De heer Omtzigt (CDA):
Ik kan mij heel goed voorstellen dat wij uitkomen bij een
loonsomcriterium. Ik kan me ook goed voorstellen dat het met een
ingroeimodel plaatsvindt, zodat je de eerste twee jaar minder zware
eisen aan een zich hier vestigende onderneming stelt dan daarna. Ik
wacht even af met welk operationeel voorstel de staatssecretaris komt,
maar ik dacht dat ik met datgene wat ik voorlas wel duidelijk had
gemaakt dat dit onwenselijk is.
Voorzitter. Mijn tweede vraag aan de staatssecretaris is of de memo's
over de waarschuwingen, waarover ik het afgelopen woensdag had, al
teruggevonden zijn en wie ze heeft gekregen. Zijn er in december en
januari waarschuwingen geweest over de te betalen RVU-heffing bij de
Belastingdienst?
De voorzitter:
Volgens mij ging dit niet over substance, maar over iets
daarbuitenom.
De heer Grashoff (GroenLinks):
Voorzitter. Ook ik heb enkele vragen en opmerkingen over de
substancebrief. Ik ben blij dat de brief er is. Ik constateer met
vreugde dat er een aantal concrete suggesties wordt gedaan om de
substance-eisen verder aan te scherpen. Ik merk ook wel dat die
suggesties aan de voorzichtige kant zijn, vanuit mijn perspectief. Mijn
eerste vraag aan de staatssecretaris luidt dan ook als volgt. Stel dat
we deze drie opties zouden uitwerken. Hoeveel effect verwacht de
staatssecretaris daar dan van?
Mijn tweede vraag is meer informatief. Over de huidige taxruling en de
relatie tot ATR's (Advance Tax Rulings) en APA's (Advance Pricing
Agreements), dus de ruling agreements, wordt gezegd dat met name de APA
wel wordt afgegeven als er geen sprake is van voldoen aan de
substance-eisen. Er wordt dan alleen informatie erover uitgewisseld. Zou
het handig en dienstig zijn om dat, net als bij de ATR's, gewoon niet te
doen voor bedrijven die te weinig substance hebben? Of wordt dat
wellicht bedoeld met een van de opties die de staatssecretaris schetste?
Dat is mij gewoon niet helemaal duidelijk.
Net als de heer Groot kan ik mij goed voorstellen dat wij tot een
minimumsubstance in de vorm van een loonsom komen. Het zal in elk geval
een absoluut minimum moeten zijn, maar daarbij is het voor mij nog
steeds de vraag in hoeverre dit ook een getal zou kunnen of moeten zijn
dat is gerelateerd aan de omzet van het bedrijf in Nederland. Verder
vraag ik de staatssecretaris om ook substance-eisen toe te passen bij de
derde optie, waar sprake is van rente- en royaltydoorstromers. In het
voorstel wordt hiervan eigenlijk geen gewag gemaakt. Of maak ik dan een
denkfout?
Tot slot. Is de staatssecretaris inderdaad voornemens om binnen een
redelijke termijn met een uitwerking hiervan te komen? Wil hij dat of is
het wellicht dienstig als er een uitspraak van de Kamer ligt waarin zij
uitspreekt dit te willen? Als dat zo is, help ik hem daar natuurlijk
graag bij.
Mevrouw Schouten (ChristenUnie):
Voorzitter. Ik dank de staatssecretaris voor de brief. Ik sluit me aan
bij veel vragen die zijn gesteld door de collega's Omtzigt, Grashoff en
Groot. Ik heb nog een paar specifieke dingen. De staatssecretaris stelt
dat het beleid dat we gaan voeren, ongeacht welke keuze wordt gemaakt,
erop gericht moet zijn om bronlanden beter in staat te stellen om te
bepalen of er sprake is van misbruik. Waarom zou dat alleen bij
bronlanden het geval moeten zijn? Zouden de doorsluislanden, om ze zo te
noemen, daar ook geen belang bij hebben? De staatssecretaris schetst een
aantal opties. Bij welke optie ziet hij de technische mogelijkheden om
snel tot invoering te komen? Is hij voornemens om nog verdere stappen te
zetten?
De voorzitter:
Tot zover de verlengde eerste termijn over de substancebrief. We hebben
vooraf afgesproken dat de staatssecretaris zal proberen om de
beantwoording op dit punt mee te nemen en dat hij er aan het eind van
zijn beantwoording in eerste termijn op zal terugkomen. We moeten even
bekijken in hoeverre dat gaat lukken.
We gaan nu over naar de beantwoording in eerste termijn van de regering.
We beginnen met de behandeling van het wetsvoorstel Wet fiscale
maatregelen rijksmonumenten en scholing. Ik geef graag het woord aan de
minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voor haar beantwoording in
eerste termijn.
Minister Bussemaker:
Voorzitter. Dit is voor mij de eerste keer dat ik bij deze commissie
aanwezig mag zijn. Ik dank de leden voor de uitnodiging. Ik was niet
aanwezig bij de eerste termijn van de Kamer, maar ik heb het
stenografisch verslag vanzelfsprekend goed gelezen. Het is mij niet
ontgaan dat er veel vragen en kritiekpunten zijn op de onderdelen
waarvoor ik verantwoordelijk ben. Ik begin met een paar opmerkingen over
de vraag waarom we dit eigenlijk doen. Dat heeft te maken met een aantal
verschillende aanleidingen, zowel bij de belastingen als bij mijn
begroting. Ik zal vervolgens ingaan op de vragen over de monumenten,
waarna ik de vragen over de scholingsaftrek zal behandelen.
Verschillende aanleidingen waren voor ons reden om met voorstellen te
komen. Er is zowel in de samenleving als in de Kamer breed draagvlak
voor een vereenvoudiging van het belastingstelsel. Er worden daarvoor
elk jaar stappen gezet bij het belastingplan, zo ook vorig jaar bij het
Belastingplan 2016. Er zijn toen onderzoeken aangekondigd naar het
omzetten van de fiscale aftrekregelingen voor monumentenpanden en
scholingsuitgaven naar uitgavenregelingen, conform het advies van de
commissie-Van Dijkhuizen. Ik heb begrepen dat daar zowel in deze
commissie als in mijn commissie geen vraagtekens bij zijn geplaatst. Wij
zijn daarom in het afgelopen jaar die onderzoeken gaan uitvoeren. In dat
kader heeft het CPB een evaluatie van de scholingsaftrek versneld
uitgevoerd. Uit de beschikbare onderzoeken is gebleken dat zowel de
monumentenaftrek als de scholingsaftrek efficiënter en doelmatiger
kunnen worden vormgegeven als zij niet langer fiscale aftrekposten zijn,
maar subsidies.
Daar komt bij dat in het voorjaar bleek dat er sprake was van forse
problematiek op de begroting van OCW. We hebben toen bekeken hoe we die
problematiek het beste konden oplossen. We hebben geconstateerd dat een
deel van die problematiek opgelost zou kunnen worden door het beleid
waarmee we al bezig waren, erbij te betrekken, namelijk het afschaffen
van de fiscale maatregelen voor scholing en monumenten. Het is dus
feitelijk een gevolg van verschillende ontwikkelingen: de wens tot
vereenvoudiging van het belastingstelsel, de inefficiëntie in de huidige
fiscale regeling — anders gezegd: de behoefte om beter te kunnen sturen
en om meer beleidsrijk beleid te kunnen voeren, zowel op het terrein van
scholing als op het terrein van monumenten — en de financiële
problematiek op de begroting van OCW.
Ik zeg hier eerlijk dat de problematiek op de begroting van OCW zeer
fors was. In sommige jaren liep het tekort op tot een bedrag van 600 à
700 miljoen. Dat was deels een gevolg van tegenvallende
financieringsramingen voor leerlingen en studenten en deels van de
bijdrage van OCW — die bijdrage is altijd fors, omdat wij een grote
begroting hebben — aan bijvoorbeeld de asielproblematiek. Maar het
grootste deel kwam voort uit de ruilvoetproblematiek, zoals bekend bij
de leden. Dat is opgelost volgens de reguliere begrotingsregels. Dat
betekent dat elk departement een aandeel heeft gekregen naar rato van de
begrotingsomvang. Binnen de OCW-begroting is toen breed gekeken naar
oplossingen en verschillende maatregelen die de gehele begroting
beslaan. Daarbij is er tegelijkertijd naar gestreefd om onderwijs en
onderwijsinstellingen, scholen, zo veel mogelijk te ontzien. Een deel
van wat we in eerste instantie via de lumpsumkorting toch zouden moeten
toepassen, hebben we kunnen compenseren met de middelen voor de
politieke prioriteiten. Van de 200 miljoen voor OCW is 133 miljoen
gebruikt om ervoor te zorgen dat we geen lumpsumkorting hoeven toe te
passen.
Bij de fiscale maatregelen gaat het in totaal om een bedrag van 131
miljoen. Dat staat los van alle inhoudelijke argumenten. Daar kom ik zo
dadelijk op terug. Als de fiscale maatregelen om een of andere reden
niet zouden doorgaan, moet ik op een of andere wijze 131 miljoen
bezuinigen op mijn begroting. Dan komt de bezuiniging alsnog terecht bij
cultuur, en dus bij monumenten, maar ook bij onderwijs en scholing. Het
wordt nog ingewikkelder omdat er bij de Algemene Politieke Beschouwingen
een motie-Pechtold c.s. is ingediend (34550, nr. 11) waarin wordt
gevraagd om het onderwijs te ontzien. Vorige week hoorde ik de heer Van
Weyenberg zeggen dat het behouden van de aftrek goed nieuws is in het
kader van de motie-Pechtold c.s., maar wat mij betreft klopt dat niet.
Het is eerder slecht nieuws, want als die aftrek behouden blijft, heb ik
een flink gat op mijn begroting. De vraag is dan hoe we dat gat gaan
dichten. Ik vind dat dit niet alleen een maatregel is om mijn problemen
op de begroting op te lossen — daar zal ik zo uitgebreider op ingaan,
maar dat er ook heel goede inhoudelijke argumenten voor zijn te geven.
Juist in die combinatie ben ik graag bereid om zowel de maatregel inzake
de monumentenaftrek als de maatregel inzake de scholingsaftrek te
verdedigen.
De heer Van Weyenberg (D66):
Het zijn uiteindelijk allemaal politieke keuzes. De minister zegt dat de
aanname van het amendement-Van Weyenberg (34556, nr. 7) slecht nieuws is
voor scholen, maar dat is natuurlijk je reinste flauwekul. Het
amendement wordt gedekt door de tabaksaccijns op shag. Het levert aan de
uitgavenkant van de begroting zelfs enkele tientallen miljoenen extra
ruimte op voor deze minister. Ik vind het prima dat zij deze maatregelen
inhoudelijk wil verdedigen, maar ik heb daar een andere opvatting over.
Ik neem er wel aanstoot aan dat nu net wordt gedaan alsof het amendement
van D66 slecht is voor scholen. Dat is totaal niet waar. Het geeft zelfs
extra ruimte aan de uitgavenkant. Ik denk dat de minister dat eerlijk
moet toegeven, want het is een feit dat dit wordt bewerkstelligd met het
amendement.
Minister Bussemaker:
Ik had het nog niet over het amendement. Ik had het over de uitlatingen
die ik vorige week in het wetgevingsoverleg heb gehoord. Maar de heer
Van Weyenberg heeft gelijk: met zijn amendement hoeft er, althans gelet
op wat erin staat over monumenten, per saldo niet bezuinigd te worden op
onderwijs. Maar er zijn wel andere bezwaren tegen het amendement. Daar
zal de staatssecretaris straks op ingaan. Wat betreft scholing is het
probleem nog steeds niet opgelost.
De heer Van Weyenberg (D66):
Het kabinet moet echt niet oppositiepartijen die kritisch zijn over deze
wet, verantwoordelijk maken voor zijn begrotingsproblematiek, en dan
zeker niet partijen die altijd verantwoordelijkheid hebben genomen, ook
in zware tijden. Ik neem aan dat de minister het verslag van de eerste
termijn heeft teruggelezen. De hele zaal vond deze maatregel
onverstandig, behalve de heer Van Vliet, die er niet is. Overigens had
ook de heer Grashoff een beetje een andere mening. Waarom trekt de
minister dit wetsvoorstel niet in?
Minister Bussemaker:
Ik ben hier begonnen met aan te geven dat ik het verslag van het
wetgevingsoverleg inderdaad heb gelezen, maar ik denk dat de heer Van
Weyenberg er toen nog niet was. Ik heb gezien dat er veel vragen zijn en
dat er veel kritiek is, maar sta mij toe om hierover het debat met de
Kamer te voeren en uit te leggen waarom ik het wel een goede maatregel
vind. Ik hoop dat we elkaar in de loop van de dag kunnen naderen op dit
punt.
De heer Bashir (SP):
Ik heb een vraag over dit stukje van het antwoord van de minister. Zij
begint haar antwoord met te zeggen dat zij allereerst een probleem heeft
op haar begroting. Zij neemt dus niet zozeer een inhoudelijke maatregel,
zij wil begrotingsproblematiek oplossen. Zij heeft gekeken waar geld is
en toen heeft zij dit potje gevonden. Klopt deze redenering?
Minister Bussemaker:
Nee. Ik ben juist begonnen met aan te geven dat er verschillende
aanleidingen zijn. Eén aanleiding is de behoefte, ook bij de Kamer, om
het belastingstelsel te vereenvoudigen. Op grond daarvan hebben wij het
afgelopen jaar onderzoek laten doen, zoals aangekondigd in het
Belastingplan van vorig jaar. De tweede, belangrijkste reden is dat wij
met fiscale instrumenten niet goed kunnen sturen. Wij willen meer
sturingsmogelijkheden hebben. Dat vraagt meer uitleg voor de
monumentenaftrek, waar ik nu op wil ingaan. Daar komt bij dat je, als je
een probleem op je begroting hebt, gaat nadenken over een manier om dat
zo goed mogelijk op te lossen. Er zijn verschillende manieren om dat te
doen, maar wij maken de Kamer doorgaans deelgenoot van de manier waarop
wij met de financiën van de rijksbegroting en verschillende
departementen omgaan. Dat doe ik hier dus ook. Van alles wat ik mij kan
voorstellen bij het invoeren van een bezuiniging op mijn begroting vind
ik dit onderdeel — het is maar een onderdeel; het is niet het geheel —
heel goed te verdedigen, juist vanwege de inhoudelijke meerwaarde die
het omzetten van een fiscale regeling in een subsidie- c.q.
voucherregeling heeft.
De heer Bashir (SP):
Maar dat hoor ik de minister niet zeggen. De minister begon met te
zeggen dat er een probleem op haar begroting is met het geld. Daarbij
noemde zij mogelijke bezuinigingen. Een probleem dat zij heeft, legt zij
neer bij de Kamer, vooral bij de kritische Kamerleden, die dat probleem
blijkbaar moeten oplossen. Terwijl het de minister is die een probleem
heeft, allereerst een begrotingsprobleem. Zij heeft hiermee een
bezuinigingsmaatregel gevonden die er in het land flink inhakt.
Minister Bussemaker:
Nee, ik heb drie redenen gegeven. Dat doe ik nog maar een keer. 1. De
wens tot vereenvoudiging van het belastingstelsel. 2. Inefficiëntie in
de huidige fiscale regelingen, gecombineerd met de wens om veel meer
inhoudelijk te kunnen sturen via subsidies bij de monumenten en vouchers
bij scholing. 3. Het bijkomende probleem van de financiële problematiek
op de OCW-begroting. Het is volgens mij goed gebruik in het verkeer met
de Kamer om, als de Kamer de wens heeft om iets niet te laten doorgaan,
aan te geven dat dat natuurlijk gevolgen heeft. Dat wil ik wel meegeven:
het heeft gevolgen voor mijn begroting. Dat is de context waarin ik nu
wil overgaan naar de meer specifieke thema's, te beginnen met de
monumenten.
De voorzitter:
Ik geef nu gelegenheid tot het plaatsen van interrupties. Hierna wil ik
de minister de gelegenheid geven om de beantwoording over de
monumentenregeling te doen. De interrupties op dat punt moeten de leden
bewaren tot het eind daarvan. Als er binnen de beantwoording nog
subblokjes zijn, kunnen wij de interrupties per batch bundelen.
De heer Omtzigt (CDA):
De minister zegt dat zij studies heeft laten doen. Het is hier goed
gebruik om, als je iets wilt veranderen, een studie te laten doen, die
aan de Kamer te zenden om te kijken wat de fracties ervan vinden, en dan
met een voorstel te komen. Ik heb rond 6 juli, vlak voor het reces, een
studie gezien naar de scholingsaftrek. Het afgelopen weekend kwam er een
kleine update. Ik heb er geen mogen zien naar de monumentenaftrek. Is er
een studie naar de monumentenaftrek gedaan — dat zegt de minister hier
nu — die ons niet bekend is of staat de laatste evaluatie uit 2009 nog?
De conclusie van die evaluatie was heel duidelijk: de monumentenaftrek
was zowel doelmatig als efficiënt. In de memorie van toelichting wordt
dat als volgt weggeschreven: het kan niet bewezen worden dat er in het
geheel geen onderhoud zou zijn geweest als er geen subsidie was. Ja, als
wij dat soort redeneringen gaan volgen, dan vraag ik mij af waar ik als
regering mee te maken heb. Is er een extra studie gedaan sinds dat
moment?
Minister Bussemaker:
Misschien is het goed om gelijk bij 2009 te beginnen. Dan ga ik door op
de monumenten. Wat is er sinds dat onderzoek gebeurd? De heer Omtzigt
verwijst naar een onderzoek dat in 2009 is gedaan op het gebied van
monumenten. Ik zeg maar direct dat daarin geconstateerd werd dat er met
enige voorzichtigheid gezegd kan worden dat de regeling effectief is. De
regeling is ook effectief, gezien vanuit degene die een monument bezit
en moet onderhouden. De vraag is of de regeling ook effectief is vanuit
de verantwoordelijkheid die het Rijk heeft om het cultureel erfgoed op
adequate manier te beschermen. Daar kom ik zo op terug.
De evaluatie uit 2009 gaf aan dat de middelen gebruikt worden voor onder
andere onderhoud en reparaties van cv-ketels, boilers, geisers en
schoorstenen, waarvan je je kunt afvragen of dergelijke zaken onder
monumenten vallen. Daar komt nog bij dat men bij die evaluatie geen
alternatieven heeft gepresenteerd. Men werd dus wel gevraagd wat men zou
doen als deze fiscale regeling er niet zou zijn, maar niet wat men zou
doen als er alternatieve regelingen zouden zijn. Op grond van die
evaluatie bleek niet aantoonbaar dat er zonder die aftrek helemaal geen
onderhoud gepleegd zou worden, want de helft van de mensen zei: wij
plegen onderhoud. Dat geldt ook voor mensen die geen monument hebben, of
die een gemeentemonument hebben of een provinciemonument. Ook zij plegen
onderhoud. Daar is iedereen ook toe gehouden in het kader van goed
beheer.
Aan de hand van die evaluatie is al in 2012 een aantal wijzigingen
aangebracht binnen de regeling. In de praktijk bleek de fiscale regeling
ook na aanpassing gevoelig te zijn voor fouten en onbedoeld gebruik.
Daar hebben wij dus lessen uit getrokken. Wij hebben na 2009 de regeling
aangepast. De conclusie dat er geen ander instrument zou zijn, vinden
wij dus ondertussen achterhaald, want hij hebben geprobeerd het
bestaande instrument te verbeteren in 2012. Daar komt bij dat we in 2013
de nieuwe Sim (Subsidieregeling instandhouding monumenten) hebben
ingevoerd. De afgelopen jaren hebben we ervaring opgedaan met het
functioneren daarvan. Voorts kwam er het advies van de commissie-Van
Dijkhuizen en op grond daarvan hebben we een analyse op cijfers laten
doen door Bureau Monumentenpanden van de Belastingdienst en de
Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Op grond van dit geheel, dus
niet op grond van één onderdeel, maar van alles wat we vanaf 2009 hebben
gedaan, hebben we geconstateerd, in lijn met het advies van de
commissie-Van Dijkhuizen, dat het verstandig is om deze fiscale regeling
te beëindigen.
De voorzitter:
De heer Omtzigt in tweede instantie en daarna nog mevrouw Schouten. En
dan gaat de minister echt met haar beantwoording beginnen.
De heer Omtzigt (CDA):
Ik vroeg of er nader onderzoek is gedaan en na heel veel praten komt
eruit dat er kennelijk een onderzoek is gedaan. Dat had de Kamer wel
willen ontvangen. Misschien kan de minister dat eerst aan de Kamer
overhandigen, voordat we met dit debat verdergaan. Dan wisselen we even
de volgorde en spreekt de staatssecretaris voor de minister. We spreken
hier over de aftrek voor monumenten en zijn nu aangekomen bij de
mondelinge behandeling. Dan kan het toch niet zo zijn dat nu in één keer
een onderzoek uit een bureaulade komt waar dit op gebaseerd is, terwijl
uit het originele onderzoek bleek — en die conclusie was ik nog vergeten
— dat het doelmatig was. Wil de minister alstublieft slimmigheidjes
achterwege laten zoals dat er niet bewezen is dat er zonder die aftrek
geen onderhoud zou zijn? Er is ook niet bewezen dat er zonder het
ministerie van Onderwijs geen school zou zijn. We zijn hier op het
niveau van de slimmigheidjes beland waar ik gewoon niet van gediend ben.
Mogen wij dat onderzoek per direct ontvangen? En kunnen wij dat krijgen
voordat we erover mondeling in debat gaan? Ik vind dat echt van groot
belang. Daarom doe ik hier dit ordevoorstel. Dan kunnen we de
vergadering even enkele minuten schorsen, zodat wij kunnen zien waar we
het over hebben.
De voorzitter:
Dat is een ordevoorstel, dus ik wil daar even op reageren. Kan de
minister zeggen of dat onderzoek gedeeld kan worden, nu direct? Ik stel
wel voor dat we de mondelinge behandeling zeker in eerste termijn gewoon
gaan voortzetten.
De heer Omtzigt (CDA):
Nee, voorzitter, het gaat hier om een onderzoek!
De voorzitter:
U moet even naar mij luisteren. Als het inderdaad klopt dat dat
onderzoek er is, kunnen we bezien of dat naar de Kamer gestuurd kan
worden. Dan kunnen we bekijken of we tussen de eerste en de tweede
termijn een schorsing kunnen inbouwen.
De heer Omtzigt (CDA):
Ik herhaal mijn ordevoorstel, voorzitter: eerst lezen. Ik haal hier
allemaal slimmigheidjes uit de stukken. Dat kan toch niet? De
beschrijving van het onderzoek uit 2009 in de memorie van toelichting
staat haaks op de conclusies die daar staan. De minister mag haar
moverende redenen hebben, maar ik verwacht dat ik hier een debat kan
aangaan op basis van feiten die zij zelf onderzocht heeft. We kunnen
toch niet tot de tweede termijn wachten om een onderzoek in te zien op
basis waarvan zij een hele regeling wil afschaffen, zonder overigens een
nieuwe regeling klaar te hebben? Over dat laatste komen wij zo meteen
nog te spreken. We hebben het hier over wetgeving. Ik doe graag aan
zorgvuldige wetgeving. We hebben de minister in staat gesteld om er in
eerste termijn niet bij te zijn. Dan verwachten wij wel dat de cijfers
nu op tafel liggen. Ik kijk even naar de collega's. Eventueel kunnen wij
de beantwoording van de minister omdraaien met die van de
staatssecretaris van Financiën; die heeft zijn antwoord in eerste
termijn dan af. In de tussentijd kunnen wij het onderzoek zien. Na de
lunchpauze gaan we dan verder en liggen de stukken hier.
De voorzitter:
Ik geef de minister eerst even het woord over dat rapport. Welk rapport
is het precies?
Minister Bussemaker:
Ik heb expres al aangegeven dat we dit besluit niet op grond van één
analyse nemen, maar op grond van een veelheid aan gegevens, deels van
een aantal jaren geleden. Het is ook geen extern rapport. Over de
scholingsaftrek hebben wij inderdaad een rapport van het Centraal
Planbureau; dat heb ik de Kamer ook doen toekomen. Voor de monumenten
hebben we een analyse van cijfers, maar dat zijn deels cijfers van het
bureau voor monumentenzorg van de Belastingdienst. Aan degenen die
daaraan hebben meegedaan, is geheimhouding beloofd. Wij kunnen de
gegevens van de Nederlandse belastingbetaler niet op die manier met de
Kamer delen. Wij hebben de conclusies van die analyse dus meegenomen in
de brief die de Kamer met Prinsjesdag van ons heeft gekregen. Ik kan het
onderzoek dus niet zomaar met alle gegevens en met een oplegbriefje naar
de Kamer sturen. In de brief die wij met Prinsjesdag hebben gestuurd,
hebben wij geprobeerd om aan te geven wat de aanleidingen waren om te
komen tot een wijziging in het stelsel. Omdat de Kamer daarover vragen
heeft gesteld, zou ik haar nu graag mondeling inzicht geven in de
redenen die ik heb om te stoppen met de fiscale regeling voor de
monumenten en om over te gaan tot een subsidieregeling.
De voorzitter:
Er is dus geen specifiek extern rapport. Het zijn analyses. Er is ook
een technische briefing geweest. Daarbij waren mensen van uw ministerie
aanwezig. Zijn die analyses ook in de technische briefing gedeeld? Daar
waren de Kamerleden bij. Ik vraag dat om te kunnen beoordelen of dit
nieuw is of niet.
Minister Bussemaker:
Tijdens de technische briefing die vorige week is gegeven, is in zijn
algemeenheid ingegaan op twee zaken: wat is de achtergrond van wat wij
nu doen en hoe zien de nieuwe voornemens eruit? Daarin is ook de
informatie uit deze analyse meegenomen, maar op geaggregeerd niveau,
zoals wij eerder ook in de brief hebben beschreven wat de problemen
zijn. Als we dat onderzoek zo naar de Kamer zouden sturen, zijn de
gegevens herleidbaar tot eigenaren. Dat kan niet de bedoeling zijn. Wij
hebben de Kamer in brieven en in de technische briefing al geïnformeerd,
maar als zij er prijs op stelt, ben ik graag bereid om hier preciezer op
in te gaan. Ik stel voor dat ik dan nu in ieder geval mondeling inga op
de gestelde vragen. Ik zal de Kamer daarna nog eens precies aangeven
welke gegevens uit deze analyse wij in onze brief gebruikt hebben. Ze
zitten er allemaal in, maar ik heb geen uitgebreide verwijzingen naar
die gegevens gegeven, juist omdat die herleidbaar zijn tot
belastingbetalers.
De heer Omtzigt (CDA):
Ik maak een punt van orde. Ik heb net een stuk uit de brief van de
minister geciteerd. Zij schrijft in de antwoorden dat niet bewezen is
dat er zonder de aftrekpost geen onderhoud zou kunnen zijn. Ik heb haar
uitgelegd waarom dat een vrij bizarre redenering is. De andere twee
hoofdconclusies van het onderzoek, namelijk dat de aftrek met enige
kanttekeningen zowel effectief als doelmatig was, worden weggelaten uit
de memorie van toelichting. Hier ligt een tweede onderzoek. De minister
vraagt ons weer: vertrouw mij maar dat ik u precies vertel wat er in dat
onderzoek staat. Omdat ik denk dat ik heel gekleurde informatie zal
krijgen, wil ik het onderzoek gewoon zien. Dat dient hier te zijn, want
er wordt hier over wetgeving gesproken. Ik hoor de minister graag
ruiterlijk toegeven dat zij niet speciaal is ingegaan op de conclusies
van het onderzoek uit 2009, maar dat zij er zo selectief op is ingegaan
dat er voor ons reden is om dat onderzoek nu te willen zien.
De heer Bashir (SP):
Ik ben nogal verbaasd over het antwoord van de minister. Zij geeft in de
schriftelijke beantwoording aan dat er een onderzoek uit 2009 is en dat
dit voorstel daar niet op gebaseerd is. Nu heeft zij het opeens over een
nieuw onderzoek, dat niet eens wordt genoemd in de schriftelijke
beantwoording. Ik wil dat onderzoek toch graag zien. De minister zegt
dat het geheim is en dat zij het niet mag delen. De gegevens die mensen
aanleveren voor een onderzoek, zijn geheim. De resultaten van het
onderzoek kunnen echter niet geheim zijn, want die zijn altijd op
geaggregeerd niveau. Ik wil het onderzoek toch graag zien en zelf
beoordelen of wat de minister zegt klopt en of het geheim is.
Mevrouw Schouten (ChristenUnie):
Als het kabinet zich beroept op een onderzoek als reden waarom een
regeling wordt aangescherpt, is het voor de Kamer ingewikkeld als zij
dat onderzoek niet kan inzien. Ik heb alle vertrouwen in de mensen die
tegenover mij zitten, maar wij moeten de regering kunnen controleren.
Dat is namelijk onze taak, maar dat wordt nu ingewikkeld. Dat vind ik
alleen al een reden om dat onderzoek toch maar openbaar te maken.
De voorzitter:
Zoals ik het heb begrepen, zijn de bevindingen van dat onderzoek wel
gebruikt bij de technische briefing. Daar zijn wij ook bij
geweest.
Mevrouw Schouten (ChristenUnie):
Maar dat kunnen wij toch niet controleren, als wij het onderzoek zelf
niet hebben gezien?
De voorzitter:
Dat klopt. U kunt dat niet controleren, als u het onderzoek zelf niet
hebt gezien. Dan moet u aannemen dat het zo was. In ieder geval, zo
wordt gezegd, hebben wij de bevindingen wel degelijk meegekregen bij de
technische briefing.
De heer Van Weyenberg (D66):
Dat wordt nu gezegd, maar in de stukken werd steeds het onderzoek uit
2009 aangehaald. Die verdedigingslinie is weg en inmiddels zien we in de
beantwoording: nee, zo is het niet; we hebben andere signalen. De Kamer
kan altijd vertrouwelijk geïnformeerd worden. Dat had hier prima gekund.
Ditzelfde debat hebben we enkele dagen terug nog met de staatssecretaris
in een heel andere context gevoerd. Ik vind dit buitengewoon
ingewikkeld. Het is helder dat er een politieke insteek is om iets te
doen. De Kamer wil dat zorgvuldig kunnen wegen. Relevante informatie is
niet expliciet genoemd. Ik kan uit de technische briefing, met alle
waardering voor de briefing, niet opmaken wat voor onderzoeksgegevens
dat zijn. Het wordt voor ons nu wel heel moeilijk om op deze manier
wetgeving te bespreken. Ik sluit mij aan bij de heren Omtzigt en Bashir
en mevrouw Schouten. Ik heb hier een gevoel van groot ongemak
over.
Minister Bussemaker:
Ik probeer nog maar een keer aan te geven dat het geen onderzoek is,
zoals het onderzoek over de scholingsaftrek, dat een afgerond onderzoek
is dat ik met alleen een aanbiedingsbriefje naar uw Kamer kan sturen.
Het is een analyse van gegevens die heel snel herleidbaar zijn naar
belastingbetalers. Het kan dus niet openbaar worden gemaakt. Wij kunnen
het wel vertrouwelijk met de Kamer delen, maar ook dan geldt dat die
analyse niet de enige reden is geweest om dit besluit te nemen. Ik
probeerde aan te geven dat er vanaf 2009 een aantal stappen zijn
geweest: het aanpassen van de regeling, wat geen soelaas bleek te
bieden; een nieuwe regeling voor niet-woonhuismonumenten via de
Subsidieregeling instandhouding monumenten, waarvan we hebben geleerd;
het advies-Van Dijkhuizen, dat aanbeveelt om deze fiscale aftrek af te
schaffen, en vervolgens de analyse die wijzelf hebben gemaakt, de
Belastingdienst samen met mijn directie Erfgoed en Kunsten. Op grond van
het geheel vinden wij het verantwoord om nu de stap naar iets nieuws te
zetten. Ik denk dat wij nog even goed naar die gegevens moeten kijken,
maar wel vertrouwelijk. Dat zou dan ergens deze week kunnen. Dan moeten
wij daar even goed naar kijken. Als het vertrouwelijke gegevens zijn,
moeten wij proberen het zo aan de Kamer te geven dat het zo min mogelijk
herleidbaar is. Ik ben daar in ieder geval graag toe bereid.
De voorzitter:
Klopt mijn conclusie dat de uitkomsten van die analyse wel gedeeld zijn
in de technische briefing?
Minister Bussemaker:
Ja.
De voorzitter:
Dan stel ik naar aanleiding van dit punt van orde vast dat dit een
aanbod is om die analyse later deze week vertrouwelijk te delen. Ik
hecht er wel aan dat wij dit debat hier vandaag gewoon gaan houden, even
ervan uitgaande dat de uitkomsten van die analyse bij de technische
briefing zijn gedeeld. Later deze week kunt u vertrouwelijk inzage
krijgen in die analyse. Overigens is er volgende week ook nog de
plenaire behandeling, dus wij hebben nog alle gelegenheid om hierover te
debatteren.
De heer Omtzigt (CDA):
Voorzitter, het is suboptimaal maar als u daar prijs op stelt, dan doen
wij het op deze manier. Maar dan zullen wij vragen om het afrondend
debat over de monumentenaftrek volgende week in twee termijnen te doen,
omdat ik dit toch een wat rare gang van zaken vind. De opmerking die ik
over pagina 2 van de memorie van toelichting maakte, was een heel
serieuze. Het komt niet vaak voor dat een onderzoek zo verdraaid
gepresenteerd wordt in de memorie van toelichting dat ik daarna denk:
daar wordt selectief uit geshopt. Ik zeg dat niet zomaar. Er staat daar
een zin in die niet de hele conclusie van het onderzoek dekt. Wees dan
gewoon eerlijk, zoals de minister dat vandaag ook was: een gedeelte is
dekking van een tekort dat zij anders anders moet oplossen. Je mag het
leuk vinden of niet, maar ik houd wel van dat soort eerlijkheid.
Eromheen draaien, daar ben ik niet zo van. Ik hoop dat ik daar zo nog
een reactie op krijg.
De voorzitter:
Oké. Dan gaan wij het zo doen en maken wij straks nog even afspraken
over het delen van die analyse later deze week.
Dan wil ik graag verdergaan met het debat. Er was nog een inhoudelijke
interruptie van mevrouw Schouten. Die ging nog over de inleiding.
Mevrouw Schouten (ChristenUnie):
Ik heb de indruk dat wij het blokje financieel daarmee gelijk hebben
afgehandeld, maar daar heb ik nog een grote vraag over. Een bezuiniging
die in 2018 wordt gerealiseerd, wordt al naar voren gehaald om in 2017
dekkingsproblematiek op te vangen. Ik neem aan dat het kabinet met één
mond spreekt. Wordt dit nu in het kabinet nieuw beleid? Geldt dan ook
voor ons als Kamerleden dat wij bezuinigingen in de toekomst op kunnen
nemen en de opbrengst daarvan nu al kunnen inboeken?
De voorzitter:
Dat gaat inderdaad nog over het algemene deel.
Minister Bussemaker:
Volgens mij heeft de Kamer daar al tijdens de Algemene Financiële
Beschouwingen met de minister van Financiën over gesproken.
Mevrouw Schouten (ChristenUnie):
Nee, daar hebben wij niet over gesproken!
Minister Bussemaker:
Ik begrijp dat daar wel over is gesproken en dat de staatssecretaris dit
deel van de beantwoording doet vanwege de algemene financiële
problematiek. Ik kijk even naar de staatssecretaris.
De voorzitter:
Ik stel voor dat dit antwoord nog nakomt in tweede termijn. Die noteren
wij.
Mevrouw Schouten (ChristenUnie):
Daar heb ik bezwaar tegen. Ik heb vorige week heel duidelijk aangegeven
dat dit punt voor ons meewoog in de afweging. Wij hebben het er tijdens
de Algemene Financiële Beschouwingen niet over gehad. Toen ging het
alleen over het feit dat lasten worden ingezet voor uitgaven, waarmee
ook al de eigen regels worden overtreden. Ik kijk nu naar de heer Van
Weyenberg; op dat punt zijn wij ook niet altijd roomser dan de paus,
maar dit punt was echt nieuw en het kabinet spreekt met één mond. Ik wil
graag weten hoe dat gegaan is, hoe de discussies hierover zijn gevoerd
met de minister van Financiën en of er ten aanzien van de
dekkingsproblematiek nog andere alternatieven zijn overwogen dan het
schrappen van deze twee regelingen.
Minister Bussemaker:
Het is niet uniek dat wij een fiscale regeling schrappen en omzetten in
een subsidieregeling. Dat hebben wij in het regeerakkoord ook gedaan met
een regeling over de afdracht door werkgevers bij stageplekken. Die
staat nu op mijn begroting als de regeling praktijkleren, ook met een
bezuiniging. Dus dat kan. Af en toe een kasschuif doen, kan ook, met
mate. Uiteindelijk is het de verantwoordelijkheid van de bewindslieden
van Financiën om het overallbeleid vorm te geven.
Ik ben eerlijk over alternatieven op mijn begroting: die heb ik niet.
Daarom begon ik ook met de uitleg dat er sprake zou zijn van een
lumpsumkorting en dat we die hebben weten te voorkomen. Als ik dit nu
niet rondkrijg, ben ik weer terug bij een lumpsumkorting. Dan kan de
Kamer zeggen: dat is uw probleem. Dat is natuurlijk ook mijn probleem,
maar ik vind wel dat ik de Kamer daar deelgenoot van moet maken, want
bij het debat over de begroting OCW vorige week heb ik in ieder geval
weinig enthousiasme gevoeld om, zo nodig, op een andere wijze te
bezuinigen op mijn begroting.
De voorzitter:
Mevrouw Schouten, in laatste instantie.
Mevrouw Schouten (ChristenUnie):
Mijn vraag ging niet over de uitgaven en de lasten. Daarover hebben we
het inderdaad tijdens de Financiële Beschouwingen gehad. Mijn vraag ging
puur over het feit dat er alvast een bezuiniging wordt ingeboekt waarvan
de opbrengst naar voren wordt gehaald. Ik ken niet zo veel voorbeelden
van dat dit gebeurt. Maar goed, de staatssecretaris gaat de vraag
beantwoorden. Ik wil wel dat hij hem zo meteen gelijk beantwoordt en
niet pas helemaal aan het eind, als wij er niks meer over kunnen zeggen.
Dat vind ik echt een punt van orde.
Daarnaast vroeg ik of er geen alternatieven zijn overwogen. De minister
schaalt meteen op naar zo ongeveer het zwaarste middel: een
lumpsumkorting of op cultuur gaan korten. Maar er zijn natuurlijk veel
meer alternatieven. Een alternatief is bijvoorbeeld dat je het teruglegt
in de ministerraad en gewoon zegt: ik heb hier een groot probleem en ik
zie de oplossing niet helemaal, dus kunnen we het er met elkaar over
hebben? Nu wordt het probleem van de minister eigenlijk naar de Kamer
toegegooid en moet de Kamer het oordeel maar gaan vellen. Is de minister
bereid om ook met haar collega's te bekijken wat er nog mogelijk is om
deze problematiek te dekken?
Minister Bussemaker:
Mevrouw Schouten kan zich voorstellen hoe dat gaat. Als ik terugga en
zeg dat ik een probleem heb, dan zullen al mijn collega's zeggen dat ze
ook een probleem hebben. De Kamer wil namelijk, en dat snap ik, op alle
terreinen meer geld. Dat zegt men in alle Kamercommissies. Men wil meer
geld voor Defensie, men wil meer geld voor de politie, men wil meer geld
voor wegen. Zo kan ik nog wel even doorgaan. Wij hebben dus een goede
regel als uitgangspunt: als er problemen zijn, zoals met de ruilvoet,
betalen wij daar allemaal ons deel aan. Als er geld komt, krijgen wij
ook altijd veel. Dat is fijn. Maar als er geld geleverd moet worden, dan
is dat ook een forse ingreep op het departement van OCW. Het enige wat
ik hier nu zeg, is dat ik, ook luisterend naar wensen van de commissie
OCW, geen andere verdedigbare maatregelen zie.
Nogmaals: ik vind deze maatregelen zeer, zeer verdedigbaar vanwege de
inhoud, niet alleen vanwege een financieel probleem. Als het aan mij had
gelegen, zou ik de monumentenaftrek ook hebben afgeschaft als ik geen
financiële problemen had. Ik vind namelijk dat ik er niet mee kan sturen
en dat hij ondoelmatig is. Daarmee zeg ik niks kwaads over eigenaren van
monumentenpanden die de aftrekpost gebruiken. Daarmee zeg ik iets over
onze verantwoordelijkheid, namelijk dat wij een fiscale regeling hebben
die niet doet wat ze moet doen en waarmee ik als probleemeigenaar en
verantwoordelijke voor het integrale monumentenbeleid niet kan
sturen.
De voorzitter:
Ik wil nu echt naar de beantwoording van de vragen toe, want er zijn
heel veel vragen gesteld. Die moeten nu nog inhoudelijk behandeld
worden.
De heer Omtzigt (CDA):
Het gaat over dit punt, en dat is een inhoudelijk punt. Ik moet zeggen
dat ik zelden een inhoudelijk punt over een kasschuif duidelijker heb
horen uitleggen dan dat van mevrouw Schouten in eerste termijn. Het is
jammer dat de minister …
De voorzitter:
Mijnheer Omtzigt, de staatssecretaris gaat deze vraag in eerste termijn
beantwoorden. Mevrouw Schouten heeft ook nog gezegd dat ze niet wil
wachten tot het einde van de beantwoording. De staatssecretaris zegt net
in mijn oor dat hij die vraag in eerste termijn gaat beantwoorden.
Mevrouw Schouten had de vraag vorige week al gesteld. Hij zat niet bij
de schriftelijke antwoorden. Nu gaat de staatssecretaris de vraag dus
mondeling beantwoorden.
De heer Omtzigt (CDA):
Hij zat wel bij de schriftelijke antwoorden, namelijk als nummer 30,
maar de vraag en het antwoord hadden niet zoveel met elkaar te
maken.
De voorzitter:
De vraag is niet beantwoord. Hij gaat beantwoord worden, mijnheer
Omtzigt. Ik stel voor dat we nu echt naar de inhoudelijke behandeling
gaan, want er zijn gewoon heel veel vragen gesteld. Ik geef graag de
minister het woord. Het zou handig zijn als de minister blokjes heeft,
want dan kunnen we met de interrupties wachten tot het einde van ieder
blokje.
Minister Bussemaker:
Ik kom daar straks op terug, voorzitter. De heer Omtzigt is mij nog een
antwoord over dat onderzoek schuldig, maar dat geef ik aan het eind,
want anders schieten we helemaal niet op.
Het lijkt met goed om te beginnen met een aantal vragen over wat de
problemen met de fiscale aftrek zijn. Vervolgens zal ik ingaan op de
vraag waarom de herijking van het financiële systeem ook inhoudelijk,
dus met het oog op de toekomst van de monumenten, nodig is. Daarna zal
ik ingaan op de overgangsregelingen.
Misschien is het goed om toch maar even te beginnen met de vaststelling
dat onze monumenten er goed voor staan in Nederland. We hebben 62.000
molens, kerken, kastelen, parken, watertorens, boerderijen, beschermde
binnensteden en landschappen. We hebben daar verschillende regelingen
voor, die voor 170 miljoen bijdragen aan het behoud en het beheer van
rijksmonumenten. Mede daardoor, en door de inspanningen van alle
eigenaren, staat 90% van de monumenten er echt goed bij. Dat is weleens
anders geweest. Een aantal jaren geleden, in de jaren negentig, was er
onder de toenmalige minister D'Ancona de uitgesproken ambitie om in tien
jaar tijd de toen 40% van de monumenten met een restauratieachterstand
terug te brengen tot 10%. Dat was een enorme opgave, maar in 20 jaar
tijd zijn 20.000 monumenten gerestaureerd. De monumenten staan er dus
goed bij. We zullen monumenten ook blijven ondersteunen als ze
gerestaureerd moeten worden. Dan doen we met provincies en met het
Nationaal Restauratiefonds. Daarvoor stellen we jaarlijks 70 miljoen
beschikbaar via subsidies en leningen.
Ik stel echter ook vast dat er weer nieuwe knelpunten zijn. Ik noem het
onderhoud aan heel grote monumenten en de restauratiebehoefte van een
aantal beeldbepalende monumenten, zoals de Eusebiuskerk in Arnhem of de
Domtoren in Utrecht. Denk ook aan schade aan monumenten in het
aardbevingsgebied in Groningen. Dat is heel belangrijk en heel kostbaar.
Denk ook aan groene monumenten en aan duurzaamheid. Duurzaamheid is
cruciaal in de monumentensector. We hebben energieafspraken gemaakt in
het energieakkoord. Op basis daarvan moet het energieverbruik van
monumenten worden verlaagd tot nul. Zonder maatregelen worden ze
onbruikbaar en zijn ze niet meer exploitabel, want met torenhoge
energierekeningen zal geen mens meer interesse hebben in onze
historische gebouwen. Daarom heb ik, onder andere, in 2015 en 2016 al 10
miljoen gestoken in duurzaamheid, met heel mooie resultaten.
Daar komt bij dat we ook nog een grote uitdaging hebben wat betreft
herbestemming. Er is een enorme leegstand van kerken, en er komen alleen
maar kerken bij. Leegstand, ook van gerestaureerde gebouwen, is een
enorm risico: als een gebouw niet wordt gebruikt, verslechtert het
alsnog en wordt het opnieuw een pand dat moet worden gerestaureerd.
Kortom, ook wat dat betreft ligt er een enorme uitdaging. De Kamer, de
vaste commissie voor OCW heeft afgelopen week een rondetafelgesprek
gehad over religieus erfgoed en over wat daarmee moet gebeuren.
Ik wil dus maar zeggen dat we er goed voorstaan, maar dat we ook te
maken hebben met heel wat uitdagingen in de monumentensector. Dat
vereist dat we kunnen sturen op hoe we de middelen uitgeven. Dat kunnen
we nu niet voor het fiscale deel.
In de jaren zestig, toen de Monumentenwet ontstond, is de vraag naar
compensatie van eigenaren gesteld. Toen is gezegd dat er een regeling
zou moeten komen voor de inbreuk en beperkingen die gepaard gaan met het
hebben van een monument. Er is breed erkend dat monumenten meerkosten
hebben aan onderhoud dan een vergelijkbaar niet-monument. Neem
bijvoorbeeld een kapotte regenpijp. Bij een gewoon huis kun je een
pvc-buis kopen, maar een monumenteigenaar kan dat niet. Toen is gezegd
dat het Rijk de meerkosten geheel of gedeeltelijk kan compenseren. Dat
is redelijk, want het gaat om meerkosten. Het is ook redelijk omdat je
ervan uit mag gaan dat een monumenteigenaar, net als iedere andere
huiseigenaar, zijn bezit goed verzorgt. Het lijkt mij niet redelijk als
alle kosten vergoed zouden worden. We zien dat in de loop van de tijd
het idee over wat meerkosten zijn, is vervaagd. Er lijkt voor de
monumenteigenaar nu sprake te zijn van een recht op aftrek van het
onderhoud. Dat gaat veel en veel verder dan alleen de meerkosten van het
onderhoud. Bovendien gaat het vaak niet alleen om onderhoudskosten, maar
ook om restauratiekosten. De fiscale regeling zoals wij die hebben
gemaakt, is dus heel diffuus en breed.
Daar komt nog bij dat er eigenaren zijn die de fiscale aftrek van de
restauratie laten vaststellen door de Belastingdienst, het gebouw
restaureren en indelen in appartementen, en die appartementen vervolgens
verkopen aan nieuwe eigenaren, die dan recht hebben op aftrek. De
fiscale aftrek komt dan terecht bij eigenaren die geen enkele prestatie
hebben geleverd in de restauratie. Alleen bij de aankoop is een
aantrekkelijke bonus verkregen via de aftrek. Ik snap dat dit
aantrekkelijk is voor degenen die met die verbouwingen bezig zijn, maar
het is de vraag of het vanuit erfgoedbeleid te verdedigen is dat de
middelen daaraan besteed worden.
Dat brengt me bij de vraag van onder andere D66 en de PvdA naar de 20%.
Is het een probleem als 20% van de eigenaren 80% van de fiscale regeling
gebruikt? Dat zou het op zich niet hoeven zijn, maar het maakt wel dat
ik geen sturing heb op die 60.000 monumenten en de prioriteiten die we
moeten stellen. Moet ik kiezen voor de Eusebiuskerk, de Domtoren,
duurzaamheid of de grote kerken? Al die problemen spelen tegelijkertijd.
Als het binnen de fiscaliteit gebeurt, heb ik er geen zeggenschap over
en kan ik er dus niet op sturen. Ik kan dus geen beleid vormgeven dat ik
de Kamer kan voorleggen. Een deel van de fiscale middelen wordt gebruikt
bij appartementen, door projectontwikkelaars dus. De vraag is of we het
daar ooit voor bedoeld hebben.
Daar komt nog bij dat de werkzaamheden in de fiscale aftrek niet
getoetst worden op kwaliteit in de aanpak en uitvoering door
bijvoorbeeld een organisatie als de Rijksdienst voor het Cultureel
Erfgoed. Dat doen we bij de Sim wel. Iedereen die in een
niet-woonhuismonument woont, bijvoorbeeld in een molen, moet naar de
Sim. Daar bestaan die kwaliteitskeuringen wel. Dat is belangrijk, want
bij de besteding van monumentengeld moet de vraag beantwoord worden of
het werk inderdaad nodig is. Moet een kozijn in zijn geheel vervangen
worden of is herstel mogelijk door het slechte hout te verwijderen? Daar
kijkt de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed naar om ervoor te zorgen
dat zo veel mogelijk authentiek materiaal behouden blijft. Bij de
niet-woonhuismonumenten, zoals kerken, molens, kastelen et cetera, doen
we dat wel, maar bij de woonhuizen doen we dat niet.
Daar komt ook nog bij dat we de groep eigenaren die nu een woonhuis
heeft en fiscaal kan aftrekken, kan kiezen tussen de fiscale aftrek en
de subsidieregelingen. Het onderscheid tussen onderhoud en restauratie
is niet scherp. Dat kunnen we ook niet scherp maken. Dat hebben we in
2012 geprobeerd. Men kan ook gebruikmaken van een laagrentende lening
via het Restauratiefonds. Monumenteigenaren kunnen kiezen wat het beste
bij hun situatie past. Dat is allemaal aantrekkelijk vanuit de positie
van de eigenaar. Maar ik kan het niet goed beargumenteren ten opzichte
van alle monumentbewoners en -eigenaars die in een niet-woonhuis
wonen.
Tot slot. Er is ook sprake van ongelijkheid. Stel dat eigenaars
hetzelfde monument in dezelfde straat hebben en dezelfde schilderbeurt
van €10.000 moeten laten doen, dan kan de ene eigenaar €4.100 aan
subsidie krijgen, omdat hij de kosten in een hogere belastingschijf kan
aftrekken, terwijl de andere eigenaar voor dezelfde schilderbeurt
€2.4000 krijgt, omdat hij in een lage schijf aftrekt. En dit terwijl hun
kosten precies hetzelfde zijn. Gezien vanuit de eigenaar die veel kan
aftrekken, snap ik dat dat effectief en eenvoudig is, maar als je kijkt
naar de besteding van monumentenmiddelen is het echt de vraag of dat de
beste besteding is.
Al die problemen kunnen wij niet verhelpen binnen de fiscale aftrek. De
ChristenUnie, de PvdA, het CDA en D66 hadden daarnaar gevraagd. Ik zei
al dat de regeling in 2012 is aangescherpt. Dat is gedaan om klein
onderhoud te stimuleren en om te voorkomen dat onderhoudswerk zou worden
uitgesteld. Maar de doelmatigheid blijft ter discussie staan, zie ook
het rapport-Van Dijkhuizen. Het beëindigen van de aftrek zorgt ervoor
dat er een betere afweging gemaakt kan worden van de inzet van
belastinggeld voor het onderhoud van het totaal aan rijksmonumenten. Het
geld dat nu fiscaal wordt uitgegeven, kan in de nieuwe regeling veel
meer gericht ingezet worden.
Gevraagd is wat er wel kan binnen de fiscaliteit. Een maximumpercentage
van bijvoorbeeld 30% van de onderhoudskosten zou wel fiscaal aftrekbaar
kunnen worden, maar zo'n oplossing is weer ongewenst, omdat er dan nog
steeds onbedoeld gebruikgemaakt kan worden van de regeling. Dan blijft
de regeling namelijk bestaan. Men kan dan blijven shoppen of kiezen
tussen een fiscale regeling en een laag renderende lening bij het
Restauratiefonds. Bovendien kan de regeling nog steeds gebruikt worden
voor verbetering van wooncomfort in plaats van onderhoud, bijvoorbeeld
voor keukens en cv-ketels, want daar kunnen wij fiscaal niet op sturen.
Bovendien kunnen wij de kwaliteit niet garanderen, terwijl wij dat bij
de Sim wel doen. De regeling is dus moeilijk stuurbaar en overigens ook
gevoelig voor fouten. Dat constateert het Bureau Monumentenpanden van de
Belastingdienst. Er moeten jaarlijks veel correcties doorgevoerd worden
en ook dat is onwenselijk.
Wij willen dit daarom omzetten naar een subsidieregeling. Wij doen dat
inderdaad met een bezuiniging. De SGP, de SP en D66 hebben gevraagd of
ik dat verantwoord vind. Ja, want ik denk dat dat kan.
De voorzitter:
Mag ik u heel even onderbreken? Was dit het einde van het eerste blok
over de fiscale regeling?
Minister Bussemaker:
Bijna.
De voorzitter:
Anders moet u even aangeven waar dat blok eindigt, want het tweede blok
gaat over de herijking.
Minister Bussemaker:
Ik kan dat daar ook bij meenemen; wat u wilt.
De voorzitter:
Oké. Dan kunnen de leden nu even vragen stellen over het eerste
blok.
Mevrouw Aukje de Vries (VVD):
De minister geeft aan dat de monumenten er goed bij staan. Ik denk dat
wij dat allemaal zo willen houden. Ik ben benieuwd naar de reflectie van
de minister op de vraag wat de fiscale regeling daaraan heeft
bijgedragen. Ik snap best dat er een heleboel uitdagingen zijn in
verband met herbestemmingen, grote monumenten en duurzaamheid. Ik vind
het cruciaal dat ik kan inschatten wat de gevolgen zijn van het
aanpassen of vervangen van de regeling. Ik heb toch een beetje het
gevoel dat dit nu ten koste gaat van het onderhoud. Ik heb ook het idee
dat mensen straks het onderhoud gaan uitstellen. De vraag is dan of die
monumenten er dan straks nog steeds op een goede manier bij staan. Daar
krijg ik de vinger eigenlijk niet achter, maar die gevolgen zijn wel
cruciaal voor de uiteindelijke beoordeling van het voorstel. Kan de
minister daarop ingaan?
Minister Bussemaker:
Zelfs als je het geheel van monumenten bekijkt, zou ik durven zeggen dat
monumenten er straks nog beter bij kunnen staan, omdat het dan niet meer
alleen gaat over de woonhuismonumenten. Want de grootste problemen
zitten bij de monumenten die ik al noemde, zoals de grote monumenten, de
grote kerken. Ik heb nu voldoende middelen om daarop te sturen. Het is
van belang dat blijvend onderhoud uitgevoerd wordt bij 90% van de
monumenten die er nu goed voorstaan; vandaar de overgangsregeling — daar
kom ik zo op terug — waarmee men ook de komende jaren subsidie kan
krijgen voor het uitvoeren van onderhoud, maar dan wel echt onderhoud.
Voor de restauratie hebben we het Nationaal Restauratiefonds en dat
houden we. Men kan nu gebruikmaken van een laag renderende lening van
dat fonds en dat kan men in de toekomst ook blijven doen.
Mevrouw Aukje de Vries (VVD):
Ik ben toch wel benieuwd waar de constatering die de minister zo doet,
op is gebaseerd. Bij de vervangende regeling moet je achteraf subsidie
aanvragen. In antwoord op een vraag daarover schrijft de minister dat
dit bij de fiscale aftrek ook zo is, maar dan weet je wel dat er budget
is, en dat weet je bij subsidie niet. Dan krab je je misschien even
achter de oren en dan zeg je: dit jaar maar even niet, want ik weet niet
zeker of ik die subsidie wel krijg, als die pot heel vroeg leeg is. Ik
ben benieuwd waar de minister het op baseert dat die monumenten er dan
nog goed bijstaan.
Minister Bussemaker:
Ik baseer dat op verschillende gegevens. We zien nu ook dat eigenaren
hun monument onderhouden. We hebben ervaring opgedaan met de
Subsidieregeling instandhouding monumenten voor monumenten die geen
woonhuis zijn. We zien ook dat het onderhoud daar goed geregeld wordt.
Voor de grotere onderhoudsbeurten of restauraties is er een andere
structuur. Alle eigenaren van een monument achten dat monument zelf van
waarde, ook als het geen rijksmonument is, zodat zij geen rijksmiddelen
krijgen. Zij plegen niet alleen onderhoud omdat er een fiscale regeling
is. Velen van degenen die een gemeentelijk monument hebben of een
monument dat door de provincie is aangewezen, krijgen helemaal geen
aftrek of subsidie, maar ook zij onderhouden hun huis. Wij zeggen dat we
dat extra moeten blijven stimuleren. Daar hebben we dan ook die
subsidieregeling voor. Ik wilde zo ingaan op de vraag hoe die eruit ziet
en waar ik die kan aanpassen, want anders loopt alles erg door
elkaar.
Mevrouw Aukje de Vries (VVD):
De minister zegt dat particuliere wooneigenaren precies hetzelfde gaan
doen als professionele bezitters van monumenten. Ik waag dat te
betwijfelen, omdat ik denk dat zij toch een andere afweging maken. Ik
hoop dat de minister daar nog iets meer over kan zeggen. Ik denk dat het
heel ingewikkeld is om die twee groepen gelijk te schakelen bij de
beoordeling of zij wel of niet onderhoud plegen.
Minister Bussemaker:
Waarom zou dat ingewikkeld zijn?
Mevrouw Aukje de Vries (VVD):
Ik denk dat een professionele organisatie anders naar zo'n pand kijkt.
Een particulier maakt een andere afweging, omdat hij ook andere uitgaven
moet doen. Ik denk dat het ingewikkeld is om die gelijk te stellen wat
betreft de vraag hoe zij met veranderingen in zo'n regeling
omgaan.
Minister Bussemaker:
Ik maakte al een vergelijking met particuliere monumenten die
gemeentelijk of provinciaal monument zijn. Ook die worden onderhouden.
Ik heb geen aanleiding om te veronderstellen dat mensen die een
woonhuis-monument bezitten, alleen onderhoud doen als daar een fiscale
regeling voor is. Ik vind het wel redelijk dat wij ze op een of andere
manier tegemoet moeten komen voor die meerkosten, en dat blijven we ook
doen, maar meer gericht. Mensen kunnen dan niet meer hun wooncomfort
verbeteren via fiscale aftrek, maar onderhoud kan nog steeds. Dat kan
misschien ook wel meer gericht en met betere kwaliteitswaarborgen.
De heer Van Weyenberg (D66):
Het is lastig dat we heel uitgebreid over de inhoud van de regeling
hadden kunnen praten, ook met alle verenigingen van eigenaars van
woonhuismonumenten, maar dat er nu een soort taakstelling boven dit
dossier hangt, waardoor het een beetje wordt besmet. De minister zegt
dat zij wil kunnen sturen. Zij zei net in een bijzin dat deze aanpassing
niet alleen een bezuiniging is, maar ook kansen biedt om geld voor
woonhuizen naar andersoortige monumenten te laten gaan. Dat is precies
waar alle eigenaren bang voor zijn: dat je een monument koopt, of dat
overweegt, maar dat de minister tijdens de rit de spelregels veel
makkelijker en sneller kan veranderen. Zij zegt nu zelf al dat zij
bovenop die bezuiniging een deel van het budget naar een ander type
moment wil laten gaan. Dat maakt eigenaars en aanstaande kopers alleen
maar kopschuw. Daar ben ik buitengewoon beducht voor. De zorg dat dit
mensen zal afschrikken is toch reëel? Ik zeg dit in aanvulling op de
vraag van mevrouw De Vries.
