[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

Advies Afdeling advisering Raad van State inzake Wijziging van de Jeugdwet, het Besluit Jeugdwet, het Burgerlijk Wetboek en de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen met het oog op het afschaffen van de ouderbijdrage voor jeugdhulp

Wijziging van de Jeugdwet, het Besluit Jeugdwet, het Burgerlijk Wetboek en de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen met het oog op het afschaffen van de ouderbijdrage voor jeugdhulp

Advies Afdeling advisering Raad van State

Nummer: 2016D45678, datum: 2016-11-23, bijgewerkt: 2024-02-19 10:56, versie: 1

Directe link naar document (.doc), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen:

Onderdeel van zaak 2016Z22144:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


No.W13.16.0196/III	's-Gravenhage, 19 augustus 2016

Bij Kabinetsmissive van 14 juli 2016, no.2016001302, heeft Uwe
Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport, mede namens de Minister van Veiligheid en Justitie en
de Minister voor Wonen en Rijksdienst, bij de Afdeling advisering van de
Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet
houdende wijziging van de Jeugdwet, het Besluit Jeugdwet, het Burgerlijk
Wetboek en de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen met
het oog op het afschaffen van de ouderbijdrage voor jeugdhulp, met
memorie van toelichting.

Het wetsvoorstel strekt ertoe de ouderbijdrage voor jeugdhulp met
verblijf af te schaffen en daartoe onder andere de Jeugdwet te wijzigen.
Voorafgaand aan dit wetsvoorstel is de hoogte van de ouderbijdrage reeds
op nihil gesteld. 

De Afdeling adviseert het wetsvoorstel te zenden aan de Tweede Kamer der
Staten-Generaal maar heeft opmerkingen over de voorgestelde wijzigingen
van het Besluit Jeugdwet in het onderhavige wetsvoorstel. Zij adviseert
deze niet op te nemen in dit wetsvoorstel, maar in een wijziging van het
Besluit Jeugdwet. Voorts maakt de Afdeling opmerkingen over de inhoud
van het voorgestelde overgangsrecht. 

1. 	Wijziging van het Besluit Jeugdwet

Het voorstel van wet wijzigt het Besluit Jeugdwet door paragraaf 8.1.
van dat besluit te laten vervallen. Daarnaast bevat artikel V met het
oog op het overgangsrecht een aantal voorstellen die het Besluit
Jeugdwet betreffen. De reden voor laatstgenoemde voorstellen is dat
daarmee duidelijkheid wordt gecreëerd onder meer ten aanzien van de
bevoegdheden van het CAK om ouderbijdragen over de periode voorafgaande
1 januari 2016 vast te stellen en te innen.  

In de toelichting wordt onderkend dat hiermee wordt afgeweken van het
uitgangspunt dat wijziging van een regeling geschiedt door een regeling
van gelijke orde. Als van dit uitgangspunt wordt afgeweken kan dat
onduidelijkheid opleveren over de status van een aldus gewijzigde
bepaling van een algemene maatregel van bestuur. Blijkens de toelichting
levert afwijking van genoemd uitgangspunt in casu geen problemen op,
omdat het hier gaat om het schrappen van een complete paragraaf waardoor
er geen onduidelijkheid kan optreden op welke wijze bepalingen in een
algemene maatregel van bestuur gewijzigd moeten worden.

De Afdeling merkt op dat ook het schrappen van een volledige paragraaf
in een lagere regeling bij hogere regeling tot onduidelijkheid leidt
over de status van de aldus geschrapte paragraaf van een algemene
maatregel van bestuur. Beargumenteerd zou kunnen worden dat de opneming
van nieuwe regels in de vrijgekomen paragraaf slechts bij wet kan
geschieden, nu de schrapping van de paragraaf ook bij wet geschiedt.

De Afdeling wijst er verder op dat het voorstel overgangsrecht regelt
waarin afwijkingen van het Besluit jeugdwet worden voorgesteld. Met het
oog op de kenbaarheid van regelgeving is er ook in dit opzicht
onvoldoende reden om af te wijken van het uitgangspunt dat wijziging van
een regeling geschiedt door een regeling van gelijke orde. 

Gelet op het bovenstaande adviseert de Afdeling de voorgestelde
wijzigingen van het Besluit Jeugdwet in het wetsvoorstel te laten
vervallen en deze op te nemen in een besluit tot wijziging van het
Besluit Jeugdwet.

Onverminderd het voorgaande merkt de Afdeling het volgende op met
betrekking tot het overgangsrecht.

