Schriftelijke antwoorden op vragen gesteld tijdens de eerste termijn van de behandeling van het Belastingplan op 12 november 2019
Brief regering
Nummer: 2019D45666, datum: 2019-11-13, bijgewerkt: 2024-02-19 10:56, versie: 2
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: M. Snel, staatssecretaris van Financiën
Onderdeel van zaak 2019Z21980:
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Financiën
- Stemmingen en besluiten:
- 2019-12-18 14:25 ⇒ Rondgezonden en gepubliceerd. (Besluit)
- 2019-12-04 13:35 ⇒ Afgevoerd van de stand der werkzaamheden. (Besluit)
- 2019-11-20 15:30 ⇒ Desgewenst betrokken bij de behandeling van het Pakket Belastingplan 2020. (Besluit)
- 2019-11-13 15:45 ⇒ Behandeld. (Besluit)
- 2019-11-13 15:45: Pakket Belastingplan 2020 + Wet implementatie tweede EU-richtlijn antibelastingontwijking (35241) + Wet implementatie EU-richtlijn meldingsplichtige grensoverschrijdende constructies (35255) (voortzetting) (Plenair debat (wetgeving)), TK
- 2019-11-20 15:30: Procedurevergadering Financiën (Procedurevergadering), vaste commissie voor Financiën
- 2019-12-04 13:35: Aanvang middagvergadering: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2019-12-18 14:25: Aanvang middagvergadering: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
Preview document (🔗 origineel)
Geachte voorzitter,
Op dinsdag 12 november heeft de eerste termijn van de plenaire behandeling van het pakket Belastingplan 2020 (inclusief de implementatiewetsvoorstellen ATAD2 en DAC6) plaatsgevonden. Daarin zijn enkele vragen gesteld die ik in deze brief schriftelijk beantwoord.
Vergelijking van de lasten van een woning
In mijn brief van 8 november jongstleden heb ik de vraag van de heer Omtzigt beantwoord omtrent een vergelijking van de lasten tussen verschillende belastingplichtigen die woningen verhuren. Tijdens de plenaire behandeling van het pakket Belastingplan 2020 op dinsdag 12 november heeft de Omtzigt naar aanleiding van die beantwoording nadere vragen gesteld en om nadere berekeningen gevraagd. Alvorens ik toekom aan deze aangepaste berekeningen, ga ik in op twee inhoudelijke vragen die de heer Omtzigt in dit kader stelt.
Allereerst vraagt de heer Omtzigt in welke gevallen buitenlandse beleggers box 3-heffing moeten betalen. Een buitenlandse belegger die inkomen heeft uit onroerende zaken die in Nederland zijn gelegen valt, voor dat Nederlandse inkomen, in de Nederlandse heffing als buitenlands belastingplichtige. Dit houdt kort gezegd in dat op deze buitenlandse belegger dezelfde regels van toepassing zijn als op de Nederlandse belegger die belegt in onroerende zaken die in Nederland zijn gelegen. Bovendien is de heffingsbevoegdheid over onroerende zaken in de regel onder belastingverdragen toebedeeld aan het land waarin deze onroerende zaken zijn gelegen.
Verder vraagt de heer Omtzigt om toe te lichten waarom in de beantwoording in mijn brief van vrijdag 8 november de verhuurderheffing bij een woning van € 153.000 gelijk is aan de verhuurderheffing bij een woning van € 300.000. Bij de verhuurderheffing was in de oorspronkelijke berekeningen uitgegaan van een gemiddelde WOZ-waarde bij een woningcorporaties van € 153.000. In de nieuwe berekeningen is bij de verschuldigde verhuurderheffing over de verhuurde woning, op verzoek van de heer Omtzigt, niet uitgegaan van de gemiddelde WOZ-waarde van een woning, maar van de specifieke WOZ-waarde van een woning van respectievelijk € 153.000 en € 300.000. Er is rekening gehouden met de maximering in de verhuurderheffing bij een WOZ-waarde van een woning hoger dan € 270.000. Dat betekent dat een woning met een woningwaarde van € 300.000 voor de toepassing van de verhuurderheffing wordt gewaardeerd op € 270.000.
