Schriftelijke antwoorden op vragen gesteld tijdens de eerste termijn van de begrotingsbehandeling van het ministerie van Economische Zaken en Klimaat op 6 november 2018
Brief regering
Nummer: 2018D53220, datum: 2018-11-07, bijgewerkt: 2024-02-19 10:56, versie: 1
Directe link naar document (.doc), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: E.D. Wiebes, minister van Economische Zaken en Klimaat
- Mede ondertekenaar: M.C.G. Keijzer, staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat (Lid Keijzer)
Onderdeel van zaak 2018Z20391:
- Indiener: E.D. Wiebes, minister van Economische Zaken en Klimaat
- Medeindiener: M.C.G. Keijzer, staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Economische Zaken en Klimaat (2017-2024)
- Stemmingen en besluiten:
- 2018-12-06 14:45 ⇒ Rondgezonden en gepubliceerd. (Besluit)
- 2018-11-21 13:40 ⇒ Afgevoerd van de stand der werkzaamheden. (Besluit)
- 2018-11-13 16:30 ⇒ Betrokken bij de begrotingsbehandeling. (Besluit)
- 2018-11-08 11:15 ⇒ Behandeld. (Besluit)
- 2018-11-08 11:15: Begroting Economische Zaken en Klimaat (35000-XIII) (voortzetting) (Plenair debat (wetgeving)), TK
- 2018-11-13 16:30: Procedurevergadering (Procedurevergadering), vaste commissie voor Economische Zaken en Klimaat (2017-2024)
- 2018-11-21 13:40: Aanvang middagvergadering: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2018-12-06 14:45: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
Preview document (🔗 origineel)
Beantwoording vragen gesteld tijdens begrotingsbehandeling EZK – deel minister Antwoorden op vragen van het lid Kops van de PVV-fractie 1. Staat de minister nog steeds achter zijn uitspraak dat huishoudens uiteindelijk evident de kosten dragen van de energietransitie? Antwoord De transitie vraagt om investeringen van burgers, bedrijven en overheden. Zoals ik op 23 februari jl. in de kabinetsinzet voor het Klimaatakkoord heb verwoord (Kamerstuk 32 813, nr. 163), kost de transitie richting 2030 en 2050 onvermijdelijk geld. Bedrijven zullen naar verwachting waar mogelijk de kosten doorberekenen aan hun afnemers. Subsidies moeten worden opgebracht uit belastingbronnen. De kosten komen uiteindelijk op een of andere wijze ten laste van de samenleving en dat zijn wij allemaal. 2. Kunt u ons vertellen dat u niets ziet in het voorstel met betrekking tot het D66-voorstel om de maximumsnelheid te verlagen? Antwoord Het idee om de maximumsnelheid te verlagen is geopperd in het kader van de uitvoering van het Urgenda-vonnis. Ik heb uw Kamer eerder gezegd dat we hiervoor allereerst vol inzetten op het behalen van alle Energieakkoord-doelen. In het regeerakkoord hebben we afgesproken dat de bestaande maximumsnelheden in stand blijven. 3. Kan de Minister toelichten hoe de financiële participatie zal uitwerken. In Klimaatakkoord wordt voorgesteld dat 50% van de hernieuwbare energie eigendom wordt van de lokale bevolking. Kan de minister dit toelichten? Is de financiële participatie geen sigaar uit eigen doos, omdat de burger via de opslag duurzame energie al meebetaalt aan de SDE+-regeling? Antwoord Draagvlak voor de transitie is cruciaal. Uitgangspunt is daarom dat iedereen die wil, kan meedenken en meedoen. Daarom maken we in het Klimaatakkoord afspraken over het versterken van de participatie van burgers bij planvorming en concrete projecten. Het gaat hierbij niet alleen om financiële participatie, waarbij er overigens voor de burger niet alleen kosten zijn maar ook geld verdiend of kosten bespaard kan worden, maar ook om proces-participatie. De precieze vormgeving maakt onderdeel uit van de onderhandelingen van het Klimaatakkoord. Op de uitkomsten daarvan kan ik niet vooruitlopen. Deze participatie staat los van de financiering van de SDE+. Bij een participatie gaat het immers om het renderende deel van de investeringen, terwijl de SDE+ wordt ingezet om het onrendabele deel te dekken. 4. Het Centrum Veilig Wonen heeft vorig jaar 2,5 mln. euro winst gemaakt met de afhandeling van schade. Vorig jaar heeft de gehele kamer zich hiertegen uitgesproken. Wat heeft de minister hier tegen gedaan? Hoe kan het dat dit centrum ten koste van de burgers winst heeft gemaakt? Antwoord Ik wil graag benadrukken dat de winst die het Centrum Veilig Wonen (CVW) maakt, op geen enkele manier ten koste gaat van de uitkering van schadevergoeding aan gedupeerden of de versterking van woningen in het aardbevingsgebied. Zoals ook aangegeven in mijn brief aan uw Kamer op 5 november jl. (Kamerstuk 33529, nr. 530), laat dat onverlet dat deze gang van zaken ongelukkig is, tegen de achtergrond van de schade en gevoelens van onveiligheid waarmee de mensen in Groningen worden geconfronteerd. Dit is op dit moment nog niet te voorkomen. Het CVW is nu nog een privaat bedrijf, waarvan de inkomsten voortvloeien uit de opdrachtverlening door NAM. Als minister heb ik op dit moment geen bemoeienis met de inhoud of uitkomsten van de afspraken tussen deze twee bedrijven. Wel zijn er het afgelopen jaar belangrijke stappen gezet naar een publiek systeem voor de schadeafhandeling en versterking. Het CVW handelt geen nieuwe schademeldingen meer af, dit wordt sinds maart van dit jaar gedaan door de Tijdelijke Commissie Mijnbouwschade Groningen. Ook de uitvoering van de versterkingsoperatie zal in het publieke domein worden gebracht. De inrichting van het nieuwe systeem voor versterken, inclusief heroverweging van de rol en positie van het CVW daarin, wordt op dit moment ontwikkeld. Overigens is ook in een publiek systeem de capaciteit en expertise van private partijen met een winstoogmerk, zoals aannemers en ingenieursbureaus, hard nodig. Mijn prioriteit als minister ligt bij het borgen van een snelle en zorgvuldige uitvoering van de versterking en een rechtvaardige schadeafhandeling. 5. Waar is de € 1 miljard voor het nieuw toekomstperspectief Groningen voor bedoeld? Over welk toekomstperspectief hebben we het hier? Antwoord Binnen het Nationaal Programma Groningen werken regio en Rijk samen aan de economische versterking en de kwaliteit van de leefomgeving in de regio Groningen. De € 1,15 miljard voor het Nationaal Programma Groningen is bestemd voor de uitrol van projecten voor het toekomstperspectief voor Groningen. Het gaat om projecten in het kader van leefbaarheid, energie en economie. Dit komt ten goede aan de inwoners van Groningen. De eerste projecten zijn geselecteerd. Bij mijn brief aan uw Kamer van dinsdag 6 november jl. zit een uitputtend overzicht van deze projecten. Er wordt bijvoorbeeld geïnvesteerd in het trainen van wijkteams voor ondersteuning bij sociale, mentale en gezondheidsklachten als gevolg van aardbevingen. Daarnaast krijgt een testcentrum voor waterstof financiering en komt er geld voor restauratie van Gronings erfgoed. Antwoorden op vragen van het lid Yesilgöz-Zegerius van de VVD-fractie 1. Kan de minister met VNG een gesprek voeren over hoe we inwoners kunnen meenemen in de energie-transitie? Antwoord Het Rijk werkt intensief samen met de VNG, het IPO en de Unie van Waterschappen (maar ook met maatschappelijke partijen en netbeheerders) aan het meenemen van bewoners in de transitie. Zelf praat ik periodiek (en binnenkort weer in december) met decentrale bestuurders. Ook dan is het meenemen van bewoners onderwerp van gesprek. 2. Kan de minister aangeven hoe vaak het voorkomt dat er dubbele energiebelasting wordt geheven bij burgers die zelf energie opwekken, opslaan en terug leveren aan de markt? Moeten we dit niet voor zijn voordat we verder gaan met het stimuleren van duurzame energieopwekking? Antwoord Dubbele energiebelasting bij burgers komt naar mijn weten niet of nauwelijks voor. In de situatie dat elektriciteit wordt opgewekt door een burger en die het zelf gebruikt, is geen energiebelasting verschuldigd. Indien een burger de door hem zelf opgewekte elektriciteit teruglevert aan het net, saldeert hij die elektriciteit met elektriciteit die op andere momenten van het net is afgenomen. Ook dan is dus geen sprake van dubbele energiebelasting. Ook als de burger de elektriciteit tussendoor opslaat op een batterij “achter de meter” is over de opgeslagen elektriciteit geen energiebelasting verschuldigd. Dit zou zich bij huishoudens eigenlijk alleen kunnen voordoen, indien batterijopslag niet achter de eigen meter plaatsvindt maar voor de meter. In dat geval is er sprake van een belaste levering aan de batterij enerzijds en een belaste levering vanuit de batterij aan een afnemer. Er treden in dat geval 2 belastbare feiten op. Maar dat zal zich bij huishoudens niet voordoen, op dit moment al zeker niet. 3. Wil de minister ingaan op mijn verzoek om het tijdelijk afsluiten van de gasaansluiting permanent te maken, zoals voorgesteld in mijn aangehouden motie, aangezien permanent afsluiting momenteel honderden euro’s kost en hij eerder heeft gezegd hiernaar te kijken? Antwoord De regionale netbeheerders doen onderzoek naar de veiligheid en de noodzaak van verwijderen van de aansluiting. Dit is binnenkort klaar. Ook hebben de netbeheerders gewerkt aan een gezamenlijke uniforme werkwijze. Als deze ingevoerd wordt, zullen de tarieven van de netbeheerders naar verwachting meer synchroniseren, waardoor er minder grote regionale verschillen zullen optreden. Het is begrijpelijk dat huishoudens deze kosten als ontmoedigend ervaren. Binnen de regulering van de netbeheerder, zoals weergegeven in de Tarievencode Gas, geldt dat handelingen door de netbeheerder, die het gevolg zijn van de beëindiging van de aansluitovereenkomst, doorberekend worden aan de afnemer. Dit is het gevolg van het uitgangspunt van kostenoriëntatie uit de Gaswet. Dit algemene uitgangspunt geldt dus voor extra verzoeken van afnemers. Het is ook zo dat de kosten voor iedereen lager worden wanneer middels een wijkaanpak een gehele wijk in één keer van het gasnet afgaat. De kosten van het afsluiten worden ook besproken in de Klimaattafel Gebouwde Omgeving. Het is verstandiger om nu eerst het onderzoek van de netbeheerders en het resultaat uit het Klimaatakkoord af te wachten en daarna pas een beslissing te nemen hoe we met deze kosten moeten omgaan. 4. Hoe zorgen we er voor dat relevante innovaties, zoals op het gebied van geothermie, water en kernenergie, een eerlijke kans krijgen aan de Klimaattafels? Antwoord Het Klimaatakkoordproces is zo ingericht dat partijen aan de sectortafels met elkaar bekijken welke opties invulling kunnen geven aan de CO2-reductieopgave. En in deze setting afspraken maken over de benodigde inzet en maatregelen om aan deze opties invulling te kunnen geven, waaronder ook onderzoek en innovatie. Als onderdeel van het Klimaatakkoord komen deze onderzoek en innovatieopgaven samen in een Integrale Kennis en Innovatie Agenda. Geothermie, waterstof, integratie van hernieuwbare elektriciteitsopwekking, grootschalige offshore elektriciteitsproductie en andere onderwerpen komen daarin aan bod. Deze integrale kennis- en innovatie agenda geeft de koers aan waar de komende jaren de inzet op gericht moet zijn om de opgaven in het Klimaatakkoord op weg naar de 2050-doelen te kunnen realiseren. Antwoorden op vragen van het lid Van der Lee van de GroenLinks-fractie 1. Het kost de overheid geen geld, maar vraagt om een norm: stel alle bedrijven verplicht om uiterlijk op 1 juli 2020 te zijn overgestapt op ledverlichting. Dat bespaart al gauw 1 megaton CO2, is zeer kosteneffectief, bespaart energie en is op korte termijn uitvoerbaar. Antwoord Ik waardeer de suggestie van uw Kamer voor een versnelde uitrol van ledverlichting in het bedrijfsleven. Ledverlichting is in het algemeen een rendabele en laagdrempelige maatregel om op korte termijn energie te besparen in het bedrijfsleven. Onder het Activiteitenbesluit milieubeheer moeten bedrijven en instellingen met een minimaal energieverbruik van 50.000 kilowattuur of 25.000 kubieke meter aardgasequivalenten alle rendabele energiebesparingsmaatregelen treffen. Ook het Rijksvastgoedbedrijf valt hieronder. Bedrijven en instellingen kunnen hieraan voldoen door maatregelen van een Erkende Maatregellijst (EML) uit te voeren. Momenteel actualiseer ik de Erkende Maatregellijsten. Ik zeg toe dat ledverlichting als maatregel wordt opgenomen in de Erkende Maatregellijsten als deze rendabel is. Hiermee wordt ledverlichting actief onder de aandacht gebracht als een technische maatregel waarmee bedrijven aan hun wettelijke verplichting kunnen voldoen. De uitvoering van de Erkende Maatregellijst wordt verder ondersteund door de voorgestelde informatieplicht voor bovengenoemde bedrijven om te melden bij het bevoegd gezag hoe ze voldoen aan hun wettelijke verplichting onder het Activiteitenbesluit milieubeheer (Kamerstuk 29383, nr. 305). 