Eindtekst
Aanpassing van wetten in verband met de invoering van de normalisering van de rechtspositie van ambtenaren (Aanpassingswet Wnra)
Eindtekst
Nummer: 2019D13391, datum: 2019-03-28, bijgewerkt: 2024-02-19 10:56, versie: 1
Directe link naar document (.doc), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Onderdeel van zaak 2018Z20338:
- Indiener: K.H. Ollongren, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Binnenlandse Zaken
- 2018-11-08 14:30: Aansluitend aan de Stemmingen: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2018-11-15 11:30: Procedurevergadering commissie Binnenlandse Zaken (Procedurevergadering), vaste commissie voor Binnenlandse Zaken
- 2018-12-13 14:00: Aanpassing van wetten i.v.m. de invoering van de normalisering van de rechtspositie van ambtenaren (Aanpassingswet Wnra) (TK 35073) (Inbreng verslag (wetsvoorstel)), vaste commissie voor Binnenlandse Zaken
- 2019-03-21 11:30: Procedurevergadering (Procedurevergadering), vaste commissie voor Binnenlandse Zaken
- 2019-03-21 14:20: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2019-03-28 10:15: Hamerstuk: Aanpassing van wetten in verband met de invoering van de normalisering van de rechtspositie van ambtenaren (Aanpassingswet Wnra) (35073) (Hamerstukken), TK
- 2019-04-04 11:30: Procedurevergadering (Procedurevergadering), vaste commissie voor Binnenlandse Zaken
Preview document (đ origineel)
De Tweede Kamer der Staten- PRIVATE
Generaal zendt bijgaand door
haar aangenomen wetsvoorstel
aan de Eerste Kamer.
De Voorzitter,
28 maart 2019
Aanpassing van wetten in verband met de invoering van de normalisering
van de rechtspositie van ambtenaren (Aanpassingswet Wnra)
GEWIJZIGD VOORSTEL VAN WET
Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het ter invoering van de Wet
normalisering rechtspositie ambtenaren wenselijk is diverse wetten aan
te passen;
Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State
gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden
en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
HOOFDSTUK 1. MINISTERIE VAN ALGEMENE ZAKEN
Artikel 1.1 Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017
De Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 wordt als volgt
gewijzigd:
A
Artikel 34 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het tweede en derde lid komen te luiden:
1. Op voordracht van Onze betrokken Ministers gezamenlijk, op
aanbeveling van de voorzitter van de commissie wordt bij koninklijk
besluit besloten tot het aangaan van een arbeidsovereenkomst met de tot
het secretariaat behorende personen. Tot beëindiging van de
arbeidsovereenkomst wordt bij koninklijk besluit op voordracht van Onze
betrokken Ministers gezamenlijk, op aanbeveling van de voorzitter van de
commissie besloten, tenzij de voorzitter van de commissie de
arbeidsovereenkomst opzegt op grond van artikel 677 van Boek 7 van het
Burgerlijk Wetboek.
2. Bij koninklijk besluit op voordracht van Onze betrokken Ministers
gezamenlijk kan worden bepaald in welke gevallen het tweede lid niet van
toepassing is.
2. Er wordt een nieuw lid toegevoegd, luidende:
3. In afwijking van artikel 4.6, eerste lid, van de Comptabiliteitswet
2016 vertegenwoordigt de voorzitter van de commissie de Staat bij het
aangaan, wijzigen en beëindigen van individuele arbeidsovereenkomsten
met de tot het secretariaat behorende personen.
B
Artikel 103 wordt als volgt gewijzigd:
1.Het tweede en derde lid komen te luiden:
2. Op voordracht van Onze betrokken Ministers gezamenlijk, op
aanbeveling van de voorzitter van de commissie wordt bij koninklijk
besluit besloten tot het aangaan van een arbeidsovereenkomst met de tot
het secretariaat behorende personen. Tot beëindiging van de
arbeidsovereenkomst wordt bij koninklijk besluit op voordracht van Onze
betrokken Ministers gezamenlijk, op aanbeveling van de voorzitter van de
commissie besloten, tenzij de voorzitter van de commissie de
arbeidsovereenkomst opzegt op grond van artikel 677 van Boek 7 van het
Burgerlijk Wetboek.
3. Bij koninklijk besluit op voordracht van Onze betrokken Ministers
gezamenlijk, kan worden bepaald in welke gevallen het tweede lid niet
van toepassing is.
2. Er worden twee leden toegevoegd, luidende:
4. Ten aanzien van het tot het secretariaat behorende personen gelden de
voor alle ambtenaren geldende arbeidsvoorwaarden die zijn opgenomen in
de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor
ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam
zijn.
5. Op verzoek van de commissie kunnen in de collectieve
arbeidsovereenkomst, bedoeld in het vierde lid, andere
arbeidsvoorwaarden voor de tot het secretariaat behorende personen
worden opgenomen.
HOOFDSTUK 2. MINISTERIE VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES
Artikel 2.1 Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers
De Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers wordt als volgt
gewijzigd:
A
In artikel 5, tweede lid, onderdeel c, wordt âdie werkzaam is of was
in de sector Rijkâ vervangen door âdie werkzaam was bij het
Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelatiesâ.
B
Artikel 8, derde lid, komt te luiden:
3. Indien voor de ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met
de Staat werkzaam zijn bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties in een collectieve arbeidsovereenkomst een wijziging
van het loon is overeengekomen, wordt de in het eerste lid bedoelde
laatstelijk genoten wedde voor de toepassing van dat lid met ingang van
het tijdstip van ingang van die wijziging door Onze Minister
overeenkomstig de wijziging aangepast.
C
Na hoofdstuk 7 wordt een hoofdstuk ingevoegd, luidende:
HOOFDSTUK 7A. BESLAG, TERUGVORDERING, VERREKENING EN KORTING
Artikel 34b
Op uitkeringen en pensioenen op grond van deze afdeling is beslag
mogelijk overeenkomstig de voorschriften van het gemene recht.
Artikel 34c
Onverschuldigd betaalde uitkeringen of pensioenen op grond van deze
afdeling kunnen worden teruggevorderd.
Artikel 34d
1. Met uitkeringen en pensioenen op grond van deze afdeling kan worden
verrekend hetgeen de gewezen of gepensioneerde minister of zijn
nagelaten betrekkingen zelf als zodanig aan de Staat verschuldigd is.
2. Verrekening als bedoeld in het eerste lid kan plaatshebben ondanks
gelegd beslag of toegepaste korting als bedoeld in artikel 34e, eerste
lid.
3. Verrekening als bedoeld in het eerste lid is slechts in zoverre
geldig als een beslag op die uitkeringen of pensioenen geldig zou zijn,
met dien verstande dat verrekening van hetgeen wegens genoten
huisvesting of voeding is verschuldigd eveneens kan plaatsvinden met dat
deel van de bezoldiging dat de beslagvrije voet, bedoeld in artikel 475d
van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering vormt.
Artikel 34e
1. Op uitkeringen en pensioenen op grond van deze afdeling kan ten
behoeve van een schuldeiser van de gewezen of gepensioneerde minister of
zijn nagelaten betrekkingen een korting worden toegepast, mits de
gewezen of gepensioneerde minister onderscheidenlijk zijn nagelaten
betrekkingen de vordering van de schuldeiser erkent of erkennen dan wel
het bestaan van de vordering blijkt uit een in kracht van gewijsde
gegane rechterlijke uitspraak dan wel uit een authentieke akte.
2. Korting is slechts in zoverre geldig als een beslag op die uitkering
of dat pensioen geldig zou zijn.
3. Beslag, faillissement, surseance van betaling en toepassing ten
aanzien van de gewezen of gepensioneerde minister of zijn nagelaten
betrekkingen van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen sluiten
korting uit.
Artikel 34f
Voor de toepassing van de artikelen 475b, tweede en derde lid, en 475d,
vierde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering worden,
onverminderd artikel 34d, tweede lid, en artikel 34e, derde lid,
verrekening en korting gelijkgesteld met beslag.
Artikel 34g
Indien verscheidene schuldeisers uit hoofde van beslag of korting
aanspraak hebben op een deel van de uitkering of het pensioen geschiedt
de verdeling naar evenredigheid der inschulden, voor zover niet de ene
schuldeiser voorrang heeft boven de anderen.
Artikel 34h
1. Overdracht, inpandgeving of elke andere handeling waardoor de gewezen
of gepensioneerde minister of zijn nagelaten betrekkingen enig recht op
zijn uitkering of pensioen aan een derde toekent of toekennen, is
slechts geldig voor dat deel van de uitkering of het pensioen waarop
beslag geldig zou zijn.
2. Een volmacht tot voldoening of invordering van de uitkering of het
pensioen is slechts geldig indien zij schriftelijk is verleend en is
steeds herroepelijk.
Artikel 34i
Betaling of afgifte aan een gemachtigde, nadat een volmacht tot
voldoening of invorderingen van bezoldiging is geëindigd, ontlasten de
Staat, indien een gegeven opdracht tot de betaling of afgifte niet meer
tijdig kon worden ingetrokken, toen de Staat van het eindigen van de
volmacht kennis kreeg.
Artikel 34j
Beslag omvat in dit hoofdstuk ook de invordering, bedoeld in artikel 19
van de Invorderingswet 1990.
D
Artikel 133, derde lid, komt te luiden:
3. Indien voor de ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met
de Staat werkzaam zijn bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties in een collectieve arbeidsovereenkomst een wijziging
van het loon is overeengekomen, wordt de in het eerste lid bedoelde
laatstelijk genoten wedde voor de toepassing van dat lid met ingang van
het tijdstip van ingang van die wijziging door Onze Minister
overeenkomstig de wijziging aangepast.
E
In artikel 151a, tweede lid, âwerkzaam in de sector Rijkâ vervangen
door âdie krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn
bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelatiesâ.
F
In artikel 157, eerste lid, wordt âeen algemene
bezoldigingswijzigingâ vervangen door âeen wijziging van het loon
die in een collectieve arbeidsovereenkomst is overeengekomenâ en wordt
âdie werkzaam is geweest in de sector Rijkâ vervangen door âdie
krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam was bij het
Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelatiesâ.
G
Na hoofdstuk 28 wordt een hoofdstuk ingevoegd, luidende:
HOOFDSTUK 28A. BESLAG, TERUGVORDERING, VERREKENING EN KORTING
Artikel 162a
Op uitkeringen en pensioenen op grond van deze afdeling is beslag
mogelijk overeenkomstig de voorschriften van het gemene recht.
Artikel 162b
Onverschuldigd betaalde uitkeringen of pensioenen op grond van deze
afdeling kunnen worden teruggevorderd.
Artikel 162c
1. Met uitkeringen en pensioenen op grond van dit hoofdstuk kan worden
verrekend hetgeen de gewezen of gepensioneerde politieke ambtsdrager of
zijn nagelaten betrekkingen zelf als zodanig aan de provincie, de
gemeente of het waterschap verschuldigd is of zijn.
2. Verrekening als bedoeld in het eerste lid kan plaatshebben ondanks
gelegd beslag of toegepaste korting als bedoeld in artikel 162d, eerste
lid.
3. Verrekening als bedoeld in het eerste lid is slechts in zoverre
geldig als een beslag op die uitkeringen of pensioenen geldig zou zijn,
met dien verstande dat verrekening van hetgeen wegens genoten
huisvesting of voeding is verschuldigd eveneens kan plaatsvinden met dat
deel van de bezoldiging dat de beslagvrije voet, bedoeld in artikel 475d
van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering vormt.
Artikel 162d
1. Op uitkeringen en pensioenen op grond van dit hoofdstuk kan ten
behoeve van een schuldeiser van de gewezen of gepensioneerde politieke
ambtsdrager of zijn nagelaten betrekkingen een korting worden toegepast,
mits de gewezen of gepensioneerde politieke ambtsdrager
onderscheidenlijk zijn nagelaten betrekkingen de vordering van de
schuldeiser erkent of erkennen dan wel het bestaan van de vordering
blijkt uit een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraak dan
wel uit een authentieke akte.
2. Korting is slechts in zoverre geldig als een beslag op die
uitkeringen en pensioenen geldig zou zijn.
3. Beslag, faillissement, surseance van betaling en toepassing ten
aanzien van de gewezen of gepensioneerde politieke ambtsdrager of zijn
nagelaten betrekkingen van de schuldsaneringsregeling natuurlijke
personen sluiten korting uit.
Artikel 162e
Voor de toepassing van de artikelen 475b, tweede en derde lid, en 475d,
vierde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering worden,
onverminderd artikel 162c, tweede lid, en artikel 162d, derde lid,
verrekening en korting gelijkgesteld met beslag.
Artikel 162f
Indien verscheidene schuldeisers uit hoofde van beslag of korting
aanspraak hebben op een deel van de uitkeringen of pensioenen geschiedt
de verdeling naar evenredigheid der inschulden, voor zover niet de ene
schuldeiser voorrang heeft boven de anderen.
Artikel 162g
1. Overdracht, inpandgeving of elke andere handeling waardoor de gewezen
of gepensioneerde politieke ambtsdrager of zijn nagelaten betrekkingen
enig recht op zijn uitkering of pensioen aan een derde toekent of
toekennen, is slechts geldig voor dat deel van de uitkering of het
pensioen waarop beslag geldig zou zijn.
2. Een volmacht tot voldoening of invordering van de uitkering of het
pensioen is slechts geldig indien zij schriftelijk is verleend en is
steeds herroepelijk.
Artikel 162h
Betaling of afgifte aan een gemachtigde, nadat een volmacht tot
voldoening of invorderingen van de uitkering of het pensioen is
geëindigd, ontlasten de provincie, de gemeente of het waterschap,
indien een gegeven opdracht tot de betaling of afgifte niet meer tijdig
kon worden ingetrokken, toen de provincie, de gemeente of het waterschap
van het eindigen van de volmacht kennis kreeg.
Artikel 162i
Beslag omvat in dit hoofdstuk ook de invordering, bedoeld in artikel 19
van de Invorderingswet 1990.
Artikel 2.2 Algemene wet gelijke behandeling
In artikel 5, eerste lid, onderdeel d, van de Algemene wet gelijke
behandeling komt te luiden:
d. het aanstellen of ontslaan van personen, op wie artikel 3 van de
Ambtenarenwet 2017 van toepassing is.
Artikel 2.3 Ambtenarenwet BES
In artikel 1, eerste lid, van de Ambtenarenwet BES wordt âen niet is
aangesteld op grond van de Ambtenarenwetâ vervangen door âen op wie
artikel 3 van de Ambtenarenwet 2017 niet van toepassing isâ.
Artikel 2.4 Gemeentewet
De Gemeentewet wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 4 vervalt.
B
Artikel 13, eerste lid, onderdeel o, komt te luiden:
o. ambtenaar of ambtenaar van politie, in dienst van die gemeente of uit
anderen hoofde aan het gemeentebestuur ondergeschikt;
C
Artikel 36b, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:
1. Onderdeel p komt te luiden:
p. ambtenaar, in dienst van die gemeente of uit anderen hoofde aan het
gemeentebestuur ondergeschikt;
2. In onderdeel q wordt âambtenaar, door of vanwege het Rijk of de
provincie aangesteldâ vervangen door âambtenaar, in dienst van de
Staat of de provincieâ.
D
Na artikel 44 worden tien artikelen ingevoegd, luidende:
Artikel 44a
1. Op de bezoldiging is, voor zover in deze wet niet anders is bepaald,
beslag mogelijk overeenkomstig de voorschriften van het gemene recht.
2. Kostenvergoedingen krachtens artikel 44, tweede lid, zijn niet
vatbaar voor beslag.
Artikel 44b
Onverschuldigd betaalde bezoldiging kan worden teruggevorderd.
Artikel 44c
1. Met de bezoldiging kan worden verrekend hetgeen de wethouder zelf als
zodanig aan de gemeente verschuldigd is.
2. Verrekening als bedoeld in het eerste lid kan plaatshebben ondanks
gelegd beslag of toegepaste korting als bedoeld in artikel 44d, eerste
lid.
3. Verrekening als bedoeld in het eerste lid is slechts in zoverre
geldig als een beslag op die bezoldiging geldig zou zijn, met dien
verstande dat verrekening van hetgeen wegens genoten huisvesting of
voeding is verschuldigd eveneens kan plaatsvinden met dat deel van de
bezoldiging dat de beslagvrije voet, bedoeld in artikel 475d van het
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering vormt.
Artikel 44d
1. Op de bezoldiging kan ten behoeve van een schuldeiser van de
wethouder een korting worden toegepast, mits de wethouder de vordering
van de schuldeiser erkent dan wel het bestaan van de vordering blijkt
uit een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraak dan wel uit
een authentieke akte.
2. Korting is slechts in zoverre geldig als een beslag op die
bezoldiging geldig zou zijn.
3. Beslag, faillissement, surseance van betaling en toepassing ten
aanzien van de wethouder van de schuldsaneringsregeling natuurlijke
personen sluiten korting uit.
Artikel 44e
Voor de toepassing van de artikelen 475b, tweede en derde lid, en 475d,
vierde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering worden,
onverminderd artikel 44c, tweede lid, en artikel 44d, derde lid,
verrekening en korting gelijkgesteld met beslag.
Artikel 44f
Indien verscheidene schuldeisers uit hoofde van beslag of korting
aanspraak hebben op een deel van de bezoldiging geschiedt de verdeling
naar evenredigheid der inschulden, voor zover niet de ene schuldeiser
voorrang heeft boven de anderen.
Artikel 44g
1. Overdracht, inpandgeving of elke andere handeling, waardoor de
wethouder enig recht op zijn bezoldiging aan een derde toekent, is
slechts geldig voor dat deel van de bezoldiging waarop beslag geldig zou
zijn.
2. Een volmacht tot voldoening of invordering van de bezoldiging is
slechts geldig indien zij schriftelijk is verleend en is steeds
herroepelijk.
Artikel 44h
Betaling of afgifte aan een gemachtigde, nadat een volmacht tot
voldoening of invorderingen van bezoldiging is geëindigd, ontlasten de
gemeente, indien een gegeven opdracht tot de betaling of afgifte niet
meer tijdig kon worden ingetrokken, toen de gemeente van het eindigen
van de volmacht kennis kreeg.
Artikel 44i
Beslag omvat in deze wet ook de invordering, bedoeld in artikel 19 van
de Invorderingswet 1990.
Artikel 44j
Met bezoldiging worden in de artikelen 44a tot en met 44h gelijkgesteld
de bedragen â onder de benaming van uitkering of welke benaming ook
â waarop de wethouder krachtens artikel 44, eerste lid, aanspraak
heeft of waarop zijn nagelaten betrekkingen uit hoofde van zijn
overlijden krachtens artikel 44, eerste lid, aanspraak hebben.
E
Aan artikel 66 wordt een lid toegevoegd, luidende:
8. De artikelen 44a tot en met 44j zijn van overeenkomstige toepassing,
met dien verstande dat voor âwethouderâ wordt gelezen
âburgemeesterâ en voor âartikel 44â âartikel 66â.