2. 	Overgangsrecht

a. 	Vaststelling ouderbijdrage

Een over het jaar 2015 verschuldigde ouderbijdrage kan na
inwerkingtreding van het voorstel tot uiterlijk drie maanden na het
tijdstip waarop het bestuursorgaan dat met de vaststelling en inning van
de ouderbijdrage is belast van de oplegging ervan in kennis is gesteld,
worden vastgesteld. Uit de toelichting blijkt dat is beoogd de termijn
van vaststelling te verkorten van twaalf tot drie maanden teneinde de
vaststelling en inning van ouderbijdragen over 2015 voortvarend af te
ronden.

De Afdeling merkt op dat de verkorting van de termijn ziet op de periode
na de  kennisgeving van de oplegging van de ouderbijdrage en niet op de
termijn waarin het CAK nog bevoegd is om een ouderbijdrage op te leggen.
Dit betekent enerzijds dat na inwerkingtreding van het voorstel geen
ouderbijdragen meer kunnen worden vastgesteld als de kennisgeving van de
oplegging ervan ouder is dan drie maanden. Anderzijds kan het CAK,
indien het bijvoorbeeld een jaar na inwerkingtreding van het voorstel
een kennisgeving ontvangt, nadien nog steeds gedurende drie maanden een
ouderbijdrage vaststellen.

Indien beoogd is het CAK nog slechts drie maanden na inwerkingtreding
van het voorstel bevoegd te laten zijn om ouderbijdragen vast te
stellen, adviseert de Afdeling het voorstel aan te passen. Indien dat
niet beoogd is, adviseert de Afdeling in de toelichting te
verduidelijken dat onder omstandigheden nog geruime tijd na
inwerkingtreding van het voorstel ouderbijdragen kunnen worden
vastgesteld.

b. 	Kennisgeving omstandigheid herziening of beroep op de
hardheidsclausule

Het voorstel stelt de termijn voor zowel een kennisgeving van een
omstandigheid die aanleiding kan geven tot een herziening van de
ouderbijdrage, als om een beroep te doen op de zogenoemde
hardheidsclausule, op zes weken na de dag waarop de wet in werking
treedt.

De Afdeling merkt op dat het in deze bepalingen gekozen aanvangstijdstip
van de termijn tot gevolg heeft dat een ouder ten aanzien van een
ouderbijdrage die na inwerkingtreding van het voorstel wordt opgelegd,
een té beperkte tijd heeft om een omstandigheid naar voren te brengen
die aanleiding kan geven tot een herziening van de ouderbijdrage dan wel
een beroep te doen op de hardheidsclausule. Een ouderbijdrage kan immers
tot drie maanden na kennisgeving van de oplegging daarvan worden
vastgesteld, terwijl de termijn voor een  kennisgeving van een
omstandigheid die aanleiding kan geven tot een herziening van de
ouderbijdrage en voor een beroep op de hardheidsclausule op zes weken
wordt gesteld na de dag van inwerkingtreding van de wet. Hierdoor worden
ouders benadeeld. 

De Afdeling adviseert het voorstel zodanig aan te passen dat een ouder
ten minste een termijn van zes weken ná vaststelling van de
ouderbijdrage wordt gegeven voor het doen van een kennisgeving van een
omstandigheid die aanleiding kan geven tot een herziening van de
ouderbijdrage of om een beroep te doen op de hardheidsclausule.

3.	De Afdeling verwijst naar de bij dit advies behorende redactionele
bijlage.

De Afdeling advisering van de Raad van State geeft U in overweging het
voorstel van wet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal,
nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.

De vice-president van de Raad van State,

Redactionele bijlage bij het advies van de Afdeling advisering van de
Raad van State betreffende no.W13.16.0196/III

In artikel V, tweede lid, onder c en e, “vervalt” vervangen door:
niet van toepassing is.

 	Besluit van 4 mei 2016, houdende wijziging van het Besluit Jeugdwet
vanwege het op nihil stellen van de ouderbijdrage voor jeugdhulp, Stb.
2016/191.

	Artikel II van het voorstel.

 	Artikel V, tweede lid, onder a t/m e, voorstel.

	Toelichting, Artikel II.

 	Zie aanwijzing 223 van de Aanwijzingen voor de regelgeving.

 	Toelichting, Artikel II.

 	Zie hierover vergelijkbaar: Kamerstukken II 2000/01, 27 775, B, blz. 9
(Wet toezicht collectieve beheersorganisaties auteurs- en naburige
rechten) en Kamerstukken II 2012/13, 33 580, nr. 4, blz. 11 en 13
(Implementatie van de richtlijn 2011/93/EU van het Europees Parlement en
de Raad ter bestrijding van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van
kinderen en kinderpornografie, en ter vervanging van Kaderbesluit
2004/68/JBZ van de Raad (PbEU L 335).

	Artikel V, tweede lid, onder b, voorstel.

 	Toelichting, Artikel V.

 	Artikel V, tweede lid, onder a.

 	Artikel V, tweede lid, onder f.

 PAGE   4 

  PAGE  2 

 PAGE   I 

........................................................................
...........

AAN DE KONING