2. Kan de minister, in overleg met BZK, onderzoeken of we voor alle burgers en bedrijven een plicht kunnen introduceren die borgt dat ieder jaar verwarmingsinstallaties goed en bij voorkeur ook waterzijdig, worden ingeregeld? Antwoord Het is goed dat opnieuw aandacht wordt gevraagd voor de noodzaak om energiebesparing en efficiency-maatregelen te nemen, juist ook om de energievoorziening verder te verduurzamen. Een goed gebruik van de bestaande verwarmingsinstallaties kan daarin zeker een nuttige eerste stap zijn. Partijen aan de tafel gebouwde omgeving werken momenteel voorstellen uit om aantrekkelijke arrangementen voor besparing en verduurzaming in de markt te zetten. Het goed afstellen en inregelen van installaties zou daar onderdeel van moeten uitmaken. Van de markt worden daartoe innovatieve oplossingen verwacht. Dat geldt overigens ook voor maatregelen die bedrijven kunnen nemen. Ik twijfel of een verplichtende maatregel dan de juiste stap is om dit aan te moedigen. In de appreciatie van het kabinet van de voorstellen van de klimaattafels is aangegeven dat maatregelen voor de koopsector vooralsnog meer in verleiden dan verplichten moeten worden gezocht. 3. Zegt de minister toe dat iedere procentpunt aan aandeel hernieuwbare energie dat hij in 2023 tekortkomt, dubbel wordt goedgemaakt in de jaren daarna? Bovenop de nieuwe afspraken uit het Klimaatakkoord? Antwoord In het Klimaatakkoord staat voor het kabinet voorop dat gestuurd wordt op één doel: CO2-reductie. Het aandeel hernieuwbare energie is voor het kabinet daarbij geen doel op zich waarop gestuurd zal worden. In het Energieakkoord hebben we wel afspraken hebben gemaakt over het aandeel hernieuwbare energie. Uit de Nationale Energieverkenning (NEV) 2017 is gebleken dat we op koers liggen om het doel van 16% hernieuwbare energie in 2023 te halen. De NEV 2017 verwacht dat het aandeel hernieuwbare energie in 2023 uitkomt op 17,3%. 4. Als de minister bij zijn weigering blijft om basisbedragen aan te passen, kan de minister dan niet ruimte bieden door ook voorlopige vergunningen voor projecten te accepteren? En belangrijker nog wil de minister snel een aanvullende SDE-regeling voor kleine tot middelgrote turbines realiseren? Antwoord De basisbedragen worden jaarlijks aangepast op basis van het meest recente advies van het Planbureau voor de Leefomgeving. Het aanpassen van de basisbedragen is noodzakelijk om de SDE+ kostenefficiënt te houden. Het is onverstandig om voorlopige vergunningen, die nog niet onherroepelijk zijn, te accepteren als voldoende basis om een subsidie aan te vragen. Er ontstaat dan juist een risico op meer onderuitputting van de SDE+, doordat projecten een subsidiebeschikking kunnen krijgen die een groter risico hebben op non-realisatie wanneer het project de vergunning uiteindelijk niet krijgt. Dit komt de doelmatigheid van de SDE+-regeling niet ten goede en de subsidiebeschikkingen kunnen daarom beter afgegeven worden aan projecten met een lager risico op non-realisatie. Naar aanleiding van de motie van het lid Vos over het stimuleren van kleinschalige windprojecten is eerder door ECN in kaart gebracht wat de meerkosten van dergelijke kleine windprojecten zijn. Op basis van dat onderzoek is geconcludeerd dat het niet wenselijk is om voor kleinere windturbines een hoger maximaal basisbedrag in de SDE+ op te nemen. Een hoger maximaal basisbedrag is ook niet in lijn met de kabinetsinzet om te zorgen voor een kostenefficiënte energietransitie. Zoals ook eerder aan de Kamer gemeld (Kamerstuk 31239, nr. 291) komen kleinere windturbines ook nu al in aanmerking komen voor subsidiëring binnen de bestaande categorieën van de SDE+. Het is bijvoorbeeld mogelijk om een windpark te ontwikkelen bestaande uit deels reguliere windturbines van 2 tot 3 MW en een aantal kleinere windturbines van ca. 1 MW. 5. Hoe kan de elektriciteitstafel tot harde plannen én doorrekenbare instrumentatie komen, als de industrie, mobiliteits- en bebouwde omgevingstafel dit niet eerst hebben afgerond? Antwoord De elektriciteitstafel heeft een eigen reductieopgave op basis waarvan zij plannen en instrumentarium moet uitwerken. Tegelijkertijd is zeker ook zo dat de keuzes die aan de verschillende tafels worden gemaakt een effect kunnen hebben op de opgave op een andere tafel. Daarom is er pas echt zekerheid over het doelbereik en instrumentering van het Klimaatakkoord op het moment dat er van alle tafels een doorrekenbaar pakket is. 6. Kunt u wachten met indiening van de Wet Windenergie tot we zekerheid hebben over het elektrificatie programma uit het Klimaatakkoord? Antwoord Ik zal nog bezien wanneer ik het wetsvoorstel precies zal indienen. Het is wat mij betreft daarbij niet wenselijk om langer te wachten. Ik zal de regelgeving zo inrichten dat die passend is, ongeacht het uiteindelijke elektrificatieprogramma. Het is inderdaad belangrijk om de regelgeving ten aanzien van wind op zee af te stemmen op de ambities en de uitkomsten van het Klimaatakkoord. Ik zal de keuze tussen contract for difference en veiling los van de wet mogelijk maken, zodat een eventuele andere keuze op termijn geen wetswijziging behoeft. 7. Hoe hard zijn de commitments van de grote bedrijven om af te stappen van Groningsgas? Hoe terecht zijn hun klachten dat het ministerie niet thuis geeft als zij met vragen komen of duidelijke regels verlangen? Antwoord De uitdaging die ik heb voor de industrie is tweeledig: een zo snel mogelijke afbouw van het gebruik van Groningengas binnen het basispad en een zo snel mogelijke verduurzaming voor het realiseren van de doelen uit het Klimaatakkoord. Voor het effect van de ombouw van de industrie op de winning van Groningengas is het tempo van groot belang. Het effect is het grootst als dit wordt afgerond voordat de stikstoffabriek in 2022 in werking treedt. Voor ombouw die later komt, zouden we liever verduurzamen in plaats van nieuwe gasinfrastructuur aanleggen. Daarom is hoe dan ook tijdige ombouw van de grootste verbruikers nodig voor het basispad. Voor het verminderen van de binnenlandse vraag naar Groningengas ben ik in gesprek met bedrijven die ik heb aangeschreven over omschakeling van laagcalorisch gas naar een duurzaam alternatief of hoogcalorisch gas. Per bedrijf is maatwerk nodig om tot goede afspraken voor omschakeling te komen. Van enkele van de grootste verbruikers heb ik al concrete schriftelijke toezeggingen gekregen dat ze willen ombouwen naar hoogcalorisch gas. Er zijn echter meer concrete afspraken met bedrijven over ombouw en/of verduurzaming nodig om tot het gewenste tempo te komen. Daarom overweeg ik een verplichting voor omschakeling aan bedrijven op te leggen. Ik zal hierop op korte termijn terugkomen. 8. Is er additioneel beleid nodig, bijvoorbeeld lange termijn contracten met Noorwegen, om benodigde import van gas straks veilig te stellen? Antwoord Mijn inschatting is dat er vooralsnog geen additioneel beleid nodig is om de benodigde import van gas straks veilig te stellen. De verwachting is dat via de markt de benodigde hoeveelheid gas geïmporteerd kan worden. De Nederlandse gasmarkt TTF is de afgelopen jaren enorm gegroeid terwijl de Nederlandse gasproductie (Groningen) sterk is gedaald. Tussen 2013 en nu is de totale Nederlandse gasproductie gehalveerd terwijl het verhandelde volume op de TTF verdubbeld is. Het netto volume dat via TTF wordt geleverd was in 2017 55 miljard m3, zo’n 1,5 keer de binnenlandse consumptie. Met andere woorden, via de TTF kan voldoende gas worden ingekocht om te voldoen aan de Nederlandse vraag naar gas. Verder zijn er op dit moment al veel andere landen, waaronder bijna alle andere EU-lidstaten, die importafhankelijk zijn voor hun gasvoorziening. Naar mijn weten zijn er in deze landen geen specifieke verplichtingen voor marktpartijen om langetermijncontracten af te sluiten en ondervinden deze landen geen problemen. 9. Waar blijft het uitvoerbare gasafschakelplan waar de fractie van GroenLinks al vaker naar gevraagd heeft? Antwoord Voor het eind van dit jaar informeer ik uw Kamer over een bescherm- en herstelplan. Ik zal de vragen van het lid Van der Lee over dit onderwerp op korte termijn beantwoorden. 10. Als uit onderzoek van de Kamer blijkt dat men veelal niet tevreden is met het aanbod voor oude schadegevallen, is de minister dan bereid hier actie op te ondernemen? Antwoord Bestuurders in de regio, uw Kamer en ikzelf hebben vastgesteld dat er weinig vertrouwen was in de schadeafhandeling door NAM en CVW. Daarom heb ik de schadeafhandeling ter hand genomen en vanaf 19 maart jl. publiek georganiseerd door deze taak te beleggen bij de TCMG. Om de TCMG niet meteen te overbelasten heb ik, na een zorgvuldige afweging en in overleg met de Commissaris van de Koning, de keuze gemaakt om NAM te vragen alleen nog een ultieme poging te doen om de nog openstaande oude schadegevallen op te lossen, waarbij nadrukkelijk de weg naar de Arbiter, ingesteld door de minister van Economische Zaken en Klimaat (EZK), open bleef voor een onafhankelijk oordeel. Deze aanpak heeft voor 85% van deze gevallen tot een oplossing geleid. Wellicht is soms schoorvoetend met het aanbod ingestemd, maar deze bewoners kunnen wel verder. Ik heb allereerst laten peilen hoe de bewoners de bejegening door NAM bij de afhandeling van de schade hebben ervaren; het resultaat was een kleine voldoende. Ik heb uw Kamer vervolgens per brief geïnformeerd over de uitkomsten van een onderzoek naar de beweegredenen waarom bewoners het aanbod niet hebben aanvaard. Hieruit is gebleken dat deze bewoners bij de Arbiter aan het juiste adres zijn. Een aanvullend onderzoek naar de gevoelens van bewoners bij het aanvaarden van het aanbod verandert helaas niets meer aan deze situatie. Wellicht zal opnieuw blijken dat het vertrouwen in de afhandeling van schade door NAM laag is. De actie als antwoord op deze constatering is al ondernomen, namelijk het definitief uit het systeem halen van NAM. Antwoorden op vragen van het lid Amhaouch van de CDA-fractie Ik maak van de gelegenheid gebruik om mijn toezegging tijdens het VAO Invest-NL (op dinsdag 6 november jl.) na te komen. De heer Amhaouch vroeg wanneer het wetsvoorstel Invest-NL ingediend wordt en wanneer de Kamer wordt geïnformeerd over het internationale deel. Ik verwacht het wetsvoorstel voor oprichting Invest-NL voor het einde van dit jaar aan de Tweede Kamer aan te bieden. Dit wetsvoorstel ziet toe op het nationale deel van Invest-NL. Het internationale deel vergt meer uitwerking. Bij aanbieding van het wetsvoorstel voor het nationale deel, zal ik ook ingaan op de planning van het internationale deel. Antwoorden op vragen van het lid Mulder van de CDA-fractie 1. Kunnen we bedrijven die op Europees niveau vooroplopen stimuleren? Is de minister bereid de mogelijkheden daarvoor te onderzoeken en dat ook positief uit te dragen bij zijn collega’s in de Raad? Daarbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan certificaten. En hoe kan de overheid zelf bij haar eigen inkoopbeleid hieraan meer aandacht geven? Niet alleen bij staal maar ook bij andere producten? Antwoord Ja, we proberen zowel met financiële middelen als op andere manieren bedrijven die vooroplopen te stimuleren. Dit is belangrijk zowel voor innovatie als voor het klimaatbeleid. We willen deze bedrijven stimuleren met nationaal instrumentarium en ik kijk uitdrukkelijk naar de mogelijkheden in Europees verband. Zo is recent de bouw van het Circulair Steam Project van de chemiebedrijven LyondellBasell en Covestro op de Maasvlakte van start gegaan. Dit zeer innovatieve project moet leiden tot een jaarlijkse reductie van 140 duizend ton CO2-uitstoot en van 0,9 Petajoules aan energie. Een investering van € 150 miljoen, waar EZK met € 6 miljoen aan bijdraagt via de Demonstratie energie-innovatie regeling (DEI) en € 5 miljoen via de Klimaatenvelop 2018. Onze inzet bij de discussie over de invulling van het nieuwe EU-kaderprogramma (Horizon Europe) voor onderzoek en innovatie is hier ook op gericht. Voor de realisatie van concrete projecten kijken we ook naar andere mogelijkheden binnen Europese fondsen en stimuleringsmogelijkheden zoals EIB, het ETS Innovation Fund en de Structuurfondsen. Certificering is een interessante optie, maar is in internationaal verband niet altijd technisch haalbaar of uitvoerbaar. In het inkoopbeleid van de overheid is duurzaam inkopen een belangrijke prioriteit. Een goed voorbeeld daarvan is het recent