Schriftelijke antwoorden op vragen gesteld tijdens de eerste termijn van de begrotingsbehandeling van Justitie en Veiligheid op 29 november 2017
Brief regering
Nummer: 2017D34854, datum: 2017-11-30, bijgewerkt: 2024-02-19 10:56, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: F.B.J. Grapperhaus, minister van Justitie en Veiligheid
- Mede ondertekenaar: M.G.J. Harbers, staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (Ooit VVD kamerlid)
- Mede ondertekenaar: S. Dekker, minister voor Rechtsbescherming (Ooit VVD kamerlid)
Onderdeel van zaak 2017Z16704:
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Justitie en Veiligheid
- Stemmingen en besluiten:
- 2020-01-16 13:35 ⇒ Afgevoerd van de stand der werkzaamheden. (Besluit)
- 2018-01-30 15:30 ⇒ Rondgezonden en gepubliceerd. (Besluit)
- 2017-12-06 14:30 ⇒ Betrokken bij de begrotingsbehandeling. (Besluit)
- 2017-11-30 10:16 ⇒ Behandeld. (Besluit)
- 2017-11-30 10:16: Begroting Justitie en Veiligheid (34775-VI) (voortzetting) (Plenair debat (wetgeving)), TK
- 2017-12-06 14:30: Procedures en brieven (Procedurevergadering), vaste commissie voor Justitie en Veiligheid
- 2018-01-30 15:30: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2020-01-16 13:35: Aansluitend aan de stemmingen: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
Preview document (🔗 origineel)
Vragen van het lid Helder, L.M.J.S. (PVV)
Vraag:
Is de minister bereid te regelen om het geld naar het veterinair
forensisch team te sturen?
Antwoord:
Het ministerie van EZK en mijn ministerie hebben het verzoek voor extra
middelen voor het Veterinair Forensisch Team afgewezen en de aanvragers
hebben daarover een brief met uitgebreide motivatie ontvangen. Inmiddels
is het Landelijke Expertisecentrum Dierenmishandeling in het leven
geroepen door een aantal andere partijen dat onder meer tot doel heeft
dierenartsen te helpen bij het herkennen van dierenmishandeling, onder
andere bestaande uit het constateren van letsel. Hiervoor krijgt de
Universiteit Utrecht subsidie. Mijn voorganger heeft u hierover
geïnformeerd per brief van 31 augustus 2017.
Vragen van het lid Helder, L.M.J.S. (PVV)
Vraag:
Wordt de werkvloer gedwongen (als ze niet weten of het extra geld niet
bij Financiën blijft hangen) om te veel eisen te stellen bij de
toekomstige cao onderhandelingen, omdat er anders geen agenten bij
komen?
Antwoord:
In 2018 komt € 100 miljoen beschikbaar. De operationele sterkte wordt
met 480 fte vergroot en de capaciteit van de Politieacademie wordt in
2018 maximaal benut. Sterker nog, deze opleidingscapaciteit wordt
vergroot naar 2200 plaatsen voor het basispolitieonderwijs. De
onderhandelingen voor de cao 2018 en verder zijn momenteel in
voorbereiding. Zoals altijd wordt deze in open en reëel overleg tot
stand gebracht. Van het dwingen van de werkvloer is geen sprake.
Vragen van het lid Helder, L.M.J.S. (PVV)
Vraag:
Waarom wordt de subsidie ingetrokken voor het Centrum voor
Criminaliteitsbestrijding en Veiligheid (CCV)?
Antwoord:
De subsidie voor het CCV wordt verlaagd. Er blijft echter een
substantieel bedrag beschikbaar voor het CCV. De rol van het CCV blijft
wat mij betreft onveranderd. Ik ben in gesprek met het CCV over de
jaarprogrammering van 2018, waarbij we gezamenlijk scherp prioriteren
stellen aan de hand van maatschappelijke opgaven. Naast een bedrag voor
de basissubsidie en de nalevingsexpertise is in de begroting 2018 een
bedrag van € 594.000,- gereserveerd voor de uitvoering van het Keurmerk
Veilig Ondernemen. Daarvan is € 300.000,- bestemd voor het CCV voor de
uitvoering van KVO-Winkelgebieden.
Vragen van het lid Helder, L.M.J.S. (PVV)
Vraag:
Ziet de minister iets in het initiatiefwetsvoorstel van het lid Helder
over groepsaansprakelijkheid?
Antwoord:
Mevrouw Helder heeft mij om een reactie gevraagd over haar
initiatiefwetsvoorstel inzake de verruiming van groepsaansprakelijkheid
bij openlijke geweldpleging. Volgens goed staatsrechtelijk gebruik maakt
de regering pas haar standpunt over een initiatiefwetsvoorstel kenbaar
nadat de Kamer met de initiatiefnemer over dat voorstel van gedachten
heeft gewisseld. Dat is tijdens de mondelinge behandeling van het
voorstel. In die fase zijn we bij dit wetsvoorstel nog niet beland. Ik
heb begrepen dat de nota naar aanleiding van het verslag bijna is
afgerond. Ik zie de nota naar aanleiding van het verslag met
belangstelling tegemoet.
Vragen van het lid Helder, L.M.J.S. (PVV)
Vraag:
Kan de minister zekerheid geven dat het extra geld voor de politie niet
bij het ministerie van Financiën blijft hangen?
Antwoord:
Het kabinet heeft afgesproken dat de intensiveringen uit het
Regeerakkoord op de aanvullende post, een apart onderdeel van de
rijksbegroting dat wordt beheerd door de minister van Financiën, worden
geboekt in afwachting van concrete en doelmatige bestedingsplannen. Na
het opstellen van bestedingsplannen worden middelen tranchegewijs
uitgekeerd aan de departementale begrotingen. Een deel van de tranche
2018 van de politiemiddelen zijn inmiddels via een Nota van Wijziging
uitgekeerd aan JenV. Voor de overige 167 miljoen worden momenteel
plannen gemaakt. Ik heb er het volste vertrouwen in dat wanneer deze
plannen gereed zijn, de bijbehorende middelen worden overgeboekt naar de
JenV-begroting. Dit komt overeen met de uitspraken van de minister van
Financiën eerder bij de Algemene Financiële Beschouwingen: "Het staat
niet ter discussie dat dat geld uiteindelijk bij de ministeries terecht
moet komen voor de onderwerpen waarvoor het gealloceerd staat."
Vragen van het lid Helder, L.M.J.S. (PVV)
Vraag:
Waarom is er niet een structureel ondermijningsfonds waar het van
criminelen afgepakte geld in wordt gestopt? Tot nu toe hebben we alleen
gehoord dat het begrotingstechnisch onmogelijk is.
Antwoord:
Dit kabinet investeert flink in de intensivering van de aanpak van
ondermijnende criminaliteit. In het regeerakkoord is 100 miljoen
uitgetrokken voor het ondermijningsfonds. Ik ben in gesprek met diverse
partijen over de precieze vormgeving van dit fonds en de besteding van
middelen uit dit fonds. Ik zal uw Kamer daar in het voorjaar van 2018
nader over informeren. In het bestedingsplan zal ook aandacht worden
besteed aan monitoring en evaluatie van de plannen. Voor aanvulling van
het fonds is geen financiële dekking. Ook de inkomsten uit het afpakken
van crimineel vermogen zijn reeds in de begroting gealloceerd. Over de
inkomsten uit afpakken van crimineel vermogen kan ik dus niet vrij
beschikken. Naast de 100 miljoen zijn er ook structurele middelen à 10
miljoen toegekend voor de versterking van de aanpak van ondermijning. Ik
ga met alle ketenpartners bezien hoe deze middelen zo effectief mogelijk
kunnen worden ingezet.
Vragen van het lid Helder, L.M.J.S. (PVV)
Vraag:
Het vraagstuk van de 'dark number' (het verschil tussen aangiftecijfers
en de daadwerkelijke criminaliteit) vraagt om een nieuw meetinstrument,
omdat huidige meetinstrumenten niet voldoen. Is de minister bereid een
nieuw meetinstrument te ontwikkelen?
Antwoord:
Er zijn reeds diverse monitoren en periodieke onderzoeken die
ontwikkelingen in aard en omvang van de criminaliteit in beeld brengen,
onder andere: Criminaliteit en Rechtshandhaving (Wetenschappelijk
Onderzoek -en Documentatiecentrum (WODC), Centraal Bureau voor de
Statistiek (CBS), Raad voor de Rechtspraak), de Veiligheidsmonitor
(CBS), het Nationaal Dreigings Beeld georganiseerde criminaliteit
(Openbaar Ministerie, politie), de Monitor georganiseerde criminaliteit
(WODC) en de Strafrechtketenmonitor (ministerie van JenV en organisaties
strafrechtsketen). Deze monitors geven in gezamenlijkheid niet alleen
een beeld van criminaliteit die via aangiftes bekend wordt, maar ook van
gegevens uit slachtofferenquêtes. In aanvulling hierop doet het WODC op
dit moment onderzoek naar de omvang van vormen van criminaliteit die
niet of in mindere mate via aangiftes bekend worden, zoals ondermijnende
criminaliteit of cybercrime. Dit onderzoek is naar verwachting in het
eerste kwartaal van 2018 gereed. Met de al beschikbare monitors én het
aanvullende onderzoek van het WODC wordt voldaan aan het krijgen van een
zo volledig mogelijk beeld van het aantal gepleegde misdrijven. Een
aanvullend meetinstrument heeft daarom geen meerwaarde.
Vragen van het lid Helder, L.M.J.S. (PVV)
Vraag:
In het kader van de flexibiliseringsagenda wordt de afgesproken sterkte
losgelaten. Graag een reactie. Worden aspiranten meegeteld?
Antwoord:
In het kader van de flexibiliseringsagenda zal ik samen met de
korpschef, gezagen en andere betrokkenen onder meer naar de huidige
wijze van sterktesturing kijken. De wijze waarop aspiranten daarin nu
worden meegeteld kan ook onderdeel van dat gesprek zijn. Ik wil op de
uitkomst nu niet vooruitlopen omdat de gesprekken over deze agenda nog
gevoerd moeten worden.
Vragen van het lid Helder, L.M.J.S. (PVV)
Vraag:
Waarom zijn er geen mensen aangehouden bij het feest nadat Marokko het
WK heeft behaald? Waarom wordt er in dergelijke gevallen geen gebruik
gemaakt van straatverboden, politiehonden, wapenstokken etc.?
Antwoord:
Het betreft hier een openbare orde kwestie, waar het lokale gezag
bevoegd is. Door de lokale driehoek wordt de inschatting gemaakt hoe met
de situatie wordt omgegaan. De politie bekijkt altijd de situatie ter
plekke, waarbij de politie ook een taak heeft om de-escalerend op te
treden. Ingrijpen kan dus op verschillende manieren vorm krijgen.
Vragen van het lid Fritsma, S.R. (PVV)
Vraag:
Als het gaat om mensen die niet vertrekken ondanks rechterlijke
uitspraken; denkt de staatssecretaris echt dat op deze manier de
problemen worden opgelost? Gaat hij ervoor zorgen dat illegalen wel
vertrekken om begrip te kweken bij de normale Nederlanders die zich wel
aan plichten moeten houden, die geen rechterlijke uitspraken naast zich
neer mogen leggen en die zeker geen beloning krijgen als ze dat wel
doen?
Antwoord:
De PVV-fractie is kritisch over het voornemen van het kabinet om in
overleg met gemeenten acht landelijke vreemdelingenvoorzieningen (LVV's)
in te richten voor niet-rechtmatig verblijvende vreemdelingen, omdat dit
niet zou stroken met rechterlijke uitspraken over het verblijf van deze
vreemdelingen. De PVV-fractie miskent daarmee dat deze LVV's juist
worden ingericht om vanuit die locaties aan het vertrek van de
vreemdelingen te kunnen werken. Het regeerakkoord geeft ook aan dat
wanneer vreemdelingen niet serieus werken aan terugkeer hen opvang en
ondersteuning wordt ontzegd.
Vragen van het lid Fritsma, S.R. (PVV)
Vraag:
Is de staatssecretaris bereid tot onmiddellijke beëindiging van de
pardonregeling, een definitieve stop van illegale opvang en het afzien
van nieuwe opvanglocaties?
Antwoord:
In het regeerakkoord is aangegeven dat de regeling voor langdurig in
Nederland verblijvende kinderen (kinderpardon) in haar huidige vorm
gehandhaafd blijft. Onderdeel van die regeling is dat wordt getoetst of
oprecht is gewerkt aan vertrek. Die voorwaarde zorgt ervoor dat de
regeling geen onnodige aanzuigende werking heeft en niet botst met het
terugkeerbeleid. Daarmee is een uitgebalanceerde keuze gemaakt. Ik zie
dan ook geen reden de geldende regeling te beëindigen. Met betrekking
tot de (nieuwe) opvanglocatie verwijs ik naar de hiervoor beantwoorde
vraag over de Landelijke Vreemdelingen Voorzieningen (LVV's).
Vragen van het lid Fritsma, S.R. (PVV)
Vraag:
Het kraakverbod geldt ook voor illegalen. Kraakgroep 'We are here' heeft
30 keer gekraakt. Waarom treedt het kabinet niet op tegen kraken?
Antwoord:
De op initiatief van uw Kamer tot stand gekomen Wet kraken en leegstand
biedt betere mogelijkheden om het kraken van woningen en gebouwen tegen
te gaan. Uit de evaluatie die mijn voorganger uw Kamer in 2016 heeft
toegestuurd (Kamerstukken 2015/16, 31560 nr. 36) blijkt dat van die
mogelijkheden actief gebruik wordt gemaakt. Optreden is makkelijker
doordat het Openbaar Ministerie niet langer hoeft aan te tonen dat het
desbetreffende pand minder dan een jaar niet in gebruik was. Bovendien
is de strafmaat verhoogd en is kraken een misdrijf geworden. In de
praktijk lukt het daardoor om snel tot ontruiming over te gaan en
krakers succesvol te vervolgen. Conform het uitgangspunt van de wet
wordt lokaal besloten over de inzet van politiecapaciteit voor
ontruimingen. Voor de manier waarop wordt omgegaan met illegaal verblijf
in Nederland verwijs ik u naar het antwoord op uw vraag over
strafbaarstelling van illegaliteit.
Vragen van het lid Fritsma, S.R. (PVV)
Vraag:
Wilt u ervan afzien om bovenop de afgesproken asielinstroom ook nog eens
1750 extra vluchtelingen toe te laten?
Antwoord:
Ik zie hiertoe geen aanleiding. Overeenkomstig het regeerakkoord voegt
het kabinet hier de daad bij woord. Daar waar Europese afspraken met
transitlanden en landen in conflictregio’s resulteren in een lagere
instroom, is Nederland bereid de opvang in de regio te ontlasten door
middel van hervestiging. De asielinstroom is sinds de EU-Turkije
Verklaring van maart 2016 significant gedaald. In lijn met de afspraken
in de EU-Turkije Verklaring en conform het Regeerakkoord ligt de
voorgenomen inzet op hervestiging uit Turkije dan in de rede.
Vragen van het lid Fritsma, S.R. (PVV)
Vraag:
Klopt het dat er nog niet één illegaal is vervolgd en veroordeeld onder
de nieuwe kraakwet?
Antwoord:
In het informatiesysteem van het Openbaar Ministerie is de
verblijfstatus van verdachten niet op geaggregeerd niveau zichtbaar. Een
zoekslag heeft uitgewezen dat van de 835 veroordeelden op grond van
artikel 138a van het Wetboek van Strafrecht, in elk geval 787 personen
Nederlander, EU-onderdaan of inwoner van de Nederlandse Antillen of
Suriname zijn. Uit de registratie blijkt niet of de resterende 48
verdachten illegaal zijn, of dat deze personen uit een ander land
afkomstig zijn maar wel een legale verblijfsstatus hebben.
Vragen van het lid Fritsma, S.R. (PVV)
Vraag:
Alle zorg voor asielzoekers is gratis, voor Nederlanders niet: dat is
meten met twee maten. Wat is uw reactie hierop?
Antwoord:
Uitgangspunt in de zorg is dat degene die de zorg wordt geboden deze ook
betaalt. Voor Nederlandse burgers is hiervoor een verzekeringsstelsel
beschikbaar. Asielzoekers kunnen in Nederland echter geen
zorgverzekering afsluiten. Voorts hebben asielzoekers veelal geen
beschikking over eigen middelen en kunnen daar ook niet in voorzien. Om
die reden wordt de medische zorg voor asielzoekers vergoed door het
Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA). Deze medische zorg (met
uitzondering van huisartszorg) wordt alleen op basis van medische
noodzakelijkheid, op indicatie en na machtiging verschaft.
Bovendien wordt steeds beoordeeld of het nodig/wenselijk is dat de
medische zorg per direct wordt geleverd. Zeker in die gevallen waarin de
verblijfstatus nog onduidelijk is, kan het voorkomen dat een bepaalde
behandeling of verstrekking niet plaatsvindt omdat deze niet in het land
van herkomst kan worden voortgezet. Wellicht ten overvloede meld ik u
nog dat ook in de zorg voor Nederlandse burgers geldt dat mensen die
minder daadkrachtig tegemoet worden gekomen in de zorgkosten via de
zorgtoeslag.
Vragen van het lid Fritsma, S.R. (PVV)
Vraag:
Illegaliteit moet strafbaar worden gesteld. Graag een reactie van de
staatssecretaris.
Antwoord:
Het kabinet wil illegaal verblijf terugdringen. Dit kabinet zet om die
reden sterker in op het voorkomen van illegale migratie en het vertrek
van illegaal verblijvende vreemdelingen. Daarom zet dit kabinet zich in
om extra capaciteit vrij te maken voor de Dienst Terugkeer en Vertrek,
intensiever casemanagement en meer mogelijkheden voor
bestuursrechtelijke vreemdelingenbewaring. Samenwerking met gemeenten is
hiervoor ook cruciaal.
Het kabinet is van mening dat het strafbaar stellen van illegaliteit in
de context van deze getroffen maatregelen onvoldoende extra zal
bijdragen aan het terugdringen van illegaal verblijf.
Vragen van het lid Fritsma, S.R. (PVV)
Vraag:
Hoe kan het dat maar 80 keer aangifte is gedaan van foutieve
informatieverstrekking in verblijfsprocedures? Kan de staatssecretaris
garanderen dat dit voortaan structureel wordt gedaan?
Antwoord:
Ik ben het met de heer Fritsma eens dat het uitgangspunt moet zijn dat
wanneer er een misdrijf wordt gepleegd, bijvoorbeeld fraude, in het
kader van de aanvraag om een verblijfsvergunning er aangifte zal moeten
worden gedaan. Dit is ook het uitgangspunt van de Immigratie- en
Naturalisatiedienst (IND). Wanneer aan bepaalde criteria wordt voldaan
(bijvoorbeeld: is de verdachte bekend en/of is de verblijfsplaats van de
verdachte bekend) wordt tot aangifte overgegaan.
Vragen van het lid Fritsma, S.R. (PVV)
Vraag:
Kan de staatssecretaris de vergunning voor Syriërs intrekken aangezien
honderdduizenden van hen terugkeren naar Syrië?
Antwoord:
Uitgangspunt is dat mensen teruggaan zodra hun land veilig is. In de
afgelopen periode zijn er meermaals berichten verschenen over Syriërs
die weer terugkeren naar huis. Ik begrijp dat dit de vraag kan oproepen
of het nog in alle gevallen nodig is om asielbescherming aan Syriërs te
geven. Ik denk dat we voorzichtig moeten zijn bij het trekken van
conclusies uit die terugkeer. Ten eerste gaat het in verreweg de meeste
gevallen om terugkeer van Syriërs die Syrië nooit hebben verlaten. Het
is dan dus terugkeer naar huis van personen die tijdelijk elders in
Syrië hebben verbleven. Voor een veel kleiner deel betreft het Syriërs
uit de buurlanden en dan in het bijzonder Libanon. Of die terugkeer
altijd volledig vrijwillig is en in hoeverre dit komt door de situatie
in Libanon is lastig te bepalen. Dat alles is reden voor
voorzichtigheid. Men zou net zo zeer betekenis kunnen hechten aan het
feit dat het grootste deel van de Syriërs in die buurlanden er niet voor
kiest terug te keren, terwijl voor veel van hen de situatie in die
buurlanden niet ideaal is. Of de veiligheidssituatie in Syrië zodanig is
verbeterd dat ons asielbeleid op onderdelen kan worden aangepast wil ik
echt baseren op de feiten over die situatie. Daarom heeft mijn
ministerie aan het ministerie van Buitenlandse Zaken gevraagd daarover
een ambtsbericht op te stellen. Dit zal opgeleverd worden in de zomer
van 2018.
Vragen van het lid Graaf, M. de (PVV)
Vraag:
Waar, hoe en wanneer is de IS-er die (in de Balie) werd gesignaleerd
Europa en vervolgens Nederland binnengekomen? Over land, zee of lucht?
Had hij valse ID-papieren en wat voor papieren waren dat? Heeft de man
zelf of via zijn netwerk toegang tot explosieven en wapens?
Antwoord:
Ik begrijp de vele zorgen. Ik heb kennis genomen van de vele vragen van
dhr. De Graaf over de gebeurtenissen in De Balie in Amsterdam op 14
september 2017. Zoals u begrijpt kan ik in het openbaar geen uitspraken
doen over individuele gevallen. In algemene zin kan ik u melden dat
personen die een dreiging vormen voor de nationale veiligheid
nauwlettend in de gaten worden gehouden. Het Openbaar Ministerie, de
politie en de diensten zijn alert. Passend bij de dreiging worden altijd
maatregelen genomen als daar een juridische grondslag voor is. De inzet
van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheiddienst valt onder de
verantwoordelijkheid van de minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties. Ook zij kan – zoals u weet – geen uitspraken doen
over individuele gevallen. Wat betreft de bijeenkomst in De Balie kan ik
u melden dat de politie zoals te doen gebruikelijk voorafgaand aan de
bijeenkomst contact heeft gehad met De Balie over de beveiliging. De
politie heeft een inschatting gemaakt conform de reguliere werkwijze. De
politie heeft de geüniformeerde dienst geïnformeerd en had een
rechtstreekse lijn met De Balie. De Balie heeft interne
beveiligingsmaatregelen getroffen. Op de betreffende avond heeft de
Balie nadat de man vertrokken was, contact opgenomen met de politie. De
politie is hierop ter plaatse gekomen en heeft gesproken met aanwezigen
die de man zouden hebben herkend. Gezien het vorenstaande concludeer ik
dat de politie conform de reguliere werkwijze heeft gehandeld.
Vragen van het lid Graaf, M. de (PVV)
Vraag:
Wat was het laatste veilige land waar de IS-er doorheen gereisd
is?
Antwoord:
Voor het antwoord op de gestelde vragen n.a.v. de berichtgeving dat er
een Syrische IS-er herkend zou zijn tijdens een optreden in De Balie
verwijs ik u naar het bovenstaande antwoord op de eerste vraag van het
lid De Graaf.
Vragen van het lid Graaf, M. de (PVV)
Vraag:
Is het voor de minister nu bewezen dat het relatief eenvoudig is om als
IS-er Nederland binnen te komen? Is er meteen actie ondernomen na het
openen van deze eventuele ambtsberichten?
Antwoord:
Voor het antwoord op de gestelde vragen n.a.v. de berichtgeving dat er
een Syrische IS-er herkend zou zijn tijdens een optreden in De Balie
verwijs ik u naar het bovenstaande antwoord op de eerste vraag van het
lid De Graaf.
Vragen van het lid Graaf, M. de (PVV)
Vraag:
Is de verblijfsgrond van deze IS-er op valse documenten gebaseerd?
Wanneer zijn die ontdekt en waarom is daar niet op ingegrepen?
Antwoord:
Voor het antwoord op de gestelde vragen n.a.v. de berichtgeving dat er
een Syrische IS-er herkend zou zijn tijdens een optreden in De Balie
verwijs ik u naar het bovenstaande antwoord op de eerste vraag van het
lid De Graaf.
Vragen van het lid Graaf, M. de (PVV)
Vraag:
Wanneer was zijn achtergrond als IS-er in Nederland bekend?
Antwoord:
Voor het antwoord op de gestelde vragen n.a.v. de berichtgeving dat er
een Syrische IS-er herkend zou zijn tijdens een optreden in De Balie
verwijs ik u naar het bovenstaande antwoord op de eerste vraag van het
lid De Graaf.
Vragen van het lid Graaf, M. de (PVV)
Vraag:
Vanaf wanneer is deze IS-er in de gaten gehouden? Waarom is hij niet
opgepakt en vastgezet?
Antwoord:
Voor het antwoord op de gestelde vragen n.a.v. de berichtgeving dat er
een Syrische IS-er herkend zou zijn tijdens een optreden in De Balie
verwijs ik u naar het bovenstaande antwoord op de eerste vraag van het
lid De Graaf.
Vragen van het lid Graaf, M. de (PVV)
Vraag:
Wat weten de diensten en wat weet de minister over de mogelijke
terreurplannen en het netwerk van deze IS-er?
Antwoord:
Voor het antwoord op de gestelde vragen n.a.v. de berichtgeving dat er
een Syrische IS-er herkend zou zijn tijdens een optreden in De Balie
verwijs ik u naar het bovenstaande antwoord op de eerste vraag van het
lid De Graaf.
Vragen van het lid Graaf, M. de (PVV)
Vraag:
Welke afwegingen zijn er bij de casus van deze IS-er gemaakt door de
diensten en de minister en door wie is er gehandeld?
Antwoord:
Voor het antwoord op de gestelde vragen n.a.v. de berichtgeving dat er
een Syrische IS-er herkend zou zijn tijdens een optreden in De Balie
verwijs ik u naar het bovenstaande antwoord op de eerste vraag van het
lid De Graaf.
Vragen van het lid Graaf, M. de (PVV)
Vraag:
Hoeveel kans is er dat iemand die 24/7 wordt gevolgd alsnog onder de
radar verdwijnt?
Antwoord:
Voor het antwoord op de gestelde vragen n.a.v. de berichtgeving dat er
een Syrische IS-er herkend zou zijn tijdens een optreden in De Balie
verwijs ik u naar het bovenstaande antwoord op de eerste vraag van het
lid De Graaf.
Vragen van het lid Graaf, M. de (PVV)
Vraag:
Was de politie wel op de hoogte van de komst van de IS-er naar de Balie
en waarom hebben ze hem niet kunnen aanhouden? En als ze niet op de
hoogte waren, waarom dan niet?
Antwoord:
Voor het antwoord op de gestelde vragen n.a.v. de berichtgeving dat er
een Syrische IS-er herkend zou zijn tijdens een optreden in De Balie
verwijs ik u naar het bovenstaande antwoord op de eerste vraag van het
lid De Graaf.
Vragen van het lid Graaf, M. de (PVV)
Vraag:
Klopt het aantal van 20 fte dat de diensten nodig hebben om iemand 24
uur per dag te volgen?
Antwoord:
Voor het antwoord op de gestelde vragen n.a.v. de berichtgeving dat er
een Syrische IS-er herkend zou zijn tijdens een optreden in De Balie
verwijs ik u naar het bovenstaande antwoord op de eerste vraag van het
lid De Graaf.
Vragen van het lid Graaf, M. de (PVV)
Vraag:
Met wie is de IS-er die in Nederland vrij rondloopt nog meer
binnengekomen en waar zijn de anderen nu?
Antwoord:
Voor het antwoord op de gestelde vragen n.a.v. de berichtgeving dat er
een Syrische IS-er herkend zou zijn tijdens een optreden in De Balie
verwijs ik u naar het bovenstaande antwoord op de eerste vraag van het
lid De Graaf.
Vragen van het lid Graaf, M. de (PVV)
Vraag:
Is de IS-er nog steeds in Nederland. Zo nee, waar is hij nu? Weet de
minister überhaupt waar hij zich bevond?
Antwoord:
Voor het antwoord op de gestelde vragen n.a.v. de berichtgeving dat er
een Syrische IS-er herkend zou zijn tijdens een optreden in De Balie
verwijs ik u naar het bovenstaande antwoord op de eerste vraag van het
lid De Graaf.
Vragen van het lid Graaf, M. de (PVV)
Vraag:
Welke dienst was er als eerste op de hoogte van de reis van de IS-er
door Europa en zijn verblijf in Nederland?
Antwoord:
Voor het antwoord op de gestelde vragen n.a.v. de berichtgeving dat er
een Syrische IS-er herkend zou zijn tijdens een optreden in De Balie
verwijs ik u naar het bovenstaande antwoord op de eerste vraag van het
lid De Graaf.
Vragen van het lid Graaf, M. de (PVV)
Vraag:
Welke contacten had de IS-er hier en in andere landen? In welke
netwerken in Nederland en Europa was hij actief?
Antwoord:
Voor het antwoord op de gestelde vragen n.a.v. de berichtgeving dat er
een Syrische IS-er herkend zou zijn tijdens een optreden in De Balie
verwijs ik u naar het bovenstaande antwoord op de eerste vraag van het
lid De Graaf.
Vragen van het lid Graaf, M. de (PVV)
Vraag:
Was de IS-er van plan in Nederland iets aan te richten, en zo ja
wat?
Antwoord:
Voor het antwoord op de gestelde vragen n.a.v. de berichtgeving dat er
een Syrische IS-er herkend zou zijn tijdens een optreden in De Balie
verwijs ik u naar het bovenstaande antwoord op de eerste vraag van het
lid De Graaf.
Vragen van het lid Graaf, M. de (PVV)
Vraag:
Wie en wat hebben uiteindelijk de doorslag gegeven om de IS-er vrij rond
te laten lopen?
Antwoord:
Voor het antwoord op de gestelde vragen n.a.v. de berichtgeving dat er
een Syrische IS-er herkend zou zijn tijdens een optreden in De Balie
verwijs ik u naar het bovenstaande antwoord op de eerste vraag van het
lid De Graaf.
Vragen van het lid Graaf, M. de (PVV)
Vraag:
Is de minister bereid om administratieve detentie en andere door PVV
voorgestelde maatregelen (waaronder het sluiten van de grenzen en het
stimuleren van vrijwillige remigratie) in te voeren? Zo nee, graag een
uitvoerige reactie.
Antwoord:
Administratieve detentie, in de zin van preventieve detentie zonder dat
sprake is van een redelijke verdenking, is geen gerechtvaardigde
vrijheidsontneming. Het Openbaar Ministerie beschikt over voldoende
wettelijke instrumentarium om strafrechtelijk op te treden. De
strafrechtelijke aanpak wordt verder versterkt met het wetsvoorstel
Versterking strafrechtelijke aanpak terrorisme. Dit wetsvoorstel ziet
onder andere op verlenging van voorlopige hechtenis zonder ernstige
bezwaren bij verdenking terroristische misdrijven. Naast het strafrecht
bestaan er vreemdelingrechtelijke en andere bestuursrechtelijke
maatregelen die de overheid kan nemen. Deze bestuursrechtelijke
maatregelen zijn recent uitgebreid met de Tijdelijke wet bestuurlijke
maatregelen terrorismebestrijding, die reeds enkele malen is
toegepast.
Wat betreft de andere door de PVV voorgestelde maatregelen merk ik het
volgende op. Het kabinet acht het sluiten van de grenzen geen
realistische oplossing, laat staan dat het een structurele oplossing is
voor complexe veiligheids- en migratievraagstukken. Het sluiten van de
grens voor specifieke groepen is bovendien in strijd met artikel 1 van
de Grondwet. Los van de vraag of een dergelijke maatregel juridisch
houdbaar en ook uitvoerbaar is, miskent een dergelijke maatregel
bijvoorbeeld ook de negatieve consequenties voor de Nederlandse
economie. Ten aanzien van het stimuleren van vrijwillige remigratie:
Nederland biedt afhankelijk van het land van herkomst vreemdelingen via
verschillende programma’s ondersteuning aan om vrijwillig uit Nederland
te vertrekken. Daarvoor kan men o.a. gebruik maken van ondersteuning via
de zgn. REAN-regeling (Return and Emmigration of Aliens from the
Netherlands) van de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM). Met
betrekking tot terugkerende uitreizigers merk ik op dat personen met de
Nederlandse nationaliteit de toegang tot Nederland niet kan worden
ontzegd. Sinds 1 maart 2017 is het mogelijk om in het belang van de
nationale veiligheid het Nederlanderschap in te trekken van een persoon
die zich heeft aangesloten bij een organisatie die een gevaar vormt voor
de nationale veiligheid. Dit is alleen mogelijk wanneer betrokkene twee
nationaliteiten heeft en wanneer in individuele gevallen een
belangenafweging wordt gemaakt. Nederlanders die terugkeren worden bij
terugkeer voor verhoor aangehouden. Het Openbaar Ministerie gaat, waar
opportuun, over tot strafvervolging. De aanpak van terugkeerders betreft
altijd maatwerk. Het doel is om de mogelijke dreiging die van
terugkeerders uit kan gaan, te verminderen. Wat betreft het bevriezen
van tegoeden van ondersteuners merk ik op dat een bevriezingsmaatregel
kan worden opgelegd wanneer het gegronde vermoeden bestaat van
ondersteuning van terroristische activiteiten. De plaatsing op de
nationale sanctielijst terrorisme is gericht op vermindering van de
dreiging die kan uitgaan van personen die zich hebben aangesloten bij
een terroristische organisatie. Gevolg van de bevriezingsmaatregel is
dat financiële tegoeden bevroren zijn van degenen die op de lijst staan.
Tegelijkertijd is het verboden voor anderen om financiële tegoeden en
middelen aan deze personen en organisaties ter beschikking te
stellen.
Vragen van het lid Graaf, M. de (PVV)
Vraag:
Wat was de verblijfsgrond van de IS-er in Nederland? Had hij een
verblijfsvergunning? Zo ja, wat voor vergunning?
Antwoord:
Voor het antwoord op de gestelde vragen n.a.v. de berichtgeving dat er
een Syrische IS-er herkend zou zijn tijdens een optreden in De Balie
verwijs ik u naar het bovenstaande antwoord op de eerste vraag van het
lid De Graaf.
Vragen van het lid Graaf, M. de (PVV)
Vraag:
Is er bekend wat de IS-er op zijn kerfstok heeft binnen IS?
Antwoord:
Voor het antwoord op de gestelde vragen n.a.v. de berichtgeving dat er
een Syrische IS-er herkend zou zijn tijdens een optreden in De Balie
verwijs ik u naar het bovenstaande antwoord op de eerste vraag van het
lid De Graaf.
Vragen van het lid Graaf, M. de (PVV)
Vraag:
Wie heeft de diensten aan informatie geholpen over de IS-er? Wanneer
vond deze informatieoverdracht plaats?
Antwoord:
Voor het antwoord op de gestelde vragen n.a.v. de berichtgeving dat er
een Syrische IS-er herkend zou zijn tijdens een optreden in De Balie
verwijs ik u naar het bovenstaande antwoord op de eerste vraag van het
lid De Graaf.
Vragen van het lid Graaf, M. de (PVV)
Vraag:
Hoeveel arrestaties zijn er verricht binnen het netwerk van de IS-er in
Nederland en daarbuiten? Wanneer hebben deze arrestaties
plaatsgevonden?
Antwoord:
Voor het antwoord op de gestelde vragen n.a.v. de berichtgeving dat er
een Syrische IS-er herkend zou zijn tijdens een optreden in De Balie
verwijs ik u naar het bovenstaande antwoord op de eerste vraag van het
lid De Graaf.
Vragen van het lid Graaf, M. de (PVV)
Vraag:
Hoeveel radicale moslims kent Nederland? Hoeveel daarvan worden er
aangemerkt als gevaarlijk?
Antwoord:
Op basis van een open nota van de Algemene Inlichtingen- en
Veiligheidsdienst (AIVD) en zoals ook aangegeven in het 45e
Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland kan ik u zeggen dat er enkele
honderden jihadisten in Nederland zijn en enkele duizenden
sympathisanten. Over hoeveel er als gevaarlijk worden aangemerkt worden
in het openbaar geen mededelingen gedaan.
Vragen van het lid Graaf, M. de (PVV)
Vraag:
Hoe kan het dat een veroordeelde terrorist bij wie Kalasjnikovs in de
kelder zijn gevonden tezamen met heel veel cobra's en die een mega
aanslag wilde plegen over drie jaar alweer vrij komt?
Antwoord:
Kamerleden Markuszower en De Graaf leggen een aantal zaken voor waarin
de strafrechter – soms nog niet onherroepelijk - uitspraak heeft gedaan.
Het is in een rechtstaat aan de rechter om op basis van het strafdossier
en de behandeling van de zaak op zitting de feiten en omstandigheden te
beoordelen en te oordelen over het al dan niet opleggen van een straf en
de hoogte daarvan. Het past de minister voor Rechtsbescherming niet
hierop commentaar te leveren.
Vragen van het lid Markuszower, G. (PVV)
Vraag:
Kan de minister aan Nederland uitleggen dat de vermoedelijke moordenaar
van Anne Faber, die amper 7 jaar geleden 2 jonge meisjes op
verschrikkelijke wijze heeft verkracht, nu alweer vrij rond kon
lopen?
Antwoord:
Ik kan me voorstellen dat de verschrikkelijke gebeurtenis in Den Dolder
vragen oproept. Afgelopen maandag hebben de inspecties hun eerste
onderzoek gepubliceerd. Zij achten het niet direct noodzakelijk om
actief in te grijpen in de geleverde zorg en de veiligheid in
de forensisch psychiatische afdeling Roosenburg, maar signaleren wel een
aantal risico’s. Ik heb in mijn brief van maandag laten weten welke
maatregelen ik daarop zal nemen. Het is belangrijk dat het
strafrechtelijk onderzoek en het tweede onderzoek van de Inspecties
zorgvuldig kunnen verlopen. Daarom kan ik niet verder ingaan op de
zaak-Michael P.
