[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

Schriftelijke antwoorden op vragen gesteld tijdens de eerste termijn van de begrotingsbehandeling van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (VII) op 29 oktober 2019

Brief regering

Nummer: 2019D43309, datum: 2019-10-30, bijgewerkt: 2024-02-19 10:56, versie: 1

Directe link naar document (.doc), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen:

Onderdeel van zaak 2019Z20713:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


Tijdens de begrotingsbehandeling van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties (hoofdstuk VII) heeft uw Kamer vragen gesteld.
Hierbij bied ik u mede namens de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken
en Koninkrijksrelaties het antwoord op een deel van deze vragen –
gezien de feitelijkheid van de beantwoording – schriftelijk aan. De
overige gestelde vragen zal de staatssecretaris beantwoorden tijdens
zijn eerste termijn van het debat op donderdag 31 oktober 2019.

De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

drs. K.H. Ollongren

 

Vragen van het lid Middendorp, J. (VVD)

Vraag (1):

Wat is nu de situatie ten aanzien van de bemensing van het BIT? Zijn er
al nieuwe mensen aangetrokken? En waarom wordt het salaris van het hoofd
van het BIT dat nu gezocht wordt lager dan het vorige hoofd?

Antwoord:

In zijn brief van 3 september jl. (Kamerstukken II 2018/19, 26643, nr.
628) heeft de staatssecretaris uw Kamer geïnformeerd over diverse
maatregelen, zoals de verlenging van het instellingsbesluit tot eind
2020, het regelen van de financiering voor het BIT in de BZK-begroting
voor 2020 en het versterken van het mandaat van het Hoofd BIT, om de
continuïteit van het BIT te garanderen. Er is in de afgelopen periode
een aantal nieuwe medewerkers aangetrokken, maar ook de bemensing van
het BIT is een blijvend aandachtspunt in verband met de benodigde
specialistische expertise. Momenteel vinden ook gesprekken plaats met
kandidaten die op de openstaande functie van Hoofd BIT gereageerd
hebben. De staatssecretaris hoopt die werving voor het eind van het jaar
te hebben afgerond.

De suggestie dat bij de werving van het hoofd BIT een lagere
salarisschaal wordt aangehouden dan voorheen is niet correct. De functie
van Bureaumanager BIT is reeds vanaf de start van het BIT gewaardeerd in
schaal 16 en dit is ook bij deze werving het geval. Verschil is echter
dat de CIO Rijk in de nieuwe situatie niet meer aan het hoofd staat van
het BIT. De CIO Rijk is een directeursfunctie schaal 17, omdat deze ook
diverse andere taken heeft. In zijn reactie op uw schriftelijk overleg
over de beleidsdoorlichting van het BIT zal de staatssecretaris hier ook
op ingaan.

Vraag (2):

Is het kabinet het ermee eens dat de Rijksinspectie Digitalisering
geheel los zou moeten komen te staan van het Bureau ICT-toetsing, dat
immers een toezichtsfunctie heeft? Is het kabinet het ermee eens dat bij
zo’n Rijksinspectie Digitalisering het ministerie van Financiën een
voorbeeld zou moeten zijn? 

Antwoord:

Het onderzoek naar een eventuele Rijksinspectie Digitalisering wordt nu
uitgevoerd door ABD Topconsult. Zoals de staatssecretaris al eerder
heeft toegezegd, stuurt hij uw Kamer voor het einde van het jaar zijn
reactie op basis van de evaluatie van het BIT, de beleidsdoorlichting
BIT en het onderzoek naar een eventuele Rijksinspectie Digitalisering.
Daar wil ik nu nog niet op vooruitlopen.

Vraag (3): 

Digitale lijkbezorging in de veranderende samenleving: wat kunnen we
regelen met de Wet op de lijkbezorging? Er is een aantal mogelijkheden,
maar wat gaat de minister echt doen als we er binnenkort over gaan
praten? 

Antwoord:

De digitale nalatenschap is een uitermate complex, omvattend en
bovendien ook relatief nieuw onderwerp. De digitale nalatenschap raakt
onder meer aan grondrechten, het erfrecht, intellectueel eigendom,
consumentenrecht, contractenrecht en/of privacy. De Wet op de
lijkbezorging regelt datgene wat in de titel besloten ligt; de bezorging
van het lijk. Regels met betrekking tot de nalatenschap, fysiek of
digitaal, gaan de reikwijdte van deze wet te buiten.

Het grootste deel van de toepasselijke wetgeving ligt op het terrein van
de minister voor Rechtsbescherming. Ik ben al in gesprek met de minister
over wat we gezamenlijk op dit onderwerp kunnen en eventueel moeten
doen. Wel herken ik me in het feit dat de digitale nalatenschap nieuwe
uitdagingen met zich brengt. Het ministerie van BZK en J&V laten daarom
nog dit jaar een onderzoek uitvoeren, waardoor we meer inzicht krijgen
in wat digitale nalatenschap inhoudt, welke wetgeving hierbij van
toepassing is, hoe deze wetgeving zich onderling tot elkaar verhoudt, of
hierin knelpunten worden ervaren en in hoeverre er nut en noodzaak
bestaat van aanvulling/aanpassing. Dat onderzoek is naar verwachting
juni 2020 gereed. Dan kunnen we beoordelen of wetswijziging nodig is en
kunnen we bezien hoe we dat kunnen vorm geven.

Ook de overheid heeft natuurlijk gegevens van overledenen. Voor wat
betreft de toegang van nabestaanden tot gegevens, zaken en berichten van
de overledene bij de overheid doen we momenteel al een onderzoek naar de
haalbaarheid van een zogenoemde nabestaandenmachtiging. Dat onderzoek is
naar verwachting maart 2020 beschikbaar.

Op 20 november houdt de Tweede Kamer een rondetafelgesprek over digitale
nalatenschap. Zij spreekt op 26 november in een Algemeen Overleg over de
voorbereiding van de wijziging van de Wet op de lijkbezorging. Voor dat
AO komt er nog een brief naar de Kamer over de stand van zaken van de
voorbereiding.

Vraag (4):

Er zijn enorme kansen met algoritmes. Gemeenten kopen digitale
oplossingen in. Gemeenten werken aan spannende projecten. Heeft BZK een
overzicht van projecten die georganiseerd worden? Kan de minister een
lijst met veelbelovende projecten naar de Kamer sturen?

Antwoord:

Wij steunen experimenten met data en algoritmen en zijn hier zelf ook
mee bezig, bijvoorbeeld met de Data Agenda Overheid, NL DIGITAAL. In
gesprekken met gemeenten en andere overheden zie ik ook dat hierop veel
gebeurt. Er is geen totaaloverzicht van alle data- of algoritmeprojecten
bij de overheid. Voor de Data Agenda Overheid: NL DIGITAAL is wel een
verkenning uitgevoerd naar projecten; een overzicht hiervan staat op
www.digitaleoverheid.nl. In de actualisatie van de agenda die de
staatssecretaris uw Kamer in het voorjaar van 2020 zal sturen, neemt hij
een aantal veelbelovende projecten op.

Vraag (5):

Gemeente Amsterdam en Haarlemmermeer hebben een tijdelijke bouwstop van
nieuwe datacentra ingelast. Wat betekent dat voor de strategie van
datacenters die het ministerie gemaakt heeft? Heeft de minister contact
gezocht met Amsterdam?

Antwoord:

De ruimtelijke strategie voor datacenters is van groot belang voor de
verdere ontwikkeling van de Nederlandse economie, zoals ik heb verwoord
in mijn brief van 13 mei 2019 (Kamerstukken II 2018/19, 34682, nr. 9).
In deze strategie wordt, gezien de bestaande druk op de Metropoolregio
Amsterdam (MRA), juist ook ingezet op andere locaties voor datacenters
die bijdragen aan de economische concurrentiepositie van Nederland. Voor
de MRA geldt dat voor een goede inpassing een zorgvuldige afweging nodig
is van de verschillende ruimtelijke opgaven, zoals ook het
energienetwerk. Samen met de MRA werkt het ministerie van BZK aan een
verstedelijkingsstrategie waar die afweging van opgaven wordt gemaakt op
het gebied van onder meer wonen, werken, landschap en energie. Dit
biedt ook een basis voor de toekomst van datacenters in deze regio.

Vraag (6):

Als het gaat om onze electorale processen en vrijheid van meningsuiting,
dan moet Nederland zelf de hand aan de ploeg slaan. De overheid noch een
techbedrijf noch de Europese Unie mag de scheidsrechter worden in ons
maatschappelijk debat. Is het kabinet het daarmee eens? En zo ja, hoe
zitten andere EU lidstaten hier dan in de race? En wat is onze strategie
om sluipende competitie overdracht naar de Europese unie te voorkomen? 