Minister Bussemaker:
Ik heb dacht ik niet gezegd dat ik voornemens ben om die middelen dan
ook maar gelijk aan iets anders te besteden. Ik heb wel gezegd dat wij
een herziening en een herijking van het monumentenbeleid willen omdat
het een gefragmenteerde sector is. Het gaat nu alleen over de
woonhuismonumenten, maar er is veel meer aan de hand in de
monumentenwereld. Ik heb met name bij de 20-80% aangegeven dat ik
daardoor helemaal niet kan sturen; de andere regelingen zijn immers wel
op subsidies gebaseerd of op leningen bij het Nationaal
Restauratiefonds. Je kunt met elkaar bekijken waar de grootste
uitdagingen zitten, maar ik denk dat het voor iedereen evident zal zijn
dat woonhuizen daarbij cruciaal zijn. Ik heb op geen enkele manier de
bedoeling om het voor woonhuizenbezitters minder aantrekkelijk te maken
om een monumentenpand te kopen of te onderhouden. Wat ik wil, is dat wij
paal en perk stellen aan het huidige gebruik van de aftrek voor een deel
van de kosten, bijvoorbeeld de kosten voor het herstellen van een
elektrische installaties, nieuwe keukens of parketvloeren. Daar is de
regeling immers oorspronkelijk niet voor bedoeld. Wij hebben het
mogelijk gemaakt dat die regeling daarvoor wél wordt gebruikt. Ik neem
dat dus niemand kwalijk, want iedereen mag de regeling daarvoor
gebruiken. Als wij doen wat ik net heb gezegd, kunnen wij de regeling
doelmatiger inrichten. Dat rechtvaardigt dat daaraan een bezuiniging van
25 miljoen is gekoppeld. Daarmee beantwoord ik gelijk de vraag die
daarover is gesteld. Het ondoelmatig gebruik wordt eruit gehaald en er
wordt voorkomen dat ontwikkelaars monumenten laten restaureren en
herbestemmen met gebruik van de fiscale aftrek. Dat wil ik eruit halen.
Tegelijkertijd wil ik lerend van de BIS die wij hebben, voor de
niet-woonhuismonumenten een regeling van kracht laten gaan die ook voor
woonhuizen geldt. Met de BIS hebben wij goede ervaringen. Eerlijk
gezegd, zie ik geen aanleiding om bij voorbaat te veronderstellen dat
dat niet zou kunnen.
De heer Van Weyenberg (D66):
Als de minister nou gewoon met alle organisaties in gesprek was gegaan
over de vraag hoe die regeling verbeterd zou kunnen worden en daarbij
misschien zelfs was ingegaan op de uitgaven, dan had zij daar draagvlak
voor kunnen creëren. Nu is er een taakstelling. Het wil er bij mij
overigens niet in dat die hele taakstelling alleen maar betrekking heeft
op het gebruik dat volgens de wet wel mogelijk is, maar niet beoogd is.
De drempels en de maxima die worden toegevoegd, betekenen volgens mij
dat men ook financieel nadeel zal ondervinden bij heel veel regulier
onderhoud. Welke politieke weging er ook is, dat lijkt mij gewoon een
feit. De minister zei net letterlijk: het biedt mij straks bijvoorbeeld
de mogelijkheid om geld te verschuiven van woonhuizen naar kerken. Dat
heb ik niet gezegd; dat heeft de minister net letterlijk gezegd. Ik heb
niks tegen het onderhoud van kerken, allerminst zelfs, maar dit is toch
precies de onzekerheid die mensen zal afschrikken? Zij hebben ook gezien
dat de bezuiniging die nu is ingeboekt …
De voorzitter:
Graag uw vraag.
De heer Van Weyenberg (D66):
Ja, voorzitter, maar dit is een belangrijk onderwerp. Kan de minister
mij garanderen dat alle bezuinigingen die nu worden gedaan, alleen maar
betrekking hebben op het door haar genoemde onbedoelde gebruik? Volgens
mij kan zij die vraag niet met "ja" beantwoorden. De bezuiniging is
groter.
Minister Bussemaker:
Ik kan dat niet als de heer Van Weyenberg mij vraagt om het met een
schaartje te knippen, maar dat kan ik wel als hij mij vraagt in te
schatten waar die middelen nu terechtkomen. Ik kan zeggen dat wij er
alles aan hebben gedaan om deze regeling binnen de fiscaliteit te
verbeteren — dat hebben wij ook in 2012 gedaan — maar wij hebben
geconstateerd dat dat niet kan en dat het dus wenselijk is om een nieuwe
regeling te maken. Die regeling heeft het effect dat wij de middelen
veel gerichter en dus beter kunnen besteden. De bezuiniging van 25
miljoen die daaraan vastzit, vind ik een redelijke inschatting.
De heer Van Weyenberg (D66):
Mijn vraag was: kan de minister zeggen dat de hele taakstelling
betrekking heeft op onbedoeld gebruik, ja of nee? Als de
staatssecretaris deze vraag niet wil beantwoorden, is dat haar goed
recht. Sorry, de minister. Ik moet wat wennen bij de behandeling van dit
Belastingplan. Excuses aan de minister. Dit zeg ik niet omdat mijn naam
in de schriftelijke beantwoording consequent verkeerd is gespeld.
Minister Bussemaker:
Alle aftrek die nu plaatsvindt is rechtmatig. Wij laten die immers in de
regeling toe. Misschien had ik het woord "ondoelmatig" niet moeten
gebruiken. De vraag is of die gerechtvaardigd is bezien vanuit mijn
publieke verantwoordelijkheid om het cultureel erfgoed in Nederland te
beschermen. Vanuit die optiek stel ik vast dat ik via de fiscaliteit
niet kan sturen zoals wenselijk zou zijn om het geheel van monumenten te
beschermen. Het gaat daarbij inderdaad om woonhuismonumenten, maar ook
om niet-woonhuismonumenten. Er zit dus gewoon een grens aan wat je wel
en niet binnen de fiscaliteit kunt regelen. Daar zijn wij op
gestuit.
Mevrouw Schouten (ChristenUnie):
Ik denk dat de minister aan deze kant van de tafel hoort dat er best wel
te bekijken is hoe wij een betere regeling kunnen krijgen. Dat is dus
het punt niet. Het kan inderdaad van de fiscaliteit best nog naar de
uitgavenkant. Daar zit het probleem niet in. Het probleem is dat wij, op
een paar hoofdlijnen na, helemaal niet weten hoe een dergelijke regeling
eruit zou komen te zien. We kunnen ons dan ook helemaal geen oordeel
vormen over de vraag of we het ermee eens of oneens zijn. Als de
staatssecretaris ... sorry, ik begin ook al. Als de minister zegt dat ze
dit eigenlijk al veel eerder had willen doen omdat het haar heel hoog
zat dat ze er niet op kon sturen, waarom heeft zij die tijd dan niet
gebruikt om een gedegen regeling neer te zetten waarover we hier zouden
kunnen spreken? En waarom komt die regeling pas op het moment dat nog
maar de vraag is of wij hier met z'n allen een debat over kunnen voeren?
Als het haar zo hoog zat om die regeling doelmatig te krijgen, waarom
ligt er dan nog helemaal geen alternatief?
Minister Bussemaker:
Er ligt een alternatief. Daar zal ik zo op terugkomen. Maar we bevinden
ons bij de monumenten in een ontwikkelingsproces. We hebben de afgelopen
jaren vastgesteld wat er wel en niet mogelijk is binnen de fiscaliteit.
We hebben ook vastgesteld dat het wenselijk is dat er nieuw beleid komt.
Daarbij moeten we vooral vasthouden aan de opdracht die we in de
afgelopen twintig jaar vervuld hebben, namelijk het restaureren van heel
veel woonhuizen, waardoor we er nu goed voor staan. We moeten een
overgang maken van oud naar nieuw beleid. Daar zitten we nu in. Ik
probeer daar een overgangsregeling voor te maken. Die is nodig, omdat
ik, als ik nu geen stappen zou zetten, over twee jaar ook niet met nieuw
beleid kan beginnen. Het zou mooi zijn als die regeling eerder klaar zou
zijn geweest, maar de regeling is nu klaar. Ik kan die dus ook
overhandigen. Ze is op een haar na gevild. Er moet alleen nog een
definitief besluit genomen worden over de uitvoerder. De regeling is
verder klaar en is gebaseerd op wat we al doen, namelijk op de Sim. Daar
hebben we de afgelopen jaren van geleerd. We werken dus met een
stap-voor-stapbenadering naar een nieuwe periode in 2019, waarmee we van
oud naar nieuw beleid gaan. Als ik nog zou wachten en de regeling zou
perfectioneren, zou de overgangsperiode ook twee jaar opschuiven.
Daardoor zou een aanzienlijk deel van de beschikbare middelen nodig zijn
voor een overgangsregeling. Ik heb de keuze gemaakt om juist nu de
fiscale aftrek af te schaffen en gebruik te maken van een
overgangsregeling, omdat er dan in 2019 een herijkt financieel stelsel
voor monumentenzorg kan worden ingevoerd. Ik snap heel goed — ik vind
het ook heel vervelend dat dit niet zo was — dat het fijn geweest zou
zijn als die regeling vlak na Prinsjesdag gestuurd zou kunnen worden.
Dat kon helaas niet. Maar ik kan wel zeggen dat de regeling op één
onderdeel na klaar is.
Mevrouw Schouten (ChristenUnie):
Maar wij voeren hier nu wel het debat over een regeling waarvan wij nog
niet weten hoe die eruitziet maar de minister wel. Op basis daarvan en
omdat er volgens de minister geen grote gevolgen uit zouden
voortvloeien, moeten wij inschatten of we deze stap kunnen maken. Ik kan
die stap niet maken. Wanneer komt die regeling dus formeel naar de
Kamer? Hoe gaan we die regeling dan behandelen? En hoe verhoudt dat zich
tot wat wij hier nu aan het bespreken zijn? Met andere woorden, hoe
voorkomen we dat we oude schoenen weggooien voordat we nieuwe hebben?
Want wie zegt dat die regeling überhaupt door de Kamer komt?
Minister Bussemaker:
Misschien is het goed als ik de regeling die wij hebben, overhandig. Ik
ben ook graag bereid om haar vanmiddag met een toelichting naar de Kamer
te sturen. Het is overigens een vrij overzichtelijke regeling, want zij
volgt de Sim, die we al hebben en waarmee we de afgelopen tijd ervaring
hebben opgedaan. De evaluatie van de Sim en de overgangsregeling die we
maken kunnen helpen om in 2019 tot een verantwoord nieuw stelsel te
komen. Als we nu niets doen, kunnen we die stap in 2019 helaas ook niet
zetten.
De voorzitter:
U biedt de Kamer een kopie van die regeling aan. Wanneer kan de Kamer
die ontvangen? Tijdens de schorsing voor de lunch, of pas later
vanmiddag?
Minister Bussemaker:
Ik kan u die regeling nu geven.
Mevrouw Schouten (ChristenUnie):
Ik wil een punt van orde maken. We zitten hier in een serieus debat. Er
wordt nu even onderhands een regeling aan de Kamer gegeven, waar wij ons
nog geen mening over hebben kunnen vormen. Ik zou op zijn minst onze
woordvoerder cultuur hierover willen spreken en ik zou de regeling ook
zelf goed willen bestuderen. Als we op deze manier het debat voeren,
weet ik niet of we dat nu moeten voortzetten. Ik wil hier scherper naar
kunnen kijken, in plaats van dat die kopie nu zo eventjes wordt
uitgedeeld. Mijn voorstel zou zijn om hier nu maar mee te stoppen en een
procedure vast te stellen om dit onderwerp te behandelen.
De voorzitter:
Ik snap uw punt volledig. Vorige week hebben alle woordvoerders dat
eigenlijk al aangegeven. Zij vroegen zich af hoe zij konden beoordelen
of zij het oude moesten afschaffen als zij het nieuwe nog niet kenden.
Die vraag leeft. Ook al krijgt u nu de regeling, u hebt natuurlijk alle
recht om er nog steeds op dezelfde manier tegenaan te kijken omdat u de
tekst niet goed hebt kunnen lezen en geen overleg hebt kunnen voeren met
uw cultuurwoordvoerder, zoals u aangeeft. Er wordt echter niet van de
Kamer gevraagd om een definitief oordeel te hebben, want dat is het
onmogelijke vragen, denk ik. Er zijn echter wel degelijk vragen die we
vandaag kunnen behandelen. Wij krijgen een kopie van die regeling. Ik
zou wel de vragen die nu uitstaan, willen behandelen. Dat u, ook na het
ontvangen van een A4'tje of een paar A4'tjes, nog steeds dezelfde
houding hebt, is uw goed recht als Kamerlid. Dat begrijp ik als
voorzitter volledig.
Mevrouw Schouten (ChristenUnie):
Dat snap ik — dank voor uw begrip — maar ik wil dat we dit op een
normale manier met elkaar behandelen. Dat moet, denk ik, in overleg met
de commissie voor OCW. Volgende week staan wij echter wel in een plenair
debat, waarin wij moeten aangeven wat we vinden van dit wetsvoorstel en
mogelijk ook van deze regeling. Ik zie het op deze manier niet allemaal
bij elkaar komen. Ik wil graag met de Kamer bekijken hoe we dit gaan
behandelen, want op deze manier is het niet te doen.
De voorzitter:
Ik stel voor dat we nu wel de eerste termijn afmaken en straks de
schorsing benutten om even te bekijken hoe we verdergaan. Dan kunt u
kijken hoe het ervoor staat, want die regeling is nieuwe informatie. Ik
heb gevraagd of we die tijdens de schorsing — het wordt een late lunch,
zeg ik nogmaals — kunnen ontvangen. Ik wil pas schorsen na de eerste
termijn van dit onderwerp en ik hoopte dat we dan ook de eerste termijn
van de scholingsaftrek zouden hebben afgerond. Dan pakken we de
schorsing om met elkaar te overleggen wat de beste manier is om dit
onderwerp verder te behandelen.
De heer Omtzigt (CDA):
Dat kan tijdens de schorsing. Ik kan me er ook wel in vinden dat de
minister nu de mogelijkheid krijgt om een aantal antwoorden te geven,
maar ik wil alvast een voorstel doen. Ik wil graag een tweede termijn
van het wetgevingsoverleg aanstaande donderdag. Ik wil niet alleen met
mijn woordvoerder cultuur, maar ook met een aantal organisaties in het
veld spreken om de regeling te kunnen beoordelen. Ik hoop dat de
minister straks de bereidheid heeft om even te reflecteren op het proces
dat zij denkt in te gaan met de Kamer. Een wetgevingsproces is geen
algemeen overleg. In zo'n proces overweeg je alternatieven. De minister
zegt constant dat het wenselijk is dat er nieuw beleid komt, maar ik
weet niet of we dat met z'n allen hebben vastgesteld. We hebben alles
geprobeerd binnen de fiscale regeling. Ik heb die voorstellen niet op
papier gezien. Omdat we twee andere onderzoeken hier kapotgeschoten
hebben, blijkt er aanvullend onderzoek te zijn gedaan. Het gaat niet
alleen hierom, maar ook om het overgangsrecht, plus het feit dat de
definitieve regeling pas in het voorjaar komt; dat is na de
verkiezingen. Nog afgezien van de vraag of dat wenselijk is, kan de
minister toch niet serieus menen dat wij deze manier van wetgeven
wenselijk achten? Als dit het is, vraag ik haar om haar oprechte mening.
Zet gewoon twee stappen achteruit. Wat vindt de minister van het proces
waarmee zij de Kamer op dit moment tegemoet treedt? Zij zegt tegen de
Kamer "als u het niet doet, dan ga ik daar korten", in plaats van via
een weloverwogen proces tot een afweging te komen. Daarop zou ik echt
een reactie willen krijgen voordat we verdergaan.
De voorzitter:
Voordat de minister hierop reageert, geef ik de heren Bashir en Van
Weyenberg nog het woord. Ik heb een ordevoorstel gedaan om straks te
bekijken hoe we verdergaan.
De heer Bashir (SP):
Mijn verbazing wordt alleen maar groter. Er is blijkbaar een analyse die
nog niet met de Kamer is gedeeld of kan worden gedeeld, waarin allerlei
argumentatie staat voor de regeling die de minister voorstelt en die
tijdens dit wetgevingsoverleg aan de orde is. Daarnaast blijkt er een
uitgewerkt alternatief te zijn voor hetgeen nu wordt afgeschaft, dat
niet is gedeeld met de Kamer. Ik kan het dus niet eens zijn met uw
ordevoorstel om nu door te gaan met het overleg, voorzitter. Ook de
beantwoording door de minister van de verdere vragen kan ik niet
beoordelen. Ik kan niet beoordelen of datgene wat zij zegt in samenhang
is met het alternatief dat zij blijkbaar nog in haar binnenzak heeft. Ik
stel dus voor om onze tijd beter te benutten dan met dit overleg op deze
manier. Ik kan echt helemaal niks met deze antwoorden en de wijze waarop
de argumentatie van de minister de Kamer bereikt. Ik vind het proces ook
heel erg slordig.
De voorzitter:
Ik heb u gehoord.
De heer Van Weyenberg (D66):
Dit roept ook bij mij vragen op over zorgvuldigheid, nu regelingen zo
ongeveer tijdens debatten uit de binnenzak komen. Ik heb net als de heer
Omtzigt een reflectievraag. Van dit wetsvoorstel geldt alleen de
taakstelling voor rijksmonumenten al voor 2017. Is het dan niet
verstandig om een pas op de plaats te maken, of liever een stap terug te
doen, dit voorstel gewoon terug te nemen en een inhoudelijk gesprek te
voeren met alle betrokkenen? Dan kan er in rust, goed onderbouwd en in
afstemming met alle eigenaren en hun vertegenwoordigers een voorstel
komen, dat wij ordentelijk en rustig kunnen behandelen. Het enige
budgettaire gat dat de minister dan heeft — daar loop ik niet voor weg —
betreft 2017. Via de tabaksaccijns heb ik daar nog wel een voorstel
voor. Los daarvan is dit toch niet de wijze waarop wij dit willen doen,
ook als Kamer? Zet een stap terug en ga nadenken over die regeling. Het
enige wat dan budgettair knelt voor volgend jaar is de bezuiniging op de
monumenten. Daar moet toch iets voor te vinden zijn? Ik denk dat de
minister daar bakken met draagvlak voor terugkrijgt.
De voorzitter:
Dit waren de reacties op mijn ordevoorstel. Het waren deels opmerkingen
en deels vragen. Ik constateer dat er brede steun is om de eerste
termijn nu af te maken en in de schorsing te bekijken hoe we verdergaan.
Ik geef dus graag nog even het woord aan de minister om te reageren op
wat er gezegd is en om vervolgens door te gaan naar het tweede blokje
van haar betoog, dat over de herijking gaat.
Minister Bussemaker:
Ja, de overgangsregeling.
Voorzitter. Natuurlijk hecht ook ik aan een afgewogen proces, zo zeg ik
tot de heer Omtzigt. Natuurlijk kan ik mij processen voorstellen die er
mooier uitzien dan dit proces. Dat geef ik onmiddellijk toe. U weet als
geen ander dat in een Belastingplan maatregelen vaak onder druk staan.
Wij kunnen onze plannen niet zeer breed delen voor Prinsjesdag.
Overigens heb ik na Prinsjesdag overleg gehad met de
monumentenorganisaties. Ik heb zelf met hen overlegd. Het is natuurlijk
interessant om te bekijken of je tot meer draagvlak kunt komen, zo zeg
ik tegen de heer Van Weyenberg. Maar ik zeg er ook bij dat deze lijn al
langer geleden is ingezet, maar dan wel met het oog op monumenten. Dit
wordt nu een inhoudelijk debat over monumenten en dat snap ik, maar de
leden bekijken dit met een andere blik, namelijk met een fiscale blik.
Aangezien we al langer constateren dat de fiscale aftrek niet wenselijk
is, zijn we ook al langere tijd bezig met een herijking van het
monumentenbeleid. Het is wenselijk om op dat punt stappen te zetten. Het
is absoluut niet mijn bedoeling om de Kamer en passant een regeling te
doen toekomen, maar ik wil wel aangeven dat die regeling er is. Ik ben
graag bereid om die met de Kamer te delen, ook al is het een
ministeriële regeling en hoeft dat dus niet per se. Maar ik snap de
vragen en de kritiekpunten, dus ik ben heel graag bereid om die regeling
met de Kamer te delen en die haar vandaag te doen toekomen. Ik ben ook
graag bereid om dat vanmiddag per brief te doen, als de Kamer daar prijs
op stelt, zodat we het zo zorgvuldig mogelijk doen. Als we nu niets
doen, lopen we sowieso een jaar achter. Ik denk dat er goede redenen
zijn om nu stappen te zetten en ik hoop dat de Kamer mij daartoe in de
gelegenheid stelt. Voordat we daarover een finale afweging maken, zou ik
graag eerst de vragen over de overgangsregeling en de vraag wat we nu
gaan doen, beantwoorden.
De heer Van Weyenberg (D66):
De minister zegt tegen de fiscale woordvoerders dat dit eigenlijk allang
beleid is. Het kabinet spreekt met één mond, maar dat geldt ook voor
mijn fractie, en ik denk ook voor de fracties van mijn collega's.
Nogmaals: wij hadden het prima gevonden om de vormgeving te bekijken,
maar de minister heeft gewoon een taakstelling opgezet. Ik vind dat een
beetje een bijzondere argumentatie, maar goed we gaan hier volgende week
donderdag plenair over stemmen. Mijn suggestie was inderdaad om een
stapje terug te doen, omdat slechts één regeling volgend jaar
budgettaire consequenties heeft, namelijk de bezuinigingen op de
monumentenzorg. Als je dat opnieuw doet, krijg je een zorgvuldig proces.
Ik vind het nu gewoon niet zorgvuldig gaan; dat heeft de minister goed
begrepen.
De voorzitter:
Ik stel toch voor dat we hierna doorgaan met de beantwoording in eerste
termijn. We zullen tijdens de schorsing met elkaar spreken over de
voortzetting. De heer Omtzigt heeft nog een interruptie op dit
punt.
De heer Omtzigt (CDA):
Ik denk dat de minister de staatssecretaris enigszins tekortdoet. We
hebben namelijk eerst een brief ontvangen over de autobelastingen,
waarna een wetsvoorstel volgde over de vraag hoe de autobelastingen
eruit gaan zien. Dat geldt ook voor de rulings. We zijn niet voor niets
begonnen met de brief over de trust en de substance-eisen. We kregen dus
eerst een brief, waarover vervolgens een discussie volgde in de Kamer.
Daarna gaf de Kamer een richting aan en kwam er een wetsvoorstel. De
minister zegt nu dat we een lijn hebben ingezet en dat iedereen het
daarover eens is. Ik vraag haar wanneer de Kamer expliciet heeft
uitgesproken dat dit een goede richting zou kunnen zijn, afgezien van de
bezuinigingsdoelstellingen.
Ik heb nog een tweede vraag hierover. Normaal gesproken wordt er eerst
met de sector overlegd, alvorens er een voorstel op tafel ligt. Er is
een verschil tussen een overleg en een informatieavond, maar dat snappen
politici niet altijd. Op een informatieavond zeg je: ik heb dit besloten
en ik ga u vertellen hoe ik dat ga doen. Maar tijdens een overleg zeg
je: ik heb een probleem; u als sector vindt het niet leuk dat wij gaan
bezuinigingen, maar wij gaan dat wel doen, dus hoe zouden we dat kunnen
aanpakken? Er is op dit punt toch sprake geweest van een
informatieavondje en niet van een overleg met de sector over de vraag of
dit de juiste richting was. Klopt dat?
Mijn eerste vraag is dus: wanneer is deze lijn ingezet? En wanneer heeft
de Kamer daar iets over gezegd? Mijn tweede vraag is of er overleg is
geweest. Heeft de sector ook maar een millimeter ruimte gehad om te
mogen zeggen: minister, dit gezien en gewogen hebbende en met uw
financiële problemen in het achterhoofd, hadden we het liever zo gehad?
En heeft de minister daar iets mee kunnen doen?
Minister Bussemaker:
Wat betreft de eerste vraag van de heer Omtzigt: dat punt maakt deel uit
van algemene cultuurdebatten. De Kamer heeft op 20 september niet alleen
de brief ontvangen over het Belastingplan en de belastingwetgeving, maar
ook de brief waarin we inhoudelijk hebben geprobeerd aan te geven wat de
doelstellingen zijn van het monumentenbeleid en van de stappen die we nu
zetten. Hoewel ik heel goed snap dat belanghebbenden in de
monumentensector graag de regeling willen houden zoals die is, kan het,
ook gezien de aankondiging in het Belastingplan van vorig jaar, geen
verrassing zijn dat er sprake is van een verkenning van manieren om hier
anders mee om te gaan. Er zijn gesprekken geweest, ook met de
monumentensector. Ik heb zelf ook gesprekken gevoerd. Ik heb vorige week
overigens nog aangeboden om er verder over te spreken, onder andere met
de FIM, de koepel van monumentenorganisaties. Uiteindelijk heeft zij
gezegd — dat is haar goed recht — dat zij het gesprek niet wilde in
afwachting van dit debat. Maar ik kan niet zeggen dat er geen contact
met de monumentenorganisaties is geweest. Ik kan wel zeggen dat het een
ingewikkelde problematiek is, ook voor de monumentenorganisaties,
aangezien het een divers samengestelde groep betreft: de buitenplaatsen,
de kerken, de aannemers, de restaurateurs en vele anderen. In die zin is
het veld niet in alle opzichten eenduidig. Ik heb echter geprobeerd
hierover te overleggen. Soms kom je dan toch tot de conclusie dat je een
voorstel hebt waarop men met goed recht zegt: we zouden liever de
fiscale aftrek willen behouden. Dat kan ik mij voorstellen vanuit het
perspectief van de eigenaar, maar ik heb een andere
verantwoordelijkheid.
De heer Omtzigt (CDA):
Ik heb twee vragen gesteld, maar ik heb daarop geen antwoord gehad. Het
antwoord van de minister op de eerste vraag was: ik heb op 20 september
een inhoudelijke brief gestuurd. Maar mijn vraag was: wanneer heeft de
Kamer ingestemd met deze nieuwe lijn? Op 20 september lag het
wetsvoorstel op tafel. De Kamer had dus niet eens de keuze om te zeggen
dat het een goed idee of een minder goed idee is.
Mijn tweede vraag was heel precies. De sector krijgt de schuld omdat hij
zo gevarieerd is, maar het mooie van monumenten is juist dat ze wel een
beetje gevarieerd zijn. Een van de eigenschappen van een monument is
immers dat het geen Vinex-locatie is. Het feit dat de sector zo
gevarieerd is, zou de reden zijn om geen gesprek te hebben. Ik vroeg of
de minister voor of na indiening een gesprek heeft gehad met de sector
waarbij zij ervoor openstond om als er verbetervoorstellen waren, die
zelfs binnen de bezuinigingsopgave vielen, het gesprek daarover aan te
gaan. Of heeft zij gewoon iets op tafel gelegd en gezegd: dit is een
voldongen feit? Dat is namelijk voor mij geen overleg. Het is geen
probleem dat er bij het overleg met de regering altijd een beetje duw-
en trekwerk is. Als de lobby honderd procent happy geweest zou zijn, zou
de regering ook een probleem hebben, want dan geeft zij te veel geld
uit. De vraag is dus of er sprake was van overleg of van een
dictaat.
Minister Bussemaker:
Ik overleg geregeld met de Kamer, met name met de commissie voor OCW,
over knelpunten in het monumentenbeleid. Recentelijk betrof dat
bijvoorbeeld monumenten in een aardbevingsgebied. Ik noem de grote
kerken. In 2015 zijn evaluaties van de Subsidieregeling instandhouding
monumenten en het convenant van provincies aangekondigd. Dat is met de
Kamer besproken. Op 20 september heb ik de Kamer de brief gestuurd over
monumenten. Vervolgens is het aan de Kamer om daar al dan niet een debat
over te agenderen.
Ik maak de monumentenorganisaties geen enkel verwijt. Net als de Kamer
vind ik de monumentensector juist heel bijzonder, omdat hij zo divers is
en omdat het gaat om zo veel enorm betrokken mensen die hart hebben voor
de brede monumentensector. Nogmaals, ik maak deze mensen geen enkel
verwijt. Ik constateer alleen dat het een diverse groep is. Men is min
of meer georganiseerd in de FIM, de koepel, waarmee ik heb gesproken. Ik
heb de organisaties voorgelegd dat er met mij te praten valt over
aanpassingen in het voorstel.
De voorzitter:
Ik stel voor dat u naar het volgende blok gaat. Volgens mij is dat het
voorstel zelf en nog niet de overgangsregeling.
Minister Bussemaker:
Nee, ik kom nu op de overgangsregeling. Het punt van de herijking betrof
de vraag waarom wij moeten herijken, gezien de nieuwe uitdagingen die op
ons afkomen en het grote belang om vanaf nu naar een nieuw stelsel in
2019 toe te werken. Alles wat wij nu doen, heeft consequenties voor de
periode vanaf 2019.
Voor de tussenliggende tijd heb ik twee overgangsregelingen.
Vanzelfsprekend is het van heel groot belang dat ook in 2017 en 2018
regulier onderhoud wordt uitgevoerd. Ik heb daar het voorstel voor
gedaan dat eigenaren jaarlijks voor onderhoud een subsidie van 25%
kunnen aanvragen tot maximaal €10.000. Het gaat dan echt om onderhoud,
bijvoorbeeld schilderwerk, repareren van goten, opstoppen van een rieten
dak of plaatselijk herstel van metselwerk. Dat zijn de dingen die
subsidiabel zijn. De overgangsregeling zal aansluiten op de
subsidiekaders van het uniform subsidiekader en de Leidraad subsidiabele
instandhoudingskosten van de Sim. Dat betekent dat wij al heel veel
weten van de regelingen die wij al hebben. De aanvrager hoeft naast het
aanvraagformulier alleen een activiteitenverslag in te dienen met
facturen voor de uitgevoerde werkzaamheden. Eigenaren moesten voor de
fiscale aftrek al een activiteitenverslag kunnen aantonen, dus dat is
geen extra werk. De subsidie wordt vastgesteld en uitbetaald. De
aanvrager hoeft dus geen apart verzoek tot vaststelling van de subsidie
te doen.
De subsidie zal uitgevoerd worden door de Rijksdienst voor het Cultureel
Erfgoed, het Nationaal Restauratiefonds of de reguliere
subsidieorganisatie voor OCW en overigens ook voor VWS en SZW. Daarover
moet nog besloten worden. De uitvoeringskosten bij de Belastingdienst
bedragen nu 1,5 miljoen, 3% van het budget. De uitvoeringskosten van de
Sim bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed bedragen €700.000,
1,5%. De uitvoeringskosten gaan naar verwachting dus met ongeveer de
helft naar beneden.
Ik heb goed gelezen en geluisterd naar wat er vorige week door de Kamer
is gezegd. Ik heb ook overleg gehad met monumentenorganisaties, zoals ik
al zei, en ik heb geconstateerd dat er een aantal bezwaren zijn, met
name tegen de vormgeving van de subsidieregeling, de hoogte, de bodem en
het jaarlijks of tweejaarlijks onderhoud. Ik zal de Kamer dat
schriftelijk doen toekomen. Het is mogelijk om voor de komende twee jaar
extra ruimte te creëren om tegemoet te komen aan de wensen van de
monumentenorganisaties op het punt van het onderhoud. In het voorstel
stond dat er alleen een bijdrage aan het onderhoud mogelijk is tot een
grens van €10.000. Ik kan de maximaal subsidiabele onderhoudskosten voor
twee jaar verhogen naar €15.000 per jaar. Dat betekent dat eigenaren die
groter onderhoud willen uitvoeren, ervoor kunnen kiezen om één aanvraag
te doen voor €15.000. Wat ik ook mogelijk wil maken — ik weet dat de
PvdA daar vorige week naar vroeg — is om het niet per jaar te hoeven
doen, maar ook voor twee jaar ineens. Dan kun je in plaats van twee keer
€15.000 aanvragen, ook in een keer voor €30.000 aan onderhoud doen. Als
je dus een groot pand hebt en je wilt dat laten schilderen, hoef je niet
in twee keer de voor- en achterkant te laten doen, maar kun je het in
een keer laten doen tot een maximum van €30.000.
Onder andere door GroenLinks is vorige week gevraagd of de drempel van
€2.000 niet te hoog is. Ik zou kunnen regelen dat we de drempel
weliswaar op €2.000 houden, maar dat we hem niet voor één jaar, maar
voor twee jaar laten gelden. Dan geldt de drempel van €2.000 per saldo
voor twee jaar. Dat maakt het aantrekkelijker, ook voor eigenaren met
kleine onderhoudskosten, om dat onderhoud over twee jaar te laten doen,
maar in één keer €2.000 aan te vragen. Feitelijk verlaag je zo de
drempel. Voorts heb ik ruimte gevonden om in plaats van 25% dichterbij
de fiscale aftrek te komen en het subsidiepercentage te verhogen naar
35%. Dat is nu het gemiddelde van de fiscale aftrek. De fiscale aftrek
ligt soms boven en soms beneden de 35%. In mijn voorstel was de aftrek
25% en dat wordt dus nu 35%. Daarmee komt die uit op het
gemiddelde.
Misschien is het goed als ik dit de Kamer ook schriftelijk doe toekomen.
Het moet ook gefinancierd worden, en dat gebeurt doordat we de bijdrage
die we nu in het Nationaal Restauratiefonds zouden storten, bij de
onderhoudskosten laten. Dat zeg ik ook omdat monumentenorganisaties mij
gezegd hebben dat het vormgeven van onderhoud nu belangrijker is dan het
aanvullen van het Nationaal Restauratiefonds. We gaan de onderbesteding
bij de Sim gebruiken om tot een soepele overgang te komen.
Misschien is het goed om bij dit bedrag ook nog even aan te geven wat
andere organisaties krijgen. Laten we het oorspronkelijke voorstel van
€25.000 per jaar, dat ik nu dus al ophoog, eens vergelijken met de
subsidies die professionele organisaties voor monumentenbehoud krijgen.
Verenigingen zoals Stichting Stadsherstel of Hendrick de Keyser krijgen
minder. De subsidies die gemeenten geven voor het onderhoud van
beschermde monumenten liggen gemiddeld op zo'n €600 per jaar. Dat is dus
echt veel minder dan wat wij doen. De professionele
monumentenorganisaties gebruiken nu al de Sim en doen al tientallen
jaren onderhoud aan woonhuizen. Of het onderhoud betreft aan een
gemeentelijk monument of aan een rijksmonument maakt niets uit. Iedereen
heeft een onderhoudsplicht. Daarvoor verschillen de vergoedingen enorm.
Kijk naar een stad als Amersfoort. 20% voor restauratie van een
gemeentelijk monument met een drempel van €1.000 aan kosten en een
maximum van €30.000 aan kosten. De gemeente Amsterdam heeft geen
subsidie voor gemeentelijke monumenten, alleen laagrenteleningen via een
revolving fund. Maastricht heeft op de website staan: hebt u een
woonhuis dat een gemeentelijk monument is, dan kunt u geen subsidie
krijgen, wel kunt u bij de gemeente terecht voor inhoudelijk en
technisch advies. De website van Dordrecht verwijst door naar het
Nationaal Restauratiefonds. Leeuwarden heeft leningen voor gemeentelijke
monumenten. Het is niet zo dat wij nu mensen iets afnemen en dat zij er
zo slecht voorstaan. Ook een gemeentelijk monument moet onderhouden
worden, ook een provinciaal monument moet onderhouden worden. Met de
subsidies die wij nu gaan geven, zorgen wij ervoor dat monumentbezitters
hun onderhoud goed kunnen uitvoeren, zeker als ik het vergelijk met wat
de gemeenten doen en ook met wat de professionele organisaties voor
monumentenbehoud krijgen.
Welke kosten zijn niet subsidiabel? Dat zijn de kosten die betrekking
hebben op bijvoorbeeld onderhoud van elektrische installaties,
binnenschilderwerk tenzij het een bijzonder interieur betreft, het
vervangen van keukens en overige werkzaamheden die bijdragen aan het
wooncomfort.
Op de uitvoeringskosten ben ik al ingegaan. Omdat wij een uniform
subsidiekader hebben en een leidraad subsidiabele instandhoudingskosten
van de Sim, kunnen wij daar heel makkelijk bij aansluiten. De lasten
voor zowel de aanvrager als de uitvoerder worden zo veel mogelijk
beperkt.
Er is nog een tweede groep, waarnaar de VVD vorige week nadrukkelijk
heeft gevraagd: degenen die al verplichtingen zijn aangegaan en nu al in
een grootonderhoudstraject zitten. Ook voor deze groep komt een
overgangsregeling. De eigenaren die onomkeerbare financiële
verplichtingen zijn aangegaan, kunnen in 2017 een subsidie aanvragen van
40% van de potentieel fiscaal aftrekbare onderhoudskosten. Dat is
vergelijkbaar met de huidige aftrek in de hoogste belastingschijf.
Niemand die al verplichtingen is aangegaan, gaat er dus de komende twee
jaar op achteruit. Je mag nu 80% aftrekken. In de hoogste schijf wordt
52% over die 80% teruggegeven, dus 40%. De komende jaren gaan we daarvan
uit. Mensen kunnen er alleen op vooruitgaan, als zij nu in een lagere
belastingschijf zitten. Je kunt er niet op achteruitgaan, als je
onomkeerbare verplichtingen bent aangegaan. De aanvraag daarvoor kan in
de periode van 1 januari tot 1 maart 2017 worden gedaan. Een aanvrager
moet dan in zijn aanvraag aantonen dat hij in het investeringsplan voor
zijn project is uitgegaan van een gerechtvaardigde verwachting op de
fiscale aftrek. Hij kan dat doen door het overleggen van een voor 20
september bij de Belastingdienst Bureau Monumentenpanden aangevraagde
mededeling over de hoogte van de potentiële aftrek of van een offerte
van een bank, waarbij in de businesscase is gerekend op een specifiek
bedrag van teruggaaf via de fiscale aftrek. De grootte van de groep
eigenaren die dergelijke verplichtingen ondertussen is aangegaan, is
ongeveer 400. In 2015 en 2016 komen 400 eigenaren in aanmerking voor
deze specifieke regeling.
Mevrouw Schouten vroeg of er een plafond voor beide regelingen is. Ja,
de 25 miljoen geldt voor de periodieke overgangsregelingen, maar die is
gebaseerd op gegevens van de Belastingdienst en stakeholders en mag
verwacht worden voldoende te zijn.
Het CDA en de VVD vroegen of de aanvraagperiode voor de Sim in 2017 niet
al voorbij is. De aanvraagperiode voor de Sim in de periode 2017 tot en
met 2021 is inderdaad voorbij. Eigenaren kunnen dus geen Sim meer
aanvragen voor onderhoud dat zij in 2017 uitvoeren, maar zij kunnen
vanaf 1 februari 2017 tot 1 april 2017 een aanvraag doen voor onderhoud
dat zij in de periode 2018 tot en met 2022 willen uitvoeren. Ook
daarvoor geldt dat in de nieuwe onderhoudsregeling sober en doelmatig
onderhoud wordt gesubsidieerd.
Er is aangegeven dat 14.000 mensen gebruikmaken van de huidige regeling
en dat naar verwachting 6.000 mensen gebruik zullen maken van de nieuwe
regeling. 44% van de gebruikers van de fiscale aftrek laat onderhoud
uitvoeren voor een bedrag dat lager is dan €2.000. Met mijn
oorspronkelijke voorstel komen die eigenaren niet voor subsidie in
aanmerking. Met de voorstellen die ik u net heb gedaan, zal die groep
van 6.000 substantieel groter worden richting de 10.000.
De heer Groot vroeg nog of monumenteigenaren zich wel voldoende hebben
kunnen voorbereiden. Het kabinet heeft vorig jaar ook al gekeken naar de
mogelijkheid van vervanging. Dat zat dus al in het Belastingplan. Het
zal dus niet helemaal als een verrassing zijn gekomen dat er nu iets
gebeurt. Kijk ook naar het rapport van de commissie-Van Dijkhuizen. Wij
hebben nu een overgangsregeling waarmee monumenteigenaren zich
zorgvuldig kunnen voorbereiden, omdat eventuele verplichtingen die zij
al zijn aangegaan, ook in aanmerking komen.
Verschillende leden hebben gevraagd naar mogelijke waardedaling. De
waarde van monumentale woonhuizen wordt door verschillende factoren
bepaald. In de Atlas voor gemeenten worden de indicatoren van de waarde
van een monument beschreven. Daaruit blijkt dat de uitstraling van een
monument, de ligging, de aanwezigheid van voorzieningen en de kwaliteit
van de omgeving doorslaggevend zijn bij de aankoop van een monumentaal
woonhuis. Een onderzoek van langer geleden, uit 2005, gaf dezelfde reden
waarom mensen een monument willen kopen. Dat geldt voor zowel
rijksmonumenten als voor door gemeenten beschermde monumenten.
Ik zeg het nog maar een keer: er is verder geen verschil tussen een
gemeentelijk en een rijksmonument, ook niet in verantwoordelijkheden.
Die laatste groep heeft dezelfde beperkingen. Ook gemeentelijke
monumenten moeten aan de Omgevingswet voldoen, maar de eigenaars ervan
hebben geen recht op fiscale aftrek en tegemoetkomingen in het
onderhoud, tenzij de gemeente dat doet. Heel veel gemeentes zijn daar
heel spaarzaam mee of doen dat niet.
Natuurlijk snap ik dat een verkoper de mogelijkheid van fiscale aftrek
als argument gebruikt om een hogere prijs te vragen, maar is die hogere
prijs dan gerechtvaardigd? Vinden wij het gerechtvaardigd dat wij daar
publieke middelen aan besteden? Voor een gemeentelijk monument geldt dat
ook niet. Ik ben ervan overtuigd dat dit, gezien het gehele
monumentenveld, redelijk is en dat eigenaren ook onderhoud zullen
blijven doen zonder fiscale aftrek.
Ik heb voor u allen een placemat meegenomen. Als u wilt, kan ik die
uitdelen. Dit zijn drie monumenten. Die hebben alle drie dezelfde
verplichtingen. U mag kiezen wat het rijksmonument is. Er is een
rijksmonument, een gemeentelijk monument en een pand dat geen monument
is. Zij moeten voldoen aan dezelfde eisen van de Omgevingswet. Er werd
gevraagd naar de Erfgoedwet. Die is geoperationaliseerd in de
Omgevingswet, dus daar geldt precies hetzelfde voor. Nu is er één
rijksmonument; dat is dit. Daar geldt nu de fiscale aftrek voor. Straks
geldt daar de nieuwe overgangsregeling voor. Dan hebben wij dit pand.
Dit is een gemeentelijk monument in Zwolle. Ik zoek even naar de
tegemoetkoming die iemand in Zwolle krijgt: maximaal €600 per jaar voor
onderhoud. Dat is dus een stuk minder dan wat de eigenaar van het
rijkspand krijgt. Dit pand is geen monument maar moet ook onderhouden
worden. Misschien heeft het ook een cultuurhistorische waarde, zeker
voor de binnenstad van Zwolle.
Kortom, deze eigenaren onderhouden hun pand. Heel veel eigenaren
onderhouden hun pand. Ik denk dat iedereen zijn pand wil onderhouden, of
het nu een gemeentemonument is of een rijksmonument, en inderdaad een
onderhoudsplicht heeft via de Erfgoedwet, c.q. de Omgevingswet. In dit
geval is er nog een grotere tegemoetkoming voor dan in het andere geval.
Ik zal u straks een placemat geven. Dan kunt u het, als u er behoefte
aan mocht hebben, nog eens nader bekijken. Het is dus te rijmen met de
Erfgoedwet én met de Omgevingswet. De Erfgoedwet geeft namelijk aan dat
een eigenaar zijn pand goed moet onderhouden, maar dat is niet anders
dan wat er staat in de Omgevingswet. Voor beide geldt dat er
vrijstellingen zijn voor monumenten.
De heer Omtzigt had gevraagd of het klopt dat de Sim maar in één
provincie in Nederland van toepassing is: in Overijssel. Nee, dat is
niet het geval. De Sim geldt voor alle provincies, want de Sim is
landelijk. In de Sim worden echter alleen woonhuismonumenten
gesubsidieerd die eigendom zijn van professionele organisaties. Dat is
ongeveer 10% van alle woonhuismonumenten. Het gaat dan om organisaties
als Stadsherstel Amsterdam, Vereniging Hendrick de Keyser en andere. De
particuliere eigenaren van alle andere woonhuismonumenten kunnen
gebruikmaken van de fiscale aftrek en voor renovaties kunnen ze
gebruikmaken van het revolving fund. Voor al die andere kastelen, molens
en dergelijke geldt de Sim.
De voorzitter:
Mevrouw Schouten, wacht u met uw interruptie ook tot het eind van dit
blokje, alstublieft.
Mevrouw Schouten (ChristenUnie):
Maar er zijn zo veel vragen gesteld.
De voorzitter:
Volgens mij is de minister bijna klaar. Ik heb interrupties genoteerd
van Schouten, De Vries, Van Weyenberg en Omtzigt.
Minister Bussemaker:
Er was nog één vraag van de VVD over de kredietwaardigheidstoets bij het
revolving fund. Die kredietbeoordeling heeft een tweeledig doel:
overkreditering van de eigenaar voorkomen en de risico's voor het
Nationaal Restauratiefonds als geldverstrekker beperken. Daarbij wordt
het volgende meegenomen: een controle op eigendom bij het Kadaster, een
toetsing bij het BKR, waartoe ook een toets in de betreffende
frauderegisters behoort, een beoordeling van de betalingscapaciteit voor
de rente en de aflossing van de lening, het zogenoemde
"financieringslastpercentage", een toets op de waarde van het beschermde
monument en een toets op alle overige in het bancaire circuit
gebruikelijke facetten voor het verstrekken van dergelijke leningen. Dat
is dus eigenlijk niet anders dan bij andere leningen.
Mevrouw Schouten (ChristenUnie):
In dit debat wordt eerst gesteld dat het allemaal gebaseerd is op een
analyse, die wij niet kennen, en vervolgens dat er een regeling komt,
die er nog niet is. Ik heb net echt als een waanzinnige mee zitten
schrijven om te bekijken hoe de overgangsregeling nu opeens weer
gewijzigd gaat worden. Vindt de minister nu zelf dat wij bezig zijn met
een zorgvuldig wetgevingsproces?
Minister Bussemaker:
Ik zei net al aan de heer Omtzigt dat het natuurlijk mooi was geweest
als dit sneller had gekund en dat ik de Kamer graag eerder had
geïnformeerd. Dat trek ik mij dus aan. Tegelijkertijd heb ik ook gezegd
dat we heel hard hebben gewerkt aan beide overgangsregelingen. Beide
zijn zo goed als klaar. Ik heb geprobeerd om de Kamer tegemoet te komen
wat betreft de manier waarop de regeling aangepast zou kunnen worden. Ik
ben graag bereid om al deze elementen in een brief op te nemen. Die kan
ik de Kamer vanmiddag terstond in de lunchpauze sturen. Daarbij kan ik
ook de leidraad van de Sim meesturen. Een aantal pagina's daarvan gaan
over de manier waarop het daar wordt bekeken en hoe er een strakker
onderscheid wordt aangebracht tussen onderhoud en restauratie. Tot slot
kan ik bekijken of ik de Kamer, al dan niet vertrouwelijk — dat moet ik
ook even overleggen met de staatssecretaris — de informatie kan laten
inzien uit de berekening die de Belastingdienst samen met mijn directie
Erfgoed & Kunsten heeft gemaakt. Maar ik kan de Kamer daarover geen
onderzoek sturen, want, nogmaals, er is geen onderzoek. Ik ben dus graag
bereid om dat voor het verdere vervolg van dit debat vanmiddag aan de
Kamer te doen toekomen.
Mevrouw Schouten (ChristenUnie):
Het punt is dat er hier op onderdelen echt een andere overgangsregeling
wordt neergelegd, waarover ik nogal wat vragen heb, bijvoorbeeld over
dat plafond. Wat gebeurt er als je aanvraag daarmee op de 25,1 miljoen
komt? Is het dan: hek dicht, loket gesloten? Zo heb ik nog veel meer
vragen. Hoe groot is de doelgroep die eronder valt? Wat betekent het
voor het Nationaal Restauratiefonds? Er wordt wel heel makkelijk gezegd:
we hoeven nu even niet te restaureren. Dit zijn allemaal zaken die hier
niet eerder voorbij zijn gekomen en op basis waarvan wij ons nu weer een
oordeel moeten gaan vormen. Ik zie echt geen andere mogelijkheid dan dat
we dit debat met de minister elders een keer gaan voortzetten om in
ieder geval een zorgvuldig proces te kunnen hebben, waarbij duidelijk
wordt hoe we dit gaan doen.
Ik heb nog één vraag. De minister zei: deze wijzigingen zijn naar
aanleiding van de wensen van de monumentenorganisaties. Hebben de
monumentenorganisaties met deze overgangsregeling ingestemd? Met andere
woorden: gaan zij hiermee akkoord?
Minister Bussemaker:
Nee. Zo heb ik het ook niet met hen besproken. Maar ik heb wel
geluisterd. Zo zei ik het.
(Onrust op de publieke tribune.)
Minister Bussemaker:
Ik heb geluisterd naar de inbreng van de Kamer van vorige week en ik heb
een gesprek met de monumentenorganisaties gehad. Daar zijn deze facetten
aan de orde gekomen. Ik heb zelf voorgesteld om vorige week nog een
gesprek te hebben, maar dat hebben we niet gehad. Dat snap ik ook heel
goed van de monumentenorganisaties. Zij hebben er dus niet mee
ingestemd. Mijn verwachting is echter dat mijn aangepaste voorstel … Dat
is overigens niet meer dan een suggestie van mijn kant om in ieder geval
tegemoet te komen aan de bezwaren die ik zowel van de Kamer als van de
sector heb vernomen.
De voorzitter:
Ik verzoek iedereen op de publieke tribune om zijn reactie stil te
houden en niet zo luid te uiten.
Mevrouw Aukje de Vries (VVD):
De minister geeft nu een aantal wijzigingen aan. Het betreft ook wat
verschuivingen tussen de verschillende posten waarvan in eerste
instantie werd gezegd dat ze noodzakelijk zouden zijn om een aantal
problemen als gevolg van de beperking van sober en doelmatig onderhoud
op te vangen. Mij is niet helemaal duidelijk of de bezuiniging volledig
in stand blijft. Er wordt nu gezegd dat het NRF minder krijgt. Waarom
was een en ander in eerste instantie wel noodzakelijk en wordt dat nu
opeens niet meer noodzakelijk geacht? Dat is mij nog niet helemaal
duidelijk.
Minister Bussemaker:
De bezuiniging blijft in stand. Ik doe hier nu ook geen nieuw voorstel.
Ik doe de suggestie om op een aantal punten aan knoppen te draaien om
meer tegemoet te komen aan de bezwaren die ik ook bij de Kamer heb
gehoord. Het betekent wel dat het geld dan natuurlijk ergens anders
vandaan moet komen. Helaas heb ook ik namelijk geen gratis geld. In mijn
eerste brief had ik geschreven dat ik dacht dat wellicht de druk op het
Nationaal Restauratiefonds zou toenemen doordat we restauratie uit de
fiscale regelingen halen. Na nader ampel beraad denk ik dat we met de
middelen die er nu zijn bij het Nationaal Restauratiefonds, in ieder
geval ook in de komende twee jaar goed door kunnen. In ieder geval wil
ik alle mogelijke bezwaren wegnemen en zo voorkomen dat mensen niet meer
investeren in onderhoud. Ik vind dit een verantwoorde verschuiving van
middelen — daar gaat het natuurlijk om — binnen het
monumentenzorgbudget.
Mevrouw Aukje de Vries (VVD):
In eerste instantie is aangegeven dat er een extra toeloop op de Sim zou
kunnen komen, omdat nu meer mensen daarop een beroep moeten gaan doen.
Ik hoorde de minister volgens mij zeggen dat de onderbesteding daarvan
nu zal worden ingezet voor de aanpassing van de regeling. Hoe zit het
dan met de extra toeloop die de minister verwacht? Ik snap wel waarom
die kredietwaardigheidstoets bij het NRF er is, namelijk om schulden te
voorkomen, maar we vragen wel van mensen om nu naar dat fonds toe te
gaan. En niet iedereen zal die kredietwaardigheidstoets daar doorstaan.
Die mensen wordt dan de mogelijkheid ontnomen, terwijl zij nu misschien
wel van de fiscale regeling gebruik kunnen maken. Hoe kijkt de minister
daarnaar?
Minister Bussemaker:
Wat betreft de eerste vraag weet mevrouw De Vries dat er bij de Sim al
een aantal jaren minder geld wordt uitgegeven dan daarvoor gereserveerd
is. Ik stel dus voor om die middelen nu te gebruiken om de
overgangsregeling te versoepelen. Voor degenen die nu aanspraak kunnen
doen op de Sim en van wie wij verwachten dat zij weer aanspraak zullen
doen op de Sim, verwachten wij dat er voldoende middelen zijn. Het is
een heel ingewikkeld financieel systeem, maar in het monumentenbudget
wordt elk jaar bekeken: doet zich ergens een probleem of knelpunt voor
en elders niet? We bekijken dan of we dat op een of andere manier zo
goed mogelijk kunnen oplossen. Die ruimte blijft er dus.
De tweede vraag ging over de kredietwaardigheidstoets bij het Nationaal
Restauratiefonds. Mensen zullen ook hier een kredietwaardigheidstoets
moeten doen, maar een toets bij het NRF is soepeler dan bij een bank.
Als we niet meer willen dat een fiscale regeling die door de overheid
niet bedoeld is om restauraties te subsidiëren, daarvoor gebruikt wordt,
moet men naar een andere gelegenheid. Dat kan een bank zijn en dat kan
het Nationaal Restauratiefonds zijn. De eisen van het Nationaal
Restauratiefonds zijn soepeler dan die van de bank. Mensen komen dus
ook, even los van de rente, bij het Nationaal Restauratiefonds als ze
problemen hebben bij een bank. Daar zie ik dus geen problemen, ook niet
in verhouding tot andere monumenten in Nederland.
De heer Van Weyenberg (D66):
De minister noemt nu bij de overgangsregeling een aantal zaken die, denk
ik, allemaal individueel her en der de scherpe randen eraf halen. Maar
het blijft zo dat we nu een wetstraject zitten te behandelen waarin
eerst de onderbouwing is veranderd. Vandaag komt er nog een brief naar
de Kamer. Ook worden er nu allerlei voorstellen gedaan om binnen het
monumentenbeleid te schuiven met de overgangsregeling. En hoe het er nou
uiteindelijk uit gaat zien als we de monumentenaftrek weg zouden doen,
weten we nog steeds niet, want dat komt pas na de verkiezingen.
Nogmaals: waarom neemt de minister niet gewoon een jaar de tijd en gaat
ze niet in gesprek over de tijdelijke middelen? Ik vind het echt heel
moeilijk om hier nog het woord "zorgvuldigheid" op te plakken.
Minister Bussemaker:
De onderbouwing is niet veranderd; die blijft precies hetzelfde. De
onderbouwing is opgebouwd uit alle lessen die we vanaf 2009 geleerd
hebben. Ik ben dus graag bereid om de Kamer daar vertrouwelijk nog meer
inzicht in te geven, maar de onderbouwing is niet veranderd. Er komen
geen regelingen na de verkiezingen. De regelingen zijn klaar; die kunnen
op 1 januari ingaan. Dat zijn ministeriële regelingen. Ik ben graag
bereid om de Kamer die regelingen vanmiddag te doen toekomen, anders dan
we doorgaans doen bij ministeriële regelingen. We moeten toewerken naar
een overgangsregeling. Ik wil dat graag, omdat er anders in 2019 ook
niet op een nieuwe manier aan een nieuw stelsel van monumentenzorg
gewerkt kan worden, terwijl dat dringend noodzakelijk is.
Wat betreft de aanpassing van die overgangsregeling zeg ik nogmaals dat
dit een suggestie is aan de Kamer. Het is aan de Kamer om aan te geven
of zij dat wel of niet wenselijk vindt. Dat werkt niet anders dan bij
een amendement; in de regeling kunnen vrij gemakkelijk de percentages
veranderd worden. Meer dan dat is het niet, met verstrekkende
consequenties voor de tegemoetkoming aan eigenaren van monumenten. Het
betekent niet dat er een hele wet aangepast moet worden. Het betekent
bijvoorbeeld dat een percentage van 25 naar 35 gaat, dat de bovengrens
van €10.000 naar €15.000 gaat of dat "één jaar" wordt veranderd in "twee
jaar". Dat is dus allemaal niet heel ingewikkeld.
De heer Van Weyenberg (D66):
Nee, het is wetstechnisch niet zo ingewikkeld. Ik zei zonet dat ik op
een aantal punten best wat aardige dingen zie, maar dat ik het lastig
vind om in te schatten waar nu opeens geld vandaan komt. Daar zullen we
goed naar kijken, maar dit is natuurlijk wel tijdelijk. De taakstelling
voor na die overgangsregeling staat nog steeds tot op de cent overeind
voor dit kabinet, begrijp ik.
Minister Bussemaker:
Ja.
De heer Omtzigt (CDA):
Ik deel de zorgen van mevrouw Schouten over het proces. Kan ik een idee
krijgen van hoeveel er volgend jaar en het jaar erop na deze forse
verruiming uitgegeven wordt? Is er nog sprake van enige bezuiniging de
komende twee jaar, in vergelijking met de uitgaven van dit jaar?
Minister Bussemaker:
We besteden nu 170 miljoen aan monumenten. Daar gaat 25 miljoen van af.
Dan blijft er 145 miljoen over. De rest van de middelen in de
verschillende monumentenonderdelen blijven bestaan. We besteden dan nog
altijd 145 miljoen.
De heer Omtzigt (CDA):
Volgens mij begonnen we net met de constatering dat we van 170 miljoen
dit jaar naar 145 miljoen volgend jaar gaan. Er is behoorlijk wat extra
geld bijgedaan. De max gaat van 10 naar 15, de drempel mag je over twee
jaar spreiden en het subsidiepercentage is van 25% naar 35% gegaan en
voor de al aangegane kosten zelfs naar 40%. Dat zijn dus forse extra
kosten. Volgens mij is er een kop op die 145 miljoen gezet. Hoe groot is
die kop?
Minister Bussemaker:
De structurele middelen die we na de maatregelen nog uittrekken voor
monumentenbeleid, bedragen 145 miljoen. Daar komt 20 miljoen incidenteel
bij voor de overgangsregeling, en daar hebben we het nu over. De
aanpassingen die ik nu als suggestie meegeef, kosten 20 miljoen. Voor de
overgangsregeling is er dus incidenteel geld beschikbaar. 10 miljoen
komt uit het Restauratiefonds, dat we niet ophogen. Dat blijft dus op
het niveau waarop het nu staat. De andere 10 miljoen komt uit de Sim,
omdat we weten dat we daar de afgelopen jaren minder aanvragen hebben
gehad dan we eerder verwachtten. Dat bedrag gebruiken we nu voor een
versoepeling van de overgangsregeling.
De heer Omtzigt (CDA):
Ik constateer dat we volgend jaar dus 5 miljoen bezuinigen op een
regeling van 170 miljoen. Dat moet kennelijk met stoom en kokend water.
We gaan zo toch schorsen, dus ik wil de minister het volgende ter
overweging geven. Als zij vindt dat er 5 miljoen bezuinigd moet worden
op de monumentenaftrek, kan zij volgend jaar het percentage van 80% naar
78% verlagen. Dan kunnen we gewoon even rustig nadenken over wat een
fatsoenlijk beleid zou zijn. Zelfs als ze het op 77% zet, zal de
minister vanuit de sector niet met een "wat doen we nu weer!" overstelpt
worden. Dan kunnen we fatsoenlijke wetgeving maken. Is de minister het
met mij eens dat dit een prioriteit van de Kamer, en zelfs van het
kabinet, zou kunnen zijn?
Minister Bussemaker:
De structurele en de incidentele bedragen worden nu wel uit elkaar
gehaald. Er zit een structurele bezuiniging in van 25 miljoen. Die is
van belang vanwege de financiële degelijkheid van de begroting van mijn
departement. 20 miljoen is incidenteel geld om de overgangsregeling zo
goed mogelijk te maken. We halen de weeffouten die in de fiscaliteit
zitten, eruit. Als we niets doen, blijven die bestaan. Dan blijven we
zitten met de problemen die we nu hebben. We kunnen niet goed sturen.