tot stand gekomen Betonakkoord tussen het Rijk, grote opdrachtgevers en de betonindustrie. Het Betonakkoord heeft als doel tot 100% recycling van beton en een forse reductie van de CO2-uitstoot in deze industrie te komen. Antwoorden op vragen van het lid Beckerman van de SP-fractie 1 en 2. Wat gaat de minister naar aanleiding van de lekkage bij Farnsum doen, zodat dit nooit meer kan voorkomen? Het Tankerpark is essentieel voor de gaswinning. Is de gaswinning überhaupt nog wel veilig? Antwoord De wet- en regelgeving is er op gericht dat mijnbouw- en industriële activiteiten alleen kunnen plaatsvinden als deze activiteiten veilig en verantwoord zijn. Toezicht en handhaving zien erop toe dat incidenten zoveel mogelijk worden voorkomen, en als dergelijke situaties zich toch voordoen, er passende maatregelen met het oog op de veiligheid en het milieu worden genomen. Staatstoezicht op de Mijnen (SodM) en het Openbaar Ministerie (OM) zijn een onderzoek gestart naar de lekkage van aardgascondensaat. Na het ontdekken van de oorzaak van de lekkage van het aardgascondensaat heeft SodM NAM gesommeerd om de schade te herstellen. Ook moest NAM direct een onderzoek starten naar het ontstaan van de lekkage en ook aangeven hoe zo’n incident in de toekomst kan worden voorkomen. Op 26 oktober 2018 heeft SodM drie aanvullende veiligheidsmaatregelen opgelegd. NAM heeft de prioritering van de alarmeringen aan moeten passen, zodat signalen van mogelijke lekkage direct en met de hoogste prioriteit worden opgepakt, een afsluiter tussen de installatie en het riool moeten plaatsen en NAM moet ervoor zorgen dat ook buiten kantooruren personeel op het Tankenpark aanwezig is zodat direct ingegrepen kan worden bij een calamiteit. Tot slot heeft SodM het Tankenpark onder verscherpt toezicht gesteld. Dit betekent dat er frequent inspecties worden uitgevoerd, dat er dagelijks contact is met NAM en dat het bedrijf wekelijks schriftelijk rapporteert. Als uit het onderzoek van het OM blijkt dat NAM in strijd met de regelgeving heeft gehandeld, dan zullen daar sancties op volgen. 3. Is de minister bereid de €400 miljoen aan Groningers te doen toekomen? Antwoord Met het Akkoord op Hoofdlijnen gaat er geen € 400 miljoen naar Shell en Exxon. Onder de oude financiële afdrachten had de Staat hogere afdrachten op het Groningengas ontvangen dan de winst die NAM op het Groningengas maakt. Dit zou leiden tot een nettoverlies van NAM, waardoor de financiële robuustheid van NAM in het geding komt. Met de aanpassing van de financiële afdrachten is dit voorkomen, zodat de energievoorziening in Nederland en een verantwoorde afbouw van de gaswinning niet in het gedrang komen. Ook met de aangepaste systematiek zijn de winstvooruitzichten van NAM soberder dan in het recente verleden. Zie ook mijn brief van 3 juli jl. (Kamerstuk 33 529, nr. 499). Ik hecht eraan nogmaals te benadrukken dat het Akkoord op Hoofdlijnen met Shell en Exxon een gebalanceerd pakket aan maatregelen is die noodzakelijk zijn voor een verantwoorde afbouw van de gaswinning. De financiële afspraken kunnen dan ook niet los gezien worden van het totale pakket aan maatregelen. Met het Akkoord op Hoofdlijnen zijn afspraken gemaakt over de verplichtingen voor schadeafhandeling en de versterkingsopgave, een eventuele claim naar aanleiding van gas dat in de grond achter blijft, de financiële robuustheid van NAM en het nakomen van de opruimverplichtingen na het beëindigen van de winning. Antwoorden op vragen van het lid Alkaya van de SP-fractie 1. Is dit kabinet bereid om mee te werken aan de emancipatie van werknemers in Nederland, door hen meer zeggenschap te geven in de bedrijven, zodat zij hun bedrijven beter kunnen beschermen tegen de buitenlandse aandeelhouders? Antwoord Werknemers spelen een belangrijke rol in ondernemingen. In lijn met het Rijnlandse model, dienen bedrijven al in hun strategie rekenschap te geven van de belangen van alle stakeholders, waaronder werknemers. Momenteel borgen diverse regels de rechten en belangen van werknemers, met primair de wet op de ondernemingsraden (WOR). In de brief van 12 juli 2018 (Kamerstuk 34267, nr. 12) is de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) ingegaan op de voorstellen uit de initiatiefnota ‘Private equity: einde aan de excessen’ van het lid Nijboer (PvdA) en het voormalige lid Groot (SP) met betrekking tot de ondernemingsraad (OR). Naar aanleiding van de initiatiefnota is onderzoek uitgevoerd naar de gevolgen van private equity-overnames in Nederland voor de verschillende stakeholders, waaronder werknemers. De conclusie van de minister van SZW was dat gezien de mogelijkheden die het huidig wettelijk kader biedt, een wetswijziging van de WOR waarmee de positie van de OR verder versterkt zou worden niet noodzakelijk is. Ik verwijs graag naar die brief. Antwoorden op vragen van het lid Sienot van de D66-fractie 1. Is de minister bereid om echt duurzaam te doen met de 10 miljoen euro voor CO2-opslag in plaats van ze onder de grond te stoppen? Antwoord Op dit moment vind ik het noodzakelijk om alle opties voor maatregelen open te houden. Het regeerakkoord noemt in dit verband ook CO2-opslag in situaties waar op korte of middellange termijn geen kosteneffectieve alternatieven zijn. Studies van PBL laten zien dat CCS een kosteneffectieve maatregel is en deze optie uitsluiten zal leiden tot hogere kosten om onze klimaatdoelstellingen te behalen. Daarbij kan op de langere termijn CCS een opmaat zijn naar het realiseren van negatieve emissies en het nuttig toepassen of hergebruiken van CO2 (CCU). Aan de toepassing van CCS stel ik wel de voorwaarde dat het veilig en betrouwbaar is en dat het de ontwikkeling van alternatieve maatregelen niet in de weg staat. De € 10 miljoen wordt ingezet om door middel van pilots en studies verdere informatie over de kosten te krijgen die nodig is voor de verdere ontwikkeling van beleidsinstrumenten voor CCS en CCU. 2. Is de minister bereid om de financiering uit de DEI-regeling open stellen voor projecten die in de scale-up / opstart fase zitten? Antwoord Ja, de DEI staat nu al open voor alle soorten bedrijven en zeker ook voor start-ups en scale-ups. Ruwweg één-derde van de partijen die DEI aanvragen zijn startende bedrijven die maximaal twee jaar actief zijn. Bovendien werk ik aan een verdere optimalisatie van de DEI, mede naar aanleiding van de beleidsevaluatie energie-innovatieregelingen, waarin de verdere opschaling als aandachtpunt wordt geadresseerd (Kamerstuk 30196, nr. 572) en naar aanleiding van de door het kabinet toegezegde klimaatenvelopmiddelen voor 2019 gericht op pilots en demo’s (Kamerstuk 32813, nr. 221) Hierbij wordt, daar waar nu voor slechts eenmaal een innovatieve technologische toepassing in aanmerking komt voor ondersteuning, voor 2019 voorzien dat meerdere gelijksoortige innovatieve toepassingen in aanmerking voor ondersteuning. Hiermee wordt de verdere opschaling ondersteund, mits het om de demonstratieprojecten gaat. Voor verdere opschaling kunnen partijen na de demonstratie fase gebruik maken van bijvoorbeeld de SDE+. 3. Is het ministerie goed voorbereid om snel aan de slag te gaan met de resultaten van het Klimaatakkoord, zodat we niet onnodig lang hoeven te wachten op wet- en regelgeving? Antwoord Een belangrijk onderdeel van de voorstellen die onder het Klimaatakkoord worden gemaakt, is het vastleggen van de wijze waarop de gemaakte afspraken worden uitgevoerd. Voor de uitvoering van deze afspraken hebben, naast de overheid, alle partijen een verantwoordelijkheid. Op 11 december jl. heb ik uw Kamer de wetgevingsagenda energietransitie gestuurd, die een aantal wetsvoorstellen over de energietransitie bevat die ik de komende jaren wil indienen. Ook zijn dit voorjaar de wijziging van de Warmtewet en het wetsvoorstel Voortgang Energietransitie aangenomen in uw Kamer en in de Eerste Kamer. Eind volgend jaar verwacht ik de nieuwe Energiewet aan uw Kamer aan te kunnen bieden en 2020 de nieuwe Warmtewet. Afspraken uit het Klimaatakkoord die leiden tot wijziging van wet- en regelgeving, zullen meegenomen worden in de verschillende wetsvoorstellen van de wetgevingsagenda. 4. Kunnen de middelen uit het SDE+-budget en de klimaatenvelop straks voortvarend worden geïnvesteerd? Antwoord Ja. Hierbij wil ik wel opmerken dat de verbrede SDE+ de uitrol van marktrijpe CO2-reducerende technieken zal stimuleren. Voor niet-marktrijpe technieken geldt dat deze niet kunnen putten uit de verbrede SDE+. Voor technieken die niet marktrijp zijn kan een beroep gedaan worden op middelen vanuit het generieke innovatiebeleid en voor pilots en demonstraties uit de klimaatenvelop. 5. Hoe zit het met de ‘doorzettingsmacht’ van de NCG, kan hij nu dan eindelijk handtekeningen zetten? Antwoord Dit probleem is inmiddels opgelost. De NCG kan alle noodzakelijke opdrachten verstrekken vanuit de budgetten die hem publiek worden toegekend, en ervanuit gaan dat alle kosten die nodig zijn voor versterken in het kader van veiligheid worden vergoed. Die kosten verhaal ik op NAM. Zoals ik aan uw Kamer heb gemeld, hebben regio en ik afgesproken dat de procedure rond vergoeding van kosten de versterkingsoperatie niet mag beïnvloeden of vertragen. Daar mag u mij aan houden. De versterkingsoperatie heeft niet stilgelegen. De NCG laat weten dat in de eerste drie kwartalen van dit jaar in het kader van de oude aanpak ruim 2.500 inspecties zijn uitgevoerd. Op 539 adressen is de uitvoering van versterkingswerkzaamheden gestart, waarvan 93 in het vierde kwartaal. Ook het Scholenprogramma is in uitvoering. Vooralsnog zitten we voor wat versterking betreft in een overgangssituatie naar een publieke aansturing. We gaan naar een situatie waarin de overheid en niet NAM de kaders voor de versterkingsoperatie bepaalt en ik aan NAM een wettelijke heffing op leg ter grootte van de kosten van de versterking. Hiervoor is wetgeving nodig die ik in voorbereiding heb. Ik streef ernaar deze wetgeving in het eerste kwartaal van 2019 in consultatie te brengen. We komen van een situatie onder het Meerjarenprogramma, waarbij de regie voor de versterkingsoperatie lag bij de NCG. Alle geldstromen liepen via NAM waarbij het CVW verantwoordelijk was voor het contractmanagement en fiattering van de betaalbaarstelling van facturen door NAM aan externe opdrachtgevers. Tot het moment waarop deze wetgeving in werking is, werk ik zo snel mogelijk en op een pragmatische manier toe naar de gewenste toekomstige situatie. Daarover ben ik in gesprek met NAM. Het Rijk is verantwoordelijk voor de financiering door NAM aan de “achterdeur”. 6. Kan de minister bevestigen dat projecten die al in 2018 van start zouden gaan, zoals het optellen van wijkteams bij de ondersteuning van sociale en mentale gezondheidsklachten en het starten met investeren in Overschild, nu ook van start zijn gegaan? Hoe verloopt de samenwerking tussen rijk en regio verder op dit punt? Antwoord Zoals ik op 6 november jl. aan uw Kamer heb gemeld, wordt nog in 2018 € 50 miljoen aan verschillende projecten binnen het Nationaal Programma Groningen toegekend. Bij Najaarsnota zal € 50 miljoen van de Aanvullende Post van de Rijksbegroting via de begroting van EZK naar het Provinciefonds worden overgeheveld. De regio kan op deze manier nog dit jaar starten met deze projecten; het trainen van wijkteams voor ondersteuning bij sociale, mentale en gezondheidsklachten is daar één van. De brief over het Nationaal Programma Groningen, die ik op 6 november jl. aan uw Kamer heb gestuurd, bevat een overzicht van alle projecten. De samenwerking tussen Rijk en regio verloopt goed. In de afgelopen weken hebben de regio en ik op een constructieve wijze gewerkt aan een projectenplan van de eerste projecten voor het toekomstperspectief voor Groningen. Tegelijkertijd geven de regio en ik samen invulling aan de structuur en het bestuur van het Nationaal Programma en de ontwikkeling van een geschikt toekenningsmechanisme voor financiële middelen aan concrete projecten. Voor Overschild geldt het volgende: De NCG heeft het plan van aanpak voor de versterking afgerond en zal dit de komende weken samen met gemeenten op lokaal niveau verder uitwerken, betrokken bewoners informeren en de uitvoering starten. Hieruit zal blijken wat de nieuwe versterkingsaanpak betekent voor specifieke projecten, zoals in Overschild. Wat betreft eventuele inzet vanuit het Nationaal Programma Groningen voor dit doeleinde: over € 50 miljoen in 2018 is besloten, over de jaren daarna vindt later besluitvorming plaats binnen het Nationaal Programma Groningen. 