Antwoord:

In de aanpak van desinformatie staat de vrijheid van meningsuiting
voorop. Dit geldt ook voor de techbedrijven en voor de EU. Deze vrijheid
moet zo min mogelijk beperkt worden. Er moet ruimte zijn voor het
publieke debat. We moeten tegelijk niet naïef zijn dat Nederland niet
geraakt kan worden door desinformatiecampagnes. Zoals het lid Middendorp
terecht stelde en ook de inlichtingendiensten signaleren, zien wij om
ons heen dat heimelijke beïnvloeding plaatsvindt.

Deze heimelijke doelbewuste verstoring van het publieke debat moet
worden tegengegaan. Ik ben het eens met het lid Middendorp dat de
techbedrijven daarbij niet de scheidsrechter van inhoudelijke
opvattingen moeten zijn, maar zij moeten wel hun verantwoordelijkheid
nemen tegen misbruik van hun platform.

Dit horen zij niet te doen door berichten te verwijderen. Het strafrecht
geldt als grens of een bericht verwijderd kan worden of niet. Het
verspreiden van desinformatie is niet bij wet verboden, de vrijheid van
meningsuiting mag daarom ook niet beperkt worden vanwege de verspreiding
hiervan.

Daarom is het kabinet voorstander van meer transparantie op online
platforms. Het kabinet verkent in EU-verband in het licht van de komende
evaluatie van de gedragscode desinformatie hoe dit vorm gegeven kan
worden. Meer transparantie kan gebruikers van online platforms
ondersteunen in het op waarde schatten van informatie. Hiermee is de
kans op misleiding kleiner, zijn desinformatieberichten lastiger te
verspreiden en hebben zij minder impact. Transparantie maakt geen
inbreuk op de vrijheid van meningsuiting en het kabinet is van mening
dat deze platforms dit zouden moeten eerbiedigen.

Bij eventuele regelgevende maatregelen moeten de proportionaliteit,
subsidiariteit, en handhaafbaarheid in ogenschouw worden genomen. Een
Europese aanpak vind ik hierbij aangewezen, waarbij de uitgangspunten
uit de aanpak van desinformatie zoals het waarborgen van de vrijheid van
meningsuiting van toepassing zijn. Tegelijkertijd moeten nationale
competenties, zoals bijvoorbeeld met betrekking tot verkiezingen, worden
gerespecteerd.

Vraag (7):

Kan het kabinet, naar aanleiding van de brief over het dispuut met
Oracle, zijn ervaringen met het inkopen van software meer gaan delen,
zodat kleine ondernemers en non-profitorganisaties daar ook wat aan
hebben? 

Antwoord:

Ik ben uiteraard bereid om onze ervaringen met strategisch
leveranciersmanagement te delen met kleinere organisaties. Samen
met het ministerie van Economische Zaken en Klimaat zullen we kijken
hoe we dit het beste kunnen doen.

Vraag (8):

Hoe kijkt het kabinet naar informatiebeveiliging en de geconstateerde
aandachtspunten en onvolkomenheden? 

Antwoord:

Binnen het kabinet is de afspraak gemaakt dat de situatie op
informatiebeveiliging beduidend moet verbeteren en alle bewindspersonen
zich maximaal zullen inspannen om dit te realiseren. Ik coördineer
centraal de voortgang op de maatregelen die departementen nu zelf nemen
op de geconstateerde onvolkomenheden rond informatiebeveiliging en ICT.
Daarnaast heb ik besloten om de nieuwe rol van Chief Information
Security Officer Rijk (CISO Rijk) te creëren om informatiebeveiliging
de komende jaren structurele aandacht te geven. Deze maatregelen zijn
aanvullend op de Rijksbrede maatregelen in de Strategische I-agenda. Die
I-agenda is een ambitieus meerjarenplan waar deze nieuwe acties goed op
aansluiten.

 

Vragen van het lid Özütok, N. (GL)

Vraag (9):

Als alle overheden duurzaam inkopen maken we een grote stap naar een
circulaire overheid en realiseren van het klimaatakkoord. Kan
duurzaamheid een verplicht onderdeel worden bij alle inkopen van de
overheid?

Antwoord:

Ik ben het met het lid Özütok eens dat duurzaam inkopen een
belangrijke rol speelt bij het realiseren van de doelen van het
klimaatakkoord. Voor de Rijksoverheid is dit aanleiding geweest een
nieuwe inkoopstrategie voor de inkoop van het Rijk op te stellen,
gericht op duurzaam, sociaal en innovatief inkopen. Deze is op 28
oktober 2019 door de minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijkrelaties en de staatssecretaris van Infrastructuur en
Waterstaat aan uw Kamer gezonden. Met deze strategie wil het kabinet
ervoor zorgen dat inkopen met impact een opdracht wordt van het gehele
Rijk. En ook een opdracht waar de departementen op worden aangesproken
als resultaat uitblijft.

Het lid Özütok vraagt ook naar de mogelijkheid om duurzaam inkopen te
verplichten voor alle overheden. Overheden werken op dit moment op basis
van vrijwilligheid aan duurzaam inkopen. Dat vind ik een beter
uitgangspunt. Dat doet ook meer recht aan de eigen politieke keuzeruimte
van gemeentes en provincies. Daarnaast wordt onder coördinatie van het
ministerie van Infrastructuur en Waterstaat een nieuw plan van aanpak
Maatschappelijk Verantwoord Inkopen opgesteld, om samen met andere
overheden duurzaam inkopen naar een hoger niveau te tillen, mede in
relatie tot de afspraken in het Klimaatakkoord hierover.

Vraag (10):

Hoe zorgen we dat we niet steeds de discussie hebben over de
financiering van het BIT en het BIT gewoon voldoende middelen heeft voor
de uitvoering van de taken? 

Antwoord:

In zijn brief van 3 september jl. (Kamerstukken II 2018/19, 26643, nr.
628) heeft de staatssecretaris uw Kamer geïnformeerd over de
financiering van het BIT voor 2020. Zoals toegezegd, wil hij voor het
eind van het jaar een besluit nemen over de toekomst van het BIT.
Daarbij zal hij ook ingaan op de financiering.

Vraag (11):

Nederland is het wilde westen op het terrein van giften aan politieke
partijen. Kunnen we de giften die niet zijn te achterhalen verbieden?
Hoe gaat het kabinet daarmee om? 

Antwoord:

In de Wet financiering politieke partijen (Wfpp) is bepaald dat van
anonieme giften boven € 1.000, de politieke partij het gedeelte boven
€ 1.000 op een daartoe door de toezichthouder aan te wijzen rekening
overmaakt. Voorts zullen in het voorstel tot aanpassing van de Wfpp, dat
ik begin 2020 in procedure ga brengen, de transparantieregels op de
volgende wijze verder worden verbeterd: 

De regels voor giften van rechtspersonen worden aangescherpt. Hierdoor
wordt duidelijker wie de uiteindelijk belanghebbenden achter deze
rechtspersonen zijn.

Giften van buiten de EU en de Europese Economische Ruimte (EER) worden
verboden en giften uit EU-lidstaten niet zijnde Nederland en de EER
moeten allemaal openbaar worden gemaakt.

Stichtingen ten behoeve van individuele kandidaat-Kamerleden worden
onder de reikwijdte van de Wfpp gebracht, zodat voorafgaand aan de
Tweede Kamerverkiezingen ook giften aan kandidaten transparant worden.

Vraag (12):

Wat is de actuele stand van zaken van de antidiscriminatie-aanpak? Zou
het niet goed zijn om naast de antisemitismemonitor ook een jaarlijkse
islamofobiemonitor te ontvangen? Is de staatssecretaris bereid om het
voorstel voor de inzet van gespecialiseerde
antidiscriminatierechercheurs concreet te onderzoeken, samen met zijn
collega van J&V?

Antwoord:

De uitvoering van het Nationaal actieprogramma tegen discriminatie
loopt. Zo is onlangs aan uw Kamer de brief gezonden over de versterking
van het stelsel van antidiscriminatievoorzieningingen (Kamerstukken II
2019/20, 30950, nr. 179). Overigens zijn er sinds het verschijnen van
het actieprogramma in 2016 diverse nieuwe acties ter bestrijding van
discriminatie ondernomen door BZK en door de andere betrokken
departementen. Hier wordt ingegaan op actuele ontwikkelingen of
onderzoeken, zoals ten aanzien van discriminatie op de woningmarkt. De
bestrijding van discriminatie vergt een lange adem, waarvoor continue
aandacht nodig is.

Ten aanzien van de beide suggesties van het lid Özütok geldt het
volgende:

de jaarlijkse Monitor Antisemitische Incidenten is een uitgave van het
CIDI. Ik stuur uw Kamer jaarlijks een integrale monitor, gericht op alle
door de wet beschermde gronden. In de jaarlijkse rapportage zijn
meldingen opgenomen die binnengekomen zijn bij de politie, bij
antidiscriminatievoorzieningen en bij het College voor de rechten van de
Mens, alsmede van zaken waar het OM tot vervolging is overgegaan. Deze
rapportages worden jaarlijks aan uw Kamer gezonden. In deze rapportages
worden de cijfers en de trends van duiding voorzien.