Het is niet redelijk en niet te beargumenteren ten opzichte van mensen
die met een monument zitten dat geen woonhuisfunctie heeft en die niet
kunnen aftrekken. We blijven dus met de problemen van de fiscaliteit
zitten. Daardoor loopt de herziening van de hele monumentensector
vertraging op. We praten nu slechts over een klein onderdeel, namelijk
de fiscale aftrek. Ik zou dat zeer betreurenswaardig vinden.
De voorzitter:
Er is enige verwarring ontstaan. De heer Van Weyenberg heeft een vraag
en daarna de heer Grashoff.
De heer Van Weyenberg (D66):
Ja, ik heb een vraag. Ik wil het namelijk goed begrijpen. De minister
wil een bepaalde kant op. Dat kan, maar ik ga even in op de cijfers. Er
is een structurele bezuiniging. Ook als de suggesties — laat ik het zo
maar even zeggen — worden gevolgd, staat die nog. Klopt wat de heer
Omtzigt zegt? Zetten wij deze stap, door andere middelen die worden
gevonden, nu met stoom en kokend water en betekent die stap met de
suggesties volgend jaar 5 miljoen euro besparing voor de
woonhuismonumenten? Klopt die 5 miljoen van de heer Omtzigt? Ik vind dat
relevant. De minister kan nog steeds zeggen dat ze het stelsel gewoon
wil veranderen. Dat snap ik. Maar een van de argumenten voor ons voor
het tempo is dat er een budgettair gat zou zijn. Ik probeer dat af te
wegen. Is het 20 miljoen per jaar, zoals de minister net zei? Klopt dan
het rekensommetje van de heer Omtzigt? Is het 25 miljoen min 20 miljoen,
dus 5 miljoen voor volgend jaar? Daar komt de Kamer, denk ik, wel uit.
Ik hoop overigens dat de minister er ook uitkomt met de sector
zelf.
Minister Bussemaker:
Ook hier weer gaat het om structurele en incidentele bedragen. De
structurele bezuiniging is 25 miljoen. Het incidentele bedrag voor twee
jaar is 20 miljoen. Wij kunnen dus niet zeggen dat er alleen maar een
gat is van 5 miljoen, want dan trek je voor volgend jaar de 20 miljoen
van de 25 miljoen af. Dat klopt niet.
De heer Van Weyenberg (D66):
Dat was precies mijn vraag. Als ik de minister goed begrijp, zegt zij
nu: nee, het kost eigenlijk twee keer 10 miljoen en dus over de hele
periode 20 miljoen. Dan resteert er voor volgend jaar een incidenteel
gat. Als je zou zeggen dat je dit hele gebeuren gewoon even uitstelt, is
er een incidenteel gat van 15 miljoen. Nou, dan gebruik je daarvoor een
derde van mijn amendement over de accijns of iets anders. Het gaat dus
om 15 miljoen incidenteel. Dan heeft de minister gelijk dat zij
structureel nog steeds een taakstelling heeft. Als het puur gaat om het
begrotingspunt voor volgend jaar, zou er nog een gat van 15 miljoen
resteren. Tegen mijn collega Van Dijck zeg ik: die 20 miljoen moet je
door tweeën delen, als ik het goed begrijp.
Minister Bussemaker:
Dat klopt feitelijk, maar ik zou niet zo gemakkelijk voorbij willen gaan
aan de structurele problemen en overigens ook niet aan de problemen op
mijn begroting van volgend jaar. Ik hoef u niet te herinneren aan de
motie-Pechtold die werd ingediend bij de Algemene Politieke
Beschouwingen. Maar 15 miljoen is wel weer 15 miljoen erbij. Bovendien
los je tegelijkertijd geen enkel structureel probleem op en zet je ook
geen stappen naar vernieuwing van het stelsel. Dit zijn verschillende
argumenten — dat geef ik toe — maar ze zijn wel allemaal relevant. Ik
wil dit thema echt niet verengen tot een financiële discussie
alleen.
De voorzitter:
Ik stel voor dat in de beloofde brief over de overgangsregeling ook de
cijfers even op een rij worden gezet. Dan is het ook helder voor de
Kamer.
Minister Bussemaker:
Ja. Dat geldt dan voor de cijfers van de alternatieven, want de andere
cijfers hebben de leden allemaal al gekregen in eerdere brieven.
De voorzitter:
Nee, van de overgangsregeling.
Minister Bussemaker:
De gevolgen van de overgangsregeling en van de suggesties die ik heb
gedaan, zal ik meesturen.
De heer Grashoff (GroenLinks):
Op zichzelf voelt mijn fractie enige sympathie voor de opmerking van de
minister over de verruiming van de regeling, omdat daarmee — in elk
geval als je het op de korte termijn bekijkt — misschien wel in
redelijkheid een regeling bestaat. Ik heb in mijn eerste termijn gezegd
dat de stap van een fiscale regeling naar een subsidieregeling mij ten
principale eigenlijk een goede zaak lijkt. Als je nu het totaal
overziet, inclusief alle vragen en rommeligheden die er omheen hangen,
vraag ik mij af: wat willen wij nu? De minister heeft een aantal keren
gezegd dat deze maatregel nu ook relevant zou zijn voor de herijking van
het monumentenzorgstelsel. Die link kan ik nog steeds niet goed leggen.
Waarom is het vanuit dat perspectief nodig om deze maatregel nu te
treffen?
Minister Bussemaker:
Als we in 2019 naar een nieuw stelsel willen, moeten wij ervoor zorgen
dat wij dan niet met allerlei overgangsproblemen zitten. Hoe moet je
bijvoorbeeld de mensen tegemoetkomen die nu nog rekenen op een fiscale
aftrek? Als we nu niets doen, hebben we een langere overgangsperiode
nodig. Dan hebben we ook middelen nodig voor de overgangsregeling die
dan in 2019-2020 zou gelden. Dat betekent dat we die middelen niet
kunnen uitgeven voor een nieuwe start. Dan komen er pas vanaf 2020-2021
middelen beschikbaar voor nieuwe ontwikkelingen, terwijl het beleid
dringend aan herijking toe is, gezien de druk om iets te doen aan de
nieuwe uitdagingen op het gebied van duurzaamheid, groen erfgoed en de
grote monumenten.
De heer Grashoff (GroenLinks):
Klopt dat wel? Er wordt nu een nieuwe regeling met een tijdelijke basis
geïntroduceerd. Dan hebben we nu al een overgangsregeling nodig naar die
nieuwe regeling. Als je echt gaat herijken, is de situatie dat er dan
rechtens opnieuw een overgangsregeling nodig zal zijn.
Minister Bussemaker:
Het grote voordeel is dat alles dan in een subsidiesysteem zit, zoals we
nu ook al hebben voor de rest van de monumentenzorg op landelijk niveau.
Dan kun je dat veel beter op elkaar afstemmen en dan heb je geen
overgangsregeling meer nodig. Het is effectiever en doelmatiger om het
onderhoud van alle monumenten te vatten in een nieuwe subsidieregeling.
Daarmee kun je de ongelijkheid die nu in het stelsel zit, vanaf 2019
beëindigen.
De voorzitter:
Hiermee zijn wij gekomen aan het eind van de beantwoording van de
minister in eerste termijn over monumenten. De scholingsaftrek moet
inderdaad nog volgen. We gaan nu even schorsen voor de lunch, waarvoor u
een mooie placemat hebt gekregen. Ik heb begrepen dat is afgesproken dat
er vanmiddag nog brieven komen over de overgangsregeling en over de
toekomstige regeling.
Minister Bussemaker:
Er zijn twee overgangsregelingen: een voor degenen die al onomkeerbare
verplichtingen zijn aangegaan en een voor degenen die onderhoud in de
komende twee jaar willen verrichten. Beide krijgt de commissie
vanmiddag.
De voorzitter:
Die twee worden toegestuurd, met de financiële consequenties ervan, want
daar hadden we het over.
Minister Bussemaker:
Als derde bijlage zal ik de commissie een brief met suggesties voor
mogelijke aanpassingen van mijn oorspronkelijke voorstel
toesturen.
De voorzitter:
Er zou nog worden bekeken, in verband met de vertrouwelijkheid, of de
analyse gedeeld kan worden waar we het helemaal aan het begin over
hadden. Dat horen we ook nog. Ik vraag de leden en de minister om nog
heel even te blijven, om te bekijken of we vanmiddag of op een ander
moment verdergaan met de tweede termijn.
Mevrouw Aukje de Vries (VVD):
De minister zegt dat zij de voorstellen voor aanpassing van de regeling
zal toesturen, maar ik zou er graag een financieel plaatje van de
consequenties bij willen hebben.
Minister Bussemaker:
Om misverstanden te voorkomen, de Kamer krijgt de regelingen die wij nu
gemaakt hebben. Die zijn gebaseerd op het oorspronkelijke voorstel voor
25%, met een ondergrens van €2.000 en een bovengrens van €10.000. In een
aparte brief zal ik ingaan op de mogelijkheden om aanpassingen aan te
brengen, met de kosten daarvan. Die zijn nog niet verwerkt in de
regeling, want dat is een voorstel en ik zal de regeling aanpassen als
ik weet dat dit op steun van de Kamer kan rekenen. Daarnaast zal ik een
aantal pagina's van de leidraad toevoegen die wij kennen van de Sim,
voor de niet-woonhuismonumenten. Dan kan de Kamer zien waarnaar zoal
verwezen wordt op het vlak van onderhoud en aanvoelen hoe concreet wij
dat ondertussen hebben uitgewerkt.
De heer Tony van Dijck (PVV):
Ik vind sowieso dat deze discussie niet hier moet worden gevoerd, maar
in de commissie voor OCW. Dit gaat veel meer over de inhoud van de
regeling dan over de financiële consequenties ervan. Dat wil ik de
minister dus sowieso meegeven. Heeft deze discussie ook in de commissie
voor OCW plaatsgevonden? Anders moet ik dat terugnemen.
Welke regeling is nu na 2019 van kracht? Dat is een ander punt. Dit is
kennelijk allemaal tijdelijk en dat tijdelijke verandert mogelijk weer
op allerlei punten. De minister zegt dat zij de regeling op de plank
heeft liggen en dat deze op een haar na klaar is. Wanneer komt die
regeling naar de Kamer en wanneer wordt zij in de commissie voor OCW
besproken?
Minister Bussemaker:
Ik heb al eerder gezegd dat ik met de woordvoerders cultuur regelmatig
over de monumenten spreek. Soms is een en ander vervat in algemenere
brieven over cultuur, soms in specifieke brieven. Bijvoorbeeld over
grote monumenten heb ik vorig jaar uitgebreid met de commissie van
gedachten gewisseld. Op 20 september heb ik de Kamer een brief gestuurd
over het monumentenbeleid. Het is dan aan de commissie voor OCW om die
te agenderen. Over die brief is nog niet met die commissie
gesproken.
De heer Tony van Dijck (PVV):
Wanneer krijgen wij de regeling die geldt na 2019?
Minister Bussemaker:
Die wordt in 2017 en 2018 gemaakt. Als wij nu met de overgangsregeling
verder kunnen, kan de Kamer die in 2018 verwachten. Die zou dan in ieder
geval ruim op tijd moeten komen. Laat dat dan de les zijn. Mij blijkt
dat ik kan toezeggen dat die in het voorjaar van 2018 naar de Kamer
komt.
De heer Tony van Dijck (PVV):
Ik snap het niet. De minister zegt net dat de regeling zo goed als klaar
is.
De voorzitter:
Nee, dat is de overgangsregeling.
De heer Tony van Dijck (PVV):
O, dat is de overgangsregeling. Wij besluiten dus nu over een
overgangsregeling terwijl wij niet weten in welke regeling die regeling
overgaat.
De voorzitter:
Precies.
De heer Tony van Dijck (PVV):
Het eindpunt weten we niet. Dat komt na de verkiezingen.
Minister Bussemaker:
De overgang houdt een herijking van het monumentenbeleid in waarbij in
ieder geval gestuurd kan worden op de uitdagingen op het vlak van de
monumenten. Daar begon ik mij hele verhaal mee. Waar je dan op wil
sturen, is voor een deel een politieke uitspraak. Die zal een volgend
kabinet moeten doen. Wij constateren nu dat ik als verantwoordelijk
bewindspersoon op een deel van het stelsel niet eens kan sturen. Dat is
onderdeel van het nieuwe stelsel. Over de vraag of het belangrijker is
om iets te doen aan monumenten in een gebied met aardbevingen dan aan
het meer beschermen van de buitenplaatsen, of dat het van belang is om
een aantal niet-woonhuismonumenten of juist wel woonhuismonumenten te
beschermen, zal een nadere afweging moeten plaatsvinden. Die zal in de
komende jaren nog om een politieke discussie vragen.
De voorzitter:
Een laatste opmerking, en dan ga ik schorsen.
De heer Omtzigt (CDA):
Ik ben blij dat deze minister op dit moment geen monument hoeft te
verbouwen, want dat bouwproces zou wel zeer vermakelijk zijn. Wat er
gebouwd zal worden, staat namelijk niet definitief vast. Er is geen
manier om de overgang naar het definitieve vorm te geven. Er is geen
plan, of het plan is geheim. Er is immers eerst een plan gemaakt dat
geheim was. De laatste zin van de minister verwart mij weer totaal. Nu
zegt zij immers in een keer dat wij straks maar moeten bedenken hoe het
beleid eruit zal zien. Hoe kan zij nou een overgang plannen naar een
beleid waarvan in ieder geval de contouren nog niet echt vaststaan?
Meent de regering serieus dat zij dit gewoon lekker kan overlaten aan
een opvolger omdat er straks een nieuw kabinet zit en dat zij dan kan
zeggen: er moet een ander beleid komen, wij zeggen niet wat de contouren
daarvan kunnen zijn, maar er is wel overgangsbeleid? Hoe past dit binnen
het kader van een verantwoorde afweging van alle belangen van de
betrokkenen?
Laat ik dan maar de vraag op tafel leggen, want we gaan nu toch de
tweede termijn niet houden. Zou het de minister een goed idee lijken om
dit wetsvoorstel terug te nemen naar het kabinet en 21 november af te
wachten? Op 21 november gaat de commissie voor OCW over monumenten
debatteren, waaronder over deze brief. Wij zouden dan al gestemd hebben
over afschaffing voordat die commissie erover gaat praten. Is de
minister, gehoord de Kamer, dus bereid om dit wetsvoorstel terug te
nemen naar het kabinet? Wij zullen binnen de commissie voor Financiën
zorgen dat die 5 miljoen voor volgend jaar — of 15 miljoen; het is even
niet duidelijk of het om één of twee jaar gaat — gevonden wordt. Daarna
kunnen we een goed debat voeren. Dat mag van mij ook nog in deze
kabinetsperiode gebeuren, want er ligt geen verbod op nadenken over hoe
je het wilt inrichten. Dan kan de minister met een gedragen, onderbouwd
voorstel terugkomen. Is zij daartoe bereid?
Minister Bussemaker:
Ik ga eerst in op de vraag waar we naartoe werken. We werken toe naar
één subsidieregeling voor het onderhoud van alle monumenten.
Ingewikkelder dan dat is het ook niet. Alle monumenten met een
onderhoudsverplichting waaraan een financiële tegemoetkoming vastzit,
moeten daarvoor op de een of andere manier in één stelsel zitten. Daar
werken we naartoe.
Ik stel voor dat ik de Kamer de toegezegde informatie stuur. Het lijkt
mij goed om daar een tweede termijn over te houden. In de tussentijd zal
ik het bezien. Ik voer graag het debat met de Kamer. Als we het nu niet
afronden, lijkt het mij dat we dat op een ander moment moeten doen. Ik
sta elk moment ter beschikking om dit debat verder af te ronden.
De voorzitter:
Ik wil het even hebben over de vraag wanneer de tweede termijn
plaatsvindt.
De heer Omtzigt (CDA):
Ik deed een expliciet verzoek. Misschien was het impliciete antwoord
nee, maar dan hoor ik dat graag expliciet. Is de minister bereid om dit
voorstel even terug te nemen, er goed op te kauwen, de onderbouwing
opnieuw op te schrijven, een idee te geven van waar we naartoe gaan en
dan met een wellicht enigszins aangepast voorstel terug te komen naar de
Kamer? Het is een aparte wet, dus die kan uit het Belastingplan. Ook de
scholingsvouchers kunnen we rustig in januari doen, want daarvoor gaat
de overgang pas een jaar later in. Wij kunnen dan bekijken hoe het
binnen het Belastingplan gedekt kan worden zodat we aan zorgvuldige
wetgeving kunnen doen. Dat is alles wat ik vraag. Mocht het antwoord nee
zijn, dan doe ik een verzoek. Ook al behandelen we dit vandaag niet,
toch wil ik in de tweede termijn van dit wetgevingsoverleg wel de
mogelijkheid krijgen om een motie met de strekking die ik net noemde, in
te dienen. Dit is mijn aanbod aan de minister, dus om het niet weg te
stemmen maar om na te denken over hoe het wel kan. Ik zie een Eerste
Kamerlid in het publiek zitten; ik wens de minister veel sterkte om dit
in de Eerste Kamer uit te leggen, toch mijnheer Van de Ven?
De voorzitter:
Dat is een helder verzoek. Mevrouw Schouten wil een toevoeging
doen.
Mevrouw Schouten (ChristenUnie):
Ik wil mij hier graag bij aansluiten. Laat ik voor mijzelf spreken: wij
willen best bekijken of er bewogen kan worden naar een
subsidiemaatregel. Maar nu ontstaat er een soort weerstand om over dat
soort inhoudelijke bewegingen te spreken. Wij worden een beetje met onze
rug tegen de muur gezet, terwijl wij best inhoudelijk een goed debat
willen voeren — ik denk dat onze cultuurwoordvoerder dat zeker ook wil —
over hoe we deze regeling beter kunnen krijgen. Het huidige proces laat
ons bijna geen keuze meer omdat het best ingewikkeld wordt. Wij zullen
de dekking regelen. Dat is dan inderdaad een gebaar vanuit de Kamer om
daarnaar te gaan kijken.
De voorzitter:
De heren Van Weyenberg en Bashir willen er inmiddels ook wat over
zeggen; alleen als het iets anders is.
De heer Van Weyenberg (D66):
Ik sluit me er graag bij aan. Dan is de cirkel rond, want ik begon er al
mee. Ik heb zelfs een dekkingsvoorstel. Daar kunnen we het dan ook over
hebben. Ik sluit mij dus graag bij dit verzoek aan. Zo kan het proces
zorgvuldig verlopen en hebben we veel meer tijd. Niet op deze
manier.
De heer Bashir (SP):
Ook ik sluit mij daarbij aan. Het zou heel raar zijn als de minister het
voorstel dat nu op tafel ligt, zou handhaven, want niemand weet wat haar
voorstel is.
De voorzitter:
Ik geef het woord aan de minister, maar daarna ga ik schorsen en gaan we
naar de eerste termijn over scholingskosten. We hebben dan tijdens de
schorsing tijd om te overleggen.
Minister Bussemaker:
Ik moet hier echt even naar kijken. Ik snap wat er wordt gezegd, maar
dat kan wel een aantal forse consequenties hebben. Is het goed als ik
daarop terugkom in de brief die ik net heb beloofd?
De voorzitter:
Ik denk dat we daarmee …
Minister Bussemaker:
Ik kan niet zomaar ja zeggen — ik kijk ook even naar collega Wiebes —
want er zitten nogal wat financiële consequenties aan vast voor het
Belastingplan. Het heeft daarnaast consequenties voor de begroting van
OCW. Ik ben graag bereid om te bekijken of we hierop kunnen terugkomen
in de debatten over cultuur, maar als we dan wel voor deze route kiezen,
is het maar de vraag of die nog meegenomen kan worden in het
Belastingplan.
De voorzitter:
Dit staat los van het Belastingplan.
Minister Bussemaker:
Maar dan is het een heel vergaand voorstel. Ik kan daarop geen ja
zeggen, zonder het eerst goed te bekijken en er overleg over te plegen.
Ik moet het eerst goed bekijken.
De voorzitter:
Ik stel voor dat we nu gaan schorsen en dat de Kamerleden en de minister
hier nog heel even blijven. We gaan na de schorsing verder met de eerste
termijn van de beantwoording over scholingskosten.
De vergadering wordt van 13.37 uur tot 14.19 uur geschorst.
De voorzitter:
Alvorens we starten met de beantwoording in eerste termijn met
betrekking tot de scholingskosten, deel ik eerst de conclusie mee over
het vervolg van de discussie over de monumenten. De Kamer ontvangt van
de minister een brief of verschillende stukken met informatie en zij zal
op donderdag een procedurevergadering beleggen over de vraag hoe het
verdere traject eruit gaat zien. Ik geef nu graag het woord aan de
minister.
Minister Bussemaker:
Voorzitter. Ik ga verder met de vragen over de scholingsaftrek. Ik begin
met de vragen over de relatie tussen de afschaffing van de
scholingsaftrek en het levenlanglerenbeleid. Ik ga vervolgens in op de
vraag wat de doelgroepen en de uitgangspunten zijn van de nieuwe
regeling.
Mevrouw De Vries vroeg nogmaals naar het CPB-rapport en naar de relatie
met het levenlanglerenbeleid. Ik heb al eerder aangegeven dat ik het CPB
heb gevraagd om de fiscale aftrek van scholingskosten kritisch te
bekijken. Het CPB heeft een evaluatie geschreven en die heeft de Kamer
ontvangen. In zijn conclusie stelt het CPB dat in 73% tot 100% van de
gevallen de aftrekpost scholingsuitgaven niet leidt tot extra uitgaven
aan scholing. Er is dus sprake van een enorme deadweight loss. In de top
twintig van uitgavenposten staan ook zaken als computers en reiskosten,
ook al mochten die strikt genomen niet worden opgevoerd. Je moet je bij
de scholingsaftrek dus afvragen of het daadwerkelijk om scholing gaat.
Je kunt daar vraagtekens bij hebben.
De regeling wordt relatief vaak gebruikt door hoogopgeleiden. Lager en
middelbaar opgeleiden worden veel minder bereikt, terwijl die vaker een
kwetsbare positie op de arbeidsmarkt hebben. Ook doen mensen met hogere
inkomens relatief vaker een beroep op de regeling dan mensen met lagere
inkomens, terwijl ook mensen met lagere inkomens te maken krijgen met
transitie en daarnaast minder geneigd zijn om zelf voor te financieren,
wat nodig is bij een fiscale aftrek. De aftrek wordt daarnaast vooral
gebruikt door werknemers in loondienst en niet door zzp'ers, flexwerkers
en mensen die al langer afwezig zijn van de arbeidsmarkt. Kortom: de
regeling is niet effectief en doelmatig. Dat is op zichzelf al voldoende
reden om de regeling af te schaffen. Waarom zou je iets in stand houden
wat aantoonbaar ineffectief en ondoelmatig is? We komen dan ook hier
tegemoet aan de wens tot vereenvoudiging van het belastingstelsel, die
mede aanleiding was voor deze evaluatie. Met de handvatten van het CPB
maken we nu een andere regeling, een voucherregeling, die veel directer
kan zorgen voor een extra scholingsimpuls en die ook direct aansluit bij
allerlei andere initiatieven op het terrein van een leven lang
leren.
Het afschaffen van de scholingsaftrek staat dus niet op zichzelf, maar
past bij de scholingsimpuls die nodig is en waar wij vorm aan geven. De
scholingsimpuls is nodig vanwege de technologische vernieuwing, die
zorgt voor grote veranderingen. Met name werkenden in het middensegment.
— denk aan automatisering en banken — zijn in dat opzicht kwetsbaar.
Juist vanuit die overweging heb ik samen met collega Asscher de
afgelopen tijd al een forse impuls gegeven aan een leven lang leren. Op
24 november ga ik daarover in debat met de commissie voor OCW en de
commissie voor SZW. Wij stellen vast dat het feit dat scholen veel meer
rekening zullen moeten houden met de wensen van volwassenen, vanuit het
onderwijs gezien de grootste opgave is voor het levenlanglerenbeleid.
Ons onderwijsstelsel is nu nog heel erg ingericht op initieel onderwijs
aan jongeren, terwijl we veel meer moeten doen. We moeten veel meer
modulair inrichten en meer vraaggestuurd werken. Dat vraagt om flinke
doorbraken.
We hebben niet stilgezeten. In de afgelopen decennia zijn er pogingen
gedaan. Ik heb daar afgelopen donderdag bij de behandeling van de
begroting over gedebatteerd met de onderwijswoordvoerders. Vorige
kabinetten en voorgangers van mij hebben geprobeerd om iets met
leerrechten en met deeltijdonderwijs te doen, maar dat heeft nog niet
tot resultaat geleid. Het kabinet heeft in de afgelopen jaren
maatregelen genomen die wel tot concreet beleid hebben geleid. Denk aan
de certificaten die vanaf dit schooljaar voor delen van mbo-opleidingen
kunnen worden gehaald en de pilots voor flexibilisering van het hoger
onderwijs, waarmee zo'n 500 deeltijdopleidingen en duale opleidingen in
het hbo de komende jaren veel meer flexibiliteit en maatwerk kunnen
bieden. In september 2016 is het experiment vraagfinanciering in het
hoger onderwijs van start gegaan bij techniek- en ICT-opleidingen. Ik
verwacht dat we dat volgend jaar gaan doen bij de opleidingen op het
gebied van zorg en welzijn. Dat we hier nu mee experimenteren is, gezien
het beleid van de afgelopen jaren, echt een grote doorbraak. Het draagt
ook bij aan vraagfinanciering.
Vanaf 2017 hebben deeltijdstudenten toegang tot het
levenlanglerenkrediet, waarmee maximaal vijf keer het bedrag aan
wettelijk collegegeld kan worden geleend voor erkende opleidingen. Dat
is een onderdeel van het studievoorschot. Het is ook echt nieuw. Wij
verwachten dat daarmee jaarlijks zo'n 40.000 studenten in zowel het
bekostigde als het niet-bekostigde onderwijs gebruik kunnen maken van
een leven lang leren. Wij bekostigen taal- en rekencursussen via de
volwasseneneducatie. Er is een lerarenbeurs voor docenten in het po en
vo. De minister van SZW heeft vouchers voor kansberoepen voor
werkzoekenden. Kortom, er zijn heel veel nieuwe maatregelen van start
gegaan en daar hoort een behoorlijk budget bij. De maatregelen voor een
leven lang leren tellen op tot ruim 235 miljoen per jaar. Daar komt nog
bij 0,5 miljard in de reguliere bekostiging die bedoeld is voor
volwassenen in het mbo en het hoger onderwijs. Daarmee is de inzet op
leven lang leren substantieel. Bij elkaar telt het op tot 750 miljoen.
Tel je daarbij nog op het levenlanglerenkrediet, dat weliswaar geen
directe uitgave betreft maar een lening voor 40.000 studenten, dan komen
wij tot 850 miljoen.
Wat wij willen doen, is een maatregel die wij al hebben en die eigenlijk
achterloopt op alles wat wij al gedaan hebben, namelijk de
scholingsaftrek, afschaffen. Wij willen een nieuwe maatregel op zo'n
manier vormgeven dat hij aansluit bij het ingezette kabinetsbeleid van
de afgelopen jaren. Dat betekent dat de maatregel meer vraaggericht moet
zijn met meer focus op de behoeften van individuen. De maatregel moet
direct aansluiten bij de transitie op de arbeidsmarkt.
Daarmee denken wij mensen te bereiken die uit zichzelf minder geneigd
zijn om scholing te volgen of die dat niet altijd via hun werkgever
vergoed krijgen en zich daardoor niet gestimuleerd voelen om zich te
scholen. Uit het CPB-rapport bleek dat juist dat de zwakke plekken zijn.
Denk ook aan werknemers in het mkb, oudere werknemers en zzp'ers en
flexwerkers.
Onze verwachting is dat met een goed vormgegeven regeling met ongeveer
de helft van het budget waarschijnlijk evenveel mensen gestimuleerd
worden als bij de fiscale aftrek. Gerichte financiële ondersteuning is
volgens onderzoek — denk aan de CPB-notitie Kansrijk onderwijsbeleid —
veel effectiever. Het marginale dead weight loss bedraagt nu 73%. Het
gemiddelde deadweight loss bij vouchers is 30% tot 60%. Als je dit goed
vormgeeft, kun je echt met de helft van de middelen evenveel mensen
bereiken.
Daar komt bij dat wij met al het andere beleid rond een leven lang leren
ook al heel veel mensen bereiken die wij eerder niet bereikten. Per
saldo is dat dus een forse impuls in leven lang leren. Wij willen de
nieuwe budgetten voor leven lang leren vooral richten op de doelgroepen
van de regeling. Voor wie is de regeling bestemd? Hoe gaan wij dat
vormgeven?
Mevrouw Aukje de Vries (VVD):
De minister geeft aan dat evenveel mensen gebruik kunnen maken van de
nieuwe regeling, maar als ik het goed begrepen heb gaat het om vouchers
van €2.500. Voor sommige opleidingen is dat wel behoorlijk laag. Wat
zullen de gevolgen zijn voor bepaalde typen opleidingen en vooral voor
de mensen die daar nu gebruik van maken? Is een voucher van €2.500 wel
een oplossing? Is het bedrag niet gewoon te laag?
De voorzitter:
De minister mag hierop antwoorden, maar het zit volgens mij meer in
blokje 2.
Minister Bussemaker:
Het is makkelijker voor mij om daar straks op terug te komen.
De voorzitter:
Dan houdt mevrouw De Vries dit antwoord tegoed.
De heer Van Weyenberg (D66):
Ik kan mij goed voorstellen dat wordt gestreefd naar een effectieve
regeling. De minister noemt allerlei brieven die zij samen met minister
Asscher heeft gestuurd. Maar het blijft natuurlijk wel zuur dat in een
tijd dat wij ons in de commissie voor SZW de haren uit het hoofd trekken
over de vraag hoe wij de scholing meer kunnen ondersteunen, gewoon 100
miljoen wordt bezuinigd op scholing. Dat klinkt toch een beetje als
tegen de wind in. Ik kan het mij goed voorstellen dat je de regeling
effectiever wilt maken, maar die taakstelling vind ik dan wel
buitengewoon zuur. Wij zijn het allemaal met elkaar eens dat wij juist
veel meer moeten investeren in scholing.
Minister Bussemaker:
Ja, wij willen ook meer investeren in scholing, dus dat doen we ook.
Denk bijvoorbeeld aan het levenlanglerenkrediet, waaraan ook D66 via het
studievoorschot tot mijn grote tevredenheid heeft meegewerkt. Dat is ook
een manier waarop wij ervoor zorgen dat een leven lang leren wordt
gestimuleerd. Die scholingsaftrek heet wel scholingsaftrek, maar als die
niet gebruikt wordt door degenen die scholing nodig hebben, als die niet
gebruikt wordt om daadwerkelijk een opleiding te volgen, maar
bijvoorbeeld voor computers en reiskosten, dan is de vraag of we daarmee
door moeten gaan. Ik snap dat u graag wilt dat er meer besteed wordt aan
een leven lang leren. Ik denk dat wij dat met alle maatregelen waar ik
net naar verwees, ook al vormgeven. Ik hoop dat u met mij gevoelig bent
voor het feit dat wij ineffectieve regelingen niet langer in stand
willen houden en dat we financieel prudente begrotingen willen hebben.
Dat geldt ook voor mijn begroting.
De heer Van Weyenberg (D66):
Ik snap heel goed de zoektocht. Ik vind het wel heel goed dat er een
regeling openstond voor alle werkenden, al deel ik de zorg over het
gebruik. Het is geen geheim: ik had liever gewoon het hele budget
gebruikt voor de scholingsvouchers, want ik blijf het een zeer
ingewikkeld signaal vinden dat het kabinet continu tegen de samenleving
zegt: u moet meer investeren in een leven lang leren, terwijl er door
deze maatregel — dat kan de minister volgens mij ook niet ontkennen —
100 miljoen wordt bezuinigd. Dat is gewoon de realiteit, toch?
Minister Bussemaker:
Ja, voorzitter, op een ineffectieve regeling wordt 100 miljoen
bezuinigd. De verwachting is dat je, als je de regeling effectief gaat
vormgeven, en daar hebben we de afgelopen jaren al belangrijke stappen
toe gezet, hetzelfde aantal mensen dat je nu bedient, kunt blijven
bedienen. Daar komt nog bij dat we allerlei andere maatregelen hebben
genomen, waardoor we per saldo kunnen spreken van een zeer fors impuls.
Ik denk bijvoorbeeld aan alle opleidingen die nu bezig zijn, ervoor te
zorgen dat ze veel toegankelijker worden voor deeltijdstudenten. We gaan
certificaten mogelijk maken, zodat je niet meer alleen de hele opleiding
hoeft te volgen. We gaan met vraagfinanciering werken. We werken in het
hoger onderwijs nu al met vouchers en gaan dat binnenkort ook in het mbo
doen. Mijn collega van SZW doet dat ook al met vouchers die specifiek
gericht zijn op kansberoepen voor mensen die van de ene sector naar de
andere gaan. Waar we O&O-fondsen hebben voor mensen die zich willen
scholen binnen een sector, is de Regeling kansberoepen vooral gericht op
mensen die een voucher nodig hebben om van de ene sector naar de andere
te gaan. Als dit allemaal effectief is, dan sluit ik helemaal niet uit
dat men in de toekomst zal zeggen: misschien moet er ook nog meer geld
bij, maar voorlopig zijn we vooral bezig met een zoektocht naar
effectieve maatregelen. Ik hoop dat we daarmee een stap zetten.
Mevrouw Aukje de Vries (VVD):
Ik wil daar nog even op doorgaan, want de minister zegt: de huidige
regeling is misschien niet effectief. De vraag is wat we daarvoor terug
krijgen en of dat dan wel een effectieve regeling is. Uiteindelijk zijn
op dit moment nog maar heel vage contouren bekend van wat het moet gaan
worden. Ik kan nu niet beoordelen of dat wel een effectieve maatregel
wordt of niet. Vandaar ook mijn vorige vraag over bijvoorbeeld de
gevolgen. Die moet je wel kunnen beoordelen, wil je deze regeling
uiteindelijk afschaffen.
Minister Bussemaker:
Laat ik mijn betoog weer oppakken. Ik wilde verder gaan met de vraag
voor wie de nieuwe regeling bedoeld is ...
De voorzitter:
Ja, maar er is ook nog een vraag van mevrouw De Vries.
Minister Bussemaker:
… en hoe die eruit gaat zien.
Mevrouw Aukje de Vries (VVD):
Nee, mijn vraag is meer procedureel. Hoe kan ik beoordelen of hetgeen ik
terug krijg voor een maatregel die volgens de minister ineffectief is,
op termijn wel effectief is? Als wij immers twee ineffectieve
maatregelen tegen elkaar uitruilen, vraag ik mij af waar we aan
beginnen. Mijn vraag betreft dus meer het proces. Hoe moeten we dat
beoordelen, zolang die regeling nog niet duidelijk is?
Minister Bussemaker:
De regeling moet aansluiten bij de positieve elementen uit regelingen
die we de laatste jaren zijn gestart, uit de voucherregelingen die we
bij OCW hebben, uit de voucherregelingen die we bij SZW hebben. Die
regeling gaan we de komende tijd maken. Ik kan de Kamer toezeggen dat ik
bereid ben, die regeling in januari naar de Kamer te sturen, gezamenlijk
met de uitvoeringstoets. Anders dan de regeling voor de monumenten, gaat
deze nieuwe regeling pas per 1 januari 2018 in. Ook naar aanleiding van
de inbreng van de Kamer vorige week heb ik geconstateerd — ik heb er ook
begrip voor — dat de Kamer niet wil dat de nieuwe regeling pas na de
verkiezingen komt, maar dat zij in de huidige samenstelling wil kunnen
beoordelen of de regeling goed in elkaar zit. Die regeling kan
tegelijkertijd met de uitvoeringstoets in januari richting de Kamer
gaan. Die zal aansluiten bij die elementen van de vraagsturing en de
voucherregeling die we al hebben ontwikkeld bij beide
departementen.
Mevrouw Aukje de Vries (VVD):
Ik vraag mij af of de minister de worsteling van de Kamer begrijpt,
zowel bij het vorige punt als bij dit punt. We schaffen nu iets af, maar
we weten niet wat we ervoor terugkrijgen. Dat gold bij het vorige punt
ook. Begrijpt de minister dat dit voor de Kamer een bijna onmogelijke
beslissing is?
Minister Bussemaker:
Ja, ik snap dat het een lastig besluit is. Ik snap ook dat de Kamer wil
weten wat ervoor in de plaats komt. We kunnen aansluiten bij het kader
van de regelgeving van SZW voor kansarme beroepen. Dat is een goed
werkende regeling die vooral is gericht op intersectoraliteit. We hebben
de kaders van datgene waar we naartoe willen werken. Alleen moeten we
dat nog uitwerken en in regelgeving vormgeven. Omdat het nieuwe beleid
aansluit bij het huidige, hoop ik dat de Kamer voldoende inzicht heeft
in welke kant het opgaat. Dat bedoel ik niet in heel abstracte zin, maar
in vrij concrete zin omdat ik verwijs naar regelingen die nu
bestaan.
De heer Tony van Dijck (PVV):
Het zijn allemaal mooie woorden, maar het is gewoon een ordinaire
lastenverzwaring voor mensen die wat hoger opgeleid zijn. Het is pure
nivellering. Als iemand die de technische universiteit heeft gedaan
richting management wil en daarvoor een MBA-opleiding wil volgen, zegt
deze minister dat dat niet effectief is. Het is wel degelijk effectief
dat iemand van de technische universiteit via een MBA richting het
management kan. Die mogelijkheid wordt hem nu niet meer geboden, wanneer
deze aftrek wordt ingetrokken. Kennelijk vindt de minister het
belangrijker dat mensen met nauwelijks opleiding met vouchers aan
bijscholing doen. Mensen met een hogere opleiding hoeven niks meer te
doen van deze minister. Er wordt kennelijk voor 250 miljoen
gebruikgemaakt van de aftrek, dus kennelijk zijn er toch een hoop mensen
die een kopstudie doen. Wanneer die aftrek niet meer geldt, worden zij
straks niet meer geholpen door deze minister. Zij zegt: geef die lager
opgeleide mensen maar een voucher van €2.500, zodat ze wat beter kunnen
lassen of zo. Wat is er niet effectief aan, als een ir. een
MBA-opleiding doet en daardoor doorstroomt richting het
management?
Minister Bussemaker:
Ik heb het niet gehad over de individuele effectiviteit, maar over de
effectiviteit zoals die in het onderzoek van het Centraal Planbureau
wordt geanalyseerd. Daarin constateert men dat er een enorme dead weight
loss is, omdat het overgrote deel van de mensen die nu studeren met een
scholingsaftrek ook zonder die scholingsaftrek een opleiding zou volgen
en dat de opleiding eenzijdig wordt gebruikt door hogeropgeleiden. Met
name lager en middenopgeleide medewerkers of zzp'ers zijn minder geneigd
om de kosten voor te schieten en vervolgens af te trekken, maar willen
die middelen vooraf hebben. Op grond daarvan constateren wij met het CPB
dat de regeling als zodanig niet effectief is. Dat is het punt. Ik
respecteer en stimuleer iedereen die zich wil bijscholen, waarvoor wij
overigens het levenlanglerenkrediet hebben. De vraag die nu voorligt, is
welke publieke middelen besteden wij aan het stimuleren van scholing op
zo'n manier dat het effectief is en dat het bij die groepen terechtkomt
die te maken krijgen met grote transities op de arbeidsmarkt. Dat is wat
mij betreft de crux. De verwachting is dat het vooral laagopgeleide en
middelbaar opgeleide mensen zullen zijn, maar in voorkomende gevallen
ook hoger opgeleide mensen. Die hebben dan ook recht op een voucher. Dat
geldt voor iedereen die in een sector werkt die in transitie is,
bijvoorbeeld de automatisering.
De heer Tony van Dijck (PVV):
Hoe succesvol zijn die vouchers dan? Tot nu toe zijn die vouchers in de
sectorplannen één grote flop gebleken. De minister gaat nu aan alle
lager opgeleiden een voucher geven van €2.500 en zegt: wij zien wel of
het effectief is en wat het uitmaakt. Dat geeft in ieder geval een goed
gevoel, maar de groep daarboven die nu gebruikmaakt van de
scholingsaftrekregeling, wordt in de steek gelaten. Het is maar de vraag
of die nog een MBA-opleiding gaat doen op eigen kosten. Als wij het
hebben over de effectiviteit van al die fiscale regelingen, dan moeten
wij ook die innovatiebox van 1,4 miljard afschaffen. Daarvan heeft het
CPB ook gezegd dat het een gigantische deadweight loss heeft: als je €1
investeert, krijg je €0,50 terug. De PVV is ervan om al die fiscale
maatregelen af te schaffen, de lasten te verlagen en dat niet te
vervangen door gekke vouchers.
Minister Bussemaker:
Nogmaals, ik heb het over een scholingsaftrek. Ik heb het niet over alle
andere fiscale maatregelen. Dat laat ik graag aan collega Wiebes. Ik heb
het over de scholingsaftrek. Uit het eerste debat dat wij daarover
hadden bleek dat de Kamer zeer hecht aan onderzoek en dat snap ik. Hier
ligt een concreet onderzoek van het Centraal Planbureau. Daaruit blijkt
dat het niet effectief is. Wij zetten het om in een vouchersysteem, waar
geen enkele groep bij voorbaat niet voor in aanmerking komt. Ook hoger
opgeleiden komen daarvoor in aanmerking als zij in een sector werken
waarin het van groot belang is dat ze zich scholen. Het moet niet alleen
voor je eigen interesse van belang zijn, hoezeer ik dat ook respecteer.
Daar hebben wij andere stimulansen voor, bijvoorbeeld het
levenlanglerenkrediet.
De heer Omtzigt (CDA):
Ook hier wreekt zich een klein beetje dat wij geen concrete nieuwe
regeling op tafel hebben liggen, terwijl de oude regeling in de
vuilnisemmer gegooid wordt met dit wetsvoorstel. Daar heb ik sowieso
principiële bezwaren tegen. Ik zal het even schetsen. Misschien kan de
minister schetsen hoe dat dan zal gaan. Zij zegt bijvoorbeeld dat het
alleen toegankelijk is voor mensen in sectoren die in een transitie
zitten. Ik kan mij zomaar sectoren voorstellen die niet in een transitie
zitten waarin het wel van groot belang is dat je voor je 40ste je best
doet om in een andere richting te gaan. Wij zitten hier naast het
Nationaal Dans Theater. De meeste dansers blijven niet tot hun 65ste.
Het zou zeer bijzonder zijn als die op hun 40ste omgeschoold kunnen
worden.
Er zijn nog wel meer van dat soort inspannende beroepen, bijvoorbeeld
militairen, waarbij wij nu die hele discussie over de Ugm (Uitkeringswet
gewezen militairen) hebben. Het zou zeer goed zijn als militairen rond
hun 40ste, 45ste iets anders gaan leren, zodat ze niet met vervroegd
pensioen gaan maar de mogelijkheid hebben om ergens anders aan het werk
te gaan. Ook sporters worden genoemd, maar dat is een wat kleinere
groep. Bij dat soort afbakeningen luistert het dus heel erg nauw wie er
straks toegang heeft. Ik zou daar graag iets van zien.
De tweede groep waarvoor ik dat graag zou willen weten is die van
zzp'ers en flexwerkers. Die zitten per definitie niet in een sector.
Krijgen die standaard wel of niet toegang tot deze regeling? Krijgen
alle zzp'ers toegang en een voucher als ze iets willen leren? Of moeten
zzp'ers, die al wat last hebben van een andere wet die wij een andere
keer bespreken, straks ook nog aantonen dat een gedeelte van hun
opdrachten komt uit sectoren die misschien in een transitie zitten? Hoe
werkt dat? Dat zijn twee concrete vragen waar ik iets van gevoel bij zou
willen hebben.
Minister Bussemaker:
Zzp'ers en flexwerkers komen ook voor de nieuwe regeling in aanmerking.
Er wordt niemand uitgesloten. Laat ik even de uitgangspunten van die
regeling uitleggen. Er moet wel een toets zijn die bepaalt of je in
aanmerking komt, maar geen enkele zzp'er is bij voorbaat
uitgesloten.
De heer Omtzigt (CDA):
Dan krijgen wij dus een toets waarbij een zzp'er al zijn opdrachten van
de laatste vijf jaar op tafel moet leggen en moet gaan aantonen dat hij
gemiddeld in sectoren zit waarbij dat van toepassing is. Er zijn immers
zzp'ers die een deel van hun opdrachten doen in een sector die krimpt en
een ander deel in een sector die groeit. We zijn hier toch een
uitvoeringstechnisch drama aan het optuigen als het UWV dat persoon voor
persoon moet gaan bepalen?
Minister Bussemaker:
Voorzitter, staat u mij toe om eerst even de uitgangspunten van de
regeling te noemen en vervolgens de manier waarop we aansluiten bij
bestaand beleid. Ik hoop ik dat daarmee dan de vraag van de heer Omtzigt
kan beantwoorden.
De voorzitter:
Dan gaan we wat mij betreft over naar blok twee, over doelgroepen, zoals
de minister dat noemde …
Minister Bussemaker:
Dat sla ik maar over. Daar kom ik straks wel op terug.
De voorzitter:
… en dan wordt het daarin beantwoord.
Minister Bussemaker:
Ik wil zo snel mogelijk naar de vraag.
De heer Omtzigt (CDA):
En dan inclusief de groepen die halverwege hun carrière in zo'n
...
Minister Bussemaker:
Ja, ja, ja, ja. Maar laat me even aan het begin beginnen, want ik ben
bang dat het anders een verwarrend debat gaat worden.
We kunnen echt al informatie geven over de manier waarop die regeling
eruit gaat zien. Iemand kan een voucher aanvragen zonder tussenkomst van
een werkgever of een onderwijsinstelling. Er is dus geen cofinanciering
van de werkgever nodig. Dat is een heel groot voordeel ten opzichte van
de systematiek van de O&O-fondsen. De voucher wordt direct
uitgekeerd nadat beslist is dat iemand voldoet. Diegene kan direct dit
bedrag aan de opleider betalen om te beginnen met de scholing. Nadat de
opleiding is gevolgd, moet een aanwezigheidsverklaring overhandigd
kunnen worden om na te gaan of iemand ook echt de opleiding heeft
gevolgd. Er komen meerdere tijdvakken per jaar, waarbij het principe
"wie het eerst komt, wie het eerst maalt" zal worden toegepast. De
vouchers krijgen een waarde van maximaal €2.500. Dat is gelijk aan de
waarde van de vouchers die SZW nu hanteert. De vouchers kunnen worden
ingezet bij door de overheid erkende opleidingen of delen daarvan, bij
door de branche of de sector erkende opleidingen en bij
EVC-trajecten.
Aanvragers die een meerjarige opleiding volgen, kunnen gedurende de
nominale studieduur elk jaar in aanmerking komen voor een voucher. Voor
de groep studenten die momenteel een meerjarige opleiding volgt, geen
recht meer heeft op studiefinanciering of op het studievoorschot en die
zich heeft ingeschreven voordat het kabinet het afschaffen van de aftrek
bekendgemaakt heeft, komt een overgangsregeling. Deze studenten krijgen
vouchers voor de nominale duur van de opleiding. Er is geen prestatie
gekoppeld aan het verkrijgen van de voucher. Wel zal er een
aanwezigheidsverklaring moeten kunnen worden overhandigd. 55-plussers
kunnen tot de pensioenleeftijd ook gebruikmaken van een voucher.
De regeling zal worden uitgevoerd ofwel door UWV ofwel door DUO. Beide
hebben nu al ervaring met vouchers: UWV met de kansberoepen en DUO met
de vouchers voor de eerste generaties die te maken hebben met het
studievoorschot. Mensen die in een sector in transitie zitten en een
opleiding van €5.000 of minder volgen, zullen er in principe op
vooruitgaan. Zij gaan nu een verminderde of geen eigen bijdrage betalen
en krijgen direct het bedrag in plaats van een jaar op teruggave te
moeten wachten. Dat was een belangrijk punt uit de CPB-analyse.
Nu hebben wij al de Tijdelijke regeling subsidie scholing richting een
kansberoep; ik noemde die al. Die gaat het kader vormen van de nieuwe
regeling. We nemen die regeling niet een-op-een over, maar we gaan die
uitbreiden en aanpassen. De regeling kansberoepen staat op de begroting
van SZW en loopt tot 31 december 2017. De Kamer weet dat de nieuwe
regeling ingaat per 1 januari 2018. We willen op basis van het kader van
de regeling kansberoepen een vernieuwde, aangepaste versie maken, die
meer aansluit bij de inzichten die we ondertussen opgedaan hebben. Dat
sluit ook weer aan bij het advies van de commissie-Van Dijkhuizen: schaf
de fiscale aftrek af, creëer met een deel van het budget een regeling
voor intersectorale scholing en laat de O&O-fondsen zich richten op
de sectorale scholing. Het voordeel van deze aanpak is dat er dus al een
regeling ligt. De Kamer kan in de loop van de tijd met ons debatteren
over wat er aan die regeling nog aangepast moet worden, maar we hoeven
niet bij nul te beginnen. Er zijn nog aanpassingen mogelijk.
In de huidige regeling kansberoepen vraagt het individu een voucher aan.
Het individu kan een werkloze of een werkzoekende zijn. Bij de aanvraag
overlegt het individu een bewijs van toelating en een bewijs van
verschuldigd bedrag. Het individu moet zijn cv op werk.nl plaatsen. Er
is geen eigen bijdrage verplicht et cetera. Het gaat om scholing voor
een kansberoep. Het UWV stelt elk halfjaar de lijst met kansberoepen
vast en geeft binnen acht weken een beschikking. Wij willen ervoor
zorgen dat de regeling die we al hebben, de Tijdelijke regeling subsidie
scholing richting een kansberoep, wordt uitgebreid naar sectoren in
transitie, en dan niet alleen voor werkzoekenden maar ook, zo zeg ik
tegen de heer Omtzigt, voor werkenden en andere categorieën. Dan moet en
kan de nieuwe regeling voor iedereen in een sector in transitie
toegankelijk zijn.
Misschien is het goed om een paar voorbeelden te geven van waar wij aan
denken. Het zijn verschillende soorten voorbeelden. Neem een kapster in
een kapsalon die eczeem aan haar handen krijgt. Ze kan niet meer werken
in de kapsalon, maar ze wil wel graag blijven werken in een
dienstverlenend beroep, bijvoorbeeld op kantoor of in het management.
Dan heeft zij wel een traject nodig, bijvoorbeeld een traject
administratie op een roc of bij Schoevers, welke opleiding ze dan in de
avonduren kan volgen, naast haar baan als kapster. Ze moet deze
opleiding zelf bekostigen, want haar sector heeft geen O&O-fonds.
Met een voucher kan zij zich omscholen naar een ander beroep.
Of neem een receptionist in een ziekenhuis, die ziet dat steeds meer van
zijn werk automatisch en digitaal gebeurt. Hij heeft ook een diploma
voor verpleegkundige en ziet dat er vacatures zijn in de zorg. Zijn
kennis is echter niet meer up-to-date. Hij moet dus bijgeschoold worden.
Hij werkt via een uitzendbureau, maar deze gaat zijn opleiding niet
vergoeden. Met een voucher kan hij een opleiding volgen om zijn kennis
weer up-to-date te krijgen en te solliciteren als verpleegkundige. Dit
zijn allebei voorbeelden van mensen die nog in de sector werken, die nog
niet werkloos zijn, maar die wel een overgang naar een andere sector
moeten maken.
Ik geef nog een derde voorbeeld. Een schadebehandelaar bij een
verzekeraar merkt dat door digitalisering zijn werk onder druk komt te
staan. Hij heeft affiniteit met cijfers en zou graag meer in de richting
van de accountancy willen werken via een deeltijd-hbo-opleiding. Zijn
werkgever vergoedt alleen korte cursussen die over schadebehandeling
gaan. Met een voucher kan hij zich omscholen naar een kansrijker
beroep.
Dit zijn maar een paar voorbeelden waaruit blijkt dat de regeling
uitdrukkelijk ook is bedoeld voor mensen die geen scholing vergoed
krijgen via hun werkgever. Het zijn mensen met korte, flexibele
contracten, mensen die werkzaam zijn in het mkb en zzp'ers, maar
vanzelfsprekend ook mensen die werken in een sector in transitie, zoals
in het voorbeeld van de schadebehandelaar die met digitalisering te
maken heeft. De uitvoerder, dus het UWV, moet beoordelen of daaraan
wordt voldaan. Maar dat doet het UWV nu ook al, namelijk door elk
halfjaar een overzicht te presenteren.
De voorzitter:
Als dit het einde van het blokje is, gaan we nu naar de vragen. Ik heb
genoteerd: mevrouw De Vries, mevrouw Schouten, de heer Omtzigt en de
heer Grashoff.
Mevrouw Aukje de Vries (VVD):
Ik ben geen woordvoerder onderwijs, maar wat ik altijd heb begrepen van
"een leven lang leren" is dat je gedurende je hele leven blijft leren om
flexibel naar een ander beroep te kunnen overstappen op het moment dat
het wat slechter gaat en je je baan dreigt te verliezen. Ik krijg bij de
regeling van de minister een beetje het gevoel dat iemand eigenlijk al
op de schopstoel moet zitten, of in een heel moeilijk beroep. Ik heb
altijd het idee dat je dat vóór zou moeten zijn. Juist de huidige
regeling kan daarvoor gebruikt worden. Hoe kijkt de minister naar die
groep, die misschien nog niet direct op de schopstoel zit of in een
sector zit waarin van alles en nog wat verandert, maar die je gewoon
klaar wilt hebben voor het moment waarop hij in zo'n situatie komt,
zodat hij dan daadwerkelijk een andere stap kan zetten?
Minister Bussemaker:
Daarom nemen we de regeling kansberoepen van SZW als uitgangspunt, maar
moet die aangepast worden. Die regeling is namelijk nog direct gericht
op met name mensen zonder werk of mensen die werkzoekend zijn. Dat wordt
dus een van de aanpassingen van die regeling: hoe kun je daarvóór gaan
zitten? Tegelijkertijd hebben we voor degenen die zich willen bijscholen
in de eigen sector de O&O-fondsen. Voor die groep hebben we ook
sectoraal al van alles geregeld. Het moet dus wel voor iemand zijn die
vóór het punt zit waarin een sector al in de problemen zit. Je wilt dat
mensen zich daarop voorbereiden. Daar hebben werkgevers echter ook een
grote verantwoordelijk in.
Als het gaat om iemand die naar een andere sector wil, dan komen deze
vouchers als interessant alternatief om de hoek kijken. Los daarvan wijs
ik nog maar een keer op alle andere instrumenten die we al hebben, zoals
het levenlanglerenkrediet. Daarmee kan iedereen tot zijn 55ste
gebruikmaken van het studievoorschot. Daar is verder geen enkele
verplichting aan verbonden. Het gaat dus echt om verschillende
maatregelen, die met elkaar een boost moeten geven aan een leven lang
leren.
Mevrouw Aukje de Vries (VVD):
Uit de antwoorden heb ik begrepen dat de voorwaarde voor zo'n kwetsbare
positie is dat je je cv op werk.nl moet zetten of een adviesgesprek bij
een leerwerkloket moet hebben. Maar dat geeft dan al aan dat je allang
op zoek bent naar een baan, omdat je in een sector zit die in transitie
zit. Voor mij gaat het vooral ook om het gevoel ervóór. Hoe zit het in
de huidige regeling? Zitten de mensen die daarvan gebruikmaken, veel
eerder in dat traject? En wat gaan zij doen op het moment dat de fiscale
aftrek er niet meer is? Zij doen dan misschien nu de opleiding niet die
ze wel zouden willen doen en komen later in dit traject alsnog in een
moeilijke positie. Volgens mij zou je dat moeten willen voorkomen.
Minister Bussemaker:
Het cv op werk.nl is onderdeel van de huidige regeling kansberoepen.
Nogmaals: de regeling waarover ik het nu heb, zou pas ingaan op 1
januari 2018. Daar ligt dus de uitdaging om een aantal verbeteringen aan
te brengen ten opzichte van de huidige regeling kansberoepen. Dit lijkt
mij er een. We hebben aangegeven dat het een overweging is, omdat het nu
past bij de regeling kansberoepen. Ik ben echter graag bereid om met de
Kamer nu en in de komende tijd verder te praten en rekening te houden
met de wensen van de Kamer over de aanpassing van de nieuwe regel.
Mevrouw Schouten (ChristenUnie):
De discussie herhaalt zich een beetje, want het is weer, in goed
Nederlands, "the other way around". We gaan weer eerst iets afschaffen
en vervolgens met elkaar bedenken wat we ervoor in de plek gaan zetten.
Ik heb een heel concrete vraag over wat er nu wordt voorgesteld. We
horen het de minister nu allemaal zeggen, maar het zou fijn zijn als we
dat ook op papier kunnen gaan beoordelen, want er zit al licht tussen de
beantwoording van de schriftelijke vragen en wat de minister hier nu
zegt. Daar zit gewoon een weekend tussen. Die regeling kansberoepen is
alleen voor beroepen waarvan de overheid zegt dat daaraan een tekort
gaat ontstaan. Ik heb pas nog met mijn collega Bruins vragen gesteld
over die regeling in relatie tot bijvoorbeeld docenten. Docenten staan
niet in de regeling kansberoepen, terwijl wij hier tegelijkertijd
allerlei acties ondernemen om meer mannen voor de klas te krijgen. De
brandweerman die inderdaad naar een basisschool wil, komt er met die
vouchers niet in. Is de regeling kansberoepen dus niet de facto een
enorme beperking voor de omscholing van mensen die juist naar een ander
beroep toe willen, omdat de overheid bepaalt waarvoor het geld ingezet
mag worden?
Minister Bussemaker:
Ik heb aangegeven dat de regeling kansberoepen een kader biedt, maar
aangepast moet worden. Ik zei dat net al tegen mevrouw De Vries. We
hebben aangegeven dat er gedacht kan worden aan verschillende
voorwaarden, bijvoorbeeld het plaatsen van een cv op werk.nl. Dat er
licht tussen zou zitten, zie ik dus niet zo goed. Dit zijn precies de
punten waarover we nog in overleg met de Kamer een besluit moeten nemen,
want hoever willen we daarmee gaan? Voor leraren hebben we overigens
allerlei beurzen, bijvoorbeeld lerarenbeurzen. Het zou juist heel goed
zijn als we bekijken of we dat meer op elkaar kunnen afstemmen. We
moeten niet allerlei verschillende regelingen krijgen, maar de
regelingen veel meer op elkaar afstemmen. Als iemand zich wil omscholen
tot leraar, zou zo'n regeling daar heel geschikt voor moeten zijn. Ik
ben al heel lang bezig om meer meesters voor de klas te krijgen en te
stimuleren dat zij naar de pabo gaan. Ik wil er vooral ook voor zorgen
dat ze niet verdwijnen als zij van de pabo af komen. Ik zou niet weten
waarom we, gezien de tekorten in het onderwijs die we de komende jaren
gaan krijgen, hen bij voorbaat uit zouden sluiten.
Mevrouw Schouten (ChristenUnie):
Ik zeg ook niet dat wij hen uitsluiten. Ik zeg alleen dat het wel dreigt
te gebeuren als we de regeling als kader gaan toepassen. Het vak docent
staat er namelijk niet bij. Dat is mijn inhoudelijke kritiek. Ik wil
hier echter niet alleen op alle kleine inhoudelijke puntjes ingaan. Gaan
we met deze regeling beperken dat mensen een keuze kunnen maken hoe en
tot wat zij zich naar eigen inzicht willen omscholen? Of zegt de
minister dat de vouchers voor elke opleiding kunnen worden ingezet als
aan een aantal voorwaarden wordt voldaan?
Minister Bussemaker:
We gaan het wel zo inperken dat die regeling effectiever gaat worden.
