[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

Schriftelijke antwoorden op vragen gesteld tijdens de eerste termijn van de begrotingsbehandeling van het ministerie van Economische Zaken en Klimaat op 6 november 2018

Brief regering

Nummer: 2018D53220, datum: 2018-11-07, bijgewerkt: 2024-02-19 10:56, versie: 1

Directe link naar document (.doc), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen: Bijlagen:

Onderdeel van zaak 2018Z20391:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


Beantwoording vragen gesteld tijdens begrotingsbehandeling EZK – deel
minister

Antwoorden op vragen van het lid Kops van de PVV-fractie

1. Staat de minister nog steeds achter zijn uitspraak dat huishoudens
uiteindelijk evident de kosten dragen van de energietransitie?

Antwoord

De transitie vraagt om investeringen van burgers, bedrijven en
overheden. Zoals ik op 23 februari jl. in de kabinetsinzet voor het
Klimaatakkoord heb verwoord (Kamerstuk 32 813, nr. 163), kost de
transitie richting 2030 en 2050 onvermijdelijk geld. Bedrijven zullen
naar verwachting waar mogelijk de kosten doorberekenen aan hun afnemers.
Subsidies moeten worden opgebracht uit belastingbronnen. De kosten komen
uiteindelijk op een of andere wijze ten laste van de samenleving en dat
zijn wij allemaal. 

2. Kunt u ons vertellen dat u niets ziet in het voorstel met betrekking
tot het D66-voorstel om de maximumsnelheid te verlagen?

Antwoord

Het idee om de maximumsnelheid te verlagen is geopperd in het kader van
de uitvoering van het Urgenda-vonnis. Ik heb uw Kamer eerder gezegd dat
we hiervoor allereerst vol inzetten op het behalen van alle
Energieakkoord-doelen. In het regeerakkoord hebben we afgesproken dat de
bestaande maximumsnelheden in stand blijven.

3. Kan de Minister toelichten hoe de financiële participatie zal
uitwerken. In Klimaatakkoord wordt voorgesteld dat 50% van de
hernieuwbare energie eigendom wordt van de lokale bevolking. Kan de
minister dit toelichten? Is de financiële participatie geen sigaar uit
eigen doos, omdat de burger via de opslag duurzame energie al meebetaalt
aan de SDE+-regeling?

Antwoord

Draagvlak voor de transitie is cruciaal. Uitgangspunt is daarom dat
iedereen die wil, kan meedenken en meedoen. Daarom maken we in het
Klimaatakkoord afspraken over het versterken van de participatie van
burgers bij planvorming en concrete projecten. Het gaat hierbij niet
alleen om financiële participatie, waarbij er overigens voor de burger
niet alleen kosten zijn maar ook geld verdiend of kosten bespaard kan
worden, maar ook om proces-participatie. 

De precieze vormgeving maakt onderdeel uit van de onderhandelingen van
het Klimaatakkoord. Op de uitkomsten daarvan kan ik niet vooruitlopen.
Deze participatie staat los van de financiering van de SDE+. Bij een
participatie gaat het immers om het renderende deel van de
investeringen, terwijl de SDE+ wordt ingezet om het onrendabele deel te
dekken. 

4. Het Centrum Veilig Wonen heeft vorig jaar 2,5 mln. euro winst gemaakt
met de afhandeling van schade. Vorig jaar heeft de gehele kamer zich
hiertegen uitgesproken. Wat heeft de minister hier tegen gedaan? Hoe kan
het dat dit centrum ten koste van de burgers winst heeft gemaakt?

Antwoord

Ik wil graag benadrukken dat de winst die het Centrum Veilig Wonen (CVW)
maakt, op geen enkele manier ten koste gaat van de uitkering van
schadevergoeding aan gedupeerden of de versterking van woningen in het
aardbevingsgebied. Zoals ook aangegeven in mijn brief aan uw Kamer op
5 november jl. (Kamerstuk 33529, nr. 530), laat dat onverlet dat deze
gang van zaken ongelukkig is, tegen de achtergrond van de schade en
gevoelens van onveiligheid waarmee de mensen in Groningen worden
geconfronteerd. Dit is op dit moment nog niet te voorkomen. Het CVW is
nu nog een privaat bedrijf, waarvan de inkomsten voortvloeien uit de
opdrachtverlening door NAM. Als minister heb ik op dit moment geen
bemoeienis met de inhoud of uitkomsten van de afspraken tussen deze twee
bedrijven.

Wel zijn er het afgelopen jaar belangrijke stappen gezet naar een
publiek systeem voor de schadeafhandeling en versterking. Het CVW
handelt geen nieuwe schademeldingen meer af, dit wordt sinds maart van
dit jaar gedaan door de Tijdelijke Commissie Mijnbouwschade Groningen.
Ook de uitvoering van de versterkingsoperatie zal in het publieke domein
worden gebracht. 

De inrichting van het nieuwe systeem voor versterken, inclusief
heroverweging van de rol en positie van het CVW daarin, wordt op dit
moment ontwikkeld. Overigens is ook in een publiek systeem de capaciteit
en expertise van private partijen met een winstoogmerk, zoals aannemers
en ingenieursbureaus, hard nodig. Mijn prioriteit als minister ligt bij
het borgen van een snelle en zorgvuldige uitvoering van de versterking
en een rechtvaardige schadeafhandeling. 

5. Waar is de € 1 miljard voor het nieuw toekomstperspectief Groningen
voor bedoeld? Over welk toekomstperspectief hebben we het hier?

Antwoord

Binnen het Nationaal Programma Groningen werken regio en Rijk samen aan
de economische versterking en de kwaliteit van de leefomgeving in de
regio Groningen. De € 1,15 miljard voor het Nationaal Programma
Groningen is bestemd voor de uitrol van projecten voor het
toekomstperspectief voor Groningen. Het gaat om projecten in het kader
van leefbaarheid, energie en economie. Dit komt ten goede aan de
inwoners van Groningen. De eerste projecten zijn geselecteerd. Bij mijn
brief aan uw Kamer van dinsdag 6 november jl. zit een uitputtend
overzicht van deze projecten. Er wordt bijvoorbeeld geïnvesteerd in het
trainen van wijkteams voor ondersteuning bij sociale, mentale en
gezondheidsklachten als gevolg van aardbevingen. Daarnaast krijgt een
testcentrum voor waterstof financiering en komt er geld voor restauratie
van Gronings erfgoed.

Antwoorden op vragen van het lid Yesilgöz-Zegerius van de VVD-fractie

1. Kan de minister met VNG een gesprek voeren over hoe we inwoners
kunnen meenemen in de energie-transitie? 

Antwoord

Het Rijk werkt intensief samen met de VNG, het IPO en de Unie van
Waterschappen (maar ook met maatschappelijke partijen en netbeheerders)
aan het meenemen van bewoners in de transitie. Zelf praat ik periodiek
(en binnenkort weer in december) met decentrale bestuurders. Ook dan is
het meenemen van bewoners onderwerp van gesprek.

2. Kan de minister aangeven hoe vaak het voorkomt dat er dubbele
energiebelasting wordt geheven bij burgers die zelf energie opwekken,
opslaan en terug leveren aan de markt? Moeten we dit niet voor zijn
voordat we verder gaan met het stimuleren van duurzame energieopwekking?

Antwoord

Dubbele energiebelasting bij burgers komt naar mijn weten niet of
nauwelijks voor. In de situatie dat elektriciteit wordt opgewekt door
een burger en die het zelf gebruikt, is geen energiebelasting
verschuldigd. Indien een burger de door hem zelf opgewekte elektriciteit
teruglevert aan het net, saldeert hij die elektriciteit met
elektriciteit die op andere momenten van het net is afgenomen. Ook dan
is dus geen sprake van dubbele energiebelasting. Ook als de burger de
elektriciteit tussendoor opslaat op een batterij “achter de meter”
is over de opgeslagen elektriciteit geen energiebelasting verschuldigd.

Dit zou zich bij huishoudens eigenlijk alleen kunnen voordoen, indien
batterijopslag niet achter de eigen meter plaatsvindt maar voor de
meter. In dat geval is er sprake van een belaste levering aan de
batterij enerzijds en een belaste levering vanuit de batterij aan een
afnemer. Er treden in dat geval 2 belastbare feiten op. Maar dat zal
zich bij huishoudens niet voordoen, op dit moment al zeker niet.

3. Wil de minister ingaan op mijn verzoek om het tijdelijk afsluiten van
de gasaansluiting permanent te maken, zoals voorgesteld in mijn
aangehouden motie, aangezien permanent afsluiting momenteel honderden
euro’s kost en hij eerder heeft gezegd hiernaar te kijken?

Antwoord

De regionale netbeheerders doen onderzoek naar de veiligheid en de
noodzaak van verwijderen van de aansluiting. Dit is binnenkort klaar.
Ook hebben de netbeheerders gewerkt aan een gezamenlijke  uniforme
werkwijze. Als deze ingevoerd wordt, zullen de tarieven van de
netbeheerders naar verwachting meer synchroniseren, waardoor er minder
grote regionale verschillen zullen optreden. Het is begrijpelijk dat
huishoudens deze kosten als ontmoedigend ervaren. Binnen de regulering
van de netbeheerder, zoals weergegeven in de Tarievencode Gas, geldt dat
handelingen door de netbeheerder, die het gevolg zijn van de
beëindiging van de aansluitovereenkomst, doorberekend worden aan de
afnemer. Dit is het gevolg van het uitgangspunt van kostenoriëntatie
uit de Gaswet. Dit algemene uitgangspunt geldt dus voor extra verzoeken
van afnemers. Het is ook zo dat de kosten voor iedereen lager worden
wanneer middels een wijkaanpak een gehele wijk in één keer van het
gasnet afgaat. De kosten van het afsluiten worden ook besproken in de
Klimaattafel Gebouwde Omgeving. Het is verstandiger om nu eerst het
onderzoek van de netbeheerders en het resultaat uit het Klimaatakkoord
af te wachten en daarna pas een beslissing te nemen hoe we met deze
kosten moeten omgaan.

4. Hoe zorgen we er voor dat relevante innovaties, zoals op het gebied
van geothermie, water en kernenergie, een eerlijke kans krijgen aan de
Klimaattafels?

Antwoord

Het Klimaatakkoordproces is zo ingericht dat partijen aan de
sectortafels met elkaar bekijken welke opties invulling kunnen geven aan
de CO2-reductieopgave. En in deze setting afspraken maken over de
benodigde inzet en maatregelen om aan deze opties invulling te kunnen
geven, waaronder ook onderzoek en innovatie. Als onderdeel van het
Klimaatakkoord komen deze onderzoek en innovatieopgaven samen in een
Integrale Kennis en Innovatie Agenda. Geothermie, waterstof, integratie
van hernieuwbare elektriciteitsopwekking, grootschalige offshore
elektriciteitsproductie en andere onderwerpen komen daarin aan bod. Deze
integrale kennis- en innovatie agenda geeft de koers aan waar de komende
jaren de inzet op gericht moet zijn om de opgaven in het Klimaatakkoord
op weg naar de 2050-doelen te kunnen realiseren. 

Antwoorden op vragen van het lid Van der Lee van de GroenLinks-fractie

1. Het kost de overheid geen geld, maar vraagt om een norm: stel alle
bedrijven verplicht om uiterlijk op 1 juli 2020 te zijn overgestapt op
ledverlichting. Dat bespaart al gauw 1 megaton CO2, is zeer
kosteneffectief, bespaart energie en is op korte termijn uitvoerbaar.

Antwoord

Ik waardeer de suggestie van uw Kamer voor een versnelde uitrol van
ledverlichting in het bedrijfsleven. Ledverlichting is in het algemeen
een rendabele en laagdrempelige maatregel om op korte termijn energie te
besparen in het bedrijfsleven. Onder het Activiteitenbesluit
milieubeheer moeten bedrijven en instellingen met een minimaal
energieverbruik van 50.000 kilowattuur of 25.000 kubieke meter
aardgasequivalenten alle rendabele energiebesparingsmaatregelen treffen.
Ook het Rijksvastgoedbedrijf valt hieronder. Bedrijven en instellingen
kunnen hieraan voldoen door maatregelen van een Erkende Maatregellijst
(EML) uit te voeren. Momenteel actualiseer ik de Erkende
Maatregellijsten. Ik zeg toe dat ledverlichting als maatregel wordt
opgenomen in de Erkende Maatregellijsten als deze rendabel is. Hiermee
wordt ledverlichting actief onder de aandacht gebracht als een
technische maatregel waarmee bedrijven aan hun wettelijke verplichting
kunnen voldoen. 

De uitvoering van de Erkende Maatregellijst wordt verder ondersteund
door de voorgestelde informatieplicht voor bovengenoemde bedrijven om te
melden bij het bevoegd gezag hoe ze voldoen aan hun wettelijke
verplichting onder het Activiteitenbesluit milieubeheer (Kamerstuk
29383, nr. 305). 

2. Kan de minister, in overleg met BZK, onderzoeken of we voor alle
burgers en bedrijven een plicht kunnen introduceren die borgt dat ieder
jaar verwarmingsinstallaties goed en bij voorkeur ook waterzijdig,
worden ingeregeld?

Antwoord

Het is goed dat opnieuw aandacht wordt gevraagd voor de noodzaak om
energiebesparing en efficiency-maatregelen te nemen, juist ook om de
energievoorziening verder te verduurzamen. 

Een goed gebruik van de bestaande verwarmingsinstallaties kan daarin
zeker een nuttige eerste stap zijn. Partijen aan de tafel gebouwde
omgeving werken momenteel voorstellen uit om aantrekkelijke
arrangementen voor besparing en verduurzaming in de markt te zetten. Het
goed afstellen en inregelen van installaties zou daar onderdeel van
moeten uitmaken. Van de markt worden daartoe innovatieve oplossingen
verwacht. Dat geldt overigens ook voor maatregelen die bedrijven kunnen
nemen. Ik twijfel of een verplichtende maatregel dan de juiste stap is
om dit aan te moedigen. In de appreciatie van het kabinet van de
voorstellen van de klimaattafels is aangegeven dat maatregelen voor de
koopsector vooralsnog meer in verleiden dan verplichten moeten worden
gezocht.