Ten slotte vraagt de heer Omtzigt, als opgemerkt, naar nadere berekeningen van de lasten die drukken op een woningcorporatie die een woning verhuurt, een Nederlandse particuliere belegger die de woning verhuurt, een Nederlandse particuliere belegger die de woning verhuurt en een buitenlandse particuliere belegger die de woning verhuurt. Hij vraagt om de woningcorporatie (met meer dan 50 verhuurde woningen) te vergelijken met een verhuurder die met zijn partner vijf woningen bezit en verhuurt. Zoals ik eerder in mijn brief van 31 oktober jongstleden heb opgemerkt maak ik deze vergelijking graag maar wijs ik erop dat iedere aanname de uiteindelijke uitkomst van de vergelijking mede bepaald.
Voor een belegger die vijf woningen bezit en verhuurt (in tegenstelling tot de eerdere aanname van meer dan vijftig woningen) geldt dat de verhuurderheffing niet van toepassing is. Verder geldt dat voor een belegger met vijf woningen er ook gevolgen zijn voor het veronderstelde belastbare inkomen in box 3 dan wel bij een belegger met woningen in een besloten vennootschap (bv), voor de veronderstelde hoogte van de verschuldigde vennootschapsbelasting (vpb). Bij een huur van € 600 is in de nieuwe berekeningen aangenomen dat het box 3-vermogen niet boven de eerste respectievelijk tweede schijf uitkomt en bij een huur van € 1.000 is aangenomen dat het box 3-vermogen niet boven de tweede schijf uitkomt. In de eerdere berekeningen was – op basis van het grote aantal woningen – verondersteld dat het box 3-vermogen in de derde schijf viel. Bij een belegger met woningen in een bv is aangenomen dat er voor de Vpb sprake is van een belastbaar bedrag tot € 200.000. Als gevolg hiervan is in de nieuwe berekening uitgegaan van een Vpb-tarief van 19%.
Tot slot merk ik op dat bij deze berekeningen de aftrekbare kosten (met uitzondering van eventuele financieringskosten) bij een woning van € 153.000 zijn gesteld op 40% van een jaarhuur van € 7.200, en bij een woning van € 300.000 op 40% van een jaarhuur van € 12.000.1 In de onderstaande nieuwe tabellen is met de voornoemde uitgangspunten rekening gehouden.
Tabel 1: Vergelijking verschuldigde belasting (in euro’s); woningwaarde € 153.000, geleend vermogen € 75.000; tarieven 2019.
| Box 2 | Box 3 | Vpb | VHH2 | Totaal belasting en VHH |
|
|---|---|---|---|---|---|
| Woningcorporatie: jaarhuur € 7.200 | 799 | 858 | 1.657 | ||
| Belegger met woning in privébezit | |||||
| Jaarhuur: € 7.200 | 160 | 160 | |||
| Jaarhuur: € 12.000 | 320 | 320 | |||
| Buitenlandse belegger: jaarhuur € 12.000 | 320 | 320 | |||
| Belegger met woning in een bv | |||||
| Jaarhuur: € 7.200 | 419 | 393 | 812 | ||
| Jaarhuur: € 12.000 | 1.391 | 1.305 | 2.696 | ||
| Buitenlandse belegger: jaarhuur € 12.000 | 1.391 | 1.305 | 2.696 | ||
Tabel 2: Vergelijking opbrengst, kosten, belastingdruk en saldo (in euro’s); woningwaarde € 153.000, geleend vermogen € 75.000, tarieven 2019.
| Opbrengst | Kosten | Belasting en VHH |
Saldo | |
|---|---|---|---|---|
| Woningcorporatie: jaarhuur € 7.200 | 7.200 | 5.130 | 1.657 | 413 |
| Belegger met woning in privébezit | ||||
| Jaarhuur: € 7.200 | 7.200 | 5.130 | 160 | 1.910 |
| Jaarhuur: € 12.000 | 12.000 | 5.130 | 320 | 6.550 |
| Buitenlandse belegger: jaarhuur € 12.000 | 12.000 | 5.130 | 320 | 6.550 |
| Belegger met woning in een bv | ||||
| Jaarhuur: € 7.200 | 7.200 | 5.130 | 812 | 1.258 |
| Jaarhuur: € 12.000 | 12.000 | 5.130 | 2.696 | 4.174 |
| Buitenlandse belegger: jaarhuur € 12.000 | 12.000 | 5.130 | 2.696 | 4.174 |
Tabel 3: Vergelijking verschuldigde belasting (in euro’s); woningwaarde € 300.000, geleend vermogen € 150.000; tarieven 2019.