Anders houden we hetzelfde als bij de huidige scholingsaftrek. Die is
namelijk niet efficiënt. We willen de regeling zo maken dat zij aansluit
bij de sectoren in transitie. We willen tegemoetkomen aan degenen die
zich in een sector bevinden waar problemen zijn of waar die zich in de
nabije toekomst kunnen voordoen. Die mensen willen we stimuleren om een
overstap te maken. In die zin is de regeling beperkend. We laten niet
meer iedereen zonder enige voorwaarde een voucher aanvragen. Voor
degenen die zich willen scholen in hun eigen sector ligt het voor de
hand dat ze de O&O-fondsen gebruiken. Anders zouden we de rare
situatie krijgen dat mensen een voucher aanvragen en de O&O-fondsen
nog minder gebruikt worden en nog enger besteed worden dan toch al het
geval is.
De heer Omtzigt (CDA):
Ik heb de regeling hier voor me. Ik begrijp dat je je tot docent Engels
of Nederlands kunt omscholen, met een eerstegraads- of
tweedegraadsbevoegdheid. Dat gaat inderdaad over het secundair
onderwijs, niet over het primair onderwijs, zeg ik in reactie op mevrouw
Schouten. Je kunt trouwens ook officier, onderofficier of tandarts
worden op kosten van de minister van Sociale Zaken. Mijn vraag was
vanuit welke vertreksituatie je dit mag doen. De voorzitter schortte die
vraag even op, dus ik stel de vraag nu nog een keer. Hoe gaat een
zzp'er, die een aantal klussen heeft, aantonen dat zijn situatie zodanig
is dat hij aanspraak maakt op de regeling? Zit daar de specifieke
situatie bij dat je je bij een aantal beroepen mag omscholen zodat je de
laatste tien of vijftien jaar van je carrière nog iets anders kunt doen?
Ik noemde net een paar functies in het leger. Daar laten we nu mensen op
hun 55ste weggaan, en dat doen we bij de ambulancediensten ook. Zit dat
erbij? Misschien klinkt het heel flauw, maar hoe komt het dat er geen
conceptregeling voorligt waarin staat voor wie zij bestemd is? Dan
hoeven we niet op basis van wat we hier horen en wat er in de
schriftelijke antwoorden staat te beoordelen of dit een verstandige
richting is of dat er misschien iets anders gedaan moet worden. Waarom
doen we dat niet op basis van overleg met mensen die er verstand van
hebben?
Minister Bussemaker:
Dit debat, het debat van vorige week met de onderwijswoordvoerders over
de begroting OCW en het debat later deze maand over de brief inzake een
leven lang leren die collega Asscher en ik samen naar de Kamer hebben
gestuurd, zijn wat mij betreft de momenten om met de Kamer en andere
betrokkenen te praten over de mogelijkheden om deze regeling verder te
verbeteren. Ik heb alleen gezegd dat wij een kader hebben, omdat wij een
Tijdelijke regeling subsidie scholing richting een kansberoep hebben. Ik
hoop dat dat enige herkenning oproept en ook het gevoel dat wij iets
hebben van waaruit wij gaan werken. Van daaruit gaan wij werken aan
verdere verbetering. Dan moet iedereen, of dat nu een zzp'er, een
oud-danser of wie dan ook is, die een opleiding volgt die gericht is op
een kansberoep, hiervoor in aanmerking komen. Ik weet wel dat een aantal
sectoren daar al eigen afspraken voor heeft, zoals de dansers. Bovendien
weet ik dat daar in de bouw eigen afspraken voor zijn; gelukkig maar.
Die zouden wij vooral willen blijven stimuleren. Maar mocht iemand
overstappen naar een andere sector, dan moet iedereen daarvoor in
aanmerking komen. Dat is nu ook al het uitgangspunt van de regeling
kansberoepen.
De heer Omtzigt (CDA):
Net zei de minister nog iets anders, namelijk dat de regeling alleen
openstaat voor de mensen wier beroep op enige wijze bedreigd wordt of in
transitie is. Niet voor niets zei mevrouw De Vries dat je zoiets nooit
van tevoren weet. Niet iedereen heeft het faillissement van V&D zien
aankomen. Het zou heel fijn zijn geweest als de mensen van V&D drie
jaar geleden met z'n allen een scholingsvoucher aangevraagd zouden
hebben om een van deze kansberoepen te gaan doen. Dat zijn wel degelijk
heel belangrijke aspecten om te kunnen wegen of de nieuwe regeling, met
alle financiële beperkingen, een waardige vervanger is van de oude. Ik
vraag daarom het volgende. Hoever zijn wij nu met het vaststellen van
een nieuwe regeling? De minister zegt dat wij dat bij de
begrotingsbehandeling hadden moeten doen, maar bij de
begrotingsbehandeling is aan geen van de woordvoerders gevraagd om deze
nieuwe regeling vorm te geven. Het debat waar de minister vervolgens
naar verwijst, is een debat dat na de stemmingen plaatsvindt. Mij lijkt
het in een normaal wetgevend proces logisch om eerst een nieuwe regeling
op tafel te hebben liggen en te bekijken of die de oude regeling min of
meer vervangt. Dan kun je een vergelijking maken. De nieuwe regeling kan
iets uitgekleed zijn om financiële redenen. Dat snap ik. Maar ik kan er
niet bij dat de nieuwe regeling er ook hier niet ligt. Is de minister
bereid om de conceptregeling die ze kennelijk in haar hoofd heeft
zitten, gewoon voor woensdagavond aan de Kamer aan te bieden? Dan kunnen
we woensdagavond bezien of dat enigszins is wat wij bedoelen. Want dan
weten wij ook wat de verwachtingen zijn, wie er gebruik van kan maken en
of wij voor of tegen deze wet zouden moeten stemmen.
Minister Bussemaker:
Ik heb al eerder tegen mevrouw De Vries gezegd dat ik de nieuwe regeling
in januari aan de Kamer kan sturen, tegelijk met de uitvoeringstoets. Ik
ben graag bereid om deze week nog een keer de uitgangspunten van de
nieuwe regeling te sturen, maar ik dacht dat wij dat in de schriftelijke
stukken al voor een heel belangrijk deel gedaan hadden. Ik kan ook
zeggen hoe het precies gaat met de aanvraagprocedure. Daar hebben wij
ook al het een en ander voor uitgewerkt. Als de heer Omtzigt er behoefte
aan heeft om daar nog een verdere uitwerking van te krijgen, ben ik
graag bereid om die deze week ook te sturen. Ik kan ook al aangeven
welke stappen gezet moeten worden.
De heer Omtzigt (CDA):
Ik dank de minister voor die bereidheid, maar nu wordt er weer gezegd
dat wij in januari de regeling en de uitvoeringstoets krijgen. Wat
zouden wij moeten doen als in de uitvoeringstoets staat: oei, dit is
onuitvoerbaar? Kunnen wij de oude regeling dan weer tot leven roepen?
Dat is de reden waarom wij de uitvoeringstoetsen willen krijgen. Bij
alle fiscale wetsvoorstellen van de andere zes wetten hebben wij dit
jaar heel mooie uitvoeringstoetsen gekregen van de Belastingdienst.
Daarin werd ingegaan op vragen zoals: is het al dan niet uitvoerbaar en
waar zitten de risico's? Ik ben nu even kwijt hoe het zat met risico's
en problemen, maar in deze commissie hebben wij wel de rigiditeit om
zelfs de uitvoerbaarheid van onze amendementen te laten toetsen. En nu
worden we weer geconfronteerd met een uitvoeringstoets in januari, over
iets wat dan uitgevoerd moet worden en waarvoor we de oude schoenen in
november weggegooid hebben. Hoe moeten we daarmee omgaan?
Minister Bussemaker:
Er is wel een verschil. We hebben hiervoor al regelingen die in
hoofdlijnen naar tevredenheid uitgevoerd worden. We hebben de regelingen
bij SZW, voor de kansberoepen en voor de vouchers die via DUO uitgevoerd
worden. We hebben dus al systemen waarbij we kunnen aansluiten.
Naar mijn idee is het redelijk zeker dat het uitvoerbaar is. Ik wil
graag in de tussentijd rekening houden met de wensen van de Kamer, om
daar verder invulling aan te geven. In principe moet het geld naar het
individu gaan, maar er kunnen ook redenen zijn waarom het geld naar een
school kan gaan. Wat doen we met reiskosten? Voor hoeveel tijdvakken kun
je het indienen? Wie moet het precies uitvoeren? UWV of DUO? Voor
allebei valt wat te zeggen. Dat zijn vragen waar we nu nog mee spelen.
Daarom kan ik de Kamer de definitieve regeling in januari doen
toekomen.
Ik vraag dus om vertrouwen, omdat we al regelingen hebben. We weten dat
het kan. We zullen niet iets beginnen wat nog nooit bewezen is, maar we
kunnen aansluiten bij wat al bestaat. Dat gaan we vervolmaken. We hebben
daar vervolgens 2017 voor. Ik vraag vertrouwen van de Kamer om met alles
wat we nu al weten, daarmee verder te gaan. Als het helpt, zeg ik toe
dat ik deze week een brief zal sturen met de uitwerking wat het betekent
voor een individu, welke stappen er gezet moeten worden, wie op welk
moment welk besluit neemt. Weet dat we sowieso regelingen hebben om dat
verder te verwerken.
De heer Omtzigt (CDA):
In die brief die we deze week krijgen, zou ik graag een antwoord zien op
die vragen die ik gesteld heb over zzp'ers. Er komt straks een
verdringingsvraag bij sectoren die O&O gaan afschaffen, waarbij het
gaat om concrete voorbeelden. Ik vraag ook om een kleine evaluatie van
de regeling voor kansberoepen. De minister zegt dat we weten hoe die
regeling werkt. Deze bestaat sinds mei van dit jaar. In juli zijn de
eerste vouchers uitgedeeld, volgens mij. Kan er een korte evaluatie
komen of die werkt of niet? Wij hebben nog geen evaluatie gezien. Dat is
geen verwijt, want het is heel logisch dat we na drie maanden nog geen
evaluatie hebben gezien van een nieuwe regeling.
De voorzitter:
Er is al gezegd dat er een brief komt.
Minister Bussemaker:
Ik zeg dat toe. Ik ben graag bereid om de vraag over de O&O-fondsen
erbij te betrekken. We moeten absoluut zien te vermijden dat er sprake
is van verdringing, want dat kan nooit de bedoeling zijn. De vragen over
zzp'ers en de eerste ervaringen met kansberoepen zal ik daarin ook graag
beantwoorden.
De voorzitter:
Ik proef dat er meerdere concrete voorbeelden worden gevraagd.
De heer Grashoff (GroenLinks):
Volgens mij zijn we sinds elf uur vanochtend met de commissie voor
Financiën bezig om hardcore over onderwijsbeleid en cultuur te
discussiëren. Ik heb wel de behoefte om die discussie te voeren, maar
wel graag met mijn collega-onderwijswoordvoerders. Ik ben als een van de
weinige in de gelukkige omstandigheid dat ik dat allebei ben. Het zit
klem, omdat hier meerdere dingen tegelijk gebeuren. Er wordt iets uit
een fiscale regeling gehaald en er wordt een bezuiniging op doorgevoerd.
Er moet een invulling komen in de sfeer van een subsidieregeling die
normaliter onder de verantwoordelijkheid van het departement OCW valt,
met controle van de Kamer, door tussenkomst van de commissie OCW. Dat
gaat hier ontzettend wringen. We zijn hier tot kwart over drie bezig. De
ene brief na de andere wordt toegezegd. Er is de ene discussie na de
andere, die dieper inzuigt op dit verhaal. Ik ben er eerlijk gezegd wel
een beetje klaar mee.
Eigenlijk zou ik ten principale willen vragen of het niet wijs zou zijn
om dit los te knippen. Wij zouden er al dan niet mee kunnen instemmen om
dit uit te fiscaliteit te trekken en het budgettair neutraal over te
dragen aan de begroting van OCW. Het debat met de minister wordt dan in
de commissie voor OCW gevoerd. Misschien betekent dat wel een wijziging
in de sfeer van de begroting van OCW, waarbij een eventueel
inverdieneffect op deze regelingen wordt verzilverd binnen de begroting
van OCW. Dan hebben wij ons niet vastgelegd op de omvang daarvan. De
minister kan de Kamer dan misschien overtuigen. Dit verloopt dan wel via
de woordvoerders op onderwijs, die de samenhang veel beter kunnen zien.
Dat scheelt ons uren vruchteloos discussiëren.
Minister Bussemaker:
Ik ben het geheel met de heer Grashoff eens dat het ingewikkeld is.
Beide dossiers zijn ingewikkeld, net als het dossier voor een leven lang
leren. Het heeft ook mijn grote voorkeur om dit te doen in het kader van
de debatten die ik vaker met woordvoerders heb, zoals afgelopen
donderdagavond. Toen hebben wij ook uitgebreid gesproken over leven lang
leren. Over twee weken is er een algemeen overleg over leven lang leren
waarbij collega Asscher ook aanwezig zal zijn. Het heeft ook mijn
voorkeur om daar de discussie te voeren, maar helaas heeft de Kamer het
zo gepland dat die debatten plaatsvinden na dit debat. Dat maakt verder
niet uit, maar het kan wel gevolgen hebben voor het Belastingplan. Op
dat vlak moet de Kamer volgens mij nu de afweging maken. Ik zou zeggen:
laten wij ervoor zorgen dat wij het inhoudelijke debat vooral voeren met
de woordvoerders op onderwijs. Ik ben graag bereid om in te gaan op alle
vragen die hier leven. Ik snap ook dat die vragen er zijn, want de Kamer
moet een zwaarwichtig besluit nemen. Op die vragen wil ik zo goed als
ook maar enigszins in mijn vermogen ligt antwoorden.
De heer Grashoff (GroenLinks):
Dat komt dichter in de buurt; er is alleen één heel duidelijk ding. Ik
merk dat ook heel sterk in dit debat. Ik wil graag de discussie aangaan
over de invulling van de regeling enzovoort, maar ik wil mij niet vooraf
vastleggen op een daarop in te boeken bezuiniging terwijl de regeling
als zodanig nog niet is besproken. Ik kan mij niet voorstellen dat
hiervoor geen andere technische oplossing mogelijk is, via een
tussentijdse begrotingswijziging of wat dan ook, waarbij wij dit binnen
de sfeer van OCW verder met elkaar uitvechten en regelen. Ik zou het
bijna aan de staatssecretaris van Financiën vragen: kan dat niet gewoon?
Dan kunnen wij deze discussie enorm bekorten en ons concentreren op de
vraag of wij het er al dan niet mee eens zijn dat dit uit de fiscaliteit
gaat. Dan zijn wij volgens mij gauw klaar.
Minister Bussemaker:
In lijn met de toezegging die ik eerder vandaag over de monumenten heb
gedaan, geldt ook hiervoor dat ik daar dan echt naar moet kijken. Ik zou
niet zo een-twee-drie weten hoe dat uit de fiscaliteit gehaald kan
worden zonder dat de Kamer goedkeuring geeft aan het Belastingplan. Dan
moet dit namelijk worden overgedragen aan OCW zonder dat de Kamer
duidelijkheid heeft. Deze regeling, de afschaffing van de aftrek, gaat
in 2018 in en een deel van de opbrengst daarvan wordt naar voren
gehaald. Daarom is het wel belangrijk om daar nu een besluit over te
nemen. Ik snap heel goed dat de Kamer die regeling wil zien. Als dat
helpt, ben ik graag bereid om nog deze week een aantal uitgangspunten
die daarbij worden gehanteerd, te verwoorden. Ik wil ook graag bekijken
of een technische oplossing nodig is in lijn met het voorstel van de
heer Grashoff, maar ik zie die nog niet. Dat zeg ik maar eerlijk.
De heer Van Weyenberg (D66):
Vorig jaar hebben wij hier een regeling met minister Asscher besproken.
Het grote verschil is natuurlijk dat wij toen wisten waar wij ja of nee
tegen moesten zeggen. Dat is wat hier nu wringt. Wij hebben geen idee
wat ervoor in de plaats komt én er is een taakstelling voor de helft van
het budget. Dat is in ieder geval voor mijn fractie een groot ongemak.
Nou ben ik ook woordvoerder op sociale zaken, waardoor ik mij bij dit
onderwerp ook nog wel thuis voel, maar ik heb toch een vraag. Wij weten
nog niet precies hoe die regeling eruitziet. Volgens mij is het een heel
andere soort regeling dan die waar de minister naar verwijst; er wordt
toch geprobeerd om voor alle werkenden een dekking te vinden. Hoe kan de
minister er nu zeker van zijn dat het budget afdoende is als het budget
wordt gehalveerd terwijl de regeling nog niet bekend is? Daaraan
gerelateerd: ik heb echt medelijden met de mensen bij UWV of DUO die
straks moeten zeggen wiens scholing wel en niet in aanmerking komt. Een
heel grote groep mensen die tot nu toe scholingsuitgaven kon aftrekken,
heeft daar straks geen recht meer op, toch? Anders levert dit geen 100
miljoen op.
Minister Bussemaker:
Ik heb al eerder gezegd dat er nu een enorm deadweight loss in de
regeling zit. Wij verwachten dat als je die veel gerichter gaat
inzetten, je het geld veel beter kunt besteden en dus ook evenveel
mensen kunt bedienen. Nu gaan de middelen ongericht naar alle scholing.
Straks is die gericht op transitie. Natuurlijk zijn er nog een aantal
uitvoeringsvragen over hoe je nu precies zeker weet dat een sector in
transitie is, maar het uitgangspunt is dat de regeling gericht is op
transitie. De regeling zal dus ook veel meer toegesneden zijn. Ik durf
dat ook te zeggen op grond van de ervaringen die we in de afgelopen
jaren hebben opgedaan met nieuwe regelgeving, waaronder ook met
vouchers. De verwachting is dat hiermee zo'n 40.000 mensen per jaar een
voucher zouden kunnen verkrijgen.
De heer Van Weyenberg (D66):
Maar omdat de focus op transitie ligt, zegt de overheid tegen heel veel
werkenden die aan scholing doen om inzetbaar te blijven of carrière te
maken: dat moet u voortaan helemaal zelf doen. Dat is een koerswijziging
ten opzichte van de doelstelling van de scholingsaftrek. Laat daar geen
misverstand over bestaan.
Ik heb nog één vraag, over de uitvoeringskosten van deze regeling. Die
lijken mij heel significant. Kan de minister daar nader op ingaan?
Minister Bussemaker:
Ik zie die koerswijziging ten opzichte van het huidige beleid niet. De
scholingsaftrek is nu niet effectief. Heel veel mensen zouden de
scholing ook hebben gevolgd als er geen scholingsaftrek was geweest.
Effectief zullen de effecten dus niet anders zijn. Natuurlijk blijven we
stimuleren dat mensen zich tijdens hun beroep blijven scholen. Daar
hebben werkgevers en werknemers O&O-fondsen voor. Maar alles waarmee
ik bezig ben — vraagfinanciering in het hbo, mbo en in het onderwijs in
het algemeen — is er juist op gericht om scholing tijdens het beroep te
blijven stimuleren.
Dan de uitvoeringskosten. Er staat nu maximaal 8 miljoen voor. Het is
altijd mooi als het met minder kan. Daar zullen we de komende tijd aan
werken. Maar dat bedrag is het maximum.
De heer Bashir (SP):
Als ik zo naar dit overleg luister, lijkt het wel of de minister voor
het eerst een wetsvoorstel aan de Kamer aanbiedt, omdat ze niet weet hoe
zo'n voorstel hier landt als we niet weten waar we voor stemmen. Ik zit
ook even te denken over wat er gebeurt in het land als de Kamer voor dit
wetsvoorstel stemt. Mensen die een opleiding willen beginnen of bezig
zijn met een opleiding, worden geconfronteerd met een gigantische
onzekerheid. Ze weten niet wat ze straks krijgen, of ze recht hebben op
een subsidiemaatregel en of ze hun opleiding straks wel kunnen betalen.
Deze minister zorgt er dus voor dat het land tot stilstand komt als het
om bijscholen gaat. Kan de minister ook daarop ingaan?
Minister Bussemaker:
Allerminst. Ik heb net al aangegeven dat er in de afgelopen jaren een
aantal doorbraken zijn geweest op het terrein van een leven lang leren,
terwijl we decennialang stilstand hebben gehad. We hebben voor het eerst
vouchers. We hebben voor het eerst, al is het met experimenten, een
systeem dat uitgaat van vraagfinanciering. Dat is een belangrijke eerste
stap. Op die weg gaan we door. Er is geenszins sprake van stilstand. Er
is sprake van enorm veel beweging, ook op het terrein van een leven lang
leren. We hebben het nu over één onderdeel van het levenlanglerenbeleid,
en niet het héle levenlanglerenbeleid. Dat passen we aan, zodat het meer
past bij de uitdagingen van de toekomst. Er komt een overgangsrecht voor
degenen die al bezig zijn. Daar komt een regeling voor, zodat mensen de
studie waaraan ze begonnen zijn, gewoon kunnen afmaken.
De heer Bashir (SP):
Ik hoor het graag concreter. Stel dat iemand naast zijn werk bezig is
met een deeltijdopleiding. Hij heeft te maken met hoge kosten:
collegegeld, studiekosten, studiemateriaal. Moet deze persoon doorgaan
met zijn opleiding of niet? Waar moet deze persoon zijn antwoord op
baseren: op het voorstel dat nu op tafel ligt of op iets wat de minister
nog moet uitwerken en aan de Kamer moet aanbieden?
Minister Bussemaker:
Deze persoon moet doorgaan met zijn opleiding, want de aanvragers die al
een meerjarige opleiding volgen, kunnen gedurende de nominale studieduur
elk jaar in aanmerking komen voor een voucher. Voor de groep studenten
die momenteel een meerjarige opleiding volgt, maar geen recht meer heeft
op studiefinanciering of studievoorschot en die zich heeft ingeschreven
voordat het kabinet de afschaffing van de scholingsaftrek bekend heeft
gemaakt, komt er een overgangsregeling. Zij krijgen vouchers voor de
nominale duur van de opleiding.
De heer Bashir (SP):
Maar dat is allemaal gebaseerd op een regeling die nog uitgewerkt moet
worden en aan de Kamer aangeboden moet worden. We weten helemaal niet of
dat doorgaat. De mensen in het land kunnen wel zo'n risico nemen, maar
zij weten niet of het voorstel aangenomen wordt. Dat is het punt dat
hier op tafel ligt.
Minister Bussemaker:
Ik geef dat hier nu aan: ik heb de verplichting om dat in de regeling op
te nemen. Bij dezen dus.
De heer Groot (PvdA):
De regeling moet nog nader worden ingevuld en de details moeten nog
bekend worden. Een van de redenen waarom we de regeling nu al bespreken,
is dat de afschaffing van de scholingsaftrek moet meelopen in de
vooringevulde aangifte. Kan dat eventueel nog worden teruggedraaid, al
is het alleen maar omdat bijvoorbeeld een volgend kabinet anders over
deze materie denkt? Is dat mogelijk, of stappen we nu op een trein die
niet meer te stoppen valt?
Minister Bussemaker:
Ik kijk even naar de staatssecretaris.
Staatssecretaris Wiebes:
Er zitten allerlei uitvoeringsaspecten aan de uitfasering uit de
fiscaliteit. Het opzetten van een nieuwe regeling valt uiteraard buiten
de scope van de fiscaliteit, maar in de fiscaliteit zouden we voor 22
november moeten weten wat hiermee gebeurt. Dat geldt voor beide
regelingen. Ook al is de termijn van invoering een andere, het is, om
redenen die hier misschien minder interessant zijn, tot 22 november
mogelijk om te bepalen of het de ene of de andere kant opgaat.
De heer Omtzigt (CDA):
Dat zal de senaat interessant vinden.
Ik heb het wetsvoorstel er nog even bij gepakt. In artikel 6 van het
wetsvoorstel wordt ingegaan op de uitvoeringskosten van de
Belastingdienst en in artikel 7 op de gevolgen voor burgers en
bedrijfsleven. Bij artikel 6 staat dat de Belastingdienst €260.000
minder kosten heeft aan de uitvoering, maar nu blijkt dat de nieuwe
subsidieregeling 8 miljoen kost. De uitvoeringskosten daarvan zijn dus
ongeveer het dertigvoudige van wat de Belastingdienst aan
uitvoeringskosten bespaart. Ware het niet logischer geweest, als je twee
regelingen vergelijkt, om die twee zaken in vergelijking tot elkaar te
bezien? Bij artikel 7 staan de gevolgen voor burgers en bedrijven. Het
vervallen van de fiscale aftrek levert een
administratievelastenverlichting op. Nu zal dat niet met gejuich
ontvangen worden door de monumentenpandeigenaren, maar een
administratievelastenverlichting voor burgers levert het niet op, al
gebeurt er heel veel, zo concludeer ik nu ik de nieuwe formulieren een
beetje op me heb laten inwerken.
Ik geef dit signaal even af omdat ik graag de vergelijking wil zien
tussen de oude en de nieuwe regeling om op dit soort essentiële punten
te kunnen zien of sprake is van een verbetering of een verslechtering.
En dan nog kan het zo zijn dat de uitvoeringskosten iets toenemen; dat
gebeurt namelijk typisch bij een subsidieregeling in vergelijking tot
een fiscale aftrekpost. Daar kunnen redenen voor zijn. De minister ziet
echter dat de Kamer niet in staat is om haar taak uit te oefenen en er
via een bijzinnetje achter komt dat er 30 keer zoveel uitvoeringskosten
zijn. Ik zou dus graag willen dat de minister in haar brief meeneemt
welke gevolgen dit voor de artikelen 6 en 7 zal hebben. Dat geldt ook
voor artikel 8, zeg ik erbij. Het is voor advies en consultatie
voorgelegd aan de Raad voor de rechtspraak. Gezien de opmerking van de
heer Van Weyenberg verwacht ik voor bezwaar en beroep nog wel een puntje
van de Raad voor de rechtspraak over de voucherregeling. Die zal zeggen:
wij verwachten dat we duizend rechtszaken per jaar krijgen wegens het
niet toekennen van een voucher. Als er namelijk ook maar iets
onduidelijk is, kom je in heel veel bezwaar- en beroepsfases terecht.
Dat is hiervan dus wel een integraal onderdeel.
Minister Bussemaker:
Ik zeg de Kamer toe dat ik in de brief die zij nog krijgt, ook zal
ingaan op de artikelen 6, 7 en 8. Ik ben overigens, op basis van de
ervaringen van de afgelopen jaren, niet zo bang voor heel veel
beroepszaken, want zover ik weet, hebben we die de afgelopen tijd bij
SZW en OCW niet gehad.
Mevrouw Aukje de Vries (VVD):
Voor 22 november moet er duidelijkheid zijn over de uitvoerbaarheid van
de regeling. Dat gaat over het technische aspect, maar bij het vorige
onderwerp hadden we het ook over de bezuiniging. Er werd toen een beetje
de indruk gewekt dat de bezuiniging voor 2017 niet aan de orde zou zijn
en dat het geen invloed zou hebben als we hier een jaartje later over
besluiten. Maar voor mijn gevoel staat er voor volgend jaar wel degelijk
een bedrag ingeboekt dat met een schuif naar voren wordt gehaald. Als
het besluit nu niet valt, valt er dus ook een gat in de dekking. Hoe
groot is dat gat precies? Is dat die 120 miljoen?
Minister Bussemaker:
106 miljoen.
Mevrouw Aukje de Vries (VVD):
Dus als er nu geen besluit valt, hebben we een tekort van 106
miljoen?
Minister Bussemaker:
Ja.
De voorzitter:
Ik stel voor dat u met uw volgende blok antwoorden begint.
Minister Bussemaker:
Ik was volgens mij bijna aan het eind van mijn beantwoording. Ik kom nog
even terug op de vraag hoe we ervoor blijven zorgen dat mensen zich ook
in andere situaties blijven scholen. Ik heb al gewezen op de vele
OCW-programma's die we daarvoor hebben, maar misschien is het goed om
ook het SZW-programma Duurzame Inzetbaarheid te benoemen, waarbij
branches worden gestimuleerd om ook binnen de sectoren te blijven
scholen. OCW heeft samen met EZ het Techniekpact gesloten, en samen met
VWS het Zorgpact, juist om ervoor te zorgen dat scholing, omscholing en
bijscholing vorm krijgen in sectoren waarin veel wordt veranderd.
Ik verwees al even naar het debat over de begroting van OCW van
afgelopen donderdag en naar het levenlanglerenkrediet, waarvan iedereen,
werkenden, werkzoekenden, zzp'ers of wie dan ook, gebruik kan maken. De
heer Rog heeft samen met de heer Van Meenen een motie ingediend over de
gevolgen van het verhogen van de AOW-leeftijd voor het
levenlanglerenkrediet (34550-VIII, nr. 23). Dat zou een van de thema's
kunnen zijn die we kunnen meenemen bij de uitwerking van de nieuwe
regeling. Op die manier kunnen we op basis van wat we al hebben, zoeken
naar nieuwe aanpassingen op de punten waar dat wenselijk is. Dat geldt
overigens ook voor de motie-Bruins/Straus (34475-VIII, nr. 14) die al in
juni werd ingediend, maar nu opnieuw in stemming komt. In die motie
wordt de regering verzocht, te onderzoeken op welke wijze meer
gelijkwaardigheid kan worden bereikt in het recht op bekostigd
onderwijs, ongeacht opleidingsniveau en leeftijd, bijvoorbeeld door
middel van een scholingsbeurs of leerrechten. Ook deze elementen van de
motie, waarbij het gaat over bekostigd en onbekostigd onderwijs,
leeftijd en de kosten en de opbrengsten van een dergelijk systeem,
zullen we meenemen bij de verdere uitwerking.
Ik ben al ingegaan op de vraag hoe de aanvraagprocedure eruitziet. Ik
heb al toegezegd om dat schriftelijk aan te geven. Daarom laat ik het
hier even bij. Ik ben ook al ingegaan op het bereik ervan. Daarmee ben
ik aan het eind van mijn beantwoording.
De voorzitter:
Mevrouw Schouten had een vraag over de kasschuif, althans zij begon
daarover. Die vraag dient de staatssecretaris te beantwoorden.
Staatssecretaris Wiebes:
Voorzitter. Niet alleen mevrouw Schouten maar ook de heer Omtzigt vroeg
wat dit kabinet van zo'n kasschuif vindt. In dit geval betreft het een
kasschuif op de begroting van OCW. Naar aanleiding van de opmerking van
de heer Omtzigt heb ik het antwoord in de schriftelijke set er even bij
gepakt. Dat antwoord munt niet uit door veelzeggendheid. In de
voorbereiding ben ik daar te snel doorheen gegaan. De heer Van Weyenberg
zei het ook al: de kasschuif is er eigenlijk alleen voor het deel van de
scholingsaftrek. De monumentenaftrek zou namelijk al in 2017 vervallen.
Voor het andere deel zou er dan een kasschuif nodig zijn, en dan alleen
na een technische omzetting, aangezien het anders aan de inkomstenkant
zit.
Een kasschuif is geen vaste gewoonte in begrotingsland. Een kasschuif is
misschien ook niet het mooiste meisje van de klas, maar de toepassing
ervan is lang niet ongebruikelijk. Er kunnen immers allerlei goede
redenen voor zijn. De kasschuif zit alleen aan de uitgavenkant. Wij van
de inkomstenkant doen niet aan kasschuiven. Het gebeurt alleen als er
een omgekeerde kasschuif tegenover staat. Je schuift uitgaven naar voren
en brengt ze dichterbij. Dat betekent dat je in de latere jaren navenant
minder kan uitgeven. Je kunt dus zeggen dat je hem netto contant
platslaat. Het gaat daarbij om een expliciet besluit van de minister van
Financiën. Hij is geneigd om dat besluit te nemen als er wat tegenover
staat, in dit geval een omzetting van de inkomsten- naar de
uitgavenkant. Dat levert een doelmatiger en beter te sturen regeling op.
Ter overbrugging is de kasschuif ingezet. De gedachte daarachter is dat
het uiteindelijk een beter te sturen regeling oplevert. Zo is deze
kasschuif er gekomen. Het is dus niet ongebruikelijk, maar het gebeurt
alleen na een expliciet besluit van de minister van Financiën, als het
ook een doel dient.
Mevrouw Schouten (ChristenUnie):
Of het een betere regeling wordt, kunnen wij nog niet vaststellen, want
die regeling is er nog niet. Het klinkt als een argument zoeken bij een
gelegenheid. Volgens mij weet de staatssecretaris dat zelf ook. Er is,
zoals de minister zelf ook heeft aangegeven, een budgettair probleem op
de begroting van OCW. En daarom hebben wij dit toegepast. Kan de
staatssecretaris aangeven wanneer deze vorm van kasschuif, dus het
oplossen van een probleem op een begroting door het inboeken van een
toekomstige bezuiniging, in de afgelopen twee jaar toegepast is?
Staatssecretaris Wiebes:
Dat moet ik dan echt uit de portefeuille van de minister van Financiën
halen. Ik heb de kasschuiven over de afgelopen jaren niet paraat, maar
het is een niet-ongebruikelijk middel. Het wordt wel vaker toegepast,
maar het is geen gewoonte. Zo heb ik het gezegd.
Mevrouw Schouten (ChristenUnie):
Niet-ongebruikelijk? Ik heb de afgelopen jaren heel wat keren aan tafel
gezeten om onderhandelingen te voeren om de begroting elke keer rond te
krijgen. Daar was echt altijd het adagium: het moet gewoon daar
gebeuren. Soms hebben wij daar heel moeilijke maatregelen voor moeten
nemen. Ik zie nu dat een maatregel later wordt genomen, maar nu alvast
wordt ingeboekt. Wij kunnen hier het hele, principiële debat gaan
voeren, maar ik vind het niet een minister van Financiën waardig om het
op deze manier te doen. Ik kan het mij niet voorstellen dat de
staatssecretaris van Financiën het goed vindt dat het op deze manier
gebeurt. Waar hebben wij anders al die moeilijke discussies in het
verleden over zitten voeren om in een jaar een begroting sluitend te
krijgen?
De voorzitter:
Ik hoorde geen vraag.
Mevrouw Schouten (ChristenUnie):
Kan de staatssecretaris hier ronduit zijn goedkeuring aan geven?
Staatssecretaris Wiebes:
Dit is na degelijke afweging onder leiding en verantwoordelijkheid van
de minister van Financiën gedaan. Daar neem ik zeker geen afstand
van.
De heer Omtzigt (CDA):
Dan zou ik daarover graag een briefje van de minister van Financiën
krijgen. Op welke wijze strookt dit met bijlage b bij het regeerakkoord,
waarin de financiële spelregels vastliggen? Ik stel de vraag van mevrouw
Schouten nog iets specifieker. Ik zie zo nu en dan een kasschuif omdat
geld bijvoorbeeld iets later of iets eerder uitgegeven wordt. Dat snap
ik nog weleens, maar dat is een ander soort kasschuif. Kan de regering
één voorbeeld geven, eentje maar, van een kasschuif waarin een
bezuiniging wordt ingeboekt die een volgend kabinet moet invullen omdat
dit kabinet dat weigert, en de opbrengst van de kasschuif door dit
kabinet wordt gebruikt om in deze regeerperiode nog uit te geven? Want
dat is wat er voorligt. De regelingen van de toekomst zijn nog niet
duidelijk en nog niet ingevuld, maar het geld ervan wordt ingeboekt door
dit kabinet om een gat in de lopende begroting te dichten. Ik zou graag
één voorbeeld horen wanneer dat ooit gebeurd is en of de minister van
Financiën dat een verantwoorde manier vindt om om te gaan met het
volgende kabinet.
De voorzitter:
In mijn conclusies kom ik hierop terug.
De heer Van Weyenberg (D66):
Aanvullend zou ik de vraag willen stellen wat dit betekent voor de
preadvisering op amendementen die op deze manier worden ingediend. Ik
ben dat overigens niet voornemens, maar mij valt op dat het kabinet vaak
buitengewoon streng is op amendementen. Die strengheid bemerk ik niet
altijd bij de eigen begroting. Die vraag zou ik graag toevoegen aan het
briefje waar daarnet sprake van was.
Mevrouw Schouten (ChristenUnie):
Daarop aanvullend een serieuze noot: kunnen wij voor de oplossing van
het probleem van OCW amendementen indienen die later in de tijd liggen
en die daarmee een kasschuif organiseren? Dat maakt het aantal opties
namelijk aanzienlijk groter. Als dit de manier is waarop het probleem
wordt opgelost, dan hoor ik graag of wij het ook op deze manier mogen
oplossen.
De voorzitter:
Sorry, ik was even afgeleid.
Mevrouw Schouten (ChristenUnie):
Betekent het feit dat de minister ervoor kiest, een bezuiniging in de
toekomst te gebruiken om het probleem voor 2017 op te lossen, dat ook
wij in onze amendering op dit punt bezuinigingen in de toekomst kunnen
gebruiken om het op te lossen? Dat zou ons namelijk ook veel meer
mogelijkheden geven om het probleem op te lossen.
De voorzitter:
Die vraag ligt in het verlengde van de vraag van de heer Van Weyenberg,
hoor ik.
Goed, ik wil hiermee deze eerste termijn afronden. Wat ik voorstel, is
in lijn met wat we bij de eerste termijn hebben geconcludeerd voor de
monumenten. Ten eerste zijn een aantal stukken informatie toegezegd. Het
belangrijkste is de brief die voor deze week is toegezegd en waarin
onder andere de contouren van de regeling nogmaals uiteengezet zullen
worden. Er wordt daarin ook ingegaan op de punten 6, 7 en 8 van het
voorstel. Er zijn vragen gesteld over de financiën en over hoe een en
ander uitwerkt. Dat hebben we net een minuut geleden bediscussieerd. Ik
stel voor dat die brief er snel komt. Mijn vraag aan de minister is of
die brief bijvoorbeeld morgen eind van de dag hier kan zijn. Dan heeft
de commissie nog gelegenheid om, in de procedurevergadering die we
houden over het overleg dat we willen inplannen over de monumenten, te
bezien hoe we hiermee verder willen gaan. Ik kijk naar de Kamerleden,
maar het lijkt mij terecht om hier nu geen tweede termijn over te
houden, maar na ontvangst van die brief in de procedurevergadering te
bezien hoe we hiermee verdergaan. Dat is mijn voorstel. Ten tweede is
voor de wat langere termijn toegezegd dat die voucherregeling in januari
2017 naar de Kamer komt. Op de korte termijn is echter die andere brief
het belangrijkste.
Minister Bussemaker:
De Kamer krijgt die brief van mij woensdagochtend in plaats van
dinsdagmiddag. Ik denk dat die dan aan kwaliteit wint.
De voorzitter:
Ik bedoelde ook al woensdag.
Minister Bussemaker:
Oké, des te beter. Woensdagmiddag hebt u hem zeker.
De voorzitter:
Ik versprak mij. Aan de kant van de Kamer hoorde ik gemompel over
woensdag rond de lunch. Dus laten we afspreken dat die brief er rond
12.00 uur is. Mevrouw De Vries heeft nog een vraag.
Mevrouw Aukje de Vries (VVD):
Er werd geconcludeerd: we gaan de contouren nog een keertje schetsen.
Dat vind ik bij de monumenten en bij dit verhaal wel een beetje
problematisch. Ik heb in mijn eerste termijn al nadrukkelijk aangegeven
dat je geen oude schoenen moet weggooien voordat je nieuwe hebt. Dat
geeft ook wel aan hoe wij tegenover dit voorstel staan. Als die
contourenschets een herhaling wordt van wat we in de beantwoording al
mondeling hebben gehoord, dan zou dat wat mij betreft volstrekt
onvoldoende zijn. Ik hoop dat de minister hier kan toezeggen dat het in
ieder geval meer wordt en dat we echt concreet duidelijkheid krijgen
over hoe die regeling er gaat uitzien. Inzake de monumenten zou ik ook
een doorkijkje van de minister willen hebben naar 2019. Wij vinden het
belangrijk dat we duidelijkheid krijgen over die andere regelingen, want
anders wordt het een heel moeilijk verhaal.
De voorzitter:
Ik hoor twee verzoeken, het eerste betreft de scholing en is naar
aanleiding van het debat over de concrete voorbeelden, de zzp'ers
enzovoorts. Het tweede betreft de monumenten. Niet alleen de transitie,
maar ook de richting moet duidelijker worden.
Minister Bussemaker:
Ik zal mijn best doen, maar ik ben wel eerlijk. De nieuwe
scholingsregeling kan ik de Kamer in januari sturen, maar die is nog wel
in wording. Ik kan de Kamer niet een halve regeling toesturen. Ik kan
wel de uitgangspunten die we nu kennen zo precies mogelijk aangeven en
schetsen wat we gaan doen. Ik kan de Kamer ook vertellen wat de punten
zijn waarover we nog een besluit moeten nemen, maar de regeling zelf heb
ik nog niet. Ik wil ook niet dat er nu verkeerde verwachtingen
ontstaan.
De voorzitter:
Ja, maar we kunnen wel voorbeelden krijgen van de contouren van de
scholing. Oké, dan wil ik nu even gaan schorsen.
De heer Omtzigt (CDA):
Dat is een prima voorstel, inclusief die woensdag. Voor mij ging het
erom dat de drie vragen die ik aan het eind gesteld had, door de
minister van Financiën zelf beantwoord worden. Ik wil dus een grote
brief van de minister van OCW en een wat korter briefje van de minister
van Financiën. Zo veel voorbeelden zijn er niet dat dit gebeurt.
De voorzitter:
Ik ga ervan uit dat dit via de minister van Onderwijs bij de minister
van Financiën komt en dat dit ook in de beantwoording zit. Om 16.00 uur
gaan wij verder met de beantwoording in eerste termijn van het
Belastingplan.
De vergadering wordt van 15.43 uur tot 16.00 uur geschorst.
De voorzitter:
We gaan verder met dit wetgevingsoverleg. Ik hoorde de griffier al in
mijn linkeroor fluisteren: de blokjes! Misschien kan de staatssecretaris
zelf even aangeven wat zijn indeling is. Dan kunnen de leden even rustig
meeschrijven. Dat is altijd prettig, want dan weten we waar we
zijn.
Staatssecretaris Wiebes:
Voorzitter. We gaan het nu over iets heel anders hebben: fiscaliteit. Er
zijn een paar vragen gesteld over het koopkrachtpakket. Daar wil ik mee
beginnen. Als tweede wilde ik de vragen die samenhangen met het
vestigingsklimaat behandelen. Als derde wil ik ingaan op alles wat
samenhangt met belastingontwijking. Als vierde behandel ik de vragen
over de bedrijfsopvolgingsregeling. Als vijfde ga ik in op alles wat
samenhangt met vereenvoudiging. Als zesde onderwerp zal ik pensioen in
eigen beheer behandelen. Daarna ga ik in op vergroening. Aan het eind
wil ik een aantal procesvragen behandelen. En dat allemaal voor zessen!
Ik ga dus heel hard. Nee, ik vrees dat het niet voor zessen gaat
lukken.
De heer Omtzigt (CDA):
We behandelen zes wetsvoorstellen bij elkaar. Waar zit bijvoorbeeld het
wetsvoorstel over rulings? Waar zitten de verschillende wetsvoorstellen?
Of doen we alles door elkaar?
Staatssecretaris Wiebes:
Ik heb de vragen meer naar onderwerp gerangschikt. Over de rulings is
één vraag gesteld. Die wilde ik bij het onderwerp belastingontwijking
behandelen. Ik heb het meer thematisch dan wetstechnisch aangepakt,
omdat sommige dingen ook inhoudelijk samenhangen en zich in
gezamenlijkheid laten bespreken.
Ik heb met oprechte bewondering niet alleen naar de hoeveelheid vragen
die in aanloop naar dit debat gesteld zijn, maar ook naar het hoge
niveau van de vragen gekeken. Het leek mij passend om de technische
vragen zo veel mogelijk schriftelijk te beantwoorden, omdat de
technische details en de cijfers anders over tafel vliegen en het voor
de woordvoerders niet makkelijk is om dat te internaliseren en daarover
meteen het debat te voeren. Ik dacht dat het het debat ten goede zou
komen om enige voorbereidingstijd aan de kant van de Kamer te creëren.
Ik heb dat zo veel mogelijk schriftelijk gedaan. Er blijft een aantal
vragen over die meer voor discussie in aanmerking komen. Die wilde ik
mondeling langslopen.
Ik begin met het koopkrachtpakket. De gemiddelde koopkrachtstijging van
de huishoudens zit dit jaar rond de 1%. Het koopkrachtpakket is erop
gericht geweest om dat zo gelijkmatig mogelijk te doen. Grote groepen
belastingbetalers maken een ruwweg vergelijkbare koopkrachtontwikkeling
door. Er was een heel pakket nodig om dat voor elkaar te krijgen. Dat is
niet bijzonder, want dat doen we elk jaar. Elk jaar wordt er gekeken
naar koopkracht, ook dit jaar weer.
Mevrouw Schouten en de heer Van Weyenberg wijzen er terecht op dat er
ook nadelen zijn verbonden aan het ieder jaar opnieuw kijken naar
koopkracht en het nemen van maatregelen daarop. Mevrouw Schouten zegt:
hoe belangrijk is consistentie, want ik zie dingen naar beneden gaan die
eerder omhoog zijn gegaan en andersom. Consistentie blijft een streven,
maar een gelijkmatige koopkrachtontwikkeling is ook een randvoorwaarde.
Daarvoor is dat pakket bedoeld. De heer Van Weyenberg zegt dat er een
beperktere verhoging van de arbeidskorting is dan eerst was voorzien. De
verhoging van de arbeidskorting is €120, maar zonder verder zogenaamd
verticaal ingrijpen was die meer dan €160 geweest. Ook hiervoor geldt:
banen zijn belangrijk, maar een gelijkmatige koopkrachtontwikkeling is
ook een randvoorwaarde. Dat doen wij elk jaar. Het is een afweging
tussen die vormen van consistentie en die vormen van gelijkmatigheid van
koopkrachtontwikkeling.
Aan het sluitend krijgen van de overheidsfinanciën zijn überhaupt
nadelen verbonden. Mevrouw Schouten heeft ook hierover een goede vraag
gesteld, mede namens de heer Dijkgraaf. Zij zegt dat de algemene
heffingskorting wat minder algemeen is geworden. Dat is ook zo. Om
budgettaire redenen is er gekozen voor een afbouw. De
belastingplichtigen in de eerste, de tweede en de derde schijf hebben
die algemene heffingskorting nog, maar op een gegeven moment komt die op
nul uit. Dat gebeurt in de vierde schijf. Het betreft 5% van de
belastingplichtigen, maar ik kan er niet omheen dat de algemene
heffingskorting iets minder algemeen is geworden. Mevrouw Schouten heeft
daar gelijk in; het is een feit. Als je schoonheid had nagestreefd, had
je dat vermoedelijk anders gedaan. Om budgettaire redenen is echter
gekozen voor solide overheidsfinanciën en is op dit punt een concessie
gedaan aan de schoonheid.
Er zijn vragen gesteld en er is discussie geweest, ook onderling, over
allerlei vormen van marginale druk. Onder anderen mevrouw Schouten en de
heer Van Dijck hebben vragen gesteld. In de discussie komen drie
trajecten van een vorm van marginale druk steeds weer aan de orde. Het
eerste traject is van bijstand naar werk; noem het de armoedeval, wat
ook een vorm van marginale druk is. In de kabinetsperiode is die vorm
van marginale druk aanzienlijk verbeterd, onder andere door aan de
arbeidskorting te sleutelen. Daardoor is het voor mensen aantrekkelijker
geworden om aan het werk te gaan.
Het tweede traject gaat van het wettelijk minimumloon naar modaal. De
gemiddelde marginale druk is 50%. Het is gemiddeld beheersbaar, maar ik
zal er zo nog wat over zeggen, omdat natuurlijk niet iedereen gemiddeld
is.
De derde vorm van marginale druk die we ook heel lang en heel veel
hebben besproken, is de belastingdruk die staat op herintreding of die
extra dag werken van de partner. Ook deze vorm van marginale druk is
aanzienlijk verbeterd in deze kabinetsperiode, maar er zitten aan die
zaken ook wel weer maren vast. Als je de verhouding tussen de onderkant
en de bovenkant ongeveer gelijk houdt en de marginale druk in de eerste
twee trajecten kleiner maakt, dan wordt die in het laatste traject
natuurlijk groter. Dat betekent dat boven modaal de marginale druk is
opgelopen. Het is een wiskundesom: ergens moet het kloppen. Het is dus
wel een logische consequentie dat ervoor gekozen is om middengroepen
tussen WML en modaal meer uit te nodigen om aan het werk te gaan en om
mensen onderin meer uit te nodigen om aan het werk te gaan. Maar dat
heeft dus consequenties voor andere trajecten. Of je moet natuurlijk
sterk denivelleren, maar daar heeft dit kabinet niet op ingezet.
Er is nog een tweede maar. Dat is wat gemiddeld klopt tussen WML en
modaal. Ja, dat klopt gemiddeld, maar er zijn ook allerlei mensen die
helemaal niet gemiddeld zijn. Je zal bijvoorbeeld in aanmerking zijn
gekomen voor allerlei vormen van inkomensondersteuning, zoals de
huurtoeslag, de zorgtoeslag, het kindgebonden budget, de arbeidskorting;
je kunt op allerlei manieren in dat gebouw passen. De huurtoeslag
vervalt bij €31.000, de zorgtoeslag bij €36.000, het kindgebonden budget
verdwijnt op een gegeven moment en de arbeidskorting bouwt ook af vanaf
€32.000. Als je dat allemaal hebt en je ziet het allemaal tegelijk
afbouwen, ja dan ben je niet langer gemiddeld. Dan kijk je soms best
tegen een hoge marginale druk aan. Dat is waar. Dat komt ook doordat de
diversiteit in belastingbetalers enorm is. Je probeert natuurlijk altijd
om niet alleen het gemiddelde in de gaten te houden, maar ook bijzondere
gevallen en huishoudens die niet gemiddeld zijn. Dat lukt in het ene
geval beter dan in het andere geval.
Dan ben ik door de directe vragen over het koopkrachtpakket heen.
Mevrouw Schouten (ChristenUnie):
Het waren zo veel punten in een, dat ik even zit te zoeken hoe ik het
allemaal in één vraag kan proppen. Eigenlijk zegt de staatssecretaris:
het klopt dat we niet consistent zijn, het klopt dat de algemene
heffingskorting geen algemene heffingskorting meer is, en het klopt dat
de marginale druk voor de middeninkomens hoog is.
Staatssecretaris Wiebes:
Nee.
Mevrouw Schouten (ChristenUnie):
Voor de hogere inkomens, heeft de staatssecretaris gezegd, maar er is
nog een groep waarover ik niets heb gehoord en dat is de groep
eenverdieners die wat meer gaan verdienen en er dan zelfs op
achteruitgaan. Op die groep wil ik de staatssecretaris nog bevragen.
Onderkent hij dat er een groep is waarvoor de marginale druk ertoe leidt
dat men minder gaat verdienen, dus echt erop achteruitgaat? Die vraag
had ik ook gesteld in mijn inbreng. Maar dat alles overziend — laat ik
dan maar gewoon de gewetensvraag stellen aan de staatssecretaris — vindt
hij het belastingstelsel zoals we dat nu hebben gekregen, fraai?
Staatssecretaris Wiebes:
Ik zeg niet dat in het algemeen de marginale druk voor de middengroepen
hoog is. De marginale druk naar inkomensniveau is rond de 50%, maar daar
is ook het een en ander aan verbeterd. Dat vind ik er fraai aan. De
armoedeval is verbeterd. Dat vind ik belangrijk. Dat is bekend. Ik heb
mij daar ook persoonlijk over uitgelaten. Een samenleving moet wat mij
betreft echt uitstralen dat werk wordt gewaardeerd, niet alleen maar op
de werkvloer, maar ook in de portemonnee. Die armoedeval is verbeterd in
deze kabinetsperiode. Daar is ook hard aan gewerkt. Dat is ook de
werkagenda geweest. De herintreding van de partner, voor wie het in het
verleden nauwelijks loonde om aan het werk te gaan, is ook verbeterd.
Dat is positief. Maar het is een wiskundig feit dat als je van een laag
naar een hoog punt moet en de eerste stukken sneller stijgen, het
laatste stuk minder snel stijgt. Dat betekent dus dat de marginale druk
boven in het gebouw toeneemt. Dat is een bijna wiskundige wetmatigheid.
Waarbij ik wel wil zeggen dat elk voorbeeld van een huishouden dat er
met meer werken niet op vooruit gaat, nooit fraai is. Daar streef je
niet naar. Maar de diversiteit in huishoudens is zo groot, dat er ook
altijd voorbeelden te vinden zijn waarbij het niet goed uitpakt. Er is
dus een hoop aan verbeterd, maar zolang er nog huishoudens te vinden
zijn die er niet op vooruitgaan bij meer inzet, denk ik dat wij hier
rond de tafel daar allemaal hetzelfde van vinden, namelijk dat meer
inzet voor de samenleving gehonoreerd moet worden.
Mevrouw Schouten (ChristenUnie):
Dat laatste vereist dan wel actie. De staatssecretaris vindt dat het
niet rechtvaardig is dat iemand erop achteruitgaat als hij nota bene
meer gaat werken. Werken moet lonen; dat was het adagium van dit
kabinet. De staatssecretaris heeft aangegeven dat dat voor een aantal
punten geldt. Ik heb het voorbeeld genoemd van een eenverdiener die van
€27.000 — dat is geen hoog inkomen — naar €32.000 netto gaat en er €57
op achteruitgaat. Dat is een marginale druk van meer dan 100%. De
staatssecretaris zegt dat werken moet lonen. Vindt hij dan ook dat wij
moeten bekijken hoe wij deze persoon maximaal tegemoet gaan komen? Het
gaat niet alleen om deze persoon; het is een hele groep mensen.
Ik heb nog een tweede vraag. Wij hebben vorig jaar een hele discussie
gehad over het aantal banen. Nu heeft de staatssecretaris om
koopkrachtredenen een move gemaakt waarmee hij een aantal papieren banen
— wij zeiden altijd dat het vaak om papieren banen gaat — vernietigt.
Destijds was dat hét argument om niet naar alternatieven te kijken van
de coalitie om de onrechtvaardigheid tussen eenverdieners en
tweeverdieners op te heffen. Wat zegt de staatssecretaris nu hij zelf
21.000 banen verpulvert? Het is niet ons hoogste doel maar wel dat van
de staatssecretaris, terwijl dat vorig jaar de reden was om niets te
doen om een iets rechtvaardiger belastingstelsel voor bijvoorbeeld de
eenverdieners te krijgen. Wat zegt de staatssecretaris daarop?
Staatssecretaris Wiebes:
Dat is een beetje het antwoord op de vraag van de heer Van Weyenberg.
Banen zijn een belangrijk doel, maar koopkracht is ook een
randvoorwaarde. Als je het koopkrachtpakket niet zou hebben ingevoerd,
dan heb je niet dat baneneffect, maar dan gaan heel grote, belangrijke
groepen zwaar in de min. Dat was vorig jaar niet zo. De eenverdieners
gaan er in 2016, even uit mijn hoofd, volgens de huidige ramingen 2% op
vooruit als je de uiteindelijke eindafrekening inclusief de inflatie
beschouwt. Dat was zonder het koopkrachtpakket in 2017 wel een beetje
anders geweest, want daar waren groepen bij, zoals
uitkeringsgerechtigden en ouderen, die zwaar de min in zouden gaan. Dat
is andere koek. Dat heeft het kabinet willen voorkomen. Daarvoor is dat
koopkrachtpakket in het leven geroepen. Dat heeft consequenties, zoals
het inconsistentie-effect dat mevrouw Schouten al noemde, maar het heeft
ook implicaties voor de werkgelegenheid. Dat klopt. Wel is ervoor
gekozen om niet heel grote groepen in deze samenleving in de min te
sturen. Dat is een expliciete randvoorwaarde geweest bij het opstellen
van dit Belastingplan en deze begroting.
Mevrouw Schouten begon met de oproep om maximaal tegemoet te komen. Dat
is gedurende deze kabinetsperiode al gebeurd, want voor veel meer mensen
gold dat zij aan het werk gingen maar er niet op vooruitgingen. Er waren
ook meer mensen voor wie aan het werk gaan als "partner van" niet
loonde. Die dingen zijn aangepakt. Dat is verbeterd. Dat tonen de
getallen aan, maar met deze diversiteit aan belastingbetalers betekent
dat inderdaad niet dat het voor ieder denkbaar huishouden in iedere
denkbare samenstelling automatisch goed gaat. Je kunt ook bijna geen
beleid generiek vastleggen in de wet waar ieder huishouden op dezelfde
manier op reageert. Dat is eenvoudigweg ondenkbaar. Wij hebben een range
aan koopkrachtondersteunende instrumenten aan de onderkant. De mix
daarin is voor heel veel huishoudens verschillend en dat werkt ook
verschillend uit. Dat is altijd zo geweest. Er zitten ook altijd
voorbeelden bij waarvan je zegt: zo heb ik dat niet bedoeld. Maar
kwesties als de wig en de armoedeval voor degene die aan het werk gaat
en voor de partner, zijn deze kabinetsperiode aanzienlijk verbeterd. Van
deze voorbeelden zeiden we een paar jaar geleden waarschijnlijk
allemaal: joh, daar zou toch eigenlijk wat aan moeten gebeuren. Nou, dat
is gebeurd.
De voorzitter:
De heer Van Weyenberg.
Mevrouw Schouten (ChristenUnie):
Mag ik tot slot nog één vraag stellen? Ik had hier echt heel veel vragen
over gesteld en die zijn allemaal in één blokje beantwoord. Ik hoop dat
ik dus nog een derde vraag mag stellen.
De voorzitter:
Ik heb het gezien, ja.
Mevrouw Schouten (ChristenUnie):
Mijn conclusie is dat dit kabinet, dat de belastingdruk voor een
eenverdiener met een modaal inkomen met een factor twee tot zes groter
heeft gemaakt dan die voor tweeverdieners, er bewust voor heeft gekozen
om de groep eenverdieners te laten betalen voor al die andere groepen.
Is die conclusie juist? Dat is namelijk de enige conclusie die ik kan
trekken uit alle voorbeelden die hier gegeven zijn. Het gaat niet alleen
maar om een toevalligheidje of om een gezin of een geval dat er net
tussen valt. Dit kabinet heeft de rekening voor de koopkracht laten
betalen door de eenverdieners.
Staatssecretaris Wiebes:
Daarover hebben we op Prinsjesdag nog een brief gestuurd. Daar kun je
nadrukkelijk echt ook op een andere manier tegen aankijken. Als je een
huishouden met twee keer modaal vergelijkt met een huishouden met
eenmaal dubbel modaal — dus de tweeverdieners en de eenverdiener met
hetzelfde huishoudinkomen — dan zie je verschillen in belastingdruk.
Maar als je ervan uitgaat, en dat is de insteek van het kabinet en van
de coalitie, dat je belastingheffing op individueel niveau bekijkt en
dat je progressiviteit dus ook op het individu loslaat, dan moet je de
belastingdruk van een gezin met eenmaal modaal vergelijken met die van
een gezin van tweeverdieners met een equivalent van allebei een modaal
inkomen. Dan zou je namelijk dezelfde progressiviteit verwachten en dus
dezelfde belastingdruk. Doordat de algemene heffingskorting wel degelijk
nog voor een deel overdraagbaar is, zie je — dat stond ook in die brief
— dat op basis van die vergelijking op dit moment de lastendruk bij de
tweeverdieners nog net wat hoger is dan bij een eenverdiener.
Daarom hangt het er erg van af hoe je daartegen aankijkt. Neem je het
gezin als rekeneenheid, dan kom je tot andere conclusies dan wanneer je
het individu als rekeneenheid neemt. Dat laatste heeft dit kabinet
uitgedragen. Dat is een keuze geweest. We hebben met elkaar erkend dat
je daar ook anders tegen kunt aankijken. Dat is een heel valide manier
van kijken, waarbij ik geen enkel tegenargument heb anders dan dat dit
kabinet ervoor heeft gekozen om het als iets individueels te zien.
Alleen al daarom hebben we ervoor gezorgd dat de prikkel voor de partner
om ook te gaan werken, toeneemt. Dat is het neveneffect ervan. Het is
dus de vraag hoe je daartegen aankijkt. Die discussies hebben we hier
vorig jaar en zelfs het jaar daarvoor ook gehad. Afhankelijk van je
gezichtspunt kom je tot een conclusie. De brief die daarover is
gestuurd, laat zien dat bij een individuele zienswijze de belastingdruk
niet uit de pas loopt.
De heer Van Weyenberg (D66):
Dat banenverlies vindt ook mijn fractie natuurlijk onprettig.