Vragen van het lid Markuszower, G. (PVV)
Vraag:
Kan de minister aan Nederland uitleggen dat een stiefvader maar 2 jaar
in de cel hoeft te zitten voor het verkrachten van zijn jonge
stiefdochters?
Antwoord:
Kamerleden Markuszower en De Graaf leggen een aantal zaken voor waarin
de strafrechter – soms nog niet onherroepelijk - uitspraak heeft gedaan.
Het is in een rechtstaat aan de rechter om op basis van het strafdossier
en de behandeling van de zaak op zitting de feiten en omstandigheden te
beoordelen en te oordelen over het al dan niet opleggen van een straf en
de hoogte daarvan. Het past de minister van Rechtsbescherming niet
hierop commentaar te leveren.
Vragen van het lid Markuszower, G. (PVV)
Vraag:
Kunt u het uitleggen waarom de Pool die in het centrum van Utrecht mw.
Van den Brink doodstak, maar 3 jaar de cel in moet?
Antwoord:
Kamerleden Markuszower en De Graaf leggen een aantal zaken voor waarin
de strafrechter – soms nog niet onherroepelijk - uitspraak heeft gedaan.
Het is in een rechtstaat aan de rechter om op basis van het strafdossier
en de behandeling van de zaak op zitting de feiten en omstandigheden te
beoordelen en te oordelen over het al dan niet opleggen van een straf en
de hoogte daarvan. Het past de minister van Rechtsbescherming niet
hierop commentaar te leveren.
Vragen van het lid Markuszower, G. (PVV)
Vraag:
Kan de minister uitleggen dat de daders die twee broers in Arnhem zonder
reden in elkaar sloegen slechts zijn veroordeeld tot een paar uur
taakstraf?
Antwoord:
Kamerleden Markuszower en De Graaf leggen een aantal zaken voor waarin
de strafrechter – soms nog niet onherroepelijk - uitspraak heeft gedaan.
Het is in een rechtstaat aan de rechter om op basis van het strafdossier
en de behandeling van de zaak op zitting de feiten en omstandigheden te
beoordelen en te oordelen over het al dan niet opleggen van een straf en
de hoogte daarvan. Het past de minister voor Rechtsbescherming niet
hierop commentaar te leveren.
Vragen van het lid Markuszower, G. (PVV)
Vraag:
Hoe vaak leggen rechters straffen op die lager zijn dan ze konden
opleggen volgens het Wetboek van Strafrecht?
Antwoord:
In het Wetboek van Strafrecht zijn maximum op te leggen straffen voor te
onderscheiden delicten geregeld. In een enkel geval legt een rechter een
maximale straf op. Het stelsel van maximumstraffen geeft de rechter de
ruimte om de feiten en omstandigheden beoordelend een passende straf op
te leggen. Dit stelsel functioneert goed. Inherent aan een stelsel van
strafmaxima is dat de rechter doorgaans lagere straffen oplegt dan
maximaal mogelijk is.
Vragen van het lid Markuszower, G. (PVV)
Vraag:
De PVV-fractie wil het Wetboek van Strafrecht wijzigen en komt met een
initiatiefwetsvoorstel waarbij zedendelinquenten minimaal 20 jaar de cel
ingaan en waarbij de rechter meer mogelijkheden krijgt om
zedendelinquenten levenslang op te sluiten. Graag een reactie van de
minister.
Antwoord:
Volgens goed staatsrechtelijk gebruik maakt de regering pas haar
standpunt over een initiatiefwetsvoorstel kenbaar nadat de Kamer met de
initiatiefnemer over dat voorstel van gedachten heeft gewisseld. Dat is
tijdens de mondelinge behandeling van het voorstel. In die fase zijn we
bij dit wetsvoorstel nog niet beland, aangezien het wetsvoorstel zich
bevindt in de fase van aanhangigmaking.
Vragen van het lid Markuszower, G. (PVV)
Vraag:
Kunt u het uitleggen dat een inbreker die een vrouw verkracht en
vermoordt slechts 4 jaar cel krijgt?
Antwoord:
Kamerleden Markuszower en De Graaf leggen een aantal zaken voor waarin
de strafrechter – soms nog niet onherroepelijk - uitspraak heeft gedaan.
Het is in een rechtstaat aan de rechter om op basis van het strafdossier
en de behandeling van de zaak op zitting de feiten en omstandigheden te
beoordelen en te oordelen over het al dan niet opleggen van een straf en
de hoogte daarvan. Het past de minister voor Rechtsbescherming niet
hierop commentaar te leveren.
Vragen van het lid Markuszower, G. (PVV)
Vraag:
Kan de minister uitleggen dat een eenenzestig jarige man slechts een
paar maanden celstraf krijgt voor de verkrachting van een
minderjarige?
Antwoord:
Kamerleden Markuszower en De Graaf leggen een aantal zaken voor waarin
de strafrechter – soms nog niet onherroepelijk - uitspraak heeft gedaan.
Het is in een rechtstaat aan de rechter om op basis van het strafdossier
en de behandeling van de zaak op zitting de feiten en omstandigheden te
beoordelen en te oordelen over het al dan niet opleggen van een straf en
de hoogte daarvan. Het past de minister voor Rechtsbescherming niet
hierop commentaar te leveren.
Vragen van het lid Markuszower, G. (PVV)
Vraag:
Wat is uw reactie op het idee om rechters en officieren van justitie
door het volk te laten kiezen?
Antwoord:
Ik vind het geen goed idee om rechters en officieren van Justitie voor
een bepaalde periode te laten kiezen door het volk. De magistraten in
Nederland zijn onafhankelijk. Dat is een cruciale pijler onder onze
rechtsstaat. Het betekent dat rechters hun oren niet hoeven te laten
hangen naar politieke voorkeuren of de belangen van een of meerdere
bevolkingsgroepen. De rechterlijke onafhankelijkheid waarborgt dat de
rechter iedere zaak op dezelfde wijze tegemoet treedt, zonder zich
zorgen te hoeven maken of een uitspraak een bepaalde groep welgevallig
is. Deze onafhankelijkheid is naar mijn overtuiging de noodzakelijke
basis voor het vertrouwen in de rechtspraak. Uit onderzoeken van
bijvoorbeeld het Sociaal en Cultureel Planbureau blijkt dat het
vertrouwen van de Nederlandse bevolking in de rechtspraak al jaren
achtereen hoog is.
Vragen van het lid Oosten, F. van (VVD)
Vraag:
Hoe zorgt de minister ervoor dat het ziekteverzuim nu maandelijks
zichtbaar daalt en binnen twee jaar niet hoger is dan maximaal het
gemiddelde bij de overheid? Graag een reactie.
Antwoord:
Het terugdringen van het verzuim in het korps blijft een belangrijke
opgave voor het korps. Het verzuim is niet binnen alle onderdelen van
het korps op hetzelfde niveau. Er zijn verschillen te zien tussen
eenheden, waarbij in een enkele eenheid een daling van het
verzuimpercentage is ingezet, zoals in de eenheden Zeeland-West-Brabant
en Oost-Brabant. De noodzakelijke landelijke trendbreuk is echter nog
niet gerealiseerd. De politie heeft in 2017 extra expertise en
capaciteit aangetrokken om de leidinggevenden maximaal te ondersteunen
bij de verzuimaanpak in hun team. Ook is in samenspraak met de
politievakorganisaties een landelijk re-integratiebeleid
vastgesteld. Verder gaat de politie een korpsaudit verrichten naar
aanleiding van het TNO-rapport over langdurig verzuim uit 2014, hetgeen
inzichten kan opleveren die kunnen bijdragen aan de aanpak van het
verzuimbeleid bij de politie. Het verzuim bij de politie bestaat echter
grotendeels uit langdurig verzuim. Daaronder vallen de complexere
verzuimgevallen. Als gevolg daarvan is het niet reeël om te verwachten
dat het verzuim bij de politie op korte termijn aanzienlijk zal dalen.
Om gericht verzuim terug te dringen wordt periodiek een analyse van het
verzuim gemaakt, in het bijzonder bij teams met hoog verzuim. Het is
cruciaal dat in het korps hierop nog scherper wordt gestuurd en dat op
alle niveaus leidinggevenden en medewerkers worden aangesproken op hun
aandeel daarin. In alle managementgesprekken van de korpsleiding met de
eenheidschefs en in alle managementgesprekken binnen de eenheden komt
het verzuim aan de orde. Meer dan voorheen wordt geïnvesteerd op het
voorkomen van verzuim. Zo heeft het korps zelfscreeners ontwikkeld
waarmee medewerkers zelf aan de hand van een vragenlijst kunnen zien of
zij risico lopen op mentaal of psychosociaal vlak en loopt er een pilot
voor het aanbieden van een preventief medisch onderzoek aan medewerkers.
Ik zal de Tweede Kamer verder informeren over het actuele verzuimbeeld
en eventuele maatregelen via de komende voortgangsrapportage vorming
nationale politie.
Vragen van het lid Oosten, F. van (VVD)
Vraag:
Sorteert het bedrag van 100 miljoen euro in het ondermijningsfonds een
meerjarig effect in het aanpakken van de georganiseerde criminaliteit
door de enige drijfveer van criminelen, namelijk de criminele winsten,
af te pakken? Kan de minister op korte termijn een plan van aanpak aan
de Kamer sturen?
Antwoord:
De 100 miljoen uit het ondermijningsfonds komt ten bate van de
realisatie van de Toekomstagenda Ondermijning die door de samenwerkende
overheidspartners is opgesteld. Mijn ambtsvoorganger heeft deze agenda
afgelopen zomer namens hen ter informatie aan uw Kamer aangeboden. Het
bedrag uit het ondermijningsfonds kan in meerdere jaren besteed worden.
Over de besteding verwacht ik uw Kamer begin 2018 nader te kunnen
informeren. Het overleg tussen de betrokken overheidspartners - Openbaar
Ministerie, Politie, gemeenten, Belastingdienst en de ministeries van
BZK en Financiën - en mijn ministerie hierover is in volle gang.
Vragen van het lid Oosten, F. van (VVD)
Vraag:
Zou het algemene politienummer niet gewoon gratis kunnen zijn en kan er
voor gezorgd worden dat iedereen direct wordt doorverbonden?
Antwoord:
Het 0900-8844 nummer is voor meldingen die niet spoedeisend zijn. Deze
worden behandeld in de Regionale Service Centra. Ook dit nummer moet zo
toegankelijk mogelijk zijn. Het gratis maken van dit nummer is echter
niet de goede weg. De ervaring leert dat een zekere kostendrempel nodig
is om misbruik tegen te gaan. De politie investeert in de kwaliteit van
de Regionale Service Centra. Er worden tijdelijk hoger opgeleiden op
HBO-niveau geworven die met competenties als mediawijsheid, ICT, en
sociale vaardigheden een kwalitatieve impuls geven aan het werk bij de
0900-8844 nummers.
Vragen van het lid Oosten, F. van (VVD)
Vraag:
Kan de minister ervoor zorgen dat het plan van een landelijke
registratie van door burgemeesters ingetrokken vergunningen snel
opgepakt wordt?
Antwoord:
Er vindt op dit moment inderdaad geen landelijke registratie van door
burgemeesters ingetrokken vergunningen plaats. Wel dient de aanvrager
van een vergunning in het kader van het eigen Bibob-onderzoek van de
gemeente op het vragenformulier aan te geven of hem eerder een
vergunning geweigerd of ingetrokken is. Op dat moment zal de gemeente
eigenstandig onderzoek doen naar de reden waarom. In dat eigen onderzoek
wordt tevens naar strafrechtelijke antecedenten gekeken zoals die in het
Justitieel Documentatie Systeem (JDS) zijn aangetekend. Vergunningen
kunnen om tal van redenen worden ingetrokken. Dat kan zijn om het niet
nakomen van sluitingstijden of brandveiligheidsvoorschriften, maar ook
omdat de eigenaar een strafrechtelijk antecedent gekregen heeft. Daarbij
hanteren gemeenten verschillende vergunningvoorschriften. Intrekking van
een vergunning in de ene gemeente leidt dan ook niet altijd tot
intrekking elders. Om deze reden lijkt een landelijke registratie zoals
voorgesteld een zeer vergaand instrument. Ten aanzien van reeds
verleende vergunningen kan het Openbaar Ministerie gebruik maken van
haar tipfunctie in geval van nieuwe strafrechtelijke antecedenten.
Dergelijke tips kunnen voor gemeenten aanleiding zijn om een nieuw
Bibob-onderzoek te doen, waarop mogelijk intrekking van de betreffende
vergunning volgt.
Vragen van het lid Oosten, F. van (VVD)
Vraag:
In het regeerakkoord staat de ambitie om de digitale veiligheid te
vergroten, onder andere door meer rechercheurs aan te trekken. Hoe gaat
de minister deze doelstelling verwezenlijken? En hoe denkt de minister
het bedroevend lage oplossingspercentage en opsporingspercentage in
relatie tot cybercrimedelicten (6% resp. 8%) te verbeteren? Wat zijn
hierin zijn ambities?
Antwoord:
Met het regeerakkoord is er voor de politie in totaal 267 miljoen
vrijgemaakt om onder meer de digitale veiligheid te vergroten. In dat
kader versterkt de politie de digitale expertise. Daarvoor zullen ook
aanvullende IV-voorzieningen beschikbaar komen. Daarnaast wordt er
geïnvesteerd in de samenwerking met andere publieke en private partners,
in preventie en verstoring van criminele processen en in intelligence en
analyse om beter zicht te krijgen op criminele modi operandi.
Het oplossingspercentage wordt beïnvloed door het internationale
karakter van cybercrime en de uitdagingen bij de opsporing in cyberspace
zoals technologische mogelijkheden om criminele activiteiten te
verhullen. Naast opsporing en berechting wordt daarom vaak gekozen voor
het verstoren van criminele activiteiten en het helpen van slachtoffers
bij het beperken van de schade. Dat laat onverlet dat de opsporing en
vervolging van cybercriminelen moet worden verhoogd. Daar zijn ook
gelden voor vrijgemaakt in het regeerakkoord. Er wordt geïnvesteerd in
mensen, middelen en expertise. Tevens ligt het wetsvoorstel
Computercriminaliteit III in de Eerste Kamer op grond waarvan politie
en Openbaar Ministerie beter geëquipeerd worden voor opsporing en
vervolging in cyberspace.
Vragen van het lid Oosten, F. van (VVD)
Vraag:
Zou een pandeigenaar niet een signaal kunnen krijgen van de gemeente in
het geval foute huurders zich melden? Bijvoorbeeld in de vorm van een
stoplichtenmodel, waarbij groen betekent 'ga uw gang' en rood 'bezint
eer gij begint'. Wat voor nut hebben privacyregels als criminelen de
enige zijn die ervan profiteren?
Antwoord:
In het regeerakkoord is een "Ondermijningwet” aangekondigd. In dit kader
betrek ik alle door gemeenten, het Openbaar Ministerie en de
belastingdienst geconstateerde juridische knelpunten en ingebrachte
wensen met betrekking tot de wetgeving, waaronder ook de door
Regioburgemeesters aan mij aangeboden ‘proeve van wetgeving’. In
ditzelfde kader worden ook werkwijzes zoals het
zogenaamde stoplichtmodel momenteel door betrokken partijen op
juridische haalbaarheid en effectiviteit bezien.
Vragen van het lid Oosten, F. van (VVD)
Vraag:
Heeft de minister voldoende in beeld welke competenties nodig zijn voor
succesvolle cyberrechercheurs? Weet de minister op welke wijze hij
mensen met die competenties aan de politie kan binden?
Antwoord:
De politie heeft de benodigde competenties in beeld. Voor het behoud van
HBO-ers voor de politieorganisatie is het van belang dat zij zorgvuldig
begeleid worden en de ruimte en middelen krijgen die passen bij hun
professionele ambities. Verder beschikt de politie over een
arbeidsvoorwaardelijk beloningsinstrumentarium, waaronder bijvoorbeeld
de toelage werving en behoud. In de categorie non-profit is de politie
dit jaar voor de derde keer op rij verkozen tot populairste werkgever
onder Nederlandse hoogopgeleiden. De uitstroom van digitale experts is
in de periode eind november 2015 tot sept 2017 minder dan een procent
geweest.
Vragen van het lid Oosten, F. van (VVD)
Vraag:
Het Landelijk Bureau Bibob geeft bij vergunningsaanvragen met enige
regelmaat een 'geen-gevaar-advies', terwijl er wel degelijk iets aan de
hand lijkt te zijn. Het niet constateren van strafbare feiten is dus
onvoldoende. Het moet toch mogelijk worden dat een vergunningsaanvraag
als vreemd en verdacht wordt aangemerkt indien de aanvrager geen legale
financiering aantoont? Waarom moet bij grote sommen geld niet standaard
een verantwoording verschuldigd zijn om voor een verklaring van geen
bezwaar in aanmerking te kunnen komen?
Antwoord:
Artikel 3 van de Wet Bibob bepaalt dat bestuursorganen een vergunning
kunnen weigeren of intrekken als er een ernstig gevaar bestaat dat de
vergunning mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten
verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten
(de ‘A-grond’) of strafbare feiten te plegen (de ‘B-grond’). Uiteraard
doen gemeenten bij de aanvraag van een vergunning, en het Landelijk
Bureau Bibob bij het vervaardigen van het advies wel onderzoek naar de
herkomst van het geld. Indien er echter geen sprake is van
strafrechtelijke antecedenten bij de aanvrager van een vergunning of
zijn financiers kan het Landelijk Bureau Bibob inderdaad geen ernstig
gevaar vaststellen. Maar we zullen uw vraag meenemen in onze gesprekken
met de lokale partners.
Vragen van het lid Oosten, F. van (VVD)
Vraag:
Ik hoor graag hoe het staat met de lijst met salafistische organisaties
waar de VVD al enige tijd om vraagt. Ook wil ik weten hoe het staat met
de eventuele aanpassing van het verschoningsrecht voor imams. Hoe gaan
we voorkomen dat sommigen de juridische bescherming van een geestelijke,
in dit geval de imam, misbruiken?
Antwoord:
De motie Zijlstra/Roemer over het opstellen van een openbare lijst van
salafistische organisaties die in ons land actief zijn is reeds
afgedaan. Ik verwijs hierbij naar de bijlage bij de beleidsreactie DTN
45 (Kamerstukken II, 2016/2017, 29 754, nr. 423). Het kabinet heeft
invulling gegeven aan het verzoek via het onderzoek van het
Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) naar het
salafistische landschap in Nederland. Vorig jaar is bij de behandeling
van de begroting over 2017 een motie aangenomen om het verschoningsrecht
van imams te betrekken bij de modernisering van het Wetboek van
Strafvordering. Ook in de advisering bij de wetsvoorstellen over Boek 1
en 2 is hiervoor aandacht gevraagd door de adviesinstanties. Het
onderwerp komt dus zeker terug bij in de modernisering van het Wetboek
van Strafvordering.
Vragen van het lid Oosten, F. van (VVD)
Vraag:
Het moet mogelijk worden dat een rechter die bij een weigerachtige
verdachte niet meteen bij zijn vonnis kan vaststellen of iemand TBS
nodig heeft, daartoe alsnog in de gelegenheid wordt gesteld als hij dat
na twee jaar in detentie wel kan vaststellen. Pakt de minister de
handschoen op dit punt op en werkt hij deze voorzet verder uit?
Antwoord:
De heer Van Oosten en mw. Kuiken hebben de mogelijkheid bepleit om na
twee jaar detentie alsnog TBS op te leggen, wanneer dit tijdens het
strafproces niet mogelijk was omdat de verdachte weigerde mee te werken
aan een psychiatrisch onderzoek. Ik heb de daarop volgende discussie in
uw Kamer over weigerende observandi nauwlettend gevolgd, want de
problematiek rondom de weigerende observandi gaat ook mij aan het hart.
De schrijnende zaak van Anne Faber heeft opnieuw aangetoond hoe urgent
dit is. Het mag niet zo zijn dat een gevaarlijke stoornis onbehandeld
blijft omdat je niet meewerkt aan een pro-justitia rapportage. Mensen
kunnen niet worden gedwongen mee te werken aan hun eigen veroordeling.
Maar je kunt wel kijken of je de veroordeling minder afhankelijk kunt
maken van de medewerking van de verdachte. Daarom onderzoek ik op dit
moment in de volle breedte welke maatregelen aan een oplossing kunnen
bijdragen, naast de interventies die al zijn getroffen en worden
ingevoerd. Ik noem de regeling inzake de weigerende observandi, in het
wetsvoorstel Forensische Zorg, en de pilot die nu loopt in het Pieter
Baan Centrum om verdachten langer en anders te observeren. Dat zijn twee
nuttige reeds bestaande initiatieven. Ik wacht het precieze effect niet
af, want in mijn ogen is er meer nodig. Daarom kijk ik ook naar
maatregelen buiten de huidige wet- en regelgeving. Ook het
voorstel van de heer Van Oosten en mw. Kuiken zal ik beoordelen op
bruikbaarheid en uitvoerbaarheid. Ik zal hierop ingaan in de brief over
de weigeraars-problematiek, die ik uw Kamer voornemens ben te sturen in
de eerste maanden van 2018. De suggestie van mevrouw Van Toorenburg om
het tweefasen-proces, waarover mijn ambtsvoorganger overigens al
uitvoerig met de Kamer van gedachten heeft gewisseld, zal ik er ook in
betrekken.
Vragen van het lid Oosten, F. van (VVD)
Vraag:
Is de minister bereid om de verjaringstermijn voor de tenuitvoerlegging
van straffen te schrappen?
Antwoord:
Ernstige misdrijven, zoals moord, doodslag, verkrachting en ernstige
zedenmisdrijven gepleegd tegen minderjarigen verjaren nooit. Voor
overige misdrijven en overtredingen gelden wel
executieverjaringstermijnen. Ik vind het van belang dat mensen hun straf
of boete niet ontlopen. In de meeste gevallen vindt de tenuitvoerlegging
wel plaats binnen de verjaringstermijn. Wat ik wil voorkomen is dat een
straf of boete door verjaring wordt ontlopen. Ik ga dit onderzoeken en
informeer uw Kamer hierover.
Vragen van het lid Oosten, F. van (VVD)
Vraag:
De strafrechtelijke titel om de potentiële jihadist (die in vrijheid in
Nederland rondliep) op te pakken, zou ontbreken. Hoe kunnen we nu
niet-Nederlandse verdachten van terroristische misdrijven die zijn
gepleegd in het buitenland oppakken? Is onze wetgeving hier wel
voldoende op ingericht? Wordt het niet tijd om met een iets ruimere
strafrechtelijke blik naar dit soort types te kijken? Is het rondreizen
op een vals paspoort niet een juridische basis om hem op te pakken en
vast te zetten?
Antwoord:
In algemene zin merk ik op dat een verdachte van terroristische
misdrijven zoals deelneming aan een terroristische organisatie in Syrië,
in Nederland kan worden aangehouden en vervolgd, ongeacht zijn
nationaliteit. Zoals u begrijpt kan ik in het openbaar geen uitspraken
doen over individuele gevallen.
Vragen van het lid Oosten, F. van (VVD)
Vraag:
Het regeerakkoord stelt expliciet dat de regering zich inzet voor het
beter beschermen van de privacy tussen burgers onderling. Kan de
minister aangeven hoe hij deze passage wil gaan uitwerken?
Antwoord:
De Tweede Kamer zal in de eerste helft van 2018 worden geïnformeerd over
maatregelen waarmee het kabinet zich wil inzetten voor het beter
beschermen van de privacy tussen mensen onderling, rekening houdend met
de vele facetten die daaraan verbonden zijn. Het zal daarbij ook de
uitkomsten betrekken van de hoorzitting die de Tweede Kamer op 7
december 2017 over dit onderwerp zal houden.
Vragen van het lid Oosten, F. van (VVD)
Vraag:
Graag een reactie van de minister n.a.v. de uitzending van Nieuwsuur van
gisteravond waar door gevangenispersoneel in Vught de vrees werd
uitgesproken dat betrokkenen onvoldoende behandeld terug keren in de
samenleving.
Antwoord:
In de uitzending van Nieuwsuur werd aan de orde gesteld dat
gedetineerden niet altijd zijn uitbehandeld als hun detentie eindigt.
Het is juist dat de duur van een gevangenisstraf soms te kort is om de
behandeling af te ronden. Op het moment dat een straf eindigt en
tegelijkertijd blijkt dat de in detentie gestarte behandeling nog steeds
nodig is, dient deze te worden voortgezet binnen het civiele zorgkader.
Hier is en blijft nadrukkelijk aandacht voor. In eerste instantie wordt
ingezet op vrijwillige zorg. Als iemand nog een stoornis heeft als
gevolg waarvan hij een gevaar vormt, maar geen zorg wil, zal het
Openbaar Ministerie een verzoek bij de civiele rechter indienen tot een
gedwongen opname in een psychiatrisch ziekenhuis op basis van de
wet Bijzondere opneming in psychiatrische ziekenhuizen (BOPZ). In
(onverwachte) acute situaties kan de burgemeester een inbewaringstelling
afgeven. Momenteel speelt er een aantal ontwikkelingen om een ‘warmere’
overdracht tussen het strafrechtelijk kader en het civiele kader te
realiseren. Zo heeft het programma Continuïteit van zorg een paar
producten opgeleverd, zoals een handelingskader voor de professionals.
De ervaringen met deze producten en geformuleerde verbeteringen worden
gemonitord door mijn ministerie, het ministerie van VWS, maar ook door
partners zoals GGZ Nederland. Onder de Wet Forensische Zorg en de wet
Verplichte Geestelijke Gezondheidszorg kan ook de strafrechter een
civiele zorgmachtiging opleggen. Ook na een detentie. Deze
wetsvoorstellen worden in januari 2018 in de Senaat behandeld. Een
dergelijke machtiging kan in een tbs-kliniek ten uitvoer worden gelegd.
Daarnaast maakt de Wet Langdurig Toezicht het, na invoering, per 1
januari 2018 mogelijk dat de rechter plegers van zeden- en zware
geweldsdelicten kan veroordelen tot een gedragsbeïnvloedende,
vrijheidsbeperkende maatregel in combinatie met detentie of tbs. Die kan
aan het eind van de gevangenisstraf of TBS ten uitvoer worden gelegd en
worden verlengd totdat het risico op recidive voldoende is
teruggebracht. Binnen deze maatregel, of binnen een telkens te verlengen
v.i. (waarin de Wet Langdurig Toezicht ook voorziet), kan een
behandeling worden afgemaakt. Een behandeling kan dan als voorwaarde aan
gedetineerden worden opgelegd.
Vragen van het lid Oosten, F. van (VVD)
Vraag:
Waarom wordt er niet tot beslaglegging overgegaan als blijkt dat er nog
vermogen of eigendom (bijvoorbeeld een woning) bij een persoon
voorhanden is en deze persoon veroordeeld is tot een geldboete?
Antwoord:
Gedurende het innings- en incasso traject van een geldboete wordt beslag
gelegd wanneer vermogensbestanddelen worden aangetroffen. Wanneer het
Centraal Justitieel Incasso Bureau (CJIB) een zaak ter inning krijgt
aangeboden wordt de veroordeelde aangeschreven en waar nodig stuurt het
CJIB aanmaningen met wettelijke verhogingen. In sommige gevallen is in
het voortraject beslag gelegd en zal dit nog worden uitgewonnen wanneer
veroordeelde niet uit zich zelf betaalt. Wanneer een veroordeelde niet
binnen de gestelde termijn betaalt en ook geen beslag kon worden
uitgewonnen, gaat het CJIB onderzoeken of verhaal kan worden genomen.
Daartoe wordt de zaak ter incasso doorgestuurd naar de deurwaarder die
beslag legt op inkomen en vermogensbestanddelen. De deurwaarder kan
beslag leggen op een huis of ander onroerend goed in eigendom van
veroordeelde en dit vervolgens uitwinnen. De rechter stelt bij oplegging
van een geldboete ook altijd direct het aantal dagen vast waarmee een
geldboete in geval van niet betalen wordt vervangen met detentie. Mocht
de opgelegde boete niet volledig worden betaald, dan wordt de
vervangende hechtenis ten uitvoer gelegd.
Vragen van het lid Oosten, F. van (VVD)
Vraag:
Hoe gaat de minister borgen dat de koppeling wordt doorgevoerd tussen de
extra middelen die naar de Politie gaan en de voorwaarde dat de
flexibiliseringsagenda wordt doorgezet?
Antwoord:
De borging zit er in dat de volgende tranche van de € 267 miljoen
slechts tot besteding kan komen als er ook overeenstemming is bereikt
met onder andere de minister van Financiën, de politie, de
burgemeesters, het Openbaar Ministerie en de vakorganisaties over de
uitvoering van de flexibiliseringsagenda. Ik wil daarover in het
voorjaar van 2018 met betrokkenen afspraken maken.
Vragen van het lid Azmani, M. (VVD)
Vraag:
Op welke wijze is de staatssecretaris betrokken bij de keuzes die worden
gemaakt op het gebied van buitenlandse handel en
ontwikkelingssamenwerking en die van invloed zijn op het Nederlandse
migratiebeleid?
Antwoord:
Met de ministers van Buitenlandse Zaken en voor Buitenlandse Handel en
Ontwikkelingssamenwerking trek ik in het kabinet zeer nauw op vanwege de
overduidelijke link tussen de interne en externe dimensie van migratie.
Gezamenlijk zal ik met hen de ambities van het kabinet op het gebied van
migratie uitdragen in onze contacten met Europese en internationale
partners. Zonder verdere samenwerking binnen de EU en met landen van
herkomst en regio’s zijn maatregelen die wij in Nederland en de gehele
EU invoeren niet effectief.
Binnen het kabinet willen wij daarom komen tot een inventarisatie van
landen die in aanmerking komen voor intensieve migratiesamenwerking. In
dit kader zal bovendien het hele spectrum van onze bilaterale
betrekkingen betrokken worden. Bij deze inventarisatie wordt stil
gestaan bij alles relevante aspecten die de migratie-relatie tussen de
betreffende landen en Nederland, maar ook de Europese Unie, vormen.
Hierbij wordt niet alleen gekeken naar kwesties als opvang en
bescherming van vluchtelingen in de regio, de bestrijding van
irreguliere migratie en samenwerking op (gedwongen) terugkeer, maar ook
naar het belang van deze landen voor de Europese Unie als geheel. Ook
dienen er concrete samenwerkingsmogelijkheden met de overheid van deze
landen te zijn en wordt gekeken naar de kansen op het behalen van
concrete resultaten. Aan de hand van deze inventarisatie zullen wij
vervolgens een keuze maken. De Kamer wordt hierover nader
geïnformeerd.
Dit geldt niet alleen voor de samenwerking met landen van herkomst en
transit, maar ook de samenwerking met Europese partners op het gebied
van de herziening van het Gemeenschappelijke Europese Asielstelsel en
Schengen. Het is zaak dat het GEAS en de Europese agentschappen
toekomst- en vooral crisisbestendig worden. Daarbij is het van belang
dat asielprocedures en opvang in de EU verder worden geharmoniseerd.
Daar zal ik mij samen met mijn collega’s in dit kabinet voor in zetten
vanuit onze betrokkenheid in de verschillende Europese raden.
Vragen van het lid Azmani, M. (VVD)
Vraag:
Wat vindt de staatssecretaris van de begroting van de minister van
Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking?
Antwoord:
Het kabinet heeft in het regeerakkoord een ambitieuze agenda neergelegd
op het gebied van migratie. Deze zal ik samen met de ministers van
Buitenlandse Zaken en voor Buitenlandse Handel en
Ontwikkelingssamenwerking uitvoeren. Het kabinet kiest voor een
geïntegreerde aanpak, waarbij ook ontwikkelingssamenwerking wordt
ingezet door verder samen te werken in landen van herkomst en opvang om
de grondoorzaken voor migratie aan te pakken, irreguliere migratie te
bestrijden en de samenwerking op (gedwongen) terugkeer te verbeteren.
Daarbij wil Nederland zich specifiek inzetten voor het verbeteren van de
toegang tot onderwijs en werkgelegenheid. De keuzes van de minister voor
Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, in het bijzonder voor
de Nederlandse bijdragen aan Libanon, Jordanië en Irak, kan ik in dit
verband dan ook van harte ondersteunen.
Vragen van het lid Azmani, M. (VVD)
Vraag:
Hoe ziet de staatssecretaris de samenwerking op het gebied van migratie
met de minister van Buitenlandse Zaken en de minister voor Buitenlandse
Handel en Ontwikkelingssamenwerking? Welke rol ziet de staatssecretaris
voor zichzelf in deze internationale context? Welke ambities heeft
hij?
Antwoord:
Met de ministers van Buitenlandse Zaken en voor Buitenlandse Handel en
Ontwikkelingssamenwerking trek ik in het kabinet zeer nauw op vanwege de
overduidelijke link tussen de interne en externe dimensie van migratie.
Gezamenlijk zal ik met hen de ambities van het kabinet op het gebied van
migratie uitdragen in onze contacten met Europese en internationale
partners. Zonder verdere samenwerking binnen de EU en met landen van
herkomst en regio’s zijn maatregelen die wij in Nederland en de gehele
EU invoeren niet effectief.
Binnen het kabinet willen wij daarom komen tot een inventarisatie van
landen die in aanmerking komen voor intensieve migratiesamenwerking. In
dit kader zal bovendien het hele spectrum van onze bilaterale
betrekkingen betrokken worden. Bij deze inventarisatie wordt stil
gestaan bij alles relevante aspecten die de migratie-relatie tussen de
betreffende landen en Nederland, maar ook de Europese Unie, vormen.
Hierbij wordt niet alleen gekeken naar kwesties als opvang en
bescherming van vluchtelingen in de regio, de bestrijding van
irreguliere migratie en samenwerking op (gedwongen) terugkeer, maar ook
naar het belang van deze landen voor de Europese Unie als geheel. Ook
dienen er concrete samenwerkingsmogelijkheden met de overheid van deze
landen te zijn en wordt gekeken naar de kansen op het behalen van
concrete resultaten. Aan de hand van deze inventarisatie zullen wij
vervolgens een keuze maken. De Kamer wordt hierover nader
geïnformeerd.
Dit geldt niet alleen voor de samenwerking met landen van herkomst en
transit, maar ook de samenwerking met Europese partners op het gebied
van de herziening van het Gemeenschappelijke Europese Asielstelsel en
Schengen. Het is zaak dat het GEAS en de Europese agentschappen
toekomst- en vooral crisisbestendig worden. Daarbij is het van belang
dat asielprocedures en opvang in de EU verder worden geharmoniseerd.
Daar zal ik mij samen met mijn collega’s in dit kabinet voor in zetten
vanuit onze betrokkenheid in de verschillende Europese raden.
Vragen van het lid Azmani, M. (VVD)
Vraag:
Hoe wordt de integrale benadering van contra-terrorisme (CT) verder vorm
gegeven?
Antwoord:
Elke dag weer zetten onze diensten zich maximaal in voor de veiligheid
van ons land. Er is de laatste jaren hard gewerkt om het CT-beleid in
lijn te brengen met de huidige dreiging.
De komende jaren wordt de bestaande aanpak doorgezet en op een aantal
punten uitgebreid. Vorige week heb ik u de Integrale aanpak terrorisme
toegestuurd waarin de speerpunten in het CT-beleid worden toegelicht. De
aanpak concentreert zich op de volgende interventiegebieden:
1. Verwerven: Het tijdig zicht krijgen op en duiden van (potentiële)
dreigingen in of tegen Nederland en de Nederlandse belangen in het
buitenland;
2. Voorkomen: Het voorkomen en verstoren van extremisme en terrorisme
en het verijdelen van aanslagen;
3. Verdedigen: Het beschermen van personen, objecten en vitale
processen tegen extremistische en terroristische dreigingen, zowel
fysiek als digitaal;
4. Voorbereiden: Het optimaal voorbereid zijn op extremistisch en
terroristisch geweld en de gevolgen daarvan;
5. Vervolgen: Het door vervolging handhaven van de democratische
rechtsstaat tegen extremisme en terrorisme.
Ook deze kabinetsperiode worden alle mogelijkheden benut om extremisme
en terrorisme te bestrijden en nieuwe aanwas te voorkomen. De aanpak van
terrorisme bestrijkt een breed gebied. Van preventie tot repressie, van
lokaal tot internationaal. Het kabinet heeft structureel 13 miljoen
extra gereserveerd voor de strijd tegen terrorisme. Dit geld zal onder
meer worden ingezet voor de versterking van de online aanpak van
extremisme en voor investeringen in deradicalisering. Ook de bestrijding
van de financiering van terrorisme en internationale samenwerking worden
verder versterkt.
Vragen van het lid Azmani, M. (VVD)
Vraag:
Wat gaat de staatssecretaris doen om het misbruik van kinderen in
migratiestromen aan te pakken? Is hij bereid een aanjagende rol in
Europa te spelen?
Antwoord:
Nederland heeft nadrukkelijk oog voor de positie van kwetsbare
groepen waaronder kinderen binnen migratiestromen. Misbruik van kinderen
moet op alle mogelijke wijzen tegen worden gegaan. In dit kader pakt
Nederland mensenhandel en (seksuele) uitbuiting van kinderen onder meer
aan binnen het samenwerkingsverband European Multidisciplinary Platform
Against Criminal Threats (EMPACT). De belangen van migrerende kinderen
hebben ook de bijzondere aandacht van de Europese Unie. Dit komt
duidelijk naar voren in de in april van dit jaar door de Europese
Commissie uitgebrachte Mededeling over de bescherming van kinderen in
migratie. Net als het vorige kabinet onderschrijf ik deze Mededeling.
Daarnaast is de bescherming van kinderen, gelet op hun kwetsbare
positie, een prominent thema in de herziening van het gemeenschappelijk
Europees asielstelsel, waarover de lidstaten momenteel onderhandelingen
voeren.
Vragen van het lid Azmani, M. (VVD)
Vraag:
Deelt de staatssecretaris de verwachting dat mensen weer kunnen
terugkeren naar Syrië? Bereidt de staatssecretaris zich hierop voor?
