Spoed-notaoverleg inzake uitvoering motie over verkrijgen van het vso-diploma op basis van reeds behaalde schoolresultaten en motie over handelingsprotocol in geval van (vermoeden van) COVID-19-besmetting op school (ongecorrigeerd stenogram)
Stenogram
Nummer: 2020D18472, datum: 2020-05-13, bijgewerkt: 2024-02-19 10:56, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Onderdeel van activiteiten:- 2020-05-13 14:00: Spoed-notaoverleg inzake uitvoering motie over verkrijgen van het vso-diploma op basis van reeds behaalde schoolresultaten en motie over handelingsprotocol in geval van (vermoeden van) COVID-19-besmetting op school (Notaoverleg), vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Preview document (🔗 origineel)
Tweede Kamer, Uitvoering motie over verkrijgen van het vso-diploma op basis van reeds behaalde schoolresultaten en motie over handelingsprotocol in geval van (vermoeden van) COVID-19-besmetting op school
VERSLAG VAN EEN NOTAOVERLEG
Concept
De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft op 13 mei 2020 overleg gevoerd met de heer Slob, minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, over:
de brief van de minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media d.d. 13 mei 2020 inzake reactie op verzoek commissie inzake motie-Rog over protocollen voor het onderwijs bij COVID-19-besmetting (2020Z08512);
de brief van de minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media d.d. 8 mei 2020 inzake reactie op de gewijzigde motie-Van Meenen/Rog inzake diplomering op basis van school-eigen resultaten in het voortgezet speciaal onderwijs (Kamerstuk 35300 VIII-177) (35300-VIII, nr. 179);
de brief van vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 6 mei 2020 inzake reactie op moties en vragen uit het notaoverleg, gehouden op 29 april 2020, over onderwijs en corona (35300-VIII, nr. 178).
Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.
De voorzitter van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en
Wetenschap,
Tellegen
De griffier van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en
Wetenschap,
De Kler
Voorzitter: Tellegen
Griffier: De Kler
Aanwezig zijn tien leden der Kamer, te weten: Beertema, Bisschop, Bruins, Futselaar, Rudmer Heerema, Van den Hul, Van Meenen, Rog, Tellegen en Westerveld,
en de heer Slob, minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media.
Aanvang 14.01 uur.
De voorzitter:
Ik open deze vergadering. Heel hartelijk welkom bij dit spoednotaoverleg
inzake de uitvoering van de motie over het verkrijgen van het
vso-diploma op basis van reeds behaalde schoolresultaten en de motie
over het handelingsprotocol in geval van het vermoeden van
COVID-19-besmetting op school. Hartelijk welkom aan de minister en zijn
ambtenaren. Hartelijk welkom aan mijn collega's. Wij gaan beginnen.
Iedereen heeft vier minuten spreektijd. Ik geef de heer Van Meenen van
D66 als eerste het woord.
De heer Van Meenen (D66):
Dank u wel, voorzitter. Op 26 maart vroeg D66 om een verruiming van
mogelijkheden voor de eindexamens in het voortgezet speciaal onderwijs.
Juist voor deze leerlingen geldt namelijk dat ze extra geraakt worden
door onderwijs op afstand. Ze zitten, zoals ik een van hun leraren
hoorde zeggen, niet vanwege hun zweetvoeten op het speciaal onderwijs.
Het zijn leerlingen met bijvoorbeeld autisme of andere beperkingen. Deze
leerlingen hebben zich met zekerheid niet goed op hun college-examens
kunnen voorbereiden, die starten op 25 mei. Juist het onderwijs aan deze
leerlingen vraagt, nog meer dan bij hun vrienden in het regulier
onderwijs, om nabijheid. Die was er niet en die is er nog steeds
niet.
Twee weken geleden verzocht D66 samen met het CDA de minister opnieuw om
een verruiming. De betreffende motie haalde een ruime Kamermeerderheid.
Toch reageerde de minister afgelopen vrijdag dat hij de motie
onuitvoerbaar acht. Dat heeft geleid tot dit spoeddebat, uiterst
uitzonderlijk, maar nodig om vandaag nog tot een oplossing te komen. D66
betreurt het ten zeerste dat al deze tijd verloren is gegaan en dat er
nog steeds geen duidelijkheid is voor de eindexamenkandidaten in het vso
en voor hun leraren.
Voorzitter. Om het een gezicht te geven zou ik graag een mail aanhalen
van Nina. Dit jaar is voor haar de laatste kans om het vso-eindexamen te
doen. Ze is namelijk 20 en heeft daarmee de maximale leeftijd bereikt.
Dat maakt de examens al helemaal spannend, maar ze had nooit verwacht
dat haar voorbereiding zo zou verlopen. Vanaf maart heeft ze alleen
online les gehad. Straks moet ze naar school komen voor een mondeling
examen met een vreemde examinator. Haar ouders behoren tot de
coronarisicogroep, waardoor ze het liefst helemaal niet in contact komt
met andere mensen. Kortom, veel stress en zorgen om haar eindexamen,
haar toekomst en de gezondheid van haar ouders. Bepaald geen ideale
omstandigheden om een eindexamen in te maken.
Op basis van Nina's mail alleen al is mijn inschatting dat ze onder
normale omstandigheden met vlag en wimpel geslaagd zou zijn. Dat is het
uitgangspunt van D66: het voordeel van de twijfel, extra kansen voor
deze groep, niet de regels centraal, maar de leerlingen en hun toekomst
centraal, en redeneren vanuit de problematische en slechte voorbereiding
die dit examen met zich mee heeft gebracht. Dat is de ene redenering,
onze redenering.
De minister stelt daar een andere redenering tegenover, of naast, liever
gezegd. De minister redeneert vanuit de waarde van het diploma, en dat
er op dit moment een gebrek aan gegevens is om een diploma op te
baseren. Dat is de andere kant van de medaille. Beide zijn verdedigbaar.
Ze zijn ook allebei waar. Maar ze botsen, en vandaar dit debat. Want
vandaag wil D66 een einde maken aan die impasse. Wij hebben echt als
politiek de verantwoordelijkheid om er vandaag uit te komen en de
leerlingen en hun leraren, maar vooral de leerlingen, duidelijkheid te
bieden.
Voorzitter. Als we dan over een oplossingsrichting praten, schets ik het
volgende. De coronacrisis is de grootste crisis die ik in ieder geval in
mijn leven heb meegemaakt. Onderdeel van die coronacrisis is ook een
onderwijscrisis. Dat zien we aan alle kanten en op allerlei vlakken. De
vorige crisis die we in het onderwijs meemaakten, was die rond het VMBO
Maastricht. Daaruit kunnen wij lessen trekken. We kunnen wat mij betreft
ook een analogie trekken. Ook hier hadden de examenleerlingen namelijk
niet een volledig eindexamen gemaakt en was er geen goede voorbereiding.
Ook hier waren er zorgen over de waarde van het diploma en liepen de
meningen zeer uiteen. Toch zijn we er met z'n allen in geslaagd om een
weg te vinden. De minister heeft het toen mogelijk gemaakt om allerlei
tekortkomingen tot januari van het volgend schooljaar in te halen.
Ondertussen konden de leerlingen starten met hun vervolgopleiding. Alle
mbo's en havo's werkten mee om ruimte te geven in het eerste jaar om de
foutieve schoolexamens, of nog niet gemaakte schoolexamens, in te
halen.
D66 roept de minister op om met dezelfde creativiteit, hetzelfde
maatwerk en dezelfde flexibiliteit naar deze examens te kijken en dit,
Maastricht dus, als duidelijk precedent te nemen. Graag een reactie van
de minister. Als wij die oplossing zouden moeten formuleren, vragen we
de minister om extra kansen en maatwerk. Een oplossing dus naar analogie
van Maastricht, een oplossing die recht doet aan de bijzondere
omstandigheden. Leerlingen die eindexamen maken, moeten verzekerd zijn
van een gedegen en rustige voorbereiding. Daarom stellen wij voor om in
totaal vier herkansingsmogelijkheden te creëren die doorlopen tot
halverwege het volgend schooljaar. Deze extra mogelijkheden zouden ook
moeten gelden voor alle leerlingen die opgaan voor het diploma in het
staatsexamen, dus ook voor de thuiszittende leerlingen, die zich daar
voorbereiden op dit examen.
Ondertussen moeten de leerlingen wat ons betreft onbeperkte toegang
krijgen tot hun vervolgopleiding, ongeacht of ze hun diploma al gehaald
hebben en zonder nadere selectie-eisen. Net als bij Maastricht moeten de
opleidingen ruimte bieden om die tekortkomingen in te halen.
Verder wil D66 maximale flexibiliteit en maatwerk in de vormgeving van
het examen, indien gewenst ook schriftelijk. En tot slot moet er
natuurlijk maximale aandacht zijn voor extra onderwijs, ondersteuning en
voorbereiding van die examens, zoals dat er ook in de situatie van de
leerlingen van Maastricht was.
Voorzitter. Dat is ons voorstel. D66 wil vandaag nog graag die
duidelijkheid voor deze leerlingen, niet langer onzekerheid en stress.
En in de nabije toekomst moeten we het wat ons betreft ook grondig
hebben over de inrichting van het voortgezet speciaal onderwijs. Ik weet
niet hoe het voor de collega's is, maar voor mij zijn de dingen toch nog
meer duidelijk geworden, namelijk dat we hier extra aandacht aan moeten
geven en dat we daar met elkaar over moeten spreken.
Ten slotte wil ik alle leerlingen en hun leraren heel veel succes
wensen.
De voorzitter:
Dank. Mevrouw Westerveld, van GroenLinks, heeft een vraag en dan meneer
Beertema.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks):
Ik heb een puur verduidelijkende vraag aan de heer Van Meenen, omdat hij
een aantal oplossingsrichtingen noemt die anders zijn dan in de motie
worden geformuleerd. In de motie staat duidelijk dat het verzoek is aan
de regering om te bewerkstellingen dat eindexamenkandidaten hun diploma
kunnen behalen op basis van de schoolresultaten tot nu toe. "Kunnen
behalen", staat er ook, dus ik zie daar ook nog wel ruimte in voor
maatwerk. Maar betekenen deze oplossingsrichtingen nou dat de indieners
van de motie afzien van wat er in de motie wordt gevraagd en nu
eigenlijk aanvullende eisen stellen, ook ten opzichte van de brief van
de minister?
De heer Van Meenen (D66):
Ik heb in mijn betoog heel duidelijk die twee richtingen genoemd die
botsen, die niet verenigbaar zijn: de weg puur geredeneerd vanuit de
leerlingen en hun gebrekkige voorbereiding op het examen en de andere
weg, de waarde van het diploma, de validiteit en noem het allemaal maar
op. Die twee botsen en zijn niet verenigbaar. De ene is verwoord in de
motie, de andere in de brief van de minister. Ik probeer dat hier bij
elkaar te brengen. Het kan niet allebei tegelijk waar zijn. Dus
inderdaad, het is zo dat wij een stap zetten en dat we natuurlijk hopen
dat de minister die stap ook naar ons toe wil zetten.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks):
Ik denk dat het alleen maar goed is dat we vandaag juist kijken naar wat
er wél mogelijk is en wat de oplossingen kunnen zijn. Dan zou ik nog een
vraag willen voorleggen waar ik ook op zal terugkomen in mijn bijdrage,
namelijk: zou het misschien ook een optie zijn — dat zal ik ook aan de
minister vragen — om juist te kijken naar echt maatwerk voor leerlingen?
Er zijn natuurlijk leerlingen waarbij scholen wél kunnen aantonen dat op
basis van schoolexamens aan de vereiste voorwaarden wordt voldaan. Zou
dat ook nog een optie kunnen zijn, zou ik de heer Van Meenen willen
vragen.
De heer Van Meenen (D66):
Ik stel voor dat mevrouw Westerveld die vraag zelf aan de minister
stelt. Laat ik het zo zeggen, het is geen onderdeel van het pakket dat
wij hier op tafel leggen. Laat ik het daar even bij laten.