3. Zegt de minister toe dat iedere procentpunt aan aandeel hernieuwbare
energie dat hij in 2023 tekortkomt, dubbel wordt goedgemaakt in de jaren
daarna? Bovenop de nieuwe afspraken uit het Klimaatakkoord?

Antwoord

In het Klimaatakkoord staat voor het kabinet voorop dat gestuurd wordt
op één doel: CO2-reductie. Het aandeel hernieuwbare energie is voor
het kabinet daarbij geen doel op zich waarop gestuurd zal worden. In het
Energieakkoord hebben we wel afspraken hebben gemaakt over het aandeel
hernieuwbare energie. Uit de Nationale Energieverkenning (NEV) 2017 is
gebleken dat we op koers liggen om het doel van 16% hernieuwbare energie
in 2023 te halen. De NEV 2017 verwacht dat het aandeel hernieuwbare
energie in 2023 uitkomt op 17,3%. 

4. Als de minister bij zijn weigering blijft om basisbedragen aan te
passen, kan de minister dan niet ruimte bieden door ook voorlopige
vergunningen voor projecten te accepteren? En belangrijker nog wil de
minister snel een aanvullende SDE-regeling voor kleine tot middelgrote
turbines realiseren?

Antwoord

De basisbedragen worden jaarlijks aangepast op basis van het meest
recente advies van het Planbureau voor de Leefomgeving. Het aanpassen
van de basisbedragen is noodzakelijk om de SDE+ kostenefficiënt te
houden. Het is onverstandig om voorlopige vergunningen, die nog niet
onherroepelijk zijn, te accepteren als voldoende basis om een subsidie
aan te vragen. Er ontstaat dan juist een risico op meer onderuitputting
van de SDE+, doordat projecten een subsidiebeschikking kunnen krijgen
die een groter risico hebben op non-realisatie wanneer het project de
vergunning uiteindelijk niet krijgt. Dit komt de doelmatigheid van de
SDE+-regeling niet ten goede en de subsidiebeschikkingen kunnen daarom
beter afgegeven worden aan projecten met een lager risico op
non-realisatie. 

Naar aanleiding van de motie van het lid Vos over het stimuleren van
kleinschalige windprojecten is eerder door ECN in kaart gebracht wat de
meerkosten van dergelijke kleine windprojecten zijn. Op basis van dat
onderzoek is geconcludeerd dat het niet wenselijk is om voor kleinere
windturbines een hoger maximaal basisbedrag in de SDE+ op te nemen. Een
hoger maximaal basisbedrag is ook niet in lijn met de kabinetsinzet om
te zorgen voor een kostenefficiënte energietransitie. Zoals ook eerder
aan de Kamer gemeld (Kamerstuk 31239, nr. 291) komen kleinere
windturbines ook nu al in aanmerking komen voor subsidiëring binnen de
bestaande categorieën van de SDE+. Het is bijvoorbeeld mogelijk om een
windpark te ontwikkelen bestaande uit deels reguliere windturbines van 2
tot 3 MW en een aantal kleinere windturbines van ca. 1 MW.

5. Hoe kan de elektriciteitstafel tot harde plannen én doorrekenbare
instrumentatie komen, als de industrie, mobiliteits- en bebouwde
omgevingstafel dit niet eerst hebben afgerond?

Antwoord

De elektriciteitstafel heeft een eigen reductieopgave op basis waarvan
zij plannen en instrumentarium moet uitwerken. Tegelijkertijd is zeker
ook zo dat de keuzes die aan de verschillende tafels worden gemaakt een
effect kunnen hebben op de opgave op een andere tafel. Daarom is er pas
echt zekerheid over het doelbereik en instrumentering van het
Klimaatakkoord op het moment dat er van alle tafels een doorrekenbaar
pakket is.

6. Kunt u wachten met indiening van de Wet Windenergie tot we zekerheid
hebben over het elektrificatie programma uit het Klimaatakkoord?

Antwoord

Ik zal nog bezien wanneer ik het wetsvoorstel precies zal indienen. Het
is wat mij betreft daarbij niet wenselijk om langer te wachten. Ik zal
de regelgeving zo inrichten dat die passend is, ongeacht het
uiteindelijke elektrificatieprogramma. Het is inderdaad belangrijk om de
regelgeving ten aanzien van wind op zee af te stemmen op de ambities en
de uitkomsten van het Klimaatakkoord. Ik zal de keuze tussen contract
for difference en veiling los van de wet mogelijk maken, zodat een
eventuele andere keuze op termijn geen wetswijziging behoeft. 

7. Hoe hard zijn de commitments van de grote bedrijven om af te stappen
van Groningsgas? Hoe terecht zijn hun klachten dat het ministerie niet
thuis geeft als zij met vragen komen of duidelijke regels verlangen?

	

Antwoord

De uitdaging die ik heb voor de industrie is tweeledig: een zo snel
mogelijke afbouw van het gebruik van Groningengas binnen het basispad en
een zo snel mogelijke verduurzaming voor het realiseren van de doelen
uit het Klimaatakkoord. Voor het effect van de ombouw van de industrie
op de winning van Groningengas is het tempo van groot belang. Het effect
is het grootst als dit wordt afgerond voordat de stikstoffabriek in 2022
in werking treedt. Voor ombouw die later komt, zouden we liever
verduurzamen in plaats van nieuwe gasinfrastructuur aanleggen. 

Daarom is hoe dan ook tijdige ombouw van de grootste verbruikers nodig
voor het basispad. Voor het verminderen van de binnenlandse vraag naar
Groningengas ben ik in gesprek met bedrijven die ik heb aangeschreven
over omschakeling van laagcalorisch gas naar een duurzaam alternatief of
hoogcalorisch gas. Per bedrijf is maatwerk nodig om tot goede afspraken
voor omschakeling te komen. Van enkele van de grootste verbruikers heb
ik al concrete schriftelijke toezeggingen gekregen dat ze willen
ombouwen naar hoogcalorisch gas. Er zijn echter meer concrete afspraken
met bedrijven over ombouw en/of verduurzaming nodig om tot het gewenste
tempo te komen. Daarom overweeg ik een verplichting voor omschakeling
aan bedrijven op te leggen. Ik zal hierop op korte termijn terugkomen.

8. Is er additioneel beleid nodig, bijvoorbeeld lange termijn contracten
met Noorwegen, om benodigde import van gas straks veilig te stellen? 

Antwoord

Mijn inschatting is dat er vooralsnog geen additioneel beleid nodig is
om de benodigde import van gas straks veilig te stellen. De verwachting
is dat via de markt de benodigde hoeveelheid gas geïmporteerd kan
worden. De Nederlandse gasmarkt TTF is de afgelopen jaren enorm gegroeid
terwijl de Nederlandse gasproductie (Groningen) sterk is gedaald. Tussen
2013 en nu is de totale Nederlandse gasproductie gehalveerd terwijl het
verhandelde volume op de TTF verdubbeld is. Het netto volume dat via TTF
wordt geleverd was in 2017 55 miljard m3, zo’n 1,5 keer de
binnenlandse consumptie. Met andere woorden, via de TTF kan voldoende
gas worden ingekocht om te voldoen aan de Nederlandse vraag naar gas.

Verder zijn er op dit moment al veel andere landen, waaronder bijna alle
andere EU-lidstaten, die importafhankelijk zijn voor hun gasvoorziening.
Naar mijn weten zijn er in deze landen geen specifieke verplichtingen
voor marktpartijen om langetermijncontracten af te sluiten en
ondervinden deze landen geen problemen.

9. Waar blijft het uitvoerbare gasafschakelplan waar de fractie van
GroenLinks al vaker naar gevraagd heeft?

Antwoord

Voor het eind van dit jaar informeer ik uw Kamer over een bescherm- en
herstelplan. Ik zal de vragen van het lid Van der Lee over dit onderwerp
op korte termijn beantwoorden.

10. Als uit onderzoek van de Kamer blijkt dat men veelal niet tevreden
is met het aanbod voor oude schadegevallen, is de minister dan bereid
hier actie op te ondernemen?

Antwoord

Bestuurders in de regio, uw Kamer en ikzelf hebben vastgesteld dat er
weinig vertrouwen was in de schadeafhandeling door NAM en CVW. Daarom
heb ik de schadeafhandeling ter hand genomen en vanaf 19 maart jl.
publiek georganiseerd door deze taak te beleggen bij de TCMG. Om de TCMG
niet meteen te overbelasten heb ik, na een zorgvuldige afweging en in
overleg met de Commissaris van de Koning, de keuze gemaakt om NAM te
vragen alleen nog een ultieme poging te doen om de nog openstaande oude
schadegevallen op te lossen, waarbij nadrukkelijk de weg naar de
Arbiter, ingesteld door de minister van Economische Zaken en Klimaat
(EZK), open bleef voor een onafhankelijk oordeel. Deze aanpak heeft voor
85% van deze gevallen tot een oplossing geleid. Wellicht is soms
schoorvoetend met het aanbod ingestemd, maar deze bewoners kunnen wel
verder. 

Ik heb allereerst laten peilen hoe de bewoners de bejegening door NAM
bij de afhandeling van de schade hebben ervaren; het resultaat was een
kleine voldoende. Ik heb uw Kamer vervolgens per brief geïnformeerd
over de uitkomsten van een onderzoek naar de beweegredenen waarom
bewoners het aanbod niet hebben aanvaard. Hieruit is gebleken dat deze
bewoners bij de Arbiter aan het juiste adres zijn. Een aanvullend
onderzoek naar de gevoelens van bewoners bij het aanvaarden van het
aanbod verandert helaas niets meer aan deze situatie. Wellicht zal
opnieuw blijken dat het vertrouwen in de afhandeling van schade door NAM
laag is. De actie als antwoord op deze constatering is al ondernomen,
namelijk het definitief uit het systeem halen van NAM. 

Antwoorden op vragen van het lid Amhaouch van de CDA-fractie

Ik maak van de gelegenheid gebruik om mijn toezegging tijdens het VAO
Invest-NL (op dinsdag 6 november jl.) na te komen. De heer Amhaouch
vroeg wanneer het wetsvoorstel Invest-NL ingediend wordt en wanneer de
Kamer wordt geïnformeerd over het internationale deel. Ik verwacht het
wetsvoorstel voor oprichting Invest-NL voor het einde van dit jaar aan
de Tweede Kamer aan te bieden. Dit wetsvoorstel ziet toe op het
nationale deel van Invest-NL. Het internationale deel vergt meer
uitwerking. Bij aanbieding van het wetsvoorstel voor het nationale deel,
zal ik ook ingaan op de planning van het internationale deel.

Antwoorden op vragen van het lid Mulder van de CDA-fractie

1. Kunnen we bedrijven die op Europees niveau vooroplopen stimuleren? Is
de minister bereid de mogelijkheden daarvoor te onderzoeken en dat ook
positief uit te dragen bij zijn collega’s in de Raad? Daarbij kan
bijvoorbeeld gedacht worden aan certificaten. En hoe kan de overheid
zelf bij haar eigen inkoopbeleid hieraan meer aandacht geven? Niet
alleen bij staal maar ook bij andere producten?

Antwoord

Ja, we proberen zowel met financiële middelen als op andere manieren
bedrijven die vooroplopen te stimuleren. Dit is belangrijk zowel voor
innovatie als voor het klimaatbeleid. We willen deze bedrijven
stimuleren met nationaal instrumentarium en ik kijk uitdrukkelijk naar
de mogelijkheden in Europees verband. Zo is recent de bouw van het
Circulair Steam Project van de chemiebedrijven LyondellBasell en
Covestro op de Maasvlakte van start gegaan. Dit zeer innovatieve project
moet leiden tot een jaarlijkse reductie van 140 duizend ton CO2-uitstoot
en van 0,9 Petajoules aan energie. Een investering van € 150 miljoen,
waar EZK met € 6 miljoen aan bijdraagt via de Demonstratie
energie-innovatie regeling (DEI) en € 5 miljoen via de Klimaatenvelop
2018. Onze inzet bij de discussie over de invulling van het nieuwe
EU-kaderprogramma (Horizon Europe) voor onderzoek en innovatie is hier
ook op gericht. Voor de realisatie van concrete projecten kijken we ook
naar andere mogelijkheden binnen Europese fondsen en
stimuleringsmogelijkheden zoals EIB, het ETS Innovation Fund en de
Structuurfondsen. Certificering is een interessante optie, maar is in
internationaal verband niet altijd technisch haalbaar of uitvoerbaar. In
het inkoopbeleid van de overheid is duurzaam inkopen een belangrijke
prioriteit. Een goed voorbeeld daarvan is het recent tot stand gekomen
Betonakkoord tussen het Rijk, grote opdrachtgevers en de betonindustrie.
Het Betonakkoord heeft als doel tot 100% recycling van beton en een
forse reductie van de CO2-uitstoot in deze industrie te komen.

Antwoorden op vragen van het lid Beckerman van de SP-fractie

1 en 2. Wat gaat de minister naar aanleiding van de lekkage bij Farnsum
doen, zodat dit nooit meer kan voorkomen? Het Tankerpark is essentieel
voor de gaswinning. Is de gaswinning überhaupt nog wel veilig?