Wordt hier in EU verband over gesproken? Worden daar ook voorbereidingen
getroffen?
Antwoord:
Uitgangspunt is dat mensen teruggaan zodra hun land veilig is. In de
afgelopen periode zijn er meermaals berichten verschenen over Syriërs
die weer terugkeren naar huis. Ik begrijp dat dit de vraag kan oproepen
of het nog in alle gevallen nodig is om asielbescherming aan Syriërs te
geven. Ik denk dat we voorzichtig moeten zijn bij het trekken van
conclusies uit die terugkeer. Ten eerste gaat het in verreweg de meeste
gevallen om terugkeer van Syriërs die Syrië nooit hebben verlaten. Het
is dan dus terugkeer naar huis van personen die tijdelijk elders in
Syrië hebben verbleven. Voor een veel kleiner deel betreft het Syriërs
uit de buurlanden en dan in het bijzonder Libanon. Of die terugkeer
altijd volledig vrijwillig is en in hoeverre dit komt door de situatie
in Libanon is lastig te bepalen. Dat alles is reden voor
voorzichtigheid. Men zou net zo zeer betekenis kunnen hechten aan het
feit dat het grootste deel van de Syriërs in die buurlanden er niet voor
kiest terug te keren, terwijl voor veel van hen de situatie in die
buurlanden niet ideaal is. Of de veiligheidssituatie in Syrië zodanig is
verbeterd dat ons asielbeleid op onderdelen kan worden aangepast wil ik
echt baseren op de feiten over die situatie. Daarom heeft mijn
ministerie aan het ministerie van Buitenlandse Zaken gevraagd daarover
een ambtsbericht op te stellen. Dit zal opgeleverd worden in de zomer
van 2018. Op dit moment is dit overigens binnen EU-verband nog geen
onderwerp van gesprek. Als het uit te komen ambtsbericht daar aanleiding
voor geeft, zal ik het initiatief daartoe zeker nemen. Op dat moment zal
ook duidelijk worden of het opportuun is concrete
voorbereidingsmaatregelen te treffen.
Vragen van het lid Azmani, M. (VVD)
Vraag:
Zou bij de aanvraag van een vergunning voor onbepaalde tijd niet moeten
worden gekeken naar eventuele 1F signalen die op dat moment voorhanden
zijn?
Antwoord:
Het kan voorkomen dat pas na inwilliging van een asielaanvraag
(individuele) informatie beschikbaar komt over de mogelijke
betrokkenheid van een vreemdeling bij misdrijven als bedoeld in artikel
1F. Indien er indicaties rijzen dat er sprake is van 1F-aspecten en uit
nader onderzoek blijkt dat 1F tegengeworpen kan worden dan kan worden
overgegaan tot het intrekken van de verleende verblijfsvergunning. Dit
kan op elk moment plaatsvinden, ook bij het omzetten van een vergunning
naar onbepaalde tijd.
Vragen van het lid Azmani, M. (VVD)
Vraag:
Hoe gaat de staatssecretaris de kennisopbouw in de vreemdelingenketen
vergroten als het gaat om potentiele oorlogsmisdadigers in de
asielinstroom?
Antwoord:
Door Unit 1F van de IND wordt veel aandacht besteed aan het behouden en
versterken van de informatiepositie, onder andere door het uitwisselen
van informatie over conflictregio’s met andere lidstaten en nationale
ketenpartners zoals de politie. Hierdoor is Unit 1F in staat om de op de
conflictregio’s toegespitste 1F-indicatoren en andere producten steeds
te actualiseren. Hierdoor worden de hoor- en beslismedewerkers en de
medewerkers die belast zijn met screening in staat gesteld om potentiële
1F’ers in de instroom van asielzoekers te onderkennen. Het doel hiervan
is om te voorkomen dat personen die zich buiten Nederland schuldig
hebben gemaakt aan ernstige misdrijven rechtmatig verblijf krijgen in
Nederland.
Naast voormelde werkzaamheden investeert Unit 1F in het vergroten van de
alertheid van medewerkers op het herkennen van signalen die wijzen op
internationale misdrijven. Gespecialiseerde medewerkers van Unit 1F
bezoeken jaarlijks de verschillende IND-locaties om daar voorlichting te
geven en bestaande meldstructuren onder de aandacht te brengen.
Daarnaast is ‘1F’ vast onderdeel in het curriculum van nieuwe hoor- en
beslismedewerkers. Ook geeft de Unit 1F op verzoek voorlichting bij
COA.
Vragen van het lid Azmani, M. (VVD)
Vraag:
Er is sprake van een toename van zogeheten Dublinzaken. Wanneer kan de
Kamer voorstellen tegemoet zien over de toezegging om extra capaciteit
bij DT&V in te zetten om meer uitgeprocedeerde asielzoekers te laten
vertrekken? Is de staatssecretaris bereid om de operationele
samenwerking ook op Europees niveau te stimuleren?
Antwoord:
Sinds 2015 is er een stijging te zien in het aantal Dublinzaken. In het
Regeerakkoord is opgenomen dat de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V)
extra capaciteit krijgt met als doel een hoger aandeel aantoonbaar
vertrek te realiseren. Momenteel wordt bezien wat dit voor de uitvoering
betekent en waar de extra capaciteit het best benut kan worden. Ik
verwacht hier halverwege 2018 meer over te kunnen zeggen. Nederland
speelt reeds een actieve rol in het stimuleren van terugkeersamenwerking
op Europees niveau en is voorstander van een verdere uitbreiding van
operationele coordinatie en terugkeertaken door de Europese Grens- en
Kustwacht Agentschap (voorheen Frontex). Deze inzet zal onverminderd
worden voortgezet.
Vragen van het lid Azmani, M. (VVD)
Vraag:
Hoe gaat de staatssecretaris de integrale benadering van vraagstukken
rond contraterrorisme in relatie tot de asielinstroom verder
vormgeven?
Antwoord:
Er zijn de afgelopen jaren de nodige maatregelen genomen om alle
asielzoekers die binnenkomen, of dit nou spontane aanmeldingen zijn of
georganiseerde overkomsten via herplaatsing, hervestiging of nareis,
goed te controleren. De migratieketen heeft geïnvesteerd in betere
informatie-uitwisseling en –duiding, screening en kennisopbouw bij
personeel.
Medewerkers in de migratieketen zijn steeds alert op relevante signalen.
Als er aanwijzingen zijn dat een asielzoeker bijvoorbeeld mogelijk een
gevaar is voor de nationale veiligheid, dan wordt dit via de hiervoor in
het leven geroepen meldstructuur doorgegeven aan de inlichtingen- en
veiligheidsdiensten. In frequent overleg tussen relevante partners,
waaronder de Nationale Politie, de Koninklijke Marechaussee (Kmar) en de
Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), wordt op basis van zachte
signalen een multidisciplinair beeld gecreëerd van personen die mogelijk
radicaliseren of geradicaliseerd zijn. Op basis van dit beeld handelen
de betrokken organisaties vanuit hun eigen verantwoordelijkheid. De
complexiteit en veranderlijkheid van de jihadistische dreiging vraagt om
voortdurende ontwikkeling van kennis en kunde van betrokken partners en
eerstelijnsprofessionals. Professionals volgen daartoe trainingen van
het Rijksopleidingsinstituut tegengaan Radicalisering (ROR). Het is van
belang te benadrukken dat garanties, dat iedere migrant met slechte
bedoelingen wordt gesignaleerd, niet kunnen worden gegeven. De aanpak en
gerelateerde processen worden echter continue gemonitord en waar nodig
aangepast in nauwe samenwerking met de veiligheids- en
opsporingsdiensten, en nieuwe ontwikkelingen en inzichten worden
structureel bezien.
Vragen van het lid Azmani, M. (VVD)
Vraag:
Is de staatssecretaris bereid om Syrische zaken, die eerder zijn
ingewilligd op basis van verouderde kennis, opnieuw te beoordelen op
basis van de meest actuele kennis over de situatie in het IS-gebied en
potentiële strijders?
Antwoord:
De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) zet zich in om potentiele 1F
indicaties tijdig te kunnen onderkennen en vreemdelingen een
verblijfsvergunning te onthouden indien er gegronde redenen bestaan dat
de vreemdeling betrokken is geweest bij gedragingen die vallen onder
artikel 1F Vluchtelingenverdrag. De IND screent op basis van de
informatie uit het identificatie en registratieproces, het
aanmeldformulier, het aanmeldgehoor en eventuele informatie van derden
en informatie die voort kan komen uit een naslag in sociale media - die
indien daartoe aanleiding is – worden nageslagen. Deze informatie wordt
in samenhang bezien waarbij specifieke aandacht bestaat voor signalen
die kunnen wijzen op nationale veiligheid, (identiteits-,
nationaliteits- of visum-) fraude, op mensensmokkel- en handel en
oorlogsmisdrijven. Naast de screening die door de IND bij de beoordeling
van de verblijfsaanvraag wordt gedaan, kunnen er tijdens de
asielprocedure of na vergunningverlening signalen bij de IND binnenkomen
waaruit 1F-indicaties naar voren komen. Te denken valt aan meldingen
vanuit de vreemdelingenketen of andere overheidsinstanties, of klik- of
tipbrieven van burgers, slachtoffers/ getuigen van 1F-misdrijven. Het
kan dan ook voorkomen dat pas op een later moment individuele informatie
beschikbaar wordt waardoor alsnog 1F tegengeworpen wordt aan een
vreemdeling die beschikt over een verblijfsvergunning. Indien indicaties
rijzen dat sprake is van 1F-aspecten en uit nader onderzoek blijkt dat
1F tegengeworpen had moeten worden dan kan worden overgegaan tot het
intrekken van de verblijfsvergunning. De IND maakt gebruik van eigen
verklaringen van de betrokken vreemdeling of openbare bronnen zoals
documentatie van mensenrechtenorganisaties, ambtsberichten van het
ministerie van Buitenlandse Zaken en informatie van het Team
Internationale Misdrijven. Soms wordt er gebruikt gemaakt van
individuele ambtsberichten, echter in conflictlanden is het zeer
moeilijk of onmogelijk om (individueel) nader onderzoek te laten
verrichten door het ministerie van Buitenlandse Zaken. In de loop der
jaren is er meer bekend geworden over het conflict in Syrië door zowel
openbare bronnen, als bijvoorbeeld een nauwere samenwerking met het Team
Internationale Misdrijven. In het regeerakkoord staat dat de Unit 1F
wordt verstrekt om potentiële oorlogsmisdadigers in de asielstroom te
signaleren, immers oorlogsmisdadigers moeten geen gebruik kunnen maken
van bescherming die bedoeld is voor slachtoffers. De suggestie van de
heer Azmani om Syrische zaken opnieuw te beoordelen vind ik zinvol. Ik
zal de IND vragen dit op te pakken. Ik hoop dat u mij de ruimte laat om
een passende invulling te kiezen. Van de resultaten zal ik uw Kamer
uiteraard op de hoogte brengen.
Vragen van het lid Azmani, M. (VVD)
Vraag:
Wat zijn de ambities van de staatssecretaris op het reguliere
economische migratiebeleid? Het gaat dan om een hybride economisch
migratiemodel, zowel vraag als aanbod met puntentoekenning, om
circulaire migratie te stimuleren en waarbij rekening wordt gehouden met
integratieaspecten.
Antwoord:
Het regeerakkoord zet in op een legaal migratiebeleid dat naar rato van
de behoefte van de arbeidsmarkt positief is. Nederland kent al
aantrekkelijke en zeer toegankelijke vraaggestuurde verblijfsregelingen
voor kennismigranten. Deze regelingen stellen in Nederland gevestigde
bedrijven die door de IND zijn erkend als referent in staat om eenvoudig
kennismigranten aan te nemen. Naast deze regeling voor kennismigranten
bestaan er twee verblijfsregelingen voor ondernemers en in het bijzonder
startup founders. Daarnaast heeft Nederland ook aanbodgestuurde
regelingen, zoals het ‘Zoekjaar’ voor hoogopgeleiden. Deze recent
afgestudeerden kunnen een verblijfsvergunning van 1 jaar krijgen om te
zoeken naar een baan als kennismigrant. Deze migranten komen in beginsel
voor een tijdelijke periode naar Nederland en kennen daarom een andere
integratiebehoefte dan migranten die voor langere tijd naar Nederland
komen. De komende periode gaat het kabinet bezien waar de behoefte van
de arbeidsmarkt precies zit. Dit kan leiden tot het verder aanpassen van
bestaande regelingen, maar ook tot het eventueel opzetten van nieuwe
toelatingsregelingen. Ook wil het kabinet komend jaar bezien of er
barrières weggenomen kunnen worden om kennismigranten aan te
nemen, vooral voor kleinere bedrijven. Voor internationaal talent zijn
bovendien motieven zoals carrièrekansen, een fijn leefklimaat, de
aanwezigheid van kennisinstellingen, een goed startup-ecosysteem of een
gunstig belastingklimaat doorslaggevend om te migreren. Door in te
zetten op een goed vestigingsklimaat bevordert het kabinet de
aantrekkelijkheid van Nederland.
Vragen van het lid Azmani, M. (VVD)
Vraag:
Is de staatssecretaris van mening dat de extra capaciteit van de 1F-unit
(die opgenomen is in het regeerakkoord) ook moet worden ingezet voor een
constante monitoring van vergunningsaanvragen?
Antwoord:
Hiertoe verwijs ik graag naar de beantwoording hiervoor bij de vraag van
het lid Azmani over herbeoordeling in het kader van 1F bij Syrische
zaken.
Vragen van het lid Azmani, M. (VVD)
Vraag:
Is het mogelijk om na drie jaar een tussentijdse toets te hanteren om te
bezien of iemand nog aan de voorwaarden van een asielvergunning voldoet
in plaats van een eerste formele toetsmoment na vijf jaar?
Antwoord:
In het regeerakkoord is overeengekomen dat een asielvergunning in eerste
instantie voor drie jaar wordt verleend en niet langer voor vijf jaar.
Ik ga de komende tijd bekijken hoe ik dit punt uit het Regeerakkoord
vorm geef. Nu is het al zo dat er de mogelijkheid is om tussentijds
asielvergunningen in te trekken als daartoe aanleiding bestaat. Op dit
moment kan dit aan de orde zijn na een (landgebonden) beleidswijziging
of als er concrete signalen in individuele dossiers zijn van
bijvoorbeeld het hebben verstrekt van onjuiste gegevens.
Vragen van het lid Verhoeven, K. (D66)
Vraag:
Wil de minister van Justitie en Veiligheid, als coördinerend minister
voor cybersecurity, met de ministers van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschap en Economische Zaken en Klimaat op korte termijn in overleg
treden om te kijken op welke wijze wij in ons land kennis, kunde en geld
op het gebied van cybersecurity zo goed mogelijk kunnen bundelen en zo
een onacceptabele 'braindrain' kunnen voorkomen?
Antwoord:
Ja, ik zal in overleg treden met de collega’s van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschap (OCW) en Economische Zaken en Klimaat (EZK) aangezien ik het
verbinden van kennis op het gebied van cybersecurity toejuich. Daartoe
spant mijn ministerie zich reeds enige jaren in door te investeren in
dcypher als platform om vraag en aanbod op het gebied van onderzoek en
onderwijs naar cybersecurity aan elkaar te koppelen. Deze casuïstiek is
ons dan ook reeds bekend naar aanleiding van de brief “Behoud en
Versterking Nederlandse Cybersecurity Capaciteit” van de Vereniging van
Samenwerkende Nederlandse Universiteiten (VSNU). Zoals bekend zijn er
door de fractie van de VVD d.d. 23 november reeds schriftelijke vragen
gesteld over dit onderwerp aan de ministers van EZK en OCW. Het lijkt
mij gegeven het belang van het onderwerp zaak om er in de beantwoording
op deze vragen vanuit het kabinet op terug te komen.
Vragen van het lid Verhoeven, K. (D66)
Vraag:
Kan de minister toelichten hoe hij de extra middelen voor
terreurbestrijding gaat inzetten en wat nu zijn beleid wordt ten aanzien
van terugkeerders? Is de minister het eens dat terugkeerders opgespoord
en berecht dienen te worden voor de terreurdaden die zij hebben
begaan?
Antwoord:
De afgelopen jaren is, gezien de hoge dreiging, veel inspanning geleverd
om de aanpak van terrorisme op orde te brengen. Hierbij is in eerste
instantie vooral de meest urgente, harde kant stevig versterkt.
Vroegtijdig onderkennen en tegengaan van nieuwe radicalisering én
deradicalisering en re-integratie zijn echter ook belangrijk om de
dreiging op langere termijn het hoofd te bieden. Met de territoriale
instorting van het ‘kalifaat’ ontstaat bovendien een momentum, dat
aangegrepen moet worden om met meer kans op succes inzet te plegen op
preventie door het voorkomen of afstoppen van radicaliseringsprocessen
en het tegengaan van de verspreiding van (nieuwe) radicale narratieven.
De extra middelen die het kabinet heeft gereserveerd voor
contraterrorisme, 13 miljoen euro, zullen worden ingezet voor een
intensivering van een aantal speerpunten die deel uitmaken van de
aanpak. Deze gelden wil het kabinet vooral gebruiken om de aanpak verder
te versterken langs een vijftal lijnen:
Vroegtijdige onderkenning van dreiging door intensivering van inlichtingenonderzoek naar radicalisering en salafisme, in het kader van contraterrorisme;
Borging aanpak van financiering van extremisme en terrorisme;
Versterking van digitale weerbaarheid en aanpak extremisme online;
Investeren in deradicalisering, re-integratie en strafrechtelijke aanpak;
Versterking internationale inzet.
Het beleid met betrekking tot terugkeerders houdt in dat alle
beschikbare middelen door de betrokken partners worden aangewend om de
risico’s die van terugkeerders uit kunnen gaan in te schatten en weg te
nemen. Terugkeerders zijn onder andere onderwerp van inlichtingenmatig
en/of strafrechtelijk onderzoek. Elke onderkende terugkeerder wordt bij
terugkeer voor verhoor aangehouden en het Openbaar Ministerie gaat, waar
opportuun, over tot strafvervolging. Politie en AIVD maken bij elke
onderkende terugkeerder een inschatting van de dreiging, houden hen waar
nodig scherp in beeld en zijn alert. Tevens worden terugkeerders
besproken in een multidisciplinair casusoverleg waar per casus de meest
effectieve interventiestrategie wordt bepaald; de persoonsgerichte
aanpak. Die interventiestrategie heeft als doel de dreiging die van een
persoon uit kan gaan te verminderen.
Ik ben het er mee eens dat terugkeerders opgespoord en berecht dienen te
worden. Voor mij staat centraal dat Nederlandse jihadisten in Nederland
worden vervolgd en berecht voor de terroristische misdrijven die zij
hebben begaan. Elke onderkende terugkeerder wordt bij terugkeer in
Nederland voor verhoor aangehouden en het Openbaar Ministerie gaat, waar
opportuun, over tot strafvervolging.
Vragen van het lid Verhoeven, K. (D66)
Vraag:
Is cyberveiligheid voor deze minister ook een topprioriteit? Is de
minister bereid een brief naar de Kamer te sturen met een duidelijke
visie op cybersecurity, waarin hij uiteenzet hoe en wanneer hij de
verschillende punten in het regeerakkoord gaat uitvoeren? En hoe ziet
minister zijn rol ten opzichte van zijn collega’s die ook met
cyberveiligheid aan de slag moeten?
Antwoord:
Ja, cybersecurity is een van mijn topprioriteiten. Daarom zal ik als
coördinerend bewindspersoon voor cybersecurity de totstandkoming van de
agenda op het gebied van cybersecurity uit het regeerakkoord ter hand
nemen, inclusief de in het regeerakkoord opgenomen ambities. Deze zal in
het voorjaar van 2018 aan de Kamer worden aangeboden. Uiteraard doe ik
dat in nauwe samenwerking met mijn collega’s (van onder meer BZK,
Defensie, EZK, BZ, IenW en OCW) aangezien cybersecurity een zaak van ons
allemaal is en inspanningen van al deze partijen vergt.
Vragen van het lid Verhoeven, K. (D66)
Vraag:
Hoe gaat de minister het extra budget voor de politie inzetten om te
komen tot voldoende agenten op alle niveaus?
Antwoord:
De nota van wijziging bevatte reeds de hoofdlijnen van verdeling. Ik ga
er echter graag aanvullend op in. Deze middelen betekenen een
kwantitatieve en kwalitatieve versterking van de politie. De € 100
miljoen is als volgt verdeeld:
Er wordt enerzijds geïnvesteerd in meer en hoger opgeleide agenten voor de wijk (300 fte, incl urgentiebudget € 36 miljoen ) Daartoe worden extra aspiranten opgeleid ten behoeve van de basispolitiezorg: het gaat dan om taken van wijkagent, noodhulp, dienstverlening tot opsporing. Het is aan het gezag om met de politiechef in de eenheid te bezien waar de versterking voor wordt ingezet.
Anderzijds wordt de opsporing versterkt (180 fte, € 29,1 miljoen ). Er komt extra recherchecapaciteit bij. Ook hier is het aan het gezag om te bepalen waar de extra capaciteit wordt ingezet.
Verder wordt de kwantiteit en kwaliteit van de digitale expertise van de politie vergroot, om cybercrime en digitale vormen van criminaliteit te kunnen aanpakken. De politie investeert in een goede regionale en landelijke informatiepositie. De eenheden worden gefaciliteerd met state of the art middelen (€ 30 miljoen), zodat zij (ook decentraal) onderzoeken kunnen uitvoeren.
Daarnaast wordt geïnvesteerd in extra politiecapaciteit voor internationale inzet incl het Team Internationale Misdrijven (€ 1 miljoen). Gezien de groei van georganiseerde transnationale criminaliteit, cybercrime, migratiegerelateerde criminaliteit en terrorisme is een sterkere focus op een internationale aanpak in met name bron- en transitlanden vereist. Deze internationale investering is van cruciaal belang om hier in Nederland de veiligheid te vergroten.
Ten slotte een intensviering voor de Politieacademie van € 2,2 miljoen en opleiden en zorg voor personeel (€ 1,6 miljoen)
Vragen van het lid Verhoeven, K. (D66)
Vraag:
De Autoriteit Persoonsgegevens (AP), de privacy toezichthouder, heeft
meer geld heeft om onze privacy te beschermen. Heeft de Autoriteit
Persoonsgegevens met dit extra geld voldoende budget om goede
voorlichtingen te geven én om mee te kunnen denken met ondernemers over
de nieuwe Europese privacy regels?
Antwoord:
Voor de uitbreiding van de taken van de Autoriteit Persoonsgegevens (AP)
als gevolg van de Algemene Verordening Gegevensbescherming wordt vanaf
2019 € 7 miljoen structureel aan het huidige budget van de AP
toegevoegd. Daarbij horen ook de taken van de AP op het terrein van
voorlichting en het meedenken met het bedrijfsleven. Aan de hand van de
realisatiecijfers van de AP zal worden gemonitord of het benodigde
bedrag lager of hoger uitvalt dan € 7 miljoen. Deze monitor wordt
momenteel in samenwerking met de Auditdienst Rijk (ADR) en in
samenspraak met de AP tot stand gebracht. Mocht er op basis van deze
monitoring verdere uitbreiding noodzakelijk blijken dan zal hierover het
gesprek met de AP worden gevoerd en maakt dit vervolgens deel uit van
het reguliere begrotingsproces conform de regels van budgetdiscipline.
Overigens bepaalt de Autoriteit Persoonsgegevens op grond van zijn
wettelijke onafhankelijkheid zelf hoe zij het toezicht op de verwerking
van persoonsgegevens inricht, behoudens rechterlijke uitspraken die in
concrete gevallen tot handhaving nopen
Vragen van het lid Verhoeven, K. (D66)
Vraag:
Is de minister bereid met zijn collega’s van EZK en OCW te kijken naar
de mogelijkheid van een cybersecurity instituut, dat zowel fundamenteel
als toegepast onderzoek combineert en zowel publieke als private
financiering aan kan trekken?
Antwoord:
Ja, zoals ook al aangegeven op de vragen van het lid van Oosten (VVD)
zal ik in overleg treden met de collega’s van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschap en Economische Zaken en Klimaat aangezien ik het verbinden
van kennis op het gebied van cybersecurity toejuich. Daartoe spant het
ministerie van Justitie en Veiligheid zich reeds enige jaren in door te
investeren in dcypher als platform om vraag en aanbod op het gebied van
onderzoek en onderwijs naar cybersecurity aan elkaar te koppelen. Deze
casuïstiek is ons dan ook reeds bekend naar aanleiding van de brief
“Behoud en Versterking Nederlandse Cybersecurity Capaciteit” van de
VSNU. Zoals bekend zijn er door de fractie van de VVD d.d. 23 november
reeds schriftelijke vragen gesteld over dit onderwerp aan de ministers
van EZK en OCW. Het lijkt mij gegeven het belang van het onderwerp zaak
om er in de beantwoording op deze vragen vanuit het kabinet op terug te
komen.
Vragen van het lid Verhoeven, K. (D66)
Vraag:
Is de minister bereid om van bestaande bevoegdheden die een inbreuk
maken op de privacy en niet worden gebruikt, of nauwelijks effect hebben
op de veiligheid te bekijken of ze ook kunnen worden teruggedraaid? Kan
de minister bekijken of er nog meer bevoegdheden zijn die op de plank
liggen zonder dat ze worden gebruikt?
Antwoord:
Op basis van een motie van het toenmalige Eerste-Kamerlid Franken uit
2011 dient nieuwe wetgeving met bevoegdheden die de privacy kunnen
beperken, te worden geëvalueerd (Kamerstukken I 2010–2011, 31 051, D).
Een onderzoek naar de effectiviteit van dergelijke bevoegdheden is dus
sinds dat jaar al gewoonte. Als bij een dergelijke evaluatie blijkt dat
de uitoefening van bevoegdheden in deze wetgeving niet het beoogde
effect heeft gehad, dient in dat kader ook te worden nagegaan waaraan
dat ligt. Dat hoeft niet per se in de bevoegdheden zelf te liggen. De
oorzaak kan ook zijn dat de wijze waarop de bevoegdheden worden
uitgeoefend, onvoldoende effectief is. In dat geval zou niet de
bevoegdheid moeten worden teruggedraaid, maar bezien moet worden hoe de
wijze van uitoefening kan worden verbeterd. Mocht bij de evaluatie
echter blijken dat de bevoegdheid niet wordt gebruikt, dan dient serieus
te worden overwogen om de bevoegdheid zelf terug te draaien. Als een
bevoegdheid die de privacy kan beperken niet wordt gebruikt, is dat
immers een indicatie dat niet wordt voldaan aan het
noodzakelijkheidsvereiste, zoals neergelegd in artikel 8 EVRM.
Vragen van het lid Groothuizen, M. (D66)
Vraag:
Wanneer komt de minister met voorstellen om experimenteerruimte voor het
rechtsstelsel mogelijk te maken?
Antwoord:
De rechtspraak heeft ruimte nodig om te kunnen innoveren. Bestaande
wetgeving staat daaraan soms in de weg. Daarom heeft de Raad voor de
rechtspraak gepleit voor de wettelijke mogelijkheid voor experimenten.
Mijn inzet is om de rechtspraak zo veel mogelijk ruimte te bieden die
met inachtneming van rechtstatelijke waarborgen, zoals rechtszekerheid
en rechtsbescherming, mogelijk is. Om meer zicht te krijgen op de
mogelijkheden in het licht van randvoorwaarden ben ik met de Rechtspraak
in gesprek over de manier waarop dit het beste kan worden gerealiseerd
en aan welke situaties kan worden gedacht. Ik streef ernaar begin 2018
een concept-wetsvoorstel gereed te hebben voor consultatie. Ondertussen
zullen we samen met de rechtspraak ook bezien hoe we binnen het huidige
wettelijke kader experimenten kunnen opzetten. De pilot spreekuurrechter
laat zien dat die mogelijkheden er ook nu al zijn.
Vragen van het lid Groothuizen, M. (D66)
Vraag:
Onderkent de minister het probleem dat met name bestuursorganen, dus de
overheid zelf, geschillen juridiseert en daarnaast weigert om andere
wegen zoals de spreekuurrechter te bewandelen? Zo ja, wat gaat de
minister hier aan doen?
Antwoord:
Het signaal dat bestuursorganen niet willen meewerken aan de
spreekuurrechter komt uit het artikel van rechter Ton Lennaerts in het
NJB van 13 november jl. Ik meen dat bestuursorganen zich moeten
inspannen om onnodige juridisering van conflicten, en daarmee een
onnodig beroep op de rechtspraak, te voorkomen. Deze insteek past in de
visie van de responsieve overheid, die inhoudt dat overheidsorganen
inzetten op een vroegtijdig en informeel contact met de burger, met als
doel een oplossing te vinden voor het probleem en onnodige juridisering
in bezwaar- en beroepsprocedures te voorkomen. Deze aanpak wordt door
het ministerie van BZK gestimuleerd en ondersteund in het programma
Passend Contact met de Overheid. Ook is er een Regieraad Responsieve
Overheid, onder leiding van regeringscommissaris Prof. Michiel
Scheltema, die zich inzet om de ontwikkeling van de benodigde kennis en
professionaliteit op dit punt te bevorderen en het belang van passend
contact en procedurele rechtvaardigheid in de contacten met
overheidsorganisaties uitdraagt.
Het niet willen deelnemen aan een laagdrempelige informele rechtsgang
als de spreekuurrechter past mijns inziens niet in deze visie op de
overheid. Ik zal dit daarom onder de aandacht brengen van de Regierraad
Responsieve Overheid. Verder ga ik, in het kader van de gezamenlijke
aanpak om te komen tot een voorstel voor herziening van het stelsel van
gesubsidieerde rechtsbijstand, nadrukkelijk kijken naar de rol van de
overheid zelf bij het ontstaan van geschillen.
Vragen van het lid Groothuizen, M. (D66)
Vraag:
Onderschrijft de minister de uitgangspunten van het stelsel van
gefinancierde rechtsbijstand: betaalbaarheid en toegankelijkheid?
Antwoord:
Ja, dat onderschrijf ik. Het stelsel voor gesubsidieerde rechtsbijstand
kan alleen de toegang tot het recht voor de burger waarborgen als
het betaalbaar en toegankelijk is. Ik wil daar nog aan toevoegen dat het
stelsel ook rechtsbijstand van voldoende kwaliteit voor de burger moet
bieden en duurzaam moet zijn om dat ook in de toekomst te kunnen
behouden.
Vragen van het lid Groothuizen, M. (D66)
Vraag:
Gaat de minister bij de hervorming van het stelsel van gefinancierde
rechtsbijstand de veranderingen en innovaties in de strafrechtketen
meenemen?
Antwoord:
Bij de door mij voorgestelde aanpak om te komen tot herziening van het
stelsel van rechtsbijstand worden veranderingen en innovaties in de
strafrechtketen waar mogelijk uiteraard betrokken. Dat geldt ook voor
innovaties op andere terreinen dan de strafrechtketen.
Vragen van het lid Groothuizen, M. (D66)
Vraag:
Hoe komt de minister van Justitie en Veiligheid, samen met zijn collega
minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, binnen zes maanden tot
een wetsvoorstel om experimenteel gereguleerde wietteelt mogelijk te
maken?
Antwoord:
In het regeerakkoord staat dat - zo mogelijk - binnen zes maanden met
wet- en regelgeving wordt gekomen ten behoeve van de experimenten
gesloten coffeeshopketen. De periode van zes maanden na het bekend
worden van het regeerakkoord is ambitieus. De minister voor Medische
Zorg en ik streven ernaar om de benodigde wet- en regelgeving zo spoedig
mogelijk aan uw Kamer aan te bieden.
Vragen van het lid Groothuizen, M. (D66)
Vraag:
Is er in het ondermijningsfonds ruimte voor de aanpak van het dumpen van
drugsafval? En zijn er andere manieren waarop dit fonds kan worden
ingezet?
Antwoord:
Zoals ik in mijn antwoord op de vraag van het lid Van Oosten reeds heb
aangegeven komt de € 100 miljoen uit het ondermijningsfonds ten bate van
de realisatie van de Toekomstagenda Ondermijning die door de
samenwerkende overheidspartners is opgesteld. Mijn ambtsvoorganger heeft
deze agenda afgelopen zomer aan uw Kamer aangeboden. Over de besteding
verwacht ik uw Kamer begin volgend jaar 2018 te kunnen informeren. Het
overleg tussen de betrokken overheidspartners - OM, Politie, gemeenten,
Belastingdienst en de ministeries van BZK en Financiën - en mijn
ministerie hierover is in volle gang. Op dit moment kan ik nog geen
uitspraken doen over de allocatie van deze middelen, omdat ik daarvoor
een zorgvuldig proces wil doorlopen met alle partijen die voor de
uitvoering van onze ambities en moeten zorgen en goed weten waar de
grootste behoeften voor investeringen liggen.
Ten aanzien van schade door dumpingen van drugsafval is reeds geld
beschikbaar. Er is een fonds ter cofinanciering van opruimkosten van
drugsafval. Dit is uitgewerkt in het convenant tussen het Ministerie van
Infrastructuur en Waterstaat en de provincies, dat is opgesteld na een
gewijzigd amendement van de leden Cegerek en Dijkstra in 2014 (Kamerstuk
34 000 XII, nr. 49). Met dit fonds worden de opruimkosten van drugsafval
deels gefinancierd met het doel om gedupeerde grondeigenaren en
gemeenten te helpen met het opruimen van gedumpt drugsafval. In antwoord
op vragen van leden Van Oosten en Dijkstra heeft uw kamer nadere
informatie ontvangen over de uitvoering van dit amendement (aanhangsel
handelingen II 2016/17, 2302). De middelen uit dit fonds worden
vooralsnog niet uitgeput.
Vragen van het lid Groothuizen, M. (D66)
Vraag:
Kan de staatssecretaris bekijken hoe de beoordeling van asielaanvragen
door vluchtelingen die moesten vluchten vanwege hun geaardheid of
religie verbeterd kan worden?
Antwoord:
De beoordeling van de geloofwaardigheid is lastig, dat geldt zeker voor
zaken waarin sprake is van een bekering, of voor zaken waarin de
vreemdeling stelt LHBT te zijn. De Immigratie- en Naturalisatiedienst
(IND) doet de beoordeling van de geloofwaardigheid zo zorgvuldig
mogelijk en zet daartoe diverse middelen in, zoals opleidingen voor
medewerkers en diverse werkinstructies. De IND neemt ook schriftelijke
verklaringen of adviezen van deskundigen of belangenorganisaties mee in
de besluitvorming en heeft regelmatig contact met belangenorganisaties.
Daarnaast is de actualiteit van het onderwerp aanleiding geweest om het
WODC te verzoeken om in 2018 een studie uit te voeren teneinde te komen
tot een overzicht van best practices op het gebied van
geloofwaardigheidsbeoordelingen. Wellicht komen daar nog voorbeelden uit
naar voren die ook voor de IND toepasbaar zijn. Bij het bezien van de
mogelijkheden tot verbetering kan ook expertise van belangenorganisaties
gebruikt worden.
Vragen van het lid Groothuizen, M. (D66)
Vraag:
Is de staatssecretaris bereid in Europa druk te zetten op een snel
functionerend gemeenschappelijk asielstelsel?
Antwoord:
In 2016 heeft de Europese Commissie een pakket aan voorstellen
uitgebracht dat moet leiden tot een hervorming van het
gemeenschappelijke Europees asielstelsel (GEAS). Hoofddoelen van die
hervorming zijn een verdere harmonisering van de asielprocedures en het
geboden beschermingsniveau in alle lidstaten, het inrichten van
efficiënte asielprocedures in de lidstaten die ook bij een toenemende
migratiedruk blijven functioneren, en het verhinderen van secundaire
migratiestromen (asielshoppen). Deze doelen onderschrijf ik ten volle,
en ik heb bij mijn eerste bezoek aan Brussel bij de Europese Commissie
meteen aangedrongen op een spoedige behandeling van de voorstellen.
Tegelijkertijd betreft het een complex geheel van regelgeving, moeten de
voorstellen wel een verbetering zijn ten opzichte van de al bestaande
EU-asielwetgeving, en vragen deze dus om een voortdurende kritische
beoordeling.
Vragen van het lid Groothuizen, M. (D66)
Vraag:
Wat is de inzet van het kabinet om de situatie in Lesbos te verbeteren
en de Europese hervestigingsafspraken volledig na te komen?
Antwoord:
Het primaire doel van de EU-Turkijeverklaring was om de onhoudbaar hoge
aantallen irreguliere migranten die de gevaarlijke oversteek via
Griekenland naar de Europese Unie maakten te verminderen, en daarmee
verdrinkingen in de Egeïsche Zee te voorkomen. In dat opzicht zijn zeer
significante resultaten behaald, waarover de Kamer met regelmaat in de
afgelopen periode is geïnformeerd. Griekenland is primair
verantwoordelijk voor de uitvoering van de asielregelgeving conform
Europese en internationale standaarden. Met name de
asielprocedure schiet tekort. Dit is een voortdurend punt van zorg. De
omstandigheden op de Griekse eilanden zijn zorgelijk, zeker met het oog
op de komende winter, en de asielprocedure is inefficiënt waardoor ook
de resultaten op terugkeer naar Turkije tekort schieten. De Commissie,
maar ook Nederland, spreken Griekenland hierop aan. Het is immers
Griekenland dat aan zet is. De instroom is nog steeds aanzienlijk minder
dan voor de EU-Turkije Verklaring, maar de afgelopen maanden is er wel
een licht stijgende trend te zien. Dit is deels te verklaren door het
seizoen, maar deels hebben de tekortschietende terugkeerresultaten en
de transfers naar het vasteland een mogelijke aanzuigende werking op
migranten en smokkelactiviteit. Blijvende aandacht is dan ook nodig voor
verbetering van het Griekse asielproces en van de opvangsituatie. De
Griekse autoriteiten worden daarbij ondersteund door de Europese
Commissie, de EU-agentschappen, lidstaten, United Nations High
Commissioner for Refugees (UNHCR) en niet-gouvernementele
organisaties.