De heer Beertema (PVV):
In de aanloop naar dit debat en in de tussenliggende periode vanaf het
indienen van de motie-Van Meenen/Rog ben ik nogal benaderd door ouders
en door leerlingen, vooral van het vso, die allemaal groot voorstander
waren van het uitvoeren van deze motie. Aan de andere kant staan alle
betrokken koepels die ik gezien heb als één man achter de minister. Na
het lezen van al die verhalen heeft dat voor mij uiteindelijk de
doorslag gegeven. Die motie moet gewoon uitgevoerd worden. Mijn vraag
aan de heer Van Meenen is: is dat uw ervaring ook? Is dat hetgeen voor u
de doorslag heeft gegeven om toch alles op alles te zetten om deze
leerlingen tegemoet te komen?
De heer Van Meenen (D66):
De heer Beertema kent mij goed genoeg om te weten dat ik niet een
speciale gevoeligheid heb voor argumenten die afkomstig zijn van
koepels. Als die er al zou zijn, dan betekent dat niet automatisch dat
ik mij daarnaar voeg. Ik ben de politiek ingegaan om ervoor te zorgen
dat het goed gaat voor leerlingen en leraren. Natuurlijk kunnen
bestuurders daarbij behulpzaam zijn. Ik heb globaal datzelfde beeld
gezien, hoewel er op beide vlakken uitzonderingen zijn. Er zijn leraren
die er wel degelijk op aandringen om de lijn van de minister te volgen.
Ik heb ook schoolleiders en een enkele bestuurder gesproken die juist de
lijn van de motie willen volgen. Het veld is in die zin echt
verdeeld.
Wij zouden nu op ons eigen … Nee, laat ik voor mezelf spreken. Ik zou nu
op mijn eigen gelijk kunnen blijven zitten, maar dan weet ik zeker dat
we aan het eind van de dag geen oplossing hebben. Dan hebben we
waarschijnlijk wel een groot politiek probleem, maar geen leerling
geholpen. Dat wil ik niet. Ik wil dat niet voor mijn
verantwoordelijkheid nemen. Ik zoek nu een weg om hieruit te komen. De
parallel met Maastricht is mij pas na het indienen van de motie
duidelijk geworden. Ik zag die parallel ineens. We moeten daar dichtbij
gaan zitten. We hebben kunnen zien hoezeer die lijn leerlingen, ook
kwetsbare leerlingen, geholpen heeft. Dat heeft dan mijn voorkeur. Dan
kunnen we aan het eind van de dag zeggen: we zijn het met elkaar eens,
zo gaan we het doen.
De voorzitter:
Er zijn geen vragen meer aan de heer Van Meenen. Dan gaan we naar de
heer Rog van het CDA.
De heer Rog (CDA):
Dank u wel, voorzitter. De stemming over de motie-Van Meenen/Rog heeft
geleid tot een grote meerderheid voor het uitvoeren van deze motie. Maar
de minister heeft aangegeven dat deze motie niet uitvoerbaar is.
Natuurlijk kunnen wij als wetgevende macht iets wat nu niet uitvoerbaar
is wel uitvoerbaar maken. Voor het CDA staat voorop dat we alle
leerlingen in deze ongekende crisis en ook — misschien wel juist — de
leerlingen in het voortgezet speciaal onderwijs zo veel mogelijk recht
moeten doen. Ook wij hebben naar aanleiding van de ingediende motie veel
adhesie gekregen, maar we hebben ook de andere kant gehoord; de kant
waarover ik een aantal keren een interruptiedebat heb gevoerd met een
van de weinige partijen die tegen de motie heeft gestemd. Ik doel op
mijn collega Bisschop. Er zijn leraren die zeggen dat deze leerlingen
een waardevol diploma verdienen. Dat ontnemen we hen als we alleen op
basis van de schoolresultaten een diploma toekennen. Ik heb het appel
van ouderorganisatie Balans gelezen om leerlingen wel een volwaardig
diploma te verstrekken, maar ook voldoende maatwerk en
herkansingsmogelijkheden te bieden.
Dit debat voeren wij voor de leerlingen. D66 en het CDA willen een
ultieme poging doen om hen, ondanks dat zij hun leraren sinds 13 maart
niet meer hebben gezien, toch zo goed mogelijk naar het vervolgonderwijs
te begeleiden. Daarom zoeken wij naar een oplossing zoals wij die ook
vonden toen we het examendrama hadden bij VMBO Maastricht. Dat betekent
dat wat ons betreft de examenleerlingen in het voortgezet speciaal
onderwijs en de andere staatsexamenkandidaten, ook wanneer zij hun
college-examens niet hebben afgerond, in september toch kunnen beginnen
met hun vervolgopleiding. Om wel een erkend diploma te behalen, worden
zij dan begeleid richting die college-examens. Voor leerlingen die
moeite hebben met mondelinge afname, willen we wel dat er maximaal
maatwerk wordt geboden, bijvoorbeeld door schriftelijke afname. Net als
bij de slachtoffers van het examendrama in Maastricht worden leerlingen
in de gelegenheid gesteld om later, in dit geval tot 1 januari 2021, hun
examens af te ronden, met extra herkansingen. Wij vragen de minister om
de reeds toegezegde verruiming verder op te rekken tot vier
herkansingen. Hiermee hopen we recht te doen aan de leerlingen en een
oplossing te bieden die echt kan leiden tot succesvol doorstromen naar
vervolgonderwijs.
Voorzitter. We hadden nog een andere motie. We waren in afwachting van
de uitvoering, maar ook die motie had de minister ontraden. Dat is de
motie over een protocol bij een vermoeden van besmetting en over bron-
en contactonderzoek. Ik wil de minister bedanken voor de brief die we
zojuist hebben ontvangen, maar ik ben nog niet gerust. Er zijn meerdere
versies van het Protocol opstart basisonderwijs in omloop. Sommige
schooldirecteuren die ik spreek, verlaten zich nog op het document dat
stelt dat bij meer dan één besmetting de GGD ingelicht moet worden.
Andere schooldirecteuren hebben de versie waarin staat dat bij drie
leerlingen met klachten de GGD geïnformeerd moet worden. Zelfs de
voorzitter van de PO-Raad, die zojuist op de radio was bij Sven
Kockelmann, zei dat er geen bron- en contactonderzoek wordt gestart als
er één leerling daadwerkelijk besmet is.
Minister, het is crisis. Bied duidelijkheid aan de sector en,
alstublieft, kom met één protocol. Scholen hebben behoefte aan
duidelijkheid en ouders, leerlingen en leraren hebben daar recht
op.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank aan de heer Rog. Mevrouw Van den Hul, PvdA.
Mevrouw Van den Hul (PvdA):
Dank, voorzitter. "Hier kan ik tenminste mijzelf zijn, want voor het
eerst houden mensen er rekening mee dat ik anders ben." Dat zijn woorden
van een leerling op het vso waar ik vorig jaar gastles mocht geven. Dat
is precies de kern van de zaak vandaag: rekening houden met kinderen die
anders zijn, die speciaal zijn en die daarom op het voortgezet speciaal
onderwijs zitten. Als er iets is wat deze hele situatie duidelijk maakt,
is het dat het vso thuishoort in het vo. Dat hebben wij al vaker bepleit
en dat zullen wij zeker nu ook blijven doen.
We vragen op dit moment extra veel van deze leerlingen, zeker als je het
vergelijkt met de manier waarop in het regulier voortgezet onderwijs is
omgegaan met examens in deze uitzonderlijke tijd. Daar kan nu de vlag
vaak al uit. Maar wat doen we voor leerlingen in het vso? Wanneer kan
daar de vlag uit? De minister zegt: we komen deze leerlingen al extra
tegemoet, door maatwerk, meer ruimte voor docenten en extra herkansing.
Maar is dat genoeg en is dat realistisch voor de groep leerlingen waar
het hier vandaag om gaat, met schriftelijke examens die eind mei al
worden afgenomen terwijl de scholen pas 1 juni opengaan? Ja, zegt de
minister en ook een deel van de sector. Nee, zeggen veel leerlingen,
leraren, ouders en schoolleiders die wij de afgelopen dagen spraken. Zij
waarschuwen dat dit dramatische en vooral oneerlijke gevolgen heeft.
Heeft de minister zicht op hoeveel leerlingen door dit hele gedoe, want
dat is het, al zijn uitgevallen? Wij krijgen die signalen namelijk
inmiddels wel. Heeft de minister überhaupt met leerlingen zelf hierover
gesproken? Ik lees in de brieven van de minister vooral veel "nee, kan
niet" en weinig "ja, we staan voor deze kinderen en we gaan zorgen dat
het lukt". Dit alles vraagt om een snelle en vooral duidelijke
oplossing. Dat ben ik geheel met collega Van Meenen eens. Maar ook om
een creatieve oplossing, om echt out of the box denken. De vorige
sprekers deden hiervoor al een paar suggesties. Ik ben heel benieuwd
naar de reactie van de minister hierop.
Ook ik doe een duit in het zakje. Heeft de minister al eens aan opp's
gedacht? Nee, er is in het vso geen PTA, maar wel worden er opp's,
ontwikkelingsperspectiefplannen, bijgehouden. Zou een daartoe bevoegde
instantie, bijvoorbeeld het CvTE of de onderwijsinspectie, die ook extra
toezag op de beoordeling van de schoolexamens in het vo, wellicht die
opp's kunnen beoordelen om te kijken of op basis daarvan een diploma of
op z'n minst een doorstroomadvies gegeven zou kunnen worden?
Een andere suggestie zou zijn om docenten in het vso te vragen een soort
startbewijs af te geven, zodat leerlingen die door willen en kunnen in
het vervolgonderwijs wél kunnen starten. Want die leerlingen staan
natuurlijk niet voor niets al sinds december ingeschreven als
examenkandidaat. Er is wel degelijk een beeld op school. De minister
zegt dat de vervolgopleidingen dat niet willen en vasthouden aan de
geplande examens. Maar die wens hebben ze al wel losgelaten om andere
leerlingen te faciliteren. Bijvoorbeeld wo-instellingen kunnen afspraken
maken met hbo-studenten die nog niet alle punten voor hun "P" hebben
gehaald. Hetzelfde zagen we bij het NT2-onderwijs. Daar hebben we het
ook over gehad bij het vorige onderwijsdebat. Ook daar kunnen leerlingen
al wel doorstromen, juist om te zorgen dat ze geen achterstand oplopen.
Waarom, zeg ik dan tegen de minister, niet ook hier en juist hier kijken
naar echt maatwerk en flexibiliteit?
Tot slot, voorzitter, nog een kort punt over die protocollen. De
minister schrijft in zijn brief van vanmiddag dat hij er vertrouwen in
heeft dat het voor scholen en opvangorganisaties duidelijk is hoe zij
moeten handelen in geval van een besmetting. Maar waarop baseert de
minister dat vertrouwen precies? En wat is zijn boodschap aan al die
ouders, leraren en leerlingen die zich wel begrijpelijke zorgen maken
over wat dat nou betekent voor de veiligheid op hun school? Dus ik sluit
mij geheel aan bij de vraag van de vorige spreker: waarom toch niet
gewoon duidelijkheid scheppen in één helder protocol?
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank. De heer Futselaar, SP.
De heer Futselaar (SP):
Dank u wel, voorzitter. Ik vervang mijn collega, de heer Kwint, wiens
schouder als het goed is op dit moment opengezaagd wordt; disciplinaire
maatregelen in mijn partij zijn niet mild.
(Hilariteit)
De heer Futselaar (SP):
Voorzitter. Dit spoeddebat gaat over twee niet uitgevoerde moties: die
van de heer Rog over een protocol van scholen in coronatijd en die van
Van Meenen/Rog over examens in het vso. Beide moties heeft de SP
gesteund.
Ik wil beginnen met het missen van een protocol, want dat is wonderlijk
in wat toch eigenlijk het land van de protocollen is. Wij hebben een
protocol voor omgaan met aangespoelde zeezoogdieren. Is het dan zo raar
om in wat de grootste crisis van in ieder geval het leven van de heer
Van Meenen is, te zeggen: wij willen duidelijkheid geven aan scholen als
die getroffen worden door het virus? Ik zie dat de minister steeds
verwijst naar testmaatregelen en protocollen van het RIVM, maar het gaat
hier echt om meer dan testen alleen.
