Gelijke kansen in het onderwijs en Schoolkosten
Stenogram
Nummer: 2017D02841, datum: 2017-01-31, bijgewerkt: 2024-02-19 10:56, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Onderdeel van activiteiten:- 2017-01-30 10:00: Gelijke kansen in het onderwijs en Schoolkosten (Notaoverleg), vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Preview document (🔗 origineel)
Tweede Kamer, Gelijke kansen in het onderwijs
VERSLAG VAN EEN NOTAOVERLEG
Concept
De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft op 30 januari 2017 overleg gevoerd met mevrouw Bussemaker, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, en de heer Dekker, staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, over:
de initiatiefnota van de leden Ypma en Mohandis "Gelijke onderwijskansen voor alle kinderen, ongeacht hun achtergrond, afkomst of het opleidingsniveau van hun ouders" d.d. 30 juni 2016 (34511);
de brief van het lid Jasper van Dijk d.d. 9 november 2016 ter aanbieding van de nota "Onderwijs als emancipatiemotor" van de SP-Tweede Kamerfractie (2016Z20782);
de brief van het lid Van Meenen d.d. 25 januari 2017 met de notitie van de fractie van D66 over gelijke kansen in het onderwijs (2017Z01052);
de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 31 oktober 2016 inzake gelijke kansen in het onderwijs (34550-VIII, nr. 16);
de brief van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 11 januari 2017 inzake doorstroom vmbo-havo (30079, nr. 69);
de brief van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 21 december 2016 inzake onderwijsontwikkeling voortgezet onderwijs Maastricht (2016Z24614);
de brief van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 4 november 2016 inzake uitwerking motie van de leden Ypma en Straus over de promise academy in Rotterdam (34550-VIII, nr. 48);
de brief van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 1 november 2016 inzake eindtoetsresultaten en de overgang van leerlingen naar het voortgezet onderwijs in schooljaar 2015-2016 (31289, nr. 340);
de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 22 december 2016 met de antwoorden op vragen van de commissie over de kabinetsreactie naar aanleiding van het KIS-rapport over stagediscriminatie in het mbo (31524, nr. 305);
de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 23 september 2016 met de kabinetsreactie naar aanleiding van het KIS-rapport over stagediscriminatie in het mbo (31524, nr. 300);
de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 23 december 2016 inzake de structurele maatregel schoolkosten 16- en 17-jarige mbo-studenten (34550-VIII, nr. 105);
de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 21 november 2016 met de toelichting op artikel 8.1.4 van de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB) inzake schoolkosten mbo (34347, nr. 24);
de brief van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 11 november 2016 met de beantwoording van vragen van de commissie over de Evaluatie Wet Gratis Schoolboeken (33088, nr. 5);
de brief van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 6 september 2016 met de beleidsreactie Evaluatie Wet Gratis Schoolboeken 2015/2016 (33088, nr. 4);
de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 5 oktober 2016 inzake tijdelijke regeling voorziening leermiddelen voor deelnemers uit minimagezinnen (34347, nr. 23);
de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 30 juni 2016 inzake schoolkostenmonitor 2015/2016 en uitvoering van de motie van de leden Jadnanansing en Siderius over schoolkosten mbo beperken tot het absolute minimum (34300-VIII, nr. 155);
de brief van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 22 december 2015 met de antwoorden op vragen van de commissie over digitale leermiddelen (32034, nr. 19);
de brief van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 3 november 2015 inzake digitale leermiddelen en het gebruik van persoonsgegevens (32034, nr. 18);
de brief van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 3 juli 2015 inzake privacy en informatiebeveiliging in het primair en voortgezet onderwijs (32034, nr. 17);
de brief van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 17 maart 2015 inzake doorbraakproject op het gebied van onderwijs en ICT (32034, nr. 16).
Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.
De voorzitter van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en
Wetenschap,
Wolbert
De griffier van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en
Wetenschap,
De Kler
Voorzitter: Wolbert
Griffier: De Kler
Aanwezig zijn elf leden der Kamer, te weten: Beertema, Jasper van Dijk, Duisenberg, Grashoff, Van Meenen, Mohandis, Van der Ree, Rog, Vermue, Wolbert en Ypma,
en mevrouw Bussemaker, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, en de heer Dekker, staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
Aanvang 10.04 uur.
De voorzitter:
Wij hebben vandaag een notaoverleg van de vaste commissie voor
Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over gelijke kansen in het onderwijs en
over de schoolkosten. Een aantal van de onderwerpen die wij vandaag
bespreken, vallen eigenlijk onder het regime van een algemeen overleg.
Het is vandaag agendatechnisch dus een beetje een bijzondere mix.
Ik heet de minister, de staatssecretaris en de initiatiefnemers van
harte welkom. Ook een woord van welkom aan de leden en de mensen op de
publieke tribune.
Wij beginnen met de eerste termijn van de Kamer over de initiatiefnota,
gericht op de initiatiefnemers en de bewindspersonen. Daarvoor worden
spreektijden gehanteerd afhankelijk van de fractiegrootte.
Ik verexcuseer de heer Jasper van Dijk van de SP-fractie. Hij is door
omstandigheden verlaat.
De heer Beertema (PVV):
Voorzitter, zit ik qua spreektijd in een middelgrote partij of een grote
partij?
De voorzitter:
U zit in een middelgrote fractie en u hebt vijf minuten
spreektijd.
De heer Beertema (PVV):
Geniet ervan!
De voorzitter:
Wij steken van wal met de eerste spreker: mevrouw Vermue van de Partij
van de Arbeid. Zij heeft zeven minuten spreektijd.
Mevrouw Vermue (PvdA):
Ik hoop dat de heer Beertema ook gaat genieten van mijn inbreng.
Voorzitter. Noa volgt de theoretische leerweg van het vmbo. Zij heeft de
droom om Duits te gaan studeren. Hier heeft zij een havodiploma voor
nodig, maar op het mbo in de buurt wordt geen Duits aangeboden. Hierdoor
loopt de enige haalbare route voor haar via de havo. Een goed gesprek
met school is dan de start, dachten haar ouders. In termen van
mogelijkheden wordt bedacht wat op dit moment nodig is, zodat Noa toch
Duits kan gaan studeren. Maar niets is minder waar. Zij kwamen
teleurgesteld thuis van een avond op school. Zolang op scholen gesproken
wordt in termen als "terugzetten" als je van de havo naar het vmbo gaat,
geef je scholieren het gevoel dat ze falen. Zolang schoolleiders stellen
dat het beter is om, zoals zij het noemen, via de beroepskolom door te
stromen van het vmbo, ontneem je jongeren de keuze en stel je de waarde
van hun diploma ter discussie. Zolang scholen denken dat het
doorstroomrecht op de lange baan geschoven kan worden, zijn ze degenen
die blijven denken vanuit het rendementsdenken dat ze zelf zo
verafschuwen.
Scholen hebben zich verzet tegen de uitvoering van het wettelijk
doorstroomrecht, de opdracht vanuit de Kamer. Wat vindt de
staatssecretaris van deze reacties? Welk signaal gaat hij afgeven zodat
voor eens en altijd duidelijk is dat het doorstroomrecht er
aankomt?
Tegelijkertijd kan gesteld worden dat er in de afgelopen periode
ontzettend veel is gebeurd om de kansen voor alle kinderen in ons
onderwijs zo groot mogelijk te maken. En ja, gelukkig zijn er veel meer
docenten, ouders en scholieren die zich hier dag in, dag uit voor
inzetten. De indieners van de initiatiefnota mogen trots zijn op de
resultaten die behaald zijn sinds de nota in juni vorig jaar aan de
Kamer is toegezonden. Het stimuleren van brede brugklassen, een
experiment waarbij leraren extra tijd krijgen om hun lessen voor te
bereiden en de tegemoetkoming aan mbo'ers in de schoolkosten, het zijn
stuk voor stuk essentiële stappen om elk kind de beste editie van
zichzelf te laten worden.
Ook de minister heeft met een brief over gelijke kansen het voortouw
genomen. Daarin gaat het onder meer over de vergroting van de
vaardigheden van leraren om om te gaan met verschillen in de klas en het
verbeteren van de overstap van het mbo naar het hbo. Belangrijke stappen
zijn gezet, maar we zijn er nog niet. De indieners noemen in de nota
veertien uitstekende maatregelen die bijdragen aan kansengelijkheid in
het onderwijs met als hoofdlijn: leraren beter opleiden en waarderen,
vroegselectie in het onderwijs tegengaan, verbetering van de doorstroom
en het wegnemen van perverse financiële prikkels. Welke maatregelen
verdienen volgens hen prioriteit en welke mogelijkheden zien zij op
basis van wat tot nu toe is gebeurd? Ik zal zelf een aantal punten
benoemen waar ik nog aandacht voor wil vragen.
Op 19 januari presenteerden verschillende organisaties een manifest voor
ICT op de basisschool en middelbare school. Het mag niet zo zijn dat de
kosten van een tablet een drempel opwerpen om mee te doen in de klas. We
zien allemaal om ons heen dat digitale leermiddelen de toekomst zijn.
Hoe benadrukt de staatssecretaris dit vanuit gelijke kansen? Is
bijvoorbeeld de wet betreffende gratis schoolboeken niet aan een versie
2.0 toe? En hoe staat het met snel en toegankelijk internet op iedere
school? Hierover is in de Kamer al een motie aangenomen bij de
behandeling van de begroting voor 2016. Wat is de huidige stand van
zaken?
De PvdA heeft een rondgang gemaakt langs verschillende scholen over de
vrijwillige ouderbijdrage. Er zijn veel scholen die het goede voorbeeld
geven, die actief meedenken met ouders en die alles op zetten om
kinderen te kunnen laten meedoen op school. Tegelijkertijd constateert
de PvdA nog steeds grote uitschieters in de hoogte van de vrijwillige
ouderbijdrage. Op scholen die door de overheid gefinancierd worden,
kunnen deze vrijwillige kosten voor een gezin oplopen tot boven de
€1.500 per jaar. Bovendien valt op dat een groot aantal van de
onderzochte scholen een indringend beroep op ouders doet om de
vrijwillige ouderbijdrage te voldoen. De vraag is dan hoe vrijwillig de
vrijwillige ouderbijdrage in de praktijk nog is. Wat vindt de
staatssecretaris hiervan? Signaleert hij dit ook nog steeds? In de krant
konden we afgelopen weekend nog lezen dat de staatssecretaris niet
tevreden is met zijn resultaten op het gebied van kansengelijkheid. Is
hij bereid om ook iets te doen aan de vrijwillige ouderbijdrage?
Iedereen gaat op zijn 17de nog naar school. De ene scholier op de
middelbare school betaalt geen schoolkosten, maar de vmbo'er die zijn
diploma haalt en kiest voor een prachtige beroepsopleiding op het mbo,
wordt op zijn 17de soms met forse schoolkosten geconfronteerd. Wat
vinden de indieners hiervan? Is het niet juist zo dat voor iedereen die
nog leerplichtig is, de schoolkosten gelijkgetrokken moeten kunnen
worden? Wil ook de minister hierop reageren?
Alhoewel ik zelf van mening ben dat schoolkosten voor alle leerplichtige
jongeren gelijkgetrokken moeten worden, zie ik ook dat er jongeren zijn
die op hun 18de niet meer leerplichtig zijn en die geen perspectief op
een mbo-diploma op niveau 2 of hoger hebben. Hoe kijken de indieners
daartegen aan? Welke mogelijkheden zien zij om ervoor te zorgen dat toch
iedereen met een diploma om trots op te zijn op zoek kan gaan naar
werk?
De heer Rog (CDA):
Ik heb het gevoel dat mevrouw Vermue een onderwerp onbesproken heeft
gelaten in haar bijdrage. Dat betreft toevallig een punt dat ligt op het
terrein van de minister, ook van sociaaldemocratische huize, die als ik
het even samenvat, het woord "verheffing" uit het sociaaldemocratische
woordenboek heeft geschrapt met de invoering van het leenstelsel.
Daardoor zijn in het eerste jaar 9.000 jongeren niet naar het hbo gegaan
en in het tweede jaar nog steeds 4.000 jongeren. Vindt mevrouw Vermue
daar eigenlijk iets van? Deze vraag is met name relevant daar mevrouw
Asante onlangs in een debat heeft gezegd dat als over vijf jaar de
effecten van het leenstelsel nog steeds zo dramatisch zijn, zij de
eerste zal zijn die daar iets aan gaat doen. Wat vindt mevrouw Vermue
daarvan?
Mevrouw Vermue (PvdA):
Ik hoop dat de heer Rog goed kennis heeft genomen van de berichten deze
ochtend die laten zien dat het tij aan het keren is en dat het effect
van het leenstelsel op dit moment voor jongeren geen drempel opwerpt om
te gaan studeren.
De heer Rog (CDA):
Het is natuurlijk heel moeilijk discussiëren als je de gegevens gaat
ontkennen. In het eerste jaar was er 9% minder instroom dan voor het
leenstelsel. In het tweede jaar was er 4% minder instroom ten opzichte
van voor het leenstelsel. Dat zijn de cijfers. Mevrouw Asante zegt: als
over vijf jaar blijkt dat het leenstelsel slecht is voor de
onderwijstoegankelijkheid — daar hebben we het vandaag over — dan
…
De voorzitter:
Mijnheer Rog, u vervalt in herhalingen.
De heer Rog (CDA):
… ben ik de eerste om met maatregelen te komen. Ja, voorzitter, maar dat
komt doordat mevrouw Vermue geen antwoord geeft. Ik zou graag willen dat
zij hierop reageert.
De voorzitter:
Ik heb haar wel een antwoord horen geven. Maar dat was misschien niet
het antwoord dat u graag had willen horen.
Mevrouw Vermue (PvdA):
Uit zijn reactie blijkt naar mijn idee dat de heer Rog nog geen kennis
heeft genomen van de laatste cijfers, die deze ochtend zijn
gepresenteerd. Het aantal instromende studenten is weer op het niveau
van 2012. Dat zijn de cijfers van deze ochtend.
De voorzitter:
Ik dank u wel. Mijnheer Van Meenen, ga uw gang.
De heer Van Meenen (D66):
Voorzitter. Ik hoop dat de heer Rog mij die vraag ook stelt.
Bijna 40 jaar geleden ben ik het onderwijs ingegaan, omdat het onderwijs
de plek is waar we kinderen kansen geven. Al die scholen, leraren,
conciërges, ondersteuners; ze zijn elke dag bezig ervoor te zorgen dat
alle kinderen alle mogelijkheden krijgen op een fijne en goede toekomst.
Daarom zet D66 onderwijs op één. De leraar die talent ontdekte, een
luisterend oor had en kinderen stimuleerde door te zetten, niet op te
geven; voor veel mensen heeft een leraar een cruciale rol in hun leven
gespeeld door kansen te geven en kinderen aan te moedigen die kansen te
grijpen. Voor veel leraren is dat ook de reden om leraar te worden. Dat
was het in ieder geval ook voor mij.
Onderwijs is de plek waar we kinderen kansen geven, maar het systeem —
ik zeg het nog maar een keer — kraakt, piept en is feitelijk failliet
als het gaat om dit aspect, want niet alle kinderen krijgen dezelfde
kansen. Het diploma van je ouders is bepalender voor je toekomst
geworden dan je eigen talent en je eigen toekomstdromen. Het systeem
staat centraal, niet het kind. Dan gaat het niet alleen om leren lezen,
schrijven en rekenen, maar juist om het leren kansen te zien en te
grijpen en hoe je een bijdrage kunt leveren aan en invloed kunt
uitoefenen op de maatschappij. Het is goed dat we vandaag hierover
spreken, want volgens mij delen we allemaal — daar ben ik nu al niet
meer zeker van, maar goed, velen hier — het principe dat het er niet toe
zou moeten doen waar je wieg stond in het belang van kansen voor
kinderen. Laten we vooral zoeken naar gezamenlijke oplossingen. Ik dank
dan ook de Partij van de Arbeid en de SP voor hun notities.
Ook D66 heeft een flink aantal voorstellen uitgewerkt in de notitie
Gelijke kansen in het onderwijs, die ook op de agenda van dit
notaoverleg staan, bijvoorbeeld over het spelenderwijs voorkomen van
taalachterstanden bij het jonge kind en over het denken vanuit de
ontwikkeling van het kind in plaats van vanuit het bestel en het
systeem. De leraar speelt daarbij een prominente rol, bijvoorbeeld door
zichzelf en het team regelmatig te bevragen over de verwachtingen die
zij hebben van kinderen. Maar daarvoor is ruimte en tijd voor de leraar
cruciaal. Daarom moeten we echt werken aan een kleinere lestaak en
kleinere klassen. D66 en ook anderen blijven daarop hameren.
Een ander belangrijk punt in onze notitie is het verbeteren van de
overgang van basisschool naar middelbare school. Steeds minder brede
brugklassen of dubbele adviezen zorgen voor een steeds hardere knip
tussen primair en voortgezet onderwijs. D66 wil brede brugklassen
stimuleren. Ik zag dat gelukkig ook terug in andere notities. Voor elk
kind moet de keuze voor een brede brugklas mogelijk zijn. Ook moeten we
een einde maken aan het strikte enkelvoudige schooladvies, een stempel
dat zo veel kansen in de weg staat. D66 gaat verder dan dubbele
schooladviezen. Geef ook de mogelijkheid voor een breed advies, voor een
brede brugklas zonder op voorhand een vmbo-, havo- of vwo-stempel. Wij
zijn ervan overtuigd dat dat voor sommige leerlingen het beste is op dat
moment. Of denk aan een aanvullend advies op vakniveau, vmbo gemengde
leerweg met een groot creatief talent bijvoorbeeld of met rekenen op
vwo-niveau, waarmee talenten veel meer worden dan dat ene stempeltje. Zo
staan er, in onze ogen uiteraard, nog veel meer goede ideeën in deze
notitie, maar ook in de andere notities. Door de korte spreektijd kan ik
daar helaas niet bij stilstaan.
Op de voorstellen over burgerschap en democratie zal ik in het AO
Burgerschap terugkomen. Ik hoor graag wat mijn PvdA-collega's en de
bewindspersonen vinden van de voorstellen die wij hebben gedaan en welke
ideeën hen het meest aanspreken en andersom. Dat probeer ik ook te doen,
maar ik heb een iets beperktere spreektijd. Mijn voornaamste oproep is
dat we dit gezamenlijke gevoel hier breed proberen vast te houden, ook
na 15 maart, en ook dan de beste zaken voor kansen voor kinderen
doen.
Dan wil ik kort nog iets zeggen over het andere agendapunt,
schoolkosten.
De voorzitter:
Mijnheer Van Meenen, twee leden willen u een vraag stellen. Eerst
mevrouw Vermue, daarna de heer Beertema.
Mevrouw Vermue (PvdA):
Ik kan er alleen maar een groot voorstander van zijn om onze voorstellen
gezamenlijk uit te werken. Ik heb de initiatiefnota van D66 goed
bestudeerd. Ik hoor de heer Van Meenen hier een warm pleidooi voor brede
brugklassen houden, terwijl in de nota de categorale school toch nog
heel duidelijk naar voren komt. Werkt het in stand houden van dit
fenomeen niet juist de kansengelijkheid verder tegen? Hoe denkt de heer
Van Meenen daarover?
De heer Van Meenen (D66):
Anders dan andere partijen zeggen wij niet dat categorale scholen niet
zouden moeten bestaan. Voor sommige kinderen is het glashelder op welk
niveau ze over de hele linie presteren. Voor hen mag er best zo'n school
zijn, maar wij zeggen dat een categorale school alleen kan bestaan in
nauwe samenwerking met een brede school. Er moeten voor kinderen op een
categorale school dus altijd kansen zijn om over te stappen, dingen
samen te doen, andere dingen te doen of vakken op een ander niveau te
volgen op een brede school, en andersom. Wij zeggen dus niet dat
categorale scholen moeten worden opgeheven, maar wel dat ze moeten
worden verbonden aan het brede onderwijs.
De heer Beertema (PVV):
Ik hoor D66 steeds vaker spreken over brede brugklassen en alle kinderen
bij elkaar, want — dat zegt de heer Van Meenen nu ook letterlijk — voor
sommige leerlingen is dat het beste. Voor een heleboel andere leerlingen
is dat natuurlijk helemaal niet het beste. Mijn concrete vraag aan D66
is: hoelang vindt D66 dat de brede brugklas idealiter zou moeten
doorlopen? Is dat een eenjarige, een tweejarige of een vierjarige
brugklas? Is de heer Van Meenen eigenlijk stiekem op weg naar de
herintroductie van de middenschool? Hij doet het allemaal in erg nauw
overleg met de PvdA, dus ben ik er wat ongerust over.
De heer Van Meenen (D66):
Dit is echt een mooie vraag, omdat hij zo goed het verschil in denken
aangeeft tussen de PVV en D66. De heer Beertema denkt namelijk vanuit
een systeem, vanuit een oplossing voor iedereen. Moet de brede brugklas
vier jaar worden? Nee, die vraag is totaal niet interessant. We moeten
alleen naar het kind kijken. Er zijn wellicht kinderen die twee, drie,
vier jaar brugperiode nodig hebben. Die moeten dat krijgen. Maar er zijn
ook kinderen van wie op hun 12de al volstrekt helder is hoe het er op
dat moment voor staat en waar ze het beste mee bediend zijn. Voor hen
hoeft er helemaal geen breed advies te zijn. Ze zouden wel mogelijkheden
moeten krijgen om later te stapelen en een maatwerkdiploma te krijgen.
Maar ik denk dus niet vanuit het systeem, vanuit de vraag hoelang de
brugklas moet duren. Nee, dat is per kind verschillend. Het systeem moet
daarop inspelen. We moeten dus niet het kind aanpassen aan het systeem,
maar het systeem aan het kind.
De heer Beertema (PVV):
Ik vind dat altijd een beetje gratuite beweringen, "het gaat niet om het
systeem". Wij zijn nota bene de Tweede Kamer. Wij zijn wetgever. Wij
maken het systeem. Het gaat hier alleen maar over het systeem.
Natuurlijk proberen we het kind en de ouders centraal te stellen, maar
ik vind het geen pas hebben om dat juist in dit voorbeeld op deze manier
te brengen. Ik begrijp er helemaal niks van. Gaat het maatwerkidee van
de heer Van Meenen zo ver dat we inderdaad kinderen gaan selecteren voor
wie een vierjarige brugperiode — dat is dus gewoon een
middenschooltraject — het beste is? Hebben we dat dan ook overal
voorradig? Zo begrijp ik het. We gaan niet denken vanuit het systeem, we
denken alleen maar vanuit het kind, vanuit maatwerk. Dat is het idee van
D66. Hoe gaat D66 deze chaos organiseren?
De heer Van Meenen (D66):
Dat valt reuze mee. Bovendien gaat het er niet om dat het
organisatorisch ingewikkeld is. Natuurlijk, sommige dingen zullen best
ingewikkelder zijn dan in de huidige situatie, waarin we een heel
aanbodgericht systeem hebben. We bieden iets aan alle kinderen aan en
als een kind niet in het aanbod past, dan zorgen we ervoor dat het kind
erin past in plaats van dat we kijken naar het kind. Als het nodig is —
dat zei ik inderdaad en dat herhaal ik — dat een kind vier jaar in een
brugperiode zit, dan zij dat maar zo. Wij zeggen tegelijkertijd namelijk
ook dat voor elk kind voor wie dat nodig is, de middelbare school zes
jaar moet kunnen duren. Dat kan. Dat kan nu niet. Wij zijn inderdaad de
wetgever. We hebben een systeem ontworpen dat heel erg gericht is op het
bieden van een aanbod aan leerlingen, even los van de vraag of dat het
beste bij hen past. Waar we naartoe moeten — daar zijn we ook de
wetgever voor — is dat we meer ruimte geven aan scholen om het in te
richten naar de behoefte van het kind, in overleg met de ouders
overigens. Zo'n wetgever kun je ook zijn: een wetgever die ruimte biedt
voor de beste kansen.
De voorzitter:
Dank u wel. U was bezig met de afronding van uw betoog. U hebt nog één
minuut. Ga uw gang.
De heer Van Meenen (D66):
Dan kort nog over het andere agendapunt, de schoolkosten. Hoge
schoolkosten door bijvoorbeeld laptops, tablets, verplichte excursies,
werkinstrumenten en materialen kunnen een onwenselijke barrière vormen
voor mensen met een smalle beurs. Wat D66 betreft hebben scholen een
morele plicht om verplichte schoolkosten zo laag mogelijk te houden.
Bovendien moet er altijd een alternatief beschikbaar zijn, bijvoorbeeld
via een goedkopere optie, een fonds of weet ik wat. De discussie of een
tablet nu wel of niet een leermiddel is, zullen we ook moeten
beslechten. Verder wil D66 de medezeggenschap een stem geven in de
bepaling van de hoogte van de schoolkosten. Mijn vraag is of de
bewindspersonen dit delen.
Ik zou uiteraard ook nog graag iets zeggen over het leenstelsel. Ik ben
blij dat we het nu kunnen gaan hebben over waar het voor bedoeld is,
namelijk voor het investeren in kansen. Ook daar geldt: kleinere
klassen, extra begeleiding, noem het allemaal maar op. Dat is waar het
voor bedoeld is en daar gaan we het nu over hebben. De toegankelijkheid
is niet het probleem van het hoger onderwijs, maar de uitval. De extra
middelen die nu vrijkomen, zijn bedoeld om die te bestrijden. Aanval op
de uitval!
De heer Rog (CDA):
Ik wil de heer Van Meenen een vraag stellen. Hij heeft ook iets
geschreven over kansenongelijkheid. In het stuk van D66 staat dat de
draagkracht van ouders het toetsresultaat kan beïnvloeden. Afgelopen
week was er een bijzondere procedure over schaduwonderwijs. De heer Van
Meenen, D66, was daar niet aanwezig.
De heer Van Meenen (D66):
Pardon, voorzitter, dat is feitelijk onjuist. D66 was daar wél
aanwezig.
De heer Rog (CDA):
D66 was daar ook, gelukkig. Ik wil de heer Van Meenen een vraag stellen
over het pleidooi van mevrouw Elffers, die daar aanwezig was. Zij gaf
aan dat juist wanneer er minder lessen gegeven worden, er een risico is
dat er meer kansenongelijkheid ontstaat. Ik stel deze vraag omdat D66 de
partij is die vooroploopt in een pleidooi om 20% minder les te gaan
geven, ook op de basisschool. Zou de heer Van Meenen daar eens op kunnen
reflecteren?
De heer Van Meenen (D66):
Merkwaardig dat de heer Rog zegt dat ik er niet was. Nee, ik was er niet
de hele tijd. Hij blijkbaar ook niet, anders had hij mij gezien.
De heer Rog (CDA):
Ik heb mij hersteld, voorzitter.
De voorzitter:
Voor de goede orde en voor de mensen die meeluisteren zal ik even
vertellen hoe het zat. De ene partij was er de ene helft en de andere
partij was er de andere helft, zodat het helder is hoe u elkaar niet
hebt kunnen treffen. Laten we hier dit punt nu even achter ons
laten.
De heer Van Meenen (D66):
Ook voor het publiek: het is niet zo dat de heer Rog en ik elkaar bewust
mijden. Integendeel. Over heel veel dingen zijn we het gelukkig
eens.
De heer Rog (CDA):
Dat kan ik beamen.
De heer Van Meenen (D66):
Maar niet over het punt waarop de heer Rog interrumpeert. Het gaat
namelijk niet over het verminderen van de lesuren van leerlingen. Het
gaat over het verminderen van de lesuren van docenten. Daar willen we
20% van af, omdat wij de overtuiging hebben — volgens mij hebben alle
docenten in Nederland die ook — dat het heel goed is, ook voor de kansen
van kinderen uiteindelijk, als docenten veel meer ruimte en tijd krijgen
om hun lessen goed voor te bereiden, om individueel te begeleiden et
cetera. De heer Rog trekt blijkbaar automatisch de conclusie uit dat
leerlingen ook minder les krijgen. Daar zouden we ook best naar kunnen
kijken, maar D66 zal heel fors investeren in het mogelijk maken van
extra docenten om die ruimte bij hun collega's te vinden.
De heer Rog (CDA):
Dit is een interessant punt, want het is van tweeën één. Of de heer Van
Meenen wil docenten en leraren 20% minder les laten geven en de lestijd
gaat met 20% achteruit. Of er ontstaat een situatie waarin leraren wel
20% minder les gaan geven maar leerlingen hetzelfde aantal lesuren
houden. Als dat laatste is wat de heer Van Meenen zegt, en dat wil ik
dan ook heel precies van hem horen, zou ik ook wel geïnteresseerd zijn
in hoeveel miljard de heer Van Meenen denkt dat dit kost. Ik heb daar
namelijk wel een beeld van. Dat zal een bedrag zijn voor po en vo van
waarschijnlijk iets meer dan 3 miljard euro. Voor de zekerheid vraag ik
de bewindslieden — ik denk dat ik bij de staatssecretaris moet zijn — om
dat bedrag ook in hun beantwoording te noemen.
De heer Van Meenen (D66):
We kunnen overal lezen wat de staatssecretaris daarvan vindt,
bijvoorbeeld in het Reformatorisch Dagblad. Hij vindt het helemaal niks
en hij vindt de heer Rog aan zijn zijde. De heer Rog weet dat we nog
volop in overleg zijn met het Centraal Planbureau over de exacte
cijfers, maar hij mag ervan uitgaan dat D66 een substantiële investering
zal doen om dit mogelijk te maken. Dat laat onverlet dat het goed zou
zijn als we ook nadenken over de vraag hoeveel les wij de kinderen in
Nederland geven en waarom dat voor kinderen over het algemeen min of
meer dezelfde hoeveelheid zou moeten zijn. Die vraag moeten we niet
onbeantwoord laten. Het bieden van gelijke kansen aan kinderen vraagt om
een ongelijke behandeling.
De voorzitter:
Dat is een mooie slotzin. Ik geef het woord aan de heer Grashoff, die
spreekt namens GroenLinks.
De heer Grashoff (GroenLinks):
Voorzitter. Allereerst complimenteer ik de collega's Mohandis en Ypma
met hun initiatiefnota. Het is een heel goede nota, waarin heel
systematisch een aantal zaken onder elkaar wordt gezet. Wij waren en
zijn al langer warme voorstander van het overgrote deel van deze
voorstellen. We kunnen op die punten gelijk optrekken. Dat geldt echter
niet voor alle onderdelen. Wij plaatsen bijvoorbeeld kritische
kanttekeningen bij het voorstel om meer universitair geschoolde mensen
werkzaam te laten zijn in het primair onderwijs, tot wel 30%. Ik vraag
de indieners waarom zij dat willen. Wat ons betreft zijn didactische en
pedagogische vaardigheden veel belangrijker dan de vraag of iemand al
dan niet een universitaire opleiding heeft gevolgd. Zo'n opleiding is
naar haar aard vaak veel theoretischer van opbouw. Dit voorstel lijkt
bijna op het paard achter de wagen spannen. Het geld wordt op deze
manier niet heel effectief besteed. Dit kost immers een behoorlijke som
geld. Dat hebben de indieners zelf ook uitgerekend.
De indieners spreken ook over de lange traditie van de sociaaldemocratie
inzake de toegankelijkheid van onderwijs. Ik denk dat dat klopt en
daarvoor zijn waardering en respect ook absoluut op zijn plek. Maar ik
vraag mij tegelijkertijd af of de sociaaldemocratie zich in de afgelopen
tien jaar tijdig en voldoende bewust is geweest van dit vraagstuk. Dit
vraagstuk is immers niet van vandaag of gisteren. In de laatste tien
jaar, waarin de PvdA deel heeft uitgemaakt van de regering, heeft zij
gedurende zevenenhalf jaar altijd bewindspersonen geleverd op onderwijs.
Maar de regering zet pas nu voorzichtige stapjes op dit vlak; ik zou
bijna zeggen haast met frisse tegenzin. Hoe kijken de initiatiefnemers
aan tegen het tempo waarin en de wijze waarop dit vraagstuk tijdig is
onderkend?
Naar de mening van onze fractie is het rendementsdenken niet best. Ik
refereer aan het steeds weer introduceren van zaken waarop het onderwijs
wordt afgerekend en aan het feit dat de kwaliteit van onderwijs mede
wordt gebaseerd op het slagingspercentage of op het onderbouwrendement,
dat intussen gelukkig wat is afgevlakt. Dat rendementsdenken heeft heel
veel processen van kansenongelijkheid in de hand gewerkt. Je zou bijna
kunnen zeggen dat rendementscriteria haaks staan op criteria van
toegankelijkheid, en uiteindelijk ook op echte kwaliteitscriteria. Zijn
de indieners dat met mij eens? Het valt mij op dat er in de brief die de
minister en de staatssecretaris hebben gestuurd, nog steeds niet
duidelijk afstand wordt genomen van het rendementsdenken in het
onderwijs. In die brief wordt met heel wollig taalgebruik aangeduid dat
het nog een keer kritisch moet worden bekeken en noem maar op, maar de
conclusie dat rendementscriteria aan de basis liggen van het probleem
van beperkte toegankelijkheid, wordt niet hard getrokken. Zijn de
indieners dat met mij eens? En zo ja, hoe kunnen we onze minister en
onze staatssecretaris een eind verder in de richting helpen, zodat
hieraan daadwerkelijk een conclusie wordt verbonden?
Of het nu gaat om scholen die al dan niet terecht risicoaversie
vertonen, die geld op de plank laten liggen uit vrees voor boetes of die
proberen om een excellente school te worden door extra criteria in te
bouwen die eigenlijk alleen maar zijn bedoeld om de wat minder
florissante leerlingen een beetje buiten de deur te houden, het zijn
hiervan allemaal uitingen. De regering trekt nu 25 miljoen extra uit
voor een aantal maatregelen. Die 25 miljoen is een heel beperkt middel,
zo zeg ik tegen de staatssecretaris en de minister. We redden het daar
absoluut niet mee.
Ik ben het wel eens met de minister en de staatssecretaris dat het, als
je beperkte middelen hebt, een verstandige keuze is om bij de 25 miljoen
sterk te focussen op doorstroommaatregelen, schakelcursussen enzovoorts.
In die zin spreek ik mijn waardering uit voor die beleidsinzet. Maar als
het gaat om de systematische maatregelen voel ik frisse tegenzin. In
2013 refereerde mijn collega Klaver al aan het doorstroomrecht. In 2015
lukte het uiteindelijk om daarover een motie aangenomen te krijgen.
Uiteindelijk wil de staatssecretaris tot actie overgaan, maar dat zal
dan pas in 2019, 2020 geregeld zijn. We zijn dan intussen wel zes jaar
verder. Precies dat stoort mij. Het lijkt erop alsof dit onderwerp niet
altijd de urgentie krijgt die het verdient. De brede brugklassen moeten
gestimuleerd worden, maar in de brief van het kabinet staat dat er geen
financiële prikkel wordt ingebouwd. Die zou nou juist wel interessant
kunnen zijn, omdat deze financiële prikkel niet op rendement gericht is,
maar echt op kwaliteit en het onderwijsaanbod dat je wilt hebben. Zijn
de indieners het met mij eens dat we de financiële prikkel wel moeten
hebben — ik lees erover in de nota — en dat we nu misschien een stip op
de horizon zouden moeten zetten? We kunnen daar dan met een uitspraak
van de Kamer iets aan doen.
Gisteravond heb ik weer een voorbeeld gehoord van een excellente school
die zegt: als je van de brugklas naar het tweede jaar overgaat, moet je
een 7 gemiddeld staan. Met dit soort flauwekul moeten we afrekenen. Deze
excellente school zou direct dat predicaat moeten verliezen. Een echte
excellente school zou pas het predicaat moeten hebben als hij zich
daadwerkelijk en bovengemiddeld inspant om kansengelijkheid te
bevorderen.
De heer Beertema (PVV):
Voorzitter. In de inleiding van de initiatiefnota lees ik een
kwaliteitsoordeel over het Nederlandse onderwijs. Dat oordeel is uiterst
positief, en dat is ontzettend terecht. Het Nederlandse onderwijs is
hartstikke goed, vooral als het gaat om het bieden van kansengelijkheid.
Er is bijna geen land in de wereld waar je als leerling van welke komaf
dan ook kunt slagen met inzet, hard werken en aanpakken. Daar moeten we
trots op zijn. Dat ontkennen, wat hier gebeurt, is bijna een belediging
van al die mensen die met hart en ziel dagelijks dat mooie werk in de
klas doen. Toch doet de PvdA dat. Tot mijn verbazing lees ik in de
inleiding: "Er zijn nog steeds kinderen die meer kansen krijgen dan
anderen." Dan vraag ik mij af waar bij de indieners het besef van de
geschiedenis is, en daarmee van de toekomst. Mensen zijn ongelijk. De
uitgangspositie van elk mens verschilt. De ene mens wordt geboren in het
welvarende Westen en de andere niet. De ene mens heeft voorbeeldige
ouders, een goed genenpakket, intelligentie, creativiteit en
doorzettingsvermogen, en de andere niet. Deze nota getuigt van een naïef
wereldbeeld. Erger nog, hij getuigt van een enorme overschatting van wat
de politiek vermag. Deze nota is als een overladen kerstboom volgehangen
met goede bedoelingen. La condition humaine, de staat van de mens, gaat
niet veranderen door een nota van Mohandis en Ypma. Er is ongelijkheid
in de wereld, er zijn verschillen, er is geluk, er is vreugde, er is
leed en er is onrecht. De politiek moet erop acteren en moet kansen
bieden aan iedereen, en dat doen we als geen ander in de wereld. Maar de
ouders — het woord "ouders" ben ik in de hele initiatiefnota niet
tegengekomen, wat ook wel kenmerkend is — en de leerlingen zelf moeten
kansen grijpen, aanpakken en streven. Als dat gaat met vallen en opstaan
— het gebeurt heel vaak met vallen en opstaan — staat ons onderwijs op
alle mogelijke manieren klaar om te helpen, te coachen en te begeleiden.
Ook daar zijn we zo goed in.
De politiek en het onderwijs moeten hun plaats kennen. Onze
mogelijkheden zijn beperkt. De politiek moet wat mij betreft afstand
nemen van die eeuwige reflex, zoals ook in deze nota te zien is, om
vanuit onze eigen superieure maatschappelijke positie van hoogopgeleiden
de wereld te beschouwen, die tot de norm der dingen te verheffen,
hijgerig op zoek te gaan naar al dan niet vermeende misstanden, die te
verheffen tot groot maatschappelijk onrecht en, uiteraard, dat aan het
eind van het verhaal te willen fixen met alweer een grote zak
belastinggeld. Dat gebeurt niet geheel toevallig zes weken voor de
verkiezingen, in campagnetijd dus. Nou, hier zitten we dan op maandag
een verkiezingsstuk van de PvdA te bespreken. Hebben Mohandis en Ypma al
hun voorstellen afgestemd met hun coalitiepartner, de VVD? Gaat de VVD
dit grand oeuvre van de PvdA steunen, dit grote, allesomvattende
voorstel om alle onrechtvaardigheid op te lossen? Is de VVD het eens met
de analyse van de PvdA dat het een schande is dat hoogopgeleide jonge
mensen hun toekomstige partners vinden in hun eigen maatschappelijke
biotoop, in hun eigen kring van eveneens hoogopgeleiden? Want zo staat
het er echt. We lezen een tranentrekkend verhaal over Thijs en Tim. De
een heeft hoogopgeleide ouders en de ander laagopgeleide. De cijfers
wijzen uit dat Tim in de woestijn van het mbo terechtkomt. Want zo wordt
het gekarakteriseerd: dat is het ergste wat je kan overkomen. Thijs gaat
uiteindelijk natuurlijk naar dat baken van licht van het categoraal
gymnasium, waar de letteren en de hoge cultuur worden gevierd. En dat is
onacceptabel. Dat woord wordt gebruikt: onacceptabel. Nou, ik heb nog in
het mbo gewerkt waarin het kon gebeuren dat leerlingen mij aan alle
kanten voorbijstreefden met hun diploma, carrière, inkomen en status.
Maar de PvdA heeft het mbo niet met rust kunnen laten.
Nu even praktisch. Het onrecht dat even talentrijke jongeren naar
verschillende onderwijsvormen doorstromen, is enorm versterkt door het
afschaffen van dat ene objectieve matchingsinstrument dat we hadden in
die onvolprezen Cito-toets.
De voorzitter:
U hebt nog één minuut.
De heer Beertema (PVV):
Mevrouw Ypma heeft samen met anderen een keihard gevecht gevoerd om die
toets te slopen, want: perfide, perverse prikkels enzovoorts. Ik was de
laatste die overeind bleef. Mijn analyse is de volgende. De PvdA schaft
de Cito-toets af, samen met de VVD. Zij veroorzaakt daarmee enorme
problemen, die vandaag in deze nota worden gekarakteriseerd als
onacceptabel. Om die zelf veroorzaakte problemen op te lossen, wordt een
waaier aan voorstellen gedaan, zoals het tegengaan van vroegselectie en
het verbeteren van de doorstroom. Maar waarom vervroegen de
initiatiefnemers niet gewoon het tijdstip van de Cito-toets? Laat die
toets samenvallen met het advies van de school en ruim op tijd
plaatsvinden voor de aanmelding op de school van keuze in het
vervolgonderwijs. Dan pas lossen zij het probleem op dat kinderen van
laagopgeleide ouders vaak worden ondergeadviseerd en kinderen van
hoogopgeleide ouders vaak worden overgeadviseerd. Laten we dat in
gezamenlijkheid doen. Daarna gaan we ook in gezamenlijkheid bekijken hoe
we al die verkeerde prikkels — want het was natuurlijk niet allemaal
even mooi — van de Cito-toets kunnen bestrijden.
Ik dien daarover zelf geen motie in. Dat heb ik al een aantal keren
gedaan, maar mijn moties worden nooit aangenomen omdat de PvdA het
gutmenschbeleid heeft om PVV-moties ongelezen in de prullenbak te
flikkeren. Ik dien geen motie in, want dat is volstrekt zinloos. Het is
jammer voor het democratische proces, maar misschien kan mevrouw Ypma
die motie zelf indienen, samen met de VVD. Ik zal haar van harte
steunen. Dan hebben we dat probleem in ieder geval opgelost en gaan we
gezamenlijk al die perverse prikkels van de Cito-toets bestrijden en de
Cito-toets weer in ere herstellen.
De voorzitter:
Ik zie dat de heer Van Meenen een vraag voor u heeft.
De heer Van Meenen (D66):
Nou …
De voorzitter:
Pardon. Ik gaf de heer Van Meenen het woord, maar ik was vergeten dat de
heer Grashoff eerder was.
De heer Grashoff (GroenLinks):
Er was vroeger een satirisch programma dat Van Kooten en De Bie heette.
Wie kent ze nog? Daar kwam een leraar Duits in voor, een mopperkont die
voortdurend liep te mopperen. Daar doet de heer Beertema mij altijd
buitengewoon aan denken. Zegt de heer Beertema nou dat hij geen motie
indient, omdat die toch kansloos zou zijn? Volgens mij kan hij ook
rekenen en weet hij dat moties zelfs zonder de PvdA een meerderheid
kunnen halen in dit parlement. Zelfs de PVV lukt dat soms. Dat gemopper
is dus ook niet terecht. Is het eigenlijk niet zo dat de heer Beertema
geen motie indient, omdat hij helemaal geen voorstel heeft? Ik heb
namelijk, behalve wat gerumoer over de Cito-toets, geen een voorstel,
geen een gedachtegang en geen een oplossingsrichting van de heer
Beertema gehoord. Zou hij daar nog even op willen ingaan?
De heer Beertema (PVV):
GroenLinks hoort nooit iets als ik iets zeg. De heer Grashoff hoort
zichzelf ook niet, met zijn voorbeeld van Van Kooten en De Bie.
Overigens moet ik hem waarschuwen: er zijn steeds minder mensen die dat
kennen; zo leuk was het allemaal niet. Ik gun hem van harte het plezier
om die leraar Duits waar hij zo vreselijk om moest lachen en aan wie ik
hem doe denken, maar die noemt hij nu ook al voor de tweede keer, dus
kennelijk luistert hij ook slecht naar zichzelf. Maar goed, dat allemaal
daar gelaten. Ik heb als middelgrote partij vijf minuten om dit pakket
door te nemen. Ik heb mij dus beperkt tot dat heel belangrijke punt van
de Cito-toets. De heer Grashoff kan dat bagatelliseren, maar alle
problemen van Tim en Thijs die in deze nota worden gesignaleerd, hadden
voorkomen kunnen worden door Tim en Thijs niet te onderwerpen aan het
subjectieve advies van de meesters en de juffen, die vanuit hun eigen
menselijkheid en sociale context adviezen geven. Ik neem ze dat ook niet
kwalijk. Maar ik heb er al vaak voor gewaarschuwd: iedere keer als de
Cito-toets eraan gaat, gebeurt dit. Er vindt dan overadvisering en
onderadvisering plaats. Daar kunnen we lang en kort over spreken, maar
dat is gewoon zo. Toch vond ook de heer Grashoff dat de Cito-toets eraan
moest gaan. Laten we gewoon praktisch blijven. Ik blijf nog een beetje
in dat systeem denken, in plaats van in de hippieachtige toestand van
D66, die stelt dat alles maar kan en mag. Laten we de Cito-toets
gezamenlijk herstellen en dan gaan we die perverse prikkels eruit halen.
Dat is te doen.