Het is de taak van de Europese Commissie om de naleving van het
asielacquis te monitoren, inclusief de opvangomstandigheden. Zij brengt
in dat kader regelmatig aanbevelingen en voortgangsverslagen uit. De EU
heeft sinds 2014 vanuit het Asiel, Migratie en Integratiefonds (AMIF) en
het Fonds voor Interne Veiligheid (ISF) ruim € 880 miljoen aan hulpgeld
verstrekt. Sinds 2016 is hier € 450 miljoen vanuit het
Noodhulpinstrument van de Commissie bij gekomen. Aan de beschikbaarheid
van geld ligt het dan ook niet. Dit geld is benut voor het verbeteren
van de opvangomstandigheden en de asielprocedure, deels ook aan
grensbewaking. Ook bilateraal hebben lidstaten, waaronder Nederland,
bijgedragen. Nederland heeft in 2016 € 100.000 beschikbaar gesteld voor
verbetering van de opvangomstandigheden. Ook levert Nederland doorlopend
verschillende experts, zoals asiel- en terugkeerexperts op meerdere
eilanden en binnenkort ook een expert die Griekenland kan helpen bij het
aanvragen van financiering uit EU-fondsen voor het verbeteren van de
opvangomstandigheden in Griekenland.
Vragen van het lid Groothuizen, M. (D66)
Vraag:
Hoe gaat de staatssecretaris het slepen met statushouders en
asielzoekers en onnodige verhuizingen voorkomen?
Antwoord:
Allereerst vind ik het van belang aan te geven dat het Centraal Orgaan
opvang Asielzoekers (COA) zich inzet verhuisbewegingen onder
asielzoekers en vergunninghouders zoveel mogelijk te voorkomen.
Koppelingen aan gemeenten moeten verder leiden tot een beperking van
verhuizingen tussen COA locaties en bevorderening van vroege integratie
en participatie. Dit neemt niet weg dat onze huidige asielproces
zodanig is ingericht dat door fluctuaties in de asielinstroom
verhuizingen niet altijd kunnen worden voorkomen. In het regeerakkoord
wordt niet voor niets ingezet op een flexibeler asielsysteem. In het
licht hiervan heb ik opdracht gegeven om een breed programma ‘Flexibele
Asiel Keten’ te starten, waarvan het zoveel mogelijk voorkomen van
onnodige verhuisbewegingen onderdeel uitmaakt. In het kader van dit
programma wordt de komende tijd, in overleg met ketenpartners en andere
betrokkenen, een programmaplan uitgewerkt. Ik streef er naar om het
programmaplan in het voorjaar gereed te hebben. Daar waar korte
termijn maatregelen kunnen worden genomen zal ik dit uiteraard doen.
Vragen van het lid Groothuizen, M. (D66)
Vraag:
Hoe kijkt de staatssecretaris aan tegen de situatie in Afghanistan? Ziet
hij reden om daar anders mee om te gaan? Graag reactie op de zorg die
breed leeft ten aanzien van de situatie in Afghanistan.
Antwoord:
Bij brief van 23 februari 2017 van mijn voorganger is de Kamer
geïnformeerd over het landgebonden asielbeleid voor Afghanistan,
gebruikmakend van het ambtsbericht over Afghanistan van 15 november
2016. In deze brief is aangegeven dat er sprake is van een zorgelijke
situatie in Afghanistan. Er kan echter niet worden gesproken van een
dusdanig uitzonderlijke situatie dat heel, of delen van, Afghanistan
voor iedereen onveilig zijn, onafhankelijk van individuele achtergrond
of persoonlijk relaas. De zorgelijke veiligheidssituatie was echter wel
reden om een groot aantal groepen in het beleid als risicogroep en/of
kwetsbare minderheidsgroep aan te merken. Dit zijn de volgende
groepen:
Personen die actief zijn in de politiek, journalistiek of op het gebied van de mensenrechten, die werkzaam zijn voor non-gouvernementele organisaties of het justitieel apparaat;
Vrouwen werkzaam in de publieke arena (met name ngo’s, als journalist, bij ministeries, in het onderwijs, de gezondheidszorg en de rechterlijke macht);
Vreemdelingen die afkomstig zijn uit een leefgebied waar zij tot een (gemarginaliseerde) etnische minderheid behoren, die aldaar ernstige problemen ondervindt;
Vreemdelingen die afkomstig zijn uit een leefgebied waar zij tot een (gemarginaliseerde) religieuze minderheid behoren, die aldaar ernstige problemen ondervindt;
Niet-Moslims, vooral bekeerlingen (tot het Christendom bekeerden), afvalligen, Christenen, Bahai en Sikhs/Hindoes;
LHBT’s.
Ook personen buiten deze groepen kunnen in aanmerking komen voor
asiel indien de noodzaak voor bescherming blijkt uit het individuele
relaas.
Onlangs heeft Amnesty International een rapport uitgebracht over de
terugkeer naar Afghanistan. Hierin zijn verschillende verhalen
opgetekend van personen die vanuit diverse Europese landen (waaronder
Nederland) zijn teruggekeerd naar Afghanistan. Het rapport vormt voor
mij geen aanleiding om het beleid ten aanzien van Afghanistan aan te
passen omdat het niet leidt tot de conclusie dat het beeld geschetst in
het ambtsbericht van Buitenlandse Zaken niet langer correct is. Ook de
jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
of het Europese Hof voor de rechten van de Mensen geeft geen
aanleiding om het beleid onjuist of onzorgvuldig te achten. Dat er voor
Nederlandse ingezeten een negatief reisadvies is afgegeven doet hier
eveneens niet aan af. Een reisadvies van het ministerie van Buitenlandse
Zaken is een advies aan Nederlandse ingezetenen. Die kunnen in een ander
land in een andere situatie verkeren dan de eigen inwoners van dat land.
Dat ik aan mijn collega van Buitenlandse Zaken heb gevraagd in 2018 te
komen met een nieuw ambtsbericht over de veiligheidssituatie in
Afghanistan is dan ook niet omdat ik meen dat de Immigratie- en
Naturalisatiedienst (IND) op dit moment niet zorgvuldig kan beslissen.
Het betreft primair een periodiek verzoek om actualisering zoals dat
gebruikelijk is bij alle belangrijke asielherkomstlanden. Ik zie dan ook
geen reden een besluit- of vertrekmoratorium voor Afghaanse asielzoekers
in te stellen.
Vragen van het lid Groothuizen, M. (D66)
Vraag:
Het kabinet wil afspraken maken met derde landen over migratie. Deze
landen moeten materieel voldoen aan het Vluchtelingenverdrag en het
non-refoulement beginsel. Wat gaat de staatssecretaris in Europa doen om
deze afspraken te kunnen maken? Hoe gaat hij de Kamer informeren over de
gang van zaken als het gaat om deze afspraken?
Antwoord:
In het kader van de geïntegreerde benadering zet Nederland, samen met de
EU, in op brede partnerschappen waarin verschillende elementen uit het
Regeerakkoord, zoals opvang in veilige derde landen/regio’s, het
bestrijden van irreguliere migratie en het verbeteren van de medewerking
aan (gedwongen) terugkeer, in terugkomen. Daarbij onderstreept het
kabinet dat de samenwerking met deze landen plaatsvindt binnen bestaande
internationale kaders. Over de volledige inzet van de EU, inclusief het
externe deel, wordt uw Kamer zoals gebruikelijk geïnformeerd via o.a. de
geannoteerde agenda’s en verslagen van de JBZ-raden, maar ook die van de
Europese Raad, Raad Algemene Zaken en Raad Buitenlandse Zaken en
BNC-fiches n.a.v. mededelingen en nieuwe voorstellen van de Europese
Commissie.
Vragen van het lid Groothuizen, M. (D66)
Vraag:
Re-integratie en resocialisatie behoren tot de kern van het
rechtssysteem. Onlangs is er een rapport verschenen waarin wordt
voorgesteld om bij binnenkomst in de gevangenis de gedetineerden op een
vijftal punten te screenen. Is de minister bereid om deze aanbeveling
mee te nemen in de visie over resocialisatie?
Antwoord:
Het rapport waaraan wordt gerefereerd is het rapport ‘Van detineren
naar re-integreren’ van de Raad voor de Strafrechtstoepassing en
Jeugdbescherming (RSJ). Hierin wordt inderdaad de aanbeveling gedaan
gedetineerden bij binnenkomst te screenen op vijf leefgebieden: inkomen,
onderdak, schulden, zorg en identiteitswijs. In de beleidsreactie op dit
RSJ-rapport, die door de toenmalige minister van Veiligheid en Justitie
aan de Kamer is aangeboden, is al kort op deze aanbeveling ingegaan en
heb ik aangegeven dat momenteel wordt onderzocht wat de personele,
organisatorische en financiële consequenties zijn van een zo vroeg
mogelijke screening na binnenkomst in detentie. Ik ga in mijn visie op
het gevangeniswezen in op de screening van gedetineerden. Overigens
heeft uw Kamer in verband met het RSJ-rapport op 7 december een
rondetafelgesprek gepland en aangegeven dat erna een debat wordt
gepland. Dan kunnen we nader met elkaar van gedachten wisselen over de
screening van gedetineerden, omdat dit dan kan in de bredere context van
de re-integratie van gedetineerden.
Vragen van het lid Toorenburg, M.M. van (CDA)
Vraag:
Kan de regering kijken naar het twee-fasen model bij het vaststellen of
iemand TBS nodig heeft?
Antwoord:
De heer Van Oosten en mw. Kuiken hebben de mogelijkheid bepleit om na
twee jaar detentie alsnog TBS op te leggen, wanneer dit tijdens het
strafproces niet mogelijk was omdat de verdachte weigerde mee te werken
aan een psychiatrisch onderzoek. Ik heb de daarop volgende discussie in
uw Kamer over weigerende observandi nauwlettend gevolgd, want de
problematiek rondom de weigerende observandi gaat ook mij aan het hart.
De schrijnende zaak van Anne Faber heeft opnieuw aangetoond hoe urgent
dit is. Het mag niet zo zijn dat een gevaarlijke stoornis onbehandeld
blijft omdat je niet meewerkt aan een pro-justitia rapportage. Mensen
kunnen niet worden gedwongen mee te werken aan hun eigen veroordeling.
Maar je kunt wel kijken of je de veroordeling minder afhankelijk kunt
maken van de medewerking van de verdachte. Daarom onderzoek ik op dit
moment in de volle breedte welke maatregelen aan een oplossing kunnen
bijdragen, naast de interventies die al zijn getroffen en worden
ingevoerd. Ik noem de regeling inzake de weigerende observandi, in het
wetsvoorstel Forensische Zorg, en de pilot die nu loopt in het Pieter
Baan Centrum om verdachten langer en anders te observeren. Dat zijn twee
nuttige reeds bestaande initiatieven. Ik wacht het precieze effect niet
af, want in mijn ogen is er meer nodig. Daarom kijk ik ook naar
maatregelen buiten de huidige wet- en regelgeving. Ook het
voorstel van de heer Van Oosten en mw. Kuiken zal ik beoordelen op
bruikbaarheid en uitvoerbaarheid. Ik zal hierop ingaan in de brief over
de weigeraars-problematiek, die ik uw Kamer voornemens ben te sturen in
de eerste maanden van 2018. De suggestie van mevrouw Van Toorenburg om
het tweefasen-proces, waarover mijn ambtsvoorganger overigens al
uitvoerig met de Kamer van gedachten heeft gewisseld, zal ik er ook in
betrekken.
Vragen van het lid Toorenburg, M.M. van (CDA)
Vraag:
In het regeerakkoord wordt gesproken over een cybersecurity-agenda. Er
wordt op dit punt veel van de minister verwacht. Kan de minister
hierover nu al zijn licht laten schijnen? Wat is de reactie van de
minister op de oproep van de fractievoorzitter van het CDA om na te gaan
denken over een internetautoriteit?
Antwoord:
Jaarlijks stelt de NCTV het Cybersecuritybeeld Nederland op om zo de
ontwikkeling van de dreiging te volgen. De afgelopen jaren is de
dreiging toegenomen en ontwikkelt de weerbaarheid van Nederland zich
niet voldoende. Daarom bevat het regeerakkoord een noodzakelijke
intensivering op het gebied van cybersecurity en cybercrime. Een
belangrijk onderdeel hiervan is het opstellen van een ambitieuze agenda
op het gebied van cybersecurity. Deze zal vanuit de coördinerende
verantwoordelijkheid van JenV worden opgesteld, zodat naar verwachting
voorjaar 2018 een Nationale Cyber Security Agenda gepubliceerd kan
worden. Het is wat mij betreft zaak om dit vanuit de coördinerende rol
van JenV samen met betrokken vakdepartementen op te pakken aangezien
cybersecurity een zaak is die ons allemaal raakt.
Voor de versterking van de aanpak is uiteindelijk 95 miljoen euro
voorzien. Het gaat bijvoorbeeld om investeringen in de veiligheidsketen
(onder andere Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD)/
Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD) en het Nationaal
Cyber Security Strategie) (NCSC). Daarnaast zijn in aanvulling hierop
investeringen voor OM/Politie voorzien. Uiteraard wordt u hier middels
de ambitieuze agenda over geïnformeerd. Ondertussen wordt niet
stilgezeten en wordt nu reeds n.a.v. bijvoorbeeld de motie Hijink
(SP)/Tellegen (VVD) geld beschikbaar gemaakt zodat de minister van EZK
in 2018 een Digital Trust Centre (DTC) kan inrichten. Waar het NCSC zich
richt op de Rijksoverheid en de vitale infrastructuur, moet het DTC gaan
zorgen dat er samenwerkingsverbanden buiten de vitale infrastructuur
ontstaan en dat informatie van het NCSC naar deze doelgroep gebracht kan
worden. De wannacry en not-petya incidenten van dit jaar onderstrepen
het belang van deze verbreding. Ook de Cybersecuritywet ter
implementatie van de Netwerk en Informatiebeveiligingsrichtlijn zal zo
snel mogelijk aan uw Kamer worden aangeboden.
Naast de kwestie van cybersecurity bestaat er de kwestie van online
nepnieuws, en uw fractievoorzitter heeft de oproep gedaan om na te
denken over surveillance op het internet om heimelijke politieke
beïnvloeding uit het buitenland tegen te gaan. Ik deel de zorgen over
desinformatie. Verschillende departementen en diensten hebben bijzondere
aandacht voor mogelijk nepnieuws en staan in nauw contact om signalen
hierover te delen en daarop zo nodig te acteren. Deze vorm van alertheid
is zeker geboden, maar vooralsnog ziet het kabinet geen aanleiding
hiervoor een aparte organisatie in het leven te roepen. Vrijheid van
meningsuiting en privacy zijn uiteraard belangrijke waarden en vormen
randvoorwaarden bij het adresseren van problemen als
desinformatie.
Het kabinet zal op korte termijn in gesprek gaan met social media
platforms om te praten over heimelijke politieke beïnvloeding via hun
platforms.
Vragen van het lid Toorenburg, M.M. van (CDA)
Vraag:
Wanneer kan de Kamer het voorstel met betrekking tot de Ondermijningswet
tegemoet zien? Kan de minister de contouren hiervan al schetsen? Kan hij
toezeggen dat burgemeesters intensief betrokken zullen worden bij het
uitwerken van de wet?
Antwoord:
Er wordt momenteel hard aan wetsvoorstellen in het kader van de
Ondermijningswet gewerkt. Hierbij wordt goed gekeken naar knelpunten en
wensen die in de praktijk leven. Zoals ik het voor me zie zullen in het
kader van de versterking van de aanpak van ondermijning niet één, maar
meerdere wetsvoorstellen worden ingediend. Zo hoeven de onderdelen die
op kortere termijn kunnen worden geregeld niet te wachten op de
voorbereiding van wetswijzigingen die meer tijd vergen. De eerste
wetsvoorstellen zullen naar verwachting in 2018 bij uw Kamer worden
ingediend.
Ik zie de genoemde Ondermijningswet als een verzamelnaam voor meerdere
wetsvoorstellen, die gemeen hebben dat zij geheel of mede tot doel
hebben de aanpak van ondermijnende criminaliteit te versterken. Sommige
onderwerpen kunnen op relatief korte termijn worden geregeld,
bijvoorbeeld via reeds lopende wijzigingstrajecten. Ik denk daarbij
bijvoorbeeld aan de wijziging van de Opiumwet, die reeds bij uw Kamer is
ingediend en aan de wijziging van de Wet Bibob, waarvan de consultatie
naar verwachting volgend voorjaar zal starten. Andere knelpunten en
wensen vragen om nadere analyse en uitwerking. Ik streef naar een zo
snel mogelijke oplossing van de gesignaleerde knelpunten. Het
ingewikkeldste onderwerp hoeft op die manier niet het tempo van andere
onderwerpen te bepalen.
Bij de Ondermijningwet bezie ik alle door het lokaal bestuur, maar ook
door andere partners, geconstateerde juridische knelpunten en
ingebrachte wensen met betrekking tot de wetgeving. Dit kabinet zet zich
in voor versterking van de aanpak van ondermijnende criminaliteit, mede
in het kader van de integrale Toekomstagenda ondermijning. Deze is door
de betrokken overheidspartijen opgesteld. Deze agenda is door mijn
ambtsvoorganger afgelopen zomer aan uw Kamer verstuurd.
Vragen van het lid Toorenburg, M.M. van (CDA)
Vraag:
In het regeerakkoord is opgenomen dat de verbodsbepalingen van artikel
2:20 BW worden uitgebreid. Hoe gaat de minister invulling geven aan de
uitbreiding van artikel 2:20 BW?
Antwoord:
Het kabinet maakt werk van de aanpak van anti-democratische
organisaties. Artikel 2:20 van het Burgerlijk Wetboek betreft een verbod
van rechtspersonen wegens strijd met de openbare orde. Om
antidemocratische organisaties beter te kunnen aanpakken, zal dit
openbare orde-begrip concreter worden ingevuld in de wet. Als
duidelijker wordt dat bepaald gedrag strijdig is met de openbare orde,
vermindert dat discussies. In strijd met de openbare orde vind ik
bijvoorbeeld een extremistische organisatie die structureel aanzet tot
geweld of haatzaaien. Ik verwacht een voorontwerp in de eerste helft van
2018 in consultatie te brengen.
Vragen van het lid Toorenburg, M.M. van (CDA)
Vraag:
Kan het kabinet prioriteit geven aan wetgeving waarin opzettelijk
verblijf zonder toestemming in gebieden die door een terroristische
organisatie beheerst worden, strafbaar wordt? Daarbij hoort ook de
verlenging van de voorlopige hechtenis voor terugkeerders en de
uitbreiding van het DNA-onderzoek.
Antwoord:
In het regeerakkoord is aangekondigd dat het kabinet alsnog een
strafbaarstelling van het zonder toestemming verblijven in een door een
terroristische organisatie gecontroleerd gebied wil voorbereiden en in
procedure zal brengen. Ik zal in de nota naar aanleiding van het verslag
bij het wetsvoorstel versterking strafrechtelijke aanpak terrorisme
uitvoerig ingaan op de wijze waarop dit zal kunnen worden
bewerkstelligd. Ik verwacht de nota naar aanleiding van het verslag voor
het Kerstreces bij uw Kamer in te dienen.
Vragen van het lid Toorenburg, M.M. van (CDA)
Vraag:
Klopt de aanname dat het ondermijningsfonds bestaat uit een bedrag van
130 miljoen (100 + 30 miljoen)?
Antwoord:
Dat is niet correct: het ondermijningsfonds bestaat conform het
regeerakkoord uit een eenmalig bedrag van 100 miljoen. Ik ben in gesprek
met diverse partijen over de precieze vormgeving van dit fonds.
Daarnaast wordt gerefereerd aan de extra investering van 30 miljoen. in
het afpakken van crimineel vermogen, die door het kabinet Rutte II is
vrijgemaakt. Hiermee wordt het instrument van het afpakken versterkt
waarbij ook aandacht zal zijn voor de verbetering van de registratie van
opbrengsten bij het integraal afpakken. Deze investering zal ook
bijdragen aan de aanpak van georganiseerde, ondermijnende criminaliteit,
maar óók van andere criminaliteitsvormen. De versterking van de aanpak
van ondermijnende criminaliteit en de versterking van het afpakken van
crimineel vermogen hebben dus wel raakvlakken, maar zijn niet hetzelfde.
Daarom zal de 30 miljoen ook geen onderdeel uitmaken van het
ondermijningsfonds.
Vragen van het lid Toorenburg, M.M. van (CDA)
Vraag:
Graag opheldering van de minister over de IS-ganger in De Balie. Hoe kon
hij daar aanwezig zijn?
Antwoord:
Zoals u begrijpt kan ik in het openbaar geen uitspraken doen over
individuele gevallen. In algemene zin kan ik u melden dat personen die
een dreiging vormen voor de nationale veiligheid nauwlettend in de gaten
worden gehouden. Het Openbaar Ministerie, de politie en de diensten zijn
alert. Passend bij de dreiging worden altijd maatregelen genomen als
daar een juridische grondslag voor is. De inzet van de Algemene
Inlichtingen- en Veiligheiddienst valt onder de verantwoordelijkheid van
de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Ook zij kan –
zoals u weet – geen uitspraken doen over individuele gevallen. Wat
betreft de bijeenkomst in De Balie kan ik u melden dat de politie zoals
te doen gebruikelijk voorafgaand aan de bijeenkomst contact heeft gehad
met De Balie over de beveiliging. De politie heeft een inschatting
gemaakt conform de reguliere werkwijze. De politie heeft de
geüniformeerde dienst geïnformeerd en had een rechtstreekse lijn met De
Balie. De Balie heeft interne beveiligingsmaatregelen getroffen. Op de
betreffende avond heeft de Balie nadat de man vertrokken was, contact
opgenomen met de politie. De politie is hierop ter plaatse gekomen en
heeft gesproken met aanwezigen die de man zouden hebben herkend. Gezien
het vorenstaande concludeer ik dat de politie conform de reguliere
werkwijze heeft gehandeld.
Vragen van het lid Toorenburg, M.M. van (CDA)
Vraag:
Gaat de minister bij de voorstellen over de aanpassing van de regels
rond invrijheidstelling en detentiefasering ook werk maken van de
plannen om adolescenten in detentie werk en scholing aan te bieden
passend bij hun levensfase?
Antwoord:
Ja, dat gaan we doen. Daarbij verwijs ik ook naar de schriftelijke
antwoorden op de kamervragen over de JenV-begroting 2018 over het aanbod
aan adolescenten in de JJI’s. Justitiële Jeugdinrichtingen (JJI’s)
passen de basismethodiek aan voor adolescenten, bijvoorbeeld door een
ontwikkelingsprofiel ouderschap of werknemersvaardigheden op te stellen.
In het kader van de systeembenadering worden niet alleen standaard de
eigen ouders betrokken maar ook anderen uit het netwerk van de jongere,
bijvoorbeeld de eigen partner. De systeembenadering stelt dat een
persoon altijd deel uitmaakt van een groter geheel: zijn gezin, zijn
vriendengroep, zijn school, zijn werk etc. Tevens wordt bij elke
adolescent bekeken of passend onderwijs en werk kunnen worden
aangeboden. Dit is voor elk individu anders, dus dat vereist maatwerk.
In de praktijkzalen van de JJI’s oefent men werknemersvaardigheden, maar
kan men ook een MBO-diploma behalen op niveau 1, 2 of 3. De bij de
opleiding horende stage wordt ook zoveel mogelijk gevolgd. Deze
mogelijkheden hoeven niet altijd binnen de eigen muren beschikbaar te
zijn. Zo houden de JJI’s contacten met de ROC’s in de omgeving. Deze
contacten bevorderen de doorlopende leer- en ontwikkellijnen. In
meerdere JJI’s bestaat de mogelijkheid om certificaten en diploma’s te
behalen waarmee de kans op (betaald) werk groter wordt, bijvoorbeeld een
heftruckcertificaat of lasdiploma tot en met niveau 3. Bij één van de
JJI’s is een praktijkcentrum ingericht waar de jongvolwassenen een
vakopleiding in metaalbewerking, waaronder verschillende lasdiploma’s,
houtbewerking, bouw (metselen en stukadoren), groenvoorziening en
motorvoertuigentechniek kunnen volgen. Binnen het beleidstraject
Verkenning Invulling Vrijheidsbeneming Justitiële Jeugd (VIV JJ) wordt
eveneens gekeken waar deze oudere doelgroep in de toekomst het best
behandeld en begeleid kan worden.
Vragen van het lid Toorenburg, M.M. van (CDA)
Vraag:
Afgesproken is dat het kabinet onafhankelijk onderzoek laat doen of, en
zo ja, op welke wijze, het Vluchtelingenverdrag uit 1951 bij de tijd
moet worden gebracht om een duurzaam juridisch kader te kunnen bieden
voor het internationale asielbeleid van de toekomst. Kan de
staatssecretaris al iets vertellen over hoe hij met deze opdracht aan de
slag gaat?
Antwoord:
Het Vluchtelingenverdrag is het kader waar binnen we ons
vluchtelingenbeleid voeren. Dat blijft het ook. Het kabinet is dus niet
voornemens om het Vluchtelingenverdrag op te zeggen. Het kabinet
realiseert zich tegelijkertijd ook dat het verdrag nog uit halverwege de
vorige eeuw stamt (1951 en het protocol uit 1967). De wereld is
sindsdien veranderd. De vraag is dan ook gerechtvaardigd of het verdrag
en de hieruit voortvloeiende uitvoeringspraktijk nog voldoende is
toegespitst op de hedendaagse migratiestromen en de bijbehorende
beschermingsvraag. Dat vindt het kabinet het onderzoeken waard. Daarom
wil het kabinet een onafhankelijke partij het Vluchtelingenverdrag laten
doorlichten op toekomstbestendigheid. Dat is een proces dat het kabinet
zorgvuldig voorbereidt, en het kabinet zal de Kamer over relevante
ontwikkelingen informeren.
Vragen van het lid Toorenburg, M.M. van (CDA)
Vraag:
Hoe gaat de staatssecretaris werk maken van de ambities uit het
regeerakkoord die zien op de vreemdelingendetentie en aanpassing van
Europese regelgeving vergen?
Antwoord:
Vreemdelingenbewaring is in Europese regelingen op verschillende plekken
geregeld. Eén van de belangrijkste is de Europese terugkeerrichtlijn.
Door Nederland wordt al langere tijd bij de Europese Commissie, dat het
recht van initiatief heeft, aangedrongen op een herziening van deze
richtlijn. Het kabinet zal dit blijven doen in samenspraak met
gelijkgezinde lidstaten. Daarnaast is in de Opvangrichtlijn, en
misschien nog belangrijker, de Dublinverordening, de bewaring van
asielzoekers geregeld. Deze wetgeving maakt onderdeel uit van de huidige
herziening van het Gemeenschappelijk Europees Asielstelsel (GEAS
pakket). In dit kader wordt met name ingezet op het verruimen van de
detentiemogelijkheden van Dublinclaimanten teneinde secundaire migratie
te ontmoedigen. Kanttekening is uiteraard dat in Europa resultaten
moeten worden geboekt die afhangen van overeenstemming met andere landen
en het Europees Parlement. Ik kan dan ook niet vooruitlopen op de
uitkomsten van mijn inzet.
Vragen van het lid Toorenburg, M.M. van (CDA)
Vraag:
Albanezen veroorzaken dermate grote problemen dat een visumplicht voor
hen in de rede ligt. Kan de staatssecretaris zich hierover
uitspreken?
Antwoord:
Over dit punt zijn reeds Kamervragen gesteld en is verzocht om een brief
over de werking van de noodremprocedure. Uw Kamer zal hierover op korte
termijn worden geïnformeerd.
Vragen van het lid Toorenburg, M.M. van (CDA)
Vraag:
Hoe gaat de staatssecretaris invulling geven aan het voornemen om iets
te doen aan het ongewenst stapelen van aanvragen voor asielvergunningen
en het verkorten van doorlooptijden?
Antwoord:
In het regeerakkoord wordt ingezet op meerdere maatregelen die met
elkaar in verband staan, waaronder het ongewenst stapelen van aanvragen
voor asielvergunningen en het verkorten van doorlooptijden. Ik ben mij
nu aan het oriënteren op hoe deze in samenhang kunnen worden
vormgegeven. Ik heb opdracht gegeven om een breed programma ‘Flexibele
Asiel Keten' te starten, waarvan dit onderdeel uitmaakt. In het kader
van dit programma wordt de komende tijd, in overleg met ketenpartners en
andere betrokkenen, een programmaplan uitgewerkt. Hierin wordt ook
opgenomen voor welke jjmaatregelen een wetswijziging nodig is. Ik streef
er naar om het programmaplan in het voorjaar gereed te hebben. Daar waar
korte termijn maatregelen kunnen worden genomen zal ik dit uiteraard
doen.
Vragen van het lid Toorenburg, M.M. van (CDA)
Vraag:
Is de minister bekend met criminele loan-back en crowdfunding praktijken
in Nederland? Is hij bereid hier onderzoek naar te doen om te bezien hoe
hiertegen effectief kan worden opgetreden?
Antwoord:
Dit probleem is bekend en wordt serieus genomen. In het Nationaal
dreigingsbeeld georganiseerde criminaliteit 2017 – 2021, dat in opdracht
van het Openbaar Ministerie (OM) door de politie is uitgevoerd en eerder
dit jaar aan uw Kamer is aangeboden, is melding gemaakt van de
crowdfunding als witwaskanaal en is witwassen in het algemeen als
dreiging aangemerkt. Het OM en de opsporingsdiensten hebben dit derhalve
reeds in hun vizier en treden daartegen op.
Vragen van het lid Toorenburg, M.M. van (CDA)
Vraag:
Wat valt er te ondernemen tegen het witwassen via bitcoin-automaten?
Waarom is er geen controle op deze automaten, bijvoorbeeld door de
Nederlandsche Bank of de AFM?
Antwoord:
In zijn algemeenheid geldt dat het witwassen door middel van virtuele
valuta strafbaar is en dat dit tot veroordelingen heeft geleid. Het
risico van virtuele munteenheden wordt dan ook door de betrokken
overheidsdiensten onderkend. Om die reden hebben zowel De Nederlandsche
Bank als het Openbaar Ministerie (OM) het publiek hiervoor
gewaarschuwd.
Daar waar het gaat om het omwisselen van contante gelden vanaf € 15.000
zijn de regels van de huidige Wet ter voorkoming van witwassen en
financiering van terrorisme (Wwft) reeds van toepassing.
Verder zal de vijfde EU anti-witwasrichtlijn, waarover thans nog wordt
onderhandeld, er naar verwachting voor zorgen dat stengere regels van
toepassing zullen worden voor aanbieders van diensten voor het wisselen
van virtuele valuta .
Vragen van het lid Toorenburg, M.M. van (CDA)
Vraag:
Kan de staatssecretaris komen met een plan van aanpak om medische
professionals handvatten te bieden om slachtoffers van mensenhandel
adequate zorg te bieden en mensenhandel te signaleren?
Antwoord:
Ook medisch professionals kunnen een belangrijke rol spelen in de
signalering van slachtoffers van mensenhandel. Volgens het recente
rapport van de Nationaal Rapporteur komt 50% van de medisch
professionals met slachtoffers van mensenhandel in aanraking. SOA Aids
Nederland heeft daarom enkele jaren geleden al een handreiking
signalering mensenhandel voor werkers in de gezondheidszorg ontwikkeld.
Hierin wordt beschreven hoe medisch professionals signalen kunnen
herkennen en wat ze vervolgens kunnen doen. Het versterken van het
professionele handelen van artsen is een zaak van de beroeps- en
brancheorganisaties en de artsenfederatie KNMG. De minister van VWS
heeft deze week in antwoord op vragen gesteld door het lid Van der
Staaij aangegeven in overleg te zullen treden met de KNMG over de
mogelijkheden om de signalering van mensenhandel door artsen en ander
medisch personeel te verbeteren. De uitkomsten van dit gesprek zullen
worden meegenomen in het integrale plan van aanpak dat ik onder andere
met mijn collega’s van VWS en SZW ontwikkel om de aanpak van
mensenhandel te versterken. Dit plan van aanpak zal in het eerste
kwartaal van 2018 aan uw Kamer worden verzonden.
Vragen van het lid Toorenburg, M.M. van (CDA)
Vraag:
35% van de gemeenten heeft geen idee of in hun gemeente mensenhandel
voorkomt. De Kamer heeft hierover al een brief ontvangen. Kan de
staatssecretaris hier meer kleur aan geven?
Antwoord:
In de Kamervragen van de leden Segers en Kuiken die door mij 28 november
2017 zijn beantwoord ben ik ingegaan op de cijfers van de Nationaal
Rapporteur mensenhandel over de rol van gemeenten bij de aanpak van
mensenhandel. Voor het merendeel van de gemeenten geldt dat de aanpak
van mensenhandel is opgenomen in bijvoorbeeld integrale- en regionale
veiligheidsplannen. Bijna drie kwart (73,6%) van de respondenten geeft
aan dat de gemeente waarvoor zij werkzaam zijn, participeert in een
regionaal veiligheidsplan waarin mensenhandel een onderwerp is en het
onderwerp dus op de agenda staat.
Bij 81,3% van de gemeenten is een contactpersoon werkzaam bij wie
signalen van mensenhandel gemeld kunnen worden. In het plan van aanpak
mensenhandel dat ik in het eerste kwartaal naar uw Kamer stuur, zal ook
aandacht worden besteed aan de vraag hoe gemeenten verder gestimuleerd
en gefaciliteerd kunnen worden om hun verantwoordelijkheid te nemen in
de bestrijding van mensenhandel.
Vragen van het lid Dam, C.J.L. van (CDA)
Vraag:
Kan de minister aangeven wanneer hij een speciale rechtbank voor
politiegeweld gaat aanwijzen en hoe de plannen van deze rechtbank eruit
zien?
Antwoord:
Met de Raad voor de rechtspraak is in overleg getreden om de gevolgen in
kaart te brengen van het concentreren bij één rechtbank van alle zaken
waarin politiemensen zich voor de rechter moeten verantwoorden voor het
aanwenden van geweld en over de vraag welke locatie zich leent als
speciale rechtbank. De uitkomsten van het overleg zullen worden
betrokken bij het Wetsvoorstel geweldsaanwending opsporingsambtenaar,
dat thans aanhangig is bij uw Kamer. Ik streef ernaar uw Kamer in het
eerste kwartaal van 2018 nader te informeren.
Vragen van het lid Dam, C.J.L. van (CDA)
Vraag:
De minister heeft 100 miljoen voor de politie op de begroting van JenV
toegevoegd gekregen. Wat is het onderliggende plan hiervoor? Waar staat
vermeld hoe dit geld verdeeld wordt? Hoe wordt de extra sterkte verdeeld
over de eenheden en de teams? Kan de minister dit al vóór zijn eerste
termijn doen toekomen?
Antwoord:
De nota van wijziging bevatte reeds de hoofdlijnen van verdeling. Ik ga
er echter graag aanvullend op in omdat ik vanzelfsprekend content ben
met deze middelen die een kwantitatieve en kwalitatieve versterking van
de politie betekenen. De 100 miljoen is als volgt verdeeld:
Er wordt enerzijds geïnvesteerd in meer en hoger opgeleide agenten voor de wijk (300 fte, inclusief urgentiebudget 36 miljoen). Daartoe worden extra aspiranten opgeleid ten behoeve van de basispolitiezorg. Het gaat dan om taken van wijkagent, noodhulp, dienstverlening tot opsporing. Het is aan het gezag om met de politiechef in de eenheid te bezien waar de versterking voor wordt ingezet.
Anderzijds wordt de opsporing versterkt (180 fte, 29,1 miljoen). Er komt extra recherchecapaciteit bij. Ook hier is het aan het gezag om te bepalen waar de extra capaciteit wordt ingezet.
Verder wordt de kwantiteit en kwaliteit van de digitale expertise van de politie vergroot, om cybercrime en digitale vormen van criminaliteit te kunnen aanpakken. De politie investeert in een goede regionale en landelijke informatiepositie. De eenheden worden gefaciliteerd met state of the art middelen (30 miljoen), zodat zij (ook decentraal) onderzoeken kunnen uitvoeren.
Daarnaast wordt geïnvesteerd in extra politiecapaciteit voor internationale inzet inclusief het Team Internationale Misdrijven (1 miljoen). Gezien de groei van georganiseerde transnationale criminaliteit, cybercrime, migratiegerelateerde criminaliteit en terrorisme is een sterkere focus op een internationale aanpak in met name bron- en transitlanden vereist. Deze internationale investering is van cruciaal belang om hier in Nederland de veiligheid in de wijken te vergroten.
Ten slotte een intensivering voor de Politieacademie van 2,2 miljoen en opleiden en zorg voor personeel (1,6 miljoen).
Vragen van het lid Dam, C.J.L. van (CDA)
Vraag:
Kan de minister aangeven hoe het zit met de nieuwe audit committee,
welke kennelijk voor de politie wordt opgericht nu de reviewboard stopt
te bestaan?
Antwoord:
Net als u vind ik het essentieel dat het interne en externe toezicht op
de politie zorgvuldig en stevig geregeld is. Juist gezien de bijzondere
maatschappelijke positie van de politie en de organisatieontwikkeling
die de politie doormaakt, kan ik het belang van goed toezicht niet
genoeg benadrukken. Ik vind het van belang dat de politie zelf zijn
strengste toezichthouder is. Dat begint met het inregelen van intern
toezicht op alle niveau’s en terreinen. Daar hoort ook bij dat de
korpsleiding zich door externen stevig aan de tand laat voelen op het
interne toezicht. Om die reden vind ik het een goede zaak dat de
korpschef nu een auditcommissie met een externe voorzitter en externe
leden heeft ingericht die ook met haar werkzaamheden is begonnen. Deze
auditcommissie bevat een mix aan deskundigheden, waaronder ICT. Ik zal
met de korpschef overleggen over verder gewenste aanvulling met extra
externe leden met specifieke expertise. Doelstelling is een
auditcommissie met een evenwichtige, integrale balans van benodigde
expertise, waaronder ook expertise op IV/ICT-terrein. In de
Voortgangsbrief politie, die ik medio december aan uw Kamer stuur, ga ik
nader in op het door mij beoogde stelsel van intern en extern toezicht
op de politie.