Antwoord

De wet- en regelgeving is er op gericht dat mijnbouw- en industriële
activiteiten alleen kunnen plaatsvinden als deze activiteiten veilig en
verantwoord zijn. Toezicht en handhaving zien erop toe dat incidenten
zoveel mogelijk worden voorkomen, en als dergelijke situaties zich toch
voordoen, er passende maatregelen met het oog op de veiligheid en het
milieu worden genomen. Staatstoezicht op de Mijnen (SodM) en het
Openbaar Ministerie (OM) zijn een onderzoek gestart naar de lekkage van
aardgascondensaat. Na het ontdekken van de oorzaak van de lekkage van
het aardgascondensaat heeft SodM NAM gesommeerd om de schade te
herstellen. Ook moest NAM direct een onderzoek starten naar het ontstaan
van de lekkage en ook aangeven hoe zo’n incident in de toekomst kan
worden voorkomen. Op 26 oktober 2018 heeft SodM drie aanvullende
veiligheidsmaatregelen opgelegd. NAM heeft de prioritering van de
alarmeringen aan moeten passen, zodat signalen van mogelijke lekkage
direct en met de hoogste prioriteit worden opgepakt, een afsluiter
tussen de installatie en het riool moeten plaatsen en NAM moet ervoor
zorgen dat ook buiten kantooruren personeel op het Tankenpark aanwezig
is zodat direct ingegrepen kan worden bij een calamiteit. Tot slot heeft
SodM het Tankenpark onder verscherpt toezicht gesteld. Dit betekent dat
er frequent inspecties worden uitgevoerd, dat er dagelijks contact is
met NAM en dat het bedrijf wekelijks schriftelijk rapporteert.

Als uit het onderzoek van het OM blijkt dat NAM in strijd met de
regelgeving heeft gehandeld, dan zullen daar sancties op volgen.

3. Is de minister bereid de €400 miljoen aan Groningers te doen
toekomen?

Antwoord

Met het Akkoord op Hoofdlijnen gaat er geen € 400 miljoen naar Shell
en Exxon. Onder de oude financiële afdrachten had de Staat hogere
afdrachten op het Groningengas ontvangen dan de winst die NAM op het
Groningengas maakt. Dit zou leiden tot een nettoverlies van NAM,
waardoor de financiële robuustheid van NAM in het geding komt. Met de
aanpassing van de financiële afdrachten is dit voorkomen, zodat de
energievoorziening in Nederland en een verantwoorde afbouw van de
gaswinning niet in het gedrang komen. Ook met de aangepaste systematiek
zijn de winstvooruitzichten van NAM soberder dan in het recente
verleden. Zie ook mijn brief van 3 juli jl. (Kamerstuk 33 529, nr. 499).


Ik hecht eraan nogmaals te benadrukken dat het Akkoord op Hoofdlijnen
met Shell en Exxon een gebalanceerd pakket aan maatregelen is die
noodzakelijk zijn voor een verantwoorde afbouw van de gaswinning. De
financiële afspraken kunnen dan ook niet los gezien worden van het
totale pakket aan maatregelen. Met het Akkoord op Hoofdlijnen zijn
afspraken gemaakt over de verplichtingen voor schadeafhandeling en de
versterkingsopgave, een eventuele claim naar aanleiding van gas dat in
de grond achter blijft, de financiële robuustheid van NAM en het
nakomen van de opruimverplichtingen na het beëindigen van de winning.

Antwoorden op vragen van het lid Alkaya van de SP-fractie

1. Is dit kabinet bereid om mee te werken aan de emancipatie van
werknemers in Nederland, door hen meer zeggenschap te geven in de
bedrijven, zodat zij hun bedrijven beter kunnen beschermen tegen de
buitenlandse aandeelhouders?

Antwoord

Werknemers spelen een belangrijke rol in ondernemingen. In lijn met het
Rijnlandse model, dienen bedrijven al in hun strategie rekenschap te
geven van de belangen van alle stakeholders, waaronder werknemers.
Momenteel borgen diverse regels de rechten en belangen van werknemers,
met primair de wet op de ondernemingsraden (WOR). In de brief van 12
juli 2018 (Kamerstuk 34267, nr. 12) is de minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid (SZW) ingegaan op de voorstellen uit de initiatiefnota
‘Private equity: einde aan de excessen’ van het lid Nijboer (PvdA)
en het voormalige lid Groot (SP) met betrekking tot de ondernemingsraad
(OR). Naar aanleiding van de initiatiefnota is onderzoek uitgevoerd naar
de gevolgen van private equity-overnames in Nederland voor de
verschillende stakeholders, waaronder werknemers. De conclusie van de
minister van SZW was dat gezien de mogelijkheden die het huidig
wettelijk kader biedt, een wetswijziging van de WOR waarmee de positie
van de OR verder versterkt zou worden niet noodzakelijk is. Ik verwijs
graag naar die brief.

Antwoorden op vragen van het lid Sienot van de D66-fractie

1. Is de minister bereid om echt duurzaam te doen met de 10 miljoen euro
voor CO2-opslag in plaats van ze onder de grond te stoppen?

Antwoord

Op dit moment vind ik het noodzakelijk om alle opties voor maatregelen
open te houden. Het regeerakkoord noemt in dit verband ook CO2-opslag in
situaties waar op korte of middellange termijn geen kosteneffectieve
alternatieven zijn. Studies van PBL laten zien dat CCS een
kosteneffectieve maatregel is en deze optie uitsluiten zal leiden tot
hogere kosten om onze klimaatdoelstellingen te behalen. Daarbij kan op
de langere termijn CCS een opmaat zijn naar het realiseren van negatieve
emissies en het nuttig toepassen of hergebruiken van CO2 (CCU).

Aan de toepassing van CCS stel ik wel de voorwaarde dat het veilig en
betrouwbaar is en dat het de ontwikkeling van alternatieve maatregelen
niet in de weg staat. De € 10 miljoen wordt ingezet om door middel van
pilots en studies verdere informatie over de kosten te krijgen die nodig
is voor de verdere ontwikkeling van beleidsinstrumenten voor CCS en CCU.

2. Is de minister bereid om de financiering uit de DEI-regeling open
stellen voor projecten die in de scale-up / opstart fase zitten?

Antwoord 

Ja, de DEI staat nu al open voor alle soorten bedrijven en zeker ook
voor start-ups en scale-ups. Ruwweg één-derde van de partijen die DEI
aanvragen zijn startende bedrijven die maximaal twee jaar actief zijn.
Bovendien werk ik aan een verdere optimalisatie van de DEI, mede naar
aanleiding van de beleidsevaluatie energie-innovatieregelingen, waarin
de verdere opschaling als aandachtpunt wordt geadresseerd (Kamerstuk
30196, nr. 572) en naar aanleiding van de door het kabinet toegezegde
klimaatenvelopmiddelen voor 2019 gericht op pilots en demo’s
(Kamerstuk 32813, nr. 221) Hierbij wordt, daar waar nu voor slechts
eenmaal een innovatieve technologische toepassing in aanmerking komt
voor ondersteuning, voor 2019 voorzien dat meerdere gelijksoortige
innovatieve toepassingen in aanmerking voor ondersteuning. Hiermee wordt
de verdere opschaling ondersteund, mits het om de demonstratieprojecten
gaat. Voor verdere opschaling kunnen partijen na de demonstratie fase
gebruik maken van bijvoorbeeld de SDE+.

3. Is het ministerie goed voorbereid om snel aan de slag te gaan met de
resultaten van het Klimaatakkoord, zodat we niet onnodig lang hoeven te
wachten op wet- en regelgeving?

Antwoord

Een belangrijk onderdeel van de voorstellen die onder het Klimaatakkoord
worden gemaakt, is het vastleggen van de wijze waarop de gemaakte
afspraken worden uitgevoerd. Voor de uitvoering van deze afspraken
hebben, naast de overheid, alle partijen een verantwoordelijkheid. Op 11
december jl. heb ik uw Kamer de wetgevingsagenda energietransitie
gestuurd, die een aantal wetsvoorstellen over de energietransitie bevat
die ik de komende jaren wil indienen. Ook zijn dit voorjaar de wijziging
van de Warmtewet en het wetsvoorstel Voortgang Energietransitie
aangenomen in uw Kamer en in de Eerste Kamer. Eind volgend jaar verwacht
ik de nieuwe Energiewet aan uw Kamer aan te kunnen bieden en 2020 de
nieuwe Warmtewet. Afspraken uit het Klimaatakkoord die leiden tot
wijziging van wet- en regelgeving, zullen meegenomen worden in de
verschillende wetsvoorstellen van de wetgevingsagenda.

4. Kunnen de middelen uit het SDE+-budget en de klimaatenvelop straks
voortvarend worden geïnvesteerd?

Antwoord

Ja. Hierbij wil ik wel opmerken dat de verbrede SDE+ de uitrol van
marktrijpe CO2-reducerende technieken zal stimuleren. Voor
niet-marktrijpe technieken geldt dat deze niet kunnen putten uit de
verbrede SDE+. Voor technieken die niet marktrijp zijn kan een beroep
gedaan worden op middelen vanuit het generieke innovatiebeleid en voor
pilots en demonstraties uit de klimaatenvelop.

5. Hoe zit het met de ‘doorzettingsmacht’ van de NCG, kan hij nu dan
eindelijk handtekeningen zetten?

Antwoord

Dit probleem is inmiddels opgelost. De NCG kan alle noodzakelijke
opdrachten verstrekken vanuit de budgetten die hem publiek worden
toegekend, en ervanuit gaan dat alle kosten die nodig zijn voor
versterken in het kader van veiligheid worden vergoed. Die kosten
verhaal ik op NAM. Zoals ik aan uw Kamer heb gemeld, hebben regio en ik
afgesproken dat de procedure rond vergoeding van kosten de
versterkingsoperatie niet mag beïnvloeden of vertragen. Daar mag u mij
aan houden. De versterkingsoperatie heeft niet stilgelegen. De NCG laat
weten dat in de eerste drie kwartalen van dit jaar in het kader van de
oude aanpak ruim 2.500 inspecties zijn uitgevoerd. Op 539 adressen is de
uitvoering van versterkingswerkzaamheden gestart, waarvan 93 in het
vierde kwartaal. Ook het Scholenprogramma is in uitvoering. 

Vooralsnog zitten we voor wat versterking betreft in een
overgangssituatie naar een publieke aansturing. We gaan naar een
situatie waarin de overheid en niet NAM de kaders voor de
versterkingsoperatie bepaalt en ik aan NAM een wettelijke heffing op leg
ter grootte van de kosten van de versterking. Hiervoor is wetgeving
nodig die ik in voorbereiding heb. Ik streef ernaar deze wetgeving in
het eerste kwartaal van 2019 in consultatie te brengen.

We komen van een situatie onder het Meerjarenprogramma, waarbij de regie
voor de versterkingsoperatie lag bij de NCG. Alle geldstromen liepen via
NAM waarbij het CVW verantwoordelijk was voor het contractmanagement en
fiattering van de betaalbaarstelling van facturen door NAM aan externe
opdrachtgevers. 

Tot het moment waarop deze wetgeving in werking is, werk ik zo snel
mogelijk en op een pragmatische manier toe naar de gewenste toekomstige
situatie. Daarover ben ik in gesprek met NAM. Het Rijk is
verantwoordelijk voor de financiering door NAM aan de “achterdeur”. 

6. Kan de minister bevestigen dat projecten die al in 2018 van start
zouden gaan, zoals het optellen van wijkteams bij de ondersteuning van
sociale en mentale gezondheidsklachten en het starten met investeren in
Overschild, nu ook van start zijn gegaan? Hoe verloopt de samenwerking
tussen rijk en regio verder op dit punt?

Antwoord

Zoals ik op 6 november jl. aan uw Kamer heb gemeld, wordt nog in 2018
€ 50 miljoen aan verschillende projecten binnen het Nationaal
Programma Groningen toegekend. Bij Najaarsnota zal € 50 miljoen van
de Aanvullende Post van de Rijksbegroting via de begroting van EZK naar
het Provinciefonds worden overgeheveld. De regio kan op deze manier nog
dit jaar starten met deze projecten; het trainen van wijkteams voor
ondersteuning bij sociale, mentale en gezondheidsklachten is daar één
van. De brief over het Nationaal Programma Groningen, die ik op 6
november jl. aan uw Kamer heb gestuurd, bevat een overzicht van alle
projecten. De samenwerking tussen Rijk en regio verloopt goed. In de
afgelopen weken hebben de regio en ik op een constructieve wijze gewerkt
aan een projectenplan van de eerste projecten voor het
toekomstperspectief voor Groningen. Tegelijkertijd geven de regio en ik
samen invulling aan de structuur en het bestuur van het Nationaal
Programma en de ontwikkeling van een geschikt toekenningsmechanisme voor
financiële middelen aan concrete projecten.

Voor Overschild geldt het volgende: De NCG heeft het plan van aanpak
voor de versterking afgerond en zal dit de komende weken samen met
gemeenten op lokaal niveau verder uitwerken, betrokken bewoners
informeren en de uitvoering starten. Hieruit zal blijken wat de nieuwe
versterkingsaanpak betekent voor specifieke projecten, zoals in
Overschild. Wat betreft eventuele inzet vanuit het Nationaal Programma
Groningen voor dit doeleinde: over € 50 miljoen in 2018 is besloten,
over de jaren daarna vindt later besluitvorming plaats binnen het
Nationaal Programma Groningen. 

7. Wat kunnen we eraan doen om lokale initiatieven met betrekking tot de
verbetering van de leefbaarheid in Groningen te steunen, bijvoorbeeld
waar deze geblokkeerd worden door regels en bestemmingsplannen?

Antwoord

Het Nationaal Programma Groningen is bij uitstek bedoeld voor
maatschappelijke en economische versterking van de regio. Het is
nadrukkelijk de bedoeling dat lokale initiatieven de kans krijgen. De
organisatie van het Nationaal Programma Groningen wordt zodanig
ontworpen dat het Rijk betrokken is, maar dat het voortouw bij de regio
ligt. De meeste projectvoorstellen zullen dus uit de regio komen. 

