[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

Eindtekst

Wijziging van het Wetboek van Strafvordering, de Penitentiaire beginselenwet, de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden, de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen en enkele andere strafrechtelijke wetten met het oog op het aanbrengen van enkele hoofdzakelijk procedurele verbeteringen ten behoeve van de rechtspraktijk

Eindtekst

Nummer: 2017D37866, datum: 2017-12-14, bijgewerkt: 2024-02-19 10:56, versie: 1

Directe link naar document (.doc), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Onderdeel van zaak 2017Z07856:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


De Tweede Kamer der Staten- PRIVATE  

Generaal zendt bijgaand door

haar aangenomen wetsvoorstel

aan de Eerste Kamer.

De Voorzitter,

14 december 2017







Wijziging van het Wetboek van Strafvordering, de Penitentiaire
beginselenwet, de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden, de
Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen en enkele andere
strafrechtelijke wetten met het oog op het aanbrengen van enkele
hoofdzakelijk procedurele verbeteringen ten behoeve van de
rechtspraktijk







GEWIJZIGD VOORSTEL VAN WET



	Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die dezen zullen zien of horen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is om in enkele
wetten op het terrein van het Ministerie van Veiligheid en Justitie
wijzigingen aan te brengen met enkele hoofdzakelijk procedurele
verbeteringen ten behoeve van de rechtspraktijk;

Zo is het, dat Wij, de Afdeling Advisering van de Raad van State
gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden
en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

Het Wetboek van Strafvordering wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 55c, eerste lid, wordt “de ambtenaren van politie, bedoeld
in artikel 2, onder b, van de Politiewet 2012, die tevens buitengewoon
opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 142 zijn,” vervangen door:
de ambtenaren van politie, bedoeld in artikel 2, onder b, van de
Politiewet 2012 en de ambtenaren van politie, bedoeld in artikel 2,
onder c, van die wet, voor zover zij zijn aangesteld voor de uitvoering
van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de
politie en zij tevens buitengewoon opsporingsambtenaar als bedoeld in
artikel 142 zijn,.

B

In artikel 198 wordt, onder vernummering van het tweede en derde lid tot
het vierde en vijfde lid, een tweede en derde lid ingevoegd, luidende:

2. De rechter-commissaris kan hetzij ambtshalve, hetzij op vordering van
de officier van justitie of op verzoek van de verdachte, het bevel,
bedoeld bij artikel 196 eenmaal met ten hoogste zeven weken verlengen. 

3. Op het bevel tot verlenging, overeenkomstig het voorgaande lid, is
artikel 197 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het
oordeel van een of meer deskundigen achterwege kan blijven.

C

In artikel 509g, eerste lid, wordt “artikel 198, derde lid”
vervangen door: artikel 198, vijfde lid.

D

Artikel 509o wordt als volgt gewijzigd:

1. In het vierde lid, wordt de zinsnede “een periode van zes jaar of
van een veelvoud van zes jaar” vervangen door: een periode van vier
jaar of van een veelvoud van vier jaar.

2. In het vijfde lid wordt “artikel 198, derde lid” vervangen door:
artikel 198, vijfde lid.

ARTIKEL II

In artikel 10, eerste lid, van de Wet wederzijdse erkenning en
tenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie
wordt onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel e door een
puntkomma een onderdeel toegevoegd, luidende: 

f. door de bevoegde autoriteiten bij beschikking opgelegde bestuurlijke
boete als bedoeld in artikel 10:5 van de Arbeidstijdenwet voor zover het
overtredingen betreft van hoofdstuk 2 van het Arbeidstijdenbesluit
vervoer.

ARTIKEL III

De Penitentiaire beginselenwet wordt als volgt gewijzigd:

A

Onder vernummering van het derde lid tot vijfde lid, worden in artikel
69 twee leden ingevoegd, luidende:

3. De voorzitter dan wel een door hem aangewezen lid van de
beroepscommissie die een met rechtspraak belast lid van de rechterlijke
macht is, kan het beroepschrift enkelvoudig afdoen indien hij het beroep
kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond
acht, met dien verstande dat hij tevens de bevoegdheden bezit die aan de
voorzitter van de voltallige beroepscommissie toekomen. 

