Position paper A. van Montfoort t.b.v. hoorzitting/rondetafelgesprek Evaluatie Jeugdwet (34880-1) d.d. 23 april 2018
Position paper
Nummer: 2018D24581, datum: 2018-04-12, bijgewerkt: 2024-02-19 10:56, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Onderdeel van zaak 2018Z06914:
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport
- Stemmingen en besluiten:
- 2018-04-26 10:15 ⇒ Position paper betrokken bij het rondetafelgesprek Evaluatie Jeugdwet (34880-1) d.d. 23 april 2018 (Besluit)
- 2018-04-23 10:00 ⇒ Behandeld. (Besluit)
- 2018-04-23 10:00: Evaluatie Jeugdwet - 34880-1 (Rondetafelgesprek), vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport
- 2018-04-26 10:15: Procedurevergadering VWS (Procedurevergadering), vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Preview document (🔗 origineel)
Position paper rondetafelgesprek evaluatie Jeugdwet Tweede Kamer commissie VWS 23 april 2018
Adri van Montfoort, 12 april 2018
1. Positief van de stelselwijzigingen is dat er op veel plaatsen op veel manieren gezocht wordt naar nieuw beleid en nieuwe werkvormen in de praktijk. Gemeenten vinden zorg voor jeugd belangrijk, er wordt meer gezocht naar oplossingen in de eigen leefomgeving en er wordt meer nagedacht over de samenhang tussen verschillende levens- en gezinsvragen.
Daar staat tegenover, dat over de hele linie de doelen van de stelselwijziging nog onvoldoende geoperationaliseerd zijn. Het gemeentelijk beleid is in deze eerste jaren niet altijd goed doordracht en (daardoor) niet altijd effectief. Bij overschrijding van het budget moeten gemeenten zich meer en grondiger bezinnen op de vraag in hoeverre hun eigen beleid hiervan mede oorzaak is.
Een doel van de Jeugdwet (MvT) was meer ruimte voor professionals. Dit doel wordt belemmerd doordat de stapeling van tuchtrecht, klachtrecht en toezicht tegen de bedoeling in verder is toegenomen (zie A.J. van Montfoort, Tucht, toezicht en kwaliteit jeugdbescherming. Tijdschrift Jeugdbeleid. Volume 12, nummer 1, pag. 1-19. DOI 10.1007/s12451-018-0168-z.).
Bij de bestrijding van huiselijk geweld en kindermishandeling ligt een te grote nadruk op het melden bij Veilig Thuis. Deze nadruk voedt de illusie dat één instantie ‘zicht op veiligheid’ kan bieden. Het grote aantal meldingen staat haaks op het doel van hulp in eigen omgeving, dicht bij huis, eigen kracht en normaliseren.
De keten van jeugdbescherming is door de stelselwijzigingen verder verkokerd. Ook dit tegen de doelen van de wet in. Deze verkokering tussen gemeente, Veilig Thuis, Raad voor de Kinderbescherming en gecertificeerde instelling is zeer inefficiënt, leidt tot lange doorlooptijden en minder transparantie voor de gezinnen en het zet de kwaliteit van onderzoek en interventies onder druk.
2. Het beeld dat in de Evaluatie wordt geschetst herken ik in grote lijnen. Het grootste gemis is dat te beperkt gekeken is naar de Jeugdwet en niet of nauwelijks naar Veilig Thuis en de Raad voor de Kinderbescherming. Voor kinderen en ouders is er één primair proces waar zij mee te maken krijgen; dat de wetgever Veilig Thuis in een andere wet heeft ondergebracht (WMO) en de Raad voor de Kinderbescherming buiten de stelselwijziging heeft gehouden is voor de kinderen en ouders niet relevant. Door evaluatie smal te richten op de Jeugdwet blijft de keten van de jeugdbescherming grotendeels buiten beeld.
3. Er moet nog veel gebeuren voordat er werkelijk een transformatie komt. Dat is logisch, want transformatie vereist een maatschappelijke verandering en vooralsnog is het geen volksbeweging, maar een beleidswoord. Voor de lichte problemen met opvoeden en opgroeien moet de overheid leren minder te doen en meer op de mensen te vertrouwen. Preventie is essentieel, maar dat moet veel breder in de samenleving gebeuren onder het motto ‘alle beleid is jeugdbeleid’. Het verlagen van de drempel via de lokale teams naar de gefinancierde jeugdhulp is geen preventie, maar is uitbreiding van de overheidsbemoeienis. De lokale teams moeten verder worden geprofessionaliseerd. De uitdaging in de zorg zit bij de zware problemen. Ik stel voor als criterium voor de transformatie: de mate waarin de lokale gemeenschap, de gemeente, de professionals uit alle sectoren en de aanbieders erin slagen om voor alle jeugdigen die uit huis geplaatst zijn en niet in een perspectief biedend pleeggezin wonen een duurzaam perspectief in de leefwereld te realiseren. Dat wil zeggen: residentiële en klinische voorzieningen en gesloten jeugdhulp vervangen door hulp thuis, in het netwerk, een pleeggezin, een gezinshuis of begeleid wonen.