 

De vraag gaat daarnaast specifiek over de rol van bestemmingsplannen.
Dat is niet specifiek Groningen, maar in die gebieden waar het vanwege
krimp juist helemaal niet druk is en álle betrokkenen iets willen, dan
zou een bestemmingsplan ook aanpasbaar moeten zijn. Dit is de
verantwoordelijkheid van gemeenteraden, die bestemmingsplannen
vaststellen. 

8. Is de minister bereid om het gebruik van de veiligste techniek
wettelijk voor te schrijven? Welke andere mogelijkheden ziet de minister
om de aandacht voor veiligheid te vergroten? 

Antwoord

Mijn uitgangspunt is dat voor elke toepassing in de ondergrond geldt dat
altijd de veiligste techniek gebruikt moet worden. SodM houdt hier
toezicht op. Op het ogenblik ben ik bezig de mijnbouwwet en regelgeving
aan te passen voor geothermie en daarbij neem ik alle mogelijke
verbeteringen mee die leiden tot een nog veiligere manier van het
toepassen van geothermie. Ik verwacht de aanpassing van de Mijnbouwwet
na de zomer van 2019 naar de Kamer te sturen

Antwoorden op vragen van het lid Verhoeven van de D66-fractie

1. Kan de minister aangeven hoe het staat met de oprichting van
Invest-NL en hoe start- en scale-ups een rol krijgen?

Antwoord

Ik verwacht het wetsvoorstel voor de oprichting van Invest-NL voor het
einde van het jaar aan de Tweede Kamer aan te bieden. Ondertussen wordt
gewerkt aan de opbouw van de organisatie zodat deze na aanvaarding van
het wetsvoorstel direct van start kan. Invest-NL richt zich op
risicovolle activiteiten van ondernemingen op het gebied van grote
transitie-opgaven, zoals energie en verduurzaming. Start- en scale-ups
spelen een grote rol in het oplossen van deze transitieopgaven.
Daarnaast is een hoofddoel van Invest-NL dat start- en scale-ups
doorgroeien naar grotere ondernemingen. Invest-NL heeft het
risicokapitaal ter beschikking dat daarvoor ondersteuning biedt. In de
opbouw van de organisatie wordt gezorgd dat Invest-NL bij het van start
gaan aan deze taak kan voldoen.

Antwoorden op vragen van het lid Moorlag van de PvdA-fractie

1. Waarom hebben de minister en staatssecretaris na het vrijkomen van de
1,9 mld. euro wegens het niet afschaffen van de dividendbelasting, niet
voorgesteld om lastenverlichting te geven aan ondernemers die zich
inzetten voor duurzame energie en andere maatschappelijke opgaven, zoals
het vitaal houden van de beroepsbevolking, en beter benutten van
groeikansen, in plaats van een generieke lastenverlichting?

Antwoord

Deze maatregel vormde een onderdeel van een breed pakket in het
regeerakkoord ten behoeve van het vestigingsklimaat. Dit pakket is
gericht op het aantrekken en behouden van bedrijven - en daarmee
gemoeide economische activiteiten alsook directe en indirecte
werkgelegenheid. Het nieuwe pakket is inderdaad generieker van aard.
Hiermee behouden we een aantrekkelijk vestigingsklimaat van
multinational tot mkb en creëren we ruimte voor ondernemingen om
innovatief en productief te zijn. De nieuwe maatregelen richten zich op
verbetering van het vestigingsklimaat door verlaging van de
vennootschapsbelasting, maatregelen om innovatie en ondernemerschap
verder te bevorderen en overgangsregelingen voor eerder aangekondigde
maatregelen.

2. Gemeenten moeten nu mensen informeren dat ze van aardgas af moeten.
Wie is eigenaar van dat proces? Regionale energiestrategie wordt nu
gemaakt. Welke overheid is nu verantwoordelijk? Zijn de overheden
voldoende toegerust om de energie-opgave te kunnen vervullen?

Antwoord

Momenteel worden met de partijen aan de klimaattafel gebouwde omgeving
afspraken gemaakt over de instrumenten die nodig zijn om het gebruik van
aardgas terug te dringen en een verantwoorde keuze te maken uit de
duurzame alternatieven. De decentrale overheden hebben het voortouw om
te komen tot een landsdekkend voorstel van de Regionale
Energiestrategieën. Om deze reden neemt een vertegenwoordiger namens de
decentrale overheden deel aan het Klimaatberaad onder leiding van de
heer Nijpels. De decentrale overheden doen ook een voorstel voor de
regio’s en het trekkerschap van het proces in die regio’s. Gemeenten
stellen een transitievisie warmte op waarin op wijkniveau wordt
vastgesteld wat de alternatieve warmte-infrastructuur wordt van een wijk
en zijn verantwoordelijk voor de uitvoering hiervan. Daarbij worden zij
ook ondersteund. Over de precieze governance worden nu afspraken gemaakt
aan de klimaattafels. 

3. Als gemeente kiezen voor warmtenetten, hoe wordt dat voldoende
geborgd? Hoe krijgen gemeenten voldoende middelen, instrumenten,
capaciteit om taken die hen worden toebedeeld om de uitvoering van de
plannen die aan de tafels worden gemaakt te realiseren?

Antwoord

Momenteel worden met de partijen aan de klimaattafel gebouwde omgeving
afspraken gemaakt over de instrumenten die nodig zijn om het gebruik van
aardgas terug te dringen en een verantwoorde keuze te maken uit de
duurzame alternatieven. Gemeenten stellen een transitievisie warmte op
waarin op wijkniveau wordt vastgesteld wat de alternatieve
warmte-infrastructuur wordt. De ondersteuning van gemeente bij het maken
van deze visie en de uitvoering hiervan is onderdeel van de gesprekken
die gevoerd worden in het kader van het Klimaatakkoord. In dichtbebouwde
gebieden zal collectieve warmtelevering via warmtenetten vaak een
kosteneffectieve oplossing voor verduurzaming kunnen bieden. Aan de
klimaattafel wordt nu ook bekeken wat er voor nodig is om deze keuze in
goede banen te kunnen leiden. Aan dit gesprek nemen vertegenwoordigers
van gemeenten, provincies, warmtebedrijf, energieleveranciers en de
netbeheerders voor gas en elektriciteit deel. Daarnaast worden in de
eerste aardgasvrije proefwijken met alle betrokkenen, inclusief de
bewoners, de stappen gezet om van een warmtevoorziening gebaseerd op
aardgas over te stappen naar een collectief warmtesysteem. De ervaringen
van deze eerste wijken dienen als input om bovenstaand proces verder
vorm te geven. Uiteraard word hier ook aangesloten bij de ervaringen die
er zijn met bestaande warmtenetten.

4. Hoe borgen we dat waterstofeconomie gaat vliegen en het
aardgasnetwerk daarvoor behouden blijft?

Antwoord

Om verdere ontwikkeling van het potentieel van waterstof mogelijk te
maken, wil het kabinet

inzetten op een gefaseerde en programmatische aanpak gericht op
kostenreductie en innovatie. Dit

wordt in het kader van het Klimaatakkoord nu verder uitgewerkt. Het
kabinet zal innovaties,

grootschalige pilots en demonstratieprojecten ondersteunen. Uit de
Klimaatenvelop voor 2019

worden middelen beschikbaar gesteld voor waterstof. Bijvoorbeeld voor
waterstof-gerelateerde

projecten die betrekking hebben op opslag en conversie van elektriciteit
en op CO2-reductie in de

industrie. Er zal ook tijdig worden ingezet op flankerend beleid inzake
veiligheid, regelgeving,

regulering en internationale samenwerking.

Onder de huidige omstandigheden zal een steeds kleiner aantal bewoners,
van de wijken

die later van gas af gaan, de kosten voor investeringen en het in
standhouden van het gasnet gaan

betalen. Dit heeft de aandacht van het kabinet. De (eventuele)
consequentie hiervan op de

(financiële) regulering van de netkosten wordt op dit moment door het
ACM onderzocht in het

project MORGAN (MOet Regulering Gas ANders). Ook wordt bezien of het een
mogelijkheid is om het bestaande aardgasnetwerk in te zetten voor
bijvoorbeeld groen gas of waterstof. Dit als dit veilig kan en het
bestaande net daarvoor geschikt is. 

Ook op de Noordzee wordt gekeken hoe het uitgebreide aardgasnetwerk op
de lange termijn voor de energietransitie te gebruiken is, bijvoorbeeld
bij waterstofproductie door windmolens. Op die manier kan energie die
door windmolens wordt opgewekt, worden opgeslagen voor gebruik op een
ander moment.

Antwoorden op vragen van het lid Bruins van de ChristenUnie-fractie

1. De verwachting is dat na 2020 juist meer zal worden uitgegeven door
een verbreding van de SDE+. De ChristenUnie vraagt de minister waarom
deze pot nu zo rijkelijk gevuld is, en ook waar hij de reserve aan wil
gaan besteden?

Antwoord

Het volledige saldo op de begrotingsreserve duurzame energie is
inderdaad beschikbaar voor het stimuleren van de productie van duurzame
energie. Deze € 1,77 miljard zal naar verwachting in zijn geheel
worden toegevoegd aan de meerjarenramingen na 2022, in lijn met de
uitgaven zoals deze geraamd worden op basis van de afspraken die gemaakt
worden in het Klimaatakkoord. Dit geld is hard nodig om de uitdagingen
die we met het akkoord willen oppakken te financieren.

Antwoorden op vragen van het lid van Raan van de PvdD-fractie

1. Kunnen we zorgen dat de volgende begrotingen 1,5-graden begrotingen
zijn en geen 3 graden-begroting?

Antwoord

Het kabinet heeft een ambitieuze klimaat- en energieagenda. We gaan
afspraken maken om in Nederland in 2030 tot een CO2-reductie van 49% te
komen en we zetten ons in Europa in om de Europese doelstelling op te
hogen naar 55%. Het recente IPCC-rapport, dat inzicht biedt in wat er
nodig is om de 1,5OC ambitie uit het Akkoord van Parijs, onderstreept
het belang van de nationale en internationale ambitie van het kabinet. 

2. Hoe gaat de minister het dringende advies van de DNB ongeclausuleerd
mee geven aan de Klimaattafels?

Antwoord

Het kabinet heeft in de kabinetsappreciatie van het voorstel voor
hoofdlijnen aan de Industrietafel gevraagd om als onderdeel van hun
totale pakket een voorstel te doen voor een borgingsmechanisme zoals een
CO2-heffing als stok achter de deur. Het rapport van DNB is openbaar en
de tafels kunnen dit meenemen bij de uitwerking van hun voorstellen. 

3. Er ontstaan problemen, omdat sectoren met veel uitstoot buiten schot
blijven. Denk aan veeteelt. Denk aan luchtvaart. Beide sectoren dreigen
ons koolstofbudget er doorheen te jagen. Minister is afgestapt van het
begrip koolstofenergie, pleidooi dit toch weer te gebruiken. Graag een
commentaar hierop.

Antwoord

Om de nationale reductiedoelstelling van 49% CO2-uitstoot in 2030
kostenefficiënt te realiseren, is in het Klimaatakkoord per sector een
indicatieve opgave gesteld. Ook de landbouw heeft hierbij een opgave
gekregen. In het voorstel voor hoofdlijnen zijn voor de veehouderij ook
maatregelen voorgesteld om broeikasgasreductie te bereiken. In het
regeerakkoord is afgesproken dat maatregelen gericht op het inkrimpen
van de veestapel niet de voorkeur heeft. 

In het akkoord van Parijs is afgesproken dat luchtvaart op
internationaal niveau besproken moet worden. Nederland pakt dit
proactief op door aan de mobiliteitstafel van het Klimaatakkoord de
komende maanden met stakeholders afspraken te maken, over zowel de
nationale, Europese als internationale ambitie en de maatregelen die
daarbij horen. Het kabinet zet daarom in op mondiale afspraken. De
luchtvaart mag dus niet buiten schot blijven.

4. Is de minister bereid om de mogelijkheden te onderzoeken in nationaal
en internationaal verband of en hoe ecocide kan worden opgenomen als 5e
misdaad tegen de mensheid?

Antwoord

Klimaatverandering is een complexe opgave waar een breed pakket aan
instrumenten voor nodig is. Daar zullen we met alle betrokken partijen
mee aan de slag moeten, maar dat kun je niet via het strafrecht
bewerkstelligen. Het kabinet kijkt naar andere manieren om de massale
vernietiging en beschadiging van ecosystemen aan te pakken, bijvoorbeeld
door het maken van internationale afspraken over het duurzaam gebruik
van de aarde en het bevorderen van maatschappelijk verantwoord
ondernemen door bedrijven.

Antwoorden op vragen van het lid Akerboom van de PvdD-fractie

1. Energiebesparing is van belang. Industrieën gaan gecontroleerd
worden op maatregelen die in vijf jaar terugverdiend kunnen worden. Maar
wat is het besparingspotentieel in de industrie? Bijvoorbeeld bij
maatregelen bij een terugverdientijd van tien jaar? Graag een reactie.

Antwoord

Energiebesparing is een belangrijk middel om de uitstoot van CO2 te
reduceren. In het kader van het Energieakkoord hebben we met de partijen
afspraken gemaakt om de naleving van de Wet milieubeheer en daarmee het
nemen van maatregelen die zich binnen vijf terug verdienen, te
verbeteren.

Binnen het Klimaatakkoord wordt nader gesproken over het ontsluiten van
energiebesparingspotentieel in de industrie als onderdeel van een
maatregelenpakket dat is gericht op CO2-reductie voor na 2020. In de
doorrekeningen zal het effect van maatregelen en daarmee het potentieel
voor CO2-reductie in kaart worden gebracht. In dit kader wordt onder
andere onderzocht welke maatregelen als rendabel worden geacht in termen
van CO2-reductie en hoe maatregelen met een hogere terugverdientijd
gestimuleerd kunnen worden. 