Tegelijkertijd snap ik wel de spanning met een koopkrachtpakket, waarvan
ik de achtergrond ook begrijp. Ik heb de staatssecretaris een vraag
gesteld over de stap van uitkering naar werk en over de
werkloosheidsval. Begrijp ik de staatssecretaris goed dat hij zei dat je
er, doordat de arbeidskorting minder omhooggaat dan eerder gepland, €40
minder op vooruitgaat dan oorspronkelijk als je vanuit een uitkering op
het minimumloon aan de slag gaat? Was dat het exacte getal? Ik ben
namelijk even op zoek naar het exacte getal. Ik meen dat de
staatssecretaris dat net tussen neus en lippen, een beetje in een
bijzin, zei. Is het inderdaad exact €40?
Staatssecretaris Wiebes:
Ik weet dat getal niet uit het hoofd. Ik heb betoogd dat het niet
specifiek in dit jaar om een … Sorry, ik heb iets anders gezegd. Ik heb
gezegd dat de arbeidskorting met €120 toeneemt en dat dat oorspronkelijk
met €166 was. De arbeidskorting zou met €166 toenemen, maar dat is €46
minder geworden en ze neemt nu dus met €120 toe. Ik denk dat de heer Van
Weyenberg op die passage doelde.
De heer Van Weyenberg (D66):
Dat was precies mijn vraag. Dat betekent dus dat je er bij de stap van
een uitkering naar werk op minimumloonniveau €46 minder op vooruitgaat
dan oorspronkelijk het doel was. Dat is helder.
Mijn tweede vraag is dan de volgende. Ik begrijp dat het
koopkrachtpakket er moest komen. Dat steun ik ook. En ik begrijp dat je
daar geld voor moet vinden. Dat is altijd een lastige opgave. Maar
waarom is er niet ook wat vergroening voor in de plaats gekomen? Ik kan
geen tekst van bijvoorbeeld de Partij van de Arbeid zien of er staat:
lasten op arbeid omlaag en op vervuiling omhoog. Daar kan ik me erg goed
in vinden. Is dat helemaal niet op tafel geweest?
Staatssecretaris Wiebes:
Mag ik daarop terugkomen wanneer ik spreek over de amendementen?
De heer Tony van Dijck (PVV):
De staatssecretaris, met de VVD voorop, zegt altijd dat werken moet
lonen. Maar ik kijk naar de tabellen over de stap van wettelijk
minimumloon naar modaal. Als je er €1.000 op vooruitgaat, dan moet je
90% daarvan inleveren bij de Belastingdienst. Dat is niet echt "lonen".
Er is zelfs ergens een moment — mevrouw Schouten had het er al over —
dat je van €31.000 naar €32.000 gaat en er dan €400 op achteruitgaat.
Met andere woorden: als je op het minimumloon zit en je verder wilt,
carrière wilt maken en richting modaal wilt, dan motiveert het toch niet
als je dan 90% bij de staatssecretaris moet inleveren? Waarom heeft hij
dat niet gerepareerd? Waarom zorgt hij er niet voor dat werken gaat
lonen als je van minimumloon naar modaal gaat?
Staatssecretaris Wiebes:
Qua gemiddelde marginale druk is het in orde, maar er zijn altijd
voorbeelden te vinden waarbij het minder goed gaat. Dat is het gevolg
van het feit dat juist het traject ervoor aantrekkelijker wordt,
namelijk de stap naar werk, die de heer Van Weyenberg zojuist zo
belangrijk vond, en het kabinet met hem. Als je het ene aantrekkelijker
maakt, wordt het andere automatisch minder aantrekkelijk, tenzij je de
totale inkomensverschillen groter maakt. Ik heb hier een sprekend
voorbeeld. In 2012 was de situatie als volgt: als een alleenstaande
ouder vanuit de bijstand vier dagen ging werken, dan ging die er 5% in
netto-inkomen op achteruit. Nu gaat die er 9% op vooruit. Dat is een
enorme stap. Vinden we 9% genoeg? Daarover kunnen we hier een hele
discussie voeren. Maar in het armoedevaldeel van de curve zaten dingen
die we op allerlei manieren onwenselijk vinden. Die zijn
verbeterd.
Aangezien de totale verschillen wel ergens overbrugd moeten worden,
neemt de marginale druk in andere trajecten toe. Dat wil je ook niet,
maar het moet wel ergens vandaan komen. Al aan het begin van deze
kabinetsperiode is de keuze gemaakt om ervoor te zorgen dat zo veel
mogelijk mensen aan het werk gaan. Het is dus fair om hun een
verbetering van het netto-inkomen te gunnen als ze aan het werk gaan.
Dat geldt zowel voor degene die uit de bijstand komt als voor de
niet-werkende partner. Voor die twee groepen is er gekozen voor: naar
werk, dus van geen werk naar werk. Dat heeft automatisch invloed op
andere groepen.
De heer Tony van Dijck (PVV):
Oké, vanuit de bijstand naar werk zal dan iets meer opleveren, maar als
je eenmaal werk hebt, levert het tot aan modaal helemaal niets meer op.
Er is zelfs een moment waarop het minder oplevert als je €1.000 meer
krijgt. Vorig jaar hadden we hier dezelfde discussie over het verschil
tussen alleenstaanden en kostwinners. Een alleenstaande met minimumloon,
dus €20.000, heeft meer te besteden dan een kostwinner op modaal niveau.
Een kostwinner die voor zijn vrouw en kinderen moet zorgen en die
€16.000 meer verdient, bijvoorbeeld een politieagent, heeft dus minder
te besteden dan een alleenstaande moeder met twee kinderen die achter de
kassa zit en het minimumloon verdient. Dat is de werkelijkheid. Het
gebied tussen minimumloon en modaal is helemaal doorgeslagen en
kapotgenivelleerd. Deze staatssecretaris stond erbij en keek ernaar toen
dat gebeurde. Het kan toch niet zo zijn dat een politieagent met een
inkomen van €36.000 minder te besteden heeft dan een alleenstaande
moeder achter de kassa bij Albert Heijn met het minimumloon van €20.000?
Dat is Nederland in 2016 en daar is deze staatssecretaris
verantwoordelijk voor. Hij weigert het te repareren en dat is voor mij
onbegrijpelijk.
Staatssecretaris Wiebes:
Het is ook een keuze. Als de marginale druk in de ene groep, in het ene
inkomenstraject, lager wordt, wordt hij ergens anders hoger. Je wilt dat
het gemiddeld goed gaat, maar er zullen gezien de diversiteit van
huishoudens altijd voorbeelden zijn waarin je het eigenlijk liever
anders had gehad. Dat ligt aan het feit dat we een scala aan
inkomensondersteunende instrumenten hebben, maar het ligt er ook aan dat
we er soms anders tegenaan kijken. Want wat vergelijk je met wat? Ook
dat zijn soms politieke keuzes, zoals ik zonet heb betoogd. Dit kabinet
heeft er echter wel degelijk voor gezorgd dat het financieel
aantrekkelijker wordt om aan het werk te gaan.
De heer Omtzigt (CDA):
Ik ga toch nog even door waar mevrouw Schouten en de heer Van Dijck
gebleven zijn. Op dit moment houdt in dit land een alleenstaande die het
minimumloon verdient, meer over dan een alleenverdiener met een modaal
salaris. Dat blijkt uit de koopkrachtplaatjes en het CPB-rapport. Een
alleenstaande die net geen €20.000 verdient en één kind heeft, houdt dus
netto meer over dan een alleenverdiener met twee kinderen die modaal
verdient. Die laatste moet twee keer zo veel monden voeden en heeft
bijna twee keer zo veel inkomen, maar houdt daarvan minder over. Heeft
de regering daar een waardeoordeel over?
Ook werd er zonet iets gezegd over de gemiddelde marginale druk. Zou ik
een vergelijking kunnen krijgen tussen 2012 en 2017 van de marginale
druk op het traject van wettelijk minimumloon naar modaal voor de
alleenverdiener? Hoeveel is dat nou verbeterd of verslechterd? Ik snap
dat ik op die laatste vraag niet onmiddellijk een antwoord krijg en ik
heb daar best begrip voor, maar omdat we constant over gemiddelden
praten, vind ik het wel interessant om te zien hoeveel dat nou
verslechterd is. Volgens mij komen we daar namelijk aan
belastingpercentages waar ze zelfs in de hoogtijdagen van de Sovjet-Unie
nog nooit aan gekomen zijn.
Staatssecretaris Wiebes:
Zal ik deze gegevens even proberen op te zoeken? Dat had misschien ook
wel in de schriftelijke set gekund.
De heer Bashir (SP):
Ik ben verbaasd door de woorden van de heer Van Dijck dat het kabinet
Nederland kapotgenivelleerd heeft. Als ik namelijk kijk naar de feiten
die door het CPB zijn gepresenteerd en onderbouwd, dan zie ik juist dat
de inkomensongelijkheid in Nederland is toegenomen. Ik heb deze
staatssecretaris daarover niet gehoord. We hebben dit debat natuurlijk
eerder gevoerd met de minister-president en de minister van Financiën,
maar ik zou ook graag de staatssecretaris willen horen, die
verantwoordelijk is voor de parameters in de inkomstenbelasting. Hoe kan
het nou dat mensen met een laag inkomen de helft erbij hebben gekregen
van wat mensen met een hoog inkomen erbij hebben gekregen? En dan heb ik
het niet over centen, maar over procenten. We hebben deze discussie
eerder gevoerd. We gaan niet over de centen discussiëren maar over
procenten, maar ook als je naar procenten kijkt, hebben de mensen met
een hoog inkomen er twee keer zo veel bij gekregen. Hoe kan dat
nou?
Staatssecretaris Wiebes:
Het kabinet heeft gekozen voor werk. Tijdens deze kabinetsperiode zijn
werkenden er het meest op vooruitgegaan. Dat geldt het meest voor de
lage en middeninkomens. Die groepen hebben het meest geprofiteerd van
het beleid. Er is gekozen voor werk, omdat het de overtuiging van het
kabinet is dat de stap naar werk de beste manier is om uit de armoede te
komen. Niet alleen werkenden zijn erop vooruitgegaan. Er zijn ook
arrangementen getroffen om ervoor te zorgen dat meer mensen aan het werk
gaan. Op dit moment komen er 15.000 banen per maand bij, geloof ik. De
werkgelegenheid groeit dus ook echt. Het is dus niet alleen vraag- maar
ook aanbodgedreven. Dat is de keuze van het kabinet geweest. Binnen die
keuze gaan de lage en middeninkomens er net iets meer op vooruit dan de
allerhoogste inkomens. De lage en middeninkomens hebben het meest baat
bij het beleid. Daar is het meest op ingegrepen.
De heer Bashir (SP):
Ik ben het niet eens met de keuze van het kabinet om niet-werkenden en
gepensioneerden er niet op vooruit te laten gaan, maar die discussie
hebben we gevoerd. De heer Groot zegt dat ze er wel op vooruitgaan.
Inderdaad, maar met slechts 2%, terwijl werkenden er 9% op vooruitgaan
in de periode 2014-2017. De staatssecretaris zegt dat het kabinet
gekozen heeft voor mensen met werk. Ik heb het over mensen met werk met
een laag inkomen. Zij zijn er ook minder op vooruitgegaan dan mensen met
een hoog inkomen. Waarom zou iemand die 170% van het wettelijk
minimumloon verdient er in de periode 2014-2017 maar 4% bij krijgen,
terwijl iemand die 500% van het wettelijk minimumloon verdient er 8,8%
bij krijgt? Dat zijn toch ook keuzes? In het regeerakkoord stond dat er
voor een eerlijk inkomensbeleid gekozen zou worden. Ik zie hier geen
eerlijkheid in.
Staatssecretaris Wiebes:
Misschien is dit een discussie die thuishoort bij de behandeling van de
begroting van SZW. De cijfers die ik heb, laten zien dat werkenden er
ontegenzeggelijk het meest op vooruit zijn gegaan, omdat werken meer
wordt beloond. Binnen de werkenden gaan de werkenden met lagere inkomens
er niet minder op vooruit dan de rest. Echt niet. We hebben allemaal de
cijfers. Het lijkt me dat dit bij de behandeling van de begroting van
SZW aan bod moet komen. Daar gaat het over de inkomensverhoudingen. Het
rijtje getallen dat ik hier heb, suggereert echt dat het niet zo is dat
werkenden met een lager inkomen niet geprofiteerd zouden hebben van het
beleid van dit kabinet. Sterker nog, ze behoren tot de groepen die er
het meest op vooruit zijn gegaan.
Voorzitter. Er zijn allerlei vragen gesteld over zaken rond het
vestigingsklimaat. Ik vind het belangrijk om te benadrukken dat alles
rond het vestigingsklimaat en de strijd tegen belastingontwijking altijd
gezien moet worden in het beleid van dit kabinet: dat streeft naar
en-en. We moeten belastingontwijking wel degelijk actief aanpakken.
Nederland wil met name wat betreft transparantie — het beste wapen tegen
belastingontwijking — een voortrekkersrol vervullen. Veel fiscale
structuren hebben hun geloofwaardigheid inmiddels echt verloren. Dat
geeft ook onzekerheid voor het vestigingsklimaat. De belastingontwijking
moet worden aangepakt. Tegelijkertijd moeten we het vestigingsklimaat
aantrekkelijk houden. Daar hangen zeer veel banen aan. Het kabinet heeft
dan ook ingezet op een stapsgewijze route naar een concurrerend
Vpb-tarief. Dat is dan ook meteen het antwoord op de vraag van de heer
Van Weyenberg. Hij vroeg wat ook alweer het standpunt van het kabinet
is. Nou, dit.
De heer Groot en de heer Van Weyenberg hebben vragen gesteld over één
specifiek instrument dat belangrijk is voor het vestigingsklimaat,
namelijk de S&O-afdrachtvermindering. Daarbij ging het vorig jaar om
de verdeling van het budget tussen het mkb en het grootbedrijf. De
minister van Economische Zaken heeft de Kamer met Prinsjesdag
geïnformeerd over de parameters voor 2017. Uit die gegevens blijkt dat
de verdeling zich ontwikkelt conform verwachting. In reactie op het
verzoek van de heren Groot en Van Weyenberg of daar in een
tussenrapportage op kan worden ingegaan, heb ik daar contact over gehad
met de minister van EZ. Mede namens hem kan ik toezeggen dat dat
geprobeerd zal worden.
Er zijn verschillende vragen gesteld over de innovatiebox. De historie
daarvan is dat voor het mkb kan worden volstaan met een
S&O-verklaring, omdat juist het mkb niet altijd dure patenten kan
aanvragen. Daarvoor heeft Nederland echt betoogd in Brussel en dat is
ook binnengehaald. Voor het grootbedrijf is er een duale toegang. Daar
is een S&O-verklaring verplicht naast een of andere vorm van
juridisch ticket die wij ook in de OESO verplicht hebben.
Wat is daar de gedachte achter? Het scala aan juridische tickets is
verbreed. Er is geen reden om bijvoorbeeld te zeggen dat progammatuur
nooit innovatief kan zijn. Dus dingen zoals programmatuur zijn
toegevoegd. Er zijn zogenaamde "utility models" en
beschermingscertificaten. Ook voor geneesmiddelen zijn er allemaal
juridische tickets toegevoegd, zodat allerlei bredere innovaties
hiervoor in aanmerking komen. Maar omdat niet van tevoren vaststaat dat
ze ook innovatief zijn, is tegelijkertijd de S&O-verklaring
toegevoegd om te waarborgen dat het gaat om echte innovatie. Het leek
ons geen verstandig idee om het smal te houden, want dan sluiten wij een
heleboel sectoren uit. Maar als we het S&O-vinkje weglaten, zetten
we het hek open voor allerlei dingen die helemaal niet innovatief zijn.
Dat is niet de bedoeling. Het leek ons dus verstandig om dat te
combineren.
Mevrouw De Vries vraagt wat de gevolgen zijn als wij zouden verklaren
dat het juridische ticket alleen voldoende is en wij het S&O-vinkje
zouden laten vervallen. Dan kunnen er twee dingen gebeuren. Van de ene
kant zou dat kunnen betekenen dat het hek opengaat voor alles wat
helemaal niet innovatief is. Elke webwinkel heeft wel ergens software.
Dat zou dan allemaal in aanmerking komen voor subsidie, terwijl dat niet
per se innovatief is. Van de andere kant kan dat betekenen dat de
Belastingdienst eigenstandig moet gaan beoordelen of iets innovatief is.
Daar hebben wij nou net de RVO voor, want de Belastingdienst is niet bij
machte om zelfstandig vast te stellen of iets innovatief is. Daarom is
er gekozen voor die combinatie. Die stelt ons in staat om de range aan
juridische tickets waarmee je toegang hebt tot de innovatiebox, te
vergroten, terwijl wij tegelijkertijd borgen dat het innovatief blijft.
Dat was immers de bedoeling van de innovatiebox.
Mevrouw De Vries vraagt wie er worden geraakt door dit dubbele slot. De
bestaande gerechtigden voor de innovatiebox die vroeger, volgens de oude
regels, hiervoor in aanmerking kwamen, maar nu niet innovatief blijken
te zijn, krijgen een overgangsrecht. Zij hebben daar namelijk op
gerekend. Je moet particuliere bedrijven niet zomaar iets afnemen. Voor
de nieuwe gevallen ligt dat anders. Wat er verandert, is dat de box niet
meer openstaat voor bedrijven die wel een juridisch ticket hebben, maar
die ook na toetsing niet innovatief blijken te zijn. Dat zijn geen
bestaande gevallen. Het is dus niet zo dat hun iets wordt afgenomen. Bij
ongewijzigd beleid waren ze echter in aanmerking gekomen voor de
innovatiebox, hoewel ze niet innovatief waren. Dat was strikt genomen
niet logisch geweest, maar ze hadden daar wel baat bij gehad. Dat zijn
de partijen die erop achteruitgaan. Dat zijn geen bestaande partijen,
maar partijen die zich nog hadden aangemeld.
Mevrouw De Vries vraagt ook of het sneller geëvalueerd kan worden. Kan
dat niet over twee jaar? Daar wil ik wat zuiniger mee zijn. Het eerste
jaar waarin we ervaring opdoen met de innovatiebox, is 2017. Dan weten
we pas hoe het gelopen is in 2019, want dan zijn die aangiftes allemaal
binnen. Eind 2019 hebben we een beeld over het eerste jaar. Je wilt na
drie complete jaren die evaluatie doen. Dat betekent dat je die
evaluatie in 2022 kunt doen. Elk jaar dat je er afhaalt, wordt het een
kleinere ervaringsbasis. Ik vind een evaluatie na drie jaar niet zo
ruim. Ik zou misschien vijf jaar hebben gezegd, maar goed, er staat nu
drie. Dat heeft deze consequenties. Heel veel vroeger lijkt mij niet
echt verantwoord.
De heer Omtzigt vroeg zich af of echte innovatie wel die
S&O-verklaring krijgt. Hij bedoelde het ongetwijfeld eervol, maar
hij vroeg of de ambtenaren van de RVO in alle gevallen de innovatie wel
doorgronden. Ik heb mijn licht daar opgestoken en ben tot de conclusie
gekomen dat de procedure bij de RVO zorgvuldig genoemd moet worden. Het
zijn inhoudelijke experts, die vaak afkomstig zijn uit het
bedrijfsleven. Er is op elk R&D-terrein hoogwaardige expertise. Het
is ook geen oordeel in the blind waar je niets meer over mag zeggen,
maar er is uitgebreid contact. Er wordt een soort hoor- en
wederhoorsituatie gecreëerd. Er is ook bezwaar en beroep mogelijk bij
het College van Beroep voor het bedrijfsleven, waarover de heer Omtzigt
ook een vraag heeft gesteld, maar daar kom ik zo op.
Er kan soms een afwijzing volgen, omdat het wel binnen de kaders van EZ
en de Wbso moet passen. Dat is ook niet onlogisch, want het zou raar
zijn als we bij de Wbso de ene rijksvisie zouden hebben op wat hiervoor
in aanmerking komt en bij de innovatiebox een andere rijksvisie op wat
in aanmerking komt, dus dat is gelijkgeschakeld. Dat betekent dat de
innovatieboxhonoreringen van het S&O-ticket wel binnen die kaders
van EZ moeten passen. Als ze dat niet doen, ligt dat niet aan de
kwaliteit van de procedure of van de beoordelende beambte, maar aan het
feit dat het buiten het beleid valt.
De heer Omtzigt heeft gevraagd of die inhoudelijke toets niet beter kan
plaatsvinden bij de fiscale rechter in plaats van de bestuursrechter.
Bezwaar en beroep is natuurlijk mogelijk. Dat geldt ook bij de
toekenning of afwijzing van een S&O-verklaring door de RVO. In dit
geval is het beroep bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.
Dat college maakt opnieuw een integrale afweging. Dat is een nieuwe,
inhoudelijke toetsing. Het College van Beroep voor het bedrijfsleven
zorgt ervoor dat het geëquipeerd is om die inhoudelijke beoordeling te
doen. Het is niet uitsluitend een procedurele of marginale toetsing. Het
moet daar niet voor onderdoen. Het gaat wel degelijk om een inhoudelijke
toetsing. Daarmee lijkt mij dit beroep ook valide.
Mevrouw Schouten vroeg mede namens de heer Dijkgraaf of we niet eens op
zoek zouden moeten gaan naar een regeling die effectiever is dan de
huidige innovatiebox. De heer Van Dijck vroeg zelfs ronduit of we het
ding niet beter kunnen afschaffen. Om twee redenen denk ik van niet. We
hebben de regeling net geëvalueerd. Daaruit bleek dat deze een
belangrijke rol speelt voor het vestigingsklimaat. Dat is ook niet
verwonderlijk, want andere landen doen dit ook. Het aantrekkelijke van
dit instrument is dat het, zonder meteen een grote concurrentiestrijd
tussen andere landen te beginnen, met vrij grote precisie alleen een
Vpb-voordeel geeft waar de werkgelegenheid het meest footloose is.
Daardoor kun je arbeid en economische activiteiten makkelijk naar Europa
trekken, terwijl de spillovereffecten tegelijkertijd het gunstigst zijn.
Het is dus een instrument dat er met meer precisie voor zorgt dat het
vestigingsklimaat aantrekkelijk blijft, namelijk precies voor
innovatieve activiteiten. Daarmee combineert het twee doelen. Het
bevordert innovatie, vooral door innovatie naar jouw regio te trekken en
in iets mindere mate doordat ondernemers ertoe worden aangezet om
innovatief te zijn terwijl zij dat anders niet zouden zijn geweest. Dat
blijkt ook uit de evaluatie; daar moeten wij ook eerlijk over zijn. Op
die manier is het dus een effectief instrument dat net is geëvalueerd.
Ik zie geen aanleiding om dat nu overboord te gooien, allerminst
zelfs.
Mevrouw Aukje de Vries (VVD):
Ik ga nog even in op de evaluatie na drie jaar. Ik snap dat je minimaal
drie jaar moet pakken als je een heel uitgebreide evaluatie wilt doen.
Stel nou dat het NFIA het signaal geeft dat er knelpunten zijn, of dat
zich knelpunten voordoen bij de S&O verklaring bij de RVO waardoor
de beoordeling over hetgeen wel of niet innovatief is niet loopt, of dat
minder dan werd verwacht gebruik wordt gemaakt van de innovatiebox. Ik
zou het dan op prijs stellen dat te vernemen, zodat we kunnen bekijken
wat er aan de hand is. Dat wil niet zeggen dat je direct de hele
regeling op de schop moet gooien, maar als er concrete aanleidingen zijn
die geen incidenteel maar een structureel karakter hebben, dan zou ik
het toch goed vinden om daarnaar te kijken en daarop te acteren. Nog
afgezien van een echt volledige evaluatie zouden wij wel moeten
monitoren hoe het met de ontwikkelingen in de innovatiebox gaat.
Staatssecretaris Wiebes:
Deze oproep staat mij nou juist wel heel erg aan. Als je regeert, maar
concrete signalen negeert, is dat sowieso verkeerd. Dit rijmt allemaal.
Ik zal bij mijn collega van EZ, die verantwoordelijk is voor die
beoordeling, even polsen of het mogelijk is om dit soort signalen tijdig
aan de Kamer door te geven, opdat zij bekend worden en besproken kunnen
worden zodra zij gehoord worden. Dat lijkt mij nuttig. Ik zal dat met
hem bespreken. Dank voor de suggestie.
De voorzitter:
Ik zie een tevreden mevrouw De Vries.
Mevrouw Schouten (ChristenUnie):
Ik dank de staatssecretaris voor dit antwoord. Hij zegt met zoveel
woorden dat de innovatiebox leidt tot een verplaatsing van
innovatieactiviteiten in plaats van tot nieuwe innovatie. Onderkent de
staatssecretaris hiermee dat het vestigingsklimaat bij de innovatiebox
meer leidend is dan het bevorderen van nieuwe innovaties bij bedrijven
in dit land?
Staatssecretaris Wiebes:
Een zaaltje verderop hebben wij zo ongeveer met hetzelfde gezelschap de
evaluatie van de innovatiebox doorgenomen. Daar lagen harde getallen op
tafel. Dit bleek precies uit de getallen. De box helpt bij het
aanzwengelen van nieuwe innovatie, maar helpt nog meer bij het naar deze
regio, dus ook naar Europa, trekken van dit soort innovaties. Dat is
niet vreemd. Er is concurrentie om werkgelegenheid. Er is concurrentie
om investeringen. Wij plegen ook investeerders naar ons land te trekken
die zich anders misschien elders hadden gevestigd. Dat is geen schande.
Dat is expliciet beleid. Nederland wil niet alleen fiscaal, maar op
allerlei manieren een aantrekkelijk land zijn. Daar doen we ook van
alles voor, van rodeloperprocedures tot en met het geven van
uitdrukkelijke voorlichting over de aantrekkelijkheid van ons land. Dat
doen wij door van Nederland een veilig en prettig land te maken, maar
dan doen wij ook via de fiscaliteit. Dit is een instrument dat aan beide
bijdraagt. De parameters hebben indertijd op tafel gelegen. Die stonden
gewoon in de rapportage.
Mevrouw Schouten (ChristenUnie):
Ik vraag naar het oordeel van deze staatssecretaris. We hebben nu vijf
uur zitten debatteren over een regeling die doelmatiger en effectiever
kon. Als wij met dezelfde euro die nu in de innovatiebox gaat, niet
zozeer alleen een verplaatsing van innovatie zouden bewerkstelligen,
maar échte innovatie zouden realiseren, dan zou dat toch doelmatig
beleid zijn? Is de staatssecretaris het daarmee eens? En zou hij bereid
zijn om die naam "innovatiebox" te wijzigen in "belastingontwijkbox",
omdat dat nu in principe gebeurt?
Staatssecretaris Wiebes:
Nee, nee, daar verzet ik me tegen. Wij doen er alles aan om banen naar
Nederland te krijgen; allerlei soorten banen, maar ook banen in
innovatieve sectoren. Dit is een instrument dat effectief is in het
aantrekken van innovatieve activiteiten. Volgens de evaluatie lokt het
ook nog extra innovatie uit. Het doet dus beide. De evaluatie zegt op
geen enkele manier dat het een ondoelmatig instrument is. Of hij nu
"innovatiebox" heet omdat hij directe innovatie uitlokt, wat hij dus
doet, dan wel omdat hij innovatieve activiteiten hierheen haalt, wat hij
ook doet, maakt mij niet uit. Ik vind de term "innovatiebox" passend. Er
is niet gebleken dat wij van dit instrument af zouden moeten. Sterker
nog, veel andere landen hebben ook een dergelijk instrument. Dat is niet
raar, omdat wij als Europa een regio willen zijn die aantrekkelijke,
innovatieve activiteiten naar zich toe trekt en stimuleert. Daar is niks
mis mee. Dit instrument doet dat.
Mevrouw Schouten (ChristenUnie):
Mijn vraag was: kan het doelmatiger?
Staatssecretaris Wiebes:
Daarvoor moeten we de evaluatie erop naslaan. We hebben nu geen
duidelijk lijstje van dingen die doelmatiger kunnen. Deze regeling wordt
in het algemeen zeer belangrijk gevonden voor de acquisitie naar
Nederland van bedrijven, maar zij heeft ook een rol in het stimuleren
van de innovatie van bedrijven die hier al zitten. Er is net een
uitvoerige evaluatie verschenen. Ik heb op basis daarvan geen reden om
dit instrument te wijzigen.
De heer Grashoff (GroenLinks):
Volgens mij had die evaluatie juist uitgewezen dat het niet zo veel doet
aan echte innovatie, of dat het in ieder geval niet effectief is ten
opzichte van het gigantische bedrag, 1,6 miljard, dat met die
innovatiebox gemoeid was. Volgens mij waren dát de feiten. Er worden nu
een paar dingetjes aan veranderd en er blijkt een inverdieneffect van
10% te zijn. De staatssecretaris zegt in zijn schriftelijke
beantwoording dat er eigenlijk niet echt iets verandert. En zo klopt het
natuurlijk dat dat inverdieneffect klein is. Maar dat betekent toch dat
er wordt berust in de status quo van de innovatiebox, die niet doet
waarvoor hij was bedoeld?
Staatssecretaris Wiebes:
Ik wil even abstraheren van waarvoor hij was bedoeld. Uit de evaluatie
blijken de twee doelen waarvoor dit ding in het leven is geroepen. Het
ene is: de bedrijven die hier zitten, meer laten innoveren. Het tweede
is: bedrijven hierheen halen die innovatief zijn. Het doet beide; het
laatste zelfs nog meer dan het eerste; dat blijkt zonneklaar uit de
evaluatie. Dat levert banen op. Andere landen hebben ons daarin
gekopieerd. Een en ander betekent dat Europa als geheel innovatieve
activiteiten hierheen trekt, ook uit andere regio's. Ik vind dat niet
verkeerd. Dat levert ons werk op. Dit is waar werk vandaan komt.
De heer Grashoff (GroenLinks):
Nee, hier komt geen werk vandaan; hiermee verplaats je werk van de ene
kant van de wereld naar de andere kant van de wereld. Dat is iets
anders. Ik denk dat de staatssecretaris hiermee bij uitstek het bewijs
geeft voor waarom we dit soort dingen niet op deze manier moeten doen.
Dit is namelijk gewoon een verkapte verlaging van het Vpb-tarief, een
race to the bottom.
De heer Tony van Dijck (PVV):
Volgens mij staat in "Kansrijk innovatiebeleid" van het CPB dat €1
stimulans in innovatie €0,50 oplevert. Over deadweight loss gesproken,
waarover we het vanochtend de hele morgen hebben gehad... Hoe effectief
is die innovatiebox? En als je het allemaal optelt, de Wbso van 1,3
miljard en de innovatiebox van inmiddels 1,4 miljard, praat je dus over
2,7 miljard, dat je gewoon in de richting van de industrie gooit in de
hoop dat die gaat innoveren. Met de innovatiebox wordt innovatie niet
gestimuleerd, maar achteraf beloond. De innovatie heeft dan al
plaatsgevonden. Van die 2,7 miljard kon je de Vpb in de eerste schijf
voor iedereen naar 5% brengen. Dat is de dekking! Voor iedereen, of je
nu innoveert of niet. Mevrouw Bussemaker zei vanmorgen dat monumenten
toch wel onderhouden worden, ook al wordt dat niet gestimuleerd. Nou,
reken maar dat bedrijven ook wel innoveren zonder de 2,6 miljard van
deze staatssecretaris. Een brainport, zoals die in Eindhoven, is veel
belangrijker voor het vestigingsklimaat dan de subsidies die naar
innovatie gaan. Heeft de staatssecretaris echt het gevoel dat de
innovatiebox van bijna 3 miljard, met de Wbso, helpt? Dat is ook nog
eens dubbelop, want je betaalt eerst nauwelijks belasting over de
inkomsten van het personeel, waardoor je natuurlijk meer winst maakt
omdat de kosten voor het personeel minder zwaar op de winst drukken,
terwijl je daarna ook nog eens minder belasting betaalt over je winst.
Dat is dus dubbelop. Er wordt 2,6 miljard gestort in de hoop dat er
geïnnoveerd wordt, terwijl je met die 2,6 miljard ook heel andere dingen
had kunnen doen.
Staatssecretaris Wiebes:
Je kunt altijd overal heel andere dingen mee doen. Maar we hebben het
hier over twee regelingen, waarvan de ene net geëvalueerd is en de
andere, de Wbso, ook met enige regelmaat wordt geëvalueerd. De Wbso komt
heel behoorlijk uit de evaluaties en blijkt ook tot innovatie te leiden.
Ik zou die regelingen niet graag kwijt zijn. Ik heb er ook in die termen
over gesproken toen wij twee zaaltjes verderop met elkaar de evaluatie
van de innovatiebox bespraken.
De heer Bashir (SP):
Een bedrijf zonder innovatie is ten dode opgeschreven. Volgens mij
hebben bedrijven helemaal geen innovatiebox nodig om te innoveren en kan
dat geld veel nuttiger en efficiënter worden ingezet. Het kabinet zegt
ook dat een bedrijf met een omzet van minder dan 50 miljoen een klein
bedrijf is. Het komt dan makkelijker in aanmerking voor de innovatiebox.
Is die grens van 50 miljoen niet een beetje te hoog? Waarom 50 miljoen?
Kan die grens niet naar beneden? Als je een omzet hebt van meer dan 50
miljoen, heb je extra papieren nodig om in aanmerking te komen voor de
innovatiebox. Het lijkt mij handiger als die grens beter gedefinieerd
wordt.
Staatssecretaris Wiebes:
Die grens is door de OESO vastgesteld. Ik weet niet of het zinvol is om
daar nu aan deze tafel heel lang over te praten. 34 landen hebben met
elkaar om de tafel gezeten en zij zijn samen tot deze grens gekomen. Ik
kan daar nu niet zo veel aan veranderen. Ik vind die grens ook niet
bespottelijk hoog.
De heer Bashir (SP):
Maar ik vroeg wat de staatssecretaris zelf vindt van deze grens. Ik
vroeg niet wat de OESO ervan vindt. De OESO vindt dit blijkbaar allemaal
prima, maar het is niet effectief en efficiënt, en het kan beter ingezet
worden. Mijn vraag gaat nu alleen over de grens van 50 miljoen. Vindt de
staatssecretaris een bedrijf met een omzet van 47 miljoen een klein
bedrijf?
Staatssecretaris Wiebes:
Ik vind die grens helemaal niet verkeerd gekozen. Het gaat om omzet,
niet om winst. Ik vind dat helemaal niet een enorme onderneming. Ik vind
die grens heel verdedigbaar. Ik heb er helemaal geen moeite mee; dat is
mijn eerlijke antwoord. Ik begrijp dat de heer Bashir er wel moeite mee
heeft.
De heer Bashir (SP):
De grens van 50 miljoen aan omzet kan wel degelijk hoog zijn. Bedrijven
met weinig kosten en een omzet van 50 miljoen kunnen zomaar een winst
van 40 miljoen hebben, terwijl bedrijven met heel veel kosten en een
omzet van 50 miljoen, misschien maar een winst van 1 miljoen of €100.000
hebben. Er zijn allerlei soorten bedrijven. Die grens lijkt mij
arbitrair gekozen en helemaal niet onderbouwd. Ik vraag de
staatssecretaris of dit niet handiger of slimmer kan.
Staatssecretaris Wiebes:
Er blijft altijd sprake van een zekere mate van arbitrariteit, maar in
alle eerlijkheid lukt het mij niet om moeite te hebben met deze grens.
Je moet ergens een grens trekken en ik vind deze grens heel
adequaat.
De heer Groot (PvdA):
Ik heb toch nog een vraag in het verlengde van mevrouw Schouten en de
heer Van Dijck. Ik hoorde de staatssecretaris zeggen dat
innovatieactiviteiten footloose zijn. Is dat nou zo? Apple zit in
Amerika en heel veel onderzoeksinstituten zitten in Duitsland, maar die
landen hebben een Vpb-tarief van ver boven de 30%. Maar die instituten
zitten daar toch. Als nou uit de evaluatie blijkt dat €1 belastinggeld
€0,50 aan innovatie oplevert, vindt de staatssecretaris het dan geen
goed idee om een deel van het budget te verschuiven naar technische
universiteiten, zodat de studentenstops die daar nu worden ingevoerd,
kunnen worden opgeheven? Denkt de staatssecretaris dat dit geen
doelmatige herverdeling van middelen is?
Staatssecretaris Wiebes:
De heer Groot vraagt mij nu eigenlijk wat er zou gebeuren als we het
bedrijfsleven in Nederland een lastenverzwaring van 2,6 miljard zouden
opleggen. Dat vind ik niet aan de orde.
De heer Groot (PvdA):
Nee, ik heb het over een versobering van de innovatiebox, die nu 1,4
miljard kost. Als je die zou halveren en die 700 miljoen zou schuiven
naar de technische universiteiten, denkt de staatssecretaris dan dat
dit, ook uit innovatieoogpunt, een doelmatige herverdeling van middelen
zou zijn?
Staatssecretaris Wiebes:
Daar ligt dan de begrotingsvraag bij op tafel of we de lastendruk op het
bedrijfsleven met 1,4 miljard willen verhogen, net als de
onderwijsbegroting met 1,4 miljard. Hier is in de begrotingscyclus
allemaal over nagedacht. We hebben daar kaders, een hele cyclus en het
regeerakkoord voor. Volgens mij kunnen we deze vraag niet loslaten op
één specifieke fiscale regeling en één specifieke uitgavenpost. Dat is
een spel dat voor mij een beetje te ver buiten de lijntjes gaat die we
voor onszelf zo zorgvuldig hebben bewaakt.
Mevrouw Schouten (ChristenUnie):
Die kaders overschrijdt de minister van OCW ook. Nog meer dan dat. Daar
hebben we het de hele ochtend over gehad.
De voorzitter:
Ik stel voor dat we naar blokje drie gaan.
Staatssecretaris Wiebes:
Ik denk dat het niet functioneel is als ik namens de minister van OCW ga
praten.
Ik heb nog één puntje over het vestigingsklimaat, namelijk de
30%-regeling. De heer Van Dijck heeft voorgesteld om ook daar korte
metten mee te maken. Hij heeft gevraagd waarom er wordt vastgehouden aan
die regeling. Die regeling gaat hier over de tong als een mooi
douceurtje voor buitenlandse werknemers, maar zo zit het niet. De
vergoeding van extraterritoriale kosten is juist bedoeld om expatriates
en Nederlandse werknemers in een gelijke positie te brengen. Expatriates
maken namelijk kosten die anderen niet hebben: ze wonen hier, maar ze
wonen ook nog elders en ze reizen heen en weer. Daar zijn werkelijke
kosten aan verbonden, die de een wel en de ander niet heeft. Om dat
beter uitvoerbaar te maken, hebben we naast een vergoedingsregeling voor
werkelijke kosten, waar iemand een beroep op kan doen, een forfaitaire
variant gemaakt. Dat is de 30%-regeling. Die is bekeken door de Hoge
Raad in een recent arrest. De Hoge Raad is niet tot de conclusie gekomen
dat die 30% buitenproportioneel is. Het is gewoon een forfaitaire
variant van een regeling waarmee wordt beoogd de werkelijke kosten te
vergoeden. Dat is belangrijk voor het vestigingsklimaat, want als je
mensen dubbele kosten meegeeft terwijl je hun geen enkele mogelijkheid
biedt om daarvoor compensatie te zoeken, maak je Nederland tot een
onaantrekkelijk land voor de mensen die zich afvragen in welk land ze
zich moeten vestigen. Andere landen hebben soortgelijke regelingen, die
gebaseerd zijn op werkelijke kosten.
De evaluatie van de 30%-regeling is gestart; die loopt. Medio 2017
hebben we de resultaten daarvan. Dat maakt het voor mij nu echt totaal
het verkeerde tijdstip om vragen te stellen over de toekomst van de
30%-regeling. Daarvoor wil ik de resultaten van de evaluatie op tafel
hebben, want dan is het onderbouwd; dat woord is al eerder gevallen in
dit debat. Dan kunnen we onderbouwd, na een analyse van de feiten en
cijfers, hier aan tafel met deze woordvoerders en vermoedelijk die van
de commissie voor EZ nadenken over wat we daarvan vinden. Ik heb ook
gehoord dat mensen de 30%-regeling voortijdig willen afschaffen, maar
dan alleen de forfaitaire variant en niet de vergoedingsregelingen. Dat
maakt natuurlijk niets uit, want dan ga je op een ingewikkelde manier je
daadwerkelijk gemaakte kosten claimen. Dat levert geen besparing, maar
wel grote uitvoeringsproblemen, want dan heb je de forfaitaire regeling
de nek omgedraaid, terwijl de vergoeding van de werkelijke kosten nog
bestaat. Ik zou er dus helemaal niet voor voelen om nu aan die
30%-regeling te komen. Er komt een evaluatie. Die wil ik afwachten. Dan
kan iedereen daar alle opvattingen over hebben die hij wil, met de
cijfers op tafel.
De heer Grashoff (GroenLinks):
Er zijn ook allerlei landen die zo'n regeling niet kennen. Hebben die
dan helemaal geen expats? Mijn tweede vraag, direct erachteraan, is:
komt het voordeel van de 30%-regeling wel echt terecht bij de expats, of
komt het eigenlijk voor een flink stuk terecht bij de werkgevers van
expats?
Staatssecretaris Wiebes:
Daar heb ik geen onderzoek naar gedaan. Laten we de evaluatie even
afwachten. Andere landen hebben dit in toenemende mate ook. Het lijkt me
typisch een punt voor de evaluatie: als we aan deze regeling komen, wat
betekent dat dan voor de positie van de expatriate versus die van de
Nederlandse werknemer en wat betekent het voor Nederland als
vestigingsland versus andere landen? Dat lijken mij gewoon punten voor
de evaluatie. Het zijn allemaal goede vragen, maar ik zie geen reden om
op basis van vragen die bij de evaluatie worden betrokken, besluiten te
nemen zolang die evaluatie er nog niet ligt.
De heer Tony van Dijck (PVV):
De Algemene Rekenkamer heeft er onderzoek naar gedaan, heeft er een
rapport over geschreven en kwam tot de conclusie dat de expatregeling
niet bewezen effectief is. Als jij zo nodig iemand uit India wilt halen,
mag dat je bedrijf best iets extra kosten, want anders zou je je
werknemer wel drie straten verderop werven. Met andere woorden: je kiest
voor iemand uit India. Natuurlijk brengt dat extra kosten met zich.
Natuurlijk moet je die man of vrouw goed betalen, want anders komt hij
of zij niet, helemaal uit India. Dat is allemaal logisch, maar waarom
moet de gemiddelde belastingbetaler van Nederland dan betalen voor 30%
kwijtschelding van het salaris dat dat bedrijf graag wil betalen aan die
Indiase ICT'er, die het zo nodig moet hebben? Daar komt het op neer. Die
regeling is ongericht en onrechtvaardig. Het zijn mensen die anderhalve,
twee, drie of vier ton verdienen; daarvan wordt dan 30% — dat is heel
veel geld — uit de belastingkas betaald voor die mensen, omdat die zich
zo nodig in Nederland moeten vestigen, terwijl het bedrijf er zelf voor
kiest om zo iemand, zo'n duur betaalde jongen, uit het buitenland, te
halen. Dan is dat bedrijf ook verantwoordelijk, en niet de gewone
belastingbetaler in Nederland.
Staatssecretaris Wiebes:
Dat was een ferm betoog, maar ik heb geen vraag gehoord. Mijn stelling
is dat we de evaluatie moeten afwachten om te zien of dit soort
stellingen geoorloofd is of niet. Ik zou die evaluatie dus willen
afwachten. Dat is mijn pleidooi. Die evaluatie wordt nu gedaan. Half
2017 hebben we de uitkomsten daarvan.
De voorzitter:
Ik geef mevrouw Schouten nog de gelegenheid om een vraag te stellen.
Daarna gaan we door naar het volgende blok.
Mevrouw Schouten (ChristenUnie):
Half 2017; it's all about timing, zeggen we hier weleens. Tegelijkertijd
ligt er wel een rapport van de Algemene Rekenkamer waarin staat dat niet
vast te stellen is of deze regeling doelmatig is. Daar moet dit kabinet
dan toch ook al conclusies uit trekken? Er vindt nu daaropvolgend wel
een evaluatie plaats, maar de staatssecretaris kan dan toch al aangeven
of hij de conclusie van nota bene de Algemene Rekenkamer onderschrijft?
Die heeft er namelijk zelf onderzoek naar gedaan.
Staatssecretaris Wiebes:
De Algemene Rekenkamer zegt dat het niet kon worden vastgesteld. Er
loopt nu een evaluatie. Dan vind ik het heel logisch om die af te
wachten. Ik zou het echt raar vinden om lopende een evaluatie er
allemaal opvattingen over te hebben en daar nu op in te grijpen.
Mevrouw Schouten (ChristenUnie):
Het feit dat de Algemene Rekenkamer het niet kan vaststellen, is toch
ook al een conclusie? Met andere woorden: er is niet aangetoond dat dit
een regeling is waarmee het beoogde doel wordt bereikt, waarmee het doel
van meer kenniswerkers of wat dan ook wordt bereikt. Dat is toch al een
conclusie op zich? Daar moet de staatssecretaris dan toch ook een mening
over hebben?
Staatssecretaris Wiebes:
Dat zou een geweldige aanleiding zijn geweest om de evaluatie te
starten, maar die loopt al. Dit is één signaal. De evaluatie wordt vrij
uitvoerig gedaan. Ik voel er gewoon nu niet voor om op deze regeling te
gaan ingrijpen. Er wordt mij gevraagd wat ik ervan vind. Tot nu toe vind
ik de regeling in die zin logisch. Ik vind de manier waarop de regeling
werkt logisch. Ik zie dat de regeling nuttig kan zijn en ik wacht de
evaluatie af. Verder dan dat kan ik nu niet gaan.
De voorzitter:
Ik had naar het volgende blok gewild, maar de heer Omtzigt heeft nog een
vraag. Maar verder ben ik helemaal niet geïrriteerd!
De heer Omtzigt (CDA):
Moet er voor elk ingrijpen in een aftrekpost een evaluatie hebben
plaatsgevonden?
Staatssecretaris Wiebes:
Zeker niet, maar ik vind het in dit geval heel logisch. De evaluatie
loopt en we hebben de uitkomsten daarvan over enige tijd. Dat lijkt mij
de moeite van het wachten waard.
De heer Omtzigt (CDA):
Dit is wel een serieuze vraag. We kunnen er nu wel om lachen, maar de
staatssecretaris zegt nu even in een bijzin dat het logisch is om iets
eerst te evalueren voordat het veranderd wordt. Geldt dat in zijn
algemeenheid of geldt dat alleen voor de zaken waar deze
staatssecretaris voor verantwoordelijk is? Of geldt dit ook voor de
zaken waar de minister van OCW voor verantwoordelijk is?
Staatssecretaris Wiebes:
Het staat een democratie altijd vrij om beredeneerd of onberedeneerd,
impulsief of doordacht, wel of niet na een evaluatie dingen te
veranderen. Daar bestaan democratieën van. Maar we hebben evaluaties
niet voor niets. Ik zou in dit geval de evaluatie willen afwachten, want
die is er niet voor niets. Zo zou ik het zien. Als de heer Omtzigt
vraagt of het verboden is om zonder evaluatie iets te veranderen, dan
luidt het antwoord: allerminst. Het primaat ligt bij de politiek. De
heer Omtzigt kent alle instrumenten die hij kan inzetten om dat soort
zaken af te dwingen. Geen kwaad woord daarover, maar hij vraagt het aan
mij. Ik zeg: die evaluatie hebben we niet voor niets en ik wacht de
uitkomsten daarvan af.
Voorzitter. Dan hebben we een aantal vragen over de verschillende
trajecten in het kader van de strijd tegen de belastingontwijking. De
heer Van Dijck heeft gevraagd hoe het met de implementatie van het
ATAD-pakket staat en wat de verwachte opbrengst daarvan is. De ATAD moet
per 1 januari 2019 in werking treden. Daar zijn we druk mee bezig. De
opbrengst hangt af van allerlei keuzes die in dat wetstraject gemaakt
moeten worden. Die zijn nog niet allemaal gemaakt. Ik heb daar dus nu
nog geen antwoord op. In de loop van het wetgevingstraject komt niet
alleen naar buiten hoe zo'n wet eruit komt te zien — er zijn ook
consultaties enzovoort — maar komt er ook een raming van de financiële
consequenties. Nu hebben wij die nog niet, maar zij komt wel.
De heer Grashoff vroeg naar de effectiviteit van het multilaterale
instrument. Hij wees mij op wat hij een tegenstrijdigheid acht in mijn
uitspraak hierover. Hij vroeg: "hoe kan dit nu? Je zegt dat dit bestaand
verdragsbeleid is en je zegt tegelijkertijd dat het gaat helpen. Hoe kan
dat nu? Hoe kan iets wat niet verandert, nu gaan helpen?" Welnu, in de
oktoberbrief 2015 hebben we bij de BEPS-uitkomsten dingen omarmd. Die
zijn daarmee bestaand verdragsbeleid geworden, maar ze zijn nog niet
geïmplementeerd. Wij hebben wel honderd belastingverdragen, dus dat is
me nogal een klus. We moeten ongeveer op onze kop gaan staan om al die
23 ontwikkelingslanden bij elkaar te krijgen. We blijven maar brieven
sturen en bezoeken afleggen. Om die landen ertoe te krijgen om bij
elkaar te gaan zitten en iets af te ronden, is een hele klus. Het
aardige is dat het MLI-instrument daarbij helpt. Dat maakt in er in één
klap een implementatie van. Het helpt dus enorm om ons bestaande
verdragsbeleid efficiënt te implementeren. Het is echt een wondermooi
uitgedacht instrument. Het is echt slim bedacht. Soms hebben landen
allerlei bezwaren, in de trant van "als ik iets doe, dan doet de ander
het niet." Daar is allemaal aan gedacht. Het is slim bedacht en het is
een goed instrument. Wij verwachten daar simpelweg veel van.
De heer Bashir heeft gevraagd naar de arbitragemogelijkheden tussen box
2 en box 3. Het staat mensen in beginsel vrij om te bepalen hoe zij
vermogen inzetten, maar dan ontstaan er uiteraard arbitragemogelijkheden
naarmate systemen minder op elkaar lijken. Wij belasten werkelijk
rendement in box 2 en vooralsnog forfaitair rendement in box 3. Wij
hebben gezegd dat wij het hele gebeuren in box 3 meer op het werkelijke
rendement willen laten lijken. Het ligt dus in de rede om te verwachten
dat, als wij de komende jaren de daad bij het woord voegen, de
arbitragemogelijkheden zullen afnemen. Het gaat namelijk meer op elkaar
lijken en loopt minder uiteen. Nu is het zo dat het ene type belegger
meer baat heeft bij box 2 en de andere belegger meer bij box 3. Naarmate
die minder van elkaar gaan verschillen, worden de arbitragemogelijkheden
kleiner. Iets wat ik in dat kader zou afraden — ik zeg het voorzichtig
tegen de heer Bashir — is voor een eerste schijfje in de Vpb een lager
Vpb-tarief te introduceren. Dat vergroot namelijk de
arbitragemogelijkheden. Ik zou dus tegen de heer Bashir willen zeggen:
wees een beetje voorzichtig met dat soort voorstellen, want naarmate je
een lager tarief hebt in de Vpb voor het allereerste stukje, tot
€200.000, maak je de arbitragemogelijkheden groter. Dat zou een
kanttekening, zijn, niet alleen bij zijn voorstel, maar ook bij zijn
vraag. Op allerlei manieren hebben wij de box 2- en box 3-vlucht
aangepakt. Ik noem het vbi-voorstel en het APV-voorstel. Het heeft de
aandacht. Als wij onze voornemens voor box 3 waarmaken, worden de
arbitragemogelijkheden kleiner. Dat zou mooi zijn.
Er zijn verschillende vragen gesteld over hoe het nu verder moet. Ik
geloof dat de heer Grashoff het meest eloquent zei: hoe vanaf hier? Wij
zijn natuurlijk druk bezig met de implementatie. Dat vergt nogal wat.
Een heel team is wetten aan het schrijven in verband met de
ATA-richtlijn. Verder noem ik de rulinguitwisseling en de
country-by-country reporting. De MLI loopt. Ik heb voor dit jaar nog een
Panamabrief beloofd. Wij hebben het daar al eerder over gehad. Daarin
zal ik ook op de rol van intermediairs ingaan. Dat is ook weer een
antwoord op een vraag van de heer Grashoff, die de heer Bashir overigens
ook heeft gesteld: wat is het beleid om te voorkomen dat rijke
particulieren hun geld naar het buitenland kunnen wegsluizen? Daarbij
zouden de maatregelen van de Panamabrief bij kunnen helpen.
Substance is op zichzelf een logisch onderdeel van het stukje over
belastingontwijking, maar ik heb mij nog op geen enkele manier in de
vragen kunnen verdiepen. Ik was namelijk actief aan het luisteren naar
het debat over OCW. Ik zou deze vragen graag beantwoorden na een nader
te bepalen pauze. Daar moeten wij maar even iets op verzinnen. Ik hou
ervan om me even ergens in te verdiepen voordat ik een antwoord geef.
Anders is het voor iedereen oncomfortabel en dan gaan wij hier
kletspraat krijgen. Dat moeten wij niet hebben.
De voorzitter:
Nee, dat lijkt mij niet goed. Die vragen kunt u later vandaag na een
pauze beantwoorden.
Staatssecretaris Wiebes:
Ik wil nu ingaan op de bedrijfsopvolgingsregeling, maar ik zie dat er
nog vragen zijn over het voorgaande.
De heer Bashir (SP):
Ik kom even terug op die ontwijking via box 2. Stel dat iemand €100.000
spaargeld heeft. Het lijkt mij dan niet voordelig om naar box 2 te
verhuizen. Maar als je 1 miljoen euro hebt en 1,9% belasting moet
betalen in box 3, dan lijkt het mij verstandiger om wel naar box 2 te
verhuizen, want dan betaal je belasting over de werkelijke rente en kom
je uit op een belasting van minder dan 0,2%, afhankelijk van de
rentestanden. Zegt de staatssecretaris dat dit allemaal onzin is en
straks niet zal voorkomen?
Staatssecretaris Wiebes:
Nee, ik zeg alleen dat, naarmate wij het werkelijk door de
belastingbetaler behaalde rendement beter benaderen, de verschillen
kleiner zijn. Nu geldt een forfaitair rendement met een tarief van 30%.
Als je heel veel rendement maakt, meer dan de gemiddelde
belastingbetaler in box 3, dan kan het aantrekkelijk zijn om juist daar
te zitten. Maak je minder, dan is het misschien aantrekkelijk om op het
werkelijk rendement in box 2 belast te worden. Het heeft niet puur met
de omvang van het vermogen te maken. Duidelijk is dat naarmate de twee
naar elkaar toe groeien, de arbitragemogelijkheden verdwijnen. Dan wordt
het gewoon minder aantrekkelijk, omdat er minder grote verschillen zijn.
Dat maakt het systeem gezonder. Het lokt minder uit. Dat lijkt mij goed.
Ik constateer dat een stap die het marktrendement beter benadert, breed
draagvlak in deze Kamer heeft. Dat zal de richting zijn die wij
opgaan.
De heer Bashir (SP):
Maar de staatssecretaris doet het juist andersom. In plaats van dat de
twee boxen elkaar gaan benaderen, krijgen wij de situatie waarin voor
hoge vermogens in box 3 meer belasting betaald moet worden, terwijl er
in box 2 een ontwijkingsmogelijkheid is. Dus mensen met veel geld zullen
straks massaal naar box 2 gaan. Mensen die geld in box 2 hebben,
bijvoorbeeld in een bedrijf, die zullen het weghalen uit box 2 massaal
uitstellen, want dan zouden zij veel belasting in box 3 gaan betalen. De
commissie-Van Dijkhuizen stelt juist voor om dit boxshoppen aan te
pakken. Dat kan bijvoorbeeld door een forfaitair rendement in box 2 in
te voeren. Waarom kijkt de staatssecretaris niet naar die mogelijkheden?
Straks hebben wij twee situaties: een situatie voor mensen met weinig
vermogen, die heel veel belasting gaan betalen, en mensen met veel geld,
die massaal de belasting kunnen ontwijken via box 2.
Staatssecretaris Wiebes:
Nee, dat is niet in het algemeen zo. Voor diegenen die meer rendement
maken dan het gemiddeld forfaitair vastgestelde, is box 3 buitengewoon
aantrekkelijk, en andersom. Het heeft niet puur met de omvang van het
vermogen te maken. In alle gevallen is het zo dat, naarmate de boxen
meer op elkaar gaan lijken, de arbitragemogelijkheden afnemen. Nu stel
ik voor om het werkelijk rendement beter te benaderen. Daarvoor heb ik
toch breed draagvlak geproefd, ook maatschappelijk draagvlak. De heer
Bashir stelt exact het omgekeerde voor, want hij wil beide zaken
forfaitair maken. Ik denk dat het draagvlak om in box 2 verder weg te
wandelen van het gemaakte rendement, niet zo groot is. Ik zou dus willen
vasthouden aan mijn voornemen om op een of andere manier in box 3 het
werkelijk rendement beter te benaderen en daarover een besluitdocument
voor te leggen in het eerste kwartaal van volgend jaar. Op basis daarvan
kunnen wij dan bekijken hoe wij dit kunnen doen. Er zijn allerlei
verschillende manieren, maar die hebben allemaal gemeen dat de vlucht
van de een naar de ander en van de ander naar de een minder evident
wordt.
De heer Tony van Dijck (PVV):
Door de Panama Papers weten wij dat ook een hoop rijke particulieren hun
geld wegsluizen om de box 3-heffing te ontwijken. Met die kennis in het
achterhoofd vind ik het een gemiste kans dat dit niet wordt
dichtgeschroeid in het Belastingplan. Alles is nog steeds gefocust op
bedrijven, winst uit bedrijven en box 2, maar er zijn een hoop
particulieren die een miljoen hebben en nog steeds een stichting — niet
op hun naam, maar een stichting particulier fonds — kunnen oprichten op
bijvoorbeeld Curaçao. Dan blijven ze zelf buiten schot en kunnen ze nog
steeds de giftenaftrek, de Successiewet en de box 3-heffing ontlopen. Ik
heb dit ook aan de orde gesteld tijdens de technische briefing met het
ministerie. Toen zeiden de ambtenaren dat dit inderdaad nog steeds kan.
Met Panama in ons achterhoofd vind ik het onbegrijpelijk dat dat lek,
die ontwijking, nog steeds niet is dichtgeschroeid. Hoe gaat de
staatssecretaris dit alsnog doen?
Staatssecretaris Wiebes:
Wij doen wel iets aan de afgezonderde particuliere vermogens. Dat zijn
zwevende vermogens, die zogenaamd van een stichting zijn, maar als je
beter kijkt eigenlijk toch niet. Die worden in het Belastingplan wel
aangepakt. Er zullen zeker situaties te verzinnen zijn waarin ook nog
een en ander moet gebeuren, maar in dit Belastingplan worden zeer
behoorlijke stappen gezet op gebieden waarop wij jarenlang niet zover
zijn gegaan. De heer Van Dijck zal toch ook wel zien dat daar stevig wat
gebeurt. Misschien zijn er nog situaties te verzinnen waarin ook wat
moet gebeuren. Ik houd mij verder aanbevolen voor ideeën, maar er
gebeurt wel degelijk veel. Dat moet de heer Van Dijck toch voorzichtig
met mij eens zijn.
De heer Tony van Dijck (PVV):
Ik zeg ook niet dat er niks gebeurt. Ik zeg alleen dat dit specifieke
lek niet wordt dichtgeschroeid in dit Belastingplan. Het gaat over
ontwijking in box 3. Iemand die 1 miljoen heeft, betaalt daarover
jaarlijks toch zo'n kleine €50.000 belasting. Het is voor zo iemand wel
de moeite waard om even verder te kijken hoe hij dat veilig weg kan
zetten, ook met het oog op de kinderen, de successierechten en de
giftenaftrek. Dat is namelijk vaak de reden waarom mensen dit doen.
Vanuit die filosofie vind ik dit dus een gemiste kans, maar dat er iets
gebeurt, is alleen maar toe te juichen.
Staatssecretaris Wiebes:
De Coördinatiegroep Constructiebestrijding luistert overigens mee en
heeft de suggestie van de heer Van Dijck opgeschreven.