De heer Grashoff (GroenLinks):
In het onvolprezen programma Van Kooten en De Bie kwam de Tegenpartij
voor. Volgens mij heeft de heer Wilders destijds heel goed gekeken naar
dat programma, want de Tegenpartij staat ongeveer model voor de PVV. Dat
was een satirisch programma, dus misschien is dat de juiste manier van
kijken naar de PVV: de PVV is eigenlijk een soort van satire. Ik heb
weer op geen één van mijn suggesties of vragen een antwoord gekregen van
de heer Beertema. Hij gaat de uitdaging gewoon niet aan. De PVV heeft
helemaal geen ideeën.
De heer Beertema (PVV):
Ja, om nu de PVV weer af te doen als satire. Ik denk dat ik maar gewoon
even heel flauw moet terugslaan. Meneer Jesse Klaver met zijn
opgestroopte mouwen … Meneer Lubach is veel actueler. Daar moeten mensen
veel harder om lachen. Neem dat nog even mee.
De voorzitter:
We zijn toe aan de bijdrage van de heer Rog. Maar eerst nog een
interruptie van de heer van Meenen. Er is iets met de interrupties
vanochtend.
De heer Van Meenen (D66):
Voorzitter, u bent er nog niet helemaal bij. Maar dat geeft niet. We
slepen u er doorheen.
De voorzitter:
De heer Van Meenen van D66, gaat uw gang.
De heer Van Meenen (D66):
Ik heb ook een interruptie voor de heer Beertema. Iedereen krijgt een
veeg uit de pan, het deugt allemaal niet en het is allemaal fout.
Vervolgens komt hij wel met een aantal ideeën, bijvoorbeeld over de
Cito-toets en over van alles en nog wat dat mis is in de notities van
anderen. Mijn vraag is: waarom lezen we dat allemaal niet in het
verkiezingsprogramma van de PVV? Dan heeft de PVV immers iets meer tijd
dan vijf minuten om haar ideeën aan mensen duidelijk te maken.
De heer Beertema (PVV):
Wij kiezen voor heel korte verkiezingsprogramma's. Dat hebben we gedaan,
omdat verkiezingsprogramma's — dat zal de heer Van Meenen niet leuk
vinden — niet worden gelezen. Die worden niet bestudeerd. Daarom doen we
het zo kort en bondig mogelijk. Onderwijs is politiek gezien niet een
heel sexy onderwerp. Dat is een gegeven dat ik zelf niet leuk vind, de
andere onderwijswoordvoerders hier aanwezig overigens ook niet. Het gaat
in de grote politiek vaak om heel andere dingen. Als men wil weten hoe
ik in het onderwijs sta en wat mijn visie en denkbeelden zijn, dan heb
ik daar ontzettend veel over te zeggen. De heer Van Dijk is er vandaag
niet. Hij verwijt mij nog weleens dat ik niet kom. Ik heb dat nog even
nagekeken in de laatste formele berekening. Het gemiddelde aantal
debatten dat Kamerleden doen, ligt op 500 in de onderzochte periode. Ik
zat rond de 740. Wat dat betreft is er weinig om me voor te schamen. De
SP koos er echter voor om dit via de sociale media te doen. Ik was even
ziek en dat vond de SP heel vervelend.
De voorzitter:
U was bezig de vraag van de heer Van Meenen te beantwoorden. Even voor
de goede orde.
De heer Beertema (PVV):
Ik wil dit toch even kwijt. Ik heb maar vijf minuten spreektijd dus ik
kan elke interruptie, waarvoor ik de heer Van Meenen hartelijk dank,
goed gebruiken.
De voorzitter:
Dat sta ik nu niet toe. U hoeft niet de hele wereld te verkennen in een
antwoord.
De heer Beertema (PVV):
Onze visies staan in mijn bijdragen en die zijn over het algemeen luid
en duidelijk bekend.
De heer Van Meenen (D66):
Op zich is dit een heel aardig inkijkje in de manier waarop het
verkiezingsprogramma van de PVV tot stand komt. Ze bekijken gewoon wat
sexy onderwerpen zijn en daar vinden ze wat van. Onderwijs is dat in
ieder geval niet, behalve dan het sluiten van islamitische scholen, want
dat haalt dan nog net wel het verkiezingsprogramma. Ik wil graag een
vraag stellen aan de heer Beertema over zijn ideeën. Als het over
gelijke kansen gaat, heeft hij het alleen maar over de Cito-toets. Dat
is niet van vandaag, dat is van alle tijden; het gaat nergens anders
over. Mijn concrete vraag aan de heer Beertema is de volgende. Vindt hij
dat pas op dat moment gelijke kansen voor kinderen in het geding zijn of
ook al voor het 12de levensjaar?
De heer Beertema (PVV):
Ik vind dit een heel vreemde vraag. Het gaat erom dat alle kinderen
recht hebben op zo goed mogelijk onderwijs, wat hun etnische of sociale
afkomst ook is en uit welke inkomensgroep ze ook komen. Elke
onderwijzer, elke leraar moet stinkend zijn best doen om alle talenten
uit kinderen te halen. De leraren zijn de kern. Zij zouden hun eigen
autonomie veel beter moeten kunnen aanspreken. Zij zouden al die
systeemmanagers — want daar hebben we het over — eindelijk eens van hun
nek moeten kunnen schudden. Dat zou het beroep ook aantrekkelijker
maken. Dan krijg je weer echte kanjers voor de klas die onze missives en
wetgeving helemaal niet nodig hebben om echt goed onderwijs te leveren.
Dat kan heel goed, maar hier moest met het competentiegestuurde
onderwijs zo nodig het mbo gesloopt worden, ook met hulp van D66. Dat
was een van mijn grote punten. Dat moest weg en dat is voor een groot
gedeelte gebeurd; nog lang niet genoeg. Daar zit de kwaliteit. De
kwaliteit zit hem in de leraren.
De voorzitter:
De vraag was of het gaat over een leeftijd jonger dan twaalf jaar. Daar
hebt u een antwoord op gegeven.
De heer Beertema (PVV):
Ja, natuurlijk. Dit is een rare vraag, want natuurlijk is dat zo.
De voorzitter:
Dat hoort u mij niet zeggen, maar ik heb u wel een antwoord horen
geven.
De heer Beertema (PVV):
Ja, natuurlijk.
De heer Van Meenen (D66):
Als het mag, reageer ik even op "dit is een rare vraag". Het is helemaal
geen rare vraag, omdat ik de heer Beertema er nooit over hoor.
De voorzitter:
Nee, dit mag niet, mijnheer Van Meenen. Ik wil namelijk graag het woord
geven aan de heer Rog. Hij zal namens het CDA een inbreng van vijf
minuten leveren.
De heer Rog (CDA):
Voorzitter. Ik meen dat de indieners altijd een compliment verdienen
voor het schrijven van hun nota. Dit keer gaat de nota over gelijke
kansen voor alle kinderen. Bij dezen complimenteer ik hen. Ik moet
zeggen dat de nota soms wat aan de zwartgallige kant is over het stelsel
waarin we zitten. En op een aantal vlakken begrijp ik de nota ook niet
helemaal.
De indieners hebben het over Tim, die op basis van zijn cijfers mogelijk
na zijn mbo naar het hoger onderwijs zou kunnen gaan maar dat niet doet.
Dat roept direct de vraag op of dat in het geval van Tim niet verband
zou kunnen houden met het leenstelsel. Zou het ook niet verband kunnen
houden met de propaganda van de PvdA-minister? Zij zegt dat het helemaal
niet erg is als mbo'ers niet doorstuderen, omdat ze met een mbo-diploma
ook een baan kunnen krijgen. Dit zijn vragen aan de indieners.
De indieners kiezen er ook voor om zeer nadrukkelijk PvdA-kandidaat Eric
van 't Zelfde met zijn superschool aan te halen. Dat verbaast mij een
tikkeltje, want de indieners kiezen voor tal van maatregelen die de
belemmeringen die er in hun ogen zijn, zouden moeten wegnemen. Maar
juist deze belemmeringen kwamen pregnant naar voren op de superschool.
Graag vraag ik de indieners om te reflecteren op het feit dat er op die
school van PvdA-kandidaat Eric van 't Zelfde uitsluitend homogene
brugklassen waren. Kunnen de indieners eens reflecteren op het feit dat
op die superschool van Eric van 't Zelfde juist de Cito-toets
doorslaggevend was? Kunnen zij er ook op reflecteren dat op de
superschool van PvdA-kandidaat Eric van 't Zelfde bij de doorstroom van
vmbo naar havo, waarvoor de indieners een absoluut toelatingsrecht
willen hebben, de code van de VO-raad om gemiddeld een 6,8 te staan,
niet werd nageleefd? Daar werd zelfs een hoger cijfer verwacht, namelijk
een 7. Daar waren dus totaal geen gelijke kansen. Ik was er eerlijk
gezegd een tikkeltje verbaasd over dat hij zo'n pregnante plek kreeg in
deze initiatiefnota.
De heer Beertema (PVV):
Ik wil de heer Rog vragen of hij ervan op de hoogte is dat die
superschool een superschool is geworden, omdat enkele leerlingen die
deel uitmaakten van gangs — het tuig dat daar rondliep — met harde hand
van die school verwijderd zijn. Dat zijn leerplichtige leerlingen. De
heer Van 't Zelfde zadelde zijn collega-scholen in de omgeving met een
enorm probleem op, want die leerlingen moesten natuurlijk wel ergens
onderdak krijgen. Maar daar had de PvdA-kandidaat Van 't Zelfde geen
boodschap aan.
De heer Rog (CDA):
Ik weet het. Ik spreek veel schoolbestuurders, leraren en schoolleiders
in diverse steden en ook in Rotterdam. Ik weet dat de school die daar
vlakbij zit, daar bijvoorbeeld ernstig last van heeft gehad. Die school
heeft de kastanjes uit het vuur moeten halen. Deze zogenaamde
superschool van PvdA-kandidaat Eric van 't Zelfde heeft uiteindelijk
deze moeilijke leerlingen geen kansen gegeven.
De voorzitter:
Ik ga nu toch even een opmerking maken. We hebben de goede gewoonte in
dit huis dat als je het concreet over mensen hebt, die zich ook moeten
kunnen verdedigen. Dat kan in dit geval niet. Ik snap wel dat u het hebt
over zijn beleid, want dat zal wel uw antwoord zijn, maar zullen we
afspreken dat we nu stoppen met het praten over personen? U hebt uw punt
gemaakt, maar ik heb dat al heel vaak gemaakt horen worden. Zij kunnen
zich hier niet verdedigen, u hebt uw punt gemaakt, volgens mij is het nu
klaar.
De heer Rog (CDA):
Ik zal dat doen, want ik was daar ook klaar mee, maar ik maak hier een
pregnant punt van, omdat deze persoon wordt aangevoerd in de
initiatiefnota.
De voorzitter:
Om die reden heb ik u dit punt laten maken, maar nu is het klaar.
De heer Rog (CDA):
Prima.
Voorzitter. Ik wilde het toch nog even hebben over dat doorstroomrecht,
dat absoluut moet zijn in de gedachten van de Partij van de Arbeid. Ik
vraag de indieners om te reageren op de kritiek die de VO-raad hierop
heeft gegeven. Natuurlijk, we willen allemaal zo veel mogelijk kansen
geven, maar de VO-raad geeft aan dat we leerlingen kansen ontnemen,
doordat ze zullen kiezen voor een niveau dat zij uiteindelijk niet
aankunnen. Ik maak me daar zorgen over, dus ik hoor hierop graag een
reactie van de indieners.
Het maatwerkdiploma is ook weer zoiets. Beseffen de indieners dat een
absoluut recht om vakken te kunnen kiezen, naar beneden en naar boven,
het risico met zich brengt dat de school minder efficiënt georganiseerd
kan worden, dat dit heel veel geld kost en ook werkdruk zal opleveren
voor leraren? Het civiele effect van een diploma komt daarmee mogelijk
onder druk te staan.
Mevrouw Vermue (PvdA):
De heer Rog noemt enkele voorbeelden. We zitten in een notaoverleg over
gelijke kansen voor scholieren, leerlingen en studenten, maar hij noemt
allerlei voorbeelden die volledig aansluiten bij het systeemdenken van
scholen: gelijke kansen voor scholen en voor de organisatie. Wil de heer
Rog daarop reflecteren? Hoe vindt hij, als het gaat om doorstromen naar
een hoger of lager niveau, dat leerlingen gelijke kansen moeten krijgen
in plaats van de kans op uitval zo laag mogelijk te houden en mee te
gaan met de voorwaarden die scholen stellen?
De heer Rog (CDA):
Het is goed dat mevrouw Vermue die vraag stelt, want dat geeft mij de
gelegenheid om nog een keer te stipuleren dat ik mijn opmerking maak uit
zorg voor die leerlingen. Het is voor mij een zorg als leerlingen straks
een diploma hebben en niet naar het vervolgonderwijs van hun keuze
blijken te kunnen, of als dat niveau als onvoldoende wordt beschouwd
door het beroepenveld. Dat zijn zorgen die ik heb voor leerlingen. We
zien dit in het mbo gebeuren, en straks gaat ook gebeuren bij de
overgang van vmbo naar havo dat leerlingen die opleiding en masse niet
zullen halen. Dat vind ik erg. Daarmee denk ik dat we de kansen niet
vergroten. Optisch lijkt het zo dat je ineens de kans hebt om havist te
worden, terwijl je het niet aankunt, maar uiteindelijk hebben die
leerlingen wel een probleem.
De voorzitter:
Mevrouw Vermue, tot slot.
Mevrouw Vermue (PvdA):
De heer Rog vindt het blijkbaar belangrijker om op voorhand een drempel
op te werpen in plaats van leerlingen de kans te geven. Wat is zijn
voorstel om ervoor te zorgen dat leerlingen daadwerkelijk die kans
krijgen? Dat hoor ik nog steeds niet in zijn antwoord.
De heer Rog (CDA):
Ik vind het buitengewoon cynisch om het weg te zetten alsof je geen oog
hebt voor de leerlingen als je je er zorgen over maakt dat leerlingen
het niet halen. Er was een school in Rotterdam waar men niet voor niets
een 7 als gemiddeld vmbo-eindexamencijfer eiste. Dat is zelfs nog hoger
dan wat de sector met zorg en aandacht voor leerlingen overeen was
gekomen. Mijn wedervraag aan mevrouw Vermue is: denkt u dat dit helemaal
voor niks is geweest? Overigens, mijn antwoord op het maatwerkdiploma is
dat het mij fantastisch lijkt dat leerlingen een vak op een hoger niveau
kunnen volgen en op dat niveau worden uitgedaagd indien de
schoolorganisatie dat mogelijk maakt. Ik hecht echter ook aan het
civiele effect van een diploma.
De voorzitter:
Mijnheer Rog, u hervat uw betoog.
De heer Rog (CDA):
Ja. Ik ga verder met het onderbouwrendement. Wat de Partij van de Arbeid
op dit vlak voorstelt, klinkt mij ook heel sympathiek in de oren. Zij
wil namelijk dat rendement niet meer mag meetellen.
De voorzitter:
U hebt nog één minuut.
De heer Rog (CDA):
De Kamer heeft over het onderbouwrendement echter afgesproken dat iemand
die na een mavo-havoadvies op de mavo terechtkomt, geen minnetje krijgt.
Het CDA was een van de partijen die dit ondersteunden. Nu is het zo dat
iemand die daarna op de havo terechtkomt, wel een plusje krijgt. Ik
hecht eraan om de indieners voor te houden dat juist risicomijding kan
ontstaan wanneer dat plusje er straks niet meer is. Dan laten scholen
iemand misschien wel voor de zekerheid naar de mavo gaan. En dan krijg
je precies wat de Partij van de Arbeid niet wil. Dat zou zij zich moeten
realiseren.
Ik maak nog een paar opmerkingen. Er zijn veel zorgen over voortijdige
schooluitval. Gelet op de tijd zal ik nu niet ingaan op het leenstelsel.
Ik ben het eens met het punt van de schoolkosten in het mbo. Ik wil daar
ook echt iets aan doen. Ik denk dat het heel zorglijk is dat mbo'ers die
dezelfde leeftijd hebben als vo-scholieren, veel hogere schoolkosten
hebben. Deze vraag stel ik net als mevrouw Vermue aan de minister.
De voorzitter:
Mijnheer Rog, rondt u af?
De heer Rog (CDA):
Ja. Ik zou nog zo ontzettend veel willen zeggen. Het is inderdaad jammer
dat dat bij dit overleg niet kan.
Misschien dan een laatste punt.
De voorzitter:
U moet echt afronden.
De heer Rog (CDA):
Daarom zeg ik "mijn laatste punt". Ik heb nog een korte vraag aan de
minister. Ik miste in haar brief een reactie op de teachnasia die wij
hebben, juist gelet op de mogelijkheid om jongens en misschien ook
allochtone scholieren te verleiden om naar de pabo te gaan.
De voorzitter:
Mijnheer Rog.
De heer Rog (CDA):
In het kader van dit overleg leek mij dat een goed punt.
De voorzitter:
De heer Grashoff heeft nog een vraag.
De heer Grashoff (GroenLinks):
Ik ben een klein beetje in vertwijfeling over de bijdrage van de heer
Rog. Het zou kunnen zijn dat het komt doordat hij niet is toegekomen aan
al die stukken, maar er is een rapport van de onderwijsinspectie. Ik
vond dat eerlijk gezegd nogal ruig. Daarin wordt echt aangetoond dat het
niet de goede kant op gaat — en niet een beetje, maar echt serieus — met
de kansengelijkheid in het onderwijs. De heer Rog bekritiseert een
aantal maatregelen. Het is natuurlijk goed om kritisch te blijven kijken
naar voorgestelde maatregelen, maar vindt de heer Rog dit nou een
serieus probleem? En als hij dat vindt, wat zou hij daar dan aan willen
doen? Want het leenstelsel blijven bashen helpt niet. Daarvan is immers
vastgesteld dat het niet of nauwelijks bijdraagt aan kansenongelijkheid.
Het komt nu in de hele onderwijskolom voor. Sommige de kritiekpunten van
de heer Rog snap ik wel, deels, maar ik ben het niet met alle punten
eens. Ik ben toch wel heel benieuwd te vernemen wat de heer Rog daar wél
aan wil doen.
De heer Rog (CDA):
Ik heb primair gereageerd op de inbreng van de sociaaldemocraten. Dat
was meen ik ook het hoofdpunt van deze agenda. Eerlijk gezegd, heb ik
het leenstelsel onbesproken gelaten omwille van de tijd, maar het is
goed dat de heer Grashoff mij de kans geeft om te laten zien dat de
instroom in het hbo dit jaar weliswaar niet 9%, maar nog altijd 4%
minder was. Dat is echt een punt van zorg; dat zou het ook voor de heer
Grashoff moeten zijn. Gelukkig is het dat wel voor de
jongerenorganisatie van GroenLinks. Ik zie bijvoorbeeld wel degelijk een
oplossing door verbrede en verlengde brugklassen. Over die laatste zie
ik in de stukken wat minder terug. Ik zie dat bijvoorbeeld echt als een
kans naast de categorale scholen. Ik hecht er zeer aan dat wij
categorale gymnasia en categorale vmbo-scholen houden, maar daarnaast
zou ik graag, net zoals de Grashoff overigens, zoeken naar een verbrede
én verlengde brugklas, om maar eens een punt te noemen.
De heer Grashoff (GroenLinks):
Met die laatste opmerking ben ik blij, maar de heer Rog probeerde toch
ook weer om even naar het leenstelsel te verwijzen. De cijfers die hij
noemt, kloppen niet — dat weet hij zelf ook — maar het is wel handig om
ze zo te presenteren. Een van de dingen die nog een serieus probleem
zijn, is de doorstroom van mbo naar hbo. Die is nog steeds onvoldoende.
Hoe bevorder je nu die doorstroom? Ik heb gehoord dat de heer Rog hier
kritisch over is. We weten dat mbo'ers in het hbo een kleinere kans
hebben op succes. Niemand is daar blij mee, maar iemand een kans bieden
betekent ook hem de kans bieden om te falen. Dat is geen doel, maar wel
een logische consequentie. Als je 100% blijft sturen op uitvalbeperking,
sta je de toegankelijkheid in de weg. Dat is voor een deel ook gebeurd
met de instroomeisen die op allerlei punten voor het hbo tevoorschijn
zijn gekomen. Kan de heer Rog hierop reflecteren?
De heer Rog (CDA):
Zeker. Als de heer Grashoff deze problematiek op zo'n genuanceerde wijze
te berde brengt, kan ik dat gesprek met hem aangaan, maar tot nu toe heb
ik de heer Grashoff in de debatten heel anders gehoord over de concrete
maatregelen die hij voorstelt. Die betreffen steeds een absoluut
toelatingsrecht, een absoluut doorstroomrecht. Daar denk ik anders over,
uit zorg voor deze leerlingen. Ik ben er echt bang voor dat de
voortijdige schooluitval als gevolg van het toelatingsrecht in het mbo
zal toenemen. Dat vind ik erg voor die jongeren. Ik pleit juist voor
schakeltrajecten, bijvoorbeeld tussen vmbo en mbo. De minister heeft
daar in haar brief ook aan gerefereerd. Dat gaat nu gebeuren en daar ben
ik blij mee. Ik heb dat ook benoemd in het traject van mbo naar hbo en
van hbo bachelor naar wo. Ik hecht daar zeer aan. Ik vind dat we de
verantwoordelijkheid hebben om mensen een kans te geven. Ik denk dus dat
we helemaal niet zo veel verschillen in wat we beogen, maar ik zit er
echt iets genuanceerder in, uit zorg voor deze scholieren en studenten.
Anders dan de heer Grashoff, die denkt aan een absoluut doorstroomrecht,
denk ik meer aan stimuleren en schakeltrajecten.
De heer Duisenberg (VVD):
Voorzitter. Ik begin met een heel positief bericht. De Hyperlooprace,
georganiseerd door Tesla in Californië, is gewonnen door onze TU Delft.
Over kansen pakken gesproken. Een ander positief bericht betreft het
OESO-rapport. Volgens de OESO staan we er internationaal namelijk goed
op wat betreft excellentie en gelijke kansen. Toch moeten we de
zorgelijke signalen van de onderwijsinspectie en de OESO serieus nemen.
Daarom is de VVD mede-indiener geweest van de motie-Nijboer/Harbers
(21501-07, nr. 1356) over gelijke onderwijskansen. De uitvoering van
deze motie betekent dat we de oorzaken moeten adresseren en niet dat we
de verwachtingen van leerlingen en studenten naar beneden moeten
bijstellen, opdat ze maar mee kunnen komen. Diezelfde OESO signaleert
namelijk ook een ander groot probleem: de zeer lage motivatie van
Nederlandse leerlingen. Deze punten zijn wat mij betreft verbonden met
elkaar. Het gaat de VVD om de kans voor eenieder om het niet net als de
rest gemiddeld goed te doen, maar om het maximaal goed te doen. Dit
vraagt om onderwijs waarin de ontwikkeling van de ene leerling niet ten
koste gaat van die van de andere leerling. Uitdagend onderwijs voor
eenieder is dezelfde munt met twee zijden: een hogere motivatie en meer
maximale onderwijskansen voor eenieder.
Ik dank de PvdA voor haar initiatiefnota en het kabinet voor zijn
reactie, waarin het de punten van de PvdA deels heeft meegenomen. Ik
structuur mijn vragen langs de drie actielijnen uit de kabinetsnota,
maar ik doe dat in een andere volgorde, want ik heb een beetje een
persoonlijke voorkeur. Ik begin met de actielijn "sterke netwerken".
Mijn stelling is dat scholen niet alles kunnen oplossen. Ik hoor in alle
discussies en lees in alle nota's niets over de wellicht
allerbelangrijkste factor: de ouders. In het SCP-rapport Samen scholen
staat dat de steun voor samenwerking tussen leerkrachten en
laagopgeleide ouders minder is. Er zijn echter ook ouders die zich op
niet mis te verstane wijze bemoeien met allerlei zaken, tot in het
klaslokaal. Leerkrachten moeten zich gesteund voelen. Je helpt al door
je kind naar zijn huiswerk te vragen wanneer hij thuiskomt. Ook help je
door voor te lezen. Een op de vier ouders van kinderen in de leeftijd
van 6 tot 8 jaar leest de kinderen slechts een enkele keer of nooit
voor. De opmerkingen van het kabinet en de Partij van de Arbeid in hun
nota's zijn te vrijblijvend. Als ouders niet meehelpen, is alle actie
die wordt voorgesteld, water naar de zee dragen. Ik vraag de
staatssecretaris of scholen voldoende mandaat hebben om voorwaarden te
stellen aan ouders als die voor een school kiezen.
Ik bied de staatssecretaris en de Partij van de Arbeid graag een poster
aan van Expeditie Basisschool in Den Bosch. Ik rol nu een van de posters
uit om hem aan de commissie en de minister te tonen. In Den Bosch maken
leraar, leerling en ouder als team het plan voor de leerling. Ieders rol
daarin wordt bepaald. Wil het kabinet overwegen om, naast alle
maatregelen die nu worden voorgesteld, een voorlichtingsoffensief te
starten voor ouderbetrokkenheid?
De voorzitter:
Ik neem aan dat er geen bezwaar tegen bestaat dat dit stuk ter inzage
wordt gelegd bij het Centraal Informatiepunt van de Kamer.
(Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt van de Tweede Kamer
der Staten-Generaal.)
De heer Duisenberg (VVD):
De tweede actielijn is "stimulerend onderwijs", want motivatie overwint
iedere barrière. Een voorbeeld is het initiatief Mijn school van een roc
in Doetinchem. Twee leerlingen die ik ontmoette, vertelden dat zij bij
verschillende scholen drop-outs waren geweest en een verleden hadden van
uitval, drugs et cetera. Deze studentes zeiden dat deze school de eerste
school was waarop ze werden aangesproken op wie ze zijn en wat ze
kunnen. Een tweede voorbeeld is het 80/20-onderwijs, waarin kinderen
worden aangesproken op hun persoonlijke verantwoordelijkheid en
ondernemende houding. Een derde voorbeeld is de leergang Academisch
Nederlands aan het Odulphuslyceum in Tilburg. In dat vak wordt aandacht
besteed aan zowel lees-, schrijf- en spreekvaardigheid als aan
persoonsvorming, bildung en socialisatie. Deze voorbeelden hebben alles
te maken met de dubbele probleemstelling van de OESO: ongelijke kansen
en een lage motivatie. Persoonlijke ontwikkeling is een, zo niet dé
bepalende factor voor later onderwijssucces en voor succes in de
samenleving, zo staat in het CPB-rapport van onder anderen Lex Borghans.
Dit soort onderwijsinitiatieven is dus cruciaal.
Persoonlijke ontwikkeling is juist belangrijk voor degenen die dat
minder van huis uit meekrijgen. Daarom zijn de leraren zo belangrijk.
Daarom is Onderwijs 2032 zo belangrijk. Daarom zijn gepersonaliseerde
programma's en talentprogramma's zo belangrijk. Daarom is het zo
belangrijk om niet met oplossingen te komen waardoor de lat zo laag
wordt gelegd dat je erover struikelt, of met oplossingen waarbij de
kansen voor de een ten koste gaan van kansen voor de ander. Het gaat om
maximale kansen voor iedere leerling. Tweedeling als term miskent de
complexiteit van de uitdaging. Het gaat namelijk om 17 miljoen
kansen.
De derde actielijn betreft de soepele overgangen. Dat is de eerste
actielijn uit de kabinetsnota. Met betrekking tot de eindtoets en het
schooladvies in het po merk ik op dat in de nieuwe Wet eindtoetsing po
het professionele oordeel van de basisschool centraal staat. De
verplichte eindtoets vervult de rol van second opinion. Dit werkt nog
niet goed, dus moeten we bekijken wat beter kan. De uitdaging wordt om
tot een evenwichtig advies te komen in het belang van maximale kansen
voor ieder kind, waarin wordt gebruikgemaakt van zowel de jarenlange
ervaringen van de docent …
De voorzitter:
U hebt nog één minuut.
De heer Duisenberg (VVD):
... als de objectieve centrale eindtoets en waarbij het gesprek tussen
docent, kind en ouders op die manier wordt gevoerd. Aan de PvdA vraag ik
of zij het met mij eens is dat door de verschillende tijdstippen van
schooladvies en eindtoets de kansenongelijkheid eigenlijk juist wordt
vergroot.
De VVD wil niet dat een ongeclausuleerde doorstroom van vmbo naar havo
leidt tot teleurstellingen bij de leerling of ten nadele is van andere
leerlingen. De extra voorwaarde van het zevende vak, zoals voorgesteld
door de staatssecretaris, vinden wij interessant. Een definitief oordeel
vellen wij pas na consultatie van professionals in het veld. Tot slot
hebben we de positieve rapportage ontvangen over de instroomcijfers in
het hoger onderwijs. Dat gaat hartstikke goed. Maar de studiekeuzecheck
en de studiebijsluiter, zo blijkt uit de actie van LAKS en ISO van
vanochtend, zijn nog steeds erg moeilijk te vinden. Ik wil de minister
vragen welke acties zij onderneemt om die studiebijsluiter niet alleen
kwalitatief goed te maken, maar ook om ervoor te zorgen dat deze direct
en prominent vindbaar is in alle glossy folders en websites van de
opleidingen.
De vergadering wordt van 11.12 uur tot 11.25 uur geschorst.
De voorzitter:
We zijn bezig met een notaoverleg. We hebben de eerste termijn van de
Kamer achter de rug, ware het niet dat de heer Van Dijk, die verlaat
was, er nu gelukkig wel is. Ik geef hem de gelegenheid om nu nog zijn
inbreng te leveren, voordat de initiatiefnemers en de bewindspersonen
reageren.
De heer Jasper van Dijk (SP):
Voorzitter. Ik kan u alleen maar hartelijk danken dat ik die
mogelijkheid krijg. Excuses voor mijn vertraging door toedoen van een
zekere spoorwegmaatschappij. Ik ga snel aan de slag.
We bespreken vandaag maar liefst drie nota's over gelijke kansen in het
onderwijs: die van de PvdA, die van D66 en die van de SP. Ongelijkheid
in het onderwijs staat op de agenda en daar is ook reden toe. Ik noem
zomaar twee berichten van afgelopen weekend. De NOS opende een bericht
met "Laptop vergroot de ongelijkheid in het onderwijs". Dit bericht ging
over de hoge ouderbijdrage voor scholen. In Trouw lazen wij zaterdag de
opening: "Tweedeling in het onderwijs toegenomen". Dat ging over het
feit dat kinderen uit arme gezinnen structureel lagere schooladviezen
krijgen, ook al hebben zij dezelfde talenten als kinderen uit rijke
gezinnen. Ik dacht dat het iets was van 100 jaar geleden dat je afkomst
bepaalt wat je toekomst is. Maar wij zijn weer helemaal terug bij dat
principe en dat is heel spijtig. Vorig jaar april kwam de inspectie al
met het nieuws dat de ongelijkheid in het onderwijs toeneemt. Leerlingen
van rijke ouders hebben meer kansen in het onderwijs dan leerlingen uit
arme gezinnen. Dat verschil is de afgelopen jaren zelfs gegroeid. De
staatssecretaris noemt de trend onwenselijk, maar hij grijpt niet in.
Waarom verplicht hij scholen niet om het advies aan te passen als de
Cito-score hoger uitvalt?
Het wordt tijd voor scherpe keuzes, vandaar onze nota Onderwijs als
emancipatiemotor, die vandaag ook op de agenda staat. Ik zie veel
overeenkomsten met de nota van de Partij van de Arbeid, waarop mevrouw
Ypma en de heer Mohandis straks zullen reageren. Ik zie ook
overeenkomsten met D66. Kortom: volop kansen! Ik noem de voorstellen die
voor de SP heel belangrijk zijn.
1. Aan de slag met kleine klassen. Alleen dan krijgen leerlingen de
aandacht die zij verdienen. Ook de hoge werkdruk voor leraren zal
afnemen. Kortom: steun dat wetsvoorstel van SP en D66.
2. Pak de segregatie aan en moderniseer artikel 23 van de Grondwet. Maak
werk van gemengde scholen en voer een acceptatieplicht in. Het weigeren
van leerlingen op grond van religie kan echt niet meer. Bovendien zijn
scholen geen eilandjes. Ook die luiken moeten open.
3. Pak de hoge schoolkosten aan en maximeer de zogenaamd vrijwillige
ouderbijdrage. Dit weekend berichtte de NOS over een steekproef waaruit
blijkt dat bij 65 scholen veel ouders onder druk worden gezet om zaken
aan te schaffen die nodig zijn voor de opleiding, bijvoorbeeld een
laptop. Er zijn scholen die zeggen: als je niet betaalt, zoek je maar
een andere school. Dat is onacceptabel. De ouderbijdrage is uitsluitend
bedoeld voor extraatjes en niet voor zaken die nodig zijn voor de
opleiding. Ook in het mbo worden studenten geconfronteerd met hoge
schoolkosten. Gemiddeld betalen studenten meer dan €400 per jaar voor
zaken die feitelijk door de school moeten worden geleverd. Vandaar mijn
voorstel om de ouderbijdrage en de schoolkosten aan te pakken. Ik wijs
ook op ons meldpunt schoolkosten. Als mensen geconfronteerd worden met
onredelijke kosten, kunnen ze dat mailen naar schoolkosten@sp.nl.
4. Brede brugklassen geven leerlingen kansen om door te stromen. Daarom
willen wij investeren in kleine klassen in de onderbouw van het
voortgezet onderwijs. Ook de Partij van de Arbeid, D66 en GroenLinks
zijn hier voorstander van. Waarom dan zo afwachtend?
5. Het stapelen van diploma's van vmbo naar havo naar vwo, en van mbo
naar hbo, wordt door de meeste partijen als wenselijk gezien. Laten we
dan onmiddellijk stoppen met alle prikkels die dat ontmoedigen,
bijvoorbeeld de financiering in het mbo. Daar is sinds 2014 het
zogenaamde cascademodel in werking getreden, waarbij de bekostiging voor
een student in het eerste jaar hoog is en daarna geleidelijk afneemt.
Dat is wat ons betreft zeer onwenselijk.
6. Zorg voor gelijke kansen, ongeacht afkomst. Als een leerling in groep
acht een hogere score op de eindtoets haalt dan het schooladvies, dan
moet dat hogere advies gelden.
Ik zie veel kansen in de nota's van PvdA en D66. Laten we snel aan de
slag gaan!
De voorzitter:
Daarmee zijn wij echt toe … Pardon, ik zie dat de heer Beertema nog een
interruptie wil plaatsen.
De heer Beertema (PVV):
Ik heb een verduidelijkende vraag. Ik hoor van alle linkse partijen dat
er, als het schooladvies hoger uitvalt, een verplichting moet komen dat
dat wordt nagevolgd. Maar stel dat het lager uitvalt. Heeft het dan geen
consequenties? Blijft het advies dan zoals het is?
De heer Jasper van Dijk (SP):
Ik wijs de heer Beertema op de kop in Trouw van afgelopen zaterdag:
"Tweedeling in het onderwijs toegenomen". Ik raad hem zeer aan om dat
stuk te lezen. Er staat in dat het verschil in advies tussen de kansarme
groepen en de kansrijke groepen een heel schoolniveau behelst. Slechts
bij één op de vijf kinderen wordt de hogere Cito-score daadwerkelijk
overgenomen. Dat moeten wij natuurlijk niet hebben. Meestal werkt dat
het beste bij ouders die de zaken het best onder woorden kunnen brengen.
Wij moeten nu onze kans grijpen om alle kinderen die een hoger niveau
verdienen, dat ook te geven.
De heer Beertema (PVV):
Ik vergeef het de heer Van Dijk dat hij er vanmorgen niet bij kon zijn,
maar hier hebben wij het uitvoerig over gehad. Ik heb voorgesteld om de
Cito-toets weer in ere te herstellen. Dat is het enige objectieve
matchinginstrument dat er is. Dan zijn we van al die problemen af. Wat
is daar nou toch zo moeilijk aan?
De heer Jasper van Dijk (SP):
Ik heb de zoals altijd gepassioneerde bijdrage van de heer Beertema
gehoord dankzij de buitengewoon handige Debat Direct-app. Wij weten
allemaal dat de heer Beertema zeer hecht aan de toetsen. De SP staat
daar anders in. Lees onze nota Onderwijs als emancipatiemotor. Wij
willen echt dat dat schooladvies een belangrijke rol behoudt, maar als
een kind een hogere eindscore haalt, dan moet het de gelegenheid krijgen
om ook naar een hoger niveau te gaan.
De voorzitter:
Een afsluitende opmerking van de heer Beertema.
De heer Beertema (PVV):
De PVV hecht niet zozeer aan toetsen en testen, als wel aan
objectiviteit. En die objectiviteit is niet gewaarborgd. Ook daarover
spreekt dat artikel in Trouw heel duidelijke taal. Het gaat om die
objectiviteit. Wij moeten het niet overlaten aan meesters en juffen die
vanuit hun eigen sociale achtergrond adviezen geven. Wij moeten gewoon
objectief meten en dat kan. Nogmaals, als er perverse prikkels in
zitten, dan zijn wij toch met z'n allen slim genoeg om ze eruit te
halen? Dan hebben we in ieder geval een mooi eindniveau. Het gaat om die
eindniveaus. Het po heeft geen …
De voorzitter:
Mijnheer Beertema.
De heer Beertema (PVV):
Het po heeft geen eindniveau.
De voorzitter:
U zou een afsluitende opmerking maken.
De heer Beertema (PVV):
Afsluitend. In de visie van de PVV hebben we veel problemen getackeld
wanneer het civiele effect van al die eindstadia, van al die vormen van
onderwijs, in orde is.
De heer Duisenberg (VVD):
Ik heb een vraag aan de heer Van Dijk van de SP over de lagere
toetsuitslag en het niet aanpassen van het advies. Weet hij wat de
voornaamste reden is dat dat advies niet wordt aangepast? Je zou toch
zeggen dat docenten er goed over nadenken?
De heer Jasper van Dijk (SP):
Ik citeer Trouw. "De meeste scholen voor voortgezet onderwijs plaatsen
de kinderen volgens het advies van de basisschool." Dat is dus het
schooladvies. "Officieel kunnen kinderen nog met de eindtoets in mei
revanche nemen op het schooladvies, maar dat is meer theorie dan
werkelijkheid. Maar één op de vijf kinderen met een hogere score krijgt
alsnog een hoger advies, en daarna is het maar de vraag of de middelbare
school van hun keuze het niveau óók aanpast - klassen zijn dan vaak al
gemaakt." Het heeft dus erg te maken met het moment waarop beide
adviezen tot stand komen.
De heer Duisenberg (VVD):
Mijn vraag was wat de reden is dat het hogere advies niet wordt gegeven.
Ik hoor rechts van mij zeggen dat het qua timing naar voren moet worden
gehaald. Daar is de VVD het mee eens. Maar ik vroeg naar de réden om het
niet te doen. Dus nogmaals: wat is de voornaamste reden die gegeven
wordt om het advies niet omhoog te laten gaan?
De heer Jasper van Dijk (SP):
Dat zou de heer Duisenberg vooral zelf moeten aangeven. Er kunnen
allerlei redenen zijn, maar het punt is dat het gebeurt. Zoals ik
zojuist al zei, op het moment dat een Cito-score hoger is dan het
schooladvies, zie je overwegend dat de goedgebekte ouders,
waarschijnlijk ook de hoger opgeleide ouders, naar de middelbare school
gaan en zeggen dat hun kind wel degelijk havo of vwo aankan en dat zij
daarom die kant op willen gaan. De minder goedgebekte ouders hebben die
assertiviteit niet en gaan dus niet naar die middelbare school. Zo zie
je een proces waarbij de kansarme kinderen op een lager schoolniveau
uitkomen. Overigens wil ik vmbo en mbo totaal niet minder waarderen dan
havo, vwo en hoger onderwijs, maar ik wil wel dat als een kind de
potentie en de capaciteit heeft om een hogere opleiding te volgen, hem
daartoe niets in de weg staat.
De heer Van Meenen (D66):
De heer Rog ontbrak het aan tijd om het over het leenstelsel te hebben
en de heer Van Dijk kiest ervoor om het er maar helemaal niet over te
hebben. Ik begrijp dat allemaal wel, gezien de berichtgeving van
vanochtend, want, tja, het verhaal is voorbij. Er ís geen brand. Twee
jaar lang "brand" roepen en verrekt, er is geen brand. Beetje jammer,
voor de brandweer dan. Ik heb zeer veel waardering voor alle verzoenende
woorden over nota's; we gaan het allemaal doen. Maar ik wil dit punt
toch even markeren. We hebben hier twee jaar lang niets anders gehoord
dan "asociaal!". Tienduizenden mensen zouden tot over hun oren in de
schuld zitten, zouden nooit meer kunnen studeren; hun leven was voorbij.
En wat blijkt nu? Men heeft zich er gelukkig niets van aangetrokken; de
studenten gaan gewoon weer, net zoals voor de invoering van het
leenstelsel, allemaal door naar het hoger onderwijs, ook vanuit het
mbo.
Er zijn nog twee punten waarover we ons zorgen maken, zeg ik maar vast
even zelf. Het eerste betreft de studenten met een functiebeperking.
Over dat punt gaan we het nog hebben. Het tweede betreft vwo'ers die
minder naar het hbo gaan. Dat is het enige verschil met de situatie van
voor de invoering van het leenstelsel. Zou de heer Van Dijk daar eens op
willen reflecteren? Ik zag hem vanmorgen alweer in de media, met
uitspraken als dat het principe fout zou zijn, omdat studenten €40.000
schuld zouden krijgen. Het zou best knap zijn als dat het gevolg is van
het afschaffen van de basisbeurs, want die is nooit hoger dan €13.000
over vier jaar. Dat moet de heer Van Dijk mij allemaal nog eens
uitleggen. Zullen we er nou eens gewoon een punt achter zetten en gewoon
weer iedereen aanmoedigen om zijn kansen te pakken in het hoger
onderwijs? Dat is een korte vraag, voorzitter.
De voorzitter:
U had wel een lange inleiding nodig.
De heer Jasper van Dijk (SP):
Mij paste slechts bescheidenheid, omdat de Kamer mij de gelegenheid gaf
om alsnog mijn inbreng te houden. Ik heb minstens driekwart geschrapt,
waaronder een groot stuk over dat vermaledijde schuldenstelsel. Ik ben
de heer Van Meenen zeer dankbaar dat hij mij alsnog de gelegenheid geeft
om aan te geven waarom zijn redenering op drijfzand is gebaseerd.
Ten eerste, zoals de heer Rog terecht al aangaf dankzij de Tweede
Kamerapp, zijn er nog altijd 4% minder studenten. Ten tweede zijn de
cijfers geflatteerd door het feit dat er veel meer internationale
studenten zijn gekomen. Ten derde hebben in de afgelopen jaren wel
degelijk duizenden jongeren afgezien van een studie. Die zijn we kwijt.
Die doen nu iets anders. Helaas, kapitaalvernietiging. En ten vierde —
dat is het belangrijkste punt, mijnheer Van Meenen — blijft de SP
ondanks dit soort cijfers faliekant tegenstander van dit
schuldenstelsel, waarbij het profijtbeginsel is ingevoerd onder het
motto: als je wilt studeren, dan mag dat, maar dan moet je het zelf
dokken; zoek het zelf maar uit. Elke jongere die ervoor kiest om te
studeren, wordt dankzij de PvdA, de VVD, D66 en GroenLinks met een
torenhoge schuld van zo'n €40.000 opgezadeld. En dat hebben zij helaas
aan u te danken.
De voorzitter:
Mijnheer Van Meenen, tot slot heel kort.
De heer Van Meenen (D66):
Ja, waar moet ik beginnen …
De voorzitter:
Nee, nee!
De heer Van Meenen (D66):
… bij deze verzameling alternatieve feiten? Zo noem ik het dan maar
even. Kijk gewoon naar de feiten, naar de instroom voor de invoering van
het leenstelsel. 2012 was het laatste jaar waarin er geen effect was,
het eerste jaar van deze kabinetsperiode. Toen begon het, toen zag je de
boeggolf. Je zag het aantal aanmeldingen stijgen met 4%, want studenten
namen geen tussenjaar meer. Zij gingen alvast studeren: een stijging van
4%. Het jaar daarna, toen het leenstelsel werd ingevoerd, was er een
daling van 9%. Nou, de zaal hier was te klein. We zijn nu een jaar
verder en er is een stijging van 5%. Het netto-effect van 2012 naar nu
is nul, gewoon nul. Er is geen effect. Studenten gaan studeren. Het
leenstelsel is niet bedoeld om een profijtbeginsel in te voeren, maar om
1 miljard te investeren in onderwijs. Ik hoop dat er nog een amendement
op het verkiezingsprogramma van de SP komt: in plaats van de vorige keer
1 miljard te bezuinigen gaan wij dat miljard ook investeren en wij zien
af van deze zinloze oorlog tegen iets wat verder niemand meer
bezighoudt. Studenten gaan gewoon lekker studeren en trekken zich
helemaal niets aan van al uw gegil en geschreeuw. Dat geldt ook de heer
Rog. Zij gaan gewoon studeren en zij kiezen voor hun toekomst. Dus ik
roep u op: stop ermee, ontmoedig niemand meer om te gaan studeren door
"te hoge schulden" te roepen en amendeer alsnog uw
verkiezingsprogramma.
De heer Jasper van Dijk (SP):
Toen de heer Van Meenen deze interruptie pleegde, hoorde ik de heer Rog
zeggen: hij liegt gewoon. Ik vrees dat de heer Rog gelijk heeft. Kan de
minister overigens precies aangeven hoe het zit met jongeren uit
kansarme gezinnen? Die verdeling wil ik ook graag zien.