Je hebt een geval, een leerling of een docent. Stuur je dan de klas naar
huis en, zo ja, hoelang? Of stuur je de hele school naar huis en, zo ja,
hoelang? Hoe communiceer je met ouders? Doe je dat alleen met die van
die klas of met die van de hele school? Wie besluit of een klas naar
huis moet? Is dat de directeur of is dat de GGD? Ik weet het niet en ik
kan mij voorstellen dat andere mensen het ook niet weten. Dus ja, dat
lijkt mij alle reden voor een protocol. Ik begrijp dat scholen
verschillend zijn en dat er in regio's misschien verschillend moet
worden opgetreden, maar daar kun je een protocol ook aan aanpassen. Maar
deze onduidelijkheid moeten we wat de SP betreft niet laten ontstaan,
dus wat ons betreft moet deze motie gewoon uitgevoerd worden.
Voorzitter. Dan de motie over de stand van zaken bij het vso. Dat is
inderdaad ingewikkelder. Daar hebben eerdere sprekers ook over
gesproken. Volgens mij willen we allemaal hetzelfde, namelijk dat zo
veel mogelijk leerlingen in het vso een diploma kunnen halen. De motie
van de heren Van Meenen en Rog, die wij hebben gesteund, is een poging
om het probleem op te lossen dat de leerlingen die het staatsexamen
doen, nu veel minder goed voorbereid zijn dan ze normaal zouden zijn. Ik
merk trouwens dat dit in het veld soms wordt geïnterpreteerd als: het
staatsexamen als route mag niet meer volgens deze motie. Dat is volgens
mij niet de bedoeling geweest van de indieners en ook niet van ons, die
haar gesteund hebben. Dat wil ik hier toch even openlijk zeggen.
De minister stelt eigenlijk een aantal, ik noem het vooral juridische
redenen waarom deze motie niet kan worden uitgevoerd: onder andere omdat
scholen niet het recht hebben om diploma's af te geven. Maar er moeten
mogelijkheden zijn om te voorkomen dat leerlingen feitelijk buiten hun
schuld om nu hun diploma mislopen.
Er zijn wat ons betreft twee sporen mogelijk. Het ene is om toch te
kijken of je meer maatwerk kunt bieden in het examen, ofwel door meer
schriftelijk te doen, ofwel door meer mondeling te doen, afhankelijk van
de behoefte van de leerling. Maar wij kijken ook naar wat ik dan maar de
Maastrichtse route zou willen noemen: tijdelijke toegang tot
vervolgonderwijs. Want dat is uiteindelijk wat nu haast heeft. Haast
heeft vervolgonderwijstoegang. Minder haast heeft een concreet papiertje
hebben, al vind ik dat je het belang daarvan zeker niet moet
onderschatten. Ik zeg daar wel bij dat ik daar ook nadelen zie, want je
houdt leerlingen ook langer in onzekerheid, die daar misschien wel
moeite mee hebben. Dus ik zie het niet als de gouden weg, maar ik vind
het wel iets waar we echt serieus naar zouden moeten kijken.
Voorzitter, afrondend. De minister zegt: wat de Kamer wil, kan niet. Ik
begrijp dat, maar de SP zegt: wat de minister doet, is gewoon niet
genoeg. Als het niet kan zoals het moet, dan moet het maar zoals het
kan. Het gaat hier echt om de toekomst van jonge mensen. Daar moet
gewoon een passende oplossing voor gevonden worden.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank aan de heer Futselaar. De heer Bisschop, SGP.
De heer Bisschop (SGP):
Voorzitter, dank u wel. De hele discussie rondom de examinering en
diplomering van vso-kandidaten heeft bij ons als leidraad gehad, als
kernvraag: op welke manier kun je deze kwetsbare groep kandidaten, deze
leerlingen, het beste helpen? In die zin hebben we indertijd ook gekeken
naar de motie van het CDA en D66, of D66 en het CDA, moet ik zeggen, om
op basis van beschikbare gegevens de diplomering te regelen. Dat kwam
sympathiek op ons over. Het is een oplossing die op korte termijn
soelaas biedt en een einde maakt aan examenspanning bij leerlingen,
zeker voor deze groep, die daar gevoelig voor zal zijn.
Als je dan doordenkt, doorvraagt en doorpraat met mensen die erbij
betrokken zijn, stuit het toch op een aantal bezwaren. Een van die
bezwaren, die ik ook eerder genoemd heb, is dat je wel een zeker
substantieel dossier nodig hebt om daar een knoop in te kunnen
doorhakken. Dat is bij het vso inherent vaak fragmentarisch. Dan rijst
de vraag: wie bepaalt of een kandidaat gezakt of geslaagd is? Dat is
voor de docenten die de knoop zouden moeten doorhakken een bijna
onmogelijke opgave. Dat moet je hun niet willen aandoen, en ook die
scholen als zodanig niet. Het punt van de minister is ook steeds
geweest: hoe borg je de maatschappelijke waarde van het diploma? Dat
moeten we niet wegpoetsen. Dat is een cruciale vraag. Dat heeft er bij
ons toe geleid om geen steun te geven aan die motie.
Voorzitter. Alles afwegend steunen we dan ook de lijn die de minister in
de brief heeft uiteengezet. Ik denk dat het inderdaad niet anders kan.
Die brief krijgt ook steun vanuit het veld zelf. Sommige collega's
hebben geciteerd uit brieven en mails; ik noem ook een citaat. Dat is
een citaat uit de brief van vso-scholengemeenschap De Keyzer in Goirle.
Daarin schrijft men onder andere het volgende: "Wij begrijpen dat de
manier van examineren dit jaar anders is dan andere jaren. Zowel
leerlingen en ouders als medewerkers van de school hebben de afgelopen
periode met veel energie en enthousiasme de voorbereidingen op de
examens — de college-examens dus — zo goed mogelijk vormgegeven. Wij
zijn van mening dat we de examens op een veilige manier kunnen
organiseren. Laat dat alsjeblieft doorgaan." Dat is het verzoek dat deze
school doet.
Voorzitter. Ik ben heel blij met de compromisbereidheid van D66 en het
CDA. Het is mooi dat er achter de schermen indringend is gesproken, in
ogen is gekeken en afspraken zijn gemaakt. Ik ben natuurlijk wel heel
benieuwd naar de reactie van de minister op deze amendementen op de
voorgestelde aanpassingen. Van belang is in elk geval dat vandaag het
besluit valt. Dit gebaar, deze wensen — dat waardeer ik oprecht in de
collega's Van Meenen en Rog — maken dat in ieder geval mogelijk. Dat is
in het belang van de leerlingen. Ik wens alle kandidaten alvast heel
veel succes en weinig spanning.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank. Mevrouw Westerveld, GroenLinks.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks):
Dank u wel, voorzitter. Er wordt enorm veel verwacht van leerlingen die
straks, na weken van thuisonderwijs en in een hele onrustige tijd, bij
hun mondeling examen een enorme prestatie moeten leveren. We begrijpen
de onrust die er is bij leerlingen en ouders, maar ook bij examinatoren
en leerkrachten in het vso. GroenLinks vindt ook nog steeds dat er een
betere oplossing moet komen. Vóór dit debat leken er heel erg twee
smaken te zijn: enerzijds de motie van D66 en het CDA, en anderzijds de
brieven van de minister. We zijn blij met de concrete toenadering die nu
wordt gezocht.
We begrijpen ook een aantal argumenten die in de brief van de minister
staan. Tegelijkertijd lezen we die brief natuurlijk ook wel juist als
een aansporing om de motie niet uit te voeren. Daarom zouden wij graag
willen kijken naar wat er wel mogelijk is, in het belang van deze
leerlingen. Zijn er bijvoorbeeld andere manieren om te kijken naar wat
er bij individuele leerlingen past? We kregen heel veel uiteenlopende
reacties. Dat geldt ook voor de collega's, als ik zo de bijdragen hoor.
Dat laat ook wel zien hoe verschillend het onderwijs aan de leerlingen
in het vso is geregeld.
Daarom van onze kant ook een aantal suggesties. Hoeveel van de scholen
hebben bijvoorbeeld wel voldoende schoolresultaten, of kunnen op korte
termijn daaraan voldoen, om te beoordelen of een leerling voldoet aan de
inhoudelijke eisen die worden gesteld bij het behalen van een diploma,
net als in de rest van het voortgezet onderwijs? Kunnen leerlingen in
plaats van mondelinge examens afleggen misschien aansluiten bij de
verschillende resultaatverbeteringstoetsen die op andere vo-scholen
worden gemaakt? Is dat wellicht een optie? Of zou het een optie zijn om
mondelinge examens voor bijvoorbeeld 50% te laten meetellen en de andere
50% te laten bestaan uit de schoolresultaten tot nu toe? Ook zou ik de
minister willen vragen waarom er geen herkansingsmogelijkheden zijn voor
leerlingen die opgaan voor certificaten. Kan die poule van examinatoren
op korte termijn vergroot worden? En is het toch een optie om ook
leerlingen die opgaan voor certificaten een herkansingsmogelijkheid te
geven? Graag een reactie van de minister.
Voorzitter. Is het mogelijk om per school of zelfs per leerling maatwerk
te leveren? Uit de brief van de minister blijkt dat scholen op heel
verschillende manieren hun onderwijs hebben vormgegeven. Wij hopen dus
ook dat een maatwerkoplossing mogelijk blijft.
Voorzitter. We begrijpen ook heel goed dat er ouders zijn die bang zijn
om hun kind naar school te laten gaan om examen te laten doen, want
binnen het vso-onderwijs zijn er heel wat kinderen met een kwetsbare
gezondheid. Is het mogelijk om voor deze leerlingen de mondelinge
examens digitaal te laten afnemen, zodat in ieder geval de stress van
het reizen wordt weggenomen? Daarnaast krijgen wij ook ongeruste
berichten van ouders van thuiszitters, omdat sommige kinderen die niet
aan een school verbonden zijn natuurlijk ook staatsexamen doen. Kan de
minister garanderen dat ook deze leerlingen hun schoolcarrière kunnen
afsluiten op een manier die bij hen past?
Kortom, wij hopen dat het mogelijk is om voor leerlingen die maanden
thuisonderwijs hebben gehad en soms als een berg opzien tegen deze
examens, een manier te vinden waar zowel leerling, ouders alsook
examinatoren zich goed bij voelen. Dit zijn natuurlijk heel ongewone
tijden, dus we hopen ook op ongewone oplossingen.
Voorzitter. Dan naar de toekomst. Die grote verschillen — dat bleek uit
de bijdragen en uit de brief — leiden toch ook wel tot een aantal vragen
bij onze fractie. Ik zou de minister willen vragen om te kijken of hier
lessen te leren zijn voor de toekomst. Is de huidige manier van
examineren wel voldoende toegerust op de kinderen die nu naar het vso
gaan? Of zijn ze ook nu te veel ontwikkeld voor kinderen die naar het
reguliere onderwijs gaan? Kan hier in de toekomst — ik snap wel dat we
dat nu niet gaan doen — goed naar gekeken worden?
Dan heb ik nog een vraag over het protocol bij vermoedens van
besmettingen. Van de Belangenvereniging Intensieve Kindzorg krijgen we
signalen dat zij zich veel zorgen maken, omdat juist kinderen met een
handicap of een meervoudige handicap een wat kwetsbare gezondheid
hebben. Ik krijg vragen vanuit die groep over wat er bijvoorbeeld gedaan
wordt en wat het protocol is op het moment dat er een besmetting is
vastgesteld bij een leerling. Wordt er specifiek rekening gehouden met
kinderen die een handicap hebben?
Voorzitter. Ik heb een allerlaatste vraag: kan de minister ons over een
paar weken een update geven over het leerlingenvervoer? Kan dat op een
veilige manier? Zijn er goede afspraken gemaakt met gemeenten en
vervoersbedrijven?
De voorzitter:
Dank. De heer Heerema, VVD.
De heer Rudmer Heerema (VVD):
Voorzitter, dank u wel. De VVD had de basishouding in het debat, in het
notaoverleg, over onder andere het vso dat deze kinderen
gelijkgeschakeld zouden moeten kunnen worden met het reguliere
onderwijs. Onze houding was dan ook: als daar geen centraal examen
gehouden wordt, hoeft dat ook in het voortgezet speciaal onderwijs niet.