Antwoorden op vragen van het lid Stoffer van de SGP-fractie

1. Boeren en ondernemers worden in Groningen van het kastje naar de muur
gestuurd. SGP heeft een motie ingediend over een aparte voorziening voor
deze groep als het gaat om schade-/versterking. Ik hoor graag hoe daar
uitvoering aan wordt gegeven.

Antwoord:

De motie vroeg om specifieke voorzieningen voor agrariërs voor schade
en versterken in Groningen. Voor schadeafhandeling en versterking bij
agrariërs is bijzondere aandacht nodig om dit goed te regelen. Er is
sprake van een specifieke bedrijfsvoering, waarbij woon- en werkomgeving
samenkomen, en waarbij ondernemers vaak ook een functie in het Groningse
landschap vervullen. 

Doordat ze een specifieke groep zijn kennen ze ook een eigen
problematiek die elders niet speelt: schade aan mestkelders,
drainagesystemen, versterking van woning en bedrijfsgebouwen. Dit komt
allemaal samen bij het boerenbedrijf. Voor deze specifieke situaties bij
agrariërs geldt, dat het bijvoorbeeld technisch moeilijker is om de
oorzaak van schade vast te stellen.

Voor agrariërs wordt in een overlegtafel onder leiding van de heer
Munniksma besproken of er een in de motie omschreven noodzaak bestaat om
voorzieningen te regelen om schades te kunnen beoordelen en de
versterkingsoperatie te kunnen uitvoeren, specifiek voor agrariërs. Een
advies van de heer Munniksma zal ik samen met de provincie en gemeenten
in ontvangst nemen en bespreken. 



Beantwoording vragen gesteld tijdens begrotingsbehandeling EZK – deel
staatssecretaris

Antwoorden op vragen van het lid Kops van de PVV-fractie

1. Hoe zit het met het toezicht van de ACM op credit boys en gestolen
telefoons? Kunnen deze toestellen niet getraceerd worden, geblokkeerd
worden en onbruikbaar worden gemaakt? Is de staatssecretaris bereid met
betrokken partijen als Marktplaats, BKR, politie en providers in gesprek
te gaan om deze credit boys-praktijken halt toe te roepen?

Antwoord

Zogenaamde ‘creditboys’ dwingen of verleiden hun slachtoffers om
telefoonabonnementen af te sluiten. De mobiele telefoons die daarbij
horen, worden vervolgens afgepakt en doorverkocht. Het slachtoffer
draait op voor de abonnementskosten en blijft met hoge schulden achter.
De telecomaanbieders hebben diverse maatregelen genomen om deze vorm van
fraude te voorkomen. Zo waarschuwen zij consumenten via hun websites
actief voor deze vorm van fraude en trainen zij hun winkelmedewerkers om
deze vorm van fraude te herkennen. Ook is de telecomsector bezig om een
lesprogramma te ontwikkelen om jongeren voor te lichten. De ministeries
van Justitie en Veiligheid (J&V) en Economische Zaken en Klimaat (EZK)
volgen dit nauwlettend. Daarnaast ziet de Autoriteit Financiële Markten
(AFM) sinds 1 mei 2017 erop toe dat telecomaanbieders voor
telefoonkredieten vanaf € 250 een leentoets afnemen, inclusief een
toetsing bij het Bureau Kredietregistratie (BKR). Tot slot kan het
strafrecht worden ingezet. Op 20 september jongstleden stonden
bijvoorbeeld twee verdachten in verband met deze praktijken terecht voor
de rechtbank Midden-Nederland. De Autoriteit Consument en Markt (ACM)
heeft geen wettelijke taken met betrekking tot fraude en kredieten. 

Antwoorden op vragen van het lid Wörsdörfer van de VVD-fractie

1. Wil de staatssecretaris in kaart brengen welke administratieve lasten
gepaard gaan met het werkgeverschap en met voorstellen komen om het de
ondernemer makkelijker te maken?

Antwoord

Het werkgeverschap is een belangrijk aspect van het ondernemerschap.
Knelpunten op dat gebied moeten daarom ook zoveel mogelijk worden
aangepakt. We kijken in het regeldrukbeleid niet alleen naar
administratieve lasten maar ook naar zaken als nalevingskosten,
uitvoering, dienstverlening en bejegening. Het gaat wat mij betreft om
het aanpakken van specifieke knelpunten. 

Er zijn reeds meerdere manieren en analyse-instrumenten om de ervaren
regeldruk in kaart te brengen. Zo wordt in het kader van de
Maatwerkaanpak Winkelambachten gekeken naar een zestal knelpunten op het
terrein van werkgeverschap o.a. op het gebied van de Re-integratieplicht
en de RI&E (Arbeidsomstandighedenwet). Het rapport hierover kunt u begin
volgend jaar verwachten.

Daarnaast heeft het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
(SZW) in hun eigen actieprogramma aangegeven vervolg te willen geven aan
het aanpakken van knelpunten op dit terrein die naar voren zijn gekomen
uit een recent onderzoek hiernaar. 

2. Wil de staatssecretaris met haar collega’s van SZW de verkorting
van de loondoorbetalingsperiode bij ziekte aanjagen?

Antwoord

Nadat MKB Nederland scherpe kritiek had op de in het regeerakkoord
voorziene maatregelen rond loondoorbetaling bij ziekte, is de minister
van SZW in gesprek gegaan met MKB Nederland, VNO-NCW en de vakbonden
over alternatieven voor deze maatregelen uit het regeerakkoord. De
minister van SZW is voornemens om uw Kamer voorafgaand aan de
behandeling van de SZW-begroting te informeren over de uitkomsten van
die gesprekken.

3. Wil de staatssecretaris toezeggen dat zij er werk van gaat maken dat
bedrijven zich aan de betaaltermijnen houden?

Antwoord

Bij wet zijn grote ondernemingen inmiddels verplicht zich te houden aan
een maximale contractuele termijn van 60 dagen. Die wet is per juli 2017
in werking getreden voor losse overeenkomsten en per juli 2018 voor
duurovereenkomsten. Vanaf medio 2019 ga ik die wet evalueren om te
kunnen bezien of het beoogde resultaat is bereikt of dat daar meer voor
nodig is.

Het naleven van de overeengekomen betaaltermijn kan ik niet zelf
vaststellen, dat kunnen alleen de partijen die bij de overeenkomst
betrokken zijn. Als de afgesproken betaaltermijn niet wordt nageleefd,
is het primair aan de crediteur om aan de bel te trekken. Over het
geheel genomen is overigens nog steeds sprake van een positieve trend in
de gerealiseerde betaaltermijnen in Nederland. De nieuwste stand is te
lezen in de Barometer Betaalgedrag Q3 2018 van Graydon.

4. Is de staatssecretaris bereid in de analyse van de samenhang van
financieringsinstrumenten de afwijzingen van MKB leningsaanvragen mee te
nemen?

Antwoord

Ja, jaarlijks breng ik reeds de financieringsmonitor uit waarin een
beeld vanuit het perspectief van de ondernemer wordt geschetst over de
redenen van afwijzing van kredietaanvragen. Op dit moment evalueer ik
voorts vijf risicokapitaalinstrumenten waarin ook het marktfalen waarop
zij aangrijpen aan bod komt. Ik bezie de werking van deze instrumenten
in samenhang met de verstrekking van bancaire leningen en werking van
het financieringsinstrumentarium voor vreemd vermogen. Tot slot komt dit
ook aan bod in het antwoord op de motie 204 van lid Graus, waarbij ik
naar een internationale vergelijking kijk en dat ik in het tweede
kwartaal van 2019 deel met uw Kamer. 

5. Is het kabinet bereid onderzoek te doen naar hoe het zekerhedenrecht
herijkt kan worden, zodat mkb-ondernemers sneller in aanmerking komen
voor financiering?

Antwoord

De waardering en vestiging van zekerheden is een essentieel onderdeel
van financiering en behoort tot het vrije economische verkeer tussen
financier en kredietnemer. Het waarderen en vestigen van zekerheden is
maatwerk. Financiers bepalen dit in verhouding tot het ingeschatte
kredietrisico en het soort krediet en bepalen mede op basis van
zekerheden de rente. Bij financiering van het micro- en kleinbedrijf
zijn zekerheden in het algemeen belangrijker dan bij financiering van
het midden- en grootbedrijf, waar meer wordt gefinancierd op
verdienvermogen. Tegelijkertijd hebben de kleinere ondernemingen in de
regel minder onderpand te bieden dan het midden- en grootbedrijf. Dit
knelpunt voor de kleine ondernemingen wordt verholpen door de
borgstellingsregeling BMKB. Deze heeft tot doel om bij het kleinere mkb
een eventueel tekort aan zekerheden aan te vullen.

In de Gedragscode kleinzakelijke financieringen van de banken staat dat
de ondernemer de bank kan vragen de zekerhedenpositie te verminderen in
lijn met de vermindering van de schuld en om dan ook de rente aan te
passen, wanneer een variabele rente overeengekomen was. Omgekeerd kan er
ook sprake zijn van vestiging van extra zekerheden wanneer de ondernemer
afspraken niet nakomt. Bij een geschil kan de mkb-ondernemer zich sinds
kort melden bij Kifid. Ik zal met banken en alternatieve financiers in
gesprek gaan over dit onderwerp en daarover vervolgens uw Kamer
informeren. 

6. Kan de verruiming van de WBSO niet een jaar eerder in gaan?

Antwoord

Zoals gecommuniceerd in de brief over de WBSO in 2019 bedraagt de
onderuitputting van de WBSO uit eerdere jaren € 107 miljoen en is dit
bedrag gereserveerd in een enveloppe. 

De komende tijd zal worden onderzocht, mede op basis van de nu lopende
evaluatie van de WBSO, hoe de budgetsystematiek van de WBSO kan worden
verbeterd. Daarna zal, gebruikmakend van de evaluatie, worden bekeken
hoe het geld uit de enveloppe het beste kan worden ingezet voor de jaren
erna. In principe kan dus pas na afronding van de evaluatie, begin 2019,
uitsluitsel worden gegeven over de besteding van de enveloppe met de
daarin opgespaarde onderuitputting.

Er kan voor worden gekozen om van deze afspraak af te wijken. De kosten
voor het al in 2019 verhogen van de tweede schijf van 14% naar 16%
bedragen € 76 miljoen. Kijkend naar het voor 2019 beschikbare budget,
het geraamde beslag voor de regeling in 2019 en de beschikbare reserve
van €107 miljoen is de verhoging van de tweede schijf naar 16% in 2019
mogelijk.

Indien er wordt gekozen voor deze ophoging, betekent dit dat niet wordt
aangesloten bij de eerder gemaakte afspraak en er een lager bedrag
overblijft, waarover op basis van de resultaten van de evaluatie zou
kunnen worden besloten.

7. Is er ruimte om de PPS op niveau te houden?

Antwoord

Het kabinet verhoogt het budget voor PPS met € 50 miljoen van
€ 122 miljoen naar € 172 miljoen en het toeslagpercentage is
verhoogd van 25 naar 30. De regeling is succesvol in het ondersteunen
van publiek-private samenwerkingen om maatschappelijke uitdagingen te
adresseren en sleuteltechnologieën te ondersteunen. De keerzijde
daarvan is dat het gebruik van de regeling meer is gegroeid dan ik had
verwacht. 

Binnen het budget van de regeling heb ik geen ruimte om de
PPS-toeslagregeling ongewijzigd te laten. Mede om die redenen ben ik
voornemens twee maatregelen te nemen die de regeling enerzijds
doeltreffender maken en anderzijds mij in staat stellen om het
toeslagpercentage op 30 houden. Ten eerste zal per 2019 80% van de
private bijdragen aan TKI-relevante onderzoeksopdrachten meetellen als
grondslag voor de PPS-toeslag. Ten tweede kunnen per 2019 alleen
ondernemingen met een Nederlandse vestiging of een buitenlandse
onderneming met een dochteronderneming in Nederland bijdragen in natura
opvoeren voor de grondslag. De wijzigingen hebben betrekking op de
grondslag van de regeling en daarmee op het genereren van de
PPS-toeslag. 

8. Is de staatssecretaris bereid om J&V actief te wijzen op nieuwe
ontwikkelingen waar experimenteerruimte nodig is, bijvoorbeeld in de
hoek van fintech? Kan de staatssecretaris dit meenemen in de
voorbereiding van de digitaliseringstop?

Antwoord

Het kabinet wil dat er meer experimenteerruimte komt voor nieuwe
ontwikkelingen en werkt in dit verband aan diverse voorstellen voor
experimenteerregelingen. Denk aan de experimenten met drones en
zelfrijdende auto’s, de experimenten in de rechtspleging en wijziging
van de Crisis- en Herstelwet in verband met experimenten in de
woningbouw en de energietransitie. Ruimte in Regels helpt duurzame
innovaties door belemmeringen in wet- en regelgeving weg te nemen en
waar mogelijk het gebruik van bestaande experimenteerruimte te benutten.
Daarnaast heeft het kabinet op 29 juni jl. een brief aan uw Kamer
gezonden met voorstellen om de wettelijke experimenteerruimte in
algemene zin verder te vergroten. Hierin is aangegeven dat de
Aanwijzingen voor de regelgeving begin 2019 worden aangepast om deze
ruimte te vergroten.

Met betrekking tot fintech verwijs ik u naar de minister van Financiën,
die werkt aan het stimuleren van financiële innovatie in het domein van
financieel toezicht. Waar ik mogelijkheden zie om innovatieve
ondernemers met experimenteerruimte te ondersteunen, zal ik het gesprek
aangaan met mijn collega’s. De suggestie van het lid Wörsdörfer zal
ik meenemen in de programmering voor de digitale top 2019, waar ik op
dit moment aan werk.