Nogmaals, er blijft een minder groot aantal studenten dat gaat studeren.
Het aantal internationale studenten neemt toe. Het is lekker handig om
daarmee de cijfers op te hogen. Maar het grootste punt, waar de heer Van
Meenen niet omheen kan en waarover wij ideologisch van mening
verschillen, is dat hij studeren ziet als een zaak van de student zelf.
Ik zie studeren als een gemeenschappelijk belang waarvan iedereen
profiteert. Dus is het logisch dat wij daar als overheid met z'n allen
een beetje aan bijdragen, zodat het studeren toegankelijk blijft voor
alle groepen.
De voorzitter:
Mijnheer Beertema, ik zie dat u wilt reageren, maar u hebt al drie
interrupties gepleegd. U hebt net van mij ook nog een mooie
slotopmerking van drie minuten mogen maken, dus ik geef het woord aan de
heer Rog.
De heer Rog (CDA):
De heer Van Meenen beschuldigt de heer Jasper van Dijk van de SP van het
noemen van alternatieve feiten. Dat deed hij ook bij mij. Kijk naar de
instroom: meer dan 102.000 jongeren in 2011, bijna 101.000 in 2012, meer
dan 106.000 in 2013 en ruim 102.000 in 2014. Wat denkt de heer Van Dijk
als hij die getallen op zich laat inwerken en ze vergelijkt met de
periode na het leenstelsel, waarin nog maar bijna 94.000 of ruim 98.000
jongeren gaan studeren? Denkt de heer Van Dijk dan met mij dat hier geen
sprake is van alternatieve feiten, maar van een significante daling van
het aantal jongeren dat instroomt in het hbo?
De heer Jasper van Dijk (SP):
Zelden heb ik zo'n waterdicht pleidooi gehoord. Hier valt geen speld
tussen te krijgen. Daarom wijs ik de kijkers en de luisteraars ook op
partijen als ChristenUnie, CDA en SP, die in studeren een
gemeenschappelijk belang zien, waar we allemaal profijt van hebben.
Daartegenover staan de helaas meer individualistische partijen als VVD,
PvdA, D66 en GroenLinks, die de student aan zijn lot overlaten en
opzadelen met tienduizenden euro's schuld.
De heer Van Meenen (D66):
Ik ben voor leugenaar uitgemaakt. Mag ik daar nog even op reageren,
voorzitter?
De voorzitter:
Ja, dat mag u. Het is misschien een alternatief woord voor …
De heer Van Meenen (D66):
Dat is nogal wat. Dat zeggen we hier niet zo snel tegen elkaar. Ik heb
het nog willen houden bij "alternatieve feiten", wat ik echt iets anders
vind, maar goed. Wat hier plaatsvindt, is inderdaad gegoochel met
cijfers. De veronderstelling van de heer Rog achter de rij met cijfers
is dat er in Nederland een soort wet is dat er elk jaar evenveel
kinderen gaan studeren. Dat is natuurlijk niet zo. Je ziet wel: het
aantal studenten was rond de 100.000, het steeg toen het leenstelsel
eraan kwam, het daalde toen het leenstelsel er was en nu het er één jaar
is, stijgt het weer en zit het weer op het niveau van de 100.000
studenten. Dat zijn gewoon de feiten.
Ik laat mij hier echt niet zeggen dat ik niet zie dat onderwijs een
gemeenschappelijke verantwoordelijkheid is en dat we daar een grote
maatschappelijke inspanning voor moeten doen. Dat doen we ook. We geven
er elk jaar 33 miljard aan uit, en wat D66 betreft nog veel meer. Maar
het grote probleem met het hoger onderwijs was: we gaven er 7 miljard
aan uit, waarvan 3 miljard aan het levensonderhoud van studenten. We
hebben nu 1 miljard van die kosten voor het levensonderhoud verplaatst
naar beter onderwijs. Dat is heel belangrijk voor de studenten, veel en
veel belangrijker dan de investering die daarvoor naar iedereen ging,
naar alle studenten. De heer Van Dijk pleit er gewoon voor dat prinses
Amalia op haar 18de weer een studiebeurs krijgt. Dat was de situatie.
Daar wil hij naar terug. Ik wil dat niet. Ik wil dat de studiebeurs gaat
naar de mensen die het nodig hebben. De aanvullende beurs is gebleven en
met €100 verhoogd. Ik laat het me allemaal niet meer zeggen.
De heer Jasper van Dijk (SP):
Voorzitter, mag ik daar wel even op reageren?
De voorzitter:
Ja, natuurlijk, maar wel op een manier die niet weer mijnheer Van Meenen
aanleiding geeft om met een persoonlijk feit zijn verkiezingsprogramma
uiteen te zetten. Ik wil dus graag dat u zich echt beperkt tot een
zakelijke reactie.
De heer Jasper van Dijk (SP):
Oei, dat maakt het wel lastiger. Ik ben een groot voorstander van
investeringen in hoger onderwijs. Natuurlijk zullen wij straks de
regering horen zeggen wat voor een geweldige dingen er worden gedaan met
die 1 miljard die van studenten is afgepakt. Daarom zegt de SP: wij
investeren 1 miljard om studenten weer een fatsoenlijke beurs te geven,
en daarnaast hebben wij dan het miljard van deze schuldencoalitie om in
het hoger onderwijs te investeren. Dan is de student niet het
slachtoffer van deze operatie, maar hebben we dus en-en: én een goede
studiebeurs én een investering in de kwaliteit.
De voorzitter:
Tot zover de inbreng van de kant van de Kamer.
De heer Grashoff (GroenLinks):
Voorzitter, mag ik een klein punt van orde maken? Ik wil eenieder hier
op de publieke tribune en onszelf eraan herinneren dat we elkaar
donderdag in Leiden treffen voor een echt verkiezingsdebat.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik geef het woord aan de initiatiefnemers en de
bewindspersonen. Mevrouw Ypma, ga uw gang.
Mevrouw Ypma (PvdA):
Voorzitter. Ieder kind verdient een goede start. De plek waar je wieg
ooit heeft gestaan, mag nooit bepalend zijn voor je schoolloopbaan.
Onderwijs moet er juist voor zorgen dat ieder kind de kans krijgt om
zijn talent te ontwikkelen en te ontdekken. Het Nederlandse onderwijs is
goed, maar de grote vraag is of het goed genoeg voor iedereen is.
Onderwijs is de sleutel tot persoonlijke ontwikkeling en van cruciale
waarde. School is de plek waar kinderen elkaar ontmoeten en leren omgaan
met verschil. Het is de motor van de emancipatie en de verheffing en van
groot belang om de tweedeling in de samenleving te bestrijden.
Maar het ene kind ontwikkelt zich sneller dan het andere kind, omdat
talenten uiteenlopen, maar ook omdat de sociaaleconomische achtergrond
per kind verschilt. In het gehele onderwijs moeten we dan ook alle
hindernissen wegnemen voor kinderen die met een achterstand beginnen of
er eentje tegenkomen. We moeten recht doen aan laatbloeiers, die in een
ander tempo leren dan gemiddeld. Dat vereist uitstekend onderwijs voor
iedereen, juist ook voor de kinderen die het van huis uit wat minder
meekrijgen en de kinderen in de meest kwetsbare wijken.
Het doet mij dan ook deugd dat wij hier onze initiatiefnota mogen
verdedigen. Het doet me ook zeer veel deugd dat het belang, de urgentie
ervan door zo veel partijen breed wordt ondersteund. Ik wil hier ook
graag memoreren de initiatiefnota's van de SP en D66, die ook hun
voorstellen uit de doeken hebben gedaan. Maar er zijn ook andere
partijen die zich al heel lang zorgen maken om de gelijke kansen, zoals
GroenLinks, en die ook allerlei voorstellen doen.
Het is namelijk een heel ingewikkeld probleem. De onderwijsinspectie
heeft dat ook heel duidelijk aangegeven. Het voorbeeld dat wij noemen en
waar verschillende woordvoerders naar hebben verwezen, over Thijs en
Tim, hebben wij rechtstreeks uit het rapport van de onderwijsinspectie
gehaald. Daaruit blijkt dat twee kinderen met dezelfde talenten en een
gelijke intelligentie niet dezelfde kansen krijgen, simpelweg omdat de
een hoogopgeleide ouders heeft en de ander niet. We selecteren vroeg. Er
zijn te weinig mogelijkheden om door te groeien en opleidingen te
stapelen. De ongelijkheid in de samenleving zet zich op die manier door
in het onderwijs. Dat vinden wij heel erg oneerlijk. Al op jonge
leeftijd zijn de kansen van kinderen niet gelijk. De schooladviezen
worden smaller, de selectiedrempels hoger en de overgangen lastiger. Er
is ook ongelijkheid door de groei van commerciële huiswerkbegeleiders,
die wel door ouders met een dikke portemonnee betaald kunnen worden,
maar niet door ouders met lagere inkomens.
Dat moet anders. Dat vraagt om actie. Maar dat is niet gemakkelijk. Het
is een breed maatschappelijk probleem. We moeten bekijken welke
maatregelen we kunnen nemen om de verheffende waarde van het onderwijs
te versterken. We staan ook voor de cruciale opdracht de verbinding in
de samenleving te verbeteren. Wij vinden dat we gezamenlijk de
knelpunten moeten benoemen, gezamenlijk de belemmeringen moeten meenemen
en gezamenlijk de urgentie moeten voelen om in actie te komen, zodat
niet je afkomst maar je capaciteiten en je toekomst tellen. Daarom zijn
wij gekomen met deze initiatiefnota. Wij willen heel graag ingaan op een
aantal opmerkingen, zoals die zijn gemaakt.
De Partij van de Arbeid vroeg welke prioriteit wij hebben. Eigenlijk is
deze initiatiefnota een samenhang van veertien verschillende
voorstellen. Laat ik daar ook de voorstellen van de SP en D66 nog eens
bij optellen en alles waar we ook al over gesproken hebben in de Kamer.
Het gaat om de samenhang, zodat je kinderen de beste kansen biedt, zodat
ieder kind de kans krijgt om het maximale uit zichzelf te halen. Maar
als ik drie prioriteiten moet noemen, zou ik de volgende noemen. Ten
eerste, we moeten ervoor zorgen dat we zo vroeg mogelijk achterstanden
beperken. Ook het CDA heeft daar vaak aandacht voor gevraagd. Kinderen
zouden we zo vroeg mogelijk de kans moeten geven om met elkaar naar de
voorschool toe te gaan, al op 2,5-jarige leeftijd, simpelweg om
achterstanden te voorkomen. Ten tweede, we moeten het doorstromen
verbeteren door alle drempels in de doorstroming zo veel mogelijk weg te
nemen. Ten derde, de beste investering in het onderwijs is de
investering in leerkrachten en docenten. Zorg dat zij de tijd hebben om
hun lessen goed voor te bereiden en om kinderen de aandacht te geven die
ze verdienen.
Wij zijn het dan ook eens met D66 dat we samen moeten zoeken naar
oplossingen en moeten denken vanuit de ontwikkeling van het kind in
plaats van vanuit het bestel. De heer Van Meenen vroeg: wat vindt u nou
eigenlijk goed aan onze initiatiefnota? Nou, dan wil ik nog wel een
dingetje noemen. Hij stelt daarin namelijk dat er sprake is van een
verkapte stelselwijziging. Dus geen stelselwijziging die vanuit Den Haag
is teweeggebracht, maar een stelselwijziging vanuit het onderwijs zelf.
Ik maak mij ernstig zorgen over het feit dat er tien jaar geleden bij
70% van de scholen sprake was van brede brugklassen, terwijl dat nu nog
maar bij 54% van de scholen het geval is. Wij maken ons daarover zorgen.
Wij maken ons zorgen over de categorisering en over het verdwijnen van
de mogelijkheid om door te stromen. Er zijn aparte vwo-scholen en aparte
havoscholen. Kinderen krijgen hierdoor minder de kans en de tijd om te
ontdekken welk type onderwijs het beste bij hen past. Zelfs als de
overheid niet handelt, kunnen er dingen verkeerd gaan. Wij willen dat
graag met elkaar bekijken en wij willen graag met elkaar de voorstellen
op dit punt bespreken. Er wordt vroeg geselecteerd en er zijn weinig
mogelijkheden voor correctie, bijvoorbeeld in de overgang van het
primair onderwijs naar het voortgezet onderwijs.
De heer Beertema (PVV):
De populariteit van categorale scholen heeft een heel eigen dynamiek
aangenomen. Dat zien we allemaal en dat heeft effecten, los van de vraag
hoe je die waardeert. Wat is de analyse van mevrouw Ypma? Waarom is het
marktmechanisme van categorale scholen volgens haar zo aantrekkelijk
voor ouders? Het is zelfs zo aantrekkelijk dat heel veel schoolbesturen
erop inspelen en categorale mavo's, havo's enzovoorts neerzetten. Wat is
de visie van mevrouw Ypma op dit punt?
Mevrouw Ypma (PvdA):
Ik betreur juist dat dat gebeurt. Ik vind het ontzettend jammer.
Schoolleiders zouden moeten kiezen voor de twee belangrijke zaken
waartoe het onderwijs op aarde is: ten eerste het leren ontdekken van je
eigen talenten en de mogelijkheid om die verder te ontwikkelen en ten
tweede het elkaar leren kennen, het samen leren leven en het leren
omgaan met verschillen.
De heer Beertema (PVV):
Maar dat was mijn vraag niet. Waarom vinden ouders categorale scholen zo
aantrekkelijk dat ze ervoor kiezen en dat schoolbesturen erop ingaan?
Dat is mijn vraag. Waarom vinden ouders het zo aantrekkelijk?
Mevrouw Ypma (PvdA):
Misschien vinden ouders dat soort scholen aantrekkelijk voor hun kind
omdat brede scholen niet voldoende aantrekkelijk worden gemaakt. Wij
pleiten ervoor om die wel aantrekkelijk te maken door er bijvoorbeeld
met bonussen voor te zorgen dat brede scholengemeenschappen wat extra's
kunnen aanbieden. Wij willen aangeven dat je kinderen nog niet op
12-jarige leeftijd een stempel kunt geven, waarmee je bepaalt in welke
stroom ze de rest van hun leven zitten. Juist die brede
scholengemeenschappen kunnen ervoor zorgen dat kinderen nog de tijd
krijgen om door te groeien.
De voorzitter:
U hervat uw betoog.
Mevrouw Ypma (PvdA):
Voor ieder kind zou de keuze voor een brede brugklas mogelijk moeten
zijn en zouden er meervoudige adviezen gegeven moet worden. Wij zijn het
met D66 eens over de objectieve toets, de Cito-toets. In slechts een op
de zes gevallen wordt er bijgesteld. 30.000 kinderen halen een hogere
Cito-score dan hun schooladvies, maar slechts bij 5.000 kinderen wordt
het schooladvies vervolgens daadwerkelijk naar boven bijgesteld. Volgens
de wet moeten scholen in zo'n geval het schooladvies heroverwegen. Wij
stellen voor om dat advies verplicht bij te stellen als de score van de
Cito-toets hoger uitvalt.
De heer Duisenberg (VVD):
Uit navraag bij docenten — mevrouw Ypma heeft docenten normaal gesproken
heel hoog zitten, maar zij wil ze nu passeren — blijkt dat bijna twee
derde van de basisscholen het schooladvies bij een hogere eindtoetsscore
niet bijstelt vanwege de werkhouding van de leerling. Waarom wil mevrouw
Ypma daar niets aan doen? Waarom wil zij de docent passeren?
Mevrouw Ypma (PvdA):
Ik heb ontzettend veel ontzag voor alle leraren, die onze kinderen de
beste toekomst willen bieden, maar het zijn ook gewoon mensen. Het kan
gebeuren dat je iets niet hebt gezien. Het kan voorkomen dat een kind
dat in de klas heel rustig is en niet altijd laat zien wat het in zich
heeft, onder de druk van een toets toch een hogere score haalt dan je in
eerste instantie had verwacht. Dan is het standpunt van de Partij van de
Arbeid dat het hoogste altijd moet tellen. Geef kinderen altijd het
voordeel van de twijfel. Zo halen we het maximale uit ieder kind. Daar
zou de VVD toch ook voor moeten zijn?
De heer Duisenberg (VVD):
Ik concludeer dat de PvdA heel veel waardering heeft voor docenten, maar
ook dat de docenten vanuit het oogpunt van de PvdA in de Tweede Kamer
iets over het hoofd zien. De reden van de PvdA daarvoor is dat docenten
het advies niet bijstellen naar aanleiding van de werkhouding van de
leerling. Ik heb gevraagd wat je daaraan kunt doen in plaats van het
kiezen voor het automatisme om vanuit Den Haag de leraar te
passeren.
Mevrouw Ypma (PvdA):
Wij zitten hier in de Tweede Kamer en spreken hier over onderwijs omdat
wij graag het beste willen voor onze kinderen. Dat willen heel veel
leerkrachten ook. Daarom zijn er gelukkig heel veel leerkrachten die
graag zo'n tweede objectief gegeven willen. De VVD wil zo'n toets
allesbepalend maken en weer naar februari toe halen, maar dan wordt die
weer de momentopname die alleen gaat over taal en rekenen, op basis
waarvan je voor de rest van de middelbare school in een bepaald stramien
zit. Daar willen wij niet naar terug. Wij dagen de VVD uit om samen met
ons ervoor te zorgen dat het kind het voordeel van de twijfel wordt
gegeven als het hoger scoort op de Cito-toets dan het schooladvies. Ik
begrijp werkelijk niet waarom de VVD geen voorstander daarvan is.
GroenLinks wil graag gelijk optrekken met de verschillende partijen en
de initiatieven die op dit moment worden genomen. Daar ben ik ontzettend
blij mee. De heer Grashoff heeft in het verleden al verschillende
initiatieven genomen, bijvoorbeeld voor het stimuleren van de brede
school. Met collega Vermue diende hij daarover een motie in. Wij zijn
het met hem eens dat het tijd is voor de volgende stap. Die willen we
graag samen zetten.
De heer Grashoff vroeg waarom de Partij van de Arbeid toe wil naar meer
hoger opgeleide docenten. Hij heeft helemaal gelijk dat de
pedagogisch-didactische vaardigheden allesbepalend zijn voor de
kwaliteit van de leraar voor de klas. Wij denken wel dat een goede mix
van leraren die hbo- of wo-opgeleid zijn en onderwijsassistenten op
mbo-niveau, die we vooral niet moeten vergeten, voor het beste onderwijs
zorgt. Men doet dat vanuit de eigen expertise en is daarmee van grote
waarde. Daarom denken we dat het een toegevoegde waarde kan hebben als
er bijvoorbeeld ook meer docenten met een masteropleiding zijn. Ik denk
bijvoorbeeld aan SEN, de special educational needs, als het gaat om
passend onderwijs. We zien dat dat een enorme meerwaarde kan hebben voor
het onderwijs. Mensen met een academische opleiding zijn vaak
bruggenbouwers tussen theorie en praktijk, maken de wetenschap
betekenisvol voor het onderwijs en de praktijk en brengen de nieuwste
wetenschappelijke inzichten in de praktijk. Daarom pleiten wij
daarvoor.
De PVV is het gelukkig … O, ik zie een interruptie van de heer
Grashoff.
De heer Grashoff (GroenLinks):
Ik twijfelde even of er nog meer reacties op mijn vragen kwamen, maar
dat blijkt niet het geval te zijn.
De voorzitter:
In de inbreng van de heer Mohandis wordt er nog wat aan toegevoegd.
Misschien moet u die even afwachten.
Mevrouw Ypma (PvdA):
Voorzitter. De PVV is trots op onderwijs. Daarover zijn we het eens,
maar de heer Beertema en ik verschillen toch wel echt van mening over de
vraag of er nog steeds kinderen zijn die meer kansen krijgen dan andere
kinderen. De heer Beertema zegt dat dit niet zo is en ik zeg dat dit wel
zo is. Er zijn heel veel rapporten, van bijvoorbeeld het Sociaal en
Cultureel Planbureau, het Centraal Planbureau, de onderwijsinspectie en
de Onderwijsraad, waaruit blijkt dat er iets aan de hand is. In onze
initiatiefnota ben ik ook begonnen met een stukje over het verschil
tussen Thijs en Tim. Dat wilde ik hier nog graag even benadrukken.
Hebben wij alles met de VVD afgestemd? Dat geldt wel voor de
motie-Harbers/Nijboer. Die is met de VVD afgestemd, maar we hebben niet
alles met elkaar afgestemd. Ik zeg vol trots dat deze initiatiefnota
over iets gaat waarvoor de Partij van de Arbeid al 100 jaar strijdt, en
de VVD toch iets minder.
De heer Duisenberg (VVD):
O ja?
Mevrouw Ypma (PvdA):
Nou ja, ik heb geen initiatiefnota van de VVD gezien.
De heer Beertema (PVV):
Dat is ook het tragische ervan. De PvdA strijdt er al 100 jaar voor en
de PvdA heeft al 100 jaar een heel dominant effect gehad op de richting
van het onderwijs. Dit is het resultaat. Natuurlijk is er van alles mis.
Dat zie ik zelf ook wel. Ik heb gesproken over die determinatie van
leerlingen, waar u alsmaar niet aan wilt. U hebt die Cito-toets
afgeschaft, u hebt die objectiviteit eruit gesloopt …
De voorzitter:
Mijnheer Beertema, wilt u ook via de voorzitter blijven praten?
De heer Beertema (PVV):
… zeg ik via de voorzitter.
De voorzitter:
Ik heb namelijk niks afgeschaft.
De heer Beertema (PVV):
Nou, u was er ook wel een beetje bij, voorzitter! Maar goed, ik zeg dit
allemaal via de voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel.
De heer Beertema (PVV):
Het is natuurlijk heel erg PvdA-beleid geweest: de middenschool, het
morrelen aan het civiele effect van de diploma's. Dat morrelen gaat tot
op de dag van vandaag door, met al die maatwerkideeën, die
maatwerkdiploma's enzovoorts.
De voorzitter:
Mijnheer Beertema, stelt u uw vraag.
De heer Beertema (PVV):
Mijn vraag is: ziet u nou niet in dat u met heel grote woorden in uw
initiatiefnota een waaier aan oplossingen bedenkt voor de problemen die
u zelf veroorzaakt hebt?
De voorzitter:
Ik heb niks veroorzaakt.
De heer Beertema (PVV):
Dat zeg ik via de voorzitter.
Mevrouw Ypma (PvdA):
Als het aan de PVV ligt, hoeft er niks te gebeuren. Ik heb hier van haar
ook geen enkel voorstel of alternatief gehoord. Mijn mening is dat het
niet vanzelf gaat. Gelijke onderwijskansen komen er niet vanzelf. We
moeten er altijd voor blijven zorgen en voor blijven strijden dat ieder
kind gelijke kansen krijgt. Wij schaffen de Cito-toets niet af. Die is
juist in heel Nederland ingevoerd. Dat weet de heer Beertema best. Wij
brengen die Cito-toets alleen terug naar waar hij oorspronkelijk voor
bedoeld was. Die toets moet niet allesbepalend zijn voor de overgang
naar de middelbare school, want dan is die ene momentopname in groep
acht, die alleen maar over taal en rekenen gaat terwijl het onderwijs zo
veel meer is dan dat, allesbepalend. Zo was het in het verleden en wij
willen daar zeker niet naar terug. Wij ondersteunen de PVV, en overigens
ook de VVD, die dat ook wil, dus absoluut niet in het weer terugbrengen
van de Cito-toets naar februari. Dan wordt dat namelijk weer het
allesbepalende moment voor kinderen en dat doet geen recht aan kinderen
en aan het onderwijs.
De voorzitter:
Mijnheer Beertema, tot slot.
De heer Beertema (PVV):
Ik vind dat jammer, en het is een verloren kans. Ik ben het absoluut met
mevrouw Ypma eens dat die Cito-toets perverse effecten in zich had. Maar
als zich perverse effecten voordoen, is altijd de reflex van de politiek
dat alles ineens anders moet. Die hijgerigheid van de Kamercommissie
voor Onderwijs, die elk detail wil dichtregelen en dingen, als er iets
niet bevalt, totaal anders wil doen, met al die onderwijsvernieuwingen,
is een doodlopende weg. De PVV zegt: onderwijs is prachtig, en daar waar
zich slechte dingen voordoen, ga je die stapje voor stapje verbeteren en
net zo lang polijsten tot je het helemaal mooi gemaakt hebt. Dat doe je
in plaats van al die enorme bijna-stelselwijzigingen zoals het
afschaffen van de Cito-toets. Als je die naar achteren verplaatst, is
dat namelijk de facto het afschaffen ervan. Dat is gewoon jammer.
De voorzitter:
De heer Rog.
Mevrouw Ypma (PvdA):
Mag ik nog even reageren, voorzitter?
De voorzitter:
Nee, u mag niet reageren, want dat hebt u al twee keer gedaan. De heer
Rog heeft een vraag voor u.
De heer Rog (CDA):
Ik hoor mevrouw Ypma zeggen dat de Cito-toets niet allesbepalend moet
worden. Tegelijkertijd stelt zij voor om de vo-school te verplichten om
een leerling aan te nemen wanneer die een hogere score op de Cito-toets
haalt. Ik geef haar het volgende in overdenking. Zou dit niet als effect
kunnen hebben dat juist ouders met een dikke portemonnee, zoals mevrouw
Ypma ze noemt, bij een hun onwelgevallig advies voor hun zoon of dochter
als de wiedeweerga naar al die huiswerkbegeleidingsbureautjes gaan en de
Squlatesten van Cito B.V. in huis halen, om hun kind uiteindelijk op die
manier misschien wel oneigenlijk naar havo of vwo gestuurd te krijgen,
terwijl dat misschien wel een oneigenlijke manier is en niet in het
belang is van het kind?
Mevrouw Ypma (PvdA):
Ik constateer dat op dit moment, met de manier waarop we het nu
georganiseerd hebben, al heel veel ouders gebruikmaken van
huiswerkinstituten. Ik betreur dat zeer. Ik vind dat echt oneerlijk. Ik
vind het geen recht doen aan kinderen en ik vind het ook niet
verstandig. Ik zal dat ook iedere ouder vertellen die hier gebruik van
maakt. Dat laat onverlet dat er tegelijkertijd 30.000 kinderen per jaar
zijn die een hogere Cito-toetsscore krijgen dan dat hun schooladvies is
geweest. Dat zijn heel vaak kinderen van wie de ouders misschien een
hoofddoekje dragen, de vader in een fabriek werkt, of de ouders een
andere achtergrond hebben. Sterker nog, de schooladviezen die wél worden
bijgesteld, zijn met name de schooladviezen in het hogere segment. Dat
zijn dus de adviezen die van havo naar vwo worden bijgesteld, of van
vmbo-t naar havo. In het lagere segment wordt dat bijna niet gedaan, dus
bij de basisberoepsgerichte leerweg, kaderberoepsgerichte leerweg,
gemengde leerweg, of theoretische leerweg van het vmbo. Dat doet geen
recht aan kinderen. Dat betekent dat de ouders met de grootste mond wel
gaan klagen en het schooladvies aangepast krijgen en de ouders die
misschien iets minder sterk voor hun mening kunnen uitkomen dat niet
doen. Dat doet geen recht aan kinderen. Daarom vind ik dat dat hersteld
moet worden.
De heer Rog (CDA):
Mevrouw Ypma herhaalt haar analyse waarmee ze tot dit voorstel komt. Die
analyse kan ik begrijpen. Mijn vraag is echter: krijgen we meer of
minder schaduwonderwijs? Daaraan koppel ik de vraag: denkt mevrouw Ypma
dat dat tot meer of minder kansenongelijkheid zal leiden?
De voorzitter:
Ik voel hem aankomen, mijnheer Rog. Het woord is aan mevrouw Ypma.
Mevrouw Ypma (PvdA):
Ik ben niet zo heel enthousiast over "meer of minder"-uitspraken in de
politiek. Het gaat mij erom dat wij ervoor moeten zorgen dat het stelsel
klopt en dat wij invloed hebben op datgene waar wij invloed op hebben.
De heer Rog kent vast ook de circle of influence. We hebben geen invloed
op die huiswerkinstituten, hoe jammer dat ook is. We kunnen die
huiswerkinstituten gaan verbieden. Daar zou ik voorstander van zijn,
maar daar zal niet iedereen enthousiast van worden. Het is trouwens wel
een beetje ingewikkeld om ze te verbieden, maar het zou inderdaad zonde
zijn als gebeurt wat de heer Rog schetst. We moeten dat inderdaad niet
willen. We moeten dat hier ook niet doen. We moeten beïnvloeden wat we
wél kunnen beïnvloeden. En dit kunnen we beïnvloeden. Huiswerkinstituten
kunnen we helaas niet beïnvloeden. Ik ben overigens voorstander van
scholen die huiswerkvrij werken. Ik noem als voorbeeld het Calvijn
College. Zij willen geen huiswerkinstituten. Zij willen dat het huiswerk
juist op school wordt gemaakt, want op die manier zorgen ze voor gelijke
onderwijskansen. Dat is een prachtig voorbeeld.
De voorzitter:
Mevrouw Ypma, u bent inmiddels vast toe aan de verdere beantwoording van
de vragen.
Mevrouw Ypma (PvdA):
Ik zal er iets rapper doorheen gaan, voorzitter. Ik ben bij de vragen
van de CDA-fractie aanbeland. Zij heeft dezelfde intentie als de Partij
van de Arbeid, namelijk kinderen en jongeren kansen bieden. Op Tim ben
ik al ingegaan. Dat komt rechtstreeks uit het rapport van de
onderwijsinspectie.
De heer Rog sprak ook over Eric van 't Zelfde. Ik heb verwezen naar de
initiatiefnota, meer is het ook niet. Het is slechts een verwijzing. Het
gaat om Rotterdamse afspraken. In Rotterdam is een aantal afspraken
gemaakt waaraan alle scholen zich hebben gehouden. Ze golden niet voor
een of twee scholen, maar alle middelbare scholen hielden zich eraan.
Wij zijn het zeer eens met de intentie van de heer Van 't Zelfde. We
moeten er inderdaad voor zorgen dat kinderen meer kansen krijgen, dat
docenten meer tijd krijgen om lessen voor te bereiden, dat we het
maatwerkdiploma invoeren en dat kinderen al vanaf 2,5 jaar beginnen met
onderwijs. Er gebeurden daar ook een paar dingen waarmee ik het minder
eens ben. Daar heeft de heer Rog zojuist iets over gezegd en daar zijn
wij het over eens.
De VO-raad heeft een aantal dingen gezegd over het doorstroomrecht en
het maatwerkdiploma. Wij nemen daar afstand van. Wij vinden dat de
benadering van de VO-raad vooral gaat om het beperken van risico's. Wij
willen het graag benaderen vanuit het vergroten van kansen voor
kinderen. We willen dus niet redeneren vanuit het systeem, maar vanuit
de kinderen. We willen ervoor zorgen dat de aansluitingsproblemen
verbeterd worden. Wij willen ons graag aansluiten bij de brief van het
kabinet. Ik denk dat een extra vak kinderen wel kan helpen bij het
verbeteren van de aansluiting. Wij stellen zelf voor om het vmbo naar
vijf jaar te trekken. Ook dat kan helpen om de overstap van het vmbo
naar het havo te vergemakkelijken. De brief van het kabinet laat zien
dat het stapsgewijs en zorgvuldig kan. Wij willen daar graag bij
aansluiten.
Dan kom ik op de brede brugklassen. Die willen zowel het CDA als de
Partij van de Arbeid stimuleren. Categorale scholen kunnen de doorstroom
belemmeren. Wij vinden het echt zonde dat er steeds meer categorale
vmbo's, havo's en vwo's ontstaan. In onze initiatiefnota hebben wij
daarom ook voorgesteld om brede scholengemeenschappen te stimuleren via
een flinke bonus en om een verplichting in te voeren voor scholen om met
omliggende scholen afspraken te maken over de doorstroming, zodat die
gegarandeerd wordt voor ieder kind. Op die manier denken wij het beste
te bereiken.
De heer Jasper van Dijk (SP):
Ik ben ook voorstander van brede brugklassen. Die moeten wij stimuleren
om vroege selectie tegen te gaan. Op pagina 17 van de nota — mevrouw
Ypma verwees er al een beetje naar — staat echter bij punt 8: "Brede
scholen en brede brugklassen kunnen veel kosten. Dit hangt echter geheel
af van de vormgeving van de financiële stimulans, bij een schuif van
bekostiging vanuit scholen die zich niet als brede school organiseren
kan dit budgettair neutraal." Stelt de PvdA inderdaad voor om brede
brugklassen te stimuleren ten koste van de categorale mavoscholen en
gymnasia?
Mevrouw Ypma (PvdA):
In eerste instantie denken wij dat wij naar een bonus voor de brede
scholengemeenschappen moeten. Dat kost extra geld, maar wij willen dit
vooral stimuleren. Wij willen bekijken of dat voldoende zoden aan de
dijk zet. Maar dat is iets voor een volgend kabinet.
De heer Jasper van Dijk (SP):
Volgens mij zijn heel veel punten voor een volgend kabinet, maar vandaag
praten wij gewoon over de plannen in deze nota. Wat is het idee van de
PvdA? Mevrouw Ypma zegt: het gaat nu even om een bonus. Dat betekent
dus: extra geld. Dan maakt zij extra geld hiervoor vrij, want anders zou
het ten koste gaan van de andere scholen. Welk plaatje hoort
daarbij?
Mevrouw Ypma (PvdA):
Wat de heer Van Dijk zegt, klopt. Wij maken extra geld vrij voor het
onderwijs, omdat wij vinden dat je dit zou moeten stimuleren. Belonen
helpt beter dan straffen. Wij willen bezien of dat voldoende zoden aan
de dijk zet. Wij denken dat dat het geval is. Daar zouden wij mee willen
beginnen, want het onderwijs moet gaan over het openen van deuren en
creëren van kansen in plaats van over het mijden van risico's.
Ik ben nu bij de vraag van de VVD aanbeland over sterke netwerken van
ouders. Ik wil collega Duisenberg graag wijzen op bladzijde 15 van de
initiatiefnota. Daar geven wij heel duidelijk aan dat het belangrijk is
dat leraren en ouders samenwerken. Ze moeten zich bewust worden van hun
onbewuste verwachtingen, die niet alleen gebaseerd zijn op de talenten
en capaciteiten van het kind. Het moet voor ouders ook duidelijk zijn
wat wij van hen verwachten. Ik ben het zeer met de heer Duisenberg eens
dat actieve participatie en interesse van ouders in het onderwijs op een
positieve manier bijdragen aan de ontwikkeling van het kind en de
vorming van de school als gemeenschap. Dat betekent dat je van ouders
mag verwachten dat zij interesse tonen in wat er op school gebeurt, dat
ze hun kinderen begeleiden bij het maken van huiswerk, dat ze deelnemen
aan activiteiten op school en dat ze met de leraar contact houden over
de ontwikkeling van hun kind. Maar dat is makkelijker gezegd dan gedaan.
Als je niet het geluk hebt dat je ouders betrokken kunnen zijn bij je
school, moet dit niet ten koste gaan van je onderwijskansen. Daarover
verschillen wij waarschijnlijk van mening. Juist dan is er een extra
investering nodig om ervoor te zorgen dat ook deze kinderen gelijke
onderwijskansen hebben.
Op het vlak van stimulerend onderwijs zijn wij het ook zeer eens met de
heer Duisenberg. Er is niets zo funest als lage verwachtingen en dus
moet je ervoor zorgen dat kinderen stimulerend onderwijs krijgen. Lage
verwachtingen bij docenten en soms ook bij ouders moet je dus ook kunnen
corrigeren. Juist daarom zou ik zo graag samen met de heer Duisenberg
het voorstel willen indienen dat het schooladvies verplicht naar boven
moet worden bijgesteld als de Cito-score hoger uitvalt dan het
schooladvies. Op die manier krijgen kinderen maximale kansen en komen ze
op het juiste niveau terecht. Daarmee kunnen we ook stimulerend
onderwijs creëren.
Ik ben het eens met heel veel van wat de SP-fractie heeft gezegd. De
ouderbijdrage is bedoeld voor de extraatjes en mag volgens de wet niet
verplicht zijn. Daar zijn wij het zeer mee eens. De schoolkosten moeten
we zien te beperken. Wij dienen daarover graag nog samen voorstellen in.
Dat was mijn bijdrage. Mijn collega Mohandis zal hier nog wat aan
toevoegen.
De heer Jasper van Dijk (SP):
Het is heel fijn dat wij elkaar kunnen vinden op de ouderbijdrage. Een
specifiek probleem zijn de schoolkosten voor mbo-jongeren. Daarover
staan ook behartigenswaardige woorden in de nota. O, ik zie dat er wordt
gewezen naar de heer Mohandis. Ik wacht zijn antwoord hierover af.
De heer Rog (CDA):
Ik had een vraag gesteld over het onderbouwrendement. Ik dacht dat
mevrouw Ypma daarover wat wilde zeggen. Ik heb haar voorgehouden dat dit
kan leiden tot risicomijding en dat het effect van haar voorstellen het
tegenovergestelde kan zijn van wat zij beoogt.
Mevrouw Ypma (PvdA):
Ja, de heer Rog heeft gelijk, die vraag ben ik vergeten. Hij verwijst
naar mijn voorstel om ervoor te zorgen dat er een plusje komt in het
onderbouwrendement, als kinderen met een mavo-havoadvies zijn
ingestroomd en op de havo blijven, en dat er geen minnetje wordt gegeven
door de inspectie als een kind toch afzakt naar mavo, omdat dat een
perverse prikkel is. Daarover zijn de heer Rog en ik het eens. De
onderwijsinspectie ziet toch nog dat schoolleiders en besturen soms
keuzes maken die niet altijd in het belang van alle leerlingen zijn,
omdat het belang van de school of de opleiding zwaarder weegt. Ook zijn
financiële redenen soms doorslaggevend bij beslissingen, zoals over het
overplaatsen van leerlingen binnen een samenwerkingsverband. Daarbij
constateren we dat scholen vaak keuzes maken die uitgaan van de
gemiddelde leerling. Dat kan voor individuele leerlingen ongunstig
uitpakken. Naar onze mening moet het bij onderwijs gaan om het openen
van deuren en het creëren van kansen in plaats van het mijden van
risico's. Wij willen dus niet vooraf selecteren op talent, maar ons
richten op het ontwikkelen van talent en wij willen af van het
rendementsdenken. Daarover zijn de heer Rog en ik het volgens mij eens.
Daarom stellen wij voor het onderbouwrendement af te schaffen en het
gehele beoordelingskader van de inspectie in dienst van maatwerk in het
voortgezet onderwijs te stellen, want toetsen zijn bedoeld om de
voortgang te zien en niet om barrières op te werpen.
De heer Rog (CDA):
Daarover wil ik toch een vraag stellen.
De voorzitter:
Ik vind het goed dat dit punt even afgemaakt wordt.
De heer Rog (CDA):
Mevrouw Ypma herhaalt waarom zij af wil van het onderbouwrendement. Die
idealen begrijp ik. Waar ik even de vinger op leg, is de vraag of haar
voorstel niet het effect kan hebben dat scholen risico's mijden en toch
kiezen voor het laagste niveau, al was het maar omdat het
bovenbouwrendement wel blijft bestaan. Als een leerling een
mavo-havoadvies heeft en naar vmbo-t gaat, naar mavo, is succes meer
verzekerd dan wanneer die leerling naar havo gaat. Zou dat uiteindelijk
niet risicomijding en dus kansenongelijkheid tot gevolg kunnen
hebben?
Mevrouw Ypma (PvdA):
Het is mooi dat de heer Rog en ik hetzelfde willen, maar wij zijn nog
aan het nadenken over hoe je daar het beste kunt komen. Naar onze mening
moeten we heel kritisch het rendementsdenken in de onderbouw en de
bovenbouw tegen het licht houden en het belonen wel in stand houden,
maar het afstraffen er uithalen. Als de heer Rog daartoe goede
voorstellen heeft, zal ik die zeer welwillend bekijken.
De heer Grashoff (GroenLinks):
Ik probeer even twee vragen in één interruptie te stellen. Ik ga nog
even in op de kwestie van universitair opgeleiden in het primair
onderwijs, waarover de Partij van de Arbeid een voorstel deed. Is
mevrouw Ypma het met mij eens dat de inzet bij uitstek gericht zou
moeten zijn op het realiseren van het cursusaanbod en daaraan gekoppeld,
een betere beloning in het primair onderwijs en dat het aanbod gericht
moet zijn op vaardigheden die daar het meest in het oog springen? Naar
mijn gevoel zijn dat vaardigheden zoals differentiatievaardigheden en
vaardigheden inzake leerlingen die bijzondere zorg nodig hebben vanwege
bepaalde stoornissen zoals dyslexie et cetera. Daarvoor zouden in de
opleiding en in de functiewaarderingssystematiek veranderingen moeten
worden aangebracht. Is mevrouw Ypma het met mij eens dat dit eigenlijk
niet zo heel veel te maken heeft met een afgeronde academische
opleiding?
Verder wil ik een heel korte vraag stellen over de brede brugklas. In de
notitie van de PvdA staat dat dit budgettair neutraal is. Is mevrouw
Ypma het met mij eens dat je de discussie over extra investeringen in
het onderwijs — daarover ben ik het met de heer Van Dijk en anderen eens
— best kunt scheiden van de discussie over de vraag of je in de
systematiek van de bekostiging niet wel degelijk een voordeel voor brede
brugklassers kunt inbouwen?
Mevrouw Ypma (PvdA):
Op het eerste zeg ik "ja" en over het laatste zijn we het eigenlijk ook
eens. In mijn toelichting noemde ik het voorbeeld van de master SEN
(special educational needs). Dan hebben we het over die
differentiatievaardigheden. Over deze vaardigheid beschikt 58% van de
leraren in het primair onderwijs en slechts 33% van de leraren in het
voortgezet onderwijs. Daarbij hebben we echt nog een enorme slag te
slaan. Ik zou heel graag samen met de heer Grashoff willen stimuleren
dat meer mensen zo'n master doen en daardoor dus hun universitaire graad
halen en vervolgens een betere beloning krijgen zodat de salarissen
doorgroeien. Ik denk echt dat dit eraan kan bijdragen dat men elkaar
scherp houdt en dat het kan bijdragen aan de onderzoeksvaardigheden in
het onderwijs.
De voorzitter:
Bent u aan het eind van uw beantwoording, mevrouw Ypma?
Mevrouw Ypma (PvdA):
Ja.
De voorzitter:
Dan gaan we verder met de beantwoording door de heer Mohandis.
De heer Mohandis (PvdA):
Voorzitter. Ik dank alle collega's voor hun inbreng. Ik zal vooral
ingaan op enkele algemene vragen die zijn blijven liggen. Ik zal mij
verder specifiek focussen op het mbo en het hoger onderwijs.
Laat ik beginnen met te stellen dat ik het mooi vind dat collega's niet
alleen vandaag of deze maanden, maar ook veel eerder eigen nota's hebben
geschreven om zo continu te strijden voor het realiseren van gelijke
kansen voor iedereen. Die strijd moet de politiek naar mijn mening ook
voeren. Het is goed dat wij dit met elkaar bespreken.
De Partij van de Arbeid is na het uitbrengen van de initiatiefnota
gelijk aan de slag gegaan. Zij heeft daarmee niet gewacht tot vandaag.
Collega Beertema zei "we bespreken het nu", maar ik wil hem voorhouden
dat wij na de indiening van de nota meteen hebben bekeken hoe wij
verschillende punten uit de initiatiefnota konden realiseren. Bij de
behandeling van de begroting zijn daartoe al de eerste stappen gezet, om
maar een voorbeeld te noemen. Volgens mij was dat ook al het geval bij
de behandeling van het inspectierapport in het voorjaar. Ik zie ook dat
de uitvoering van beslispunten of voorstellen uit onze initiatiefnota
samen met de Kamer in gang is gezet. Op die concrete punten hebben wij
een goede stap gezet.
Ik ga in op de vragen van collega Vermue van de Partij van de Arbeid. Ik
ben het helemaal eens met haar opmerking over de schoolkosten in het
mbo, maar ook met de opmerkingen die collega Rog hierover maakte. Hoe
zorgen wij ervoor dat minderjarige mbo'ers niet met meer kosten te maken
krijgen dan hun leeftijdsgenoten op het havo of vwo? Ik vind dit een
belangrijk punt. Ik let daarbij op het perspectief van een 16-jarige
mbo'er die aan zijn of haar startkwalificatie werkt. Hij of zij focust
zich op het diploma: wat kan ik, ben ik een doener, ben ik een denker,
ga ik door met studeren of niet? Het is heel belangrijk dat hij of zij
de kans krijgt om te studeren zonder dat er enige financiële drempel is.
Het zou mooi zijn als we, vanuit het perspectief van de minderjarige die
werkt aan zijn of haar startkwalificatie, vergeleken met al die havisten
en vwo'ers die ook werken aan hun startkwalificatie, in de toekomst
toegroeien naar een situatie waarin al die leeftijdsgenoten een eerlijke
kans krijgen wat betreft de financiële toegankelijkheid. Dat is volgens
de indieners van belang. Dat is hun wens en ideaalbeeld.
De heer Jasper van Dijk (SP):
Het is heel fijn dat de PvdA ook paal en perk wil stellen aan de hoge
schoolkosten voor mbo'ers. Die bedragen namelijk meer dan €400 per jaar,
voor schoolmaterialen, een uniform, een messenset of noem maar op. Soms
bedragen ze wel €1.000. Kortom, het is een drempel. Er zit wat mij
betreft ook een principieel punt in, namelijk dat je die kosten helemaal
niet mág neerleggen bij mbo-leerlingen. De school dient te voorzien in
de zaken die nodig zijn voor de opleiding. Kunnen we op dat punt zaken
doen met de PvdA? Kunnen we er echt een eind aan maken dat die rekening
bij de studenten wordt neergelegd?