De voorzitter:
U doelt op het Curaçao-lek van de heer Van Dijck, toch?
Staatssecretaris Wiebes:
Daarover hebben we het nu net gehad, denk ik.
De voorzitter:
Ja. De heer Groot heeft ook een vraag.
De heer Groot (PvdA):
Over 1 miljoen wordt geen €50.000 belasting betaald, ook niet in de
nieuwe box 3. Dat is veel minder. Maar dat terzijde. Ik had een vraag
over de Panamabrief waar de staatssecretaris het over had. Wanneer
verwacht de staatssecretaris dat die komt? Zou daarin ook het voorstel
betrokken kunnen worden dat vandaag door de Duitse minister van
Financiën is gedaan om een meldingsplicht te introduceren voor mensen
die hun vermogen in brievenbusmaatschappijen onderbrengen? Dat lijkt me
een buitengewoon interessant idee. We kunnen vaak wat van de Duitsers
leren. Misschien ook op dit punt.
Staatssecretaris Wiebes:
Deze vraag hoort bij die vragen waar ik eerst even goed naar wil kijken
voordat ik er een antwoord op geef, want ze zijn net gesteld. Ik was zo
geabsorbeerd door het betoog over de twee onderwijsonderwerpen dat ik
daar nog geen tijd aan heb kunnen besteden. Ik heb de voorzitter net
beloofd om te zoeken naar een geschikt moment, na enige pauze, om die
vragen te kunnen beantwoorden. Aangezien de inbreng zich, om
begrijpelijke wijze, niet helemaal langs de procedure heeft bewogen, kan
dat misschien met de beantwoording ook. Ik zal de voorzitter hierop
proberen te bewerken. Er komt zeker een antwoord naar u toe.
Voor de eerste vraag van de heer Groot heb ik even een trefwoord
nodig.
De heer Groot (PvdA):
Die ging over de Panamabrief.
Staatssecretaris Wiebes:
Die komt voor de kerst, is de bedoeling. Ik werk er hard aan.
Ik kom bij de bedrijfsopvolgingsregeling (BOR). Er ligt ten minste één
grote vraag op tafel. Dat is een terechte en begrijpelijke vraag. Het
arrest heeft een gat geschoten in hoe de bedrijfsopvolgingsregeling
vanaf 2010 tot aan het arrest werd gehanteerd door de Belastingdienst.
In 2010 is de regeling veranderd. Dat heeft een zekere verruiming tot
gevolg gehad. De regeling heeft toen een bepaalde uitvoeringsvorm
gekregen. Het arrest maakte daar een einde aan. De reparatie die ik in
het wetsvoorstel voorstel, is, zeg maar, de complete reparatie. Dat
betekent dat we precies, maar dan ook precies terugkeren naar de
situatie zoals die door de Belastingdienst voor het arrest, sinds 2010,
werd uitgevoerd.
Ik meen ook dat een beperktere reparatie om allerlei redenen niet
wenselijk zou zijn. Want een beperktere reparatie zou erop neerkomen dat
we een indirect belang van minder dan 5% soepeler behandelen dan een
direct belang. Dat zouden we gaan doen. Dat vind ik eigenlijk heel
onlogisch. Deze hele regeling is gericht op het begrip "aanmerkelijk
belang". Dat betekent dat gewone beleggingen of de dingen in box 3 niet
onder de BOR vallen. Het gaat echt om een aanmerkelijk belang en om
ondernemingsvermogen. Voor het aanmerkelijk belang hebben we de grens
van 5%. Het arrest heeft daar een eind aan gemaakt door te stellen dat
bij een direct belang die 5% nog steeds geldt, maar bij een indirect
belang niet meer. Bovendien is de BOR dan niet alleen maar van
toepassing op het ondernemingsvermogen daarin, maar ook nog op het
beleggingsvermogen. Ik denk dat over dat laatste in deze zaal weinig
discussie is, want dat is, denk ik, niemands bedoeling. Bij de door
verschillende leden geopperde beperktere reparatie zou het
beleggingsvermogen er wel worden uitgehaald — dat zou dus gerepareerd
worden — maar indirecte deelnemingen van minder dan 5% zouden nog steeds
in aanmerking komen, terwijl voor de directe belangen nog steeds de 5%
zou gelden. Dat vind ik wonderlijk.
Het volgende is dat we dan in die structuur moeten gaan kijken wat
direct en wat indirect is. Daarbij gelden allemaal andere afwegingen.
Dat betekent vaak dat je de toerekening van ondernemingsvermogen, met de
toets die erbij hoort, verschillende keren moet gaan uitvoeren. Dat
wordt heel veel meer werk voor de Belastingdienst, maar het zou ook een
derving betekenen, want je gaat dingen honoreren die je nu nog niet
honoreert. De meest precieze schatting die je daarvan zou willen, is
niet te maken, maar de ramers komen op een bedrag rond de 20 miljoen.
Dat zou na de verruiming zoals die in het verleden wel heeft
plaatsgehad, opnieuw een verruiming zijn. Die zouden we ergens moeten
dekken. Sterker nog, dit zou een lastenverlichting betekenen in het
ondernemersdomein, die je dan elders bij ondernemers moet gaan
neerleggen. Dat zou je dan doen om een situatie toe te staan die ik —
laat ik voor mezelf spreken — onlogisch zou vinden, namelijk om
indirecte belangen van minder dan 5% te honoreren.
De heer Omtzigt heeft gevraagd naar voorbeelden van casussen die volgens
het arrest onder de BOR zouden moeten gaan vallen. Ik begrijp zijn vraag
zo dat hij vraagt voor wie er iets verandert als we helemaal niets
zouden repareren en wat we zouden doen als we het arrest de vrije teugel
laten. Dan zouden alle werkmaatschappijen onder een holding waarin een
belang bestaat van hoger of lager dan 5%, in aanmerking komen. Die 5%
zou niet meer tellen. Dus ook waar het indirecte aandeel onder de 5%
zit, zou iets veranderen. Daarboven hoorde het er al bij en daaronder
nog niet. Dat zou dan wel alleen betrekking hebben op concerns waar
ergens in de onderneming een onderneming gedreven wordt, want anders is
er nergens een bedrijfsactiviteit en dan telt het niet. Dan wordt niet
alleen het ondernemingsvermogen meegeteld, maar ook het
beleggingsvermogen. Dat zou betekenen dat we de BOR openen voor
beleggingen en openen voor deelnemingen die, weliswaar indirect, kleiner
zijn dan wat we het aanmerkelijk belang noemen. Dat is een verruiming
van de BOR die niet beoogd is.
Ik heb echt beoogd — mevrouw Schouten heeft dat een lompe manier van
repareren genoemd, maar daar verzet ik mij tegen — om de reparatie zo te
maken dat de wet weer uitdrukt wat sinds 2010 de staande
uitvoeringspraktijk was. Dat betekent dat die nog steeds gecentreerd is
rond het begrip "aanmerkelijk belang", dat die 5%, of die nu direct of
indirect is, wordt gehanteerd en dat beleggingsvermogen daar niet bij
hoort. Dat hebben we geprobeerd. Dat betekent ook dat er geen
verandering in het budgettair beslag is. Het gaat namelijk precies door
zoals het sinds 2010 gaat. Daarmee behoudt de BOR een budgettair beslag
van, op dit moment, 400 miljoen.
Dat is mijn inzet. Dat is de portee van het wetsvoorstel. Het is geen
beperking ten opzichte van de praktijk daarvoor. Het is wel een
beperking ten opzichte van het arrest. Maar ik denk dat er weinig
controverse over is dat de wet in elk geval op een of andere manier
gerepareerd zou moeten worden.
Ook mevrouw De Vries heeft een vraag gesteld over het arrest. Zij
vraagt: was het in dat specifieke arrest, in die situatie zo dat het
indirecte belang van minder dan 5% alleen als ondernemingsvermogen
kwalificeerde omdat de activiteiten van de dochter in het verlengde
lagen van de andere werkmaatschappijen? Dat is niet het geval. Volgens
het arrest zou dat kleine belang ook op heel andere gronden als
ondernemingsvermogen kwalificeren. Het zou dus meedoen met de BOR, ook
als het beleggingsvermogen was. Dat was het ook deels. Het had dus niet
te maken met het feit dat het in het verlengde lag van die
activiteiten.
Dan komt natuurlijk de vraag op, en ook die vraag heeft mevrouw De Vries
gesteld, of bij de reparatie vanwege het BOR-arrest een probleem zou
kunnen ontstaan voor de bedrijfsopvolging in de zin van de continuïteit
van de onderneming. Met andere woorden, is er een soort tegenbewijsregel
als je tegen liquiditeitsproblemen aanloopt? De reparatie brengt de BOR
in de situatie van voor het arrest, zoals die ook werd uitgevoerd. Er
zijn uit de praktijk sinds 2010 niet dat soort problemen bekend. Dat is
ook wel logisch. Kijk, een belang kwalificeert niet voor de BOR als het
heel kleine belangen zijn. Maar als het heel kleine belangen zijn, gaat
het dus om heel kleine aandeelhouders. Als er een aandeelhouder
overlijdt en die wordt niet in het erfrecht door de BOR gehonoreerd,
levert dat voor de onderneming geen continuïteitsvraagstuk op. Het kan
ook om een onderneming gaan waar juist een beperkt aantal aandeelhouders
een heel grote invloed heeft op de continuïteit, omdat ze een groot
belang hebben. Als ze een groot belang hebben, zou het
liquiditeitsprobleem kunnen neerslaan op de onderneming. Maar dat zijn
nou juist de gevallen die ook na reparatie juist wel onder de BOR
vallen, want de grote belangen worden wel gehonoreerd. Tegen die
achtergrond zijn er de afgelopen jaren geen grote problemen naar boven
gekomen bij de continuïteit van ondernemingen. Daar zit mogelijkerwijs
die logica onder.
Mevrouw De Vries en de heer Omtzigt vroegen naar de ramingen. De
Belastingdienst heeft daarvoor praktijkschattingen gemaakt. Hij is op
zoek gegaan naar allerlei gevallen van indirecte belangen, kleiner dan
5%. In het bestand is gezocht naar indirecte belangen, kleiner dan 5%,
met een zeer substantiële omvang. Daar kunnen heel grote jongens bij
zitten. Dat zijn er automatisch niet zo veel, maar alleen al die groten
zorgen voor een omvangrijke derving. Daarbij bestaat de gedachte dat
het, als in de directe sfeer de 5%-grens geldt en in de indirecte sfeer
niet, mogelijk wordt om kwalificerende situaties te creëren om onder de
BOR te kunnen vallen. Dat heeft uiteindelijk een raming van 20 miljoen
opgeleverd. Dat is een raming met meer dan gemiddelde onzekerheid
omgeven. Veel preciezer dan dat werd ze niet.
Mevrouw De Vries riep mij op, met Familiebedrijven Nederland (FBNed) en
de NOB te praten. Het treft dat ik van de NOB, zeker op dit punt, zeer
uitvoerige correspondentie heb gekregen. Er ligt nu weer een brief van
de NOB, die aan duidelijkheid volstrekt niets te wensen overlaat. De
organisaties zijn het fundamenteel oneens met de uitgangspunten. Ze
zouden liever de BOR verruimen. Dat pleidooi ligt er ook. Maar onhelder
zijn ze niet. Er zijn allerlei dingen denkbaar, maar een gesprek ter
verduidelijking lijkt mij niet zinvol, want het standpunt van deze
organisaties is heel helder: de BOR moet worden verruimd.
De heer Van Weyenberg vroeg naar mijn visie op de oproep om meer
fundamenteel naar de BOR te kijken. We moeten daarbij starten met het
feit dat ondernemerschap, maar ook continuïteit in het mkb en de
familiebedrijven in Nederland buitengewoon belangrijk zijn. Nederland is
sterk in familiebedrijven en een aantal landen is dat ook en heeft ook
allerlei mechanismen om de continuïteit te borgen. De BOR zorgt ervoor
dat bij overerving geen groot kapitaalsbeslag of een
liquiditeitsprobleem ontstaat bij zo'n onderneming. In de evaluatie
staat onder andere dat de feitenbasis wel rijker zou kunnen. EZ is in
the lead om ervoor te zorgen dat dat gebeurt. Ik zie geen enkele reden
om nu, naar aanleiding van een arrest waarvan ik voorstel om het
volledig te repareren, aan het roer te gaan trekken. Daarvoor zie ik
geen aanleiding.
Mevrouw Aukje de Vries (VVD):
Dit wordt een heel vervelende discussie. Daarom vind ik het jammer dat
de staatssecretaris niet met de NOB of met enige andere partij wil gaan
praten. De NOB staat in haar kritiek overigens helemaal niet alleen.
Alleen vandaag heb ik al enkele artikelen voorbij zien komen die ook
aangeven dat er niet op een goede manier wordt gerepareerd. Ik krijg
graag op papier waar dat arrest over ging. Wij hebben namelijk wel
doorgekregen dat het in het verlengde van de bedrijfsactiviteiten moet
liggen. De staatssecretaris geeft aan dat direct en indirect belang niet
meer op dezelfde manier worden behandeld. Wil het indirect belang
beneden de 5% meetellen, dan zal toch eerst wel een direct belang van 5%
moeten zijn aangetoond. Dat is dus iets anders dan wat de
staatssecretaris aangeeft. Feitelijk gaat het erom wat je
ondernemingsvermogen vindt en wat niet. Die onderbouwing van de 20
miljoen vind ik echt nog te mager. Verder vraag ik hem om meer
duidelijkheid over de betekenis van het arrest, kijkend naar wat
allerlei specialisten daarvan zeggen. Voor mijn gevoel wordt het nu een
beetje een welles-nietesspelletje. Is de staatssecretaris daartoe
bereid?
Staatssecretaris Wiebes:
Ik weet niet of we ons daaraan helemaal kunnen onttrekken. Ik heb de
indruk dat in de beantwoording, die toch vrij uitvoerig was, de
technische interpretatie van mijn kant helder was. Ik denk dat volstrekt
helder is, waar de afstand zit tot de twee belangenorganisaties die we
net noemden. Ik vind hun standpunten in die zin begrijpelijk dat zij
natuurlijk ook een heel begrijpelijk en valide belang hebben bij
uitbreiding. Dat arrest leidde dat in. Ik zie daarom niet in dat dat een
verkeerd standpunt zou zijn; iedereen mag standpunten hebben. Maar ik
weet niet of we elkaar op dit punt van vreugde in de armen gaan vallen.
Dat zit er, zeg ik eerlijk, niet in.
Mevrouw Aukje de Vries (VVD):
Dat vind ik dan weer heel teleurstellend. De staatssecretaris geeft aan
dat hij er uitgebreid op in is gegaan in de schriftelijke beantwoording,
maar ik kom niet meer dan een halve pagina tegen. De Kamer heeft een
aantal fundamentele vragen gesteld, ook over de onderbouwing. Want welk
deel van die 20 miljoen wordt bijvoorbeeld gekoppeld aan het feit dat er
gestructureerd zou gaan worden? Dat willen we niet. Zou je de
toerekeningsregel daarvoor kunnen gebruiken? Die wordt door de
staatssecretaris volledig weggeschreven. Daar moeten we wel
duidelijkheid over hebben, voordat we een besluit nemen over het
voorstel van de staatssecretaris. Wil hij daar uitgebreider op ingaan
dan in dat halve A4-tje dat daaraan nu is gewijd?
Staatssecretaris Wiebes:
Er is een eerdere set met antwoorden op 1.400 vragen geleverd; daarbij
zijn zeker vragen over de BOR gesteld. Zal ik mijn best doen, te
proberen nog deze week iets te sturen over waar de 20 miljoen ruwweg
vandaan komt en zal ik nog eens eens studeren op nadere onduidelijkheden
over dat arrest die ik eventueel kan wegwerken? Ik hoor mevrouw De Vries
niet iets anders zeggen dan ik mezelf hoor zeggen. Ik weet niet of het
uit elkaar loopt; ik denk dat er gewoon een verschil is van belang en
opvatting tussen familiebedrijven en NOB enerzijds en het kabinet
anderzijds. Ik wil best moeite doen om met een nadere brief nog wat
helderheid te verschaffen, maar ik kan alvast garanderen dat dat niet
tot overeenstemming en gejuich aan alle kanten zal leiden, want dat zit
er gewoon niet in. Hier zal een verschil van opvatting en belang blijven
bestaan; dat is wat het is. Maar ik zeg wel toe dat ik ga proberen,
nadere zaken op te schrijven, voor zover die niet in de eerdere set of
in de laatste set voorkomen.
Mevrouw Aukje de Vries (VVD):
Dank voor de toezegging om daar nog op terug te komen. De
staatssecretaris doet de casus wel echt tekort als hij zegt: de NOB
heeft een bepaald standpunt. Er zijn heel veel juristen die naar deze
casus gekeken hebben, die niet echt in lijn liggen met het standpunt van
de staatssecretaris. Ik hoop dat de toezegging meer duidelijkheid
verschaft.
De voorzitter:
Voordat de staatssecretaris doorgaat met het volgende blok, zal ik even
vertellen wat mijn plan is. Ik wil dat wij tot half zeven gaan proberen
om zo ver mogelijk te komen. Dan schorsen wij voor de dinerpauze. Ik
constateer dat iedereen daarmee akkoord gaat. De staatssecretaris
spreekt nu verder over de vereenvoudiging.
Staatssecretaris Wiebes:
Inderdaad nu de vereenvoudiging. Er zijn vragen gesteld over een aantal
vereenvoudigingstrajecten. Ik noem vereenvoudiging altijd "verplichte
kost", omdat vereenvoudiging moet; als je niks doet, wordt het namelijk
automatisch complexer. Alleen al om de complexiteit stil te laten staan,
moet je dus heel hard werken, maar wij proberen het natuurlijk
eenvoudiger te maken. Het team heeft het volgens mij geteld: de
vereenvoudiging die we nu doen, is groter dan die in vele recente jaren.
Het is nu gelukt om 150 fte's vrij te spelen voor andere taken.
Verschillende wetsvoorstellen dragen daaraan bij. By the way, de
tussenstand is — ik heb ook stiekeme doelen — dat ik in maar liefst
zeven verkiezingsprogramma's van de partijen hier rond de tafel heb
aangetroffen dat de vereenvoudiging van het stelsel belangrijk is. Dank
daarvoor.
De heer Van Vliet is er nu helaas niet, dus ik zeg dit voor het verslag.
Hij vraagt of de voorgestelde inhoudingsvrijstelling voor vrijgestelde
lichamen, opgenomen in het voorstel voor de Fiscale vereenvoudigingswet,
een zuivere implementatie betreft van de motie-Van Vliet. Mijn antwoord
aan de heer Van Vliet is: ja, dit komt volledig tegemoet aan het verzoek
in de motie-Van Vliet. Hij zal het helaas met het verslag moeten doen,
maar in ieder geval bij dezen.
Mevrouw De Vries had een vraag over de stroomlijning: waarom is er bij
de toeslagen niet gekozen voor verrekening gedurende drie jaar na afloop
van een regeling, zoals dat nu gebeurt? Bij toeslagen wordt de
verrekening nu kwijtgescholden na een betalingsregeling van twee jaar.
Misschien staat het onhelder in de tekst, maar er is nadien nog drie
jaar verrekening voor de periode tijdens de betalingsregeling. Daar zit
een logica achter. Als men een jaar na de betalingsregeling nog
betaalcapaciteit heeft, hoeft men niet alsnog te gaan betalen; die
betalingsregeling was er immers om daarvan af te komen. Maar als blijkt
dat er in periode van de betalingsregeling een grotere betaalcapaciteit
was, kan er nog wel worden verrekend. Achteraf gesteld, zou dat namelijk
betekenen dat de betalingsregeling niet adequaat was. Deze nuance is dus
aangebracht. Bij de een wordt het dus op sommige punten iets strenger,
bij de ander iets minder streng. Wij willen dat dit in één regeling
opgaat. Het is namelijk oncomfortabel dat de ene overheidseuro anders
wordt behandeld dan de andere overheidseuro. In beide gevallen krijgt
men immers een euro.
Mevrouw De Vries, mevrouw Schouten en de heer Dijkgraaf hadden een vraag
over de preferentie. De preferentie gold voor de belastingen die moesten
worden ingevorderd. Het ging daarbij om de preferentie van de
Belastingdienst vóór andere schuldeisers. Die geldt nu ook voor
toeslagen. Ik begrijp de vraag als volgt: maakt de overheid zich daarmee
niet iets te groot? In de schuldsanering gaat het niet zoals bij
faillissementen, in de zin dat er een absolute voorrang is. In de
schuldsanering geldt een percentage. Dat was 200%, wat betekent dat in
de schuldsanering het rechtmatige deel van wat bij een specifieke
schuldenaar op te halen was, tweemaal zo hoog was als bij andere, deels
particuliere, schuldeisers. Daaraan worden de toeslagen nu toegevoegd.
De weegfactor van 200% wordt daarbij verlaagd naar 150%, wat volgens mij
redelijk is. Het gaat over een bredere grondslag en over een groter
bedrag dan waarop men in de schuldsanering recht op zou menen te hebben,
maar — laat ik het zo zeggen — het preferentiepercentage gaat daarbij
weer omlaag. Daarmee wordt beoogd om wat evenwicht te bewaren, want
alles wat de overheid of de Belastingdienst naar zich toe trekt, is weer
minder beschikbaar voor andere partijen. Op deze manier wordt dus het
evenwicht bewaard. Het wordt wel op één hoop gegooid, maar het
voorrangspercentage daalt om ervoor te zorgen dat de Belastingdienst
niet zijn buikje rond eet ten koste van allerlei andere schuldeisers.
Tot zover de vragen over de vereenvoudiging.
De heer Omtzigt (CDA):
In theorie klinkt het best heel prettig en ook logisch als de schulden
van de Belastingdienst en de toeslagen in één keer worden gedaan. We
hebben namelijk gezien dat een aantal mensen verschillende
betalingsregelingen kregen aangeboden. Dat zal technisch wel kloppen,
maar je snapt dat een burger daar redelijk verbaasd over is. Toch heb ik
hier twee vragen over. Er wordt nu gekozen voor een termijn van 24
maanden. Die termijn is korter dan de termijn in de Wet schuldsanering
natuurlijke personen. Dat betekent dat men er sneller van af kan zijn.
Van hoeveel fraude of rare dingen kun je in 24 maanden eigenlijk af
zijn? Als iemand fors heeft gefraudeerd met de kinderopvangtoeslag, kan
het echt om een grote som gaan. Bij de zorgtoeslag valt het nog wel mee,
maar kan iemand in twee jaar van de kinderopvangtoeslag van
tienduizenden euro's af zijn? Mijn tweede vraag is: hoe gaan we om met
rollende problemen? Tijdens die 24 maanden komen er natuurlijk nieuwe
beschikkingen, want de Belastingdienst is heel goed in het sturen van
nieuwe definitieve beschikkingen als opvolgers van andere definitieve
beschikkingen. Betekent dit dat die termijn zal worden verlengd? Die
schuld ontstaat namelijk niet op een bepaald moment; bij dat soort
huishoudens blijft die constant ontstaan.
Staatssecretaris Wiebes:
In maatwerksituaties kan het straks 24 maanden zijn. Die mogelijkheid
bestond al, omdat bij toeslagen ook die 24 maanden zullen worden
gehanteerd. In die zin verandert dat dus nog het minst. Het verandert
meer bij de belastingen. Met die 24 maanden lijkt het dan meer op de
toeslagen dan op de belastingen. Maar fraude is een ander hoofdstuk. Dit
gaat niet om fraude. Als mensen fraude plegen, zijn er heel andere
dingen aan de hand. Men krijgt voor fraude geen
maatwerkbetalingsregeling aangeboden. Dat is dus een ander, wat zwarter
circuit. Dit gaat over mensen die goedwillend zijn, maar een
betalingsprobleem opdoen. Het is dan natuurlijk wel de bedoeling dat een
dergelijke betalingsregeling rekening houdt met de situatie tijdens de
betalingsregeling en dat zij daarop is geënt. Gaande de
betalingsregeling mag de achterstand natuurlijk niet groter worden; dat
is niet de opzet. Als iemand zich niet houdt aan de betalingsregeling,
zijn er andere dingen aan de hand. Als tijdens de betalingsregeling de
schuld groter wordt, gaat er ergens iets fout. Dat is dus niet de
opzet.
De heer Omtzigt (CDA):
Het ging mij niet om de opzet, maar om het moment waarop er nieuwe
beschikkingen binnenkomen. Er wordt begonnen met zo'n betalingsregeling.
Na zes maanden komen er beschikkingen over het jaar dat op dat moment
net is afgelopen. Er zijn ook weleens kleine achterstanden bij de
afdeling Toeslagen van de Belastingdienst, die dan kan zeggen: aha, over
dat jaar moet ook nog een forse som worden terugbetaald. Gaan er dan
nieuwe termijnen van 24 maanden lopen of hebben mensen dan 18 maanden om
af te lossen? Hoe zal dat in de praktijk gaan?
Staatssecretaris Wiebes:
Dat is een heel interessante operationele vraag. Men heeft een schuld
over jaar x. Men treft een betalingsregeling. Vervolgens moet het over
jaar x+1 opnieuw. Er kan dan een nieuwe betalingsregeling worden
getroffen, maar of deze begint bij A, bij 1 of doorloopt, is een
operationele vraag. Ik zal het antwoord nog even checken. Mag ik het
antwoord op deze vraag met meer precisie in de tweede termijn aan de
heer Omtzigt laten weten?
Mevrouw Schouten (ChristenUnie):
Ik ga nog even door op de preferentie. De staatssecretaris zegt: het
klopt dat wij ons meer toe-eigenen, maar de wegingsfactor wordt lager.
Heeft de staatssecretaris uitgezocht wat dat grosso modo betekent voor
het bedrag dat de Belastingdienst preferenter wordt of juist niet? Met
andere woorden: gaat de overheid zich de buik toch wel wat ronder eten?
Heeft hij een inzicht in die bedragen? Heeft hij ook meegenomen wat dit
wellicht zal betekenen aan maatschappelijke kosten? Ik geef het
voorbeeld van een woningcorporatie die de huur wil innen, die nu
helemaal moet wachten op de Belastingdienst, zelfs bij de toeslagen, en
vervolgens tot huisuitzetting moet overgaan, omdat er geen geld meer
over is. Ik heb dat voorbeeld al vaker gegeven. Dat levert ook
maatschappelijke kosten op. Reken je je hiermee dus niet iets te snel
rijk?
Staatssecretaris Wiebes:
Het is natuurlijk uitdrukkelijk de bedoeling om daar met de vernieuwde
beslagvrije voet rekening mee te gaan houden. Dat staat hier niet op
papier, want dat speelt ook ten aanzien van een ander departement. Daar
is een collega nu mee bezig. Het eenvoudigweg ontbreken van informatie
is nu de oorzaak van problemen in de praktijk. Voorts is de systematiek
te ingewikkeld voor alle partijen om zich redelijkerwijs aan die
beslagvrije voet te houden. Dat wordt in elk geval beter. We gaan
respecteren wat iemand nog nodig heeft om van te kunnen leven. De
situatie waarin iemand op straat wordt gezet alleen maar omdat de
betalingsregeling niet goed doordacht was, moet achter ons liggen. Ik
zal bekijken of ik in tweede termijn met iets meer precisie kan
antwoorden. Ik denk nog even door over de maatschappelijke aspecten van
deze regeling.
Mevrouw Schouten (ChristenUnie):
Het heeft niet per se met de beslagvrije voet te maken. Ik heb bovendien
begrepen dat die beslagvrije voet pas in 2019 gerespecteerd zal worden —
als we alles al krijgen! — terwijl deze regeling eerder ingaat. Er komt
dus al een verschil in tijd te zitten. Moeten we dit niet uitstellen
totdat we de beslagvrije voet gerespecteerd krijgen teneinde dit soort
situaties te voorkomen? Ik heb die vraag ook in het verslag
gesteld.
Mijn tweede vraag is de volgende. Misschien kan de staatssecretaris daar
ook later op terugkomen. Bij de vraag of iemand in aanmerking komt voor
de maatwerkregeling wordt getoetst op vermogen en op laag inkomen. Die
begrippen zijn echter nog helemaal niet uitgewerkt. Dat moet nog
gebeuren in lagere regelgeving. Kan de staatssecretaris aangeven wanneer
die lagere regelgeving er is? Wordt die ook aan de Kamer voorgelegd,
zodat wij onze mening daarover kunnen vormen? Anders weten wij helemaal
niet wie voor die maatwerkregeling eigenlijk in aanmerking komen.
Staatssecretaris Wiebes:
Ik volg de suggestie om daar in tweede termijn even op terug te
komen.
De heer Van Weyenberg (D66):
Ik heb een vraag gesteld over de vereenvoudiging, met name over de
vrijstelling van de btw-heffing bij het toelatingsexamens in het
beroepsonderwijs. De staatssecretaris heeft in de schriftelijke
antwoorden toegezegd om daar bij zijn zoektocht naar vereenvoudiging
naar te kijken.
Staatssecretaris Wiebes:
Sorry, voorzitter, de heer Van Weyenberg moet even in een lager tempo
herhalen waar hij het over heeft.
De heer Van Weyenberg (D66):
Ik heb het over de vrijstelling van de btw-heffing bij de
toelatingsexamens in het beroepsonderwijs. In de schriftelijke
beantwoording staat dat dat meeloopt in een vrijgemaakte capaciteit om
te kijken naar een aantal vereenvoudigingsvoorstellen. Daarbij wordt
deze vrijstelling genoemd. Ik vraag de staatssecretaris wanneer wij dat
dan tegemoet kunnen zien. Ik kan me voorstellen dat dit antwoord ook in
tweede termijn komt.
Staatssecretaris Wiebes:
Dat is een goede suggestie.
De heer Van Weyenberg (D66):
Ik heb nog een vraag gesteld die eigenlijk niet onder het blokje
"vereenvoudiging" valt. De vraag staat bij mij bij "overige". Heeft de
staatssecretaris straks nog een blokje "overige punten"?
De voorzitter:
Als het een procesvraag is, wel.
De heer Van Weyenberg (D66):
Het was geen procesvraag. Ik stel de vraag daarom nu nog maar een keer.
Ik heb vragen gesteld over de ombouw van kantoren tot woonhuizen. Ik zie
een vertwijfelde blik bij de staatssecretaris. Dat onderwerp past niet
in een de blokjes.
De voorzitter:
Het onderwerp is nu geagendeerd. Ik stel voor dat de staatssecretaris
hier na de dinerpauze op ingaat.
De heer Van Weyenberg (D66):
De vraag is schriftelijk beantwoord. Ik heb een vraag over de
schriftelijke beantwoording.
Staatssecretaris Wiebes:
Ik stel voor dat de heer Van Weyenberg de vraag nu stelt en dat ik die
na de break beantwoord.
De heer Van Weyenberg (D66):
Dat is helemaal goed. Voor nieuwbouw is er het lage tarief in de
overdrachtsbelasting, maar dat geldt niet voor de ombouw van kantoren
naar woningen. Volgens mij is dat wel een prioriteit, ook van het
kabinet. De staatssecretaris schrijft: dat is expliciet afgesproken toen
dit verlaagde tarief in de overdrachtsbelasting voor de nieuwbouw is
afgesproken. Als aan die wens tegemoet zou worden gekomen, zou dat 30
miljoen kosten en dat geld heb ik niet, schrijft de staatssecretaris. In
alle eerlijkheid: dat geld heb ik ook niet. Ik wil echter weten of dit
een budgettaire, valide reden is of dat in het antwoord verstopt zit dat
de staatssecretaris het ook inhoudelijk eigenlijk überhaupt geen goed
idee vindt. Ik vind het wel een probleem. Ik wil dus graag een antwoord
op de vraag of het hier nu gaat om een budgettaire afwijzing — die ik
zou respecteren — of om een inhoudelijke afwijzing. Zou de
staatssecretaris hier toch nog een keer naar willen kijken, wellicht
samen met collega Blok? Die ombouw is iets wat we allemaal belangrijk
vinden. Ik krijg uit de praktijk wel te horen dat dit gewoon een
knelpunt is bij de ombouw van kantoren naar woningen. Ik ben dus op zoek
naar iets meer duiding van het verder nette antwoord dat het 30 miljoen
zou kosten, wat ik natuurlijk jammer vond.
Staatssecretaris Wiebes:
Dat antwoord geven we dan ook in tweede termijn. Op zich is het
natuurlijk wel een beetje jammer dat de tekst blijkbaar dit soort vragen
oproept. Dat heb ik alleen mezelf te verwijten. De reden zou glashelder
moeten zijn. Nu moet de heer Van Weyenberg op zoek naar een soort tweede
laag in de beantwoording. Ik ga daaraan werken.
De heer Van Weyenberg (D66):
Er staat bij dat het heel ingewikkeld is en dat het verschillende zaken
zijn. Dat snap ik. Maar omdat de staatssecretaris zegt dat hij het doel
deelt, wil ik toch even weten of hier wellicht sprake is van een
knelpunt. Ik zou de spade toch nog wat dieper willen steken.
Staatssecretaris Wiebes:
De vraag is helder.
Ik probeer nu over te gaan naar het stukje pensioen in eigen
beheer.
De heer Bashir (SP):
Ik heb ook een aantal vragen over vereenvoudiging gesteld. Dat geldt ook
voor de heer Van Vliet. Ik noem het eigen huis. De staatssecretaris zou
eens op de website van de Belastingdienst moeten kijken. Als je
gescheiden bent en toch de hypotheekrenteaftrek wilt kunnen gebruiken,
moet je een keuzemenu volgen. Je moet daar maar eens rustig voor gaan
zitten en kijken hoe ingewikkeld dat is! Als je het over een
vereenvoudiging hebt, zowel voor de burgers als voor mensen bij de
Belastingdienst, dan is dit een regeling die aangepakt moet
worden.
Hetzelfde geldt bijvoorbeeld voor het aftrekken van de kosten van
voeding door zzp'ers. Er zijn in Nederland 800.000 zzp'ers. Een aantal
doet natuurlijk zelf aangifte en een aantal doet aangifte via
fiscalisten. Stel dat zij een bonnetje hebben voor de aanschaf van eten.
Dan zijn er een stuk of zes of zeven regels over wat nu aftrekbaar is en
hoeveel er dan kan worden afgetrokken. Kunnen we dat nu niet gewoon
eenvoudiger maken?
Staatssecretaris Wiebes:
Ik ben dol op dit soort oproepen. Dank. Ga hiermee door! Ik weet dat de
hypotheekrenteaftrekregels ingewikkeld zijn geworden, maar ik had het
specifieke punt van de maaltijden van de zzp'ers tot nu toe nog niet zo
in het vizier. Ik ga daar op verzoek van de heer Bashir even achteraan.
Ik ga daar gewoon naar kijken. Ik waan mij een zzp'er die af en toe
eet.
De heer Bashir (SP):
Ik heb nog een kleine aanvulling. Het gaat bij de hypotheekrenteaftrek
om het geval waarin iemand gescheiden is. Dan heb je nog twee jaar recht
op aftrek. Dan zijn er echt heel ingewikkelde regels. Ik was er zelf ook
verbaasd over. Ik had daarover een mailtje gekregen en heb vervolgens
zelf even gekeken. Ik kon mijn ogen niet geloven.
Staatssecretaris Wiebes:
Geweldig. Dank!
Voorzitter. Ik kom te spreken over pensioen in eigen beheer. Overigens
ook geen eenvoudige jongen! Dit was ooit een best aantrekkelijk en
fiscaal gefaciliteerde pensioenvoorziening voor de dga. Inmiddels zijn
de adviseurs dit iedereen sterk aan het ontraden. Naar verluidt heeft
meer dan de helft van de dga's de opbouw van het pensioen in eigen
beheer al stopgezet. Men ziet dit vooral als een grote last. Er is een
beklemming van het vermogen. Het is gereserveerd op de balans, het zit
vast. Elk jaar moet de actuaris eraan te pas komen om te kijken wat de
pensioentoezegging op de balans zou moeten zijn. Het stopzetten hiervan
levert een belangrijke vereenvoudiging op. Er zit ook op een
opmerkelijke manier een opbrengst aan. Als je iets beëindigt en een
korting geeft, doe je dat veelal met de gedachte: het kost een keer wat,
maar dan zijn wij daarna van het gedoe af. Dit keer levert het ook nog
een beperkte opbrengst op. Dat komt vooral doordat nu de omkeerregel
wordt toegepast. Er wordt fiscaal gefaciliteerd pensioen gereserveerd,
maar komt nooit meer in de bijtelling. Het lekt als het ware weg. Dit
toekomstige weglekken is eigenlijk de opbrengst. Die kun je netto
contant maken, of zoals het heet "platslaan". De opbrengst is dan
structureel aanwezig. Dat wordt eigenlijk gefinancierd door mensen die
een en ander ooit zouden zien weglekken, maar nu nog niet. De huidige
groep krijgt de afkoopregeling. De dekking bestaat daaruit dat er minder
sprake is van weglekken voor de overheid in de toekomst.
Er zijn allerlei vragen gesteld over de budgettaire ramingen. Mevrouw De
Vries verwees naar het artikel in Het Financieele Dagblad. Misschien wel
naar aanleiding van hetzelfde artikel vroeg de heer Van Dijck hoe
realistisch de inschattingen zijn. Pak het artikel in Het Financieele
Dagblad er maar bij. Daar staat in vrij veel geuren en kleuren waarom
het pensioen in eigen beheer steeds minder aantrekkelijk is geworden.
Veel dga's hebben het stopgezet, maar het blijft op de balans staan. Het
bemoeilijkt het aantrekken van vreemd vermogen, want de
pensioenvoorziening is vreemd vermogen. Het bemoeilijkt het doen van
investeringen en het uitkeren van dividend. Alleen stopzetten levert dus
niets op; dat is niet voldoende. Daarom is er een afkoopregeling
gemaakt. In het artikel staat dat niet iedereen daarvan gebruik zal
maken. Dat is helder en dat is waar. Tussen een derde en de helft zou er
gebruik van maken. Er zijn ramingen van gemaakt. Een deel zal het niet
afkopen. Die mensen moeten het op een of andere manier in een potje
stoppen. Het blijft dus behouden binnen de bv. Ook bij de afkopers kan
het trouwens in belangrijke mate behouden blijven als kapitaal in de bv.
Er staat in het artikel geen onzin; het is gewoon niet voor iedereen
mogelijk om af te kopen. Als het geld er niet meer is, wordt afkopen wel
moeilijk. Je kunt niet iets wat niet meer bestaat gebruiken om iets af
te kopen.
Mevrouw Schouten reageerde nog op een andere manier op dat artikel. Zij
vroeg: is het niet een douceurtje voor de rijke dga? Ik geef op een iets
filosofischer niveau antwoord. Met de facilitering van pensioenen in
fiscale zin worden hogere pensioenen natuurlijk meer fiscaal
gefaciliteerd. Dat is logisch. Als je afkoopt, kan bij hogere pensioenen
meer gebruik worden gemaakt van een aantrekkelijke afkoopregeling. Als
het pensioen hoger is, wordt er meer fiscaal gefaciliteerd dan wel meer
fiscaal gefaciliteerd afgekocht. Dat is niet anders dan wanneer we niet
tot afkoop zouden overgaan. Naarmate iets groter is, heb je er meer aan.
Het zijn wel mensen van wie wij graag zouden zien dat het gedoe rond de
opbouw stopt. Dat is alleen maar acceptabel voor die groep wanneer we
iets bieden wat ook daadwerkelijk aantrekkelijk is.
Mevrouw De Vries vroeg wat er gebeurt als de geraamde budgettaire
opbrengst niet wordt gehaald. Ook de heer Van Dijck vroeg wat wij
mislopen als het niet lukt. Daarbij moeten wij wel onderscheid maken
tussen twee bedragen. In de eerste plaats gaat het om wat op korte
termijn de opbrengsten zijn van wat er binnenkomt. Dat kan een bedrag
zijn van 2 miljard, maar dat betreft voornamelijk verschuiving. Het gaat
om opbrengsten die ooit zouden zijn binnengekomen en in plaats daarvan
nu binnenkomen. Die lopen het saldo in, maar zij worden niet gerekend
tot het relevante budgettaire beslag. Het relevante budgettaire beslag
is het bedrag waar ik het zojuist over had, namelijk dat wat
uiteindelijk op de lange termijn overblijft als effect op de staatskas,
contant gemaakt in een structureel bedrag. Dat is geen bedrag in de orde
van grootte van 2 miljard, maar een opbrengst van 62 miljoen
structureel, zoals in de stukken te lezen valt. Dat bedrag is gebruikt
ter dekking van maatregelen uit het Belastingplan. Het is niet zo dat
wij ineens een enorme schuif hebben van miljarden en dat dingen helemaal
mis kunnen gaan. Het bedrag dat relevant is voor de dekking is een
bedrag van 62 miljoen, dat bovendien veel minder afhankelijk is van het
aantal mensen dat er uiteindelijk gebruik van maakt. Dat bedrag wordt
vooral ontleend aan wat er in de toekomst niet meer weglekt door het
stopzetten, maar het hangt niet zo af van de vraag hoeveel mensen van
die regeling gebruik hebben gemaakt. Als nul mensen van die regeling
gebruik zouden maken, zou er wellicht ook een budgettaire opbrengst zijn
in een vergelijkbare orde van grootte. Het bedrag waarom het gaat is dus
veel beperkter dan het eenmalige bedrag dat binnenkomt en het is
bovendien minder gevoelig. Dat is de reden waarom ik op dat punt wat
comfortabel aan tafel zit en niet heel bang ben voor wat het
daadwerkelijke gebruik van deze regeling betekent voor de inkomsten van
de Staat.
De heer Omtzigt vroeg of het een idee zou zijn om de Kamer jaarlijks
daarover te informeren. Het wetsvoorstel voorziet in een
informatieplicht voor de dga. De Belastingdienst kan daar dus vrij
aardig zicht op houden. Ik ben dus best bereid om dat te doen. Ik zeg
erbij dat het niet over heel grote bedragen gaat. Wij volgen het, maar
het is niet zo dat er heel veel van afhangt in de begroting. Er is
echter geen bezwaar tegen om dit te volgen, ook al omdat het een
oefening in raming is geweest. Dan is het nooit gek om te bezien hoe je
het nu doet. Ik heb er dus geen bezwaar tegen en doe bij dezen de
toezegging.
De heer Groot stelde een heel praktische vraag: welke voorbereidingen
doen wij nu? In het verlengde daarvan vroegen mevrouw De Vries, de heer
Weyenberg, de heer Omtzigt, mevrouw Schouten en de heer van Dijck: gaat
het nu lukken? Wij hebben intermediairdagen en er komt een webcast op de
site van de Belastingdienst. De Belastingdienst heeft natuurlijk een
vaste traditie van informeren van de branche over ophanden zijnde
belastingwijzigingen. Dat doen wij ieder jaar. Van de intermediairdagen
tot en met wat dan ook; er zijn allemaal kanalen om de branche op de
hoogte te stellen.
Allerlei woordvoerders hier aan tafel hebben daar vragen over gesteld en
gezegd: het gaat wel allemaal in op 1 januari 2017. Is dat niet een
beetje snel? Wij hebben allemaal gelezen dat de behandeling in de Eerste
Kamer op 19 december is. Dat is krap. Je zult maar met kerstvakantie
zijn. Lukt dat dan nog wel? Welnu, laat ik beginnen met wat er op 1
januari in orde moet zijn. Op 1 januari hoef je nog niet te kiezen. Je
hoeft ook nog niets te betalen. Je hoeft ook niets aan te geven. Je
hoeft alleen maar besloten te hebben om de opbouw van het pensioen in
eigen beheer te staken. 50% of meer doet het al niet meer. Dit betekent
dat je op dat moment in de administratie van de bv de beschikking moet
hebben over een verslag van een vergadering van aandeelhouders. Vaak is
dat de dga in zijn eentje. Dat is dus een verslag van een vergadering
van één persoon met zichzelf. Dat is natuurlijk wat het is: je houdt een
bestuursvergadering met jezelf en zegt: we gaan stoppen met de opbouw.
Het verslag daarvan stop je in het archief. Dat is wat je geregeld moet
hebben. De indruk was dat dit zou moeten lukken. Het is dan aan de hele
infrastructuur rond de Belastingdienst om de communicatie vlekkeloos te
laten verlopen, zoals de Belastingdienst elk jaar doet over gewijzigde
belastingen.
Mevrouw De Vries heeft gevraagd of de afkoop ook gefaseerd kan. Op dit
moment wordt ervan uitgegaan dat je het wel of dat je het niet afkoopt.
Daarop zijn ook de berekeningen gebaseerd. Uitgaande van de premisse dat
je geheel afkoopt, voegt het naar mijn idee weinig toe om het in partjes
te doen. Het kan zijn dat je het met het oog op de liquiditeit over drie
jaar moet spreiden, maar ik weet niet of dat per se heel veel uitmaakt.
Je moet dan namelijk wel drie keer door de molen. Verder heeft het ook
een zeker aanzuigend effect en zijn er enige miljoenen aan dekking mee
gemoeid. Ik sta hiervoor dus niet te trappelen, ook al snap ik haar
vraag eigenlijk heel goed. Omdat ik niet sta te trappelen, heb ik er in
eerste instantie voor gekozen om het niet te doen. Ik vind haar vraag
niet raar, maar ik heb er zelf niet voor gekozen.
Mevrouw De Vries heeft gevraagd of de bij beleidsbesluit opgenomen
tijdelijke goedkeuring voor de zogenoemde combinatieregelingen omgezet
kan worden in een permanente aanwijzing. Mijn antwoord daarop is ja.
Daarmee kom ik dan tegemoet aan uitvoeringsproblemen bij uitvoerders die
zonder die permanente aanwijzing in één combinatieregeling twee
franchisen moeten hanteren. Dat is natuurlijk ook de achtergrond van
haar vraag. Bij dezen een toezegging van mijn kant!
De heer Omtzigt (CDA):
Ik zal in tweede termijn nog aanvullende vragen stellen, omdat ik nog
steeds geen antwoorden heb met rekenvoorbeelden op mijn vragen over
dga's die niet in volledige gemeenschap van goederen getrouwd zijn. Dat
schijnt bij dga's nog wat vaker voor te komen dan bij de niet-dga's in
deze wereld, zo vertellen allerlei experts mij.
Voor de mensen die frequent deze vergadering volgen en de hele dag
kijken, zal het geen enkele moeite zijn om die aandeelhoudersvergadering
met zichzelf voor 1 januari te houden. Er zijn echter ook wat kleinere
dga's die niet dagelijks naar de Tweede Kamer kijken of dagelijks hun
adviseur bellen en die mensen zouden de deadline wel eens kunnen missen.
Wat doen we daarmee? Ik wil verder nog aandacht van de staatssecretaris
vragen voor een andere specifieke groep, de dga's die hun pensioen
extern verzekerd hebben. Zo'n externe polis opzeggen is lastig, omdat er
vaak een nabestaandendekking in zit. Het betekent dat je de hele
verzekering moet opzeggen, inclusief de nabestaandendekking. Als je zelf
een ziekte onder de leden hebt, is het opzeggen van een
nabestaandendekking iets heel zwaars. Daarmee ontzeg je namelijk je
partner een levenslange uitkering wanneer je komt te overlijden. De
staatssecretaris vraagt ook deze groep om hierover even een besluit te
nemen tussen 19 december en 1 januari. Ik snap dat hij misschien niet
direct met een antwoord kan komen en daarom vraag ik hem om voor de
plenaire behandeling na te denken over de vraag hoe we met deze
specifieke groep om kunnen gaan. Dat zijn dus de mensen die hun pensioen
extern verzekerd hebben. Doet hij dat niet, dan krijgen we echt in een
paar gevallen te maken met heel schrijnende situaties, die
waarschijnlijk ook de staatssecretaris zelf niet wenselijk vindt.
Staatssecretaris Wiebes:
Ik heb mij eerder afgevraagd waarom wij hiervoor niet wat meer tijd
zouden kunnen nemen, want er zijn inderdaad dga's — dat beweren boze
tongen althans — die niet dagelijks de Staatscourant lezen. Dat is
onverstandig, maar het gebeurt nog steeds! Ik heb daarom zelf ook een
scène op kantoor gemaakt. Het is een formaliteit, maar je moet het wel
effe gedaan hebben. We stuitten toen steeds op precies de groep die de
heer Omtzigt nu noemt. Als je coulance betracht ten aanzien van iets wat
in de handen is van de overheid, heb je niet automatisch coulance ten
aanzien van iets waar derden mee te maken hebben.
In vind de denkopdracht een verstandige, maar ik zeg niet dat het per se
gaat lukken. Ik doe deze toezegging echter toch en ik ga er dus nog voor
de behandeling even over nadenken. Ik zal ook een manier vinden om dat
voor het debat te laten weten. De vraag is een goede. Er hoeft maar heel
weinig te gebeuren voor 1 januari, maar je moet het wel effe doen. Dit
is een complicatie daarbij en daarover ga ik nadenken. Ik beloof geen
gouden bergen, maar ik zie wel het vraagstuk.
De heer Omtzigt (CDA):
Dank u wel.
Het waren twee zeer gescheiden vragen die ik een beetje dom heb
gemixt.
Staatssecretaris Wiebes:
Ze hangen wel samen.
De heer Omtzigt (CDA):
Ze hangen zeer samen! Voor de eerste groep zou het helpen als de
staatssecretaris zou zeggen dat het besluit voor 15 februari genomen kan
worden. Dan kan er geïnformeerd worden en dat is ook iets wat een beetje
hoort bij ordentelijk bestuur. We weten dat deze wet in tegenstelling
tot de wet over de monumenten waarschijnlijk niet het allergrootste
knelpunt in de Eerste Kamer zal zijn, maar formeel is een beslistermijn
van 19 december tot 1 januari wat aan de korte kant.
Voor de tweede groep vraag ik de staatssecretaris echt om niet alleen
iets met het besluit te doen maar ook om een manier te vinden om in
ieder geval de nabestaandendekking in stand te laten. Dat je verplicht
wordt om je opbouw in je opbouw stop te zetten is één ding, maar er moet
dan wel een manier zijn om de nabestaandendekking ergens onder te
brengen, zodat de polis geruisloos doorgezet kan worden. Je zult maar
geconfronteerd worden met het feit dat je ergens anders niet meer wordt
geaccepteerd omdat je ziek bent en dat je om hiervan gebruik te kunnen
maken je nabestaandendekking moet opzeggen. Dat kan zeer vergaande
consequenties hebben.
Als op beide gevallen voor de plenaire termijn gereageerd kan worden,
zou dat heel erg helpen.
Staatssecretaris Wiebes:
Het zijn heel goede punten, maar het zijn geen makkelijke punten. De
toezegging is er!
De heer Tony van Dijck (PVV):
Op het gevaar af dat ik een beetje hetzelfde punt maak, wijs ik er toch
ook maar op dat ik een vraag had gesteld over de hybride
pensioenpolissen. Dat betreft de dga's die een deel extern bij een
verzekeraar hebben ondergebracht met een maandelijkse premie en een deel
intern in hun eigen bv opbouwen. Vooral voor dat deel in de eigen bv is
het makkelijk, want daarvoor hoef je inderdaad alleen die
aandeelhoudersvergadering met jezelf houden en daarin zeggen dat je
ermee stopt. Die externe verplichting bij een verzekeraar loopt dan
natuurlijk wel door. Om die polis te stoppen voor 1 januari is het wel
heel erg kort dag. Wat betekent het om die premie vrij te moeten maken
en noem het verder maar op? Ook vanuit die aanvliegroute doe ik een
oproep om er iets meer tijd voor te nemen en te voorkomen dat mensen
binnen twee weken bij hun verzekeraar hun pensioenpolis moeten
opzeggen.
Staatssecretaris Wiebes:
We doen hier een poging om het pensioen in eigen beheer op te ruimen,
maar dit is natuurlijk niet een pensioen in eigen beheer. Dit is
pensioen in extern beheer. De afkorting is dan misschien hetzelfde, maar
waarom zouden wij ineens ook de pensioenen in extern beheer moeten
opruimen? Dit is bedoeld om klaarheid te brengen in de pensioenen in
eigen beheer en het valt er daardoor per definitie niet onder.
De heer Tony van Dijck (PVV):
Dit is inderdaad pensioen in extern beheer, maar het maakt wel integraal
onderdeel uit van het pensioen in eigen beheer. Het is immers een
hybride constructie. De staatssecretaris zei net zelf dat 50% van de
dga's ervoor heeft gekozen om het niet helemaal in eigen beheer te doen
en om een deel voorzichtigheidshalve extern bij een pensioenverzekeraar
onder te brengen. Die ruimhartige kortingsregeling wordt deze groep nu
onthouden, terwijl de keuze voor een hybride constructie, toen ze die
maakten, wel zo voorzichtig en verantwoord was. Als die groep van deze
regeling gebruik wil maken, is men verplicht om binnen twee weken de
pensioenpolis te stoppen en het terug te halen naar de bv om alsnog voor
31 december gebruik te kunnen maken van die korting. Er zit dus een
ontzettende tijdsklem en tijdsdruk op die groep.
Staatssecretaris Wiebes:
Ik zit even te kijken of we deze groep nu wel beogen. We willen pensioen
in eigen beheer opruimen. Er zijn drie alternatieven. Je kunt besluiten
om geen pensioen te sparen. Je kunt ook netto sparen. Je kunt het gewoon
in je bv oppotten voor de oude dag, het dan nog niet uitkeren en daarmee
op een verstandige manier netto sparen voor de bv. Je kunt het ook bij
een externe verzekeraar onderbrengen. Waarom zou je bij het opruimen van
het een ook het ander meenemen? Er is op zich niet zo veel op tegen om
dat extern geregeld te hebben.
Kijken wij naar een ander product? Begrijpen we elkaar niet?
De heer Omtzigt (CDA):
Technisch gaat het om het volgende. Stel je begint met je
pensioenverzekering. Dan heb je nog heel weinig geld daarin zitten. Dus
vanuit een risico kan het heel verstandig zijn om een externe
verzekering af te sluiten voor het geval van overlijden en soms ook nog
voor het geval van arbeidsongeschiktheid. En dat gedeelte van de polis
zet je bij een externe verzekeraar. Immers, stel je voor dat je na een
jaar overlijdt, dan staat er een paar duizend euro op die polis. Dan
hebt je niets voor je echtgenote, maar dan is dat verzekerd. Dat is heel
vaak toegepast. Als je nu afkoopt, dan moet je niets meer inleggen. Dat
is op zich iets wat je vrij gemakkelijk kunt doen. Maar als er wordt
gezegd dat je ook die polis moet opzeggen, dan vervalt ook de dekking
voor je partner in geval van overlijden. Dat wil je niet. Dat is wat ik
net beoogde met mijn vraag. De constructie klinkt een beetje gekunsteld.
Het is een standaardproduct dat aangeboden wordt. Het opzeggen van een
overlijdensrisicoverzekering is een vrij groot iets. Ik gok zomaar dat
een aantal banken door het dak gaat als ze horen dat de
overlijdensrisicoverzekering is opgezegd op het moment dat iemand nog
ergens een aflossingsvrije hypotheek heeft hangen. Je doet mensen dus
nogal wat aan door dit soort dingen te laten opzeggen.
Staatssecretaris Wiebes:
Ik weet niet of we dat doen. Dit ding staat nog niet op de balans van de
bv?
De heer Omtzigt (CDA):
Ze zijn gekoppeld. Ook ik heb adviseurs. Ik heb zelf ook geen bv.
Mevrouw Schouten (ChristenUnie):
Oh nee?
De heer Omtzigt (CDA):
Nee, ik heb alleen een gemeentemonument zonder subsidie, mevrouw
Schouten. Ik wist dat ik er een keer mee moest komen! Wij begrijpen dus
dat deze integraal opgezegd moeten worden en dat er dan problemen
ontstaan bij het overlijdensrisicodeel.
Staatssecretaris Wiebes:
Ik ga dat na en kom er in tweede termijn op terug.
Mevrouw Aukje de Vries (VVD):
De staatssecretaris heeft zelf in zijn beantwoording gezegd dat als het
verzoek voor zo'n externe verzekeraar tot overdracht naar dat
eigenbeheerlichaam voor 1 januari 2017 is ontvangen maar de
administratieve afhandeling pas daarna plaatsvindt, dit zal worden
aangemerkt als een toegestane overdracht in 2016. De vraag die daarbij
wel speelt, luidt: is er dan voldoende ruimte voor een goed
adviestraject voor 1 januari 2017? De staatssecretaris heeft zelf al
erkend dat dit een punt is. Volgens mij is het zelfs al toegezegd. Ik
vind het dus wel een beetje typisch. Is dat wel lang genoeg? Moet je
daar niet nog wat meer ruimte voor geven?
Staatssecretaris Wiebes:
Ik kom erop terug.
De heer Bashir (SP):
Het is pensioen in eigen beheer, maar volgens mij is het niet helemaal
in eigen beheer. Als je bijvoorbeeld de jaarlijkse dotatie moet
berekenen, heb je al een externe deskundige nodig. Die kan dat voor je
berekenen met behulp van een heel ingewikkeld programma. Dat kun je zelf
niet doen.
Ik heb nog een vraag gesteld over het splitsen van het pensioen in een
gedeelte voor je partner en een gedeelte voor jezelf. Als je akkoord
moet gaan met de afbouw van het pensioen in eigen beheer, heb je de
handtekening van je partner nodig. Veel adviseurs zeggen dat dit een
groot probleem wordt. Klanten zijn bang dat de partner terugkomt van het
zetten van de handtekening. Als je nu bijvoorbeeld een handtekening
onder een hypotheek zet, moet je er ook voor tekenen dat je je bewust
bent van datgene waar je voor tekent, dat je niets geslikt of gedronken
hebt. Dat gebeurt niet zonder reden. Mensen zijn altijd bang dat mensen
terugkomen van het zetten van hun handtekening. Dat is hier een groot
probleem. Daarom zouden veel mensen niet akkoord gaan met het afbouwen
van pensioen in eigen beheer. Dan krijgt de staatssecretaris het
probleem dat zijn dienst blijft zitten met heel veel pensioen in eigen
beheer. Dit zou je kunnen oplossen door het mogelijk te maken dat het
pensioen gesplitst wordt, zodat het ene deel afgekocht kan worden
terwijl het andere deel in stand blijft. Dan is het nog de verwachting
van heel veel adviseurs dat geen gebruik wordt gemaakt van die regeling,
maar het feit dat die mogelijkheid er is, zal ervoor zorgen dat mensen
later veel moeilijker terug kunnen komen van het zetten van hun
handtekening. Dan kan er immers worden gezegd: er was ook nog de
mogelijkheid om het pensioen te splitsen. Dat heb je niet gedaan, dus je
hebt er echt zelf voor gekozen.
Staatssecretaris Wiebes:
Deze antwoorden zitten in de schriftelijke set. Ik verwijs naar pagina
33. Ik hoor naast me dat de Kamer een andere versie heeft en dat het in
die versie een andere pagina is. Dat is helemaal mooi! Er is in ieder
geval een antwoord op gekomen. Ik zal even duiden op welke pagina het
antwoord staat. Dan kunnen we er eventueel in tweede termijn op
terugkomen.
De heer Bashir (SP):
Ik heb het hier voor mij. De staatssecretaris zegt min of meer: nee, dat
gaan wij niet doen, want je kunt je ouderdomspensioen in eigen beheer
houden en de rest extern onderbrengen. De staatssecretaris zegt dat het
geen voordeel oplevert. De mening van de mensen die met klanten van doen
hebben over pensioen in eigen beheer, is een andere. Zij zeggen: als je
dit niet doet, dan wordt er amper gebruikgemaakt van de mogelijkheid die
de staatssecretaris gaat bieden met zijn nieuwe wetsvoorstel.
Staatssecretaris Wiebes:
Daar hebben wij een iets andere inschatting van gemaakt. Als je het
splitst, heb je nog steeds die handtekening nodig. De vraag is dus of
dat wat oplost in juridische zin. De oplossing van de heer Bashir is een
listige. Hij zegt: als partijen het niet eens worden en je het pensioen
splitst, dan gaat iedereen over zijn eigen deel. Maar juridisch zit het
zo niet in elkaar. Dat lost dus niets op. Daarbij is het natuurlijk zo
dat er dan in feite een soort variant op het voorstel van mevrouw De
Vries komt, in de zin dat er een gedeeltelijke afkoop wordt toegestaan.