Mijn bijdrage als deskundige bestaat uit het kritisch analyseren en doordenken van zowel praktijk als beleid en van daaruit onafhankelijk denken, soms dwarsdenken, altijd creatief meedenken over oplossingen en uit het scholen, coachen en steunen van de mensen die in de weerbarstige praktijk het belangrijke werk doen.
4. Voor iedereen en ook voor de regering en de Tweede Kamer is bezinning nodig op het idee dat kindermishandeling en huiselijk geweld in de breedte effectief bestreden kunnen worden door het melden bij één centrale instantie:
- geen enkele instantie kan de verwachting waarmaken om meer dan 100.000 meldingen te verwerken, te monitoren en ervoor te zorgen dat het geweld stopt respectievelijk dat de bedreiging voor het kind wordt afgewend.
- kinderen op de radar en zicht op veiligheid zijn misleidende, abstracte bezweringsformules. De wijkagent, familieleden, de school en de lokale teams zijn veel belangrijker als ‘monitor’ dan een instantie die op afstand registreert, triageert en regisseert;
- de eenzijdige nadruk op melden, registreren, etc. staat haaks op de bedoeling van de Jeugdwet: dicht bij huis, normaliseren, ontmedicaliseren.
- als er niet gemeld wordt, is er een risico dat het geweld doorgaat. Als er wel gemeld wordt, is er een risico dat het geweld doorgaat. De regering en de TK moeten deze realiteit accepteren en uitdragen.
- voor ernstige zaken van lichamelijk en seksueel geweld blijft melden belangrijk. Daarbij moet steeds een goede combinatie gemaakt worden van strafrecht, bestuursrecht (huisverbod), jeugdbescherming en zorg en hulpverlening.
De keten van de jeugdbescherming is bij de stelselwijzigingen van 2015 niet of niet goed geregeld. Dat is begrijpelijk, omdat er in één keer heel veel moest worden geregeld. In vrijwel alle landen worden de ‘jeugd’-functies van Veilig Thuis, de Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instelling uitgevoerd door één organisatie. Bijvoorbeeld in Duitsland (Jugendamt), Verenigd Koninkrijk, de Scandinavische landen, Frankrijk, de Verenigde Staten. Nergens zijn deze taken over zo veel instanties onder zoveel wettelijke regelingen verdeeld als in Nederland. De komende jaren moet hier serieus over nagedacht worden en moet een vereenvoudiging en een meer integrale aanpak worden ontworpen. De regering en de Tweede Kamer hebben hierbij een belangrijke rol als stelselverantwoordelijken. Niet door te beginnen met een wetswijziging, maar door de gemeenten en de praktijk uit te nodigen om meer geïntegreerd te gaan werken. Wanneer dit gebeurt, botst de vernieuwing tegen de grenzen van de wet en tegen de (vele) vormen van tucht, toezicht en certificering. De rijksoverheid kan de vernieuwing ondersteunen door het initiatief te laten aan de gemeenten respectievelijk de praktijkinstellingen en door ruimte te creëren voor experimenten. Zo nodig moet de rijksoverheid daarbij sturen. Het ministerie van Justitie & Veiligheid moet ervoor zorgen, dat de Raad voor de Kinderbescherming volledig meedoet. Wanneer een GI gaat participeren kan/zal dat consequenties hebben voor het kwaliteitsmanagementsysteem. Het ministerie heeft dan de taak om ervoor te zorgen, dat dit niet wordt geblokkeerd door de eisen die door het Keurmerkinstituut worden gesteld op basis van het Normenkader. De beide ministeries moeten de Inspectie betrekken om te voorkomen, dat de experimenten worden beoordeeld op basis van verkokerde kwaliteitseisen. Ook moet de SKJ hierbij worden betrokken, omdat angst voor een tuchtrechtelijke veroordeling professionals kan remmen in het ontwikkelen van een nieuwe, integrale praktijk.
De Tweede Kamer kan deze ontwikkeling bevorderen, steunen en volgen.