7. Wat kunnen we eraan doen om lokale initiatieven met betrekking tot de verbetering van de leefbaarheid in Groningen te steunen, bijvoorbeeld waar deze geblokkeerd worden door regels en bestemmingsplannen? Antwoord Het Nationaal Programma Groningen is bij uitstek bedoeld voor maatschappelijke en economische versterking van de regio. Het is nadrukkelijk de bedoeling dat lokale initiatieven de kans krijgen. De organisatie van het Nationaal Programma Groningen wordt zodanig ontworpen dat het Rijk betrokken is, maar dat het voortouw bij de regio ligt. De meeste projectvoorstellen zullen dus uit de regio komen. De vraag gaat daarnaast specifiek over de rol van bestemmingsplannen. Dat is niet specifiek Groningen, maar in die gebieden waar het vanwege krimp juist helemaal niet druk is en álle betrokkenen iets willen, dan zou een bestemmingsplan ook aanpasbaar moeten zijn. Dit is de verantwoordelijkheid van gemeenteraden, die bestemmingsplannen vaststellen. 8. Is de minister bereid om het gebruik van de veiligste techniek wettelijk voor te schrijven? Welke andere mogelijkheden ziet de minister om de aandacht voor veiligheid te vergroten? Antwoord Mijn uitgangspunt is dat voor elke toepassing in de ondergrond geldt dat altijd de veiligste techniek gebruikt moet worden. SodM houdt hier toezicht op. Op het ogenblik ben ik bezig de mijnbouwwet en regelgeving aan te passen voor geothermie en daarbij neem ik alle mogelijke verbeteringen mee die leiden tot een nog veiligere manier van het toepassen van geothermie. Ik verwacht de aanpassing van de Mijnbouwwet na de zomer van 2019 naar de Kamer te sturen Antwoorden op vragen van het lid Verhoeven van de D66-fractie 1. Kan de minister aangeven hoe het staat met de oprichting van Invest-NL en hoe start- en scale-ups een rol krijgen? Antwoord Ik verwacht het wetsvoorstel voor de oprichting van Invest-NL voor het einde van het jaar aan de Tweede Kamer aan te bieden. Ondertussen wordt gewerkt aan de opbouw van de organisatie zodat deze na aanvaarding van het wetsvoorstel direct van start kan. Invest-NL richt zich op risicovolle activiteiten van ondernemingen op het gebied van grote transitie-opgaven, zoals energie en verduurzaming. Start- en scale-ups spelen een grote rol in het oplossen van deze transitieopgaven. Daarnaast is een hoofddoel van Invest-NL dat start- en scale-ups doorgroeien naar grotere ondernemingen. Invest-NL heeft het risicokapitaal ter beschikking dat daarvoor ondersteuning biedt. In de opbouw van de organisatie wordt gezorgd dat Invest-NL bij het van start gaan aan deze taak kan voldoen. Antwoorden op vragen van het lid Moorlag van de PvdA-fractie 1. Waarom hebben de minister en staatssecretaris na het vrijkomen van de 1,9 mld. euro wegens het niet afschaffen van de dividendbelasting, niet voorgesteld om lastenverlichting te geven aan ondernemers die zich inzetten voor duurzame energie en andere maatschappelijke opgaven, zoals het vitaal houden van de beroepsbevolking, en beter benutten van groeikansen, in plaats van een generieke lastenverlichting? Antwoord Deze maatregel vormde een onderdeel van een breed pakket in het regeerakkoord ten behoeve van het vestigingsklimaat. Dit pakket is gericht op het aantrekken en behouden van bedrijven - en daarmee gemoeide economische activiteiten alsook directe en indirecte werkgelegenheid. Het nieuwe pakket is inderdaad generieker van aard. Hiermee behouden we een aantrekkelijk vestigingsklimaat van multinational tot mkb en creëren we ruimte voor ondernemingen om innovatief en productief te zijn. De nieuwe maatregelen richten zich op verbetering van het vestigingsklimaat door verlaging van de vennootschapsbelasting, maatregelen om innovatie en ondernemerschap verder te bevorderen en overgangsregelingen voor eerder aangekondigde maatregelen. 2. Gemeenten moeten nu mensen informeren dat ze van aardgas af moeten. Wie is eigenaar van dat proces? Regionale energiestrategie wordt nu gemaakt. Welke overheid is nu verantwoordelijk? Zijn de overheden voldoende toegerust om de energie-opgave te kunnen vervullen? Antwoord Momenteel worden met de partijen aan de klimaattafel gebouwde omgeving afspraken gemaakt over de instrumenten die nodig zijn om het gebruik van aardgas terug te dringen en een verantwoorde keuze te maken uit de duurzame alternatieven. De decentrale overheden hebben het voortouw om te komen tot een landsdekkend voorstel van de Regionale Energiestrategieën. Om deze reden neemt een vertegenwoordiger namens de decentrale overheden deel aan het Klimaatberaad onder leiding van de heer Nijpels. De decentrale overheden doen ook een voorstel voor de regio’s en het trekkerschap van het proces in die regio’s. Gemeenten stellen een transitievisie warmte op waarin op wijkniveau wordt vastgesteld wat de alternatieve warmte-infrastructuur wordt van een wijk en zijn verantwoordelijk voor de uitvoering hiervan. Daarbij worden zij ook ondersteund. Over de precieze governance worden nu afspraken gemaakt aan de klimaattafels. 3. Als gemeente kiezen voor warmtenetten, hoe wordt dat voldoende geborgd? Hoe krijgen gemeenten voldoende middelen, instrumenten, capaciteit om taken die hen worden toebedeeld om de uitvoering van de plannen die aan de tafels worden gemaakt te realiseren? Antwoord Momenteel worden met de partijen aan de klimaattafel gebouwde omgeving afspraken gemaakt over de instrumenten die nodig zijn om het gebruik van aardgas terug te dringen en een verantwoorde keuze te maken uit de duurzame alternatieven. Gemeenten stellen een transitievisie warmte op waarin op wijkniveau wordt vastgesteld wat de alternatieve warmte-infrastructuur wordt. De ondersteuning van gemeente bij het maken van deze visie en de uitvoering hiervan is onderdeel van de gesprekken die gevoerd worden in het kader van het Klimaatakkoord. In dichtbebouwde gebieden zal collectieve warmtelevering via warmtenetten vaak een kosteneffectieve oplossing voor verduurzaming kunnen bieden. Aan de klimaattafel wordt nu ook bekeken wat er voor nodig is om deze keuze in goede banen te kunnen leiden. Aan dit gesprek nemen vertegenwoordigers van gemeenten, provincies, warmtebedrijf, energieleveranciers en de netbeheerders voor gas en elektriciteit deel. Daarnaast worden in de eerste aardgasvrije proefwijken met alle betrokkenen, inclusief de bewoners, de stappen gezet om van een warmtevoorziening gebaseerd op aardgas over te stappen naar een collectief warmtesysteem. De ervaringen van deze eerste wijken dienen als input om bovenstaand proces verder vorm te geven. Uiteraard word hier ook aangesloten bij de ervaringen die er zijn met bestaande warmtenetten. 4. Hoe borgen we dat waterstofeconomie gaat vliegen en het aardgasnetwerk daarvoor behouden blijft? Antwoord Om verdere ontwikkeling van het potentieel van waterstof mogelijk te maken, wil het kabinet inzetten op een gefaseerde en programmatische aanpak gericht op kostenreductie en innovatie. Dit wordt in het kader van het Klimaatakkoord nu verder uitgewerkt. Het kabinet zal innovaties, grootschalige pilots en demonstratieprojecten ondersteunen. Uit de Klimaatenvelop voor 2019 worden middelen beschikbaar gesteld voor waterstof. Bijvoorbeeld voor waterstof-gerelateerde projecten die betrekking hebben op opslag en conversie van elektriciteit en op CO2-reductie in de industrie. Er zal ook tijdig worden ingezet op flankerend beleid inzake veiligheid, regelgeving, regulering en internationale samenwerking. Onder de huidige omstandigheden zal een steeds kleiner aantal bewoners, van de wijken die later van gas af gaan, de kosten voor investeringen en het in standhouden van het gasnet gaan betalen. Dit heeft de aandacht van het kabinet. De (eventuele) consequentie hiervan op de (financiële) regulering van de netkosten wordt op dit moment door het ACM onderzocht in het project MORGAN (MOet Regulering Gas ANders). Ook wordt bezien of het een mogelijkheid is om het bestaande aardgasnetwerk in te zetten voor bijvoorbeeld groen gas of waterstof. Dit als dit veilig kan en het bestaande net daarvoor geschikt is. Ook op de Noordzee wordt gekeken hoe het uitgebreide aardgasnetwerk op de lange termijn voor de energietransitie te gebruiken is, bijvoorbeeld bij waterstofproductie door windmolens. Op die manier kan energie die door windmolens wordt opgewekt, worden opgeslagen voor gebruik op een ander moment. Antwoorden op vragen van het lid Bruins van de ChristenUnie-fractie 1. De verwachting is dat na 2020 juist meer zal worden uitgegeven door een verbreding van de SDE+. De ChristenUnie vraagt de minister waarom deze pot nu zo rijkelijk gevuld is, en ook waar hij de reserve aan wil gaan besteden? Antwoord Het volledige saldo op de begrotingsreserve duurzame energie is inderdaad beschikbaar voor het stimuleren van de productie van duurzame energie. Deze € 1,77 miljard zal naar verwachting in zijn geheel worden toegevoegd aan de meerjarenramingen na 2022, in lijn met de uitgaven zoals deze geraamd worden op basis van de afspraken die gemaakt worden in het Klimaatakkoord. Dit geld is hard nodig om de uitdagingen die we met het akkoord willen oppakken te financieren. Antwoorden op vragen van het lid van Raan van de PvdD-fractie 1. Kunnen we zorgen dat de volgende begrotingen 1,5-graden begrotingen zijn en geen 3 graden-begroting? Antwoord Het kabinet heeft een ambitieuze klimaat- en energieagenda. We gaan afspraken maken om in Nederland in 2030 tot een CO2-reductie van 49% te komen en we zetten ons in Europa in om de Europese doelstelling op te hogen naar 55%. Het recente IPCC-rapport, dat inzicht biedt in wat er nodig is om de 1,5OC ambitie uit het Akkoord van Parijs, onderstreept het belang van de nationale en internationale ambitie van het kabinet. 2. Hoe gaat de minister het dringende advies van de DNB ongeclausuleerd mee geven aan de Klimaattafels? Antwoord Het kabinet heeft in de kabinetsappreciatie van het voorstel voor hoofdlijnen aan de Industrietafel gevraagd om als onderdeel van hun totale pakket een voorstel te doen voor een borgingsmechanisme zoals een CO2-heffing als stok achter de deur. Het rapport van DNB is openbaar en de tafels kunnen dit meenemen bij de uitwerking van hun voorstellen. 3. Er ontstaan problemen, omdat sectoren met veel uitstoot buiten schot blijven. Denk aan veeteelt. Denk aan luchtvaart. Beide sectoren dreigen ons koolstofbudget er doorheen te jagen. Minister is afgestapt van het begrip koolstofenergie, pleidooi dit toch weer te gebruiken. Graag een commentaar hierop. Antwoord Om de nationale reductiedoelstelling van 49% CO2-uitstoot in 2030 kostenefficiënt te realiseren, is in het Klimaatakkoord per sector een indicatieve opgave gesteld. Ook de landbouw heeft hierbij een opgave gekregen. In het voorstel voor hoofdlijnen zijn voor de veehouderij ook maatregelen voorgesteld om broeikasgasreductie te bereiken. In het regeerakkoord is afgesproken dat maatregelen gericht op het inkrimpen van de veestapel niet de voorkeur heeft. In het akkoord van Parijs is afgesproken dat luchtvaart op internationaal niveau besproken moet worden. Nederland pakt dit proactief op door aan de mobiliteitstafel van het Klimaatakkoord de komende maanden met stakeholders afspraken te maken, over zowel de nationale, Europese als internationale ambitie en de maatregelen die daarbij horen. Het kabinet zet daarom in op mondiale afspraken. De luchtvaart mag dus niet buiten schot blijven. 