De minister heeft ons echter met de brief die hij gestuurd heeft ervan
overtuigd dat die juridische mogelijkheid er niet is. Het leek ons,
omdat dat substantiële dossier zou ontbreken, het meest verstandig om
gewoon duidelijkheid te geven aan de kinderen, de houding te hebben de
motie niet te steunen en ervoor te zorgen dat die kinderen zo goed
mogelijk voorbereid naar het centraal staatsexamen zouden gaan. We
steunen dus de lijn van de minister. Maar ik vind de opmerking om de
lijn en vergelijking met Maastricht te trekken wel charmant. Die kan ik
ondersteunen. Ik ben benieuwd wat de minister daarop zal
antwoorden.
Voorzitter, tot slot. Ik sluit me aan bij de vragen van GroenLinks over
de toekomst van het vso. Dat vind ik een belangrijke. Ik vind dat daar
goede vragen over gesteld zijn. Je weet nooit wat er in de toekomst
gebeurt, maar volgens mij moeten we dit niet nog een keer willen.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. De heer Beertema, PVV.
De heer Beertema (PVV):
Dank u wel, voorzitter. Jaren terug — ik was nog een onervaren Kamerlid
— werd er een motie van mij aangenomen met brede steun uit de Kamer. Tot
mijn verontwaardiging werd die niet uitgevoerd. Ik begreep daar helemaal
niks van. Ik overwoog een woedende motie in te dienen die de minister
opriep mijn motie wél uit te voeren. Dat werd me uiteraard uit het hoofd
gepraat door collega's die het beter wisten, en terecht, want zoiets doe
je niet. Vandaag voeren we hier dan toch een spoeddebat over het niet
uitvoeren van een motie-Van Meenen/Rog, nota bene een motie van
coalitiepartners van deze minister. Ik vind het bijzonder vreemd dat
hier blijkbaar een spoeddebat over gevoerd moet worden. Dat leidt bij
mij tot de vraag wat hier nou aan de hand is. Er zijn drie
mogelijkheden: of het ontbreekt in de coalitie aan onderlinge
communicatie, of het chagrijn in de coalitie is zo opgelopen dat men er
achter de schermen niet meer uit komt en dit soort meningsverschillen
voor het oog van de natie moeten worden beslecht, of het is een
combinatie van beide. Verheffend is het niet en het belooft weinig goeds
voor de toekomst.
Voorzitter. We hebben het idee dat dit debat eenvoudig voorkomen had
kunnen worden …
De voorzitter:
Voordat u verdergaat, heeft de heer Van Meenen een vraag aan u.
De heer Van Meenen (D66):
Volgens mij ziet de heer Beertema nog één mogelijkheid over het hoofd.
Dat is de mogelijkheid dat hier binnen de coalitie misschien
verschillend over gedacht wordt en dat wij hier de gewoonte hebben om
zaken in volledige transparantie met elkaar te besluiten. En dat ook, zo
zeg ik er heel serieus bij, vanuit het belang dat er vandaag een
oplossing komt, dat wij met z'n allen hier deze zaal bij wijze van
spreken niet verlaten voordat we eruit zijn. Dat kunnen we niet achter
de schermen regelen. En als dat al gekund had, dan zou ik dat niet
gedaan hebben. Dat is dus ook nog een variant, en die zou weleens wat
dichter bij de waarheid kunnen liggen.
De heer Beertema (PVV):
Ik hoop voor de coalitie dat die laatste variant dan de echte is. Maar
dan blijft het natuurlijk zo dat een breed aangenomen herziene motie in
de geest van de motie allang geregeld had kunnen worden en dat daar dan
alsnog over gestemd zou kunnen worden. Feit blijft dat we hier weliswaar
geen coalitieruzie — dat zal het niet zijn — maar wel een
meningsverschil zitten uit te vechten. Dat kan anders.
De heer Van Meenen (D66):
Het lijkt nu bijna alsof de heer Beertema mij nu interrumpeert; zo voelt
het een beetje. Maar toch maar eventjes voor de helderheid. Dat is nou
precies waarvoor we hier níet zijn, zoals u mij ook heeft horen zeggen:
politieke ruzies uitvechten, mochten die er al zijn. Aan de stemmingen
heeft u kunnen zien dat er een verschil van opvatting binnen de coalitie
is. En ook ik heb geleerd dat als een aangenomen motie niet wordt
uitgevoerd, je niet nog eens een motie over het uitvoeren daarvan moet
indienen. Nee, dan moet je verder praten. En dat geldt vooral ook juist
voor dit dossier, omdat daar een enorme tijdsdruk is. Je kunt je niet
veroorloven om hierover lang onduidelijkheid te laten bestaan. Die
onduidelijkheid was er omdat er twee zeer verschillende opvattingen
naast elkaar lagen, die niet verenigbaar waren. Wij hebben in ieder
geval alles geprobeerd om daar vandaag een weg in te vinden en, als de
minister het ook een goed idee vindt, dan hoop ik dat de heer Beertema
ook die weg op zal bewegen. Ik wil juist geen politiek. Zo min
mogelijk.
De heer Beertema (PVV):
Waarvan akte. Uiteraard ga ik mee met de strekking en de geest van de
motie.
Voorzitter. Wij hebben het idee dat dit debat eenvoudig voorkomen had
kunnen worden. De minister had in navolging van het voortgezet onderwijs
al in een veel vroeger stadium kunnen bekijken wat er op examengebied en
qua examenlogistiek nodig was voor het voortgezet speciaal onderwijs.
Het vso kwam echter pas een maand later in beeld. Waarom was dat? En
deelt de minister onze opvatting dat het vso een beetje op zijn beloop
is gelaten en dat hij daarom nu de motie-Van Meenen/Rog niet kan
uitvoeren, aangezien de examenlogistiek in het vso niet op orde is? Wij
vinden het wrang dat juist in deze precaire tijd, midden in de pandemie,
een onderscheid wordt gemaakt tussen het vo en het vso. Waarom kon er
voor deze groep niet ook een uitzonderlijke beslissing worden genomen,
zoals er zo veel uitzonderlijke maatregelen zijn genomen?
Voorzitter. De minister geeft in zijn brief van 8 mei jongstleden aan
dat de motie-Van Meenen/Rog niet uitvoerbaar is omdat scholen in het vso
nog niet kunnen voldoen aan de inhoudelijke eisen voor de diploma's en
zij ook geen licentie hebben. Dan rijst bij ons de vraag of dit niet
voorkomen had kunnen worden als de minister in een vroegtijdig stadium
naast het vo ook het vso had meegenomen. Was er dan wél voldoende tijd
geweest om dat in orde te krijgen?
Gedane zaken nemen geen keer. Maar wij blijven het uiterst wrang vinden
dat er weinig zorgen zijn over de diploma's die worden uitgegeven door
het vo, ondanks dat de centrale examens daar geen doorgang hebben kunnen
vinden. Maar deze vrees zou wel bestaan als we hetzelfde zouden doen en
dezelfde systematiek zouden volgen in het vso. Daar zijn de centrale
examens weliswaar ook geschrapt, maar het alternatief dat overblijft,
wordt door de vso-examenkandidaten als een stuk minder mild ervaren dan
dat uit het reguliere voortgezet onderwijs. Het lijkt ons logisch dat
dit tot onbegrip heeft geleid en tot het gevoel dat er met twee maten
wordt gemeten.
Voorzitter. Ik ga afronden. We hebben verontrustende geluiden ontvangen
over de deelexamenkandidaten in het vso. Bij deze kwetsbare groep is de
verwachting dat twee derde van de deelexamenkandidaten het examen niet
gaat halen, waardoor zij nog meer geconfronteerd zullen worden met
psychische klachten. Ook zal dit leiden tot ongewenst grote klassen voor
het komende schooljaar.
Nog één ding, voorzitter. Wij vragen de minister om rekening te houden
met een extra verzwarende factor voor deze categorie leerlingen. Velen
van hen zijn voor hun functioneren afhankelijk van de ggz. Daar gebeuren
hele mooie dingen waar deze leerlingen veel baat bij hebben, maar door
de coronacrisis zijn de ggz-instellingen ook beperkt geweest in hun hulp
aan deze leerlingen. Daardoor zijn die eigenlijk dubbel getroffen. Graag
krijg ik een reactie van de minister daarop.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank. Tot slot de heer Bruins van de ChristenUnie.
De heer Bruins (ChristenUnie):
Voorzitter, dank u wel. Op 15 maart werden alle leerlingen verrast door
de mededeling van het kabinet dat de dag erop de scholen niet zouden
opengaan. Dat was opeens een enorme verandering van denken, maar
gelukkig kwam minister Slob negen dagen later al, op 24 maart, met
helderheid over hoe het nu verder moest. De centraal examens zouden
worden geschrapt voor het vo en het vso en alleen de schoolexamens en de
college-examens in het vo en het vso zouden doorgaan. Zekerheid,
helderheid: het was duidelijk, na negen dagen.
Door de aangenomen Kamermotie is er een aantal weken geleden plots weer
onzekerheid ontstaan voor deze leerlingen. Dat vind ik heel naar, want
het is een kwetsbare groep leerlingen, met problematiek, en het is
moeilijk om te zien dat er nu weer onhelderheid en onzekerheid is voor
deze groep leerlingen. Tegelijkertijd heb ik gezien dat ik in mijn inbox
mails krijg van leraren die zeggen: "Doe niet wat die Kamermotie zegt.
We hebben leerlingen die nog in het examenjaar zijinstromen en maar
eventjes op onze school zitten. We hebben leerlingen die maar een deel
van de tijd naar school kunnen, vanwege de problematiek waar ze mee te
maken hebben. We hebben leerlingen die de mogelijkheid moeten kunnen
hebben om het examen te spreiden. Er is niet voor niets het examen zoals
dat is ingericht."
Al die leerlingen worden door de leraren, die zo keihard werken in het
vso en die aan zo'n enorm diverse groep leerlingen les moeten geven,
naar dat ene moment toe geholpen dat ze kunnen laten zien: kijk, ik kan
het; en mijn diploma is echt wat waard. Dat gunt de ChristenUnie aan
alle leerlingen in het vo en het vso. Het is goed dat er nu maatwerk
komt van de minister en dat bijvoorbeeld ook de eigen docent erbij mag
zitten. Mijn vraag aan de minister is of het misschien een idee is om
dat ook volgend jaar voort te zetten, als dat voor kinderen in het vso
zo'n mooie versoepeling is.
Voor nu wil ik zeggen dat ik de kinderen in het vso vooral een hele
mooie toekomst toewens en dat ik ze zo snel mogelijk zekerheid en
helderheid wil geven, zodat ze met hun vervolgopleiding kunnen starten,
een vervolgopleiding die niet extra gaat toetsen en niet extra gaat
selecteren, omdat de kinderen kunnen laten zien dat ze een waardig en
waardevol diploma van het vso gaan halen. Ik wil de Kamer dus ertoe
oproepen om vandaag, zo mogelijk vandaag, helderheid en zekerheid te
geven aan deze kwetsbare groep leerlingen. Laat ze niet in onzekerheid
zitten en zorg vandaag voor helderheid.
Dank u wel.
De heer Van Meenen (D66):
Ik zei net tegen de heer Beertema dat ik er niet op uit ben om hier
politiek te bedrijven, maar er zijn toch ook dingen die je niet kunt
laten passeren. Het is toch wel heel erg bijzonder — laat ik nou een
heel voorzichtig bijvoeglijk naamwoord kiezen — dat de heer Bruins hier
stelt dat de verwarring in het vso is ontstaan door de motie. Hij heeft
blijkbaar veel post in zijn postvak gekregen, maar dan heeft hij ook een
heleboel mensen geblokkeerd of dan schrijven zij hem niet, leerlingen
bijvoorbeeld en ouders. Maar er is na de mededeling over het centraal
examen en de staatsexamens juist heel veel verwarring en onzekerheid
ontstaan. Daar heeft mijn fractie, en andere fracties ook, negen of tien
dagen na het sluiten van de scholen, namelijk op 26 maart, al vragen
over gesteld. We hebben toen aangedrongen op meer helderheid, op
duidelijkheid en gevraagd om rekening te houden met de reden dat de
centraal examens in het voortgezet onderwijs werden geschrapt.