F
Artikel 68, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:
1. Onderdeel p komt te luiden:
p. ambtenaar of ambtenaar van politie, in dienst van die gemeente of uit
anderen hoofde daaraan ondergeschikt;
2. In onderdeel q wordt âambtenaar, door of vanwege het Rijk of de
provincie aangesteldâ vervangen door âambtenaar, in dienst van de
Staat of de provincieâ.
G
Artikel 81f, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:
a. Onderdeel p komt te luiden:
p. ambtenaar of ambtenaar van politie, in dienst van die gemeente of uit
anderen hoofde daaraan ondergeschikt;
b. In onderdeel q wordt âambtenaar, door of vanwege het Rijk of de
provincie aangesteldâ vervangen door âambtenaar, in dienst van de
Staat of de provincieâ.
H
In artikel 81j, tweede lid, wordt âbenoemt het college zoveel
ambtenaren van de rekenkamerâ vervangen door âbesluit het college
tot het aangaan van arbeidsovereenkomsten met zoveel ambtenaren van de
rekenkamerâ.
I
Artikel 81n wordt als volgt gewijzigd:
1. Onderdeel b komt te luiden:
b. ambtenaar, in dienst van een deelnemende provincie of uit anderen
hoofde aan het bestuur van een deelnemende provincie ondergeschikt;
2. In onderdeel c wordt âambtenaar, door of vanwege het Rijk
aangesteldâ vervangen door âambtenaar, in dienst van de Staatâ.
J
Artikel 81o, onderdeel a, komt te luiden:
a. het op verzoek van de voorzitter of het enige lid van de rekenkamer
in dienst nemen van de ambtenaren die nodig zijn voor een goede
uitoefening van de werkzaamheden van de rekenkamer;
K
In artikel 81t, eerste lid, wordt âbenoemt het college het personeel
van de ombudsmanâ vervangen door âbesluit het college tot het
aangaan van arbeidsovereenkomsten met het personeel van de ombudsmanâ.
L
Artikel 102 komt te luiden:
Artikel 102
Het college wijst de secretaris aan. De aanwijzing eindigt van
rechtswege met ingang van de datum dat de uitoefening van de functie van
secretaris geen onderdeel meer uitmaakt van de werkzaamheden van de
betreffende ambtenaar.
M
Artikel 107 komt te luiden:
Artikel 107
1. De raad wijst de griffier aan. De aanwijzing eindigt van rechtswege
met ingang van de datum dat de uitoefening van de functie van griffier
geen onderdeel meer uitmaakt van de werkzaamheden van de betreffende
ambtenaar.
2. De raad is bevoegd te besluiten tot het aangaan, wijzigen en
beëindigen van de arbeidsovereenkomst met de griffier.
N
Artikel 107e, tweede lid, komt te luiden:
2. De raad besluit tot het aangaan, wijzigen en beëindigen van
arbeidsovereenkomsten met de op de griffie werkzame ambtenaren.
O
In artikel 155b, eerste lid, wordt âambtenaren en gewezen ambtenaren,
door of vanwege het gemeentebestuur aangesteld of daaraan
ondergeschiktâ vervangen door âambtenaren en gewezen ambtenaren
onderscheidenlijk ambtenaren van politie en gewezen ambtenaren van
politie, in dienst van de gemeente of uit anderen hoofde aan het
gemeentebestuur ondergeschiktâ.
P
In artikel 155e, derde lid, wordt âambtenaren en gewezen ambtenaren,
door of vanwege het gemeentebestuur aangesteld of daaraan
ondergeschiktâ vervangen door âambtenaren en gewezen ambtenaren,
onderscheidenlijk ambtenaren van politie en gewezen ambtenaren van
politie, in dienst van de gemeente of uit anderen hoofde aan het
gemeentebestuur ondergeschiktâ.
Q
In artikel 160, eerste lid, vervalt onderdeel d, onder verlettering van
de onderdelen e tot en met h tot d tot en met g.
R
Artikel 213 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het zevende lid komt te luiden:
7. Accountants als bedoeld in het tweede lid kunnen in gemeentelijke
dienst worden genomen. In dat geval besluit de raad tot het aangaan,
wijzigen en beëindigen van de arbeidsovereenkomst.
2. In het achtste lid, aanhef, wordt âdie in gemeentelijke dienst zijn
aangesteldâ vervangen door âdie in gemeentelijke dienst zijn
genomenâ.
S
In bijlage I, onderdeel A, onderdeel 1, wordt âAmbtenarenwetâ
vervangen door âAmbtenarenwet 2017â.
Artikel 2.5 Invoeringswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en
Saba
In artikel 3, zesde lid, van de Invoeringswet openbare lichamen Bonaire,
Sint Eustatius en Saba wordt âambtenaren als bedoeld in artikel 1 van
de Ambtenarenwet als zodanig,â vervangen door âpersonen op wie
artikel 3, onderdeel b, c, d of f, van de Ambtenarenwet 2017 van
toepassing isâ.
Artikel 2.6 Kaderwet adviescolleges
Artikel 15, vijfde lid, van de Kaderwet adviescolleges komt te luiden:
5. Na overleg met de voorzitter van het adviescollege sluit, wijzigt en
beëindigt Onze Minister namens de Staat een arbeidsovereenkomst met de
secretaris en de andere medewerkers.
Artikel 2.7 Kaderwet zelfstandige bestuursorganen
De Kaderwet zelfstandige bestuursorganen wordt als volgt gewijzigd:
A
In artikel 2, eerste lid, vervalt âof op grond van de bevoegdheid tot
het nemen van besluiten of het verrichten van handelingen ten aanzien
van een ambtenaar als bedoeld in artikel 1 van de Ambtenarenwet als
zodanig, zijn nagelaten betrekkingen of zijn rechtverkrijgendenâ.
B
Artikel 15 komt te luiden:
Artikel 15
1. Voor ambtenaren in dienst van een zelfstandig bestuursorgaan dat geen
onderdeel uitmaakt van de Staat gelden de voor alle ambtenaren geldende
arbeidsvoorwaarden die zijn opgenomen in de laatstelijk afgesloten
collectieve arbeidsovereenkomst voor ambtenaren die krachtens een
arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald voor welke
aangelegenheden van het eerste lid kan worden afgeweken.
Artikel 2.8 Organisatiewet Kadaster
De artikelen 18 en 18a van de Organisatiewet Kadaster vervallen.
Artikel 2.9 Provinciewet
De Provinciewet wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 4 vervalt.
B
Artikel 13, eerste lid, onderdeel k komt te luiden:
k. ambtenaar, in dienst van die provincie of uit anderen hoofde aan het
provinciebestuur ondergeschikt.
C
Artikel 35c, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:
1. De onderdelen n en o komen te luiden:
n. ambtenaar, in dienst van die provincie of uit anderen hoofde aan het
provinciebestuur ondergeschikt;
o. ambtenaar, in dienst van een in die provincie gelegen gemeente of uit
anderen hoofde aan het bestuur van een dergelijke gemeente
ondergeschikt;
2. In onderdeel r wordt âambtenaar, door of vanwege het Rijk
aangesteldâ vervangen door âambtenaar, in dienst van de Staatâ.
D
Na artikel 43 worden tien artikelen ingevoegd, luidende:
Artikel 43a
1. Op de bezoldiging is, voor zover in deze wet niet anders is bepaald,
beslag mogelijk overeenkomstig de voorschriften van het gemene recht.
2. Kostenvergoedingen krachtens artikel 43, tweede lid, zijn niet
vatbaar voor beslag.
Artikel 43b
Onverschuldigd betaalde bezoldiging kan worden teruggevorderd.
Artikel 43c
1. Met de bezoldiging kan worden verrekend hetgeen de gedeputeerde zelf
als zodanig aan de provincie verschuldigd is.
2. Verrekening als bedoeld in het eerste lid kan plaatshebben ondanks
gelegd beslag of toegepaste korting als bedoeld in artikel 43d, eerste
lid.
3. Verrekening als bedoeld in het eerste lid is slechts in zoverre
geldig als een beslag op die bezoldiging geldig zou zijn, met dien
verstande dat verrekening van hetgeen wegens genoten huisvesting of
voeding is verschuldigd eveneens kan plaatsvinden met dat deel van de
bezoldiging dat de beslagvrije voet, bedoeld in artikel 475d van het
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering vormt.
Artikel 43d
1. Op de bezoldiging kan ten behoeve van een schuldeiser van de
gedeputeerde een korting worden toegepast, mits de gedeputeerde de
vordering van de schuldeiser erkent dan wel het bestaan van de vordering
blijkt uit een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraak dan
wel uit een authentieke akte.
2. Korting is slechts in zoverre geldig als een beslag op die
bezoldiging geldig zou zijn.
3. Beslag, faillissement, surséance van betaling en toepassing ten
aanzien van de gedeputeerde van de schuldsaneringsregeling natuurlijke
personen sluiten korting uit.
Artikel 43e
Voor de toepassing van de artikelen 475b, tweede en derde lid, en 475d,
vierde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering worden,
onverminderd artikel 43c, tweede lid, en artikel 43d, derde lid,
verrekening en korting gelijkgesteld met beslag.
Artikel 43f
Indien verscheidene schuldeisers uit hoofde van beslag of korting
aanspraak hebben op een deel van de bezoldiging geschiedt de verdeling
naar evenredigheid der inschulden, voor zover niet de ene schuldeiser
voorrang heeft boven de anderen.
Artikel 43g
1. Overdracht, inpandgeving of elke andere handeling, waardoor de
gedeputeerde enig recht op zijn bezoldiging aan een derde toekent is
slechts geldig voor dat deel van de bezoldiging waarop beslag geldig zou
zijn.
2. Een volmacht tot voldoening of invordering van de bezoldiging is
slechts geldig indien zij schriftelijk is verleend en is steeds
herroepelijk.
Artikel 43h
Betaling of afgifte aan een gemachtigde, nadat een volmacht tot
voldoening of invorderingen van bezoldiging is geëindigd, ontlasten de
provincie, indien een gegeven opdracht tot de betaling of afgifte niet
meer tijdig kon worden ingetrokken, toen de provincie van het eindigen
van de volmacht kennis kreeg.
Artikel 43i
Beslag omvat in deze wet ook de invordering, bedoeld in artikel 19 van
de Invorderingswet 1990.
Artikel 43j
Met bezoldiging worden in de artikelen 43a tot en met 43h gelijkgesteld
de bedragen â onder de benaming van uitkering of welke benaming ook
â waarop de gedeputeerde krachtens artikel 43, eerste lid, aanspraak
heeft of waarop zijn nagelaten betrekkingen uit hoofde van zijn
overlijden krachtens artikel 43, eerste lid, aanspraak hebben.
E
Aan artikel 65 wordt een lid toegevoegd, luidende:
8. De artikelen 43a tot en met 43j zijn van overeenkomstige toepassing,
met dien verstande dat voor âgedeputeerdeâ wordt gelezen
âcommissarisâ en voor âartikel 43â âartikel 65â.
F
Artikel 67 wordt als volgt gewijzigd:
1. De onderdelen o en p komen te luiden:
o. ambtenaar, in dienst van die provincie of uit anderen hoofde aan het
provinciebestuur ondergeschikt;
p. ambtenaar, in dienst van een in die provincie gelegen gemeente of uit
anderen hoofde aan het gemeentebestuur van een dergelijke gemeente
ondergeschikt;
2. In onderdeel s wordt âambtenaar, door of vanwege het Rijk
aangesteldâ vervangen door âambtenaar, in dienst van de Staatâ.
G
Artikel 79f, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:
1. Onderdeel l komt te luiden:
l. ambtenaar, in dienst van die provincie of uit anderen hoofde aan het
provinciebestuur ondergeschikt;
2. In onderdeel m wordt âambtenaar, door of vanwege het Rijk
aangesteldâ vervangen door âambtenaar, in dienst van de Staatâ.
H
In artikel 79j, tweede lid, wordt âbenoemen gedeputeerde staten zoveel
ambtenaren van de rekenkamerâ vervangen door âbesluiten gedeputeerde
staten tot het aangaan van arbeidsovereenkomsten met zoveel ambtenaren
van de rekenkamerâ.
I
Artikel 79n wordt als volgt gewijzigd:
1. Onderdeel d komt te luiden:
d. ambtenaar, in dienst van een deelnemende gemeente of uit anderen
hoofde aan het bestuur van een deelnemende gemeente ondergeschikt;
2. In onderdeel e wordt âambtenaar, door of vanwege het Rijk
aangesteldâ vervangen door âambtenaar, in dienst van de Staatâ.
J
Artikel 79o, onderdeel a, komt te luiden:
a. het op verzoek van de voorzitter of het enige lid van de rekenkamer
in dienst nemen van de ambtenaren die nodig zijn voor een goede
uitoefening van de werkzaamheden van de rekenkamer;
K
In artikel 79u, eerste lid, wordt âbenoemen gedeputeerde staten het
personeel van de ombudsmanâ vervangen door âbesluiten gedeputeerde
staten tot het aangaan van arbeidsovereenkomsten met het personeel van
de ombudsmanâ.
L
Artikel 99 komt te luiden:
Artikel 99
Gedeputeerde staten wijzen de secretaris aan. De aanwijzing eindigt van
rechtswege met ingang van de datum dat de uitoefening van de functie van
secretaris geen onderdeel meer uitmaakt van de werkzaamheden van de
betreffende ambtenaar.
M
Artikel 104 komt te luiden:
Artikel 104
1. Provinciale staten wijzen de griffier aan. De aanwijzing eindigt van
rechtswege met ingang van de datum dat de uitoefening van de functie van
griffier aan geen onderdeel meer uitmaakt van de werkzaamheden van de
betreffende ambtenaar.
2. Provinciale staten zijn bevoegd te besluiten tot het aangaan,
wijzigen en beëindigen van de arbeidsovereenkomst met de griffier.
N
Artikel 104e, tweede lid, komt te luiden:
2. Provinciale staten besluiten tot het aangaan, wijzigen en beëindigen
van arbeidsovereenkomsten met de op de griffie werkzame ambtenaren.
O
In artikel 151b, eerste lid, wordt âambtenaren en gewezen ambtenaren,
door of vanwege het provinciebestuur aangesteld of daaraan
ondergeschiktâ vervangen door âambtenaren en gewezen ambtenaren, in
dienst van die provincie of uit anderen hoofde aan het provinciebestuur
ondergeschiktâ.
P
In artikel 151e, derde lid, wordt âambtenaren en gewezen ambtenaren,
door of vanwege het provinciebestuur aangesteld of daaraan
ondergeschiktâ vervangen door âambtenaren en gewezen ambtenaren, in
dienst van die provincie of uit anderen hoofde aan het provinciebestuur
ondergeschiktâ.
Q
In artikel 158, eerste lid, vervalt onderdeel d, onder verlettering van
de onderdelen e tot en met h tot d tot en met g.
R
In artikel 182, eerste lid, onderdeel e, wordt ârijksambtenarenâ
vervangen door âambtenaren, in dienst van de Staatâ.
S
Artikel 217 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het zevende lid komt te luiden:
7. Accountants als bedoeld in het tweede lid kunnen in provinciale
dienst worden genomen. In dat geval besluiten provinciale staten tot het
aangaan, wijzigen en beëindigen van de arbeidsovereenkomst.
2. In het achtste lid, aanhef, wordt âdie in provinciale dienst zijn
aangesteldâ vervangen door âdie in provinciale dienst zijn
genomenâ.
Artikel 2.10 Uitvoeringswet EGTS-verordening
In artikel 8 van de Uitvoeringswet EGTS-verordening vervalt het tweede
lid, alsmede de aanduiding â1.â voor het eerste lid.
Artikel 2.11 Verhaalswet ongevallen ambtenaren
Artikel 2 van de Verhaalswet ongevallen ambtenaren wordt als volgt
gewijzigd:
A
In het eerste lid wordt na âkrachtens diens rechtspositieregelingâ
toegevoegd â, diens arbeidsovereenkomst of hetgeen collectief is
overeengekomen en op die ambtenaar betrekking heeftâ.
B
In het tweede lid wordt na âkrachtens zijn rechtspositieregelingâ
ingevoegd â, zijn arbeidsovereenkomst of hetgeen collectief is
overeengekomen en op hem betrekking heeftâ.
C
In het derde lid wordt na âde voor de ambtenaar geldende
rechtspositieregelingâ ingevoegd â, zijn arbeidsovereenkomst of
hetgeen collectief is overeengekomen en op hem betrekking heeftâ.
Artikel 2.12 Wet algemene regels herindeling
Hoofdstuk VIII van de Wet algemene regels herindeling komt te luiden:
HOOFDSTUK VIII. RECHTSPOSITIE VAN HET PERSONEEL
Artikel 57
1. Bij de toepassing van afdeling 8 van titel 10 van Boek 7 van het
Burgerlijk Wetboek op de overgang van personeel als gevolg van
wijzigingen van de gemeentelijke indeling geldt als verkrijger de
gemeente die op grond van artikel 44, eerste of tweede lid, de
rechtsopvolger is van de op te heffen gemeente.
2. Artikel 663, tweede zin, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek is op
de overgang van personeel als gevolg van wijzigingen van de
gemeentelijke indeling niet van toepassing.
3. Eden en beloften, die ambtenaren in verband met hun functie bij de op
te heffen gemeente hebben afgelegd, worden geacht mede betrekking te
hebben op de dienstbetrekking bij de gemeente waar zij met ingang van de
datum van herindeling in dienst zijn.
Artikel 58
1. In het geval van een grenscorrectie gaat op de datum van herindeling
het personeel, verbonden aan de in overgaand gebied gevestigde door de
gemeente in stand gehouden scholen als bedoeld in artikel 1 van de Wet
op het primair onderwijs, artikel 1 van de Wet op de expertisecentra of
artikel 1 van de Wet op het voortgezet onderwijs, over in dienst van de
gemeente waaraan bedoeld gebied wordt toegevoegd.
2. Op dit personeel is artikel 57, derde lid, van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 59
1. De aanwijzing van de secretaris van een gemeente die wordt opgeheven
eindigt van rechtswege met ingang van de datum van herindeling.
2. Afdeling 8 van titel 10 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek is niet
op de secretaris van toepassing. Indien hij in dienst is van de in het
eerste lid bedoelde gemeente, eindigt de arbeidsovereenkomst van
rechtswege op de dag voor de datum van herindeling.
3. In het geval, bedoeld in het tweede lid, wordt voor de toepassing van
artikel 673, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek voor de
onderdelen a en b van dat lid gelezen âde arbeidsovereenkomst op grond
van artikel 59, tweede lid, van de Wet algemene regels herindeling van
rechtswege is geĂ«indigdâ.
4. In afwijking van het eerste en tweede lid kunnen gedeputeerde staten
artikel 57 op verzoek van de secretaris op hem van overeenkomstige
toepassing verklaren.
5. De voorgaande leden zijn van overeenkomstige toepassing op de
griffier van een gemeente die wordt opgeheven.
Artikel 60
1. Indien een nieuwe gemeente wordt ingesteld, wijzen gedeputeerde
staten uiterlijk een maand voor de datum van herindeling een tijdelijke
secretaris en een tijdelijke griffier aan. De aanwijzing gaat in met
ingang van de datum van herindeling.
