[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [šŸ§‘mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [šŸ” uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

Schriftelijke antwoorden op vragen gesteld tijdens de eerste termijn van de begrotingsbehandeling van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Gemeentefonds en Provinciefonds op 16 oktober 2018

Brief regering

Nummer: 2018D49944, datum: 2018-10-17, bijgewerkt: 2024-02-19 10:56, versie: 1

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen: Bijlagen:

Onderdeel van zaak 2018Z18689:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (šŸ”— origineel)


Vragen van het lid Bosma, M. (PVV)

Vraag:
Eind november doet de rechtbank Amsterdam uitspraak tegen de Nederlandse Staat inzake Nederlandse oorlogsmisdadigers. Hierin wordt Urgenda als precedent opgevoerd. Wat vindt de minister hiervan?

Antwoord:
In elk rechtsgeschil staat het partijen vrij te wijzen op de mogelijke relevantie van rechterlijke uitspraken in andere zaken. Het is niet aan mij om een oordeel te geven over dergelijke verwijzingen, laat staan over de houdbaarheid daarvan. Dit geldt uiteraard eens te meer omdat de zaak waar de heer Bosma aan refereert nog onder de rechter is.

Voor wat betreft Urgenda geldt dat het Hof Den Haag een precies op de zaak toegespitst en beargumenteerd arrest heeft gewezen. Dat betekent niet dat de Staat het er per se op alle punten mee eens is. Het kabinet is het arrest nu goed aan het bestuderen om te bezien of cassatie ingesteld moet worden en zo ja, op welke gronden. Nog ongeacht of een uitspraak in een concreet geval uiteindelijk wel of niet in stand blijft, is van ongekozen rechters die beleid maken geen sprake. De suggestie daarvan miskent de rol en functie van de rechter in ons rechtsbestel. In civiele zaken als deze bestaat die rol eruit om als onafhankelijk en onpartijdig overheidsambt in een concreet rechtsgeschil dat is voorgelegd te beslissen op grond van het recht en de aangedragen feiten en het voorliggende bewijsmateriaal.



Vragen van het lid Middendorp, J. (VVD)

Vraag:
In 2019 zal een wetsvoorstel ter versterking van de bestuurlijke integriteit naar de Tweede Kamer worden verstuurd. Kan dit eerder?

Antwoord:
Het belang van integere en deskundige bestuurders in het lokaal bestuur staat hoog op de agenda. Zoals ik in mijn brief heb gemeld, is het onderwerp integriteit na de gemeenteraadsverkiezingen nadrukkelijk geagendeerd via de inwerkprogramma’s van de nieuwe raadsleden en wethouders. Er is veel vraag naar opleidingen, trainingen en bijeenkomsten, waarbij integriteit ook steeds meer verbonden wordt met thema’s als ondermijning, intimidatie en agressie. Met de aangekondigde maatregelen zijn we op de goede weg. Op korte termijn komt nog een aantal andere producten beschikbaar, zoals bijvoorbeeld de Basisscan integriteit en de escalatieladder bij bestuurlijke problemen. Een volgende stap is het aangekondigde wetsvoorstel. We doen uiteraard ons best om dit wetsvoorstel zo spoedig mogelijk gereed te maken. Maar zorgvuldigheid en overleg met de andere overheden kost tijd. Bovendien betreft het een voorgenomen wetsvoorstel dat een wijziging van de verschillende organieke wetten behelst. Samenwerking is in deze belangrijk om tot een gedragen voorstel te kunnen komen. Ook is consultatie van medeoverheden overigens aan termijnen gebonden. Ik kan u daarom niet toezeggen dat dit wetsvoorstel eerder gereed zal zijn.


Vraag:
De VVD wil dat de overheid niet alleen zendt via mijnoverheid.nl maar ook antwoordopties biedt. De vraag is of dit ook wordt ingezet bij de versterking van de lokale democratie.

Antwoord:
De doorontwikkeling van MijnOverheid, waaronder de toekomstige mogelijkheid om je overheidsberichten niet alleen in te zien maar daarop ook digitaal te kunnen antwoorden, is gericht op het verbeteren van de overheidsdienstverlening. Daarbij zetten we burgers meer centraal en geven wij hen meer regie. Met het verbeteren van overheidsdienstverlening versterken wij de responsiviteit van de overheid, zoals inwoners dat ook van het openbaar bestuur verwachten anno 2018. Het streven is eind 2019 de eerste toepassingen van tweewegverkeer op MijnOverheid in gebruik te nemen.





Vraag:
Er komen door de digitale overheid meer bedreigingen van de democratie. Het voordeel van digitale nieuwsfora is dat iedereen mee kan doen. Maar dat geeft kwaadwillenden de kans om de lokale democratie te ondermijnen. In kleine gemeenten worden soms wethouders die zich met hart en ziel inzetten, op lokale digitale nieuwssites door enkelen die heel gericht nieuwssites kanaliseren, het leven zuur gemaakt. Wat gaat de minister concreet doen om de lokale democratie te versterken?

Antwoord:
Van belang is de juiste randvoorwaarden te creƫren voor een inclusieve en veilige lokale digitale democratie. EƩn waarbij de techniek ondersteunend is aan het verwezenlijken van democratische uitgangsprincipes. Hierin werk ik nauw samen met de staatssecretaris die in de Agenda Digitale Overheid: NL DIGIbeter (Kamerstukken II 2017-2018 26 643, nr. 549) verschillende maatregelen neemt die tevens bijdragen aan het versterken van de wijze waarop de lokale democratie digitaliseert.

Naar aanleiding van het verschijnen van de Monitor Agressie en Geweld Politieke Ambtsdragers 2018, waarin ook bedreigingen via (sociale) media naar voren komen, is in het ondersteuningsaanbod voor lokale bestuurders en volksvertegenwoordigers ook aandacht besteed aan bedreigingen via sociale media.

Een concrete maatregel die ik tevens reeds heb genomen is de start van het project Lokale Digitale Democratie, waarbinnen 15 gemeenten ondersteund worden bij de implementatie van (open source) participatiemiddelen. Deze stellen hen in staat bewoners meer directe betrokkenheid te geven bij lokale beleids- en besluitvorming. Met dit project wordt gestalte geven aan de lokale digitale democratie van de toekomst. Eind 2019 worden, samen met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), de succesvolle elementen opgeschaald naar overige gemeenten. Hierbij is nadrukkelijk oog voor de verschillende risico’s die de voortschrijdende digitalisering met zich meebrengt.

Daarnaast is de Raad voor het Openbaar Bestuur op mijn verzoek onderzoek gaan doen naar de kansen en risico’s van digitalisering voor onze democratie. Begin 2019 is dit advies gereed en ga ik met de aanbevelingen aan de slag.


Vraag:
Wat is volgens de minister de invloed van technologie/sociale media op de laatste gemeenteraadsverkiezingen? Is de minister het eens dat we zelf grip moeten houden op de verkiezingen en meer kennis moeten opbouwen en onderzoek doen?