| Box 2 | Box 3 | Vpb | VHH | Totaal belasting en VHH |
|
|---|---|---|---|---|---|
| Woningcorporatie: jaarhuur € 7.200 | 38 | 1.515 | 1.553 | ||
| Belegger met woning in privébezit | |||||
| Jaarhuur: € 7.200 | 681 | 681 | |||
| Jaarhuur: € 12.000 | 1.402 | 1.402 | |||
| Buitenlandse belegger: jaarhuur € 12.000 | 1.402 | 1.402 | |||
| Belegger met woning in een bv | |||||
| Jaarhuur: € 7.200 | 0 | 0 | 0 | ||
| Jaarhuur: € 12.000 | 547 | 513 | 1.060 | ||
| Buitenlandse belegger: jaarhuur € 12.000 | 547 | 513 | 1.060 | ||
Tabel 4: Vergelijking opbrengst, kosten, belastingdruk en saldo (in euro’s); woningwaarde € 300.000, geleend vermogen € 150.000, tarieven 2019.
| Opbrengst | Kosten | Belasting En VHH |
Saldo | |
|---|---|---|---|---|
| Woningcorporatie; jaarhuur € 7.200 | 7.200 | 9.300 | 1.553 | -3.653 |
| Belegger met woning in privébezit | ||||
| Jaarhuur: € 7.200 | 7.200 | 9.300 | 681 | -2.781 |
| Jaarhuur: € 12.000 | 12.000 | 9.300 | 1.402 | 1.298 |
| Buitenlandse belegger: jaarhuur € 12.000 | 12.000 | 9.300 | 1.402 | 1.298 |
| Belegger met woning in een bv | ||||
| Jaarhuur: € 7.200 | 7.200 | 9.300 | 0 | -2.100 |
| Jaarhuur: € 12.000 | 12.000 | 9.300 | 1.060 | 1.640 |
| Buitenlandse belegger: jaarhuur € 12.000 | 12.000 | 9.300 | 1.060 | 1.640 |
Levensloopregeling
De heer Van Otterloo heeft aangegeven graag antwoord te willen hebben op de schriftelijke vragen van 50PLUS in het Verslag over de levensloopregeling. De leden van de fractie van 50PLUS vragen of het kabinet bekend is met de keuze die deelnemers aan de levensloopregeling hadden om te stoppen of door te gaan en hoe deelnemers daarover zijn geïnformeerd. De levensloopregeling is sinds 1 januari 2012 niet meer beschikbaar voor nieuwe deelnemers. Voor bestaande deelnemers geldt overgangsrecht. Als de door hen opgebouwde aanspraken in de levensloopregeling op 31 december 2011 een waarde in het economische verkeer hadden van € 3.000 of meer, hadden zij (en hebben zij tot en met 31 december 2021) de keuze om door te gaan of te stoppen met de levensloopregeling. De Belastingdienst heeft via de reguliere communicatiekanalen informatie gedeeld over het beëindigen van de levensloopregeling en het overgangsrecht.
De heer Van Otterloo vraagt of veel deelnemers hebben besloten door te gaan met sparen en daarnaast of het kabinet begrijpt dat deelnemers destijds onmogelijk konden inschatten hoe het laten doorlopen van de levensloopregeling zou aansluiten op de verhoogde AOW-leeftijd en dat er daardoor bij veel mensen een mismatch is ontstaan tussen de AOW-leeftijd en de levensloopregeling. Bekend is dat er deelnemers zijn die hebben doorgespaard. Het kabinet ziet ook dat de verhoging van de AOW-leeftijd, maar ook de temporisering van de AOW-leeftijd, invloed kan hebben op het moment waarop deelnemers levenslooptegoed willen en kunnen opnemen. Met de wijzigingen van de AOW-leeftijd verandert ook de periode waarin levenslooptegoed kan worden opgebouwd.