2. De aanwijzing van de tijdelijke secretaris en de tijdelijke griffier
eindigt van rechtswege op de dag waarop overeenkomstig de Gemeentewet in
de functies van secretaris en van griffier is voorzien.
3. Artikel 36, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing op de
tijdelijke secretaris en de tijdelijke griffier.
Artikel 61
1. Het personeel, dat in dienst is van een gemeenschappelijke regeling
met rechtspersoonlijkheid die ingevolge artikel 41, eerste of tweede
lid, vervalt, gaat met ingang van de datum van herindeling over in
dienst van de gemeente die op grond van artikel 44, eerste lid of tweede
lid, de rechtsopvolger is van de op te heffen gemeente.
2. Gedeputeerde staten van de betrokken provincie kunnen bepalen dat het
personeel, dat in dienst is van een gemeenschappelijke regeling met
rechtspersoonlijkheid die ingevolge artikel 41, vierde of vijfde lid,
wordt opgeheven, met ingang van de datum van herindeling overgaat in
dienst van de bij de goedkeuring van de opheffing aan te wijzen
gemeente.
3. Afdeling 8 van titel 10 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek is op
de in het eerste en tweede lid bedoelde overgang van toepassing. Als
verkrijger geldt de gemeente, waarnaar het personeel op grond van het
eerste of tweede lid overgaat.
4. Gedeputeerde staten van de betrokken provincie kunnen bepalen dat de
uitkeringen of betalingen waarop gewezen personeel, dat in dienst is of
was van een ingevolge artikel 41, vierde of vijfde lid, op te heffen of
opgeheven gemeenschappelijke regeling met rechtspersoonlijkheid op de
dag voorafgaande aan de herindeling wegens beëindiging van het
dienstverband of ziekte aanspraak maakte ten laste komen van de bij de
goedkeuring van de opheffing van de gemeenschappelijke regeling aan te
wijzen gemeente of gemeenten.
Artikel 2.13 Wet gemeenschappelijke regelingen
De Wet gemeenschappelijke regelingen wordt als volgt gewijzigd:
A
In artikel 33b, eerste lid, vervalt onderdeel d, onder verlettering van
de onderdelen e en f tot d en e.
B
In artikel 46b, eerste lid, vervalt onderdeel d, onder verlettering van
de onderdelen e en f tot d en e.
C
In artikel 57b, eerste lid, vervalt onderdeel d, onder verlettering van
de onderdelen e en f tot d en e.
Artikel 2.14 Wet gemeentelijke antidiscriminatievoorzieningen
In artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van de Wet gemeentelijke
antidiscriminatievoorzieningen vervalt âde artikelen 125g en 125h van
de Ambtenarenwet,â.
Artikel 2.15 Wet Huis voor klokkenluiders
De Wet Huis voor klokkenluiders wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 3d, tweede lid, komt te luiden:
2. In afwijking van artikel 4.6, eerste lid, van de Comptabiliteitswet
2016 vertegenwoordigt de voorzitter de Staat bij het aangaan, wijzigen
en beëindigen van individuele arbeidsovereenkomsten met de medewerkers
van het bureau.
B
Artikel 18e vervalt.
C
Artikel 18f vervalt.
Artikel 2.16 Wet Incompatibiliteiten Staten-Generaal en Europees
Parlement
De Wet Incompatibiliteiten Staten-Generaal en Europees Parlement wordt
als volgt gewijzigd:
A
Artikel 1, derde lid, komt te luiden:
3. Onder ambtenaar als bedoeld in het tweede lid, onder d, wordt mede
verstaan een ambtenaar van politie als bedoeld in artikel 2 van de
Politiewet 2012, een rechterlijk ambtenaar als bedoeld in artikel 1,
onderdeel b, sub 5o tot en met 7o en de officier in opleiding, genoemd
in artikel 1, onderdeel b, sub 10°, van de Wet op de rechterlijke
organisatie, alsmede een burgerlijk ambtenaar als bedoeld in artikel 1,
eerste lid, onderdeel a, van de Wet ambtenaren defensie 2017.
B
Artikel 2, derde lid, komt te luiden:
3. Onder ambtenaar als bedoeld in het tweede lid, onder d, wordt mede
verstaan een ambtenaar van politie als bedoeld in artikel 2 van de
Politiewet 2012, een rechterlijk ambtenaar als bedoeld in artikel 1,
onderdeel b, sub 5o tot en met 7o, en 10o, voor zover dat betrekking
heeft op de officier in opleiding, van de Wet op de rechterlijke
organisatie, alsmede een burgerlijk ambtenaar als bedoeld in artikel 1,
eerste lid, onderdeel a, van de Wet ambtenaren defensie.
C
Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het vierde lid wordt na âGedurende de non-activiteit wordtâ
ingevoegd " het loon ofâ.
2. In het zesde lid wordt âDegene die een in artikel 1, tweede en
derde lid, bedoeld ambt bekleedtâ vervangen door âDegene die een in
artikel 1, derde lid, bedoeld ambt bekleedtâ.
3. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:
7. De arbeidsovereenkomst van degene die een in artikel 1, tweede lid,
bedoeld ambt bekleedt en die tot het lidmaatschap van de Tweede Kamer
der Staten-Generaal of het Europees Parlement is toegelaten, eindigt in
verband daarmee van rechtswege met ingang van de dag van die toelating,
tenzij betrokkene voor die dag verzoekt om met ingang van die dag
tijdelijk te worden ontheven van de waarneming van zijn ambt.
D
Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt na âin zijn ambt genotenâ ingevoegd
âloon ofâ.
2. Het tweede lid komt te luiden:
2. Onder laatstelijk in zijn ambt genoten loon wordt verstaan het loon
als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Wet minimumloon en
minimumvakantiebijslag en, in afwijking van onderdeel a van dat lid, de
vakantiebijslag als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van die wet.
Onder laatstelijk in zijn ambt genoten bezoldiging wordt verstaan de
bezoldiging, bedoeld in artikel 48a, eerste lid, van de Politiewet 2012,
in artikel 1, eerste lid, onderdeel d, van de Wet rechtspositie
rechterlijke ambtenaren of in artikel 10, eerste lid, van de Wet
ambtenaren defensie.
3. In het derde lid wordt voor âde laatstelijk genoten bezoldigingâ
ingevoegd âhet laatstgenoten loon ofâ, na âwanneer de betrokkene
opâ ingevoegd âdat loon ofâ en na âin zijn ambt genotenâ
ingevoegd: âloon ofâ.
4. In het vierde lid wordt voor âals de laatstelijk in het ambt
genoten bezoldigingâ ingevoegd âals het laatstelijk in het ambt
genoten loon ofâ.
5. In het vijfde lid wordt na âmet betrekking tot de berekening vanâ
ingevoegd âhet in het tweede lid vermelde loon ofâ.
E
In artikel 5, eerste lid, wordt voor âde laatstelijk in zijn ambt
genoten bezoldigingâ ingevoegd âhet laatstelijk in zijn ambt genoten
loon ofâ.
F
Artikel 7 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt na ânaar het oordeel vanâ ingevoegd âde
overheidswerkgever ofâ.
2. Het tweede lid komt te luiden:
2. Is herstel in actieve dienst niet mogelijk, dan wordt aan de
ambtenaar, bedoeld in artikel 2, derde lid, eervol ontslag verleend. Als
gevolg van het eervol ontslag, is geen sprake van verwijtbare
werkloosheid in de zin van artikel 24 van de Werkloosheidswet.
Inkomsten, als bedoeld in artikel 6, worden beschouwd als inkomsten
genoten uit of in verband met arbeid of bedrijf na het ontslag ter hand
genomen.
Artikel 2.17 Wet Nationale ombudsman
De Wet Nationale ombudsman wordt als volgt gewijzigd:
A
In artikel 1, onderdeel d, wordt âeen persoon met wie door een
bestuursorgaan een arbeidsovereenkomst is gesloten naar burgerlijk
recht, ook na beëindiging van de arbeidsovereenkomst, een
dienstplichtig militair, ook na het einde van de dienstplichtâ
vervangen door âpersonen genoemd in artikel 3, onderdelen a, c, d, e
en f, van de Ambtenarenwet 2017 en in artikel 1, onderdeel b, onder 7o,
van de Wet op de rechterlijke organisatie, ook na beëindiging van de
aanstelling,â.
B
Artikel 11 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het tweede en derde lid komen te luiden:
2. Op voordracht van de ombudsman wordt bij koninklijk besluit besloten
tot het aangaan van een arbeidsovereenkomst met de tot het bureau
behorende personen. Tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst wordt
bij koninklijk besluit op voordracht van de ombudsman besloten, tenzij
de ombudsman de arbeidsovereenkomst opzegt op grond van artikel 677 van
Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.
3. Bij koninklijk besluit wordt bepaald in welke gevallen het tweede lid
niet van toepassing is.
2. Er worden twee leden toegevoegd, luidende:
4. Ten aanzien van het tot het bureau van de ombudsman behorende
personeel gelden de voor alle ambtenaren geldende arbeidsvoorwaarden die
zijn opgenomen in de laatstelijk afgesloten collectieve
arbeidsovereenkomst voor ambtenaren die krachtens een
arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn.
5. Op verzoek van de ombudsman kunnen in de collectieve
arbeidsovereenkomst, bedoeld in het vierde lid, andere
arbeidsvoorwaarden voor het tot het bureau van de ombudsman behorende
personeel worden opgenomen.
Artikel 2.18 Wet normalisering rechtspositie ambtenaren
De Wet normalisering rechtspositie ambtenaren wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel I wordt als volgt gewijzigd:
1. Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:
a. In het eerste lid wordt na âkrachtens een arbeidsovereenkomstâ
ingevoegd ânaar Nederlands rechtâ.
b. In het tweede lid wordt âonbezoldigdâ vervangen door âzonder
aanspraak op loon als bedoeld in artikel 610 van Boek 7 van het
Burgerlijk Wetboekâ.
2. Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:
a. Onderdeel b wordt als volgt gewijzigd:
1. in onderdeel 2o wordt âbedoeld in de artikelen 48, derde lidâ
vervangen door âbedoeld in de artikelen 48, tweede lidâ.
2. na onderdeel 4o worden de volgende onderdelen ingevoegd:
5o. de voorzitters en leden, bedoeld in artikel 8.16, derde lid, en
8.36, derde lid, van de Wet dieren, en hun plaatsvervangers;
6o. de personen die deel uitmaken van een orgaan als bedoeld in artikel
13, tweede lid, van de Landbouwkwaliteitswet;
7o. de voorzitter en leden van de Accountantskamer, bedoeld in artikel
11 van de Wet tuchtrechtspraak accountants, en hun plaatsvervangers;
8o. de voorzitter en leden, bedoeld in artikel 30 van de Loodsenwet, en
hun plaatsvervangers;
9o. de voorzitter en leden van het tuchtcollege voor de scheepvaart,
bedoeld in artikel 55a van de Wet zeevarenden, en hun plaatsvervangers;
10o. de voorzitter en leden van de kamers voor het notariaat, bedoeld in
artikel 94 van de Wet op het notarisambt, en hun plaatsvervangers;
11o. de voorzitter en leden-advocaten van de raden van discipline,
bedoeld in artikel 46b van de Advocatenwet, en hun plaatsvervangers;
12o. de voorzitter en leden-advocaten van het hof van discipline,
bedoeld in artikel 51van de Advocatenwet, en hun plaatsvervangers;
13o. de voorzitter en de leden van de kamer voor gerechtsdeurwaarders,
bedoeld in artikel 35van de Gerechtsdeurwaarderswet, en hun
plaatsvervangers;
14o. de voorzitters en leden van een tuchtcollege, bedoeld in de
artikelen 55 en 56 van de Wet op de beroepen in de individuele
gezondheidszorg, en hun plaatsvervangers.
15Âș. de voorzitter en leden van het College van beroep voor het hoger
onderwijs, bedoeld in artikel 7.64, tweede lid, van de Wet op het hoger
onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, en hun plaatsvervangers.
16o. de voorzitters en leden van de grondkamers, bedoeld in artikel 2,
eerste lid, van de Uitvoeringswet grondkamers, en hun plaatsvervangers,
alsmede de leden van de Centrale grondkamer, bedoeld in artikel 13,
eerste lid, van de Uitvoeringswet grondkamers, en hun plaatsvervangers.
b. In onderdeel c wordt âMilitaire Ambtenarenwet 1931â telkens
vervangen door âWet ambtenaren defensieâ.
c. Aan het slot van onderdeel f wordt ingevoegd â, en de
plaatsvervanger van de directeur van de Politieacademie, bedoeld in
artikel 76, eerste lid, van de Politiewet 2012â.
2a. Na artikel 3 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 3a
1. Overheidswerkgevers kunnen een onderzoek naar de geschiktheid en de
bekwaamheid voor een functie als ambtenaar doen. Indien noodzakelijk
kunnen zij daarbij bijzondere categorieën van persoonsgegevens en
persoonsgegevens van strafrechtelijke aard als bedoeld in paragraaf 3.1
onderscheidenlijk paragraaf 3.2 van de Uitvoeringswet Algemene
verordening gegevensbescherming verwerken.
2. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met
betrekking tot de soorten persoonsgegevens die verwerkt kunnen worden.
3. Artikel 5, tweede lid, vervalt onder vernummering van het derde lid
tot tweede lid.
4. Na artikel 13 wordt een nieuwe paragraaf ingevoegd, luidende:
§ 4a. De Staat
Artikel 13a
Bij koninklijk besluit wordt besloten tot het aangaan van een
arbeidsovereenkomst ter zake van bij algemene maatregel van bestuur
aangewezen functies. Tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst wordt
bij koninklijk besluit besloten, tenzij de Staat de arbeidsovereenkomst
opzegt op grond van artikel 677 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 13b
1. Ten aanzien van de ambtenaren van de Staten-Generaal gelden de voor
alle ambtenaren geldende arbeidsvoorwaarden die zijn opgenomen in de
laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor ambtenaren
die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn.
2. Op verzoek van de Staten-Generaal kunnen in de collectieve
arbeidsovereenkomst, bedoeld in het eerste lid, andere
arbeidsvoorwaarden voor de ambtenaren van de Staten-Generaal worden
opgenomen.
5. Artikel 14 wordt als volgt gewijzigd:
a. In het eerste lid, eerste zin, wordt âeen ambtenaarâ vervangen
door âeen ambtenaar als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de
Ambtenarenwet, die op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I
van de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren aanspraak had op
bezoldiging als bedoeld in artikel 115 van de Ambtenarenwet die
kwalificeert als loon in de zin van artikel 610, eerste lid, van Boek 7
van het Burgerlijk Wetboekâ.
b. Het tweede lid wordt vervangen door drie leden, luidende:
2. Met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I van de
Wet normalisering rechtspositie ambtenaren wordt de aanstelling die voor
dat tijdstip is verleend aan een ambtenaar als bedoeld in het eerste lid
die geen aanspraak had op bezoldiging als bedoeld in het eerste lid van
rechtswege omgezet in een overeenkomst. Van de overeenkomst maken deel
uit de op dat tijdstip ten aanzien van de ambtenaar bestaande
beslissingen, afspraken en toezeggingen inzake het verrichten van de
arbeid, waaronder in ieder geval zijn begrepen: duur van het
dienstverband, kostenvergoedingen, werktijden, rooster, verlof,
faciliteiten voor de uitoefening van de functie en studiefaciliteiten.
3. Met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I van de
Wet normalisering rechtspositie ambtenaren worden aanstellingen verleend
voorafgaand aan de aanstelling, bedoeld in het eerste lid, als
arbeidsovereenkomsten naar burgerlijk recht beschouwd.
4. De voorgaande leden zijn niet van toepassing op personen als bedoeld
in artikel 3.
6. Artikel 17 wordt als volgt gewijzigd:
a. In artikel 17, eerste lid, wordt na âDe krachtens deze wetâ
ingevoegd âen artikel 15, tweede lid, van de Kaderwet zelfstandige
bestuursorganenâ en wordt âluiddeâ vervangen door âluiddenâ.
b. In het tweede lid wordt âambtenarenâ vervangen door âambtenaren
als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Ambtenarenwet,â.
c. In het derde lid wordt âeen overheidswerkgever en zijn
ambtenarenâ vervangen door âambtenaren als bedoeld in artikel 1,
eerste lid, van de Ambtenarenwet en hun werkgeverâ.
d. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:
4. Het eerste tot en met derde lid zijn niet van toepassing op algemeen
verbindende voorschriften, voor zover zij betrekking hebben op de
rechtspositie van degenen met wie op grond van artikel 3 geen
arbeidsovereenkomst wordt gesloten.
B
Artikel IIA wordt als volgt gewijzigd:
1. Onderdeel A, wordt als volgt gewijzigd:
a. In onderdeel 1 wordt âBij of krachtens algemene maatregel van
bestuur op voordracht van Onze Minister van Veiligheid en Justitie
worden voor de ambtenaren van politie, bedoeld in artikel 2,
voorschriften vastgesteldâ vervangen door âBij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden voor de politie voorschriften
vastgesteldâ.
b. Onderdeel 2 komt te luiden:
2. Het vierde lid komt te luiden:
4. De paragrafen 2, 3 en 4 van de Ambtenarenwet 2017 zijn, met
uitzondering van artikel 6, tweede lid, van overeenkomstige toepassing
op de politie.
2. Onderdeel B komt te luiden:
B
Artikel 53, derde lid, komt te luiden:
3. De artikelen 44a, 47, 47a, 47b, 47c en 48 en de paragrafen 3.5.2. en
3.5.3. zijn van overeenkomstige toepassing op de rijksrecherche.
C
In artikel IIB, onderdeel B, wordt artikel 12o als volgt gewijzigd:
a. In het derde lid wordt âzijn van toepassing op de ambtenaren,
bedoeld in het eerste lidâ vervangen door âzijn, met uitzondering
van artikel 6, tweede lid, van overeenkomstige toepassing op de
ambtenaren, bedoeld in het eerste lidâ.
b. Er worden twee leden toegevoegd, luidende:
5. De ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, die te goeder trouw en naar
behoren een vermoeden van een misstand als bedoeld in artikel 1,
onderdeel d, van de Wet Huis voor klokkenluiders meldt, zal als gevolg
daarvan geen nadelige gevolgen voor zijn rechtspositie ondervinden
tijdens en na de behandeling van deze melding bij het bevoegd gezag of
de daartoe bevoegde instantie.
6. De artikelen 12b en 12c zijn van overeenkomstige toepassing op de
ambtenaren, bedoeld in het eerste lid.
Ca
Artikel III, onderdeel B, komt te luiden:
B
Artikel 662 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid vervalt, onder vernummering van het tweede en derde
lid tot eerste en tweede lid.
2. Aan het eerste lid (nieuw), onderdeel b, wordt toegevoegd â
waaronder begrepen de uitoefening van openbaar gezagâ.
D
Artikel VI komt te luiden:
ARTIKEL VI
Artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de loonvorming komt te
luiden:
a. personen, op wie artikel 3 van de Ambtenarenwet 2017 van toepassing
is;.
Artikel 2.19 Wet op de parlementaire enquĂȘte 2008
Artikel 1, tweede lid, van de Wet op de parlementaire enquĂȘte 2008 komt
te luiden:
2. In deze wet wordt mede verstaan onder ambtenaar: de ambtenaar als
bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, van de Wet ambtenaren
defensie en de dienstplichtige als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
onderdeel b, van de Kaderwet dienstplicht.