Antwoord:
De betrouwbaarheid en integriteit van het verkiezingsproces is ook voor mij een cruciaal uitgangspunt. De betrokken departementen en diensten staan doorlopend in contact om die te borgen. Ook deel ik dat het van belang is om kennis op te bouwen over dit onderwerp. Dat gebeurt ook. Zo is het effect van sociale media op de gemeenteraadsverkiezingen onderdeel van het Lokaal Kiezersonderzoek (LKO) 2018. Het onderzoeksrapport is volgende maand beschikbaar. De onderzoekers brengen onder meer in kaart in hoeverre kiezers hun informatie van sociale media halen en in hoeverre zij hun keuze op informatie op sociale media baseren. Verder schrijft de Staatscommissie Parlementair Stelsel in haar tussenrapport over onderzoek van de Technische Universiteit Delft naar het effect van de online-omgeving op de gemeenteraadsverkiezingen van 2018. Het onderzoek is nog niet gepubliceerd. Het kabinet zal reageren op het rapport van de Staatscommissie.


Vraag:
Wat is de positie van het kabinet ten aanzien van de zomer- en wintertijd? Wordt de Tweede Kamer middels een brief geĆÆnformeerd?

Antwoord:
Op 12 september heeft het kabinet het voorstel van de Europese Commissie over zomertijd ontvangen. Het Beoordeling Nieuwe Commissievoorstellen-fiche met onze eerste reactie hierop ontvangt u zo snel mogelijk.

Nederland zet zich in voor harmonisatie met andere landen. We overleggen met naburige landen, zoals Belgiƫ, Luxemburg en Duitsland.

Ik zal het Nederlandse standpunt aan de hand van het fiche in het kabinet bespreken. Daarop kan ik dus nog niet vooruitlopen. Consultatie van experts en maatschappelijke organisaties loopt al en vergt nog enige tijd. Daarnaast zullen we een peiling houden; deze komt er nog voor de jaarwisseling.


Vraag:
In 2015 heeft de VVD een motie ingediend om bij de herziening van Gemeentefonds en Provinciefonds, regio's met potentie in hun kracht te zetten. Neemt de minister deze motie mee bij de herziening van het Gemeentefonds en het Provinciefonds?

Antwoord:
Op 6 juli jl. stuurde ik uw Kamer mijn voornemens ten aanzien van de heroverweging van de financiƫle verhoudingen. Hierbij kijk ik onder andere naar de verdeling van het gemeente- en provinciefonds. Hierbij betrek ik inderdaad ook de verschillen in ontwikkeling tussen gemeenten in verschillende regio's. Met dit traject geef ik onder meer invulling aan de motie-Veldman/Wolbert uit 2015.



Vragen van het lid Ɩzütok, N. (GL)

Vraag:
Hoe blijven voorzieningen in stand bij afname van het accres? Hoe kan de Kamer over onafhankelijke en adequate informatie hierover beschikken? Of is de minister bereid om hier onafhankelijk onderzoek naar te doen?

Antwoord:
Het kabinet heeft samen met de medeoverheden afgesproken om de trap-op-trap-af systematiek aan te zetten en de basis voor de normeringssystematiek te verbreden. Door deze verbreding en intensiveringen van het kabinet komen fors meer middelen (accres) voor de medeoverheden beschikbaar. Deze middelen zijn voor gemeenten en provincies vrij besteedbaar. Als het accres af- of toeneemt is het de eigen verantwoordelijkheid van gemeenten en provincies om keuzes te maken.

In het voorjaar heb ik u per brief (Kamerstukken II 2017–2018 34 477, nr. 35) geĆÆnformeerd dat in opdracht van mij een rapport is verschenen waaruit blijkt dat de huidige verdeling voor het sociaal domein in het gemeentefonds knelpunten kent (zie ook de vraag van het lid Van der Molen (CDA)). In het bestuurlijk overleg van 23 mei 2018 hebben Rijk en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten gesproken over de noodzakelijke vervolgstappen en de gewenste aanpak daarbij. Over de uitkomst daarvan heb ik u op 5 juli 2018 per brief (Kamerstukken II 2017–2018, 34 477, nr. 39) geĆÆnformeerd. Op dit moment wordt gewerkt aan de voorbereidingen van een breed onderzoek gericht op een integrale nieuwe verdeling van het gemeentefonds gericht op het gehele sociaal domein. Op dit moment verken ik samen met de VNG en andere betrokken partijen welke onderzoeksmethode hiervoor het meest geschikt is. Naar verwachting kan ik het brede onderzoek begin 2019 starten. De planning is erop gericht om de nieuwe verdeling per 2021 in te voeren.

Er zijn daarnaast diverse informatiebronnen die inzicht bieden in de financiƫle positie van de medeoverheden. Er is onder andere het Periodiek Onderhoudsrapport van het gemeentefonds (POR), Informatie voor Derden (IV3) en het toezichtsverslag dat de provincies opstellen. Zoals gebruikelijk bij verdeelvraagstukken zal ik uw Kamer informeren over de uitkomsten van het verdeelonderzoek sociaal domein.


Vraag:
De slavernijherdenking wordt nu vooral gefinancierd met incidentele projectgelden. Is er geen mogelijkheid dit goed structureel te regelen?

Antwoord:
Voor de herdenking bij het Nationaal Monument Slavernijverleden stelt de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) via het Mondriaan Fonds jaarlijks een budget beschikbaar aan het Nationaal instituut Nederlands Slavernijverleden en erfenis (NiNSee). Ook de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft hiervoor subsidie in 2017 en 2018 verstrekt aan het NiNSee.

Op 1 juli van dit jaar heb ik de herdenking bij het Nationaal Monument Slavernijverleden bijgewoond. Ik heb daarbij genoemd dat ik het belangrijk vind dat wij samen herdenken wat in het verleden is gebeurd en dat wij samen vieren dat die belangrijke stap naar gelijkwaardigheid en vrijheid in 1863 is gezet. Mijn collega’s van het ministerie van SZW en van het ministerie van OCW zijn zoals gezegd reeds betrokken bij deze herdenking. Ik zal hen vragen om samen op te trekken bij het verkennen hoe we deze herdenking kunnen bestendigen. Daarbij zal ook het financiĆ«le aspect worden meegenomen.


Vraag:
De overheid kan via duurzaam inkopen en verduurzaming van kantoren een grote bijdrage leveren aan de verduurzaming van onze omgeving. Graag hoor ik de ambities van deze bewindspersonen hierop.

