Schriftelijke antwoorden op vragen gesteld tijdens de eerste termijn van de begrotingsbehandeling van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Gemeentefonds en Provinciefonds op 16 oktober 2018
Brief regering
Nummer: 2018D49944, datum: 2018-10-17, bijgewerkt: 2024-02-19 10:56, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: K.H. Ollongren, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Onderdeel van zaak 2018Z18689:
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Binnenlandse Zaken
- Stemmingen en besluiten:
- 2018-11-14 14:10 ā Rondgezonden en gepubliceerd. (Besluit)
- 2018-11-07 14:00 ā Afgevoerd van de stand der werkzaamheden. (Besluit)
- 2018-11-01 11:30 ā (Desgewenst) betrokken bij de plenaire behandeling van de Begroting 2019 TK 35500 Hfst VII Binnenlandse Zaken. (Besluit)
- 2018-10-18 11:00 ā Behandeld. (Besluit)
- 2018-10-18 11:00: Begroting Binnenlandse Zaken (35000-VII) incl. Gemeentefonds (35000-B) en Provinciefonds (35000-C) (voortzetting) (Plenair debat (wetgeving)), TK
- 2018-11-01 11:30: Procedurevergadering commissie Binnenlandse Zaken (Procedurevergadering), vaste commissie voor Binnenlandse Zaken
- 2018-11-07 14:00: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2018-11-14 14:10: Aanvang middagvergadering: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
Preview document (š origineel)
Vragen van het lid Bosma, M. (PVV)
Vraag:
Eind november doet de rechtbank Amsterdam uitspraak tegen de Nederlandse
Staat inzake Nederlandse oorlogsmisdadigers. Hierin wordt Urgenda als
precedent opgevoerd. Wat vindt de minister hiervan?
Antwoord:
In elk rechtsgeschil staat het partijen vrij te wijzen op de mogelijke
relevantie van rechterlijke uitspraken in andere zaken. Het is niet aan
mij om een oordeel te geven over dergelijke verwijzingen, laat staan
over de houdbaarheid daarvan. Dit geldt uiteraard eens te meer omdat de
zaak waar de heer Bosma aan refereert nog onder de rechter is.
Voor wat betreft Urgenda geldt dat het Hof Den Haag een precies op de
zaak toegespitst en beargumenteerd arrest heeft gewezen. Dat betekent
niet dat de Staat het er per se op alle punten mee eens is. Het kabinet
is het arrest nu goed aan het bestuderen om te bezien of cassatie
ingesteld moet worden en zo ja, op welke gronden. Nog ongeacht of een
uitspraak in een concreet geval uiteindelijk wel of niet in stand
blijft, is van ongekozen rechters die beleid maken geen sprake. De
suggestie daarvan miskent de rol en functie van de rechter in ons
rechtsbestel. In civiele zaken als deze bestaat die rol eruit om als
onafhankelijk en onpartijdig overheidsambt in een concreet rechtsgeschil
dat is voorgelegd te beslissen op grond van het recht en de aangedragen
feiten en het voorliggende bewijsmateriaal.
Vragen van het lid Middendorp, J. (VVD)
Vraag:
In 2019 zal een wetsvoorstel ter versterking van de bestuurlijke
integriteit naar de Tweede Kamer worden verstuurd. Kan dit eerder?
Antwoord:
Het belang van integere en deskundige bestuurders in het lokaal bestuur
staat hoog op de agenda. Zoals ik in mijn brief heb gemeld, is het
onderwerp integriteit na de gemeenteraadsverkiezingen nadrukkelijk
geagendeerd via de inwerkprogrammaās van de nieuwe raadsleden en
wethouders. Er is veel vraag naar opleidingen, trainingen en
bijeenkomsten, waarbij integriteit ook steeds meer verbonden wordt met
themaās als ondermijning, intimidatie en agressie. Met de aangekondigde
maatregelen zijn we op de goede weg. Op korte termijn komt nog een
aantal andere producten beschikbaar, zoals bijvoorbeeld de Basisscan
integriteit en de escalatieladder bij bestuurlijke problemen. Een
volgende stap is het aangekondigde wetsvoorstel. We doen uiteraard ons
best om dit wetsvoorstel zo spoedig mogelijk gereed te maken. Maar
zorgvuldigheid en overleg met de andere overheden kost tijd. Bovendien
betreft het een voorgenomen wetsvoorstel dat een wijziging van de
verschillende organieke wetten behelst. Samenwerking is in deze
belangrijk om tot een gedragen voorstel te kunnen komen. Ook is
consultatie van medeoverheden overigens aan termijnen gebonden. Ik kan u
daarom niet toezeggen dat dit wetsvoorstel eerder gereed zal zijn.
Vraag:
De VVD wil dat de overheid niet alleen zendt via mijnoverheid.nl maar
ook antwoordopties biedt. De vraag is of dit ook wordt ingezet bij de
versterking van de lokale democratie.
Antwoord:
De doorontwikkeling van MijnOverheid, waaronder de toekomstige
mogelijkheid om je overheidsberichten niet alleen in te zien maar daarop
ook digitaal te kunnen antwoorden, is gericht op het verbeteren van de
overheidsdienstverlening. Daarbij zetten we burgers meer centraal en
geven wij hen meer regie. Met het verbeteren van
overheidsdienstverlening versterken wij de responsiviteit van de
overheid, zoals inwoners dat ook van het openbaar bestuur verwachten
anno 2018. Het streven is eind 2019 de eerste toepassingen van
tweewegverkeer op MijnOverheid in gebruik te nemen.
Vraag:
Er komen door de digitale overheid meer bedreigingen van de democratie.
Het voordeel van digitale nieuwsfora is dat iedereen mee kan doen. Maar
dat geeft kwaadwillenden de kans om de lokale democratie te ondermijnen.
In kleine gemeenten worden soms wethouders die zich met hart en ziel
inzetten, op lokale digitale nieuwssites door enkelen die heel gericht
nieuwssites kanaliseren, het leven zuur gemaakt. Wat gaat de minister
concreet doen om de lokale democratie te versterken?
Antwoord:
Van belang is de juiste randvoorwaarden te creƫren voor een inclusieve
en veilige lokale digitale democratie. EƩn waarbij de techniek
ondersteunend is aan het verwezenlijken van democratische
uitgangsprincipes. Hierin werk ik nauw samen met de staatssecretaris die
in de Agenda Digitale Overheid: NL DIGIbeter (Kamerstukken II 2017-2018
26 643, nr. 549) verschillende maatregelen neemt die tevens bijdragen
aan het versterken van de wijze waarop de lokale democratie
digitaliseert.
Naar aanleiding van het verschijnen van de Monitor Agressie en Geweld
Politieke Ambtsdragers 2018, waarin ook bedreigingen via (sociale) media
naar voren komen, is in het ondersteuningsaanbod voor lokale bestuurders
en volksvertegenwoordigers ook aandacht besteed aan bedreigingen via
sociale media.
Een concrete maatregel die ik tevens reeds heb genomen is de start van
het project Lokale Digitale Democratie, waarbinnen 15 gemeenten
ondersteund worden bij de implementatie van (open source)
participatiemiddelen. Deze stellen hen in staat bewoners meer directe
betrokkenheid te geven bij lokale beleids- en besluitvorming. Met dit
project wordt gestalte geven aan de lokale digitale democratie van de
toekomst. Eind 2019 worden, samen met de Vereniging van Nederlandse
Gemeenten (VNG), de succesvolle elementen opgeschaald naar overige
gemeenten. Hierbij is nadrukkelijk oog voor de verschillende risicoās
die de voortschrijdende digitalisering met zich meebrengt.