Artikel 2.20 Wet op de Raad van State
In hoofdstuk I, afdeling 4 van de Wet op de Raad van State wordt voor
artikel 14 een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 13a
1. Ten aanzien van de secretaris en de aan de Raad toegevoegde
ambtenaren gelden de voor alle ambtenaren geldende arbeidsvoorwaarden
die zijn opgenomen in de laatstelijk afgesloten collectieve
arbeidsovereenkomst voor ambtenaren die krachtens een
arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn.
2. Op verzoek van de Raad van State kunnen in de collectieve
arbeidsovereenkomst, bedoeld in het eerste lid, andere
arbeidsvoorwaarden voor de secretaris en de aan de Raad toegevoegde
ambtenaren worden opgenomen.
Artikel 2.21 [VERVALLEN]
Artikel 2.22 Wet rechtspositie ministers en staatssecretarissen
De Wet rechtspositie ministers en staatssecretarissen wordt als volgt
gewijzigd:
A
Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het tweede lid wordt âIndien de bezoldiging van het burgerlijk
rijkspersoneel wordt gewijzigd en wordt bepaald datâ vervangen door
âIndien voor de ambtenaren die op grond van een arbeidsovereenkomst
met de Staat werkzaam zijn bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties in een collectieve arbeidsovereenkomst een wijziging
van het loon is overeengekomen en daarbij is bepaald datâ.
2. In het derde lid wordt âIndien aan het burgerlijk rijkspersoneel
een eenmalige uitkering wordt toegekendâ vervangen door âIndien voor
de ambtenaren, bedoeld in het tweede lid, in een collectieve
arbeidsovereenkomst een eenmalige uitkering is overeengekomenâ.
B
In artikel 2, eerste lid, wordt âop de voet van de regeling voor het
burgerlijk rijkspersoneelâ vervangen door âop de voet van hetgeen
daaromtrent voor de ambtenaren die op grond van een arbeidsovereenkomst
met de Staat werkzaam zijn bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties in een collectieve arbeidsovereenkomst is
overeengekomenâ.
C
In artikel 3 wordt âop de voet van de regeling voor het burgerlijk
rijkspersoneelâ vervangen door âop de voet van hetgeen voor de
ambtenaren die op grond van een arbeidsovereenkomst met de Staat
werkzaam zijn bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties daaromtrent in een collectieve arbeidsovereenkomst
is overeengekomenâ.
D
De artikelen 4 en 5 komen te luiden:
Artikel 4
1. Op de bezoldiging en uitkeringen, bedoeld in artikel 1, derde lid,
artikel 2, eerste lid, en artikel 3 is, voor zover in deze wet niet
anders is bepaald, beslag mogelijk overeenkomstig de voorschriften van
het gemene recht.
2. Kostenvergoedingen krachtens artikel 2, tweede lid, zijn niet vatbaar
voor beslag.
Artikel 5
Onverschuldigd betaalde bezoldiging of uitkeringen als bedoeld in
artikel 1, derde lid, artikel 2, eerste lid, en artikel 3 kunnen worden
teruggevorderd.
E
Na artikel 5 worden zeven artikelen ingevoegd, luidende:
Artikel 5a
1. Met de bezoldiging en de uitkeringen, bedoeld in artikel 1, derde
lid, artikel 2, eerste lid, en artikel 3, kan worden verrekend hetgeen
de minister of staatssecretaris of zijn nagelaten betrekkingen zelf als
zodanig aan de Staat verschuldigd is of zijn.
2. Verrekening als bedoeld in het eerste lid kan plaatshebben ondanks
gelegd beslag of toegepaste korting als bedoeld in artikel 5b, eerste
lid.
3. Verrekening als bedoeld in het eerste lid is slechts in zoverre
geldig als een beslag op die bezoldiging of uitkeringen geldig zou zijn,
met dien verstande dat verrekening van hetgeen wegens genoten
huisvesting of voeding is verschuldigd eveneens kan plaatsvinden met dat
deel van de bezoldiging dat de beslagvrije voet, bedoeld in artikel 475d
van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering vormt.
Artikel 5b
1. Op de bezoldiging en de uitkeringen, bedoeld in artikel 1, derde lid,
artikel 2, eerste lid, en artikel 3, kan ten behoeve van een schuldeiser
van de minister of staatssecretaris of zijn nagelaten betrekkingen een
korting worden toegepast, mits de minister of staatssecretaris
onderscheidenlijk zijn nagelaten betrekkingen de vordering van de
schuldeiser erkent of erkennen dan wel het bestaan van de vordering
blijkt uit een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraak dan
wel uit een authentieke akte.
2. Korting is slechts in zoverre geldig als een beslag op die
bezoldiging geldig zou zijn.
3. Beslag, faillissement, surséance van betaling en toepassing ten
aanzien van de minister of staatssecretaris of zijn nagelaten
betrekkingen van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen sluiten
korting uit.
Artikel 5c
Voor de toepassing van de artikelen 475b, tweede en derde lid, en 475d,
vierde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering worden,
onverminderd artikel 5a, tweede lid, en artikel 5b, derde lid,
verrekening en korting gelijkgesteld met beslag.
Artikel 5d
Indien verscheidene schuldeisers uit hoofde van beslag of korting
aanspraak hebben op een deel van de bezoldiging geschiedt de verdeling
naar evenredigheid der inschulden, voor zover niet de ene schuldeiser
voorrang heeft boven de anderen.
Artikel 5e
1. Overdracht, inpandgeving of elke andere handeling waardoor de
minister of staatssecretaris of zijn nagelaten betrekkingen enig recht
op zijn bezoldiging aan een derde toekent of toekennen, is slechts
geldig voor dat deel van de bezoldiging waarop beslag geldig zou zijn.
2. Een volmacht tot voldoening of invordering van de bezoldiging is
slechts geldig indien zij schriftelijk is verleend en is steeds
herroepelijk.
Artikel 5f
Betaling of afgifte aan een gemachtigde, nadat een volmacht tot
voldoening of invorderingen van bezoldiging is geëindigd, ontlasten de
Staat, indien een gegeven opdracht tot de betaling of afgifte niet meer
tijdig kon worden ingetrokken, toen de Staat van het eindigen van de
volmacht kennis kreeg.
Artikel 5g
Beslag omvat in deze wet ook de invordering, bedoeld in artikel 19 van
de Invorderingswet 1990.
Artikel 2.23 Wet rechtspositie Raad van State, Algemene Rekenkamer en
Nationale ombudsman
De Wet rechtspositie Raad van State, Algemene Rekenkamer en Nationale
ombudsman wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het zesde lid, wordt âop de voet van de regeling hieromtrent
voor het personeel werkzaam bij de sector Rijkâ vervangen door âop
de voet van hetgeen hieromtrent voor de ambtenaren die op grond van een
arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn bij het Ministerie van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in een collectieve
arbeidsovereenkomst is overeengekomenâ.
2. In het zevende lid wordt âIndien de bezoldiging van het personeel
werkzaam bij de sector Rijk wijziging ondergaat, en wordt bepaald datâ
vervangen door âIndien voor de ambtenaren die op grond van een
arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn bij het Ministerie van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in een collectieve
arbeidsovereenkomst een wijziging van het loon is overeengekomen en
daarbij is overeengekomen datâ.
B
In artikel 2, tweede lid, wordt âop de voet van de regeling
hieromtrent voor het personeel werkzaam bij de sector Rijkâ vervangen
door âop de voet van hetgeen hieromtrent voor de ambtenaren die op
grond van een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn bij het
Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in een
collectieve arbeidsovereenkomst is overeengekomenâ.
C
In artikel 3, eerste lid, wordt âop de voet van de regeling
hieromtrent geldt voor het personeel werkzaam bij de sector Rijkâ
vervangen door âop de voet van hetgeen daaromtrent voor de ambtenaren
die op grond van een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn bij
het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in een
collectieve arbeidsovereenkomst is overeengekomenâ.
D
De artikelen 6 tot en met 12 komen te luiden:
Artikel 6
1. Op de bezoldiging, bedoeld in artikel 1, eerste tot en met vijfde
lid, de uitkering, bedoeld in artikel 1, zesde lid, en de vergoeding,
bedoeld in artikel 2, eerste lid, alsmede op de
ambtsjubileumgratificatie, de vakantie-uitkering en de
eindejaarsuitkering, bedoeld in artikel 3, eerste lid, is, voor zover in
deze wet niet anders is bepaald, beslag mogelijk overeenkomstig de
voorschriften van het gemene recht.
2. Kostenvergoedingen krachtens artikel 3, tweede lid, zijn niet vatbaar
voor beslag.
Artikel 7
Onverschuldigd betaalde bezoldiging als bedoeld in artikel 1, eerste tot
en met vijfde lid, uitkeringen als bedoeld in artikel 1, zesde lid,
vergoeding als bedoeld in artikel 2, eerste lid, en
ambtsjubileumgratificaties, vakantie-uitkeringen en
eindejaarsuitkeringen als bedoeld in artikel 3, eerste lid, kunnen
worden teruggevorderd.
Artikel 8
1. Met bezoldiging als bedoeld in artikel 1, eerste tot en met vijfde
lid, uitkeringen als bedoeld in artikel 1, zesde lid, vergoeding als
bedoeld in artikel 2, eerste lid, en ambtsjubileumgratificaties,
vakantie-uitkeringen en eindejaarsuitkeringen als bedoeld in artikel 3,
eerste lid, kan worden verrekend hetgeen de betrokken functionaris of
zijn nagelaten betrekkingen zelf als zodanig aan de Staat verschuldigd
is of zijn.
2. Verrekening als bedoeld in het eerste lid kan plaatshebben ondanks
gelegd beslag of toegepaste korting als bedoeld in artikel 9, eerste
lid.
3. Verrekening als bedoeld in het eerste lid is slechts in zoverre
geldig als een beslag op die bezoldiging, ambtsjubileumgratificaties,
vakantie-uitkeringen of eindejaarsuitkeringen geldig zou zijn, met dien
verstande dat verrekening van hetgeen wegens genoten huisvesting of
voeding is verschuldigd eveneens kan plaatsvinden met dat deel van de
bezoldiging dat de beslagvrije voet, bedoeld in artikel 475d van het
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering vormt.
Artikel 9
1. Op bezoldiging als bedoeld in artikel 1, eerste tot en met vijfde
lid, uitkeringen als bedoeld in artikel 1, zesde lid, vergoeding als
bedoeld in artikel 2, eerste lid, en ambtsjubileumgratificaties,
vakantie-uitkeringen en eindejaarsuitkeringen als bedoeld in artikel 3,
eerste lid, kan ten behoeve van een schuldeiser van de betrokken
functionaris of zijn nagelaten betrekkingen een korting worden
toegepast, mits deze functionaris onderscheidenlijk zijn nagelaten
betrekkingen de vordering van de schuldeiser erkent of erkennen dan wel
het bestaan van de vordering blijkt uit een in kracht van gewijsde
gegane rechterlijke uitspraak dan wel uit een authentieke akte.
2. Korting is slechts in zoverre geldig als een beslag op die
bezoldiging geldig zou zijn.
3. Beslag, faillissement, surséance van betaling en toepassing ten
aanzien van de betrokken functionaris of zijn nagelaten betrekkingen van
de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen sluiten korting uit.
Artikel 10
Voor de toepassing van de artikelen 475b, tweede en derde lid, en 475d,
vierde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering worden,
onverminderd artikel 8, tweede lid, en artikel 9, derde lid, verrekening
en korting gelijkgesteld met beslag.
Artikel 11
Indien verscheidene schuldeisers uit hoofde van beslag of korting
aanspraak hebben op een deel van de bezoldiging geschiedt de verdeling
naar evenredigheid der inschulden, voor zover niet de ene schuldeiser
voorrang heeft boven de anderen.
Artikel 12
1. Overdracht, inpandgeving of elke andere handeling waardoor de
betrokken functionaris of zijn nagelaten betrekkingen enig recht op zijn
bezoldiging aan een derde toekent of toekennen, is slechts geldig voor
dat deel van de bezoldiging waarop beslag geldig zou zijn.
2. Een volmacht tot voldoening of invordering van de bezoldiging is
slechts geldig indien zij schriftelijk is verleend en is steeds
herroepelijk.
E
Na artikel 12 worden twee artikelen ingevoegd, luidende:
Artikel 12a
Betaling of afgifte aan een gemachtigde, nadat een volmacht tot
voldoening of invorderingen van bezoldiging is geëindigd, ontlasten de
Staat, indien een gegeven opdracht tot de betaling of afgifte niet meer
tijdig kon worden ingetrokken, toen de Staat van het eindigen van de
volmacht kennis kreeg.
Artikel 12b
Beslag omvat in deze wet ook de invordering, bedoeld in artikel 19 van
de Invorderingswet 1990.
Artikel 2.24 Wet schadeloosstelling, uitkering en pensioen leden
Europees Parlement
Artikel 2a van de Wet schadeloosstelling, uitkering en pensioen leden
Europees Parlement wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt âIndien aan het burgerlijk rijkspersoneel
een eenmalige uitkering wordt toegekend en wordt bepaald datâ
vervangen door âIndien voor de ambtenaren die op grond van een
arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn bij het Ministerie van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in een collectieve
arbeidsovereenkomst een eenmalige uitkering is overeengekomen en daarbij
is bepaald datâ.
2. In het tweede lid wordt âwordt âovereenkomstig de bepalingen
welke daaromtrent voor het burgerlijk rijkspersoneel zijn vastgesteldâ
vervangen door âop de voet van hetgeen daaromtrent voor de ambtenaren
die op grond van een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn bij
het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in een
collectieve arbeidsovereenkomst is overeengekomenâ.
Artikel 2.25 Wet vergoedingen adviescolleges en commissies
In artikel 2, tweede lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en
commissies wordt âhet personeel werkzaam bij de sector Rijkâ
vervangen door âde ambtenaren die op grond van een arbeidsovereenkomst
met de Staat werkzaam zijnâ.
HOOFDSTUK 3. MINISTERIE VAN DEFENSIE
Artikel 3.1 Militaire ambtenarenwet 1931
De Militaire ambtenarenwet 1931 wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 1, eerste lid, onderdeel a, komt te luiden:
a. ambtenaren: militaire ambtenaren en burgerlijke ambtenaren, waarbij
wordt verstaan onder:
1. militaire ambtenaren: zij, die zijn aangesteld bij het
beroepspersoneel van de krijgsmacht of bij het reservepersoneel van de
krijgsmacht om in militaire openbare dienst werkzaam te zijn,
2. burgerlijke ambtenaren: burgerlijke ambtenaren die zijn aangesteld om
werkzaam te zijn bij het Ministerie van Defensie;
B
Na artikel 9 wordt ingevoegd:
TITEL IIA. BESLAG, TERUGVORDERING, VERREKENING EN KORTING
C
Artikel 10 komt te luiden:
Artikel 10
1. In deze titel wordt verstaan onder bezoldiging:
a. de bedragen - onder de benaming bezoldiging of welke benaming ook -
waarop de ambtenaar als zodanig uit hoofde van zijn dienstbetrekking
aanspraak heeft;
b. de bedragen - onder de benaming pensioen, wachtgeld, uitkering of
welke benaming ook - waarop de gewezen ambtenaar als zodanig uit hoofde
van zijn vroegere dienstbetrekking aanspraak heeft of waarop zijn
nagelaten betrekkingen uit hoofde van zijn overlijden aanspraak hebben.
2. Onder ambtenaar wordt in deze titel mede verstaan de nagelaten
betrekkingen van een ambtenaar die uit hoofde van zijn overlijden
pensioen genieten.
3. Beslag omvat in deze titel ook de vordering, bedoeld in artikel 19
van de Invorderingswet 1990.
D
Na artikel 10 worden acht artikelen ingevoegd, luidende:
Artikel 10a
1. Op bezoldiging is, voor zover in deze wet niet anders is bepaald,
beslag mogelijk overeenkomstig de voorschriften van het gemene recht.
2. Kostenvergoedingen welke verband houden met de dienstverrichting zijn
niet vatbaar voor beslag.
Artikel 10b
Door Onze Minister onverschuldigd betaalde bezoldiging kan worden
teruggevorderd.
Artikel 10c
1. Met verschuldigde bezoldiging kan worden verrekend hetgeen de
ambtenaar als zodanig aan Onze Minister verschuldigd is.
2. Verrekening kan plaatshebben ondanks gelegd beslag of toegepaste
korting als bedoeld in artikel 10d, eerste lid.
3. Verrekening is slechts in zoverre geldig als een beslag op die
bezoldiging geldig zou zijn, met dien verstande dat verrekening van
hetgeen wegens genoten huisvesting of voeding is verschuldigd eveneens
kan plaatsvinden met dat deel van de bezoldiging dat de beslagvrije
voet, bedoeld in artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering vormt.
Artikel 10d
1. Onze Minister kan op de bezoldiging ten behoeve van een schuldeiser
van de ambtenaar een korting toepassen, mits de ambtenaar de vordering
van de schuldeiser erkent of het bestaan van de vordering blijkt uit een
in kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraak dan wel uit een
authentieke akte.
2. Korting is slechts in zoverre geldig als een beslag op die
bezoldiging geldig zou zijn.
3. Beslag, faillissement, surséance van betaling en toepassing ten
aanzien van de ambtenaar van de schuldsaneringsregeling natuurlijke
personen sluiten korting uit.
Artikel 10e
Voor de toepassing van de artikelen 475b, tweede en derde lid, en 475d,
vierde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering worden,
onverminderd artikel 10c, tweede lid, en artikel 10d, derde lid,
verrekening en korting gelijkgesteld met beslag.
Artikel 10f
Indien verscheidene schuldeisers uit hoofde van beslag of korting
aanspraak hebben op een deel van de bezoldiging, geschiedt de verdeling
naar evenredigheid der inschulden, voor zover niet de ene schuldeiser
voorrang heeft boven de anderen.
Artikel 10g
1. Overdracht, inpandgeving of elke andere handeling, waardoor de
ambtenaar enig recht op zijn bezoldiging aan een derde toekent is
slechts geldig voor dat deel van de bezoldiging waarop beslag geldig zou
zijn.
2. Een volmacht tot voldoening of invordering van de bezoldiging is
slechts geldig indien zij schriftelijk is verleend en is steeds
herroepelijk.
Artikel 10h
Betaling of afgifte aan een gemachtigde, nadat een volmacht tot
voldoening of invorderingen van bezoldiging is geëindigd, ontlasten
Onze Minister, indien een gegeven opdracht tot de betaling of afgifte
niet meer tijdig kon worden ingetrokken, toen Onze Minister van het
eindigen van de volmacht kennis kreeg.
C
Na artikel 12o wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 12p
1. Het bevoegd gezag maakt geen onderscheid tussen ambtenaren op grond
van een verschil in arbeidsduur in de voorwaarden waaronder een
aanstelling wordt verleend, verlengd dan wel beëindigd, tenzij een
dergelijk onderscheid objectief gerechtvaardigd is.