4. De voorzitter, dan wel het door hem aangewezen lid, bedoeld in het
derde lid, kan de behandeling te allen tijde verwijzen naar de
voltallige beroepscommissie.

B

Aan artikel 73, eerste lid, wordt een volzin toegevoegd, luidende:

Ten aanzien van het beroepschrift, bedoeld in artikel 72, eerste lid, is
artikel 69, derde en vierde lid, van overeenkomstige toepassing.

ARTIKEL IV

De Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden wordt als volgt
gewijzigd:

A

In artikel 13, eerste lid, wordt “artikel 198, derde lid” vervangen
door: artikel 198, vijfde lid.

B

In artikel 65, vijfde lid, wordt “artikel 67, vierde lid” vervangen
door: artikel 67, zesde lid.

C

Onder vernummering van het derde en vierde lid tot vijfde en zesde lid,
worden in artikel 67 twee leden ingevoegd, luidende:

3. De voorzitter dan wel een door hem aangewezen lid van de
beroepscommissie die een met rechtspraak belast lid van de rechterlijke
macht is, kan het beroepschrift enkelvoudig afdoen indien hij het beroep
kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond
acht, met dien verstande dat hij tevens de bevoegdheden bezit die aan de
voorzitter van de voltallige beroepscommissie toekomen. 

4. De voorzitter, dan wel het door hem aangewezen lid, bedoeld in het
derde lid, kan de behandeling te allen tijde verwijzen naar de
voltallige beroepscommissie.

ARTIKEL V

De Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen wordt als volgt
gewijzigd:

A

Onder vernummering van het derde lid tot vijfde lid, worden in artikel
74 twee leden ingevoegd, luidende:

3. De voorzitter dan wel een door hem aangewezen lid van de
beroepscommissie die een met rechtspraak belast lid van de rechterlijke
macht is, kan het beroepschrift enkelvoudig afdoen indien hij het beroep
kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond
acht, met dien verstande dat hij tevens de bevoegdheden bezit die aan de
voorzitter van de voltallige beroepscommissie toekomen. 

4. De voorzitter, dan wel het door hem aangewezen lid, bedoeld in het
derde lid, kan de behandeling te allen tijde verwijzen naar de
voltallige beroepscommissie.

B

Aan artikel 78, eerste lid, wordt een volzin toegevoegd, luidende:

Ten aanzien van het beroepschrift, bedoeld in artikel 77, eerste lid, is
artikel 74, derde en vierde lid, van overeenkomstige toepassing.

ARTIKEL VI

Aan artikel 76a van het Wetboek van Strafrecht wordt een lid toegevoegd,
luidende:

8. De termijn loopt ten aanzien van geldsommen, tot betaling waarvan de
veroordeelde op grond van een vonnis, arrest of strafbeschikking
verplicht is, niet gedurende de tijd dat op grond van artikel 5 van de
Wet gemeentelijke schuldhulpverlening een afkoelingsperiode is
afgekondigd voor de veroordeelde.

ARTIKEL VII

Artikel 1, eerste lid, onder d, van de Wet DNA-onderzoek bij
veroordeelden komt te luiden:

d. opsporingsambtenaar: 

1°. een ambtenaar van politie als bedoeld in artikel 2, onder a, van de
Politiewet 2012;

2°. een ambtenaar van politie als bedoeld in artikel 2, onder c, van
die wet, voor zover hij is aangesteld voor de uitvoering van de
politietaak;

3°. een ambtenaar van politie als bedoeld in artikel 2, onder b of c,
van die wet, voor zover hij is aangesteld voor de uitvoering van taken
op het terrein van de technische recherche, of 

4°. een militair van de Koninklijke marechaussee als bedoeld in artikel
141, onder c, van het Wetboek van Strafvordering.