Leerlingen kunnen zich in deze omstandigheden namelijk niet goed
voorbereiden. Dat was de reden, niet dat de examens niet organiseerbaar
waren, want die zijn juist prima te organiseren in een
anderhalvemetersamenleving. Het ging erom dat leerlingen zich niet goed
konden voorbereiden. De heer Heerema heeft dat als geen ander prachtig
verwoord in het vorige debat. Maar de leerlingen in het vso moeten het
wel gaan doen. Uit die zorg is de motie voortgekomen. Dit had veel
eerder opgelost kunnen worden.
De voorzitter:
Meneer Van Meenen, kunt u iets korter zijn?
De heer Van Meenen (D66):
Het gaat mij echt te ver dat de heer Bruins nu stelt dat de onzekerheid
is ontstaan door de motie. Daar wil ik hem toch nog even over
horen.
De heer Bruins (ChristenUnie):
Voor mij is dit nou niet het onderwerp om hier politiek gelijk te halen.
Mijn beeld is inderdaad dat op 15 maart de scholen dichtgingen en dat er
op 24 maart een heldere brief was over hoe er met de examens zou worden
omgegaan. Hoe en wanneer de onzekerheid dan ook precies is ontstaan, het
gaat er nu om dat deze groep leerlingen helderheid krijgt en dat die
onzekerheid gewoon niet langer voortduurt. Het is onnodig, het moet niet
en het was ook niet nodig geweest.
De voorzitter:
De heer Van Meenen, kort.
De heer Van Meenen (D66):
Als de heer Bruins zo tevreden was over de brief en de maatregelen die
op — wat zal het geweest zijn? — 24 maart genomen waren, dan vraag ik me
wel af hoe hij aankijkt tegen de suggesties die de heer Rog en ik gedaan
hebben om meer elementen in dit dossier te brengen die vergelijkbaar
zijn met de elementen die in het dossier-VMBO Maastricht zijn
ingebracht.
De heer Bruins (ChristenUnie):
De versoepelingen die al door de minister zelf zijn voorgesteld en ook
de mogelijkheden om deze kinderen nog een extra kans te geven … Alles
wat nu snel leidt tot helderheid waardoor deze kinderen een waardig en
waardevol diploma zullen kunnen halen, zal ik van harte steunen. Het
gaat mij om de kinderen en om het feit dat zij snel helderheid hebben.
Dus ook die suggestie neem ik zeer ter harte en zal ik alleen maar
kunnen steunen als de kinderen vandaag helderheid krijgen.
De heer Bisschop (SGP):
Laat ik de coalitie een beetje mogen helpen. Er is een drietal concrete
voorstellen gedaan: een vierde herkansing, een verlenging van de
herkansingstermijn tot 1 januari 2021 en, lopende een eventueel
herkansingstraject, toelating tot de vervolgopleiding. Dat is als ik het
goed gehoord heb het pakket dat op tafel gelegd is. Ik heb gewoon
concreet de volgende vraag aan collega Bruins: steunt de heer Bruins
deze drie voorstellen, zoals de heer Heerema, als ik hem goed beluisterd
heb, inmiddels heeft gedaan?
De heer Bruins (ChristenUnie):
Alles wat deze kinderen helpt om tot een waardig en waardevol diploma te
komen, met de waarde die we ze allemaal gunnen, en alles wat uitvoerbaar
is binnen de regels, zal ik van harte steunen, zolang deze kinderen
vandaag maar helderheid krijgen.
De heer Bisschop (SGP):
Ik vind dit een beetje karig. Dat mag, hoor. Collega Bruins gaat over
zijn eigen woorden, maar een beetje stoken is af en toe ook wel goed.
Als ik collega Bruins goed beluister, zou ik gewoon mogen concluderen
dat hij deze toevoegingen en verruimingen steunt. Waarom zou de heer
Bruins dat niet op voorhand gewoon ruiterlijk toegeven?
De heer Bruins (ChristenUnie):
Zoals ik al zei: alles wat de waarde van het diploma doet behouden en
extra ruimte geeft aan deze kinderen, steun ik. Dat kunnen alle drie de
voorstellen zijn. Ik wil wel van de minister horen of dit inderdaad
leidt tot een diploma dat niet in waarde vermindert. Het lijkt me wel
fair dat ik dat antwoord afwacht, maar ik sta met een open en positief
hart tegenover al die voorstellen.
De voorzitter:
Hartelijk dank. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de eerste
termijn van de kant van de Kamer. Ik schors de vergadering. Na de
schorsing gaan we naar de beantwoording van de minister luisteren.
De vergadering wordt van 14.50 uur tot 14.59 uur geschorst.
De voorzitter:
Ik geef de minister het woord.
Minister Slob:
Voorzitter. Ik dank de Kamer voor dit overleg. Ik denk dat het inderdaad
heel goed is dat we hier bij elkaar zijn, zeker omdat er wat verschil
van opvatting is. Ik zal daar straks uiteraard op ingaan. We moeten
kijken of we tot duidelijkheid kunnen komen, want in deze tijd is er
niets vervelender dan onduidelijkheid, juist als het om dit soort
onderwerpen gaat. Er zijn ook nog vragen. Mocht hij meekijken, dan wil
ik uw collega Kwint een goed herstel toewensen, want wat hij mee moet
maken, is best wel ingrijpend.
De heer Futselaar (SP):
Ik begrijp dat de operatie ietwat vertraagd is, maar ik zal in ieder
geval de beterschapswensen doorgeven.
Minister Slob:
Dan is de kans groot dat hij meekijkt, hem kennende.
De voorzitter:
Ja, ik heb begrepen dat hij de livestream probeert te volgen vanuit het
ziekenhuis.
Minister Slob:
Ik vermoedde dat al een beetje, vandaar dat ik dacht: ik moet er even
een opmerking over maken. We leven uiteraard met hem mee.
Voorzitter. Een aantal van u heeft erop gewezen dat we echt in heel
uitzonderlijke tijden leven. In deze uitzonderlijke en ingrijpende
tijden worden ook uitzonderlijke en ingrijpende besluiten genomen. Ik
heb dat de afgelopen weken natuurlijk in een heel snel tempo meegemaakt.
In mijn verantwoordelijkheid als bewindspersoon voor het primair en
voortgezet onderwijs waren met name het sluiten van de scholen en nu
weer het gedeeltelijk heropenen van de scholen echt ingrijpende
besluiten. Als we het over het funderend onderwijs hebben, hebben we het
over 2,5 miljoen kinderen. Dat zijn gewoon enorme aantallen. Daar zijn
dus heel veel mensen bij betrokken: de ouders, de docenten en de hele
wereld daaromheen. Dit raakt een groot deel van de samenleving.
Maar ik heb ook het echt heel ingrijpende besluit genomen om de centrale
examens niet door te laten gaan. We zijn daarbij absoluut niet over één
nacht ijs gegaan, al hebben we wel geprobeerd om snel duidelijkheid te
geven. U weet dat er één precedent was: 1945. Dan weten we natuurlijk
genoeg, namelijk dat het echt een ongelofelijk ingrijpend besluit is. Ik
weet soms niet eens welke woorden ik ervoor moet gebruiken. Hiermee geef
ik maar even aan dat er natuurlijk ook een stuk emotie zit als je dat
moet doen. U mag best weten dat ik er behoorlijk tegen aangehikt heb om
dat op dat moment al te doen. Want we wisten natuurlijk ook niet hoe het
zich verder zou gaan ontwikkelen. Wie weet, had het al weer heel snel
wat genormaliseerd kunnen worden. En dan heb je dat besluit genomen,
maar had het misschien toch nog gekund.
U kunt zich misschien nog een ingezonden artikel in de Volkskrant
herinneren van een docent wiskunde. Hij vond dat eigenlijk echt veel te
snel besloten: we hadden toch nog veel langer … Nou, alle besluiten die
je neemt maken altijd aan verschillende kanten reacties los. En toch, ik
zit in een positie waarin ik uiteindelijk zo'n besluit moet nemen. Daar
ben ik verantwoordelijk voor, natuurlijk met het kabinet, want dat doe
je niet alleen; dat doe je ook op basis van adviezen die je krijgt. Ik
heb iedere keer geprobeerd — u heeft dat gezien in de brieven — om dat
niet zomaar eventjes van bovenaf te gaan doen. Dus ook al zijn de
besluiten snel genomen omdat we duidelijkheid wilden geven, ook als het
daarbij gaat om het schrappen van het centraal examen: het onderwijsveld
is daar echt in de volle breedte bij betrokken. Dat doe ik via de
landelijke vertegenwoordigers. Zij hebben natuurlijk ook heel intensief
contact gehad met degenen die zij vertegenwoordigen. Ik weet van heel
nabij dat dit is gebeurd. Er zullen natuurlijk best verschillen van
mening zijn geweest, maar uiteindelijk is het besluit om de centrale
examens vanwege de coronacrisis niet door te laten gaan, genomen met
volledige instemming van alle betrokkenen, tot en met de leerlingen, de
ouders, de inspectie en noem ze maar op. U heeft de hele opsomming zien
staan in de brief die destijds naar u is toegestuurd, ik dacht op 24
maart, want ik vond het belangrijk om het in uw richting heel helder te
maken: daar is steun voor.
Voorzitter. Inmiddels zijn we al een aantal maanden verder. Dat besluit
was denk ik echt onvermijdelijk. Het was goed om die duidelijkheid te
geven. Uiteindelijk hebben we toen met elkaar maar één heel belangrijk
doel gehad: oké, dit moet gebeuren, maar wij willen de leerlingen die
hierdoor op allerlei manieren worden geraakt … Er wordt de leerlingen
immers ook een paar dingen ontnomen, het mooie en ook wel de spanning,
want 7 mei zou zijn gestart met de centrale examens: de afronding, het
wachten op de cijfers, het met elkaar nagaan zo van "hoe heb jij het
gemaakt?" en, als de correctiedingen komen, "heb ik het goed gedaan?".
Noemt u het allemaal maar op. Dat is heel spannend. Het is soms ook best
weleens een vervelende spanning, maar aan de andere kant hoort het er
ook een beetje bij. We hebben ze dat eigenlijk ontnomen, maar dat was
onvermijdelijk. Dat hebben velen ook begrepen. De leerlingen hebben het
ook gesteund. U weet dat het LAKS daarin heel duidelijk is geweest. Maar
we hadden één doel, en dat was in het belang van de leerlingen: we
wilden ervoor zorgen dat de leerlingen uiteindelijk een diploma zouden
krijgen; oké, dat is dan zonder een centraal examen, maar het diploma
moet uiteindelijk wel een valide diploma zijn. En als wij dan die keuze
maken om het te doen op basis van de schoolexamens, dan betekent dit ook
dat dan getoetst is op de vereisten die bij een valide diploma horen,
die ervoor zorgen dat het diploma valide is — de eindtermen die
wettelijk verplicht zijn en die in de schoolexamens getoetst moeten
worden. Dat was waar we ons met elkaar voor hebben ingezet.
Dat gold niet alleen voor de leerlingen die de schoolexamens via de
reguliere weg zouden afleggen, maar ook voor de leerlingen die dat
zouden doen via de alternatieve weg die ooit een keer gecreëerd is, om
zo ook de leerlingen die niet in het regulier onderwijs zaten de kans te
bieden om een valide diploma te krijgen. Ook voor hen is die weg toen
direct opengesteld. Ik zeg dat in de richting van de heer Beertema.
Vanaf het allereerste begin — kijkt u daar de brief van 24 maart nog
maar op na — zijn regulier en staatsexamen een-op-een meegenomen. Dat is
niet pas na een maand opgepakt. Ik zal u in alle eerlijkheid zeggen dat
ik toen een persconferentie heb gegeven waarin ik in ieder geval in mijn
eerste woorden met name ben ingegaan op het regulier onderwijs. Ik heb
later, in de antwoorden op de vragen die ik kreeg, ook alles gezegd over
de staatsexamens. Daardoor is een klein beetje het beeld ontstaan dat ze
er niet bij hoorden, maar iedereen die mij kent, weet hoe ik naar deze
leerlingen kijk. Iedereen die mij heeft meegemaakt als Kamerlid, weet
dat ik jarenlang altijd een heel speciale aandacht had voor deze
leerlingen, dat die leerlingen ook in mijn hart zitten en dat ze ook in
beeld zijn geweest. Ook voor hen hebben wij keuzes gemaakt in goed
overleg met allen die hen vertegenwoordigen — LECSO is onder hen een
heel belangrijke, maar er zijn er meer — om te zorgen dat ook voor hen
de goede dingen zouden gaan gebeuren.