Daarnaast is de Raad voor het Openbaar Bestuur op mijn verzoek onderzoek
gaan doen naar de kansen en risicoās van digitalisering voor onze
democratie. Begin 2019 is dit advies gereed en ga ik met de
aanbevelingen aan de slag.
Vraag:
Wat is volgens de minister de invloed van technologie/sociale media op
de laatste gemeenteraadsverkiezingen? Is de minister het eens dat we
zelf grip moeten houden op de verkiezingen en meer kennis moeten
opbouwen en onderzoek doen?
Antwoord:
De betrouwbaarheid en integriteit van het verkiezingsproces is ook voor
mij een cruciaal uitgangspunt. De betrokken departementen en diensten
staan doorlopend in contact om die te borgen. Ook deel ik dat het van
belang is om kennis op te bouwen over dit onderwerp. Dat gebeurt ook. Zo
is het effect van sociale media op de gemeenteraadsverkiezingen
onderdeel van het Lokaal Kiezersonderzoek (LKO) 2018. Het
onderzoeksrapport is volgende maand beschikbaar. De onderzoekers brengen
onder meer in kaart in hoeverre kiezers hun informatie van sociale media
halen en in hoeverre zij hun keuze op informatie op sociale media
baseren. Verder schrijft de Staatscommissie Parlementair Stelsel in haar
tussenrapport over onderzoek van de Technische Universiteit Delft naar
het effect van de online-omgeving op de gemeenteraadsverkiezingen van
2018. Het onderzoek is nog niet gepubliceerd. Het kabinet zal reageren
op het rapport van de Staatscommissie.
Vraag:
Wat is de positie van het kabinet ten aanzien van de zomer- en
wintertijd? Wordt de Tweede Kamer middels een brief geĆÆnformeerd?
Antwoord:
Op 12 september heeft het kabinet het voorstel van de Europese Commissie
over zomertijd ontvangen. Het Beoordeling Nieuwe
Commissievoorstellen-fiche met onze eerste reactie hierop ontvangt u zo
snel mogelijk.
Nederland zet zich in voor harmonisatie met andere landen. We overleggen
met naburige landen, zoals Belgiƫ, Luxemburg en Duitsland.
Ik zal het Nederlandse standpunt aan de hand van het fiche in het
kabinet bespreken. Daarop kan ik dus nog niet vooruitlopen. Consultatie
van experts en maatschappelijke organisaties loopt al en vergt nog enige
tijd. Daarnaast zullen we een peiling houden; deze komt er nog voor de
jaarwisseling.
Vraag:
In 2015 heeft de VVD een motie ingediend om bij de herziening van
Gemeentefonds en Provinciefonds, regio's met potentie in hun kracht te
zetten. Neemt de minister deze motie mee bij de herziening van het
Gemeentefonds en het Provinciefonds?
Antwoord:
Op 6 juli jl. stuurde ik uw Kamer mijn voornemens ten aanzien van de
heroverweging van de financiƫle verhoudingen. Hierbij kijk ik onder
andere naar de verdeling van het gemeente- en provinciefonds. Hierbij
betrek ik inderdaad ook de verschillen in ontwikkeling tussen gemeenten
in verschillende regio's. Met dit traject geef ik onder meer invulling
aan de motie-Veldman/Wolbert uit 2015.
Vragen van het lid Ćzütok, N. (GL)
Vraag:
Hoe blijven voorzieningen in stand bij afname van het accres? Hoe kan de
Kamer over onafhankelijke en adequate informatie hierover beschikken? Of
is de minister bereid om hier onafhankelijk onderzoek naar te
doen?
Antwoord:
Het kabinet heeft samen met de medeoverheden afgesproken om de
trap-op-trap-af systematiek aan te zetten en de basis voor de
normeringssystematiek te verbreden. Door deze verbreding en
intensiveringen van het kabinet komen fors meer middelen (accres) voor
de medeoverheden beschikbaar. Deze middelen zijn voor gemeenten en
provincies vrij besteedbaar. Als het accres af- of toeneemt is het de
eigen verantwoordelijkheid van gemeenten en provincies om keuzes te
maken.
In het voorjaar heb ik u per brief (Kamerstukken II 2017ā2018 34 477,
nr. 35) geĆÆnformeerd dat in opdracht van mij een rapport is verschenen
waaruit blijkt dat de huidige verdeling voor het sociaal domein in het
gemeentefonds knelpunten kent (zie ook de vraag van het lid Van der
Molen (CDA)). In het bestuurlijk overleg van 23 mei 2018 hebben Rijk en
de Vereniging van Nederlandse Gemeenten gesproken over de noodzakelijke
vervolgstappen en de gewenste aanpak daarbij. Over de uitkomst daarvan
heb ik u op 5 juli 2018 per brief (Kamerstukken II 2017ā2018, 34 477,
nr. 39) geĆÆnformeerd. Op dit moment wordt gewerkt aan de voorbereidingen
van een breed onderzoek gericht op een integrale nieuwe verdeling van
het gemeentefonds gericht op het gehele sociaal domein. Op dit moment
verken ik samen met de VNG en andere betrokken partijen welke
onderzoeksmethode hiervoor het meest geschikt is. Naar verwachting kan
ik het brede onderzoek begin 2019 starten. De planning is erop gericht
om de nieuwe verdeling per 2021 in te voeren.
Er zijn daarnaast diverse informatiebronnen die inzicht bieden in de
financiƫle positie van de medeoverheden. Er is onder andere het
Periodiek Onderhoudsrapport van het gemeentefonds (POR), Informatie voor
Derden (IV3) en het toezichtsverslag dat de provincies opstellen. Zoals
gebruikelijk bij verdeelvraagstukken zal ik uw Kamer informeren over de
uitkomsten van het verdeelonderzoek sociaal domein.
Vraag:
De slavernijherdenking wordt nu vooral gefinancierd met incidentele
projectgelden. Is er geen mogelijkheid dit goed structureel te
regelen?
Antwoord:
Voor de herdenking bij het Nationaal Monument Slavernijverleden stelt de
minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) via het Mondriaan
Fonds jaarlijks een budget beschikbaar aan het Nationaal instituut
Nederlands Slavernijverleden en erfenis (NiNSee). Ook de minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft hiervoor subsidie in 2017 en 2018
verstrekt aan het NiNSee.
Op 1 juli van dit jaar heb ik de herdenking bij het Nationaal Monument
Slavernijverleden bijgewoond. Ik heb daarbij genoemd dat ik het
belangrijk vind dat wij samen herdenken wat in het verleden is gebeurd
en dat wij samen vieren dat die belangrijke stap naar gelijkwaardigheid
en vrijheid in 1863 is gezet. Mijn collegaās van het ministerie van SZW
en van het ministerie van OCW zijn zoals gezegd reeds betrokken bij deze
herdenking. Ik zal hen vragen om samen op te trekken bij het verkennen
hoe we deze herdenking kunnen bestendigen. Daarbij zal ook het
financiƫle aspect worden meegenomen.
Vraag:
De overheid kan via duurzaam inkopen en verduurzaming van kantoren een
grote bijdrage leveren aan de verduurzaming van onze omgeving. Graag
hoor ik de ambities van deze bewindspersonen hierop.