De heer Mohandis (PvdA):
Er zit inderdaad ook een principieel punt in. Ik ben aan het rekenen
geslagen om te weten te komen wat het kost. Wie er ook in een volgend
kabinet mogen zitten, het zou heel mooi zijn als we voor minderjarige
mbo'ers een betere situatie realiseren. Daarin zijn, mede op initiatief
van de PvdA, al stappen gezet, zo houd ik de heer Van Dijk voor. Een van
de grootste schoolkostenposten voor minderjarige mbo'ers waren de
reiskosten. Inmiddels is de ov-kaart voor hen ingevoerd. Daarnaast heeft
het kabinet, mede op aandringen van de PvdA, gezegd dat het structureel
geld zal uittrekken om een tegemoetkoming in de schoolkosten te
realiseren. Ik wil graag dat we toe groeien naar een situatie waarin die
niet meer nodig is, waarin de school veel meer schoolmaterialen
faciliteert. Dat zou de toekomstige situatie kunnen zijn. Ik wil de
collega's graag doorgeven wat dat ongeveer kost. Volgens onze
berekeningen kost het ongeveer 60 tot 100 miljoen, op basis van de
gemiddelde schoolkosten die gemaakt worden maal het aantal minderjarige
mbo'ers. Dat aantal kennen we door de invoering van de
ov-studentenkaart. Het zou mooi zijn als we al die mbo'ers — het zijn er
heel veel in Nederland — een eerlijke kans geven en dezelfde kans als
degenen die op een andere manier het voortgezet onderwijs hebben
doorlopen. Dus ja, de heer Van Dijk kan van mijn fractie een voorstel
verwachten. Ik denk dat de heer Rog daar ook wel geïnteresseerd in is,
dus volgens mij komt er straks iets moois uit.
De heer Jasper van Dijk (SP):
Voor de ov-kaart verdient de heer Mohandis complimenten — ik weet dat
daarmee een langgekoesterde wens van hem in vervulling is gegaan — maar
het gaat nu even om de schoolkosten, dus de kosten voor materialen die
de school in rekening brengt bij de student. Mijns inziens is dat niet
toegestaan. Je kunt daar geld voor vrijmaken. Ik zie het voorstel
daartoe graag tegemoet en wil er ook graag aan meedoen. Je kunt echter
ook de scholen erop aanspreken en tegen hen zeggen: houd daarmee op,
want je mag die kosten niet in rekening brengen bij studenten. Dat is
gewoon een aanscherping van de uitvoering van de wet.
De heer Mohandis (PvdA):
Ik probeer te voorkomen dat we de discussie over de schoolkosten
herhalen. Die hebben we namelijk al gevoerd in de Kamer. Volgens mij was
collega Siderius daarbij aanwezig. Er zijn ook vrijwillige kosten, maar
minderjarige mbo'ers worden vaak met verplichte kosten opgezadeld. Zij
krijgen, als ze minderjarig zijn, nog geen studiefinanciering. Het
ideale uitgangspunt is dat mbo-instellingen hierin faciliterend
optreden. Ik proef in het betoog van de heer Van Dijk dat dit volgens
hem budgetneutraal kan. Hij zegt: laat die scholen het maar regelen. Dat
is mij iets te gemakkelijk. Verantwoordelijkheid nemen betekent ook
nagaan hoe je extra geld kunt vrijmaken om dit te bekostigen als
partijen hiertoe willen overgaan. Daar is een stap voor nodig, ook
financieel. Daarom is het belangrijk dat we een stip op de horizon
plaatsen: dan moet die situatie geregeld zijn. De komende jaren kunnen
we dan toe groeien naar dat ideale uitgangspunt. Als de vraag van de
heer Van Dijk is of wij dat willen, kan ik zeggen dat het antwoord van
de indieners een volmondig ja is. Dat moet met haalbare stappen
gebeuren, zoals we ook hebben gedaan met andere dingen, die we
uiteindelijk ook hebben gerealiseerd.
De voorzitter:
U hervat uw beantwoording, mijnheer Mohandis.
De heer Mohandis (PvdA):
Voorzitter. Er is een vraag gesteld over de kwalificatieplicht. Ik wijs
op een initiatiefwet van collega Rog en voormalig collega Jadnanansing,
waarvan ondergetekende mede-indiener is. Daarin krijgen gemeenten de
mogelijkheid om voortijdige schoolverlaters van 18-plus, die zich met
name in de grote steden bevinden, hun startkwalificatie te laten
behalen. Het is een soort stok achter de deur. Uitval leidt alleen tot
ellende, zo weet ik uit eigen ervaring als jonge uitvaller in het mbo.
Geen opleiding is geen diploma. Geen diploma is geen inkomen. Geen
inkomen is … U kunt het invullen. Volgens mij is het nodig dat de
gemeenten die mogelijkheid krijgen. Het zou mooi zijn als we gezamenlijk
met voorstellen kunnen komen om gemeenten die tools in handen te geven
in het kader van de sluitende aanpak jeugd, de jeugdwerkloosheid en
alles wat daarmee samenhangt. Elk talent telt, ook als het net 18 en
zogenaamd volwassen is. Ik zeg "zogenaamd" omdat heel veel van die
jongeren dat niet zijn. Ze hebben een stok achter de deur nodig om dat
diploma te halen.
Ik kom op het punt van D66. Mijn collega heeft daarover al genoeg
gezegd. Ik ben het op hoofdlijnen eens met de initiatiefnota, waarin met
name wordt gefocust op het kind. Collega Van Meenen vroeg of er ook
goede dingen in zaten. Jazeker: de voorstellen inzake het burgerschap en
de burgerschapsvorming sluiten heel erg aan bij een initiatief van de
Partij van de Arbeid en het CDA bij de begroting om dat element veel
meer te verankeren in het onderwijs. Ook noem ik de voorstellen rondom
een schoolfonds. Ik ga niet doen aan "zoek de verschillen". Die zijn er
ook, maar we moeten ons focussen op de overeenkomsten, om zo gelijke
kansen verder te stimuleren.
GroenLinks maakte een wat algemenere opmerking over de sociaaldemocraten
en het onderwijs. Er is gesproken over alternatieve feiten. Dat soort
woorden zal ik niet in de mond nemen, maar het is belangrijk om het
beeld te nuanceren dat de afgelopen 50 jaar zo ongeveer alleen de PvdA
op OCW zat. De heer Grashoff had het over tien jaar. Zelfs dat is
feitelijk niet waar, want ik meen mij te herinneren dat er in die
periode een kabinet-Rutte I zat zonder de Partij van de Arbeid. In de
grofweg 55 jaar sinds de invoering van de Mammoetwet hebben het CDA en
de VVD ongeveer 38 jaar op OCW gezeten tegen de ongeveer 17 jaar dat de
Partij van de Arbeid daar zat. De heer Grashoff zei dat er weinig was
gebeurd. Ik ben het daar niet mee eens. Ik zeg tegen de heer Grashoff
dat hij daarmee ook zichzelf tekortdoet. De afgelopen periode hebben we
juist gestreden tegen allerlei zaken die het doorgeslagen
rendementsdenken intact hielden. Ik noem een voorbeeld. Heel snel na het
aantreden van het kabinet hebben we met een brede meerderheid de
langstudeermaatregel afgeschaft. Samen hebben we gestreden voor meer
zeggenschap en meer eigenaarschap in het hoger onderwijs. We gingen in
tegen een eigen oud-bewindspersoon, de heer Jo Ritzen, toen het ging om
"iets minder inspraak is ook wel goed". Die lijn onderschrijf ik niet.
Ik ben ook blij dat het kabinet op dit vlak de eerste stappen heeft
gezet; denk aan het instemmingsrecht voor opleidingscommissies.
Ook is er de afgelopen tijd veel gedaan aan de financiële
toegankelijkheid, ook samen met GroenLinks. We hadden het al over de
financiële toegankelijkheid voor minderjarige mbo'ers met de ov-kaart.
Ik noem ook het verhogen van de aanvullende beurs. Dat zijn allemaal
maatregelen die zijn genomen om gelijke kansen te realiseren. De
collega's die samen met ons hebben gestreden voor deze punten, wijs ik
erop dat er dingen zijn bereikt waarop we trots mogen zijn.
De voorzitter:
Mijnheer Mohandis, ik onderbreek u even. Mijnheer Grashoff heeft een
interruptie.
De heer Grashoff (GroenLinks):
Ik heb daarnet geprobeerd mijn woorden enigszins zorgvuldig te kiezen en
niet alleen in de jij-bakkensfeer terecht te komen. Zo gaan de heer
Mohandis en ik nooit met elkaar om in het debat. Toch heb ik de vraag
wel gesteld. Ik heb mijn huiswerk natuurlijk ook gedaan. In de afgelopen
tien jaar heeft de PvdA zevenenhalf jaar deel uitgemaakt van de regering
en altijd bewindspersonen gehad op Onderwijs. In de laatste 23 jaar
heeft de PvdA 16 jaar lang bewindspersonen op Onderwijs gehad. Ik heb
het lijstje bij me. Volgens mij is er sinds het afschudden van de
ideologische veren onder Kok I een trend ingezet van geleidelijke
liberalisering in het onderwijs, op allerlei vlakken. Dat is een
langlopende zaak. Is de heer Mohandis het met me eens dat dit in elk
geval bij elkaar genomen forse zorg oplevert en ook enige zelfreflectie
zou mogen oproepen aan de kant van de Partij van de Arbeid over de inzet
over een langere periode?
De heer Mohandis (PvdA):
Volgens mij is zelfreflectie altijd goed. Maar laat ik ook het volgende
tegen de heer Grashoff zeggen, anders gaan we steggelen over een jaar.
Ik keek ook naar de heer Beertema, die zat te knikken. Ik ben er trots
op dat de Partij van de Arbeid ministers heeft geleverd. Ik ben er ook
trots op dat er dingen zijn gerealiseerd en dat er ook zelfreflectie was
van niemand minder dan de huidige minister van Financiën, Jeroen
Dijsselbloem. Het is goed om af en toe terug te kijken naar wat er is
gedaan, en dan te zeggen: laten we niet altijd denken dat we het vanuit
Den Haag weten. Maar de Partij van de Arbeid zal altijd met voorstellen
komen, omdat het een continue strijd is. Het is een continue strijd om
gelijke kansen in het onderwijs te realiseren en ongelijkheid te
bestrijden. Ik wees al op een paar concrete maatregelen die we de
afgelopen periode hebben gerealiseerd. Ik wijs ook op punten die we
gezamenlijk hebben gerealiseerd. Ik was niet eens klaar met het opnoemen
van dat lijstje. Denk bijvoorbeeld aan het afschaffen van de BSA in
latere jaren, wat we breed hebben gedaan. We hebben niet gekozen voor
gevarieerd collegegeld voor excellentietrajecten, maar juist voor inzet
op brede talentprogramma's. Samen met de heer Van Dijk hebben we de
geldigheid van tentamens weten te verlengen, waardoor besturen deze niet
als speeltje zien om doorgeslagen rendementsdenken te bevorderen. Is het
af? Nee. Het is een continue strijd. Er zullen altijd dingen zijn die
niet goed zijn, maar ik koester wel wat we hebben bereikt. Dat hoor ik
ook niet echt in het betoog van de heer Grashoff.
De heer Grashoff (GroenLinks):
De punten die de heer Mohandis noemt zijn terecht. Wij hebben op die
punten de afgelopen jaren goed samengewerkt. Ik had de heer Mohandis en
mevrouw Ypma een aanzienlijk hogere plek op de PvdA-lijst toegewenst,
maar daar ga ik niet over. De reflectie van de minister van Financiën
brengt bij mij wel een zekere glimlach teweeg, omdat de zelfreflectie
van de minister van Financiën op andere onderdelen wat mij betreft
weleens wat te wensen overlaat, sorry.
De voorzitter:
Mijnheer Van Dijk, gaat u ook terug naar de roerige jaren zeventig? Wij
kunnen het allemaal aan vandaag.
De heer Jasper van Dijk (SP):
Dat vind ik wel een goede suggestie van de voorzitter. Het is een van
mijn lievelingsdecennia. Ik gun de heer Mohandis en mevrouw Ypma alle
ruimte om zichzelf te feliciteren met alle prachtige dingen die zij
hebben bereikt, maar in aansluiting op wat de heer Grashoff zei,
verwacht ik wel iets meer reflectie op de keerzijde van de afgelopen 20
à 25 jaar, waarin de PvdA in de regering zat. Dat hoor je ook terug bij
mensen als Lodewijk Asscher en partijvoorzitter Spekman, als je goed
luistert. Is de heer Mohandis ook in staat om te zeggen: wij hebben heel
veel mooie dingen gedaan, maar wij zijn ook verantwoordelijk voor het
neoliberalisme in het onderwijs, met zijn schaalvergroting, machtige
schoolbesturen en afrekencultuur? En denk ook eens aan de woorden van de
heer Spekman, die over deze minister zei ...
De voorzitter:
Mijnheer Van Dijk, ik wil u echt weer terugbrengen bij het onderwerp van
dit debat.
De heer Jasper van Dijk (SP):
… gelijke kansen …
De voorzitter:
Wij hebben al geconstateerd dat er nog verkiezingsdebatten komen, waar u
allemaal voluit mag gaan. Maar vandaag even niet hier.
Mijnheer Mohandis, tot slot.
De heer Mohandis (PvdA):
Ik kan de heer Van Dijk tegemoetkomen op het punt dat veel fracties in
deze commissie verantwoordelijkheid hebben gedragen, in heel veel
kabinetten en met zowel staatssecretarissen als ministers. De SP heeft
inderdaad altijd aan de kant gestaan. Dat zou in de toekomst misschien
eens anders moeten. Dat merk ik even op in het algemeen. De heer Van
Dijk doet mij tekort als hij het heeft over zelfreflectie. Tijdens het
grote debat in de Kamer, ook naar aanleiding van de
Maagdenhuisbezetting, over inspraak en medezeggenschap, waarover wij
samen met andere fracties voorstellen hebben gedaan, heb ik duidelijk
aangegeven hoe ik denk over beslissingen die in het verleden zijn
genomen over inspraak. Ik heb concrete voorstellen gedaan om de balans
van meer eigenaarschap voor studenten en docenten meer in evenwicht te
brengen. Dat laat ook zien dat er altijd wel een vorm van zelfreflectie
is. Ik ga dus niet jij-bakken in de trant van: die heeft dat gedaan en
die niet. Maar wij hebben inderdaad allemaal verantwoordelijkheid
gedragen voor onderwijs. De Partij van de Arbeid trekt altijd aan de
kant van gelijke kansen voor iedereen. De heer Beertema gaf aan hoe mooi
ons onderwijssysteem is als het gaat om de algemene toegankelijkheid en
de mogelijkheden om door te stromen. Het is nooit af, het is nooit goed.
Er zijn dingen die beter moeten en daar doen wij ook voorstellen voor.
Volgens mij moeten wij het gezamenlijk doen. Ik hoop dat ook de SP de
komende tijd meedoet in plaats van alleen maar zegt hoe het niet
moet.
De voorzitter:
Tot slot, mijnheer Van Dijk,
De heer Jasper van Dijk (SP):
Nou, dat is een mooie uitnodiging. Is de heer Mohandis dan ook in staat
om te erkennen dat de problemen zijn veroorzaakt door mijn buurman, de
heer Duisenberg, althans zijn partij? De Partij van de Arbeid heeft daar
al die decennia mee zitten samenwerken. Het neoliberalisme komt van de
VVD. De overeenkomsten tussen de Partij van de Arbeid en de SP zijn vele
malen groter dan die tussen de PvdA en de VVD. Durft de heer Mohandis
dat te erkennen?
De voorzitter:
Ik onderbreek deze Algemene Politieke Beschouwingen. Ik vind dit soort
debatten heel erg leuk, maar daarvoor zitten wij vandaag niet bij
elkaar. Ik probeer u echt een beetje terug te leiden naar het onderwerp
van dit debat.
De heer Mohandis (PvdA):
Dat is ook goed, want er komen nog genoeg zaaltjes waar wij elkaar
kunnen bestrijden.
Ik wil niet in herhaling vervallen. Ik heb daarnet aangegeven hoe ik
hierin sta. Op het moment dat de Partij van de Arbeid getalsmatig haar
verantwoordelijkheid moet dragen, dan zetten wij een stapje vooruit. Dan
gaan wij niet achteruit.
De heer Jasper van Dijk (SP):
Waar staat u dichterbij, mijnheer Mohandis, SP of VVD?
De heer Mohandis (PvdA):
Kom nou …
De voorzitter:
Dit is geen vraag die terug te leiden is tot het debat van
vandaag.
De heer Mohandis (PvdA):
Als de heer Van Dijk de afgelopen weken heeft opgelet, heeft hij gezien
dat er heel mooie samenwerkingspacten op heel veel onderwerpen
zijn.
De heer Jasper van Dijk (SP):
Jammer, geen antwoord.
De heer Mohandis (PvdA):
Ik ben van het samenwerken. Als partijen verantwoordelijkheid willen
dragen en onze idealen een stapje dichterbij kunnen brengen, zullen wij
altijd met die partijen samenwerken. Soms is het getalsmatig
noodzakelijk om samen te werken met partijen die minder dichtbij staan.
Dan bekijk je wat voor jou belangrijk is en zorg je ervoor dat dingen
die je belangrijk vindt, worden gerealiseerd. Dat heet
verantwoordelijkheid nemen en dat is geen
verantwoordelijkheidsvakantie.
De voorzitter:
Ik geef de heer Mohandis de gelegenheid om zijn beantwoording voort te
zetten.
De heer Mohandis (PvdA):
Collega Ypma is al ingegaan op de woorden van collega Beertema. Ik ben
het niet met hem eens als hij zegt dat het over het algemeen wel goed
gaat. In zijn betoog hoorde ik toch ook dat hij niet helemaal tevreden
is met het onderwijs. Voor mij was het dus even zoeken naar wat er dan
wel moet gebeuren. Collega Ypma is al ingegaan op de Cito-toets. Omdat
het onderwijs van ons allemaal is, is het belangrijk om het te blijven
verbeteren.
Ik ben via de vraag van collega Vermue al ingegaan op het punt van
collega Rog over de schoolkosten in het mbo.
Ik kom op het sociaal leenstelsel, waar ook opmerkingen over zijn
gemaakt. Wij zijn aan deze megaopdracht begonnen met partijen die al
langer meer wilden investeren in onderwijs en die de basisbeurs
gerichter wilden inzetten via de aanvullende beurs. De gift wordt
overeind gehouden voor iedereen die dat nodig heeft. Elke gemotiveerde
student die wil studeren, kan studeren met behoud van de ov-kaart in het
hoger onderwijs. Wij hebben nu een systeem dat voor iedereen algemeen
toegankelijk is. Geen kijker wordt wijzer van cijfertjes die wij hier
bestrijden, maar ik bestrijd het beeld dat sommige partijen hier
neerzetten. Zij balen van de berichtgeving vandaag, maar geven niet toe
dat de instroom weer aan het stijgen is. Zij vertellen niks over de
jaren dat het aantal aanmeldingen veel hoger was dan toen wij in 2012
begonnen te praten over dat sociaal leenstelsel. Wij zijn weer op het
oude niveau. Wij moeten de definitieve cijfers over al die verschillende
groepen afwachten, maar ik was enorm blij dat ook de mbo-instroom
toeneemt. Dat heeft ook te maken, in mijn inschatting, met de extra
maatregelen die het kabinet heeft genomen, bijvoorbeeld via keuzedelen,
voor de doorstroom, om de aansluiting beter te laten verlopen. De
instroom vanuit het mbo is en blijft wat mij betreft een zorgpunt, ook
in de toekomst, omdat we een algemene daling zien. Dat hoeft echter niet
negatief te zijn; het kan ook te maken hebben met bewustere
studiekeuzes. Ook wordt de uitval minder. Er zijn dus ook heel positieve
signalen.
We moeten dus blijven inzetten op de toegankelijkheid. Het is nog niet
af, maar de signalen en de goede cijfers vandaag laten zien dat het een
sociaal leenstelsel is, een studievoorschot, voor iedereen. Iedereen kan
eraan deelnemen. Alle indianenverhalen uit 2014, toen we dat belangrijke
debat voerden in de Kamer, zijn wat mij betreft grotendeels ontkracht
door deze berichten. We kunnen hier allerlei vergelijkingen maken met
een jaar dat het meest gunstig was voor partijen, maar als we heel
eerlijk zijn moeten we toegeven dat we in 2012 een bepaalde instroom
hadden, toen boeggolfjaren, een dip en nu een stijging.
De voorzitter:
Dank u wel, mijnheer Mohandis.
De heer Mohandis (PvdA):
Het zou partijen sieren als ze dat eerlijk toegeven.
De voorzitter:
Ik zie dat de heer Van Dijk en de heer Rog nog willen interrumperen,
maar ze zijn al door hun interrupties heen.
Ik wil even overleggen. Er is natuurlijk een lunchpauze voorzien. Die
kunnen we vroeg, nu direct, of later, na de inbreng van de
bewindspersonen, houden. Mijn voorkeur gaat ernaar uit om eerst de
beantwoording door de bewindspersonen af te ronden en daarna te gaan
lunchen. Dat zou betekenen dat we ongeveer om 13.45 uur kunnen gaan
lunchen, als we stevig doorwerken. Dat hangt van uw interrupties af. Wat
tijd betreft maakt het niet uit of we het nu doen of later, die zijn wij
er toch aan kwijt. Ik zie dat het merendeel van de mensen het nu af wil
maken. Of toch niet? Ik zit hier om de Kamer ten dienste te zijn. Ik
schors tot 13.15 uur.
De vergadering wordt van 12.52 uur tot 13.25 uur geschorst.
De voorzitter:
Wij zijn toegekomen aan de inbreng van de kant van de minister, die ik
daartoe graag het woord geef. Maar eerst wil ik iets zeggen over de orde
van de vergadering van vanmiddag, omdat wij de eindtijd van dit overleg
naar achteren hebben geschoven. De minister kan niet langer blijven dan
tot 17.00 uur. We zullen proberen het in de vergaderorde zo te
organiseren dat de minister dan aan het woord is geweest en de vragen
heeft beantwoord. Misschien kunnen we zelfs het hele overleg dan al
afronden. Ik kan uw vergadering helaas niet langer dan tot 14.00 uur
ondersteunen, maar er is vervanging geregeld. U hoeft als woordvoerder
niet het voorzitterschap over te nemen.
Minister Bussemaker:
Voorzitter. Er is al door vele leden gezegd dat kinderen met gelijke
intelligentie dezelfde kansen moeten krijgen en dat je afkomst nooit
bepalend mag zijn voor je toekomst. Het gebeurt nu soms wel dat het ene
kind van hoogopgeleide ouders verder komt dan het andere. Dat is ook
voor mij niet acceptabel. Dat heeft niets te maken, zo zeg ik tegen de
heer Grashoff, met beleid dat wij nu met frisse tegenzin voeren. Als het
om gelijke kansen gaat, dan doe ik dat met 100% inzet en met een enorme
passie. Onderwijs is al heel lang de emancipatiemotor geweest, gelukkig.
Ik hoop ook dat het dat kan blijven. Ik zie ook dat wij er wat dat
betreft goed voor staan, zoals de heer Duisenberg memoreerde. De OESO
heeft wel een aantal vragen gesteld, maar zei in de kern vorig jaar dat
het Nederlandse onderwijs er goed voor staat. Het heeft misschien wel
zwakke onderdelen zoals de vroege selectie, maar die maken we goed door
compenserend beleid. De vraag is nu hoe wij dat compenserend beleid met
de uitdagingen van vandaag goed vorm kunnen geven.
De heer Beertema zei het ook: Nederland doet het goed, maar er zijn wel
risico's. Die risico's en die onvolkomenheden moeten wij aanpakken. Ik
geloof niet dat het stelsel failliet is op dit onderdeel, zoals ik de
heer Van Meenen hoorde zeggen. Het vraagt wel onderhoud en het vraagt
ook maatregelen. Daar moeten wij niet voor terugdeinzen — dat doen wij
dan ook niet — in het besef dat de scholen en de leraren die het
allemaal moeten doen wel een behoorlijk ingewikkelde opdracht hebben.
Wij weten dat heel veel invloeden die te maken hebben met gelijke kansen
niet direct uit het onderwijs zelf komen, maar te maken hebben met
omgevingsfactoren: met hoe ouders hun kinderen opvoeden, met hoe buurten
zich ontwikkelen en met de mindere diversiteit in huwelijksrelaties, die
maakt dat kinderen vaak opgroeien met ouders die maar één soort
schoolniveau hebben en hun kinderen daar al snel in mee kunnen nemen.
Daar komt bij dat wij in het onderwijs hebben gezien — we hebben er een
aantal parlementaire commissies voor gehad — dat goedbedoelde
interventies weleens verkeerd uitwerken. Dus ook daar moeten wij zelf
heel scherp op zijn.
Er zijn soms misverstanden, bijvoorbeeld over rendement. Daar zijn net
tussen de leden verschillende debatten over geweest. Wat mij betreft is
het onderwijs geen rendementsmachine in die zin dat het ons enige doel
is om zo veel mogelijk leerlingen en studenten zo snel mogelijk ergens
doorheen te jassen om een diploma te halen. Wij hebben er voorbeelden
van dat het wel zo wordt gezien, zoals risicomijding door scholen. Men
denkt: laat ik een kind maar niet op het hoogste niveau plaatsen, want
dat heeft misschien slechte consequenties voor het onderbouwrendement of
voor de rendementscijfers die ik bij de prestatieafspraken moet
indienen; het maakt allemaal niet uit. Daar moeten we dus wel met elkaar
het gesprek over voeren, maar we moeten het gesprek zo voeren dat
iedereen weet over welke feiten we het hebben en waar het nu wel
effecten heeft en waar niet.
Ik vind het heel vervelend dat er ten aanzien van de rol van de
inspectie nog heel vaak wordt gedacht dat scholen afgerekend worden op
bepaalde cijfers, terwijl dat allang niet meer het geval is. Ik heb daar
ook met de inspectie over gesproken. De inspectie heeft vorig jaar het
thema kansengelijkheid met scherpte onder de aandacht gebracht. Maar de
inspectie heeft niet alleen een signalerende functie, ze is ook
onderdeel van de oplossing. Ik probeer op dit punt samen met de
inspectie op te trekken om duidelijk te maken wat wel mag en wat niet
mag en om eventuele onbedoelde effecten, die er wellicht nog steeds in
zitten, te repareren.
Ik zeg er ook bij: denken in rendement of studiesucces is niet altijd
verkeerd. Mag ik in herinnering brengen dat de cascade in het mbo ooit
is ingevoerd omdat scholen leerlingen veel te lang in het onderwijs
lieten zitten en eigenlijk gedwongen lieten stapelen, terwijl het ook op
een veel betere en snellere manier kon? De Kamer spreekt ook met
mbo-studenten en weet dus dat heel veel mbo-studenten niet de ambitie
hebben om zo lang mogelijk op school te blijven zitten, maar dat ze wat
anders willen. Dan kan het dus helpen om scholen daar wel op een of
andere manier op af te rekenen.
Aan voortijdig school verlaten hebben we ook bepaalde rendementseisen
gesteld. Dat heeft ons enorm ver gebracht, want het voortijdig school
verlaten is ondertussen met maar liefst meer dan de helft verminderd.
Kortom, we moeten steeds heel precies formuleren waar we het over hebben
en scholen dus niet in algemene termen afrekenen op rendement. Dat zou
een totale misvatting zijn en stapelen onaantrekkelijk maken. Maar als
we helemaal niks doen en alle prikkels uit het systeem halen, dan
creëren we misschien wel weer onbedoelde prikkels. Wat dat betreft
kunnen we bijvoorbeeld leren van het mbo.
Ik denk overigens dat het nieuwe toezicht, dat sinds vorig jaar van
kracht is en waar de Kamer onder andere met een initiatiefwet een
belangrijke rol bij heeft gespeeld, ook mogelijkheden biedt om juist in
het kader van gelijke kansen mee te denken over wat er nodig is om
risico's te vermijden en kansen te creëren. Maar ook met de scholen, de
bestuurders, de inspectie en het departement kunnen we het niet alleen.
Daarom hebben de staatssecretaris en ik gekozen voor een aanpak van de
Gelijke Kansen Alliantie. Daarin willen we naast scholen ook gemeenten,
werkgevers, private fondsen, culturele instellingen, andere
maatschappelijke organisaties en, zo zeg ik met nadruk tegen de heer
Duisenberg, ouders betrekken.
Een mooi voorbeeld van wat zo'n alliantie kan betekenen, heb ik gezien
bij het Lentiz college in Schiedam. Daar staan lokale werkgevers, een
kinderopvangorganisatie, de bibliotheek, de sportclub en een lokaal
fonds van de gemeente samen met de school rondom de leerlingen. Zij
vormen een alliantie voor talent. Dan maakt het helemaal niet meer uit
dat sommige problemen binnen de school spelen en andere problemen buiten
de school. Vanuit het perspectief van de leerlingen — ik heb velen horen
zeggen dat we vanuit de leerling en niet vanuit het systeem moeten
denken — heb je die samenwerking nodig. Het mag dus nooit zo zijn dat
het maatschappelijk werk binnen de school is, maar dat de jeugdzorg op
een heel andere manier buiten de school georganiseerd is, of dat je
helemaal niet weet wat een student binnen de school doet en wat er bij
de sportclub of de bibliotheek gebeurt. Dat betekent dat er een heel
intensieve samenwerking moet zijn en dat doen ze daar.
Vorige week was het de Gelijke Kansen Week en hebben we heel veel
initiatieven in het kader van gelijke kansen ontplooid. Ik was toen bij
De Hef, een vmbo in Rotterdam-Zuid met een zeer diverse
leerlingenpopulatie. Daar zie je dat de school een schakel is in een
heel breed netwerk van maatschappelijke partners. Echt bijzonder op De
Hef vond ik de enorme betrokkenheid van ouders bij de school en bij de
schoolloopbaan. De studenten hebben daar een coach en voeren ook een
gesprek met hun mentor en hun ouders. Ze noemen dat een "MOL-gesprek":
mentor, ouder, leerling. Dat helpt ook om de ouders veel en veel meer de
school in te krijgen, moeders en vaders. Ze worden op De Hef ook op heel
veel manieren betrokken bij de naschoolse activiteiten. Studenten van de
Hogeschool Rotterdam geven via het project Mentoren op Zuid begeleiding
aan leerlingen op het vmbo, ook om na te denken over de toekomst. Wat
kun je worden hierna? Wat zou je willen studeren hierna? Wat is er
mogelijk? Hoe kan ik je daarbij helpen?
Ik noem die twee voorbeelden omdat ze voor mij modelvoorbeelden zijn van
hoe ik de Gelijke Kansen Alliantie voor mij zie. In het Engels zeggen
ze: it takes a village to raise a child. Dit concept geeft dat ook heel
nadrukkelijk aan. Je zou kunnen zeggen: to educate a child. Want die
opleiding organiseer je niet alleen in het schoolgebouw, maar ook als
maatschappelijke opgave, met iedereen erbij.
Ik zie ook dat de alliantie die we gesloten hebben, echt leidt tot veel
meer synergie. De Stichting Lezen & Schrijven gaat nu samen met JINC
actief ouders benaderen die moeite hebben met de Nederlandse taal en
daardoor niet goed met school kunnen communiceren. Er zijn ook nog
private initiatieven bij betrokken, zoals in dit geval het private fonds
Goldschmeding Foundation. Zo zijn er in de alliantie tal van
samenwerkingsvormen aan het ontstaan die zich naar mijn idee echt als
een olievlek over het land kunnen verspreiden.
De voorzitter:
De heer Van Meenen heeft een vraag. Voordat ik hem het woord geef,
moeten we even afspreken hoeveel interrupties de leden hebben. Ik stel
voor drie interrupties voor beide bewindspersonen samen. Ik constateer
dat de leden akkoord zijn.
De heer Van Meenen (D66):
De minister is recent haar kansenalliantie begonnen, maar de voorbeelden
die zij geeft, kennen wij allang, die zijn er allang. Ik heb helemaal
niet het gevoel dat het iets is dat ontstaan is doordat de minister een
kansenalliantie begonnen is. Sterker nog, afgelopen zaterdag hadden wij
een congres. Daarvoor hadden wij ook een heleboel mensen uitgenodigd die
op allerlei manieren bezig zijn om te werken aan andere schoolconcepten
in samenspraak met anderen. Daar heb ik het woord "kansenalliantie"
nooit horen vallen. Ik hoorde daar alleen maar vertellen welke
hindernissen de overheid nog allemaal bij dit soort vormen van
samenwerking opwerpt. Gaat de kansenalliantie van de minister nu ook zo
ver dat het meer is dan alleen het leuk samenbrengen van partijen? Neemt
het ook de hindernissen weg die partijen die willen samenwerken
ervaren?
Minister Bussemaker:
Het is veel meer dan alleen leuke initiatieven. Ik noemde bijvoorbeeld
Lentiz college omdat dit een soort voorbeeld is geweest, omdat dat
inderdaad al langer bestaat. Dit soort initiatieven, met een campagne,
met middelen erbij, met onderzoek erbij, zijn we nu in tal van andere
regio's aan het ontwikkelen. We hebben daar een heel team voor dat er
dag in, dag uit aan werkt. Ik ben zelf afgelopen week in Tilburg
geweest, waar men nu ook bezig is om, met een format dat aansluit bij
ons idee over gelijke kansen, alle partijen bij elkaar te brengen. Wij
hebben middelen om dat te stimuleren. Dat is niet heel veel, ook omdat
wij vinden dat de verantwoordelijkheid vooral op lokaal en regionaal
niveau genomen moet worden, maar wij kunnen het wel degelijk aanjagen.
We laten al die initiatieven niet meer als duizend bloemen bloeien om
dan te zien wat ervan komt, maar we pakken ze met elkaar op. Waar er
wettelijke of beleidsmatige belemmeringen zijn, pakken we die aan.
Terecht noemt de heer Van Meenen dat. Een voorbeeld heb ik al genoemd:
de inspectie en het onderbouwrendement. Maar er zijn tal van andere. De
Kamer heeft het ook in de brief kunnen lezen: schakelprogramma's,
doorstroomrecht, aandacht voor brede brugklassen. De staatssecretaris
zal daar uitgebreid op ingaan, maar ook dat is vaak een onderdeel van
een regionale aanpak. Het is geen probleem dat één school in zichzelf
kan oplossen. Daar heb je samenwerking met andere scholen voor
nodig.
De heer Van Meenen (D66):
Dat is allemaal prachtig en ik ben er alleen maar blij mee, maar mijn
vraag is natuurlijk wat nu precies de rol is van de minister of de
overheid hierin. De minister zegt dat we vooral niet moeten hebben dat
duizend bloemen bloeien. Dat klinkt een beetje alsof we moeten zorgen
dat er weer een bepaalde structuur is en dat het allemaal op elkaar gaat
lijken; ik weet niet hoe ik dat moet verstaan. Ik zou zeggen: laat wel
duizend bloemen bloeien, misschien wel tienduizend. Ik denk dat er op
heel veel plekken in Nederland heel veel goede dingen gebeuren. Mensen
zijn graag bereid om te werken aan kansen, ongeacht wat de overheid
daarvan vindt. De overheid moet dat vooral ondersteunen en niet sturen.
Hoe sturend is zij nu?
Minister Bussemaker:
Niet zo sturend als de heer Van Meenen misschien denkt. Als ik zeg dat
ik niet duizend bloemen wil laten bloeien, bedoel ik dat ik wil leren
van al die verschillende initiatieven en dat die niet allemaal op
zichzelf moeten staan. Ik bedoel daarmee niet dat ik een format ga
maken, een soort dwangbuis, waar iedereen in moet passen. De
initiatieven komen juist van onderop. We bekijken nu met een heel team
waar mensen lokaal iets willen organiseren en of we die mensen bij
elkaar kunnen brengen. We beschikken via DUO en de inspectie over tal
van gegevens, vaak ook over een specifieke regio. Op basis daarvan
kunnen we bekijken of we hen kunnen helpen. Waar zit precies het
knelpunt? Kennen wij voorbeelden uit andere regio's die zij niet kennen,
maar waarvan ze misschien wel kunnen leren? Bevat het beleid
onduidelijkheden? Zo ja, dan gaan we dat beter uitleggen. Als er
misverstanden zijn, dan sturen we een inspecteur naar scholen. Dat
bedoel ik met aanjagen en de regie nemen. Ik doel daarmee niet op een
vast format.
Soms betekent de regie nemen dat je maatregelen aankondigt. Ik heb er
net al een aantal genoemd, zoals het doorstroomrecht, de brede
brugklassen en het toelatingsrecht voor mbo'ers. Maar ik noem
bijvoorbeeld ook de mbo- en hbo-initiatieven in het kader van soepele
overgangen. Ik vind het interessant dat we via een Facebookcampagne 500
mbo- en hbo-studenten hebben geworven, die gaan meedenken over de vraag
hoe je de overgang van het mbo naar het hbo soepeler kunt laten
verlopen. In dat traject, het OCW StudentLab, worden studenten begeleid
bij het doen van voorstellen voor een betere overgang van het mbo naar
het hbo. Dat gebeurt niet van bovenaf door de bestuurders, maar met de
ervaringsdeskundigen en de studenten zelf. Mijn ervaring is dat zij heel
goed weten wat er nodig is. Daar hebben we ook middelen voor
uitgetrokken. Gedurende twee jaar is daarvoor 11 miljoen
beschikbaar.
We zijn ook bezig met het succesvolle programma Tel mee met Taal, zo zeg
ik tegen de heer Duisenberg. Dat programma is er vooral op gericht om
ouders bij het proces betrekken. Afgelopen jaar bereikten we met dit
programma al een recordaantal van 23.000 laaggeletterden. Vanaf dit jaar
richten we ons extra op ouders met een taalachterstand. We willen hen
helpen bij het communiceren met de school en bij het bieden van een
stimulerende thuisomgeving. Het programma Tel mee met Taal richt zich
bij uitstek niet alleen op schoolbesturen. Het richt zich op
initiatieven waarbij vaak ook een bibliotheek, een consultatiebureau of
culturele organisaties zijn betrokken. Al die initiatieven zijn erop
gericht om een beweging van onderop op gang te krijgen.
Ik noem ook nog een voorbeeld uit het hoger onderwijs: de university
colleges. Zij hebben het voortouw genomen om de diversiteit op hun
opleidingen te vergroten met behulp van het programma SUCCESS. Zo gaat
het university college in Rotterdam actief naar scholen waarop relatief
veel leerlingen zitten van wie de ouders niet hebben gestudeerd en heeft
het een beurzenprogramma gericht op studenten uit Rotterdam-Zuid. Wat
doen we structureel in het hoger onderwijs? We hebben de basisbeurs
veranderd en we hebben het studievoorschot ingevoerd. Ik ben blij dat ik
de Kamer vanochtend een brief heb kunnen sturen, waarin staat dat het
niveau van de instroom weer grosso modo overeenkomt met het niveau van
2012. 2012 was het jaar waarin bekend werd gemaakt dat de
studiefinanciering waarschijnlijk zou veranderen. Met alle extra
middelen kunnen we ervoor zorgen dat we meer investeren in kwaliteit en
docenten. We doen dat niet alleen met een beurs, maar ook met concrete
ondersteuning. We bekijken met behulp van het StudentLab en met tal van
andere initiatieven wat er nog meer mogelijk is.
Er komt in april of mei nog een rapport over het studievoorschot, zo zeg
ik tegen de heer Van Dijk. Dat heb ik vorig jaar ook gedaan. Ik heb de
Kamer toen ook in februari een brief gestuurd, waarna in april of mei
een uitgebreider rapport verscheen. We zullen dan meer te weten komen
over de zes specifieke, mogelijke onderverdelingen. Ik zeg bij voorbaat
dat ik daar niet voor wegloop. Ik ben blij met de gegevens van vandaag
de dag, maar het zou natuurlijk raar zijn als in zo'n korte tijd op geen
enkel punt sprake is van een hiccup. Sommige leden verwezen naar
studenten met een beperking. Ik blijf daarvoor openstaan. Ik blijf dus
ook de motie-Slob uitvoeren, want ik wil weten wat de consequenties
zijn. Grosso modo zijn de consequenties nu dat we terug zijn op het
niveau van 2012 en dat we dus echt die middelen verantwoord kunnen gaan
investeren in kwaliteitsverbetering, toegankelijkheid en bestrijden van
uitval waar dat nodig is.
De heer Grashoff (GroenLinks):
Is de minister het met mij eens dat nu juist university college naar
zijn aard en de manier waarop het is opgezet — het bestaat nog niet zo
lang — zo ongeveer het summum is van elitair onderwijs in Nederland? Nu
moeten er noodverbanden worden aangelegd om dat uit de hand gelopen
elitaire onderwijs, met torenhoge kosten, weer in de hand te krijgen. Is
het niet een soort symptoombestrijding van iets wat eigenlijk anders had
moeten worden aangevlogen?
Minister Bussemaker:
Nee, want ik zie dat university colleges van enorme betekenis kunnen
zijn omdat ze op een andere manier onderwijs aanbieden, ook buitengewoon
intensief onderwijs, waarbij men doorgaans intern is. Het zou een
probleem zijn als het tot een enorme bias zou leiden waardoor alleen nog
kinderen van de allerhoogst opgeleiden daarnaartoe zouden kunnen. Daarom
ben ik blij dat ik zie dat heel veel university colleges zelf beurzen
hebben. Nog veel belangrijker is dat ze samenwerkingsverbanden hebben
met scholen in hun regio waar leerlingen worden gestimuleerd om ook de
stap naar een university college te zetten. Onderdeel van hun programma
is dat ze bekijken en er rekening mee houden waar hun leerlingen vandaan
komen.
De heer Grashoff (GroenLinks):
Ik ben buitengewoon geïnteresseerd in de cijfers. In mijn beleving zijn
university colleges bepaald geen afspiegeling van de bevolking, maar als
de minister mij heldere, keiharde feiten presenteert waaruit blijkt dat
dit anders is, dan laat ik mij uiteraard daardoor overtuigen. De
minister moet ze dan misschien maar aanleveren.
Minister Bussemaker:
Het gaat erom dat dit zo zou zijn als er helemaal geen werk van gemaakt
zou worden. Ik erken dat juist hier nog wel werk te doen is, want ik zou
anders het initiatief niet genoemd hebben. Ik zie dat de university
colleges de urgentie ervan zien om juist deze vorm van onderwijs
toegankelijk te maken voor iedereen. Wat mij betreft gaat het creëren
van gelijke kansen niet over het creëren van de grootste middelmaat voor
iedereen, maar soms ook over verschil maken. Dat kan ook juist hier van
betekenis zijn, zodat scholen gestimuleerd worden om university college
als mogelijkheid te zien voor studenten, bijvoorbeeld
eerstegeneratiestudenten of studenten met ouders die minder hoog zijn
opgeleid. Het is een opdracht voor de university colleges. Ik ga niet
zeggen dat de cijfers zo zullen zijn dat er inderdaad allemaal kinderen
van laagopgeleide ouders zitten. Dat zou heel raar zijn en dat is
natuurlijk ook niet zo.
De heer Duisenberg (VVD):
Ik word heel blij van het bevlogen betoog van de minister over De Hef.
Ik begrijp dat zij daar geweest is. De Hef is een heel goed voorbeeld
van ouderbetrokkenheid. We weten allemaal en zien terug in onderzoek van
het SCP dat er verschillende groepen ouders zijn. Een heel grote groep
is heel positief en op de juiste manier betrokken. Er is ook een groep
die iets te betrokken is. Ik zie de heer Mohandis lachen; hij weet wat
ik bedoel. Daarnaast is er echter een groep ouders die te weinig
betrokken is, zo zegt ook het SCP. Als hun kind een lees- of
rekenprobleem heeft, is dat het probleem van de leraar en de school, als
het die ouders überhaupt al interesseert. Het komt erop neer dat die
ouders zeggen geen rol te hebben. Ik heb de volgende vraag over De Hef,
die een heel positief voorbeeld is. Als ouders hun kind daar aanmelden,
meldt de school dan wat het concept is en hoe die ouders meedraaien in
dat concept? Maakt de school duidelijk wat de rol van de ouder is in dat
concept? Ik zou daar heel graag meer van willen weten.
Minister Bussemaker:
De Hef school is echt een werkbezoek waard. Ik vind het mooi dat de
school de ouders er vanaf het allereerste moment bij betrekt. Niet
alleen met de leerlingen worden gesprekken gevoerd, maar ook met de
ouders. Zo raken ouders veel meer ontvankelijk voor wat er op school
gebeurt. Dat er ouders zijn die misschien te veel vragen, ben ik met de
heer Duisenberg eens. Dat is echter een ander verhaal. Ik denk dat de
staatssecretaris daar specifiek wat betreft het po en vo nog op in zal
gaan. Ik vind het in ieder geval ook een heel belangrijk aandachtspunt
voor de lerarenopleidingen. Het is een van de grootste problemen waarmee
beginnende leraren te maken hebben: hoe ga ik op een goede manier met
ouders om? Aan de ene kant zijn er de ouders die zich eigenlijk afzijdig
houden, en aan de andere kant de ouders die misschien wel te veel in de
klas zitten om te vertellen welke fantastische dingen hun kind wel niet
kan. Hoe gaat een leraar daar op een goede manier mee om?