Antwoord:
Voor het kabinet is het verduurzamen van Nederland een speerpunt. Ook via het eigen handelen wil de Rijksoverheid een bijdrage leveren aan de verduurzaming van Nederland. Door in de eigen bedrijfsvoering en inkoop te experimenteren en duurzame oplossingen toe te passen, draagt de rijksorganisatie bij aan de duurzame transities die het kabinet voorstaat en realiseert het Rijk een maatschappelijke impact. De ambities heb ik eerder aan uw Kamer toegelicht in de Kamerbrief bij de Jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk; deze zijn tevens opgenomen in het actieplan Maatschappelijk Verantwoording Inkopen Rijksinkoopstelsel. Kernpunten zijn:

  • Het Rijk draagt bij aan de klimaat- en energietransitie door in eigen gebouwen energie te besparen, door over te schakelen op hernieuwbare bronnen en door resterende emissies te compenseren. In het kader van de totstandkoming van het klimaatakkoord worden routekaarten ontwikkeld die leiden tot verdere verduurzaming van rijksgebouwen. Daarnaast wordt in het kader van het Regionaal Ontwikkelprogramma (ROP) gewerkt aan de verduurzaming van het rijksvastgoed. Ik wijs daarbij op het project Energierijk Den Haag. Doel is het klimaatneutraal maken van 1 miljoen m2 vastgoed van het Rijk en andere overheden in het centrum van Den Haag. Daarnaast is het doel het ontwikkelen van een schaalbare en repeteerbare (gebiedsgerichte) ā€˜samenwerkingsinfrastructuur’ waarop ook ander vastgoed (woningen/utiliteit) kan aansluiten.

  • De transitie naar een circulaire economie krijgt volop aandacht binnen de inkoop en bedrijfsvoering van het Rijk. Circulaire projecten zijn er in de categorieĆ«n meubilair, papier en drukwerk, bedrijfskleding, ICT-hardware, afval en grondstoffenmanagement, catering en gebouwen. In de kabinetsreactie op de transitieagenda’s circulaire economie is gemeld dat het aantal circulaire inkoopcategorieĆ«n wordt verhoogd van zes naar tien en de kantorenportefeuille in 2030 circulair wordt beheerd.

  • Om beter te kunnen sturen op de inzet van kwetsbare groepen lanceerde de Rijksoverheid circa twintig proeftuinen social return, waarin geĆ«xperimenteerd wordt met nieuwe vormen van social return. Deze aanpak wordt nu verder opgeschaald.

Ik zal uw Kamer het actieplan MVI Rijksinkoopstelsel toesturen.



Vragen van het lid Molen, H. van der (CDA)

Vraag:
Er is een maatschappelijk debat over de rechten in de informatiesamenleving aangekondigd. Wanneer mogen we op dit vlak de uitwerkingen verwachten?

Antwoord:
Ik heb dit voorjaar een brede maatschappelijke dialoog over de effecten van nieuwe technologieƫn op rechten en waarden namens het kabinet toegezegd in de kabinetsreactie op twee rapporten van het Rathenau Instituut. Deze dialoog moet continu gevoerd worden en kent daardoor geen start of eind. Ook moet deze dialoog niet alleen nationaal, maar ook internationaal en lokaal gevoerd worden.

De maatschappelijke dialoog loopt feitelijk continu; onder andere in de media zijn daarvan vrijwel dagelijks uitingen te vinden. Op dit moment lopen er vanuit de overheid verschillende initiatieven om de dialoog verder te stimuleren. Vanuit mijn ministerie bijvoorbeeld.

  • Onlangs zijn verschillende dialogen zoals een symposium over grondrechten in het digitale tijdperk georganiseerd.

  • Er worden burgerpeilingen voorbereid en uitgevoerd over onderwerpen als kunstmatige intelligentie en publieke waarden.

  • Er wordt een online platform ingericht waar burgers van gedachten kunnen wisselen over Artificial Intelligence en publieke waarden.

  • Wij werken samen met wetenschappelijke instellingen aan methodieken om tot transparantie van algoritmen te komen.

  • Er zijn bijeenkomsten in voorbereiding over transparantie van algoritmen met bedrijven en burgers.

  • Ook betrekt mijn ministerie burgers actief bij beleid, onder andere via klankbordgroepen zoals gebruikers I-Overheid.

  • Ook andere ministeries geven gestalte aan de dialoog:

    • Het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen organiseerde ronde tafels over nieuwspersonalisatie.

    • Het ministerie van Economische Zaken en Klimaat organiseerde gesprekken met platforms over de deeleconomie.

    • Via internationale multistakeholderconferenties (zoals het Internet Governance Forum) vindt continu dialoog met internationale stakeholders plaats.

    • De Maatschappelijke Dialoog wordt ook komend jaar voortgezet. Ik zal uw Kamer voor de zomer van 2019 op de hoogte stellen van de tussenresultaten en van de verdere plannen van het kabinet voor de dialoog.

Vraag:
Overgang zorgtaken naar de gemeenten heeft plaatsgevonden. Er zijn in gemeenten tekorten in de jeugdzorg. De minister houdt toezicht op de verdeling van deze middelen. In april heeft de Minister een kritisch rapport aan de Kamer toegezonden. Dit gaf voor de Minister voldoende beeld om naar deze verdeling te kijken. Wat is er sindsdien veranderd?

Antwoord:
Het kabinet heeft samen met de medeoverheden afgesproken om de trap-op-trap-af systematiek aan te zetten en de basis voor de normeringssystematiek te verbreden. Door deze verbreding en intensiveringen van het kabinet komen fors meer middelen (accres) voor de medeoverheden beschikbaar. Deze middelen zijn voor gemeenten en provincies vrij besteedbaar. Als het accres af- of toeneemt is het de eigen verantwoordelijkheid van gemeenten en provincies om keuzes te maken.

In het voorjaar heb ik u per brief (Kamerstukken II 2017–2018, 34 477, nr. 35) geĆÆnformeerd dat in opdracht van mij een rapport is verschenen waaruit blijkt dat de huidige verdeling voor het sociaal domein in het gemeentefonds knelpunten kent. In het bestuurlijk overleg van 23 mei 2018 hebben Rijk en VNG gesproken over de noodzakelijke vervolgstappen en de gewenste aanpak daarbij. Over de uitkomst daarvan heb ik u op 5 juli 2018 per brief (Kamerstukken II 2017–2018, 34 477, nr. 39) geĆÆnformeerd. Op dit moment wordt gewerkt aan de voorbereidingen van een breed onderzoek gericht op een integrale nieuwe verdeling van het gemeentefonds gericht op het gehele sociaal domein. Op dit moment verken ik samen met de VNG en andere betrokken partijen welke onderzoeksmethode hiervoor het meest geschikt is. Naar verwachting kan ik het brede onderzoek begin 2019 starten. De planning is erop gericht om de nieuwe verdeling per 2021 in te voeren.


Vraag:
Wanneer komt het actieplan democratie met meer ruimte om te experimenteren naar de Kamer?

Antwoord:
Bij brief van 5 juli jl. heb ik de Tweede Kamer het Plan van Aanpak Versterking Lokale Democratie en Bestuur toegestuurd. Hierin heb ik gemeld dat ik werk aan een Agenda ā€œRuimte in regelsā€, gericht op het mogelijk maken van meer maatwerk in de organieke wetgeving (Gemeentewet, Provinciewet en Wet gemeenschappelijke regelingen). Voor 1 maart 2019 bericht ik u over de eerste bevindingen en mogelijke voorstellen.