9. Is er al zicht op een veilingdatum voor de verschillende
frequentiebanden?

Antwoord

Een exacte datum voor de veiling van een aantal belangrijke
frequentiebanden kan ik nog niet geven. Het beleid rond en de planning
van de veiling van de 700-, 1400- en 2100- MHz banden kunnen pas finaal
vorm gegeven worden als er duidelijkheid is over het besluit van de
Europese Commissie over de voorgenomen fusie van Tele2 en T-Mobile en
over het daarop volgend advies van de ACM over welke maatregelen ik moet
treffen in de veiling. 

De planning is erop gericht om na het besluit van de Europese Commissie
en het nadere advies van de ACM, de veiling zo spoedig mogelijk, op
zorgvuldig wijze, te realiseren. Uitgaande van een besluit van de
Europese Commissie voor het eind van dit jaar streef ik naar een veiling
van de 700-, 1400- en 2100- MHz banden in de periode rond eind 2019,
begin 2020. Wat betreft het vrijspelen van de 3,5- GHz band zal ik uw
Kamer eind dit jaar informeren over een besluit over de toekomst van
deze band.

10.  Is de staatssecretaris bereid lokale omroepen ruimte te geven bij
DAB plus?

Antwoord

Op dit moment zenden bijna alle omroepen, zowel commerciële als
publieke, reeds uit over DAB plus, behalve de lokale publieke omroepen.
Met deze laatste categorie ben ik in gesprek om op korte termijn
toewijzing van spectrum mogelijk te maken. Bovendien wordt er in de
Taskforce Radio, waar alle omroepen in vertegenwoordigd zijn, gesproken
over een efficiëntere indeling van het digitale spectrum met als doel
dat er volgend jaar nog meer spectrum beschikbaar komt. De omroepen
krijgen dus alle gelegenheid om via DAB plus hun programma’s uit te
zenden. Over de uitkomsten van de Taskforce zal ik uw Kamer separaat
rond de jaarwisseling informeren.

11. Kan de staatssecretaris reageren op de voorstellen die door de VVD
gedaan zijn op het gebied van de aanpak van winkeldiefstal?

Antwoord

Winkeldiefstal ondermijnt het gevoel van veiligheid, schaadt de
leefbaarheid in winkelgebieden en leidt tot grote financiële en
emotionele schade bij ondernemers en winkelpersoneel. Het aanpakken van
winkeldiefstal is in het belang van iedereen. De genoemde elementen van
de aanpak vallen op de eerste plaats onder de verantwoordelijkheid van
mijn collega van Justitie en Veiligheid. Vanuit mijn
verantwoordelijkheid voor de retailsector en het tegengaan van regeldruk
zal ik de ideeën om winkeldiefstal tegen te gaan onder zijn aandacht
brengen en blijf ik graag betrokken.  

Antwoorden op vragen van het lid van der Lee van de GroenLinks-fractie

1. Kan een digitale onderraad niet een betere borging opleveren voor een
integrale aanpak van de steeds sneller voortschrijdende digitale
transitie?

Antwoord

Digitalisering is een thema dat het gehele kabinet aangaat. Het kabinet
heeft daarom in een Catshuissessie dit voorjaar besloten om dit een
gezamenlijke prioriteit te maken. Alle bewindspersonen hebben hierbij
een rol vanuit hun specifieke verantwoordelijkheid. Het ministerie van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) bijvoorbeeld voor digitalisering
in de zorg, het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit
(LNV) voor digitalisering in de landbouw, het ministerie van Onderwijs,
Cultuur en Wetenschap (OCW) voor digitale vaardigheden in het onderwijs
etc. De Nederlandse Digitaliseringsstrategie is de paraplu en het kader
voor alle plannen van het kabinet rondom digitalisering. De
departementale plannen worden door de verschillende bewindspersonen aan
u gepresenteerd. Met een gezamenlijke agenda voorkomen we dat we op
meerdere plekken het wiel uitvinden, zetten we onze ambities en
uitgangspunten als kabinet duidelijk neer en koppelen, daar waar nodig,
nieuwe gezamenlijke acties aan.

2. Is er nu een echte oplossing op het gebied van 5G en het
satellietgrondstation in Burum in zicht en krijgt deze Kamer binnen een
paar weken de gewenste duidelijkheid hierover?

Antwoord

Het vrijspelen van de 3,5 GHz-band is van belang voor 5G. Samen met mijn
collega’s van Defensie en Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
(BZK) onderzoek ik hoe de uitrol van 5G mogelijk te maken in de 3,5
GHz-band, waarbij rekening wordt gehouden met het belang van
satellietinterceptie voor de nationale veiligheid. Recent heb ik uw
Kamer geïnformeerd over de stand van zaken van het onderzoek van TNO
naar de co-existentie tussen de uitrol van 5G en de satellietinterceptie
in Burum en welke maatregelen daarbij effectief kunnen zijn. Verder
voeren de ministeries van BZK en Defensie een verkenning uit naar
verplaatsing van het satellietgrondstation. Op basis van de onderzoeken
bereiden we een besluit voor over de toekomst van de 3,5 GHz zodat ik uw
Kamer eind dit jaar hierover kan informeren. 

Antwoorden op vragen van het lid Amhaouch van de CDA-fractie

1. Kan de staatssecretaris reflecteren op de cijfers van het CBS waaruit
blijkt dat het aantal opgerichte mkb bedrijven in de aflopen tien jaar
sterk is afgenomen in zowel de categorie 2-10, 10-50 als 50-250
werknemers?

Antwoord

Het aantal oprichtingen van bedrijven in de genoemde categorieën is
inderdaad sinds 2011 meer dan gehalveerd. Dit hoeft niet per definitie
zorgelijk te zijn. Zo zijn er ook minder opheffingen. Uit het
Jaarbericht Staat van het MKB blijkt bovendien dat het totaal aantal
kleine en middelgrote bedrijven toeneemt. Dat wijst op een dynamisch mkb
waarin het bedrijven lukt om op te schalen. Het valt wel op dat het
aantal micro-bedrijven afneemt. Ik ga kijken naar mogelijke verklaringen
voor deze ontwikkeling en zal u hierover berichten.

2. Hoe staat het met brede kennisverspreiding naar het mkb door TO2
instellingen via de MIT-regeling?

Antwoord

Samen met de provincies heb ik voor de MIT in 2018 ruim € 8 miljoen
extra beschikbaar gesteld. Hiermee zijn ca. 120 extra projecten
gefinancierd. Zoals ik heb aangekondigd in mijn brief ‘naar een
missiegedreven innovatiebeleid met impact’ komt er daarnaast een nieuw
programma kennisverspreiding vanuit de TO2. Dat programma wordt nu met
de TO2 en vertegenwoordigers uit het mkb ontwikkeld zodat het onderzoek
aansluit bij de behoefte van het mkb. De middelen voor het
TO2-kennisverspreidingsprogramma (max. € 7,5 miljoen) komen uit het
TO2-budget uit de envelop Toegepast Onderzoek.

3. Door publiek toezicht een rol te geven zou mogelijk kunnen worden
bijgedragen aan meer collectieve bescherming van kleine ondernemers
tegen structurele klachten over het niet naleven van regels van grote
bedrijven en overheden, bijvoorbeeld doordat de publieke toezichthouder
bij veel klachten een gesprek zou kunnen starten. Hoe kijkt de
staatssecretaris hier aan tegen het beschermen van die kleine
ondernemers?

Antwoord

Ondernemers zijn beschermd door het Burgerlijk Wetboek, daarin zijn
regels vastgelegd over nakoming van overeenkomsten en wederzijdse
instemming met contractwijziging. De ondernemer kan zijn recht halen bij
de rechter of in alternatieve geschillenbeslechting zoals arbitrage.
Voor ik aanvullend daarop een rol voor publiek toezicht overweeg, moet
echt sprake zijn van een aanzienlijk en structureel probleem in de
relatie tussen kleine ondernemers en grote bedrijven of overheden. Daar
waar problemen zich voordoen en sprake is van onevenwichtige
verhoudingen, nemen we gerichte maatregelen. In het MKB-Actieplan heb ik
daarnaast aangekondigd onderzoek te gaan doen naar onevenwichtige
verhoudingen tussen grote en kleine bedrijven. Hierbij ga ik kijken waar
sprake is van onevenwichtige verhoudingen, hoe vaak die voorkomen, welke
gevolgen dit heeft en indien nodig, welke oplossingsrichtingen mogelijk
zijn.

4. Producten in de Europese markt moeten aan zeer hoge kwaliteits- en
veiligheidseisen voldoen. Maar omdat consumenten zelf, soms zonder het
te weten, deze producten importeren worden ze niet altijd onderworpen
aan kwaliteits- of veiligheidscontroles. Hierdoor komen meer
non-conforme of zelfs gevaarlijke producten op de Europese markt. Hoe
kijkt de staatssecretaris aan tegen betere handhaving hierop?

Antwoord

Ik deel het beeld dat er helaas veel producten op de Europese markt
komen die niet voldoen aan de Europese regelgeving. Volledige
handhaving, zou betekenen dat douane en markttoezichthouders elk product
zouden moeten controleren, dat is niet haalbaar of wenselijk. Waar nog
veel te winnen valt is de samenwerking tussen markttoezichthouders in de
EU. Als een product eenmaal op de markt is gebracht in een EU-lidstaat
kan het vrij verhandeld worden binnen de interne markt. Het is daarom
belangrijk dat het niveau van toezicht en de bevoegdheden van
markttoezichthouders zoveel mogelijk gelijk zijn binnen de EU en dat zij
informatie met elkaar uitwisselen. Daar maak ik mij in Europa hard voor.


Ik ben daarom blij dat de Europese Commissie een voorstel voor een
verordening heeft gedaan dat samenwerking stimuleert en de bevoegdheden
van markttoezichthouders verder harmoniseert. De onderhandelingen in de
Raad over dit voorstel bevinden zich in een vergevorderd stadium.
Daarnaast heb ik uw Kamer geïnformeerd over de inzet van het kabinet
voor de toekomst van de interne markt (Kamerstuk 22 112, nr. 2703 ). Een
belangrijk deel van de inzet van het kabinet voor de volgende
Commissieperiode richt zich op het verbeteren van de handhaving,
toepassing en implementatie van de huidige interne markt regelgeving.

5. Bij producten die buiten de EU komen is onduidelijk hoe het staat met
aansprakelijkheid. Wie is ervoor verantwoordelijkheid dat het product
volledig voldoet aan alle product en kwaliteitseisen van de EU? En wie
is indien er iets mis is aan een product verantwoordelijk voor het
informeren van de autoriteiten en consumenten en het van de markt halen
van het product? 

Antwoord

Hierin zijn drie situaties te onderscheiden. Als de producent in de EU
is gevestigd, is deze ervoor verantwoordelijk dat een product voldoet
aan de kwaliteitseisen. Ook dient de producent de autoriteiten en
consumenten te informeren als er iets mis is met een product en moet hij
het, indien nodig, van de markt te halen. Als de producent buiten de EU
is gevestigd, dan gelden voornoemde verplichtingen voor de importeur die
de producten naar de EU importeert. Zowel producenten als importeurs
kunnen worden aangesproken door markttoezichthouders in het geval er
problemen zijn met een product. Ook kunnen markttoezichthouders hen
maatregelen opleggen. Als een consument zelf een product direct buiten
de EU koopt is er niemand binnen de EU die verantwoordelijk is. In dit
geval kan alleen de producent in het land buiten de EU aangesproken
worden door Europese markttoezichthouders. Toezichthouders kunnen echter
in zo’n geval geen maatregelen opleggen. Ik heb daarom in mijn
consumentenagenda aangekondigd om consumenten als onderdeel van een
bredere campagne te gaan informeren over het verschil in
consumentenrechten wanneer zij binnen of buiten de EU aankopen doen.

6. Hoe kijkt de staatssecretaris er tegenaan om in de EU te bepleiten
dat bedrijven uit derde landen die online producten verkopen aan
consumenten in Europa worden verplicht om een
aansprakelijkheidsofficier, zijnde een persoon verantwoordelijk voor
conformiteit op Europees grondgebied, te hebben?

Antwoord

Ik kijk hier positief tegenaan. De Europese Commissie heeft in een
voorstel voor een nieuwe verordening voor markttoezicht op producten
voorzien in een persoon die verantwoordelijk is voor
conformiteitsinformatie, indien deze producent rechtstreeks verkoopt aan
eindgebruikers in de EU. Het is een overweging waard om deze
verantwoordelijke persoon ook verantwoordelijk te maken voor de
conformiteit van het product, dus niet alleen voor informatie hierover.
De verantwoordelijke persoon kan dan worden aangesproken door onze
toezichthouders. De focus ligt wat mij betreft hierbij op
consumentenproducten die in de praktijk problemen geven. 

7. Wanneer kan de Kamer de aangekondigde wetgeving rond vitale sectoren
verwachten?

Antwoord

Ik neem aan dat het lid Amhaouch doelt op de aangekondigde
overnamewetgeving in de Telecomsector, het wetsvoorstel ongewenste
zeggenschap telecommunicatie. Onlangs heeft de Raad van State advies
gegeven over dit wetsvoorstel. Dit advies ben ik momenteel aan het
verwerken. Het wetsvoorstel is, mede gelet op het regeerakkoord, urgent
en daarom wil ik het

begin volgend jaar bij de Kamer indienen. Naast dit wetsvoorstel is het
kabinet bezig om te kijken in hoeverre aanvullende
beschermingsmaatregelen voor overnames en investeringen nodig zijn om de
nationale veiligheid in andere vitale sectoren te borgen. U zult in de
volgende voortgangsrapportage Economische Veiligheid daarover worden
geïnformeerd. 