De heer Duisenberg (VVD):
Ik dank de minister voor het advies om een werkbezoek af te leggen, maar
in haar antwoord proef ik nog iets te veel dat zij het probleem weer bij
de leraar legt. Ik ben juist op zoek naar voorbeelden waarin meer
verantwoordelijkheid bij de ouders wordt neergelegd. Daarbij passen geen
Haagse regeltjes. Daar ben ik ook helemaal niet op uit. Ik ben benieuwd
naar een school zoals De Hef, en naar Expeditie Basisschool in Den
Bosch. Je kunt tegen ouders zeggen: "Jongens, het is wel: voor wat,
hoort wat. Wij zorgen voor goede leraren en we zijn bezig met de
adviezen, alles met de beste intenties voor het kind, maar jullie hebben
als ouders ook een rol." Ik vind dat je als school ook iets kunt vragen.
Ik ben dus benieuwd of de positieve voorbeelden dat ook doen.
Minister Bussemaker:
Dat ben ik helemaal met de heer Duisenberg eens, alleen is het
ingewikkelde dat een school niet in juridische zin iets kan vragen van
ouders. Bij De Hef proberen ze dus om ouders naar school te krijgen voor
een gesprek maar ook voor optredens of gezamenlijke maaltijden, waarvoor
ouders zelf eten maken en meenemen. Op die manier heeft men een haakje
om het gesprek aan te gaan. Men probeert ouders niet zozeer vanuit een
verplichting naar school te krijgen als wel vanuit het gevoel van
betekenis te zijn voor de onderwijstoekomst voor hun kinderen.
Vandaaruit ziet men het meer als een verantwoordelijkheid of een
commitment dan als iets wat juridisch afdwingbaar is. Ik zie ook mooie
initiatieven op het terrein van cultuureducatie. Culturele organisaties
richten zich daarin niet alleen op de leerlingen, maar ook op de ouders.
Ze stimuleren ouders bijvoorbeeld om thuis veel meer te gaan voorlezen.
Dat gebeurt meer in positieve zin, door te inspireren, dan in negatieve
zin, door te verplichten.
De voorzitter:
Voordat ik de heer Rog het woord geef, wil ik even een misverstand
ophelderen over een interruptie van de heer Grashoff. Mijnheer Grashoff,
u stelde een vraag aan de minister over de colleges. Daarop kreeg u een
antwoord. Vervolgens stelde u opnieuw een vraag: ik ben niet overtuigd;
daarover krijg ik graag de gegevens. Daar begon u mee. Volgens mij hebt
u de interruptie dus in tweeën gedaan en hoef ik u niet nog een keer het
woord te geven.
De heer Rog (CDA):
Het is wel aardig. Vorig jaar kregen we rond deze tijd ook de
instroomcijfers van de Vereniging Hogescholen en de VSNU. Die cijfers
waren toen voor mij aanleiding om een debat aan te vragen. Dat mocht
niet plaatsvinden van de partijen van de leenstelselcoalitie, omdat de
cijfers nog niet definitief waren. Ik merk op dat er vandaag maar al te
graag uit geciteerd wordt door leenstelselcoalitiepartijen, maar dat de
uiteindelijke cijfers dat jaar negatiever uitpakten dan de voorlopige
cijfers. De instroom in het hbo leek toen 8,6% lager te zijn; dat werd
9%. Ik meld dat maar even. De minister claimt hier dat de instroom terug
is op het niveau van 2012. Dat is natuurlijk niet waar. Die instroom
ligt 2.000 jongeren lager. Laten we even kijken naar de verklaring die
de minister had voor de boeggolf in 2013, waardoor de instroom hoger
was. Het water van die boeggolf komt ergens vandaan, namelijk uit 2012,
het enige jaar waarin er een daling te zien was van de instroom van
scholieren en mbo'ers in het hbo. Zowel in het jaar daarvoor, 2011, als
in het jaar na de boeggolf, 2014, was de instroom in het hbo namelijk
102.500 scholieren en mbo'ers. We zitten daar nu gewoon fors onder. We
zitten er bijna 4.000 leerlingen, dus 4%, onder.
De voorzitter:
Mijnheer Rog, stelt u uw vraag.
De heer Rog (CDA):
Ik vraag de minister hoe zij als sociaaldemocraat, als iemand die staat
voor verheffing, kan accepteren dat er 4% minder instroom is dan het
gemiddelde over de periode van 2011 tot het jaar voor invoering van het
leenstelsel. Hoe kan zij dat wegrelativeren en daarvan wegkijken?
Minister Bussemaker:
Ik kijk niet weg. Ik poets ook geen cijfers weg. Ik heb de afgelopen
dagen heel goed gekeken naar de instroom, niet alleen in 2012, niet
alleen in 2011, maar ook in alle jaren daarvoor. Dan zie je dat die
redelijk constant is. Vanaf 2012 zie je een verandering. Dat is ook niet
zo raar, want toen trad het huidige kabinet aan. Toen werd dus bekend
dat er iets aan de studiefinanciering zou gaan veranderen. Eerst
gebeurde dat in 2013 en daarna nog een keer, omdat het studievoorschot
later is ingevoerd dan oorspronkelijk de bedoeling was. Vervolgens zie
je het effect daarvan, doordat mensen een tussenjaar zijn gaan nemen. Nu
zie je dat het zich min of meer — ik zei ook net grosso modo — herstelt.
Het is niet zo dat we een-op-een op het niveau van 2012 zitten. Maar de
lijn die we altijd hebben aangegeven doet zich voor. We gaan terug naar
een zekere balans. Misschien houdt dat wel in dat een aantal studenten
niet gaat studeren. Ook dat weten we uit de CPB-gegevens.
Ik ben dus tevreden dat we nu weer richting het niveau van 2012 gaan en
daar grosso modo weer op zitten. Op de universiteiten is de instroom wat
hoger. Dat heeft deels te maken met de internationale studenten. Op de
hogescholen is de instroom nog wat minder. Dat heeft te maken met de
geringe oploop van vwo-studenten. Daar moeten we ook om een heleboel
andere reden nog aan werken. Het is niet alleen een effect van het
studievoorschot, maar heeft ook te maken met de vraag hoe aantrekkelijk
het voor vwo'ers is om een opleiding op hogeschoolniveau te doen. De
meesten denken nu in ieder geval dat dat niet aantrekkelijk is, dus daar
is nog werk aan de winkel. Ik kom daar straks heel graag op terug met
alle gegevens die we dan hebben. Ik ga dan graag het debat met de heer
Rog aan, zoals ik vorig jaar met hem het debat ben aangegaan bij de
februaribrief en vervolgens bij het uitgebreide rapport in april/mei.
Vanzelfsprekend doe ik dat nu ook heel graag.
De heer Rog (CDA):
Het siert de minister dat zij terugkomt op haar eigen woorden. Daarnet
zei zij dat de studenteninstroom terug is op het niveau van 2012.
Minister Bussemaker:
Ik zei "grosso modo terug op het niveau van 2012".
De heer Rog (CDA):
Het is goed dat de minister nu expliciet duidelijk maakt dat het dus nog
niet terug is op dat niveau. Dat was het enige jaar waarin de instroom
veel dichter bij de huidige instroom lag, en nu zitten we daar nog
steeds 2.000 studenten onder. Het zou de minister sieren als zij nu zou
erkennen dat er sinds de invoering van haar leenstelsel niet alleen in
2015 9.000 scholieren en mbo'ers niet naar het hbo zijn gegaan, maar dat
daar nu ook nog 4.000 jongeren bij zijn gekomen. Deze minister is
verantwoordelijk voor het feit dat 13.000 jongeren zich niet hebben
kunnen verheffen, iets wat de minister in woorden bepleit.
Minister Bussemaker:
Ik moet de heer Rog toch echt corrigeren. Ik ben niet van één jaar
uitgegaan. Ik ben uitgegaan van de vergelijking, ook met de jaren
daaraan voorafgaand. Op grond van die cijfers ga ik graag met hem het
debat aan. Laten we dat wel zorgvuldig voeren, dus op grond van de
cijfers die we nu hebben. Ik heb niks anders gedaan dan wat ik vorig
jaar ook heb gedaan. Toen hebben we gezegd dat de cijfers definitief
waren, maar ook dat we wisten dat de cijfers van april/mei heel kleine
wijzigingen zouden laten zien. Dat komt omdat — het wordt nu wel heel
ingewikkeld — er bij de berekeningen door ResearchNed op onderdelen soms
net een andere definitie wordt gehanteerd. Dat was vorig jaar ook het
geval. Dat zegt helemaal niks. Het gaat om de hoofdlijn die we hieruit
halen. Die hoofdlijn is dat we bij zowel de hogescholen als de
universiteiten stijgende percentages studentendeelname zien. Het lijkt
mij fijn als we in de Kamer zo veel mogelijk op grond van argumenten en
feiten blijven discussiëren met elkaar. Dat doe ik heel graag, nu en in
april/mei, maar wel op grond van de inhoud.
Ik ben de heer Rog nog een verantwoording schuldig, althans ik zou graag
willen ingaan op zijn opmerking dat ik zou propageren dat mbo'ers niet
naar het hbo hoeven. Ik zou dit graag willen corrigeren. Het is absoluut
niet mijn opvatting dat mbo'ers nooit of niet naar het hbo zouden mogen.
Ik signaleer echter wel iets anders en dat vind ik zorgelijk.
Mbo-studenten die verder willen, meer in hun mars hebben en gemotiveerd
zijn, zien maar één manier om verder te komen, namelijk een vierjarige
hbo-opleiding volgen. Iedereen die dat wil, moet dat kunnen doen.
Iedereen die dit wil en kan, moet de mogelijkheid hebben om door te
stromen naar het hbo. Vandaar dat ik dus zeer gecommitteerd ben aan het
programma StudentLab, want dat is daar bij uitstek op gericht. Ik vind
alleen dat wij mbo'ers die meer willen, weinig te bieden hebben in
Nederland. Wij hebben namelijk niet zo veel meer te bieden dan "ga nog
maar vier jaar studeren". Met name mbo'ers die vakmensen zijn en de
beroepspraktijk in willen, zouden wat mij betreft alternatieven moeten
hebben om die beroepspraktijk verder te kunnen ontwikkelen. Dat kan
bijvoorbeeld door meester-gezeltrajecten uit te zetten. Dat heb ik ook
gedaan in het kader van mbo excellent vakmanschap. Het kan ook door
associate degrees op te zetten. Daar ben ik mee bezig. Binnenkort krijgt
de Kamer daar een wetsvoorstel over. Dat kan door een leven lang leren
te stimuleren, bijvoorbeeld aan de hand van certificaten. Ik heb de
commissie-Sap om advies daarover gevraagd. Die zal daar binnenkort mee
komen. Dan hoop ik dat wij — ik hoorde de heer Beertema dat ook zeggen —
het beroepsonderwijs gewoon de waardering en de plek kunnen blijven
geven die het verdient.
We moeten niet tegen onze jongeren zeggen dat ze eigenlijk pas goed
opgeleid zijn als ze allemaal een universitair diploma hebben. Om die
reden heb ik de Lissabonafspraak versoepeld. Ik wil niet dat wij elkaar
op rendement en op percentages hogeropgeleiden afrekenen. Wij moeten
elkaar afrekenen op de manier waarop wij het beste uit al onze jongeren
kunnen halen.
De heer Beertema (PVV):
Deze plannen van de minister spreken mij erg aan. Wij hebben het
indertijd veel gehad over het traject van de associate degree. Naar mijn
smaak is dat niet voldoende van de grond gekomen. Ik ben bang dat de
minister dat zelf ook vindt. Wil ze daar nog even op ingaan? Kan ze daar
nog iets meer over zeggen?
In de eerste termijn is ook aangestipt dat er zorgen zijn over het
achterblijven van de instroom vwo'ers in het hbo. Waarom zijn daar
zorgen over? Ik vind dat een belangrijke vraag. Ik begrijp dat de hbo's
die instroom graag zouden zien. Maar als vwo'ers gewoon rechtstreeks het
wo instromen, is dat toch helemaal geen punt? Zijn de hbo's daar zo
ontevreden over, omdat ze zich toch nog altijd willen meten aan het wo?
Speelt dat wellicht een rol? Naar mijn smaak zou dat helemaal niet
moeten. Is het niet veel zorgelijker dat de doorstroom van het mbo naar
het hbo stagneert?
Minister Bussemaker:
Ik ben het met de heer Beertema eens dat het traject van de associate
degree tot nu toe niet goed genoeg was. Ik ben wel heel blij dat uit de
instroomcijfers die ik vanochtend heb gestuurd, blijkt dat er een
stijging is van 24,5% bij de associate degrees. Dat is goed nieuws. De
Hogeschool Rotterdam is op dat gebied een voorbeeld en een voortrekker
geweest. Die heeft de associate degree-opleidingen bij elkaar gezet in
een Ad-college en is op een andere manier gaan lesgeven. Die manier
sluit veel meer aan bij mbo-studenten. Tot nu toe kon je je associate
degree-opleiding alleen maar als een slap aftreksel van een reguliere
bacheloropleiding vormgeven. Daardoor moesten mbo'ers een heleboel
vakken volgen die voor hen eigenlijk niet interessant waren. Wij moeten
nu echt een beweging maken. De Kamer krijgt daarover binnenkort meer
informatie van mij.
Nu kom ik op de vwo'ers in het hbo. Het is jammer dat dat nog niet zo
vlot. Ik vind dat het hbo de verbinding moet zijn. De overgang mbo-hbo
moet men net zo serieus nemen als de relatie met het wo. Ik zie
mogelijkheden voor bijvoorbeeld studenten met een vwo-diploma die een
opleiding willen doen die alleen op hbo-niveau gegeven wordt. Denk aan
fysiotherapie. Het is interessant om te bekijken of je als vwo'er die
opleiding op hbo-niveau kunt doen. Maar dan wil je wel dat je dat in
drie jaar kunt doen, anders heb je eerst een jaar langer op de
middelbare school gezeten en dan ga je ook nog eens een jaar langer op
het hbo zitten. Dat is natuurlijk niet aantrekkelijk. Daarvoor moeten we
maatwerk zoeken. Dat soort maatwerk heb ik in mijn hoofd als ik het heb
over vwo-instroom in het hbo.
Tot slot kom ik op de meer algemene aanpak. Ik zei net al in een
interruptiedebatje met de heer Van Meenen dat het van cruciaal belang is
om onderzoek te doen om alle interventies te volgen. We moeten het met
elkaar eens zijn dat hier geen simpele oplossingen voor zijn. Ik ben
blij dat ik die ook niet van de Kamer hoor. Volgens mij wordt breed
beseft dat het gaat om een complexe en weerbarstige materie en dat we in
het onderwijs veel meer moeten nadenken over welke interventies werken,
wat de positieve en de soms negatieve effecten zijn en wat het resultaat
is van een samenspel van vele factoren.
Ik begrijp heel goed dat er soms een roep is om minder vroeg te
selecteren, om het vmbo te verlengen, om selectiedrempels te verlagen en
om het toezicht te veranderen. Daarover kan allemaal gediscussieerd
worden, maar het gaat uiteindelijk om de uitwerking die dat heeft op
leraren en op scholen. Naar mijn idee is een stelselwijziging vaak niet
de beste oplossing. Ik denk dat zo'n aanpak als van de Gelijke Kansen
Alliantie dan een betere kans van slagen heeft.
Dan heb ik nog een paar antwoorden op meer concrete vragen, zoals over
de schoolkosten in het mbo, waar de woordvoerders van de PvdA, D66, het
CDA en de SP naar hebben gevraagd. Schoolkosten hebben direct gevolgen
voor de toegankelijkheid van het onderwijs en zijn dus van heel groot
belang. Daarom hebben wij de schoolkostenmonitor, waarmee ik de
ontwikkeling van schoolkosten volg, zowel in het vo als in het
mbo.
Mede naar aanleiding van de motie-Jadnanansing/Siderius (34300-VIII, nr.
40) heb ik ook nog een apart onderzoek laten uitvoeren naar de omvang
van de schoolkostenproblematiek voor 16- en 17-jarige mbo'ers uit
minimagezinnen. Een belangrijke conclusie voor het mbo is dat als gevolg
van de verandering in het kindgebonden budget en de introductie van de
ov-kaart een groot deel van de 16- en 17-jarige mbo'ers uit gezinnen met
lagere inkomens er gemiddeld genomen op vooruitgaat ten opzichte van de
situatie waarin alleen de inkomensafhankelijke Wet tegemoetkoming
onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS) nog bestond.
Het schoolkostenprobleem werd voor een groot deel, namelijk ongeveer
€600, veroorzaakt door de reiskosten die 16- en 17-jarigen hadden. Vorig
jaar heb ik 5 miljoen beschikbaar gesteld voor leermiddelen, boven op de
aanpassing in het kindgebonden budget en de ov-kaart. Deze regeling
verleng ik en het budget wordt verdubbeld. Er is dus voor dit jaar 10
miljoen beschikbaar en dat zal structureel beschikbaar zijn.
Het blijft van groot belang dat mbo-instellingen er zelf alles aan
blijven doen om de vormgeving van de tegemoetkoming sober en beheersbaar
te houden, in overleg met de studentenraden, die sinds dit jaar
instemmingsrecht hebben. Ik ben in gesprek met de betrokken partijen, de
MBO Raad, de Jongeren Organisatie Beroepsonderwijs (JOB), Stichting
Leergeld en de inspectie, over de vraag of de regeling voor 10 miljoen
dit jaar goed uitwerkt. We hebben ook de scholen nodig om te kijken of
deze doet wat zij moet doen. Ik ben graag bereid om een vergelijking te
maken met het vo. Daar werd onder andere door de PvdA naar gevraagd,
dacht ik.
De heer Van Meenen vroeg om studenten een stem te geven. De
deelnemersraad heeft sinds 1 januari jongstleden instemmingsrecht op het
beleid van de mbo-school op het gebied van schoolkosten, dus volgens mij
is dat geregeld.
De heer Duisenberg vroeg naar de studiebijsluiter.
De voorzitter:
Mijnheer Van Dijk, mag de minister even de beantwoording afmaken of hebt
u precies op dit punt een vraag? Dit gaat allemaal over
schoolkosten.
Minister Bussemaker:
Ik ben daar net klaar mee.
De voorzitter:
O, de minister is daar klaar mee. Dan mag de heer Van Dijk een vraag
stellen, maar niet dan nadat ik van de gelegenheid gebruik heb gemaakt
om een voorzitterswisseling aan te kondigen. De heer Van der Ree neemt
het voorzitterschap over, want ik ga de vergadering verlaten.
Voorzitter: Van der Ree
De heer Jasper van Dijk (SP):
Is de nieuwe voorzitter ervan op de hoogte dat alle leden acht
interrupties mogen plegen? Grapje.
De minister noemt de maatregelen op die genomen zijn voor mbo-studenten.
We hadden het al over de ov-kaart. Hartstikke mooi. Er is een potje van
10 miljoen voor schoolkosten en met name leermiddelen. Ik heb altijd
mijn zorg uitgesproken over het feit dat dit potje vraaggericht is: een
student maakt daar alleen aanspraak op als hij daarom vraagt. Niet voor
niets is al genoemd dat de feitelijke kosten van het wegnemen van die
kosten veel hoger zijn, namelijk misschien wel 50 tot 100 miljoen euro.
Ik wil eigenlijk toe naar die situatie omdat ik het principieel onjuist
vind om kosten neer te leggen bij studenten. Hetzelfde geldt voor de
ouderbijdrage in het po en vo. Die mag nooit gebruikt worden voor
leermiddelen die noodzakelijk zijn voor de opleiding. Is de minister het
daarover met mij eens? Moeten wij daar niet paal en perk aan
stellen?
Minister Bussemaker:
Daarom wil ik juist evalueren of de 10 miljoen die er nu is, op de goede
manier wordt gebruikt en of scholen ook zelf hun verantwoordelijkheid
nemen door bijvoorbeeld leermiddelen zelf te bekostigen of sober te
bekostigen. In het mbo wordt bijvoorbeeld van je verwacht dat je sommige
onderdelen die ook voor het vak van belang zijn, zelf aanschaft. Daarbij
hoeft het echter niet altijd om de aanschaf van nieuwe dingen te gaan.
Een school moet gewoon ook meedenken: kunnen we dat ook realiseren door
uit te lenen, kunnen we dit op een goedkope manier doen, hoe kunnen we
dat regelen en nemen wij zelf initiatief voor studenten die deze dingen
niet zelf kunnen betalen? Ik denk dat het goed is om eerst eens te
bekijken wat er nu met die 10 miljoen wordt gedaan: is dat bedrag
voldoende en wordt het op de goede manier besteed en ontnemen wij
scholen daardoor niet de mogelijkheid om op hun eigen manier zelf
verantwoordelijkheid nemen? Als wij al die gegevens hebben en de
vergelijking met de vo-sector bekend is gemaakt, ben ik altijd bereid
daar verder met de Kamer over te praten.
De schoolkosten moeten ook op het mbo beperkt blijven. De mbo-instelling
is verantwoordelijk voor de basisuitrusting voor een mbo-opleiding. Dat
is het uitgangspunt. Wel mag van de student worden verwacht dat hij de
zaken heeft die nodig zijn om thuis het huiswerk of de opdrachten te
maken. Van een student die een koksopleiding volgt, mag bijvoorbeeld in
principe worden verwacht dat hij een messenset koopt, maar de school
moet meedenken met studenten voor wie het kopen van die messenset een
probleem is. Dat is wat ik van scholen verwacht.
De heer Jasper van Dijk (SP):
Daar zit een heel rare kronkel in. Ik ga straks ook heel goed naar de
staatssecretaris luisteren. Ik vertrouw erop dat hij zal zeggen: een
school mag nooit kosten in rekening brengen die nodig zijn voor de
opleiding. Dat is glashelder bij de vrijwillige ouderbijdrage. Bij het
mbo komt er echter opeens een rare kronkel in: nou, de school mag toch
kosten in rekening brengen voor een uitrusting, voor een uniform of een
messenset. Dat klopt niet. Dat is onjuist. Dit wordt dus een politieke
kwestie. Ik zal dan ook een motie indienen waarmee ik de Kamer vraag uit
te spreken dat de school nooit kosten in rekening mag brengen die nodig
zijn voor de opleiding. Dat is helder in het basisonderwijs en in het
voortgezet onderwijs, maar bij het mbo is dat opeens anders. Dat vind ik
vreemd. Het jaagt mbo-studenten op kosten van gemiddeld ruim €400 per
jaar.
Minister Bussemaker:
Ik denk dat wij het erover eens zijn dat kosten nooit de opleiding mogen
belemmeren en dat de mbo-instelling dus ook verantwoordelijk is voor de
basisuitrusting voor een mbo-opleiding. Tegelijkertijd moeten wij
erkennen dat er een onderscheid is tussen funderend onderwijs, dat
beroepsoriënterend is, en een mbo-opleiding die beroepskwalificerend is.
Naar mijn idee is het niet altijd of ten principale onredelijk om
onderdelen voor je opleiding te moeten aanschaffen die je later ook in
je beroep nodig hebt. Als dat op een redelijke manier gevraagd wordt en
als je niet de duurste varianten hoeft te kopen maar als het ook op een
betaalbare en voor iedereen toegankelijke manier kan, zie ik niet wat
het probleem is. Voor degenen die toch tegen financiële grenzen
aanlopen, moet de school zijn maatschappelijke verantwoordelijkheid
nemen. Die 10 miljoen is er onder andere voor bedoeld om deze studenten
tegemoet te komen. Volgens mij heb ik al een ruimhartige toezegging
gedaan voor die 10 miljoen en het volgen van die 10 miljoen, waarbij wij
scholen vragen wat zij er precies mee doen. Daarbovenop is toegezegd dat
we in de evaluatie ook een vergelijking maken met het vo. Dan bedoel ik
niet alleen een vergelijking in systematiek, maar ook in de bedragen die
gevraagd worden. Ik vraag de heer Van Dijk om even geduld te hebben en
dat af te wachten. Dan weten we tenminste echt wat we moeten doen. Uit
de monitor bleek ook dat we eerst gegevens nodig hadden, voordat we goed
konden inschatten wat precies nodig was.
De heer Duisenberg heeft gevraagd naar de studiebijsluiter. Die is er
zowel in het mbo als in het hbo. Uit de cijfers van Studie in Cijfers
blijkt dat er in het mbo nog wel een verbetering mogelijk is. Bij twee
derde van de opleidingen is de informatie makkelijk te vinden, maar bij
een derde niet. Daar is dus nog ruimte voor verbetering. Daarom heeft de
SBB (Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven) een
toolkit ontwikkeld die dit schooljaar onder de aandacht wordt gebracht
van schooldecanen. Er zullen ook verdere stappen worden gezet om de
deelname van mbo-instellingen aan Studie in Cijfers en de bekendheid van
Studie in Cijfers bij studenten te vergroten.
Uit onderzoek van ResearchNed uit 2016 blijkt dat bij het ho de
studiebijsluiter goed te vinden is op de website van Studiekeuze123.
Bovendien is die voor bijna alle opleidingen goed zichtbaar opgenomen op
de website van de onderwijsinstellingen.
Wat de arbeidsmarktvoorlichting betreft zijn de betrokken partijen bezig
met een kwaliteitsslag. Zij baseren zich daarbij op het advies dat zij
hebben ingewonnen bij het Researchcentrum voor onderwijs en arbeidsmarkt
(ROA) en het deskundigenpanel van Studiekeuze123. De wijzigingen die
hieruit voortkomen, worden in september van dit jaar online geplaatst.
Ik zeg erbij dat de instellingen en de studentenbonden, het ISO en de
LSVb, er nauw bij betrokken zijn.
Wellicht ten overvloede: ik heb de Kamer al eerder laten weten dat het
CBS nu in mijn opdracht een pilot uitvoert waarbij zal worden nagegaan
of de registerdata over de arbeidsmarktsituatie vijf jaar na afstuderen
ook gebruikt kunnen worden in het kader van voorlichting. Mocht dit het
geval zijn, dan zal Studiekeuze123 die ook meenemen.
De heer Rog vroeg naar het teachnasium, in het kader van de pabo's en in
het bijzonder van mannen en de pabo's. Ik kan daar een heel lang verhaal
over houden, maar ik kan hem ook verwijzen naar de recente brief die we
de Kamer gestuurd hebben naar aanleiding van de initiatiefnota van de
heer Bruins. Op pagina 4 en 5 gaan we in op het teachnasium als een
positief voorbeeld. We willen bekijken of we hier ook elders gevolg aan
kunnen geven.
Tot slot, er zijn een heleboel factoren van belang bij gelijke kansen,
maar één factor is natuurlijk wel heel erg bepalend en dat is de leraar.
Mevrouw Vermue begon haar betoog met te zeggen dat dit betekent dat de
leraren en dus de lerarenopleidingen daarop voorbereid moeten zijn en ik
eindig mijn betoog daarmee. Je hebt dus verschillende niveaus nodig. Je
hebt onderwijsassistenten nodig. Je hebt hbo'ers nodig, met een
bachelor, maar gelukkig ook steeds meer met een master. De master SEN
(Special Educational Needs), waar mevrouw Ypma het over had, wordt
bijvoorbeeld door heel veel hbo-afgestudeerden gevolgd. Je hebt ook
academici nodig, omdat ze cognitieve vaardigheden moeten hebben maar
vooral ook differentiatievaardigheden en didactische vaardigheden, om te
weten hoe je talenten kunt herkennen, om te kunnen differentiëren, om
met ouders om te kunnen gaan, maar ook om kennis te nemen van onderzoek
en maatschappelijke debatten en te weten hoe je dit kunt vertalen naar
jouw school en jouw klas. De opdracht van gelijke kansen is inherent aan
het hele onderwijsbeleid. Ik hoorde de heer Grashoff zeggen dat er niet
waanzinnig veel middelen zijn voor gelijke kansen. Het is inderdaad een
bescheiden bedrag, maar eigenlijk gaan alle middelen in het onderwijs
over gelijke kansen.
Staatssecretaris Dekker:
Voorzitter. Vorige week had ik het genoegen om de predicaten voor
excellente scholen weer eens uit te reiken. Ik weet niet of de leden
eind vorige week in het NRC Handelsblad het stuk over het Johan de Witt
College hebben gelezen, maar ik vond dat wel een mooi voorbeeld van een
school die in een moeilijke wijk in Den Haag staat en er met heel goed
onderwijs toch voor zorgt dat de kinderen geweldige kansen
krijgen.
Een jaar of vier terug mocht ik hetzelfde predicaat uitreiken aan het
Marnix Gymnasium in Rotterdam. Daar was ik toevallig afgelopen week, in
het kader van de Gelijke Kansen Tour, weer eens op bezoek. Het Marnix
Gymnasium is ook een excellente school en doet iets interessants. Het
heeft een progressief aannamebeleid, zoals het gymnasium het zelf noemt.
In het verleden roomden gymnasia weleens de kinderen met de allerhoogste
Cito-scores af, maar het Marnix Gymnasium kijkt ook naar kinderen die
geen typisch gymnasiumprofiel of -advies hebben, maar aan wie deze
school in een grote stad als Rotterdam toch de kans wil bieden om het
gymnasiumonderwijs te proberen. Daar steekt de school veel extra energie
in. Dat leidt ertoe dat de samenstelling van de school iets heterogener
is. Daarmee groeit de leerlingpopulatie van de school als het ware mee
met de bevolkingssamenstelling van de stad. Dat gaat niet vanzelf, want
op deze manier haal je ook leerlingen binnen die niet altijd van huis
uit steun meekrijgen. Het gaat dan om kinderen die soms voor het eerst
in hun familie of als eersten van het pleintje in hun buurt naar het vwo
of gymnasium gaan. Soms wordt er ook een beetje gek tegen hen aangekeken
en vraagt men zich af of dat nou allemaal wel nodig is, maar die
kinderen blijken het toch heel goed aan te kunnen, met wat extra
ondersteuning. Daarbij moeten soms vooroordelen van docenten worden
overkomen. Ook is soms sprake van onwetendheid van docenten over hoe om
te gaan met leerlingen die een net iets andere thuissituatie hebben.
Daar is het Marnix Gymnasium, overigens samen met een heleboel andere
goede scholen in Rotterdam, heel bewust mee bezig. Soms hebben de
leerlingen wat extra ondersteuning en aandacht nodig. Als het even niet
zo lekker gaat, wordt bijvoorbeeld het gesprek gevoerd over wat er thuis
bij een leerling speelt, want soms is het geen kwestie van onwil of een
slechte werkhouding, maar is er meer aan de hand. Zo'n gesprek helpt dan
enorm. Als je aan het einde van de zes jaar bekijkt hoe de school het
doet, zie je dat die er, ondanks het progressieve aannamebeleid, dankzij
die mindset in slaagt om eindexamenresultaten en slagingspercentages te
halen die vergelijkbaar zijn met die van veel andere scholen in
Nederland. Dat is een heel groot compliment waard, want zo'n school
heeft geen risicomijdend en calculerend gedrag vertoond, maar heeft
juist ondernemend gehandeld, kansen geboden en zijn nek
uitgestoken.
Het benutten van de talenten van al onze kinderen en jongeren in het
Nederlandse onderwijs vraagt dat leerlingen worden uitgedaagd, dat ze
kansen krijgen en dat ze aangemoedigd worden om die kansen te pakken. In
het kader van gelijke kansen hebben we eerder deze periode weleens
gesproken over talentontwikkeling en het bieden van meer uitdaging aan
de kinderen die meer aankunnen. Ik stoor me weleens aan het feit dat dit
als een tegenstelling wordt neergezet: dat de aandacht voor toptalenten
ten koste gaat van gelijke kansen. Voor mij is het namelijk precies
hetzelfde. Voor mij gaat het om uitdagend onderwijs voor alle talenten
en alle kinderen. Als we talent laten liggen doordat kinderen het niet
vanzelfsprekend van huis uit meekrijgen of onvoldoende uitdaging krijgen
in de klas terwijl ze meer aankunnen, dan verspillen we talent. In mijn
ogen is dat op alle vlakken een gemiste kans. Andersom zien we dat de
allerbeste onderwijslanden het op beide fronten heel goed kunnen doen.
Dat kwam ook heel mooi terug in het OESO-rapport, waarin Japan als goed
voorbeeld wordt aangehaald. Daar wordt goed gescoord op zowel het gebied
van gelijke kansen als het gebied van excellentie en uitdaging voor alle
leerlingen. Het zou ook de ambitie van Nederland moeten zijn om het over
de hele linie goed te doen.
Ik loop een aantal thema's langs. Er zijn vragen gesteld over de
eindtoets, zeg maar de overgang van het po naar het vo. Het volgende
stapje is dan dat ze in de brugklas terechtkomen. Ook daarover is een
aantal vragen gesteld. Tevens is er gevraagd naar de mogelijkheid tot
stapelen. Als je een vmbo-diploma hebt, zou je niet alleen de mbo-route
moeten kunnen kiezen, maar bij wijze van spreken ook via de havo kunnen
gaan. Vervolgens zal ik wat zeggen over de schoolkosten en daarna iets
over het toezicht. Ten slotte zijn er nog enkele overige vragen, die ik
in een laatste blokje zal behandelen.
Ik begin met de eindtoets. Ik vind het heel belangrijk dat ieder kind
aan het einde van de basisschool een zo goed mogelijk advies meekrijgt
voor het schooltype waarin hij of zij straks in het voortgezet onderwijs
het beste op zijn of haar plek is. In 2013 was het onze gezamenlijke
intentie om de overgang van leerlingen te verbeteren met de Wet
eindtoetsing po. De kracht van de toen gekozen systematiek was dat niet
langer een momentopname bepalend was, dus een focus op de Cito-toets,
maar dat de overgang in de toekomst zou gebeuren op basis van een breed
en meerjarig beeld en een goed onderbouwd schooladvies. Met een
verplichte eindtoets wordt ervoor gezorgd dat er voor alle leerlingen,
naast het schooladvies, een onafhankelijk tweede gegeven is. Naast het
professionele oordeel van de school, uiteraard met de leerkracht van
groep 8, is er dus ook dat tweede gegeven: een eindtoets die op alle
scholen en door alle kinderen wordt gemaakt.
Uit de tussenevaluatie die de Kamer heeft ontvangen, blijkt dat deze
systematiek op een aantal vlakken goed werkt maar op een aantal
onderdelen nog beter moet. Een duidelijk voorbeeld en een van de redenen
dat we vandaag hierover praten, is de rol van de achtergrond en afkomst
van ouders. Zorgt de eindtoets wel voor gelijke kansen tussen leerlingen
in de overgang? Wat zien we in de praktijk? Als we goed kijken naar de
schooladvisering van leerlingen met hoger opgeleide ouders en naar die
van leerlingen met lager opgeleide ouders, zien we dat het verschil
vooral ontstaat bij het initiële schooladvies. Dat komt ten eerste
doordat leraren, soms met recht en reden, naast cognitieve prestaties
andere factoren meewegen die van invloed zijn op het schoolsucces van
leerlingen; denk aan de sociaal-emotionele ontwikkeling en de
gedragskenmerken. Ten tweede spelen, ook onbewust, vooroordelen, lage
verwachtingen en de druk van ouders een rol. Door een combinatie van
beide factoren krijgen kinderen van hoogopgeleide ouders bij dezelfde
toetsscores gemiddeld hogere adviezen. Dit was ook voor de Wet
eindtoetsing po al het geval.
Uit de bijstellingen van het schooladvies blijkt dat leerlingen over de
hele linie ervan profiteren. Als leerlingen op de toets een hele
schoolsoort hoger scoren dan volgens het schooladvies, wordt het advies
in een op de drie gevallen bijgesteld. Voor kinderen van de laagst
opgeleide ouders is dit met ruim 33% vrijwel net zo hoog als voor
kinderen van de hoogst opgeleide ouders. In de uiteindelijke bijstelling
na de eindtoets speelt de sociaal-economische achtergrond van ouders dus
een minder grote rol dan wellicht in eerste termijn door een aantal
woordvoerders is gesuggereerd. Met name bij de initiële advisering,
wanneer er nog geen eindtoets is, is er soms sprake van overadvisering
bij ouders met een wat hogere opleiding. De advisering is dus hoger dan
de toets uiteindelijk uitpakt. Een aantal Kamerleden, mevrouw Vermue van
de Partij van de Arbeid maar ook de heer Van Dijk, vroegen al: waarom
laten wij dat bij die eindtoets niet meetellen? De vraag is dan of je
iets aan de oorzaak doet, omdat het hier niet gaat om een gebrek aan
bijstelling, maar om overadvisering bij het initiële advies. Als je dat
verplicht naar boven zou bijstellen, dan maakt dat voor die kinderen
uiteindelijk niet uit.
Er is nog iets anders wat mee kan spelen. Als je de eindtoets weer zo
hard laat meetellen in de tweede ronde, is het mogelijk dat dit
ongelijke kansen niet wegneemt, maar juist in de hand werkt. Voor een
aantal ouders zal dit een laatste strohalm zijn om hun kinderen naar het
einde toe nog eens extra te motiveren om die eindtoets heel goed te
maken. Als je niet tevreden bent met het advies van de school, dan is
dit immers je laatste kans om dat nog op een hoger treetje te krijgen.
Voor wie is dat binnen handbereik? Wie kunnen hun kinderen naar
Cito-trainingen sturen? U raadt het al: dat zijn de ouders met een wat
dikkere portemonnee. Daarom heeft het mijn voorkeur om op dit moment
even geen enorme wijzigingen door te voeren in de systematiek zoals we
hem hebben afgesproken. We moeten de vinger aan de pols houden en
bekijken hoe het zich ontwikkelt. Ik vind dat een aantal dingen beter
gaat. Het aantal bijstellingen is toegenomen; dat vind ik een goede
ontwikkeling. Wat de ongelijke kansen betreft moeten wij natuurlijk de
vinger aan de pols houden, maar de snelle oplossing, het verplicht naar
boven bijstellen, is zeker in het kader van gelijke kansen misschien
niet het juiste instrument.
Dan zou ik nu graag iets willen zeggen over de brede brugklassen.
De heer Beertema (PVV):
Stel dat de eindtoets terug zou gaan naar het moment waarop deze ooit is
gehouden, waarbij we de eindtoets laten samenvallen met het advies van
de school, dan laten we nog in het midden wat leidend wordt: de
eindtoets of het advies van de school. Wat mij betreft blijft dat het
advies van de school, maar wat is erop tegen om die systematiek met zo'n
heel kleine aanpassing heel beleidsarm te veranderen? Dan halen wij toch
al heel veel kou uit de lucht?
Staatssecretaris Dekker:
Ik vind het sowieso op dit moment voor alle wijzigingen echt te vroeg.
We werken nu voor het tweede jaar met deze nieuwe wet. Ik vind dat je
het onderwijs even de kans moet geven om dit goed te laten indalen. Ik
begrijp dat de heer Beertema zegt: haal dat moment nou naar voren. Daar
kunnen voordelen aan zitten, maar er kunnen ook een aantal nadelen aan
zitten, onder meer dat bij die initiële advisering de eindtoets weer
heel erg dominant wordt. Nu moeten leerkrachten de initiële advisering
echt doen op basis van de "film", zou je kunnen zeggen, op basis van de
indruk die zij van leerlingen hebben, zonder dat er een eindtoets ligt
die al heel dwingend voorschrijft dat het een havoadvies of een
vwo-advies moet zijn. Je geeft dus meer ruimte voor het professionele
oordeel van leraren.
De heer Beertema (PVV):
Het wordt al een stuk minder dominant als je het advies van de school
leidend laat blijven. Dan heb je de ondersteuning van het advies direct
bij de hand.
Staatssecretaris Dekker:
Dat zou kunnen. Dan kies je ervoor om wel uit te gaan van het
professionele oordeel van de leerkracht, en geef je hem niet alleen de
film, maar ook de finishfoto mee. Toch heeft ook dat nadelen. Ik haal
het debat maar even terug dat wij hebben gevoerd ten tijde van de
invoering van de wet inzake de eindtoets. Een van de nadelen die daarbij
spelen, is dat een advisering in maart voor heel veel scholen betekent
dat ze niet tot mei/juni doorgaan met taal en rekenen, omdat de
eindtoets dan al is geweest.
De heer Beertema (PVV):
Dat geeft wel mooie musicals.
Staatssecretaris Dekker:
Nou ja, dat is inderdaad een beetje het punt. Na maart was dat voor
kinderen in groep 8 zo ongeveer de bezigheid, terwijl het in aanloop
naar het vo juist heel goed is om in die paar maanden door te gaan met
goed onderwijs. Het is een van de manieren om de onderwijstijd effectief
te benutten.
Mevrouw Vermue (PvdA):
Ik wil aanhaken bij de schooladviezen. Ik kijk even naar de cijfers die
het College voor Toetsen en Examens aandraagt. Er zijn weliswaar 30.000
heroverwegingen, maar uiteindelijk wordt maar op 6% van die
heroverwegingen het schooladvies bijgesteld. Herkent de staatssecretaris
deze cijfers?
Staatssecretaris Dekker:
De 6% herken ik niet helemaal. In een op de vijf gevallen vindt een
bijstelling plaats. Dat zou dus 20% moeten zijn. Het is iets meer dan in
het voorafgaande jaar. Naarmate de discrepantie tussen het advies en de
eindtoets groter is, neemt het aantal bijstellingen toe. Als een school
er echt significant naast zit, dan wordt er serieuzer naar gekeken. Als
het om kleine verschillen gaat, is dat minder het geval. In mijn ogen
kan het beter. Wij zijn heel druk bezig, ook met de inspectie, om
serieuze gesprekken met de scholen te voeren. Wij geven aan dat de wet
ook echt verplichtend en dwingend voorschrijft dat er voor iedere
individuele leerling bij een afwijking van de eindtoets een
heroverweging moet plaatsvinden. Dat is iets anders dan een verplichte
bijstelling, maar dit moet voor ieder van die leerlingen opnieuw worden
gedaan. Ik vind het heel goed als dat intensief gebeurt, ook in
samenspraak met ouders en leerlingen. Het mag geen moetje zijn waarbij
je dit even doet en vervolgens terugkomt bij je oude advies. Je moet
echt goed bekijken of zo'n leerling niet toch wat meer aankan. Ik zie
serieuze ruimte voor verbetering, maar die slaan wij er volledig uit als
wij nu zeggen: voor al die kinderen wordt het verplicht naar boven
bijgesteld. Dan geef je het onderwijs geen kans meer om het beter te
doen. En die kans zou ik wel willen geven.
Mevrouw Vermue (PvdA):
De Partij van de Arbeid is er altijd voorstander van om het onderwijs
een kans te geven om het beter te doen, maar ik ben er geen voorstander
van om het advies enkel bij significante wijzigingen bij te stellen. Is
de staatssecretaris bereid om de komende week nog even te kijken naar
die 6% bijstelling, die ik vanuit het College voor Toetsen en Examens
heb gekregen? Wil hij de Kamer informeren over de
bijstellingspercentages?
Staatssecretaris Dekker:
Dat kan ik wel doen, maar ik kijk even naar mijn medewerkers. Volgens
mij gaat het echt om 20%. Ik vraag mevrouw Vermue om mij even aan te
geven op welk percentage zij precies doelt. Ik zal daar dan naar kijken
en een eventueel misverstand uit de wereld helpen.
De voorzitter:
Mevrouw Vermue, ter verduidelijking.
Mevrouw Vermue (PvdA):
Wellicht kan ik het verduidelijken. Het zit hem met name in het verschil
tussen de bijstellingspercentages op vmbo-niveau en die op havoniveau.
Daarin zit een groot onderscheid.
Staatssecretaris Dekker:
Misschien kijken wij inderdaad naar verschillende dingen. Nogmaals, als
mevrouw Vermue het mij meegeeft, kan ik een nadere duiding geven.
Ik kom op de brugklas. Verschillende woordvoerders hebben al gezegd dat
de ene leerling de andere niet is. Daarom ben ik wel blij dat er in
Nederland op onderwijsgebied wel wat te kiezen valt. Er zijn
verschillende scholen met een verschillende identiteit, met
verschillende pedagogisch-didactische achtergronden en aanpakken. Er
zijn brede scholengemeenschappen met brede, heterogene brugklassen, maar
er is ook kleinschalig onderwijs. Daar hoort het categorale onderwijs
bij.
De ene leerling gedijt het best als hij na de basisschool kan instromen
in een homogene brugklas op zijn eigen niveau. Ik denk aan leerlingen
die heel bewust kiezen voor een kleinschalige mavo, waarin zij ook
kunnen werken aan hun eigen zelfvertrouwen, waarin zij eindelijk
gewaardeerd worden om hun praktische vaardigheden en niet degenen zijn
met de laagste cijfers in de klas. De andere leerling gaat juist naar
een gymnasium en krijgt daar de uitdaging waar hij soms al lang naar
snakt. Het is heel goed dat het Nederlandse onderwijs deze mogelijkheid
kent. Andere leerlingen daarentegen zijn juist het meest gebaat bij een
breder samengestelde, heterogene brugklas. Voor lang niet alle
leerlingen is het immers al in de eerste klas duidelijk waar zij in het
voortgezet onderwijs het beste op hun plek zijn. Zo zijn er leerlingen
met een gemengd advies, leerlingen die laatbloeiers zijn. Zij kunnen het
beste kiezen voor zo'n brede brugklas. Met een brede brugklas met meer
dan één onderwijsniveau kan de definitieve selectie wat worden
uitgesteld. Zo wordt de overgang van de basisschool naar het middelbaar
onderwijs wat vloeiender. Dat is vooral belangrijk voor leerlingen die
van huis uit minder ondersteuning en stimulans krijgen.