Dat is ook iets waarbij mogelijkerwijs dekkingsvragen zullen spelen. Dan
kun je gevallen waarover men het niet eens wordt, deels laten doen.
Andersom kan ook. Ik weet niet wat voor consequenties dat heeft. Maar
het is in juridisch opzicht niet mogelijk dat iemand eigenhandig kan
besluiten om iets te splitsen wat van mensen samen is. Dat lost dus
juridisch niets op. Ik vind het wel een logische gedachte, maar zij
vliegt juridisch niet.
De heer Bashir (SP):
Punt een: we hebben het nu over dit wetsvoorstel, dus de
staatssecretaris zou het juridisch kunnen regelen. Punt twee: ook als je
de mogelijkheid van splitsing creëert, is het de verwachting dat daar
geen of althans heel weinig gebruik van zal worden gemaakt. Er kan in
een later stadium echter wel kunnen worden gezegd: je hebt er als
partner niet voor gekozen om te splitsen, dus je bent er echt mee
akkoord gegaan. Daarom zouden veel meer dga's het besluit kunnen nemen
om gebruik te maken van het wetsvoorstel van de staatssecretaris. Ik wil
hiermee dus zeggen dat de staatssecretaris zichzelf enorm helpt door
deze mogelijkheid te creëren zonder dat heel veel mensen er
daadwerkelijk gebruik van zullen maken.
Staatssecretaris Wiebes:
De vraag is of ik dingen kan creëren die door civiele partijen onderling
zijn afgesproken. Als de heer Bashir en de heer Groot samen een afspraak
maken over een gezamenlijk pensioen, dan kan de overheid niet zomaar
ineens besluiten dat het ene deel van de een is en het andere deel van
de ander. Dat speelt hier volgens mij.
Ik vind het een creatief idee en ik zal er nog even in de rebound naar
kijken. Ik zie het punt wel. Als twee mensen het niet eens worden, kun
je het soms vlot trekken door meer keuzemogelijkheden te creëren. Dat is
het centrale punt. Dat punt is sympathiek en intelligent. Het is alleen
even de vraag of het inpasbaar is in de juridische werkelijkheid. Ik ga
er nog een keer naar kijken.
De heer Van Weyenberg (D66):
Ik had gevraagd om het doorwerkvereiste dat verdwijnt voor
ouderdomspensioenregelingen ook voor prepensioenregelingen te schrappen.
Dat zou gewoon een vereenvoudiging in de pensioenwereld zijn. Ik weet
dat de staatssecretaris een groot fan van vereenvoudiging is. Dat geldt
vast ook voor de private sector. Ik had gevraagd naar de nadelen
daarvan. De staatssecretaris zegt: de nadelen vallen op zich wel mee. Op
pagina 27 van de schriftelijke beantwoording wordt daar iets over
geschreven. Op zich is het al een wat minder groot probleem dan in het
verleden. Dat vind ik mooi. Er is al iets opgelost. Dan zou je dat
doorwerkvereiste, wat mij betreft, dus helemaal kunnen afschaffen. Er
staat echter een wat ingewikkelde passage in de beantwoording. "Indien
toch gekozen wordt voor het afschaffen van het doorwerkvereiste voor
prepensioenregelingen, zal in overleg met het ministerie van SZW nader
onderzoek plaatsvinden naar de budgettaire consequenties aan de
uitgavenkant voor de sociale zekerheid en aan de lastenkant." Dat is een
beetje ingewikkeld. Ik overweeg hier iets mee te doen, maar ben
natuurlijk juist op zoek naar de kennis of ik hier bijvoorbeeld een
budgettair gat sla. Dat wil ik natuurlijk niet op mijn geweten
hebben.
Ik zou graag de volgorde omdraaien en eerst willen horen van de
staatssecretaris en het ministerie van Sociale Zaken of er prohibitieve
problemen zijn als je hiervoor kiest. Ik zou dat graag horen. Ik zie ze
niet en ik hoor er ook niet over van de mensen met wie ik spreek, maar
als ik het heb gemist hoor ik dat graag. Heeft het verder budgettaire
gevolgen? Ik wil best met een amendement of een motie een oproep doen,
maar ik wil tegelijkertijd voorkomen dat ik daarmee brokken maak. Ik wil
daarom graag om brokken te voorkomen vooraf informatie krijgen over wat
er gebeurt als we daartoe besluiten. Zou de staatssecretaris mij samen
met SZW voorafgaand aan de plenaire beantwoording — ik denk dat dat het
goede tijdpad is — hierover een korte alinea kunnen sturen? Ik weet dan
of ik hierop een amendement kan indienen zonder per ongeluk een
budgettair gat te slaan.
Staatssecretaris Wiebes:
Ik snap de vraag en ik ga contact opnemen met mijn collega van
SZW.
De voorzitter:
Ik stel voor dat we nu tot 19.30 uur gaan schorsen.
Tijdens de schorsing gaat de deur voor het publiek op slot. Ik neem aan
dat u na de dinerpauze bij ons terugkomt, maar zo niet dan waarschuw ik
u uw spullen van de publieke tribune mee te nemen!
De vergadering wordt van 18.37 uur tot 19.39 uur geschorst.
De voorzitter:
Het woord is aan de staatssecretaris. De volgende onderwerpen staan
volgens mijn administratie nog open: vergroening, de procesvragen, de
vragen over substance en een enkele vraag waarop de staatssecretaris dan
wel nu dan wel in tweede termijn zal terugkomen. Ik kreeg er net een
vraag over, maar na de termijn van de staatssecretaris komt er dus nog
een tweede termijn van de kant van de Kamer. Dat is wat er op de
planning staat. Ik denk dat we tegen achten klaar zijn …! Sorry, maar af
en toe maak ik een grapje.
Staatssecretaris Wiebes:
Voorzitter. Er zijn allerlei vragen gesteld over fiscale vergroening.
Als argeloze luisteraar zou je het tijdens de eerste termijn niet uit
het debat hebben opgemaakt, maar Nederland loopt voorop bij de fiscale
vergroening. We zijn de nummer één op de OESO-lijst van de totale
CO2-beprijzing. Daarbij nemen we niet alleen het ETS mee maar
ook de energiebelasting en noem het verder allemaal maar op. Binnen de
OESO, de 34 meest ontwikkelde landen ter wereld, zijn we verder de
nummer twee per capita! Dat wordt alleen maar beter door de opslag in de
komende jaren van duurzame energie. Maar hierover zijn natuurlijk
allerlei vragen te stellen, bijvoorbeeld of het nog iets meer kan. Wie
daarin vooroplopen, zijn — eerlijk is eerlijk — de heren Grashoff en Van
Weyenberg, want die hebben daarover veel vragen gesteld.
De voorzitter:
Een klein punt van orde, mijnheer Van Dijck?
De heer Tony van Dijck (PVV):
Ter verduidelijking: gaat het daarbij om de groene belastingen of de
CO2-reductie?
Staatssecretaris Wiebes:
Het gaat om de CO2-belasting in euro's per ton.
Er zijn verschillende voorstellen besproken. Onder andere is er een
expliciete vraag gesteld door de heer Grashoff over de
stadsverwarmingsregeling. De redenering van de heer Grashoff in eerste
termijn was dat we in bepaalde installaties soms bijstoken met gas en
dat het meedoet in de regelingen voor restwarmte en geothermie, maar dat
het ineens niet meer meedoet in de regeling voor biomassa. Vanwaar deze
willekeur? Het zou toch makkelijk zijn om dit te repareren? Deze
redenering en deze vragen spraken mij aan en ik ben er daarom in
gedoken. Het ligt echter toch iets gecompliceerder, waarmee ik overigens
nog geen nee zeg tegen het idee.
De regeling is niet gericht op duurzame energie maar op
restwarmtegebruik. Je kunt allerlei vormen restwarmte van
elektriciteitscentrales benutten, maar er zijn ook manieren om
restwarmte te gebruiken en op te slaan die je kunt combineren met
geothermie. Dan gaat het niet om het feit dat het geothermie is maar om
het feit dat het een procedé is om tot restwarmtebenutting te komen.
Biomassa is ten principale geen procedé om tot restwarmtebenutting te
komen. Het zou betekenen dat de regeling niet langer een
restwarmteregeling is maar een duurzame-energieregeling. In een ander
verband hebben we overigens al een aantal van die regelingen. Het zou
dus door elkaar gaan lopen. Wat het betekent om deze restwarmteregeling
in die zin op te waarderen tot een soort duurzame opwekkingsregeling,
kan ik niet overzien en dat geldt ook voor de mensen met wie ik erover
heb gesproken.
Er is een heel goede reden waarom de biomassa er niet onder valt: het is
ten principale geen restwarmte. Dat laat onverlet dat het de vraag is of
er iets op tegen is om het zo te doen. Ik kan nu al de vervolgvraag van
de heer Grashoff bedenken: dat zal allemaal wel, maar is er iets op
tegen? Voor het antwoord daarop heb ik even tijd nodig. Ik heb contact
opgenomen met de collega van Economische Zaken en die is bereid om hier
met mij naar te kijken. Dat moeten we echter wel net even wat grondiger
doen, want het gaat dan ook om de samenloop met de SDE+ en om de vraag
of het wel fiscaal moet worden gedaan. Het kost bovendien ongetwijfeld
ook geld. Laat ons dat nu even eerst in kaart brengen! Dat is mijn
reactie op de suggestie van de heer Grashoff, die ik ten tijde van het
debat verleidelijk vond, maar die nu minder makkelijk blijkt te
realiseren dan toen het geval leek te zijn.
De heer Grashoff en de heer Van Weyenberg hebben volgens mij
onafhankelijk van elkaar gevraagd naar de mogelijkheden van een
verhoging van de energiebelasting voor grootgebruikers. Daar hebben we
vorig jaar uitgebreid studie naar gedaan en dat heeft geresulteerd in
een brief. Die brief is nog steeds geldig. Daarin staat dat de ruimte
hiervoor beperkt is en dat je ervoor moet oppassen dat je alleen maar
energie-intensieve industrieën naar het buitenland jaagt zonder dat je
daarmee het klimaat helpt. In de brief staat uitgebreid beschreven hoe
het in allerlei verschillende gevallen uitwerkt. Naar mijn oordeel is
dat nog steeds geldig en het antwoord op deze vraag is dan ook daar te
vinden.
De heer Omtzigt van het CDA heeft gevraagd waarom alleen aardgas wordt
vrijgesteld van energiebelasting en niet de elektriciteit die gebruikt
wordt voor mineralogische procedés. Het antwoord is dat dat
mineralogische procedés vooral aardgas gebruiken en niet zozeer
elektriciteit. Het probleem is benaderd waar het probleem bestond. De
mineralogische processen zijn in die zin gasintensief maar in het
algemeen niet elektriciteitsintensief.
Ik ga verder met een aantal vragen over laadpalen. Mevrouw De Vries
heeft gevraagd of er alternatieve dekkingen mogelijk zijn omdat het nu
wordt gedekt uit de laagste schijf. De heer Van Vliet vroeg op zijn
beurt wat het oplevert als het helemaal niet doorgaat. Als het helemaal
niet doorgaat, levert dat 2 miljoen op. Het gaat om een beperkt bedrag.
De dekking ligt technisch voor de hand, omdat het voordeel ook naar de
eerste schijf gaat. Zoals dat in een democratie gaat, staat het kabinet
altijd open voor gedegen alternatieve dekkingsvoorstellen. Het is een
logische dekking, maar ik heb er geen groot principieel punt van
gemaakt. Ik sta dus open voor nieuwe ideeën.
De heer Bashir vroeg of die laadpaalexploitanten — een intelligente
vraag! — eigenlijk wel verplicht worden om dat voordeel door te geven.
Als er minder belasting wordt betaald, is het niet evident naar wie dat
geld gaat. Dat hangt af van wie de macht in de keten heeft en waar het
rendement gemaakt wordt. Naar wie gaat dat geld dus eigenlijk? De
overheid gaat daar niet over, want we kunnen niemand verplichten om iets
door te geven. De vraag die dan rijst, is of de overheid daar een
opvatting over zou moeten hebben. Als het wordt doorgegeven, wordt het
voor particulieren aantrekkelijker om elektriciteit te tanken. Als het
naar de laadpaalexploitant gaat, wordt de businesscase voor de laadpaal
beter en dat is ook best welkom. Er moet namelijk nogal wat worden
gedaan om de laadpaleninfrastructuur op peil te brengen. Als de
businesscase van die exploitanten wordt verbeterd, komt het dus indirect
weer terecht bij ons doel, namelijk elektrisch rijden. In beide gevallen
maakt het het in de keten goedkoper en dat is het doel geweest van
degenen die ons dit hebben ingefluisterd. Hun doel is immers elektrisch
rijden.
De heer Bashir vroeg waarom dit eigenlijk zou moeten. Hij heeft de
wezensvraag aan het kabinet gesteld of de enige reden waarom het kabinet
dit doet, de aangenomen motie is. Het antwoord is grosso modo ja, maar
daar schaam ik mij niet voor. Ik vind het niet raar dat het kabinet
reageert op een aangenomen motie. Ik zie dat eigenlijk als mijn taak! Ik
zie er dus niks verkeerds in. Het is mij een groot genoegen om de
besluiten van deze democratie uit te voeren. Ik ken geen groter eer dan
dat!
Tegen de heer Bashir zeg ik verder dat de maatregel Europees lijkt te
worden toegestaan. Er is een voorstel voor goedkeuring van de derogatie
ingediend en eerlijk gezegd verwachten wij dat dat goed zal lopen.
Op dit moment is er een laag tarief. Uit mijn hoofd gezegd scheelt het
€0,07 per kilowattuur. Zou het niet aardig zijn om dat tarief niet
alleen op straat te hebben maar ook thuis? Daarvoor suggereert de heer
Van Weyenberg een submeter. Twee dingen daarover. Allereerst is een
submeter geen officiële meter. Het speelt geen rol in onze
elektriciteitsinfrastructuur, want daarvoor is een officiële meter. Die
wordt opgemeten, daar zijn verplichtingen voor, daar wordt je over
afgerekend. Een submeter is een ding in je huis. Het is leuk om de
elektriciteitsrekeningen te verdelen tussen verschillende verdiepingen
of wat dan ook, maar het is geen ding dat systematisch wordt opgenomen,
zodat iemand kan zeggen "dit is de auto en daar gaat een lager
elektriciteitstarief op". Zo'n ding is het niet. Je zou dus echt een
aparte aansluiting moeten hebben. Maar dan zie ik het al gebeuren dat
iemand in of naast zijn huis twee aansluitingen heeft. Dan wordt het wel
erg verleidelijk om de stekker van de wasmachine in het verkeerde
stopcontact te steken. De heer Omtzigt heeft het met levendige teksten
beschreven. Je gaat niet met een groot oranje snoer over straat voor een
wasbeurt van 1,5 kilowattuur of €0,10. Je staat toch een beetje voor aap
bij de buren als je je wasmachine bij een laadpaal aansluit. Als het in
je huis is, wordt het toch een beetje morsig. Dus ik denk dat we dat
idee niet kunnen honoreren.
De heer Van Dijck heeft gevraagd hoeveel fiscaal voordeel de Teslarijder
heeft ten opzichte van iemand met een Opel Kadett. Ik heb mij laatst
vergaloppeerd met een acceptgirokaart. Opel Kadett is uit de tijd van de
acceptgirokaart. Als je de vrijstelling mrb, de bpm en de verlaagde
bijtelling optelt, gaat het om een voordeel van grosso 90 miljoen in
2017. Dat loopt in de jaren daarna op. Je kunt uitgaan van een
mrb-verlaging in 2017 van 3%, maar dat loopt in 2020 op tot een hoger
bedrag. Dat zou al gauw 8% of 9% in 2020 kunnen zijn. Dat is hoeveel de
Opelrijder zou kunnen profiteren van wat nu de Teslarijder heeft.
De heer Omtzigt vraagt naar de WLTP. Dat gaat over de
CO2-emissies van auto's in grammen per kilometer. Als je daar
een andere test voor hanteert, moet je daar ook andere tarieven voor
hanteren. Als je van Celsius naar Fahrenheit overgaat, laat je niet de
temperatuur op 21 graden staan. Dan gaat er iets fout. Als je een ander
meetstelsel hebt, moet je daar ook andere normen voor hanteren. Die
omzetting luistert nogal nauw. We hebben daar een soort Europese tool
voor: de CO2MPAS. Die rekent de ene om in de andere. Ten
principale zou het antwoord op de vraag van de heer Omtzigt dus moeten
luiden "niets", want idealiter zou het voor een auto niets moeten
schelen. De numerieke getallen voor CO2-uitstoot worden
anders en die horen dan bij andere numerieke getallen voor tarieven. Die
kunnen worden teruggerekend en dan moet er weer hetzelfde uitkomen. Dat
is het idee. Als de tool goed is, moet het voor de automobilist niet
uitmaken. De automobilist moet het niet merken. De bedoeling is een
budgettair neutrale omzetting waar niemand last van heeft. Dat kan van
autotype tot autotype best wat ruis veroorzaken, maar ten principale zou
de autorijder hier niets van moeten merken. Het is een technische
omzetting als gevolg van een andere Europese testmethodiek.
Mevrouw De Vries vraagt naar een herziening van de behandeling van
oudere auto's in de bijtelling. Ten principale snap ik haar punt.
Naarmate je auto ouder is, mag je verwachten dat wellicht ook de lasten
ervan anders komen te liggen. De vraag is of je dan nog steeds van
dezelfde catalogusprijs moet uitgaan. Het antwoord is nee, maar we
hebben een heel beperkt aantal uitzonderingen gemaakt, namelijk alleen
voor auto's ouder dan 15 jaar. Daarbij wordt de waarde op een gegeven
moment gebaseerd op de waarde in het economisch verkeer. Of dat dan een
goede benadering is, mag je je ook afvragen, maar we hebben geprobeerd
het eenvoudig te houden. De autobelastingen zijn ingewikkeld genoeg. Wat
mij betreft, en daar heb ik geen geheim van gemaakt, al veel te
ingewikkeld. Als we dan ook nog een systeem maken waarbij de belasting
afhangt van de leeftijd van de auto, denk ik dat we bij de
Belastingdienst allemaal gek worden. Ik wilde dat maar eenvoudig houden
en het niet in grotere mate dan dat we al doen afhankelijk maken van de
leeftijd van de auto.
De heer Grashoff (GroenLinks):
Ik heb vragen over de hulpketels, over de energiebelasting voor
grootverbruikers en over de laadpalen. Zal ik er twee van de drie doen?
Dan vullen andere leden mij wel aan. Ik begin met de hulpketels. Dank
voor het antwoord. Ik snap de welwillendheid van de staatssecretaris.
Wat niet wegneemt dat ik het idee heb dat hier iets groter lijkt te
worden gemaakt dan het is. Er zijn in Nederland een relatief beperkt
aantal stadsverwarmingsinstallaties. De meeste daarvan vallen al onder
de definitie "restwarmte", meestal omdat het warmtekrachtkoppeling
betreft. Er zijn enkele traditionele oude stadsverwarmingen die
rechttoe-rechtaan gasgestookt zijn. Daar moeten we zo snel mogelijk
vanaf. Het is doodzonde om op die manier woningen van warmte te voorzien
in een tijdperk waarin we gas moeten downscalen. Een mogelijke vorm is
omschakeling naar biomassa. Een andere is bijvoorbeeld omschakelen naar
geothermie of ook naar een vorm van restwarmte. Dat zal per situatie
totaal verschillend zijn.
Waar het hier om gaat, is eigenlijk alleen de vraag wat dan het
resterende tarief is voor de hulpketels, die dus nog een klein deel van
de energie moeten leveren. Hoewel ik mij theoretisch kan voorstellen dat
dit geld kost, denk ik dat het praktisch gesproken ver binnen de marges
van welke raming van belastinginkomsten dan ook valt. Daar zou de
staatssecretaris naar kunnen laten kijken. Ik heb in elk geval ook een
amendement hierover ingediend, dat dit, met twee woorden toevoegend aan
de wet, zou regelen. Is de staatssecretaris in staat om hiernaar te
kijken? Je kunt het over veel dingen hebben qua verduurzaming van
warmtelevering. Dat zijn allemaal ingewikkelder dingen. Die moeten
allemaal goed bekeken worden in relatie tot SDE+ en noem maar op. Dit is
eigenlijk een vrij klein, geïsoleerd ding, maar het belemmert wel de
omvorming van enkele installaties in Nederland en de exploitatie van ten
minste een omgeschakelde installatie in Nederland, die nu in ernstige
financiële problemen dreigt te raken.
Staatssecretaris Wiebes:
Misschien wordt de oplossing makkelijker, maar het probleem wordt ook
kleiner. De oplossing wordt ook van minder belang. Dat is dan weer een
teleurstelling. Laat ik even in mijn contacten met EZ kijken of hier een
snel of een langzamer antwoord op past. Als ik meen dat het een
langzamer antwoord is, zal ik dat motiveren. Als er een snel antwoord
is, komt er een snel antwoord. Ik denk dat ik sowieso straks over een
aantal dingen een brief moet sturen. De PEP-kwesties lenen zich ook niet
voor het snelle debat. De inschatting over de snelle of de langzame
raming kan ik hierin meenemen.
De voorzitter:
De heer Grashoff had nog een punt.
De heer Grashoff (GroenLinks):
Ik ben blij met dit antwoord. Ik hoop dat er ook nog een optie is om het
misschien te knippen in iets wat snel en beperkt is qua impact en iets
wat meer omvattend is en inderdaad meer studie vraagt.
Over de energiebelasting voor grootverbruik heeft de staatssecretaris
zijn antwoord van vorig jaar herhaald, maar intussen liggen er ook wel
amendementen op dat vlak. Ik meen dat het amendement dat ik heb
ingediend aansluit bij de opties die vorig jaar in de brief zijn
vermeld. Is de staatssecretaris dat met mij eens of kan hij dat nog niet
beoordelen?
Staatssecretaris Wiebes:
De amendementen zijn nu in staat van aanlevering. Er worden er tijdens
het debat nog ingediend. Ik heb mijn archief dus nog niet helemaal op
orde. Ik moet nog even bekijken waarmee de Kamer het best is gediend.
Het zou mijn idee zijn dat het politieke handwerk van commentaar leveren
op en adviseren over amendementen bij een plenair debat hoort, maar
misschien bestaat er een grote voorkeur om dat anders te doen. Ik vind
dat wel typisch zo horen. Als mij nu naar mijn opvatting wordt gevraagd,
duurt het nog anderhalve week.
De heer Grashoff (GroenLinks):
Kan een eerste gedachte daarover eventueel in een tussentijdse brief
worden meegenomen? Anders zitten we daarna meteen klem op zo'n avond,
want dan kunnen we geen kant meer op. Er kan dan bijvoorbeeld niet meer
worden bijgesteld.
Staatssecretaris Wiebes:
Is dit een bredere wens?
De voorzitter:
Dit is niet ongebruikelijk.
Staatssecretaris Wiebes:
Ik zeg niet dat het ongebruikelijk is.
De heer Groot (PvdA):
Dit is ook mijn wens, precies vanwege de genoemde reden: anders zitten
we klem.
De voorzitter:
In dat geval zou op alle amendementen voorafgaand aan het plenaire debat
een schriftelijke reactie komen.
Staatssecretaris Wiebes:
Laten we dat doen voor de amendementen die op een zeker moment binnen
zijn, anders wordt het een beetje ingewikkeld. Maar als het helpt, zal
ik daar mijn best voor doen.
De voorzitter:
We zullen, in samenspraak met de griffie, de datumgrens nog
aangeven.
De heer Van Weyenberg (D66):
Misschien kan het met de amendementen die er voor het weekend zijn. Er
liggen er al best een boel. Er zullen er vast nog wel wat nakomen of
worden gewijzigd. Sommigen zullen dan vast de behoefte hebben om terug
te komen op wat er staat.
De voorzitter:
Prima. Wij doen vrijdag 12.00 uur.
Staatssecretaris Wiebes:
Als die brief er vrijdag is, moet de deadline iets eerder. Denken we dat
het handig is om dit voor het weekend te hebben? We gaan toch geen
overval doen op maandag?
De voorzitter:
Zullen we nog terugkomen op de vraag wat een goede timing is? Volgens
mij hebben we daar allemaal wel dezelfde gedachten over.
De heer Bashir (SP):
Even voor de duidelijkheid. De staatssecretaris zegt dat hij de wens van
de Kamer uitvoert, maar daar ging mijn vraag niet over. In het antwoord
en de argumentatie van de staatssecretaris zie ik dat hij niet helemaal
een voorstander is van de maatregel die hij gaat invoeren. Zijn
maatregel voor laadpalen maakt het belastingstelsel namelijk
ingewikkelder en het is maar de vraag of dit daadwerkelijk iets gaat
opleveren. Mijn vraag was juist of de staatssecretaris ook zelf vindt
dat het eigenlijk niet zo zou moeten zijn of zo zou moeten worden
ingevoerd.
Staatssecretaris Wiebes:
Er is beslist veel discussie geweest over allerlei maatregelen. Dat is
allemaal in de Handelingen te lezen. Na die discussie is er een motie
ingediend en die is door de Kamer aangenomen. Mij past het nu om die
gewoon uit te gaan voeren, met alle energie en respect voor dat besluit.
Ik heb er geen behoefte aan om daar verder commentaar op te geven. Ik
ben bezig met de implementatie. Er ligt een wetsvoorstel voor. Verder is
het aan de Kamer.
De heer Bashir (SP):
De staatssecretaris is ook adviseur van de Kamer, de medewetgever. Als
wij de staatssecretaris vragen of hij dit een verstandig wetsvoorstel
vindt, waarmee we het belastingstelsel, de Belastingdienst en het land
vooruithelpen, kan hij toch gewoon eerlijk zijn en zeggen wat hij ervan
vindt?
Staatssecretaris Wiebes:
Wij hebben daar diverse momenten voor gehad. Dit is allemaal in de
Handelingen na te lezen. Ik zit nu in een andere modus. De democratie
heeft gesproken. Het wetsvoorstel ligt er.
De heer Omtzigt (CDA):
Ik heb een vraag over een ander onderwerp dan de laadpalen.
De voorzitter:
Zijn er meer vragen over de laadpalen?
De heer Van Weyenberg (D66):
Jazeker. Het spijt me nog steeds dat ik de heer Bashir niet in het
groene kamp mag verwelkomen, maar misschien gaat dat nog een keer
gebeuren. Ik blijf daarop hopen bij de Socialistische Partij, die mij
toch progressief lijkt. Maar goed, misschien een andere keer. Ik zit nog
te kauwen op die thuisladers. Ik snap de zorgen en ik snap heel goed wat
we niet willen. Ik ben nu alleen constant op zoek naar wat er wel kan,
zeker omdat de techniek voortschrijdt. Dus als we vandaag de oplossing
niet hebben, dan zegt mijn grote vertrouwen in de technologie altijd:
weet je dat dat over een halfjaar of een jaar zomaar anders kan zijn?
Maar ik ga daar nog even op kauwen voor de plenaire behandeling.
Mijn vraag was een andere. Ik heb eerder schriftelijk en in het debat
gevraagd om een tabel met de belastingdruk per energie-eenheid voor
verschillende vormen van brandstof. Ik ben mij er buitengewoon van
bewust dat de staatssecretaris zoiets een onzinnige tabel vindt; dat
heeft hij namelijk elke keer verteld. Dan begint hij over de zoveelste
wet van de thermodynamica. Dat vind ik heel interessant, maar ik wil
graag gewoon die tabel. Ik heb daar nu twee keer om gevraagd. Ik stel de
vraag nu voor de derde keer. Ik zie verwondering. Ik kan me nog de
levendige debatten hierover herinneren. Ik ben gewoon op zoek naar een
tabel waarin je per brandstof de belastingdruk in energie-eenheden in
megajoules kunt zien, uitgedrukt voor verschillende typen brandstoffen:
benzine, diesel, lpg, elektrisch via een aparte aansluiting of
elektrisch via laadpalen. Dat is volgens mij te doen. Ik heb er zelf ook
weleens aan zitten rekenen, maar ik hecht waarde aan cijfers die door
het kabinet zijn gevalideerd. Ik zou de staatssecretaris daarom nog
eenmaal de vraag willen stellen of ik die tabel mag krijgen, in de volle
wetenschap dat hij het een onzinnige vergelijking vindt. Ik vind die
echter niet onzinnig en ik wil in ieder geval op de goede cijfers kunnen
bouwen.
Staatssecretaris Wiebes:
Dan zeg ik bij dezen die tabel toe, maar met een kleine kanttekening. U
heeft het over "gevalideerde" cijfers, maar het blijven gevalideerde
onzincijfers. Echt onzin dus, maar u krijgt ze.
De heer Van Weyenberg (D66):
Dat zijn dan gevalideerde cijfers waar ik buitengewoon veel waarde aan
hecht. Met mij zijn er overigens vele slimme breinen die ook een
opleiding aan de TU Delft hebben afgerond, dus ik bevind mij niet echt
in onzinnig gezelschap. Maar ik ben dankbaar voor de cijfers en ik zie
ze graag tegemoet.
De heer Omtzigt (CDA):
Dat moet dan wel inclusief het overdrachtsrendement. Bij elektriciteit
ontstaat het verlies namelijk bij de verbranding van de kolen. Bij
benzine gaat de helft van de energie verloren omdat de benzine voor de
helft niet wordt omgezet in effectief rendement voor de voortstuwing van
de auto. Ik vind het wel leuk om hierover een discussie met mensen uit
Delft te gaan voeren, maar laat ik mijn eigen hobby's nu even achterwege
laten.
Ik heb een iets andere vraag, en wel over de nieuwe testmethode: wat
gebeurt er bijvoorbeeld met een Peugeot 307 in de
14%-bijtellingscategorie en een Mitsubishi Outlander hybride? Die vraag
had ik ook al twee keer gesteld. Ik hecht eraan om deze vraag beantwoord
te krijgen om de volgende reden. Het terugzetten van CO2 is
op macroniveau natuurlijk neutraal, maar op microniveau niet. Bij een
aantal sjoemeldiesels is er ook gesjoemeld met de
CO2-uitstoot. In de nieuwe berekeningen zullen die merken
relatief hoger uitkomen dan merken die in het verleden op een correcte
manier hebben meegedaan aan de testen. Als het op microniveau niet
neutraal uitpakt, hoe pakt dat dan uit voor de belastingen? Ik ben daar
gewoon benieuwd naar. Daarom vroeg ik ook naar dat voorbeeld. En ik
vroeg niet per ongeluk naar het voorbeeld van een hybride auto, omdat ik
daarvoor heel grote wijzigingen verwacht. Die zijn trouwens ook niet per
ongeluk in het wetsvoorstel uitgezonderd van de nieuwe meetmethoden.
Daar heb ik me toch enigszins over verbaasd, want als er iets niet
zuinig rijdt, dan zijn dat wel de Mitsubishi Outlander en friends. Is de
staatssecretaris dus bereid om die cijfers, met de vele onzekerheden
daaromheen, aan de Kamer te doen toekomen, zodat wij kunnen begrijpen
wat er precies gebeurt?
Staatssecretaris Wiebes:
Ik check even of dat wel kan. Ik moet even kijken naar de staat van de
verschillende modellen. Dit is echt in hoge mate work in progress. Ik
moet even bekijken waar we staan.
De heer Omtzigt (CDA):
Het gaat dus om de voorbeelden. Wat gebeurt er als in het nieuwe model
één bepaalde auto met zijn CO2-waarde in één keer heel erg
omhoogschiet en de andere niet? Voor de motorrijtuigenbelasting zouden
die dan in andere categorieën moeten gaan vallen. Het is mij nu niet
helder of dat wel of niet gaat gebeuren. Het gaat dus om het fictieve
voorbeeld. Stel: nu zitten twee auto's allebei op 100. Na herijking zit
de ene op 100 en de andere op 200. In het terugrekenmodel komt het
200-model veel ongunstiger uit en zou het in een andere categorie gaan
vallen. Wat gebeurt er dan met de belasting? Dat is mij niet helder
geworden uit de beantwoording rond de memorie van toelichting. En waarom
handhaven we die uitzonderingen voor hybride auto's? Waarom zouden we
die niet laten meelopen in het nieuwe stelsel? Dat is het andere wat mij
niet helder is.
Staatssecretaris Wiebes:
Als het bestaande modellen zijn en er een nieuwe testmethode komt, zijn
de bestaande modellen nog niet volgens de nieuwe testmethode getest. Die
behouden dan hun oude waarde. Als er een nieuw model komt, dat volgens
de nieuwe methode wordt getest, wordt het nog een tijdje omgerekend op
de oude manier. Daarna komt de switch. In principe worden auto's volgens
één methode getest. Je hebt een oude test en een nieuwe. Dit zijn
bestaande modellen, dus die zijn volgens de oude methode getest. Een en
ander moet op een gegeven moment worden omgerekend. De methode moet
geijkt zijn op basis van dubbel geteste auto's. Daar zijn er nog niet
genoeg van. Ik check het gewoon even, want het gaat om de staat waarin
een en ander verkeert. Als de methode helemaal klaar en gereed is, kun
je alle omrekeningen doen die je wilt en dan kun je zien op welk moment
in de tijd dingen zouden kunnen verspringen. Ik denk dat het nog niet zo
ver is, maar ik ga het even na. Ik ben er destijds diep in gedoken, maar
hier aan tafel kan ik het niet een-twee-drie reproduceren.
De heer Omtzigt (CDA):
Ik wil proberen aan te geven waarom dit van essentieel belang is. Een
gedeelte van de auto-industrie heeft een enorm gesjoemel achter de rug.
De staatssecretaris zegt dat voor alle auto's de CO2-waarde
blijft staan die met of zonder sjoemelen is vastgesteld, totdat er een
nieuw model wordt geïntroduceerd. Daardoor worden al deze
autofabrikanten tot in lengte van jaren bevoordeeld met een waarde die
hun natuurlijk niet zou moeten toekomen. Er zijn allerlei discussies
mogelijk over de vraag of je ze heel hoge boetes oplegt. Maar als je ze
wilt belasten op basis van de hoeveelheid CO2 die werkelijk
wordt uitgestoten, zullen die auto's toch opnieuw moeten worden getest?
Anders houden zij nog vijftien jaar dat voordeel van de sjoemelsoftware,
als zij maar op de markt blijven. Dat is toch niet de bedoeling van deze
test?
Staatssecretaris Wiebes:
Op dit punt speelt echt iets heel anders. Dit zijn twee totaal
verschillende dossiers. Sjoemelsoftware heeft invloed op de
NOx. Dat is iets anders dan CO2. NOx
komt vrij bij hoge verbrandingstemperaturen. Het is een schadelijke
stof. Dan gaat het om luchtkwaliteit, maar niet over klimaat. Het is een
stof die met brandstof naar buiten komt, maar niet per se bij
verbranding. Het is niet, zoals CO2, een verbrandingsproduct
dat uit de reactievergelijking volgt. Bij CO2 gaat het om
klimaat en bij NOx om luchtkwaliteit. Sjoemelsoftware heeft
betrekking op NOx. In dieselmotoren met een hoge
verbrandingstemperatuur werd software ingebouwd om ervoor te zorgen dat
de rollenbankresultaten geflatteerd waren. Dat houdt echter geen verband
met de uitstoot van CO2. Daarbij gaat het om iets anders. Er
was een test met een bepaalde cyclus. Men reed niet erg hard, dus er
kwamen wat zonnige getallen uit. Dat was geen kwestie van sjoemelen, het
was gewoon een test. In die test werd niet zo hard gereden. Dan kun je
een nieuwe test invoeren, waarbij harder wordt gereden of vaker wordt
opgetrokken. Dat is dan een andere meting van zuinigheid. CO2
houdt rechtstreeks verband met brandstofverbruik. Als je overgaat op een
andere test, betekent dat niet dat er daarvoor gesjoemeld werd. Je gaat
op een andere manier kijken en dan komen er andere getallen uit. Het
heeft echt niet te maken met sjoemelsoftware; dat is een ander
dossier.
De voorzitter:
Mijnheer Omtzigt, ten slotte, afrondend.
De heer Omtzigt (CDA):
Het spijt mij, maar minister Dobrindt van Duitsland heeft duidelijk
meegedeeld dat Volkswagen niet alleen gesjoemeld heeft met de
NOx-testen, maar ook met de CO2-testen, zowel van
de dieselauto's als de benzineauto's. Die zijn in Duitsland ook
aangepast. Ik zit er onvoldoende in. Ik weet dat het grootste gesjoemel
met de NOx-uitstoot was, maar er is ook gesjoemeld met
CO2. Als je dat doet, laat je de waarden aan CO2
waarmee gesjoemeld is, oneindig in de boeken staan. Dat lijkt mij gewoon
onwenselijk.
Staatssecretaris Wiebes:
In elk geval lost het probleem zichzelf uiteindelijk op, omdat alle
modellen met de nieuwe tests worden getest. Van sjoemelsoftware voor
CO2 is mij niets bekend. Dat ga ik na. Wat bekend is komen te
staan als het "dieselschandaal" gaat over NOx.
De heer Omtzigt (CDA):
Stukken in Het Financieele Dagblad hebben volgestaan van
CO2-gesjoemel.
De voorzitter:
We gaan er vandaag niet uitkomen, maar de komende dagen misschien wel.
Het woord is aan de heer Van Dijck.
De heer Tony van Dijck (PVV):
Elektrisch rijden is weer zo'n fiscale subsidie waarvan je je kunt
afvragen hoe effectief deze is. Toevallig stond er vanochtend een heel
stuk over in De Telegraaf. Het was bijna een dreigement van de ANWB,
technische universiteiten en bedrijven. Minister Kamp heeft de
aanschafsubsidie afgeschaft — ik wist niet eens dat die bestond — want
volgens hem zijn de effecten onduidelijk. Kamp wijst onder meer op
Duitsland, waar de subsidie geen succes is. Tegelijkertijd verstrekt de
gemeente Den Haag een aankoopsubsidie op elektrische auto's. Dat potje
was natuurlijk snel leeg. Men waarschuwt voor miljoenen euro's aan
subsidie die straks voor Nederland weggegooid geld blijken te zijn, want
als die auto's uit de lease komen, vertrekken ze naar het buitenland.
Wat kost die hele subsidieregeling voor elektrische auto's de
belastingbetaler, ten opzichte van mensen die zich niet zo'n dure Tesla
kunnen veroorloven? De minister zegt dat dit 90 miljoen kost. Dat vind
ik erg weinig. Er wordt geen motorrijtuigenbelasting betaald. We praten
over 100.000 auto's waarvoor geen motorrijtuigenbelasting wordt betaald.
Als men normaal motorrijtuigenbelasting zou betalen zoals u en ik, zit
je al op meer dan 90 miljoen. Men betaalt geen bpm en heeft 4%
bijtelling. Mensen met een elektrische auto krijgen een lager tarief bij
de laadpalen. Kennelijk krijgen zij zo links en rechts ook nog
aanschafsubsidies. Als ik dan in de tabel van de belastinguitgaven kijk
bij de bijtelling zeer zuinige auto's in de inkomstenbelasting, kom ik
op een bedrag uit van meer dan 400 miljoen in 2017. Ik zou graag een
volledig antwoord willen krijgen van de staatssecretaris op de vraag wat
de subsidie op elektrisch rijden kost en hoe effectief die is.
Staatssecretaris Wiebes:
90 miljoen, maar in de categorie die de heer Van Dijck noemt, zitten
twee andere categorieën auto's, namelijk in de eerste plaats de
conventionele auto's die heel zuinig zijn. Daarvoor gelden overigens
tarieven die anders zijn dan in 2017. Verder zitten er de hybrides, de
plug-ins bij. Het bedrag dat ik u heb genoemd, gaat over de puur
elektrische auto's, met vanaf 2017 ook de tarieven en voorwaarden van
2017. Dat betreft 90 miljoen. Verder is er een oploop verondersteld,
omdat het aantal elektrische auto's over de jaren toeneemt. Dat geldt
ook voor het aantal puur elektrische auto's. Dat zorgt ervoor dat het
bedrag groter wordt. Het is echter beoogd het bedrag te zijn voor puur
elektrische auto's. En dan niet met allerlei gemeentelijke subsidies,
want daar ga ik niet over.
De heer Tony van Dijck (PVV):
Dat loopt dan op van 2017 tot 2020. In drie jaar tijd verdriedubbelt
dat. De staatssecretaris zegt dat je daarmee nu de
motorrijtuigenbelasting met 3% zou kunnen verlagen en in 2020 met 8% à
9%. Van 90 miljoen gaat het dus naar 270 miljoen.
Staatssecretaris Wiebes:
Nee, wij gaan van 86 miljoen naar 216 miljoen tussen 2017 en 2020. Dat
zijn de getallen. Ik wil ze best in de brief opnemen met een tabelletje.
Is dat een idee?
De heer Tony van Dijck (PVV):
Graag.
De voorzitter:
Ik stel voor dat we naar punt 8 gaan, de procesvragen.
Staatssecretaris Wiebes:
Voor twee punten hebben de heer Van Dijck en de heer Van Weyenberg
terecht aandacht gevraagd. Volkomen terecht! Het gaat dan om de enorme
snelheid waarmee een grote hoeveelheid wetgeving door de Kamer moet. Dat
is een steeds terugkerend punt, waarover ik de Kamer in het voorjaar een
brief heb gestuurd. Ik heb vervolgens geprobeerd om daarnaar te leven
door waar mogelijk dingen los te knippen van dit snelkookpantraject. Zo
hebben we de wet Autobrief en de fiscale eenheid los gedaan. Ik blijf
ook zoeken naar andere dingen die we los kunnen behandelen. Niet alles
heeft immers een budgettaire samenhang met het Belastingplan en niet
alles is spoedimplementatie van Europese regelgeving. Ik blijf dus
speuren naar dingen die niet per se in deze snelkookpan hoeven, want ik
ben het gewoon met hen eens.
Ik heb er de grootste bewondering voor dat we 1.400 goede vragen kregen,
maar tegelijkertijd worden het wel heel erg dikke pakken antwoorden, wat
het weer heel erg moeilijk maakt om het allemaal bij te benen. Het ene
pak is nog niet binnen of het volgende komt er al weer aan en dat is
voor iedereen aan alle kanten van de kanten van de tafel een enorme
belasting. Ik blijf gecommitteerd aan het voornemen om zo veel mogelijk
dingen los te knippen van het Belastingplan. Suggesties van de Kamer om
dingen los te knippen zal ik met de grootst mogelijke aandacht
bestuderen, want dat is onze enige redding. We moeten doen wat we moeten
doen, maar de dingen die los kunnen moeten we ook los doen. Alleen zo
krijgen we meer tijd om dingen te doen.
De heer Groot beweerde ronduit dat het departement wel erg nauwe banden
heeft met belangenbehartigers en belastingadviseurs. Ik moet hem zeggen
dat ik van sommige organisaties van belastingadviseurs soms buitengewoon
hoogwaardige input krijg en niet zelden wijzen zij op dingen die echt
beter kunnen. Dat is heel waardevol! Het is ook controleerbaar, want dit
soort organisaties stuurt zijn input naar iedereen. Sterker nog, niet
zelden sturen ze het naar de Kamer en krijg ik een cc. Het is dus ook
door iedereen te controleren. Eerlijk gezegd ben ik deze organisatie
dankbaar, omdat ze gewoon met heel goede punten is gekomen.
Er zit natuurlijk ook gewoon belangenbehartiging bij, maar niet alle
belangen zijn slecht, want sommige belangen van een eenling zijn ook
belangen van de samenleving in haar geheel. Verder is het voor iedereen
transparant welk belang waar wordt nagejaagd. Ik denk dat dat ook de
reden is waarom de Kamer ook wel eens met het verzoek komt om
maatschappelijke organisaties dan wel organisaties van adviseurs
uitdrukkelijk mee te nemen. Ik heb zelfs een keer bijna de expliciete
opdracht gekregen om te zorgen voor flink draagvlak in branches en in de
achterliggende organisaties. Daar heb ik ook erg mijn best voor
gedaan.
Zo zie je dat het aan beide kanten van de tafel ook wel nuttig wordt
gevonden dat er input wordt geleverd. Soms is de reden daarvoor dat het
inhoudelijk kwalitatief hoogwaardig is en soms dat het maatschappelijk
draagvlak via die organisaties loopt. Ik zou de heer Groot willen
voorhouden dat we ons wederzijds scherp moeten houden, opdat we zelf
goed blijven nadenken. Tegelijkertijd moeten we wel de vruchten plukken
van het werk van organisaties die bereid zijn om ons af en toe op een
heel goed spoor te zetten. Laten we allemaal zelf onze eigen
onafhankelijkheid en rol goed in de gaten houden! Ik zeg dat dus ook
nadrukkelijk tegen mezelf.
De heer Groot (PvdA):
Ik ben niet de enige die die verwevenheid tussen het ministerie en
fiscale adviseurs heeft gesignaleerd. Onlangs beweerde iemand van een
groot fiscaal adviesbureau hetzelfde. We zien ook dat hoge ambtenaren
vaak partner worden bij belastingadviesbureaus. Het verbaast me daarom
dat de staatssecretaris die verwevenheid helemaal niet herkent. Zou de
tegenkracht, de toets op de fraudegevoeligheid van maatregelen, niet wat
beter kunnen worden georganiseerd dan alleen door je open te stellen
voor kritiek van organisaties als NOB en het Register
Belastingadviseurs? Je zou bijvoorbeeld ook onafhankelijke hoogleraren,
voor zover die er überhaupt te vinden zijn, kunnen uitnodigen om te
reflecteren op nog te nemen belastingmaatregelen.
Staatssecretaris Wiebes:
Uitdrukkelijk. Ik beweer totaal niet dat er nergens verwevenheid is. Ik
zeg alleen maar dat die voor alle kanten, niet alleen deze kant maar ook
de kant van de Kamer, soms haar nut kan hebben. Die verwevenheid kan er
hier en daar zijn en iedereen moet onafhankelijk blijven nadenken en
goed zijn rol in het oog houden. Wat we steeds vaker doen — er is zelfs
een principe van gemaakt — is het organiseren van internetconsultaties.
Dat betekent dat iedereen, van ngo's tot en met leraren en mensen die
strijden voor het goede, ons een advies kan sturen. Dat is openbaar en
daar kunnen we dus allemaal kennis van nemen. Ik denk dat dit
waardevolle transparante tussenstappen zijn in het wetgevingsproces. We
staan open voor kritiek en zo hoort het in mijn ogen ook! Ik zie geen
punt waarover ik het met de heer Groot oneens kan zijn. Ik belicht
alleen maar de andere kant van hetzelfde fenomeen.
De heer Groot (PvdA):
Het is geen vraag maar meer een opmerking: hier ligt natuurlijk ook een
rol voor de Tweede Kamer zelf.
De voorzitter:
Gaan we nu verder met substance?
Staatssecretaris Wiebes:
Er liggen voor mij ook een paar antwoorden op vragen waarover ik net zei
dat ik die in tweede termijn zal beantwoorden. Ik kan die natuurlijk net
zo goed nu beantwoorden.
De voorzitter:
Doet u dat.
Staatssecretaris Wiebes:
De heer Omtzigt heeft gevraagd naar de marginale druk voor
eenverdieners. Ik heb hierover een grafiek voor me liggen en die zal ik
in een brief meenemen. Ik houd nu een minuscule bloemlezing uit de
resultaten van een uitvraag bij SZW. We zien dat de marginale druk voor
huishoudens met een inkomen tussen WML en twee keer WML gestegen is,
overigens deels als gevolg van maatregelen die juist de
inkomensondersteuning van de lage inkomens moeten verbeteren. Als je
daar meer ondersteunt, is automatisch de marginale druk ergens anders
hoger. Dat geldt over het algemeen voor groepen die net boven de groepen
zitten die erop vooruit zijn gegaan.
De grootste groep eenverdieners, driekwart van deze groep, heeft de
marginale druk enigszins zien dalen tussen 2012 en 2017. Het grafiekje
zal ik bij de brief voegen. De leden kunnen het dan allemaal zelf
bekijken. Het gaat daarbij dus om de fiscaliteit inclusief
toeslagen.
Kunnen de problemen bij de betalingsregelingen voortrollen van 12 naar
24 maanden? Ik antwoordde daarop eerder: ja, dat kan voortrollen. Dat is
nog steeds zo, maar we proberen dat natuurlijk wel te voorkomen. Als
schulden, bijvoorbeeld door toeslagen, steeds voortrollen, moet dat er
wel mee te maken hebben dat we iemand steeds een te hoge toeslag geven
die later moet worden teruggevorderd. Als dat keer op keer gebeurt,
betekent dat dat er op zijn minst sprake is van slechte schatters, zoals
we dat binnen de Belastingdienst noemen. Juist om dat te voorkomen
hebben we het slechteschattersbeleid. De laatste tijd hebben we ook wel
vorderingen gemaakt bij de screening en de aanpak van die slechte
schattingen. Dat is goed, want we willen natuurlijk voorkomen dat iemand
drie keer op rij een hele hoop toeslagen moet terugbetalen. Het
voortrollen moet dus worden voorkomen door de toekenning in eerste
instantie beter te maken. Daar zijn dus al wel stappen voor gezet.
Mevrouw Schouten vraagt naar de begrippen "vermogen" en
"betalingscapaciteit". Zij wijst erop dat die begrippen worden
uitgewerkt in lagere regelgeving en vraagt of de Kamer die regelgeving
te zien kan krijgen. Nou ja, wat niet ongebruikelijk is, is dat we een
conceptregeling met een brief erbij aan de Kamer sturen. Ik wil hier
geen nieuwe voorhangtraditie beginnen, maar ik wil wel, zoals dat vaker
gebeurt, gewoon een conceptregeling met een motivering in een brief te
zijner tijd naar de Kamer sturen. Die toezegging doe ik aan mevrouw
Schouten.
Mevrouw Schouten vroeg naar de 150% en 200%. Ik heb op haar verzoek,
toen zij weg moest, gezegd dat ik schriftelijk antwoord zou geven op die
vraag. Zij hecht aan het antwoord op deze vraag.
De heer Van Weyenberg stelde een vraag over de btw en het
toelatingsexamen. In de antwoorden staat dat ik bereid ben, die wens te
onderzoeken en om de Kamer hierover begin volgend jaar te informeren.
Maar er zit geen mening verpakt in die zinnen.
De kantoorpandenvraag is iets ingewikkelder te beantwoorden dan met
alleen "we doen het wel" of "we doen het niet". Uitbreiding leidt tot
een budgettaire derving op jaarbasis van naar schatting 30 miljoen. Maar
daarmee is de problematiek niet weg. Bij nadere bestudering van het
dossier blijkt namelijk dat je de afbakeningsproblemen verschuift. Je
verlegt het probleem van de warenafbakening, maar je bent het daarmee
nog niet kwijt.
Over het doorwerkvereiste heb ik toegezegd, contact te zullen opnemen
met SZW. Ik kom toe aan de substance.
De voorzitter:
Voordat u overgaat naar het onderwerp substance, nog enkele
vragen.
De heer Van Weyenberg (D66):
De bewering inzake de kantoorpanden, namelijk dat je de afbakening
verschuift, gaat me te snel. Ik kan dat niet helemaal overzien. Kan de
staatssecretaris daarop in de brief ingaan? Het kost niet voor niets 30
miljoen, dus ik neem aan dat hij ook iets doet.
Staatssecretaris Wiebes:
Het opschuiven van een probleem kan 30 miljoen kosten. Ik zeg dat
toe.
De heer Van Weyenberg (D66):
Graag even in overleg met minister Blok.
Ik heb al enkele tientallen jaren een abonnement op Voetbal
International. Ik zat op het puntje van mijn stoel, in afwachting van de
reactie van de staatssecretaris op het vurige pleidooi van de VVD en
collega Groot voor die zielige grootverdieners in het voetbal. Ik zat te
wachten op de oplossing. Is dat probleem schriftelijk al helemaal
opgelost?
De voorzitter:
Dit wordt bekeken, begrijp ik. In de tussentijd de heer Omtzigt.
De heer Omtzigt (CDA):
Ik vond dat een heel net schriftelijk antwoord, waarin de
staatssecretaris het gelijkheidsbeginsel uitlegde en zei dat dat voor
voetballers ook gold. Het zou een inbreukprocedure bij het Europees Hof
opleveren als hij aan de wensen van VVD en PvdA tegemoet zou komen. Van
de antwoorden die ik gelezen heb, vond ik dit een van de
duidelijkere!
Staatssecretaris Wiebes:
Dat werd dan tijd!
De heer Omtzigt (CDA):
Ik heb wel een beetje verbaasd gestaan over die actie voor voetballers,
die overigens minstens een half miljoen moesten verdienen voordat ze
hiervoor in aanmerking kwamen. En verder moest sprake zijn van een
afkoopsom van een half miljoen. Alleen het hogere zou belast moeten
worden. Dat schijnt hier wel een groot probleem te zijn. Ik hoop dat de
staatssecretaris daar toch iets over zegt.
De voorzitter:
Wat is uw vraag?
De heer Omtzigt (CDA):
Mijn vraag gaat over de totaal andere kant, namelijk de toeslagen. Daar
hebben de voetballers helemaal niets aan. Natuurlijk is het zeer
lovenswaardig dat dit met slechte schatters vermeden wordt, maar wat we
zien is dat toeslagen vaak negen maanden later worden vastgesteld, en
dat je in een situatie terechtkomt waarin wederom mensen iets moeten
terugbetalen. Dan is het goed om precies te weten — dat mag ook
schriftelijk — hoe die periode van 24 maanden verloopt, waarin je aan je
maximale betaalcapaciteit zit. Loopt de regeling dan nog een paar
maanden door of niet? Wordt er een poging gedaan om in één keer, voordat
de regeling begint, te kijken welke jaren nog niet zijn vastgesteld?
Anders kom je terecht in een cirkel waarin noch de Belastingdienst, noch
de belastingbetaler veel trek heeft. Als dat schriftelijk kan worden
toegelicht, zou dat fijn zijn.
Als het gaat om het doorwerkvereiste, is er contact geweest. Maar de
verzekeraars willen daar niet veel aan doen, terwijl het wetsvoorstel
wel in werking treedt. Het zou mij helpen als, indien er een gunstiger
beleid komt, dit wel onmiddellijk ingaat. Is daar nog iets aan te
doen?
Staatssecretaris Wiebes:
Nou, allereerst moeten we weten wat de budgettaire consequenties zijn.
Het is een besluit dat je neemt om het doorwerkvereiste voor
prepensioenregelingen af te schaffen. Het is de vraag of je dat wilt,
waarbij de branche nog vers twee is. Dit is een kwestie die met SZW moet
worden geregeld. Het is altijd ingewikkeld om, als je afhankelijk bent
van andere departementen, toezeggingen te doen over timing. Het antwoord
op de vraag over toeslagen zal ik in de brief verwerken. Ik denk dat we
daarvoor een voorbeeld zullen moeten uitwerken, als ik zo vrij mag zijn.
Dan kun je zien wat er gebeurt. Iemand die voor een derde keer wordt
geconfronteerd met een terugbetalingseis, een lopende regeling heeft,
aan zijn betaalcapaciteit zit en even laten zien hoe dat loopt en wat
eraan wordt gedaan om dat een vierde keer te voorkomen.
De heren Groot en Grashoff en mevrouw Schouten vroegen of ik bereid ben,
een voorstel te doen op het gebied van substance. In die brief staat
eigenlijk dat ik niet in eerste instantie denk dat eisen inzake
substance de toekomst van het bestrijden van dit soort oneigenlijk
gebruik van verdragen zijn. Treaty shopping kan het beste door de
bronlanden worden bestreden. We zijn aanbeland op een bijzonder punt in
de geschiedenis, want daar hebben we nu net een heel juridisch
instrumentarium voor zien ontwikkelen, te weten OESO-BEPS. Verder hebben
we een zeer indrukwekkend multilateraal instrument om dat allemaal in
verdragen te implementeren. Tegelijkertijd zijn we bezig met het
uitwisselen van rulings. Dat is op een gegeven moment de weg. Daarmee
hebben we het stinkend druk: de boel staat roodkokend te werken aan de
implementatie van het geheel, zowel binnen beleid als binnen uitvoering.
Ik wil eigenlijk niet zelf komen met nationale substance-eisen, omdat ik
ten principale niet denk dat dat de beste route is. Substance an sich
heeft geen directe impact op oneigenlijk gebruik van verdragen. Je kunt
een heel grote onderneming hebben, voor mijn part een fabriek, je hangt
een brievenbus aan de voordeur en dan kun je ook oneigenlijk gebruik
maken van verdragen. Dit is, wil ik maar zeggen, niet aan de omvang van
de onderneming gerelateerd. Ten principe is de weg die veelbelovend is
om informatie uit te wisselen, te zorgen dat het bronland dat in kan
houden, te zorgen dat daar alle informatie terechtkomt, te zorgen dat
het in de verdragen geïmplementeerd is en dat het OESO-instrumentarium
overal werkt. Dat is de weg, waarmee we zoals gezegd erg druk
zijn.
Ik ga nu geen stappen zetten om daar nog iets bovenop te zetten. Het is
niet zo dat we niets te doen hebben. Ik wilde dus inzetten op toch de
meest veelbelovende weg en dat is de weg die we nu opgegaan zijn. Het
MLI past daar bijzonder goed in. Uiteraard ben ik altijd ontvankelijk
voor meerderheden in de Kamer, maar ik dacht dat ik via de brief
duidelijk had gemaakt dat ik er een rol in zag om fijnmazig en met enige
precisie, op verzoek van de Kamer, mogelijkheden te schetsen. Maar dan
is de Kamer nu wat mij betreft aan zet. Ik ben ervoor om het via die
andere weg op te pakken. Dat gaat hartstikke hard. Het is een heel mooi
instrumentarium. We hebben echt iets waar we vijf jaar geleden niet van
durfden dromen.
Mevrouw De Vries vraagt wat de gevolgen zijn van de verschillende
opties. Optie 1 ligt nog het meest in het verlengde van wat we nu
hebben, waarbij dus wel aangetekend is dat op zich oneigenlijk gebruik
van verdragen niet per se samenhangt met de omvang. Het is dus een
beetje een secundair middel. Het is via een omweggetje.
Bij optie 2 geef je geen zekerheid vooraf, onder bepaalde voorwaarden.
Dat kun je doen, maar geen zekerheid vooraf betekent geen ruling, en
geen ruling betekent geen uitwisseling van een ruling. De vraag is of je
het dossier daarmee helpt. We hebben nu net uitwisseling van rulings.
Optie 2 bestaat in de literatuur. We hebben haar ook meegenomen. Maar
helpt het nou om geen ruling af te geven? Dan is de beoordeling niet
vooraf maar achteraf, maar dan is er geen ruling en is er ook niets uit
te wisselen. Je kunt je afvragen of dat opschiet.
Optie 3 zal ongetwijfeld effect hebben, maar het is wel zo dat je dan
ook ondernemingen de grens overjaagt, zonder te hebben vastgesteld dat
er überhaupt sprake was van verdragsmisbruik. Dat heb je namelijk op
deze manier niet kunnen vaststellen. Ik hou meer van maatregelen die
ingrijpen op het leed. Het leed is verdragsmisbruik. Een logische partij
om daarop in te grijpen, is het bronland. Er is een logisch instrument,
namelijk een antimisbruikmaatregel van de OESO, om dat tegen te gaan, en
er is een logisch instrument om dat te implementeren en dat is het MLI.
Ik zou zeggen: een plus een is twee. Dat is de inzet die ik
voorsta.
De heer Groot vraagt waar de gedragsverandering uit ontstaat. Dat ligt
een beetje in het verlengde van mijn betoog zonet. We sturen op
substance, wat niet ten principale hetzelfde is als verdragsmisbruik. Je
ziet dat bedrijven op substance-eisen gaan reageren. Ze gaan zorgen dat
ze substance hebben. Maar nog niet noodzakelijkerwijs kan ik vaststellen
dat er als gevolg daarvan minder brievenbusondernemingen komen.
Misschien ook wel, maar ik heb dat niet kunnen vaststellen. Ik heb ze
niet kunnen tellen. Ik heb geen manier om dat te doen. Wat je ziet, is
dat de Belastingdienst constateert dat bedrijven reageren op
substance-eisen. Er heeft een keer paginagroot in het FD gestaan dat de
toen vertrekkend voorzitter van de NOB zei dat de
brievenbusmaatschappijen hun beste tijd hebben gehad. De lege
brievenbussen zouden geen lang leven meer beschoren zijn. Dat denk ik
ook. Maar ik denk dat dat vooral het gevolg is van degelijke wetgeving
op dat gebied, die het eenvoudigweg onmogelijk maakt om oneigenlijk
gebruik te maken van verdragen en dat ook vast te stellen. Dat gaat niet
per se altijd met substance-eisen.
