Position paper P. Zoontjes t.b.v. hoorzitting/rondetafelgesprek Artikel 23 Grondwet d.d. 4 september 2019
Position paper
Nummer: 2019D33094, datum: 2019-08-23, bijgewerkt: 2024-02-19 10:56, versie: 1
Directe link naar document (.doc), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Onderdeel van zaak 2019Z15980:
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
- Stemmingen en besluiten:
- 2019-09-12 10:15 â Betrokken bij rondetafelgesprek Artikel 23 Grondwet. (Besluit)
- 2019-09-04 10:15 â Behandeld. (Besluit)
- 2019-09-04 10:15: Artikel 23 Grondwet (Rondetafelgesprek), vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
- 2019-09-12 10:15: Procedurevergadering (Procedurevergadering), vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Preview document (đ origineel)
Korte notitie over de toekomst van artikel 23 Grondwet Prof. mr. P.J.J. Zoontjens, em. hoogleraar onderwijsrecht Tilburg University Algemeen Als lid van de Onderwijsraad was ik betrokken bij de totstandkoming van het advies âArtikel 23 Grondwet in maatschappelijk perspectiefâ van 2012. In dat advies werden verschillende punten genoemd die de vrijheid van onderwijs aangaan en waarvoor geen basis aanwezig is in het grondwetsartikel. Men denke aan de rechten van onderwijsvragers (recht op onderwijs), de leerplicht en deelnamerechten als medezeggenschap en consumentenbescherming. Nochtans was ik het eens met de conclusie van het advies dat artikel 23 niet gewijzigd hoefde te worden. Het grondwetsartikel, waarvan vanwege het toetsingsverbod van art. 120 Grondwet de bindende interpretatie grotendeels aan de politiek toebehoort, kan vandaag de dag principieel in samenhang met het recht op onderwijs van de verdragen (art. 2, P1, EVRM; art. 29 VRK; art. 13 IVESCR, etc.) worden beoordeeld omdat veel van de begrippen die in de grondwetstekst voorkomen, zoals ârichtingâ, âtoezichtâ, âvan overheidswegeâ en âdeugdelijkheidâ een open inhoud hebben. Inmiddels ben ik er evenwel van overtuigd dat de modernisering van de tekst van artikel 23 Grondwet wenselijk en noodzakelijk is. Twee zaken hebben daarbij voor mij de doorslag gegeven: (1) het einde van het duale bestel van openbaar en bijzonder onderwijs en (2) de groeiende betekenis van het beginsel van burgerschap. Ook vanwege de al in 2012 gesignaleerde punten die een grondslag in artikel 23 Grondwet ontberen, is er thans voldoende urgentie om naar een grondige herziening van het grondwetsartikel te streven. Einde dualiteit Ik denk â en heb dat recent ook meer uitgebreid uitgesproken â dat het duale bestel op sterven na dood is. Een sterkere focus op burgerschap in het onderwijs bij zowel de overheid als de scholen zie ik als de oplossing. Over het laatste gaat de volgende paragraaf. Wat is er aan de hand? Het openbaar funderend onderwijs is sinds de jaren negentig, toen Tineke Netelenbos dit wettelijk mogelijk maakte, vrijwel volledig in stichtingen opgegaan, waarbij het gemeentelijk toezicht âin het belang van het behoud van het openbare karakter van het onderwijsâ niet meer voldoet. De belangrijkste redenen daarvoor zijn dat deze toezichtsbevoegdheden decentraal zijn belegd, in de normale gevallen onduidelijk zijn, niet effectief zijn en waarschijnlijk bij de gemeentebesturen ook geen prioriteit hebben. Veel verder dan de verplichting van een soort jaarverslag van de stichtingen waarin verantwoording wordt afgelegd over het openbare karakter van het onderwijs, komen we niet, actief toezicht ontbreekt. Gemeenten hebben door de decentralisatie van het sociale beleid wel iets anders aan hun hoofd: als het om de afstemming tussen jeugdzorggelden (gemeenten) en Passend Onderwijs (scholen, samenwerkingsverband) gaat, worden alle scholen â zowel openbare als bijzondere â als potentiĂ«le tegenspelers van de gemeentebesturen gezien. Door de privatisering en het gebrekkig toezicht is de overheidslegitimatie van het openbaar onderwijs vrijwel afwezig. Buiten het funderend onderwijs kennen we alleen nog openbare universiteiten: de ROCâs en hogescholen zijn alle bijzonder. Het bijzonder (funderend) onderwijs heeft ook een ernstig legitimatieprobleem. Twee derde van de scholen in PO en VO is bijzonder. 86% daarvan in het PO en 59% in het VO is protestants-christelijk of rooms-katholiek. 