BZK coördineert de aanpak van discriminatie. Vanuit die rol bewaakt BZK
eenduidig kabinetsbeleid. Dat wil evenwel niet zeggen dat BZK bevoegd is
ten aanzien van de beleids- en operationele keuzes die worden gemaakt
door JenV, laat staan door de politie. Wel ben ik bereid om met JenV te
bekijken of het mogelijk is om de antidiscriminatievoorzieningen te
professionaliseren om ook advies en bijstand te geven bij het doen van
aangifte. 

Vraag (13):

Hoe gaat dit kabinet waarborgen dat bij gemeenschappelijke regelingen
goede democratische controle via gemeenteraden plaats kan vinden?

Antwoord:

Met het lid Özütok ben ik van mening dat goede democratische controle
op gemeenschappelijke regelingen van groot belang is.

Momenteel is er een wetsvoorstel in voorbereiding om de democratische
legitimiteit van gemeenschappelijke regelingen, in het bijzonder de
controlerende en kaderstellende rol van de volksvertegenwoordiging, te
versterken. De binnengekomen zienswijzen uit de consultatie die
recentelijk is geëindigd, worden op dit moment verwerkt.

In het voorstel zal de democratische legitimiteit op drie manieren
worden versterkt: 

Versterking van de positie van raden bij besluitvorming in
gemeenschappelijke regelingen

Aanvullende controle-instrumenten raden

Aanpassingen ten aanzien van de governance van een gemeenschappelijke
regeling

Naar verwachting zal het wetsvoorstel in het voorjaar van 2020 aan uw
Kamer worden gestuurd.

 

Vragen van het lid Molen, H. van der (CDA)

Vraag (14):

Zouden we bovenop deze motie over de grensregiotoets de stap moeten
nemen om bij elke wetgeving die wij naar de Kamer krijgen heel specifiek
te weten wat de impact op grensregio’s is?

Antwoord:

Het Integraal Afwegingskader (IAK) verplicht bij nieuwe wet- en
regelgeving alle effecten mee te nemen. Dus ook grenseffecten, wanneer
die aan de orde zijn. De leidraad die onlangs, in antwoord op de motie
(Kamerstukken II 2018/19, 35000-VII, nr. 35), is toegevoegd aan het IAK,
helpt om het bewustzijn van en de aandacht voor grenseffecten te
vergroten. Naast het beschikbaar stellen van de leidraad bevordert BZK
de aandacht voor grenseffecten door regelmatig contact te hebben met
zowel grensregio’s als de vakdepartementen om signalen op te vangen en
dossiers te identificeren waar mogelijk grenseffecten aan de orde zijn.
Wij zullen nu eerst ervaring hiermee opdoen en zien hoe deze werkwijze
in de praktijk functioneert. Dan zal blijken of een steviger verankering
nodig is. Een verplichte toets is daarom op dit moment niet nodig.

 

Vraag (15):

Moeten wij -los van de wettelijke realiteit- lokale gemeenschappen in
processen van herindelingen niet meer zeggenschap geven? 

Antwoord:

Het is primair aan de betreffende gemeenteraden om voorstellen te doen
voor de beste gemeentelijke indeling en daarbij de voorkeuren van hun
inwoners mee te wegen.

De splitsing van de voormalige gemeente Boarnsterhim (Friesland) en de
voorgenomen splitsing van de gemeente Haaren (Noord-Brabant) laten zien
dat het ook voorkomt dat gemeenteraden ervoor kiezen om gemeenschappen
naar verschillende andere gemeenten te laten overgaan, mocht dat de wens
van de inwoners zijn.

 

Vraag (16):

Het CDA roept het kabinet op om haast te maken met het gereedmaken van
de software voor het tellen van stemmen bij verkiezingen. Het CDA vraagt
om zo veel mogelijk tempo in het proces te brengen. 

Antwoord:

Voor de volgende verkiezingen (herindelingsverkiezingen 2020/Tweede
Kamerverkiezing 2021) wordt een hele nieuwe versie van de optelsoftware
gemaakt. Daar is al opdracht voor gegeven door de Kiesraad. De
kwetsbaarheden die zijn geconstateerd in de programmatuur die bij
eerdere verkiezingen is gebruikt zullen in de nieuwe versie opgelost
worden.

 

Voor het gebruik van de optelsoftware worden strikte voorschriften
gegeven aan de gemeenten. Voor de volgende verkiezingen zullen die
voorschriften opnieuw tegen het licht worden gehouden. Ik wil in overleg
met de Informatiebeveiligingsdienst voor gemeenten (van de VNG) en de
Kiesraad bezien of en zo ja hoe de naleving van deze voorschriften moet
worden verscherpt.

 

Parallel hieraan wordt met prioriteit gewerkt aan een digitaal
hulpmiddel dat ook de technische infrastructuur (bijvoorbeeld de
gebruikte netwerken, gebruikte servers, etc.) omvat. Zoals aangegeven in
de brief aan uw Kamer van 7 oktober jl. (kamerstukken II 2019/20, 35165,
nr. 10) kost het nog enige maanden om precies te bepalen wat de
vereisten, bijvoorbeeld ten aanzien van de beveiliging en de
betrouwbaarheid, hiervoor moeten zijn. Vereisten die ook
toekomstbestendig moeten zijn. Zodra dit werk klaar is kan de
aanbesteding in gang worden gezet. Dat betekent dat op zijn vroegst in
het komende voorjaar de offertes kunnen worden uitgevraagd.

 

Vraag (17):

Zou voor herindelingen in de toekomst geen verzwaarde procedure moeten
gaan gelden, bijvoorbeeld zoals we die in de Kamer kennen voor
grondwetswijzigingen, met een eerste en tweede lezing? Waarom zou bij
een herindeling tussen herindelingsplan en uitvoering niet altijd een
raadsverkiezing moeten plaatsvinden?

Antwoord:

De Wet algemene regels herindeling en het Beleidskader gemeentelijke
herindelingen waarborgen een zorgvuldige procedure om tot een
herindeling te komen.

Gemeenten gaan zich na het vaststellen van het herindelingsadvies,
voorbereiden op de herindeling; extra verkiezingen inbouwen, betekent
een langere periode van onzekerheid over de bestuurlijke toekomst en dat
vind ik onwenselijk. 

Als de verkiezingen de functie hebben van het peilen van het draagvlak
onder de bevolking, dan kan de raad daarvoor ook een lokaal referendum
of andere vorm van raadpleging organiseren; ik acht het echter aan de
betreffende raden om te bepalen hoe zij het draagvlak onder de bevolking
peilen.

 

 

Vragen van het lid Raak, A.A.G.M. van (SP)

Vraag (18):

Is de staatssecretaris het eens met het advies van de Raad van State op
de initiatiefwet van Van Raak over het correctief referendum?

Antwoord:

Het referendum is een onderwerp waarover de minister in de afgelopen
jaren veelvuldig met uw Kamer heeft gesproken, en waarover in uw Kamer
en daarbuiten zeer verschillend wordt gedacht. Daarom wil het kabinet
uiterst zorgvuldig opereren in dit dossier. De staatscommissie
parlementair stelsel heeft geadviseerd een correctief bindend referendum
in te voeren, als aanvulling op en versterking van het huidige
Nederlandse parlementair representatieve stelsel. Daarnaast heeft de
Eerste Kamer tijdens de parlementaire behandeling van de intrekking van
de Wet raadgevend referendum de motie-Lintmeijer c.s. aangenomen. Deze
motie verzoekt de regering te komen met een initiatief voor een visie op
nieuwe vormen van directe democratie als aanvulling op het huidige
representatieve stelsel. Het kabinet streeft er naar dit kalenderjaar
met een reactie op deze motie te komen.

Het lid Van Raak heeft het advies op zijn voorstel en zijn reactie
daarop afgelopen maandag gepubliceerd. Het kabinet zal zich nog beraden
op zijn standpunt met betrekking tot het voorstel. Dat zal bij de
plenaire behandeling van het voorstel in uw Kamer worden ingebracht.

Vraag (19):

Klopt het dat de motie van lid Jetten c.s. betaald gaat worden uit de
huurtoeslag? Is het waar dat wij de politici hier in de Tweede Kamer
meer geld gaan geven en dat dat geld komt van de huurtoeslag? Kan de
staatssecretaris daar uitleg over geven? 

Antwoord:

Ter uitvoering van de motie van het lid Jetten c.s. (Kamerstukken II
2019/20 35300, nr. 19) wordt het budget voor de subsidie aan politieke
partijen structureel opgehoogd. Het betreft een ophoging van € 9 mln.
per jaar tot en met 2024. Vanaf 2025 wordt dat neerwaarts bijgesteld
naar een ophoging van structureel € 5 mln. per jaar ten opzichte van
de huidige begroting. De dekking komt vanaf 2020 uit de loon- en
prijsbijstelling op de Aanvullende Post en vanaf 2022 deels uit de
ruimte binnen het budget van de huurtoeslag, zoals ook aangegeven in de
nota van wijziging die recentelijk aan uw Kamer is toegestuurd. De
verlaging van de zelfstandigenafstrek (onderdeel van het Belastingplan
2020) leidt tot deze ruimte binnen het budget van de huurtoeslag. Deze
dekking is geen bezuiniging op de huurtoeslag en heeft dus geen gevolgen
voor individuele huurtoeslagontvangers.