Zou binnen die substance-eisen de loonsom een idee zijn, vragen de heren
Groot en Grashoff. Loonsom of aantal mensen, dat kan allebei. Blijft dat
een loonsom geen garantie is dat er geen oneigenlijk gebruik wordt
gemaakt. Ook een onderneming met een enorm grote loonsom kan best
oneigenlijk gebruikmaken van verdragen. Een bedrijf met een kleine
loonsom hoeft dat niet per se te doen. Ik begrijp wel dat de
vragenstellers niet bij fte's willen stilstaan, maar bij loonsom. Het is
een iets economischer begrip.
De heer Grashoff vraagt of de Advance Pricing Agreements worden
afgegeven zonder dat aan substance-eisen wordt voldaan. Nee, dat niet.
Hij vraagt ook of je die dingen kunt combineren. Ik denk dat hij vraagt
of je nummer 2 en nummer 3 kunt combineren. Je scherpt artikel 8c aan en
combineert dat met substance-eisen. Technisch kan dat. Daar blijft mijn
bezwaar tegen bestaan, maar die ik ga niet herhalen, want dat wordt
flauw, maar technisch gesproken kun je het combineren.
De heer Van Dijck vraagt naar de vermeende Panamawet in Duitsland. Ik
heb het artikel nog niet uitgespit. Het ligt er ook net. Als we de
Panamabrief versturen, weten we misschien meer van dit soort dingen,
maar nu nog niet. Ik kan er niet zoveel zinnigs over zeggen. Er
verschijnen de laatste tijd over mogelijke, vermeende wendingen in het
Duitse beleid wel meer artikelen. Waar die vandaan komen, is ook niet
altijd duidelijk. Ik ga er dus nu ook niet op reageren. Ik ben zelf
bezig met een brief. Ik zal bekijken wat ik daarin kan meenemen. Als er
goede ideeën zijn uit het buitenland, is er geen reden om die niet te
bekijken.
De heer Van Dijck vraagt of Nederland ook overgaat tot betaling van
tipgevers. Dat doen we soms. Niet altijd verloopt dat zonder commotie,
maar dat doen we soms. Niet altijd, niet als regel, maar het kan het
waard zijn om het te doen. Het kan ook zijn dat iemand voor de risico's
die hij als gevolg van die tip loopt, gecompenseerd wil worden. Het
wordt dus van geval tot geval overwogen. Het is niet zo dat we het
beleid hebben dat we dat ten principale niet doen. Ik zou me zelfs
kunnen voorstellen dat ons beleid niet heel erg van dat van sommige
andere landen verschilt.
De heer Omtzigt (CDA):
We hebben het nu over de rulings. In de schriftelijke antwoorden stond
een heel interessant stukje. Er stond dat we alleen een register van
APA- en ATR-rulings hebben en geen register van anderen. Er stond niet
bij dat we aan de OESO uitstel gevraagd hebben van de deadline, maar dat
werd wel in de pers gememoreerd. Ik ben dus benieuwd of we de deadline
halen om die database klaar te hebben en zo ja, om hoeveel uitstel we
gevraagd hebben.
Het tweede dat me verbaast, is het volgende. Mevrouw De Vries en ik
hebben uitgebreid gevraagd wat er gebeurt als er gegevens over je
uitgewisseld worden. Kun je dat te weten komen? We zijn een paar
overleggen geleden te weten gekomen, naar aanleiding van de vragen uit
Brussel, dat koppeltjes ambtenaren heel Nederland zijn doorgereisd om
rulings van alle kantoren te verzamelen om ze daarna naar Brussel te
sturen. Ten eerste is het natuurlijk een beetje slordig dat daar toen
geen database van aangelegd is, omdat toen al volstrekt duidelijk was
dat we een database moesten gaan aanleggen. Ik bedoel, als je toch aan
het verzamelen bent, waarom doe je dat dan niet? Ten tweede, als nergens
is vastgelegd welke rulings in Brussel zijn neergelegd, is dit de eerste
keer dat er informatie uitgewisseld is en weten de betreffende bedrijven
niet welke informatie uitgewisseld is. Dus, hoelang is het uitstel en
waarom is er toen niet meteen gedacht "hé, we moeten toch een database
aanleggen, laten we eens met deze informatie beginnen"?
Staatssecretaris Wiebes:
Ik geloof dat ik de vraag niet precies begrijp. Er wordt zekerheid
vooraf gegeven. Dat wordt, met uitzondering van de
APAA/ATR-beslissingen, in de log van de belastingplichtige opgenomen,
zoals alles daar staat. Er was in de afgelopen tien jaar nooit een reden
om dat centraal te archiveren. Tot dusverre waren dat dus gewoon
wetenswaardigheden over de belastingplichtige zelf. Je houdt een
beoordeling achteraf niet centraal bij, maar een beoordeling vooraf ook
niet. Dat stond gewoon in de file van de belastingplichtige. Nu worden
inspecteurs in het hele land geconfronteerd met de vraag of er in hun
praktijk dit soort zekerheden vooraf zijn en of die ook
grensoverschrijdend zijn. Zo ja, wat voor afspraken met welke landen
zijn dat dan? Dat moet allemaal uit die logs worden gehaald. Het is niet
verwonderlijk dat er geen centrale database was, want daar was nooit
behoefte aan. We hebben onlangs bijvoorbeeld gezien dat de specifieke
bezwaren niet in een centrale database zitten; die zitten in de log van
de belastingplichtige, waarin staat waartegen deze bezwaar heeft gemaakt
en hoe dat loopt. Bij zekerheid vooraf is dat ook het geval. We moeten
dit dus uit al die files trekken. Dat zijn er heel veel, we weten niet
eens precies hoeveel. We moeten daar dus mee aan de slag. Het gaat om
een praktijk die in tientallen jaren is ontstaan. Nu is er meer behoefte
aan centralisering, omdat er moet worden gerapporteerd en uitgewisseld.
Dat is niet raar. Voor APA en ATR is dit wel centraal bijgehouden, maar
er zitten in alle dossiers wel zekerheden vooraf.
Eigenlijk moeten de inspecteurs dus over het hele land de dossiers
langsgaan. Dat kost even tijd. Wij hopen dat de OESO daar begrip voor
heeft. Wij gaan serieus het gesprek aan. Ik heb daarvoor geen datum
gegeven of zo, maar er moet wel een heel serieus gesprek komen. Wij
hebben echt de ambitie om dit met een hoge kwaliteit te doen. Er zijn
hoge kwaliteitsstandaarden aangelegd. Dit wordt heel serieus aangepakt.
Daarbij worden natuurlijk ook de belangen van de belastingplichtigen in
het oog gehouden. Zij kunnen hier zelf aan meewerken, zij het dat de
Belastingdienst uiteindelijk gaat over wat er wordt uitgewisseld, maar
belastingplichtigen kunnen daarbij een grote betrokkenheid hebben.
Het is allemaal niet geheim, maar het werk zal wel een huzarenstukje
zijn. Het blijkt nog meer werk dan eerder gedacht. Het valt dus niet
mee. Het is een moeilijke klus. Wij vinden dit heel belangrijk, maar wij
gaan geen concessies doen aan de kwaliteit. Wij moeten met de OESO in
gesprek gaan over hoe het gaat. Wij denken overigens dat meer landen dit
hebben, want er zijn meer landen die veel zekerheid vooraf geven en
waarvoor dit ook niet meevalt. Ook denken wij dat veel meer landen dit
niet centraal hebben bijgehouden voor al hun rulings. Maar goed, dit is
dus de klus. Ik vind het niet raar dat dit niet in een centrale database
zit.
De voorzitter:
Nu een reactie van de heer Omtzigt in tweede instantie.
De heer Omtzigt (CDA):
Ik zou toch graag willen weten wanneer de Belastingdienst die database
klaar denkt te hebben. Wij hebben bij de wetsbehandeling gevraagd of die
klaar was. Hij zou op tijd klaar zijn. Wat is nu de streefdatum voor die
centrale database met alle rulings? Wanneer heeft de Belastingdienst die
dus klaar?
Nu mijn tweede vraag. De Europese Commissie heeft onderzoek gedaan naar
het rulingbeleid van Nederland. Daarvoor zijn ongeveer twee jaar geleden
erg veel rulings in het hele land opgehaald en uit de systemen gehaald.
Ze zijn een voor een naar Brussel overgebracht. Toen al was duidelijk
dat we een centrale database nodig hadden. Mag ik hieruit opmaken dat
toen die rulings werden verzameld, niemand eraan heeft gedacht om die
voor onszelf in een centraal bestand te zetten, omdat dat later toch zou
moeten worden gedaan? Of zijn we nu precies weer diezelfde rulings
allemaal apart aan het verzamelen?
Staatssecretaris Wiebes:
De rulings die toen zijn uitgewisseld zijn de APA- en ATR-rulings,
waarnaar was gevraagd. Die staan in de centrale database, dus daar ligt
ons probleem niet. Ons probleem ligt bij de non-APA- en -ATR-rulings,
die in de logs van de belastingplichtigen staan. Wanneer is die database
klaar? Eerlijk gezegd zijn we daar nu net naar aan het kijken. Hier
zitten zeker leereffecten in. We moeten ook bekijken of we het proces
kunnen versnellen. Dat zal in samenspraak met de OESO moeten gebeuren;
misschien kunnen er ook aan die kant nog dingen worden verzonnen. Ik kan
hier nu dus niet zo veel over zeggen. Er is geconstateerd dat dit een
bottleneck is. De ambities zijn er wel, maar de klus is enorm. Dit moet
netjes gebeuren. Zodra wij hier meer klaarheid over hebben, zal ik de
Kamer informeren. Ik vind dit typisch iets voor een halfjaarsrapportage,
maar any time sooner dat ik iets weet, zal ik het laten weten. We lopen
hiermee namelijk tegen een grote klus aan; ik kan er gewoon niets anders
van maken.
De heer Omtzigt (CDA):
In de halfjaarsrapportages stonden precies dezelfde zinnen als in de
schriftelijke antwoorden. Op zich is dat natuurlijk goed. Er zat ook
precies 24 uur tussen, dus op zich was het niet verwonderlijk dat er in
die tussentijd niet veel was veranderd. Maar in de halfjaarsrapportage
stond ook dat er vertragingen waren; niet dat er bij de OESO uitstel was
gevraagd, maar daar kwamen wij weer achter. Een indicatie van wanneer
dit af zal zijn en van het aantal rulings zou ik toch zeer op prijs
stellen. Is die op enig moment te geven?
Staatssecretaris Wiebes:
Ik heb dat allemaal nu nog niet. Ik zeg toe dat ik erop zal terugkomen
zodra ik hier meer ideeën over heb. We zouden dit bijvoorbeeld kunnen
bespreken bij het AO over de Belastingdienst; dan moet ik wel iets meer
weten. We zijn nu net bezig. We hebben eindeloos gesproken over het
format. Dat format is er nu. Toen is er een soort database gemaakt. We
zijn dus net bezig en we ontdekken dat dit een fenomenale klus is.
De heer Groot (PvdA):
Ik begrijp dat nu alle gemaakte afspraken in kaart worden gebracht, dat
die database wordt gemaakt en dat de logs eruit worden getild. Nu is het
mogelijk dat daar afspraken uit komen die met de blik van nu het
daglicht niet zouden kunnen verdragen of die in strijd zouden kunnen
zijn met de regelgeving. Sluit de staatssecretaris uit dat er in het
verleden dat soort afspraken zijn gemaakt? Ik zie de staatssecretaris nu
kijken alsof dit onbestaanbaar is. Maar mocht dat wel het geval zijn,
krijgt de Kamer dat dan te horen?
Staatssecretaris Wiebes:
Kijk, voor een organisatie van 30.000 mensen kun je moeilijk garanties
geven. Maar het streven is te allen tijde dat de Belastingdienst de wet
naleeft. We weten allemaal dat dit niet altijd lukt. Soms komen we
erachter dat iets niet goed is gegaan, bijvoorbeeld bij de bezwaren. Ik
weet niets over individuele gevallen. Ik ga ook zeker niet rapporteren
over individuele gevallen. Maar de inspecteur heeft te allen tijde de
verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat er conform de wet wordt
gehandeld. Dat staat buiten kijf, dat is het doel.
De heer Groot (PvdA):
Maar als er in meerdere gevallen iets is misgegaan, krijgen wij dat dus
te horen, geanonimiseerd of op wat voor manier ook?
Staatssecretaris Wiebes:
Nou, ik neem aan dat er in de Belastingdienst de hele dag dingen worden
gecorrigeerd. Zaken die niet kloppen, moeten worden gecorrigeerd. Ik
weet niet of het haalbaar is om een rapportagecyclus te maken van de
rulings die we hebben aangetroffen en die bij nader inzien moesten
worden. Laat ik het zo zeggen: zodra de inspecteur vaststelt dat iets
niet conform de wet is, dan moet dat worden aangepast.
De heer Grashoff (GroenLinks):
Zitten we nu in het blokje waar ook de substance in zou vallen? Ik heb
namelijk even zitten wachten. Ik vraag me echt af waar al die blokken
precies beginnen en eindigen. Mag ik dus nog even een vraag stellen over
de substance?
Het siert de staatssecretaris dat hij ons een serieuze brief met
serieuze voorstellen stuurt, terwijl hij zegt dat hijzelf die weg niet
op zou willen gaan. Dit valt uit democratisch oogpunt dus zeer te
waarderen. Ik ga nog even in op het fenomeen van substance als
invalshoek om iets te regelen versus het rechtstreekse verdragsmisbruik.
Ik kan mij voorstellen dat de staatssecretaris zegt dat het eigenlijk om
dat verdragsmisbruik gaat en dat daarop moet worden ingezoomd, dat de
bronlanden daarbij een grote rol spelen enzovoort. Maar ten eerste zijn
de bronlanden niet altijd landen met het allersterkste belastingregime
en de sterkste organisatiegraad. Dat speelt hierbij een behoorlijke rol.
Ten tweede weten wij dat in Nederland tienduizenden ondernemingen puur
als brievenbus worden opgericht. Wij weten ook dat ze precies om die
reden worden opgericht, misschien een enkele uitzondering daargelaten.
De weg die de staatssecretaris wil bewandelen, lijkt mij daarvoor heel
omslachtig. Als wij niet willen dat dat type ondernemingen om die
bepaalde reden wordt opgericht, is het stellen van substance-eisen
volgens mij een veel directere weg. Die zou trouwens ook nog kunnen
leiden tot de nodige verlichting van allerlei werkzaamheden van de
Belastingdienst, namelijk met betrekking tot de uitwisseling van
allerlei informatie met allerlei bronlanden over ondernemingen die wij
hier helemaal niet willen hebben. Is de staatssecretaris dat met mij
eens?
Staatssecretaris Wiebes:
Nou, niet helemaal, want stel dat we puur op de substance gaan sturen.
Dan kunnen deze ondernemingen vast ook in het buitenland terecht, maar
dat zal de heer Grashoff een zorg zijn, denk ik. Ook is het makkelijk om
op een gegeven moment aan de substance-eisen te gaan voldoen door andere
combinaties van activiteiten te clusteren en evenzeer de verdragen
oneigenlijk te blijven gebruiken. Dit is uiteindelijk namelijk niet waar
het om gaat. Als je op iedereen met een rood mutsje afgaat, vang je
weleens iemand, maar dan zetten ze daarna een blauw mutsje op.
Uiteindelijk gaat het namelijk niet om de kleur van het mutsje. Wat wel
helpt, is op stelselniveau denken. Het stelsel betekent dat we
juridische maatregelen hebben, die in verdragen passen, om misbruik
tegen te gaan, dat we een instrument hebben om die versneld te
implementeren in al die verdragen en dat we elkaar op de hoogte houden
van wat er gebeurt, door uitwisseling van bijvoorbeeld rulings of
informatie op verzoek. Dan gaat het stelsel werken waartegen het moet
werken. Dat is niet de kleur van het mutsje maar het oneigenlijk gebruik
van verdragen. Dat wil je uiteindelijk. We hebben daar in een
tussenliggende periode andere wegen voor gekozen en dat was ook best
begrijpelijk, maar het wordt wel tijd om het, met het
OESO-instrumentarium dat er nu is, te gaan doen zoals het eigenlijk zou
moeten worden gedaan. Daar hebben we afspraken over gemaakt. Dat loopt.
Daarom is er van mijn kant geen grote eetlust om die andere weg nog op
te gaan. Nogmaals: ik heb groot begrip voor de democratie en het is aan
de leden hier, maar van mijn kant komen er geen stappen.
De heer Grashoff (GroenLinks):
Ik wil geen tegenstelling schetsen. Ik sta hartstikke achter het
ontwikkelen van het MLI-instrument. Prima. Uitstekend. Dat je überhaupt
verdragsmisbruik moet tegengaan en dat dit zich ook kan manifesteren in
ondernemingen die wel degelijk substantie hebben en die aan elke
redelijke substance-eis zouden voldoen, geloof ik ook. Maar door niet of
nauwelijks substance-eisen te stellen, moet je zicht hebben op
tienduizenden bedrijven in plaats van duizenden. Is dat niet een
belangrijke reden om naast een MLI-instrument ook de substance-eisen aan
te scherpen?
Staatssecretaris Wiebes:
Het antwoord is een beetje gegeven. Daar komt bij dat ik zie dat er al
zo veel loopt. De implementatie-inspanning bij de Belastingdienst is al
zo enorm. Neem de uitwisseling van de rulings. Dat is een huzarentaak.
Ik zou er niet graag nog een bij nemen. Het moet nog doenbaar blijven.
We moeten ons dus richten op de dingen waar we op termijn het meest van
verwachten. Dat is mijn insteek. Ik zie waar de heer Grashoff voor staat
en ik respecteer dat, maar dit is waar ik voor sta. We zijn met een
heleboel dingen bezig. Laten we die nou eens afmaken. Laten we daar eens
mee doorgaan. Dat is al werk genoeg.
De heer Bashir (SP):
Voorzitter, …
De voorzitter:
Ik wil eigenlijk al zo'n beetje over naar de tweede termijn. U kunt uw
vraag in tweede termijn stellen.
De heer Bashir (SP):
Wat ik, heel kort, wil toevoegen aan de discussie, is dat ik het eens
ben met de punten die naar voren zijn gebracht over het aanscherpen van
substance-eisen. De staatssecretaris en de Belastingdienst weten wel
degelijk om welke bedrijven het gaat en waar ze precies zitten. De
staatssecretaris en de Belastingdienst weten ook hoe ze de eisen moeten
aanscherpen om die gevallen aan te pakken die hier alleen maar zitten
wegens verdragsmisbruik. Wat dat betreft wil ik hier toch het standpunt
van de SP onderstreept hebben.
De voorzitter:
Dat is dan gebeurd. Dan gaan we nu over naar de tweede termijn. Ik geef
graag als eerste het woord aan mevrouw De Vries van de VVD.
Mevrouw Aukje de Vries (VVD):
Voorzitter. Je vraagt je weleens af: gaat het nou om het doel op zich of
om een oplossing van het probleem? Maar goed, dat terzijde. Ik dank de
staatssecretaris voor de beantwoording, ook voor de uitgebreide
schriftelijke beantwoording. Ik heb nog een aantal vragen naar
aanleiding daarvan en naar aanleiding van de antwoorden van de
staatssecretaris hier.
Ik begin met één vraag over de afgezonderde particuliere vermogens. Daar
hebben we het vandaag niet meer over gehad. De staatssecretaris gaf een
heel uitgebreide beantwoording. Nogmaals dank daarvoor, maar is de
conclusie ook dat er straks inderdaad niemand dubbele belasting betaalt?
Daarop was mijn vraag vooral gericht.
Er zijn nog twee vragen blijven liggen over de innovatiebox. Wie komen
er nu in de knel door het overgangsrecht, dat op 1 juli 2016 ingaat in
plaats van op 31 december 2016? Ook ben ik nog benieuwd welk type
bedrijven wel een juridisch toegangsticket krijgen maar straks geen
S&O-verklaring. Kan de staatssecretaris daar nog iets meer van
zeggen? Bij dit punt moet mij nog wel van het hart dat de mensen die
Brainport Eindhoven genoemd hebben als een fantastisch voorbeeld,
misschien ook eens bij Brainport Eindhoven kunnen gaan vragen wat men
van de innovatiebox vindt. Want volgens mij hoor ik daar tegenstrijdige
geluiden over.
Ik kom op de exportheffing en de afvalstoffenbelasting. We hebben in
eerste termijn al aangegeven dat wij het niet logisch vinden dat
afvalverwerkers nu in feite voor de tweede keer worden benadeeld. Wij
zullen dus gaan werken aan een amendement om een andere dekking daarvoor
te regelen.
In de derde nota van wijziging is nog iets gezegd over de zzp en de
huurderslasten. Volgens ons wordt de situatie van mensen met een eigen
woning en mensen met een huurwoning nu gelijkgetrokken. Misschien kan de
staatssecretaris daar nog iets over zeggen. Wij vragen ons nog wel af of
er ook gekeken is naar bijvoorbeeld een overgangsrecht in deze situatie.
En wat zouden de financiële risico's zijn geweest bij niet-aanpassing?
Daaraan gerelateerd is de vraag hoe makkelijk het nu eigenlijk is om
eenmaal impliciet als privévermogen geëtiketteerd huurrecht van een
woning te heretiketteren. Als dat relatief makkelijk gaat, snap ik dat
er grote financiële risico's aan verbonden zijn. Ik krijg daarop graag
nog een toelichting van de staatssecretaris.
Ik kom nu op de bedrijfsopvolgingsregeling (BOR). Dank voor de
toezegging om bij een nadere onderbouwing ook naar de juridische
aspecten te kijken. Ik heb eigenlijk nog niet echt een antwoord gekregen
op de vraag waarom de optie van een toerekeningsregel eventueel misbruik
of belastingontwijking tegen zou gaan en waarom daar dan niet eerder
voor is gekozen. Is dat alleen om uitvoeringsredenen of heeft de
staatssecretaris daarvoor nog andere redenen?
Mijn volgende punt is de informatieverstrekking door de Belastingdienst.
Het uitvoeringsbesluit daarvoor komt naar de Tweede Kamer, maar ik zou
het wel goed vinden als dat besluit op dat moment nog niet is
vastgesteld. Dan kunnen wij daarin eventueel nog wijzigingen
aanbrengen.
Over de Fiscale vereenvoudigingswet zijn alle vragen wel
beantwoord.
Wat betreft het wetsvoorstel uitfasering pensioen zou de
staatssecretaris nog ergens op terugkomen. Misschien kan hij nog
aangeven wat dat dan precies was. Ik meen dat het ging … O ja, de datum
van 1 januari. De voorzitter helpt mij daar goed bij. Onze vraag was
vooral ingegeven door het volgende. Het is een redelijk zware keuze en
er moet wel een mogelijkheid zijn om daar een goed advies over te
krijgen. Is het traject daarvoor lang genoeg?
We hebben het zonet al even over rulings gehad. Mij was niet helemaal
duidelijk of het bedrijf waarom het gaat, bij de Belastingdienst kan
opvragen welke informatie er uitgewisseld is. Wij snappen dat er geen
automatische kennisgevingsprocedure kan zijn, maar ik kan me toch
voorstellen dat een belanghebbende die weet dat er een ruling is
afgesloten, wil weten welke informatie er exact is uitgewisseld.
Wij hebben gevraagd naar de evaluatie van de werkkostenregeling, maar
daar komen we plenair nog op terug.
Ook voor het wetsvoorstel over de vrijstelling voor laadpalen zullen wij
nog bekijken of we een alternatieve dekking kunnen vinden. Wij vinden de
dekking daarvan niet logisch, omdat die weer bij de consumenten wordt
neergelegd voor wie de energiebelasting al hoog is.
De heer Bashir (SP):
Voorzitter. Dank aan de staatssecretaris en de minister voor de
beantwoording van de gestelde vragen. Volgens mij heeft het kabinet de
spreektijd in eerste termijn ruim overschreden. Dat betekent dat er heel
veel werk is verzet door de ambtenaren om al die antwoorden voor te
bereiden, waarvoor dank.
Ik heb een aantal toezeggingen genoteerd. Allereerst komt de
staatssecretaris nog terug op het punt van de vereenvoudiging van
belastingen, vooral rond het eigen huis en scheidingen, maar
bijvoorbeeld ook rond aftrekposten voor zzp'ers, zoals voeding. Wanneer
kunnen we die toezegging verzilveren?
Ik heb ook genoteerd dat de staatssecretaris rondom pensioen in eigen
beheer nog terugkomt op het splitsen van het pensioen tussen de dga en
de partner. Ik denk dat hij dat kan meenemen in de brief die is
toegezegd.
Ik begrijp dat het moeilijk is om ineens allemaal belastingsystemen,
zoals box 3 en box 2, te uniformeren, maar als het om ontwijking gaat,
moet je breder kijken. Op het moment dat je belastingen wijzigt in box
3, kan het niet anders dan dat mensen zullen vluchten naar box 2. Dat
wil niet zeggen dat ik voor fictie ben, dus voor een fictief tarief,
maar als de staatssecretaris daar nog wel aan vasthoudt, zou hij ook een
systeem moeten invoeren voor box 2, anders gaan mensen nu eenmaal
daarnaartoe. Ik weet dat er workshops zijn geweest — ik ben daar zelf
ook een keer bij geweest — en dat er nu door adviseurs keihard gewerkt
wordt om het allemaal makkelijk in te voeren te maken voor de klanten
die daar gebruik van willen maken. Hier wordt dus straks massaal gebruik
van gemaakt en dan krijgen we een gat in de begroting van de
staatssecretaris, maar ook oneerlijkheid in het belastingstelsel. Mensen
die veel geld hebben en zich een adviseur kunnen veroorloven, gaan dan
namelijk massaal naar box 2, terwijl alle anderen in box 3 blijven
zitten. Die mensen gaan dan met scheve ogen naar de staatssecretaris
kijken.
Ik blijf erbij dat het beter is om de toerekeningsstop af te schaffen.
De tegenbewijsregeling die de staatssecretaris voorstelt, kan immers
flink beslag leggen op de Belastingdienst en leiden tot rechtszaken, wat
we zo veel mogelijk willen uitsluiten. Ik denk echter dat ik de
staatssecretaris niet meekrijg op dit punt. Ik heb wel een vraagje. De
staatssecretaris zegt dat de belastingplichtige moet aantonen dat de
bezittingen en de schulden alsmede de opbrengsten en de uitgaven van een
onderneming tot het APV behoren. Hoe kan een belastingplichtige dit
aantonen? En hoe kan hij aantonen dat hij aan winstbelasting is
onderworpen? Is de Belastingdienst in staat om grondig na te gaan of de
bewijsvoering van de belastingplichtige op orde is?
Ik had ook gevraagd naar de opbrengst van de APV-maatregelen. Die was
aanvankelijk begroot op 210 miljoen euro per jaar. Daar wijst de
staatssecretaris ook op in zijn beantwoording. Valt na te gaan of deze
opbrengst ook is gehaald?
Verder vroeg de heer Omtzigt of bekend is hoeveel vbi's er bestaan
waarmee box 3-heffing wordt ontgaan. De staatssecretaris noemt de vraag
wel, maar beantwoordt hem niet. Ik vraag de staatssecretaris dan ook of
hij hier alsnog een antwoord op wil geven.
Daarnaast wil ik graag weten of met de Common Reporting Standard
kapitaal kan worden achterhaald dat op Cyprus of in Luxemburg wordt
gestald. Kan de staatssecretaris daar iets over zeggen? Beide landen
hebben zich namelijk aan de CRS gecommitteerd. Is de CRS echter wel
voldoende om dit eventuele probleem op te lossen?
Mijn volgende punt is de S&O-verklaring. De staatssecretaris zegt
dat een deel van de activiteiten moet worden verricht in Nederland om in
aanmerking te komen voor een S&O-verklaring. Welk deel dan? En klopt
het dat je, als je voldoet aan de nexuseis in de innovatiebox, ook
voldoet aan deze voorwaarde van de S&O-verklaring?
Mijn punt over de omzetgrens van 50 miljoen heb ik al gemaakt. Daarover
blijven we van mening verschillen met de staatssecretaris.
Tot slot. Ik heb een punt gemaakt over de eerste schijf van de
winstbelasting. Ik heb voorgesteld om die te verlagen in plaats van te
verlengen, zoals de staatssecretaris voorstelt. Zou de staatssecretaris
daar alsnog op in willen gaan?
De tweede termijn met de minister gaan we op een ander moment doen. Dank
u wel.
De heer Groot (PvdA):
Voorzitter. Ik zal het kort houden. Ook van mijn kant dank voor alle
gegeven antwoorden en in het bijzonder voor het betoog van de
staatssecretaris over het verloop van de marginale tarieven. We krijgen
daar nog aanvullende gegevens over. Hier ligt wel degelijk een probleem.
Ik heb dat de vorige keer "de prijs van de gelijkheid" genoemd, die je
onvermijdelijk betaalt. Dat neemt niet weg dat het een zoektocht blijft
hoe je het verloop van de marginale tarieven gelijkmatiger krijgt,
waarbij toch de individuele huursubsidie een aandachtspunt blijft, omdat
die opeens ophoudt, waardoor opeens sprongsgewijs de marginale druk
piekt. Hoe krom dat is, zie je terug in alle voorbeelden die worden
gegeven. Dat blijft een zoektocht die we nog moeten voortzetten.
Mijn volgende punt is belastingontwijking. Ik dank de staatssecretaris
nogmaals voor de brief met de geschetste opties. Ik zeg er wel bij dat
ik vind dat de staatssecretaris veel te laconiek doet over wat
substance-eisen vermogen te doen. We zien nu dat op één adres honderden
brievenbussen zijn gevestigd. Als die ieder voor zich te maken krijgen
met behoorlijke substance-eisen, kun je wel degelijk een heleboel doen
tegen deze ongewenste industrie. Het is echter aan de Kamer, en aan
collega Grashoff, om gerichte voorstellen te doen voor het pad waarop we
de staatssecretaris verder sturen.
Ik heb nog een punt over belastingontwijking, wat mij een beetje stoort.
Ik heb geen antwoord gekregen op een heel betoog dat ik in eerste
termijn hield over de uitwerking van de zogenoemde CFC-regels bij de
ATAD-richtlijn. Ik heb zelfs nog het artikel erbij genoemd: artikel 7,
lid 2, sub a en sub b worden uitgewerkt. Ik wil daarop graag alsnog een
reactie van de staatssecretaris. Die kan ook worden meegenomen in de
brief. Ik ben sterk voornemens om hierover een motie in te dienen; de
Kamer moet zich daarover een oordeel kunnen vormen, want het is
behoorlijk technische materie maar het is wel belangrijk in het
tegengaan van onbelaste kapitaalstromen naar belastingparadijzen.
Wat betreft de afvalstoffenheffing sluit ik me graag aan bij de
opmerkingen van collega De Vries. Ook wij zijn zeer ongelukkig met de
dekking van het niet-doorgaan van de exportheffing. Wij kijken ook naar
een andere dekking. Het zou niet goed zijn als de afvalverwerkers zelf
zouden moeten opdraaien voor het niet-doorgaan van de
exportheffing.
Ik kom op de bedrijfsopvolgingsregeling. Een compliment voor de
standvastigheid waarmee de staatssecretaris het arrest van de Hoge Raad
repareert. Ik sta daar volledig achter. Ik heb de vorige keer ook gezegd
dat er heel veel wordt geconstrueerd op de bedrijfsopvolgingsregeling.
Heel vaak doet de bedrijfsopvolgingsregeling niet wat zij moet doen,
namelijk het mogelijk maken van het voortzetten van de
ondernemingsactiviteiten. Er zijn heel veel constructies in omloop die
gewoon gericht zijn op het ontlopen van successiebelasting, wat niets
met ondernemen te maken heeft.
Mijn volgende punt is de btw op pensioenfondsen. Ik vraag alsnog om een
onderbouwing van het budgettair gat van 285 miljoen dat dreigt. Dat is
het saldo van in rekening gebrachte btw en afgetrokken btw. Ik vraag me
nog steeds af waar zo'n enorme btw-grondslag vandaan komt. Kopen de
bedrijfstakpensioenfondsen voor zulke enorme bedragen aan met btw
belaste diensten in dat er netto 285 miljoen aan btw wordt afgedragen?
Ik vraag de staatssecretaris dus nogmaals om de raming beter te
onderbouwen.
Het is duidelijk hoe wij denken over de vennootschapsbelasting en de
overdrachtsbelasting voor woningcorporaties. Wij vinden ten principale
dat op DAEB-activiteiten geen vennootschapsbelasting geheven zou moeten
worden. Hetzelfde geldt voor de overdrachtsbelasting als het gaat om
transacties tussen woningcorporaties onderling en om woningen in het
sociale segment. Ik zie ook dat het niet eenvoudig is om dat nog in dit
Belastingplan te regelen, maar dit lijkt me dan een belangrijk onderwerp
voor de komende formatie. Ik hoop dat andere partijen de
woningcorporaties welgezind zijn op dit punt.
In eerste termijn is opgemerkt dat dit een beleidsarm Belastingplan is.
Dat lijkt mij niet het geval, want het gaat om heel veel voorstellen,
soms ook heel grote, bijvoorbeeld ten aanzien van pensioen in eigen
beheer. Het is goed dat er eindelijk een oplossing komt. Het gaat over
grote bedragen. Als dit doorgaat, geven we ondernemers heel veel meer
speelruimte. Het nieuwe invorderingsregime van de Belastingdienst zal
niet alleen, ook al duurt het nog een paar jaar, een welvaartswinst
opleveren, maar ook een welzijnswinst voor mensen die nu voortdurend
allerlei brieven krijgen van de Belastingdienst over toeslagen of
belastingschulden. Ook op het punt van vereenvoudiging worden er dus wel
degelijk stappen gezet die heel belangrijk zijn voor de burger. Wat dat
betreft complimenten voor al het werk dat is verricht door het
ministerie. Dat is bepaald niet weinig.
De heer Van Weyenberg (D66):
Voorzitter. Ik dank de staatssecretaris en de minister voor de
beantwoording. Ik sluit me graag aan bij de dankzegging van de heer
Groot: het is niet weinig. Dat geldt overigens ook voor de vragen die
wij hebben gesteld en de antwoorden die daarop vervolgens weer zijn
gegeven. Dank daarvoor.
Ik zal het kort houden. Ik heb twee amendementen liggen. Een ervan gaat
over de arbeidskorting, die 460 miljoen. Die gaat nu minder omhoog. In
het amendement wordt die wel gerealiseerd, zodat de stap naar werk €46
extra oplevert, zoals oorspronkelijk was beoogd in het pakket van 5
miljard, gedekt uit vergroening. Ik zie de schriftelijke reactie van de
staatssecretaris graag tegemoet.
We komen, vrees ik, nog zeer uitgebreid te spreken over de scholings- en
monumentenaftrek. Die zal ik nu niet behandelen, maar dat mijn fractie
nog niet is overtuigd, mag geen verrassing zijn.
Ik dank de staatssecretaris voor twee toezeggingen. Hij heeft de heer
Groot en mij toegezegd om in het voorjaar nog in overleg met de minister
van EZ terug te komen op de verdeling van de S&O-middelen tussen
grote en kleine bedrijven en op de vraag of een en ander conform de
verwachtingen van het kabinet verloopt. Kleinere bedrijven mogen niet
het kind van de rekening zijn van de maatregel die vorig jaar is
genomen. Ook heeft de staatssecretaris toegezegd om begin volgend jaar
in het licht van de vereenvoudiging terug te komen op een eventuele
vrijstelling van de btw-heffing bij de toelatingsexamens voor het
beroepsonderwijs.
Over een aantal punten heeft de staatssecretaris gezegd dat hij er nog
schriftelijk op terugkomt. Ik ben hem erkentelijk voor het
doorwerkvereiste.
Over het pensioen in eigen beheer zijn nog wel wat vragen. Ik heb in de
Kamer brede steun geproefd om de problematiek op dit vlak op te lossen.
Dit moet wel zorgvuldig gebeuren. Het gaat niet alleen om de
betrokkenen, maar ook om hun partners of ex-partners. Een aantal
collega's, onder wie de heer Omtzigt, heeft specifieke vragen gesteld.
Ik zie uit naar de beantwoording die we nog krijgen.
Dat geldt ook voor de beantwoording van de vragen over de kantoorpanden
en het ombouwen daarvan tot woningen. Ik heb gezegd dat ik een tabel
wens ten aanzien van joules.
Tot slot heb ik twee punten die nog niet aan de orde zijn geweest. Wat
de exportheffing betreft sluit ik me aan bij de vragen van mevrouw De
Vries en de heer Groot. De staatssecretaris zegt dat wordt nagegaan of
een exportheffing mogelijk is. Voor een gelijk speelveld zou zo'n
heffing van belang zijn. Een werkgroep kijkt daar nu naar. De Kamer
wordt hierover nader geïnformeerd. Wat is het tijdpad? In de
schriftelijke beantwoording kon ik hierover zo snel niets vinden.
Ten aanzien van zzp'ers in huurwoningen sluit ik me kortheidshalve aan
bij de vragen van mevrouw De Vries. Klopt het dat er sprake is van
gelijke monniken, gelijke kappen, of is dat niet het geval?
Ten aanzien van stadswarmte krijgen we nog een reactie op het
amendement-Grashoff. Ik ben daar erg nieuwsgierig naar.
De heer Tony van Dijck (PVV):
Voorzitter. Ook namens mij dank aan de ambtenaren voor het vele werk dat
ze hebben verzet naar aanleiding van de vele vragen. Ik begrijp dat er
volgende week nog een plenaire afronding komt in twee termijnen, dus kan
ik het kort houden.
Wat mij het meeste raakt, is de omissie als het gaat om de verdeling van
het netto besteedbaar inkomen. Bij mij kan het er niet in dat iemand die
€21.000 verdient, iemand die hard werkt voor een minimumloon, en die
weet op te klimmen naar €32.000 — dan heeft hij bruto €1.000 meer
salaris per maand en doet hij het dus goed, zou je denken — door die
€1.000 uiteindelijk €38 meer te besteden heeft dan toen hij het
minimumloon verdiende. Voor die €38 wordt verwacht dat hij cursussen
volgt en allerlei inspanningen verricht. De scholingsaftrek zit er ook
niet meer in. Met bloed, zweet en tranen weet hij zich op te werken van
de kassa naar bedrijfsleider van de hele supermarkt. Hij gaat van
€21.000 naar €32.000, maar uiteindelijk heeft hij maar €38 per maand
meer te besteden dan die cassière. Ik krijg gewoon kippenvel bij de
gedachte! Ik snap niet dat een staatssecretaris van VVD-huize dit laat
gebeuren. Gaarne een reflectie: kan hier nog iets last minute
gerepareerd worden? Dit is zo fout en zo oneerlijk, dat mij woorden
tekortschieten.
De heer Omtzigt (CDA):
Voorzitter. Op het draagkrachtbeginsel kom ik tijdens de plenaire
afronding terug. Tabel 1 heeft mij wel zeer verbaasd. Daarin staat dat
de ene persoon met een inkomen van €35.000 €67 inkomstenbelasting per
jaar betaalt en de andere €11.896. Dat geeft tot op zekere hoogte aan
hoever wij gaan met het pleasen van het CPB om een extra baantje te
realiseren, in plaats van na te denken over de vraag wat wij een
redelijke belasting vinden op basis van het draagkrachtbeginsel. Voor
mij is dat een waarschuwing voordat wij de komende maanden weer dat hele
circus ingaan. Bij de plenaire behandeling zou ik best wel willen
discussiëren over de vraag of dit de richting is die wij willen ingaan.
Overigens is het dan optimaal — dit is geen CDA-voorstel, zeg ik er
meteen bij — om gepensioneerden voor 100% te gaan belasten. Immers, dat
kost geen banen in de tabellen. Zo kan ik tientallen bizarre voorbeelden
bedenken waarbij je wel uitkomt als dat je enige ijkpunt van je
economische beleid is.
Bij de huurkosten sluit ik mij kortheidshalve aan bij mevrouw De Vries.
Waarom niet een iets langere overgangstermijn? Niet alle huurders in dit
land — de heer Bashir weet dit — krijgen huurtoeslag. De samenloop van
huurtoeslag en aftrek betreft alleen maar huurders met huurtoeslag. Dit
kabinet doet ook nog wel wat andere dingen.
Ik zie uit naar veel antwoorden, bijvoorbeeld ten aanzien van de
vereenvoudigingswet en het pensioen in eigen beheer. In het antwoord zie
ik graag een rekenvoorbeeld waarin men niet is getrouwd in gemeenschap
van goederen. Veel dga's zijn op huwelijkse voorwaarden getrouwd,
vandaar het aantal zeer precieze vragen. Wij denken dat de voorbeelden
die wij vroegen, vrij representatief zijn voor de manier waarop dga's
met huwelijkse voorwaarden omgaan. Een en ander zou zeer behulpzaam
kunnen zijn bij de uitwerking van dit plan. Ook willen wij graag weten
of de visie van professor Kappelle in het weekblad Fiscaal recht klopt
over de overdracht van een onbepaald deel. Ook voor de uitvoering zou
het goed zijn om dat te weten. Waarom leveren dga's 950 miljoen per jaar
op met een beperkte grondslag voor aftrek voor pensioenopbouw en heeft
de staatssecretaris het over 62 miljoen die structureel wordt
teruggegeven door de schijfverlenging? Hoeveel is de jaarlijkse
besparing op de Vbp vanwege de beperkte grondslag door het vervallen van
de aftrek van de pensioenopbouw in eigen beheer? Is de opbrengst van de
Vbp hiervoor ingezet, of is de schijfverlenging anderszins door
ondernemers betaald?
Over de BOR heb ik in de beantwoording een aantal dingen gehoord die ik
niet goed kon plaatsen, bijvoorbeeld het gelijk behandelen van directe
kleine belangen en indirecte kleine belangen. Dat is geen criterium.
Fiscaal moet eerst worden beoordeeld of er sprake is van een
onderneming. Bij een aandelenbelang van een paar procent is dat niet zo.
Dat is dus wezenlijk anders dan bij een indirect belang, waar sprake is
van een onderneming en een klein belang onderdeel is van die
onderneming. Verder hoorde ik dat zonder die voorgestelde maatregel alle
kleine indirecte belangen onder de bedrijfsopvolgingsregeling vallen,
maar er moet eerst sprake zijn van een ondernemingsvermogen volgens de
vermogensetiketteringsregels. Tot slot antwoordde de staatssecretaris op
een vraag van mevrouw De Vries dat het in het arrest niet van belang was
dat de activiteiten van de dochter in het verlengde lagen van de
onderneming. Dat staat echt expliciet als vooronderstelling in
rechtsoverweging 2.2.2. Graag een antwoord op deze drie vragen. Ik kan
mij zo voorstellen dat dit schriftelijk gebeurt.
Ook wil ik graag een schriftelijk antwoord hebben op de vraag over het
beroep inzake beslissing van de RVO bij het College van Beroep voor het
bedrijfsleven. Dat is bestuursrecht en in bestuursrecht is er sprake van
een marginale toets. Dat is fundamenteel anders dan bij het
belastingrecht, waar er inhoudelijk opnieuw wordt gekeken door de
belastingrechter. Dat was de portee van mijn vraag in eerste termijn
waarom het verschillend is en of het niet logisch is dat er opnieuw een
inhoudelijke toetsing of een tweede toetsing kan plaatsvinden. Nu wordt
alleen getoetst of de rechtsbeginselen zijn gevolgd. Ik zie de
staatssecretaris nee schudden, maar de RVO betekent toch echt
bestuursrecht, en daarvoor ga je naar de bestuursrechter. Dan kom je
niet uit bij een inhoudelijke toets, al zei de staatssecretaris dat dit
wel zo is.
Ik ben benieuwd — het antwoord hierop kan volgen in de brief over
belastingen — of memo's over de risico's van de afkoopregeling nu wel of
niet hebben gecirculeerd en, zo ja, waar en wanneer.
Ik zie uit naar de antwoorden op vragen over het
CO2-schandaal — er is immers anders gemeten — en de
toeslagen.
Ten aanzien van de laadpalen hoorde ik de staatssecretaris angstig
spreken over allerlei oranje snoeren die mogelijk uithangen. Mocht hij
daar bang voor zijn, heeft hij dan overwogen om het strafbaar te stellen
dat de stroom uit zo'n laadpaal voor iets anders wordt gebruikt dan voor
het opladen van een elektrische auto? Of is dat toegestaan? Als het is
toegestaan, voorzie ik zeer creatieve oplossingen in dit land. Aan
creativiteit met belastingen is in dit land namelijk echt geen gebrek,
met of zonder innovatieboxen.
Ik kom op de rulings van de OESO. De eerste deadline voor het
uitwisselen van de rulings is eind dit jaar. De database moet voor 31
december klaar zijn. Er gaat iets uitgewisseld worden. Hoe incompleet is
wat we gaan uitwisselen? Hoeveel rulings zijn er? In november zouden we
ondertussen toch wel mogen weten hoe groot het probleem is, vandaar mijn
vraag naar een deadline. Is het eind januari wel klaar en kunnen we
tegen de OESO zeggen: foutje, het duurt iets langer? Op basis van de
antwoorden en de lichaamstaal van de staatssecretaris vermoed ik dat het
uitstel wat langer zal zijn. Ik wil toch enige indicatie hebben.
Tot slot de btw op pensioenfondsen. Ik sluit me aan bij collega Groot,
maar ik merk wel op dat ik het bijzonder raar vind dat België en
Luxemburg geen btw heffen over hetzelfde soort pensioenfondsen die
bovendien naar België en Luxemburg verhuizen. Dat vinden wij om totaal
andere redenen onwenselijk, maar waarom zou het in Nederland illegaal
zijn om er geen btw over te heffen, terwijl onze buurlanden er sowieso
geen btw over willen heffen? Het is van tweeën één: of we doen het
allebei, of het we doen het allebei niet.
Ik ben nog een punt vergeten: de drie casus over de gevolgen van het
wetsvoorstel beperking gemeenschap van goederen. Dat wetsvoorstel wordt
waarschijnlijk aangenomen door de Eerste Kamer. Dan hebben we in dit
land standaard te maken met een beperkte gemeenschap van goederen.
Sommige gevolgen zijn gewoon onduidelijk, omdat er nu betrekkelijk
weinig mensen trouwen in een beperkte gemeenschap van goederen;
eigenlijk helemaal niemand. Dan hebben we het niet eens over
ingewikkelde situaties, maar gewoon over mensen die een huis hebben,
gaan trouwen en vervolgens niet weten wat er met de hypotheekrenteaftrek
gebeurt bij de toerekening tussen de twee partners bij een beperkte
gemeenschap van goederen. Als fiscalisten, notarissen of zelfs experts
op het gebied van de eigenwoningregeling nog steeds vragen hebben over
dit soort eenvoudige, veelvoorkomende rechtshandelingen, waardoor ze
straks minder goed kunnen adviseren, dan hebben we een probleem. Ik heb
hier wel "adviseren" staan, maar als de beperkte gemeenschap de
standaard wordt, dan zullen deze mensen standaard niet geadviseerd
worden, net zoals nu niemand standaard advies vraagt over de volledige
gemeenschap van goederen.
We hebben tot twee keer toe gevraagd om deze vragen te beantwoorden. Het
gaat om drie vragen: 1) het verschil in fiscale gevolgen tussen de ib-
en de Vbp-ondernemer die staande het huwelijk overgaat van de beperkte
naar de algehele gemeenschap van goederen, 2) het al dan niet overgaan
van het eigenwoningverleden bij twee in beperkte gemeenschap van
goederen gehuwde partners en 3) de fiscale gevolgen van voorhuwelijkse
privéschulden voor de gezamenlijke eigen woning. Ik vraag met klem om
deze vragen te beantwoorden, gewoon om problemen in de uitvoering te
voorkomen. Deze wet komt er. Dat wij ertegen waren, is totaal
irrelevant. Er was een grote meerderheid voor, en dat maakt ook helemaal
niet uit, maar voor de mensen die gaan trouwen en ook voor de adviseurs
en de Belastingdienst zelf, moet wel duidelijk zijn hoe wordt omgegaan
met vooral de eigenwoningregeling.
De heer Grashoff (GroenLinks):
Voorzitter. BASF, het grootste chemiebedrijf ter wereld, omzeilde bijna
1 miljard aan belastingen. Dat is de uitkomst van het onderzoek van mijn
collega's uit de groene fractie in het Europees Parlement, die eerder
een heel plezierig rapport lieten zien over IKEA. Ze komen allemaal weer
langs: de Nederlandse innovatiebox, het manipuleren van interne
verrekenprijzen om winsten te laten neerdalen in landen met een lage
belasting op winsten, het hebben van zes Nederlandse
houdstermaatschappijen die bedoeld zijn en gebruikt worden als een soort
draaischijf voor belastingen om elders flink belastingen te ontwijken en
op een oneigenlijke manier gebruik te maken van de
deelnemingsvrijstelling. We zijn er weer!
Ja, voorzitter, we zetten kleine stapjes op het gebied van
belastingontwijking, maar dit soort dingen komt nog steeds voor en
zolang dat voorkomt, zullen wij wat GroenLinks betreft niet rusten om de
teugels verder aan te halen. In de finale afronding van dit debat maar
ook in verdere acties de komende tijd zullen we hier steeds weer op
terugkomen.
Ik maak even de sprong naar de substance-eisen. Nogmaals dank aan de
staatssecretaris voor zijn heldere brief naar aanleiding van de motie
van de heer Groot en mijzelf. In dit debat is het wat helderder geworden
dat we wel degelijk praktisch, uitvoerbaar en realistisch kunnen werken
aan de substance-eisen en dat er geen tegenstrijdigheid bestaat met de
aanpak via het MLI (multilateraal instrument). Het kan aanvullend
buitengewoon zinvol zijn. Ik ben het niet eens met de staatssecretaris
als hij zegt dat hij al zo veel te doen heeft. Ik kan mij namelijk nog
steeds niet aan de indruk onttrekken dat juist het wegwerken van heel
veel brievenbusfirma's de Belastingdienst uiteindelijk veel werk zal
schelen in plaats van zal kosten. Het lijkt mij dan ook een goede
investering in de toekomst. Je zou bijna kunnen zeggen: een
vereenvoudiging van het belastingstelsel, al is het dan niet het
stelsel. Ik zal op dit vlak zeker een uitspraak van de Kamer vragen en
ik zal nagaan of anderen met mij willen samenwerken. Ik zal hierover
natuurlijk contact met de heer Groot opnemen.
Ik kom op de hulpketels. Ik ben in elk geval blij met de welwillende
houding van de staatssecretaris om na te gaan of het probleem oplosbaar
is. Ik hoop dat het mogelijk is om een onderscheid te maken tussen het
geïsoleerde vraagstuk en het bredere vraagstuk rondom de stimulering van
warmtelevering, wat inderdaad een grondiger onderzoek en analyse vraagt.
Ik juich het overigens ook toe dat dit plaatsvindt. Misschien kan mijn
amendementje op dit punt helpen. Ik kijk met belangstelling uit naar de
reactie van de staatssecretaris, ook op dat amendentje.
Ten aanzien van de energiebelasting op grootverbruik zou het een enorme
sprong voorwaarts zijn als we eindelijk eens een stap vooruit kunnen
maken, ook al is het een bescheiden stap. Ik kijk met belangstelling uit
naar de reactie van de staatssecretaris op ons amendement hierover en
overigens ook op het amendement van de heer Van Weyenberg.
Wat de laadpalen betreft laten wij het voor dit moment hierbij. Wij
zouden nog een stap verder willen zetten richting privélaadpalen, maar
ik vind dat wel wat glad ijs; laat ik dat maar eerlijk zeggen.
Het is en blijft een feit dat de innovatiebox voor een belangrijk deel
oneigenlijk wordt gebruikt. Wellicht kom ik nog met voorstellen
hierover.
Tot slot het vraagstuk van de inkomensongelijkheid. Ik heb mij hierover
vandaag stil gehouden, maar de heer Bashir gelukkig niet, waarvoor dank.
Ik kan alvast voorspellen dat ik bij de plenaire afronding van dit debat
hierop ruimschoots zal ingaan.
De voorzitter:
Ik beëindig de tweede termijn van de zijde van de Kamer. Ik schors de
vergadering om de staatssecretaris de gelegenheid te geven om zijn
beantwoording te organiseren. Ik vermoed dat een groot deel van de
vragen schriftelijk zal worden beantwoord. We gaan even na welke dat
zijn en welke misschien nu al kunnen worden beantwoord. Het overgrote
deel zal waarschijnlijk schriftelijk worden beantwoord. Ik schors voor
vijf minuten.
De vergadering wordt van 21.38 uur tot 21.45 uur geschorst.
Staatssecretaris Wiebes:
Voorzitter. Het was een fantastische dag, maar ook aan fantastische
dagen komt een einde. Ik denk dat ik het welzijn van de aanwezigen hier,
mijn eigen uithoudingsvermogen en de kwaliteit van de antwoorden
allemaal een dienst bewijs als ik het kort houd. Ik heb er een paar
vragen uitgepikt.
Mevrouw De Vries stelde een vraag over het afgezonderd particulier
vermogen (APV): is duidelijk dat niemand dubbele belasting betaalt? Ja,
dat is wel duidelijk, want als de toerekeningsstop niet van toepassing
is, geldt gewoon de hoofdregel en wordt op precies dezelfde manier
dubbele belasting voorkomen als wanneer het vermogen direct werd
gehouden, dus niet in een APV.
Meerdere woordvoerders hebben gevraagd naar de zzp'er: verkeert deze in
dezelfde positie als de huurder en de koper? Bij de koper bestaat
theoretisch nog een mogelijkheid om de eigen woning voor een bepaald
deel als bedrijfsvermogen te bestemmen, maar materieel gezien is dat
buitengewoon onverstandig. Bijna niemand doet dat ook. Materieel gezien
is het geen wezenlijke mogelijkheid. In materiële zin worden koper en
huurder qua mogelijkheden gelijkgeschakeld, in die zin dat ze een ruimte
die geen afzonderlijke bedrijfsruimte is, ook niet op die manier kunnen
behandelen. De financiële risico's kunnen nog best aanzienlijk zijn.
Heretiketteren op zich is niet zo'n tour. Een van de meest aansprekende
vormen die over de gangen gaat binnen het departement, is het verhuizen
van de studeerkamer van de zolder naar de logeerkamer en daarna
eventueel weer terug. Dan heb je geheretiketteerd en kun je er een
andere status aan geven. Dat zijn dingen die wel erg makkelijk klinken.
De berekening was dat het dan algauw in plaats van de huidige 20
miljoen, honderden miljoenen kan worden. Dit bracht de minister van
Financiën ertoe om zeer snel met de hand op tafel te slaan en te
verlangen dat de staatskas werd beschermd.
Het volgende punt is het met een jaar naar voren halen van de evaluatie
van de werkkostenregeling. Dat is op zich aantrekkelijk, maar dan hebben
we maar twee jaar, en dat vind ik wel erg kort. Ik herinner me uit het
verleden dat we altijd vijf jaar namen. De wereld is haastiger geworden.
Nu nemen we drie jaar, maar twee vind ik wel erg weinig, zeg ik tegen
mevrouw De Vries. Ik zou het liefst vasthouden aan drie jaar, maar ik
luister altijd naar meerderheden voor iets anders. Drie vind ik op zich
niet zo'n gek getal. Ik vind het een redelijk verhaal.
Mevrouw De Vries vroeg ook naar informatie-uitwisseling voor de
Belastingdienst. Er is een uitvoeringsbesluit. De Kamer wil daar nog
even naar kijken. Volgens mij is dat ook toegezegd in de nota naar
aanleiding van het verslag.
Mevrouw Aukje de Vries (VVD):
Mijn punt was vooral dat het niet zo moet zijn dat wij het ter
kennisneming krijgen. Mochten wij nog opmerkingen hebben, dan moet daar
nog iets mee gedaan kunnen worden.
Staatssecretaris Wiebes:
Zal ik daar dan eens voor zorgen?
De heer Bashir heeft gesproken over de APV's. Hoe weten we dat er sprake
is van een onderneming en van een heffing? Wanneer is sprake van een
onderneming? Een onderneming wordt op dezelfde manier getoetst als bij
de Wet inkomstenbelasting. Er bestaat eerlijk gezegd niet de indruk dat
veel APV's ook daadwerkelijk ondernemingen zijn. Hoe kun je vaststellen
dat er een reële heffing is? Door dat bijvoorbeeld aan te tonen via het
overhandigen van de bescheiden van een buitenlandse belastingautoriteit.
Dan heb je belasting betaald. Dat moet je kunnen aantonen en daarover
krijg je over het algemeen het een en ander op schrift.
Voorzitter. Er zijn veel andere vragen die dan wel ons niet wakker
houden dan wel relatief nieuw zijn, althans voor dit debat. Die moeten
met enige aandacht en geduld worden behandeld. Ik ga mijn best doen om
een en ander zo snel mogelijk bij u te krijgen, via de brief die ik al
heb toegezegd. Ik hoop dat we ons in het plenaire debat kunnen richten —
een aantal woordvoerders heeft dat ook al toegezegd — op politieke
hoofdlijnen en de grote hoeveelheid complexe details achter ons kunnen
laten. Ik ga er flink mijn best op doen om de vragen daarover zo
compleet mogelijk te beantwoorden. We spreken verder in het plenaire
debat. Ik zie de heer Omtzigt pijnlijk kijken naar het plafond, maar het
late uur zal daarmee te maken hebben.
De voorzitter:
Dit was de beantwoording in tweede termijn van de staatssecretaris. Ik
maak nog even een paar slotopmerkingen. Volgende week is het plenaire
debat. Zonder te herhalen wat in welke brief staat, merk ik een paar
dingen op, te beginnen bij de becommentariëring van de amendementen.
Alle amendementen die tot 17.00 uur woensdag aanstaande zijn ingediend,
worden schriftelijk beoordeeld. Alle amendementen die daarna worden
ingediend, worden plenair behandeld.
Eerder vandaag hebben we afgesproken dat de Kamer woensdag een brief
ontvangt van de minister van Onderwijs. We krijgen, naar ik meen op
donderdag, een brief van de staatssecretaris. Ik kijk over de schouder
van de staatssecretaris even naar de ambtenaar van Financiën. Dat zal
aan het einde van de dag zijn. Die brief gaat over allerlei zaken: BOR,
PEB, kantoren, de fameuze tabel van de heer Van Weyenberg en de tabel
van de heer Van Dijck. Ook bevat de brief de schriftelijke beantwoording
van de laatste vragen.
De Griffie zal een uitvraag doen over een procedurevergadering op
donderdag. Als de brief van de minister van Onderwijs binnen is op
woensdag, moeten we op donderdag nagaan hoe we het proces verder
inrichten. Ik vraag de leden om hun e-mail in de gaten te houden.
Hiermee heb ik gezegd wat ik wilde zeggen, maar de heer Omtzigt heeft
nog een vraag.
De heer Omtzigt (CDA):
Dat was een heldere opsomming van de brieven die we verwachten. We
hechten er zeer aan dat bij de brieven van de minister van Onderwijs ook
de brief van de minister van Financiën zit. Ik merk dit voor het verslag
op. Het ging om drie zeer specifieke vragen. Wanneer is het eerder
gebeurd dat geld van een volgend kabinet naar voren is gehaald om
uitgegeven te worden? Ik vond het een originele oplossing, maar het is
historisch gezien van groot belang om dit te begrijpen. Hoe verhoudt dit
zich tot bijlage B van het regeerakkoord?
De heer Van Weyenberg (D66):
En wat betekent dit voor de preadvisering van amendementen van dit
huis?
De voorzitter:
Dan staan ze nogmaals in het stenogram, zodat het op twee plekken is
terug te vinden. Ik wens u allen nog een prettige avond.
Sluiting 21.54 uur.
| ONGECORRIGEERD STENOGRAM Verslag OSV 5 (2016-2017) van 7 november 2016 |
|---|
| Aan ongecorrigeerde verslagen kan geen enkel recht worden ontleend. Uit ongecorrigeerde verslagen mag niet letterlijk worden geciteerd. Inlichtingen: verslagdienst@tweedekamer.nl |