Vraag:
De vermogensnormen van gemeenten en waterschappen bij kwijtschelding zijn niet gelijk. De wettelijke norm bij gemeenten ligt hoger dan de wettelijke norm bij de waterschappen. Gemeenten vragen bijvoorbeeld aan bijstandsgerechtigden om te sparen om bepaalde uitgaven te doen, waardoor ze weer boven die norm van het waterschap komen. Mensen met een kleine beurs komen daardoor in de problemen. De minister zou samen met de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid wetten meer op elkaar af kunnen stemmen. Graag een toezegging.

Antwoord:
Het kabinetsbeleid is gericht op het tegengaan van uitkeringsafhankelijkheid en het verkleinen van de armoedeval. Op 5 juni jl. heb ik in dat licht namens het kabinet aandacht besteed aan de harmonisering van de vermogensnormen bij kwijtschelding van de lokale lasten (Kamerstukken II 2017–2018, 32 315, nr. 12). Harmonisering zou ertoe leiden dat weliswaar eerst voor meer huishoudens dan nu het geval is kwijtschelding van lokale belastingen binnen het bereik komt. Maar bij elke inkomensverbetering zou dit voor deze huishoudens betekenen dat zij geconfronteerd worden met een armoedeval. Verdere harmonisering op dit punt werkt daarmee averechts binnen het kabinetsbeleid.


Vraag:
Gemeenten hebben op dit moment geen ruimte om een uitzondering te maken voor de onroerendezaakbelasting (ozb) voor verschillende soorten verenigingen, maar wordt er een omslachtige een subsidieregeling verzonnen om dat geld alsnog weer terug te geven. Het CDA stelt twee zaken voor. Ten eerste de mogelijkheid in de Gemeentewet of niet-woningen als woningen te belasten. Ten tweede zou een gemeente ook in staat moeten zijn om een categorie van dit type instellingen uit te zonderen van de heffing van de ozb. Graag een reactie hierop in relatie tot de Thorbeckelezing.

Antwoord:
Zoals in de Thorbeckelezing genoemd ben ik er voorstander van dat gemeenten de benodigde beleidsvrijheid krijgen om lokaal maatwerk te kunnen bieden, mits dit past binnen de essentiƫle randen van het speelveld van de democratie en de rechtsstaat. Ik constateer dat gemeenten ten aanzien van de stimulering van sport reeds nu ruime mogelijkheden hebben om sportverenigingen te ondersteunen. Allereerst kunnen gemeenten door middel van subsidies lokaal maatwerk leveren. Gemeenten hebben op basis van de huidige Gemeentewet al de vrije keuze om sportcomplexen niet mee te nemen bij het bepalen van de heffingsmaatstaf voor de ozb. Dat betekent dat de sportvereniging geen ozb betaalt of een lager tarief. Gemeenten beschikken aldus over ruime mogelijkheden om lokaal maatwerk te leveren voor sportverenigingen. Vanuit de VNG heb ik voorts ook geen signalen ontvangen dat een aanpassing van de reeds beschikbare mogelijkheden gewenst is.



Vragen van het lid Raak, A.A.G.M. van (SP)

Vraag:
Kan de minister uitleggen waarom er niets in dit land kan veranderen zonder dat daar dure externen (consultants) voor worden ingehuurd? Waarom zijn zoveel van die consultants en adviseurs lid van de VVD en vooral van D66?

Antwoord:
Bij het inhuren van externen staat de benodigde kennis en expertise centraal. Daarbij wordt niet geregistreerd of dat ingehuurde personeel lid is van een politieke partij en zo dat het geval is van welke partij, omdat dit niet relevant is voor de uitvoering van taken. Het door de heer Van Raak geschetste beeld, dat niets in dit land kan veranderen zonder dat daar dure externen (consultants) voor worden ingehuurd, deel ik niet: alleen al kijkend naar de resultaten die dagelijks geboekt worden door onze eigen ambtenaren. Inhuur vindt plaats tegen alle voorkomende tarieven, die corresponderen met de uit te voeren taken, indien de benodigde expertise of capaciteit niet voor handen is. Voor een overzicht van de soorten inhuur en de daarmee gemoeide bedragen, verwijs ik naar de Jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk 2017.


Vraag:
Is de minister bereid de Roemer-norm ook verplicht te stellen als publieke norm bij provincies en gemeenten?

Antwoord:
Medeoverheden zijn autonome bestuurslagen die zelf verantwoordelijk zijn voor hun bedrijfsvoering en besteding van hun middelen, en daarmee ook de externe inhuur. De bedrijfsvoering wordt gecontroleerd door de gekozen volksvertegenwoordiging van de betreffende overheid, dat is de gemeenteraad of de provinciale staten en niet het Rijk.

Het is aan gemeenten en provincies zelf om te bepalen met behulp van welke financiƫle en personele middelen afgesproken resultaten tot stand worden gebracht. Externe inhuur kan in bepaalde situaties nodig zijn om gestelde doelen te realiseren. Zo komt het voor dat voor sommige projecten tijdelijke externe expertise en dus externe inhuur noodzakelijk is. Dit is afhankelijk van de situatie en niet aan mij om te beoordelen.



Vragen van het lid Boer, mw. M. den (D66)

Vraag:
Het Rijk zou een afspiegeling moeten zijn van de samenleving. De ambtelijke top is te veel man en te veel wit. In de hoogste schalen heeft slechts 1% een niet-westerse migratie achtergrond. Wat is de reactie van de minister hierop? Komt er een ambitieuze diversiteitsagenda? Want de Jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk laat maar beperkte verbetering zien en de uitstroom van mensen met een niet-westerse achtergrond is hoger dan bij anderen.

Antwoord:
De Rijksoverheid hecht waarde aan een inclusieve en diverse werkomgeving. Er is behoefte aan diversity of thought, omdat verschillende perspectieven, achtergronden en inzichten de denkkracht van de rijksoverheid vergroten. In 2017 was het percentage medewerkers met een niet-westerse migratieachtergrond in de hoogste schalen inderdaad iets meer dan 1% (1,3%). Dit percentage zie ik graag hoger en dit geldt eigenlijk al voor medewerkers vanaf schaal 11. Dat is de reden dat ik het kader van het in medio 2018 vastgestelde Strategisch Personeelsbeleid Rijk 2025 een aantal nieuwe maatregelen heb aangekondigd, die worden uitgewerkt om een inclusieve werkomgeving en diversiteit binnen het Rijk te bevorderen. Zo worden leden van sollicitatiecommissies verplicht een workshop te volgen ter voorkoming van vooringenomenheid en ter verbetering van het selectiegesprek. Ter bevordering van een inclusieve cultuur (gericht op behoud en doorstroom van mensen) worden diversiteit en inclusie een vast onderdeel van managementleergangen. Verder zal ik een rijksbreed talentenprogramma ontwikkelen voor de schalen 12-14 binnen de beleidskernen. Op deze manier wordt de doorstroom van talent versterkt, waaronder jongeren en medewerkers met een niet-westerse achtergrond. Tijdens exitgesprekken met medewerkers die de organisatie verlaten, zal bijzondere aandacht zijn voor de ervaringen die zij hebben in relatie tot de inclusieve organisatiecultuur, zoals deze bij het Rijk wordt beleefd. Tot slot zal ik meer gaan werken met stretchbenoemingen (versnelde bevordering) voor managers en met benoemingen van mensen buiten het Rijk. De effecten van deze interventies zullen naar verwachting allereerst vooral in kwalitatieve zin zichtbaar zijn. De effecten in cijfers (aantallen) zullen naar verwachting op de langere termijn merkbaar zijn. Overigens blijkt uit de Jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk 2017 dat het aantal medewerkers met een niet-westerse migratieachtergrond in 2017wel opnieuw is toegenomen (2015: 9,1%, 2016: 9,9%, 2017: 10,3%).