2. Het bevoegd gezag maakt geen onderscheid tussen ambtenaren in de
arbeidsvoorwaarden op grond van het al dan niet tijdelijk karakter van
de aanstelling, tenzij een dergelijk onderscheid objectief
gerechtvaardigd is.
3. Het bevoegd gezag beëindigt het dienstverband met de ambtenaar niet
wegens de omstandigheid dat betrokkene in of buiten rechte een beroep
heeft gedaan op het bepaalde in het eerste of tweede lid of ter zake
bijstand heeft verleend.
4. Het bevoegd gezag benadeelt de ambtenaar niet wegens de omstandigheid
dat betrokkene in of buiten rechte een beroep heeft gedaan op het
bepaalde in het eerste lid of tweede lid of ter zake bijstand heeft
verleend.
5. Het bevoegd gezag stelt de ambtenaar die is aangesteld in tijdelijke
dienst tijdig en duidelijk in kennis van een vacature met een
dienstverband voor onbepaalde tijd.
6. Het College, bedoeld in artikel 1 van de Wet College voor de rechten
van de mens, kan onderzoeken of een onderscheid is of wordt gemaakt als
bedoeld in dit artikel. De artikelen 10, 11, 12, 13, 22 en 23 van de Wet
College voor de rechten van de mens zijn van overeenkomstige toepassing.
D
Na artikel 12p wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 12q
1. Voor de burgerlijke ambtenaar die de in artikel 7, eerste lid,
onderdeel a, van de Algemene Ouderdomswet bedoelde leeftijd heeft
bereikt en die is aangesteld in tijdelijke dienst geldt die aanstelling
als een aanstelling in vaste dienst vanaf de dag waarop:
a. de door Onze Minister van Defensie verleende aanstellingen in
tijdelijke dienst elkaar met tussenpozen van niet meer dan zes maanden
hebben opgevolgd en een periode van 48 maanden, deze tussenpozen
inbegrepen, hebben overschreden;
b. meer dan zes door hetzelfde bevoegd gezag verleende aanstellingen in
tijdelijke dienst elkaar hebben opgevolgd met tussenpozen van niet meer
dan zes maanden.
2. Voor de vaststelling of de in het eerste lid bedoelde periode of het
aantal opvolgende aanstellingen is overschreden, worden slechts de
aanstellingen in tijdelijke dienst in aanmerking worden genomen die zijn
aangegaan na het bereiken van de in het eerste lid bedoelde leeftijd.
3. De in acht te nemen termijn van opzegging van het dienstverband van
de ambtenaar, bedraagt voor de ambtenaar die de in het eerste lid
bedoelde leeftijd heeft bereikt, een maand.
4. Voor zover in verband met een reorganisatie arbeidsplaatsen
vervallen, wordt de ambtenaar die de in het eerste lid bedoelde leeftijd
heeft bereikt het eerst voor ontslag in aanmerking gebracht. In deze
leeftijdsgroep worden vervolgens de ambtenaren met het kortste
dienstverband het eerst voor ontslag in aanmerking gebracht.
5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt bepaald welke
diensttijd wordt meegeteld voor de berekening van de duur van het
dienstverband, bedoeld in de tweede zin van het vierde lid.
6. De ambtenaar die de in het eerste lid bedoelde leeftijd heeft
bereikt, kan worden ontslagen op grond van ongeschiktheid tot het
verrichten van zijn arbeid wegens ziekte, indien:
a. er sprake is van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid
wegens ziekte gedurende een ononderbroken periode van zes weken, en
b. herstel van zijn ziekte niet binnen een periode van zes weken na de
in onderdeel a genoemde periode van zes weken te verwachten is. Indien
de ongeschiktheid wegens ziekte een aanvang heeft genomen voor de datum
waarop de ambtenaar de in het eerste lid bedoelde leeftijd heeft
bereikt, geldt vanaf die datum de in onderdeel a genoemde termijn van
zes weken, voor zover het totale tijdvak niet meer bedraagt dan twee
jaar.
7. Voor de berekening van de periode van zes weken, bedoeld in het zesde
lid, onderdeel a, worden perioden van ongeschiktheid tot het verrichten
van arbeid wegens ziekte samengeteld indien zij elkaar met een
onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.
8. Om te beoordelen of sprake is van een situatie als bedoeld in het
zesde lid, onderdelen a en b, kan het bevoegd gezag een onderzoek naar
en een oordeel over het bestaan van ongeschiktheid tot werken als
bedoeld in artikel 32, zesde lid, van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen aanvragen.
9. In afwijking van de in het zesde en zevende lid genoemde termijn van
6 weken, geldt tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip een
termijn van dertien weken voor de werknemer die de in artikel 7a van de
Algemene Ouderdomswet bedoelde leeftijd heeft bereikt.
10. Indien de ongeschiktheid wegens ziekte een aanvang heeft genomen
voor de datum waarop de werknemer de in het eerste lid bedoelde leeftijd
heeft bereikt, geldt vanaf die datum de in het negende lid genoemde
termijn, voor zover het totale tijdvak niet meer bedraagt dan 104 weken.
11. Met ingang van het tijdstip, bedoeld in het negende lid, geldt de in
het zesde lid, onderdeel a, genoemde termijn van zes weken, voor zover
het totale tijdvak niet meer bedraagt dan dertien weken.
12. Het tijdstip, bedoeld in het negende lid, wordt niet eerder
vastgesteld, dan nadat:
a. Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een verslag over
de doeltreffendheid en de effecten van de Wet werken na de
AOW-gerechtigde leeftijd in de praktijk gedurende de eerste twee jaren
na inwerkingtreding van die wet, aan de beide kamers der Staten-Generaal
heeft gezonden, en
b. acht weken zijn verstreken nadat het voornemen tot het vaststellen
van dat tijdstip is meegedeeld aan de beide kamers der Staten-Generaal.
13. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan ten gunste van
de ambtenaar die de in het eerste lid bedoelde leeftijd heeft bereikt,
van dit artikel worden afgeweken.
E
Artikel 17 komt te luiden:
Artikel 17
Deze wet wordt aangehaald als: Wet ambtenaren defensie.
Artikel 3.2 Kaderwet Dienstplicht
De Kaderwet Dienstplicht wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 25 komt te luiden:
Artikel 25
Titel IIa van de Wet ambtenaren defensie vindt op dienstplichtigen in
werkelijke dienst en op gewezen dienstplichtigen overeenkomstige
toepassing.
B
In artikel 33 wordt âMilitaire ambtenarenwet 1931â vervangen door
âWet ambtenaren defensieâ.
Artikel 3.3 Kaderwet militaire pensioenen
In artikel 1 van de Kaderwet militaire pensioenen wordt âMilitaire
ambtenarenwet 1931â vervangen door âWet ambtenaren defensieâ.
Artikel 3.4 Uitkeringswet gewezen militairen
In artikel 1 van de Uitkeringswet gewezen militairen wordt âMilitaire
ambtenarenwet 1931â vervangen door âWet ambtenaren defensieâ.
Artikel 3.5 Veteranenwet
In de artikelen 1 en 6 van de Veteranenwet wordt âMilitaire
ambtenarenwet 1931â vervangen door âWet ambtenaren defensieâ.
HOOFDSTUK 4. MINISTERIE VAN FINANCIĂN
Artikel 4.1 Comptabiliteitswet 2016
De Comptabiliteitswet 2016 wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 7.3 komt te luiden:
Artikel 7.3 De secretaris
1. De Algemene Rekenkamer heeft een secretaris.
2. Op voordracht van de Algemene Rekenkamer wordt bij koninklijk besluit
besloten tot het aangaan van een arbeidsovereenkomst met de secretaris.
Tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst wordt bij koninklijk besluit
op voordracht van de Algemene Rekenkamer besloten, tenzij de Algemene
Rekenkamer de arbeidsovereenkomst opzegt op grond van artikel 677 van
Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.
B
Artikel 7.11 komt te luiden:
Artikel 7.11 Ambtenaren van de Algemene Rekenkamer
1. Het college van de Algemene Rekenkamer kan het aangaan, wijzigen en
beëindigen van de arbeidsovereenkomsten met de ambtenaren van de
Algemene Rekenkamer opdragen aan de secretaris.
2. Ten aanzien van de ambtenaren van de Algemene Rekenkamer gelden de
voor alle ambtenaren geldende arbeidsvoorwaarden die zijn opgenomen in
de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor
ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam
zijn.
3. Op verzoek van de Algemene Rekenkamer kunnen in de collectieve
arbeidsovereenkomst, bedoeld in het tweede lid, andere
arbeidsvoorwaarden voor de ambtenaren van de Algemene Rekenkamer worden
opgenomen.
4. Van de ambtenaren van de Algemene Rekenkamer wordt door de president
hetzij de eed, hetzij de verklaring en belofte afgenomen.
Artikel 4.2 Wet tuchtrechtspraak accountants
A
Artikel 13 komt te luiden:
1. De voorzitter, de leden en de plaatsvervangende leden worden op
voordracht van Onze Minister bij koninklijk besluit benoemd voor een
periode van zes jaren.
2. Aanwijzing van de secretaris geschiedt bij koninklijk besluit op
voordracht van Onze Minister voor een periode van zes jaren.
3. De plaatsvervangend-secretarissen worden aangewezen door de
voorzitter van de accountantskamer.
4. De aanwijzingen, bedoeld in het tweede en derde lid, eindigen van
rechtswege met ingang van de datum dat de uitoefening van de functie van
secretaris geen onderdeel meer uitmaakt van de werkzaamheden van de
betreffende ambtenaar.
B
In artikel 15, eerste lid, eerste zin, vervalt âen de secretarisâ.
C
Artikel 19, eerste en tweede lid, komen te luiden:
Artikel 19
1. De voorzitter, de leden, de plaatsvervangende leden die rechterlijk
ambtenaar met rechtspraak belast zijn, alsmede de secretaris en de
plaatsvervangend-secretarissen, worden voor hun werkzaamheden bij de
accountantskamer vrijgesteld.
2. Onze Minister compenseert het betrokken gerecht voor het vrijstellen
van de personen, bedoeld in het eerste lid.
D
In de bijlage bij de wet, bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de Wet
tuchtrechtspraak accountants vervalt in de eerste en de laatste zin
telkens â, de secretarisâ.
Artikel 4.3 Wet waardering onroerende zaken
De Wet waardering onroerende zaken wordt als volgt gewijzigd:
A
In artikel 4, vijfde lid, wordt âvan artikel 9â vervangen door
âvan de artikelen 9 en 15â.
B
Artikel 8, eerste lid, komt te luiden:
1. De Waarderingskamer heeft een secretariaat onder leiding van een
secretaris. In overeenstemming met Onze Minister, gaat de
Waarderingskamer een arbeidsovereenkomst aan met de secretaris en
beëindigt deze.
C
Artikel 9 vervalt.
HOOFDSTUK 5. MINISTERIE VAN INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT
Artikel 5.1 Waterschapswet
De Waterschapswet wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 31, tweede lid, wordt als volgt gewijzigd:
1. Onderdeel o komt te luiden:
o. ambtenaar, in dienst van het waterschap of uit anderen hoofde aan het
waterschapsbestuur ondergeschikt;
2. In onderdeel p wordt âambtenaar, door of vanwege de provincie
aangesteldâ vervangen door âambtenaar, in dienst van de
provincieâ.
B
Na artikel 44 worden, onder vernummering van artikel 44a tot 44k, tien
artikelen ingevoegd, luidende:
Artikel 44a
1. Op de bezoldiging is, voor zover in deze wet niet anders is bepaald,
beslag mogelijk overeenkomstig de voorschriften van het gemene recht.
2. Kostenvergoedingen krachtens artikel 44, eerste lid, tweede zin, zijn
niet vatbaar voor beslag.
Artikel 44b
Onverschuldigd betaalde bezoldiging kan worden teruggevorderd.
Artikel 44c
1. Met de bezoldiging kan worden verrekend hetgeen het lid van het
dagelijks bestuur zelf als zodanig aan het waterschap verschuldigd is.
2. Verrekening als bedoeld in het eerste lid kan plaatshebben ondanks
gelegd beslag of toegepaste korting als bedoeld in artikel 44d, eerste
lid.
3. Verrekening als bedoeld in het eerste lid is slechts in zoverre
geldig als een beslag op die bezoldiging geldig zou zijn, met dien
verstande dat verrekening van hetgeen wegens genoten huisvesting of
voeding is verschuldigd eveneens kan plaatsvinden met dat deel van de
bezoldiging dat de beslagvrije voet, bedoeld in artikel 475d van het
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering vormt.
Artikel 44d
1. Op de bezoldiging kan ten behoeve van een schuldeiser van het lid van
het dagelijks bestuur een korting worden toegepast, mits het lid van het
dagelijks bestuur de vordering van de schuldeiser erkent dan wel het
bestaan van de vordering blijkt uit een in kracht van gewijsde gegane
rechterlijke uitspraak dan wel uit een authentieke akte.
2. Korting is slechts in zoverre geldig als een beslag op die
bezoldiging geldig zou zijn.
3. Beslag, faillissement, surseance van betaling en toepassing ten
aanzien van het lid van het dagelijks bestuur van de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen sluiten korting uit.
Artikel 44e
Voor de toepassing van de artikelen 475b, tweede en derde lid, en 475d,
vierde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering worden,
onverminderd artikel 44c, tweede lid, en artikel 44d, derde lid,
verrekening en korting gelijkgesteld met beslag.
Artikel 44f
Indien verscheidene schuldeisers uit hoofde van beslag of korting
aanspraak hebben op een deel van de bezoldiging, geschiedt de verdeling
naar evenredigheid der inschulden, voor zover niet de ene schuldeiser
voorrang heeft boven de anderen.
Artikel 44g
1. Overdracht, inpandgeving of elke andere handeling, waardoor het lid
van het dagelijks bestuur enig recht op zijn bezoldiging aan een derde
toekent is slechts geldig voor dat deel van de bezoldiging waarop beslag
geldig zou zijn.
2. Een volmacht tot voldoening of invordering van de bezoldiging is
slechts geldig indien zij schriftelijk is verleend en is steeds
herroepelijk.
Artikel 44h
Betaling of afgifte aan een gemachtigde, nadat een volmacht tot
voldoening of invorderingen van bezoldiging is geëindigd, ontlasten het
waterschap, indien een gegeven opdracht tot de betaling of afgifte niet
meer tijdig kon worden ingetrokken, toen het waterschap van het eindigen
van de volmacht kennis kreeg.
Artikel 44i
Beslag omvat in deze wet ook de invordering, bedoeld in artikel 19 van
de Invorderingswet 1990.
Artikel 44j
Met bezoldiging worden in de artikelen 44a tot en met 44h gelijkgesteld
de bedragen â onder de benaming van uitkering of welke benaming ook
â waarop het lid van het dagelijks bestuur krachtens artikel 44,
eerste lid, eerste zin, aanspraak heeft of waarop zijn nagelaten
betrekkingen uit hoofde van zijn overlijden krachtens artikel 44, eerste
lid, aanspraak hebben.
C
Artikel 47, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:
1. Onderdeel p komt te luiden:
p. ambtenaar, in dienst van het waterschap of uit anderen hoofde aan het
waterschapsbestuur ondergeschikt;
2. In onderdeel q wordt âambtenaar, door of vanwege de provincie
aangesteldâ vervangen door âambtenaar, in dienst van de
provincieâ.
D
In artikel 51f, eerste lid, wordt âbenoemt het dagelijks bestuur het
personeel van de ombudsmanâ vervangen door âbesluit het dagelijks
bestuur tot het aangaan van arbeidsovereenkomsten met het personeel van
de ombudsmanâ.
E
Artikel 53 komt te luiden:
Artikel 53
1. Het algemeen bestuur wijst de secretaris van het waterschap aan. De
aanwijzing eindigt van rechtswege met ingang van de datum dat de
uitoefening van de functie van secretaris geen onderdeel meer uitmaakt
van de werkzaamheden van de betreffende ambtenaar.
2. Het algemeen bestuur is bevoegd te besluiten tot het aangaan,
wijzigen en beëindigen van de arbeidsovereenkomst met de secretaris van
het waterschap.
F
Artikel 54 komt te luiden:
Artikel 54
In spoedeisende gevallen kan het dagelijks bestuur de secretaris op
non-actief stellen. Het doet daarvan terstond mededeling aan het
algemeen bestuur. De op non-actiefstelling vervalt indien het algemeen
bestuur niet in een binnen acht weken na de datum van de op
non-actiefstelling gehouden vergadering instemt met de op
non-actiefstelling.
G
Artikel 82 vervalt.
Artikel 5.2 Waterwet
Artikel 3.6a van de Waterwet wordt als volgt gewijzigd:
1. In het tweede lid wordt âbenoemdâ vervangen door âaangewezenâ
en vervalt de laatste zin.
2. Het derde lid komt te luiden:
3. De deltacommissaris wordt aangewezen voor een periode van ten hoogste
zeven jaren en kan nog een maal aangewezen worden voor een periode van
ten hoogste zeven jaren. De aanwijzing eindigt van rechtswege met ingang
van de datum dat de uitoefening van de functie van deltacommissaris geen
onderdeel meer uitmaakt van de werkzaamheden van de betreffende
ambtenaar.
3. Het vierde lid vervalt.
Artikel 5.3 Wegenverkeerswet 1994
De Wegenverkeerswet 1994 wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 4l, tweede lid, onderdeel c, komt te luiden:
c. wijzigingen in de arbeidsvoorwaarden van het personeel;.
B
Artikel 4o komt te luiden:
Artikel 4o
Bij reglement kunnen voorzieningen worden vastgesteld met betrekking tot
de rechtspositie van de leden van de directie.
Artikel 5.4 Wet luchtvaart
De Wet luchtvaart wordt als volgt gewijzigd:
A
Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel f door een
puntkomma wordt aan artikel 5.32, vierde lid, een onderdeel toegevoegd,
luidende:
g. wijzigingen in de arbeidsvoorwaarden van het personeel.
B
Artikel 5.37 komt te luiden:
Artikel 5.37
Bij reglement kunnen voorzieningen worden vastgesteld met betrekking tot
de rechtspositie van de leden van het bestuur.
Artikel 5.5 Wet aanvullende regels veiligheid wegtunnels
In artikel 5, derde lid, van de Wet aanvullende regels veiligheid
wegtunnels wordt âaangesteldâ vervangen door âaangewezenâ ,wordt
âmet deze aanstellingâ vervangen door âmet deze aanwijzingâ en
wordt na de eerste zin ingevoegd âDe aanwijzing eindigt van rechtswege
met ingang van de datum dat de uitoefening van de functie van
veiligheidsbeambte geen onderdeel meer uitmaakt van de werkzaamheden van
de betreffende ambtenaar.â.
HOOFDSTUK 6. MINISTERIE VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID
Artikel 6.1 Advocatenwet
De Advocatenwet wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 34 van de Advocatenwet komt te luiden:
Artikel 34
1. De algemene raad wijst zijn secretaris aan.
2. De secretaris van de algemene raad heeft de leiding van het bureau
van de Nederlandse orde van advocaten. De secretaris kan geen lid van de
algemene raad zijn. De algemene raad voorziet in zijn vervanging bij
verhindering of afwezigheid.