De leden van de fractie van 50PLUS vragen ten slotte of het kabinet de mening van 50PLUS deelt, dat in het licht van de volatiele AOW-leeftijd, deelnemers nogmaals een kans zou moeten worden geboden om gebruik te maken van de eerder aangeboden gunstige regeling om te stoppen met de levensloopregeling. Ik neem aan dat deze leden doelen op de zogenoemde 80%-regelingen. De eerste 80%-regeling hield in dat bij volledige opname ineens van het levenslooptegoed in 2013 van de waarde van de op 31 december 2011 opgebouwde aanspraken slechts 80% tot het loon voor de loonheffingen werd gerekend (en alleen voor het andere deel voor 100%). De tweede betekende dat bij deelnemers met een volledige opname ineens van het tegoed in 2015, het tegoed dat al bestond op 31 december 2013 slechts voor 80% tot het loon werd gerekend (en alleen het andere deel voor 100%). Deze regelingen waren bedoeld als stimulans om het tegoed ineens te laten uitkeren en daartoe werd met de verlaging van de grondslag min of meer bewerkstelligd dat een eventueel progressienadeel vanwege de eenmalige opname werd weggenomen. In 2012 is hierover aangegeven dat toepassing van de 80%-regeling in andere gevallen niet nodig is, omdat de opnames verdeeld kunnen worden over verschillende jaren en mensen daarvoor voldoende tijd hebben, zodat zij een eventueel progressienadeel kunnen beperken. Deze redenatie staat nog steeds. Deelnemers hebben uitgebreid de mogelijkheid gehad - en hebben de mogelijkheid dit jaar en de komende twee jaren nog steeds - om de opname te spreiden en daarmee progressienadeel zoveel mogelijk te beperken.
Wajong en het recht op arbeidskorting
De heer Omtzigt vraagt of het wenselijk is dat iemand met een Wajong-uitkering die werkt bij een werkgever met loondispensatie evenveel arbeidskorting ontvangt als een Wajonger die werkt bij een werkgever met loonkostensubsidie. Er kan een verschil in nettoloon ontstaan tussen werknemers die werken bij een werkgever met loondispensatie en werknemers die werken bij een werkgever met loonkostensubsidie. Dit verschil ontstaat doordat het arbeidsinkomen in deze situaties niet gelijk is, en voor de toepassing van de arbeidskorting wordt aangesloten bij het zogenoemde arbeidsinkomen (voor de inkomstenbelasting) of het loon uit tegenwoordige arbeid (voor de loonbelasting). In geval van een loonkostensubsidie (dus bij de Participatiewet) betaalt de werkgever het loon aan de werknemer. Dat een deel van dit loon door de werkgever wordt bekostigd met een loonkostensubsidie is voor de toepassing van de arbeidskorting niet relevant. Hierdoor kan over het totale bedrag aan loon (zijnde arbeidsinkomen) de arbeidskorting worden toegepast. Bij loondispensatie in de Wajong betaalt de werkgever aan de werknemer een uurloon naar loonwaarde en krijgt de Wajonger naast dit loon aanvullend een Wajong-uitkering. Op de aanvullende uitkering kan de arbeidskorting niet worden toegepast, want dit is geen arbeidsinkomen of loon uit tegenwoordige arbeid. Sociale uitkeringen behoren in beginsel niet tot het arbeidsinkomen of het loon uit tegenwoordige arbeid, in welk geval op die uitkeringen geen arbeidskorting wordt toegepast.
Niet alleen de arbeidskorting maar ook andere verschillen tussen de Wajong en de Participatiewet kunnen in min of meer vergelijkbare situaties tot een ander netto-inkomen leiden. Zo maken Wajongers aanspraak op de jonggehandicaptenkorting en de tegemoetkoming voor chronisch zieken en gehandicapten (AO-tegemoetkoming), terwijl mensen die onder de Participatiewet vallen hier geen aanspraak op kunnen maken. Het is ingrijpend om de wettelijke systematiek van de arbeidskorting aan te passen zodat deze ook kan worden toegepast op andere inkomsten, zoals een aanvullende Wajong-uitkering en een kenmerkend verschil tussen de arbeidskorting en de algemene heffingskorting zou wegvallen.
Het recht op arbeidskorting betekent overigens niet dat een werknemer met loonkostensubsidie altijd netto meer overhoudt dan iemand met inkomen uit werk en een Wajong uitkering. Dit hangt af van het aantal uur dat iemand werkt. Bij een fulltimewerkweek zorgt het verschil in recht op arbeidskorting ervoor dat een werknemer met loonkostensubsidie netto meer inkomen ontvangt. Bij 20 uur werk per week heeft de werknemer met een Wajong-uitkering een hoger netto-inkomen omdat er recht is op een aanvullende uitkering. Bij een werknemer met loonkostensubsidie bestaat dit recht niet. Hierbij moet worden aangetekend dat de meeste Wajongers geen fulltimebaan hebben.