Vragen van het lid Dam, C.J.L. van (CDA)
Vraag:
De commissie van der Meer heeft onlangs een rapport uitgebracht over de
staat van onze gesubsidieerde rechtsbijstand. Het CDA roept de minister
op om met een plan te komen – voor de zomer 2018 – in nauwe samenwerking
met de advocatuur, met rechtsbijstandsverzekeraars, met de Raad voor
Rechtsbijstand en het Juridisch Loket en met andere relevante
partijen.
Antwoord:
Zoals ik in mijn brief aan uw Kamer heb aangegeven wil ik op korte
termijn met de meest betrokken ketenpartners bezien op welke wijze een
kwalitatief goed en duurzaam stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand
kan worden vormgegeven waarbij de toegang tot het recht gewaarborgd is.
Hoe het proces er uit gaat zien wil ik graag samen met de andere
partijen bepalen. Duidelijk is dat we snel moeten beginnen, omdat ik
rond de zomer duidelijk wil hebben wat het perspectief van deze aanpak
kan zijn. Op mijn departement zijn de voorbereidingen inmiddels
gestart.
Vragen van het lid Dam, C.J.L. van (CDA)
Vraag:
De CDA-fractie vraagt de minister om – in het voorjaar van 2018 – met
een uitgewerkt plan te komen ten aanzien van werving, selectie en
opleiding (ten aanzien van de totale € 267 miljoen extra per jaar). In
dit plan moet de politie aangeven hoe te werven op een zeer overspannen
arbeidsmarkt, hoe een enorm verloop wordt voorkomen en welke
mogelijkheden er bestaan om personeel op niveau 2 of 3 te werven en in
te zetten, al dan niet op basis van tijdelijke contracten. En kan de
Politieacademie dit allemaal aan? Kan de minister dit plan
toezeggen?
Antwoord:
Ik zeg u toe rond de voorjaarsnota inzicht te geven in de contouren van
de verwachte meerjarige ontwikkeling van de politiecapaciteit, de
daaraan gekoppelde inspanningen op het gebied van werving en onderwijs
en welk deel van de totale 267 miljoen daarvoor wordt ingezet.
Vragen van het lid Dam, C.J.L. van (CDA)
Vraag:
Het moderniseren van het Wetboek van Strafvordering is een project van
imposante omvang. Kan de minister aangeven wat het geplande tijdpad is?
Wat gaat de minister doen om te zorgen dat de modernisering niet leidt
tot een lastenverzwaring?
Antwoord:
Eind september heeft mijn ambtsvoorganger de Kamer bericht over de stand
van zaken van de modernisering van het Wetboek van Strafvordering
(Kamerstukken II 2017/18, 29 279, nr. 395). In aanvulling daarop kunnen
wij melden dat wij deze week de boeken 3 tot en met 6 aan de betrokken
partijen in consultatie zullen geven. De adviezen over de boeken 1 en 2
zijn ontvangen en worden nu verwerkt. Wij willen dan in het najaar
volgend jaar het nieuwe wetboek voor advies voorleggen aan de Raad van
State. Wij zullen dezer dagen de Kamer over de meer precieze planning
informeren.
Doelstelling van de modernisering van het Wetboek van Strafvordering is
ook vereenvoudiging van het opsporingsonderzoek en stroomlijning van
procedures en reductie van onnodige administratieve lasten. Alle
voorstellen worden gezamenlijk met de ketenpartners doorgelicht op de
gevolgen voor de werklast. Daarvoor is een apart programma ingericht.
Dit programma brengt ook de structurele en incidentele kosten in kaart
van de implementatie. Daarnaast gaan de adviezen over de boeken 1 en 2
ook in op de administratieve lasten en de mogelijkheden tot
vermindering. Wij bekijken serieus hoe wij daar stappen kunnen maken met
behoud van rechtswaarborgen.
Vragen van het lid Dam, C.J.L. van (CDA)
Vraag:
Is de minister bereid de sanctie op het bedienen van een smartphone in
de auto te 'ontmulderen' en daarmee de mogelijkheid te creeren om bij
herhaalde overtreding tot inname van het rijbewijs over te gaan?
Antwoord:
Het verzoek om het vasthouden van de telefoon tijdens het rijden uit de
Wahv te halen zal worden betrokken bij twee lopende trajecten.
Allereerst zal ik ter uitvoering van het regeerakkoord werk maken van de
aanpak van notoire verkeersovertreders. Ter uitvoering hiervan zet ik
het traject van het progressief boetestelsel voort, waarover mijn
ambtsvoorganger uw Kamer bij brief van 20 juni jl. uw heeft
geïnformeerd. In dit kader zullen het Openbaar Ministerie, het Centraal
Justitieel Incassobureau, Zittende Magistratuur en de politie een
uitvoeringstoets verrichten. Daarnaast heeft mijn ambtsvoorganger in de
beleidsreactie op het onderzoek naar de straftoemeting ernstige
verkeersdelicten, die op 20 juli jl. naar uw Kamer is verzonden,
aangekondigd een voorstel tot wijziging van de Wegenverkeerswet in
voorbereiding te nemen. Dit wetsvoorstel zal voorstellen bevatten voor
verhoging van het strafmaximum voor een aantal delicten en voor een
nadere invulling van het begrip roekeloosheid. Met het opstellen van dit
wetsvoorstel ga ik door. Naar verwachting zal dit wetsvoorstel begin
2018 in consultatie gaan. Binnen deze trajecten zal ik een beslissing
nemen over de straffen voor het vasthouden van een mobiele telefoon
tijdens het rijden, zodat er sprake is van een integrale afweging en
vormgeving.
Vragen van het lid Dam, C.J.L. van (CDA)
Vraag:
Kan de minister zijn voornemen bevestigen om de beleidsreactie op het
evaluatierapport Politiewet in het voorjaar van 2018 naar de Kamer te
sturen?
Antwoord:
Ja. Het kabinetsstandpunt op het rapport van de Evaluatiecommissie
Politiewet 2012 zal (zoals uw Kamer gemeld) in het eerste trimester van
2018 aan uw Kamer worden gezonden.
Vragen van het lid Dam, C.J.L. van (CDA)
Vraag:
Het CDA wil de afstand tussen burger en politie verkleinen door middel
van een mobiel politiebureau of een dagelijks spreekuur in ieder dorp.
Als de Rabobank geld kan brengen bij klanten, kan de politie dan niet
thuis een aangifte komen opnemen? Is de minister bereid om dit punt van
het CDA over te nemen, om samen met de korpsleiding te komen met een
plan waardoor de politie in geval van nood weer daadwerkelijk dichter
bij de burger wordt gebracht? Wat zijn de ideeën van de minister
hierover en wat kan hij realiseren?
Antwoord:
Snel aangifte doen vinden de politie en ik belangrijk. De politie heeft
hier de afgelopen tijd ook extra inzet op gepleegd. Met de uitrol van
chromebooks die momenteel loopt kan vaker ter plekke, zoals bij oude
mensen thuis, aangifte worden opgenomen. Aangifte via steunpunten in de
lokale bibliotheek, of zoals de politiecamper of het pop-up bureau op de
weekmarkt, maken dat in het eigen dorp aangifte gedaan kan worden. Ook
wordt de internetaangifte in het komend jaar verder uitgebreid. Binnen
eenheden kunnen teamchefs en burgemeester met elkaar in overleg gaan
voor passende oplossingen.
Ondanks deze algemene inzet op het faciliteren van het zo snel mogelijk
aangifte kunnen doen zullen zich altijd situaties voordoen waarin niet
dezelfde dag aangifte kan worden gedaan. Naast snelheid dient immers ook
kwaliteit en zorgvuldigheid geborgd te worden. De aangifte is een
cruciale stap in het opsporings- en vervolgingstraject. Daar waar
geprioriteerd moet worden in het opnemen van aangiftes moet rekening
gehouden worden met de individuele situatie van het slachtoffer dat
aangifte wil doen en de ernst van het delict.
Vragen van het lid Buitenweg, K.M. (GL)
Vraag:
Welke bewindspersoon is verantwoordelijk voor het programma 'JenV
Verandert'? Wat zijn de doelen van het programma en hoe wordt de Tweede
Kamer over de voortgang geïnformeerd?
Antwoord:
De minister van Justitie en Veiligheid is als bewindspersoon
verantwoordelijk voor het programma ‘JenV Verandert’. Het
veranderprogramma heeft als doelstelling: ‘JenV is een betrouwbare
partner voor burger, bedrijf, bestuur en media, die resultaat levert in
een veranderende samenleving’. Op basis van deze doelstelling is een
meerjarig programma ontwikkeld, waarin de aansluiting bij de
veranderende samenleving wordt versterkt en de werkwijzen en organisatie
daarop wordt aangepast. JenV rapporteert twee keer per jaar bij het
jaarverslag en de begroting aan de Tweede Kamer over de voortgang van
het programma.
Vragen van het lid Buitenweg, K.M. (GL)
Vraag:
Is de minister bereid te onderzoeken of een generieke regeling in het
burgerlijk wetboek mogelijk is waarbij het niet meewerken aan het
beëindigen van een religieus huwelijk standaard wordt gezien als een
onrechtmatige daad?
Antwoord:
Mensen moeten vrij zijn om te beslissen of zij in het huwelijk treden en
of zij willen scheiden. Als iemand niet slaagt in het ontbinden van zijn
of haar religieuze huwelijk, dan biedt een door de Nederlandse rechter
uitgesproken echtscheiding vaak geen oplossing. Het religieuze huwelijk
blijft voortbestaan volgens de normen van de betreffende religieuze
gemeenschap. Daar kan het Nederlandse recht niets aan veranderen. De
rechter kan wel beslissen dat de partner onrechtmatig handelt en een
dwangsom opleggen. In een recente zaak is een man veroordeeld tot €
500 per dag zolang hij niet meewerkt aan de echtscheiding van het
religieuze huwelijk. Het gaat te ver om te bepalen dat altijd
sprake is van onrechtmatigheid wanneer een partner niet meewerkt omdat
sommige religies echtscheiding nagenoeg uitsluiten en meewerken dus geen
werkelijke mogelijkheid is. Het is natuurlijk belangrijk huwelijkse
gevangenschap te voorkomen. In dit verband verwijs ik naar het antwoord
op uw vraag over het actieplan over huwelijkse dwang.
Vragen van het lid Buitenweg, K.M. (GL)
Vraag:
Onlangs verscheen een zwartboek over racisme bij de politie. De gesloten
cultuur leidt ertoe dat meer agenten met een migratieachtergrond
vertrekken dan erbij komen. Dit lijkt niet verbeterd. Wat vindt de
minister hiervan?
Antwoord:
Het blijft confronterend te horen dat er binnen de gelederen van de
politie discriminerend gedrag en intolerantie wordt ervaren.
Discriminatoir gedrag is uiteraard onacceptabel. Politiemedewerkers
moeten op een veilige manier hun werk kunnen doen. Goed politiewerk
vraagt immers om een veilige werkomgeving waar verschillen juist erkend
en gewaardeerd worden. De politie streeft daarom naar een korps dat
divers is opgebouwd. Alleen zo kunnen teams samen sterk staan en in
verbinding blijven met elkaar en met burgers in de samenleving.
Inmiddels heeft ruim 25 procent van de nieuwe instroom een dubbele
culturele achtergrond, verkregen door afkomst, levens- of werkervaring.
Een gevarieerd personeelsbestand draagt bij aan cultuurverandering. Maar
we zijn er nog niet, een cultuuromslag kost tijd.
Vragen van het lid Buitenweg, K.M. (GL)
Vraag:
Waarom is er niet gekozen voor een verkleining van het ministerie van
JenV?
Antwoord:
Tijdens de formatie is er uitdrukkelijk voor gekozen de taken van
het ministerie van Justitie en Veiligheid bij elkaar te houden.
Dit vanuit de gedachte dat deze taken onlosmakelijk met elkaar zijn
verbonden en baat hebben bij een gezamenlijke aansturing. Dat geldt niet
alleen een zo effectief mogelijke samenwerking tussen politie, openbaar
ministerie en rechterlijke macht, maar ook de uitvoering van straffen in
het verlengde van diezelfde samenwerking. De huidige indeling bevordert
daarnaast ook de samenhang tussen diensten werkzaam in de
vreemdelingenketen, strafrechtsketen en in het veiligheidsdomein.
Vragen van het lid Buitenweg, K.M. (GL)
Vraag:
Welke taak ziet de minister voor zichzelf om te zorgen dat intimidatie
niet wint en vrijheid van demonstreren gewaarborgd blijft?
Antwoord:
Het wettelijk kader van de Wet openbare manifestaties is duidelijk.
Daarin is opgenomen dat de burgemeester met een beroep op bepaalde
omstandigheden een demonstratie kan verbieden. Het gaat dan onder andere
om het voorkomen of bestrijden van wanordelijkheden. Wanneer de
burgemeester dat nodig acht, kan hij aanvullend de nodige bevelen geven
ter handhaving van de openbare orde.
De beoordeling daarvan ligt bij de burgemeester, die daarover aan de
gemeenteraad verantwoording aflegt.
Mijn collega van het ministerie van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties heeft zich onlangs in het mondelinge vragenuur in de
Tweede Kamer bereid verklaard om het gesprek met burgemeesters en de
Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) aan te gaan over de vraag of
burgemeesters inderdaad, zoals enkele Kamerleden hebben gesteld, bij
demonstraties te snel naar het openbare orde criterium grijpen. Daarin
trekken wij samen op.
Vragen van het lid Buitenweg, K.M. (GL)
Vraag:
Kan de minister aandacht vragen voor het melden van seksueel misbruik
door middel van een campagne en een uitnodigende website?
Antwoord:
Slachtoffers van (strafbare) seksuele interactie, zoals seksueel geweld,
kunnen altijd terecht bij de politie of een van de Centra voor Seksueel
Geweld (CSG). De behoefte van het slachtoffer staat daarbij voorop. Na
melding van een zedendelict voert de politie een uitgebreid informatief
gesprek met het slachtoffer, waarin deze wordt geïnformeerd over
mogelijkheden van hulpverlening, slachtofferrechten en het strafproces.
Samen met de politie, de CSG’s, gemeenten en organisaties als
Slachtofferhulp Nederland bezie ik de komende periode hoe eventuele
drempels voor slachtoffers om melding te doen, kunnen worden
verlaagd.
Vragen van het lid Buitenweg, K.M. (GL)
Vraag:
De bestrijding van ondermijning vraagt een optimale samenwerking tussen
onder andere het openbaar ministerie, politie, justitie, brandweer,
veiligheidsdiensten, buitengewoon opsporingsambtenaren en private
partijen. Kan de minister samen met deze partijen met een brede
integrale veiligheidsvisie komen?
Antwoord:
Daar waar veiligheidsvraagstukken overlappen streef ik naar een
integrale aanpak en beleid. Voor de aanpak van ondermijnende
criminaliteit is dat reeds het geval. De samenwerkende
overheidspartijen - Openbaar Ministerie (OM), Politie, Belastingdienst,
Landelijk Informatie en Expertise Centrum (LIEC) Regionaal Informatie en
Expertise Centrum (RIEC), regioburgemeesters en de ministeries van
Justitie en Veiligheid, Financiën en Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties - hebben gezamenlijk een integrale Toekomstagenda
Aanpak Ondermijning opgesteld die de leidraad vormt voor de samenwerking
en versterking van de aanpak in de komende jaren. Ik zie, evenals deze
partijen, geen noodzaak voor een aanvullende brede integrale
veiligheidsvisie op dit thema. Daarnaast wordt in de vraag gerefereerd
aan de veiligheidsdiensten, buitengewoon opsporingsambtenaren en de
brandweer. Dit zijn diensten die op andere domeinen werkzaam zijn dan
bij de aanpak van ondermijnende criminaliteit. De visievorming voor de
inzet van diensten zoals de brandweer, gericht op de fysieke veiligheid,
is een taak van de veiligheidsregio’s en heeft geen directe relatie met
de aanpak van ondermijnende criminaliteit. Daar waar er wel raakvlakken
zijn met de rol van buitengewoon opsporingsambtenaren kan op lokaal
niveau de noodzakelijke verbinding worden gelegd waar dat van meerwaarde
is. Daarvoor dienen de integrale veiligheidsplannen die door de
regionaal bevoegde partijen worden opgesteld.
Vragen van het lid Buitenweg, K.M. (GL)
Vraag:
Graag een reactie van de minister op het Actieplan van het ministerie
van SZW over huwelijkse dwang.
Antwoord:
Ik ben blij met het actieplan ‘Zelfbeschikking’ dat goed aansluit op de
vanuit mijn departement ingezette activiteiten. Voor de aanpak van
huwelijksdwang en huwelijkse gevangenschap is de gehele keten van
preventie, signalering, hulpverlening, opvang en nazorg essentieel.
Huwelijksdwang en eergerelateerd geweld maken daarom deel uit van de
interdepartementale aanpak Geweld in Afhankelijkheidsrelaties. Dit heeft
de afgelopen jaren geleid tot concrete maatregelen om huwelijksdwang
tegen te gaan. Zo is er voorlichting aan de mogelijke risicogroepen,
worden docenten en hulpverleners getraind in signaleren en handelen en
worden waar nodig civiele en/of strafrechtelijke maatregelen tegen
huwelijksdwang ingezet.
Civielrechtelijk:
Op 5 december 2015 is de Wet tegengaan huwelijksdwang van kracht gegaan. Hiermee is er een verbod gekomen op het kindhuwelijk: beide partners moeten minimaal 18 jaar zijn om te kunnen trouwen. Kindhuwelijken die in het buitenland zijn gesloten, worden niet meer erkend. Wanneer zij in Nederland in de asielopvang komen worden de minderjarige partners apart opgevangen.
Als het om minderjarigen gaat waarvan het vermoeden bestaat dat zij gedwongen worden tot een huwelijk in het buitenland, kan een kinderbeschermingsmaatregel worden ingezet om kindhuwelijken te voorkomen. Het gezag van ouders wordt ingeperkt en daarmee de handelingsmogelijkheden van ouders. De ouders kunnen bijvoorbeeld geen toestemming krijgen om met de minderjarige naar het buitenland te gaan om hun kind daar te laten huwen.
Strafrechtelijk:
Op grond van artikel 449 van het Wetboek van Strafrecht is het als bedienaar van de godsdienst verrichten van een huwelijksplechtigheid, voordat partijen hebben doen blijken dat hun huwelijk ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand is voltrokken. Overigens heeft een religieus huwelijk geen rechtsgevolg, omdat in Nederland alleen het burgerlijk huwelijk wordt erkend (art. 1:30 lid 2 BW).
Op grond van artikel 237 van het Wetboek van Strafrecht is strafbaar het opzettelijk aangaan van een dubbel huwelijk, of een huwelijk aangaan wetende dat de wederpartij daardoor een dubbel huwelijk aangaat. Strafverhoging is mogelijk indien het dubbel huwelijk opzettelijk is aangegaan, terwijl aan de wederpartij de gehuwde staat is verzwegen.
Op grond van artikel 284 van het Wetboek van Strafrecht is strafbaar het door geweld, bedreiging of andere feitelijkheden wederrechtelijk iemand dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden. Huwelijksdwang valt hieronder.
Vragen van het lid Buitenweg, K.M. (GL)
Vraag:
De toegang tot het recht staat onder druk, het rechtsbijstandstelstel
staat onder druk. Kan de minister de bestaande uitgangspunten van het
stelsel van rechtsbijstand bevestigen: namelijk dat één punt gelijk
staat aan één uur werk en dat een advocaat een redelijk inkomen moet
kunnen verdienen met ongeveer 1200 uren werk per jaar?
Antwoord:
Het doel van de herziening is een stelsel waarbinnen kwalitatief goede
rechtsbijstand wordt geleverd daar waar dat nodig is, door de
rechtsbijstandsverlener die daarvoor het meest is aangewezen. Het
stelsel dient ook in het belang van de rechtsbijstandverleners herzien
te worden. Zo noodzaken de bevindingen van de commissie Van der Meer
onder andere tot een kritische blik op de verdeling van punten over de
rechtsgebieden binnen het stelsel. Bij de herziening het uitgangspunt
dat 1 punt grosso modo overeenkomt met een uur geleverde rechtsbijstand
en dat een redelijk inkomen wordt behaald met 1200 uur per jaar ook aan
de orde komen. Mijn bedoeling is om gezamenlijk met de partijen die
betrokken zijn bij de herziening van het stelsel tot een voorstel te
komen. Om hen de ruimte te bieden om initiatieven aan te dragen past het
mij daarom niet om mij nu definitief vast te leggen op deze
uitgangspunten.
Vragen van het lid Buitenweg, K.M. (GL)
Vraag:
Is de staatssecretaris bereid om in afwachting van het ambtsbericht van
BZ over de situatie in Afghanistan uitzetting van personen naar
Afghanistan op te schorten?
Antwoord:
Bij brief van 23 februari 2017 van mijn voorganger is de Kamer
geïnformeerd over het landgebonden asielbeleid voor Afghanistan,
gebruikmakend van het ambtsbericht over Afghanistan van 15 november
2016. In deze brief is aangegeven dat er sprake is van een zorgelijke
situatie in Afghanistan. Er kan echter niet worden gesproken van een
dusdanig uitzonderlijke situatie dat heel, of delen van, Afghanistan
voor iedereen onveilig zijn, onafhankelijk van individuele achtergrond
of persoonlijk relaas. De zorgelijke veiligheidssituatie was echter wel
reden om een groot aantal groepen in het beleid als risicogroep en/of
kwetsbare minderheidsgroep aan te merken. Dit zijn de volgende
groepen:
Personen die actief zijn in de politiek, journalistiek of op het gebied van de mensenrechten, die werkzaam zijn voor non-gouvernementele organisaties of het justitieel apparaat;
Vrouwen werkzaam in de publieke arena (met name ngo’s, als journalist, bij ministeries, in het onderwijs, de gezondheidszorg en de rechterlijke macht);
Vreemdelingen die afkomstig zijn uit een leefgebied waar zij tot een (gemarginaliseerde) etnische minderheid behoren, die aldaar ernstige problemen ondervindt;
Vreemdelingen die afkomstig zijn uit een leefgebied waar zij tot een (gemarginaliseerde) religieuze minderheid behoren, die aldaar ernstige problemen ondervindt;
Niet-Moslims, vooral bekeerlingen (tot het Christendom bekeerden), afvalligen, Christenen, Bahai en Sikhs/Hindoes;
LHBT’s.
Ook personen buiten deze groepen kunnen in aanmerking komen voor
asiel indien de noodzaak voor bescherming blijkt uit het individuele
relaas.
Onlangs heeft Amnesty International een rapport uitgebracht over de
terugkeer naar Afghanistan. Hierin zijn verschillende verhalen
opgetekend van personen die vanuit diverse Europese landen (waaronder
Nederland) zijn teruggekeerd naar Afghanistan. Het rapport vormt voor
mij geen aanleiding om het beleid ten aanzien van Afghanistan aan te
passen omdat het niet leidt tot de conclusie dat het beeld geschetst in
het ambtsbericht van Buitenlandse Zaken niet langer correct is. Ook de
jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
of het Europese Hof voor de rechten van de Mensen geeft geen
aanleiding om het beleid onjuist of onzorgvuldig te achten. Dat er voor
Nederlandse ingezeten een negatief reisadvies is afgegeven doet hier
eveneens niet aan af. Een reisadvies van het ministerie van Buitenlandse
Zaken is een advies aan Nederlandse ingezetenen. Die kunnen in een ander
land in een andere situatie verkeren dan de eigen inwoners van dat land.
Dat ik aan mijn collega van Buitenlandse Zaken heb gevraagd in 2018 te
komen met een nieuw ambtsbericht over de veiligheidssituatie in
Afghanistan is dan ook niet omdat ik meen dat de IND op dit moment niet
zorgvuldig kan beslissen. Het betreft primair een periodiek verzoek om
actualisering zoals dat gebruikelijk is bij alle belangrijke
asielherkomstlanden. Ik zie dan ook geen reden een besluit- of
vertrekmoratorium voor Afghaanse asielzoekers in te stellen.
Vragen van het lid Ojik, A. van (GL)
Vraag:
Is de staatssecretaris bereid om een ruimhartige toepassing van het
kinderpardon mogelijk te maken?
Antwoord:
In het regeerakkoord is aangegeven dat de regeling voor langdurig in
Nederland verblijvende kinderen (kinderpardon) in haar huidige vorm
gehandhaafd blijft. De uitgangspunten van die regeling veranderen dus
niet. Ik heb niet het beeld dat er iets mis is met de toepassing van de
regeling door de diensten van de vreemdelingenketen. Ik wil daarbij
wegblijven van termen als ruimhartig of restrictief, ook omdat een ieder
daar zijn eigen beelden bij zal hebben. Ik denk dat de huidige regeling
evenwichtig is wanneer je kijkt naar de voorwaarden daarvan en ik wil
staan voor een zorgvuldige en realistisch uitvoering van de bestaande
regeling die past bij de aard van het vraagstuk. Daarop kunt u mij
aanspreken.
Vragen van het lid Ojik, A. van (GL)
Vraag:
Het kabinet is voorstander van 'opvang in de regio', maar de 'regio' is
onveilig en overbelast: waarom nemen we onze eigen verantwoordelijkheid
niet?
Antwoord:
Meer dan 80% van de vluchtelingen verblijft in hun regio van herkomst.
Vaak heeft dit ook hun voorkeur. Het is beter dan dat mensen met behulp
van mensensmokkelaars via irreguliere, gevaarlijke routes bescherming
moeten zoeken, ver van huis. Dit neemt niet weg dat belangrijke
opvanglanden als Turkije, Libanon, Jordanië en Ethiopië hierbij voor
grote uitdagingen staan. Als onderdeel van de integrale aanpak om
ongecontroleerde migratiestromen van migranten en vluchtelingen beter te
beheersen, zetten zowel het kabinet als de Europese Unie zich daarom in
om deze landen te ondersteunen en de situatie van vluchtelingen in deze
landen zodanig te verbeteren dat zij en hun gastgemeenschappen een
perspectief krijgen. Uw Kamer wordt hier ook met regelmaat over
geïnformeerd. Naast deze steun, is het kabinet ook voornemens om meer
vluchtelingen een veilig en legaal alternatief te bieden via
hervestiging. De integrale aanpak past ook in de bredere VN-ontwikkeling
n.a.v. de Verklaring van New York (september 2016) die heeft geleid tot
overeenstemming over een alomvattende benadering van de
vluchtelingenproblematiek. Een van de doelstellingen van deze benadering
is bijvoorbeeld dat gastlanden en –gemeenschappen de toegang tot
onderwijs en arbeid voor vluchtelingen vergemakkelijken, met steun van
de internationale gemeenschap.
Vragen van het lid Ojik, A. van (GL)
Vraag:
Hebben de berichten over slavenhandel bij asielzoekers in Libië
consequenties voor de steun aan de Libische kustwacht?
Antwoord:
Ik heb net als u kennis genomen van de verschrikkelijke beelden. Deze
beelden zijn ook hard aangekomen in andere landen, ook in de landen van
herkomst. Een aantal landen heeft zich naar aanleiding van deze beelden
bereid getoond zich meer in te spannen om eigen onderdanen terug te
halen. Nederland verwelkomt dat herkomstlanden nu hun
verantwoordelijkheid voor de eigen landgenoten nemen.
Met de Europese Commissie en andere partners in de internationale
gemeenschap heeft Nederland ook bij de Libische autoriteiten om
opheldering gevraagd en geëist dat het hiertegen maatregelen treft. Om
de situatie in Libische detentiecentra te verbeteren steunt Nederland,
met de Europese Unie, al langere tijd de United Nations High
Commissioner for Refugees(UNHCR) en de Internationale Organisatie voor
Migratie(IOM) om de omstandigheden, registratie en toegang tot medische
zorg en voedselvoorziening in de centra te verbeteren. Ook kijkt
Nederland op dit moment met andere landen naar het instellen van
sancties tegen mensenhandelaren en mensensmokkelaars, die zich aan dit
soort praktijken schuldig maken. Daarnaast werken Nederland en de EU
samen met de IOM aan de vrijwillige terugkeer van migranten naar het
land van herkomst.
Wat betreft de steun aan de Libische Kustwacht, merk ik op, net als de
minister van Buitenlandse Zaken heeft gedaan tijdens de
begrotingsbehandeling van Buitenlandse Zaken, dat de steun aan de
Libische Kustwacht onderdeel is van de opbouw van de Libische overheid.
De Libische Kustwacht voert naast de reddingsoperaties in de
territoriale wateren van Libië en het door Libië afgekondigde
opsporings- en reddingsgebied, ook andere wettelijke taken uit zoals de
bestrijding van mensensmokkel en wapensmokkel. Het kabinet is dan ook
van mening dat de steun aan de Libische Kustwacht moet worden
voortgezet.
Vragen van het lid Nispen, M. (SP)
Vraag:
Hoe gaat de minister de politieorganisatie het vertrouwen geven dat het
tekort aan agenten wordt opgelost?
Antwoord:
Er is geen tekort aan agenten. Tot op de dag van vandaag is de
operationele sterkte hoger dan bij de vorming van de Nationale Politie
is voorzien. Het kabinet heeft € 267 miljoen uitgetrokken waarmee onder
andere de capaciteit verder kan worden uitgebreid. Met de nota van
wijziging is als onderdeel van de € 100 miljoen een eerste uitbreiding
met 480 FTE mogelijk gemaakt. Bij het voorgaande passen
twee kanttekeningen:
politiecapaciteit is altijd een schaars goed. Er zullen dus per definitie prioriteiten gesteld moeten worden.
door de vergrijzing zal de hogere uitstroom de komende jaren worden opgevangen door een forse verhoging van de instroom.
De plaats van volledig opgeleide oudere collega’s wordt daarmee ingenomen door collega’s die de eerste drie jaren van hun loopbaan nog in opleiding zijn en daarmee slechts gedeeltelijk inzetbaar. Dat zal zich onder andere in de basisteams doen voelen. Dat effect laat zich niet met meer geld compenseren. De korpschef en ik spannen ons wel tot het uiterste in om te zoeken naar mogelijkheden om deze tekorten te compenseren.
Vragen van het lid Nispen, M. (SP)
Vraag:
Heeft de minister een 'plan B' waardoor het vertrouwen van burgers in de
politie wordt hersteld en afspraken worden gemaakt over reactietermijnen
bij aangiftes en het serieus nemen van tips van slachtoffers.
Antwoord:
Het vertrouwen van de burger in de politie is nog altijd hoog, zoals
blijkt uit de meest recente Veiligheidsmonitor. Ik heb geen plan B omdat
het verbeteren van het aangifteproces standaard tot het werk van de
politie behoort.
Snel aangifte doen vinden de politie en ik belangrijk. De politie heeft
hier de afgelopen tijd ook extra inzet op gepleegd. Ondanks deze
algemene inzet op het faciliteren van het zo snel mogelijk aangifte
kunnen doen zullen zich altijd situaties voordoen waarin niet dezelfde
dag aangifte kan worden gedaan. Naast snelheid dient immers ook
kwaliteit en zorgvuldigheid geborgd te worden. De aangifte is een
cruciale stap in het opsporings- en vervolgingstraject. Daar waar
geprioriteerd moet worden in het opnemen van aangiftes moet rekening
gehouden worden met de individuele situatie van het slachtoffer dat
aangifte wil doen en de ernst van het delict.
Vragen van het lid Nispen, M. (SP)
Vraag:
De minister van Justitie en Veiligheid heeft ooit gezegd: “er zijn zelfs
voorzieningen zoals de griffierechten die de laatste jaren bewust zo
hoog zijn gemaakt dat mensen hun recht niet kunnen halen”. Graag een
reactie hierop van de minister voor Rechtsbescherming.
Antwoord:
In het griffierechtenstelsel is juist rekening gehouden met mensen met
lagere inkomens; zij betalen dan ook een verlaagd griffierecht.
Vragen van het lid Nispen, M. (SP)
Vraag:
Gaat de minister voorstellen doen om de griffierechten voor ondernemers
in het midden- en kleinbedrijf te verlagen?
Antwoord:
Het verlagen van het griffierechtentarief (met 30%) voor vorderingen
tussen de 500 en 1500 euro kost 18 miljoen. In het griffierechtenstelsel
geldt één griffierechtentarief voor vorderingen tussen de 500 euro en
12.500 euro. Dat betekent dat eenzelfde bedrag aan griffierecht wordt
betaald voor het voorleggen aan de rechter van een vordering van €
500 als voor een vordering van € 12.500. Overigens gaat het bij
het MKB vaak niet om rechtspersonen en betalen zij het lagere tarief van
€ 223 voor natuurlijke personen (o.a. zzp-ers). Ik zie daarin geen
redenen om voorstellen te doen het griffierecht te verlagen.
Vragen van het lid Nispen, M. (SP)
Vraag:
Waarom worden er geen plannen aangekondigd om fraude beter te
bestrijden? De indruk bestaat nu dat de aanpak van
witteboordencriminaliteit geen prioriteit is. Graag een reactie
hierop.
Antwoord:
In de begroting 2018 is neergelegd dat het voorkomen en bestrijden van
verschillende vormen van fraude ook in 2018 een belangrijk aandachtspunt
is. Om het delen van gegevens tussen overheidsorganisaties en waar
mogelijk met private partijen in het kader van de fraudebestrijding te
bevorderen, werkt het kabinet aan een wet voor de gegevensverwerking in
samenwerkingsverbanden die wettelijke belemmeringen moet wegnemen voor
uitwisseling van informatie. Ook de versterking van de aanpak van fraude
tegen burgers en bedrijven (zogenaamde horizontale fraude) wordt in 2018
voortgezet. Kern van die aanpak is de preventie van fraude door het
vergroten van de weerbaarheid en bewustwording van mogelijke
slachtoffers en het opwerpen van barrières die het plegen van bepaalde
vormen van fraude lastiger of zelfs onmogelijk maken zoals het blokkeren
van bankrekeningen en het offline halen van websites. Ook hier is
publiek-private samenwerking van essentieel belang. Publieke en private
partners hebben hiertoe onder andere afspraken gemaakt binnen het
Nationaal Platform Criminaliteitsbeheersing (NPC) en daar waar aan de
orde in andere publiek-private samenwerkingsverbanden voor wat betreft
specifieke thema’s zoals internetfraude en verzekeringsfraude. De hoge
prioriteit van het kabinet voor de fraudebestrijding vertaalt zich ook
in een stijging van het aantal strafzaken horizontale fraude. In de
Veiligheidsagenda 2015–2018 is de afspraak opgenomen dat de regionale
eenheden van de politie in 2018, 2300 verdachten van fraudezaken bij het
OM zullen aanleveren, 400 meer dan in 2017. Wat de aanpak van zogenaamde
witteboordencriminaliteit betreft wijs ik erop dat deze onder meer vorm
krijgt door de aanpak op het terrein van fiscale fraude en als onderdeel
van de geïntensiveerde integrale aanpak van ondermijning.
Vragen van het lid Nispen, M. (SP)
Vraag:
Is de minister bereid om verschillende experimenten met gereguleerde
wietteelt toe te staan in plaats van een uniform experiment in
verschillende gemeenten?
Antwoord:
Ik ben in overleg met de minister voor Medische Zorg ter
voorbereiding van wetgeving die experimenten met een gesloten
coffeeshopketen mogelijk maakt. De voorwaarden voor de inrichting van de
experimenten zijn dus nog niet bepaald en vergen nader overleg ook met
andere betrokken partijen.
Vragen van het lid Nispen, M. (SP)
Vraag:
Onze politieagenten moeten vertrouwen op hun leiding en het ministerie.
Hoe wordt ervoor gezorgd dat zij goede werkomstandigheden hebben? Hoe
moeten zij erop vertrouwen dat ze niet langer door moeten werken?
Antwoord:
Politieambtenaren gaan met regelmaat naar gevaarlijke of anderszins
ingrijpende situaties om te zorgen voor de handhaving van de rechtsorde
of het verlenen van hulp aan hen die dat behoeven. Dit schept een extra
verantwoordelijkheid voor de werkgever, met bijzondere aandacht voor
veilig en gezond werken. Bij Veilig en Gezond Werken (VGW) gaat niet
alleen om het behandelen en voorkomen van klachten, maar ook om het
bevorderen van gezondheid en welzijn. Eerder ingezette instrumenten en
beleid met betrekking tot veilig en gezond werken wordt gecontinueerd en
waar nodig verbeterd. Te denken valt in dit kader aan de extra
investering in de PTSS-aanpak die door de korpsleiding is toegezegd,
weerbaarheidstrainingen, voortzetting van het zogenoemde 24/7 Loket en
het onafhankelijk zorgloket waar politiemedewerkers en gezinsleden
terecht kunnen voor vragen op psychosociaal gebied. De politie heeft
VGW-teams, waarbinnen diverse expertises werkzaam zijn, zoals
psychologen, bedrijfsmaatschappelijk werkers, e.d. en er zijn collegiale
opvangteams, die zorgen voor ‘nulde-lijns’ personeelszorg voor collega’s
die heftige gebeurtenissen in het werk hebben meegemaakt. Om optimaal
recht te kunnen doen aan de genoemde werkgeversverantwoordelijkheid,
wordt de bijzondere zorg ten behoeve van politiemedewerkers van een
wettelijke borging voorzien in het Besluit algemene rechtspositie
politie (Barp). Deze zorg ziet zowel op preventie als op (na)zorg. Het
VGW-beleid is een terugkerend thema in het overleg met de
politie-vakorganisaties. Laatstelijk is hiervoor in het
Arbeidsvoorwaardenakkoord 2015-2017 een flinke aanzet gegeven.