Antwoord:
Voor het kabinet is het verduurzamen van Nederland een speerpunt. Ook
via het eigen handelen wil de Rijksoverheid een bijdrage leveren aan de
verduurzaming van Nederland. Door in de eigen bedrijfsvoering en inkoop
te experimenteren en duurzame oplossingen toe te passen, draagt de
rijksorganisatie bij aan de duurzame transities die het kabinet
voorstaat en realiseert het Rijk een maatschappelijke impact. De
ambities heb ik eerder aan uw Kamer toegelicht in de Kamerbrief bij de
Jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk; deze zijn tevens opgenomen in het
actieplan Maatschappelijk Verantwoording Inkopen Rijksinkoopstelsel.
Kernpunten zijn:
Het Rijk draagt bij aan de klimaat- en energietransitie door in eigen gebouwen energie te besparen, door over te schakelen op hernieuwbare bronnen en door resterende emissies te compenseren. In het kader van de totstandkoming van het klimaatakkoord worden routekaarten ontwikkeld die leiden tot verdere verduurzaming van rijksgebouwen. Daarnaast wordt in het kader van het Regionaal Ontwikkelprogramma (ROP) gewerkt aan de verduurzaming van het rijksvastgoed. Ik wijs daarbij op het project Energierijk Den Haag. Doel is het klimaatneutraal maken van 1 miljoen m2 vastgoed van het Rijk en andere overheden in het centrum van Den Haag. Daarnaast is het doel het ontwikkelen van een schaalbare en repeteerbare (gebiedsgerichte) āsamenwerkingsinfrastructuurā waarop ook ander vastgoed (woningen/utiliteit) kan aansluiten.
De transitie naar een circulaire economie krijgt volop aandacht binnen de inkoop en bedrijfsvoering van het Rijk. Circulaire projecten zijn er in de categorieĆ«n meubilair, papier en drukwerk, bedrijfskleding, ICT-hardware, afval en grondstoffenmanagement, catering en gebouwen. In de kabinetsreactie op de transitieagendaās circulaire economie is gemeld dat het aantal circulaire inkoopcategorieĆ«n wordt verhoogd van zes naar tien en de kantorenportefeuille in 2030 circulair wordt beheerd.
Om beter te kunnen sturen op de inzet van kwetsbare groepen lanceerde de Rijksoverheid circa twintig proeftuinen social return, waarin geƫxperimenteerd wordt met nieuwe vormen van social return. Deze aanpak wordt nu verder opgeschaald.
Ik zal uw Kamer het actieplan MVI Rijksinkoopstelsel toesturen.
Vragen van het lid Molen, H. van der (CDA)
Vraag:
Er is een maatschappelijk debat over de rechten in de
informatiesamenleving aangekondigd. Wanneer mogen we op dit vlak de
uitwerkingen verwachten?
Antwoord:
Ik heb dit voorjaar een brede maatschappelijke dialoog over de effecten
van nieuwe technologieƫn op rechten en waarden namens het kabinet
toegezegd in de kabinetsreactie op twee rapporten van het Rathenau
Instituut. Deze dialoog moet continu gevoerd worden en kent daardoor
geen start of eind. Ook moet deze dialoog niet alleen nationaal, maar
ook internationaal en lokaal gevoerd worden.
De maatschappelijke dialoog loopt feitelijk continu; onder andere in de
media zijn daarvan vrijwel dagelijks uitingen te vinden. Op dit moment
lopen er vanuit de overheid verschillende initiatieven om de dialoog
verder te stimuleren. Vanuit mijn ministerie bijvoorbeeld.
Onlangs zijn verschillende dialogen zoals een symposium over grondrechten in het digitale tijdperk georganiseerd.
Er worden burgerpeilingen voorbereid en uitgevoerd over onderwerpen als kunstmatige intelligentie en publieke waarden.
Er wordt een online platform ingericht waar burgers van gedachten kunnen wisselen over Artificial Intelligence en publieke waarden.
Wij werken samen met wetenschappelijke instellingen aan methodieken om tot transparantie van algoritmen te komen.
Er zijn bijeenkomsten in voorbereiding over transparantie van algoritmen met bedrijven en burgers.
Ook betrekt mijn ministerie burgers actief bij beleid, onder andere via klankbordgroepen zoals gebruikers I-Overheid.
Ook andere ministeries geven gestalte aan de dialoog:
Het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen organiseerde ronde tafels over nieuwspersonalisatie.
Het ministerie van Economische Zaken en Klimaat organiseerde gesprekken met platforms over de deeleconomie.
Via internationale multistakeholderconferenties (zoals het Internet Governance Forum) vindt continu dialoog met internationale stakeholders plaats.
De Maatschappelijke Dialoog wordt ook komend jaar voortgezet. Ik zal uw Kamer voor de zomer van 2019 op de hoogte stellen van de tussenresultaten en van de verdere plannen van het kabinet voor de dialoog.
Vraag:
Overgang zorgtaken naar de gemeenten heeft plaatsgevonden. Er zijn in
gemeenten tekorten in de jeugdzorg. De minister houdt toezicht op de
verdeling van deze middelen. In april heeft de Minister een kritisch
rapport aan de Kamer toegezonden. Dit gaf voor de Minister voldoende
beeld om naar deze verdeling te kijken. Wat is er sindsdien
veranderd?
Antwoord:
Het kabinet heeft samen met de medeoverheden afgesproken om de
trap-op-trap-af systematiek aan te zetten en de basis voor de
normeringssystematiek te verbreden. Door deze verbreding en
intensiveringen van het kabinet komen fors meer middelen (accres) voor
de medeoverheden beschikbaar. Deze middelen zijn voor gemeenten en
provincies vrij besteedbaar. Als het accres af- of toeneemt is het de
eigen verantwoordelijkheid van gemeenten en provincies om keuzes te
maken.
In het voorjaar heb ik u per brief (Kamerstukken II 2017ā2018, 34 477,
nr. 35) geĆÆnformeerd dat in opdracht van mij een rapport is verschenen
waaruit blijkt dat de huidige verdeling voor het sociaal domein in het
gemeentefonds knelpunten kent. In het bestuurlijk overleg van 23 mei
2018 hebben Rijk en VNG gesproken over de noodzakelijke vervolgstappen
en de gewenste aanpak daarbij. Over de uitkomst daarvan heb ik u op 5
juli 2018 per brief (Kamerstukken II 2017ā2018, 34 477, nr. 39)
geĆÆnformeerd. Op dit moment wordt gewerkt aan de voorbereidingen van een
breed onderzoek gericht op een integrale nieuwe verdeling van het
gemeentefonds gericht op het gehele sociaal domein. Op dit moment verken
ik samen met de VNG en andere betrokken partijen welke onderzoeksmethode
hiervoor het meest geschikt is. Naar verwachting kan ik het brede
onderzoek begin 2019 starten. De planning is erop gericht om de nieuwe
verdeling per 2021 in te voeren.
Vraag:
Wanneer komt het actieplan democratie met meer ruimte om te
experimenteren naar de Kamer?