B
Artikel 46b, zestiende lid, komt te luiden:
16. De raad van discipline wijst zijn griffier aan en ontslaat deze. De
raad van discipline voorziet in vervanging van de griffier bij
verhindering of afwezigheid.
C
Artikel 51, derde lid, komt te luiden:
3. Het hof van discipline wijst zijn griffier aan en ontslaat deze. Het
hof van discipline voorziet in vervanging van de griffier bij
verhindering of afwezigheid.
Artikel 6.2 Algemene wet bestuursrecht
In Bijlage 2, artikel 6 van de Algemene wet bestuursrecht wordt
âMilitaire ambtenarenwet 1931â telkens vervangen door âWet
ambtenaren defensieâ.
Artikel 6.2a
Artikel 1:16 van het Burgerlijk Wetboek wordt als volgt gewijzigd:
1. In de laatste volzin van het eerste lid wordt
âbenoembaarheidsvereisteâ vervangen door âvereiste van
aanwijsbaarheidâ.
2. Het tweede lid komt te luiden:
2. De in het eerste lid bedoelde ambtenaren worden door burgemeester en
wethouders aangewezen. Een aanwijzing kan voor een bepaalde tijdsduur
geschieden. De aanwijzing eindigt van rechtswege met ingang van de datum
waarop de uitoefening van de functie van ambtenaar van de burgerlijke
stand of buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand eindigt. Als
ambtenaar of buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand is slechts
aanwijsbaar de persoon die in de uitoefening van zijn ambt geen
onderscheid maakt als bedoeld in artikel 1 van de Algemene wet gelijke
behandeling, tenzij het onderscheid is gebaseerd op een wettelijk
voorschrift.
Artikel 6.3 Gerechtsdeurwaarderswet
De Gerechtsdeurwaarderwet wordt als volgt gewijzigd:
A
In artikel 1, onderdeel j, wordt âde volledige arbeidsduur, bedoeld in
artikel 2 van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren
1984â vervangen door âeen arbeidsduur welke gemiddeld zesendertig
werkuren per week omvatâ.
B
2. Artikel 60, tweede lid, vervalt, onder vernummering van het derde tot
en met vijfde lid tot tweede tot en met vierde lid.
Artikel 6.4 Instellingswet Raad voor strafrechtstoepassing en
jeugdbescherming 2015
De Instellingswet Raad voor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming
2015 wordt als volgt gewijzigd:
1. Artikel 10, tweede lid, komt te luiden:
2. Onze Minister sluit, wijzigt en beëindigt arbeidsovereenkomsten met
de secretaris, na overleg met de voorzitter van de Raad.
2. Artikel 11, tweede lid, komt te luiden:
2. Onze Minister sluit, wijzigt en beëindigt arbeidsovereenkomsten met
medewerkers, na overleg met de secretaris.
Artikel 6.4a
De Penitentiaire beginselenwet wordt als volgt gewijzigd:
In artikel 41, vierde lid, wordt âen op de aanstelling van geestelijke
verzorgers bij een inrichtingâ vervangen door âen op de
indienstneming van geestelijke verzorgers bij een inrichtingâ.
Artikel 6.5 Politiewet 2012
De Politiewet 2012 wordt als volgt gewijzigd:
aA
Afdeling 3.5. Rechtspositie wordt als volgt gewijzigd:
1. Voor artikel 45 wordt een opschrift ingevoegd, luidende:
§ 3.5.1. Algemeen
2. In § 3.5.1. (nieuw) wordt een artikel toegevoegd, luidende:
Artikel 44a
1. Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder:
a. ambtenaar van politie: de ambtenaar van politie, bedoeld in artikel
2, onder a, b of c;
b. bevoegd gezag:
1°. Onze Minister, voor zover het betreft de korpschef;
2°. de korpschef, voor zover het betreft de ambtenaar van politie, met
uitzondering van de korpschef;
c. bezoldiging:
1°. de bedragen - onder de benaming bezoldiging of welke benaming ook -
waarop de ambtenaar als zodanig uit hoofde van zijn dienstbetrekking
aanspraak heeft;
2°. de bedragen - onder de benaming pensioen, wachtgeld, uitkering of
welke benaming ook - waarop de gewezen ambtenaar als zodanig uit hoofde
van zijn vroegere dienstbetrekking aanspraak heeft of waarop zijn
nagelaten betrekkingen uit hoofde van zijn overlijden aanspraak hebben.
2. Voor de toepassing van de artikelen 47b en 47c en de paragrafen
3.5.2. en 3.5.3. wordt mede verstaan onder ambtenaar van politie: de
nagelaten betrekkingen van een ambtenaar van politie die uit hoofde van
zijn overlijden pensioen genieten.
A
Na artikel 47 worden drie artikelen ingevoegd, luidende:
Artikel 47a
De ambtenaar van politie is niet gehouden tot dienstverrichting op voor
hem op grond van zijn godsdienst of levensovertuiging geldende feest- en
rustdagen, tenzij het dienstbelang dit onvermijdelijk maakt.
Artikel 47b
1. Een ambtenaar van politie, die een functie in publiekrechtelijke
colleges, waarin hij is benoemd of verkozen, gezien de omvang van de
daaruit voortvloeiende werkzaamheden, niet gelijktijdig kan vervullen
met zijn ambt, wordt in verband daarmee tijdelijk ontheven van de
waarneming van zijn ambt, tenzij het dienstbelang zich tegen ontheffing
verzet. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld over het doorbetalen van bezoldiging.
2. Indien de ambtenaar in verband met een functie in publiekrechtelijke
colleges, waarin hij is benoemd of verkozen, niet op grond van het
eerste lid van de waarneming van zijn ambt is ontheven, wordt hem voor
het bijwonen van vergaderingen en zittingen van deze colleges en voor
het verrichten van daaruit voortvloeiende werkzaamheden ten behoeve van
deze colleges, buitengewoon verlof verleend, tenzij het dienstbelang
zich tegen verlofverlening verzet. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kunnen regels worden gesteld over het doorbetalen van
bezoldiging.
3. Tenzij het dienstbelang zich tegen verlofverlening verzet, wordt aan
de ambtenaar buitengewoon verlof verleend voor aan te wijzen
activiteiten van of voor politievakorganisaties overeenkomstig regels te
stellen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur.
Artikel 47c
1. Het bevoegd gezag maakt geen onderscheid tussen ambtenaren van
politie op grond van een verschil in arbeidsduur in de voorwaarden
waaronder een aanstelling wordt verleend, verlengd dan wel beëindigd,
tenzij een dergelijk onderscheid objectief gerechtvaardigd is.
2. Het bevoegd gezag maakt geen onderscheid tussen ambtenaren in de
arbeidsvoorwaarden op grond van het al dan niet tijdelijk karakter van
de aanstelling, tenzij een dergelijk onderscheid objectief
gerechtvaardigd is.
3. Het bevoegd gezag beëindigt het dienstverband met de ambtenaar niet
wegens de omstandigheid dat betrokkene in of buiten rechte een beroep
heeft gedaan op het eerste of tweede lid of ter zake bijstand heeft
verleend.
4. Het bevoegd gezag benadeelt de ambtenaar niet wegens de omstandigheid
dat betrokkene in of buiten rechte een beroep heeft gedaan op het
bepaalde in het eerste lid of tweede lid of ter zake bijstand heeft
verleend.
5. Het bevoegd gezag stelt de ambtenaar die is aangesteld in tijdelijke
dienst tijdig en duidelijk in kennis van een vacature met een
dienstverband voor onbepaalde tijd.
6. Het College, bedoeld in artikel 1 van de Wet College voor de rechten
van de mens, kan onderzoeken of een onderscheid is of wordt gemaakt als
bedoeld in dit artikel. De artikelen 10, 11, 12, 13, 22 en 23 van de Wet
College voor de rechten van de mens zijn van overeenkomstige toepassing.
B
Na artikel 48 worden twee paragrafen toegevoegd, luidende:
§ 3.5.2. Beslag, terugvordering, verrekening en korting
Artikel 48a
Beslag omvat in deze paragraaf ook de vordering, bedoeld in artikel 19
van de Invorderingswet 1990.
Artikel 48b
1. Op bezoldiging is, voor zover in deze afdeling niet anders is
bepaald, beslag mogelijk overeenkomstig de voorschriften van het gemene
recht.
2. Kostenvergoedingen welke verband houden met de dienstverrichting zijn
niet vatbaar voor beslag.
Artikel 48c
Door het bevoegd gezag onverschuldigd betaalde bezoldiging kan worden
teruggevorderd.
Artikel 48d
1. Met de door het bevoegd gezag verschuldigde bezoldiging kan worden
verrekend hetgeen de ambtenaar van politie als zodanig aan hem zelf
verschuldigd is.
2. Verrekening kan plaatshebben ondanks gelegd beslag of toegepaste
korting als bedoeld in artikel 48e, eerste lid.
3. Verrekening is slechts in zoverre geldig als een beslag op die
bezoldiging geldig zou zijn, met dien verstande dat verrekening van
hetgeen wegens genoten huisvesting of voeding is verschuldigd eveneens
kan plaatsvinden met dat deel van de bezoldiging dat de beslagvrije
voet, bedoeld in artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering vormt.
Artikel 48e
1. Het bevoegd gezag kan op de bezoldiging ten behoeve van een
schuldeiser van de ambtenaar van politie een korting toepassen, mits de
ambtenaar de vordering van de schuldeiser erkent of het bestaan van de
vordering blijkt uit een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke
uitspraak dan wel uit een authentieke akte.
2. Korting is slechts in zoverre geldig als een beslag op die
bezoldiging geldig zou zijn.
3. Beslag, faillissement, surséance van betaling en toepassing ten
aanzien van de ambtenaar van de schuldsaneringsregeling natuurlijke
personen sluiten korting uit.
Artikel 48f
Voor de toepassing van de artikelen 475b, tweede en derde lid, en 475d
vierde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering worden,
onverminderd artikel 48d, tweede lid, en artikel 48e, derde lid,
verrekening en korting gelijkgesteld met beslag.
Artikel 48g
Indien verscheidene schuldeisers uit hoofde van beslag of korting
aanspraak hebben op een deel van de bezoldiging geschiedt de verdeling
naar evenredigheid van de inschulden, voor zover niet de ene schuldeiser
voorrang heeft boven de anderen.
Artikel 48h
1. Overdracht, inpandgeving of elke andere handeling, waardoor de
ambtenaar van politie enig recht op zijn bezoldiging aan een derde
toekent is slechts geldig voor dat deel van de bezoldiging waarop beslag
geldig zou zijn.
2. Een volmacht tot voldoening of invordering van de bezoldiging is
slechts geldig indien zij schriftelijk is verleend en is steeds
herroepelijk.
Artikel 48i
Betaling of afgifte aan een gemachtigde, nadat een volmacht tot
voldoening of invorderingen van bezoldiging is geëindigd, ontlast het
bevoegd gezag, indien een gegeven opdracht tot de betaling of afgifte
niet meer tijdig kon worden ingetrokken, toen het bevoegd gezag van het
eindigen van de volmacht kennis kreeg.
§ 3.5.3. Bepalingen voor ambtenaren van politie die de AOW-gerechtigde
leeftijd hebben bereikt
Artikel 48j
1. Voor de ambtenaar van politie die de in artikel 7, onderdeel a, van
de Algemene Ouderdomswet bedoelde leeftijd heeft bereikt en die is
aangesteld in tijdelijke dienst wordt bij voorschriften of regels op
grond van artikel 47, eerste lid, bepaald dat die aanstelling als een
aanstelling in vaste dienst geldt vanaf de dag waarop:
a. de door hetzelfde bevoegd gezag verleende aanstellingen in tijdelijke
dienst elkaar met tussenpozen van niet meer dan zes maanden hebben
opgevolgd en een periode van 48 maanden, deze tussenpozen inbegrepen,
hebben overschreden;
b. meer dan zes door hetzelfde bevoegd gezag verleende aanstellingen in
tijdelijke dienst elkaar hebben opgevolgd met tussenpozen van niet meer
dan zes maanden.
2 Voor de vaststelling of de in het eerste lid bedoelde periode of het
aantal opvolgende aanstellingen is overschreden, wordt bij de in het
eerste lid genoemde voorschriften of regels bepaald dat slechts de
aanstellingen in tijdelijke dienst in aanmerking worden genomen die zijn
aangegaan na het bereiken van de in het eerste lid bedoelde leeftijd.
Artikel 48k
Indien bij voorschriften of regels op grond van artikel 47, eerste lid,
een in acht te nemen termijn van opzegging van het dienstverband van de
ambtenaar van politie is bepaald, bedraagt die termijn voor de ambtenaar
die de in artikel 48j, eerste lid, bedoelde leeftijd heeft bereikt, een
maand.
Artikel 48l
1. Voor zover in verband met een reorganisatie arbeidsplaatsen
vervallen, wordt de ambtenaar van politie die de in artikel 48j, eerste
lid, bedoelde leeftijd heeft bereikt het eerst voor ontslag in
aanmerking gebracht. In deze leeftijdsgroep worden vervolgens de
ambtenaren met het kortste dienstverband het eerst voor ontslag in
aanmerking gebracht.
2. Bij voorschriften of regels op grond van artikel 47, eerste lid,
wordt bepaald welke diensttijd wordt meegeteld voor de berekening van de
duur van het dienstverband, bedoeld in de tweede zin van het eerste lid.
Artikel 48m
1. De ambtenaar van politie die de in artikel 48j, eerste lid, bedoelde
leeftijd heeft bereikt, kan worden ontslagen op grond van ongeschiktheid
tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte, indien:
a. er sprake is van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid
wegens ziekte gedurende een ononderbroken periode van zes weken, en
b. herstel van zijn ziekte niet binnen een periode van zes weken na de
in onderdeel a genoemde periode van zes weken te verwachten is.
2. Indien de ongeschiktheid wegens ziekte een aanvang heeft genomen voor
de datum waarop de ambtenaar de in artikel 48j, eerste lid, bedoelde
leeftijd heeft bereikt, geldt vanaf die datum de in onderdeel a genoemde
termijn van zes weken, voor zover het totale tijdvak niet meer bedraagt
dan twee jaar.
3. Voor de berekening van de periode van zes weken, bedoeld in het
eerste lid, onderdeel a, worden perioden van ongeschiktheid tot het
verrichten van arbeid wegens ziekte samengeteld indien zij elkaar met
een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.
4. Om te beoordelen of sprake is van een situatie als bedoeld in het
eerste lid, onderdelen a en b, kan het bevoegd gezag een onderzoek naar
en een oordeel over het bestaan van ongeschiktheid tot werken als
bedoeld in artikel 32, zesde lid, van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen aanvragen.
Artikel 48n
1. In afwijking van de in artikel 48m, eerste en tweede lid, genoemde
termijn van 6 weken, geldt tot een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip een termijn van dertien weken voor de ambtenaar van politie die
de in artikel 7, onderdeel a, van de Algemene Ouderdomswet bedoelde
leeftijd heeft bereikt.
2. Indien de ongeschiktheid wegens ziekte een aanvang heeft genomen voor
de datum waarop de ambtenaar de in het eerste lid bedoelde leeftijd
heeft bereikt, geldt vanaf die datum de in het eerste lid genoemde
termijn, voor zover het totale tijdvak niet meer bedraagt dan 104 weken.
3. Met ingang van het tijdstip, bedoeld in het eerste lid, geldt de in
artikel 48m, eerste lid, onderdeel a, genoemde termijn van zes weken,
voor zover het totale tijdvak niet meer bedraagt dan dertien weken.
4. Het tijdstip, bedoeld in het eerste lid, wordt niet eerder
vastgesteld dan nadat:
a. Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een verslag over
de doeltreffendheid en de effecten van de Wet werken na de
AOW-gerechtigde leeftijd in de praktijk gedurende de eerste twee jaren
na inwerkingtreding van die wet, aan de beide kamers der Staten-Generaal
heeft gezonden; en
b. acht weken zijn verstreken nadat het voornemen tot het vaststellen
van dat tijdstip is meegedeeld aan de beide kamers der Staten-Generaal.
Artikel 48o
1. De op grond van artikel 47, eerste lid, vastgestelde voorschriften of
regels, voor zover het de daarin opgenomen bepalingen betreffende
ontslag op grond van ongeschiktheid voor zijn arbeid wegens ziekte of
gebrek betreft, zoals deze bepalingen luidden voor het tijdstip van
inwerkingtreding van artikel II van de Wet werken na de AOW-gerechtigde
leeftijd, blijven gedurende zes maanden na dat tijdstip van
inwerkingtreding van toepassing op de ambtenaar van politie:
a. die op de dag voor het tijdstip van inwerkingtreding ten minste de in
artikel 7, onderdeel a, van de Algemene Ouderdomswet bedoelde leeftijd
heeft, dan wel binnen zes maanden na dat tijdstip deze leeftijd bereikt,
en
b. die voor het tijdstip van inwerkingtreding en tevens, al dan niet na
een onderbreking gedurende minder dan vier weken, na dat tijdstip
verhinderd is om de dienst te verrichten of het ambt te vervullen wegens
ongeschiktheid als gevolg van ziekte.
2. Na afloop van de in het eerste lid genoemde termijn van zes maanden,
geldt de in artikel 48n, eerste lid, genoemde termijn van dertien weken,
voor zover het totale tijdvak niet meer bedraagt dan 104 weken.
Artikel 48p
Bij voorschriften of regels op grond van artikel 47, eerste lid, kan ten
gunste van de ambtenaar van politie die de in 48j, eerste lid, bedoelde
leeftijd heeft bereikt, van de artikelen 48j tot en met 48o worden
afgeweken.
C
Artikel 81 wordt als volgt gewijzigd:
1. Aan het tweede lid wordt aan het slot toegevoegd âVoor zover uit de
Kaderwet zelfstandige bestuursorganen niet anders voortvloeit, is
artikel 47, vierde lid, van overeenkomstige toepassing op de directeur
van de Politieacademie en zijn plaatsvervanger.â
2. Het derde lid komt te luiden:
3. De artikelen 44a, 47a, 47b, 47c en de paragrafen 3.5.2 en 3.5.3 van
deze wet alsmede artikel 4 van de Ambtenarenwet 2017 zijn van
overeenkomstige toepassing op de Politieacademie, met dien verstande
dat:
a. voor de toepassing van artikel 47c en de paragrafen 3.5.2 en 3.5.3
onder bevoegd gezag wordt verstaan: Onze Minister, en
b. voor de toepassing van artikel 4 van de Ambtenarenwet 2017 onder
overheidswerkgever wordt verstaan: de Staat.
Artikel 6.6 Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming
Artikel 10 van de Uitvoeringswet Algemene verordening
gegevensbescherming komt te luiden:
Artikel 10
De Autoriteit persoonsgegevens heeft een secretariaat.
Artikel 6.7 Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers
Artikel 12 van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers wordt als
volgt gewijzigd:
1. De eerste zin vervalt.
2. In de eerste zin (nieuw) wordt âzijn zijâ vervangen door âzijn
de bij het COA werkzame personenâ.