Om die keuze voor leerlingen en ouders altijd mogelijk te maken, is het
belangrijk dat er in Nederland voldoende aanbod is van brede
brugklassen. Er is heel veel gediscussieerd over de vraag of het aanbod
van brede brugklassen in een lift naar beneden zit, dus of het aantal
afneemt en wat dat dan betekent. Zijn er nog goede brede brugklassen
voor iedereen onder handbereik? Ik ben daarom blij dat er nu voor het
eerst een wat degelijkere studie ligt, die aantoont dat in bijna heel
Nederland op fietsafstand — ga uit van zo'n 7 kilometer — een school is
met een passende brede brugklas. Dat is aan de ene kant heel erg fijn,
maar aan de andere kant is het geen rustig bezit. De inspectie
constateert dat het aantal brede brugklassen wat aan het afnemen is. Er
kan nu dus wel sprake zijn van een goede spreiding en een goed
evenwicht, maar de vraag is of dat zo blijft. Bovendien kan de vraag
naar brede brugklassen natuurlijk variëren. Die kan afnemen maar ook
toenemen, bijvoorbeeld als het aantal meervoudige adviezen toeneemt. De
heer Van Meenen gaf aan dat het aantal meervoudige adviezen afneemt.
Gelukkig is die trend gekeerd; het aantal meervoudige adviezen was het
afgelopen jaar weer wat groter. Dat zou dan weer kunnen betekenen dat de
vraag naar brede brugklassen gaat toenemen.
Het is in mijn ogen daarom zaak dat we ervoor zorgen dat de vraag naar
en het aanbod van brede brugklassen structureel in evenwicht is en
blijft. Niet elke brugklas hoeft breed te zijn en ook niet iedere school
hoeft alle soorten brugklassen aan te bieden, maar er moet voor ouders
en leerlingen wel altijd iets te kiezen zijn. Dat is een van de redenen
dat ik samen met de VO-raad en samen met het onderwijsveld wil bekijken
wat er nodig is om op regionaal niveau goede afspraken te maken over een
evenwichtige spreiding van het onderwijsaanbod en om ervoor te zorgen
dat overal brede brugklassen beschikbaar zijn. Ook moeten we bekijken
wat we kunnen doen om ervoor te zorgen dat door de categorale scholen
wel goede afspraken worden gemaakt, ook met andere scholen, over de
leerlingen die daar niet meer op hun plek zijn. Ik doel dan op
leerlingen die uit zouden stromen. Zij moeten dan naar een andere school
toe en het is goed om daar afspraken over te hebben. Ook doel ik op
leerlingen die meer in hun mars hebben en een stapje de andere kant op
kunnen maken.
De heer Grashoff vroeg of we dit financieel moeten ondersteunen met een
soort bonus voor brede brugklassen. Ik ben daar niet onmiddellijk voor.
We hebben gekeken naar de financiële aspecten van brede brugklassen.
Zijn scholen met brede brugklassen duurder? Het antwoord op die vraag is
nee. Soms is het iets duurder om een brede brugklas in te stellen en
soms is het net even iets goedkoper. Het heeft heel erg veel te maken
met klassengrootte en hoe die spreiding uitpakt. Het is dan de vraag wat
de rechtvaardiging is om scholen met brede, heterogene brugklassen een
hogere bekostiging per leerling te geven dan scholen met homogene
brugklassen. Ik zou daar niet onmiddellijk voorstander van zijn.
De heer Grashoff (GroenLinks):
De staatssecretaris vraagt terecht wat de rechtvaardiging zou zijn voor
een eventuele positieve financiële prikkel voor brede brugklassen.
Volgens mij is die gelegen in het feit dat de kritiek op brede
brugklassen, zowel van docenten als van ouders, is dat door de grotere
niveauverschillen in de klas de individuele aandacht voor de leerling,
het maatwerk onder druk komt te staan. Er wordt gevreesd dat de
kwaliteit, de persoonlijke aandacht voor je eigen kind onvoldoende zou
zijn. De praktijk wijst daar niet zo heel veel van uit; daar zijn we het
over eens. Dat neemt niet weg dat het heel aantrekkelijk zou zijn als
zo'n brede brugklas een iets kleinere klassengrootte zou hebben of iets
meer faciliteiten zou hebben voor maatwerkondersteuning. Dan zouden we
heel belangrijke doelstellingen kunnen combineren die direct in
positieve zin ingrijpen op kansengelijkheid. Ik vraag de
staatssecretaris om daarop te reageren en zich af te vragen of hier een
win-win — het is een cliché — te vinden is in die zin dat je juist dat
zult moeten verstevigen, omdat je het dan aan twee kanten aanpakt.
Staatssecretaris Dekker:
Het is een interessante gedachte. Ik denk dat heel veel docenten en heel
veel scholen enthousiast worden van het idee van iets kleinere klassen
maar, zoals de heer Grashoff zelf zegt, de praktijk wijst uit dat het
niet zo vreselijk veel uitmaakt. Dan is de vraag wat het rechtvaardigt
om scholen met brede brugklassen extra financiële ondersteuning te geven
of de mogelijkheid te bieden om kleinere klassen in te richten.
Misschien zou dat ook heel goed zijn voor een kleinschalige mavoschool
die ook wat extra aandacht wil geven aan leerlingen die een deuk hebben
opgelopen in hun zelfvertrouwen of die met wat extra aandacht weer
kunnen opbloeien. We hebben serieus bekeken of er in de praktijk een
rechtvaardiging, een grondslag is te vinden waarom bredere brugklassen
duurder zouden zijn dan homogene brugklassen. Het antwoord daarop is
toch nee. Dan is de vraag wat extra bekostiging rechtvaardigt. Ik zie
dat dan niet onmiddellijk in.
De heer Grashoff (GroenLinks):
Ik heb het gevoel dat de staatssecretaris de dynamiek hiervan
onderschat. In een samenleving waarin de individualisering en ook de
druk van ouders en scholen gaan richting mainstream — strak, één niveau,
het beste voor mijn eigen kind en hoe minder sores hoe beter voor de
school — zou je een dergelijke onderwijsvorm juist een plus moeten
geven. De belangrijkste rechtvaardiging zou kunnen zijn dat het belang
van een deel van de leerlingen wordt geschaad doordat ouders van andere
leerlingen, misschien wel de iets slimmere leerlingen, ten onrechte
ervoor kiezen om hun kinderen niet in een dergelijk schooltype te
plaatsen, waardoor de mogelijkheden voor anderen uiteindelijk worden
beperkt om wel daaraan deel te nemen. Dan kun je zeggen dat je nu op 17
kilometer afstand overal zo'n school ziet. Maar het is een dynamisch
verhaal. Ik vind 17 kilometer ook nogal een end. De staatssecretaris
zegt 7 kilometer. Sorry, dat is een redelijke afstand. Werp daar een dam
tegenop, pak de positieve elementen eruit en maak daar wat van. Dat is
een offensievere benadering in een strijd tegen ongelijkheid.
Staatssecretaris Dekker:
Ik heb toch de indruk dat de heer Grashoff uitgaat van een ideologie dat
een brede brugklas, een heterogene brugklas altijd voor alle kinderen
het beste is. Wij zijn het hier fundamenteel en ook politiek over
oneens. Ik vind dat er voor een ouder of voor een leerling altijd de
keuze moet zijn om naar een brede brugklas te gaan, maar dat is lang
niet voor alle leerlingen op alle momenten het beste. De heer Grashoff
wil eigenlijk een beetje tegen de wens van leerlingen en ouders in dat
die kinderen naar een brede brugklas gaan, omdat zij automatisch voor
een minder goede variant kiezen. Dan begrijp ik dat je zo veel mogelijk
financiële prikkels wilt hebben en dat je wilt dat alles bij voorkeur
een brede brugklas wordt. Ik denk dat wij daarover in die zin van mening
verschillen.
De voorzitter:
Staatssecretaris, bent u klaar met het blokje over de brugklas?
Staatssecretaris Dekker:
Ja.
De voorzitter:
Dan gaat u nu door met de vragen over het stapelen?
Staatssecretaris Dekker:
Ja. Ik krijg de indruk dat er brede steun is voor de voorstellen die we
nu hebben gedaan voor de invoering van een doorstroomrecht. Op die
manier willen we stapelen nog meer bevorderen. Overigens is het goede
nieuws natuurlijk dat we al sinds het begin van deze kabinetsperiode
zien dat stapelen in de lift zit, ook onder het oude regime. Er is veel
gezegd over dat het "reële kansen" moeten zijn. Ik denk dat het met de
toegenomen aandacht voor loopbaanoriëntatie heel goed is om al in een
vroegtijdig stadium met leerlingen het gesprek aan te gaan over de
vraag: wat zou je na het vmbo willen doen, wat past het beste bij jou?
Het moet mogelijk zijn om een reële overstap te maken van het vmbo naar
het havo, zeker voor de leerlingen die een extra vak volgen. Daardoor
sluit hun vakkenpakket goed aan bij het vakkenpakket van het havo, dat
natuurlijk breder is.
Mevrouw Vermue vroeg: wat kun je doen tegen scholen die zich daartegen
verzetten? Ik heb geen harde signalen dat er scholen zijn die zeggen:
wij willen het niet en gaan het ontmoedigen. Als die scholen er wel
zijn, hoor ik dat graag, want dan ga ik eropaf. We zien juist dat de
tendens wat is gekeerd. Veel leerlingen die de overstap maken van vmbo
naar havo volgen ook nu al een extra vak. Ik zou het heel goed vinden
als alle scholen de mogelijkheid aanbieden om een extra vak te volgen,
zodat de overstap binnen handbereik is voor leerlingen. Ik ga graag op
zeer korte termijn met scholen om de tafel om te bekijken hoe we dat
handen en voeten kunnen geven.
Dat is ook een antwoord op de vraag van de heer Grashoff. Hij vroeg:
moeten we nou wachten tot 2019 totdat dit is gerealiseerd? Formeel moet
de wet worden gewijzigd. Daar gaat even wat tijd overheen. Maar als deze
voorstellen op goed en breed draagvlak in de Kamer kunnen rekenen, ga ik
natuurlijk ook het gesprek aan met scholen om te bekijken of we niet al,
vooruitlopend op de wetswijziging, kunnen gaan werken op de manier die
we voor ogen hebben en die we graag zien. Wat dat betreft wordt scholen
geen strobreed in de weg gelegd om dat nu al te doen.
Er zijn een paar vragen over de schoolkosten gesteld.
De voorzitter:
Staatssecretaris, nu u dit blokje hebt afgerond, heeft mevrouw Vermue
van de Partij van de Arbeid nog een vraag over het stapelen.
Mevrouw Vermue (PvdA):
Ik ben blij met de brief die wij hebben ontvangen over het
doorstroomrecht van het vmbo naar het havo, omdat er daarmee uitvoering
gegeven gaat worden aan onze aangenomen motie. De staatssecretaris begon
zijn verhaal met te zeggen dat hij blij is met scholen die hun nek
uitsteken in plaats van risico's mijden. Hij gaf ook aan dat scholen
geen strobreed in de weg wordt gelegd om hier nu al iets mee te doen,
maar tegelijkertijd hebben scholen afgelopen week heel duidelijk het
signaal afgegeven dat zij er geen voorstander van zijn. Ik roep de
staatssecretaris ertoe op om een helder signaal af te geven. Gaat hij
zeggen: luister, dit doorstroomrecht komt eraan en ga er alvast werk van
maken? Dat is mijn vraag.
Staatssecretaris Dekker:
Ja, dat ga ik zeker doen. Ik heb mij ook wel een beetje gestoord aan de
afhoudende reactie van het voortgezet onderwijs, als zou de wereld
vergaan als we dit zouden doen. Ik denk dat een goed gesprek met een
leerling altijd op zijn plek is. Misschien is de overstap van het vmbo
naar het havo niet voor alle leerlingen de beste optie of een reële
optie, maar ga daarover het gesprek aan. Kinderen en ouders zijn ook
niet op hun achterhoofd gevallen. Als het beter is dat zo'n kind de
overstap maakt naar het mbo, wat overigens het overgrote deel van deze
leerlingen nog steeds doet, dan kun je dat ook met een goed gesprek wel
aan. Alleen is er nu een wirwar aan drempels ingebouwd. Op de ene school
mag je de overstap maken met gemiddeld een dit, op een andere school met
dat en weer een andere school doet er nog een schepje boven op en stelt
een extra eis. Dat maakt het voor ouders en leerlingen heel
ondoorzichtig en sluit in mijn ogen ook een veel te grote groep uit. Ik
denk dat wat wij hier hebben gedaan reëel is. Ik zou heel graag zien dat
scholen in het voortgezet onderwijs daar gewoon voortvarend mee aan de
slag gaan.
De heer Grashoff (GroenLinks):
Mijn vraag betreft het zevende vak. Ik zou graag van de staatssecretaris
horen hoe hij dat voor zich ziet. Een van de lastigheden die ik daarbij
zie, is dat het doorstroomrecht theoretisch heel keurig en goed geregeld
wordt, maar in de praktijk toch weer tot grote problemen kan leiden,
omdat dan al in een vrij vroeg stadium op het vmbo besloten moet worden
om dat extra vak te doen, anders lukt het je simpelweg niet om er ook
examen in te doen. Span je daarmee niet het paard achter de wagen? Is
daarover nagedacht? Hoe lossen we dat op? Ik denk namelijk niet dat
iemand aan het begin van zijn vmbo dat al weet. Het lijkt me sterk dat
het in de praktijk zo loopt.
Staatssecretaris Dekker:
Het is vaak een keuze die je maakt bij de overgang van de onder- naar de
bovenbouw in het vmbo. Dat is eind tweede, begin derde jaar. Het past
wel bij de grotere rol die wij allen voor ogen hebben voor
loopbaanoriëntatie in het vmbo, dat je al heel vroeg nadenkt over vragen
als: waar ben je goed in, wat zou je hierna willen gaan doen en hoe ziet
het traject er dan uit om daar te komen? Laat ik het even omdraaien.
Stel dat je dat niet hebt gedaan en met zes vakken eindexamen doet in
het vmbo. Het minimale aantal vakken in het havo is zeven. We moeten ook
niet denken dat als je zes vakken hebt gedaan, je in 3 havo even de
achterstand inhaalt van drie jaar gemist onderwijs. Ik ben het dus met
de heer Grashoff eens dat, als je het reëel wilt maken, je hier niet pas
in leerjaar vier over moet gaan nadenken, maar eigenlijk al in leerjaar
twee. Dus je moet er zeker vroeg bij zijn. Tegelijkertijd denk ik dat de
eis niet irreëel is, omdat met zes vakken de overstap naar het havo echt
een heel, heel, heel ingewikkeld verhaal wordt.
De heer Grashoff (GroenLinks):
De staatssecretaris hoorde aan mijn vraag al dat ik zelf ook een beetje
met dat dilemma zit. Ik kan me enerzijds de redenering van de
staatssecretaris voorstellen. Het wordt heel ingewikkeld om een compleet
vak "even" in te halen terwijl je al die moeilijke overstap maakt.
Anderzijds zijn organisaties als LAKS bepaald niet enthousiast over dat
zevende vak. Als een zevende examenvak soms niet inpasbaar is, niet
gevolgd kan worden, heeft een school de vrijheid om dat niet aan te
bieden. Die signalen zijn er. Dan wordt dat recht langs een andere kant
weer uitgehold. Wat ik ten minste logisch zou vinden in deze benadering,
is dat er inderdaad volle aandacht is voor de loopbaanbegeleiding — dat
heeft de staatssecretaris al genoemd — maar dat de school tegelijkertijd
eraan gehouden is om het vak aan te bieden en niet op de genoemde manier
het recht weer kan uithollen.
Staatssecretaris Dekker:
Ik denk dat de Grashoff hier een heel belangrijk aandachtspunt aanstipt,
ook voor de uitwerking van de wettelijke regeling. Het is onwenselijk
dat scholen met het niet aanbieden van een zevende vak de doorstroom
kunnen doorsnijden. Het is echt wel de bedoeling dat het een reële kans
is voor leerlingen. Dus dit is een onderwerp dat we zullen adresseren
bij de uitwerking van de wet.
Er zijn vragen gesteld over schoolkosten. Ook daarover is een rapport
naar de Kamer toegestuurd. Ik vind het positieve aan het rapport dat het
laat zien dat de totale schoolkosten voor ouders zijn gedaald. Enerzijds
zijn deze kosten vanzelfsprekend gedaald sinds de invoering van de Wet
gratis schoolboeken en ouders niet meer voor schoolboeken hoeven te
betalen. Anderzijds is de daling ook toe te schrijven aan een daling van
de kosten voor extra schoolactiviteiten, ondanks een toename in de
kosten voor ICT. Al met al hebben ouders dus, los van de schoolboeken,
minder kosten.
Ik vind het belangrijk dat kinderen in het funderend onderwijs goed
worden opgeleid en dat de overheid daarvoor ook het merendeel van de
kosten voor haar rekening neemt. In het voortgezet onderwijs is dit
gemiddeld €7.500 per leerling per jaar. Scholen ontvangen dat bedrag in
de lumpsum. Ook de bekostiging van het lesmateriaal is onderdeel van de
lumpsum. Welke zaken worden daar niet uit betaald? Het gaat om twee
categorieën. De eerste categorie betreft de persoonsgebonden materialen,
de materialen die meerdere jaren meegaan of de materialen die door
meerdere gezinsleden kunnen worden gebruikt. Ik noem bijvoorbeeld
gymkleding, een woordenboek, een atlas of een rekenmachine. De kosten
hiervoor komen al sinds jaar en dag voor rekening van de ouders. De
tweede categorie betreft de overige schoolkosten, zoals de kosten voor
excursies, introductiekampen, kerstvieringen of laptops. Voor deze
kosten wordt van de ouders vaak een vrijwillige bijdrage gevraagd. Het
woord "vrijwillig" geeft al aan dat die bijdrage niet verplicht
is.
Uit de monitor komt naar voren dat de ICT-kosten voor ouders zijn
gestegen. Een verklaring hiervoor is dat ICT een steeds prominentere rol
heeft gekregen in het onderwijs. Aan de ene kant is dat een positieve
ontwikkeling, omdat hiermee makkelijker de stap kan worden gezet naar
eigentijds onderwijs. Aan de andere kant is het zaak om ervoor te zorgen
dat dit binnen proporties blijft. Veel scholen kiezen ervoor om hun
onderwijs geheel of gedeeltelijk te digitaliseren. Zij voeren inmiddels
een integraal leermiddelenbeleid. Afhankelijk van hun visie en
prioriteiten kiezen deze scholen ervoor om de aanschaf van laptops of
notebooks te bekostigen uit de lumpsum van €7.500 per leerling. Die
scholen zeggen: we waren vroeger een bedrag kwijt aan boeken, maar omdat
we steeds digitaler gaan werken en we minder boeken nodig hebben,
verschaffen we leerlingen en ouders geen boeken, maar een draagbare
computer of een notebook. De wet hoeft daarvoor niet te worden
aangepast. Scholen kunnen dit doen. Andere scholen vragen op dit punt
een vrijwillige bijdrage van de ouders. Een vrijwillige bijdrage houdt
in dat ouders er ook voor kunnen kiezen om dat bedrag niet te betalen.
In die gevallen moet de school een kosteloos alternatief aandragen. De
leerling dient te allen tijde het vastgestelde onderwijsprogramma te
kunnen volgen. Indien er leerlingen zijn die niet kunnen deelnemen aan
het reguliere programma omdat hun ouders de bijdrage niet hebben betaald
of geen laptop hebben aangeschaft, dan ontvang ik graag hun namen. Dat
is tegen de wet. Ouders mogen hiertoe niet verplicht worden. Als scholen
dat wel doen, handelen ze in strijd met de wet. Als ouders ervoor kiezen
om de vrijwillige bijdrage niet te betalen, moet de school voorzien in
een volwaardig alternatief. Dat gebeurt op heel veel scholen die op deze
manier werken. Als kinderen een eigen iPad of laptop hebben, mogen ze
die vaak mee naar huis nemen. Voor de leerlingen van wie de ouders geen
laptop kunnen of willen betalen, heeft de school vaak een alternatief.
Die laptop is en blijft echter wel eigendom van de school. Dat betekent
dat zo'n laptop op school moet blijven en dat je die niet mee naar huis
mag nemen. We zien dat dit in de praktijk goed uitwerkt.
Ik denk dat het niet nodig is om de definitie van leermiddelen te
verbreden, zo zeg ik in reactie op mevrouw Vermue. Scholen kunnen de
devices ook nu al vanuit de lumpsum betalen.
De heer Van Meenen vroeg of we de ouders of de medezeggenschapsraad een
grotere rol moeten geven. De oudergeleding van de medezeggenschapsraad
heeft instemmingsrecht bij de vaststelling van de hoogte en de
bestemming van de vrijwillige ouderbijdrage. Het is geen adviesrecht.
Niet de volledige medezeggenschapsraad moet hiermee instemmen, maar
specifiek de oudergeleding. Dat is een van de redenen waarom hierover op
schoolniveau heel goede afspraken kunnen worden gemaakt.
Tot slot op dit onderdeel kom ik op de vraag van mevrouw Vermue hoe het
zit met de toegang tot snel internet. Zij zei dat je snel internet moet
hebben als je de overstap wilt maken naar digitalisering. Bij heel veel
scholen is dat goed geregeld, maar nog niet bij alle. Een aantal scholen
is gezien de geografische ligging verstoken van een glasvezelverbinding
dan wel een koperverbinding. Een koperverbinding maakt het overigens
vandaag de dag steeds meer mogelijk om snel internet te hebben. Daarvoor
heb je niet per se glasvezel nodig. Glasvezel is natuurlijk extra mooi,
maar je komt ook met koper een heel eind. Ik heb onlangs met mijn
collega van Economische Zaken, de heer Kamp, een subsidieregeling
aangekondigd voor de witte vlekken, de locaties waar men koper noch
glasvezel heeft, om het mogelijk te maken om toch een en ander aan te
leggen zodat in ieder geval alle scholen in Nederland van snel internet
gebruik kunnen maken.
De voorzitter:
De staatssecretaris is daarmee aan het einde gekomen van het blokje over
schoolkosten.
De heer Jasper van Dijk (SP):
De staatssecretaris vraagt om meldingen over scholen die zich niet aan
de regels houden door te geven. Dat zal ik zeker doen; wij hebben een
meldpunt geopend. Ik wijs de staatssecretaris nu al op het bericht van
de NOS van afgelopen weekend met de titel "Laptop vergroot ongelijkheid
in het onderwijs". Daarin wordt gesproken over een steekproef van Ouders
& Onderwijs waarin 47 ouders onder druk werden gezet door 65
scholen. De staatssecretaris noemde net de regels, maar die zijn bekend.
Het gaat natuurlijk heel subtiel. Ouders komen bij een school. De school
zegt: uw kind mag hier op school komen, maar wij verwachten wel dat u
dan een laptop aanschaft. Als de ouders zeggen geen geld daarvoor te
hebben, zegt de school: ja, dan wordt het lastig, maar hiernaast is een
nog school en daar hoeft u geen laptop te kopen! Zo gaat het in de
praktijk. Daarmee overtreden scholen misschien formeel geen regels, maar
dit veroorzaakt wel een tweedeling tussen rijke en arme scholen. Ik wil
dat de staatssecretaris daartegen optreedt. Gaat hij dat doen?
Staatssecretaris Dekker:
Jazeker, want de regels daarover zijn volstrekt helder. Als het gebeurt
zoals de heer Van Dijk schetst, is er geen sprake meer van een
vrijwillige bijdrage maar proberen scholen de regels linksom of rechtsom
te omzeilen. Ik hoor graag welke scholen dat zijn. De heer Van Dijk
geeft aan daarvoor een meldpunt te hebben, maar ik heb ook een meldpunt
daarvoor, namelijk de inspectie. Zij is daar vrij streng op. Waar ouders
vragen hebben, gaat de inspectie er altijd op af om na te gaan wat er
precies speelt. Als scholen onduidelijk zijn, spreekt zij scholen daarop
aan. Als scholen de regels overtreden, grijpt de inspectie wat mij
betreft hard in.
De heer Jasper van Dijk (SP):
Het is heel fijn dat de inspectie het meldpunt van de staatssecretaris
is, maar we praten niet voor het eerst over dit probleem. We praten er
namelijk al jaren over. Blijkbaar gaat de handhaving niet helemaal goed.
Sterker nog, we zien dat scholen — lees het bericht van de NOS — in
toenemende mate gebruikmaken van dit middel, wellicht om kinderen te
selecteren. Als je als school een bijdrage van €1.000 of €1.500 vraagt
en tegen ouders zegt "u snapt toch wel dat u ons in de problemen brengt
als u die niet betaalt", houd je daarmee een selectiemechanisme in
stand. We moeten daar veel beter bovenop zitten. Daarom stel ik voor om
de ouderbijdrage te maximeren. Ik weet dat de staatssecretaris geen
voorstander daarvan is, maar daarmee zou hieraan wel paal en perk
gesteld worden. Ik hoop dat de Kamer zo verstandig is om dit voorstel te
steunen.
Staatssecretaris Dekker:
Ik zie dat de heer Van Dijk heel graag naar de media grijpt — in dit
geval was het de NOS, maar in de vorige ronde was het Trouw — onder het
mom dat het waar is als het in de media is geweest. Soms verslaan de
media dingen die anderen roepen, ook om aandacht te krijgen voor een
bepaald belang. Dat is op zichzelf genomen hun goed recht. De
organisaties die hierbij betrokken zijn, zitten ook weleens bij mij aan
tafel. We voeren dan ook deze gesprekken. Ik wijs even op de feiten. De
schoolkosten voor ouders zijn gedaald in plaats van gestegen. Dat is een
heel belangrijk signaal. Ik zeg ook steeds tegen deze organisaties dat
het hartstikke goed is dat ze het verzamelen, maar dat ik nog liever heb
dat echt concrete gevallen bij mij worden gemeld zodat we er iets aan
kunnen doen. In mijn ogen schort het namelijk niet aan de regelgeving,
die onduidelijk zou zijn, of aan de inspectie, die niet zou willen
optreden en handhaven. Die wil is er wel degelijk. De signalen moeten
ons echter wel bereiken, anders kunnen we er niet in springen. Ik zou de
heer Van Dijk dus haast willen vragen om zijn loket te koppelen aan ons
loket. Dan blijven de vragen en klachten niet liggen maar kunnen we er
meteen mee aan de gang.
De heer Van Dijk vraagt of de regels, waarvan ik vind dat ze voldoen,
niet verder moeten worden aangescherpt door bijvoorbeeld een maximum te
stellen aan de vrijwillige ouderbijdrage. Ik vind dat daarvan een slecht
signaal uitgaat. Als je namelijk zegt dat het een vrijwillige bijdrage
is, waarom zou je die dan moeten maximeren? Bij een maximale bijdrage is
toch het uitgangspunt dat alle ouders die bijdrage moeten betalen. Ook
gaat zo'n maximum heel erg uit van een Haagse realiteit, alsof ouders en
scholen niet zelf in staat zijn om te bedenken wat redelijk is en wat er
van ouders kan worden gevraagd. Aangezien de oudergeleding in de
medezeggenschapsraad instemmingsrecht heeft op zowel de hoogte van de
ouderbijdrage als de bestemming daarvan, vind ik dát de plek waar dit
thuishoort. Ik zou het heel gek vinden als wij tegen ouders en scholen
zouden zeggen: wij weten wat beter voor u is, dus wij gaan vanuit Den
Haag regels opleggen voor wat u mag vragen.
De voorzitter:
Ik zie dat ook de heer Van Meenen nog wil interrumperen, maar ik geef
eerst het woord aan mevrouw Vermue. Ook verzoek ik de staatssecretaris
om in zijn beantwoording iets beknopter te zijn, omdat we anders uit de
tijd vliegen.
Mevrouw Vermue (PvdA):
De staatssecretaris zegt dat wij ons niet alleen op de media moeten
baseren maar ook op de feiten. De Partij van de Arbeid heeft in de
afgelopen maanden 53 schoolgidsen onderzocht, juist op de ouderbijdrage.
Ik kan de gegevens dus aan de staatssecretaris overhandigen. Ook hebben
we 34 scholen benaderd. Wat bleek daaruit? De regelgeving is weliswaar
duidelijk, maar scholen doen een enorm indringend moreel appel op ouders
om toch de vrijwillige bijdrage te voldoen. Hoewel zij zich formeel aan
de regels houden, blijven zij toch druk op ouders leggen om te betalen.
Ik kan een voorbeeld noemen: "Tevens ontvangt u de Overeenkomst
Ouderbijdrage." In die overeenkomst wordt vervolgens bijna wettelijk
vastgelegd dat ouders die bijdrage moeten voldoen. Of: "De ouderbijdrage
is op vrijwillige basis, maar het bestuur van de school verwacht dat u
de ouderbijdrage voldoet." Hoe vrijwillig is vrijwillig dan? De
staatssecretaris zegt dat de ouderbijdrage proportioneel moet blijven en
dat de regelgeving duidelijk is. Wat gaat hij hier dan aan doen? En hoe
kunnen we het moreel appel ervanaf halen?
Staatssecretaris Dekker:
Wat ik kan en wil doen, is ten eerste ouders precies uitleggen hoe de
wet- en regelgeving in elkaar zit. Dat heb ik recentelijk nog voor
Ouders & Onderwijs gedaan. Zo weten ouders waarop ze zich kunnen
beroepen. Ten tweede kan ik scholen aanspreken als ze echt over de
schreef gaan. Dat zijn wat mij betreft de twee harde en heldere lijnen
die we kunnen volgen.
Mevrouw Vermue (PvdA):
Ik neem nog geen genoegen met dit antwoord, want volgens mij houden we
zo het ontmoedigingsbeleid van scholen in stand die een hoge
ouderbijdrage verwachten, die weliswaar vrijwillig is maar toch min of
meer verplicht. Het suggereert al een stuk uitsluiting aan de voorkant,
want ouders die daaraan niet kunnen voldoen, zullen minder snel geneigd
zijn om voor zo'n school te kiezen. En als we daarnaast bijvoorbeeld de
wet op de gratis schoolboeken niet aanpassen aan de normen van deze tijd
houden, we de tweedeling in stand, zowel met de vrijwillige
ouderbijdrage als met de wet op de gratis schoolboeken.
Staatssecretaris Dekker:
Dat zijn wel twee verschillende dingen. Ik zie oprecht niet wat het zou
uitmaken als we laptops zouden opnemen in de wet op de gratis
schoolboeken. Wat scholen namelijk vragen is: geef ons extra geld, zodat
we gratis laptops ter beschikking kunnen stellen. Dat is geen aanpassing
van de wet. Dat is vragen om meer geld, zodat ze iedereen een gratis
laptop kunnen geven. Dat is ook een politieke keuze, dat kun je doen. Ik
zie daar echter op dit moment geen ruimte voor. Scholen hebben nu al de
vrijheid om kinderen te voorzien van digitale middelen als ze de
overstap maken van papier naar digitaal. Ze zijn er niet toe verplicht,
maar ze kunnen het wel doen.
Wat betreft het tweede punt van mevrouw Vermue: nogmaals, in mijn ogen
zijn de regels helder. Waar scholen over de schreef gaan, kunnen we
ingrijpen. Wij vertrouwen er echter op dat ouders in de
medezeggenschapsraad via horizontale verantwoording goede afspraken
maken op schoolniveau. Zo komen ze tot een proportioneel en rechtvaardig
beleid rond de vrijwillige ouderbijdrage. We moet het daar laten. Als
mevrouw Vermue daar van af wil, moet ze misschien de vrijwillige
ouderbijdrage afschaffen. Ik denk dat we daar heel veel kinderen mee
tekort doen. Er zijn heel veel ouders die heel graag ook vrijwillig een
bijdrage doen aan de school, waardoor kinderen bijvoorbeeld af en toe op
Romereis kunnen. Dat is iets wat scholen zelf niet kunnen betalen en
waarvan ik het heel erg logisch vind dat ze er een vrijwillige
ouderbijdrage voor vragen. Als scholen een vrijwillige ouderbijdrage
voor ICT-materiaal moeten vragen, denk ik dat ze zich afvragen hoeveel
extra dan gevraagd is, omdat hun kinderen dat materiaal al allemaal
hebben. Een school moet natuurlijk wel bekijken of hij wat kan doen voor
kinderen van ouders met een wat kleinere portemonnee. Maar dé manier om
dat te doen is om de eis te stellen dat een bijdrage altijd vrijwillig
is. De school moet altijd zorgen voor een goed alternatief voor ouders
die dat niet kunnen of willen betalen. Met andere woorden, ik denk heel
erg graag met mevrouw Vermue mee. Ik denk echter dat de maatregelen die
zij in haar hoofd heeft, het alleen maar minder goed maken.
De heer Van Meenen (D66):
Ik hoop dat de staatssecretaris ook even met mij mee wil denken. Ik wil
het ook even hebben over de tablet en laptop. We zien allemaal dat die
in opkomst zijn in het onderwijs. Gedifferentieerd leren en dergelijke
vinden we ook allemaal belangrijk. Er zijn drie mogelijke partijen die
dat kunnen betalen: de school, de ouders of de overheid. De school zegt
het geld er niet voor te hebben. Dat is ook wel terecht, denk ik. Het is
namelijk niet allemaal ter vervanging van boeken. Gelukkig bestaan die
ook nog. We hebben recentelijk ook gezien dat de materiële bekostiging
al jaren achterblijft. De scholen kunnen dat gewoon niet betalen als we
dat aan hen vragen.
Dan komen we bij de ouders. Er zijn zeker ouders die het kunnen betalen,
maar er zijn ook ouders die dat niet kunnen. We weten uit ervaring dat
maatregelen die scholen nemen om een regeling te treffen voor kinderen
van ouders met een krappe beurs, vaak juist vervelende situaties voor
leerlingen oproepen. Dat leidt tot veel pestgedrag. Ze krijgen dan
bijvoorbeeld een leen-iPad van school, maar die mogen ze dan weer niet
meenemen naar huis. Het is dus echt ingewikkeld om deze vraag bij de
ouders neer te leggen, juist als het vrijwillig is.
Dan blijft er nog één partij over, namelijk de overheid. Die biedt
gratis schoolboeken voor iedereen. Het maakt niet uit of je miljonair
bent, je schoolboeken krijg je gratis. Dat hadden we natuurlijk nooit
moeten doen, want dat is volstrekte flauwekul. Ik ben benieuwd hoe de
staatssecretaris daarnaar kijkt. Er gaan honderden miljoenen naar mensen
die dat totaal niet nodig hebben. Vroeger was de regeling gewoon dat je
via de wet een tegemoetkoming kreeg als je je schoolboeken niet kon
betalen. Zouden we niet terug moeten naar die situatie en iets
dergelijks moeten doen, ook voor digitale leermiddelen? Dat begint
echter met de vraag of de staatssecretaris bereid is die ook als
leermiddel te erkennen en ze mee te nemen in een andere benadering van
wat ik maar even de regeling gratis schoolboeken noem.
Staatssecretaris Dekker:
Dan zouden we teruggaan naar de situatie waarin ouders niet alleen de
laptop zouden moeten betalen maar ook de schoolboeken. Dat kan. Dat
stond overigens ook in het regeerakkoord toen wij begonnen. Daar is met
het herfstakkoord, van onder andere D66, een streep door gehaald. Ik
weet dat het niet uit uw koker kwam, mijnheer Van Meenen.
De heer Van Meenen (D66):
Dat was inderdaad niet op ons verzoek. De schuldigen zijn er niet
vandaag.
Staatssecretaris Dekker:
Nee, maar het is wel een feit. Ik denk dat je dit alsdan opnieuw zou
moeten bezien. Ik vind het echter te makkelijk om nu te zeggen dat
iedere leerling maar een gratis laptop moet krijgen, en dat is wel een
beetje waar dit debat naar neigt. Dat zou ik echt onverstandig vinden.
Zolang wij de Wet gratis schoolboeken hebben en scholen een richtbedrag
van zo'n €350 krijgen om in schoolboeken te voorzien, kunnen ze ook
daarin voorzien. Er zijn scholen die echt de overstap naar digitale
devices hebben gemaakt en die beschikbaar stellen. Het kan dus wel.
Scholen zitten weliswaar niet ruim in hun jasje, maar er zijn scholen
die daar welbewust voor hebben gekozen en die stap hebben gemaakt. Maar
om iedereen een gratis iPad te geven gaat mij echt een beetje te
ver.
De heer Van Meenen (D66):
Die redenering klopt niet helemaal, want de device, dat digitale
leermiddel, heeft ook nog een inhoud. Voor die inhoud moet je net zo
goed betalen als voor de boeken. Die inhoud vervangt de gratis boeken.
Wat er gewoon bij komt, is dit hulpmiddel. Ik weet niet of de
staatssecretaris dit met mij eens is. Voor de helderheid: de digitale
inhoud brengt kosten met zich mee. De school kan de device echter niet
betalen uit de bekostiging voor de gratis schoolboeken.
Staatssecretaris Dekker:
Ik constateer alleen maar dat sommige scholen dat doen en daar dus
kennelijk wel in slagen. Ik ben het echter met de heer Van Meenen eens
dat je er met een computer alleen niet bent. Je hebt ook software en
programma's nodig. Het is dus vaak en-en.
De voorzitter:
Staatssecretaris, volgens mij was u al begonnen met de afronding van uw
beantwoording. Mochten er tijdens die afronding nog vragen zijn, dan
stel ik voor om die te stellen nadat de staatssecretaris klaar is met
zijn beantwoording.
Staatssecretaris Dekker:
De minister verwees al even naar mij naar aanleiding van de vragen van
de heer Grashoff en mevrouw Vermue over het onderbouwrendement. Ik zal
daar wat meer specifieke dingen over zeggen. Belangrijk is dat wij het
onderbouwrendement hebben omgevormd. Op dit moment is het voor de
inspectie een heel belangrijk kwaliteitscriterium ter bescherming van de
leerling en ter bewaking van het creëren van gelijke kansen. In het
onderbouwrendement zit een positieve prikkel. Scholen worden beloond
voor het bieden van gelijke kansen en het verbreden van kansen. Als we
dat dus niet meer zouden meten of bijhouden, vaart de inspectie in de
mist. Wij moeten er natuurlijk altijd voor uitkijken dat de inspectie
allerlei prikkels inbouwt die het voor scholen aantrekkelijk maken om
kinderen geen kansen te bieden. Ik zou het hoogst onverstandig vinden
als we helemaal niet meer zouden bekijken of scholen kansen bieden aan
leerlingen en of ze dat op een goede manier doen. De manier waarop wij
het onderbouwrendement nu hebben vormgegeven, leidt er juist toe dat er
gekeken wordt naar het bieden van gelijke kansen.
Tot slot ga ik nog in op een aantal vragen. De heer Duisenberg had het
over manieren om ouders erbij te betrekken. Hij vroeg of een brede
voorlichtingscampagne daar een goed idee voor zou zijn. In het verleden
heeft mijn voorgangster al eens een voorlichtingscampagne gehouden en
die ook geëvalueerd. Uit de evaluatie bleek dat een brede ongerichte
voorlichtingscampagne niet altijd effect heeft. Wat wel heel goed werkt,
is een aanpak op het niveau van de school. Scholen moeten duidelijke
afspraken maken met ouders over wat er precies van hen wordt verwacht
qua begeleiding van huiswerk, rapportavonden et cetera.
Wij proberen dat nu in te bakken op een aantal manieren. Ten eerste doen
wij het een en ander rond taal. Dat heeft de minister net gezegd.
Daarmee bereiken wij zo'n 10.000 ouders met een lage taalvaardigheid.
Zij kunnen op dat gebied nog stapjes maken. Wij spitsen dat niet alleen
maar toe op taal, maar ook op het belang van betrokkenheid bij school
überhaupt.
Het tweede punt is dat wij afspraken maken met scholen over
schakelklassen en het extra geld dat ze daarvoor krijgen. Een van de
voorwaarden waaronder zij subsidie krijgen, is dat zij duidelijk moeten
aangeven hoe zij de ouders hierbij betrekken. Het is niet alleen iets
tussen de leerling en de school. Ook de ouder moet een onderdeel daarvan
zijn.
Het derde punt is de hele aanpak van de Gelijke Kansen Alliantie, met
bedrijven, maatschappelijke organisaties, sportclubs, noem maar op. In
die brede beweging die in gang is gezet, is een van de speerpunten hoe
we ouders er meer bij kunnen betrekken. Het is dus niet alleen maar
gericht op de leerling, maar ook op de ouder. Ik ben het ermee eens dat
alles wat van huis uit kan worden meegegeven, een grote plus is waarop
de school vervolgens kan voortborduren.
De heer Duisenberg vroeg ook heel concreet of scholen voldoende mandaat
hebben om eisen aan ouders te stellen. Ik denk niet in die zin dat een
school een ouder en een kind mag weigeren als een ouder dat niet doet,
maar informeel kom je heel ver. Informeel zijn er gesprekken met ouders,
waarin wordt gezegd dat er met alle ouders een contract wordt gesloten
waarin duidelijke afspraken worden gemaakt over wat over en weer
verwacht kan worden. In de praktijk zien we dat dit misschien geen
formele of juridische status heeft, maar toch heel goed werkt. Laten we
vooral kijken hoever we daarmee kunnen komen.
De heer Duisenberg (VVD):
Over de ouderbetrokkenheid zegt de staatssecretaris dat scholen op
informele wijze heel ver kunnen komen. Ik begrijp dat. Ik heb ook even
gekeken op de website van De Hef, het mooie voorbeeld van de minister.
Daar staat dat de ouders van alle leerlingen van groep 1 tot en met 4
aan het begin van het schooljaar een kennismakingsgesprek hebben op
school en dat in dat gesprek afspraken worden gemaakt voor het komende
schooljaar. Dat klinkt als: zo doen we het. Dat zie ik ook terug bij
Expeditie Basisschool. Nu hoorde ik van de organisatie Ouders &
Onderwijs dat het begrip "ouderbetrokkenheid" echt een containerbegrip
is voor heel veel scholen, dus een macrobegrip. Volgens hen zouden
scholen gebaat zijn bij handvatten voor hoe zij dit vorm kunnen geven,
met dit soort mooie voorbeelden. Mijn verzoek aan de staatssecretaris is
om de scholen handvatten te geven voor hoe de ouderbetrokkenheid vorm te
geven, op die informele wijze waarvan ik voorbeelden heb gegeven. Dat
kan via die alliantie, met de PO-Raad of de VO-raad of direct met een
brief.
Staatssecretaris Dekker:
Dat kunnen wij gewoon oppakken. Een van de ideeën van de Gelijke Kansen
Alliantie is dat er op sommige plekken al heel mooie dingen gebeuren.
Hoe ontsluiten we die voor de rest van Nederland? Ik denk dat De Hef een
mooi voorbeeld is en zo zijn er nog een aantal andere scholen. Als we
zien dat dit leidt tot betere resultaten bij leerlingen en meer gelijke
kansen, dan is het onze taak om ervoor te zorgen dat veel meer scholen,
veel meer gemeenten en ouders zien dat dit werkt en ook op die manier
aan de slag gaan.
De heer Grashoff (GroenLinks):
Ik wil nog iets vragen over schaduwonderwijs, dat ook aan de orde is
gekomen in onderzoeken. Daar is een zekere zorg over uitgesproken door
de onderwijsinspectie. We hebben vastgesteld dat de verwachte uitgaven
in tien jaar tijd enorm zijn gestegen. We hebben daarover een
rondetafelgesprek gevoerd. Daaruit bleek dat heel veel partijen het
gevoel hebben dat er een soort sluipende privatisering gaande is. Er
staat letterlijk een kraampje in de school waar de ouders bijles kunnen
regelen op eigen kosten. Dat is duur: €100, €200 of €250 per maand.
Tegelijkertijd bleek dat we veel informatie missen. Door sommigen werd
gezegd dat maar 4% van de leerlingen er gebruik van maakt en dat het
spijkers op laag water zoeken is, maar anderen zeiden dat dit het topje
van de ijsberg is, want we weten het niet goed. Dat werd onder meer door
de OESO-onderzoekster van de UvA gemeld. Is de staatssecretaris bereid
om heel stevig te laten onderzoeken wat de omvang en de impact is van
het schaduwonderwijs en wat voor opties je hebt om daarmee om te
gaan?
Staatssecretaris Dekker:
De heer Grashoff wordt op zijn wenken bediend. Hij heeft daar volgens
mij ook schriftelijke vragen over gesteld. Die zijn vorige week
beantwoord. Dat onderzoek gaan we doen omdat uit de onderzoeken die zijn
gedaan tegenstrijdige signalen naar voren komen. Uit sommige blijkt dat
het bedrag dat ouders uittrekken voor bijlessen zou dalen. Het onderzoek
van CBS laat daarentegen een heel ander beeld zien, namelijk dat het
stijgt. Ik denk dat de uitkomst van het laatste onderzoek veel dichter
bij de werkelijkheid zit. Ik denk ook dat de kosten stijgen en dat het
aantal ouders dat daarvan gebruikmaakt toeneemt.