Antwoord:
Bij brief van 5 juli jl. heb ik de Tweede Kamer het Plan van Aanpak
Versterking Lokale Democratie en Bestuur toegestuurd. Hierin heb ik
gemeld dat ik werk aan een Agenda āRuimte in regelsā, gericht op het
mogelijk maken van meer maatwerk in de organieke wetgeving (Gemeentewet,
Provinciewet en Wet gemeenschappelijke regelingen). Voor 1 maart 2019
bericht ik u over de eerste bevindingen en mogelijke voorstellen.
Vraag:
De vermogensnormen van gemeenten en waterschappen bij kwijtschelding
zijn niet gelijk. De wettelijke norm bij gemeenten ligt hoger dan de
wettelijke norm bij de waterschappen. Gemeenten vragen bijvoorbeeld aan
bijstandsgerechtigden om te sparen om bepaalde uitgaven te doen,
waardoor ze weer boven die norm van het waterschap komen. Mensen met een
kleine beurs komen daardoor in de problemen. De minister zou samen met
de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid wetten meer op elkaar
af kunnen stemmen. Graag een toezegging.
Antwoord:
Het kabinetsbeleid is gericht op het tegengaan van
uitkeringsafhankelijkheid en het verkleinen van de armoedeval. Op 5 juni
jl. heb ik in dat licht namens het kabinet aandacht besteed aan de
harmonisering van de vermogensnormen bij kwijtschelding van de lokale
lasten (Kamerstukken II 2017ā2018, 32 315, nr. 12). Harmonisering zou
ertoe leiden dat weliswaar eerst voor meer huishoudens dan nu het geval
is kwijtschelding van lokale belastingen binnen het bereik komt. Maar
bij elke inkomensverbetering zou dit voor deze huishoudens betekenen dat
zij geconfronteerd worden met een armoedeval. Verdere harmonisering op
dit punt werkt daarmee averechts binnen het kabinetsbeleid.
Vraag:
Gemeenten hebben op dit moment geen ruimte om een uitzondering te maken
voor de onroerendezaakbelasting (ozb) voor verschillende soorten
verenigingen, maar wordt er een omslachtige een subsidieregeling
verzonnen om dat geld alsnog weer terug te geven. Het CDA stelt twee
zaken voor. Ten eerste de mogelijkheid in de Gemeentewet of
niet-woningen als woningen te belasten. Ten tweede zou een gemeente ook
in staat moeten zijn om een categorie van dit type instellingen uit te
zonderen van de heffing van de ozb. Graag een reactie hierop in relatie
tot de Thorbeckelezing.
Antwoord:
Zoals in de Thorbeckelezing genoemd ben ik er voorstander van dat
gemeenten de benodigde beleidsvrijheid krijgen om lokaal maatwerk te
kunnen bieden, mits dit past binnen de essentiƫle randen van het
speelveld van de democratie en de rechtsstaat. Ik constateer dat
gemeenten ten aanzien van de stimulering van sport reeds nu ruime
mogelijkheden hebben om sportverenigingen te ondersteunen. Allereerst
kunnen gemeenten door middel van subsidies lokaal maatwerk leveren.
Gemeenten hebben op basis van de huidige Gemeentewet al de vrije keuze
om sportcomplexen niet mee te nemen bij het bepalen van de
heffingsmaatstaf voor de ozb. Dat betekent dat de sportvereniging geen
ozb betaalt of een lager tarief. Gemeenten beschikken aldus over ruime
mogelijkheden om lokaal maatwerk te leveren voor sportverenigingen.
Vanuit de VNG heb ik voorts ook geen signalen ontvangen dat een
aanpassing van de reeds beschikbare mogelijkheden gewenst is.
Vragen van het lid Raak, A.A.G.M. van (SP)
Vraag:
Kan de minister uitleggen waarom er niets in dit land kan veranderen
zonder dat daar dure externen (consultants) voor worden ingehuurd?
Waarom zijn zoveel van die consultants en adviseurs lid van de VVD en
vooral van D66?
Antwoord:
Bij het inhuren van externen staat de benodigde kennis en expertise
centraal. Daarbij wordt niet geregistreerd of dat ingehuurde personeel
lid is van een politieke partij en zo dat het geval is van welke partij,
omdat dit niet relevant is voor de uitvoering van taken. Het door de
heer Van Raak geschetste beeld, dat niets in dit land kan veranderen
zonder dat daar dure externen (consultants) voor worden ingehuurd, deel
ik niet: alleen al kijkend naar de resultaten die dagelijks geboekt
worden door onze eigen ambtenaren. Inhuur vindt plaats tegen alle
voorkomende tarieven, die corresponderen met de uit te voeren taken,
indien de benodigde expertise of capaciteit niet voor handen is. Voor
een overzicht van de soorten inhuur en de daarmee gemoeide bedragen,
verwijs ik naar de Jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk 2017.
Vraag:
Is de minister bereid de Roemer-norm ook verplicht te stellen als
publieke norm bij provincies en gemeenten?
Antwoord:
Medeoverheden zijn autonome bestuurslagen die zelf verantwoordelijk zijn
voor hun bedrijfsvoering en besteding van hun middelen, en daarmee ook
de externe inhuur. De bedrijfsvoering wordt gecontroleerd door de
gekozen volksvertegenwoordiging van de betreffende overheid, dat is de
gemeenteraad of de provinciale staten en niet het Rijk.
Het is aan gemeenten en provincies zelf om te bepalen met behulp van
welke financiƫle en personele middelen afgesproken resultaten tot stand
worden gebracht. Externe inhuur kan in bepaalde situaties nodig zijn om
gestelde doelen te realiseren. Zo komt het voor dat voor sommige
projecten tijdelijke externe expertise en dus externe inhuur
noodzakelijk is. Dit is afhankelijk van de situatie en niet aan mij om
te beoordelen.
Vragen van het lid Boer, mw. M. den (D66)
Vraag:
Het Rijk zou een afspiegeling moeten zijn van de samenleving. De
ambtelijke top is te veel man en te veel wit. In de hoogste schalen
heeft slechts 1% een niet-westerse migratie achtergrond. Wat is de
reactie van de minister hierop? Komt er een ambitieuze
diversiteitsagenda? Want de Jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk laat
maar beperkte verbetering zien en de uitstroom van mensen met een
niet-westerse achtergrond is hoger dan bij anderen.
Antwoord:
De Rijksoverheid hecht waarde aan een inclusieve en diverse
werkomgeving. Er is behoefte aan diversity of thought, omdat
verschillende perspectieven, achtergronden en inzichten de denkkracht
van de rijksoverheid vergroten. In 2017 was het percentage medewerkers
met een niet-westerse migratieachtergrond in de hoogste schalen
inderdaad iets meer dan 1% (1,3%). Dit percentage zie ik graag hoger en
dit geldt eigenlijk al voor medewerkers vanaf schaal 11. Dat is de reden
dat ik het kader van het in medio 2018 vastgestelde Strategisch
Personeelsbeleid Rijk 2025 een aantal nieuwe maatregelen
heb aangekondigd, die worden uitgewerkt om een inclusieve werkomgeving
en diversiteit binnen het Rijk te bevorderen. Zo worden leden van
sollicitatiecommissies verplicht een workshop te volgen ter voorkoming
van vooringenomenheid en ter verbetering van het selectiegesprek. Ter
bevordering van een inclusieve cultuur (gericht op behoud en doorstroom
van mensen) worden diversiteit en inclusie een vast onderdeel van
managementleergangen. Verder zal ik een rijksbreed talentenprogramma
ontwikkelen voor de schalen 12-14 binnen de beleidskernen. Op deze
manier wordt de doorstroom van talent versterkt, waaronder jongeren en
medewerkers met een niet-westerse achtergrond. Tijdens exitgesprekken
met medewerkers die de organisatie verlaten, zal bijzondere aandacht
zijn voor de ervaringen die zij hebben in relatie tot de inclusieve
organisatiecultuur, zoals deze bij het Rijk wordt beleefd. Tot slot zal
ik meer gaan werken met stretchbenoemingen (versnelde bevordering) voor
managers en met benoemingen van mensen buiten het Rijk. De effecten van
deze interventies zullen naar verwachting allereerst vooral in
kwalitatieve zin zichtbaar zijn. De effecten in cijfers (aantallen)
zullen naar verwachting op de langere termijn merkbaar zijn. Overigens
blijkt uit de Jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk 2017 dat het aantal
medewerkers met een niet-westerse migratieachtergrond in 2017wel opnieuw
is toegenomen (2015: 9,1%, 2016: 9,9%, 2017: 10,3%).