Vragen van het lid Boer, mw. M. den (D66)

Vraag (20):

De minister gaat aan de slag gaat met “ruimte in regels”, om
gemeenten meer experimenteerruimte te geven. Wat is het tijdspad?

Antwoord:

Ik vind het belangrijk dat experimenten in het openbaar bestuur
aansluiten op de vraag van gemeenten voor maatwerk in het bestaande
instrumentarium. Met “Ruimte in regels” en het programma Democratie
in Actie ondersteun ik gemeenten daarbij. Door middel van kennisdeling,
advisering op concrete casuïstiek, toelichting op bestaande regelgeving
en delen van ‘best practices’. Over de voortgang van het programma
Ruimte in Regels bericht ik uw Kamer in de voortgangsrapportage van
Democratie in Actie. Deze ontvangt uw Kamer voor de zomer 2020.

Vraag (21):

Is de minister het met D66 eens dat het mager is dat slechts tien
gemeenteraden bezig zijn met een ontwikkeltraject voor het gebruik van
het persoonlijk opleidingsbudget voor raadsleden? Hoe gaat de minister
hiermee aan de slag? 

Antwoord:

Raadsleden hebben recht op goede ondersteuning en opleiding, maar maken
daar nog niet altijd gebruik van. Dat is zonde, want daarmee doen ze de
democratie, de raad en kiezers uiteindelijk tekort. 

Dat een beperkt aantal gemeenten actief participeert in het
ontwikkeltraject betekent niet dat dit de enige gemeenten zijn die aan
de slag zijn met hun opleidings- en ondersteuningsbudget. Op dit moment
loopt een verkenning naar de mate waarin persoonlijk opleidingsbudget in
gemeenten benut wordt. Deze verkenning is bijna afgerond en de eerste
indrukken zijn dat er inderdaad veel meer gemeenten dan verondersteld
persoonlijke ontwikkelbudgetten voor raadsleden inzetten.

 

Het gebruik van het opleidingsbudget en bestaand opleidingsaanbod zal ik
de komende tijd stimuleren. Op de korte termijn zal aan de slag worden
gegaan met monitoring en evaluatie van het ontwikkeltraject, het delen
van lessen en goede voorbeelden en de verdere doorontwikkeling,
opschaling en borging van ondersteuningsmogelijkheden. Daarnaast start
begin 2020 een informatiecampagne om ondersteuningsmogelijkheden breed
bij gemeenteraadsleden onder de aandacht te brengen.

Vraag (22):

Wat zijn de resultaten van het onderzoek naar de vergoeding voor
Statenleden en algemeen bestuursleden van de Waterschappen?

Antwoord:

Het onderzoek is nog gaande. Het onderzoeksrapport wordt in januari 2020
verwacht.

 

Vraag (23):

Is de minister het ermee eens dat 4.500 euro te hoog is als drempel van
openbaarmaking van giften voor lokale partijen? 

Antwoord:

Ik bekijk momenteel wat een passende hoogte voor een drempel van
openbaarmaking van giften voor decentrale partijen zou zijn. Deze
drempel gaat gelden voor zowel de lokale – en provinciale afdelingen
van de landelijke partijen, als voor de lokale en provinciale partijen.
Ik neem dit mee bij de voorbereiding van het voorstel voor de Wet op de
politieke partijen, dat ik in het voorjaar van 2020 in procedure ga
brengen.

Vraag (24):

Zijn er ontwikkelingen op het vlak van subsidies voor lokale partijen? 

Antwoord:

Tijdens het AO over de financiering van politieke partijen heeft de
minister van BZK aangegeven sympathiek te staan tegenover het
subsidiëren van decentrale partijen, zowel de lokale en provinciale
partijen als de lokale – en provinciale afdelingen van landelijke
partijen, maar dat er geen middelen voor beschikbaar waren. Over de
verdere uitwerking van de motie-Jetten in relatie tot de subsidiering
politieke partijen wordt uw Kamer binnenkort geïnformeerd.

 

Vraag (25):

Willen de minister en de staatssecretaris een onderzoek starten,
wellicht samen met de minister van Justitie en Veiligheid, naar hoe
wettelijk geregeld kan worden dat digitale bezittingen onderdeel worden
van de nalatenschap? 

Antwoord:

De digitale nalatenschap is een uitermate complex, omvattend en
bovendien ook relatief nieuw onderwerp. De digitale nalatenschap raakt
onder meer aan grondrechten, het erfrecht, intellectueel eigendom,
consumentenrecht, contractenrecht en/of privacy. Het grootste deel van
de toepasselijke wetgeving ligt op het terrein van de minister voor
Rechtsbescherming. Ik ben al in gesprek met de minister over wat we
gezamenlijk op dit onderwerp kunnen en eventueel moeten doen. Ik
herken me in het feit dat de digitale nalatenschap nieuwe uitdagingen
met zich brengt. De ministeries van BZK en J&V laten daarom nog dit jaar
een onderzoek uitvoeren, waardoor we meer inzicht krijgen in wat
digitale nalatenschap inhoudt, welke wetgeving hierbij van toepassing
is, hoe deze wetgeving zich onderling tot elkaar verhoudt, of hierin
knelpunten worden ervaren en in hoeverre er nut en noodzaak bestaat van
aanvulling/aanpassing. Dat onderzoek is naar verwachting in juni 2020
gereed. Dan kunnen we beoordelen of wetswijziging nodig is en zo ja, hoe
we dat kunnen vormgeven.

Vraag (26):

Slechts één op de tien Nederlanders denkt na over wat er met hun
social media accounts moet gebeuren wanneer zij komen te overlijden.
Zijn de minister en staatssecretaris bereid een bewustwordingscampagne
hiervoor op te zetten? 

Antwoord:

Het onderwerp digitale nalatenschap raakt iedereen vroeg of laat en het
is goed dat hier nu zoveel aandacht voor is. Goede voorlichting over de
mogelijkheden en rechten van zowel de overledene als de nabestaanden
acht ik van groot belang. We gaan daarvoor in overleg met de
uitvaartbranche en andere betrokkenen, zoals notarissen, om te zien wie
wat kan doen.

De digitale nalatenschap is echter een uitermate complex, omvattend en
bovendien ook relatief nieuw onderwerp. De digitale nalatenschap raakt
onder meer aan grondrechten, het erfrecht, intellectueel eigendom,
consumentenrecht, contractenrecht en/of privacy.

BZK en J&V laten daarom nog dit jaar een onderzoek uitvoeren, waardoor
we meer inzicht krijgen in wat digitale nalatenschap inhoudt, welke
wetgeving hierbij van toepassing is, hoe deze wetgeving zich onderling
tot elkaar verhoudt, of hierin knelpunten worden ervaren en in hoeverre
er nut en noodzaak bestaat van aanvulling/aanpassing. Ik verwacht dat
het onderzoek volgend jaar juni klaar kan zijn en dat we zo snel
mogelijk de voorlichting aanpassen waar dat nodig is. Dit alles zal ik
doen in samenspraak met de minister voor Rechtsbescherming.

Vragen van het lid Kuiken, A.H. (PvdA)

Vraag (27):

Hoe gaat het ministerie van BZK om met de subsidierelatie met ProDemos?
Is het wel verstandig om die te continueren? Is het wel verstandig om
aan de grote ambities, zoals meer bezoekers, vast te houden? Hoe denkt
het kabinet over de dubbelrol van subsidiegever en opdrachtgever die in
het rapport Joustra wordt geconstateerd?

Antwoord:

De subsidie aan ProDemos is gebaseerd op de subsidieregeling ProDemos.
Daarin staat dat de minister van BZK per boekjaar een subsidie aan de
stichting verstrekt met het oog op het overdragen van kennis over de
democratische rechtsstaat, het vergroten van vaardigheden om deel te
nemen aan democratische processen en het bevorderen van actief
democratisch burgerschap.

Het rapport van de visitatiecommissie ProDemos, dat ik op 28 oktober
2019 heb aangeboden aan het parlement, concludeert dat het primaire
proces van ProDemos goed op orde is. Gezien deze conclusie ben ik ervan
overtuigd dat ProDemos uiterlijk april 2020 een goed verbeterplan zal
overleggen, is er vooralsnog geen aanleiding om de subsidie aan ProDemos
te heroverwegen. Overigens wordt de subsidieregeling periodiek
geëvalueerd.

De aanbeveling van de onderzoekscommissie over de verduidelijking van de
positionering van de Stichting ProDemos richt zich zowel tot mijn
ministerie als de Tweede Kamer. Deze aanbeveling in relatie tot mijn
ministerie neem ik ter harte. Over de wijze van omgaan met de
aanbeveling van de onderzoekscommissie ProDemos over de positionering en
rol van het ministerie ga ik op korte termijn in overleg met de Raad van
Toezicht van ProDemos.