4. Is de minister bereid om de mogelijkheden te onderzoeken in nationaal en internationaal verband of en hoe ecocide kan worden opgenomen als 5e misdaad tegen de mensheid? Antwoord Klimaatverandering is een complexe opgave waar een breed pakket aan instrumenten voor nodig is. Daar zullen we met alle betrokken partijen mee aan de slag moeten, maar dat kun je niet via het strafrecht bewerkstelligen. Het kabinet kijkt naar andere manieren om de massale vernietiging en beschadiging van ecosystemen aan te pakken, bijvoorbeeld door het maken van internationale afspraken over het duurzaam gebruik van de aarde en het bevorderen van maatschappelijk verantwoord ondernemen door bedrijven. Antwoorden op vragen van het lid Akerboom van de PvdD-fractie 1. Energiebesparing is van belang. Industrieën gaan gecontroleerd worden op maatregelen die in vijf jaar terugverdiend kunnen worden. Maar wat is het besparingspotentieel in de industrie? Bijvoorbeeld bij maatregelen bij een terugverdientijd van tien jaar? Graag een reactie. Antwoord Energiebesparing is een belangrijk middel om de uitstoot van CO2 te reduceren. In het kader van het Energieakkoord hebben we met de partijen afspraken gemaakt om de naleving van de Wet milieubeheer en daarmee het nemen van maatregelen die zich binnen vijf terug verdienen, te verbeteren. Binnen het Klimaatakkoord wordt nader gesproken over het ontsluiten van energiebesparingspotentieel in de industrie als onderdeel van een maatregelenpakket dat is gericht op CO2-reductie voor na 2020. In de doorrekeningen zal het effect van maatregelen en daarmee het potentieel voor CO2-reductie in kaart worden gebracht. In dit kader wordt onder andere onderzocht welke maatregelen als rendabel worden geacht in termen van CO2-reductie en hoe maatregelen met een hogere terugverdientijd gestimuleerd kunnen worden. Antwoorden op vragen van het lid Stoffer van de SGP-fractie 1. Boeren en ondernemers worden in Groningen van het kastje naar de muur gestuurd. SGP heeft een motie ingediend over een aparte voorziening voor deze groep als het gaat om schade-/versterking. Ik hoor graag hoe daar uitvoering aan wordt gegeven. Antwoord: De motie vroeg om specifieke voorzieningen voor agrariërs voor schade en versterken in Groningen. Voor schadeafhandeling en versterking bij agrariërs is bijzondere aandacht nodig om dit goed te regelen. Er is sprake van een specifieke bedrijfsvoering, waarbij woon- en werkomgeving samenkomen, en waarbij ondernemers vaak ook een functie in het Groningse landschap vervullen. Doordat ze een specifieke groep zijn kennen ze ook een eigen problematiek die elders niet speelt: schade aan mestkelders, drainagesystemen, versterking van woning en bedrijfsgebouwen. Dit komt allemaal samen bij het boerenbedrijf. Voor deze specifieke situaties bij agrariërs geldt, dat het bijvoorbeeld technisch moeilijker is om de oorzaak van schade vast te stellen. Voor agrariërs wordt in een overlegtafel onder leiding van de heer Munniksma besproken of er een in de motie omschreven noodzaak bestaat om voorzieningen te regelen om schades te kunnen beoordelen en de versterkingsoperatie te kunnen uitvoeren, specifiek voor agrariërs. Een advies van de heer Munniksma zal ik samen met de provincie en gemeenten in ontvangst nemen en bespreken. Beantwoording vragen gesteld tijdens begrotingsbehandeling EZK – deel staatssecretaris Antwoorden op vragen van het lid Kops van de PVV-fractie 1. Hoe zit het met het toezicht van de ACM op credit boys en gestolen telefoons? Kunnen deze toestellen niet getraceerd worden, geblokkeerd worden en onbruikbaar worden gemaakt? Is de staatssecretaris bereid met betrokken partijen als Marktplaats, BKR, politie en providers in gesprek te gaan om deze credit boys-praktijken halt toe te roepen? Antwoord Zogenaamde ‘creditboys’ dwingen of verleiden hun slachtoffers om telefoonabonnementen af te sluiten. De mobiele telefoons die daarbij horen, worden vervolgens afgepakt en doorverkocht. Het slachtoffer draait op voor de abonnementskosten en blijft met hoge schulden achter. De telecomaanbieders hebben diverse maatregelen genomen om deze vorm van fraude te voorkomen. Zo waarschuwen zij consumenten via hun websites actief voor deze vorm van fraude en trainen zij hun winkelmedewerkers om deze vorm van fraude te herkennen. Ook is de telecomsector bezig om een lesprogramma te ontwikkelen om jongeren voor te lichten. De ministeries van Justitie en Veiligheid (J&V) en Economische Zaken en Klimaat (EZK) volgen dit nauwlettend. Daarnaast ziet de Autoriteit Financiële Markten (AFM) sinds 1 mei 2017 erop toe dat telecomaanbieders voor telefoonkredieten vanaf € 250 een leentoets afnemen, inclusief een toetsing bij het Bureau Kredietregistratie (BKR). Tot slot kan het strafrecht worden ingezet. Op 20 september jongstleden stonden bijvoorbeeld twee verdachten in verband met deze praktijken terecht voor de rechtbank Midden-Nederland. De Autoriteit Consument en Markt (ACM) heeft geen wettelijke taken met betrekking tot fraude en kredieten. Antwoorden op vragen van het lid Wörsdörfer van de VVD-fractie 1. Wil de staatssecretaris in kaart brengen welke administratieve lasten gepaard gaan met het werkgeverschap en met voorstellen komen om het de ondernemer makkelijker te maken? Antwoord Het werkgeverschap is een belangrijk aspect van het ondernemerschap. Knelpunten op dat gebied moeten daarom ook zoveel mogelijk worden aangepakt. We kijken in het regeldrukbeleid niet alleen naar administratieve lasten maar ook naar zaken als nalevingskosten, uitvoering, dienstverlening en bejegening. Het gaat wat mij betreft om het aanpakken van specifieke knelpunten. Er zijn reeds meerdere manieren en analyse-instrumenten om de ervaren regeldruk in kaart te brengen. Zo wordt in het kader van de Maatwerkaanpak Winkelambachten gekeken naar een zestal knelpunten op het terrein van werkgeverschap o.a. op het gebied van de Re-integratieplicht en de RI&E (Arbeidsomstandighedenwet). Het rapport hierover kunt u begin volgend jaar verwachten. Daarnaast heeft het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) in hun eigen actieprogramma aangegeven vervolg te willen geven aan het aanpakken van knelpunten op dit terrein die naar voren zijn gekomen uit een recent onderzoek hiernaar. 2. Wil de staatssecretaris met haar collega’s van SZW de verkorting van de loondoorbetalingsperiode bij ziekte aanjagen? Antwoord Nadat MKB Nederland scherpe kritiek had op de in het regeerakkoord voorziene maatregelen rond loondoorbetaling bij ziekte, is de minister van SZW in gesprek gegaan met MKB Nederland, VNO-NCW en de vakbonden over alternatieven voor deze maatregelen uit het regeerakkoord. De minister van SZW is voornemens om uw Kamer voorafgaand aan de behandeling van de SZW-begroting te informeren over de uitkomsten van die gesprekken. 3. Wil de staatssecretaris toezeggen dat zij er werk van gaat maken dat bedrijven zich aan de betaaltermijnen houden? Antwoord Bij wet zijn grote ondernemingen inmiddels verplicht zich te houden aan een maximale contractuele termijn van 60 dagen. Die wet is per juli 2017 in werking getreden voor losse overeenkomsten en per juli 2018 voor duurovereenkomsten. Vanaf medio 2019 ga ik die wet evalueren om te kunnen bezien of het beoogde resultaat is bereikt of dat daar meer voor nodig is. Het naleven van de overeengekomen betaaltermijn kan ik niet zelf vaststellen, dat kunnen alleen de partijen die bij de overeenkomst betrokken zijn. Als de afgesproken betaaltermijn niet wordt nageleefd, is het primair aan de crediteur om aan de bel te trekken. Over het geheel genomen is overigens nog steeds sprake van een positieve trend in de gerealiseerde betaaltermijnen in Nederland. De nieuwste stand is te lezen in de Barometer Betaalgedrag Q3 2018 van Graydon. 4. Is de staatssecretaris bereid in de analyse van de samenhang van financieringsinstrumenten de afwijzingen van MKB leningsaanvragen mee te nemen? Antwoord Ja, jaarlijks breng ik reeds de financieringsmonitor uit waarin een beeld vanuit het perspectief van de ondernemer wordt geschetst over de redenen van afwijzing van kredietaanvragen. Op dit moment evalueer ik voorts vijf risicokapitaalinstrumenten waarin ook het marktfalen waarop zij aangrijpen aan bod komt. Ik bezie de werking van deze instrumenten in samenhang met de verstrekking van bancaire leningen en werking van het financieringsinstrumentarium voor vreemd vermogen. Tot slot komt dit ook aan bod in het antwoord op de motie 204 van lid Graus, waarbij ik naar een internationale vergelijking kijk en dat ik in het tweede kwartaal van 2019 deel met uw Kamer. 5. Is het kabinet bereid onderzoek te doen naar hoe het zekerhedenrecht herijkt kan worden, zodat mkb-ondernemers sneller in aanmerking komen voor financiering? Antwoord De waardering en vestiging van zekerheden is een essentieel onderdeel van financiering en behoort tot het vrije economische verkeer tussen financier en kredietnemer. Het waarderen en vestigen van zekerheden is maatwerk. Financiers bepalen dit in verhouding tot het ingeschatte kredietrisico en het soort krediet en bepalen mede op basis van zekerheden de rente. Bij financiering van het micro- en kleinbedrijf zijn zekerheden in het algemeen belangrijker dan bij financiering van het midden- en grootbedrijf, waar meer wordt gefinancierd op verdienvermogen. Tegelijkertijd hebben de kleinere ondernemingen in de regel minder onderpand te bieden dan het midden- en grootbedrijf. Dit knelpunt voor de kleine ondernemingen wordt verholpen door de borgstellingsregeling BMKB. Deze heeft tot doel om bij het kleinere mkb een eventueel tekort aan zekerheden aan te vullen. In de Gedragscode kleinzakelijke financieringen van de banken staat dat de ondernemer de bank kan vragen de zekerhedenpositie te verminderen in lijn met de vermindering van de schuld en om dan ook de rente aan te passen, wanneer een variabele rente overeengekomen was. Omgekeerd kan er ook sprake zijn van vestiging van extra zekerheden wanneer de ondernemer afspraken niet nakomt. Bij een geschil kan de mkb-ondernemer zich sinds kort melden bij Kifid. Ik zal met banken en alternatieve financiers in gesprek gaan over dit onderwerp en daarover vervolgens uw Kamer informeren. 6. Kan de verruiming van de WBSO niet een jaar eerder in gaan? Antwoord Zoals gecommuniceerd in de brief over de WBSO in 2019 bedraagt de onderuitputting van de WBSO uit eerdere jaren € 107 miljoen en is dit bedrag gereserveerd in een enveloppe. De komende tijd zal worden onderzocht, mede op basis van de nu lopende evaluatie van de WBSO, hoe de budgetsystematiek van de WBSO kan worden verbeterd. Daarna zal, gebruikmakend van de evaluatie, worden bekeken hoe het geld uit de enveloppe het beste kan worden ingezet voor de jaren erna. In principe kan dus pas na afronding van de evaluatie, begin 2019, uitsluitsel worden gegeven over de besteding van de enveloppe met de daarin opgespaarde onderuitputting. Er kan voor worden gekozen om van deze afspraak af te wijken. De kosten voor het al in 2019 verhogen van de tweede schijf van 14% naar 16% bedragen € 76 miljoen. Kijkend naar het voor 2019 beschikbare budget, het geraamde beslag voor de regeling in 2019 en de beschikbare reserve van €107 miljoen is de verhoging van de tweede schijf naar 16% in 2019 mogelijk. Indien er wordt gekozen voor deze ophoging, betekent dit dat niet wordt aangesloten bij de eerder gemaakte afspraak en er een lager bedrag overblijft, waarover op basis van de resultaten van de evaluatie zou kunnen worden besloten. 7. Is er ruimte om de PPS op niveau te houden? Antwoord Het kabinet verhoogt het budget voor PPS met € 50 miljoen van € 122 miljoen naar € 172 miljoen en het toeslagpercentage is verhoogd van 25 naar 30. De regeling is succesvol in het ondersteunen van publiek-private samenwerkingen om maatschappelijke uitdagingen te adresseren en sleuteltechnologieën te ondersteunen. De keerzijde daarvan is dat het gebruik van de regeling meer is gegroeid dan ik had verwacht. Binnen het budget van de regeling heb ik geen ruimte om de PPS-toeslagregeling ongewijzigd te laten. Mede om die redenen ben ik voornemens twee maatregelen te nemen die de regeling enerzijds doeltreffender maken en anderzijds mij in staat stellen om het toeslagpercentage op 30 houden. Ten eerste zal per 2019 80% van de private bijdragen aan TKI-relevante onderzoeksopdrachten meetellen als grondslag voor de PPS-toeslag. Ten tweede kunnen per 2019 alleen ondernemingen met een Nederlandse vestiging of een buitenlandse onderneming met een dochteronderneming in Nederland bijdragen in natura opvoeren voor de grondslag. De wijzigingen hebben betrekking op de grondslag van de regeling en daarmee op het genereren van de PPS-toeslag. 