Flankerend wordt gewerkt aan maatregelen gericht op duurzame
inzetbaarheid. Het is echter onvermijdelijk dat ook politiemedewerkers
langer door zullen moeten werken.
Vragen van het lid Nispen, M. (SP)
Vraag:
Hoe gaat de minister de belofte waarmaken dat de situatie voor
gevangenispersoneel wordt verbeterd nu hiervoor maar 25 mln. per jaar
beschikbaar is? Als blijkt dat er meer geld nodig is om de veiligheid
van gevangenispersoneel te waarborgen, staat dan het geld voorop of hun
veiligheid?
Antwoord:
De vakbonden, de Centrale Ondernemingsraad en de Hoofddirecteur van de
Dienst Justitiële Inrichtingen hebben op 28 november jl. het convenant
‘Werken aan een solide personeelsbeleid’ ondertekend. Dit convenant voor
het gevangenispersoneel vloeit voort uit afspraken gemaakt in het
Regeerakkoord. Voor de komende vier jaar wordt in totaal € 100 miljoen.
vrijgemaakt uit het eigen vermogen van de Dienst Justitiële Inrichting
(DJI) om de afspraken uit te voeren. Hiermee wordt volgens mij en de
ondertekenaars van het convenant een adequate investering gedaan in het
verbeteren van het vakmanschap van het DJI-personeel, het verlichten van
de werkdruk en het vergroten van de veiligheid.
Vragen van het lid Nispen, M. (SP)
Vraag:
Voor volgend jaar is minimaal € 1,5 miljoen nodig voor mediation in het
strafrecht. Waarom zouden we hierop bezuinigen?
Antwoord:
Ook ik ben van mening dat mediation in het strafrecht een zinvolle
toevoeging kan zijn waarvan de uitkomst kan worden meegenomen bij de
afdoening van de zaak door een officier van justitie of een rechter. In
het regeerakkoord is opgenomen dat wordt bekeken of herstelrecht,
waaronder mediation in strafrecht, een prominentere rol kan krijgen. Ik
zal een amendement op dit onderwerp in het debat van een oordeel
voorzien.
Vragen van het lid Nispen, M. (SP)
Vraag:
De minister van Justitie en Veiligheid schrijft in zijn boek 'Rafels aan
de Rechtsstaat': "voor een gerespecteerde overheid is het noodzakelijk
dat overheidsberoepen in de middenklasse, in onderwijs, zorg en bij de
politie, meer aanzien en waardering en dus betere arbeidsvoorwaarden en
loopbaanperspectieven krijgen dan nu het geval is." Graag een reactie
van de minister op deze uitspraak.
Antwoord:
Dit boek heb ik geschreven in een andere rol, in een andere tijd. Nu
spreek ik in mijn nieuwe rol als minister van Justitie en Veiligheid. De
looptijd van het huidige arbeidsvoorwaardenakkoord eindigt dit
kalenderjaar. Op dit moment wordt de werkgeversinzet ten behoeve van
nieuwe cao-onderhandelingen voorbereid. U zult begrijpen dat ik geen
inhoudelijke uitspraken over de cao 2018 en verder kan doen totdat er
een akkoord ligt. Inhoudelijke uitspraken hierover zouden het proces van
onderhandelen schaden.
Vragen van het lid Nispen, M. (SP)
Vraag:
Waarom wordt voor derde keer achter elkaar de subsidie voor Stichting
Geschillencommissie voor Consumentenzaken (SGC), meldpunt Kinderporno,
Sektesignaal en de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak (NVvR)
gekort? Er was eerst structurele financiering voor deze organisaties,
waarom is deze er niet meer en moet de Kamer dit weer via amendementen
oplossen?
Antwoord:
De beslissing om subsidies stop te zetten of te verlagen is ingegeven
door de algehele financiële situatie binnen het departement en de
noodzaak om keuzes te maken. Bij de begrotingsbehandeling vorig jaar is
voor het jaar 2017 een aantal amendementen aangenomen waarmee
subsidieverlagingen aan genoemde organisaties incidenteel zijn
geschrapt. Deze middelen zijn gevonden in het niet doorgaan van de Wet
organisatie hoogste bestuursrechtspraak. De meerjarige vrijval vanwege
het niet doorgaan van dit wetsvoorstel is bij de Voorjaarsnota 2017
gebruikt als dekking voor meerjarige uitvoeringsproblematiek op de
JenV-begroting en verwerkt in de eerste suppletoire begroting 2017.
Tijdens het debat zullen we op het ingediende amendement ingaan.
Vragen van het lid Nispen, M. (SP)
Vraag:
Hoe staat het met de uitwerking van het SP-voorstel van vorig jaar om
justitiële dwalingen makkelijker te herstellen?
Antwoord:
Bij de Wet hervorming herziening ten voordele zijn in 2012 de
mogelijkheden verruimd om een gerechtelijke dwaling recht te kunnen
zetten. Er zijn mogelijkheden geschapen voor nader onderzoek naar een
“novum” en bovendien kunnen ook deskundigeninzichten die een nieuw licht
op de zaak werpen, een novum opleveren. Binnenkort zal de evaluatie van
deze wet starten. Mijn ambtsvoorganger heeft tijdens de vorige
begrotingsbehandeling toegezegd dat bij dat onderzoek de aandachtspunten
zullen worden betrokken die de heer Van Nispen bij die gelegenheid heeft
geformuleerd.
Vragen van het lid Nispen, M. (SP)
Vraag:
De reactie op het eindrapport van commissie Van der Meer van de minister
is slap. Er is meer geld nodig voor de rechtsbijstand. De minister zegt
dat hij gaat overleggen over hoe de bezuinigingen worden doorgevoerd. De
minister staat niet voor de rechtzoekenden. U bent toch niet de minister
van rechtsongelijkheid? Waarom maakt de minister deze keuze?
Antwoord:
Het regeerakkoord geeft mij een heldere opdracht. Het stelsel wordt
herzien binnen het budgettaire kader. Ik sta daar vierkant achter. In
internationaal perspectief mag het budgettaire kader ruim worden
genoemd. Ik zie mogelijkheden om binnen dat budgettaire kader zodanige
keuzes te maken dat burgers toegang hebben tot adequate rechtsbijstand
én rechtsbijstandsverleners een redelijk inkomen hebben. Daar ga ik de
komende periode met alle betrokken partijen werk van maken. Ik herken me
daarom niet in de notie dat ik een uitrookbeleid zou voeren.
Vragen van het lid Nispen, M. (SP)
Vraag:
Toegang tot het recht betekent dat het recht ook nabij moet zijn, bij
voorkeur in de buurt. De spreekuurrechter is hier een voorbeeld van:
samen met de betrokkene wordt dan gezocht naar de beste oplossing. Wil
de minister zich hierdoor laten inspireren? Het lijkt erop dat dit mooie
project wordt tegengewerkt.
Antwoord:
In het regeerakkoord is opgenomen dat er ruimte moet komen voor de
rechter om te experimenteren met eenvoudige procedures die partijen bij
elkaar brengen en conflicten niet op de spits drijven. Hiervoor komt
wetgeving die experimenten mogelijk maakt. Bij het vormgeven van pilots
buurtrechter zal de pilot spreekuurrechter zeker als inspiratie kunnen
dienen. Ook ervaringen met andere pilots zullen als inspiratie kunnen
dienen. Ik verwijs naar het antwoord op de vraag van het lid Groothuizen
(D66) voor het signaal dat overheidsinstanties niet mee willen werken
aan het project.
Vragen van het lid Dijk, J.J. van (SP)
Vraag:
Deelt u de mening dat vluchtelingen niet naar Libië teruggestuurd mogen
worden? Is dit in strijd met het non-refoulement? Wilt u een eind maken
aan het terugsturen van vluchtelingen?
Antwoord:
Op dit moment worden geen vluchtelingen teruggestuurd naar Libië door de
Europese Unie. In het kader van de wettelijke taak voert de Libische
kustwacht controles uit over de territoriale wateren van Libië en
coördineert het reddingsoperaties in het door Libië afgekondigde
opsporings- en reddingsgebied. Wanneer de Libische Kustwacht in dit
kader drenkelingen redt, ligt het in de rede dat zij door de Libische
kustwacht aan wal worden gebracht. Met het oog op de behandeling van
geredde migranten door de Libische Kustwacht en de Libische autoriteiten
worden hen trainingen aangeboden waar het respecteren van mensenrechten
expliciet onderdeel van uitmaakt.
Vragen van het lid Dijk, J.J. van (SP)
Vraag:
Graag een reactie op het voorstel om nu geen migranten terug te sturen
naar Afghanistan.
Antwoord:
Bij brief van 23 februari 2017 van mijn voorganger is de Kamer
geïnformeerd over het landgebonden asielbeleid voor Afghanistan,
gebruikmakend van het ambtsbericht over Afghanistan van 15 november
2016. In deze brief is aangegeven dat er sprake is van een zorgelijke
situatie in Afghanistan. Er kan echter niet worden gesproken van een
dusdanig uitzonderlijke situatie dat heel, of delen van, Afghanistan
voor iedereen onveilig zijn, onafhankelijk van individuele achtergrond
of persoonlijk relaas. De zorgelijke veiligheidssituatie was echter wel
reden om een groot aantal groepen in het beleid als risicogroep en/of
kwetsbare minderheidsgroep aan te merken. Dit zijn de volgende
groepen:
Personen die actief zijn in de politiek, journalistiek of op het gebied van de mensenrechten, die werkzaam zijn voor non-gouvernementele organisaties of het justitieel apparaat;
Vrouwen werkzaam in de publieke arena (met name ngo’s, als journalist, bij ministeries, in het onderwijs, de gezondheidszorg en de rechterlijke macht);
Vreemdelingen die afkomstig zijn uit een leefgebied waar zij tot een (gemarginaliseerde) etnische minderheid behoren, die aldaar ernstige problemen ondervindt;
Vreemdelingen die afkomstig zijn uit een leefgebied waar zij tot een (gemarginaliseerde) religieuze minderheid behoren, die aldaar ernstige problemen ondervindt;
Niet-Moslims, vooral bekeerlingen (tot het Christendom bekeerden), afvalligen, Christenen, Bahai en Sikhs/Hindoes;
LHBT’s.
Ook personen buiten deze groepen kunnen in aanmerking komen voor
asiel indien de noodzaak voor bescherming blijkt uit het individuele
relaas.
Onlangs heeft Amnesty International een rapport uitgebracht over de
terugkeer naar Afghanistan. Hierin zijn verschillende verhalen
opgetekend van personen die vanuit diverse Europese landen (waaronder
Nederland) zijn teruggekeerd naar Afghanistan. Het rapport vormt voor
mij geen aanleiding om het beleid ten aanzien van Afghanistan aan te
passen omdat het niet leidt tot de conclusie dat het beeld geschetst in
het ambtsbericht van Buitenlandse Zaken niet langer correct is. Ook de
jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
of het Europese Hof voor de rechten van de Mensen geeft geen
aanleiding om het beleid onjuist of onzorgvuldig te achten.
Dat er voor Nederlandse ingezeten een negatief reisadvies is afgegeven
doet hier eveneens niet aan af. Een reisadvies van het ministerie van
Buitenlandse Zaken is een advies aan Nederlandse ingezetenen. Die kunnen
in een ander land in een andere situatie verkeren dan de eigen inwoners
van dat land. Dat ik aan mijn collega van Buitenlandse Zaken heb
gevraagd in 2018 te komen met een nieuw ambtsbericht over de
veiligheidssituatie in Afghanistan is dan ook niet omdat ik meen dat de
Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) op dit moment niet zorgvuldig
kan beslissen. Het betreft primair een periodiek verzoek om
actualisering zoals dat gebruikelijk is bij alle belangrijke
asielherkomstlanden. Ik zie dan ook geen reden een besluit- of
vertrekmoratorium voor Afghaanse asielzoekers in te stellen.
Vragen van het lid Dijk, J.J. van (SP)
Vraag:
Deelt de staatssecretaris de mening dat, om tot een realistisch
migratiebeleid te komen, de grondoorzaken (armoede, oorlog, gebrek aan
perspectief, foute handel) moeten worden aangepakt?
Antwoord:
Ja, dit maakt onderdeel uit van de integrale aanpak die ik samen met de
ministers van Buitenlandse Zaken en voor Buitenlandse Handel en
Ontwikkelingssamenwerking uitvoer. De geïntegreerde aanpak van het
realistische migratiebeleid van dit kabinet bestaat uit het aanpakken
van de grondoorzaken voor migratie, de bestrijding van irreguliere
migratie en in het bijzonder mensensmokkel, het bevorderen van reguliere
migratie en het verbeteren van de medewerking met herkomstlanden aan
(gedwongen) terugkeer.
Vragen van het lid Dijk, J.J. van (SP)
Vraag:
Gaat de staatssecretaris de deals met Turkije en Libië als voorbeeld
nemen voor nieuwe deals? Hoe gaat hij er voor zorgen dat nieuwe deals
wel in lijn zijn met internationaal recht en mensenrechten? Welke landen
heeft de staatssecretaris voor ogen om deals mee te sluiten? Is de
Staatssecretaris van plan om vooraf onderzoek te doen naar de situatie
met betrekking tot mensenrechten in die landen? En staat de
staatssecretaris open voor onafhankelijk onderzoek op dit gebied?
Antwoord:
Al langer is er sprake van een inzet op brede partnerschappen met derde
landen, vooral via de EU. Zo wordt bijvoorbeeld gewerkt aan het
verbeteren van opvang in de regio, het wegnemen van de grondoorzaken, de
aanpak van mensensmokkel en terugkeer. Daarnaast verkennen we
mogelijkheden om afspraken te maken voor een veilige opvang en
bescherming in de regio. Dit voorkomt de risicovolle tocht door woestijn
en over zee en het ondermijnt bovendien de meedogenloze
mensensmokkelaars. Uiteraard moeten deze in lijn zijn met internationale
afspraken en kaders en daarmee materieel voldoen aan de voowaarden van
het Vluchtelingenverdrag. Daarbij is het van belang dat deze landen mee
willen werken en migranten daar veilig zijn, vluchtelingen geen
slachtoffer worden van refoulement en vluchtelingen een asielverzoek in
kunnen dienen bij een bevoegde autoriteit. Dat kan overigens ook de
United Nations High Commissioner for Refugees (UNHCR) zijn. Op dit
moment wordt niet gesproken met specifieke landen over
migratieovereenkomsten. Belangrijk is om per land het onderscheid te
maken en oog te hebben voor de lokale omstandigheden. Mede door de
EU-Turkije Verklaring vindt al veelvuldig onafhankelijk onderzoek plaats
naar samenwerking tussen landen op het gebied van migratie. Dergelijke
onderzoeken worden ook door de Nederlandse overheid financieel
gesteund.
Vragen van het lid Dijk, J.J. van (SP)
Vraag:
Voldoet de Turkijedeal materieel aan het Vluchtelingenverdrag?
Antwoord:
Alle migranten in Turkije, ongeacht hun nationaliteit hebben de
mogelijkheid om een asielaanvraag in te dienen. Turkije is hier immers
toe verplicht op grond van het VN-Vluchtelingenverdrag en de eigen
Turkse nationale wet op Buitenlanders en Internationale Bescherming. Met
deze eigen nationale wetgeving wordt een effectieve oplossing geboden
voor de geografische beperking die Turkije toepast op het VN
Vluchtelingenverdrag. Ook is Turkije op basis van het Verdrag en de
eigen wet gehouden aan het principe van non-refoulement. Personen die in
Turkije een vluchtelingenstatus krijgen, hebben volgens de Turkse
wetgeving rechten vergelijkbaar aan de rechten die volgen uit het VN
Vluchtelingenverdrag. Turkije voldoet wat dat betreft aan de vereisten
van het VN Vluchtelingenverdrag.
Vragen van het lid Dijk, J.J. van (SP)
Vraag:
Hoe denkt u dat het bezuinigen op de rechtsbijstand de lange duur van
asielprocedures kan verkorten en doorprocederen kan voorkomen?
Antwoord:
In het regeerakkoord is aangegeven dat rechtsbijstand alleen nog zal
worden verstrekt na een voornemen tot afwijzing van een asielaanvraag.
De EU-regelgeving biedt hiervoor ruimte. Het wegvallen van de
rechtsbijstand in deze fase scheelt in de planning van het proces en
spaart onder meer tolkeninzet en reisbewegingen van de asielzoeker uit.
We zullen deze maatregel zorgvuldig uitwerken met consultatie van de
beroepsgroep.
Vragen van het lid Dijk, J.J. van (SP)
Vraag:
Deelt de staatssecretaris de mening dat het opkopen door bewoners van
een pand in Den Helder - dat bestemd was voor statushouders - een
schaamteloze actie was?
Antwoord:
Ik stel voorop dat dit geen illegale actie betrof en dat ik het verder
wil overlaten aan het lokaal bestuur om hier een oordeel over te vellen.
Ik voeg hier echter wel aan toe dat ik het betreur dat deze private
actie lokale democratische besluitvorming heeft gefrustreerd.
Vragen van het lid Dijk, J.J. van (SP)
Vraag:
Deelt de staatssecretaris de mening dat het onmogelijk is om aan de
meewerkcriteria van het kinderpardon te voldoen en dat het pardon
daarmee een dode letter is?
Antwoord:
De definitieve regeling heeft naar zijn aard betrekking op een klein
aantal personen. Dit is er onder meer in gelegen dat de vreemdeling moet
hebben meegewerkt aan zijn terugkeer. Het niet stellen van deze
voorwaarden ondermijnt het terugkeerbeleid. Het niet meewerken aan
vertrek zou in dat geval op den duur immers kunnen leiden tot een
verblijfsvergunning. Dat is een onwenselijk signaal. De voorwaarde
meewerken aan vertrek is zo ingevuld dat deze recht doet aan de aard van
de regeling en tegelijkertijd het terugkeerbeleid niet ondermijnt.
Daarbij wordt ook gekeken naar de stappen die in redelijkheid kunnen
worden verlangd van de vreemdeling. Ik verwacht daarom van de
vreemdeling dat hij zijn identiteit en nationaliteit kan aantonen en
actief werkt aan vertrek uit Nederland. Daarvoor moet hij:
de gang naar de eigen autoriteiten hebben gemaakt om een reisdocument aan te vragen; en
zich hebben gewend tot de International Organisation for Migration (IOM); en
om facilitering hebben gevraagd van de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V).
Ik acht dit redelijke voorwaarden waaraan kan worden getoetst of de
vreemdeling serieuze pogingen heeft ondernomen om Nederland te verlaten,
of hij daarbij alle stappen heeft gezet die redelijkerwijs van hem
verlangd kunnen worden en dat het niet aan hemzelf is te wijten dat het
desondanks niet gelukt is om te vertrekken.
Vragen van het lid Kuiken, A.H. (PvdA)
Vraag:
Er is erkend dat er veel mis is gegaan in de Hoornse zedenzaak, maar er
zijn nog veel openstaande vragen: waarom werd het slachtoffer niet
direct geloofd? Waarom is er niet direct actie ondernomen? Waarom heeft
het slachtoffer zelf de dader moeten opsporen? Dit is onacceptabel,
graag een reactie van het kabinet.
Antwoord:
Ik heb u bij brief van 22 november jl. geinformeerd over het onderzoek
van de Inspectie van Justitie en Veiligheid naar de Hoornse zedenzaak.
De eenheid heeft erkend dat er zaken niet goed zijn gegaan in deze casus
en er zijn verbetermaatregelen getroffen.
Vragen van het lid Kuiken, A.H. (PvdA)
Vraag:
Is het kabinet bereid te komen tot een landelijk onderzoek naar
aangiften van slachtoffers van misbruik, waarin wordt gekeken naar de
bejegening van slachtoffers, aanwezige expertise en hoe we landelijk de
aanpak van dergelijke aangiften kunnen verbeteren?
Antwoord:
Ik heb in mijn brief van 24 november jongstleden over ongewenst seksueel
gedrag, seksuele intimidatie en seksueel geweld uiteengezet hoe het
aangifteproces bij zedendelicten in de praktijk wordt vormgegeven.
Daarbij ga ik in op de genoemde aspecten, zoals bejegening van
slachtoffers en aanwezige expertise. In die brief kondig ik ook een
onderzoek aan naar welke verbeteringen in het strafproces bij zedenzaken
wenselijk en haalbaar zijn.
Vragen van het lid Kuiken, A.H. (PvdA)
Vraag:
Kan het niet-bestede geld dat is gereserveerd voor mediation in het
strafrecht in 2017 overgeheveld worden naar het budget van volgend
jaar?
Antwoord:
Op dit moment is nog niet exact bekend welk bedrag van het
mediationbudget in 2017 overblijft. Indien er dit jaar nog
verplichtingen worden aangegaan die pas in 2018 tot uitbetaling komen,
kan er budget worden overgeheveld naar 2018. Voor dergelijke overlopende
verplichtingen is de eindejaarsmarge bedoeld. Als er na het voldoen aan
deze overlopende verplichtingen nog eindejaarsmarge resteert, zal de
besteding hiervan onderwerp zijn van de besluitvorming in het kabinet
over de Voorjaarsnota 2018.
Vragen van het lid Kuiken, A.H. (PvdA)
Vraag:
Wil de minister het voorstel om twee jaar na het opleggen van een
celstraf alsnog de behandelmaatregel terbeschikkingstelling op te kunnen
leggen serieus nemen en bekijken hoe dit gerealiseerd kan worden?
Antwoord:
De heer Van Oosten en mw. Kuiken hebben de mogelijkheid bepleit om na
twee jaar detentie alsnog TBS op te leggen, wanneer dit tijdens het
strafproces niet mogelijk was omdat de verdachte weigerde mee te werken
aan een psychiatrisch onderzoek. Ik heb de daarop volgende discussie in
uw Kamer over weigerende observandi nauwlettend gevolgd, want de
problematiek rondom de weigerende observandi gaat ook mij aan het hart.
De schrijnende zaak van Anne Faber heeft opnieuw aangetoond hoe urgent
dit is. Het mag niet zo zijn dat een gevaarlijke stoornis onbehandeld
blijft omdat je niet meewerkt aan een pro-justitia rapportage. Mensen
kunnen niet worden gedwongen mee te werken aan hun eigen veroordeling.
Maar je kunt wel kijken of je de veroordeling minder afhankelijk kunt
maken van de medewerking van de verdachte. Daarom onderzoek ik op dit
moment in de volle breedte welke maatregelen aan een oplossing kunnen
bijdragen, naast de interventies die al zijn getroffen en worden
ingevoerd. Ik noem de regeling inzake de weigerende observandi, in het
wetsvoorstel Forensische Zorg, en de pilot die nu loopt in het Pieter
Baan Centrum om verdachten langer en anders te observeren. Dat zijn twee
nuttige reeds bestaande initiatieven. Ik wacht het precieze effect niet
af, want in mijn ogen is er meer nodig. Daarom kijk ik ook naar
maatregelen buiten de huidige wet- en regelgeving. Ook het
voorstel van de heer Van Oosten en mw. Kuiken zal ik beoordelen op
bruikbaarheid en uitvoerbaarheid. Ik zal hierop ingaan in de brief over
de weigeraars-problematiek, die ik uw Kamer voornemens ben te sturen in
de eerste maanden van 2018. De suggestie van mevrouw Van Toorenburg om
het tweefasen-proces, waarover mijn ambtsvoorganger overigens al
uitvoerig met de Kamer van gedachten heeft gewisseld, zal ik er ook in
betrekken.
Vragen van het lid Kuiken, A.H. (PvdA)
Vraag:
Burgemeesters weten het best wat er speelt in hun gemeenten. Waarom
kiest het kabinet er niet voor om de wietproef samen met gemeenten te
doen?
Antwoord:
Buiten de kaders die in het regeerakkoord zijn opgenomen zijn de
voorwaarden voor de inrichting van de experimenten nog niet bepaald.
Uiteraard ga ik hierover in gesprek met gemeenten.
Vragen van het lid Kuiken, A.H. (PvdA)
Vraag:
Is de staatssecretaris bereid de uitzettingen naar Afghanistan op te
schorten? In ieder geval tot het moment waarop het nieuwe landenrapport
over Afghanistan is verschenen.
Antwoord:
Bij brief van 23 februari 2017 van mijn voorganger is de Kamer
geïnformeerd over het landgebonden asielbeleid voor Afghanistan,
gebruikmakend van het ambtsbericht over Afghanistan van 15 november
2016. In deze brief is aangegeven dat er sprake is van een zorgelijke
situatie in Afghanistan. Er kan echter niet worden gesproken van een
dusdanig uitzonderlijke situatie dat heel, of delen van, Afghanistan
voor iedereen onveilig zijn, onafhankelijk van individuele achtergrond
of persoonlijk relaas. De zorgelijke veiligheidssituatie was echter wel
reden om een groot aantal groepen in het beleid als risicogroep en/of
kwetsbare minderheidsgroep aan te merken. Dit zijn de volgende
groepen:
Personen die actief zijn in de politiek, journalistiek of op het gebied van de mensenrechten, die werkzaam zijn voor non-gouvernementele organisaties of het justitieel apparaat;
Vrouwen werkzaam in de publieke arena (met name ngo’s, als journalist, bij ministeries, in het onderwijs, de gezondheidszorg en de rechterlijke macht);
Vreemdelingen die afkomstig zijn uit een leefgebied waar zij tot een (gemarginaliseerde) etnische minderheid behoren, die aldaar ernstige problemen ondervindt;
Vreemdelingen die afkomstig zijn uit een leefgebied waar zij tot een (gemarginaliseerde) religieuze minderheid behoren, die aldaar ernstige problemen ondervindt;
Niet-Moslims, vooral bekeerlingen (tot het Christendom bekeerden), afvalligen, Christenen, Bahai en Sikhs/Hindoes;
LHBT’s.
Ook personen buiten deze groepen kunnen in aanmerking komen voor
asiel indien de noodzaak voor bescherming blijkt uit het individuele
relaas,
Onlangs heeft Amnesty International een rapport uitgebracht over de
terugkeer naar Afghanistan. Hierin zijn verschillende verhalen
opgetekend van personen die vanuit diverse Europese landen (waaronder
Nederland) zijn teruggekeerd naar Afghanistan. Het rapport vormt voor
mij geen aanleiding om het beleid ten aanzien van Afghanistan aan te
passen omdat het niet leidt tot de conclusie dat het beeld geschetst in
het ambtsbericht van Buitenlandse Zaken niet langer correct is. Ook de
jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
of het Europese Hof voor de rechten van de Mensen geeft geen
aanleiding om het beleid onjuist of onzorgvuldig te achten. Dat er voor
Nederlandse ingezeten een negatief reisadvies is afgegeven doet hier
eveneens niet aan af. Een reisadvies van het ministerie van Buitenlandse
Zaken is een advies aan Nederlandse ingezetenen. Die kunnen in een ander
land in een andere situatie verkeren dan de eigen inwoners van dat land.
Dat ik aan mijn collega van Buitenlandse Zaken heb gevraagd in 2018 te
komen met een nieuw ambtsbericht over de veiligheidssituatie in
Afghanistan is dan ook niet omdat ik meen dat de Immigratie- en
Naturalisatiedienst (IND) op dit moment niet zorgvuldig kan beslissen.
Het betreft primair een periodiek verzoek om actualisering zoals dat
gebruikelijk is bij alle belangrijke asielherkomstlanden. Ik zie dan ook
geen reden een besluit- of vertrekmoratorium voor Afghaanse asielzoekers
in te stellen.
Vragen van het lid Kuiken, A.H. (PvdA)
Vraag:
Discriminatie binnen de politie is helaas een feit. Hoe zorgen we er
gezamenlijk voor dat de cultuurwijziging binnen de politie vorm
krijgt?
Antwoord:
Discriminatoir gedrag is uiteraard onacceptabel. Politiemedewerkers
moeten op een veilige manier hun werk kunnen doen, waar verschillen
juist erkend en gewaardeerd worden. De politie streeft daarom naar een
korps dat divers is opgebouwd. Alleen zo kunnen teams samen sterk staan
en in verbinding blijven met elkaar en met burgers in de samenleving.
Inmiddels heeft ruim 25 procent van de nieuwe instroom een dubbele
culturele achtergrond, verkregen door afkomst, levens- of werkervaring.
Een gevarieerd personeelsbestand draagt bij aan cultuurverandering. De
politie geeft de cultuurverandering echter via meerdere sporen vorm,
waarbij naast diversiteit, integriteit, leiderschap, inclusieve
werksfeer en elkaar aanspreken belangrijke pijlers zijn. We zijn er nog
niet, een cultuuromslag kost tijd.
Vragen van het lid Graaf, S.J.F. van der (CU)
Vraag:
Hoe gaat de minister de experimenten met de buurtrechter en
schuldenrechter vormgeven? Hoe ziet het tijdspad eruit?
Antwoord:
Ik ben met de rechtspraak in overleg hoe de aangekondigde pilots zo goed
mogelijk kunnen worden vormgegeven. Daarbij worden ook de ervaringen
betrokken die zijn opgedaan in pilots. Ook ervaringen in België met de
vrederechter zal ik hierbij betrekken. Voor eventuele knelpunten in de
wetgeving wordt een inschatting gemaakt hoe en op welke termijn die
kunnen worden opgelost. Ik streef ernaar in de eerste helft van volgend
jaar daadwerkelijk te starten met pilots. De pilots zullen worden
geëvalueerd en mede op basis daarvan wordt besloten hoe structurele
inbedding in het rechtsbestel aangewezen is. Bij die beslissing wordt
betrokken het nog te verrichten onderzoek van het WODC naar de
Vrederechter in België en Frankrijk en wat daarvan inpasbaar kan zijn in
het Nederlandse bestel.
Vragen van het lid Graaf, S.J.F. van der (CU)
Vraag:
Graag ontvang ik van de staatssecretaris een spoorboekje voor de
investering in de aanpak van mensenhandel en de daarvoor benodigde
wetgeving, zowel over de voorgenomen stappen als het voorziene
tijdspad.
Antwoord:
Bij de begroting van 2017 zijn structureel extra middelen beschikbaar
gesteld voor de politie en OM: € 2 miljoen per jaar voor
awarenesstraining van al het eerstelijns politiepersoneel, verbetering
van de informatiepositie op mensenhandel, en het certificeren van steeds
meer mensenhandelrechercheurs.Samen met mijn collega-bewindspersonen zet
ik in op een verdere intensivering van de aanpak over de gehele breedte
van deze problematiek. In afstemming met de betrokken partners werk ik
aan een plan van aanpak, om de maatregelen van het regeerakkoord te
concretiseren. In dit plan komen de strafrechtelijke en bestuurlijke
aanpak, opvang en ondersteuning, en verblijfsmatige aspecten samen. In
het plan zal ook aandacht zijn voor thema’s als de ondersteuning van
minderjarige slachtoffers, de versterking van de zorgcoördinatiefunctie
en de rol van gemeenten. Ook hiermee wordt de intensivering vormgegeven:
bijvoorbeeld doordat er vanuit de gemeenten en de zorgcoördinatoren meer
slachtoffers gesignaleerd worden. Meer signalering van slachtoffers
draagt op haar beurt ook bij aan meer opsporing van daders. Met het plan
van aanpak geef ik invulling aan het verzoek om een spoorboekje voor de
intensivering. Zoals aangekondigd in de brief die ik hierover gister
aan uw Kamer heb gestuurd, ben ik voornemens om uw Kamer begin 2018 over
dit plan te informeren. Enkele specifieke maatregelen zullen reeds in
gang worden gezet, bijvoorbeeld het plaatsen van liaisons in bronlanden
van mensenhandel. Ter uitvoering van het regeerakkoord wordt door de
minister voor justitie en veiligheid een wetsvoorstel voorbereid waarin
de introductie van een pooierverbod in het Wetboek van Strafrecht wordt
opgenomen. Daaraan wordt nu gewerkt. Er is tijd nodig om een gedegen
voorstel te formuleren, voor consultatie van betrokken organisaties en
voor de wettelijk voorgeschreven advisering. Ik streef ernaar om binnen
zes maanden een wetsvoorstel in consultatie te brengen.
Vragen van het lid Graaf, S.J.F. van der (CU)
Vraag:
Het overgrote deel (95%) van de gemeente heeft geen eigen gemeentelijk
beleid op het gebied van mensenhandel. Is de staatssecretaris bereid
hierover het gesprek met gemeenten te (blijven) voeren?
Antwoord:
Het merendeel van de gemeenten heeft wel beleid over mensenhandel
opgenomen in bijvoorbeeld integrale-of regionale veiligheidsplannen,
maar het overgrote deel heeft geen specifiek beleid. Ik blijf in gesprek
met de gemeenten om zicht te krijgen op de specifieke aanwezigheid van
mensenhandel in de gemeenten en de betrokkenheid van de gemeenten bij
mensenhandelaanpak te stimuleren en te faciliteren.
Vragen van het lid Graaf, S.J.F. van der (CU)
Vraag:
Veel medewerkers van het politiekorps zitten thuis met posttraumatische
stressstoornis (PTSS) klachten. Hoe gaat de minister dit probleem
aanpakken?
Antwoord:
In de afgelopen jaren is al veel bereikt bij de aanpak van
beroepsgerelateerde Posttraumatische stressstoornis (PTSS) bij de
politie. Er is een breed scala aan voorzieningen tot stand gebracht en
ook is de benodigde expertise binnen de politie aanwezig, zowel
gericht op PTSS-preventie als op (na)zorg. Hier is de Kamer in de
afgelopen jaren meerdere keren over geïnformeerd. Vanzelfsprekend wordt
dit beleid voortgezet en blijft daar een hoge prioriteit aan verbonden.
Dat wil uiteraard niet zeggen dat er geen verbeteringen aangebracht
kunnen worden in de aanpak van PTSS. In dit kader heeft de politie
afgelopen zomer besloten om meer middelen vrij te maken om agenten met
stressstoornissen (PTSS) te ondersteunen. Zo is de korpsleiding
voornemens om de capaciteit van het zogenoemde Meldpunt PTSS Politie uit
te breiden, zodat er meer mankracht komt om politiemensen met PTSS te
ondersteunen en te begeleiden. Voorts is het de bedoeling om
leidinggevenden te trainen met het oog op preventie. Tenslotte staat het
PTSS-beleid niet op zichzelf. Het is onderdeel van de bijzondere
zorgplicht die korpschef heeft voor zijn medewerkers. De bijzondere
zorgplicht komt voort uit het bijzondere karakter van het politiewerk,
waarin het evident is dat politiemedewerkers blootgesteld worden aan
ingrijpende gebeurtenissen. Juist daarom is het politiewerk erkend als
een hoog risico beroep. Zoals al eerder aan de Kamer is gemeld, wordt
deze bijzondere zorgplicht van een wettelijke borging voorzien, in de
politierechtspositie (Besluit algemene rechtspositie politie). Hiermee
zijn de aanspraken van medewerkers op bijzondere zorg – zoals in het
kader van PTSS – nog beter gewaarborgd. Op dit moment ben ik nog in
overleg met de politievakorganisaties, wiens instemming vereist is om de
wettelijke borging van de bijzondere zorgplicht te effectueren.
Vragen van het lid Graaf, S.J.F. van der (CU)
Vraag:
Hoe kijkt de minister aan tegen het amendement van CU/CDA ten aanzien
van geestelijke verzorging binnen de nationale politie en is hij bereid
om op korte termijn een brief te sturen met een plan van aanpak
hieromtrent?
Antwoord:
Ik ondersteun de noodzaak van een professionele voorziening in de
geestelijke verzorging bij de politie. Ik acht het daarbij van belang
deze voorziening vorm te geven passend bij de aard van het politiewerk
en de politieorganisatie. Het gekozen model is gebaseerd op het rapport
‘ZIN in politiewerk’ van de Rijksuniversiteit Groningen. Dit rapport
adviseert om de voorziening van geestelijke verzorging te richten op
zingevingskwesties die door het politiewerk worden opgeroepen, omdat
zingeving onlosmakelijk met het politiewerk is verbonden. Volgens het
rapport kan geloof of levensbeschouwing onderdeel zijn van zingeving,
maar beperkt het zich daar niet toe. Op basis van deze uitgangspunten is
thans een projectteam binnen de nationale politie aan de slag, enerzijds
als voorlopige voorziening om aan de huidige vraag naar geestelijke
verzorging binnen het korps te voldoen en anderzijds om een plan uit te
werken voor een structurele voorziening. Naar verwachting levert dit
projectteam in de loop van 2018 haar resultaten op en kan de politie
zich daarna richten op definitieve inrichting. Ik zal uw Kamer hierover
medio 2018 informeren. Het ingediende amendement beschouw ik als een
ondersteuning van dit beleid en van de aanpak. Ik wil daarom de
indieners bedanken voor hun betrokkenheid en steun de goede intentie van
dit amendement volledig.
Vragen van het lid Graaf, S.J.F. van der (CU)
Vraag:
Welke mogelijkheden ziet de minister om het aantal vrijwilligers bij de
politie op peil te houden?
Antwoord:
In het Regeerakkoord is geld vrijgemaakt voor een Meerjarenprogramma
Werven en Opleiden Politievrijwilligers, juist om te bevorderen dat
politievrijwilligers bij de politie blijven. Dit wordt ingezet om reeds
bij de politie werkzame vrijwilligers vanaf volgend jaar opleidingen te
bieden, waarmee hun doorgroei- en inzetmogelijkheden worden vergroot.