Vraag (28):

Hoe gaat het kabinet klokkenluiders beschermen?

Antwoord:

Het is belangrijk dat het te allen tijde mogelijk is en blijft om
misstanden aan te kaarten. Ik heb veel respect voor medewerkers die
misstanden aankaarten binnen hun organisatie en ik vind vanzelfsprekend
ook dat zij dat respect in hun organisatie verdienen. In de brief van de
minister van 20 juni jl. aan uw Kamer is toegezegd de meldprocedures
binnen de Rijksdienst waar mogelijk te vereenvoudigen en waar
noodzakelijk aan te vullen (Kamerstukken II, 2018/19, 28844, nr.
183). Ook de FNV heeft aandacht gevraagd voor heldere, toegankelijke
meldprocedures bij de ministeries. Op dit moment werkt het
Interdepartementaal Platform Integriteitsmanagement (IPIM) aan een
advies over de vraag hoe de positie van de melder in het meldproces
verder versterkt kan worden. Het gaat dan om de voorfase tot en met de
nazorg. Het is belangrijk dat de melder niet geïsoleerd raakt. Uw Kamer
wordt voor de zomer van 2020 nader geïnformeerd over concrete
verbeteringen in het meldproces.

Verder ben ik verheugd dat op 7 oktober jl. de richtlijn van het
Europees Parlement en de Raad is aangenomen betreffende de bescherming
van personen die inbreuken op het Unierecht melden. Ik zal mij inspannen
om samen met uw Kamer deze richtlijn, die verdergaande eisen stelt aan
de bescherming van de klokkenluider, binnen twee jaar te implementeren.
Daarbij zal onder meer moeten worden voorzien in een omkering van de
bewijslast bij benadeling van een klokkenluider. De richtlijn zal verder
leiden tot een aanscherping van de procedures voor interne en externe
meldingen. 

Tot slot verwacht ik uw Kamer volgende week te kunnen informeren over de
uitkomsten van het advies van de heer Van Zutphen met betrekking tot het
Huis voor Klokkenluiders.

Vraag (29):

De PvdA pleit voor een voorstel om de kiesgerechtigde leeftijd terug te
brengen naar 16 jaar. Hoe kijkt het kabinet naar dit voorstel en wil zij
de voorbereidingen treffen om dit naar beneden te brengen?

Antwoord:

In het kabinetsstandpunt naar aanleiding van het eindrapport van de
staatscommissie parlementair stelsel heeft het kabinet een nadere
verkenning aangekondigd over de verlaging van de kiesgerechtigde
leeftijd van 18 jaar naar 16 jaar (Kamerstukken II 2018/19, 34430, nr.
F). Het kabinet streeft er naar deze verkenning voor het eind van het
jaar aan uw Kamer te sturen. Daarbij wordt ook het advies van de Raad
voor het openbaar bestuur 'Jong geleerd, oud gedaan' betrokken.

Vraag (30):

Hoe staat het met de motie over islamofobie die is ondergebracht bij het
ministerie van SZW? En hoe wil de staatssecretaris verdergaan met de
bestrijding van discriminatie?

Antwoord:

De genoemde motie wordt, zoals het lid Kuiken al aangaf, uitgevoerd door
SZW. Uit ambtelijk overleg weet ik dat de minister van SZW uw Kamer nog
dit jaar zal informeren over de uitvoering van de motie.

Het lid Kuiken vraagt tevens wat BZK verder nog gaat doen om
discriminatie te bestrijden. Dit is onderwerp van de jaarlijkse
voortgangsrapportages van het Nationaal actieprogramma tegen
discriminatie, waarvan de volgende voor komend voorjaar gepland is.
Voor het herfstreces heb ik uw Kamer een brief (Kamerstukken II 2019/20,
30950, nr. 179) gestuurd met daarin maatregelen om het stelsel van
antidiscriminatievoorzieningen te versterken, zodat
antidiscriminatievoorzieningen beter in staat zijn om advies en bijstand
te verlenen aan slachtoffers van discriminatie en gemeenten zich meer
betrokken voelen bij de aanpak van discriminatie. Verder vinden in deze
periode de masterclasses voor gemeentelijk antidiscriminatiebeleid
plaats. Ook wordt de Algemene wet gelijke behandeling gewijzigd, zoals
gevraagd in de motie Van Dijk (Kamerstukken II 2018/19, 34 650, nr. 11),
zodat de personen die door deze wet beschermd worden, zich er beter in
kunnen herkennen.

Vragen van het lid Graaf, mw. S. van der (CU)

Vraag (31):

Ziet het kabinet, evenals de ChristenUnie, een verandering van de
financiering van lokale politieke partijen? Wat vindt het kabinet van
het uitgangspunt dat er een level-playing field zou moeten zijn? Hoe
kijkt de staatssecretaris naar de regels voor financiën en
transparantie over giften voor lokale partijen en lokale afdelingen van
landelijke partijen? 

Antwoord:

In de Wet financiering politieke partijen zijn geen bindende regels over
de financiering van decentrale politieke partijen opgenomen. Hierdoor is
weinig bekend over de achtergrond van hun financiering. Gelet op de
belangrijke rol die decentrale partijen in onze lokale – en regionale
democratie spelen, vind ik het van belang dat duidelijker wordt hoe deze
partijen worden gefinancierd. In het voorstel voor de Wet op de
politieke partijen zal ik daarom regels over de transparantie van de
financiering van decentrale partijen opnemen. Ik ben voornemens om dit
wetsvoorstel begin 2020 naar de Kamer te sturen. De beoogde
inwerkingtredingsdatum is 1 januari 2022. Tijdens het AO over de
financiering van politieke partijen heb ik aangegeven dat ik sympathie
heb voor het subsidiëren van decentrale partijen. Uw Kamer wordt
binnenkort geïnformeerd over de verdere uitwerking van de motie-Jetten.

Vraag (32):

De ChristenUnie vraagt naar het budget voor opleidingen voor
gemeenteraadsleden. 

Antwoord:

Ik verwijs naar het antwoord op de vraag van het lid Den Boer over het
budget voor de opleidingen voor gemeenteraadsleden.

Vraag (33):

Wat is de reactie van het kabinet op de vraag van ChristenUnie en CDA om
de toetsing van de gevolgen voor de regio’s onderdeel te laten zijn
van het integraal afwegingskader (IAK) voor beleid en regelgeving?

Antwoord:

De motie Regiocheck van de leden Van der Graaf en Van der Molen vraagt
om een check op de nadelige effecten van beleid en wet- en regelgeving
voor gebieden met bevolkings- en huishoudensdaling. Zoals toegezegd zal
uw Kamer eind dit jaar in de Derde Voortgangsrapportage Bevolkingsdaling
worden geïnformeerd over de uitvoering van de motie. 

Ik kan u alvast een eerste proeve van de richting geven. De geest van de
motie vraagt om aandacht voor krimpgebieden bij beleidsontwikkeling en
wet-/regelgeving in generieke beleidsdomeinen, zoals de woningmarkt en
zorg. Om dit voor elkaar te krijgen is het van belang om meer aandacht
te hebben voor krimp in generieke beleidsdomeinen en bij de
verantwoordelijke departementen. Het is daarom van belang dat de
signaalfunctie richting andere ministeries wordt versterkt om de
effecten en eventuele aanpassing van, en uitzondering op, het genoemde
generieke beleid mogelijk te maken.

Daarnaast is het voornemen om de samenwerking met de provincies en
regio’s verder te versterken, om zo in beeld te brengen waar de
gebieden tegen aanlopen bij nieuwe beleids- en wetgevingsplannen. De
introductie van de ‘regiocheck’ als een wettelijk instrument zie ik
echter niet als doeltreffend. De implementatie van een dergelijke toets
streeft haar doel voorbij, omdat een generieke toets de gevolgen van
beleid en wet- en regelgeving voor zeer verschillende krimpregio’s
niet goed kan vangen. Daarnaast zou het leiden tot onnodig zware
administratieve lasten. Om deze redenen is de motie Regiocheck bij de
indiening ook ontraden.

Vraag (34):

Vindt de regering ook dat we een betere inspanning mogen leveren om
jongeren naar de stembus te leiden? Deelt de regering de visie van de
ChristenUnie dat er ook een kans ligt om mensen die voor het eerst gaan
stemmen te enthousiasmeren? 