Antwoorden op vragen van het lid Alkaya van de SP-fractie

1. Waarom kiest het kabinet ervoor alleen grote bedrijven, en niet het
Nederlandse mkb, te laten profiteren van de €76 miljoen voor
onderzoekswerk?

Antwoord

De verhoging van de tweede schijf van de WBSO waar de SP naar verwijst
is onderdeel van een breed pakket van fiscale maatregelen waarin
nadrukkelijk ook aandacht is voor het mkb. Zo wordt het lage tarief voor
de vennootschapsbelasting verder verlaagd, namelijk naar 15% in plaats
van 16% in 2021. Ook zal een deel van het mkb profiteren van de
verlaging van het toptarief naar 20,5% in 2021. Daarbij worden de
werkgeverslasten op arbeid vanaf 2021 structureel met € 200 miljoen
verlaagd. Dit komt bovenop de lastenverlichting op arbeid van € 100
miljoen vanaf 2020 die al met Prinsjesdag was gecommuniceerd. Verder
wordt de rekening-courantmaatregel voor directeuren-grootaandeelhouders
(dga’s) verzacht (ten aanzien van eigenwoningschulden). 

Ook de WBSO maakt onderdeel uit van dit pakket. De tweede schijf van de
WBSO is per 2018 verlaagd van 16% naar 14%. Dankzij de extra € 76
miljoen is het mogelijk deze verlaging per 2020 weer ongedaan te maken. 

Het is niet correct dat alleen grote bedrijven profiteren van de
verhoging van de tweede schijf naar 16%. Deze intensivering komt naar
verwachting ten goede aan zo’n 2.500 bedrijven in de WBSO. Daarvan
zijn er naar schatting ruim 2.100 mkb. Dit betreft de mkb-bedrijven met
meer dan 5 à 6 R&D-medewerkers in dienst. 

Uit de laatste evaluatie van de WBSO blijkt dat het verhogen van de
tweede schijf een effectieve maatregel kan zijn om de R&D-uitgaven in
Nederland te vergroten. Op dit moment wordt de WBSO opnieuw
geëvalueerd. De uitkomsten daarvan zijn in het eerste kwartaal van 2019
bekend. 

Antwoorden op vragen van het lid Sienot van de D66-fractie

1. Hoe gaat de staatssecretaris ervoor zorgen dat in de samenstelling
van de regieteams en de topteams in het vernieuwde innovatiebeleid van
de Topsector Energie recht wordt gedaan aan de klimaatambities van dit
kabinet? En is de staatssecretaris bereid om de Kamer hierover te
informeren na het vaststellen van het Klimaatakkoord?

Antwoord

Zoals in de brief ‘Naar missiegedreven innovatiebeleid met impact’
is aangegeven, is het de inzet om vernieuwers, uitdagers, regio en
maatschappelijke partijen nadrukkelijker te betrekken. Met het oog op
het nieuwe Missiegedreven Topsectoren en Innovatiebeleid waarin
maatschappelijke uitdagingen centraal staan, zal de samenstelling van de
topteams opnieuw worden bezien. Vanuit het proces rondom het
klimaatakkoord worden hier al stappen in gezet via de verschillende
experts in de kennis en innovatie expertteams die de verschillende
sectortafels ondersteunen bij het invullen van de innovatieopgave. Ook
heeft Startup Delta bij het klimaatberaad aandacht gevraagd voor
innovatieve startups die een bijdrage kunnen leveren aan de
energietransitie.

De focus ligt nu op het inhoudelijk gereed krijgen van het
klimaatakkoord en de bijbehorende integrale kennis en innovatieopgave
(IKIA). Deze agenda zal ter consulatie worden voorgelegd aan
verschillende partijen, zoals vernieuwers in het klimaat en
energiedomein en de startup community. In het kader van de uitvoering
van de IKIA en de doorwerking op de verschillende programmering, zal
nader worden gekeken voor de energie-innovatie brede organisatie en
samenstelling van verschillende gremia waaronder het regieteam. 

Antwoorden op vragen van het lid Verhoeven van de D66-fractie

1. Hoe staat het met de uitvoering van de motie Paternotte ten aanzien
van fondsen en regelingen in het kader van de kapitaalontwikkeling?  

Antwoord

Zoals op 10 juli jl. gemeld in de brief aan uw Kamer over de invulling
van de motie Paternotte worden dit jaar diverse
risicokapitaalinstrumenten geëvalueerd. Deze extern uitgevoerde
evaluaties zullen een beeld geven van nut en noodzaak (de rationale) van
de risicokapitaalinstrumenten. Nadat de individuele instrumenten zijn
geëvalueerd zal ik de samenhang bezien tussen instrumenten en nagaan
wat nodig is om het instrumentarium toekomstbestendig te houden. De
planning is dat de individuele evaluaties dit jaar zullen worden
afgerond en dan samen met de samenhang begin 2019 met mijn reactie aan
de Kamer worden gestuurd.

2. De staatssecretaris wil een speciaal startupvisum van een jaar. Is
het niet mogelijk om het startupvisum te verlengen naar een periode van
3 jaar, om het aantrekken van buitenlandse werknemers makkelijker te
maken?

Antwoord

Het startupvisum is nu één jaar geldig en is bedoeld om een
buitenlandse startup-founder de kans te geven om zijn of haar ideeën om
te zetten in een kansrijke onderneming. Voorwaarde is dat de ondernemer
wordt bijgestaan door een goedgekeurde, deskundige begeleider. Na één
jaar kan de startup-founder een verblijfsvergunning voor zelfstandigen
aanvragen. Als de startup er in is geslaagd een kansrijke onderneming op
te bouwen, is het vrij eenvoudig om door te stromen naar een
verblijfsvergunning voor zelfstandigen. In de praktijk betekent dit
getrapte systeem dat een verblijf voor drie jaar met mogelijkheid van
verlenging mogelijk is. Er is regelmatig overleg tussen EZK en J&V; op
basis daarvan heb ik het beeld dat deze procedure in de praktijk goed
functioneert. 

3. Wat is de stand van zaken met betrekking tot het mogelijk maken voor
start en scale-ups om werknemers te betalen in aandelen? Heeft de
staatssecretaris hier al over gesproken met haar collega’s van het
Ministerie van Financiën? 

Antwoord

Op ambtelijk niveau zijn er gesprekken gaande met het ministerie van
Financiën. Het is technische materie waarbij het van belang is alle
voor- en nadelen van het huidige systeem en eventuele alternatieven goed
af te wegen. Als uit het interdepartementale overleg blijkt dat er
noodzaak is de wetgeving aan te passen dan is mijn streven dat die
voorstellen volgend jaar gereed zijn.

4. Kan de staatssecretaris toezeggen dat zij voor het kerstreces de
Kamer laat weten hoe het probleem wordt opgelost met de
inlichtingendiensten in het kader van het beschikbaar stellen van de 3,5
GHz?  

Antwoord

Net als de Kamer zie ik het belang van het vrijspelen van de 3,5
GHz-band voor 5G. Samen met mijn collega’s van Defensie en BZK
onderzoek ik hoe de uitrol van 5G mogelijk te maken in de 3,5 GHz-band
waarbij rekening wordt gehouden met het belang van satellietinterceptie
voor de nationale veiligheid. Recent heb ik uw Kamer geïnformeerd over
de stand van zaken van het onderzoek van TNO naar de co-existentie
tussen de uitrol van 5G en de satellietinterceptie in Burum en welke
maatregelen daarbij effectief kunnen zijn. Verder voeren de ministeries
van BZK en Defensie een verkenning uit naar verplaatsing van het
satellietgrondstation. Op basis van de onderzoeken bereiden we een
besluit voor over de toekomst van de 3,5 GHz zodat ik uw Kamer eind van
het jaar en dus voor het kerstreces zal informeren. 

5. De voorgenomen fusie van T-Mobile en Tele2 zorgt ervoor dat er nog
geen helderheid is en er nog geen concreet tijdspad is voor de
multibandveiling. Hoe staat het er precies voor?

Antwoord

Een exacte datum voor de veiling van een aantal belangrijke
frequentiebanden kan ik nog niet geven. Het beleid rond en de planning
van de veiling van de 700-, 1400- en 2100- MHz banden kunnen pas finaal
worden als er duidelijkheid is over het besluit van de Europese
Commissie over de voorgenomen fusie van Tele2 en T-Mobile en over het
daarop volgend advies van de ACM over welke maatregelen ik moet treffen
in de veiling. Ik heb uw Kamer hierover geïnformeerd. De planning is
erop gericht om na het besluit van de Europese Commissie en het nadere
advies van de ACM, de veiling zo spoedig mogelijk, maar tegelijkertijd
ook zo zorgvuldig mogelijk, te realiseren. Uitgaande van een besluit van
de Europese Commissie voor het eind van dit jaar (vooralsnog voorzien op
30 november) streef ik naar een veiling van de 700-, 1400- en 2100- MHz
banden in de periode rond eind 2019, begin 2020.

6.Wat heeft het team digitale mededinging van de ACM tot nu toe gedaan,
wat zijn haar prioriteiten, welke middelen ze heeft en wat ze volgend
jaar gaan doen?

Antwoord

De digitale economie is een speerpunt voor de ACM. De ACM investeert
voortdurend in kennis en expertise over digitale vraagstukken. Dit doet
de ACM bij mededinging, consumentenbescherming en bij sectorspecifieke
regulering. Specifiek voor mededinging heeft de ACM een speciaal team
van ongeveer tien personen, maar het aantal medewerkers dat zich bij de
ACM bezighoudt met digitalisering is groter. Voorbeelden van specifieke
acties die de ACM verricht zijn een marktstudie naar appstores en een
marktstudie naar prijszettingsalgoritmes en mededinging. Verder heeft de
ACM een markstudie verricht naar videoplatforms en samen met het
Commissariaat voor de Media een verkenning gedaan naar digitalisering en
nepnieuws. Tot slot zijn de handhavingszaken op het gebied van macht van
technologiebedrijven vaak grensoverschrijdende zaken. In die zaken werkt
het team digitale mededinging van de ACM samen met de Europese
Commissie.

7. Hoe gaat de staatssecretaris de onlangs aangenomen motie ten aanzien
van E-privacy uitvoeren?

Antwoord

In uw motie van 7 juni 2018 wordt de regering verzocht in het kader van
de e-privacyverordening te pleiten voor keuzevrijheid voor gebruikers,
in lijn met amendement 92 uit de aangenomen positie door het Europees
parlement, zodat gebruikers niet de toegang kan worden ontzegd tot een
website of dienst als zij geen toestemming verlenen om persoonsgegevens
te verwerken. Ter uitvoering van deze motie heb ik in de Raad van
afgelopen juni gepleit voor een verbod op cookiemuren in de
e-privacyverordening. Ook in de diverse raadswerkgroepen na deze raad
heb ik dit standpunt naar voren gebracht. Er is echter tot nu toe in de
Raad vrijwel geen steun voor dit standpunt. Ik verwacht niet dat hierin
verandering zal komen.

Antwoorden op vragen van het lid Bruins van de ChristenUnie-fractie

1. Bij de WBSO is vorig jaar de tweede schijf verlaagd van 16 naar 14%.
In 2020 wordt dit weer gerepareerd. Er is sprake van eenmalige
onderbesteding in 2018. Wat gaat de staatssecretaris met deze ruimte
doen?

Antwoord

Zoals gecommuniceerd in de brief aan uw Kamer over de WBSO in 2019
bedraagt de onderuitputting van de WBSO uit eerdere jaren € 107
miljoen en is dit bedrag gereserveerd in een enveloppe. De komende tijd
zal worden onderzocht, mede op basis van de nu lopende evaluatie van de
WBSO, hoe de budgetsystematiek van de WBSO kan worden verbeterd. Daarna
zal, gebruikmakend van de evaluatie, worden bekeken hoe het geld uit de
enveloppe het beste kan worden ingezet voor de jaren erna. In principe
kan dus pas na afronding van de evaluatie, begin 2019, uitsluitsel
worden gegeven over de besteding van de enveloppe met de daarin
opgespaarde onderuitputting.

Er kan voor worden gekozen om van deze afspraak af te wijken. De kosten
voor het al in 2019 verhogen van de tweede schijf van 14% naar 16%
bedragen € 76 miljoen. Kijkend naar het voor 2019 beschikbare budget,
het geraamde beslag voor de regeling in 2019 en de beschikbare reserve
van € 107 miljoen is de verhoging van de tweede schijf naar 16% in
2019 mogelijk. Indien er wordt gekozen voor deze ophoging, betekent dit
dat niet wordt aangesloten bij de eerder gemaakte afspraak en er een
lager bedrag overblijft, waarover op basis van de resultaten van de
evaluatie zou kunnen worden besloten.

2. De versmalling van de grondslag van de PPS-toeslag is weer een stap
terug en raakt de hefboomwerking voor extra private R&D-investeringen.
Vooral de topsector HTSM en de vier sleuteltechnologieën (quantum,
hightech, nano, fotonica) uit het regeerakkoord worden geraakt. Is de
staatssecretaris bereid te kijken naar een mogelijke reparatie?

Antwoord

Het kabinet verhoogt het budget voor PPS met € 50 miljoen van € 122
miljoen naar € 172 miljoen en het toeslagpercentage is verhoogd van 25
naar 30. De regeling is succesvol in het ondersteunen van
publiek-private samenwerkingen om maatschappelijke uitdagingen te
adresseren en sleuteltechnologieën te ondersteunen. De keerzijde
daarvan is dat het gebruik van de regeling meer is gegroeid dan ik had
verwacht. Binnen het budget van de regeling heb ik geen ruimte om de
PPS-toeslagregeling ongewijzigd te laten. Mede om die redenen heb ik
twee maatregelen genomen die de regeling enerzijds doeltreffender maken
en anderzijds mij in staat stellen om het toeslagpercentage op 30
houden. 