Dit is een wens die al langer onder vrijwilligers leeft. De korpsleiding
heeft in dat kader in oktober jl. goede afspraken over de verschillende
te volgen opleidingen gemaakt met de Landelijke Organisatie voor
Politievrijwilligers (LOPV). Wat ook zal bijdragen aan werving en behoud
van politievrijwilligers, is het zo veel mogelijk gelijk schakelen van
de rechtspositie met de beroepscollega’s. De rechtspositie van de
politievrijwilligers zullen daarom een plaats krijgen in dezelfde
regelingen als die van de beroepscollega’s. Inwerkingtreding is voorzien
voor 2018.
Vragen van het lid Graaf, S.J.F. van der (CU)
Vraag:
Hoe beoordeelt de minister de adviezen van de Raad voor
Strafrechttoepassing als het gaat om resocialisatie?
Antwoord:
Kortgeleden heeft de RSJ een rapport uitgebracht genaamd: ‘Van detineren
naar re-integreren’. Over dit rapport heeft u een beleidsreactie
ontvangen.
Uw Kamer heeft in verband met dit rapport op 7 december a.s. een
rondetafelgesprek gepland en aangegeven vervolgens een debat te willen
waarin wij verder spreken over resocialisatie.
Vragen van het lid Graaf, S.J.F. van der (CU)
Vraag:
Hoe werkt de minister het voornemen uit om geldstromen vanuit onvrije
landen te beperken?
Antwoord:
De mogelijkheden om geldstromen wettelijk in te perken worden momenteel
onderzocht. Een brief met een verkenning ontvangt u in het eerste
kwartaal van 2018.
Vragen van het lid Voordewind, J.S. (CU)
Vraag:
In de plannen van het kabinet krijgen asielzoekers pas rechtsbijstand
bij het voornemen tot afwijzing van de asielaanvraag. Welke
mogelijkheden ziet de staatssecretaris om asielzoekers alsnog goed voor
te bereiden op een voornemen tot afwijzing?
Antwoord:
Deze maatregel zal ik de komende tijd nader uitwerken. Bij die
uitwerking zal ik er oog voor hebben dat de asielzoeker voldoende goed
voorbereid het asielproces ingaat. Onder meer zal ik bekijken in
hoeverre de asielzoeker van aanvullende relevante informatie kan worden
voorzien.
Vragen van het lid Voordewind, J.S. (CU)
Vraag:
Bekeerlingen kunnen de doodstraf krijgen als zij terugkeren naar Iran.
Kan de staatssecretaris kijken hoe de beoordeling van bekeerlingen en
LHBTI’s verbeterd kan worden?
Antwoord:
De beoordeling van de geloofwaardigheid is lastig, dat geldt zeker voor
zaken waarin sprake is van een bekering, of voor zaken waarin de
vreemdeling stelt LHBT te zijn. De IND voert de beoordeling van de
geloofwaardigheid zo zorgvuldig mogelijk uit en heeft daartoe diverse
middelen ter beschikking, zoals opleidingen voor medewerkers en diverse
werkinstructies. De IND neemt ook schriftelijke verklaringen of adviezen
van deskundigen of belangenorganisaties mee in de besluitvorming en
heeft regelmatig contact met belangenorganisaties. Daarnaast is de
actualiteit van het onderwerp aanleiding geweest om het WODC te
verzoeken om in 2018 een studie uit te voeren teneinde te komen tot een
overzicht van best practices op het gebied van
geloofwaardigheidsbeoordelingen. Wellicht komen daar nog voorbeelden uit
naar voren die ook voor de IND toepasbaar zijn. Bij het bezien van de
mogelijkheden tot verbetering kan ook expertise van belangenorganisaties
gebruikt worden.
Vragen van het lid Voordewind, J.S. (CU)
Vraag:
Worden de gezinsherenigingsaanvragen nu zo snel mogelijk
weggewerkt?
Antwoord:
Uitgaande van een ongeveer gelijkblijvende asielinstroom, verwacht ik
dat in het voorjaar van 2018 de voorraad eerste aanleg nareisaanvragen
tot normaal niveau gedaald zal zijn.
Vragen van het lid Voordewind, J.S. (CU)
Vraag:
De veiligheidssituatie in Afghanistan verslechtert. De Verenigde Naties
spreekt over een oorlogsland. Is de staatssecretaris bereid om versneld
een veiligheidsanalyse te laten maken door het ministerie van
Buitenlandse Zaken en te laten onderzoeken of het land veilig genoeg is
om mensen naar terug te sturen? Is de staatssecretaris bereid om tot die
tijd terughoudend te zijn met het terugzending van mensen naar
Afghanistan?
Antwoord:
Bij brief van 23 februari 2017 van mijn voorganger is de Kamer
geïnformeerd over het landgebonden asielbeleid voor Afghanistan,
gebruikmakend van het ambtsbericht over Afghanistan van 15 november
2016. In deze brief is aangegeven dat er sprake is van een zorgelijke
situatie in Afghanistan. Er kan echter niet worden gesproken van een
dusdanig uitzonderlijke situatie dat heel, of delen van, Afghanistan
voor iedereen onveilig zijn, onafhankelijk van individuele achtergrond
of persoonlijk relaas. De zorgelijke veiligheidssituatie was echter wel
reden om een groot aantal groepen in het beleid als risicogroep en/of
kwetsbare minderheidsgroep aan te merken. Dit zijn de volgende
groepen:
Personen die actief zijn in de politiek, journalistiek of op het gebied van de mensenrechten, die werkzaam zijn voor non-gouvernementele organisaties of het justitieel apparaat;
Vrouwen werkzaam in de publieke arena (met name ngo’s, als journalist, bij ministeries, in het onderwijs, de gezondheidszorg en de rechterlijke macht);
Vreemdelingen die afkomstig zijn uit een leefgebied waar zij tot een (gemarginaliseerde) etnische minderheid behoren, die aldaar ernstige problemen ondervindt;
Vreemdelingen die afkomstig zijn uit een leefgebied waar zij tot een (gemarginaliseerde) religieuze minderheid behoren, die aldaar ernstige problemen ondervindt;
Niet-Moslims, vooral bekeerlingen (tot het Christendom bekeerden), afvalligen, Christenen, Bahai en Sikhs/Hindoes;
LHBT’s
Ook personen buiten deze groepen kunnen in aanmerking komen voor
asiel indien de noodzaak voor bescherming blijkt uit het individuele
relaas.
Onlangs heeft Amnesty International een rapport uitgebracht over de
terugkeer naar Afghanistan. Hierin zijn verschillende verhalen
opgetekend van personen die vanuit diverse Europese landen (waaronder
Nederland) zijn teruggekeerd naar Afghanistan. Het rapport vormt voor
mij geen aanleiding om het beleid ten aanzien van Afghanistan aan te
passen omdat het niet leidt tot de conclusie dat het beeld geschetst in
het ambtsbericht van Buitenlandse Zaken niet langer correct is. Ook de
jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
of het Europese Hof voor de rechten van de Mensen geeft geen
aanleiding om het beleid onjuist of onzorgvuldig te achten. Dat er voor
Nederlandse ingezeten een negatief reisadvies is afgegeven doet hier
eveneens niet aan af. Een reisadvies van het ministerie van Buitenlandse
Zaken is een advies aan Nederlandse ingezetenen. Die kunnen in een ander
land in een andere situatie verkeren dan de eigen inwoners van dat land.
Dat ik aan mijn collega van Buitenlandse Zaken heb gevraagd in 2018 te
komen met een nieuw ambtsbericht over de veiligheidssituatie in
Afghanistan is dan ook niet omdat ik meen dat de Immigratie- en
Naturalisatiedienst (IND) op dit moment niet zorgvuldig kan beslissen.
Het betreft primair een periodiek verzoek om actualisering zoals dat
gebruikelijk is bij alle belangrijke asielherkomstlanden. Ik zie dan ook
geen reden een besluit- of vertrekmoratorium voor Afghaanse asielzoekers
in te stellen.
Vragen van het lid Voordewind, J.S. (CU)
Vraag:
Is Nederland bereid om het aanbod van de Europese Commissie om 50.000
mensen te hervestigen uit te voeren? Staat dit los van het aantal
hervestigers vanuit Turkije en het Griekse eiland Lesbos?
Antwoord:
In de aanbiedingsbrief bij de geannoteerde agenda voor de JBZ-raad van 7
en 8 december is uw Kamer geïnformeerd over het aantal
hervestigingsplekken dat Nederland heeft toegezegd in het kader van het
verzoek van de Europese Commissie om in totaal 50.000 vluchtelingen te
hervestigen tot en met oktober 2019. Daar waar afspraken met
transitlanden en landen in conflictregio’s resulteren in een lagere
instroom, is het kabinet overeenkomstig het regeerakkoord bereid om in
toenemende mate hervestiging aan te bieden om de opvang in de regio te
ontlasten. Daarom heeft het kabinet besloten om naast het nationale
hervestigingsquotum (verhoogd van 500 naar 750 per jaar), de
hervestigingsinzet op grond van Europese migratieafspraken te
continueren tot een maximum van 1.000 in 2018 en 750 tot en met oktober
2019. De inzet op grond van Europese migratieafspraken betreft, gelet op
bovengenoemde criteria, vooralsnog enkel hervestiging in het kader van
de EU-Turkije Verklaring. De Nederlandse pledge voor de gehele periode
2018 tot en met oktober 2019 komt daarmee op 1.250 onder het nationaal
beleidskader en op 1.750 op grond van Europese migratieafspraken. Een
totaalinzet van Nederland van 3.000 op een EU-totaal van 50.000 is
proportioneel en fair. De overname door Nederland van
asielzoekers uit Griekenland betreft herplaatsing, geen
hervestiging. Daarbij is relevant dat de tijdsperiode waarop de Europese
herplaatsingsafspraken besluiten zien tot en met 26 september 2017 liep
en dat de Europese Commissie heeft aangegeven dat er voldoende Lidstaten
zijn die de nog resterende herplaatsingskandidaten van Griekenland
willen overnemen.
Vragen van het lid Voordewind, J.S. (CU)
Vraag:
Wat zijn de criteria en mogelijkheden binnen de bestaande kaders van het
huidige kinderpardon om hiervoor in alle redelijkheid in aanmerking te
komen?
Antwoord:
Laat ik vooropstellen dat ik het vraagstuk rond langdurig in Nederland
verblijvende kinderen een vraagstuk vind waar ik in de komende periode
mijn aandacht op wil richten om te voorkomen dat er steeds een nieuwe
groep langdurig verblijvende kinderen zonder rechtmatig verblijf
ontstaat. Bij die inzet zal ik het belang van het kind ook steeds een
prominente plek geven, zowel bij de inrichting van het beleid als de
uitvoering daarvan. In het regeerakkoord is aangegeven dat de regeling
voor langdurig in Nederland verblijvende kinderen in haar huidige vorm
gehandhaafd blijft. De uitgangspunten van die regeling veranderen dus
niet. Op grond van deze regeling wordt een vergunning verleend aan de
vreemdeling die jonger is dan 19 jaar op het moment van aanvraag, die
zelf (of ten behoeve van wie) tenminste vijf jaar voor het bereiken van
de leeftijd van 18 jaar een asielaanvraag heeft, dan wel is, ingediend,
die sinds die aanvraag tenminste vijf jaar in Nederland heeft verbleven,
die zich gedurende de periode van verblijf in Nederland niet langer dan
drie maanden heeft onttrokken aan het toezicht van de Rijksoverheid en
die - voor zover toepasselijk - vooraf schriftelijk heeft aangegeven dat
hij zijn lopende procedures intrekt. De vergunning wordt niettemin
afgewezen indien de vreemdeling (of één van zijn gezinsleden) een gevaar
vormt voor de openbare orde (inclusief artikel 1F van het
Vluchtelingenverdrag) of de nationale veiligheid, de vreemdeling
onderdaan is van een lidstaat van de EU/EER, de vreemdeling de
identiteit niet heeft kunnen aantonen door ondermeer het overleggen van
documenten en/of consistent en naar waarheid verklaren en antwoorden, de
vreemdeling niet actief heeft gewerkt aan zijn vertrek, of de
vreemdeling de Europese Unie aantoonbaar heeft verlaten of reeds houder
is van een andere verblijfsvergunning. Ik denk dat de huidige regeling
evenwichtig is wanneer je kijkt naar de voorwaarden daarvan. Ik sta voor
een correcte uitvoering van de regeling. Dat betekent dat elke aanvraag
op zorgvuldige wijze en op de individuele merites beoordeeld
wordt.
Vragen van het lid Krol, H.C.M. (50PLUS)
Vraag:
De aangiftebereidheid onder slachtoffers is laag. Heeft de minister
recente gegevens waarom deze aangiftebereidheid zo laag is? Wat gaat
deze minister doen om de aangiftebereidheid te verhogen? Is er wellicht
behoefte aan een speciale ‘aangifte-agent’, een medewerker die niet de
hele politieopleiding hoeft te volgen, maar die wel erg goed is in het
invullen van aangiftes?
Antwoord:
In 2016 heeft het WODC in opdracht van ambtsvoorganger onderzoek gedaan
naar aangiftebereidheid. De conclusie was dat dé aangiftebereidheid niet
bestaat, maar dat het sterk verschilt per type delict. Slachtoffers
maken een eigen kosten baten analyse. Het doen van aangifte is altijd
van belang. Daarom probeert de politie het doen van aangifte zo
laagdrempelig mogelijk te maken. Waar nodig worden agenten met
specifieke expertise ingezet voor het opnemen van een aangifte, zoals
bijvoorbeeld bij zedendelicten. Het aanstellen van een aangifte agent
gaat in tegen deze aanpak.
Vragen van het lid Krol, H.C.M. (50PLUS)
Vraag:
Hoe kan het dat er op 2,5 miljoen slachtoffers er maar slechts 100.000
verdachten zijn die zich moeten verantwoorden voor de rechter?
Antwoord:
Gebleken is dat het aantal slachtoffers hoger uitvalt in
slachtofferenquêtes dan in de aangiftecijfers. De reden is dat niet
iedereen die slachtoffer wordt, ook aangifte doet. Daarbij speelt mee
dat er sprake kan zijn van een gering feit of dat de schade reeds is
hersteld. Daarnaast kan het voorkomen dat een zaak die wel door de
politie in behandeling wordt genomen, niet leidt tot een veroordeling
door de rechter. Het onderzoek kan worden stopgezet omdat blijkt dat er
geen sprake is van een strafbaar feit of dat er onvoldoende
opsporingsindicatie is om het onderzoek voort te kunnen zetten. Ook
nadat een zaak bij het OM is aangeleverd kan de officier van justitie
besluiten om de verdachte niet verder te vervolgen (onvoorwaardelijk
sepot). Het OM kan daarnaast besluiten om een zaak buitengerechtelijk af
te doen door middel van een transactie of een strafbeschikking. Tot slot
kan het OM beslissen tot een voorwaardelijk sepot. De zaak wordt dan
onder voorwaarden niet verder vervolgd. Voldoet de verdachte niet aan de
voorwaarden, dan wordt alsnog overgegaan tot vervolging.
Vragen van het lid Krol, H.C.M. (50PLUS)
Vraag:
De burger krijgt de indruk dat overijverige Buitengewoon
opsporingsambtenaren (BOA’s) de ongevaarlijke burger bekeuren, terwijl
Justitie gevaarlijke criminelen met een fluwelen handschoen bejegent.
Heeft de minister grip op handhaving door BOA’s? Of is het aan de
gemeente om handhavingsbeleid te maken, en aan gemeenteraden om te
controleren? Krijgen we straks per gemeente een ander handhavingsregime?
Dat is toch rechtsongelijkheid? Kan de minister een overzicht geven van
de verschillen per gemeente in het handhavings- en boetebeleid door
BOA’s?
Antwoord:
Gemeenten stellen lokaal veiligheidsbeleid op. Hierbij is ook
ruimte voor lokale prioriteiten waarbij de handhaving vervolgens door de
politie dan wel, op een beperkt aantal feiten op het terrein van
leefbaarheid, door gemeentelijke boa’s kan plaatsvinden. In de praktijk
leveren politie en boa’s gezamenlijk een bijdrage aan de veiligheid en
leefbaarheid. Er bestaat bij JenV geen systematisch inzicht in het
handhavingsbeleid en prioriteiten bij de verschillende gemeenten.
Vragen van het lid Krol, H.C.M. (50PLUS)
Vraag:
Er zijn inmiddels zo'n 30.000 BOA's en 50.000 agenten. Ontstaat er zo
een gemeentelijke politie náást de Nationale Politie? De politie moest
toch juist nationaal? Klopt het dat er een boetequotum is voor Haagse
BOA’S? Hoe verhoudt de BOA’s wapenstok zich tot het geweldsmonopolie van
de politie? Graag een integrale visie op deze ontwikkelingen.
Antwoord:
Ultimo derde kwartaal 2017 waren er in totaal 23.579 BOA’s, verdeeld
over verschillende terreinen. In het domein openbare ruimte, afgebakend
tot leefbaarheid, zijn circa 3.700 BOA’s werkzaam. Op de samenwerking
tussen politie en BOA’s zal ik uitgebreider terugkomen in de reactie op
het rapport van de Evaluatiecommissie Politiewet 2012. De
gemeentelijke BOA's en politie opereren complementair aan elkaar en
versterken elkaar. In de driehoek worden afspraken gemaakt over de
handhavingsinzet van politie en BOA’s. Er is geen sprake van een
verschuiving van het geweldsmonopolie van politie naar gemeentelijke
BOA’s. Binnen de huidige beleidsregels is het mogelijk BOA'S,
afhankelijk van hun takenpakket, met geweldsmiddelen uit te rusten.
Indien de noodzaak voor het dragen van geweldsmiddelen door zijn
werkgever is aangetoond en tevens is aangetoond dat de BOA voldoende
bekwaam is in de omgang met het toe te kennen geweldsmiddel, kan het
verzoek van de werkgever daartoe worden gehonoreerd. Het college van
B&W van de gemeente Den Haag heeft in antwoord op raadsvragen
aangegeven dat er geen bonnenquotum voor BOA’s is en dat het dus ook
niet kan worden afgeschaft.
Vragen van het lid Krol, H.C.M. (50PLUS)
Vraag:
Gemiddeld kost een tbs-er de samenleving 1,5 miljoen euro. Kon dat geld
maar geinvesteerd worden in de zorg voor slachtoffers. Doen we wel
voldoende voor slachtoffers?
Antwoord:
Ja, slachtofferbeleid is een belangrijk speerpunt zoals ik uw Kamer ook
heb toegelicht in het AO van 16 november jl. Daar is ook uitgebreid aan
de orde gekomen dat er de afgelopen jaren voor slachtoffers al veel
bereikt is. Rond de kerst zal ik u mijn aanscherping van de
meerjarenagenda voor slachtofferbeleid toezenden.
Voor slachtofferbeleid zijn voldoende middelen opgenomen in artikel 34.4
op de begroting. Het betreft voor 2018:
€ 40 miljoen voor praktische, sociaal-emotionele en juridische ondersteuning door Slachtofferhulp Nederland;
€ 21 miljoen voor uitkeringen uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven (plus 6 mln. apparaatskosten);
€ 1,4 miljoen voor de voorschotregeling voor schadevergoedingsmaatregelen;
€ 9 miljoen voor beleidsontwikkeling;
€ 1,8 miljoen voor slachtoffer-dadergesprekken door Perspectief Herstelbemiddeling.
Vragen van het lid Krol, H.C.M. (50PLUS)
Vraag:
In de gemeente Rotterdam treden al een aantal jaren zogenaamde
stadsmariniers op. Deze ‘superambtenaren’ worden ingezet in bepaalde
gebieden om problemen op te lossen. Niet door het uitdelen van boetes,
maar door het wegnemen van de achterliggende oorzaken. Is de minister
bekend met de stadsmariniers en wat is zijn mening hierover?
Antwoord:
De Stadsmarinier is een van oorsprong Rotterdams initiatief dat de
diverse diensten verbindt die zich bezig houden met veiligheid. Dit
initiatief is mij bekend, het is aan gemeenten om te kijken of een
dergelijke figuur ook voor hen nuttig zou kunnen zijn.
Vragen van het lid Krol, H.C.M. (50PLUS)
Vraag:
Is de minister bereid te onderzoeken of het wenselijk is om bij recidive
van ernstige delicten, in de toekomst levenslang op te leggen?
Antwoord:
Het is aan de rechter om te bepalen wat een adequate bestraffing is bij
recidive van ernstige delicten. De wet geeft de rechter ruime
mogelijkheden om met recidive rekening te houden. Bij recidive van zeer
ernstige misdrijven kan het opleggen van levenslang zijn aangewezen,
maar ook het opleggen van de maximale tijdelijke gevangenisstraf van 30
jaar, al dan niet gecombineerd met tbs. Ik heb geen signalen dat
rechters te weinig bewegingsvrijheid zouden hebben bij de straftoemeting
en ik zie dan ook geen aanleiding voor een onderzoek.
Vragen van het lid Krol, H.C.M. (50PLUS)
Vraag:
Het kabinet heeft het voornemen om artikel 2:20 BW uit te breiden,
waarmee de overheid beter wordt toegerust tegen organisaties die tot
doel hebben om onze democratische rechtsstaat omver te werpen of af te
schaffen. Gaat de regering met deze bepaling religieuze organisaties
verbieden? Zo nee, welke organisaties dan wel? Graag op dit punt meer
duidelijkheid van het kabinet en deze minister.
Antwoord:
Artikel 2:20 van het Burgerlijk Wetboek maakt het nu al mogelijk om
privaatrechtelijke rechtspersonen te verbieden wegens strijd met de
openbare orde. Om antidemocratische organisaties beter te kunnen
aanpakken, gaat het kabinet het openbare orde-begrip concreter invullen
in de wet. Als duidelijker wordt dat bepaald gedrag strijdig is met de
openbare orde, vermindert dat discussies. In strijd met de openbare orde
vind ik bijvoorbeeld een extremistische organisatie die structureel
aanzet tot geweld of haatzaaien. Dit kan ook een religieuze organisatie
betreffen. Ik verwacht een voorontwerp in de eerste helft van 2018 in
consultatie te brengen.
Vragen van het lid Krol, H.C.M. (50PLUS)
Vraag:
Is het mogelijk om de geraamde opbrengsten in 2018 uit boetes,
transacties en afpakken voor een deel te oormerken en ten goede te laten
komen van slachtoffers van misdrijven?
Antwoord:
De ontvangsten uit boetes en transacties zijn reeds in de begroting
gealloceerd. Bovendien ben ik van mening dat er reeds voldoende middelen
voor slachtofferbeleid zijn opgenomen in de begroting. Het betreft voor
2018:
€ 40 miljoen voor praktische, sociaal-emotionele en juridische ondersteuning door Slachtofferhulp Nederland;
€ 21 miljoen voor uitkeringen uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven (plus € 6 miljoen apparaatskosten);
€ 1,4 miljoen voor de voorschotregeling voor schadevergoedingsmaatregelen;
€ 9 miljoen voor beleidsontwikkeling;
€ 1,8 miljoen voor slachtoffer-dadergesprekken door Perspectief Herstelbemiddeling.
Vragen van het lid Krol, H.C.M. (50PLUS)
Vraag:
Is deelname aan het EOM een opmaat om uiteindelijk te komen tot een
Europees Wetboek van Strafrecht?
Antwoord:
Nee, dat is het niet. Het Verdrag inzake de werking van de EU bevat
daarvoor ook geen juridische grondslag.
Vragen van het lid Krol, H.C.M. (50PLUS)
Vraag:
Kan de minister verklaren waarom het OM steeds meer zaken afdoet met een
strafbeschikking? Is hier sprake van een bezuiniging? Verwacht de
minister dat het percentage de komende jaren verder zal toenemen?
Antwoord:
Uit de eerder aan uw Kamer toegestuurde factsheet Strafrechtketen 2016
blijkt dat het percentage zaken waarin het OM een strafbeschikking
oplegde, in 2016 in geval van misdrijven met 22% precies gelijk bleef
aan het percentage in het jaar ervoor. In geval van misdrijven daalde
dat percentage licht van 47% naar 45%. Voor de komende jaren wordt geen
sterke schommeling verwacht. Het doel van de Wet OM-afdoening is om de
mogelijkheden tot en de doelmatigheid van het buitengerechtelijk afdoen
van strafzaken te vergroten. Van een bezuiniging is geen sprake.
Vragen van het lid Krol, H.C.M. (50PLUS)
Vraag:
Wat wordt precies bedoeld met de volgende passage uit het regeerakkoord
op bladzijde 5: “De vrijheid van meningsuiting is geen vrijbrief voor
aanzetten tot haat en radicalisering”? Wat is aanzetten tot
radicalisering? Wat is eigenlijk radicalisering? En is aanzetten tot
radicalisering iets anders dan aanzetten tot haat? En zo ja, gaat het
kabinet dan aanzetten tot radicalisering strafbaar stellen? Waar ligt de
grens? Welke personen, organisaties en handelingen heeft het kabinet
hier op het oog?
Antwoord:
Het gaat in algemene zin om het voorkomen dat groepen met een
extremistisch gedachtengoed erin slagen tweespalt in onze samenleving te
zaaien. Daarom is het belangrijk dat het aanzetten tot haat jegens
andersdenkenden strafbaar is (artikel 137d Sr). Dergelijke
extremistische groepen proberen vaak ook anderen voor hun karretje te
spannen, in een proces van radicalisering. Dat is strafbaar als het
gepaard gaat met dwang of het opruien van anderen tot het plegen van
geweld tegen het openbaar gezag of het plegen van strafbare feiten. Die
handelingen zijn al strafbaar (artikelen 284 en 131 Sr). Met de bewuste
passage in het regeerakkoord is niet gedoeld op het creëren van nieuwe
strafbaarstellingen.
Vragen van het lid Krol, H.C.M. (50PLUS)
Vraag:
Is de minister bereid om de mogelijkheden te onderzoeken om te komen tot
een verhoging van de leeftijdsgrens voor rechter-plaatsvervangers?
Antwoord:
Mijn ambtsvoorganger is op 4 oktober jl in antwoord op schriftelijke
kamervragen ingegaan op het verplichte leeftijdsontslag van rechters.
Hij heeft aangegeven dat de wenselijkheid van de bestaande
leeftijdsgrens nader zal worden onderzocht. Dit vergt een bredere
afweging waarbij in elk geval de Hoge Raad, Raad voor de rechtspraak, de
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en de Nederlandse
Vereniging voor Rechtspraak betrokken worden. In deze afweging zal ook
de mogelijkheid om alleen voor de rechter-plaatsvervangers de leeftijd
te verhogen worden betrokken.
Vragen van het lid Krol, H.C.M. (50PLUS)
Vraag:
Onschuldigen die door kwaadwillende medeburgers een civiele procedure
worden ingetrokken zijn ook slachtoffers. Na vrijspraak zitten zij met
enorme kosten, die nauwelijks vergoed worden. Kan hier een regeling voor
worden getroffen, bijvoorbeeld uit een op te richten fonds?
Antwoord:
Per jaar worden er meer dan een miljoen civiele gerechtelijke procedures
gevoerd in Nederland, waarbij 2 of meer partijen zijn betrokken. Over de
vraag wie daarvan als “onschuldige” en wie als “kwaadwillende”
medeburger is te beschouwen zal doorgaans tussen partijen geen
overeenstemming bestaan en die vraag kan nieuwe conflictstof opleveren.
In overleg tussen de Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA) en
vertegenwoordigers van de rechterlijke macht (het Landelijk Overleg
Voorzitters van de Civiele sectoren en het Landelijk Overleg Voorzitters
van de Civiele sectoren van de hoven) is een zogenaamd liquidatietarief
vastgesteld dat de rechter hanteert voor de proceskostenveroordeling. De
kosten zijn daarin genormeerd, afhankelijk van de verrichte
werkzaamheden en het belang van de zaak. Deze objectivering moet een
zekere balans aanbrengen, waarin degene die in de proceskosten wordt
veroordeeld niet de werkelijke kosten – waarvoor de wederpartij heeft
gekozen – behoeft te betalen. Ik zie hierin geen nadere rol voor de
overheid weggelegd. Het is vooral van belang dat dergelijke hoog
oplopende conflicten worden voorkomen. Dat wordt ook beoogd met de
innovatie die dit kabinet voor de rechtspraak voor ogen staat.
Vragen van het lid Krol, H.C.M. (50PLUS)
Vraag:
Is de minister van mening dat de extra middelen voor
terrorismebestrijding voldoende zijn?
Antwoord:
De afgelopen jaren zijn, gezien de hoge dreiging, reeds de nodige extra
middelen ingezet.
De extra middelen die het kabinet in het regeerakkoord heeft
gereserveerd voor contraterrorisme, € 13 miljoen, zullen worden ingezet
voor een intensivering van een aantal speerpunten die deel uitmaken van
de aanpak.
Vragen van het lid Krol, H.C.M. (50PLUS)
Vraag:
Hoe gaat het kabinet invulling geven aan het aanpakken van
haatpredikanten? Hoe krijgt het voornemen om “alles in het werk te
stellen om te voorkomen dat aan “haatpredikers” een podium wordt
geboden” in de praktijk vorm? Wie kwalificeert dit kabinet als
haatpredikant? En hoe komt dit kabinet tot die kwalificering? Gaat dit
kabinet haatzaaiers weren? Waar en hoe dan? Of slechts personen die
eerder zijn veroordeeld voor bijvoorbeeld het aanzetten tot haat?
Antwoord:
De overheid werkt op nationaal en internationaal niveau aan het
tegengaan van de verspreiding van extremistische propaganda. Het
Openbaar Ministerie treedt op indien de grenzen van de wet worden
overschreden. Zo mogen extremistische sprekers of predikers die oproepen
tot haat of geweld geen podium krijgen. Van dergelijke extremistische
sprekers van buiten het Schengengebied wordt het visum geweigerd of
ingetrokken. Tussen de Europese lidstaten is bovendien afgesproken dat
de lidstaten alle visumplichtige extremistische sprekers die een
bedreiging vormen voor de openbare orde signaleren in het Schengen
Informatie Systeem. Hiermee wordt internationaal ingezet op het uit het
Schengengebied weren van extremistische sprekers die een dergelijke
bedreiging vormen.
Vragen van het lid Krol, H.C.M. (50PLUS)
Vraag:
50PLUS wil zoveel mogelijk opvang van vluchtelingen in de regio en het
idee om veilige havens in de regio te creëren kan dan ook op instemming
van de fractie van 50PLUS rekenen. De veilige haven moet dan ook echt
veilig zijn. Nu hebben we het idee dat het nog niet altijd zo is. Welke
garanties kan de staatssecretaris hieromtrent geven?
Antwoord:
Inzet van het kabinet is er op gericht om veilige opvang in de regio te
organiseren. Bescherming en toekomstperspectief zijn daarbij essentieel.
Nederland, samen met de EU, ondersteunt derde landen via verschillende
projecten om de situatie van vluchtelingen in deze landen zodanig te
verbeteren dat zij en hun gastgemeenschappen een perspectief krijgen en
de toegang tot basisvoorzieningen verbetert. Voor dit kabinet zijn
daarbij het verbeteren van de toegang tot onderwijs en werkgelegenheid
prioriteit. Daarnaast meent het kabinet dat op zee geredde migranten
terug kunnen worden gebracht naar de dichtstbijzijnde veilige haven
conform het zeerecht. Deze veilige havens hoeven niet per se in Europa
te zijn. Conform het zeerecht en het Vluchtelingenverdrag dient het
principe van non-refoulement te worden gerespecteerd. Indien de geredde
drenkeling aangeeft een verzoek tot internationale bescherming te willen
doen, is het zaak dat er daadwerkelijk toegang is tot een bevoegde
instantie die daar een oordeel over kan vellen. Dat kan een nationale
autoriteit zijn in een derde land, of bijvoorbeeld United Nations High
Commissioner for Refugees (UNHCR).
Vragen van het lid Krol, H.C.M. (50PLUS)
Vraag:
Kunnen we wel voldoende doen tegen jihadisten die richting Europa komen
en als doel hebben dood en verderf te zaaien. Moeten we niet meer
maatregelen treffen om terreur het hoofd te bieden?
Antwoord:
De afgelopen jaren is er intensief geïnvesteerd om de dreiging van
extremisme en terrorisme het hoofd te bieden. De overheid heeft
inmiddels uiteenlopende mogelijkheden ter beschikking bij de aanpak van
terrorisme. Zo is er geïnvesteerd in het versterken van de
inlichtingencapaciteit, van de informatie-uitwisseling, in het bewaken
en beveiligen van personen, objecten en soft targets, in het voorkomen
van aanwas, en in internationale samenwerking teneinde ook de
internationale dreiging bij de bron aan te pakken. De bestuurlijke
bevoegdheden zijn flink uitgebreid, waaronder de mogelijkheid om in een
vroeg stadium te kunnen interveniëren door het opleggen van een
uitreisverbod, gebiedsverbod, meldplicht of contactverbod. Recent is
gebleken dat de Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen
terrorismebestrijding ook effectief ingezet kan worden tegen
extremistische sprekers die een bedreiging vormen voor de nationale
veiligheid. De basis van het CT-beleid is op het niveau dat met het
huidige dreigingsniveau noodzakelijk is. Dit betekent echter geenszins
dat onze aandacht en inzet kan verslappen. Gezamenlijk zullen wij zeer
kritisch moeten blijven op de inzet en uitvoering om het hoofd te kunnen
bieden tegen de aanwezige dreiging.
Vragen van het lid Krol, H.C.M. (50PLUS)
Vraag:
Worden buitenlandse haatpredikanten voortaan tot ongewenst vreemdeling
verklaard, aan de grens tegengehouden én teruggestuurd?
Antwoord:
Indien buitenlandse predikers van buiten de Europese Unie een gevaar
vormen voor de openbare orde of veiligheid van Nederland en als zodanig
geregistreerd staan in de systemen zullen zij aan de grens worden
tegengehouden en zullen zij moeten terugkeren. Indien een buitenlandse
prediker wel toegang heeft gekregen tot Nederland, maar op basis van
nieuwe informatie of zijn handelen in Nederland alsnog wordt beschouwd
als een gevaar voor de openbare orde of veiligheid, kan de grond tot
verblijf worden ingetrokken en zal de persoon Nederland moeten verlaten.
Ook zal er een inreisverbod worden opgelegd indien het een niet-EU
burger betreft.
Vragen van het lid Krol, H.C.M. (50PLUS)
Vraag:
50PLUS heeft eerder een motie ingediend over de strafrechtelijke aanpak
van leeftijdsdiscriminatie, waarin de regering onder andere werd
verzocht de aanpak ervan te onderzoeken. In zijn reactie ging de vorige
minister slechts in op de artikelen 137c en d van het Wetboek van
Strafrecht, terwijl de motie breder is. Ook andere strafbepalingen
zouden in ogenschouw moeten worden genomen, waaronder bijvoorbeeld de
artikelen 429 quater en de artikelen 137 f en g van het Wetboek van
Strafrecht. Wat is het standpunt van de minister hieromtrent?
Antwoord:
Ik informeer uw Kamer nog voor het einde van het jaar over de rol die de
artikelen 137f, 137g, en 429quater van het Wetboek van Strafrecht zouden
kunnen spelen bij de strafrechtelijke aanpak van
leeftijdsdiscriminatie.
Vragen van het lid Krol, H.C.M. (50PLUS)
Vraag:
Het kabinet wil dat we extra alert zijn en wil extra maatregelen nemen
met het oog op de terreurdreiging. Hoe gaat dit er in de praktijk
uitzien? Met welke termijn wordt de voorlopige hechtenis voor
terugkeerders verlengd? Welke maximumstraf komt er te staan op
vrijwillig verblijf op terroristisch grondgebied?
Antwoord:
Het kabinet wil op alle vlakken effectief kunnen optreden tegen
terrorisme. Eerder dit jaar is de Tijdelijke wet bestuurlijke
maatregelen terrorismebestrijding van kracht geworden die op het
bestuursrechtelijk vlak het instrumentarium om adequaat tegen de
dreiging van terrorisme te kunnen optreden heeft uitgebreid. Vervolgens
is het wetsvoorstel versterking strafrechtelijke aanpak terrorisme (34
746) ingediend dat de mogelijkheden om terrorisme effectief op te sporen
en te vervolgen verruimt. Een onderdeel van dat wetsvoorstel betreft de
uitbreiding van de mogelijkheid om verdachten van terroristische
misdrijven in voorlopige hechtenis te houden, zonder dat daarvoor
ernstige bezwaren (een stevigere verdenking) zijn vereist. Dat is thans
bij terrorismeverdachten mogelijk gedurende 14 dagen; voorgesteld wordt
om die periode te verlengen met 30 dagen. In het regeerakkoord is tevens
aangekondigd dat het kabinet alsnog een strafbaarstelling van het zonder
toestemming verblijven in een door een terroristische organisatie
gecontroleerd gebied wil voorbereiden en in procedure zal brengen. Ik
zal in de nota naar aanleiding van het verslag bij het wetsvoorstel
versterking strafrechtelijke aanpak terrorisme uitvoerig ingaan op de
wijze waarop dit vorm kan krijgen.
Vragen van het lid Krol, H.C.M. (50PLUS)
Vraag:
Vindt de minister het wenselijk dat jihadgangers terugkeren naar
Nederland? Hoe kijkt de minister aan tegen de uitspraken die Rutte in
2015 deed, toen hij stelde dat jihadisten beter kunnen sneuvelen dan dat
zij terugkeren naar Nederland. Wat gaat de minister doen met jonge
kinderen van terugkerende jihadisten? Is er een draaiboek?