Vraag:
Kleine gemeenten weten vaak niet hoe zij zich moeten organiseren als het
gaat om anti-discriminatie. Zij wensen een rol van toezicht en
betrokkenheid vanuit het ministerie. De minister heeft drie oplossingen
naar de Kamer gestuurd, maar maakt geen duidelijke keuze. Wat gaat de
Minister precies doen om het achterblijven van antidiscriminatiebureaus
aan te pakken?
Antwoord:
Gemeenten spelen een centrale rol in de aanpak van discriminatie in
Nederland. Zij hebben onder meer een wettelijke verplichting om hun
burgers toegang te verlenen tot een antidiscriminatievoorziening (ADV).
Gemeenten zijn bij uitstek in positie om hun burgers via preventief en
repressief beleid te beschermen tegen discriminatie. Ik wil die lokale
aanpak op een aantal manieren stimuleren en ondersteunen.
Uit recent onderzoek is gebleken dat niet alle gemeenten hun ADV-functie
op orde hebben. In mijn brief van 26 april 2018 (Kamerstukken II
2017-2018 30 950, nr. 156) heb ik de drie oplossingsrichtingen genoemd,
die mevrouw Den Boer bedoelde.
Allereerst is er nu geen aanleiding om het stelsel van
antidiscriminatievoorzieningen helemaal op de schop te nemen. Het
kabinet meent dat de tijdens de onderzoeken gesignaleerde problemen
(rond vindbaarheid van de ADVās, professionaliteit, kwaliteit en
samenwerking met andere actoren zoals de politie) ook binnen het huidige
stelsel opgelost kunnen worden. Ik toets dit uitgangspunt momenteel in
gesprekken met andere betrokkenen, zoals de Vereniging van Nederlandse
Gemeenten (VNG) en de brancheorganisatie van ADVās (de Landelijke
Vereniging tegen Discriminatie LVtD).
In het voorjaar van 2019 vindt bestuurlijk overleg plaats met gemeenten
waar de werking van de antidiscriminatievoorzieningen problematisch kan
zijn.
In de volgende voortgangsrapportage over het Nationaal actieprogramma
tegen discriminatie, die in het tweede kwartaal van 2019 zal
verschijnen, zal ik over de opbrengsten van de gesprekken en het
bestuurlijk overleg rapporteren.
Daarnaast heb ik een handreiking antidiscriminatiebeleid voor gemeenten
ontwikkeld en aan de gemeenten gezonden. Deze handreiking zal in de
eerste helft van 2019 nader worden toegelicht voor gemeenten die dit
nodig hebben.
Vraag:
Ik zie slapende of afwezige lokale rekenkamers. Er zijn geen vereisten
hoe zij de taken uitvoeren. Moeten er geen minimale waarborgen voor
financiƫle middelen zijn voor rekenkamers? En/of is het toezicht van
provincies hierop voldoende en is de minister bereid hierover in gesprek
te gaan met het Interprovinciaal Overleg?
Antwoord:
Ik ben het met de D66-fractie van harte eens dat lokale rekenkamers van
groot belang zijn voor de controlerende taak van gemeenteraden en dat
slapende of afwezige rekenkamers onwenselijk zijn. Ik heb daarom in juni
jl. een conceptwetsvoorstel versterking decentrale rekenkamers in
consultatie gegeven. Ik bestudeer op dit moment de uitkomsten van de
consultatie. Het wetsvoorstel regelt de versterking van de positie van
lokale rekenkamers. Gemeenten moeten voortaan een onafhankelijke
rekenkamer instellen of aansluiting zoeken bij een gemeenschappelijke
rekenkamer. Voor onafhankelijke rekenkamers gelden alle wettelijke
waarborgen die nodig zijn voor een goede taakuitoefening, waaronder een
wettelijke norm over het toekennen van de benodigde middelen voor een
goede uitoefening van werkzaamheden. Ik wil gaarne met alle betrokken
organisaties om tafel om die norm verder handen en voeten te geven. Het
is geen taak van provincies om toezicht te houden op de wettelijke
verplichting voor gemeenten om een rekenkamer in te stellen of het
voldoende toekennen van rekenkamerbudget.
Vragen van het lid Krol, H. (50PLUS)
Vraag:
Naar aanleiding van de Thorbeckelezing is de vraag waarom er geen
gekozen burgemeester is? Komt er een wetsvoorstel of is er een
initiatiefwetsvoorstel van de Tweede Kamer nodig?
Antwoord:
Er ligt een initiatiefvoorstel tot deconstitutionalisering van de
aanstellingswijze van de burgemeester voor tweede lezing in de Eerste
Kamer. De regering kan thans niet vooruitlopen op een mogelijke
toekomstige wijziging, dat is na aanvaarding van de grondwetswijziging
aan de wetgever.
Vraag:
Over de strafrechtelijke aanpak leeftijdsdiscriminatie is eerder een
motie ingediend door 50PLUS. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties heeft deze overgedragen aan ministerie van Justitie
en Veiligheid. In de begroting van het ministerie van JenV staat niets.
Weet het ministerie van JenV al dat deze motie op zijn bord ligt?
Antwoord:
Over de (aangehouden) motie van het lid Krol (Kamerstukken II 2016-2017
30 950, nr. 121) is uw Kamer per brief van 13 september 2017 door de
toenmalige minister van Veiligheid en Justitie en per brief van 5
december 2017 door de minister van Justitie en Veiligheid geĆÆnformeerd
(Kamerstukken II 2016-2017 30 950, nr. 140 en Kamerstukken II 2017-2018
30 950, nr. 142). In de ogen van het kabinet volstaat het huidige
wettelijke kader om leeftijdsdiscriminatie op de arbeidsmarkt aan te
pakken. In mijn brief van 26 april 2018 (Kamerstukken II 2017-2018 30
950, nr. 156, blz. 16) heb ik daaraan toegevoegd dat, mocht op enig
moment worden geconcludeerd dat meer dwingende regelgeving nodig is (met
als uiterste optie ook strafrechtelijke handhaving), het voor de hand
ligt dat toe te spitsen op gelijke behandeling in het kader van
arbeid.
Vragen van het lid Kuiken, A.H. (PvdA)
Vraag:
De PvdA vindt het jammer dat de overheid heeft besloten de norm los te
laten als het gaat om het aannemen van mensen met een afstand tot de
arbeidsmarkt. Hoe kan het toch zo zijn dat we van het bedrijfsleven
allerlei dingen vragen terwijl we zelf die norm niet naleven?