Ten eerste zal per 2019 80% van de private bijdragen aan TKI-relevante
onderzoeksopdrachten meetellen als grondslag voor de PPS-toeslag. Ten
tweede kunnen per 2019 alleen ondernemingen met een Nederlandse
vestiging of een buitenlandse onderneming met een dochteronderneming in
Nederland bijdragen in natura opvoeren voor de grondslag. De wijzigingen
hebben betrekking op de grondslag van de regeling en daarmee op het
genereren van de PPS-toeslag. Maar ik erken dat de wijzigingen
behoorlijk nadelige consequenties hebben voor onder andere de sector
HTSM. Ik ben bereid om in overleg met uw Kamer om te kijken naar
mogelijkheden om deze gevolgen te verzachten.

3. De staatssecretaris heeft bevestigd dat gedetacheerde werknemers mee
mogen tellen bij de minimaal 30% werknemers met afstand tot de
arbeidsmarkt. Op welke manier gaat de staatssecretaris dit expliciet
onder de aandacht brengen bij overheden, met name gemeenten?

Antwoord

Het betrekken van mensen met afstand tot de arbeidsmarkt in het werk is
een belangrijke taak waar zowel private partijen als de overheid een
verantwoordelijkheid dragen. De Aanbestedingswet 2012 biedt op basis van
artikel 2.82 mogelijkheden voor het voorbehouden van opdrachten aan
sociale ondernemingen met minimaal 30% medewerkers met afstand tot de
arbeidsmarkt. Ik licht aanbestedende diensten voor over die
mogelijkheden via het kenniscentrum voor aanbesteden ‘PIANOo’. Het
arbeidsmarktbeleid, en meer specifiek de rol van voorbehouden opdrachten
daarin, ligt verder op het terrein van de staatssecretaris van SZW. Ook
zij is actief bezig met het informeren van inkopers en beleidsmakers
over deze mogelijkheden. Zo is vorige maand nog een masterclass
‘Inkoop bij sociaal ondernemers’ georganiseerd, in samenwerking met
wetenschappers, PIANOo en mijn ministerie. 

4. Uit onderzoek naar de marinebouw in Nederland blijkt dat de gouden
driehoek van rijksoverheid, kennisinstellingen zoals MARIN en de
industrie heel belangrijk is. Kan staatssecretaris in gesprek gaan met
collega van Defensie over hoe we de Nederlandse techniek kunnen
gebruiken bij de bouw van marineschepen?

Antwoord

Het ministerie van EZK heeft in nauwe samenwerking met het ministerie
van Defensie gewerkt aan een herziening van de Defensie Industrie
Strategie (DIS), die binnenkort zal worden aangeboden aan uw Kamer.
Hierin staan de wezenlijke belangen van nationale veiligheid centraal en
wordt onder meer stilgestaan bij welke kennis, technologie en
industriële capaciteiten Nederland in huis moet hebben – en in welke
mate zij deze zelf moet ontwikkelen - om de nationale veiligheid te
kunnen garanderen. 

In de brief aan uw Kamer “Naar Missiegedreven Innovatiebeleid met
Impact” is veiligheid als één van de thema’s benoemd waarvoor
missies en agenda’s worden opgesteld. Deze worden momenteel door
vakdepartementen in samenwerking met EZK, bedrijven, kennisinstellingen
en maatschappelijke partners vormgegeven. Dit biedt kansen voor
samenwerking binnen de ‘gouden driehoek’. Daarnaast is er binnen de
‘gouden driehoek’ een grote rol weggelegd voor kennisinstellingen,
zoals MARIN. Dit kabinet heeft extra geld beschikbaar gesteld voor
toegepast onderzoek, waardoor de Rijksbijdrage aan MARIN wordt
verdubbeld.

5. Kan de staatssecretaris aangeven hoe zij aankijkt tegen de
(her)invoering van de fiscale stimulering van durfkapitaal zoals vroeger
met de Tante Agaath-regeling werd gedaan om durfkapitaal en crowdfunding
voor starters te bevorderen?

Antwoord

In beginsel verloopt financiering via de markt. Bij marktfalen is er
aanleiding voor subsidiëring vanuit de overheid. Het meest voor de hand
ligt dan een faciliteit, waarbij private investeringen worden uitgelokt
door de overheid, zoals bij de SEED-regeling. Hiermee investeert de
overheid  mee met de markt. Dat heeft drie voordelen: de markt beslist,
geen dead weight loss en de overheid deelt direct mee in eventueel
succes. Nadeel van een fiscale regeling is dat een fiscale regeling
moeilijker te richten is op financiering waar die op de markt niet tot
stand komt. Iedere investering die aan de voorwaarden van de fiscale
regeling voldoet, komt dus in aanmerking voor fiscale stimulering.
Hierdoor is zo’n maatregel vaak duurder dan een subsidieregeling. Ook
investeringen die op de markt zonder fiscale stimulering tot stand
komen, worden dan immers fiscaal gesubsidieerd en dus is er sprake van
dead weight loss. Ook uit de evaluatie van de Tante Agaath regeling in
2005 bleek dat maar ongeveer van de helft van de investeerders die een
beroep deden op de regeling, de investering zonder de regeling niet
hadden gedaan. Mede gezien de ervaring uit het verleden ben ik geen
voorstander van het stimuleren van durfkapitaal en crowdfunding via een
fiscale regeling.

6. Hoe wil de staatssecretaris omgaan met nieuwe situaties bij het
wetsvoorstel tegen zondagsdwang vanuit verhuurders of
winkeliersverenigingen?  Vaak leveren de standaardcontracten toch weer
een dwang richting zondagsopenstelling op. Formeel is er misschien
contractsvrijheid, maar in werkelijkheid kan de winkelier geen kant op. 

Antwoord

Het wetsvoorstel dat ik in de tweede helft 2019 bij uw Kamer zal
indienen ziet op zowel huidige als nieuwe situaties. Ook nieuw
standaardcontracten mogen dus geen bepalingen bevatten die de
bevoegdheid tot het nemen van besluiten over openingstijden bij een
derde legt. Het blijft wel mogelijk dat verhuurder en huurder expliciete
openingstijden met elkaar afspreken in een overeenkomst. Mijn voorstel
raakt daar niet aan, dit is een onderdeel van de contractsvrijheid van
huurder en verhuurder om zelf te bepalen onder welke vooraf gestelde
voorwaarden zij het contract aangaan. 

7. Bij de Algemene Beschouwingen is toegezegd dat er een overzicht komt
waar in Nederland zondagsdwang voorkomt en naar oplossingen waar het
gaat om contracten die een bepaalde groep ondernemers uitsluiten wanneer
zij op zondag niet open willen. Heeft de staatssecretaris dit overzicht
en mogelijke oplossingen inmiddels? Zo niet, wanneer kunnen we die
verwachten?

Antwoord

Tijdens de Algemene Politieke beschouwingen heeft de minister-president
toegezegd om te kijken naar hoe vaak het voorkomt dat winkeliers tegen
verplichte zondagsopenstelling in contracten aanlopen en daarbij iets te
zeggen over de geografische spreiding van verplichte
zondagsopenstelling. Ik ben hier nog naar aan het kijken en ik zal dit
meenemen bij het wetsvoorstel dat ik, zoals eerder aan uw Kamer is
toegezegd, eerste helft 2019 bij uw Kamer zal indienen. Ik kan wel
alvast aangeven dit moeilijk te achterhalen is. Dit vergt namelijk een
onderzoek waarin aan ondernemers gevraagd wordt of zij in het verleden
vanwege de openingstijden in het concept-huurcontract deze niet
ondertekend hebben. Uit de evaluatie van de Winkeltijdenwet blijkt
echter wel dat 96% van de ondernemers geen afdwingbare openingstijden in
hun contract heeft. 

Antwoorden op vragen van het lid Stoffer van de SGP-fractie

1. SGP maakt zich grote zorgen over grote aantal koopzondagen. Goed dat
kabinet met wetsvoorstel om te voorkomen dat winkeliers worden gedwongen
om akkoord te gaan met openstelling op zondagen. De Stas wordt gevraagd
bij dit wetsvoorstel ook nieuwe contracten te betrekken, zodat
winkeliers niet bij elke contract wijziging de zondagsopenstellingen
moeten tegen vechten. Is de staatssecretaris bereid bij de
Winkeltijdenwet ook nieuwe contracten te betrekken?

Antwoord

Het wetsvoorstel dat ik in de tweede helft 2019 bij uw Kamer zal
indienen, ziet op zowel huidige als nieuwe situaties. Ook nieuw
contracten mogen dus geen bepalingen bevatten die de bevoegdheid tot het
nemen van besluiten over openingstijden bij een derde legt. Bij
wijziging van een huurcontract gelden de regels zoals die in het
Burgerlijk Wetboek zijn vastgelegd. Zo dient een verhuurder van
winkelruimte zich te houden aan de voorwaarden die van toepassing zijn
op wijzigingen van een huurovereenkomst winkelruimte en andere
bedrijfsruimte (artikel 7:290 BW). Deze regeling maakt het onmogelijk om
eenzijdig wijzigingen door te voeren zonder rechterlijke toets vooraf.
Aanpassing van voorgeschreven openingstijden door aanpassing van een
reeds lopende huurovereenkomst is daarmee niet mogelijk zonder
uitdrukkelijke instemming van de winkelier of rechterlijke tussenkomst.

Antwoorden op vragen van het lid Öztürk van de DENK-fractie

1. Oost-Europese migranten zijn onmisbaar voor onze economie. De
werknemers uit Oost- en Midden Europa dragen € 11 miljard bij aan de
Nederlandse economie volgens SEO. Erkent de minister de bijdrage van
deze werknemers aan de Nederlandse economie, waardeert hij deze en is
hij deze werknemers te bedanken voor hun bijdrage?

Antwoord

Werkgevers staan te springen om goede arbeidskrachten. Zij doen daarom
onder andere een beroep op de internationale arbeidsmarkt. Het kabinet
faciliteert arbeidsmigratie die een zinvolle bijdrage kan leveren aan de
Nederlandse economie. Het kabinet erkent en waardeert dus de bijdrage
van arbeidsmigranten aan de Nederlandse economie. Dat geldt overigens
natuurlijk ook voor de bijdrage van alle hard werkende Nederlanders.

2. Wat gaat staatsecretaris doen aan de huisvestingsproblemen van
arbeidsmigranten? Is de staatssecretaris bereid te komen tot een
landelijk actieplan voor de huisvesting van arbeidsmigranten, in
samenwerking met lokale overheden?

Antwoord

Wat betreft de huisvesting van arbeidsmigranten geldt dat de woningmarkt
krap is. Huisvesting van arbeidsmigranten vergt daarom gedegen
afwegingen op gemeentelijk niveau. Gemeenten zijn immers
verantwoordelijk. De minister van BZK voert bovendien beleid om de
woningmarkt voor alle groepen, waaronder arbeidsmigranten, goed te laten
functioneren. Met specifieke vragen over dat beleid kunt u dan ook
terecht bij de minister van BZK.

3. Is de staatssecretaris bereid een campagne te starten om de
beeldvorming over Oost-Europese immigranten te verbeteren? 

Antwoord

In hoeverre de beeldvorming van Oost-Europese immigranten verbetering
behoeft is mij onbekend. Mocht de noodzaak voor verbetering van die
beeldvorming gevoeld worden, dan zie ik in eerste instantie een
verantwoordelijkheid van de leden van deze groep zelf. Niet zozeer van
de overheid.

4. Vrouwen verdienen €300.000 minder dan mannen in hun gehele werkende
leven. Kan dit kabinet een klemmend beroep doen op bedrijfsleven om
mannen en vrouwen meer gelijk te betalen?

Antwoord

Dit kabinet kan het van harte eens zijn met de heer Özturk dat een
ongelijke beloning tussen man en vrouw bij verder gelijke omstandigheden
niet acceptabel is. Het bedrijfsleven draagt hier uiteindelijk de
verantwoordelijkheid om dergelijke uitkomsten te voorkomen en indien
dergelijke beloningsverschillen tussen man en vrouw bij gelijke
omstandigheden toch blijken te bestaan, deze teniet te doen. Het
verkleinen van de beloningsverschillen tussen mannen en vrouwen wordt
dan ook geagendeerd in de emancipatienota van de minister van OCW. Het
kabinet streeft naar gelijkere positie van mannen en vrouwen op de
arbeidsmarkt en bestrijdt beloningsdiscriminatie. De minister van OCW
heeft in deze een rol om blijvend te agenderen, te coördineren, en
initiatieven aan te jagen die een bijdrage leveren aan het komen tot
gewenste uitkomsten.

5. Kan de minister het CPB vragen om een analyse uit te voeren naar de
kosten en baten van het ‘Wilderseffect’?  

Antwoord

Het CPB kan niet aan alle verzoeken voldoen. In de aanwijzingen voor de
planbureaus zijn daarvoor criteria vastgelegd. Het gaat hierbij onder
meer om beschikbare capaciteit en om inhoudelijke redenen, zoals de
beschikbaarheid van deskundigheid en databestanden.

In dit geval is het zelfs technisch onmogelijk om de gevraagde
maatschappelijke kosten-batenanalyse (MKBA) te maken. De vraagstelling
geeft geen specificatie van het bedoelde effect, er is geen beleidsvrij
scenario en er zijn geen kengetallen om eventuele effecten mee te
monetariseren. Het CPB kan dus niet aan dit verzoek voldoen.

 Kamerstuk 32637, nr. 328

 Evaluatie WBSO 2006 – 2010, EIM, februari 2012

 Kamerstuk 33009, nr. 63.

 Kamerstuk 24 095, nr. 449

 Kamerstuk 33009, nr. 63.

 PAGE   \* MERGEFORMAT 2