8. Is de staatssecretaris bereid om J&V actief te wijzen op nieuwe ontwikkelingen waar experimenteerruimte nodig is, bijvoorbeeld in de hoek van fintech? Kan de staatssecretaris dit meenemen in de voorbereiding van de digitaliseringstop? Antwoord Het kabinet wil dat er meer experimenteerruimte komt voor nieuwe ontwikkelingen en werkt in dit verband aan diverse voorstellen voor experimenteerregelingen. Denk aan de experimenten met drones en zelfrijdende auto’s, de experimenten in de rechtspleging en wijziging van de Crisis- en Herstelwet in verband met experimenten in de woningbouw en de energietransitie. Ruimte in Regels helpt duurzame innovaties door belemmeringen in wet- en regelgeving weg te nemen en waar mogelijk het gebruik van bestaande experimenteerruimte te benutten. Daarnaast heeft het kabinet op 29 juni jl. een brief aan uw Kamer gezonden met voorstellen om de wettelijke experimenteerruimte in algemene zin verder te vergroten. Hierin is aangegeven dat de Aanwijzingen voor de regelgeving begin 2019 worden aangepast om deze ruimte te vergroten. Met betrekking tot fintech verwijs ik u naar de minister van Financiën, die werkt aan het stimuleren van financiële innovatie in het domein van financieel toezicht. Waar ik mogelijkheden zie om innovatieve ondernemers met experimenteerruimte te ondersteunen, zal ik het gesprek aangaan met mijn collega’s. De suggestie van het lid Wörsdörfer zal ik meenemen in de programmering voor de digitale top 2019, waar ik op dit moment aan werk. 9. Is er al zicht op een veilingdatum voor de verschillende frequentiebanden? Antwoord Een exacte datum voor de veiling van een aantal belangrijke frequentiebanden kan ik nog niet geven. Het beleid rond en de planning van de veiling van de 700-, 1400- en 2100- MHz banden kunnen pas finaal vorm gegeven worden als er duidelijkheid is over het besluit van de Europese Commissie over de voorgenomen fusie van Tele2 en T-Mobile en over het daarop volgend advies van de ACM over welke maatregelen ik moet treffen in de veiling. De planning is erop gericht om na het besluit van de Europese Commissie en het nadere advies van de ACM, de veiling zo spoedig mogelijk, op zorgvuldig wijze, te realiseren. Uitgaande van een besluit van de Europese Commissie voor het eind van dit jaar streef ik naar een veiling van de 700-, 1400- en 2100- MHz banden in de periode rond eind 2019, begin 2020. Wat betreft het vrijspelen van de 3,5- GHz band zal ik uw Kamer eind dit jaar informeren over een besluit over de toekomst van deze band. 10. Is de staatssecretaris bereid lokale omroepen ruimte te geven bij DAB plus? Antwoord Op dit moment zenden bijna alle omroepen, zowel commerciële als publieke, reeds uit over DAB plus, behalve de lokale publieke omroepen. Met deze laatste categorie ben ik in gesprek om op korte termijn toewijzing van spectrum mogelijk te maken. Bovendien wordt er in de Taskforce Radio, waar alle omroepen in vertegenwoordigd zijn, gesproken over een efficiëntere indeling van het digitale spectrum met als doel dat er volgend jaar nog meer spectrum beschikbaar komt. De omroepen krijgen dus alle gelegenheid om via DAB plus hun programma’s uit te zenden. Over de uitkomsten van de Taskforce zal ik uw Kamer separaat rond de jaarwisseling informeren. 11. Kan de staatssecretaris reageren op de voorstellen die door de VVD gedaan zijn op het gebied van de aanpak van winkeldiefstal? Antwoord Winkeldiefstal ondermijnt het gevoel van veiligheid, schaadt de leefbaarheid in winkelgebieden en leidt tot grote financiële en emotionele schade bij ondernemers en winkelpersoneel. Het aanpakken van winkeldiefstal is in het belang van iedereen. De genoemde elementen van de aanpak vallen op de eerste plaats onder de verantwoordelijkheid van mijn collega van Justitie en Veiligheid. Vanuit mijn verantwoordelijkheid voor de retailsector en het tegengaan van regeldruk zal ik de ideeën om winkeldiefstal tegen te gaan onder zijn aandacht brengen en blijf ik graag betrokken. Antwoorden op vragen van het lid van der Lee van de GroenLinks-fractie 1. Kan een digitale onderraad niet een betere borging opleveren voor een integrale aanpak van de steeds sneller voortschrijdende digitale transitie? Antwoord Digitalisering is een thema dat het gehele kabinet aangaat. Het kabinet heeft daarom in een Catshuissessie dit voorjaar besloten om dit een gezamenlijke prioriteit te maken. Alle bewindspersonen hebben hierbij een rol vanuit hun specifieke verantwoordelijkheid. Het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) bijvoorbeeld voor digitalisering in de zorg, het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) voor digitalisering in de landbouw, het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) voor digitale vaardigheden in het onderwijs etc. De Nederlandse Digitaliseringsstrategie is de paraplu en het kader voor alle plannen van het kabinet rondom digitalisering. De departementale plannen worden door de verschillende bewindspersonen aan u gepresenteerd. Met een gezamenlijke agenda voorkomen we dat we op meerdere plekken het wiel uitvinden, zetten we onze ambities en uitgangspunten als kabinet duidelijk neer en koppelen, daar waar nodig, nieuwe gezamenlijke acties aan. 2. Is er nu een echte oplossing op het gebied van 5G en het satellietgrondstation in Burum in zicht en krijgt deze Kamer binnen een paar weken de gewenste duidelijkheid hierover? Antwoord Het vrijspelen van de 3,5 GHz-band is van belang voor 5G. Samen met mijn collega’s van Defensie en Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) onderzoek ik hoe de uitrol van 5G mogelijk te maken in de 3,5 GHz-band, waarbij rekening wordt gehouden met het belang van satellietinterceptie voor de nationale veiligheid. Recent heb ik uw Kamer geïnformeerd over de stand van zaken van het onderzoek van TNO naar de co-existentie tussen de uitrol van 5G en de satellietinterceptie in Burum en welke maatregelen daarbij effectief kunnen zijn. Verder voeren de ministeries van BZK en Defensie een verkenning uit naar verplaatsing van het satellietgrondstation. Op basis van de onderzoeken bereiden we een besluit voor over de toekomst van de 3,5 GHz zodat ik uw Kamer eind dit jaar hierover kan informeren. Antwoorden op vragen van het lid Amhaouch van de CDA-fractie 1. Kan de staatssecretaris reflecteren op de cijfers van het CBS waaruit blijkt dat het aantal opgerichte mkb bedrijven in de aflopen tien jaar sterk is afgenomen in zowel de categorie 2-10, 10-50 als 50-250 werknemers? Antwoord Het aantal oprichtingen van bedrijven in de genoemde categorieën is inderdaad sinds 2011 meer dan gehalveerd. Dit hoeft niet per definitie zorgelijk te zijn. Zo zijn er ook minder opheffingen. Uit het Jaarbericht Staat van het MKB blijkt bovendien dat het totaal aantal kleine en middelgrote bedrijven toeneemt. Dat wijst op een dynamisch mkb waarin het bedrijven lukt om op te schalen. Het valt wel op dat het aantal micro-bedrijven afneemt. Ik ga kijken naar mogelijke verklaringen voor deze ontwikkeling en zal u hierover berichten. 2. Hoe staat het met brede kennisverspreiding naar het mkb door TO2 instellingen via de MIT-regeling? Antwoord Samen met de provincies heb ik voor de MIT in 2018 ruim € 8 miljoen extra beschikbaar gesteld. Hiermee zijn ca. 120 extra projecten gefinancierd. Zoals ik heb aangekondigd in mijn brief ‘naar een missiegedreven innovatiebeleid met impact’ komt er daarnaast een nieuw programma kennisverspreiding vanuit de TO2. Dat programma wordt nu met de TO2 en vertegenwoordigers uit het mkb ontwikkeld zodat het onderzoek aansluit bij de behoefte van het mkb. De middelen voor het TO2-kennisverspreidingsprogramma (max. € 7,5 miljoen) komen uit het TO2-budget uit de envelop Toegepast Onderzoek. 3. Door publiek toezicht een rol te geven zou mogelijk kunnen worden bijgedragen aan meer collectieve bescherming van kleine ondernemers tegen structurele klachten over het niet naleven van regels van grote bedrijven en overheden, bijvoorbeeld doordat de publieke toezichthouder bij veel klachten een gesprek zou kunnen starten. Hoe kijkt de staatssecretaris hier aan tegen het beschermen van die kleine ondernemers? Antwoord Ondernemers zijn beschermd door het Burgerlijk Wetboek, daarin zijn regels vastgelegd over nakoming van overeenkomsten en wederzijdse instemming met contractwijziging. De ondernemer kan zijn recht halen bij de rechter of in alternatieve geschillenbeslechting zoals arbitrage. Voor ik aanvullend daarop een rol voor publiek toezicht overweeg, moet echt sprake zijn van een aanzienlijk en structureel probleem in de relatie tussen kleine ondernemers en grote bedrijven of overheden. Daar waar problemen zich voordoen en sprake is van onevenwichtige verhoudingen, nemen we gerichte maatregelen. In het MKB-Actieplan heb ik daarnaast aangekondigd onderzoek te gaan doen naar onevenwichtige verhoudingen tussen grote en kleine bedrijven. Hierbij ga ik kijken waar sprake is van onevenwichtige verhoudingen, hoe vaak die voorkomen, welke gevolgen dit heeft en indien nodig, welke oplossingsrichtingen mogelijk zijn. 4. Producten in de Europese markt moeten aan zeer hoge kwaliteits- en veiligheidseisen voldoen. Maar omdat consumenten zelf, soms zonder het te weten, deze producten importeren worden ze niet altijd onderworpen aan kwaliteits- of veiligheidscontroles. Hierdoor komen meer non-conforme of zelfs gevaarlijke producten op de Europese markt. Hoe kijkt de staatssecretaris aan tegen betere handhaving hierop? Antwoord Ik deel het beeld dat er helaas veel producten op de Europese markt komen die niet voldoen aan de Europese regelgeving. Volledige handhaving, zou betekenen dat douane en markttoezichthouders elk product zouden moeten controleren, dat is niet haalbaar of wenselijk. Waar nog veel te winnen valt is de samenwerking tussen markttoezichthouders in de EU. Als een product eenmaal op de markt is gebracht in een EU-lidstaat kan het vrij verhandeld worden binnen de interne markt. Het is daarom belangrijk dat het niveau van toezicht en de bevoegdheden van markttoezichthouders zoveel mogelijk gelijk zijn binnen de EU en dat zij informatie met elkaar uitwisselen. Daar maak ik mij in Europa hard voor. Ik ben daarom blij dat de Europese Commissie een voorstel voor een verordening heeft gedaan dat samenwerking stimuleert en de bevoegdheden van markttoezichthouders verder harmoniseert. De onderhandelingen in de Raad over dit voorstel bevinden zich in een vergevorderd stadium. Daarnaast heb ik uw Kamer geïnformeerd over de inzet van het kabinet voor de toekomst van de interne markt (Kamerstuk 22 112, nr. 2703 ). Een belangrijk deel van de inzet van het kabinet voor de volgende Commissieperiode richt zich op het verbeteren van de handhaving, toepassing en implementatie van de huidige interne markt regelgeving. 5. Bij producten die buiten de EU komen is onduidelijk hoe het staat met aansprakelijkheid. Wie is ervoor verantwoordelijkheid dat het product volledig voldoet aan alle product en kwaliteitseisen van de EU? En wie is indien er iets mis is aan een product verantwoordelijk voor het informeren van de autoriteiten en consumenten en het van de markt halen van het product? Antwoord Hierin zijn drie situaties te onderscheiden. Als de producent in de EU is gevestigd, is deze ervoor verantwoordelijk dat een product voldoet aan de kwaliteitseisen. Ook dient de producent de autoriteiten en consumenten te informeren als er iets mis is met een product en moet hij het, indien nodig, van de markt te halen. Als de producent buiten de EU is gevestigd, dan gelden voornoemde verplichtingen voor de importeur die de producten naar de EU importeert. Zowel producenten als importeurs kunnen worden aangesproken door markttoezichthouders in het geval er problemen zijn met een product. Ook kunnen markttoezichthouders hen maatregelen opleggen. Als een consument zelf een product direct buiten de EU koopt is er niemand binnen de EU die verantwoordelijk is. In dit geval kan alleen de producent in het land buiten de EU aangesproken worden door Europese markttoezichthouders. Toezichthouders kunnen echter in zo’n geval geen maatregelen opleggen. Ik heb daarom in mijn consumentenagenda aangekondigd om consumenten als onderdeel van een bredere campagne te gaan informeren over het verschil in consumentenrechten wanneer zij binnen of buiten de EU aankopen doen. 6. Hoe kijkt de staatssecretaris er tegenaan om in de EU te bepleiten dat bedrijven uit derde landen die online producten verkopen aan consumenten in Europa worden verplicht om een aansprakelijkheidsofficier, zijnde een persoon verantwoordelijk voor conformiteit op Europees grondgebied, te hebben? Antwoord Ik kijk hier positief tegenaan. De Europese Commissie heeft in een voorstel voor een nieuwe verordening voor markttoezicht op producten voorzien in een persoon die verantwoordelijk is voor conformiteitsinformatie, indien deze producent rechtstreeks verkoopt aan eindgebruikers in de EU. Het is een overweging waard om deze verantwoordelijke persoon ook verantwoordelijk te maken voor de conformiteit van het product, dus niet alleen voor informatie hierover. De verantwoordelijke persoon kan dan worden aangesproken door onze toezichthouders. De focus ligt wat mij betreft hierbij op consumentenproducten die in de praktijk problemen geven. 