Voorzitter. Wat was nou een heel belangrijk iets bij het schrappen van
de centrale eindexamens? De leerlingen verkeerden door het onderwijs op
afstand best wel in lastige omstandigheden, al is er ruimte geboden om
voor de examenklasleerlingen wel wat in de school te doen. Dat is ook
gebeurd op het vso, kan ik u melden; dat gebeurde niet overal, maar op
sommige scholen wel. Door het schrappen van die examens ontstond juist
lucht en ruimte om alle leerlingen, dus ook de leerlingen die
staatsexamen deden, in de tijd die er was even een stuk ontspanning te
geven. Ik bedoel niet een ontspanning in de zin van "het is nu klaar",
maar zodat ze zich nu echt konden focussen; de centraal examens klaar,
dus daar hoefden ze zich niet meer druk om te maken, in die zin dat ze
die niet meer hoefden te maken, zodat ze zich echt konden concentreren
op de schoolexamens. Dat is ook voor de leerlingen van de staatsexamens
een hele belangrijke stap geweest, want zij doen het ook nog eens een
keer in de omgekeerde volgorde, zoals u mogelijk weet, al heb ik gemerkt
dat er soms best nog wel heel veel gebrek aan kennis is — dat zeg ik
niet in uw richting, maar in zijn algemeenheid — als het gaat om hoe die
staatsexamens nu werken. Maar bij staatsexamens worden eerst de centraal
examens afgenomen, en die zouden vorige week op 7 mei begonnen zijn, en
aansluitend doen de leerlingen van de staatsexamens dan hun
schoolexamen. Dat is dus precies het omgekeerde van wat er in het
reguliere onderwijs gebeurt. En de start van de schoolexamens — of de
"college-examens" moet ik zeggen, want dat is de officiële naam daarvoor
— is op 25 mei, dus dat is nu al heel erg snel. Maar men hoopte dus in
de tijd vanaf half maart tot 25 mei, ondanks de beperkingen die er
waren, daarnaar toe te gaan werken. En ik zeg het hier met klem: er is
geen onderscheid gemaakt tussen de leerlingen die via de reguliere route
naar een diploma toe gingen en de leerlingen die via de staatsexamens
naar hetzelfde diploma toe gingen. Want dat is uiteindelijk wel het
doel; het zijn verschillende wegen, maar het doel is hetzelfde: we
willen dat ze een diploma krijgen, waardoor ze ook de volgende stap
kunnen maken.
Als ik zeg "we hebben geen verschil gemaakt", dan is er toch nog wel één
verschil, en die is in het voordeel van de leerlingen van de
staatsexamens: zij hebben meer mogelijkheden gekregen om te herkansen,
om als het niet goed zou gaan, extra herkansingen te hebben. Daar heeft
u als Kamer overigens ook een rol in gespeeld als het gaat om de omvang
daarvan. In de normale situatie, dus zeg maar de "niet-coronatijd",
hebben ze één mogelijkheid van herkansing. We hebben in deze bijzondere
tijd voor hen het volgende gezegd. En ik vind dat te rechtvaardigen,
zeker kijkend naar een groot deel van de doelgroep die gebruikmaakt van
de staatsexamens. Dat is best nog een heel gemêleerde groep, want daar
zitten inderdaad de thuiszitters bij, maar daar zitten ook leerlingen
uit het particulier onderwijs bij of mensen die zich daarvoor
inschrijven. Kortom, best een hele diverse groep. Maar met name ook
omdat een groot deel van de groep die eraan deelneemt, 5.000 van de
9.000 zoals u weet, ook uit het vso komt, hebben we gezegd: oké, we
vergroten het aantal herkansingen, en dan mogen ze ook alle onderdelen
van het college-examen die voor dat vak gelden, en bij sommige zijn dat
meerdere onderdelen, herkansen. Dat hebben we van een naar twee
vergroot. En nadat wij met elkaar twee weken geleden dat debat hebben
gehad, het debat waar de motie uit is voortgekomen, waar ik straks op
inga, heb ik op uw aandringen — en dat begreep ik ook — een ultieme
poging gedaan om dat naar drie op te hogen, en dat is gelukt. En nu is
er een vraag voor vier, daar kom ik straks op terug. Maar we hebben dus
wel geprobeerd om ook deze leerlingen in alles ter wille te zijn, omdat
we vanwege de doelgroep, vanwege de situaties, ook begrijpen dat dat
belangrijk is om te doen. Daarbij is er aansluitend voor het volgende
gezorgd. Toen dat begon, was dat al bekend, maar ik heb toen nog een
keer onderstreept hoe belangrijk dat is. Kijk, een staatsexamen is
eigenlijk al maatwerk, voor iedere leerling. Maar ik heb onderstreept
dat we juist in deze tijd ook zorgen dat dat maatwerk nog zorgvuldiger
wordt uitgevoerd dan anders, dus dat er persoonlijk contact wordt
gezocht met iedere leerling die een staatsexamen doet en dat er heel
specifiek wordt gekeken wat in die bepaalde omstandigheid, voor die
leerling — en ze zijn verschillend — de beste aanpak is, en wat
eventuele aanpassingen kunnen zijn; dus dat, als ze bijvoorbeeld een
mondeling examen moeten doen maar ze het toch liever opschrijven omdat
ze verbaal niet zo sterk zijn, dat ook tot de mogelijkheden behoort, en
dat daarbij dan overigens ook een laptop meegenomen kan worden. En dat
betreft ook de inzet van docenten.
De heer Kwint ging net iets te ver toen het erover ging dat dat ook
vanuit onze examenregelingen zou kunnen, maar de eigen docent kan daar
ook actiever bij betrokken worden. U heeft in de brief gezien dat ik dat
ook heb opgepakt en dat daar ook weer verdere invulling aan is gegeven.
Want het is ook wel heel fijn om daar met elkaar actief over na te
denken; je kunt het namelijk altijd hebben over wat er niet kan, maar
wat kan er wel? En er kon inderdaad ook meer, en ik denk dat er
aanvullend zelfs nog meer zou kunnen. Ik ga straks in op de hele
concrete vragen van de heer Van Meenen en de heer Rog. Maar wij hebben
ons dus maximaal gestretcht, in het belang van de leerlingen, dat altijd
vooropstaat. We hebben gekeken wat er wel en niet mogelijk was, en als
er extra dingen mogelijk waren, hebben we die ook gewoon gedaan. U weet
dat het mij stak toen in het overleg de heer Rog mij eigenlijk een
beetje neerzette — hij weet dat nog — als iemand die alleen maar met de
regels bezig was en volgens het systeem dacht. Ik heb daar toen
natuurlijk op gereageerd. Het is later toch nog een paar keer
teruggekomen. Voor mij is uiteindelijk bepalend geweest dat dit
leerlingen zijn die via een alternatieve route naar hetzelfde doel gaan,
namelijk een diploma dat hun recht geeft op en waarde heeft om de
overstap naar het vervolgonderwijs te maken. Dat waren inderdaad mijn
rode lijnen. Vanuit mijn stelselverantwoordelijkheid en mijn
verantwoordelijkheid voor de diploma's — ik vind dat een grote
verantwoordelijkheid, die zwaar drukt — was het uiteindelijk belangrijk
dat ook deze leerlingen dat diploma kunnen krijgen. Dat is ook denken in
het belang van de leerlingen. Ik kon en kan het niet voor mijn rekening
nemen dat hun diploma afwijkt van dat van de leerlingen die op een
andere manier naar datzelfde diploma zijn gegaan, dus dat daar een
verschil in zit en er ook twijfel is over de waarde van het diploma.
Want je zou dan echt een enorm palet aan verschillen krijgen, wat we ook
nog eens een keer moesten doen via de scholen, dus de scholen zouden
uiteindelijk mogen beslissen. Daar heb ik aan vast moeten houden, ook in
het belang van de leerlingen, omdat de waarde van het diploma voor hen
bepalend was. Dat was bij VMBO Maastricht, waar ik straks op zal
terugkomen, ook steeds de inzet en de rode lijn met betrekking tot wat
wel en niet kan. Het heeft er uiteindelijk toe geleid dat ik zei dat de
motie op deze manier niet kan. Ik snap de achterliggende gedachte, maar
het is ook niet in het belang van de leerlingen als we het op die manier
doen.
De heer Beertema (PVV):
Alle waardering voor het maatwerk dat de minister geleverd heeft als het
gaat om het reguliere voortgezet onderwijs, maar in die tijd waarin de
besluiten werden genomen, was toch ook al duidelijk dat het vso een
andere systematiek kent, en het bijvoorbeeld geen PTA's en
examenlicenties kent? Dan had op dat moment toch een belletje moeten
gaan rinkelen, zo van: hé, daar moeten we iets voor in de plaats
stellen? Ik denk bijvoorbeeld aan de fantastische suggestie van
GroenLinks om de opp's, de ontwikkelingsperspectiefplannen, mee te
nemen. GroenLinks komt hier nu mee, maar het is natuurlijk wel een idee
... O, sorry, het was mevrouw Van den Hul van de PvdA, excuses! Het gaat
mij om het tijdpad. Als de problemen op dat moment tegelijkertijd met de
problemen in het reguliere voortgezet onderwijs waren onderkend, had het
vso toch meteen meegenomen kunnen worden? Dan hadden we toch tijdwinst
gehad? Dat is eigenlijk mijn punt.
Minister Slob:
Dit is echt een enorme misvatting, even los van de opp's, waar ik straks
op terugkom. Die hebben overigens een ander doel, maar dit past wel in
het met elkaar nadenken over wat wel en niet kan. Hier geldt gewoon: we
hebben het besluit genomen. Dat besluit gold voor iedereen, of je nou
via de reguliere weg of de alternatieve route van de staatsexamens een
diploma wil halen. Al deze leerlingen hoeven geen centraal eindexamen te
doen. Daar kon dus gewoon een streep doorheen. Toen hebben we gezegd: we
gaan zorgen dat de schoolexamens — het equivalent van staatsexamens voor
schoolexamens zijn college-examens — afdoende zijn om uiteindelijk een
diploma te krijgen dat waarde heeft en waarmee men naar het
vervolgonderwijs kan. Voor allebei gold dus precies hetzelfde. Iedereen
was het er ook over eens dat het goed was. Het kreeg steun van de hele
onderwijssector. Daarna hebben we gekeken wat er nu nodig is om
aanpassingen te plegen en om te ondersteunen, dus om meer te doen dan in
normale situaties mogelijk is. Dat zat met name in de sfeer van de
herkansingen. Dat heb ik u net uitgelegd. Er is natuurlijk iets gebeurd
bij het regulier onderwijs, met de resultaatverbeteringstoetsen en de
ruimte die men had om het PTA nog iets aan te passen. Dat moest wel
langs de inspectie en instemming krijgen van de mr; u kent dat. Nou, dat
is overal goed gegaan, op één school na, denk ik, in ieder geval voor
zover we weten. We gaan ervan uit.
Voor de staatsexamens hebben we gezegd: dan moeten we zorgen dat er
daarvoor meer herkansingsmogelijkheden komen. In de hele discussie nadat
ik de brief heb gestuurd, is er enorm veel steun geweest voor deze
aanpak. Het enige punt van discussie kwam voort uit het punt van de
staatsexamens in het vso. Daaruit kwam het verzoek: kunnen er niet meer
herkansingen komen? Dat is echt vooral de discussie geweest, ook in het
schriftelijk overleg dat met de Kamer is gevoerd. Sommige fracties
hebben het niet in het schriftelijk overleg gevraagd maar even informeel
geïnformeerd, maar er is toen vooral gevraagd: we horen wel wat geluiden
dat het lastig is, dus gaat dit allemaal lukken? Ook dat zat vooral weer
in de sfeer van het aantal herkansingen.
Zelf heb ik in mijn positie ... Ik moet het even wat formeler zeggen:
het ministerie heeft ook een aantal vragen binnengekregen. Maar dat
waren geen vragen in de trant van: zet een streep door de
college-examens, ga nu via de school toetsen waarna de school een
diploma mag geven, en rond het op die manier af. Nee, die vragen zaten
allemaal in de sfeer van: kunnen er niet toch nog wat meer herkansingen
komen? Toen stond de teller trouwens nog op twee herkansingen. Daarna
hebben we het debat gehad. Toen zijn het drie herkansingen geworden.