Antwoord:
Werk is voor veel mensen een ontzettend belangrijk deel van hun leven.
Het biedt bestaanszekerheid, versterkt het sociale netwerk en vergroot
het gevoel van eigenwaarde. Het kabinet werkt daarom aan een
arbeidsmarkt die ook toegankelijk is voor mensen die vanwege een
arbeidsbeperking minder kans hebben op werk. Het kabinet zet in op een
breed offensief voor vereenvoudiging en meer werk voor mensen met een
arbeidsbeperking, zoals de staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid (SZW) op 7 september 2018 aan de Tweede Kamer heeft
geschetst.
Het kabinet wil naar een eenvoudiger systeem in de banenafspraak waarin
werkgevers meer mogelijkheden krijgen om extra banen te realiseren voor
mensen met een arbeidsbeperking en waarin we tegelijkertijd hun
administratieve lasten verminderen. Ook wil het kabinet het mogelijk
maken dat banen via inkoop van diensten meetellen bij de inkopende
werkgever, en dat dat de inleenadministratie overbodig wordt.
Op 8 oktober 2018 heeft de staatssecretaris van SZW mede namens de
minister van BZK aan de Tweede Kamer gemeld (Kamerstukken 34352-130) dat
het opheffen van het onderscheid tussen overheid en markt in de
banenafspraak past in dit streven. De verwachting is dat dit zal leiden
tot meer mogelijkheden voor werkgevers, zowel binnen de markt als binnen
de overheid, om banen te realiseren voor mensen met een
arbeidsbeperking.
Het Rijk is met bovenstaande al aan de slag. Zo verstevigt deze sector
zijn acties met gebruikmaking van de aanbevelingen van door het kabinet
geĆÆnitieerde onderzoeken. Deze onderzoeken zijn op 2 juli 2018 aan uw
kamer gestuurd. Het Rijk ontwikkelde een meerjarige aanpak die bijdraagt
aan de realisatie van de opgave. De programma organisatie Binnenwerk
organiseert collectieve plaatsingen voor mensen met een
doelgroepindicatie in opdracht van ministeries. Het betreft veelal
facilitaire en licht administratieve werkzaamheden. Dit doet men door
mensen met een arbeidsbeperking te plaatsen in teams van vijftien
medewerkers met gespecialiseerde leiding.
In diezelfde brief van 8 oktober geven de staatssecretaris van SZW en ik
aan dat overheidswerkgevers verantwoordelijk zijn voor het realiseren
van hun aandeel in de banenafspraak. De overheidswerkgevers zijn en
blijven gemotiveerd om hierin hun verantwoordelijkheid te nemen. Wij
willen daarom bestuurlijke afspraken maken met overheidswerkgevers, die
neerslaan in een concrete werkagenda. Deze werkagenda bevat de
activiteiten om te stimuleren en mogelijk te maken dat de extra banen er
komen. Ook staat in de werkagenda de manier waarop overheidswerkgevers
verder inzichtelijk zullen maken wat hun inspanningen en resultaten op
de banenafspraak zijn. Ik zal uw Kamer van de voortgang op de hoogte
houden. Tot slot streef ik er naar uw Kamer naar verwachting in het
laatste kwartaal van 2018 te informeren over de acties om het potentieel
bij overheidswerkgevers te benutten.
Vraag:
De Basisregistratie Personen (BRP) moet op orde zijn. Dit laat soms te
wensen over, zie uitkeringsfraude. Hoe gaan we voorkomen dat bij de
gemeente op een adres moet worden ingeschreven, ook al weet je dat het
niet deugt, en er vervolgens moet worden nagejaagd, dat weer moet worden
uitgeschreven? Wat gaat u concreet doen?
Antwoord:
De kwaliteit van de gegevens in de Basisregistratie Personen (BRP) is
hoog, maar blijft voortdurend een punt van aandacht. Dat geldt met name
voor de kwaliteit van de adresgegevens. Hieraan wordt onder meer gewerkt
in het programma Landelijke Aanpak Adreskwaliteit (LAA).
Uitvoeringsorganisaties en gemeenten werken daarin samen aan het tot
stand brengen van signalen ten behoeve van adresonderzoeken. Zo wordt in
de brief van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW)
(Kamerstukken II 2018-2019 17 050, nr. 545) gemeld dat nu ook het
Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) met de BRP gaat
werken. Er zijn inmiddels meer dan 260 gemeenten aangesloten bij LAA,
samen goed voor meer dan 80% van de inwoners van Nederland. Zij
onderzoeken meer dan 15.000 adressen per jaar, adressen waar signalen
voor zijn dat er iets niet zou kunnen kloppen. De activiteiten van LAA
worden, om de aanpak te borgen, overgebracht van het tijdelijke
programma naar de Rijksdienst voor Identiteitsgegevens.
Het klopt dat inschrijving in de BRP verplicht is en dat daarin de
feitelijke situatie moet worden geregistreerd. Als een persoon woont op
een adres dat eigenlijk geen woonfunctie heeft (bijvoorbeeld het adres
is van een bedrijfspand of een recreatiewoning), dient de gemeente de
persoon toch op dat adres te registreren. Het gaat er namelijk om waar
de persoon feitelijk woont. Dit betekent niet dat door registratie in de
BRP dat adres ook een gelegitimeerd woonadres is. De gemeente kan daarop
handhaven door diverse instrumenten in te zetten om in te grijpen op
vrijplaatsen als er activiteiten plaatsvinden die in strijd zijn met
wet- en regelgeving. Bijvoorbeeld door de extra inzet van
toezichthouders en buitengewoon opsporingsambtenaren en
identiteitscontroles. Permanente bewoning op parken kan worden
tegengegaan als dat in strijd is met het bestemmingplan, er kan
gecontroleerd worden op brandveiligheid, en een recreatiewoning kan
gesloten worden op grond van de Opiumwet.
Vragen van het lid Graaf, mw. S. van der (CU)
Vraag:
Bestuurders vragen om extra bestuurlijke maatregelen. Wetgeving is
aangekondigd voor het voorjaar 2019 en andere voorstellen komen in het
najaar. Kan dit sneller? Stemonthouding zit ook in dit pakket. Gemeenten
en provincies hebben ervaring. De Senaat heeft dit niet. Is dit een punt
dat kan worden meegenomen?
Antwoord:
Zoals ik reeds in mijn antwoord op het lid Middendorp opmerkte, staat
het belang van integere en deskundige bestuurders in het lokaal bestuur
hoog op de agenda. In mijn brief heb ik genoemd dat het onderwerp
integriteit na de gemeenteraadsverkiezingen nadrukkelijk is geagendeerd
via de inwerkprogrammaās van de nieuwe raadsleden en wethouders. Er is
veel vraag naar opleidingen, trainingen en bijeenkomsten, waarbij
integriteit ook steeds meer verbonden wordt met themaās als
ondermijning, intimidatie en agressie. Met de aangekondigde maatregelen
zijn we op de goede weg. Op korte termijn komt nog een aantal andere
producten beschikbaar, zoals bijvoorbeeld de Basisscan integriteit en de
escalatieladder bij bestuurlijke problemen. Een volgende stap is het
aangekondigde wetsvoorstel. Anders dan het lid Van der Graaf opmerkt kom
ik op de overige onderdelen niet pas in het najaar met de uitwerking
maar in het voorjaar. We doen uiteraard ons best om dit wetsvoorstel zo
spoedig mogelijk gereed te maken. Maar zorgvuldigheid en overleg met de
andere overheden kost tijd. Bovendien betreft het een voorgenomen
wetsvoorstel dat een wijziging van de verschillende organieke wetten
behelst. Samenwerking is in deze belangrijk om tot een gedragen voorstel
te kunnen komen. Ook is consultatie van medeoverheden overigens aan
termijnen gebonden. Ik kan u daarom niet toezeggen dat dit wetsvoorstel
eerder gereed zal zijn.