7. Wanneer kan de Kamer de aangekondigde wetgeving rond vitale sectoren verwachten? Antwoord Ik neem aan dat het lid Amhaouch doelt op de aangekondigde overnamewetgeving in de Telecomsector, het wetsvoorstel ongewenste zeggenschap telecommunicatie. Onlangs heeft de Raad van State advies gegeven over dit wetsvoorstel. Dit advies ben ik momenteel aan het verwerken. Het wetsvoorstel is, mede gelet op het regeerakkoord, urgent en daarom wil ik het begin volgend jaar bij de Kamer indienen. Naast dit wetsvoorstel is het kabinet bezig om te kijken in hoeverre aanvullende beschermingsmaatregelen voor overnames en investeringen nodig zijn om de nationale veiligheid in andere vitale sectoren te borgen. U zult in de volgende voortgangsrapportage Economische Veiligheid daarover worden geïnformeerd. Antwoorden op vragen van het lid Alkaya van de SP-fractie 1. Waarom kiest het kabinet ervoor alleen grote bedrijven, en niet het Nederlandse mkb, te laten profiteren van de €76 miljoen voor onderzoekswerk? Antwoord De verhoging van de tweede schijf van de WBSO waar de SP naar verwijst is onderdeel van een breed pakket van fiscale maatregelen waarin nadrukkelijk ook aandacht is voor het mkb. Zo wordt het lage tarief voor de vennootschapsbelasting verder verlaagd, namelijk naar 15% in plaats van 16% in 2021. Ook zal een deel van het mkb profiteren van de verlaging van het toptarief naar 20,5% in 2021. Daarbij worden de werkgeverslasten op arbeid vanaf 2021 structureel met € 200 miljoen verlaagd. Dit komt bovenop de lastenverlichting op arbeid van € 100 miljoen vanaf 2020 die al met Prinsjesdag was gecommuniceerd. Verder wordt de rekening-courantmaatregel voor directeuren-grootaandeelhouders (dga’s) verzacht (ten aanzien van eigenwoningschulden). Ook de WBSO maakt onderdeel uit van dit pakket. De tweede schijf van de WBSO is per 2018 verlaagd van 16% naar 14%. Dankzij de extra € 76 miljoen is het mogelijk deze verlaging per 2020 weer ongedaan te maken. Het is niet correct dat alleen grote bedrijven profiteren van de verhoging van de tweede schijf naar 16%. Deze intensivering komt naar verwachting ten goede aan zo’n 2.500 bedrijven in de WBSO. Daarvan zijn er naar schatting ruim 2.100 mkb. Dit betreft de mkb-bedrijven met meer dan 5 à 6 R&D-medewerkers in dienst. Uit de laatste evaluatie van de WBSO blijkt dat het verhogen van de tweede schijf een effectieve maatregel kan zijn om de R&D-uitgaven in Nederland te vergroten. Op dit moment wordt de WBSO opnieuw geëvalueerd. De uitkomsten daarvan zijn in het eerste kwartaal van 2019 bekend. Antwoorden op vragen van het lid Sienot van de D66-fractie 1. Hoe gaat de staatssecretaris ervoor zorgen dat in de samenstelling van de regieteams en de topteams in het vernieuwde innovatiebeleid van de Topsector Energie recht wordt gedaan aan de klimaatambities van dit kabinet? En is de staatssecretaris bereid om de Kamer hierover te informeren na het vaststellen van het Klimaatakkoord? Antwoord Zoals in de brief ‘Naar missiegedreven innovatiebeleid met impact’ is aangegeven, is het de inzet om vernieuwers, uitdagers, regio en maatschappelijke partijen nadrukkelijker te betrekken. Met het oog op het nieuwe Missiegedreven Topsectoren en Innovatiebeleid waarin maatschappelijke uitdagingen centraal staan, zal de samenstelling van de topteams opnieuw worden bezien. Vanuit het proces rondom het klimaatakkoord worden hier al stappen in gezet via de verschillende experts in de kennis en innovatie expertteams die de verschillende sectortafels ondersteunen bij het invullen van de innovatieopgave. Ook heeft Startup Delta bij het klimaatberaad aandacht gevraagd voor innovatieve startups die een bijdrage kunnen leveren aan de energietransitie. De focus ligt nu op het inhoudelijk gereed krijgen van het klimaatakkoord en de bijbehorende integrale kennis en innovatieopgave (IKIA). Deze agenda zal ter consulatie worden voorgelegd aan verschillende partijen, zoals vernieuwers in het klimaat en energiedomein en de startup community. In het kader van de uitvoering van de IKIA en de doorwerking op de verschillende programmering, zal nader worden gekeken voor de energie-innovatie brede organisatie en samenstelling van verschillende gremia waaronder het regieteam. Antwoorden op vragen van het lid Verhoeven van de D66-fractie 1. Hoe staat het met de uitvoering van de motie Paternotte ten aanzien van fondsen en regelingen in het kader van de kapitaalontwikkeling? Antwoord Zoals op 10 juli jl. gemeld in de brief aan uw Kamer over de invulling van de motie Paternotte worden dit jaar diverse risicokapitaalinstrumenten geëvalueerd. Deze extern uitgevoerde evaluaties zullen een beeld geven van nut en noodzaak (de rationale) van de risicokapitaalinstrumenten. Nadat de individuele instrumenten zijn geëvalueerd zal ik de samenhang bezien tussen instrumenten en nagaan wat nodig is om het instrumentarium toekomstbestendig te houden. De planning is dat de individuele evaluaties dit jaar zullen worden afgerond en dan samen met de samenhang begin 2019 met mijn reactie aan de Kamer worden gestuurd. 2. De staatssecretaris wil een speciaal startupvisum van een jaar. Is het niet mogelijk om het startupvisum te verlengen naar een periode van 3 jaar, om het aantrekken van buitenlandse werknemers makkelijker te maken? Antwoord Het startupvisum is nu één jaar geldig en is bedoeld om een buitenlandse startup-founder de kans te geven om zijn of haar ideeën om te zetten in een kansrijke onderneming. Voorwaarde is dat de ondernemer wordt bijgestaan door een goedgekeurde, deskundige begeleider. Na één jaar kan de startup-founder een verblijfsvergunning voor zelfstandigen aanvragen. Als de startup er in is geslaagd een kansrijke onderneming op te bouwen, is het vrij eenvoudig om door te stromen naar een verblijfsvergunning voor zelfstandigen. In de praktijk betekent dit getrapte systeem dat een verblijf voor drie jaar met mogelijkheid van verlenging mogelijk is. Er is regelmatig overleg tussen EZK en J&V; op basis daarvan heb ik het beeld dat deze procedure in de praktijk goed functioneert. 3. Wat is de stand van zaken met betrekking tot het mogelijk maken voor start en scale-ups om werknemers te betalen in aandelen? Heeft de staatssecretaris hier al over gesproken met haar collega’s van het Ministerie van Financiën? Antwoord Op ambtelijk niveau zijn er gesprekken gaande met het ministerie van Financiën. Het is technische materie waarbij het van belang is alle voor- en nadelen van het huidige systeem en eventuele alternatieven goed af te wegen. Als uit het interdepartementale overleg blijkt dat er noodzaak is de wetgeving aan te passen dan is mijn streven dat die voorstellen volgend jaar gereed zijn. 4. Kan de staatssecretaris toezeggen dat zij voor het kerstreces de Kamer laat weten hoe het probleem wordt opgelost met de inlichtingendiensten in het kader van het beschikbaar stellen van de 3,5 GHz? Antwoord Net als de Kamer zie ik het belang van het vrijspelen van de 3,5 GHz-band voor 5G. Samen met mijn collega’s van Defensie en BZK onderzoek ik hoe de uitrol van 5G mogelijk te maken in de 3,5 GHz-band waarbij rekening wordt gehouden met het belang van satellietinterceptie voor de nationale veiligheid. Recent heb ik uw Kamer geïnformeerd over de stand van zaken van het onderzoek van TNO naar de co-existentie tussen de uitrol van 5G en de satellietinterceptie in Burum en welke maatregelen daarbij effectief kunnen zijn. Verder voeren de ministeries van BZK en Defensie een verkenning uit naar verplaatsing van het satellietgrondstation. Op basis van de onderzoeken bereiden we een besluit voor over de toekomst van de 3,5 GHz zodat ik uw Kamer eind van het jaar en dus voor het kerstreces zal informeren. 5. De voorgenomen fusie van T-Mobile en Tele2 zorgt ervoor dat er nog geen helderheid is en er nog geen concreet tijdspad is voor de multibandveiling. Hoe staat het er precies voor? Antwoord Een exacte datum voor de veiling van een aantal belangrijke frequentiebanden kan ik nog niet geven. Het beleid rond en de planning van de veiling van de 700-, 1400- en 2100- MHz banden kunnen pas finaal worden als er duidelijkheid is over het besluit van de Europese Commissie over de voorgenomen fusie van Tele2 en T-Mobile en over het daarop volgend advies van de ACM over welke maatregelen ik moet treffen in de veiling. Ik heb uw Kamer hierover geïnformeerd. De planning is erop gericht om na het besluit van de Europese Commissie en het nadere advies van de ACM, de veiling zo spoedig mogelijk, maar tegelijkertijd ook zo zorgvuldig mogelijk, te realiseren. Uitgaande van een besluit van de Europese Commissie voor het eind van dit jaar (vooralsnog voorzien op 30 november) streef ik naar een veiling van de 700-, 1400- en 2100- MHz banden in de periode rond eind 2019, begin 2020. 6.Wat heeft het team digitale mededinging van de ACM tot nu toe gedaan, wat zijn haar prioriteiten, welke middelen ze heeft en wat ze volgend jaar gaan doen? Antwoord De digitale economie is een speerpunt voor de ACM. De ACM investeert voortdurend in kennis en expertise over digitale vraagstukken. Dit doet de ACM bij mededinging, consumentenbescherming en bij sectorspecifieke regulering. Specifiek voor mededinging heeft de ACM een speciaal team van ongeveer tien personen, maar het aantal medewerkers dat zich bij de ACM bezighoudt met digitalisering is groter. Voorbeelden van specifieke acties die de ACM verricht zijn een marktstudie naar appstores en een marktstudie naar prijszettingsalgoritmes en mededinging. Verder heeft de ACM een markstudie verricht naar videoplatforms en samen met het Commissariaat voor de Media een verkenning gedaan naar digitalisering en nepnieuws. Tot slot zijn de handhavingszaken op het gebied van macht van technologiebedrijven vaak grensoverschrijdende zaken. In die zaken werkt het team digitale mededinging van de ACM samen met de Europese Commissie. 7. Hoe gaat de staatssecretaris de onlangs aangenomen motie ten aanzien van E-privacy uitvoeren? Antwoord In uw motie van 7 juni 2018 wordt de regering verzocht in het kader van de e-privacyverordening te pleiten voor keuzevrijheid voor gebruikers, in lijn met amendement 92 uit de aangenomen positie door het Europees parlement, zodat gebruikers niet de toegang kan worden ontzegd tot een website of dienst als zij geen toestemming verlenen om persoonsgegevens te verwerken. Ter uitvoering van deze motie heb ik in de Raad van afgelopen juni gepleit voor een verbod op cookiemuren in de e-privacyverordening. Ook in de diverse raadswerkgroepen na deze raad heb ik dit standpunt naar voren gebracht. Er is echter tot nu toe in de Raad vrijwel geen steun voor dit standpunt. Ik verwacht niet dat hierin verandering zal komen. Antwoorden op vragen van het lid Bruins van de ChristenUnie-fractie 1. Bij de WBSO is vorig jaar de tweede schijf verlaagd van 16 naar 14%. In 2020 wordt dit weer gerepareerd. Er is sprake van eenmalige onderbesteding in 2018. Wat gaat de staatssecretaris met deze ruimte doen? Antwoord Zoals gecommuniceerd in de brief aan uw Kamer over de WBSO in 2019 bedraagt de onderuitputting van de WBSO uit eerdere jaren € 107 miljoen en is dit bedrag gereserveerd in een enveloppe. De komende tijd zal worden onderzocht, mede op basis van de nu lopende evaluatie van de WBSO, hoe de budgetsystematiek van de WBSO kan worden verbeterd. Daarna zal, gebruikmakend van de evaluatie, worden bekeken hoe het geld uit de enveloppe het beste kan worden ingezet voor de jaren erna. In principe kan dus pas na afronding van de evaluatie, begin 2019, uitsluitsel worden gegeven over de besteding van de enveloppe met de daarin opgespaarde onderuitputting. Er kan voor worden gekozen om van deze afspraak af te wijken. De kosten voor het al in 2019 verhogen van de tweede schijf van 14% naar 16% bedragen € 76 miljoen. Kijkend naar het voor 2019 beschikbare budget, het geraamde beslag voor de regeling in 2019 en de beschikbare reserve van € 107 miljoen is de verhoging van de tweede schijf naar 16% in 2019 mogelijk. Indien er wordt gekozen voor deze ophoging, betekent dit dat niet wordt aangesloten bij de eerder gemaakte afspraak en er een lager bedrag overblijft, waarover op basis van de resultaten van de evaluatie zou kunnen worden besloten. 