Toen is dus een deel van de vragen ook alweer opgedroogd, omdat men zei:
nou, dat is reëel.
U moet zich ook even goed het volgende realiseren. Deze herkansingen
zijn er natuurlijk vooral de leerlingen die voor een diploma gaan. Daar
willen we ze in deze tijd bij helpen. De meeste leerlingen doen dat in
twee jaar. Ze doen dus in het eerste jaar de ene helft en in het tweede
jaar de andere helft. Dan ronden ze af. Een deel van de leerlingen doet
in één keer alle vakken, maar de meeste leerlingen maken gebruik van de
mogelijkheid om een paar vakken per jaar af te ronden. Sommige
leerlingen doen er zelfs meerdere jaren over. Kijk ook even naar het
aantal herkansingen dat werd aangeboden tot het moment dat we dit debat
begonnen. Stel, je zit op het vmbo, je doet zes vakken en je doet het in
twee jaar. Als je dan dit jaar drie vakken doet, krijg je nu dus drie
mogelijkheden om, als het niet lukt, daarvoor herkansingen te doen. En
je mag zelf kiezen welk vak, want dat gaan wij niet voor je bepalen.
Nou, dat vind ik echt wel ... Ik vind het te rechtvaardigen hoor, maar
ik vind deze mogelijkheid die we gecreëerd hebben, echt heel ruim. Dáár
ging de discussie over.
U weet dat ik, toen we dat debat hadden en die motie, die later nog een
keer is bijgesteld, werd ingediend, daar wel een beetje door werd
overvallen. Daar ben ik gewoon heel open over. Ik zag dat toen gewoon
niet op deze manier aankomen. Dat hoort erbij. Zo werkt dat, ook in de
verhouding tussen Kamer en kabinet. Zoals u weet, heb ik toen in een
korte schorsing ook nog contact gehad met LECSO. Dat zei direct al: wij
willen dat op deze manier niet. LECSO wilde echt vasthouden aan de
mogelijkheid van staatsexamens met herkansingen. LECSO was overigens ook
een van de partijen die graag nog wat meer herkansingen wilde. Daar zijn
ze ook altijd heel open en eerlijk over geweest.
Uiteindelijk heb ik u toen toegezegd om breder te gaan praten met het
onderwijsveld, want het was natuurlijk te kort dag om het even in zo'n
schorsing te doen. Ik heb toen toegezegd u daarover te informeren. Nou,
dat betreft de brief van zes kantjes die u gekregen heeft. Ik begrijp
dat die brief misschien is uitgelegd als: hij wil het niet. Maar ik heb
die brief echt als volgt ingestoken. Ik wil deze leerlingen vanuit mijn
verantwoordelijkheid een diploma geven dat waarde heeft en waarmee ze
naar het vervolgonderwijs kunnen. Daar hebben die leerlingen recht op en
dat is ook in het belang van die leerlingen. Op basis daarvan heb ik
toen moeten zeggen: ik kan deze motie niet op deze manier uitvoeren. Ik
vond dat vervelend, zeg ik ook weer in alle openheid. U kent mijn
achtergrond als Kamerlid. U weet ook hoe ik de afgelopen 2,5 jaar met u
ben omgegaan. Dit was de eerste keer dat ik een motie niet kon
uitvoeren.
Er zijn meer moties geweest die als een steen op mijn maag lagen toen u
die indiende. Dat betrof soms ook moties van de indieners van deze
motie. De heer Heerema heeft er ook zo eentje gehad, misschien zelfs wel
twee — nou, iedereen heeft de afgelopen 2,5 jaar zo z'n hoogtepunten
gehad op dit punt, denk ik. Maar uiteindelijk ben ik die moties wel gaan
uitvoeren. Zo hoort het namelijk in een democratie. Laat ik één
voorbeeld noemen: de rekentoets. U weet dat het mij niet ging om die
toets, maar om alles eromheen. Dat was niet mijn idee, maar laten we het
daar maar niet over hebben. Maar uiteindelijk heb ik die motie wel
uitgevoerd. Dat is nu zelfs met wetgeving allemaal verder geleid. Ik ben
daar duidelijk in geweest. Ik denk ook aan de experimenten. Zo zijn er
wel meer voorbeelden te noemen, maar laat ik het bij een paar
voorbeelden houden. Mijn houding is dus ook altijd: als het kan, voer ik
het uit. Ik ben democraat. Ik ben Kamerlid geweest. Ik weet hoe het
werkt. Maar goed, hiervan heb ik moeten zeggen: het kan niet. Ik ben om
die reden wel erg blij met de manier waarop de discussie tussen u en de
vragen aan mij in eerste termijn zich ontwikkelen. Het is inderdaad
altijd goed om duidelijkheid te geven. Het is vervelend als er op dit
punt te lang ruis op de lijn blijft ontstaan. We hebben ook allemaal
hetzelfde doel: we willen in het belang van de leerlingen zorgen dat
degenen die voor het diploma gaan dat goed kunnen afronden en dat ze dan
een diploma hebben dat net zo veel waarde heeft als het diploma dat de
leerlingen in het reguliere onderwijs krijgen.
De heer Van Meenen (D66):
Je kunt altijd zien dat de minister een geschiedenisleraar is. Dat heeft
positieve kanten, maar soms beginnen we bij wijze van spreken bij Adam
en Eva en gaan we eventjes naar het nu redeneren. Dat is soms heel
nuttig, maar het gaat denk ik een beetje voorbij aan de kern van
waarvoor we hier nu bij elkaar zijn. Er is ook nog wel het nodige op aan
te merken. Ik wil best beschrijven — maar daar ga ik nu geen energie in
steken — hoelang met name de heer Rog en ik hier al aandacht voor
gevraagd hebben, op alle mogelijke manieren. In die zin kon de motie
toch niet echt als een verrassing komen. Maar goed, dat laat ik nu maar
eventjes.
Het gaat mij om een heel ander punt, namelijk dat de minister zegt: ik
heb telkens met het veld gesproken. Is de minister het met mij eens dat
dat eigenlijk wel een wat gebrekkige vertegenwoordiging is? Kijk naar de
PO-Raad. Die heeft geen speciale afdeling voor het vso. Daar zit je
gewoon met de vertegenwoordiging van het hele brede p.o. te praten,
terwijl we het hier hebben over voortgezet speciaal onderwijs, maar
vooral dus voortgezet onderwijs. Kijk naar het LAKS. Het LAKS heeft niet
eens een statutaire bevoegdheid om over deze leerlingen te spreken. Er
is dus geen leerlingvertegenwoordiging. Kijk naar de ouders. Ouders
& Onderwijs praat toch in algemene termen over ouderbelangen,
terwijl hier heel specifieke belangen aan de orde zijn. Is de minister
het met mij eens dat het in alles wat we moeten bekijken rond het vso,
erg belangrijk is om te zorgen dat die vertegenwoordiging ook echt
representatief wordt?
Minister Slob:
Ik heb geen enkele reden om de positie van de organisaties die betrokken
zijn geweest bij de besluiten over de examens kleiner te maken. Dit zijn
in volle rechte vertegenwoordigende organisaties. Ik noem bijvoorbeeld
ook het LECSO. Dat wordt in de debatten over passend onderwijs heel vaak
gebruikt als de vertegenwoordiging van scholen en leerlingen met
betrekking tot de keuzes die daar gemaakt worden. Het LECSO is ook zeer
duidelijk betrokken geweest bij de keuze die ik heb gemaakt voor de
manier waarop we omgaan met de staatsexamens en de leerlingen die
daarbij horen. Ik werd gisteren nog aangesproken door iemand die
verantwoordelijk is voor de organisatie Bralectah, om even een ander
voorbeeld te geven, die heel duidelijk was: ga hiermee door. Ook van
leerlingen hebben wij op het ministerie een aantal reacties — niet veel
— gekregen. Er is contact met hen gezocht, er is met hen gesproken en er
is hun uitleg gegeven. Kortom, ook individuele opmerkingen van
leerlingen, docenten of scholen, die wel vertegenwoordigd waren, maar
toch een ander standpunt hadden, worden natuurlijk serieus
genomen.
Ik heb hier ook een stapeltje bij me van reacties van scholen die mijn
standpunt, om het maar even zo te zeggen, want ik vind helemaal niet dat
we in kampen moeten denken, ondersteunen. Zelfs de afgelopen week heb ik
die reacties nog gekregen. Zij spraken ook namens de docenten en de
leerlingen en zetten dat ook zwart-op-wit. Soms zeiden ze er zelfs bij:
dat mag u ook in het debat gebruiken. Maar dat gaan we allemaal niet zo
doen.
De eerste opmerking die u maakte, heeft u weleens vaker in debatten
gemaakt. Op het moment dat ik even een schets geef van waar we vandaan
komen en waar we nu staan, omdat dat relevant is met betrekking tot de
keuzes die we maken, wijst u mij op mijn achtergrond als historicus, en
dat is prima. Ik constateer wel dat u in uw bijdrage zelf ook bij maart
begon. Ik ben dus gewoon aangesloten bij waar u als wiskundige begon:
bij het besluit dat in maart genomen is. Ik ben dus ook niet verder
teruggegaan, want je kunt inderdaad terug naar de middeleeuwen als je
wilt. Dat heb ik heel bewust niet gedaan. Laten we er ook even voor
oppassen dat we elkaar niet zo snel in zo'n frame neerzetten. We hebben
hetzelfde doel. We zijn aan het nadenken over wat we moeten doen.
De heer Van Meenen (D66):
Over die geschiedenis en zo, dat laat ik even voor wat het is. Ik
begrijp wat de minister daarover zegt. Dat zal ik nooit meer doen.
Maar dan even het andere. Dat was helemaal niet bedoeld als kritiek. Ik
heb niet bedoeld te zeggen dat de minister naar de verkeerde mensen
heeft zitten luisteren of dat die mensen niet hun best hebben gedaan om
ook die doelgroep te vertegenwoordigen. Het gaat mij om de vraag of de
minister nu tevreden is met de vertegenwoordiging vanuit het vso zoals
die op dit moment is vormgegeven. Dat is toch niet optimaal? Dat is mijn
vraag. Het zou toch beter zijn als er wel een speciale
leerlingvertegenwoordiging zou zijn, en een speciale
oudervertegenwoordiging. Dat zou dan bij voorkeur vanuit het vo moeten
zijn, zeg ik dan mevrouw Van den Hul na. Ik wil dat het eindelijk eens
onderdeel wordt van het vo en dat er vandaaruit een vertegenwoordiging
van het veld kan komen. Is de minister dat niet met mij eens? Of zegt
hij: ik beschouw de situatie zoals die nu is, qua vertegenwoordiging in
het vo, als prima? Niks meer aan doen!
Minister Slob:
Voorzitter. Ik heb bij die vertegenwoordiging, met name als het om de
leerlingen gaat, inderdaad gemerkt dat er een soort lacune is. Als je
het gewoon even statutair bekijkt, dan vertegenwoordigt LAKS deze
leerlingen niet. Want, inderdaad, het vso valt onder het primair
onderwijs. Daar hebben we al vaker over gediscussieerd in het kader van
de cao's, maar dat is nu de feitelijke situatie. Overigens is het vso
ook zeer gemêleerd. Er zitten ook leerlingen tussen die helemaal niet
voor vervolgonderwijs of wat dan ook gaan. Die gaan voor dagbesteding of
die gaan voor de arbeidsmarkt. Het vso heeft echt heel verschillende
leerlingen. Daarom zijn die scholen ook zo verschillend. Er zijn scholen
waar juist de groepen dagbesteding en arbeidsmarkt heel erg
oververtegenwoordigd zijn en er zijn scholen waar juist degenen die naar
vervolgonderwijs gaan, meer vertegenwoordigd zijn. Het is dus een enorm
diverse groep. Het is inderdaad heel goed om dit onderdeel ook mee te
nemen. Ik kom straks nog even terug op vragen over de evaluatie en wat
we hier nu van leren. Ik zeg de heer Van Meenen toe dat we concreet naar
de vertegenwoordiging kijken. Ik vind overigens dat degenen die namens
Ouders & Onderwijs de ouders vertegenwoordigen, echt een veel
bredere club zijn. Er zit dus bij wel wat verschil tussen de leerlingen
en de ouders. Maar goed, dat pakken we inderdaad op.