De volgende vraag is dan wat de reden van deze toename is. Wij weten dat
er altijd een private sector is geweest en dat je die niet zomaar kunt
verbieden. Ik vind het nogal uitmaken of ouders de vlucht naar
bijlessen, huiswerkbegeleiding en examentraining nemen omdat het
onderwijs tekortschiet of omdat zij het belangrijk vinden dat hun kind
boven op het onderwijs dat wordt gegeven wat extra's meekrijgt. In het
eerste geval, als het onderwijs tekortschiet, is er echt iets ernstigers
aan de hand en dan kun je die scholen daarop ook aanspreken. Iedere
school moet ervoor zorgen dat leerlingen gewoon goed worden begeleid,
ook als zij wat extra hulp nodig hebben, ook als ze soms een beetje
begeleiding nodig hebben, ook al is dat een-op-een, ook al is dat buiten
schooltijd. Scholen hebben daarin een belangrijke verantwoordelijkheid
die zij zichzelf niet kunnen kwijtschelden.
De voorzitter:
De heer Grashoff heeft een vervolgvraag.
De heer Grashoff (GroenLinks):
Ik ben blij met dit antwoord. Een element blijft toch wel op z'n zachtst
gezegd erg gevoelig: onderwijsgevers en onderwijsvakbonden geven aan dat
hun mensen zeggen dat zij daar simpelweg te weinig tijd en mogelijkheden
voor hebben. Het ontbreekt hun aan de middelen. Ik citeer: ik doe mijn
stinkende best, maar ik kom eigenlijk aandacht voor leerlingen tekort.
Is de staatssecretaris het met de kritiek eens dat de inrichting en de
middelen van het huidige onderwijs eigenlijk onvoldoende zijn om
maatwerk en individuele begeleiding te bieden? Vindt de staatssecretaris
dus dat het, nog even los van de vraag of dit te maken heeft met een
maatschappelijke ontwikkeling, ten minste meer is dan alleen maar de
overdreven drive van ouders die het kunnen betalen en natuurlijk het
beste met hun kinderen voorhebben?
Staatssecretaris Dekker:
Daar ben ik op voorhand helemaal niet van overtuigd, maar het is wel
iets wat uit een onderzoek zou kunnen komen. Ik zie dat scholen veel
meer ruimte hebben om te variëren in de aandacht die zij aan leerlingen
geven en dat veel meer kunnen doen dan zij nu doen. Sinds een aantal
jaren is er de beleidsregel flexibiliseren onderwijstijd. Sommige
leerlingen kunnen het bij wijze van spreken met 800 of 900 uur af, maar
andere leerlingen hebben misschien wel 1.100 of 1.200 uur nodig. De
bedoeling was juist om daarin veel meer te variëren dan bij het oude
standaardpakket van 1.040 uur, dat gold voor alle leerlingen. Nog lang
niet alle scholen maken echter gebruik van de ruimte die daardoor is
ontstaan. Voordat wij de conclusie trekken dat het op stelselniveau over
de hele linie niet goed geregeld zou zijn, wil ik wel bekijken of
scholen de ruimte gebruiken die zij daarvoor hebben.
De voorzitter:
De staatssecretaris was al klaar met zijn antwoord. Ik stel voor om vijf
minuten te schorsen voordat wij doorgaan naar de tweede termijn van de
Kamer.
De heer Grashoff (GroenLinks):
Voorzitter, mag dat tien minuten zijn?
De voorzitter:
Ja, goed. Tien minuten.
De vergadering wordt van 15.26 uur tot 15.36 uur geschorst.
De voorzitter:
We beginnen met de tweede termijn van de Kamer, inclusief de moties. U
hebt allen drie minuten. Er is een vaste volgorde. We beginnen met
mevrouw Vermue van de PvdA. De moties zullen niet morgen, maar volgende
week dinsdag in stemming worden gebracht.
Mevrouw Vermue (PvdA):
Voorzitter. Ik dank de indieners en de bewindspersonen voor de
uitgebreide beantwoording. Als we spreken over kansengelijkheid in het
onderwijs, zeggen we vaak dat de plaats waar je wieg heeft gestaan, niet
mag bepalen welke kansen je in het onderwijs krijgt. Bij doorvragen
blijkt dat men het vaak heeft over het opleidingsniveau van de ouders,
over hun inkomen of over hun herkomst. De staatssecretaris zei in zijn
beantwoording dat een school op 7 kilometer afstand bereikbaar moet
zijn. Dat triggerde me en daarom stel ik dit toch nog aan de orde. Als
het gaat over de plaats waar je wieg heeft gestaan, denken we nog te
weinig aan de letterlijke plaats waar iemands wieg heeft gestaan. Er zit
mogelijk ook een verschil in kansen tussen stad en platteland. Daarom
nodig ik de staatssecretaris van harte uit om mee op de fiets te gaan in
Zeeuws-Vlaanderen, waar de dichtstbijzijnde middelbare school zich op 30
kilometer afstand bevindt. Ik vraag hem wat dit betekent voor
kansengelijkheid. Extra keuzevakken zijn daar niet vanzelfsprekend,
omdat de nabijheid van onderwijs überhaupt onder druk staat.
Ik heb drie moties. De eerste gaat over schoolkosten in het mbo.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat er in het mbo sprake lijkt van een trend van forse en
soms toenemende schoolkosten voor materialen en boeken, waarbij dit voor
minderjarige mbo-leerlingen tot forse schoolkosten leidt;
constaterende dat deze schoolkosten financiële drempels kunnen opwerpen
in de toegankelijkheid van het middelbaar beroepsonderwijs;
stelt vast dat leeftijdgenoten in het voortgezet onderwijs geen
schoolkosten voor materialen en boeken kennen;
spreekt uit dat het wenselijk is dat de tegemoetkoming of de eventuele
kosten van minderjarige leerlingen in het mbo structureel worden
gelijktrokken aan die van leerlingen in het voortgezet onderwijs;
verzoekt de regering, in kaart te brengen op welke wijze deze omgang met
schoolkosten voor mbo'ers en het gelijktrekken met leerlingen in het vo
vorm kan krijgen en welke financiële gevolgen dit precies zou
hebben;
verzoekt de regering tevens, de Kamer hierover te informeren, niet later
dan 1 mei 2017,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Vermue en Rog. Naar mij blijkt,
wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.
Zij krijgt nr. 3 (34511).
Mevrouw Vermue (PvdA):
Ik vlieg erdoorheen met nog twee moties. Ik heb een motie over de
vrijwillige ouderbijdrage.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat er scholen zijn die honderden en soms zelfs duizenden
euro's aan vrijwillige ouderbijdrage vragen;
constaterende dat veel scholen de vrijwilligheid van de ouderbijdrage in
de schoolgids benoemen, maar dit combineren met een moreel appel op
ouders om deze alsnog te voldoen;
van mening dat het niet voldoen van de vrijwillige ouderbijdrage nooit
een drempel mag vormen voor de kansen van kinderen om mee te doen met
activiteiten die vanuit school georganiseerd zijn;
verzoekt de regering, in overleg met alle relevante actoren in het
primair en voortgezet onderwijs:
een limiet te stellen aan de vrijwillige ouderbijdrage;
te zorgen dat ouders op voorhand van het jaar geïnformeerd zijn over het totaalbedrag voor het gehele jaar van de vrijwillige ouderbijdrage;
een wettelijk verbod vast te leggen op het weigeren van leerlingen bij zowel curriculaire activiteiten als overige activiteiten die vanuit school georganiseerd worden,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Vermue en Jasper van Dijk. Naar
mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.
Zij krijgt nr. 4 (34511).
Mevrouw Vermue, u bent al door uw tijd heen, maar omdat u nog één motie
hebt, geef ik u het woord.
Mevrouw Vermue (PvdA):
Doorgaans ben ik ook niet zo lang van stof. Dit is mijn laatste
motie.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat het zwaartepunt bij de overgang van basis- naar
voortgezet onderwijs ligt in het advies van de school en de eindtoets
slechts een tweede objectief gegeven is;
constaterende dat bij vergelijkbare prestaties leerlingen met lager
opgeleide ouders een lager schooladvies krijgen dan leerlingen met hoger
opgeleide ouders;
overwegende dat ieder kind de kans moet krijgen om zichzelf te
bewijzen;
constaterende dat nog maar weinig scholen, zoals in de Wet eindtoetsing
po bedoeld, het schooladvies bijstellen indien een leerling een betere
eindtoetsscore heeft behaald;
overwegende dat de evaluatie van de Wet eindtoetsing po momenteel loopt
en op korte termijn een tussenrapportage naar de Kamer gestuurd zal
worden;
verzoekt de regering, kinderen maximale kansen te bieden en altijd het
voordeel van de twijfel te geven door het hoogste advies leidend te
laten zijn en het schooladvies van de basisschoolleraar bij te stellen
naar minimaal een hoger gecombineerd schooladvies, indien een leerling
een betere eindtoetsscore heeft behaald,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Vermue, Jasper van Dijk en Van
Meenen. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende
ondersteund.
Zij krijgt nr. 5 (34511).
De heer Van Meenen (D66):
Voorzitter. Om te beginnen dank ik de initiatiefnemers zeer hartelijk en
spreek ik nogmaals mijn blijdschap uit over het feit dat we op zo veel
vlakken in dezelfde richting blijken te denken. Laten we dat vooral
vasthouden. Uiteraard dank ik ook de bewindspersonen.
Ik heb nog één vraag, die ik vanwege tijdgebrek in de eerste termijn
niet aan de orde heb kunnen stellen. Hoe kijkt de staatssecretaris in
het licht van het denken in kansen voor kinderen aan tegen de
voorgenomen bezuiniging van het kabinet op het
onderwijsachterstandenbeleid? Kan hij daar nog iets over zeggen? Mijn
fractie maakt zich daar namelijk grote zorgen over.
Ik dien twee moties in.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat er verschillende initiatieven zijn met onderwijs voor
leerlingen van 2 tot 18 jaar en 10 tot 14 jaar op één school;
overwegende dat op deze wijze overgangen, ontwikkeling en doorstroom in
het onderwijs soepeler verlopen;
constaterende dat er bestaande initiatieven nog tegen veel belemmeringen
aanlopen door verschillen in wet- en regelgeving tussen primair
onderwijs, voortgezet onderwijs, kinderopvang en
achterstandenbeleid;
verzoekt de regering, samen met bestaande initiatieven te onderzoeken
welke regels in de weg staan en voorstellen uit te werken om deze
belemmeringen weg te nemen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Meenen, Grashoff en Jasper
van Dijk. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende
ondersteund.
Zij krijgt nr. 6 (34511).
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat plaatsing in het voortgezet onderwijs gebeurt aan de
hand van een schooladvies van de basisschool;
overwegende dat een enkelvoudig advies een vaak onterecht
eendimensionaal beeld geeft van een leerling;
overwegende dat niet bij alle leerlingen op 12-jarige leeftijd al
duidelijk is hoe talent en vaardigheden zich zullen ontwikkelen;
verzoekt de regering, werk te maken van het stimuleren van dubbele of
brede schooladviezen en mogelijk te maken dat er aanvullend advies komt
op vakniveau en voor niet-cognitieve vaardigheden,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Meenen, Grashoff en Jasper
van Dijk. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende
ondersteund.
Zij krijgt nr. 7 (34511).
De heer Rog (CDA):
Nu deze motie onderdeel is van de beraadslaging, wil ik de heer Van
Meenen vragen wat deze motie precies toevoegt, want volgens mij mogen
scholen enkelvoudige en meervoudige adviezen geven. Dat recht is
vastgelegd. De Kamer heeft al regelmatig gezegd: zorg ervoor dat het ook
gebeurt. De staatssecretaris heeft dat bij mijn weten ook gedaan, juist
op advies van de Kamer. Wat voegt deze motie dan toe?
De heer Van Meenen (D66):
Dat is een terechte vraag. Deze motie voegt de mogelijkheid toe om een
nog breder advies te geven, dus niet alleen een dubbel advies. De heer
Rog moet dit ook een beetje zien in het licht van die andere motie. Er
zijn namelijk nogal wat kinderen bij wie volstrekt niet helder is op
welk niveau zij verder zouden moeten gaan. Ten eerste zou je, in het
licht van de brede brugklassen, een breder advies dan alleen een dubbel
advies moeten kunnen geven aan een leerling. Ten tweede pleiten wij
ervoor om te onderzoeken of het mogelijk is om ook aanvullend advies te
geven, bijvoorbeeld op vakniveau, bijvoorbeeld voor een leerling die
gemiddeld op een bepaald niveau functioneert maar toch een bijzonder
talent heeft voor het een of ander. Dat hoeft niet per se een cognitieve
vaardigheid te zijn; het kan ook een andere vaardigheid zijn. Zo kun je
meer helderheid geven over waar deze leerling het beste op zijn plek is.
Dat is wat het toevoegt.
De heer Rog (CDA):
Wat gaat dit betekenen voor het afnemende onderwijs, het voortgezet
onderwijs? Wat moet men daar met zo'n advies? Het kind moet naar het
voortgezet onderwijs, maar in bepaalde gevalleen heeft de basisschool,
na acht jaar basisonderwijs, een leerlingvolgsysteem en de uitkomst van
een eindtoets, werkelijk geen idee van waar het terecht kan komen of wat
het mogelijke eindniveau is, volgens de heer Van Meenen. Ik vraag me af
of de heer Van Meenen nu een probleem creëert of er eentje oplost.
De heer Van Meenen (D66):
Ik probeer een probleem voor sommige leerlingen op te lossen, want dit
probleem bestaat. Het is een echt probleem, zeker omdat sommige kinderen
een disharmonisch profiel hebben. In Nederland moet het altijd weer
worden teruggebracht tot een paar lettertjes: vmbo, havo of vwo. Er zijn
echter kinderen voor wie het veel minder helder en eenduidig is. Ik
pleit ervoor om dat in het advies tot uitdrukking te kunnen laten
komen.
De voorzitter:
Het woord is nu aan de heer Grashoff van GroenLinks, die drie minuten
spreektijd heeft.
De heer Grashoff (GroenLinks):
Voorzitter. Ik beperk me tot de indiening van enkele moties. Er is nog
van alles over te zeggen, maar dan zijn die drie minuten toch te
kort.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat scholen met het predicaat "excellent" niet zelden
instrumenten inzetten die erop gericht zijn hun rendement en
slaagpercentages te vergroten door instroom- en doorstroombeperkende
maatregelen;
overwegende dat dergelijke maatregelen niet bijdragen aan de kwaliteit
van het door hen geleverde onderwijs;
verzoekt de regering om in de criteria voor het predicaat "excellent" op
te nemen dat scholen zich ook bovengemiddeld inzetten om
kansengelijkheid te versterken, zowel bij het aannamebeleid als tijdens
de schoolloopbaan;
verzoekt de regering tevens om "excellente" scholen die hun
schoolresultaten verbeteren door instroom- en doorstroombeperkende
maatregelen, het predicaat "excellent" af te nemen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Grashoff en Van Meenen. Naar mij
blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.
Zij krijgt nr. 8 (34511).
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het aantal brede brugklassen met meerdere niveaus
terugloopt;
constaterende dat er momenteel geen financiële stimulans is voor scholen
om een brede brugklas aan te bieden;
van mening dat scholen voor brede brugklassen extra bekostiging
verdienen vanwege de grotere complexiteit zodat ze kleinere klassen
kunnen samenstellen;
overwegende dat brede brugklassen bijdragen aan de
kansengelijkheid;
verzoekt de regering om als onderdeel van de bekostiging een financiële
stimulans in te voeren om brede brugklassen aan te bieden,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Grashoff, Van Meenen en Jasper
van Dijk. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende
ondersteund.
Zij krijgt nr. 9 (34511).
De heer Grashoff (GroenLinks):
Mogelijk kan de volgende motie nog worden aangehouden of ingetrokken.
Dat heeft te maken met de discussie over schaduwonderwijs en de
beantwoording van schriftelijke vragen, waardoor ik me afvraag of we
elkaar helemaal goed verstaan. Ik dien de motie toch maar in en dan
wachten we het even af.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat uit de cijfers van het Centraal Planbureau (CPB)
blijkt dat de investeringen van ouders in schaduwonderwijs al jarenlang
stijgen;
overwegende dat de private bijlesindustrie bijdraagt aan de
kansenongelijkheid in het onderwijs;
overwegende dat thans nog onvoldoende informatie beschikbaar is over de
totale omvang en impact van het schaduwonderwijs alsmede de
achterliggende redenen en oorzaken;
verzoekt de regering om nader onderzoek te doen naar de omvang van
schaduwonderwijs en samen met het onderwijsveld de beleidsopties te
verkennen om de sluipende privatisering van het onderwijs tegen te
gaan;
verzoekt de regering tevens, deze zo spoedig mogelijk met de Kamer te
delen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Grashoff, Vermue en Jasper van
Dijk. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende
ondersteund.
Zij krijgt nr. 10 (34511).
De heer Beertema (PVV):
Voorzitter. Ik dank de bewindslieden en de initiatiefnemers voor de
beantwoording van de vele vragen. De doorstroom in het hele onderwijs is
problematisch, vooral de doorstroom van het mbo naar het hbo, ook al zie
ik een aantal goede initiatieven. De minister heeft gerefereerd aan de
associate degree, de Ad, en de meester-gezeltrajecten. Dat is allemaal
hartstikke mooi, maar uiteindelijk staat het civiele effect enorm onder
druk door het linkse beleid van maar blijven morrelen aan toetsen,
testen en examineren en door de introductie van maatwerkdiploma's en
maatonderwijs. Het civiele effect is het allerbelangrijkste.
Als diploma's hard zijn, als eindniveaus hard zijn en ononderhandelbaar,
dan verloopt die doorstroom veel soepeler, omdat het vervolgonderwijs,
maar ook de wereld daarbuiten, zekerheid heeft. Doorstroomrecht, ja
natuurlijk, maar pas als de kwaliteit van diploma's keihard verzekerd
is. Juist het ondergraven daarvan brengt veel onrust in de
onderwijswereld. De Cito is verlaten, er zijn maatwerkdiploma's, er zijn
nog steeds geen harde examens in het mbo maar wel proeven van
bekwaamheid; dat staat allemaal de doorstroom naar het vervolgonderwijs
in de weg. Ik zeg: zorg nou voor duidelijkheid, voor objectieve meting
om leerlingen te determineren op alle onderwijsniveaus. Het valt mij
tegen dat de Partij van de Arbeid zelfs nu, na alle verontwaardiging in
de initiatiefnota over onderadvisering van kinderen van laagopgeleide
ouders, nog steeds niet wil nadenken over het naar voren halen van de
Cito-toets naar het moment van advisering. Wat mij betreft blijft de
advisering van de leraar leidend. Maar als de PvdA niet tot zo'n
relatief eenvoudige maatregel wil overgaan, getuigt dat van politieke
starheid en dat is jammer. Daar laat ik het bij. Ik heb geen
moties.
De heer Grashoff (GroenLinks):
Er mankeert volgens de heer Beertema van alles. Hij heeft ook allerlei
verwijten over waar het aan ligt. Wat hij niet doet, is in een motie
helder op tafel leggen wat hij wil zodat ik de gelegenheid heb om dat op
de inhoud te beoordelen. Maar hij komt wel met allerlei kritiek en
jij-bakken in de richting van collega-fracties. Ik begrijp er niks van.
Als de heer Beertema een beetje een vent is, dan dient hij in elk geval
een motie in en kijkt hij wie hem steunt.
De heer Beertema (PVV):
Ik begrijp die venijnigheid van collega Grashoff niet. Het lijkt echt
alsof de man van alles in zijn oren heeft, zodat hij dit allemaal niet
hoort. Ik heb tal van moties ingediend, juist ook over de hardheid van
diploma's en over het civiele effect. Mijnheer Grashoff wil het niet
horen en is het er niet mee eens. Dat is zijn goed recht, maar hij moet
niet met dit soort flauwe verhalen komen, namelijk dat wij nooit iets te
vertellen hebben. Dat wijs ik af en ik raad hem aan om eens naar Beter
Horen te gaan of zo.
De heer Grashoff (GroenLinks):
Dit is de boel een beetje omkeren. Ik beoordeel altijd van harte elke
motie van de zijde van de PVV volledig op de inhoud. Ik doe dat altijd
heel nauwgezet, maar het is een beetje raar dat die kans mij hier wordt
ontnomen. Het lijkt er een beetje op dat de heer Beertema toch mokkend
in een hoekje wil gaan zitten en hier een beetje het slachtoffer wil
uithangen.
De heer Beertema (PVV):
Ik mok helemaal niet, ik ben realistisch. Het prachtige systeem dat wij
hadden van harde diploma's en van civiel effect wordt ook door
GroenLinks ondergraven. Juist door de linkse partijen wordt dat al jaren
ondergraven. Ik blijf herhalen dat dit geen goede zaak is en dat civiel
effect ontzettend belangrijk is, juist voor de doorstroming. Ik streef
naar objectiviteit in de beoordeling van leerlingen in het primair
onderwijs. Dat zijn heel belangrijke momenten. Als mijnheer Grashoff
daar niet aan wil omdat hij politiek andere keuzes maakt, is dat zijn
goed recht. Maar die kwalificaties als "mokken" enzovoort zijn niet
terecht.
Ik wil nog wel even iets anders toevoegen. GroenLinks loopt voorop als
het gaat om het mengen van scholen met leerlingen met hoogopgeleide en
laagopgeleide ouders. Ik zie daarin gevaarlijke parallellen met de
debatten die wij altijd hebben gevoerd over het mengen van witte en
zwarte scholen. Dat gaat altijd gepaard met dwang, met bestuurlijke
dwang. Ik noem het postcodebeleid in Nijmegen. In Gouda moesten er
busjes rijden. Ik voorspel nu al dat het ook nu weer gaat gebeuren — en
ik houd mijn hart vast — met scholen met leerlingen van hoogopgeleide en
laagopgeleide ouders. Mijn standpunt is toen altijd geweest: zwarte
scholen, in Rotterdam-Zuid bijvoorbeeld, zijn een realiteit. Leef ermee.
Er valt niet zo veel meer te mengen in veel wijken. Als je dan een
zwarte school bent, heb je de heilige plicht om de beste zwarte school
van Nederland te worden. Een aantal scholen heeft dat gedaan. Zij zijn
excellent geworden. Wat is daar mis mee? Dan heb je een mooie homogene
zwarte school, waar keihard gewerkt wordt en waar een pedagogisch
klimaat heerst dat helemaal op de doelgroepen is toegesneden. Prachtig,
ga zo door. Dat is de creativiteit waar een heel groot deel van het
onderwijs voor staat. Met kinderen van hoogopgeleide en laagopgeleide
ouders kan dat ook. Je kunt de ouders de keuzevrijheid laten. Zij hebben
helemaal niet die linkse dwang nodig van GroenLinks en van de PvdA
enzovoort, die zelfs de huiswerkindustrie te lijf willen gaan. Laat het
gebeuren. Laat ouders investeren in hun eigen kinderen. Waar bemoeien we
ons mee? Ken uw plaats, zeg ik tegen de heer Grashoff van
GroenLinks.
De voorzitter:
Ik dank de heer Beertema voor dit uitgebreide antwoord. Ik stel voor dat
de leden in de gehele tweede termijn maximaal twee keer interrumperen.
Ik zie dat de heer Van Dijk wil interrumperen.
De heer Jasper van Dijk (SP):
Ik dacht even na over uw voorstel. Ik begrijp dat het gaat om twee
interrupties in de tweede termijn van de Kamer én van de regering. Dan
moet ik kiezen tussen de heer Beertema en de minister. Nou vooruit, de
eerste interruptie gaat naar de heer Beertema.
De visie van de PVV is onvindbaar, maar ik ga toch nog een poging doen.
De heer Beertema wil niks doen aan zwarte en witte scholen. Hij wil niks
doen aan die afrekencultuur. Sterker nog, die toetsfabrieken en die
toetsverslaving juicht hij toe. Die kunnen bij de PVV niet groot genoeg
zijn. Dat is de heer Beertema's goed recht, maar ik wil het hebben over
de financiële drempels, want daar zit natuurlijk ook een tweedeling.
Scholen rekenen hoge kosten om daarmee leerlingen te kunnen uitkiezen.
Zo krijg je aan de ene kant elitescholen met hoge ouderbijdragen et
cetera, en aan de andere kant restscholen zonder ouderbijdragen. Voelt
de heer Beertema zich daardoor aangesproken? Ook bij hem zitten veel
kiezers die gebukt gaan onder die hoge schoolkosten. Steunt hij de
geweldige motie op stuk nr. 4, waarmee mevrouw Vermue en ondergetekende
die ouderbijdrage aan banden leggen?
De heer Beertema (PVV):
Ik begin met de inleiding van de heer Van Dijk op zijn vraag. Alle
partijen gebruiken hun inleiding om een karikatuur van de PVV te maken.
Daar wil ik toch even op ingaan. Ik ben helemaal geen voorstander van
toetsfabrieken en van afrekenculturen. Ik begrijp ook oprecht niet waar
de geachte collega dat vandaan haalt. Als het gaat om de Cito-toets heb
ik altijd gezegd dat er ook perverse effecten in zitten, maar die kun je
bestrijden, daar kun je iets aan doen met regelluwe politiek. Maar dat
is niet aan al die linkse mensen besteed. Die willen altijd meteen alles
omvergooien, die willen altijd meteen iets heel anders. Ik zie moties
van D66 langskomen waar bijna stelselwijzigingen aan te pas moeten
komen. Ik ben niet van de stelselwijzigingen. Ik ben ervan om het
prachtige systeem dat wij hebben, met kleine stapjes te verbeteren,
almaar beter te maken. Op die manier krijg je rust in het onderwijs,
want het onderwijs wordt geteisterd door al die overambitieuze leden van
zo'n vaste Kamercommissie, die allemaal hun nalatenschap willen regelen.
Zes weken voor de verkiezingen komen ze nog met dit soort ronkende
nota's om over hun graf heen te regeren. Het veroorzaakt alleen maar
onrust. We hebben er niks aan.
Dan de vraag van de heer Van Dijk. Ik ben daar heel gevoelig voor. Ik
heb zelf jarenlang op zo'n school gewerkt, 34 jaar, tot 2010. De
problematiek is nog steeds hetzelfde. Scholen hebben zelf vaak ook heel
creatieve middelen en potjes om, als het heel nodig is, leerlingen
financieel uit de brand te helpen. Als dat niet kan en als wij daar
regelgeving voor willen maken, dan ben ik zeer bereid om daarover na te
denken. Het kan natuurlijk niet zo zijn dat het financiële belemmeringen
voor leerlingen opwerpt om zich op een bepaalde school aan te melden. Ik
ga er met een positieve grondhouding naar kijken. Laat ik het zo maar
zeggen.
De voorzitter:
Dank voor het uitgebreide antwoord. Er is toch nog een vervolgvraag van
de heer Van Dijk.
De heer Jasper van Dijk (SP):
Hartstikke mooi. Het zou de PVV echt sieren als zij visie zou tonen door
die motie te steunen. Het zou onthullend zijn. Dan zou het
verkiezingsprogramma ook aangevuld kunnen worden.
Met de motie op stuk nr. 5 wordt ook iets gedaan aan de tweedeling
tussen kansarmen en kansrijken. De door de heer Beertema geliefde
Cito-score wordt leidend als het resultaat hoger is dan het
schooladvies. Kan ik de heer Beertema daar ook toe verleiden? Dan hebben
wij nieuws vandaag.
De heer Beertema (PVV):
Ook dat ga ik met een positieve grondhouding bekijken.
De voorzitter:
Dank voor uw positieve grondhouding. Het woord is in tweede termijn aan
de heer Rog van het CDA, die ook drie minuten spreektijd heeft.
De heer Rog (CDA):
Voorzitter. Ik wil de initiatiefnemers en de bewindslieden bedanken voor
hun beantwoording. Ik ben blij dat ze alle twee een houding hebben
ingenomen waaruit zorg blijkt voor het thema, maar dat ze niet meteen
met allemaal overhaaste plannetjes en stelselwijzigingen komen, die
uiteindelijk zullen leiden tot jojobeleid dat niet wordt begrepen in de
onderwijssector.
Ik heb heel veel zorg over voorstellen die de Cito-toets juist weer
belangrijker gaan maken. Ik voorspel dat daardoor het schaduwonderwijs
een enorme steun in de rug krijgt. Bij de huiswerkinstituten gaat de
vlag uit als de motie over dit onderwerp wordt aangenomen. Die leidt
namelijk tot teaching to the test. Ik vind dat heel onverstandig, niet
goed en precies in tegenspraak met datgene wat de indieners en de andere
linkse partijen die dat allemaal geweldig vinden beogen.
Hetzelfde geldt voor die volledige toelatingsrechten. Natuurlijk: zo
veel mogelijk en zo glad mogelijk, dat willen we allemaal. Maar dat
absolute toelatingsrecht gaat echt tot problemen leiden.
Ik vind het eveneens buitengewoon zorgelijk dat na het eerste jaar van
het leenstelsel 9.000 jongeren niet zijn gaan studeren aan het hbo en
dat er nu nog steeds 4.000 jongeren afzien van een studie aan het hbo.
Partijen die hebben gefunctioneerd als stijgbeugel voor het kabinet om
dit beleid te kunnen doorvoeren, GroenLinks en D66, zijn hier nu de
grootste verdedigers. Ik vind het onbegrijpelijk. We zullen het debat
daar nog veelvuldig over voeren.
Ik heb één motie, over de verlenging van de kwalificatieplicht. Dat is
een onderwerp waar we het kort over hebben gehad en waarover we altijd
een wat defensieve houding opmerken bij het kabinet, en dan vooral bij
de minister. Deze motie probeert de plooien wat glad te strijken.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de kwalificatieplicht tot 18 jaar goed werkt, maar dat
de groep 18-plus inmiddels bijna 90% van de vroegtijdig schoolverlaters
vormt;
tevens constaterende dat jongeren zonder startkwalificatie een veel
hogere werkloosheid, substantieel meer criminaliteit en meer onzeker en
precair werk kennen dan jongeren met een startkwalificatie;
overwegende dat de kansen van jongeren zonder een startkwalificatie in
de afgelopen jaren verder zijn afgenomen, zo is de achterstand in
werkgelegenheid ten opzichte van jongeren met een startkwalificatie
opgelopen sinds 2009;
tevens overwegende dat CPB en SCP in het recente onderzoek De onderkant
van de arbeidsmarkt een verdere verslechtering van de positie van deze
jongeren verwachten;
verzoekt de regering, de mogelijkheden voor een verlenging van die
startkwalificatie naar meerderjarigen te inventariseren, in het
bijzonder op welke wijze dit kan geschieden binnen het
(internationaal)rechtelijke kader en hierover de Kamer voor 1 april te
informeren.
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Rog en Vermue. Naar mij blijkt,
wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.
Zij krijgt nr. 11 (34511).
De heer Duisenberg (VVD):
Voorzitter. Ik dank de initiatiefnemers evenals de minister en de
staatssecretaris voor de beantwoording. Ik wil mij aansluiten bij de
oproep die de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid vorige
week deed in Trouw, namelijk om bij dit soort discussies vooral de
nuance te zoeken en voorzichtig te zijn, en de verschillen niet aan te
jagen met al te grote woorden, al dan niet uit politieke motieven.
Daarom ben ik begonnen met een paar positieve voorbeelden, zoals de
Hyperloop. Ook heb ik gesproken over het rapport van de OESO. Als je
vandaag hier bent en alleen vandaag zou luisteren, zou je denken dat het
waanzinnig slecht gaat, maar niets is minder waar. Het gaat goed met het
Nederlandse onderwijs. We staan er enorm goed voor. De OESO geeft aan
dat wij in de topgroep zitten op het gebied van zowel excellentie als
gelijke kansen. Maar er zijn uitdagingen. De minister vatte dat al
samen. Je moet kijken naar de early tracking, het keuzemoment. Er komen
barsten in dat systeem, dus dat moet je repareren. Er zijn goede
voorstellen gedaan.
De tweede uitdaging is de lage motivatie van leerlingen en studenten.
Het is een opvallend gegeven dat Nederland een lage motivatie kent. We
moeten daar iets aan doen, maar niet door alleen maar één punt eruit te
pakken en dat op te blazen met welk motief dan ook. Ik denk daarom dat
het woord "tweedeling" in deze discussie een grove onderschatting is van
de complexiteit van de uitdaging. Het gaat eerder om 17 miljoen kansen
dan om twee groepen.
Ik wil nog iets zeggen over de eindtoets, waarover ik een motie heb. In
de motie en het voorstel van de PvdA en andere fracties wordt ervan
uitgegaan dat het tijdstip van de eindtoets en het advies verschillend
zijn. Dit betekent de facto dat de eindtoets allesbepalend zal zijn. Ik
denk dat het gevolg zal zijn dat de leraar hierdoor wordt gepasseerd,
dat er druk wordt gezet op de eindtoets en op de ongelijke kansen — dat
ben ik met mijn buurman eens — en dat scholen in problemen komen door
die ongelijke momenten. Om aan te geven waar de VVD staat, dien ik een
motie in. Wij willen dat het advies van de leraar en de eindtoets twee
gegevens zijn en dat ze met elkaar in evenwicht zijn. Daarom zouden de
toets en het advies op hetzelfde moment moeten uitkomen.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat het zwaartepunt bij de overgang van basis- naar
voortgezet onderwijs ligt in het advies van de school en het advies van
de eindtoets veel later bekend wordt en slechts tot een heroverweging
leidt;
constaterende dat bekend is dat bij vergelijkbare prestaties leerlingen
met lager opgeleide ouders een lager schooladvies krijgen dan leerlingen
met hoger opgeleide ouders;
overwegende dat ieder kind de kans moet krijgen om zichzelf te
bewijzen;
constaterende dat nog maar weinig scholen, zoals in de Wet eindtoetsing
po bedoeld, het schooladvies bijstellen indien een leerling een betere
eindtoetsscore heeft behaald, mede omdat het advies eerder wordt gegeven
dan de resultaten van de eindtoets bekend zijn;
verzoekt de regering, het schooladvies en het advies van de eindtoets op
hetzelfde moment bekend te maken en het hoogste advies leidend te laten
zijn als het advies van de basisschoolleraar en de eindtoets van elkaar
verschillen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Duisenberg. Naar mij blijkt,
wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.
Zij krijgt nr. 12 (34511).
De heer Jasper van Dijk (SP):
Voorzitter. Ik luisterde naar het betoog van mijn buurman, de heer
Duisenberg. Hij zegt dat het allemaal wel meevalt met de tweedeling.
Sterker nog, hij wil het woord niet eens gebruiken. Ik bied hem hierbij
exclusief onze nota Onderwijs als emancipatiemotor aan — ik zal hem
straks signeren — want ik vind dit toch een mooi gevalletje van
fact-free politics. Volg het nieuws en luister naar de inspectie: de
ongelijkheid in het onderwijs neemt toe onder Rutte II. Dat zijn niet
mijn woorden, maar de woorden van de inspectie. Je afkomst bepaalt je
toekomst. Ik dacht dat wij de negentiende eeuw reeds verlaten hadden,
maar helaas, het is anders.
Gelukkig zie ik veel constructieve voorstellen bij mijn linkse
collega's. U ziet het: voor je toekomst moet je bij links zijn. De
Partij van de Arbeid, D66 — ik weet nooit zeker of ze er ook bij willen
horen — en GroenLinks hebben prima voorstellen. U ziet het: de linkse
samenwerking floreert en komt helemaal van de grond. Dat ziet u ook
terug in moties die zojuist door collega's zijn ingediend: de motie met
de Partij van de Arbeid over het schooladvies dat nu nadelig uitpakt
voor kansarmen, de motie met GroenLinks over de brede brugklassen die
gestimuleerd moeten worden en de motie met de Partij van de Arbeid over
de ouderbijdrage die moet worden aangepakt. Ik heb zelf nog een motie
over de schoolkosten in het mbo.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
van mening dat financiële belemmeringen voor deelname aan het mbo moeten
worden weggenomen;
overwegende dat mbo-scholen moeten voorzien in de basisuitrusting die
noodzakelijk is voor een student om de opleiding te volgen en het
diploma te halen;
verzoekt de regering, de schoolkosten niet langer te beleggen bij de
student, maar ervoor te zorgen dat mbo-scholen voorzien in de zaken die
noodzakelijk zijn voor studenten om hun opleiding te volgen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Jasper van Dijk. Naar mij blijkt,
wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.
Zij krijgt nr. 13 (34511).
Hebt u nog een motie, mijnheer Van Dijk?
De heer Jasper van Dijk (SP):
Nee, ik heb een slotzin, voorzitter.
De voorzitter:
Daar krijgt u de gelegenheid voor.
De heer Jasper van Dijk (SP):
Zet u schrap: mijn laatste zin gaat natuurlijk over het schuldenstelsel.
Er wordt heel wat afgegoocheld met cijfers. De heer Rog heeft daarvan
een vlijmscherpe analyse gegeven. Ik sluit me daar volledig bij aan. Nog
los van al dat gegoochel met cijfers, is het hoofdpunt dat studenten
door dit kabinet met torenhoge schulden worden opgezadeld. "Geld lenen
kost geld", zo wordt elke keer gewaarschuwd op televisie, maar nu even
niet.
De voorzitter:
Ik zie een interruptie van de heer Van Meenen, of toch niet?
De heer Van Meenen (D66):
Ja, maar het is misschien een beetje gek. We krijgen net de motie van de
heer Duisenberg onder ogen en ik zou hem daar eigenlijk nog een vraag
over willen stellen, als dat mag.
De heer Jasper van Dijk (SP):
Dat moet dan via mij!
De voorzitter:
Nee, dat moet via mij! En dat mag. De heer Van Meenen mag van mij een
vraag stellen aan de heer Duisenberg.
De heer Van Meenen (D66):
Ik heb de heer Duisenberg en ook de heer Rog net uitgebreid horen
vertellen dat het heel riskant is als je de uitslag van de toets er op
een of andere manier toe laat leiden dat het advies verhoogd wordt, maar
in de motie zie ik dat dat feitelijk gebeurt. De VVD stelt hierin voor
om het schooladvies en het advies op basis van de toets tegelijk bekend
te maken en het hoogste te laten tellen. Dat begrijp ik niet, want als
er iets een enorme druk gaat zetten op het toetsresultaat, is dit het
wel, lijkt mij. Of zie ik het verkeerd?
De heer Duisenberg (VVD):
Er zijn twee verschillen in de manier waarop wij erin staan. In het
huidige stelsel is er het advies van de leraar en is de eindtoets een
aantal weken of maanden later. Dat is een soort tweede gegeven en
eventueel een correctiemoment. Dan komt hier een tegenvoorstel van een
aantal partijen, waarin er nog steeds wisselende momenten zijn, maar
waarin het resultaat van de eindtoets gaat tellen als dat hoger is. Dat
voorstel doet de heer Van Meenen. Ik denk dat dat juist druk zet op de
eindtoets. De heer Rog heeft dat ook beschreven. Juist dan gaat er
gezegd worden: we gaan nog even vol op de toets zitten. Ik vind ook dat
je daarmee het professionele advies van de leraar passeert. Wij zeggen
dat de adviezen gelijkwaardig zouden moeten zijn. Er komen twee adviezen
uit en die moeten uiteindelijk gewogen worden door ouders. Misschien
moeten ze overleggen met de leraar en het kind over de vraag: wat gaan
we nou doen? Wij vinden dat je hoge verwachtingen moet hebben en dat het
hoogste advies leidend zou moeten zijn. Als het advies van de leraar het
hoogste is, zou dat leidend moeten zijn. Dat is heel goed voor te
stellen, omdat in de toets vaak capaciteiten en vaardigheden niet worden
getoetst die de leerling wel heeft. Het is dus heel goed voor te stellen
dat het advies van de leraar hoger is, maar ook uit de toets kan een
hoger advies komen. Uiteindelijk is de beslissing gewoon aan de ouders.
Zij voeren, samen met hun kind, de discussie over waar ze hun kind
opgeven. Als het advies van de toets hoger is, kan dat advies voor hen
leidend zijn.
De heer Van Meenen (D66):
Ik begrijp er helemaal niets van. Ik begrijp er echt helemaal niets van.
Als ik het goed begrijp, zegt de heer Duisenberg: leuk dat die school
een advies geeft, ook leuk dat er een Cito-toets is, maar de ouders
beslissen gewoon. Ik weet niet of dat zo is, maar dat is compleet anders
dan hoe het nu is en altijd geweest is. Dus dat is dan een vraag. Is dat
zo? Zijn het nu weer de ouders die gewoon beslissen, van "het is leuk
dat er vmbo-t uitkomt, maar wij doen ons kind gewoon op het gymnasium"?
Dat hoor ik de heer Duisenberg tenminste zeggen: het zijn de ouders die
uiteindelijk beslissen. Dat heb ik hem horen zeggen. Als dat niet zo,
heb ik dat verkeerd begrepen. Het punt, ook in vergelijking met het
voorstel dat de Partij van de Arbeid en andere doen, is het volgende. Er
zijn twee verschillende uitkomsten. Er is een advies van de basisschool
en er is een toets. Het minste wat je in ieder geval doet, is die twee
mengen. Dat is wat je doet. Maar wat de heer Duisenberg voorstelt is dat
het hoogste telt. Het hoogste telt sowieso. Dat kan dus ook de toets
zijn. Dat weet elke ouder. Dat kan dus de toets zijn. Ik denk dat dit
een enorme druk zal leggen op de toets. Dan kan pas echt de vlag uit bij
de toetsfabrieken en de ondersteuningsbureautjes en noem het allemaal
maar op. Dat is mijn vrees. Mijn vraag aan de heer Duisenberg is: wat
zie ik daar nou niet goed in? Zie ik het verkeerd? Begrijp ik het
verkeerd?
De heer Duisenberg (VVD):
Juist in uw advies is de eindtoets allesbepalend. Dat is uw voorstel.
Dat lijkt mij een zeer ongewenste ontwikkeling. Ik begrijp het ook niet
vanuit de optiek van maximale kansen geven. Ik stel het volgende voor.
Er zijn twee adviezen, een van een professional en een van een toets. Ik
zie voor mij dat er een afgewogen oordeel wordt gemaakt. Het is niet
zomaar van: ja, dan doen we even dit. Uiteindelijk vindt er dan een
gesprek plaats tussen kind, ouders en school. Het is dus een zeer
afgewogen proces, waarbij die zaken gelijkwaardig zijn aan elkaar.
De heer Van Meenen (D66):
Ik heb een verhelderende vraag, want wij moeten straks een nogal
fundamentele keuze maken. Ook partijen die er niet zijn moeten het goed
kunnen nalezen. In het voorstel dat er nu ligt van de PvdA, is de
eindtoets bepalend als die hoger is dan het advies. Dan verandert er
iets aan het advies. Maar dat is in het voorstel dat u zelf doet ook zo.
Als de eindtoets hoger is, is die zelfs beslissend. Dan wordt er nog
niet eens gezegd: dan mengen we die twee adviezen. Nee, die is dan
beslissend. Dus als de docent vmbo-t aangeeft en de toets gymnasium, dan
wordt het gymnasium. Klaar. Dan heb je niets meer te maken met die
docent. Dat lees ik hier: verzoekt de regering, het schooladvies en het
advies op hetzelfde moment bekend te maken en het hoogste advies leidend
te laten zijn als die twee adviezen van elkaar verschillen. Zo lees ik
het. Anders kan ik het niet lezen.
Mevrouw Arib (PvdA):
De heer Duisenberg (VVD):
Ik weet niet waarom u heel selectief zegt dat "leidend" in ons voorstel
beslissend betekent en in het voorstel van het PvdA niet, terwijl daarin
ook "leidend" staat. Ik snap dus uw selectie helemaal niet. Maar wat het
gevolg gaat zijn van het voorstel van de PvdA en van uw motie, is dat je
weet als ouder, als je het advies hebt gehad: hierna komt de toets, nu
gaan we knallen; nu gaan we met z'n allen naar Squla en we gaan trainen,
trainen, trainen. Want je weet dat je met het voorstel van de PvdA en
van u dat je er met het hogere advies gewoon overheen gaat. Klaar. Ik
begrijp absoluut niet de gronden van de schrijvers van dit voorstel.
Maar omdat u dat voorstel hebt gedaan, wil ik even heel duidelijk maken
waar wij staan. Ik wil helemaal niet terug naar de gedachte dat alles
moet afhangen van de eindtoets, maar dit huidige systeem heeft ook een
nadeel. Ik wil heel graag dat het een evenwichtig proces is en dat het
oordeel van de professional naast het resultaat van de eindtoets wordt
gelegd. In feite liggen er uiteindelijk voor ouders, kind en school twee
adviezen. Mijn uitgangspunt is dat je altijd hoge verwachtingen moet
hebben. In geval van twijfel moet je voor de top gaan. In de discussie
moet het hoogste advies leidend zijn. Dat kan ook het advies van de
leraar zijn. Het gaat om het hoogste advies.
De heer Van Meenen (D66):
Dat is bij ons ook zo.
De heer Duisenberg (VVD):
Nee, in uw systeem is sprake van twee momenten en gaan we allemaal vol
voor de toets.
De heer Van Meenen (D66):
Ik wil dit echt even verhelderen, want dit is onjuist. In het huidige
systeem en in dit systeem geldt dat, als het advies van de basisschool
hoger is dan de toetsuitslag, de toetsuitslag daar helemaal niets aan
verandert. Een hoger advies van de docent en de school is dus
beslissend. Als dat hoger is dan het advies op basis van de toets,
verandert die toets helemaal niets. In uw voorstel is dat wel het geval.
In uw voorstel werkt het twee kanten op. Het hoogste advies telt immers,
ongeacht van wie dat advies is. Dat is het verschil. De toetsuitslag
verandert in dit voorstel, net als in de huidige wet, alleen iets als
die hoger is dan het advies. Dat geldt andersom niet. Als het advies van
de basisschool hoger is, dan verandert een lagere toetsuitslag daar
niets aan. Maar in uw voorstel is dat wel het geval.