2. De versmalling van de grondslag van de PPS-toeslag is weer een stap terug en raakt de hefboomwerking voor extra private R&D-investeringen. Vooral de topsector HTSM en de vier sleuteltechnologieën (quantum, hightech, nano, fotonica) uit het regeerakkoord worden geraakt. Is de staatssecretaris bereid te kijken naar een mogelijke reparatie? Antwoord Het kabinet verhoogt het budget voor PPS met € 50 miljoen van € 122 miljoen naar € 172 miljoen en het toeslagpercentage is verhoogd van 25 naar 30. De regeling is succesvol in het ondersteunen van publiek-private samenwerkingen om maatschappelijke uitdagingen te adresseren en sleuteltechnologieën te ondersteunen. De keerzijde daarvan is dat het gebruik van de regeling meer is gegroeid dan ik had verwacht. Binnen het budget van de regeling heb ik geen ruimte om de PPS-toeslagregeling ongewijzigd te laten. Mede om die redenen heb ik twee maatregelen genomen die de regeling enerzijds doeltreffender maken en anderzijds mij in staat stellen om het toeslagpercentage op 30 houden. Ten eerste zal per 2019 80% van de private bijdragen aan TKI-relevante onderzoeksopdrachten meetellen als grondslag voor de PPS-toeslag. Ten tweede kunnen per 2019 alleen ondernemingen met een Nederlandse vestiging of een buitenlandse onderneming met een dochteronderneming in Nederland bijdragen in natura opvoeren voor de grondslag. De wijzigingen hebben betrekking op de grondslag van de regeling en daarmee op het genereren van de PPS-toeslag. Maar ik erken dat de wijzigingen behoorlijk nadelige consequenties hebben voor onder andere de sector HTSM. Ik ben bereid om in overleg met uw Kamer om te kijken naar mogelijkheden om deze gevolgen te verzachten. 3. De staatssecretaris heeft bevestigd dat gedetacheerde werknemers mee mogen tellen bij de minimaal 30% werknemers met afstand tot de arbeidsmarkt. Op welke manier gaat de staatssecretaris dit expliciet onder de aandacht brengen bij overheden, met name gemeenten? Antwoord Het betrekken van mensen met afstand tot de arbeidsmarkt in het werk is een belangrijke taak waar zowel private partijen als de overheid een verantwoordelijkheid dragen. De Aanbestedingswet 2012 biedt op basis van artikel 2.82 mogelijkheden voor het voorbehouden van opdrachten aan sociale ondernemingen met minimaal 30% medewerkers met afstand tot de arbeidsmarkt. Ik licht aanbestedende diensten voor over die mogelijkheden via het kenniscentrum voor aanbesteden ‘PIANOo’. Het arbeidsmarktbeleid, en meer specifiek de rol van voorbehouden opdrachten daarin, ligt verder op het terrein van de staatssecretaris van SZW. Ook zij is actief bezig met het informeren van inkopers en beleidsmakers over deze mogelijkheden. Zo is vorige maand nog een masterclass ‘Inkoop bij sociaal ondernemers’ georganiseerd, in samenwerking met wetenschappers, PIANOo en mijn ministerie. 4. Uit onderzoek naar de marinebouw in Nederland blijkt dat de gouden driehoek van rijksoverheid, kennisinstellingen zoals MARIN en de industrie heel belangrijk is. Kan staatssecretaris in gesprek gaan met collega van Defensie over hoe we de Nederlandse techniek kunnen gebruiken bij de bouw van marineschepen? Antwoord Het ministerie van EZK heeft in nauwe samenwerking met het ministerie van Defensie gewerkt aan een herziening van de Defensie Industrie Strategie (DIS), die binnenkort zal worden aangeboden aan uw Kamer. Hierin staan de wezenlijke belangen van nationale veiligheid centraal en wordt onder meer stilgestaan bij welke kennis, technologie en industriële capaciteiten Nederland in huis moet hebben – en in welke mate zij deze zelf moet ontwikkelen - om de nationale veiligheid te kunnen garanderen. In de brief aan uw Kamer “Naar Missiegedreven Innovatiebeleid met Impact” is veiligheid als één van de thema’s benoemd waarvoor missies en agenda’s worden opgesteld. Deze worden momenteel door vakdepartementen in samenwerking met EZK, bedrijven, kennisinstellingen en maatschappelijke partners vormgegeven. Dit biedt kansen voor samenwerking binnen de ‘gouden driehoek’. Daarnaast is er binnen de ‘gouden driehoek’ een grote rol weggelegd voor kennisinstellingen, zoals MARIN. Dit kabinet heeft extra geld beschikbaar gesteld voor toegepast onderzoek, waardoor de Rijksbijdrage aan MARIN wordt verdubbeld. 5. Kan de staatssecretaris aangeven hoe zij aankijkt tegen de (her)invoering van de fiscale stimulering van durfkapitaal zoals vroeger met de Tante Agaath-regeling werd gedaan om durfkapitaal en crowdfunding voor starters te bevorderen? Antwoord In beginsel verloopt financiering via de markt. Bij marktfalen is er aanleiding voor subsidiëring vanuit de overheid. Het meest voor de hand ligt dan een faciliteit, waarbij private investeringen worden uitgelokt door de overheid, zoals bij de SEED-regeling. Hiermee investeert de overheid mee met de markt. Dat heeft drie voordelen: de markt beslist, geen dead weight loss en de overheid deelt direct mee in eventueel succes. Nadeel van een fiscale regeling is dat een fiscale regeling moeilijker te richten is op financiering waar die op de markt niet tot stand komt. Iedere investering die aan de voorwaarden van de fiscale regeling voldoet, komt dus in aanmerking voor fiscale stimulering. Hierdoor is zo’n maatregel vaak duurder dan een subsidieregeling. Ook investeringen die op de markt zonder fiscale stimulering tot stand komen, worden dan immers fiscaal gesubsidieerd en dus is er sprake van dead weight loss. Ook uit de evaluatie van de Tante Agaath regeling in 2005 bleek dat maar ongeveer van de helft van de investeerders die een beroep deden op de regeling, de investering zonder de regeling niet hadden gedaan. Mede gezien de ervaring uit het verleden ben ik geen voorstander van het stimuleren van durfkapitaal en crowdfunding via een fiscale regeling. 6. Hoe wil de staatssecretaris omgaan met nieuwe situaties bij het wetsvoorstel tegen zondagsdwang vanuit verhuurders of winkeliersverenigingen? Vaak leveren de standaardcontracten toch weer een dwang richting zondagsopenstelling op. Formeel is er misschien contractsvrijheid, maar in werkelijkheid kan de winkelier geen kant op. Antwoord Het wetsvoorstel dat ik in de tweede helft 2019 bij uw Kamer zal indienen ziet op zowel huidige als nieuwe situaties. Ook nieuw standaardcontracten mogen dus geen bepalingen bevatten die de bevoegdheid tot het nemen van besluiten over openingstijden bij een derde legt. Het blijft wel mogelijk dat verhuurder en huurder expliciete openingstijden met elkaar afspreken in een overeenkomst. Mijn voorstel raakt daar niet aan, dit is een onderdeel van de contractsvrijheid van huurder en verhuurder om zelf te bepalen onder welke vooraf gestelde voorwaarden zij het contract aangaan. 7. Bij de Algemene Beschouwingen is toegezegd dat er een overzicht komt waar in Nederland zondagsdwang voorkomt en naar oplossingen waar het gaat om contracten die een bepaalde groep ondernemers uitsluiten wanneer zij op zondag niet open willen. Heeft de staatssecretaris dit overzicht en mogelijke oplossingen inmiddels? Zo niet, wanneer kunnen we die verwachten? Antwoord Tijdens de Algemene Politieke beschouwingen heeft de minister-president toegezegd om te kijken naar hoe vaak het voorkomt dat winkeliers tegen verplichte zondagsopenstelling in contracten aanlopen en daarbij iets te zeggen over de geografische spreiding van verplichte zondagsopenstelling. Ik ben hier nog naar aan het kijken en ik zal dit meenemen bij het wetsvoorstel dat ik, zoals eerder aan uw Kamer is toegezegd, eerste helft 2019 bij uw Kamer zal indienen. Ik kan wel alvast aangeven dit moeilijk te achterhalen is. Dit vergt namelijk een onderzoek waarin aan ondernemers gevraagd wordt of zij in het verleden vanwege de openingstijden in het concept-huurcontract deze niet ondertekend hebben. Uit de evaluatie van de Winkeltijdenwet blijkt echter wel dat 96% van de ondernemers geen afdwingbare openingstijden in hun contract heeft. Antwoorden op vragen van het lid Stoffer van de SGP-fractie 1. SGP maakt zich grote zorgen over grote aantal koopzondagen. Goed dat kabinet met wetsvoorstel om te voorkomen dat winkeliers worden gedwongen om akkoord te gaan met openstelling op zondagen. De Stas wordt gevraagd bij dit wetsvoorstel ook nieuwe contracten te betrekken, zodat winkeliers niet bij elke contract wijziging de zondagsopenstellingen moeten tegen vechten. Is de staatssecretaris bereid bij de Winkeltijdenwet ook nieuwe contracten te betrekken? Antwoord Het wetsvoorstel dat ik in de tweede helft 2019 bij uw Kamer zal indienen, ziet op zowel huidige als nieuwe situaties. Ook nieuw contracten mogen dus geen bepalingen bevatten die de bevoegdheid tot het nemen van besluiten over openingstijden bij een derde legt. Bij wijziging van een huurcontract gelden de regels zoals die in het Burgerlijk Wetboek zijn vastgelegd. Zo dient een verhuurder van winkelruimte zich te houden aan de voorwaarden die van toepassing zijn op wijzigingen van een huurovereenkomst winkelruimte en andere bedrijfsruimte (artikel 7:290 BW). Deze regeling maakt het onmogelijk om eenzijdig wijzigingen door te voeren zonder rechterlijke toets vooraf. Aanpassing van voorgeschreven openingstijden door aanpassing van een reeds lopende huurovereenkomst is daarmee niet mogelijk zonder uitdrukkelijke instemming van de winkelier of rechterlijke tussenkomst. Antwoorden op vragen van het lid Öztürk van de DENK-fractie 1. Oost-Europese migranten zijn onmisbaar voor onze economie. De werknemers uit Oost- en Midden Europa dragen € 11 miljard bij aan de Nederlandse economie volgens SEO. Erkent de minister de bijdrage van deze werknemers aan de Nederlandse economie, waardeert hij deze en is hij deze werknemers te bedanken voor hun bijdrage? Antwoord Werkgevers staan te springen om goede arbeidskrachten. Zij doen daarom onder andere een beroep op de internationale arbeidsmarkt. Het kabinet faciliteert arbeidsmigratie die een zinvolle bijdrage kan leveren aan de Nederlandse economie. Het kabinet erkent en waardeert dus de bijdrage van arbeidsmigranten aan de Nederlandse economie. Dat geldt overigens natuurlijk ook voor de bijdrage van alle hard werkende Nederlanders. 2. Wat gaat staatsecretaris doen aan de huisvestingsproblemen van arbeidsmigranten? Is de staatssecretaris bereid te komen tot een landelijk actieplan voor de huisvesting van arbeidsmigranten, in samenwerking met lokale overheden? Antwoord Wat betreft de huisvesting van arbeidsmigranten geldt dat de woningmarkt krap is. Huisvesting van arbeidsmigranten vergt daarom gedegen afwegingen op gemeentelijk niveau. Gemeenten zijn immers verantwoordelijk. De minister van BZK voert bovendien beleid om de woningmarkt voor alle groepen, waaronder arbeidsmigranten, goed te laten functioneren. Met specifieke vragen over dat beleid kunt u dan ook terecht bij de minister van BZK. 3. Is de staatssecretaris bereid een campagne te starten om de beeldvorming over Oost-Europese immigranten te verbeteren? Antwoord In hoeverre de beeldvorming van Oost-Europese immigranten verbetering behoeft is mij onbekend. Mocht de noodzaak voor verbetering van die beeldvorming gevoeld worden, dan zie ik in eerste instantie een verantwoordelijkheid van de leden van deze groep zelf. Niet zozeer van de overheid. 4. Vrouwen verdienen €300.000 minder dan mannen in hun gehele werkende leven. Kan dit kabinet een klemmend beroep doen op bedrijfsleven om mannen en vrouwen meer gelijk te betalen? Antwoord Dit kabinet kan het van harte eens zijn met de heer Özturk dat een ongelijke beloning tussen man en vrouw bij verder gelijke omstandigheden niet acceptabel is. Het bedrijfsleven draagt hier uiteindelijk de verantwoordelijkheid om dergelijke uitkomsten te voorkomen en indien dergelijke beloningsverschillen tussen man en vrouw bij gelijke omstandigheden toch blijken te bestaan, deze teniet te doen. Het verkleinen van de beloningsverschillen tussen mannen en vrouwen wordt dan ook geagendeerd in de emancipatienota van de minister van OCW. Het kabinet streeft naar gelijkere positie van mannen en vrouwen op de arbeidsmarkt en bestrijdt beloningsdiscriminatie. De minister van OCW heeft in deze een rol om blijvend te agenderen, te coördineren, en initiatieven aan te jagen die een bijdrage leveren aan het komen tot gewenste uitkomsten. 5. Kan de minister het CPB vragen om een analyse uit te voeren naar de kosten en baten van het ‘Wilderseffect’? Antwoord Het CPB kan niet aan alle verzoeken voldoen. In de aanwijzingen voor de planbureaus zijn daarvoor criteria vastgelegd. Het gaat hierbij onder meer om beschikbare capaciteit en om inhoudelijke redenen, zoals de beschikbaarheid van deskundigheid en databestanden. In dit geval is het zelfs technisch onmogelijk om de gevraagde maatschappelijke kosten-batenanalyse (MKBA) te maken. De vraagstelling geeft geen specificatie van het bedoelde effect, er is geen beleidsvrij scenario en er zijn geen kengetallen om eventuele effecten mee te monetariseren. Het CPB kan dus niet aan dit verzoek voldoen. Kamerstuk 32637, nr. 328 Evaluatie WBSO 2006 – 2010, EIM, februari 2012 Kamerstuk 33009, nr. 63. Kamerstuk 24 095, nr. 449 Kamerstuk 33009, nr. 63. PAGE \* MERGEFORMAT 2