Antwoord:

Ik vind het belangrijk dat jongeren gaan stemmen. Hiervoor wordt reeds
een aantal activiteiten ondernomen. Er zijn bijvoorbeeld gemeenten die
(mobiele) stembureaus inrichten op locaties waar veel jongeren komen.
Bij gelegenheid zal ik gemeenten opnieuw vragen om hier aandacht voor te
hebben. In de opkomstbevorderende campagne wordt aan jongeren en de
wijzen waarop zij kunnen worden bereikt, bijvoorbeeld via sociale media,
bijzondere aandacht besteed. Ik vind het ook een sympathieke gedachte om
aandacht te besteden aan het feit dat mensen voor het eerst kunnen
stemmen. Ik vind dat ook belangrijk en wijs gemeenten voorafgaand aan
verkiezingen ook altijd op de mogelijkheid om zogenoemde first time
voters een brief te sturen door de burgemeester. Het ministerie stelt
daarvoor bij elke verkiezing een voorbeeldbrief ter beschikking. Naar
mijn indruk wordt hier door menige gemeente gebruik van gemaakt. Ik zal
in overleg treden met gemeenten hoe we dat nog beter zouden kunnen doen.

 

Vragen van het lid Krol, H. (50PLUS)

Vraag (35):

Wil de staatssecretaris een voortrekkersrol vervullen bij de realisatie
van vluchtwegen voor mindervaliden in rijksgebouwen?

Antwoord:

Er gebeurt al veel op dit terrein. De rijksgebouwen voldoen aan de eisen
die worden gesteld in de huidige wet- en regelgeving. Naar aanleiding
van het VN-verdrag inzake rechten van personen met een beperking, dat
ook Nederland heeft ondertekend, heeft het lid Voortman tijdens de
begrotingsbehandeling in oktober 2016 een motie ingediend waarin de
minister is verzocht om ministeriegebouwen zelfstandig toegankelijk te
maken (Kamerstukken II 2016/17, 34550-XVIII, nr. 24). Het
Rijksvastgoedbedrijf heeft zeven ministeriegebouwen in Den Haag gescand
op toegankelijkheid. Nu én in de komende periode worden maatregelen
genomen om de toegankelijkheid van deze gebouwen verder te verbeteren.
Deze maatregelen worden in lopende projecten ingepast. Bij een aantal
rijksgebouwen wordt de hoofdentree verbeterd door aanpassing van de
doorgangbreedte en bereikbaarheid van intercoms. Ook wordt in een aantal
gebouwen de markering in trappenhuizen verbeterd. Deze fysieke
maatregelen hebben een positief effect op de vluchtmogelijkheden in het
gebouw. Naast de genoemde zeven rijkskantoren in Den Haag wordt voor de
hele rijkskantorenvoorraad bekeken waar effectieve maatregelen ter
bevordering van toegankelijkheid op natuurlijke momenten kunnen
plaatsvinden. Dit alles conform eerdere toezeggingen aan de Tweede
Kamer.

Daarnaast is de bedrijfshulpverlening (BHV) in alle rijksgebouwen
ingericht op het helpen van mindervaliden om een gebouw te ontvluchten
tijdens een calamiteit. De BHV werkt met ontruimingsplannen die
periodiek worden geanalyseerd en zo nodig geüpdatet.

 

Vraag (36):

Wordt de afbouw van het budget voor minder digivaardige burgers van €
1,6 mln. in 2020 naar 

€ 0 in 2022 elders in de begroting gecompenseerd?

Antwoord:

Een jaar geleden heeft de staatssecretaris uw Kamer per brief
geïnformeerd over de impuls op digitale inclusie waar dit kabinet op
inzet. Het daarbij aangekondigde budget voor digitale inclusie blijft
deze gehele kabinetsperiode gelijk, ten opzichte van de begroting 2019.
Structureel is € 5,4 mln. per jaar beschikbaar op artikel 6.2
(Overheidsdienstverlening, informatiebeleid en informatiesamenleving)
van de begroting. In 2020 is het beschikbare budget zelfs iets hoger,
namelijk € 5,8 mln. De reeks waarop het lid Krol doelt betreft het
budget op artikel 6.6, de Investeringspost digitale overheid, voor het
project de Blauwe Knop. Op artikel 6.6 is ook aanvullend budget
beschikbaar voor het opstarten van de informatiepunten digitale overheid
bij bibliotheken; dit is € 2,5 mln. voor 2020 en € 3,1 mln. voor
2021.

Vraag (37):

Wordt de online tool voor het toegankelijk maken van de begroting al in
2020 ontwikkeld?

Antwoord:

Er bestaat reeds een online tool, www.rijksfinancien.nl, die wordt
beheerd door de minister van Financiën. De tool biedt op verschillende
manieren inzicht in de begrotingen en faciliteert dat op detailniveau
kan worden gezocht welke partijen geld hebben ontvangen.
Www.rijksfinancien.nl wordt continu verder ontwikkeld om de
toegankelijkheid en de visuele aantrekkelijkheid te verbeteren. Ik
verwijs u ook graag naar de motie-Krol (Kamerstukken 2019/20, 35300 nr.
32).

 

Vraag (38):

Hoe denkt de staatssecretaris over AOW-ers met een klein of aanvullend
pensioen in relatie tot kwijtschelding van gemeentelijke belastingen?
Wat doen gemeenten voor deze groep? Is het voor deze groep wel mogelijk
standaard kwijtschelding wettelijk te regelen?

Antwoord:

De regels voor kwijtschelding zijn zorgvuldig opgesteld en houden met
allerlei aspecten van de persoon rekening. Komt iemand niet in
aanmerking voor kwijtschelding, dan zou deze persoon de belasting moeten
kunnen betalen.

Als het voorstel van het lid Krol gevolgd zou worden, zou het
gemeentelijk kwijtscheldingsbeleid verder uiteenlopen ten opzichte van
het kwijtscheldingsbeleid van de Rijksbelastingen. Dit is niet op
voorhand wenselijk.

Wel ben ik met het lid Krol eens dat het armoedeval argument, in relatie
tot werken lonend maken, voor deze groep niet opgaat.

Zoals ook in de recente brief op 28 oktober aan uw Kamer over
kwijtschelding is opgenomen, wordt de kwijtschelding van lokale
belastingen specifiek bezien in het traject van de herziening van het
lokaal belastinggebied. Het rapport over de herziening is voorzien begin
2020.

 

 

Vragen van het lid Bisschop, R. (SGP)

Vraag (39):

Hoe wordt bereikt dat gemeenteraden adequate politieke controle kunnen
uitvoeren op de gemeenschappelijke regelingen? 

Antwoord:

Met het lid Bisschop ben ik van mening dat goede democratische controle
op gemeenschappelijke regelingen van groot belang is.

Momenteel is er een wetsvoorstel in voorbereiding om de democratische
legitimiteit van gemeenschappelijke regelingen, in het bijzonder de
controlerende en kaderstellende rol van de volksvertegenwoordiging, te
versterken. De binnengekomen zienswijzen uit de consultatie die
recentelijk is geëindigd, worden op dit moment verwerkt.

In het voorstel zal de democratische legitimiteit op drie manieren
worden versterkt: 

Versterking van de positie van raden bij besluitvorming in
gemeenschappelijke regelingen

Aanvullende controle-instrumenten raden

Aanpassingen ten aanzien van de governance van een gemeenschappelijke
regeling.

 Naar verwachting zal het wetsvoorstel in het voorjaar van 2020 aan uw
Kamer worden gestuurd.

Vraag (40):

Wil de minister in de informatievoorziening aan de gemeenten inzake de
wet op de lijkbezorging ook benadrukken dat het ook om een
maatschappelijke verantwoordelijkheid gaat en om respect voor
overledenen en dat betaalbare begraven mogelijk moet blijven? 

Antwoord:

De hoogte van de leges wordt vastgesteld door de gemeenteraad. De
Gemeentewet bepaalt dat leges, zoals begraaftarieven, maximaal zo hoog
mogen zijn als nodig om de door de gemeente gemaakte kosten te dekken.
De gemeenteraad kan er voor kiezen dat de begraaftarieven niet
kostendekkend zijn en dat de kosten dus moeten worden aangevuld uit de
algemene middelen. Dit komt regelmatig voor. Driekwart van de
Nederlandse gemeenten streeft geen volledige kostendekkendheid na. De
gemiddelde kostendekkendheid is 74%. Uit onderzoek (Necker v Naem, 2019)
blijkt dat bepaalde gemeenten hierbij sturen op lagere percentages om
begraven betaalbaar te houden voor inwoners of voor de instandhouding
van de begraafplaats. Volgens mij laten deze gegevens zien dat gemeenten
hierin een maatschappelijke verantwoordelijkheid nemen.

 

Vraag (41):

Onderkent de regering dat er velen zijn die er grote moeite mee hebben
dat er regelmatig geloofsbelijdenis over de stadswijken wordt
uitgeroepen? Wil de minister samen met de bewindspersonen van SZW
onderzoeken doen naar een aantal plaatsen waar versterkte
geloofsbelijdenis uitgeroepen wordt over stadswijken? Willen de
bewindslieden toewerken naar de verbetering van de regels om een sterke
gebedsoproep te voorkomen? 