98% van de bijzondere scholen is algemeen-toegankelijk, met andere woorden er wordt niet geselecteerd op basis van richting aan de poort. Daar staat tegenover dat slechts 49% van de Nederlanders zich tot een religieuze groepering rekent en 12% nog kerk gaand is. De bijzondere scholen spelen hierop in door veel meer nadruk te leggen op hun pedagogische uitgangspunten. Het is in de meeste gevallen niet meer voor mensen te achterhalen van welke religieuze signatuur de basisschool of middelbare school is, omdat scholen (m.u.v. de islamitische en streng protestantse) zich als zodanig niet meer presenteren. De Martin Luther King basisschool in Rotterdam is protestants-christelijk. In Amstelveen, Apeldoorn en Haarlem is de naam van dominee King evenwel verbonden aan openbaar basisonderwijs. Al jaren weten de studenten bij mijn vak onderwijsrecht oprecht niet meer of de basisschool of middelbare school waarop ze hebben gezeten, bijzonder was of openbaar, over richting wordt ĂŒberhaupt niet meer gesproken. De richting van het bijzonder onderwijs is in de loop der tijd verwaterd, de overtuiging lijkt op termijn als onderdeel te worden beschouwd van een pedagogisch concept. Ook het openbaar onderwijs onderscheidt zich in het normale geval niet meer door het principe van door overheidsbestuur gegarandeerde neutraliteit en algemene toegankelijkheid, maar primair door een door het bestuur en de eigen staf gepraktiseerd pedagogisch concept waarvan opvattingen over algemene toegankelijkheid en neutraliteit op een bepaalde wijze deel uit zullen maken. Wat komt er voor het duale bestel in de plaats? Het is niet zozeer dat de behoefte aan bijzonder onderwijs als model afneemt, want het succes van de privatisering van openbare scholen wijst op het tegendeel. Wel is er een ontwikkeling gaande, waarbij steeds meer zal worden getornd aan de privileges van het religieuze bijzonder onderwijs en aan de overheidslegitimatie van het openbaar onderwijs. De noodzaak van een nieuw arrangement dient zich aan. Voor het automatisme van principiĂ«le terughoudendheid van de rol van de centrale overheid bij het beĂŻnvloeden van de inhoud van het onderwijs is steeds minder plaats. Belang van integratie en burgerschap Nu er geen vaste oriĂ«ntatie meer is bij het openbaar onderwijs en de grote meerderheid van de bijzondere scholen, en er ook plannen zijn â in het kielzog van het Onderwijsraadadvies uit 2012 â om via richtingvrije planning de stichting van scholen open te gooien, dient de vraag âwat nu?â zich steeds dringender aan. Wat is met andere woorden de bindende norm voor het onderwijs van de toekomst? Dit is waarschijnlijk de belangrijkste vraag die met een wijziging van artikel 23 van de Grondwet gemoeid is. Zonder enige twijfel moet de waarde van onderwijsvrijheid als verlengstuk van het individuele opvoedingsrecht en keuzerecht overeind blijven. De typisch Nederlandse situatie van (openbare en bijzondere) scholen die in hun handelen en communiceren dicht bij de ouders staan, dient ook voor de toekomst verzekerd te blijven. Maar gaandeweg is ook de maatschappelijke waarde van het onderwijs, als stelsel, meer op de voorgrond getreden. Over de laatste dertig jaar is de overheidsverantwoordelijkheid voor de kwaliteit en doelmatigheid van het onderwijs daadwerkelijk aangescherpt. Er kwam meer bemoeienis met de inhoud van het onderwijs. In 1993 werden bij amvb de eerste kerndoelen voor het basisonderwijs vastgesteld, die in 1998 en 2005 werden geactualiseerd. Ook in de jaren negentig werd het inspectietoezicht omgevormd tot echt kwaliteitstoezicht, volgens de lijnen die later in de Wet op het Onderwijstoezicht van 2001 werden vastgelegd. Daarna ging het snel: vanaf de eeuwwisseling kwamen er kerndoelen voor de onderbouw van het voortgezet onderwijs, verschenen er wettelijke bepalingen over burgerschap en integratie, werden er centrale voorschriften vastgesteld die het vereiste niveau van rekenen en taal vastlegden en ging de wetgever zich bemoeien met eindtoetsen in het basisonderwijs, zoals hij dat wellicht binnen afzienbare termijn ook meer ingrijpend gaat doen met de examens in het voortgezet onderwijs. Op de achtergrond van deze toegenomen overheidsbemoeienis schuilt een consistente visie over de samenleving van de toekomst: mensen moeten adequaat zijn toegerust voor de problemen die zich dan zullen aandienen. Men zou hier kunnen spreken van een visie op burgerschap die deze bemoeienis verklaart. Toch werd burgerschap pas een zelfstandig thema nadat in het kielzog van de