Vraag:
Kleine gemeenten weten vaak niet hoe zij zich moeten organiseren als het gaat om anti-discriminatie. Zij wensen een rol van toezicht en betrokkenheid vanuit het ministerie. De minister heeft drie oplossingen naar de Kamer gestuurd, maar maakt geen duidelijke keuze. Wat gaat de Minister precies doen om het achterblijven van antidiscriminatiebureaus aan te pakken?

Antwoord:
Gemeenten spelen een centrale rol in de aanpak van discriminatie in Nederland. Zij hebben onder meer een wettelijke verplichting om hun burgers toegang te verlenen tot een antidiscriminatievoorziening (ADV). Gemeenten zijn bij uitstek in positie om hun burgers via preventief en repressief beleid te beschermen tegen discriminatie. Ik wil die lokale aanpak op een aantal manieren stimuleren en ondersteunen.

Uit recent onderzoek is gebleken dat niet alle gemeenten hun ADV-functie op orde hebben. In mijn brief van 26 april 2018 (Kamerstukken II 2017-2018 30 950, nr. 156) heb ik de drie oplossingsrichtingen genoemd, die mevrouw Den Boer bedoelde.

Allereerst is er nu geen aanleiding om het stelsel van antidiscriminatievoorzieningen helemaal op de schop te nemen. Het kabinet meent dat de tijdens de onderzoeken gesignaleerde problemen (rond vindbaarheid van de ADV’s, professionaliteit, kwaliteit en samenwerking met andere actoren zoals de politie) ook binnen het huidige stelsel opgelost kunnen worden. Ik toets dit uitgangspunt momenteel in gesprekken met andere betrokkenen, zoals de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en de brancheorganisatie van ADV’s (de Landelijke Vereniging tegen Discriminatie LVtD).

In het voorjaar van 2019 vindt bestuurlijk overleg plaats met gemeenten waar de werking van de antidiscriminatievoorzieningen problematisch kan zijn.

In de volgende voortgangsrapportage over het Nationaal actieprogramma tegen discriminatie, die in het tweede kwartaal van 2019 zal verschijnen, zal ik over de opbrengsten van de gesprekken en het bestuurlijk overleg rapporteren.

Daarnaast heb ik een handreiking antidiscriminatiebeleid voor gemeenten ontwikkeld en aan de gemeenten gezonden. Deze handreiking zal in de eerste helft van 2019 nader worden toegelicht voor gemeenten die dit nodig hebben.


Vraag:
Ik zie slapende of afwezige lokale rekenkamers. Er zijn geen vereisten hoe zij de taken uitvoeren. Moeten er geen minimale waarborgen voor financiƫle middelen zijn voor rekenkamers? En/of is het toezicht van provincies hierop voldoende en is de minister bereid hierover in gesprek te gaan met het Interprovinciaal Overleg?

Antwoord:
Ik ben het met de D66-fractie van harte eens dat lokale rekenkamers van groot belang zijn voor de controlerende taak van gemeenteraden en dat slapende of afwezige rekenkamers onwenselijk zijn. Ik heb daarom in juni jl. een conceptwetsvoorstel versterking decentrale rekenkamers in consultatie gegeven. Ik bestudeer op dit moment de uitkomsten van de consultatie. Het wetsvoorstel regelt de versterking van de positie van lokale rekenkamers. Gemeenten moeten voortaan een onafhankelijke rekenkamer instellen of aansluiting zoeken bij een gemeenschappelijke rekenkamer. Voor onafhankelijke rekenkamers gelden alle wettelijke waarborgen die nodig zijn voor een goede taakuitoefening, waaronder een wettelijke norm over het toekennen van de benodigde middelen voor een goede uitoefening van werkzaamheden. Ik wil gaarne met alle betrokken organisaties om tafel om die norm verder handen en voeten te geven. Het is geen taak van provincies om toezicht te houden op de wettelijke verplichting voor gemeenten om een rekenkamer in te stellen of het voldoende toekennen van rekenkamerbudget.


Vragen van het lid Krol, H. (50PLUS)


Vraag:
Naar aanleiding van de Thorbeckelezing is de vraag waarom er geen gekozen burgemeester is? Komt er een wetsvoorstel of is er een initiatiefwetsvoorstel van de Tweede Kamer nodig?

Antwoord:
Er ligt een initiatiefvoorstel tot deconstitutionalisering van de aanstellingswijze van de burgemeester voor tweede lezing in de Eerste Kamer. De regering kan thans niet vooruitlopen op een mogelijke toekomstige wijziging, dat is na aanvaarding van de grondwetswijziging aan de wetgever.


Vraag:
Over de strafrechtelijke aanpak leeftijdsdiscriminatie is eerder een motie ingediend door 50PLUS. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft deze overgedragen aan ministerie van Justitie en Veiligheid. In de begroting van het ministerie van JenV staat niets. Weet het ministerie van JenV al dat deze motie op zijn bord ligt?

Antwoord:
Over de (aangehouden) motie van het lid Krol (Kamerstukken II 2016-2017 30 950, nr. 121) is uw Kamer per brief van 13 september 2017 door de toenmalige minister van Veiligheid en Justitie en per brief van 5 december 2017 door de minister van Justitie en Veiligheid geĆÆnformeerd (Kamerstukken II 2016-2017 30 950, nr. 140 en Kamerstukken II 2017-2018 30 950, nr. 142). In de ogen van het kabinet volstaat het huidige wettelijke kader om leeftijdsdiscriminatie op de arbeidsmarkt aan te pakken. In mijn brief van 26 april 2018 (Kamerstukken II 2017-2018 30 950, nr. 156, blz. 16) heb ik daaraan toegevoegd dat, mocht op enig moment worden geconcludeerd dat meer dwingende regelgeving nodig is (met als uiterste optie ook strafrechtelijke handhaving), het voor de hand ligt dat toe te spitsen op gelijke behandeling in het kader van arbeid.



Vragen van het lid Kuiken, A.H. (PvdA)

Vraag:
De PvdA vindt het jammer dat de overheid heeft besloten de norm los te laten als het gaat om het aannemen van mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt. Hoe kan het toch zo zijn dat we van het bedrijfsleven allerlei dingen vragen terwijl we zelf die norm niet naleven?