Artikel 6.8 Wet College voor de rechten van de mens
De Wet College voor de rechten van de mens wordt als volgt gewijzigd:
Artikel 18 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het tweede lid, komt te luiden:
2. In afwijking van artikel 4.6, eerste lid, van de Comptabiliteitswet
2016 sluit, wijzigt en beëindigt het College namens de Staat
individuele arbeidsovereenkomsten met de bij het bureau werkzame
ambtenaren.
2. Het derde en vierde lid vervallen.
Artikel 6.9 Wet Nationaal rapporteur mensenhandel en seksueel geweld
tegen kinderen
De Wet Nationaal rapporteur mensenhandel en seksueel geweld tegen
kinderen wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 2, derde lid, komt te luiden:
3. Onze Minister van Justitie en Veiligheid sluit, wijzigt en beëindigt
arbeidsovereenkomsten met de medewerkers van het bureau op verzoek van
de Nationaal rapporteur mensenhandel en seksueel geweld tegen kinderen.
Artikel 6.10 Wet op de bijzondere opsporingsdiensten
De Wet op de bijzondere opsporingsdiensten wordt als volgt gewijzigd:
1. In artikel 1, onderdeel b, wordt âaangesteldâ vervangen door
âaangewezenâ.
2. In artikel 9, tweede lid, wordt âDe aanstellingâ vervangen door
âDe aanwijzingâ en wordt na de punt toegevoegd âDe aanwijzing
eindigt van rechtswege met ingang van de datum dat de uitoefening van de
functie van hoofd van de opsporingsdienst geen onderdeel meer uitmaakt
van de werkzaamheden van de betreffende ambtenaar.â.
Artikel 6.11 Wet op het notarisambt
De Wet op het notarisambt wordt als volgt gewijzigd:
A
In artikel 1, onderdeel h, wordt âde volledige arbeidsduur als bedoeld
in artikel 2 van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren
1984â vervangen door âeen arbeidsduur welke gemiddeld zesendertig
werkuren per week omvatâ.
B
Artikel 64, tweede lid, tweede zin, vervalt.
C
Artikel 110 wordt als volgt gewijzigd:
1. De tweede en derde zin van het zesde lid komen te luiden: De
voorzitter gaat arbeidsovereenkomsten aan met het personeel van het
Bureau en wijzigt en beëindigt deze, op voordracht van de directeur.
2. In het achtste lid vervalt âen het personeel van het Bureauâ.
Artikel 6.12 Wet op de rechterlijke organisatie
De Wet op de rechterlijke organisatie wordt als volgt gewijzigd:
A
In artikel 1, onderdeel d, wordt âop basis van een aanstelling
werkzaam bij een gerechtâ vervangen door: op basis van een
arbeidsovereenkomst werkzaam bij een gerecht.
B
In artikel 14, vierde lid, eerste zin, wordt âbenoemen totâ
vervangen door âaanwijzen alsâ.
C
Aan het slot van artikel 15 wordt een lid toegevoegd, luidende:
10. Artikel 3, onderdeel a, van de Ambtenarenwet 2017 is niet van
toepassing op het niet-rechterlijk lid van het bestuur.
D
Artikel 25 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid komt te luiden:
1. Ten aanzien van het niet-rechterlijk lid van het bestuur worden de
bevoegdheden uit de Ambtenarenwet 2017 en titel 10 van Boek 7 van het
Burgerlijk Wetboek uitgeoefend door het bestuur uitgezonderd dat lid.
2. Er wordt een nieuw lid toegevoegd, luidende:
4. Voor gerechtsambtenaren gelden de arbeidsvoorwaarden die zijn
opgenomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst
voor ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat
werkzaam zijn.
E
In artikel 54 wordt âMilitaire ambtenarenwet 1931â vervangen door
âWet ambtenaren defensieâ.
Ea
In artikel 73, derde lid, eerste zin, wordt âbenoemdâ vervangen door
âaangewezenâ.
F
Artikel 86 wordt als volgt gewijzigd:
1. De eerste zin van het zesde lid komt te luiden:
Ten aanzien van een niet-rechterlijk lid van de Raad worden de
bevoegdheden uit de Ambtenarenwet 2017 en titel 10 van Boek 7 van het
Burgerlijk Wetboek uitgeoefend door de Raad, uitgezonderd het
niet-rechterlijk lid van de Raad.
2. Aan het slot wordt een lid toegevoegd, luidende:
9. Artikel 3, onderdeel a, van de Ambtenarenwet 2017 is niet van
toepassing op een niet-rechterlijk lid van de Raad.
G
Artikel 89, tweede lid, komt te luiden:
2. Voor tot het bureau behorende ambtenaren gelden de arbeidsvoorwaarden
die zijn opgenomen in de laatstelijk afgesloten collectieve
arbeidsovereenkomst voor ambtenaren die krachtens een
arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn.
H
Artikel 130, vijfde lid, wordt als volgt gewijzigd:
1. âbenoemdâ wordt vervangen door âaangewezenâ.
2. De tweede zin komt te luiden:
Artikel 3, onderdeel a, van de Ambtenarenwet 2017 is niet van toepassing
op deze procureur-generaal.
Artikel 6.13 Wet op de rechtsbijstand
Afdeling 3 van Hoofdstuk II van de Wet op de rechtsbijstand vervalt.
Artikel 6.14 Wet politiegegevens
In de artikelen 16, eerste lid, onderdeel d, onder 3°, en 36d, eerste
lid, onderdeel c, onder 3°, van de Wet politiegegevens wordt
âMilitaire Ambtenarenwet 1931â vervangen door âWet ambtenaren
defensieâ.
Artikel 6.15 Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren
De Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren wordt als volgt gewijzigd:
A
Na artikel 1a wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 1aa
1. De functionele autoriteit maakt geen onderscheid tussen rechterlijke
ambtenaren als bedoeld in HYPERLINK
"http://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=1&g=2017-11-23&z
=2017-11-23" artikel 1, onderdeel b, onder 5° tot en met 10°, van de
Wet op de rechterlijke organisatie op grond van een verschil in
arbeidsduur in de voorwaarden waaronder een aanstelling wordt verleend,
verlengd dan wel beëindigd, tenzij een dergelijk onderscheid objectief
gerechtvaardigd is.
2. De functionele autoriteit maakt geen onderscheid tussen rechterlijke
ambtenaren als bedoeld in HYPERLINK
"http://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=1&g=2017-11-23&z
=2017-11-23" artikel 1, onderdeel b, onderdelen 5° tot en met 10°,
van de Wet op de rechterlijke organisatie in de arbeidsvoorwaarden op
grond van het al dan niet tijdelijk karakter van de aanstelling, tenzij
een dergelijk onderscheid objectief gerechtvaardigd is.
3. De functionele autoriteit beëindigt het dienstverband met een in het
eerste en tweede lid bedoelde ambtenaar niet wegens de omstandigheid dat
betrokkene in of buiten rechte een beroep heeft gedaan op het eerste of
tweede lid of ter zake bijstand heeft verleend.
4. De functionele autoriteit benadeelt een in het eerste en tweede lid
bedoelde ambtenaar niet wegens de omstandigheid dat betrokkene in of
buiten rechte een beroep heeft gedaan op het bepaalde in het eerste lid
of tweede lid of ter zake bijstand heeft verleend.
5. De functionele autoriteit stelt een rechterlijk ambtenaar als bedoeld
in HYPERLINK
"http://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=1&g=2017-11-23&z
=2017-11-23" artikel 1, onderdeel b, onderdelen 5° tot en met 10°,
van de Wet op de rechterlijke organisatie die is aangesteld in
tijdelijke dienst tijdig en duidelijk in kennis van een vacature met een
dienstverband voor onbepaalde tijd.
6. Het College, bedoeld in HYPERLINK
"http://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030733&artikel=1&g=2017-06-27&z
=2017-06-27" artikel 1 van de Wet College voor de rechten van de mens ,
kan onderzoeken of een onderscheid is of wordt gemaakt als bedoeld in
het eerste of tweede lid. De HYPERLINK
"http://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030733&artikel=10&g=2017-06-27&
z=2017-06-27" artikelen 10 , HYPERLINK
"http://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030733&artikel=11&g=2017-06-27&
z=2017-06-27" 11 , HYPERLINK
"http://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030733&artikel=12&g=2017-06-27&
z=2017-06-27" 12 , HYPERLINK
"http://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030733&artikel=13&g=2017-06-27&
z=2017-06-27" 13 , HYPERLINK
"http://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030733&artikel=22&g=2017-06-27&
z=2017-06-27" 22 en HYPERLINK
"http://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030733&artikel=23&g=2017-06-27&
z=2017-06-27" 23 van de Wet College voor de rechten van de mens zijn
van overeenkomstige toepassing.
B
Na hoofdstuk 3 wordt een hoofdstuk ingevoegd, luidende:
HOOFDSTUK 3A. BESLAG, TERUGVORDERING, VERREKENING EN KORTING
Artikel 19c
1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan of mede verstaan
onder:
- de rechterlijk ambtenaar: de nagelaten betrekkingen van een
rechterlijk ambtenaar die uit hoofde van diens overlijden pensioen
genieten;
- bezoldiging: de bedragen - onder de benaming pensioen, wachtgeld,
uitkering of welke benaming ook - waarop de rechterlijk ambtenaar of
gewezen rechterlijk ambtenaar als zodanig uit hoofde van zijn
dienstbetrekking of vroegere dienstbetrekking aanspraak heeft of waarop
zijn nagelaten betrekkingen uit hoofde van zijn overlijden aanspraak
hebben.
2. Beslag omvat in dit hoofdstuk ook de vordering, bedoeld in artikel 19
van de Invorderingswet 1990.
3. Tenzij anders is bepaald, worden de in dit hoofdstuk genoemde
bevoegdheden ten aanzien van een rechterlijk ambtenaar uitgeoefend door
Onze Minister onderscheidenlijk, indien het een bij een gerechtshof of
rechtbank werkzame rechterlijk ambtenaar betreft, het gerechtsbestuur.
Artikel 19d
1. Op bezoldiging is, voor zover in dit hoofdstuk niet anders is
bepaald, beslag mogelijk overeenkomstig de voorschriften van het gemene
recht.
2. Kostenvergoedingen welke verband houden met de dienstverrichting zijn
niet vatbaar voor beslag.
Artikel 19e
Aan de rechterlijk ambtenaar onverschuldigd betaalde bezoldiging kan
worden teruggevorderd door Onze Minister onderscheidenlijk het
gerechtsbestuur.
Artikel 19f
1. Met de door Onze Minister onderscheidenlijk het gerechtsbestuur
verschuldigde bezoldiging kan worden verrekend hetgeen de rechterlijk
ambtenaar als zodanig aan hem zelf verschuldigd is.
2. Verrekening kan plaatshebben ondanks gelegd beslag of toegepaste
korting als bedoeld in artikel 19g, eerste lid.
3. Verrekening is slechts in zoverre geldig als een beslag op die
bezoldiging geldig zou zijn, met dien verstande dat verrekening van
hetgeen wegens genoten huisvesting of voeding is verschuldigd eveneens
kan plaatsvinden met dat deel van de bezoldiging dat de beslagvrije
voet, bedoeld in artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering vormt.
Artikel 19g
1. Onze Minister onderscheidenlijk het gerechtsbestuur kan op de
bezoldiging ten behoeve van een schuldeiser van de rechterlijk ambtenaar
een korting toepassen, mits de rechterlijk ambtenaar de vordering van de
schuldeiser erkent of het bestaan van de vordering blijkt uit een in
kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraak dan wel uit een
authentieke akte.
2. Korting is slechts in zoverre geldig als een beslag op die
bezoldiging geldig zou zijn.
3. Beslag, faillissement, surséance van betaling en toepassing ten
aanzien van de rechterlijk ambtenaar van de schuldsaneringsregeling
natuurlijke personen sluiten korting uit.
Artikel 19h
Voor de toepassing van de artikelen 475b, tweede en derde lid, en 475d,
vierde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering worden,
onverminderd artikel 19f, tweede lid, en artikel 19g, derde lid,
verrekening en korting gelijkgesteld met beslag.
Artikel 19i
Indien verscheidene schuldeisers uit hoofde van beslag of korting
aanspraak hebben op een deel van de bezoldiging geschiedt de verdeling
naar evenredigheid van de inschulden, voor zover niet de ene schuldeiser
voorrang heeft boven de anderen.
Artikel 19j
1. Overdracht, inpandgeving of elke andere handeling, waardoor de
rechterlijk ambtenaar enig recht op zijn bezoldiging aan een derde
toekent is slechts geldig voor dat deel van de bezoldiging waarop beslag
geldig zou zijn.
2. Een volmacht tot voldoening of invordering van de bezoldiging is
slechts geldig indien zij schriftelijk is verleend en is steeds
herroepelijk.
Artikel 19k
Betaling of afgifte aan een gemachtigde, nadat een volmacht tot
voldoening of invorderingen van bezoldiging is geëindigd, ontlast het
bevoegd gezag, indien een gegeven opdracht tot de betaling of afgifte
niet meer tijdig kon worden ingetrokken, toen het bevoegd gezag van het
eindigen van de volmacht kennis kreeg.
C
Aan artikel 40 wordt een lid toegevoegd, luidende:
3. Een rechterlijke ambtenaar als bedoeld in HYPERLINK
"http://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=1&g=2017-11-23&z
=2017-11-23" artikel 1, onderdeel b, onderdelen 5° tot en met 10°,
van de Wet op de rechterlijke organisatie is niet gehouden tot
dienstverrichting op voor hem op grond van zijn godsdienst of
levensovertuiging geldende feest- en rustdagen, tenzij het dienstbelang
dit onvermijdelijk maakt.
Artikel 6.16 Wet schadefonds geweldsmisdrijven
Artikel 8, zesde lid, van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven komt te
luiden:
6. Aan de commissie is een secretaris verbonden. Onze Minister sluit,
wijzigt en beëindigt de arbeidsovereenkomst met de secretaris, gehoord
de commissie.
Artikel 6.17 Wet toezicht en geschillenbeslechting collectieve
beheersorganisaties auteurs- en naburige rechten
Artikel 11, tweede lid, van de Wet toezicht en geschillenbeslechting
collectieve beheersorganisaties auteurs- en naburige rechten komt te
luiden:
2. Onze Minister sluit, wijzigt en beëindigt de arbeidsovereenkomst met
de secretaris na overleg met de voorzitter van het College van Toezicht.
Artikel 6.18 Wet veiligheidsregioâs
De Wet veiligheidsregioâs wordt als volgt gewijzigd:
A
In artikel 1 wordt in het onderdeel geneeskundige hulpverlening
âdaartoe aangesteld personeelâ vervangen door âdaartoe in dienst
genomen personeelâ.
B
In artikel 35, derde lid, wordt âbenoemt de directeurâ vervangen
door âneemt de directeur in dienstâ en wordt âhet aanstellen en
aangesteld houdenâ vervangen door âhet in dienst nemen en in dienst
genomen houdenâ.
C
Artikel 75 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid komt te luiden:
1. Het dagelijks bestuur besluit tot het aangaan, wijzigen en
beëindigen van arbeidsovereenkomsten met het personeel van het
Instituut Fysieke Veiligheid.
2. Het tweede lid komt te luiden:
2. Voor ambtenaren in dienst van het Instituut Fysieke Veiligheid gelden
de arbeidsvoorwaarden die zijn opgenomen in de laatstelijk afgesloten
collectieve arbeidsovereenkomst voor ambtenaren die krachtens een
arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn.
3. Het derde lid vervalt, onder vernummering van het vierde en vijfde
lid tot derde en vierde lid.
Artikel 6.19 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
Artikel 475c van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt als
volgt gewijzigd:
1. Voor de tekst wordt de aanduiding â1.â geplaatst.
2. Onderdeel i van het eerste lid (nieuw) komt te luiden:
i. de bedragen â onder de naam bezoldiging of welke benaming ook â
waarop de ambtenaar als zodanig uit hoofde van zijn dienstbetrekking
aanspraak heeft alsmede de bedragen â onder de benaming pensioen,
wachtgeld, uitkering of welke benaming ook â waarop de gewezen
ambtenaar als zodanig uit hoofde van zijn vroegere dienstbetrekking
aanspraak heeft of waarop zijn nagelaten betrekkingen uit hoofde van
zijn overlijden aanspraak hebben, met uitzondering van die bedragen
waarop de ambtenaar of gewezen ambtenaar niet periodiek aanspraak heeft.
3. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:
2. Onder ambtenaar worden in het eerste lid, onderdeel i, verstaan de
personen, bedoeld in artikel 3 van de Ambtenarenwet 2017, alsmede hun
nagelaten betrekkingen die uit hoofde van hun overlijden pensioen
genieten.
Artikel 6.20 Wetboek van Strafrecht
In de artikelen 177, tweede lid, en 363, tweede lid, van het Wetboek van
Strafrecht wordt âeen aanstelling als ambtenaar, indien de aanstelling
als ambtenaar is gevolgdâ telkens vervangen door âeen
dienstbetrekking bij een overheidswerkgever, indien de dienstbetrekking
bij een overheidswerkgever is gevolgdâ.
HOOFDSTUK 7. MINISTERIE VAN LANDBOUW, NATUUR EN VOEDSELKWALITEIT
Artikel 7.1 Wet verzelfstandiging Staatsbosbeheer
Artikel 16 van de Wet verzelfstandiging Staatsbosbeheer komt te luiden:
Artikel 16
1. Onverminderd artikel 14 gelden voor de directeur en de overige
personeelsleden van Staatsbosbeheer de arbeidsvoorwaarden die zijn
opgenomen in de collectieve arbeidsovereenkomst voor ambtenaren die
krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn bij het
ministerie, waaronder Staatsbosbeheer ressorteert.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald
voor welke aangelegenheden van het eerste lid kan worden afgeweken.
Artikel 7.2 Wet dieren
In artikel 6.3 van de Wet dieren wordt âdoor de overheid aangesteld
persoonâ telkens vervangen door âpersoon in dienst van de
overheid,â.
Artikel 7.3 Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden
Artikel 7, tweede lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden
komt te luiden:
2. Na instemming van Onze Minister sluit, wijzigt en beëindigt het
college de arbeidsovereenkomst met de secretaris.
Artikel 7.4 Zaaizaad- en Plantgoedwet 2005
In artikel 3, derde lid, van de Zaaizaad- en Plantgoedwet 2005 vervalt
â, die door Onze Minister worden benoemdâ.
HOOFDSTUK 8. MINISTERIE VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP
Artikel 8.0 Archiefwet 1995
De Archiefwet 1995 wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 29 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt âbenoemdâ vervangen door
âaangewezenâ.
2. Het derde lid komt te luiden:
3. Gedeputeerde staten wijzen de provinciearchivaris aan. De aanwijzing
eindigt van rechtswege met ingang van de datum dat de uitoefening van de
functie van provinciearchivaris geen onderdeel meer uitmaakt van de
werkzaamheden van de betreffende ambtenaar.
B
Artikel 32 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt âbenoemdâ vervangen door
âaangewezenâ.
2. Het derde lid komt te luiden:
3. Burgemeester en wethouders wijzen de gemeentearchivaris aan. De
aanwijzing eindigt van rechtswege met ingang van de datum dat de
uitoefening van de functie van gemeentearchivaris geen onderdeel meer
uitmaakt van de werkzaamheden van de betreffende ambtenaar.