Antwoord:

Het oproepen tot gebed door een gebedsoproep of klokgelui valt onder de
godsdienstvrijheid. Op basis van deze vrijheid moet het voor kerken en
moskeeën mogelijk zijn om geluid te produceren ten behoeve van diensten
en plechtigheden. Godsdienstvrijheid betekent niet dat aan het geluid
geen grenzen mogen worden gesteld. Artikel 10 van de Wet openbare
manifestaties (Wom) stelt dat klokgelui en oproepen tot het belijden van
godsdienst of levensovertuiging zijn toegestaan. De gemeenteraad is
bevoegd regels te stellen over de duur en het geluidsniveau. Ik wil dat
graag zo laten en zie dus geen reden voor onderzoek of wijziging van de
regels om een sterke gebedsoproep te voorkomen. Dat is ook in lijn met
de reactie op de door de vragensteller aangehaalde evaluatie van de Wom.

Vraag (42):

Waarom gaat de regering niet concreet aan de slag om ervoor te zorgen
dat de algemene verordening gegevensbescherming versoepeld wordt en er
beter rekening gehouden wordt met de gevolgen voor kleine bedrijven,
instellingen en zorgorganisaties?

Antwoord:

Het lid Bisschop vraagt waarom de regering niet concreet aan de slag
gaat om er voor te zorgen dat de AVG (algemene verordening
gegevensbescherming) versoepeld wordt en er beter rekening gehouden
wordt met de gevolgen voor kleine bedrijven, instellingen en
zorgorganisaties. Het kabinet is al geruime tijd bezig te bezien waar de
AVG, de Uitvoeringswet AVG en andere wetgeving die in dit verband
relevant is, aanpassing behoeven, onder meer met het oog op zorgen die
bij de door de heer Bisschop genoemde organisaties leven. Ik wijs op de
brief die de minister voor Rechtsbescherming mede namens mij op 1 april
jl. hierover naar de Kamer heeft gezonden. En een dezer dagen ontvangt
de Kamer een nieuwe brief in vervolg daarop, waarin ook wordt ingegaan
op de inzet van Nederland in Brussel bij de evaluatie van de AVG. Bij
deze inzet zijn uiteraard ook bepaalde zorgen betrokken waarop het lid
Bisschop doelt. 

 

Vragen van het lid Öztürk, S. (DENK)

Vraag (43):

DENK heeft een onderzoek uitgevoerd naar discriminatie op de woningmarkt
door makelaars met schokkende resultaten. Hoe staat het met de
uitvoering van de aangenomen motie Azarkan om makelaars die de wet
overtreden uit hun ambt te zetten? Wat gaat de minister extra doen om
discriminatie door makelaars op de woningmarkt tegen te gaan? Wordt het
budget dat beschikbaar is om woningmarktdiscriminatie tegen te gaan ook
langdurig beschikbaar gesteld? Wanneer is de minister eindelijk bereid
namen van discriminerende makelaars te namen en te shamen? 

Antwoord:

Op 6 november aanstaande voer ik overleg met de samenwerkingspartijen in
de aanpak Goed Verhuurderschap. Die aanpak adresseert ook discriminatie
op de woningmarkt. We bekijken dan ondermeer de resultaten van het
onderzoek van de Radboud Universiteit naar discriminatie op de
woningmarkt waarover ik uw Kamer eerder informeerde. Daarna informeer ik
uw Kamer per brief over de stand van zaken met de uitvoering van de
aangenomen moties die betrekking hebben op discriminatie op de
woningmarkt, waaronder die van het lid Azarkan, en hoe ik daar met
partijen invulling aan geef, mede in het licht van de
onderzoeksresultaten. Ik verwacht die brief voorafgaand aan het WGO op
11 november a.s. aan te kunnen bieden aan uw Kamer.

Vraag (44):

Is de minister bereid een actieplan tegen moslimdiscriminatie /
islamofobie op te stellen? We overwegen hiervoor een motie in te dienen.

Antwoord:

BZK coördineert de aanpak van discriminatie. Vanuit die rol zorgt BZK
voor eenduidig overheidsbeleid. Dit betekent evenwel niet dat BZK
toezeggingen kan doen over onderwerpen die, binnen de aanpak van
discriminatie, op het terrein van een andere bewindspersoon liggen. De
aanpak van moslimdiscriminatie en islamofobie ligt op het terrein van
SZW. Overigens weet ik dat de minister van SZW uw Kamer op korte termijn
zal informeren over zijn aanpak hiervan.

 

Vraag (45):

Begrijpt de minister de zorgen naar aanleiding van zeer kwetsende
demonstraties voor bijvoorbeeld moskeeën, waar moslims angst aan wordt
gejaagd en soms zelfs onder politiebegeleiding naar een moskee moeten
voor het gebed? Is dit normaal? Zouden demonstraties tegen moskeeën
niet verboden moeten worden of op zijn minst op een andere plek plaats
kunnen vinden? Is de minister bereid om in overleg met de gemeenten waar
dergelijke demonstraties hebben plaatsgevonden te onderzoeken of dit
past binnen het recht tot demonstratie of dat het meer een poging tot
haatzaaien is? 

Antwoord:

Vooropgesteld: het kabinet vindt het niet normaal wanneer mensen onder
politiebegeleiding hun geloof zouden moeten belijden. Het recht op
vrijheid van godsdienst is een groot goed in Nederland en dat recht
geldt voor iedereen. Het recht om te demonstreren is echter eveneens een
groot goed dat is verankerd in de Grondwet. Uitgangspunt hierbij is dat
je moet kunnen demonstreren binnen gehoor- en gezichtsafstand van
datgene of diegene waartegen de demonstratie zich richt. In dat
licht past het niet om zonder meer alle demonstraties tegen moskeeën
te verbieden of te verplaatsen.

Dit neemt niet weg dat mensen niet verhinderd mogen worden om een moskee
te betreden of te verlaten. Als daarop een risico bestaat, kan de
burgemeester voorschriften stellen waaraan de demonstranten zich moeten
houden. Dat moet per geval worden bekeken.

Ten aanzien van de vraag of met gemeenten kan worden onderzocht of door
middel van een demonstratie sprake is van haatzaaien: burgemeesters komt
geen enkele bevoegdheid toe demonstraties te beoordelen op hun inhoud.
De vraag of de inhoud van een demonstratie mogelijkerwijs een strafbaar
feit oplevert, wordt uitsluitend door een rechter en uitsluitend
achteraf beoordeeld. Om deze reden zie ik weinig in het gevraagde
onderzoek.

 

Vraag (46):

De AIVD / MIVD houden zich niet aan de wet (volgens CTIVD) door
informatie met buitenlandse inlichtingendiensten te delen. Kan de
minister garanderen dat de diensten zich nu wel aan alle regels houden?
Hoe staat het met de verbetermaatregelen? Wat doet zij om te zorgen dat
de diensten zich aan de regels houden? 

Antwoord:

Op 13 november vindt het AO IVD-aangelegenheden plaats. Daar staan op de
convocatie onder meer de voortgangsrapportage van de Commissie van
Toezicht op de Inlichtingen en Veiligheidsdiensten, alsmede enkele
CTIVD-rapporten. De behandeling van deze rapporten biedt de gelegenheid
om uw bovenstaande vragen te beantwoorden.

Vraag (47):

Waarom deelt Nederland eigenlijk informatie met buitenlandse
inlichtingdiensten? Het resultaat is dat onze diensten worden misbruikt
door grootmachten en vervolgens gaan we met grote landen een cyberoorlog
voeren. Het resultaat is dat banken worden gehackt. Wie gaat al die
schade betalen? Zijn dat de grootmachten? En wat doet de minister om te
zorgen dat onze diensten voor ons werken en niet voor de grootmachten? 

Antwoord:

Op 13 november vindt het AO IVD-aangelegenheden plaats. De beantwoording
van de door u gestelde vragen zal dan plaatsvinden.

Vraag (48):

DENK wil een aantal verbetervoorstellen om de kiesrechtprocedure te
verbeteren. 1. Stemplicht: Buurlanden doen dit al jaren en met succes.
Er is in deze landen hierdoor een hogere opkomst. Hoe staat de minister
tegen het invoeren van stemplicht? 2. Weekendstemmen: Buurlanden doen
dit al jaren en met succes. Er is in deze landen hierdoor een relatief
hogere opkomst. Wat vindt de minister van dit voorstel? 3. Elektronische
stempassen: Hiermee kan het stemproces makkelijker verlopen. Hiermee
wordt voorkomen dat stempassen kwijt raken en zorgt dit voor minder
uitvoeringskosten. Wat vindt de minister van dit voorstel? 