ARTIKEL VIII

Indien het bij koninklijke boodschap van 4 juni 2010 ingediende voorstel
van wet tot vaststelling van een Wet forensische zorg en daarmee verband
houdende wijzigingen in diverse andere wetten (32 398) tot wet is of
wordt verheven, en deze wet in werking treedt of is getreden voor het
tijdstip waarop die wet in werking treedt, komt op dat tijdstip artikel
7.3, onder B van die wet te luiden:

B

	

Artikel 198 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste en vierde lid wordt “inrichting” telkens vervangen
door: instelling.

2. In het vijfde lid wordt “inrichtingen” vervangen door:
instellingen. 

ARTIKEL IX

Indien de wet van 25 november 2015 tot wijziging van het Wetboek van
Strafrecht en Wetboek van Strafvordering in verband met het laten
vervallen van de maximale duur van de voorwaardelijke beëindiging van
de verpleging van overheidswege, het verlengen van de proeftijden van de
voorwaardelijke invrijheidsstelling en de invoering van een langdurige
gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel voor ter
beschikking gestelden en zeden- en geweldsdelinquenten (langdurig
toezicht, gedragsbeïnvloeding en vrijheidsbeperking) (Stb. 2015, 460)
in werking treedt of is getreden, worden de artikelen 38, 38z, 38aa,
38ab en 38ag van het Wetboek van Strafrecht, als volgt gewijzigd:

A

In artikel 38 wordt het tweede negende lid vernummerd tot het tiende
lid.

B

Artikel 38z wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onder a, wordt “als bedoeld in de artikelen 37a
of 37b” vervangen door: als bedoeld in de artikelen 37a, 37b of 38. 

2. In het eerste lid, onder b, wordt “een gevangenisstraf van ten
hoogste vier jaren of meer” vervangen door: een gevangenisstraf van
vier jaren of meer. 

C

Artikel 38aa, eerste lid, komt te luiden:

1. De in artikel 38z, eerste lid, bedoelde maatregel kan niet ten
uitvoer worden gelegd, tenzij het openbaar ministerie uiterlijk dertig
dagen voor de beëindiging van de terbeschikkingstelling dan wel dertig
dagen voor ommekomst van de termijn als bedoeld in artikel 15c dan wel
dertig dagen voordat de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf wordt
beëindigd een vordering tot tenuitvoerlegging van de opgelegde
maatregel indient bij de rechter die in eerste aanleg kennisgenomen
heeft van het misdrijf ter zake waarvan de maatregel is opgelegd. Het
openbaar ministerie is in een later ingediende vordering niettemin
ontvankelijk indien het aannemelijk maakt dat de grond bedoeld in
artikel 38ab, eerste lid, zich eerst nadien heeft voorgedaan. 

D

Aan artikel 38ab, wordt een lid toegevoegd, luidende:

6. Bij de tenuitvoerlegging van de maatregel zijn de artikelen 38w, 38x
en 38ij van overeenkomstige toepassing.

E

Artikel 38ag wordt als volgt gewijzigd:

1. Het derde lid vervalt.

2. Onder vernummering van het eerste en tweede lid tot tweede en derde
lid wordt een nieuw lid ingevoegd, luidende:

1. Op de procedure voor de rechter als bedoeld in artikel 38aa, eerste
lid, inzake de tenuitvoerlegging van de opgelegde maatregel als bedoeld
in artikel 38ab, eerste lid, de verlenging van de termijn van de
maatregel als bedoeld in artikel 38ac, eerste lid, en de opheffing of
wijziging van de maatregel of de voorwaarden daarbij als bedoeld in
artikel 38ae, zijn de artikelen 509z, vierde en vijfde lid, 509aa tot en
met 509dd en 509gg van het Wetboek van Strafvordering van
overeenkomstige toepassing.  