Antwoord:
Werk is voor veel mensen een ontzettend belangrijk deel van hun leven. Het biedt bestaanszekerheid, versterkt het sociale netwerk en vergroot het gevoel van eigenwaarde. Het kabinet werkt daarom aan een arbeidsmarkt die ook toegankelijk is voor mensen die vanwege een arbeidsbeperking minder kans hebben op werk. Het kabinet zet in op een breed offensief voor vereenvoudiging en meer werk voor mensen met een arbeidsbeperking, zoals de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) op 7 september 2018 aan de Tweede Kamer heeft geschetst.

Het kabinet wil naar een eenvoudiger systeem in de banenafspraak waarin werkgevers meer mogelijkheden krijgen om extra banen te realiseren voor mensen met een arbeidsbeperking en waarin we tegelijkertijd hun administratieve lasten verminderen. Ook wil het kabinet het mogelijk maken dat banen via inkoop van diensten meetellen bij de inkopende werkgever, en dat dat de inleenadministratie overbodig wordt.

Op 8 oktober 2018 heeft de staatssecretaris van SZW mede namens de minister van BZK aan de Tweede Kamer gemeld (Kamerstukken 34352-130) dat het opheffen van het onderscheid tussen overheid en markt in de banenafspraak past in dit streven. De verwachting is dat dit zal leiden tot meer mogelijkheden voor werkgevers, zowel binnen de markt als binnen de overheid, om banen te realiseren voor mensen met een arbeidsbeperking.

Het Rijk is met bovenstaande al aan de slag. Zo verstevigt deze sector zijn acties met gebruikmaking van de aanbevelingen van door het kabinet geĆÆnitieerde onderzoeken. Deze onderzoeken zijn op 2 juli 2018 aan uw kamer gestuurd. Het Rijk ontwikkelde een meerjarige aanpak die bijdraagt aan de realisatie van de opgave. De programma organisatie Binnenwerk organiseert collectieve plaatsingen voor mensen met een doelgroepindicatie in opdracht van ministeries. Het betreft veelal facilitaire en licht administratieve werkzaamheden. Dit doet men door mensen met een arbeidsbeperking te plaatsen in teams van vijftien medewerkers met gespecialiseerde leiding.

In diezelfde brief van 8 oktober geven de staatssecretaris van SZW en ik aan dat overheidswerkgevers verantwoordelijk zijn voor het realiseren van hun aandeel in de banenafspraak. De overheidswerkgevers zijn en blijven gemotiveerd om hierin hun verantwoordelijkheid te nemen. Wij willen daarom bestuurlijke afspraken maken met overheidswerkgevers, die neerslaan in een concrete werkagenda. Deze werkagenda bevat de activiteiten om te stimuleren en mogelijk te maken dat de extra banen er komen. Ook staat in de werkagenda de manier waarop overheidswerkgevers verder inzichtelijk zullen maken wat hun inspanningen en resultaten op de banenafspraak zijn. Ik zal uw Kamer van de voortgang op de hoogte houden. Tot slot streef ik er naar uw Kamer naar verwachting in het laatste kwartaal van 2018 te informeren over de acties om het potentieel bij overheidswerkgevers te benutten.


Vraag:
De Basisregistratie Personen (BRP) moet op orde zijn. Dit laat soms te wensen over, zie uitkeringsfraude. Hoe gaan we voorkomen dat bij de gemeente op een adres moet worden ingeschreven, ook al weet je dat het niet deugt, en er vervolgens moet worden nagejaagd, dat weer moet worden uitgeschreven? Wat gaat u concreet doen?

Antwoord:
De kwaliteit van de gegevens in de Basisregistratie Personen (BRP) is hoog, maar blijft voortdurend een punt van aandacht. Dat geldt met name voor de kwaliteit van de adresgegevens. Hieraan wordt onder meer gewerkt in het programma Landelijke Aanpak Adreskwaliteit (LAA). Uitvoeringsorganisaties en gemeenten werken daarin samen aan het tot stand brengen van signalen ten behoeve van adresonderzoeken. Zo wordt in de brief van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) (Kamerstukken II 2018-2019 17 050, nr. 545) gemeld dat nu ook het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) met de BRP gaat werken. Er zijn inmiddels meer dan 260 gemeenten aangesloten bij LAA, samen goed voor meer dan 80% van de inwoners van Nederland. Zij onderzoeken meer dan 15.000 adressen per jaar, adressen waar signalen voor zijn dat er iets niet zou kunnen kloppen. De activiteiten van LAA worden, om de aanpak te borgen, overgebracht van het tijdelijke programma naar de Rijksdienst voor Identiteitsgegevens.

Het klopt dat inschrijving in de BRP verplicht is en dat daarin de feitelijke situatie moet worden geregistreerd. Als een persoon woont op een adres dat eigenlijk geen woonfunctie heeft (bijvoorbeeld het adres is van een bedrijfspand of een recreatiewoning), dient de gemeente de persoon toch op dat adres te registreren. Het gaat er namelijk om waar de persoon feitelijk woont. Dit betekent niet dat door registratie in de BRP dat adres ook een gelegitimeerd woonadres is. De gemeente kan daarop handhaven door diverse instrumenten in te zetten om in te grijpen op vrijplaatsen als er activiteiten plaatsvinden die in strijd zijn met wet- en regelgeving. Bijvoorbeeld door de extra inzet van toezichthouders en buitengewoon opsporingsambtenaren en identiteitscontroles. Permanente bewoning op parken kan worden tegengegaan als dat in strijd is met het bestemmingplan, er kan gecontroleerd worden op brandveiligheid, en een recreatiewoning kan gesloten worden op grond van de Opiumwet.

Vragen van het lid Graaf, mw. S. van der (CU)

Vraag:
Bestuurders vragen om extra bestuurlijke maatregelen. Wetgeving is aangekondigd voor het voorjaar 2019 en andere voorstellen komen in het najaar. Kan dit sneller? Stemonthouding zit ook in dit pakket. Gemeenten en provincies hebben ervaring. De Senaat heeft dit niet. Is dit een punt dat kan worden meegenomen?

Antwoord:
Zoals ik reeds in mijn antwoord op het lid Middendorp opmerkte, staat het belang van integere en deskundige bestuurders in het lokaal bestuur hoog op de agenda. In mijn brief heb ik genoemd dat het onderwerp integriteit na de gemeenteraadsverkiezingen nadrukkelijk is geagendeerd via de inwerkprogramma’s van de nieuwe raadsleden en wethouders. Er is veel vraag naar opleidingen, trainingen en bijeenkomsten, waarbij integriteit ook steeds meer verbonden wordt met thema’s als ondermijning, intimidatie en agressie. Met de aangekondigde maatregelen zijn we op de goede weg. Op korte termijn komt nog een aantal andere producten beschikbaar, zoals bijvoorbeeld de Basisscan integriteit en de escalatieladder bij bestuurlijke problemen. Een volgende stap is het aangekondigde wetsvoorstel. Anders dan het lid Van der Graaf opmerkt kom ik op de overige onderdelen niet pas in het najaar met de uitwerking maar in het voorjaar. We doen uiteraard ons best om dit wetsvoorstel zo spoedig mogelijk gereed te maken. Maar zorgvuldigheid en overleg met de andere overheden kost tijd. Bovendien betreft het een voorgenomen wetsvoorstel dat een wijziging van de verschillende organieke wetten behelst. Samenwerking is in deze belangrijk om tot een gedragen voorstel te kunnen komen. Ook is consultatie van medeoverheden overigens aan termijnen gebonden. Ik kan u daarom niet toezeggen dat dit wetsvoorstel eerder gereed zal zijn.