Ik begrijp op zichzelf de vraag van mevrouw Van der Graaf over
stemonthouding. Want net als raadsleden en statenleden betreft het hier
volksvertegenwoordigers die in deeltijd werken en dus juist ook andere
functies hebben. De aangekondigde wetgeving ziet echter op de
versterking van de integriteit van het lokale bestuur. Als het gaat om
belangenverstrengeling is er qua wetgeving voor de Eerste Kamer alleen
een regeling voor onverenigbare functies, namelijk de Wet
Incompatibiliteiten leden Staten-Generaal en Europees Parlement.
Krachtens de Grondwet gaan de Kamers hier zelf over, het past de
regering niet hierover een standpunt in te nemen. Stemonthouding in de
senaat is om die reden geen onderdeel van dit wetsvoorstel. Evenmin gaat
dit wetsvoorstel in op een regeling voor de Tweede Kamer.
Vragen van het lid Wassenberg, F.P. (PvdD)
Vraag:
Het kabinet ziet een belangrijke rol weggelegd voor warmtenetten. Er is
simpelweg niet genoeg duurzame warmte beschikbaar of komt beschikbaar.
We moeten veel meer doen om de warmtevraag te reduceren. In het
Klimaatakkoord is op hoofdlijnen een voorstel gedaan voor de normering
van de vraag naar warmte. Is de minister bereid dit niet alleen voor
huur-, maar ook voor particulierwoningen te laten gelden?
Antwoord:
In de appreciatie van het kabinet van de voorstellen van de sectortafel
van 5 oktober jl. heeft het kabinet uitgesproken het te vroeg te vinden
particuliere woningeigenaren via normering maatregelen op te leggen.
Woningeigenaren zullen in eerste instantie via aantrekkelijke
financieringsarrangementen worden gestimuleerd tot het nemen van
duurzaamheidsmaatregelen. De sectortafel gebouwde omgeving is gevraagd
daar ook voorstellen voor te doen. De aanpak van de particuliere sector
vraagt om een breed pakket aan nieuwe en laagdrempelige diensten,
producten en financieringsvormen.
Vraag:
Winst van bedrijven gaat voor lokale overheden boven milieuregels.
Vorige maand bijvoorbeeld het geval in de gemeente Dongen over een
kunstgras recyclebedrijf. Het bedrijf ontvangt daarvoor ook geld van de
overheid. Het bedrijf overtreedt daarbij echter de milieuregels en
dwangsommen helpen niet. De gemeente heeft daarvoor een brief gestuurd
aan de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat. Het is een
complex probleem, waarbij milieuproblemen zich niet aan grenzen houden.
Daardoor is het niet altijd duidelijk wie er verantwoordelijk is.
Handhaving is de achilleshiel voor gemeenten. De gemeente roept op dat
het een landelijk probleem is en dat de Rijksoverheid de regie moet
nemen bij grote milieudelicten. Ik hoop dat de minister dit omarmt.
Graag de reactie hierop.
Antwoord:
Ik zal de vraag doorgeleiden naar mijn ambtsgenoot van het ministerie
van Infrastructuur en Waterstaat.
Vragen van het lid Ouwehand, E. (PvdD)
Vraag:
In het Regeerakkoord is ⬠200 mln. uitgetrokken voor de sanering van de
varkenshouderij. De uitwerking houdt in dat ⬠120 mln. naar sanering
gaat en ⬠60 mln. naar nieuwe subsidies. De uitwerking van de maatregel
sanering varkenshouderij verbaast de PvdD, omdat de minister in haar
uitwerking geen analyse/reflectie geeft van hoe de situatie in Brabant
ten aanzien van de veehouderij zover heeft kunnen komen. In 2003 heeft
de KLPD in haar onderzoek geconstateerd dat er sprake is van ernstige
overtredingen in de veehouderij en dat er verwevenheid is van politiek
en de veehouderij, waardoor er sprake is van risico's voor de
bestuurlijke integriteit. Vraag aan de minister is of er een
vervolgonderzoek is gedaan? Graag alsnog een analyse van de minister van
de situatie in de veehouderij in Brabant en de garantie van een goede
besteding van ⬠200 mln. ten behoeve van de sanering van de
varkensindustrie.
Antwoord:
Ik zal de vraag doorgeleiden naar mijn ambtsgenoot van het ministerie
van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.
Vragen van het lid Bisschop, R. (SGP)
Vraag:
De minister heeft een nieuw beleidskader voor herindeling van gemeenten
toegezegd. Dat is op korte termijn nodig. Wanneer kunnen we dit
verwachten? Daarbij is aandacht nodig voor de gewenste grootte van
gemeenten in relatie tot gemeenschappen. Ook graag aandacht daarbij voor
de optie tot federatiebestuur.
Antwoord:
Er zijn verschillende mogelijkheden om het lokaal bestuur te versterken.
Dit kan door herindeling, maar ook door samenwerking zoals bijvoorbeeld
een federatiemodel. Zoals ik in de Thorbeckelezing heb genoemd, wil ik
in gesprek met medeoverheden of het federatiemodel daarbij een
aanvullende oplossing kan zijn en hoe we dat democratisch goed
organiseren.
Het nieuwe beleidskader over gemeentelijke herindeling zal ik later dit
jaar aan de Kamer doen toekomen. Gemeenten en provincies zitten hier
inderdaad op te wachten. Hierbij zal zeker aandacht zijn voor nabij
lokaal bestuur.
Ik vind het belangrijk dat het lokale bestuur ook in de toekomst
responsief, nabij, betrokken en benaderbaar blijft, ongeacht of een
gemeente qua aantal inwoners of grondgebied groeit. De omvang van een
gemeente doet mijns inziens veel minder ter zake dan de inzet van het
gemeentebestuur om de lokale democratie te verrijken. Een herindeling
kan juist door de organisatorische veranderingen ook kansen bieden om de
lokale democratie te vernieuwen en verlevendigen.
Vraag:
De kosten van begraven verschillen sterk tussen gemeenten. Vorig jaar is
daarover een motie aangenomen om hier wat aan te doen. De Kamer heeft
hierover nog geen concrete voorstellen gezien. Wil de minister op korte
termijn met een uitwerking komen? Ook met het oog op de nieuw op te
stellen gemeentelijke beperkingen.
Antwoord:
De afgelopen tijd ben ik in gesprek gegaan met de Vereniging van
Nederlandse Gemeenten (VNG) om te bezien of en hoe wij gezamenlijk de
aandacht kunnen vestigen op de hoogte en transparantie van de tarieven.
Ook heb ik contact gehad met de Landelijke Organisatie Begraafplaatsen
(LOB) over hun ervaring met betrekking tot de uiteenlopende
kosten.