ARTIKEL X

Indien het bij koninklijke boodschap van 21 november 2014 ingediende
voorstel van wet tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het
Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten in verband met een
herziening van de wettelijke regeling van de tenuitvoerlegging van
strafrechtelijke beslissingen (34 086), tot wet is of wordt verheven, en
artikel I van die wet in werking treedt of is getreden voor of op het
tijdstip waarop deze wet in werking treedt, wordt deze wet als volgt
gewijzigd:

A

Artikel I, onderdeel C, wordt als volgt gewijzigd:

1. In de aanhef wordt “Artikel 509o” vervangen door: Artikel 6:6:12.

2. In het eerste lid wordt “het vierde lid” vervangen door: het
derde lid.

3. Het tweede lid vervalt.

B

Aan artikel I wordt een nieuw onderdeel D toegevoegd, luidende:

D

Aan artikel 6:1:23 wordt een lid toegevoegd, luidende:

8. De tenuitvoerleggingstermijn loopt ten aanzien van geldsommen, tot
betaling waarvan de veroordeelde op grond van een vonnis, arrest of
strafbeschikking verplicht is, niet gedurende de tijd dat op grond van
artikel 5 van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening een
afkoelingsperiode is afgekondigd voor de veroordeelde.

C

Artikel VI vervalt.

D

Artikel VII, onderdeel D, komt te luiden:

D

Aan artikel 38ab, wordt een lid toegevoegd, luidende:

6. Bij de tenuitvoerlegging van de maatregel zijn de artikelen 537,
6:3:15, 6:6:3, 6:6:4, 6:6:20, 6:6:21 en 6:6:22 van het Wetboek van
Strafvordering en 38w van overeenkomstige toepassing. 

E

Artikel VII, onderdeel E, komt te luiden:

E

Onder vernummering van het eerste en tweede lid tot tweede en derde lid
wordt een nieuw lid ingevoegd, luidende:

1. Op de procedure voor de rechter als bedoeld in artikel 38aa, eerste
lid, inzake de tenuitvoerlegging van de opgelegde maatregel als bedoeld
in artikel 38ab, eerste lid, de verlenging van de termijn van de
maatregel als bedoeld in artikel 38ac, eerste lid, en de opheffing of
wijziging van de maatregel of de voorwaarden daarbij als bedoeld in
artikel 38ae, zijn de artikelen 6:6:2 tot en met 6:6:4 en artikel 6:6:17
van het Wetboek van Strafvordering van overeenkomstige toepassing.

ARTIKEL XI

1. In gevallen waarin voor inwerkingtreding van artikel I, onderdeel C,
eerste lid, nog niet eerder een advies als bedoeld in artikel 509o,
vierde lid, Wetboek van Strafvordering, zoals deze bepaling luidde voor
de inwerkingtreding van deze wet, is overgelegd, en de totale duur van
de ter beschikkingstelling op het moment van inwerkingtreding van deze
wet reeds een periode van vier jaar te boven gaat en de vordering tot
verlenging van de terbeschikkingstelling reeds is ingediend, wordt door
het openbaar ministerie een advies als bedoeld in artikel 509o, vierde
lid, Wetboek van Strafvordering, overgelegd indien bij de vordering tot
verlenging de terbeschikkingstelling een periode van zes jaar te boven
gaat. Hierna legt het openbaar ministerie steeds een advies als bedoeld
in artikel 509o, vierde lid, Wetboek van Strafvordering, over indien het
een verlenging vordert waardoor de totale duur van de
terbeschikkingstelling een periode van vier jaar of van een veelvoud van
vier jaar te boven gaat, te rekenen vanaf het moment waarop het eerste
advies is uitgebracht.

2. In gevallen waarin voor inwerkingtreding van artikel I, onderdeel C,
eerste lid, reeds een advies als bedoeld in artikel 509o, vierde lid,
Wetboek van Strafvordering, zoals deze bepaling luidde voor de
inwerkingtreding van deze wet, is overgelegd, legt het openbaar
ministerie indien het een verlenging vordert waardoor de totale duur van
de terbeschikkingstelling een periode van vier jaar of van een veelvoud
van vier jaar te boven gaat, te rekenen vanaf het moment waarop het
advies op grond van de bepaling zoals die luidde voor de
inwerkingtreding van deze wet laatstelijk is uitgebracht, een advies
over als bedoeld in artikel 509o, vierde lid, Wetboek van
Strafvordering.

ARTIKEL XII

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan
verschillend kan worden vastgesteld.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat
alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven

De Minister van Justitie en Veiligheid,

De Minister voor Rechtsbescherming,

 

 

 PAGE    

 PAGE   8