Antwoord:

 Met betrekking tot de voorstellen om de kiesrechtprocedure te
verbeteren het volgende:

1. Stemplicht

Tot 1970 kende Nederland een opkomstplicht. Die is afgeschaft vanwege
met name de moeilijke handhaafbaarheid en toegenomen mondigheid van
kiezers. Ik kijk daar anno 2019 niet anders tegenaan. Liever zie ik het
als een taak van politici om zoveel mogelijk kiezers aan te spreken, en
hen langs die weg aan te moedigen tot het uitbrengen van een stem. Daar
komt bij dat uit diverse onderzoeken blijkt dat een opkomstplicht niet
leidt tot meer betrokkenheid en verantwoordelijkheid. Belangrijker voor
kiezers is dat er tijdens verkiezingen iets op het spel staat, zie ook
het advies van de staatscommissie parlementair stelsel. Verder
constateer ik dat bij diverse afgelopen verkiezingen de opkomst (soms
flink) is gestegen. Overigens heeft de nieuwe Vlaamse regering plannen
om de opkomstplicht voor lokale en provinciale verkiezingen in
Vlaanderen af te schaffen.

 

2. Weekendstemmen

Zoals ik tijdens het AO Kiesrecht/desinfo en digitale inmenging (19 juni
jl.) heb gezegd, is in Nederland de traditie gegroeid om op woensdag te
stemmen. Ik heb geen voornemen om die traditie te veranderen. In reactie
op het argument van het lid Öztürk dat stemmen in het weekend zou
kunnen bijdragen aan een hogere opkomst, wijs ik er op dat de opkomst in
Nederland bij parlementsverkiezingen over het algemeen hoger ligt dan in
landen om ons heen zonder opkomstplicht waar op zondag wordt gestemd
(zie ook Kamerstukken II 2014/15, 31 142, nr. 49). Wel ben ik het eens
met het lid Öztürk dat het belangrijk is om te blijven onderzoeken hoe
zoveel mogelijk kiezers in de gelegenheid worden gesteld om bij
verkiezingen hun stem uit te brengen. Ik bereid een wetsvoorstel voor
dat experimenten mogelijk maakt met vervroegd stemmen (early voting),
zodat meer kiezers in de gelegenheid worden gesteld om zelf hun stem uit
te brengen, zonder een volmacht te hoeven geven.

 

3. Elektronische stempas

Tot 2010 moest de kiezer stemmen in één specifiek door de gemeente
aangewezen stemlokaal, dichtbij het woonadres van de kiezer. Als de
kiezer kwam stemmen, hield het stembureau daarvan aantekening. Zo werd
voorkomen dat de kiezer later op die dag opnieuw kon stemmen. Sinds 2010
regelt de wet dat de kiezer kan stemmen in elk willekeurig stemlokaal in
de gemeente. Dat heeft het stemmen voor de kiezers makkelijker en
toegankelijker gemaakt. De stembureaus hebben echter niet langer een
lijst met namen van kiezers. Invoering van een digitale stempas zou dus
vergen dat alle stembureaus worden uitgerust met een online
raadpleegbaar kiezersregister, waarin zij realtime bijhouden of een
kiezer heeft gestemd. Van een dergelijk register ben ik geen
voorstander. Het zou het stemproces een stuk complexer en duurder maken,
en bovendien kwetsbaarder voor digitale dreigingen.

 

Vragen van het lid Kooten Van-Arissen, F.M. 

Vraag (49):

Waarom is er nog steeds geen wetsvoorstel ingediend om burgers te laten
stemmen met hun DigiD?

Antwoord:

Het kabinet heeft in 2014 (Kamerstukken II 2013-2014, 33829, nr. 3)
geconcludeerd dat er te veel risico’s aan internetstemmen kleven.
Risico’s die niet of in onvoldoende mate kunnen worden afgedekt. Ook
het huidige kabinet wil het stemproces in Nederland niet kwetsbaar maken
voor digitale risico’s. De Nationaal Coördinator
Terrorismebestrijding en Veiligheid benadrukte onlangs in de Nationale
Veiligheid Strategie 2019 dat de toenemende digitale dreiging,
onderlinge afhankelijkheden en de opkomst van nieuwe technologieën om
een risico-gestuurde benadering vragen van wat beschermd moet
worden. Het kabinet wil het stemproces beschermen tegen digitale
dreigingen. Het risico dat, als internetstemmen zou worden ingevoerd, er
pogingen worden gedaan om het stemproces te beïnvloeden dan wel om de
integriteit van het stemproces in diskrediet te brengen, wordt op basis
van de thans onderkende cyberdreigingen te groot geacht. Het is niet
waarschijnlijk dat die dreigingen in de nabije toekomst substantieel
zullen afnemen.

Vraag (50):

Waarom beperkt de minister zich tot lokale overheden bij digitale
burgerparticipatie? Waarom niet nationaal?

Antwoord:

Toepassingen van digitale democratie bieden verschillende mogelijkheden
bewoners directer te betrekken bij beleids- en besluitvorming. Samen met
de minister voor Rechtsbescherming werk ik aan het vergroten van de
bekendheid met, en het bereik van, internetconsultatie bij landelijke
wetgevingstrajecten. Op decentraal niveau gebeurt veel op het gebied van
digitale democratie. In 2018 is een proeftuin gestart waarin gemeenten
ondersteuning krijgen bij de implementatie van digitale
participatie-instrumenten. Deze wordt momenteel geëvalueerd. Op basis
van deze evaluatie zal ik bezien hoe succesvolle onderdelen ook voor de
landelijke democratie van meerwaarde kunnen zijn. Ik kom hier in reactie
op de motie Lintmeijer voor het einde van het jaar op terug. In reactie
op deze motie zal ik eind 2019 een visie formuleren op nieuwe vormen van
directe democratie.

 

Vraag (51):

Waarom blijft de modernisering van het stemproces zover achter en bieden
digitale middelen de mogelijkheid burgers vaker te laten stemmen? Waarom
gaan wij als Nederland ons eindelijk niet wagen aan E-democracy? 

Antwoord:

Ten aanzien van e-democracy bezie ik hoe digitale participatietools ook
voor de landelijke democratie van meerwaarde kunnen zijn. 

Ik ben verder bezig met een aantal vernieuwingen en veranderingen in het
verkiezingsproces. Een belangrijke verandering die ik nastreef is de
invoering van een nieuw stembiljet, dat ook elektronisch te tellen is.
Ik heb een wetsvoorstel in consultatie gebracht om experimenten mogelijk
te maken met een nieuw stembiljet. Om in de toekomst over te kunnen gaan
naar elektronisch tellen is een nieuw stembiljet nodig. 

Voor digitale hulpmiddelen in het verkiezingsproces geldt dat de werking
ervan in alle schakels transparant en controleerbaar moet zijn, zodat er
vertrouwen kan zijn in de werking van die hulpmiddelen. Er wordt
momenteel gewerkt aan een nieuw digitaal hulpmiddel voor de
uitslagvaststelling.

Vraag (52):

Wat was er destijds aan de hand dat dit jaar de inlichtingendiensten
systematisch te veel satellietverkeer aftapte?

Antwoord:

Op 13 november vindt het AO IVD-aangelegenheden plaatst. Daar staat ook
het CTIVD-rapport nr. 63 (Kamerstukken II 2018/19, 29924, nr.
188) over de toepassing van filters bij OOG-interceptie
(onderzoeksopdrachtgerichte-interceptie) door de AIVD en de MIVD op de
convocatie. De beantwoording van de door u gestelde vragen zal dan
plaatsvinden.

Vraag (53):

Hoe kan het nou toch dat de veiligheidsdiensten wel structureel zeggen
dat we hen kunnen vertrouwen, maar niet structureel de regels naleven?
Kan de minister bij monde van de staatssecretaris dit helder uitleggen?

Antwoord:

Op 13 november vindt het AO IVD-aangelegenheden plaatst. Daar staan
onder meer op de convocatie de voortgangsrapportage van de CTIVD,
alsmede enkele CTIVD-rapporten.

 https://www.digitaleoverheid.nl/overzicht-van-alle-onderwerpen/nieuwe-t
echnologieen-data-en-ethiek/data-agenda-overheid/praktijkvoorbeelden/

 Toegezonden aan de Tweede Kamer bij brief van de Minister van Justitie
en Veiligheid van 7 juni 2019 (Kamerstukken II 2018/19, 30821, nr. 81 +
bijlage).

Pagina  PAGE 24  van  NUMPAGES 24 

Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Datum

  DOCPROPERTY  "Datum"  \* MERGEFORMAT  30 oktober 2019 

Kenmerk

  DOCPROPERTY  "Kenmerk"  \* MERGEFORMAT  2019-0000576610 

> Retouradres Postbus 20011 2500 EA  Den Haag

 

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer

der Staten-Generaal

Postbus 20018

2500 EA  DEN HAAG



	Datum:	30 oktober 2019

Betreft:	  DOCPROPERTY  "Onderwerp"  \* MERGEFORMAT  Antwoorden op
vragen gesteld tijdens de begrotingsbehandeling 



	

Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Turfmarkt 147

Den Haag

Postbus 20011

2500 EA  Den Haag

Kenmerk

  DOCPROPERTY  "Kenmerk"  \* MERGEFORMAT  2019-0000576610 

Uw kenmerk

  DOCPROPERTY  "UwKenmerk"  \* MERGEFORMAT   

Pagina  PAGE 1  van  NUMPAGES 24