moorden op Fortuyn (2002) en Van Gogh (2004) werd geconstateerd dat er in het onderwijs en op de scholen een tegenbeweging op gang diende te komen tegen de doorgeschoten individualisering en het dreigende gebrek aan sociale cohesie in de samenleving. In 2006 zijn daartoe bepalingen in de onderwijswetgeving opgenomen. Het belang van burgerschap in het onderwijs nam daarna nog in belang toe toen vanaf 2016 en laatstelijk in het begin van dit jaar duidelijk werd dat tegen sommige scholen diende te worden opgetreden in het belang van de basiswaarden van de democratische rechtsstaat, en leerlingen bescherming verdienden tegen vanuit dat oogpunt onacceptabel gedachtegoed. Burgerschap heeft zich zodoende ontwikkeld tot een beginsel in het onderwijs dat een toenemende inmenging van de scholen en de overheid in het curriculum en de vorming van kinderen verklaart. Het is een beginsel dat in het belang van het kind een verdere bemoeienis vanuit de samenleving met zijn opvoeding en vorming rechtvaardigt. Het is ook een beginsel dat gaandeweg het âgatâ opvult dat door het gebrek aan oriĂ«ntatie op bijzondere en openbare scholen is ontstaan. Het is van belang dat de overheid hier goede richting aan geeft maar op een zodanige wijze dat de mogelijkheden per school om er context en betekenis aan te geven worden gerespecteerd. Het beginsel van burgerschap heeft drie dimensies: Het biedt in de eerste plaats houvast als een maatstaf aan de hand waarvan de betekenis van het onderwijs, de omgang met elkaar, en de organisatie van activiteiten in en buiten de school opnieuw bepaald kan worden. Het veronderstelt dat de overheid via positief beleid de voorwaarden schept en optimaliseert voor het bevorderen van burgerschap door bijvoorbeeld aanpassing van het curriculum en de scholing van leraren, het opheffen van knelpunten (bv. categorale scholenvorming, vroege selectie) door onderwijsbeleid en het voldoende bewaken en bevorderen van de onderwijstijd en de professionele deskundigheid. Het behelst de taak voor de overheid om de grenzen van wat er op scholen kan en mag gebeuren te bewaken. Dit veronderstelt dat de overheid handhavend optreedt in die gevallen dat onderwijs op een school evident in strijd is of zal komen met de uitgangspunten van de democratische rechtsstaat. Zo beschouwd heeft burgerschap als beginsel een zodanig fundamentele en perspectiefrijke betekenis voor het onderwijs vandaag de dag dat zij bescherming verdient in de Grondwet. Vastlegging van het vragersperspectief: recht op onderwijs Burgerschap is één kant van het verhaal, nu het beginsel vooral de positie van de overheid en de scholen accentueert. Daar staan tegenover de rechten van de ouder, de leerling of de student, die richting geven of beperkingen stellen aan het handelen van de overheid of de scholen. Artikel 23 Grondwet mist momenteel een expliciete grondslag voor de benadering van de waarde van onderwijs uit individueel perspectief. Dat werd ook al door de Onderwijsraad geconstateerd in zijn advies uit 2012. Die is wel aanwezig in de internationale verdragsbepalingen die gaan over het recht op onderwijs (art. 2, P1, EVRM, art. 29 IVRK, art. 13 IVESCR, art. 24 Gehandicaptenverdrag etc.). Gelijk artikel 24, § 3, van de Belgische Grondwet (âIeder heeft recht op onderwijs, met eerbiediging van de fundamentele rechten en vrijheden. De toegang tot het onderwijs is kosteloos tot het einde van de leerplichtâ) zou ook onze Grondwet hiervoor een basis moeten bieden. Behoud van aantal normen in huidige grondwetsbepaling Er is ook een en ander dat het waard is om te behouden. Er is weliswaar reden om ook de rol van de gemeenten structureel te betrekken bij de aanhoudende zorg voor het onderwijs, maar decentralisatie mag m.i. niet zo ver gaan dat gemeenten (of in de toekomst regiobesturen) ook actief invloed uitoefenen op de inhoud. De norm dat bij wet de deugdelijkheid van het onderwijs dient te zijn verzekerd, moet daarom in het belang van gelijkheid, een minimum aan uniformiteit en rechtszekerheid worden gehandhaafd. Ook de financiĂ«le gelijkstelling of een toekomstige equivalent daarvan, dient te blijven gegarandeerd. Redenen daarvoor zijn dat deze normen niet ter discussie staan en ook zorgen voor een wezenlijk ânationaalâ onderwijsbestel. Paul Zoontjens, De weg naar burgerschap, afscheidsrede Tilburg University, Tilburg University 19 mei 2019. PAGE \* MERGEFORMAT 4