Wet vereenvoudiging beslagvrije voet
De heer Omtzigt heeft geconstateerd dat de (herijkte) uitvoeringstoets naar de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet oud is en vraagt of de Belastingdienst op schema ligt voor de implementatie van deze wet per 2021. De toets die de heer Omtzigt onlangs heeft ontvangen van mijn collega Van Ark betreft de integrale toets vereenvoudiging beslagvrije voet. Deze vervangt twee eerdere toetsen van de Belastingdienst over dit onderwerp. Aan de randvoorwaarden uit de herijkte integrale uitvoeringstoets is tot nog toe voldaan. Uit de op 8 oktober verzonden brief van staatssecretaris Van Ark van SZW (mede namens minister Dekker en mijzelf)3 blijkt dat de Belastingdienst op koers ligt om implementatie per 1 januari 2021 mogelijk te maken. In die brief is ook aangegeven dat de maanden oktober, november en december cruciaal zijn voor tijdige implementatie (per 2021). Staatssecretaris Van Ark zal de Kamer begin 2020 nader informeren.
De heer Nijboer vraagt hoe het kan dat de overheid zich niet aan de eigen wetten, in dit geval de beslagvrije voet, houdt. De beslagvrije voet wordt inderdaad niet altijd juist vastgesteld. Om hierin verbetering te brengen wordt de Wet vereenvoudiging beslagvrije ingevoerd. Dit leidt namelijk tot verbetering in het vaststellen van de beslagvrije voet. Er wordt gewerkt aan het mogelijk maken van de implementatie met ingang van 1 januari 2021.
Onderzoek corruptie Douane
De heer Omtzigt constateert dat zijn vraag naar het tijdstip van ontvangst van zijn Kamervragen over corruptie bij Douane niet is beantwoord. De beantwoording van deze vragen is vergevorderd en hoop ik deze week aan uw Kamer te kunnen aanbieden.
Digitaal aangifte doen in het buitenland
De heer Omtzigt vraagt wanneer in het buitenland wonende belastingplichtigen daar een DigiD kunnen aanvragen. Op dit moment is het voor Nederlanders in het buitenland mogelijk om een DigiD in het buitenland aan te vragen en daar elektronisch aangifte te doen.
Monitoren lokale lasten en zorgpremie
Mevrouw Lodders vraagt om de ontwikkeling van de lokale lasten (OZB, waterschapsbelasting en zorgpremie) scherp te monitoren en indien nodig maatregelen te treffen. De minister van BZK heeft uw Kamer april 2019 geïnformeerd dat vanaf 2020 een benchmark woonlasten wordt ingevoerd om jaarlijks de ontwikkeling van lokale lasten inzichtelijk(er) te maken. De benchmark past binnen de ontwikkeling dat de vergelijking van lokale lasten tussen gemeenten sinds 2007 beter mogelijk is, onder andere vanwege de jaarlijkse Atlas van de lokale heffingen van het Centrum voor Onderzoek van de Economie van de Lagere Overheden (COELO) en de wettelijke verplichtingen voor gemeenten om in de begroting de ontwikkelingen toe te lichten. De zorgpremie voor de ZVW wordt daarnaast meegenomen in de monitoring van de ontwikkeling van de beleidsmatige (collectieve) lasten die op nationaal niveau plaatsvindt via het inkomstenkader.
Toeslagen
In mijn brief van 8 november 2019 heb ik u laten weten dat ongeveer 8.500 personen, die in het verleden (vanaf 2010) –na onderzoek- een opzet/grove schuld-kwalificatie hebben gekregen, nu nog steeds kampen met een toeslagschuld. De totale openstaande toeslagschuld voor deze groep bedraagt op dit moment ongeveer € 160 miljoen. Mevrouw Leijten heeft hierbij nog gevraagd hoe deze cijfers zijn onderverdeeld naar grootte van de schuld. De groep kan in de volgende categorieën worden ingedeeld:
3.300 personen hebben een toeslagschuld < €10.000.
2.900 personen hebben een toeslagschuld tussen de €10.000 en €25.000.
1.800 personen hebben een toeslagschuld tussen de €25.000 en €50.000.
500 personen hebben een toeslagschuld > €50.000
Hoogachtend,
De Staatssecretaris van Financiën,
Menno Snel
In eerdere berekeningen was steeds gerekend met 40% van een jaarhuur van € 7.200.↩︎
Verhuurderheffing.↩︎
Kamerstukken II 2019/2020, 24515 nr. 497.↩︎