Antwoord:
Het beleid met betrekking tot terugkeerders houdt in dat alle
beschikbare middelen door de betrokken partners worden aangewend om de
risico’s die van terugkeerders uit kunnen gaan in te schatten en weg te
nemen. Terugkeerders zijn onder andere onderwerp van inlichtingenmatig
en/of strafrechtelijk onderzoek. Elke onderkende terugkeerder wordt bij
terugkeer voor verhoor aangehouden en het Openbaar Ministerie gaat, waar
opportuun, over tot strafvervolging. Politie en AIVD maken bij elke
onderkende terugkeerder een inschatting van de dreiging, houden hen waar
nodig scherp in beeld en zijn alert. Tevens worden terugkeerders
besproken in een multidisciplinair casusoverleg waar per casus de meest
effectieve interventiestrategie wordt bepaald; de persoonsgerichte
aanpak. Die interventiestrategie heeft als doel de dreiging die van een
persoon uit kan gaan te verminderen. Terugkerende jonge kinderen zijn
een punt van zorg. Het is vreselijk wat zij mee hebben gemaakt. Bij
terugkeer wordt, net als bij volwassenen, per kind bekeken welke zorg en
welke interventies nodig zijn. Dit is altijd maatwerk. Doordat zij in
strijdgebied waarschijnlijk blootgesteld zijn aan geweld, wordt
allereerst bekeken welke zorg nodig is. De Raad voor de
Kinderbescherming besluit indien nodig tot het instellen van een
raadsonderzoek. Tegelijkertijd wordt door zorg- en veiligheidspartners
in een multidisciplinair casusoverleg een behandelplan opgesteld dat
moet zorgen dat het kind zich veilig ontwikkelt. Naast de adequate zorg
wordt in het casusoverleg ook een inschatting gemaakt van de eventuele
dreiging die uit kan gaan van de minderjarige. Kinderen ouder dan negen
jaar kunnen bij terugkeer in Nederland tevens een dreiging vormen, mede
op basis van de rapportage “Minderjarigen bij ISIS” van de AIVD en de
NCTV, en zal de aanpak niet alleen op basis van zorg plaatsvinden.
Vragen van het lid Staaij, C.G. van der (SGP)
Vraag:
Is de staatssecretaris bereid werk te maken van een snelle indiening van
de beloofde wetgeving op het terrein van mensenhandel en misstanden in
de prostitutie?
Antwoord:
Het wetsvoorstel regulering prostitutie en bestrijding misstanden
seksbranche behoeft aanpassing om aan het regeerakkoord tegemoet te
komen. Daaraan wordt nu gewerkt. Ik voel de urgentie, maar het is een
complex onderwerp, en zorgvuldige wetgeving kost tijd. Er is tijd nodig
om een gedegen voorstel te formuleren en voor consultatie van
betrokkenen en voor de wettelijk voorgeschreven advisering. Het is nog
te vroeg om precies te zeggen wanneer het wetsvoorstel kan worden
ingediend. Ik streef ernaar het voorstel binnen zes maanden in
consultatie te geven.
Vragen van het lid Staaij, C.G. van der (SGP)
Vraag:
Kan de staatssecretaris gemeenten stimuleren om uitvoering te geven aan
de motie die het lid Van der Staaij vorig jaar heeft ingediend ten
aanzien van het uitstapprogramma voor prostituees?
Antwoord:
De motie van de heer Van der Staaij (Kamerstuk 28938, nr. 148) is vorig
jaar aanvaard en daar zal ik vanzelfsprekend uitvoering aan gaan geven.
Door de structurele beschikbaar gestelde gelden kunnen de gemeenten hun
beleidsvisie ten aanzien van de uitstapmogelijkheden voor prostituees
verder ontwikkelen.
Vragen van het lid Staaij, C.G. van der (SGP)
Vraag:
Kinderen zijn veel te vaak het slachtoffer van conflicten tussen ouders,
zeker ook bij relatiebreuken. Welke concrete plannen kunnen we in dit
verband van het kabinet verwachten?
Antwoord:
Het kabinet wil de schade bij kinderen als gevolg van scheidingen
beperken. Daarom hebben het ministerie van VWS en ik André Rouvoet
(voorzitter van het Platform Divorce Challenge) gevraagd om het Platform
Scheiden zonder Schade in te richten met de relevante actoren uit het
veld en begin 2018 met concrete actielijnen en oplossingsrichtingen te
komen die richting zullen geven aan het kabinetsbeleid. Wij hebben
hiervoor gekozen omdat het gaat om een complex maatschappelijk probleem
dat de overheid niet alleen kan oplossen.
Vragen van het lid Staaij, C.G. van der (SGP)
Vraag:
Het is de SGP een doorn in het oog dat wie een straf van 12 jaar
opgelegd krijgt, feitelijk maar 8 jaar vastzit. Wie een
onvoorwaardelijke straf opgelegd krijgt, moet deze straf ook gewoon
uitzitten. De maatregelen die daarna nodig zijn met het oog op terugkeer
in de samenleving zouden gekoppeld kunnen worden aan een voorwaardelijk
strafdeel. Een conceptwetsvoorstel hiervoor ligt ter advies voor bij de
diverse betrokken instanties. Mogen wij rekenen op een constructieve
reactie van het kabinet op deze plannen?
Antwoord:
In de eerste termijn van deze begrotingsbehandeling heeft de SGP-fractie
gemeld een initiatiefwetsvoorstel naar een aantal instanties te hebben
gestuurd voor advies. Ik heb met belangstelling kennis genomen van dit
initiatief. Ik vind het echter prematuur te reageren op het voorstel.
Het ligt immers nog ter advies voor bij betrokken organisaties. Een
reactie van de zijde van dit Kabinet zal volgen op het daarvoor
geëigende moment, namelijk: ter gelegenheid van de behandeling in uw
Kamer. Zoals uw Kamer heeft kunnen lezen in het Regeerakkoord, heeft dit
Kabinet eveneens plannen met de voorwaardelijke invrijheidstelling.
Veroordeelden zullen niet meer automatisch in aanmerking komen om
voorwaardelijk in vrijheid te worden gesteld. En de periode waarin
iemand via een voorwaardelijke invrijheidstelling kan werken aan
resocialisatie mag niet meer dan twee jaar duren. Deze wijziging van het
stelsel van de voorwaardelijke invrijheidstelling zie ik als een
belangrijke prioriteit de komende periode.
Vragen van het lid Staaij, C.G. van der (SGP)
Vraag:
Hoe gaat het kabinet werk maken van een strengere aanpak van jihadisme
en het weren van haatpredikers?
Antwoord:
Elke dag weer zetten onze diensten zich maximaal in voor de veiligheid
van ons land. Er is de laatste jaren hard gewerkt om het
contraterrorisme-beleid (CT-beleid) in lijn te brengen met de huidige
dreiging. De komende jaren wordt de bestaande aanpak doorgezet en op een
aantal punten uitgebreid. Vorige week heb ik u de 'integrale aanpak
terrorisme' toegestuurd waarin de speerpunten in het CT-beleid worden
toegelicht. De aanpak concentreert zich op de volgende
interventiegebieden:
1. Verwerven: het tijdig zicht krijgen op en duiden van (potentiële)
dreigingen in of tegen Nederland en de Nederlandse belangen in het
buitenland;
2. Voorkomen: het voorkomen en verstoren van extremisme en terrorisme
en het verijdelen van aanslagen;
3. Verdedigen: het beschermen van personen, objecten en vitale
processen tegen extremistische en terroristische dreigingen, zowel
fysiek als digitaal;
4. Voorbereiden: het optimaal voorbereid zijn op extremistisch en
terroristisch geweld en de gevolgen daarvan;
5. Vervolgen: het door vervolging handhaven van de democratische
rechtsstaat tegen extremisme en terrorisme.
De overheid werkt op nationaal en internationaal niveau aan het
tegengaan van de verspreiding van extremistische propaganda. Het
Openbaar Ministerie treedt op indien de grenzen van de wet worden
overschreden. Zo mogen extremistische sprekers of predikers die oproepen
tot haat of geweld geen podium krijgen. Van dergelijke extremistische
sprekers van buiten het Schengengebied wordt het visum geweigerd of
ingetrokken. Tussen de Europese lidstaten is bovendien afgesproken dat
de lidstaten alle visumplichtige extremistische sprekers die een
bedreiging vormen voor de openbare orde signaleren in het Schengen
Informatie Systeem. Hiermee wordt internationaal ingezet op het uit het
Schengengebied weren van extremistische sprekers die een dergelijke
bedreiging vormen.
Vragen van het lid Staaij, C.G. van der (SGP)
Vraag:
Hoe gaat de minister de extra middelen ter bestrijding van recidive
inzetten? Zal daarbij ook aandacht zijn voor vrijwilligers bij de
uitvoering van straffen?
Antwoord:
Ik wil recidive verder terugbrengen door nieuwe manieren van
sanctie-uitvoering te ontwikkelen. Hiervoor ga ik experimenten
uitvoeren bijvoorbeeld op het gebied van detentie en reclassering. Bij
de experimenten staan voor mij vergelding en genoegdoening voorop.
Daarnaast sta ik voor een aanpak die – meer dan nu het geval is –
herhaling (recidive) voorkomt. In de visie op het gevangeniswezen kom ik
hier op terug. De experimenten moeten ook aansluiten bij de versteviging
van de positie van de resocialisatie en reclassering waarbij ook
aandacht en ruimte is voor vrijwilligerswerk. Hiervoor heeft het kabinet
€ 1 miljoen extra uitgetrokken.
Vragen van het lid Staaij, C.G. van der (SGP)
Vraag:
Hoe kan het dat een Haags raadslid die vredelievende joodse kinderen die
in deze Kamer op bezoek zijn uitmaakt voor toekomstige kindermoordenaars
geen strobreed in de weg wordt gelegd, maar een aangifte van een
anti-zwarte-pietenclub tegen iemand die uitlatingen deed die evenmin
door de beugel kunnen, wel voortvarend voor de rechter worden gebracht.
Dit geeft de indruk van een dubbele maat. Het heeft toch hopelijk niet
te maken met misplaatste politieke correctheid?
Antwoord:
Het Openbaar Ministerie (OM) beoordeelt elke aangifte die gedaan wordt
van (groeps-) belediging of een ander uitingsdelict aan de hand van de
wet, de geldende jurisprudentie en de vervolgingsrichtlijnen. Het
discriminatieverbod beschermt mensen tegen discriminatie op grond van
ras, godsdienst of levensovertuiging, seksuele geaardheid, lichamelijke,
psychische of verstandelijke handicap.
Vragen van het lid Staaij, C.G. van der (SGP)
Vraag:
Hoe gaat de minister het extra geld inzetten dat beschikbaar is gesteld
voor de strijd tegen terrorisme?
Antwoord:
De afgelopen jaren is, gezien de hoge dreiging, veel inspanning geleverd
om de aanpak van terrorisme op orde te brengen. Hierbij is in eerste
instantie vooral de meest urgente, harde kant stevig versterkt.
Vroegtijdig onderkennen en tegengaan van nieuwe radicalisering én
deradicalisering en re-integratie zijn echter ook belangrijk om de
dreiging op langere termijn het hoofd te bieden. Met de territoriale
instorting van het ‘kalifaat’ ontstaat bovendien een momentum, dat
aangegrepen moet worden om met meer kans op succes inzet te plegen op
preventie door het voorkomen of afstoppen van radicaliseringsprocessen
en het tegengaan van de verspreiding van (nieuwe) radicale narratieven.
De extra middelen die het kabinet heeft gereserveerd voor
contraterrorisme, € 13 miljoen, zullen worden ingezet voor een
intensivering van een aantal speerpunten die deel uitmaken van de
aanpak. Deze gelden wil het kabinet vooral gebruiken om de aanpak verder
te versterken langs een vijftal lijnen:
Vroegtijdige onderkenning van dreiging door intensivering van inlichtingenonderzoek naar radicalisering en salafisme, in het kader van contraterrorisme;
Borging aanpak van financiering van extremisme en terrorisme;
Versterking van digitale weerbaarheid en aanpak extremisme online;
Investeren in deradicalisering, re-integratie en strafrechtelijke aanpak;
Versterking internationale inzet.
Vragen van het lid Staaij, C.G. van der (SGP)
Vraag:
Het kwaad van schadelijk middelengebruik wordt door het kabinet niet
aangepakt door de voordeur te sluiten, maar door de achterdeur open te
zetten. Worden de overblijvende regels wel streng gehandhaafd, of is het
vooral versoepeling die de toon zet? Wordt bijvoorbeeld het
ingezetenencriterium gehandhaafd? Ook in Amsterdam? En hoe zit het met
de afstand tot scholen?
Antwoord:
Uitgangspunt is dat het huidige beleid en de handhaving daarvan in stand
blijft. Daar wordt door de experimenten niet aan getornd. De
experimenten met een gesloten coffeeshopketen zullen op beperkte schaal
plaatsvinden. Het verkleinen van de zichtbaarheid van coffeeshops voor
scholieren is lokaal maatwerk. Ik kan u informeren dat 92% van de
gemeenten met een coffeeshop specifieke vestigingscriteria heeft, zoals
het hanteren van openings- en sluitingstijden. Verder hanteert meer dan
80% een afstandscriterium tussen coffeeshops en scholen. De meeste
gemeenten hebben het ingezetenencriterium opgenomen in het lokale
coffeeshopbeleid. De handhaving van het ingezetenencriterium is lokaal
maatwerk. Mijn ambtsvoorganger heeft met de burgemeester van Amsterdam
een afspraak gemaakt over prioritering in de handhaving. Amsterdam geeft
prioriteit aan een breed pakket van andere maatregelen met betrekking
tot het lokale coffeeshopbeleid. Graag verwijs ik u hiervoor naar de
brief van mijn ambtsvoorganger van januari van dit jaar (Aanhangsel
Handelingen II 2016/17, 1023), waarin uitgebreid wordt ingegaan op
vragen van uw Kamer over de gefaseerde aanpak in Amsterdam.
Vragen van het lid Staaij, C.G. van der (SGP)
Vraag:
Nederland staat hoog op de lijstjes van online drugshandel. Wil het
kabinet dit voortvarend tegengaan?
Antwoord:
Het kabinet wil de online drugshandel inderdaad voortvarend
tegengaan. Deze week kwam het rapport van de EMCDDA en Europol uit over
'Drugs and the dark net'. Uit dit rapport blijkt dat drugshandel op het
darkweb nog een relatief beperkte omvang lijkt te kennen in
vergelijk met de traditionele offline drugshandel. Ook geeft dit
onderzoek aan dat Nederland binnen de EU ‘op nummer drie staat’ qua
omzet met betrekking tot drugsverkoop op het darknet. Nummer een en twee
zijn Duitsland en het Verenigd Koninkrijk. Deze bevindingen komen
overeen met het onderzoek dat mijn ministerie vorig jaar aan de Tweede
Kamer heeft gezonden. Hoewel de drugshandel op het darkweb nog relatief
beperkt in omvang is, is deze wel groeiende. Daarom is er de afgelopen
jaren bij de opsporingsdiensten stevig geïnvesteerd in de digitale
opsporing en wordt er extra ingezet op digitale expertise.
Bij verschillende eenheden van de politie zijn inmiddels
strafrechtelijke onderzoeken naar drugshandel op het darkweb
gedraaid. Deze onderzoeken hebben geleid tot aanhoudingen van verdachten
en beter zicht op de werkwijze en mogelijkheden tot identificatie van
online verkopers op het darkweb. De komende jaren zal de
capaciteit van de digitale expertise bij de Nationale Politie verder
groeien. Ook zijn er gespecialiseerde officieren van justitie voor
cybercrime opgeleid. Daarnaast vindt grensoverschrijdende operationele
samenwerking plaats via reguliere kanalen zoals Europol en Interpol.
Drugs die op internet besteld worden, worden daarna vaak verstuurd via
de post. Daarom werken politie en OM nauw samen met POSTNL in het
project Post/Pakket Interventieteam om de problematiek van illegale
verzendingen, zoals van drugs, aan te pakken. Ook andere partijen zijn
bij dit project betrokken, onder meer het Landelijk Bureau Inning
Onderhoudsbijdrage (LIEC), Transport en Logistiek Nederland, het RIEC
Den Haag, de Koninklijke Marechaussee en de douane.
Vragen van het lid Staaij, C.G. van der (SGP)
Vraag:
Is de minister bereid vanwege de gevaarzetting de straf op het rijden
zonder rijbewijs te verhogen ?
Antwoord:
Ja. Mijn ambtsvoorganger heeft in de beleidsreactie op het onderzoek
naar de straftoemeting ernstige verkeersdelicten, die op 20 juli
jl. naar de Kamer is gezonden, aangekondigd een voorstel tot wijziging
van de Wegenverkeerswet in voorbereiding te nemen. Dit wetsvoorstel zal
onder andere voorstellen bevatten voor verhoging van het strafmaximum
voor een aantal delicten. De maximumstraf voor rijden zonder rijbewijs
wordt hierin ook meegenomen. Naar verwachting zal dit wetsvoorstel begin
2018 in consultatie gaan.
Vragen van het lid Staaij, C.G. van der (SGP)
Vraag:
Wil de minister zich inzetten om - samen met gemeenten en het
schakelteam Verwarde Personen - te komen tot een sluitende aanpak van
verwarde personen?
Antwoord:
Ik kan u verzekeren dat ik er samen met collega bewindslieden en VNG
al bovenop zit.
Het komend jaar bouwen we daarbij voort op wat er al gerealiseerd is en
versnellen mijn collega van VWS ik en daar waar nodig om samen met de
gemeenten te komen tot een sluitende aanpak. Vanuit JenV zetten we in
2018 extra in op:
Er wordt een persoonsgerichte aanpak in de veiligheidshuizen doorontwikkeld om veiligheidsrisico’s te beperken voor de groep met een ernstig psychiatrische aandoening (EPA).
In lijn met de Meerjarenagenda van de zorg- en veiligheidshuizen wordt op regionaal/lokaal niveau stevig ingezet op de verbetering van de samenwerking tussen de zorg- en veiligheidshuizen, GGZ, GGD en gehandicaptenzorg t.b.v. de aanpak van personen met verward gedrag en/of complexe problematiek.
Er wordt actief ondersteund bij de realisatie van adequate informatie-uitwisseling t.b.v. de aanpak van mensen met verward gedrag. Het handvat gegevensdeling in zorg- en veiligheidsdomein’ wordt ondersteund door een recent ontwikkelde webtool en een trainingsaanbod voor professionals over het gebruik.
Vragen van het lid Staaij, C.G. van der (SGP)
Vraag:
Nederland blijkt een netwerk te hebben van allerlei mensen die zich
bezighouden met advisering om een einde aan je leven te maken en het in
onder andere Australië verboden suïcidehandboek van ‘Dr Death’ wordt
hier juist gedrukt en verspreid. Wil het kabinet er alles aan doen om
ervoor te zorgen dat er eind komt aan clandestiene hulp bij zelfdoding?
Zou niet juist het wettelijk verbod rond zelfdoding zo moeten worden
uitgebreid dat elke vorm van directe of indirecte hulp daaronder
valt?
Antwoord:
De heer Van der Staaij heeft eerder vragen gesteld aan mijn
ambtsvoorganger en mij over de zogenaamde zelfeuthanatica. Mijn antwoord
zal hem daarom bekend voorkomen. Onder clandestien versta ik: heimelijk
en bij wet verboden. Het opzettelijk aanzetten tot of het behulpzaam
zijn bij zelfdoding is, indien daarop zelfdoding volgt, strafbaar (art
294 Wetboek van Strafrecht). Het Openbaar Ministerie en de politie
handhaven deze wet. Op grond van de jurisprudentie wordt aangenomen dat
het aanreiken van de medicatie of andere middelen om de zelfdoding mee
te plegen of het nemen van de regie bij de zelfdoding door een niet-arts
strafbare hulp bij zelfdoding kan opleveren. Het geven van algemene
informatie over zelfdoding of het verschaffen van boekjes of
foldermateriaal hieromtrent wordt niet gezien als hulp bij zelfdoding.
Het beleid van de overheid is erop gericht zelfdoding en suïcidaliteit
zo veel mogelijk te voorkomen. Ik zie geen aanleiding om de
strafbaarheid van artikel 294 Wetboek van Strafrecht uit te
breiden.
Vragen van het lid Bisschop, R. (SGP)
Vraag:
Welke rol gaan adviezen en rapporten van kerken nu precies spelen in de
beoordeling van asielverzoeken?
Antwoord:
In bekeringszaken wordt in de huidige praktijk door de vreemdeling vaak
een advies van derden aan het dossier toegevoegd. Dit zijn met name
verklaringen van kerkelijke instanties en/of wetenschappers. Meest
bekend zijn de commissie Plaisier (genoemd naar de voormalig Scriba van
Protestantse kerk Nederland (PKN) en adviezen van godsdienstpsycholoog
van Saane. Adviezen en rapporten worden als ondersteunend
bewijsmateriaal meegewogen, en kunnen soms, in het bijzonder in
twijfelgevallen, de doorslag geven. Een deskundigenbericht hoeft niet
doorslaggevend te zijn nu de deskundigheid van de godsdienstpsycholoog
zich niet uitstrekt tot de algehele beoordeling van de geloofwaardigheid
van het asielrelaas, zoals die door de Immigratie en
Naturalisatiedienst (IND) wordt toegepast. De IND betrekt adviezen dus
in de beoordeling, maar komt tot een zelfstandig oordeel op basis van
het gehele dossier.
Vragen van het lid Bisschop, R. (SGP)
Vraag:
Wat gaat de minister doen om ervoor te zorgen dat de verdeling van
wijkagenten over regio’s beter is zodat elk dorp met meer dan 500
inwoners een wijkagent heeft?
Antwoord:
Voor de bezetting van wijkagenten wordt een norm van 1 wijkagent op 5000
inwoners gehanteerd. Dit is een landelijke norm. De verdeling binnen een
regionale eenheid is aan de gezagen; de burgemeester en officier van
justitie.
Vragen van het lid Bisschop, R. (SGP)
Vraag:
Wat voor afspraken met betrekking tot de opvang in de regio moet de
Europese Unie volgens de staatssecretaris maken? En met welke landen
moeten die afspraken gemaakt worden? Graag een inkleuring van de
voornemens op dit terrein.
Antwoord:
Al langer is vanuit de EU sprake van een inzet op brede partnerschappen
met derde landen, waarvoor de EU een combinatie van instrumenten inzet.
Zo wordt bijvoorbeeld gewerkt aan het verbeteren van bescherming en
opvang in de regio, het wegnemen van de grondoorzaken, voor migratie, de
aanpak van mensensmokkel en verbeteren van terugkeer. Vanuit
verschillende fondsen biedt de EU reeds steun aan grote opvanglanden om
de situatie van vluchtelingen en hun gastgemeenschappen te verbeteren.
Zo is met steun van de EU de arbeidsmarkt in Turkije voor Syrische
vluchtelingen geopend, krijgen ruim 1 miljoen vluchtelingen in Turkije
een maandelijks tegoed om zelf in hun levensonderhoud te voorzien en
krijgen een groeiend aantal vluchtelingen in Jordanië en Ethiopië
toegang tot werk en onderwijs.
Over de volledige inzet van de EU, inclusief het externe deel, wordt uw
Kamer zoals gebruikelijk geïnformeerd via o.a. de geannoteerde agenda’s
en verslagen van de JBZ-raden, maar ook die van de Europese Raad, Raad
Algemene Zaken en Raad Buitenlandse Zaken en BNC-fiches n.a.v.
mededelingen en nieuwe voorstellen van de Europese Commissie.
Vragen van het lid Bisschop, R. (SGP)
Vraag:
Het kabinet wil de asielprocedures versnellen. Maar zijn de voorgenomen
maatregelen daarvoor afdoende? Waarom en hoe gaat het deze
staatssecretaris – in tegenstelling tot zijn voorgangers – wél lukken om
de procedures te versnellen?
Antwoord:
Ik heb opdracht gegeven om een breed programma ‘Flexibele Asiel Keten’
te starten, waarvan dit onderdeel uitmaakt. In het kader van dit
programma wordt de komende tijd, in overleg met ketenpartners en andere
betrokkenen, een programmaplan uitgewerkt. In het regeerakkoord wordt
ingezet op meerdere maatregelen die met elkaar in verband staan en die
met elkaar er voor moeten zorgdragen de asielprocedure snel en
zorgvuldig verloopt ongeacht de hoogte van de asielinstroom. Deze
integrale benadering van de maatregelen op het terrein van opvang, de
asielprocedure en integratie dan wel terugkeer en de versterking van de
samenwerking in de vreemdelingenketen en met gemeenten zullen bijdragen
aan versnellen van de procedures. Op een beperkt aantal plaatsen in het
land gaan de ketenpartners onder één dak werken met middelgrote
opvangcentra op en/of nabij hetzelfde terrein. Daar wordt eerste
selectie gemaakt in een snelle efficiënte procedure die bepaalt in welk
spoor de asielzoeker verder in procedure gaat.
Vragen van het lid Bisschop, R. (SGP)
Vraag:
Taken van de politie worden steeds meer uitgebreid. Hoe kijkt de
minister naar de taakbreedte van de politie. Moet er niet meer gekeken
worden naar de kern van wat de taak van de politie inhoudt?
Antwoord:
In het algemeen is de politie goed toegerust voor haar taken. De wereld
is complexer geworden, waardoor de politie meer samenwerking zoekt, ook
met andere partners zoals private bedrijven.
Vragen van het lid Azarkan, F. (DENK)
Vraag:
Hoe gaat de minister sturen en monitoren dat de cultuur van de politie
verandert, zodat alle agenten zich daar thuis voelen en onderdeel van de
politie willen uitmaken?
Antwoord:
De politie geeft de verandering van cultuur via meerdere sporen vorm,
waarbij diversiteit, integriteit, leiderschap, inclusieve werksfeer en
elkaar aanspreken belangrijke pijlers zijn. Een cultuurverandering vergt
veel tijd, is een kwestie van het goede voorbeeld geven aan de top maar
zal uiteindelijk ook bottom-up moeten groeien. De dialoog tussen
medewerker(s) en leidinggevenden is hierbij belangrijk. De politie
monitort door middel van de zogenaamde MedewerkersMonitor op
cultuuraspecten.
Vragen van het lid Azarkan, F. (DENK)
Vraag:
Wat gaat het kabinet doen om onnodig politiegeweld tegen te gaan? Wat
gaat het kabinet doen om discriminatie te bestrijden?
Antwoord:
De maatschappij moet erop kunnen vertrouwen dat de politie professioneel
omgaat met de geweldsbevoegdheid. Om dit goed te borgen zorgt de politie
dat politiemensen goed getraind zijn, dat zij verantwoording afleggen
over het gebruikte geweld, dat gebruikt geweld wordt getoetst aan de
geweldsinstructie en dat politiemensen leren van gebruikt geweld. Het
voorkomen van etnisch profileren is van groot belang voor de
legitimiteit van het politieoptreden, het maatschappelijk vertrouwen van
een ieder in de politie en effectief politiewerk. Er wordt – met het
meerjarige programma ‘De Kracht van het Verschil’ – aandacht besteed aan
bewustwording via onderwijs en training, meer diversiteit in het
personeelsbestand, verbinding en verbeteringen in de klachtenprocedure.
Daarnaast heeft mijn ambstvoorganger aanvullende maatregelen genomen om
etnisch profileren tegen te gaan, zoals een toegankelijke app voor
meldingen, klachten en informatie over staandehoudingen en een code voor
bewust en beter selecteren maar ook meer informatiegestuurd politiewerk
door het tonen van het aantal geregistreerde bevragingen over een
individu/kenteken (via Microsomaal ethanol oxiderend systeem)
(MEOS).
Vragen van het lid Azarkan, F. (DENK)
Vraag:
Wat vindt de staatssecretaris van een samenleving waarin onder andere
humaniteit centraal staat, plek is voor echte vluchtelingen en geen plek
is voor discriminatie en uitsluiting?
Antwoord:
Het kabinet kan deze uitgangspunten onderschrijven zoals ook uit het
Regeerakkoord blijkt.
Vragen van het lid Azarkan, F. (DENK)
Vraag:
Wat gaat de minister doen om de privacy in het kader van sexting en
wraakporno van de burgers te beschermen? Kan bij het strafbaar stellen
van wraakporno (strafmaat) rekening worden houden met de gevolgen voor
de slachtoffers?
Antwoord:
Ter uitvoering van het regeerakkoord wordt een wetsvoorstel in procedure
gebracht waarin een strafbaarstelling van wraakporno als zelfstandig
delict in het Wetboek van Strafrecht wordt opgenomen. Het voornemen is
om deze strafbaarstelling breder te trekken dan alleen wraakporno, ook
situaties waarin intiem beeldmateriaal zonder iemands medeweten of
zonder iemands toestemming wordt vervaardigd of verspreid zullen
hieronder worden gebracht. In al deze gevallen geldt dat iemands
seksuele privacy is geschonden. De psychische gevolgen voor slachtoffers
van misbruik van seksueel beeldmateriaal kunnen ernstig en langdurig
zijn. Vaak overheersen gevoelens van schaamte, onmacht en onveiligheid.
Dit geldt temeer als dit beeldmateriaal wordt verspreid met een
bijkomend motief, bijvoorbeeld om iemand zwart te maken of af te persen.
Dergelijk gedrag is extra strafwaardig. Dat zal – ook voor een
afschrikwekkende werking – tot uitdrukking komen in het
strafmaximum.
Vragen van het lid Hiddema, T.U. (FvD)
Vraag:
Werd de teruggekeerde IS-strijder in de gaten gehouden en gevolgd na
zijn vertrek uit De Balie?
Antwoord:
Zoals u begrijpt kan ik in het openbaar geen uitspraken doen over
individuele gevallen. In algemene zin kan ik u melden dat personen die
een dreiging vormen voor de nationale veiligheid nauwlettend in de gaten
worden gehouden. Het Openbaar Ministerie, de politie en de diensten zijn
alert. Passend bij de dreiging worden altijd maatregelen genomen als
daar een juridische grondslag voor is. De inzet van de Algemene
Inlichtingen- en Veiligheiddienst valt onder de verantwoordelijkheid van
de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Ook zij kan –
zoals u weet – geen uitspraken doen over individuele gevallen. Wat
betreft de bijeenkomst in De Balie kan ik u melden dat de politie zoals
te doen gebruikelijk voorafgaand aan de bijeenkomst contact heeft gehad
met De Balie over de beveiliging. De politie heeft een inschatting
gemaakt conform de reguliere werkwijze. De politie heeft de
geüniformeerde dienst geïnformeerd en had een rechtstreekse lijn met De
Balie. De Balie heeft interne beveiligingsmaatregelen getroffen. Op de
betreffende avond heeft de Balie nadat de man vertrokken was, contact
opgenomen met de politie. De politie is hierop ter plaatse gekomen en
heeft gesproken met aanwezigen die de man zouden hebben herkend. Gezien
het vorenstaande concludeer ik dat de politie conform de reguliere
werkwijze heeft gehandeld.
Vragen van het lid Hiddema, T.U. (FvD)
Vraag:
In het regeerakkoord staat vermeld dat het mogelijk wordt dat
terugkeerders een lange tijd in voorlopige hechtenis worden gehouden.
Blijft de mate van verdenking ongewijzigd?
Antwoord:
Met de passage uit het regeerakkoord wordt gedoeld op een onderdeel van
het wetsvoorstel versterking strafrechtelijke aanpak terrorisme (34
746), dat ziet op het verruimen van de mogelijkheid om verdachten van
terroristische misdrijven in voorlopige hechtenis te houden, zonder dat
daarvoor ernstige bezwaren (een stevigere verdenking) zijn vereist. Dat
is thans bij terrorismeverdachten mogelijk gedurende 14 dagen;
voorgesteld wordt om die periode te verlengen met 30 dagen.
Vragen van het lid Hiddema, T.U. (FvD)
Vraag:
Wie worden bedoeld met haatpredikers in het regeerakkoord. Hoe worden ze
van het podium geweerd en welke nieuwe methoden worden toegepast?
Antwoord:
De overheid werkt op nationaal en internationaal niveau aan het
tegengaan van de verspreiding van extremistische propaganda. Het
Openbaar Ministerie treedt op indien de grenzen van de wet worden
overschreden. Zo mogen extremistische sprekers of predikers die
oproepen tot haat of geweld geen podium krijgen. Van dergelijke
extremistische sprekers van buiten het Schengengebied wordt het visum
geweigerd of ingetrokken. Tussen de Europese lidstaten is bovendien
afgesproken dat de lidstaten alle visumplichtige extremistische sprekers
die een bedreiging vormen voor de openbare orde signaleren in het
Schengen Informatie Systeem. Hiermee wordt internationaal ingezet op het
uit het Schengengebied weren van extremistische sprekers die een
dergelijke bedreiging vormen.
Vragen van het lid Hiddema, T.U. (FvD)
Vraag:
Volgens het regeerakkoord zet Nederland in de Europese Unie in op een
veel strengere aanpak van jihadisme? Wat wordt daarmee behelsd?
Antwoord:
Nederland kiest bij de aanpak van terrorisme en extremisme voor een
integrale aanpak met maatregelen op lokaal, nationaal en internationaal
niveau. De inzet in EU verband is hier een belangrijk onderdeel van. De
Nederlandse en EU aanpak versterken elkaar, niet in het minst omdat de
EU inzet ertoe bijdraagt dat krachten worden gebundeld, de ontwikkeling
van specifieke interventiemechanismen wordt bevorderd en dat wordt
voorkomen dat lidstaten geïsoleerd van elkaar oplossingen zoeken voor
vergelijkbare problemen. De afgelopen periode is in Europees verband de
samenwerking versterkt door de realisatie van het Counter Terrorism
Group (CTG)-platform en de EU-Routekaart voor het verbeteren van
informatie-uitwisseling op het gebied van terrorismebestrijding, de
bestrijding van zware criminaliteit en grensbewaking. Ook is fors
ingezet op het versterken van capaciteitsopbouw op het gebied van
terrorismebestrijding en het voorkomen van extremisme in derde landen,
met name de ring rond Europa. Met de uitvoering van de PNR richtlijn en
nieuwe instrumenten zoals het in- en uitreissysteem en het Europese
Travel Authorisation systeem krijgen de EU landen tevens beter zicht op
reisbewegingen in de strijd tegen terrorisme en zware
criminaliteit.
De komende periode is de NLse inzet richting de EU onder andere gericht
op:
Nauwere samenwerking op het gebied van rechtshandhaving, zoals ook in het kader van de Roadmap afgesproken;
Verhogen van de EU inzet ter ondersteuning van lidstaten bij het voorkomen van radicalisering en het tegengaan van gewelddadig extremisme;
Samen met sociale mediabedrijven werken aan het verwijderen en voorkomen van uploaden van terroristisch content online.
Hierover spreek ik volgende week woensdag samen met mijn EU collega’s met oa Facebook, Google, Twitter en Microsoft.
Vragen van het lid Hiddema, T.U. (FvD)
Vraag:
In het regeerakkoord is opgenomen dat er een verbod komt op outlaw
motorcycle gangs. Dit lukt al jaren niet. Hoe gaat het kabinet dit nu
wel voor elkaar krijgen?
Antwoord:
Het lid Kuiken (PvdA) van uw Kamer is bezig een initiatiefwet op te
stellen met datzelfde doel. Mijn ambtsvoorganger heeft al te kennen
gegeven hierbij zoveel mogelijk samen met mevrouw Kuiken op te willen
trekken. Die samenwerking zet ik graag voort. De inhoudelijke discussie
over dit voorstel zal in het kader van de behandeling ervan in deze
Kamer plaats moeten vinden.
Vragen van het lid Hiddema, T.U. (FvD)
Vraag:
Er wordt in het regeerakkoord gesteld dat artikel 137 D van het Wetboek
van Strafrecht wordt gewijzigd en dat hiermee de maximale straf wordt
verlengd van 1 naar 2 jaar. Is de minister al bekend dat in dit artikel
reeds maximaal 2 jaar straf mogelijk is? Waarom acht de minister deze
wijziging noodzakelijk?
Antwoord:
Zoals het kabinet in het regeerakkoord heeft aangegeven, kan er geen
sprake van zijn dat de vrijheid van meningsuiting wordt misbruikt voor
het openbaren van allerlei strafbare uitingen waarbij wordt aangezet tot
haat en geweld. We leven in een digitale wereld waarbij iedereen die
kwaad wil uiterst eenvoudig een podium kan vinden voor zijn of haar
criminele boodschap. Het kabinet is van mening dat hiertegen krachtig
dient te worden opgetreden en dat de strafrechter voor de meest ernstige
vormen van haatzaaien meer ruimte moet krijgen om een passende straf op
te leggen. Tegen deze achtergrond zal een wetswijziging worden
voorbereid, waarbij het wettelijke strafmaximum voor het misdrijf
aanzetten tot haat (artikel 137d Sr) zal worden verhoogd van één tot
twee jaar gevangenisstraf. Daarmee wordt gedoeld op het basismisdrijf,
zoals dat is opgenomen in het eerste lid van artikel 137d Sr. In artikel
137d, tweede lid, Sr bestaat reeds een hoger strafmaximum (2 jaar
gevangenisstraf) voor het geval waarin iemand van het plegen van het
misdrijf een gewoonte maakt of waarin het misdrijf door twee of meer
verenigde personen wordt gepleegd.
Vragen van het lid Hiddema, T.U. (FvD)
Vraag:
FvD meent dat de aanpak van OMG's moet worden omgekeerd. Vandaar het
voorstel om dergelijke clubleden een torenhoge gevangenisstraf op te
leggen en de rijbewijzen te ontnemen, dan wel de rijbevoegdheid te
ontzeggen in aanvulling op de straf. Deze clubleden zijn namelijk op de
fiets niet meer stoer. Wat is de reactie van de minister hierop?
Antwoord:
Ontzegging van de rijbevoegdheid is buiten de in de Wegenverkeerswet
opgenomen strafbare feiten geen mogelijke bijkomende straf. Het ligt ook
niet in de rede om dat mogelijk te maken ten aanzien van overige
strafbare feiten, die niet direct met het verkeer te maken hebben. Het
rijbewijs is niet instrumenteel bij het plegen van de strafbare feiten
waar OMG-leden veelal van verdacht worden. Bovendien is een aanzienlijk
deel van de bij de politie bekende OMG-leden niet eens in het bezit van
een rijbewijs.