Ik begrijp op zichzelf de vraag van mevrouw Van der Graaf over stemonthouding. Want net als raadsleden en statenleden betreft het hier volksvertegenwoordigers die in deeltijd werken en dus juist ook andere functies hebben. De aangekondigde wetgeving ziet echter op de versterking van de integriteit van het lokale bestuur. Als het gaat om belangenverstrengeling is er qua wetgeving voor de Eerste Kamer alleen een regeling voor onverenigbare functies, namelijk de Wet Incompatibiliteiten leden Staten-Generaal en Europees Parlement. Krachtens de Grondwet gaan de Kamers hier zelf over, het past de regering niet hierover een standpunt in te nemen. Stemonthouding in de senaat is om die reden geen onderdeel van dit wetsvoorstel. Evenmin gaat dit wetsvoorstel in op een regeling voor de Tweede Kamer.



Vragen van het lid Wassenberg, F.P. (PvdD)

Vraag:
Het kabinet ziet een belangrijke rol weggelegd voor warmtenetten. Er is simpelweg niet genoeg duurzame warmte beschikbaar of komt beschikbaar. We moeten veel meer doen om de warmtevraag te reduceren. In het Klimaatakkoord is op hoofdlijnen een voorstel gedaan voor de normering van de vraag naar warmte. Is de minister bereid dit niet alleen voor huur-, maar ook voor particulierwoningen te laten gelden?

Antwoord:
In de appreciatie van het kabinet van de voorstellen van de sectortafel van 5 oktober jl. heeft het kabinet uitgesproken het te vroeg te vinden particuliere woningeigenaren via normering maatregelen op te leggen. Woningeigenaren zullen in eerste instantie via aantrekkelijke financieringsarrangementen worden gestimuleerd tot het nemen van duurzaamheidsmaatregelen. De sectortafel gebouwde omgeving is gevraagd daar ook voorstellen voor te doen. De aanpak van de particuliere sector vraagt om een breed pakket aan nieuwe en laagdrempelige diensten, producten en financieringsvormen.


Vraag:
Winst van bedrijven gaat voor lokale overheden boven milieuregels. Vorige maand bijvoorbeeld het geval in de gemeente Dongen over een kunstgras recyclebedrijf. Het bedrijf ontvangt daarvoor ook geld van de overheid. Het bedrijf overtreedt daarbij echter de milieuregels en dwangsommen helpen niet. De gemeente heeft daarvoor een brief gestuurd aan de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat. Het is een complex probleem, waarbij milieuproblemen zich niet aan grenzen houden. Daardoor is het niet altijd duidelijk wie er verantwoordelijk is. Handhaving is de achilleshiel voor gemeenten. De gemeente roept op dat het een landelijk probleem is en dat de Rijksoverheid de regie moet nemen bij grote milieudelicten. Ik hoop dat de minister dit omarmt. Graag de reactie hierop.

Antwoord:
Ik zal de vraag doorgeleiden naar mijn ambtsgenoot van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat.


Vragen van het lid Ouwehand, E. (PvdD)


Vraag:
In het Regeerakkoord is € 200 mln. uitgetrokken voor de sanering van de varkenshouderij. De uitwerking houdt in dat € 120 mln. naar sanering gaat en € 60 mln. naar nieuwe subsidies. De uitwerking van de maatregel sanering varkenshouderij verbaast de PvdD, omdat de minister in haar uitwerking geen analyse/reflectie geeft van hoe de situatie in Brabant ten aanzien van de veehouderij zover heeft kunnen komen. In 2003 heeft de KLPD in haar onderzoek geconstateerd dat er sprake is van ernstige overtredingen in de veehouderij en dat er verwevenheid is van politiek en de veehouderij, waardoor er sprake is van risico's voor de bestuurlijke integriteit. Vraag aan de minister is of er een vervolgonderzoek is gedaan? Graag alsnog een analyse van de minister van de situatie in de veehouderij in Brabant en de garantie van een goede besteding van € 200 mln. ten behoeve van de sanering van de varkensindustrie.

Antwoord:
Ik zal de vraag doorgeleiden naar mijn ambtsgenoot van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.



Vragen van het lid Bisschop, R. (SGP)

Vraag:
De minister heeft een nieuw beleidskader voor herindeling van gemeenten toegezegd. Dat is op korte termijn nodig. Wanneer kunnen we dit verwachten? Daarbij is aandacht nodig voor de gewenste grootte van gemeenten in relatie tot gemeenschappen. Ook graag aandacht daarbij voor de optie tot federatiebestuur.

Antwoord:
Er zijn verschillende mogelijkheden om het lokaal bestuur te versterken. Dit kan door herindeling, maar ook door samenwerking zoals bijvoorbeeld een federatiemodel. Zoals ik in de Thorbeckelezing heb genoemd, wil ik in gesprek met medeoverheden of het federatiemodel daarbij een aanvullende oplossing kan zijn en hoe we dat democratisch goed organiseren.

Het nieuwe beleidskader over gemeentelijke herindeling zal ik later dit jaar aan de Kamer doen toekomen. Gemeenten en provincies zitten hier inderdaad op te wachten. Hierbij zal zeker aandacht zijn voor nabij lokaal bestuur.

Ik vind het belangrijk dat het lokale bestuur ook in de toekomst responsief, nabij, betrokken en benaderbaar blijft, ongeacht of een gemeente qua aantal inwoners of grondgebied groeit. De omvang van een gemeente doet mijns inziens veel minder ter zake dan de inzet van het gemeentebestuur om de lokale democratie te verrijken. Een herindeling kan juist door de organisatorische veranderingen ook kansen bieden om de lokale democratie te vernieuwen en verlevendigen.


Vraag:
De kosten van begraven verschillen sterk tussen gemeenten. Vorig jaar is daarover een motie aangenomen om hier wat aan te doen. De Kamer heeft hierover nog geen concrete voorstellen gezien. Wil de minister op korte termijn met een uitwerking komen? Ook met het oog op de nieuw op te stellen gemeentelijke beperkingen.

Antwoord:
De afgelopen tijd ben ik in gesprek gegaan met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) om te bezien of en hoe wij gezamenlijk de aandacht kunnen vestigen op de hoogte en transparantie van de tarieven. Ook heb ik contact gehad met de Landelijke Organisatie Begraafplaatsen (LOB) over hun ervaring met betrekking tot de uiteenlopende kosten.