C
Artikel 37 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt âbenoemdâ vervangen door
âaangewezenâ.
2. Het derde lid komt te luiden:
3. Het bestuur wijst de waterschapsarchivaris aan. De aanwijzing eindigt
van rechtswege met ingang van de datum dat de uitoefening van de functie
van waterschapsarchivaris geen onderdeel meer uitmaakt van de
werkzaamheden van de betreffende ambtenaar.
D
In artikel 46, derde lid, wordt âbenoemdâ vervangen door
âaangewezenâ.
Artikel 8.1 Wet College voor toetsen en examens
Artikel 5, derde lid, van de Wet College voor toetsen en examens komt te
luiden:
3. Onze Minister gaat arbeidsovereenkomsten aan en wijzigt en beëindigt
deze namens de Staat met de directeur en de andere medewerkers na
overleg met de voorzitter van het college.
Artikel 8.2 Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek
Artikel 7.65, tweede lid, van de Wet op het hoger onderwijs en
wetenschappelijk onderzoek komt te luiden:
2. Bij koninklijk besluit wordt besloten tot het aangaan van een
arbeidsovereenkomst met de secretaris. Tot beëindiging van de
arbeidsovereenkomst wordt bij koninklijk besluit besloten, tenzij Onze
Minister namens de Staat de arbeidsovereenkomst opzegt op grond van
artikel 677 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.
HOOFDSTUK 9. MINISTERIE VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID
Artikel 9.1 Arbeidstijdenwet
In de artikelen 1:6, onderdeel c, en 1:7, eerste lid, onderdeel b, van
de Arbeidstijdenwet wordt âMilitaire ambtenarenwet 1931â telkens
vervangen door âWet ambtenaren defensieâ.
Artikel 9.2 Wet arbeid en zorg
In artikel 1:3 van de Wet arbeid en zorg wordt âMilitaire
ambtenarenwet 1931â vervangen door âWet ambtenaren defensieâ.
Artikel 9.3 Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd
Artikel 3, onderdeel d, van de Wet gelijke behandeling op grond van
leeftijd komt te luiden:
d. het aanstellen of ontslaan van personen, op wie artikel 3 van de
Ambtenarenwet 2017 van toepassing is.
Artikel 9.4 Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
De artikelen 2, derde lid, en 3, derde lid, van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen vervallen.
Artikel 9.5 Wet op de ondernemingsraden
Artikel 46d, aanhef, van de Wet op de ondernemingsraden komt te luiden:
Ten aanzien van een onderneming, waarin uitsluitend of nagenoeg
uitsluitend krachtens publiekrechtelijke aanstelling arbeid wordt
verricht en ten aanzien van een onderneming die overheidswerkgever is in
de zin van de Ambtenarenwet 2017 gelden de volgende bijzondere
bepalingen:.
HOOFDSTUK 10. MINISTERIE VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT
Artikel 10.1 Geneesmiddelenwet
In artikel 8, eerste lid, van de Geneesmiddelenwet vervalt â, waarvan
de ambtenaren door Onze Minister worden benoemd, geschorst en
ontslagenâ.
Artikel 10.2 Gezondheidswet
De Gezondheidswet wordt als volgt gewijzigd:
A
1. Aan artikel 36 wordt een lid toegevoegd, luidende:
5. Ten behoeve van de organisatie van het Staatstoezicht op de
volksgezondheid kunnen bij algemene maatregel van bestuur nadere regels
worden gesteld.
B
In artikel 37 wordt aan het slot van de eerste zin toegevoegd â, die
bij besluit van Onze Minister wordt aangewezen. De aanwijzing eindigt
van rechtswege met ingang van de datum dat de uitoefening van de functie
van hoofdinspecteur geen onderdeel meer uitmaakt van de werkzaamheden
van de betreffende ambtenaar.â.
C
Artikel 52 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid vervalt.
2. Het tweede en derde lid worden vernummerd tot eerste en tweede lid.
3. Het tweede lid (nieuw) komt te luiden:
2. Gedeputeerde Staten kunnen de Provinciale Raad ontheffing verlenen
van de toepassing van de op grond van het eerste lid toe te passen
arbeidsvoorwaarden inzake de salariëring van de directeur en van de
andere personen, werkzaam bij het bureau.
Artikel 10.3 Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische
ziekte
Artikel 4, onderdeel c, van de Wet gelijke behandeling op grond van
handicap of chronische ziekte komt te luiden:
c. het aanstellen of ontslaan van personen, op wie artikel 3 van de
Ambtenarenwet 2017 van toepassing is.
Artikel 10.4 Wet langdurige zorg
De Wet langdurige zorg wordt als volgt gewijzigd:
A
In artikel 3.2.8, eerste lid, wordt âMilitaire ambtenarenwet 1931â
vervangen door âWet ambtenaren defensieâ.
B
Artikel 6.1.1, zevende lid, komt te luiden:
7. Artikel 15 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen is niet van
toepassing ten aanzien van personeel in dienst van het CAK.
Artikel 10.5 Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen
Artikel 15 van de Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen komt
te luiden:
Artikel 15
De centrale commissie heeft een secretariaat, ten behoeve waarvan Onze
Minister namens de Staat, gehoord de centrale commissie,
arbeidsovereenkomsten aangaat, wijzigt en beëindigt.
Artikel 10.6 Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg
De Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg wordt als volgt
gewijzigd:
A
Artikel 55, vijfde lid, laatste zin, wordt vervangen door twee zinnen,
luidende:
Zij worden bij besluit van Onze Minister aangewezen. De aanwijzing
eindigt met ingang van de datum dat de uitoefening van de functie van
secretaris of plaatsvervangend secretaris geen onderdeel meer uitmaakt
van de werkzaamheden van de betreffende ambtenaar.
B
Artikel 55a, eerste lid, komt te luiden:
1. Onze Minister draagt zorg voor de indienstneming van ambtenaren, die
klagers kunnen adviseren bij het opstellen en wijzigen van hun klacht.
C
In artikel 62, eerste lid, wordt âDe leden, de plaatsvervangende leden
en de plaatsvervangende secretarissen van de tuchtcollegesâ vervangen
door âDe leden en de plaatsvervangende leden van de tuchtcollegesâ.
Artikel 10.7 Wet op de medische keuringen
Artikel 1, onderdeel a, onder 20, van de Wet op de medische keuringen,
komt te luiden:
20. een aanstelling voor een functie als genoemd in artikel 3 van de
Ambtenarenwet 2017,.
Artikel 10.8 Wet op de organisatie ZorgOnderzoek Nederland
De Wet op de organisatie ZorgOnderzoek Nederland wordt als volgt
gewijzigd:
A
In artikel 4, vierde lid, wordt âartikel 6, derde lidâ vervangen
door âartikel 6, tweede lidâ.
B
Artikel 6 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het tweede lid vervalt.
2. Het derde lid wordt vernummerd tot tweede lid.
Artikel 10.9 Wet toelating zorginstellingen
Artikel 22 van de Wet toelating zorginstellingen komt te luiden:
Artikel 22
1. Voor het personeel van het College sanering gelden de
arbeidsvoorwaarden die zijn opgenomen in de collectieve
arbeidsovereenkomst voor ambtenaren die krachtens een
arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn bij het ministerie,
waaronder het College sanering ressorteert.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald voor welke
aangelegenheden van het eerste lid kan worden afgeweken.
Artikel 10.10 Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij
zelfdoding
In artikel 4, tweede lid, van de Wet toetsing levensbeëindiging op
verzoek en hulp bij zelfdoding wordt âbenoemdâ vervangen door
âaangewezenâ en wordt een zin toegevoegd, luidende: De aanwijzing
eindigt van rechtswege met ingang van de datum dat de uitoefening van de
functie van secretaris of plaatsvervangend secretaris geen onderdeel
meer uitmaakt van de werkzaamheden van de betreffende ambtenaar.
Artikel 10.11 Wet van 8 april 2016 tot wijziging van de
Zorgverzekeringswet en andere wetten in verband met de overgang van een
aantal taken van het Zorginstituut Nederland naar het CAK (Stb. 2016,
173)
Artikel XII, tweede lid, van de Wet van 8 april 2016 tot wijziging van
de Zorgverzekeringswet en andere wetten in verband met de overgang van
een aantal taken van het Zorginstituut Nederland naar het CAK (Stb 2016,
173) komt te luiden:
2. In afwijking van artikel 6.1.1., zevende lid, van de Wet langdurige
zorg is artikel 15 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen van
toepassing op een persoon als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 10.12 Zorgverzekeringswet
In artikel 2, tweede lid, onderdeel a, van de Zorgverzekeringswet wordt
âMilitaire ambtenarenwet 1931â vervangen door âWet ambtenaren
defensieâ.
HOOFDSTUK 11. SLOTBEPALINGEN
Artikel 11.1 Overgangsrecht met betrekking tot leden van zelfstandige
bestuursorganen en adviescolleges
1. Titel II van de Ambtenarenwet blijft tot een bij koninklijk besluit
te bepalen tijdstip van toepassing op de leden van zelfstandige
bestuursorganen als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van de Kaderwet
zelfstandige bestuursorganen en leden van adviescolleges als bedoeld in
artikel 1, onderdeel a, van de Kaderwet adviescolleges, voor zover zij
ambtenaar zijn in de zin van artikel 1 van de Ambtenarenwet.
2. De titels III en IIIa van de Ambtenarenwet blijven tot het op grond
van het eerste lid bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip van
toepassing op de leden, bedoeld in het eerste lid, met uitzondering van
de leden van zelfstandige bestuursorganen en adviescolleges op wie op
grond van artikel 2 van de Ambtenarenwet die titels op de dag
voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I van de
Wet normalisering rechtspositie ambtenaren niet van toepassing waren.
3. In afwijking van artikel 17, eerste lid, van de Ambtenarenwet 2017
blijven algemeen verbindende voorschriften betreffende de rechtspositie
van de in het tweede lid bedoelde leden die tot stand zijn gebracht op
grond van titel III of titel IIIa van de Ambtenarenwet tot het tijdstip,
bedoeld in het eerste lid, op hen van toepassing.
4. Algemeen verbindende voorschriften die op grond van titel III of
titel IIIa van de Ambtenarenwet tot stand zijn gebracht blijven van
toepassing voor zover zij op de leden, bedoeld in het eerste lid, van
overeenkomstige toepassing zijn verklaard tot het tijdstip, bedoeld in
het eerste lid.
5. Voor zover de in het derde en vierde lid bedoelde algemeen
verbindende voorschriften bedragen bevatten, worden deze bedragen vanaf
het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I van de Wet normalisering
rechtspositie ambtenaren telkens aangepast overeenkomstig de laatstelijk
afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor de ambtenaren die
krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn.
Artikel 11.1a
1. De titels II, III en IIIa van de Ambtenarenwet zijn tot het tijdstip,
bedoeld in artikel 11.1, eerste lid, van toepassing op de leden van
zelfstandige bestuursorganen als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van
de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen en de leden van adviescolleges
als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van de Kaderwet adviescolleges,
die worden ingesteld na het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I
van de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren maar voor het
tijdstip, bedoeld in artikel 11.1, eerste lid.
2. In afwijking van het eerste lid zijn de titels III en IIIa niet van
toepassing op:
a. de leden van zelfstandige bestuursorganen aan wie een
schadeloosstelling als bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de
Kaderwet zelfstandige bestuursorganen is toegekend, en;
b. de leden van adviescolleges, niet zijnde een adviescollege als
bedoeld in artikel 3 van de Kaderwet adviescolleges.
Artikel 11.2 Overgangsrecht veiligheidsregioâs
1. Op ambtenaren die op de dag voorafgaand aan het tijdstip van
inwerkingtreding van artikel I van de Wet normalisering rechtspositie
ambtenaren in dienst zijn van een veiligheidsregio als bedoeld in
artikel 9 van de Wet veiligheidsregioâs is artikel 14, eerste lid, van
de Ambtenarenwet 2017 van toepassing op een bij koninklijk besluit te
bepalen tijdstip.
2. Op de veiligheidsregioâs blijft artikel 33b, eerste lid, onderdeel
d, van de Wet gemeenschappelijke regelingen, zoals dat luidde op de dag
voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I van de
Wet normalisering rechtspositie ambtenaren, van toepassing tot het op
grond van het eerste lid bij koninklijk besluit vast te stellen
tijdstip.
3. Op ambtenaren in dienst van veiligheidsregioâs blijven de titels
II, III en IIIa van de Ambtenarenwet tot het op grond van het eerste lid
bij koninklijk besluit vast te stellen tijdstip van toepassing.
4. Op algemeen verbindende voorschriften betreffende de rechtspositie
van de in het eerste bedoelde ambtenaren, alsmede ambtenaren die met
toepassing van het tweede lid zijn aangesteld, is artikel 17, eerste
lid, van de Ambtenarenwet 2017 op het op grond van het eerste lid bij
koninklijk besluit vast te stellen tijdstip van toepassing.
5. Het eerste tot en met derde lid zijn niet van toepassing op
ambtenaren ten aanzien van wie, op de dag voorafgaand aan het tijdstip
van inwerkingtreding van artikel I van de Wet normalisering
rechtspositie ambtenaren, arbeidsvoorwaarden van toepassing zijn of
zouden zijn die uitsluitend gelden doordat die ambtenaren zijn of worden
belast met werkzaamheden ter uitvoering van artikel 4, tweede lid, van
de Tijdelijke wet ambulancezorg. Het vierde lid is niet van toepassing,
voor zover de daar bedoelde algemeen verbindende voorschriften de
rechtpositie van de in de eerste zin bedoelde ambtenaren betreffen.
Artikel 11.2a
1. Op ambtenaren die op de dag voorafgaand aan het tijdstip van
inwerkingtreding van artikel I van de Wet normalisering rechtspositie
ambtenaren in dienst zijn van een ander openbaar lichaam dan een
veiligheidsregio als bedoeld in artikel 11.2, eerste lid, dat uitvoering
geeft aan taken met betrekking tot de brandweerzorg, bedoeld in artikel
25, eerste en tweede lid, van de Wet veiligheidsregioâs, is artikel
14, eerste lid, van de Ambtenarenwet 2017 van toepassing op een bij
koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
2. Op de andere openbare lichamen, bedoeld in het eerste lid, blijft
artikel 33b, eerste lid, onderdeel d, van de Wet gemeenschappelijke
regelingen, zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan het tijdstip van
inwerkingtreding van artikel I van de Wet normalisering rechtspositie
ambtenaren, van toepassing tot het op grond van het eerste lid bij
koninklijk besluit vast te stellen tijdstip.
3. Op ambtenaren in dienst van de andere openbare lichamen, bedoeld in
het eerste lid, blijven de titels II, III en IIIa van de Ambtenarenwet
tot het op grond van het eerste lid bij koninklijk besluit vast te
stellen tijdstip van toepassing.
4. Op algemeen verbindende voorschriften betreffende de rechtspositie
van de in het eerste lid bedoelde ambtenaren, alsmede ambtenaren die met
toepassing van het tweede lid zijn aangesteld, is artikel 17, eerste
lid, van de Ambtenarenwet 2017 op het op grond van het eerste lid bij
koninklijk besluit vast te stellen tijdstip van toepassing.
5. Het eerste tot en met derde lid zijn niet van toepassing op
ambtenaren ten aanzien van wie, op de dag voorafgaand aan het tijdstip
van inwerkingtreding van artikel I van de Wet normalisering
rechtspositie ambtenaren, arbeidsvoorwaarden van toepassing zijn of
zouden zijn die uitsluitend gelden doordat die ambtenaren zijn of worden
belast met werkzaamheden ter uitvoering van artikel 4, tweede lid, van
de Tijdelijke wet ambulancezorg. Het vierde lid is niet van toepassing,
voor zover de daar bedoelde algemeen verbindende voorschriften de
rechtpositie van de in de eerste zin bedoelde ambtenaren betreffen.
Artikel 11.3 Overgangsrecht reorganisaties
1. Indien een rechtspersoon als bedoeld in artikel 615 van Boek 7 van
het Burgerlijk Wetboek, zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan het
tijdstip van inwerkingtreding van artikel I van de Wet normalisering
rechtspositie ambtenaren, na dat tijdstip aan een commissie als bedoeld
in artikel 671a, tweede lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek,
verzoekt om toestemming voor opzegging op grond van artikel 669, derde
lid, onderdeel a, van dat boek van de arbeidsovereenkomst van een
werknemer, ten aanzien van wie door een bestuursorgaan binnen die
rechtspersoon voor dat tijdstip een besluit is genomen waarin die
werknemer boventallig is verklaard, blijven daarop de materiële
voorschriften van toepassing die ten tijde van dat besluit voor dat
bestuursorgaan golden.
2. Ten aanzien van een verzoek van de werkgever als bedoeld in artikel
671b, eerste lid, onderdeel b, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek of
een verzoek van de werknemer als bedoeld in artikel 681 of artikel 682
van dat boek, dat betrekking heeft op een arbeidsovereenkomst waarvoor
met toepassing van het eerste lid is verzocht om toestemming voor
opzegging, dan wel de tegen een beschikking op voornoemde verzoeken
ingestelde rechtsmiddelen, blijven de in het eerste lid bedoelde
materiële voorschriften van toepassing.
Artikel 11.4 Samenloop
Indien het bij koninklijke boodschap van 22 november 2018 ingediende
voorstel van wet tot wijziging van enige wetten in verband met de
normalisering van de rechtspositie van ambtenaren in het onderwijs
(Kamerstukken 35089) tot wet is of wordt verheven en die wet:
a. eerder in werking treedt of is getreden of op hetzelfde tijdstip in
werking treedt als artikel 2.12 van deze wet, komt in artikel 2.12
artikel 58 te luiden:
Artikel 58
In het geval van een grenscorrectie gaat op de datum van herindeling
het personeel, verbonden aan de in overgaand gebied gevestigde door de
gemeente in stand gehouden scholen als bedoeld in artikel 1 van de Wet
op het primair onderwijs, artikel 1 van de Wet op de expertisecentra of
artikel 1 van de Wet op het voortgezet onderwijs, over in dienst van de
gemeente waaraan bedoeld gebied wordt toegevoegd.
b. later in werking treedt dan artikel 2.12 van deze wet, komt artikel
58 van de Wet algemene regels herindeling te luiden:
Artikel 58
In het geval van een grenscorrectie gaat op de datum van herindeling het
personeel, verbonden aan de in overgaand gebied gevestigde door de
gemeente in stand gehouden scholen als bedoeld in artikel 1 van de Wet
op het primair onderwijs, artikel 1 van de Wet op de expertisecentra of
artikel 1 van de Wet op het voortgezet onderwijs, over in dienst van de
gemeente waaraan bedoeld gebied wordt toegevoegd.
Artikel 11.5
1. Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip.
2. Artikel 6.18, onderdelen A en B, treden in werking op het op grond
van artikel 11.2, eerste lid, bij koninklijk besluit vast te stellen
tijdstip.
Artikel 11.6
Deze wet wordt aangehaald als: Aanpassingswet Wnra.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat
alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
PAGE
PAGE 67