Momenteel loopt een onderzoek naar de praktijk van het vaststellen van
de grafrechten door gemeenten. Het doel van dit onderzoek is om te weten
te komen waarop gemeenten de vaststelling van de kosten baseren, welke
afwegingen zij daarbij maken, en of zij voldoende transparantie en
inzichtelijkheid bieden. Daarbij wordt tevens aandacht besteed aan de
mate van efficiƫntie van de instrumenten die zij daartoe momenteel
bezitten. Ik zal u in het voorjaar van 2019 informeren over de
onderzoeksresultaten.
Bij het onderzoek wordt in ogenschouw genomen dat de kosten van
grafrechten zijn aan te merken als leges, die op grond van de
Gemeentewet niet hoger mogen zijn dan nodig voor het dekken van de
kosten. De tarieven kunnen verschillen omdat deze afhankelijk zijn van
lokale omstandigheden als de grondprijs, de duur waarvoor een
uitsluitend recht op een particulier graf is gevestigd en het benodigde
onderhoud van de begraafplaats.
Vraag:
De staatscommissie heeft een tussenrapport gepubliceerd met denklijnen
over ons toekomstige staatskundige bestel. Dit is alleen zinvol bij
verbetering (bijvoorbeeld als meer mensen zich beter vertegenwoordigd
voelen door de politiek). Wat ziet de minister - als hoedster van de
grondwet - als haar concrete taak bij de toetsing van wetsvoorstellen
van andere departementen? We zien ook graag concrete voorstellen om de
uitholling van de grondwet, in relatie tot de sluipende overdracht van
taken naar de Europese Unie, en de soevereiniteit te borgen.
Antwoord:
Voor wat betreft de vraag over mijn concrete taak bij toetsing van
wetsvoorstellen geldt het volgende. Mijn ministerie denkt mee in de
voorfase van de totstandkoming van (nationale en internationale)
ontwerpregelgeving, verricht de constitutionele toetsing van
ontwerpregelgeving en draagt bij aan het initiƫren en onderhouden van de
constitutionele kaders en van beleids- en wetgevingsinstrumenten. Mijn
ambtsvoorganger heeft uw Kamer hierover geĆÆnformeerd in zijn brief van
maart 2016 (Kamerstukken II 2015-2016 34 300 VII, nr. 62). De aandacht
voor de Grondwet en ander hoger recht en de zichtbaarheid daarvan in het
wetgevingsproces zal ik verder versterken door de Handreiking toetsing
aan hoger recht, bestemd voor de betrokkenen binnen de Rijksdienst, ter
aanvulling op het Integraal Afwegingskader Wetgeving en Beleid. Ik
verwacht de Handreiking te hebben afgerond in het eerste kwartaal van
2019. In november ontvangt uw Kamer bovendien nog een brief van mij,
waarin ik (nader) zal ingaan op het verzoek van de Voorzitter van de
Tweede Kamer aan de minister-president en van de vaste commissie voor
Europese Zaken aan de minister van Buitenlandse Zaken, om expliciet stil
te staan bij mogelijke constitutionele aspecten in respectievelijk de
memorie van toelichting bij wetsvoorstellen en in BNC-fiches.
De heer Bisschop vraagt verder aandacht voor de wijze waarop de
overdracht van taken naar de Europese Unie plaatsvindt. Met betrekking
tot dit onderwerp is een initiatiefwetsvoorstel van de heer Van der
Staaij aanhangig bij de Eerste Kamer dat ertoe strekt in de Grondwet te
regelen dat verdragen betreffende de Europese Unie slechts met een
meerderheid van tweederde van het aantal uitgebrachte stemmen in de
Staten-Generaal kunnen worden goedgekeurd. De behandeling van dit
initiatiefwetsvoorstel is begin 2017 door de Eerste Kamer aangehouden in
afwachting van het eindrapport van de Staatscommissie parlementair
stelsel. Op verzoek van de Eerste Kamer is de Staatscommissie gevraagd
om in haar onderzoek naar de toekomstbestendigheid van het parlementaire
stelsel het instrument van het invoeren van een gekwalificeerde
meerderheid van uitgebrachte stemmen voor de goedkeuring en wijziging
van EU-verdragen zoals bedoeld in onderhavig wetsvoorstel te betrekken.
Na ommekomst van het advies van de Staatscommissie zal de Eerste Kamer
de behandeling van het wetsvoorstel naar verwachting voortzetten. Het
kabinet zal in dat kader zijn standpunt ten aanzien van het wetsvoorstel
bepalen, mede op basis van de uitkomsten van het advies van de
Staatscommissie. Hierop kan en wil ik op dit moment niet
vooruitlopen.
Vraag:
Een zorgvuldige invoering van de Omgevingswet is van essentieel belang.
Dit mag niet mislukken. De SGP wil een valpartij van de minister op dit
dossier voorkomen. Daarvoor zijn extra middelen ter beschikking gesteld.
De minister wordt uitgenodigd, mocht dat nodig zijn, een beroep op de
Kamercommissie te doen.
Antwoord:
Ik ben het volledig met de SGP eens dat invoering van het stelsel van de
Omgevingswet en het daarbij behorende digitale stelsel van essentieel
belang is. Ik voel me bij de uitvoering hiervan dan ook gesteund door de
SGP met het aanbod dat zij doet.
Vragen van het lid Ćztürk, S. (DENK)
Vraag:
De minister is aanjager als het gaat om het bestrijden van discriminatie
en voert ieder half jaar een bewindspersonenoverleg. Zijn hier verslagen
van? Kunnen wij die inzien? Volgen er concrete acties uit de gesprekken?
Worden concrete acties verbonden aan discriminatiebestrijding in het
bewindspersonenoverleg?
Antwoord:
Het eerste bewindspersonenoverleg is gepland in november. Doel van dit
overleg is om tot concrete en doeltreffende acties te komen. Verslagen
van dergelijke overleggen zijn niet openbaar. Over de acties die daaruit
voortvloeien rapporteer ik uiteraard richting uw Kamer in de jaarlijkse
voortgangsrapportage over het nationaal actieprogramma tegen
discriminatie. In voorkomende gevallen zult u ook separaat worden
geĆÆnformeerd door mij of door andere ministers die het aangaat.
Vraag:
Naar aanleiding van het Programma Democratie in Actie heeft DENK twee
verzoeken. Ten eerste het verzoek om meer te doen aan de ondersteuning
van politieke partijen. Ten tweede het verzoek om budget om politieke
partijen in staat te stellen vooraf integriteitstoetsen te doen op
nieuwe leden. Minister, graag een voorstel en structurele financiƫle
middelen.
Antwoord:
Ik heb voorafgaand aan de gemeenteraadsverkiezingen de handreiking
Integriteitstoetsing voor kandidaten van decentrale politieke partijen
verspreid. Daarin is een aantal tools opgenomen die politieke partijen
kunnen gebruiken bij de werving en selectie van kandidaten of nieuwe
leden.
De verantwoordelijkheid voor een goede selectie van nieuwe leden ligt
bij politieke partijen zelf. Via de Wfpp wordt een brede subsidie aan
politieke partijen versterkt. Op basis van artikel 7, lid 2, sub f en h
kan een politieke partij deze subsidie inzetten voor de werving van
leden en de werving, selectie en begeleiding van politieke ambtsdragers.
Voor het beschikbaar stellen van extra financiƫle middelen voor het
uitvoeren van risicoanalyses voor nieuwe leden zie ik geen
aanleiding.