De voorzitter:
Wilt u nog een laatste reactie geven, mijnheer Duisenberg? Als dat niet
het geval is, dan geef ik de heer Rog het woord, want hij heeft ook nog
een vraag aan u.
De heer Duisenberg (VVD):
Ik blijf erbij dat het effect van wat u voorstelt precies het
tegenovergestelde is van wat u beoogt. Ik ben het eens met de andere
sprekers die zeggen dat hiermee de druk op de eindtoets alleen maar
wordt verhoogd. Vandaar het voorstel om de adviezen tegelijk uit te
brengen en ze gelijkwaardig aan elkaar te maken.
De heer Rog (CDA):
Dit is echt een heel wezenlijk punt. We hebben sinds enkele jaren een
compromis bereikt. We hebben het onderwijsveld eindelijk duidelijkheid
gegeven en iedereen voelt zich redelijk senang in het huidige evenwicht.
Dit lijkt op een nieuwe wijziging wat betreft de eindtoets. Ik heb al
aangegeven dat ik heel veel moeite heb met het voorstel van de PvdA, SP
en D66, omdat dit gaat betekenen dat er bij een door de ouders ongewenst
advies drie maanden keihard zal worden gezocht naar mogelijkheden om het
kind te forceren tot een hoger niveau, bijvoorbeeld via
huiswerkbegeleiding, schaduwonderwijs, Squla et cetera, ook als het kind
dat helemaal niet aankan. Dat is echt een punt van zorg. Wat wil de heer
Duisenberg? Ik snap dat hij die twee dingen evenwichtig naast elkaar wil
leggen, ook al zou ik dat niet bepleiten. We hebben dat echter al
gedaan. We hebben het advies van de leraar en de heroverweging van de
Cito-toets. Daarnaast heeft de film van de onderwijscarrière vanuit het
leerlingvolgsysteem op de achtergrond een rol gespeeld bij de
totstandkoming van het advies. Wat voegt dit toe, zo vraag ik de heer
Duisenberg. Leidt het er niet uiteindelijk toe dat de score van de
Cito-toets alsnog een doorslaggevend effect kan hebben, alleen dan niet
in mei maar in februari? Dat zou betekenen dat de ouders van Sem en
Sterre hun kind van september tot februari naar huiswerkbegeleiding
sturen. Volgens mij is dat niet wat de heer Duisenberg wil.
De heer Duisenberg (VVD):
Nogmaals: de reden waarom ik dit voorstel heb gedaan, is omdat er vanuit
andere hoek wordt gezegd dat men van de eindtoets een overrulend
principe wil maken, een aantal maanden nadat het advies wordt gegeven.
Dat dit gebeurt vind ik sowieso al een ongelukkige situatie. Ik wil het
inderdaad evenwichtiger maken, want er zijn verschillende situaties
mogelijk. De eindtoets kan hoger zijn dan het advies, maar het advies
kan ook hoger zijn dan de eindtoets omdat in de eindtoets niet alles is
vervat. Het advies gaat vaak om praktische vaardigheden die niet in de
eindtoets zitten. Ik beoog met de motie allereerst om deze zaken
gelijkwaardig te maken en daarnaast om hoge verwachtingen te hebben van
leerlingen. Dat kan worden gedaan door het moment waarop die zaken
uitkomen, gelijk te trekken. Dat is het belangrijkste. Het hebben van
hoge verwachtingen komt tot uitdrukking in het leidend laten zijn van
het hoogste advies van de twee. Bij twijfel kun je dan voor het hoogste
gaan. Uiteindelijk wordt die keuze gemaakt in het gesprek tussen school,
kind en ouders.
De heer Rog (CDA):
Ik snap wat de heer Duisenberg zegt en ben het ook echt met hem eens dat
je dit met elkaar moet doen, als school, kind en ouders. Volgende week
dinsdag een stemverklaring afleggen heeft geen zin omdat alle fracties
dan al bepaald hebben hoe ze stemmen over de moties. Maar dit is echt
een heel wezenlijke wijziging, die uiteindelijk het bestaande evenwicht
laat doorslaan naar de Cito-toets en dan ook nog eens in februari. Ik
zeg er maar even bij dat we met elkaar redenen hebben gehad om voor mei
te kiezen. Een van de redenen was dat we zagen dat er basisscholen zijn
— daar moeten we eerlijk over zijn — die na februari de teugels lieten
vieren en kinderen geen les meer gaven. Ik doe een appel op mijn
collega's om na te denken voordat we grote, nieuwe stappen zetten. Dit
is een heel zorgelijke situatie. Ik ben buitengewoon benieuwd naar het
advies van de staatssecretaris over deze moties.
De voorzitter:
Mij blijkt dat de heer Duisenberg hier nog op wil reageren.
De heer Duisenberg (VVD):
Ik snap de opmerking van de heer Rog. Als je überhaupt iets gaat
wijzigen aan die wet, moet je dat enorm zorgvuldig doen. We moeten dan
niet even zomaar een bocht afsnijden. Dat geldt voor zowel de motie van
mevrouw Vermue en de heren Van Meenen en Van Dijk als die van ons. In
mijn motie staat niet dat dit per dan en dan geregeld moet zijn. Ik kan
mij heel goed voorstellen dat je kiest voor een principe, maar dat je
tegelijk zegt heel zorgvuldig te zijn. Er wordt een tussenevaluatie
gedaan en er komt nog een eindevaluatie. Dan kun je op de een of andere
manier een uitspraak of een wens van de Kamer daarbij meenemen: zou dit
en dat dan beter kunnen werken? In de evaluatie kun je er rekening mee
houden dat de Kamer bepaalde wensen uit zonder dat je direct allerlei
regels aanpast. Dit moet zorgvuldig; dat ben ik volledig met de heer Rog
eens.
Mevrouw Vermue (PvdA):
Het antwoord van de heer Duisenberg intrigeert mij. Hij geeft aan het
evenwichtiger te willen maken en het voorzichtig en zorgvuldig te willen
doen, maar de VVD zet met dit voorstel twee stappen in plaats van één.
De VVD wil namelijk het hoogste advies leidend laten zijn, maar het
vervolgens gelijktrekken. Zouden we elkaar juist niet kunnen vinden op
het punt waarover we het in ieder geval eens zijn, namelijk dat het
hoogste advies leidend is en dat we daarmee een eerste stap zetten en
vervolgens zorgvuldig evalueren wat dit betekent en wat de gevolgen
ervan zijn?
De heer Duisenberg (VVD):
Even in alle openheid: we hebben hierover gesproken de afgelopen dagen.
Wij vinden het een heel belangrijke stap dat het op hetzelfde moment
plaatsvindt. Daarom zal het heel moeilijk zijn om elkaar daarop te
vinden. We geven hiermee aan wat eenieder wil, punt.
Mevrouw Vermue (PvdA):
Dan kies ik nog even een iets andere aanvliegroute. De heer Duisenberg
geeft meermaals aan heel grote waarde te hechten aan het advies van de
docent, maar ik vraag mij af of je dat juist niet onderuithaalt door het
gelijk te trekken en of je daarmee niet de druk opvoert, zoals collega's
ook al aangaven. Ik doe dus nogmaals een dringend beroep op de VVD om te
bekijken of we gezamenlijk kunnen optrekken op de punten waarop we
elkaar in ieder geval kunnen vinden en die ook in het
verkiezingsprogramma van de VVD staan, om tenminste het hoogste advies
leidend te laten zijn.
De voorzitter:
Wil de heer Duisenberg daarop nog reageren? Nee, dat is niet het geval.
Dan zijn we aan het eind van de tweede termijn van de Kamer, want de
heer Van Dijk had zijn bijdrage ook afgerond. Ik kijk naar de
initiatiefnemers van de Partij van de Arbeid, mevrouw Ypma en de heer
Mohandis. Mevrouw Ypma heeft mij laten weten graag het woord te willen
voeren. Dat mag zij nu doen.
Mevrouw Ypma (PvdA):
Voorzitter. Ik dank mijn collega's hartelijk voor dit mooie overleg. Het
is alweer half vijf, maar we hebben volgens mij zeer belangrijke
discussies met elkaar gevoerd. Ik heb daar in ieder geval van genoten.
Het kabinet heeft daaraan zeker ook bijgedragen met al zijn
brieven.
De gemene deler is dat we zo graag willen dat kinderen met dezelfde
talenten ook dezelfde, goede kansen krijgen. Het onderwijs is bij
uitstek het instrument om ervoor te zorgen dat niet je afkomst maar je
toekomst geldt. Helaas is er niet één toverstafje dat daarvoor kan
zorgen. Er is niet één simpele oplossing en ook niet één actor die dit
kan verbeteren, maar we willen graag onderwijs dat stimuleert en
tegelijkertijd verbindend werkt, en ervoor zorgt dat ieder kind het
maximale uit zichzelf kan halen. Mij is vandaag in ieder geval duidelijk
geworden dat we met elkaar de belemmeringen willen wegnemen, de
knelpunten willen benoemen en van elkaar willen leren, en dat we met
elkaar de urgentie voelen om hierin stappen te zetten.
Ten slotte zeg ik nog één ding over het toetsen. Volgens mij willen we
wat minder belang hechten aan toetsen — dat is de gemene deler van veel
van de partijen hier — maar wel kinderen maximale kansen bieden. Ik hoop
oprecht dat we daartoe een aantal verstandige stappen kunnen zetten en
mooi kunnen samenwerken. Hartelijk dank.
De voorzitter:
Dan gaan we nu over naar de twee bewindspersonen. Ik geef eerst de
minister het woord.
Minister Bussemaker:
Voorzitter. Ik ga in op drie moties, maar niet dan nadat ik naar
aanleiding van de opmerking van de heer Duisenberg ook hier nog eens zeg
hoe mooi ik de Hyperloopwedstrijd vond, en de overwinning van de
studenten van de Technische Universiteit Delft. Ik heb ze vanochtend al
uitgebreid gefeliciteerd. Ik vond het vooral heel mooi dat zij
uiteindelijk gewonnen hebben omdat ze naar een combinatie van factoren
hebben gekeken en daarin samengewerkt hebben. De universiteit van
München was sneller. Bij de Hyperloop gaat het ook om de snelheid
waarmee je een afstand kunt overbruggen. Daarop was Delft tweede, maar
Delft heeft gewonnen omdat het overall het beste scoorde. Daarbij ging
het ook om design, duurzaamheid en de wijze waarop een en ander gebouwd
was. Dit is ook een compliment voor ons onderwijs, want het laat zien
waartoe onze studenten in staat zijn.
In de motie-Vermue/Rog op stuk nr. 3 wordt de regering verzocht om de
omgang met schoolkosten voor mbo'ers in kaart te brengen en na te gaan
of die gelijkgetrokken kan worden met die in het vo. Ik snap de
bedoeling van deze motie heel goed. Ik denk dat we het ook met elkaar
eens zijn dat we meer zicht moeten krijgen op schoolkosten in het mbo,
zeker ongewenste, vandaar die 10 miljoen. Die regeling ga ik evalueren
en die wil ik structureel invoeren. Een van de opties die we bij een
volgende stap willen verkennen, is om het op dezelfde manier te doen als
in het vo. Denk aan de gratis schoolboeken in het vo. Er zijn echter ook
andere opties denkbaar. Ik ben graag bereid om die allemaal in kaart te
brengen. Ik heb wel één probleem met deze motie, en dat is de datum van
1 mei 2017. Dat gaat niet lukken. Als ik daarin meer vrijheid mag nemen,
wordt het de zomer van 2017. Dan kan ik de Kamer namelijk ook de
uitslagen van de verkenning doen toekomen. Elke eerdere datum wil ik
graag proberen te halen, maar als de indieners mij echt aan die datum
houden, moet ik de motie ontraden. Dat zou ik voor het overige vervelend
vinden. Met deze kanttekening laat ik het oordeel erover aan de
Kamer.
Mevrouw Vermue (PvdA):
We zullen de datum in de motie aanpassen naar "zomer 2017".
Minister Bussemaker:
Mooi. Dan kom ik bij de motie-Rog/Vermue op stuk nr. 11. Daar geldt een
beetje hetzelfde voor. We hebben in 2013 vaak met elkaar over de
kwalificatieplicht gesproken. Ik heb toen ook al een onderzoek laten
doen en de resultaten daarvan met de Kamer gewisseld. Als we dat opnieuw
zouden doen, weet ik niet of daar weer nieuwe inzichten uit voort zouden
komen. Ik snap anderzijds wel dat de indieners zeggen dat het deel
18-plussers steeds groter wordt naarmate we succesvoller zijn in de
aanpak van overige vsv'ers. We hebben ook al gezegd dat we willen kijken
naar andere manieren om dat te doen. We hebben in januari 2014 2 miljoen
beschikbaar gesteld aan de G4 om in te zetten op 18- en 19-jarigen. Ik
heb ook geïnvesteerd in de branchevereniging Ingrado om de uitval bij
18-plussers terug te dringen. Ik denk zelf dat daar nog leereffecten
mogelijk zijn. De indieners van de motie zijn echter volhardend in hun
aandacht voor de kwalificatieplicht voor 18-plussers. Ik ben op zich
bereid om de Kamer op de hoogte te stellen van wat de investeringen
opleveren die we nu doen. Dan gaat het dus om de 2 miljoen aan de G4, de
2 miljoen aan Ingrado en de middelen die gemeenten zelf hanteren. Ik ben
ook bereid om daar nog eens over te rapporteren. En ik ben bereid te
kijken naar wat er in de rechtelijke en internationaalrechtelijke sfeer
mogelijk is, zoals de indieners vragen. Ook daarvoor geldt dat 1 april
wel heel erg snel is. Ik vraag de indieners van de motie mij meer ruimte
te geven om richting de zomer te gaan. Ik moet er even naar kijken, want
we hebben ook dingen lopen. Voor een deel is het ook in kaart brengen
van wat we al wel eerder gewisseld hebben en bekijken of daar nog wat
extra's bij te vinden is. Met enige flexibiliteit in de datum kan ik het
oordeel hierover ook aan de Kamer latwn.
De heer Rog (CDA):
Ik heb liever dat de motie uitgevoerd wordt dan dat zij niet uitgevoerd
wordt, dus ik neem de wijziging over. Dan wordt "1 april" dus "de
zomer".
Minister Bussemaker:
Dank. Dan laat ik het oordeel erover aan de Kamer.
Ik kom bij de motie-Jasper van Dijk op stuk nr. 13, waarin hij de
regering verzoekt de schoolkosten niet langer te beleggen bij de
student. Deze motie ontraad ik. Ik heb al eerder gezegd dat het
basisuitgangspunt is dat de mbo-instelling de basisuitrusting moet
verzorgen. De student mag geen rekening gepresenteerd krijgen, behalve
het wettelijke les- en cursusgeld. Ook hier geldt dat een aantal
onderwijsbenodigdheden wel gevraagd kan worden. Denk daarbij aan
benodigdheden die afhankelijk zijn van de persoonlijke kenmerken van de
student en die later in de beroepspraktijk nodig zijn. Je kunt altijd
discussiëren over de vraag waar de grens ligt, maar dan verwijs ik naar
de motie op stuk nr. 3 van de leden Vermue en Rog. Daarin wordt ook
gevraagd al die extra schoolkosten en mogelijke alternatieven in kaart
te brengen. Die motie prefereer ik dan boven die van de heer Van Dijk.
Ik ontraad dus zijn motie.
De voorzitter:
Ik dank de minister. We gaan door met de staatssecretaris voor zijn
beantwoording in tweede termijn.
Staatssecretaris Dekker:
Voorzitter. Er zijn mij nog twee vragen gesteld en er is een hele trits
moties ingediend. De eerste vraag was van mevrouw Vermue. Zij vroeg hoe
het zit met die 7 kilometer reisafstand. Die komt uit het rapport waarin
staat dat het overgrote deel van de ouders, kinderen en gemeenten binnen
die afstand vallen. Zij heeft echter helemaal gelijk als zij zegt dat er
uitzonderingen zijn. Dat is bijvoorbeeld het geval in de krimpgebieden
of in de wat meer dunbevolkte gebieden, bijvoorbeeld in
Zeeuws-Vlaanderen. Daar is het de vraag hoe we er überhaupt voor zorgen
dat er straks nog kwalitatief goed onderwijs is, breed, categoraal of
hoe dan ook. Dat is een aparte uitdaging en zij weet dat wij daar heel
hard mee bezig zijn.
Mevrouw Vermue (PvdA):
Ik heb daar toch nog een vraag over. De Onderwijsraad heeft daar onlangs
een advies over uitgebracht. Daarin staat dat het enorm belangrijk is om
in regio's waar een dekkend aanbod onder druk staat, de samenwerking te
stimuleren. Ik weet dat de staatssecretaris die mening ook is toegedaan.
In het rapport staat ook dat, waar dit geen uitweg biedt, de overheid
weloverwogen uitzonderingen en maatwerkoplossingen mogelijk dient te
maken. Dat staat dus in het advies van de Onderwijsraad. Wat gaat de
staatssecretaris daarmee doen?
Staatssecretaris Dekker:
Wij hebben allerlei maatwerkoplossingen. Zoals mevrouw Vermue weet,
hebben we coördinatoren over het hele land. Dat zijn contactpersonen
vanuit het ministerie die in sterkekrimpgebieden om de tafel zitten. Zij
voeren gesprekken met scholen om te bekijken wat er financieel nodig is
om een goed aanbod overeind te houden. Een van de dingen die wij
bijvoorbeeld in het leven hebben geroepen, is de fusiecompensatie.
Vroeger was je geld kwijt als je ging samenwerken, maar nu mag dat
worden behouden. Dat is aan allerlei regeltjes gebonden, maar die passen
niet overal. In Zeeuws-Vlaanderen loopt dit bijvoorbeeld op een aantal
punten spaak. Zeer recentelijk hebben wij gezegd dat wij de regeltjes
dan aanpassen. In zulke gevallen verzinnen wij een maatwerkoplossing om
ervoor te zorgen dat de gewenste samenwerking en samenvoeging die op het
vlak van onderwijs soms nodig zijn, toch tot stand komen.
Mevrouw Vermue (PvdA):
Mag ik dit opvatten als een toezegging van de staatssecretaris? Is de
staatssecretaris in gevallen waarin partijen in overleg met het
ministerie samenwerken en bereid zijn om een dekkend aanbod overeind te
houden, bereid om te zoeken naar een maatwerkoplossing om dat aanbod ook
in de toekomst overeind te houden?
Staatssecretaris Dekker:
Jazeker. Daarvoor zijn er nooit gemakkelijke oplossingen. Er is ook geen
carte blanche, maar wij zijn heel redelijk en meegaand als de regeltjes
klemmen. Als men een goede oplossing heeft, passen wij de regeltjes aan
de voorliggende oplossing aan. Zeer recentelijk hebben wij dat ook bij
twee voorbeelden in Zeeuws-Vlaanderen gedaan.
Mevrouw Vermue (PvdA):
Ik heb nog een vraag ter verduidelijking. Ik weet dat er op dit moment
aan een advies gewerkt wordt. Wanneer kunnen wij informatie daarover
vanuit het ministerie tegemoetzien?
Staatssecretaris Dekker:
Ik weet niet precies over welk advies mevrouw Vermue het nu heeft.
Mevrouw Vermue (PvdA):
Ik kom daar na de vergadering nog wel op terug.
De voorzitter:
Voordat de staatssecretaris zijn betoog vervolgt, deel ik mee dat de
minister andere verplichtingen heeft. Zij zal de vergadering zo dadelijk
verlaten. Ik wil haar alvast danken voor haar komst en haar
inbreng.
Staatssecretaris Dekker:
De heer Van Meenen stelde een vraag over de middelen voor
onderwijsachterstand. Hij noemt die consequent "bezuinigingen" en ik
noem die consequent "ramingsbijstellingen". Dat heeft ermee te maken dat
het aantal kinderen in Nederland afneemt en het aantal zeer
laagopgeleide mensen in Nederland ook. De middelen voor
onderwijsachterstanden lopen dus navenant wat terug. De middelen die
scholen per gewichtenleerling krijgen, blijven gewoon overeind. Daar
wordt geen cent op bezuinigd.
Dan kom ik op de moties. Ik begin met de motie op stuk nr. 4 over het
maximeren van de vrijwillige ouderbijdrage en het instellen van een
wettelijk verbod op het weigeren van leerlingen als ze niet betalen en
toch mee willen doen aan activiteiten. Ik vind die motie om een aantal
redenen niet verstandig en wil haar dan ook ontraden. Ten eerste geeft
deze motie aan dat wij in Den Haag, ondanks het feit dat ouders daar in
een medezeggenschapsraad goed afspraken over zouden kunnen maken en daar
ook instemmingsrecht over hebben, toch vinden dat wij het beter weten en
leggen wij dit op. Dit is principieel. Heb je vertrouwen in
oudergeledingen en in medezeggenschapsraden of niet? Ten tweede vind ik
dat er een slecht signaal uitgaat van deze motie, omdat een vrijwillige
bijdrage altijd vrijwillig is en blijft. Waarom zou je die dus moeten
maximeren? Ten derde zien wij dat er bij alle maxima een discussie
ontstaat over de hoogte ervan. Je stelt dan een plafond in dat ook
weleens een opdrijvend effect kan hebben. Men kan zeggen: dat is
kennelijk het normbedrag waar we naartoe kunnen werken. Ten vierde is
het laatste verzoek in de motie heel ingewikkeld.
Laat ik een voorbeeld geven. Een gymnasium wil een Romereis organiseren.
Denken de indieners dat een gymnasium dat nog gaat doen als ook de
ouders die de reis niet betalen, zich kunnen beroepen op het recht dat
hun kinderen toch mee mogen gaan? De school moet altijd een alternatief
bieden. Als je deze lijn volgt, weet ik één ding zeker: dat leidt tot
een verschraling van alle beetjes extra die scholen op dit moment doen
met de vrijwillige ouderbijdrage. Daarom ontraad ik deze motie.
Dan kom ik op de motie op stuk nr. 5. Misschien is het goed om die te
combineren met de motie op stuk nr. 12. In allebei die moties wordt nu
al, op een vroeg moment, gevraagd om een aanpassing van de Wet
eindtoetsing PO. De oproep van de heer Rog is mij uit het hart gegrepen.
Ik denk dat we heel voorzichtig moeten zijn om op dit moment een eerste
inkijk te geven van hoe het een en ander uitpakt. We zien dat de
ontwikkelingen de goede kant op gaan. We zijn er nog niet, maar ze gaan
wel de goede kant op. We moeten niet op voorhand al zeggen dat we de wet
gaan aanpassen. Strikt genomen zou ik moeten zeggen dat ik beide moties
prematuur vind en dat ik ze allebei ontraad. Hier en daar vind ik er ook
nog wel een risico in schuilen dat het tot ongewenste effecten kan
leiden, ook in het kader van kansenongelijkheid, denk aan toetstraining
en dat soort zaken.
We weten dat we in de richting van de evaluatie in 2019 gaan. Als de
indieners bereid zijn om beide motie aan te houden, kan ik in de aanloop
naar die evaluatie deze twee opties — maar misschien is er ook nog wel
een derde of een vierde optie mogelijk — eens meenemen en een
uiteenzetting geven van de plussen en minnen als je zou kiezen voor een
aanpassing. Aan de ene kant is er de motie van de leden Vermue, Van Dijk
en Van Meenen op stuk nr. 5 en aan de andere kant de motie van de heer
Duisenberg op stuk nr. 12. Ik geef er de voorkeur aan om pas wat te
wijzigen als we een goede eindevaluatie hebben, in 2019. Dan kunnen we
een goed debat houden en goed geïnformeerde keuzes maken. Kortom, ik
verzoek de indieners om de moties op stuk nrs. 5 en 12 aan te
houden.
De voorzitter:
Ik zie twee vingers: van de heer Van Dijk en van de heer Duisenberg.
Volgens mij was de heer Van Dijk eerder, of was dat zijn pen?
De heer Jasper van Dijk (SP):
Nee, ik ben bescheiden. Ik ben niet de indiener van de motie, dus
misschien wil de heer Duisenberg eerst. Anders wil ik mijn vraag wel
voorleggen, in alle bescheidenheid. Wat de staatssecretaris voorstelt,
gaat volgens mij heel lang duren, namelijk tot 2019. Er is nu een
probleem. Volgens mij zijn alle partijen zich daarvan bewust. In de
motie van de heer Duisenberg wordt het probleem van de onterechte
adviezen ook gesignaleerd. Dat vind ik hoopgevend. Met de motie waar
mijn naam onder staat, wordt ook geprobeerd om daar een oplossing voor
te vinden. Volgens mij moeten we proberen op kortere termijn een
oplossing te vinden. Dat geef ik de eerste indieners van de motie maar
even mee. Ik vind 2019 veel te laat. Wat mij betreft moet het sneller.
Bij een interruptie moet er een vraag zijn. Is de staatssecretaris dat
met mij eens?
Staatssecretaris Dekker:
Wij hebben destijds een evaluatiebepaling in de wet opgenomen. Uw
uitspraak was dat het goed zou zijn om daar wat tijd voor te nemen en om
in 2019 te bekijken hoe de vlag erbij hangt. Ik kom natuurlijk voor die
tijd nog bij de Kamer terug, want we sturen een jaarlijkse rapportage
over de eindtoets. Dat doe ik volgend jaar weer en dan is er weer een
moment dat wordt aangegrepen om deze discussie op te rakelen, kan ik mij
voorstellen.
Waarom is 2019 in mijn ogen nog steeds een goed moment om te evalueren?
Omdat we dan ook wat kunnen zeggen over de kwaliteit van de adviezen die
zijn gegeven. Dan zien we hoe kinderen die vorig jaar voor het eerst
onder het regime van de nieuwe wet een advies hebben ontvangen, het in
de onderbouw van het voortgezet onderwijs hebben gedaan. Wij zien nu
iets van een verschuiving. Iedereen zegt dat deze verschuiving niet de
goede kant op is. Dit kan betekenen dat kinderen ondergeadviseerd
worden, maar wij zagen ook dat veel kinderen met lage cijfers in het vo
uitvielen. Misschien loopt dat nu iets op, terwijl de advisering beter
wordt. Als je ziet dat de uitval en de afstroom in het vo afneemt, is de
vraag of dat een negatieve of een positieve ontwikkeling is. Daarover
kunnen wij volgens mij pas in 2019 een uitspraak doen, als we ook echt
weten hoe die kinderen het in het voortgezet onderwijs gedaan
hebben.
Nogmaals, ik denk dat dit het meest geëigende moment is om definitief
iets te zeggen over nut en noodzaak van aanpassing van de wet. Dat vind
ik nu echt veel te vroeg. Volgend jaar is er weer een moment waarop wij
terugblikken op hoe het met de eindtoets in het lopend jaar is gegaan.
De Kamer heeft dan altijd het recht om de discussie weer aan te
zwengelen.
De heer Jasper van Dijk (SP):
Mijn suggestie zou zijn om als indieners voor de stemming even bij
elkaar te gaan zitten. Dat is een mededeling.
De heer Duisenberg (VVD):
Ik denk dat ik het voorstel van de staatssecretaris overneem en de
desbetreffende motie zal aanhouden, maar ik wil nog even mijn
overwegingen noemen. Ik zei het in de tweede termijn van de Kamer ook al
in mijn antwoord aan de heer Rog. Dit moet je echt heel zorgvuldig doen.
De staatssecretaris noemt niet alleen de eindevaluatie, maar zegt ook
dat er volgend jaar een tussentijdse rapportage komt. Laat ik helder
zijn: ik verwacht helemaal niet dat in die tussentijdse rapportage een
volledige afweging zal plaatsvinden van voordelen en nadelen. De
staatssecretaris heeft die immers duidelijk aangekondigd voor 2019. Ik
weet echter zeker — daar ga ik maar even van uit — dat in de volgende
brief wel vooruit wordt gekeken en dat deze verzoeken en de eerste
kanttekeningen daarbij afhankelijk van de resultaten hun schaduw
vooruitwerpen. Bij de eindevaluatie in 2019 zal dit echter volledig en
zorgvuldig worden bekeken. Met die woorden wil ik mijn motie
aanhouden.
De voorzitter:
Op verzoek van de heer Duisenberg stel ik voor, zijn motie (34511, nr.
12) aan te houden.
Daartoe wordt besloten.
De heer Duisenberg heeft zijn motie aangehouden, maar hij stelde de
staatssecretaris ook een vraag. Het was immers een interruptie. Ik weet
niet of de staatssecretaris nog iets wil zeggen.
Staatssecretaris Dekker:
Ik zei net iets over het formele evaluatiemoment. Ieder jaar blikken wij
rond deze tijd terug om te zien hoe de afnameperiode in het jaar
daarvoor is gegaan. Daarbij bekijken we natuurlijk niet alleen hoe de
adviezen zich hebben ontwikkeld; wij zetten dat ook af tegenover
bijvoorbeeld sesna. Wij zien dat het dit jaar ten opzichte van het
vorige jaar op een aantal onderdelen is verbeterd, maar ook dat er op
een aantal onderdelen nog echt wel reden is voor zorg. Ik kan dat
volgend jaar weer doen. Dan is er dus weer een moment, nog even los van
de formele evaluatie, waarop wij in staat zijn om echt uitgebreider op
basis van het studiesucces in het vo terug te blikken op de kwaliteit
van adviezen. Dan kunnen we wel iets zeggen over de vraag of de
ontwikkelingen de goede kant op gaan. We houden de vinger aan de
pols.
De voorzitter:
Drie mensen willen nog graag een interruptie plegen. De heer Grashoff
stak als eerste zijn vinger op.
De heer Grashoff (GroenLinks):
Misschien is het beter dat mevrouw Vermue eerst reageert. Dat lijkt mij
een logischere volgorde.
Mevrouw Vermue (PvdA):
Ik wilde geen interruptie plegen, maar een mededeling doen naar
aanleiding van de oproep van de heer Van Dijk. In overleg met de
indieners zullen wij komende week besluiten of we de motie op stuk nr. 5
aanhouden.
De heer Grashoff (GroenLinks):
Ik denk dat het heel verstandig is om hierover te overleggen met de
indieners. Ik wil hier best aangeven dat ik zeer twijfel over het wel of
niet ondersteunen van deze motie, want eigenlijk vind ik dat dit een
serieus probleem is en dat wij niet tot 2019 moeten gaan zitten wachten.
Dat zeg ik ook tegen de staatssecretaris. Ik aarzel echter ook erg: is
dit nu de juiste, zorgvuldige oplossing? Opnieuw een toetscultuur
aanjagen is in elk geval niet wat ik wil en dat vind ik wel een risico.
Als de staatssecretaris echt op een serieus niveau veel eerder dan in
2019 opnieuw met ons hierover wil discussiëren, dan kan ik mij
voorstellen dat wij eruit komen. Anders moet ik toch maar mijn mind
opmaken over deze motie.
De voorzitter:
En uw specifieke vraag aan de staatssecretaris?
De heer Grashoff (GroenLinks):
Is de staatssecretaris bereid om op basis van tussenrapportages eerder
en serieus met een aantal opties aan de slag te gaan?
Staatssecretaris Dekker:
Ik ben best bereid om dat te doen. Ik denk dat wij volgend jaar opnieuw
een discussie kunnen voeren, net zoals die dit jaar heeft
plaatsgevonden. Dan zullen we weer meer informatie hebben en beter zicht
hebben op de ontwikkelingen. Maar ik kan natuurlijk niet toveren. De
kinderen doorlopen het vo op een normale snelheid. Wij kunnen pas in
2019 iets zinnigs zeggen over de kinderen die in de eerste lichting de
eindtoets hebben gedaan als zij de onderbouw van het voortgezet
onderwijs hebben afgerond: klopten de adviezen, zien we bij bepaalde
groepen afstroom of misschien juist opstroom, constateren we inderdaad
dat te laag is geadviseerd? Daar kan ik natuurlijk geen verandering in
brengen. Ik kan er volledig in meegaan als de Kamer er al volgend jaar
serieus naar wil kijken en wil dat we opnieuw onze mind opmaken over de
vraag of we niet al, vooruitlopend op de evaluatie, iets moeten doen. Ik
zeg echter wel dat je niet de illusie moet hebben dat je er met quick
wins van afkomt. De voorliggende motie over automatische bijstelling in
het tweede moment is echt een uitnodiging voor examentrainingsbureaus om
zich vol op de markt te storten. Ik weet dat dit alleen maar meer
kansenongelijkheid tot stand zal brengen in plaats van minder.
De voorzitter:
Heeft de heer Grashoff nog behoefte aan een vervolgvraag? Ik zie dat dit
niet het geval is. Dan ga we naar de heer Van Meenen, die overigens wel
door zijn interrupties heen is. We zitten echter goed in de
tijdsplanning, dus ik gun hem zijn derde interruptie.
De heer Van Meenen (D66):
Wat een milde voorzitter; hartelijk dank daarvoor. Dit is ook voor mijn
fractie een dilemma. We waren een van de fracties die aan de oorsprong
stonden van de wet zoals die nu is. We hebben met zijn allen heel bewust
gekozen voor de mogelijkheid van een heroverweging. Ook ik aarzel erg of
we deze weg moeten kiezen. We moeten ons echter wel realiseren dat we
bezig zijn met een AO over kansen. De verwachting destijds over hoe vaak
een heroverweging zou plaatsvinden was anders dan nu in de praktijk
gebeurt. Het lijkt me dus prima om met zijn allen heel goed na te denken
over de vraag of we iets anders willen en wat we daar nog voor nodig
hebben. Ik zeg wel tegen scholen dat ze zich moeten realiseren dat Den
Haag het voor hen gaat doen als ze zelf hun verantwoordelijkheid niet
nemen. Dat is zelden goed nieuws. Ik pleit er bij de indiener van deze
motie, waar ik zelf onder sta, voor om de motie aan te houden en om het
gesprek met elkaar aan te gaan.
Staatssecretaris Dekker:
Ik hoop alleen maar dat het onderwijs luistert naar de woorden van de
heer Van Meenen. Ik zie dit als een steun in de rug in de gesprekken die
ik ga voeren met de scholen om dat heroverwegingsmoment ook echt serieus
te nemen.
De voorzitter:
Dank. Ik zie geen interrupties meer. Volgens mij was de staatssecretaris
nog bezig met de afronding van zijn tweede termijn.
Staatssecretaris Dekker:
In de motie op stuk nr. 6 zitten heel veel verzoeken, maar eigenlijk
zijn we op al die fronten al aan het werk. Een taskforce bekijkt hoe de
samenwerking tussen kinderopvang en basisscholen beter kan. Ik vermoed
dat die nog voor de verkiezingen met een advies kan komen. De heer
Asscher en ik zijn onlangs bijgepraat. We gaan per 1 augustus met tien
besturen aan de slag om die Tiener Colleges, voor kinderen tussen 10 en
14 jaar, te testen. Waar lopen ze tegen aan en hoe kunnen we
belemmeringen wegnemen? Deze motie is in mijn ogen dus overbodig.
De heer Van Meenen (D66):
Voorzitter? Nu mag het niet meer, natuurlijk. Ik tart u wel erg.
De voorzitter:
U tart mij inderdaad. Als het heel kort is, mag het.
De heer Van Meenen (D66):
In de motie gaat het ook nog over scholen voor kinderen van 2 tot 18
jaar. Ik heb niet gehoord dat de staatssecretaris ook met hen bezig is.
Is hij ook bezig om dat te onderzoeken?
Staatssecretaris Dekker:
Ik wil van alles onderzoeken, maar wij zijn echt enorm bezig om met
allerlei scholen die spannende nieuwe concepten hebben, te bekijken wat
wij kunnen doen om die mogelijk te maken. Tegen welke wet- en
regelgeving lopen ze aan? Hoe kunnen we daar een mouw aan passen? Soms
hebben regels een functie. Denk aan kwaliteitsbewaking of aan regels
waardoor geld rechtmatig wordt besteed. We kunnen dus niet zomaar overal
carte blanche geven. Op de grote punten in de motie, de overgang van
kinderopvang naar basisschool, de middenschool en de doorgaande lijn in
een soort grote school waarin po en vo aan elkaar geplakt zijn, lopen al
allerlei initiatieven. Er gebeurt dus wat u vraagt.
De heer Duisenberg (VVD):
Ik heb even een ordevraag. Wat betekent dit antwoord voor deze motie? Ik
kijk ook even naar de heer Van Meenen. Trekt hij de motie in of
niet?
De voorzitter:
Wilt u via de microfoon spreken? Volgens mij was de staatssecretaris ook
nog bezig met zijn preadvies over deze motie.
Staatssecretaris Dekker:
Wij hebben onlangs een goed gesprek gevoerd in deze commissie, waarin
besloten is dat overbodige moties worden ontraden.
De voorzitter:
Dat is duidelijk. Ik zie dat de heer Van Meenen geen behoefte meer heeft
om hierop te reageren.
Staatssecretaris Dekker:
De motie-Van Meenen c.s. op stuk nr. 7 gaat over het stimuleren van
dubbele schooladviezen. Ik zoek even naar wat hiermee precies wordt
bedoeld. Er was lange tijd een beleid, ook vanuit vo-scholen, om dubbele
adviezen te ontmoedigen. We hebben gezegd dat we dat niet willen, omdat
we het beste schooladvies voor kinderen willen. Dat is soms enkelvoudig
en soms meervoudig. We gaan er nu voor zorgen dat het uitsluiten van
dubbele adviezen, wat op bepaalde plekken praktijk was, bij wet wordt
verboden. In deze motie wordt iets anders gevraagd, namelijk dat er meer
meervoudige adviezen moeten worden gegeven. Voor sommige kinderen is het
echter klip-en-klaar waar zij naartoe moeten. Ik vind het signaal dat we
enkelvoudige dan wel meervoudige adviezen moeten stimuleren, niet zo
goed. Ik vind dat we een zo goed mogelijk advies moeten geven. Dat is
mijn eerste kanttekening bij deze motie.
Ik ben het wel eens met de heer Van Meenen dat een vmbo-havoadvies, een
havo-vwo-advies, een dubbel advies of een enkel advies maar in beperkte
mate iets zegt. Kinderen hebben vaak meer talenten en hebben soms ook
meer behoefte aan zorg. Dat zijn allerlei onderdelen die bij het
onderwijskundig rapport kunnen worden betrokken. Ik vind het belangrijk
dat een aankomende school daar rekening mee houdt, maar ik vind het ook
ingewikkeld om dit in de systematiek van de schooladvisering mee te
nemen, omdat het schooladvies een leerling het recht geeft om bij een
bepaalde school binnen te komen. Een schooladvies waarin staat dat een
kind ergens tussen het vmbo en het gymnasium in zit, is heel
ingewikkeld. Bovendien zou zo'n kind daarmee aan kunnen kloppen bij het
gymnasium, waar het misschien helemaal niet tot z'n recht komt omdat het
dat, zelfs met een disharmonisch profiel, op een aantal vlakken never
nooit aankan. Misschien kan ik de heer Van Meenen ertoe verleiden om
ofwel zijn motie aan te houden, ofwel genoegen te nemen met de
toezegging van mijn kant dat ik wil stimuleren dat het advies zo goed
mogelijk is, of het nu enkelvoudig of meervoudig is. Daarnaast ga ik met
de scholen in gesprek om na te gaan wat we kunnen doen om het advies,
los van het formele advies, te verrijken met andere elementen, zoals
niet-cognitieve vaardigheden en talenten van leerlingen. Dat zou
bijvoorbeeld kunnen in het onderwijskundig rapport. Daarmee zouden we
recht doen aan hetgeen de heer Van Meenen met zijn motie beoogt zonder
dat we de systematiek in de war schoppen. Anders moet ik de motie
ontraden.
De voorzitter:
De heer Van Meenen denkt er even over na.
Staatssecretaris Dekker:
De motie op stuk nr. 8 ontraad ik, omdat die volstrekt overbodig is. Als
scholen in aanmerking willen komen voor het predicaat "excellent" moeten
ze sowieso goed zijn en een goed onderbouwrendement hebben. Je krijgt
alleen een goed onderbouwrendement als je leerlingen in staat stelt om
boven zichzelf uit te stijgen en kansen biedt. De heer Grashoff schudt
zijn hoofd, maar dat is dus wel het geval. Het onderbouwrendement
beschermt leerlingen juist en gaat juist uit van gelijke kansen.
Bovendien wordt in de motie net gedaan alsof scholen alleen het
predicaat "excellent" krijgen vanwege een soort selectiebeleid. Dat werp
ik echt verre van me. Wat de heer Grashoff beoogt, doen we al. Daarom is
deze motie overbodig.
De heer Grashoff (GroenLinks):
Ik begrijp deze ergernis echt absoluut niet. De twee voorbeelden die de
staatssecretaris aan het begin van zijn betoog heeft gegeven, zijn wat
mij betreft goede voorbeelden die hier naadloos in passen. Als er
scholen zijn die misbruik maken van de regels en excellent willen worden
over de ruggen van de leerlingen, moeten we daar een dam tegen opwerpen.
Ik kan mij niet voorstellen dat de staatssecretaris dat niet met mij
eens zou zijn. Ik snap deze irritatie dus werkelijk niet. Volgens mij
past deze motie naadloos in hetgeen de staatssecretaris zelf beoogt met
excellente scholen.
Staatssecretaris Dekker:
Het past er zo naadloos in dat dit precies is wat wij al doen. De heer
Grashoff vraagt ons om iets wat we al niet doen, niet meer te doen. Hij
gaf twee voorbeelden van mooie scholen die excellent zijn omdat ze
kansen bieden aan leerlingen. Ik durf hier te zeggen dat alle excellente
scholen kansen bieden aan leerlingen. Als de heer Grashoff het gevoel
heeft dat er scholen tussen zitten die dat alleen bereiken door middel
van uitsluiting of selectie, hoor ik graag welke scholen dat zijn. Ik
durf te wedden dat hij geen school kan noemen.
De heer Grashoff (GroenLinks):
Even glashelder: ik heb de criteria voor excellente scholen erbij gepakt
en er staan simpelweg geen criteria bij op het gebied van
kansengelijkheid en inspanning op dat vlak. Die maken nu dus geen
onderdeel uit van de procedure die namens de staatssecretaris wordt
gevolgd door de onderwijsinspectie en de jury. Ik stel voor om ze er wel
in te stoppen. Ik zou niet weten wat het probleem daarmee is. Het zou
elkaar dan kunnen versterken, zodat we samen iets doen aan
kansenongelijkheid. Overigens heb ik, zonder namen te noemen — dat vind
ik altijd een beetje flauw — voorbeelden gehoord in mijn omgeving die
wel degelijk aanleiding geven om te veronderstellen dat sommige
excellente scholen dit misbruiken. Misschien geldt het wel voor meerdere
excellente scholen, want ik heb geen keiharde statistische gegevens
hierover. Ik ken echter voorbeelden waarin er evident misbruik wordt
gemaakt door lastigheden buiten de deur te houden om het predicaat
"excellent" te kunnen krijgen.
Staatssecretaris Dekker:
Dan zou ik zeggen: noem namen en rugnummers, want dan kunnen we het
erover hebben. Ik heb echt geen idee waarover de heer Grashoff het
heeft. Ik kan me ook niet voorstellen dat de jury scholen die evident
een uitsluitingsbeleid voeren, excellent zou noemen. In die jury zitten
allerlei deskundige mensen die een hele trits aan criteria langsgaan en
aan scholen vragen waarop ze zich willen laten voorstaan en hoe ze
kansen bieden aan leerlingen. Ik werp dat dus echt verre van mij.
Ik kom bij de motie op stuk nr. 9. Ook daarvan ben ik geen voorstander.
Met deze motie wordt de regering opgeroepen scholen met brede
brugklassen financieel te belonen. Dat kan natuurlijk; dat is een
politieke keuze. Het zou wel betekenen dat bijvoorbeeld categorale
gymnasia of categorale mavo's een minnetje krijgen, want als er ergens
een plusje naartoe moet, moet dat ook ergens vandaan komen. Ik weet ook
niet of het heel erg eerlijk is aangezien de stelling dat brede
brugklassen duurder zouden zijn, niet te rechtvaardigen is. Mijn oordeel
is: ontraden.
De motie op stuk nr. 10 is eigenlijk een lijntester van de heer
Grashoff. Hij wilde bekijken of we wel op een lijn zitten. Wij gaan
datgene doen wat hij in de motie vraagt. Dat is dus zowel een toezegging
als de reden waarom ik deze motie overbodig vind en haar dus
ontraad.
De heer Grashoff (GroenLinks):
Voorzitter, op basis van deze expliciete toezegging trek ik de motie in.
Ik kijk even rond om te zien of mijn mede-indieners dat met mij eens
zijn. Dat is het geval.
De voorzitter:
Aangezien de motie-Grashoff c.s. (34511, nr. 10) is ingetrokken, maakt
zij geen onderwerp van beraadslaging meer uit.
Staatssecretaris Dekker:
Voorzitter. Volgens mij ben ik door de moties heen.
De voorzitter:
Daarmee zijn we gekomen aan het einde van dit overleg. Ik dank de
bewindspersonen en natuurlijk de initiatiefnemers. Zoals u al weet, zijn
de stemmingen niet morgen maar volgende week dinsdag. Ik dank u allen
voor uw komst.
Sluiting 17.07 uur.
ONGECORRIGEERD STENOGRAM Verslag OSV 24 (2016-2017) van 30 januari 2017 |
---|
Aan ongecorrigeerde verslagen kan geen enkel recht worden ontleend. Uit ongecorrigeerde verslagen mag niet letterlijk worden geciteerd. Inlichtingen: verslagdienst@tweedekamer.nl |