Momenteel loopt een onderzoek naar de praktijk van het vaststellen van de grafrechten door gemeenten. Het doel van dit onderzoek is om te weten te komen waarop gemeenten de vaststelling van de kosten baseren, welke afwegingen zij daarbij maken, en of zij voldoende transparantie en inzichtelijkheid bieden. Daarbij wordt tevens aandacht besteed aan de mate van efficiƫntie van de instrumenten die zij daartoe momenteel bezitten. Ik zal u in het voorjaar van 2019 informeren over de onderzoeksresultaten.

Bij het onderzoek wordt in ogenschouw genomen dat de kosten van grafrechten zijn aan te merken als leges, die op grond van de Gemeentewet niet hoger mogen zijn dan nodig voor het dekken van de kosten. De tarieven kunnen verschillen omdat deze afhankelijk zijn van lokale omstandigheden als de grondprijs, de duur waarvoor een uitsluitend recht op een particulier graf is gevestigd en het benodigde onderhoud van de begraafplaats.


Vraag:
De staatscommissie heeft een tussenrapport gepubliceerd met denklijnen over ons toekomstige staatskundige bestel. Dit is alleen zinvol bij verbetering (bijvoorbeeld als meer mensen zich beter vertegenwoordigd voelen door de politiek). Wat ziet de minister - als hoedster van de grondwet - als haar concrete taak bij de toetsing van wetsvoorstellen van andere departementen? We zien ook graag concrete voorstellen om de uitholling van de grondwet, in relatie tot de sluipende overdracht van taken naar de Europese Unie, en de soevereiniteit te borgen.

Antwoord:
Voor wat betreft de vraag over mijn concrete taak bij toetsing van wetsvoorstellen geldt het volgende. Mijn ministerie denkt mee in de voorfase van de totstandkoming van (nationale en internationale) ontwerpregelgeving, verricht de constitutionele toetsing van ontwerpregelgeving en draagt bij aan het initiëren en onderhouden van de constitutionele kaders en van beleids- en wetgevingsinstrumenten. Mijn ambtsvoorganger heeft uw Kamer hierover geïnformeerd in zijn brief van maart 2016 (Kamerstukken II 2015-2016 34 300 VII, nr. 62). De aandacht voor de Grondwet en ander hoger recht en de zichtbaarheid daarvan in het wetgevingsproces zal ik verder versterken door de Handreiking toetsing aan hoger recht, bestemd voor de betrokkenen binnen de Rijksdienst, ter aanvulling op het Integraal Afwegingskader Wetgeving en Beleid. Ik verwacht de Handreiking te hebben afgerond in het eerste kwartaal van 2019. In november ontvangt uw Kamer bovendien nog een brief van mij, waarin ik (nader) zal ingaan op het verzoek van de Voorzitter van de Tweede Kamer aan de minister-president en van de vaste commissie voor Europese Zaken aan de minister van Buitenlandse Zaken, om expliciet stil te staan bij mogelijke constitutionele aspecten in respectievelijk de memorie van toelichting bij wetsvoorstellen en in BNC-fiches.

De heer Bisschop vraagt verder aandacht voor de wijze waarop de overdracht van taken naar de Europese Unie plaatsvindt. Met betrekking tot dit onderwerp is een initiatiefwetsvoorstel van de heer Van der Staaij aanhangig bij de Eerste Kamer dat ertoe strekt in de Grondwet te regelen dat verdragen betreffende de Europese Unie slechts met een meerderheid van tweederde van het aantal uitgebrachte stemmen in de Staten-Generaal kunnen worden goedgekeurd. De behandeling van dit initiatiefwetsvoorstel is begin 2017 door de Eerste Kamer aangehouden in afwachting van het eindrapport van de Staatscommissie parlementair stelsel. Op verzoek van de Eerste Kamer is de Staatscommissie gevraagd om in haar onderzoek naar de toekomstbestendigheid van het parlementaire stelsel het instrument van het invoeren van een gekwalificeerde meerderheid van uitgebrachte stemmen voor de goedkeuring en wijziging van EU-verdragen zoals bedoeld in onderhavig wetsvoorstel te betrekken. Na ommekomst van het advies van de Staatscommissie zal de Eerste Kamer de behandeling van het wetsvoorstel naar verwachting voortzetten. Het kabinet zal in dat kader zijn standpunt ten aanzien van het wetsvoorstel bepalen, mede op basis van de uitkomsten van het advies van de Staatscommissie. Hierop kan en wil ik op dit moment niet vooruitlopen.


Vraag:
Een zorgvuldige invoering van de Omgevingswet is van essentieel belang. Dit mag niet mislukken. De SGP wil een valpartij van de minister op dit dossier voorkomen. Daarvoor zijn extra middelen ter beschikking gesteld. De minister wordt uitgenodigd, mocht dat nodig zijn, een beroep op de Kamercommissie te doen.

Antwoord:
Ik ben het volledig met de SGP eens dat invoering van het stelsel van de Omgevingswet en het daarbij behorende digitale stelsel van essentieel belang is. Ik voel me bij de uitvoering hiervan dan ook gesteund door de SGP met het aanbod dat zij doet.



Vragen van het lid Ɩztürk, S. (DENK)

Vraag:
De minister is aanjager als het gaat om het bestrijden van discriminatie en voert ieder half jaar een bewindspersonenoverleg. Zijn hier verslagen van? Kunnen wij die inzien? Volgen er concrete acties uit de gesprekken? Worden concrete acties verbonden aan discriminatiebestrijding in het bewindspersonenoverleg?

Antwoord:
Het eerste bewindspersonenoverleg is gepland in november. Doel van dit overleg is om tot concrete en doeltreffende acties te komen. Verslagen van dergelijke overleggen zijn niet openbaar. Over de acties die daaruit voortvloeien rapporteer ik uiteraard richting uw Kamer in de jaarlijkse voortgangsrapportage over het nationaal actieprogramma tegen discriminatie. In voorkomende gevallen zult u ook separaat worden geĆÆnformeerd door mij of door andere ministers die het aangaat.


Vraag:
Naar aanleiding van het Programma Democratie in Actie heeft DENK twee verzoeken. Ten eerste het verzoek om meer te doen aan de ondersteuning van politieke partijen. Ten tweede het verzoek om budget om politieke partijen in staat te stellen vooraf integriteitstoetsen te doen op nieuwe leden. Minister, graag een voorstel en structurele financiƫle middelen.

Antwoord:
Ik heb voorafgaand aan de gemeenteraadsverkiezingen de handreiking Integriteitstoetsing voor kandidaten van decentrale politieke partijen verspreid. Daarin is een aantal tools opgenomen die politieke partijen kunnen gebruiken bij de werving en selectie van kandidaten of nieuwe leden.

De verantwoordelijkheid voor een goede selectie van nieuwe leden ligt bij politieke partijen zelf. Via de Wfpp wordt een brede subsidie aan politieke partijen versterkt. Op basis van artikel 7, lid 2, sub f en h kan een politieke partij deze subsidie inzetten voor de werving van leden en de werving, selectie en begeleiding van politieke ambtsdragers. Voor het beschikbaar stellen van extra financiƫle middelen voor het uitvoeren van risicoanalyses voor nieuwe leden zie ik geen aanleiding.