Nog één opmerking over de motie die voor mij toch een beetje uit de
lucht kwam vallen. Ik heb zelf als allereerste inzet de discussie zo
opgevat dat die ging om de vraag: waar kunnen we op uit gaan komen? Waar
ik door verrast was, was dat er opeens werd gekozen voor de route "de
schoolexamens hoeven niet door te gaan, dus de mogelijkheid om te borgen
dat de eindtermen — die wettelijk verplicht zijn — ook voor deze
leerlingen worden afgetoetst, valt dan weg". Dat had ik gewoon niet aan
zien komen. Daar heb ik ook op gereageerd vanuit de verantwoordelijkheid
die ik daarvoor draag.
Voorzitter. Dat brengt me bij de opmerkingen die de heer Van Meenen,
gesteund door anderen, heeft gemaakt over de parallel met VMBO
Maastricht. Ik vind dat wel een hele interessante. Die was niet eerder
op tafel gekomen, maar u heeft gelijk. Twee jaar geleden — het is echt
nog niet zo heel lang geleden — waren wij ook met elkaar heel stevig
bezig rond een school waar het niet goed afgerond was. Daardoor moesten
we ingrijpen en nadenken over de vraag: wat doen we in het belang van
die leerlingen? Want die stonden daar ook centraal. De rode lijn die ik
nu trek dat de wettelijke verplichte eindtermen voor de schoolexamens en
de college-examens, zoals die hier genoemd worden maar die op hetzelfde
neerkomen, geborgd moeten zijn, stond daar ook centraal. En dat heeft
toen echt de steun van u allemaal gehad. Want we hadden het niet meer
over de centrale examens. Die waren al afgerond. We hadden het toen over
de schoolexamens die niet klopten. Dus in die zin is er een parallel te
maken en ben ik zeer consistent. Maar in het belang van de leerlingen!
Want ook toen hebben we gezegd: wij willen dat deze leerlingen ook een
waardevol diploma krijgen. Ik heb ze soms nog letterlijk voor ogen, al
is het alweer twee jaar geleden.
U zegt nu: toen hebben we iets gedaan in de tijd. Dat vind ik
interessant. Want, inderdaad, ik geef nu ook ruimte — in goede
samenspraak met — voor extra herkansingen. Die hebben ook een bepaalde
tijdsvolgorde. Begin september, de derde komt dan uiterlijk 1 oktober.
En u vraagt: kan er nog een vierde aan toegevoegd worden? Ik ben bereid
dat te doen. Ik ben bereid om degenen die voor het diploma gaan, een
vierde mogelijkheid te bieden. Ik ben ook wel gevoelig voor wat de heer
Futselaar zei: dat we alles ook weer niet te ver in de tijd moeten
doorschuiven. Dan zou ik zeggen: doe het in november; rond het dan in
november af. Maar ik ben bereid om ervoor te zorgen dat men dan dit
kalenderjaar de gelegenheid heeft om dat af te ronden. Een vierde
mogelijkheid, en men mag zelf kiezen welk vak, is er voor degenen die
voor het diploma gaan. Ik moet heel duidelijk zijn over de certificaten.
Daar kunnen we niet ook weer herkansingen voor gaan bieden. Dat is ook
in de afgelopen periode de discussie geweest. Ik heb dat ook de vorige
keer al uitgelegd. Dat is echt niet te doen, organisatorisch ook
niet.
Ik kom straks ook nog even terug bij de lessen die we moeten leren en de
toekomst, want dit bestel staat zwaar onder druk. Dus het is echt voor
de leerlingen die voor het diploma gaan. De leerlingen die via de
staatsexamens certificaten halen, hebben wel één groot voordeel ten
opzichte van de leerlingen die niet slagen in het reguliere onderwijs.
Daar vervallen de cijfers, voor hen blijven ze altijd staan. Dus als ze
nu bijvoorbeeld voor drie vakken gaan en ze halen er twee en de derde
niet, dan is dat natuurlijk best vervelend, maar dan mogen ze het
volgend jaar overdoen en die twee blijven staan, die mogen ze meenemen.
Dat verandert niet. Daar hadden ze al een voordeel, zeg maar.
De heer Van Meenen zegt: de groep is ook groter. Ja, dat klopt. Ik kan
hier ook niet alleen maar iets voor het vso doen. Dat is wel de grootste
groep van de 9.000 die de eindexamens doen. Als wij hier uitzonderingen
maken, toezeggingen doen en uitbreidingen geven voor herkansingen, dan
gelden die voor alle leerlingen, ook voor de thuiszitters, die zich
hebben ingeschreven voor de staatsexamens. Ook die mogen daar gebruik
van maken. Dat heb ik misschien niet zo heel helder gezegd de vorige
keer, maar dat was ook al de insteek bij de vorige herkansing. Dat geldt
ook voor deze vierde herkansing. Daar mogen ze gebruik van maken, ook de
leerlingen van het particulier onderwijs, wat misschien toch een iets
andere categorie is, maar ook die horen daarbij. Staatsexamen is
staatsexamen. Ik kan daar ook niet een onderscheid in gaan maken.
Dus dat is voor hen. Het maatwerk trekken we door, waar ik net ook al
iets over heb gezegd, ook richting deze herkansingen. Dat is belangrijk.
Ik hoop uiteraard ook dat we straks vrij snel een besluit kunnen gaan
nemen dat het voortgezet onderwijs weer deels open kan en dus ook het
voortgezet speciaal onderwijs, omdat we de leerlingen die in de
basisschoolleeftijd zitten nu ruimte hebben geboden, maar niet de
leerlingen die ouder zijn. Dan komt er natuurlijk ook wel weer ruimte om
extra te ondersteunen bij de herkansingen.
Ik vind het inderdaad ook belangrijk — dat hebben we toen geregeld bij
VMBO Maastricht — dat men naar het vervolgonderwijs kan als dat straks
gaat starten. Ik zeg u er wel bij dat het bij VMBO Maastricht redelijk
overzichtelijk was. Het was vmbo, de leerlingen gingen naar het mbo, er
was eigenlijk maar één mbo waar ze naartoe gingen en we hadden het snel
geregeld. Hier weten we natuurlijk nog niet precies om hoeveel
leerlingen het straks zal gaan. Dat zal moeten blijken. Maar ik ben ook
bereid om te zorgen dat deze leerlingen dan gewoon naar het
vervolgonderwijs kunnen als ze nog niet helemaal klaar zijn en misschien
ook van die derde of vierde herkansing gebruik gaan maken. Het enige
verschil is dan dat we het er bij VMBO Maastricht over hadden dat ze nog
even op twee scholen stonden ingeschreven. Dat hoeft hier niet, want zij
doen staatsexamen, dus ze gaan gewoon over naar een vervolgopleiding mbo
of hbo, of sommigen zelfs wo. We gaan gewoon ook regelen dat die
begeleiding dan daar ook weer maatwerk wordt, zoals alles bij de
staatsexamens maatwerk is.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks):
Ik heb een vraag over de certificaten, want daarover schrijft de
minister in de brief dat er voor leerlingen die opgaan voor certificaten
geen extra herkansingsmogelijkheden zijn. De minister zegt net een
vierde herkansingsmogelijkheid toe voor leerlingen die wel het
eindexamen maken. Ik snap die verhouding niet zo goed. Hoe kan het dat
er niet voldoende examinatoren zijn voor leerlingen die opgaan voor
certificaten, maar kennelijk wel genoeg examinatoren voor die vierde
herkansingsmogelijkheid? Daar is in de brief het een en ander over
gezegd, maar ik begrijp gewoon niet zo goed waarom die pool van
examinatoren kennelijk niet groot genoeg is.
Minister Slob:
We gaan die herkansingen in een bepaalde volgordelijkheid aanbieden. Na
herkansing één kan je als je wilt nog een tweede herkansing doen. Als je
bij herkansing één het vak niet gehaald hebt, kun je het misschien ook
nog een tweede keer proberen. Dat kan straks zelfs vier keer. Dat gaat
echt heel ver. Ik hoop dat u echt beseft dat dat heel ver gaat. Maar ik
heb ook de vorige keer uitgelegd dat het een enorm grote groep wordt van
degenen die mee gaan doen met de herkansing, wat logistiek echt niet te
doen is. Maar ook gewoon even kijkend naar deze situatie, wij willen dat
in deze tijd van coronacrisis leerlingen die voor een diploma gaan hun
diploma ook halen. Deze leerlingen gaan niet nu voor het diploma.
Natuurlijk is het vervelend als je iets niet gehaald hebt dat je graag
zou willen halen, maar dat kon anders ook niet. Dan kunt u zeggen dat ze
nu minder makkelijk hebben kunnen leren, maar u weet dat er ook in het
reguliere onderwijs heel veel beperkingen waren. Zij hebben gewoon in
het volgende jaar een extra mogelijkheid. Wat we uiteraard gaan doen —
maar dat heeft ook met evalueren te maken — is ervoor zorgen dat deze
leerlingen volgend jaar, als er misschien een wat grotere opgave voor ze
is, de steun en ondersteuning krijgen om uiteindelijk hun diploma wel te
halen. Want dat is natuurlijk onze inzet. De planning van de meesten was
denk ik ook volgend jaar. Misschien dat sommigen zelfs nog een
langeretermijnplanning hebben. We willen dat ze uiteindelijk die
eindstreep ook gaan halen. Maar nu focussen we ons op de groep die dat
diploma nu wil halen en voor wie er heel veel complicaties zijn. Dat
komt ook door deze situatie. Het kan ook niet anders en dat is ook het
primaire belang. Dat is onze inzet.
De voorzitter:
Mevrouw Westerveld heeft nog een vervolgvraag.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks):
Zegt de minister nu dat er onvoldoende examinatoren zijn, dus in
aantallen? Of is het logistiek niet te doen? Dat tweede zou je wellicht
deels kunnen oplossen door bijvoorbeeld meer digitaal te gaan
werken.
Minister Slob:
In de logistiek hoort gewoon dat er mensen beschikbaar moeten zijn en
dat die mensen getraind moeten zijn. Er moet ook nog ondersteuning bij
zijn. Ik heb aantallen gezien van wat dat allemaal zou gaan betekenen.
Het is gewoon niet te doen. Dat kunnen we gewoon niet waarmaken. Maar
ook even vanuit wat onze primaire, belangrijkste focus nu is: dat zijn
die leerlingen die een diploma zouden halen dit jaar, wat nu echt niet
lijkt te gaan gebeuren door alle omstandigheden. Daar willen we ons vol
voor inzetten. Daar gaan we dus ook alle capaciteit op inzetten.
Ik heb de vorige keer ook tegen u gezegd dat in een jaartje of acht tijd
het aantal staatsexamens met 70% is gegroeid. Het staat echt zwaar onder
druk. Ik vind het een megaprestatie. Ik ben de afgelopen twee jaar er
ook bij betrokken geweest. Ik ben bij trainingen van docenten geweest.
Ik vind dat er iedere keer een megaprestatie wordt geleverd door deze
mensen. Dat doen heel veel mensen op vrijwillige basis. Misschien
krijgen ze een reiskostenvergoeding. Dat zal waarschijnlijk wel. Het is
ook vaak in hun vakantie. U weet dat het in de vakantieperiode is. Het
zijn mensen met een groot hart voor deze leerlingen, die ook zo getraind
zijn dat ze deze leerlingen helpen uiteindelijk hun diploma te kunnen
halen. Uiteraard zijn er grenzen, want ze moeten natuurlijk wel getoetst
worden op de wettelijk verplichte eindtermen. We moeten ook even
opletten dat we deze mensen er ook wel bij blijven houden. Want er
ontstond een beetje het beeld dat die college-examens allemaal niet zo
nodig waren. Dan denken deze mensen bij wijze van spreken ook: dan hoef
ik me ook niet meer aan te melden. Nee, we hebben ze hartstikke hard
nodig. Ik hoop ook dat ze beschikbaar blijven. Ik heb ook begrepen dat
de inzet van hen is om nog een tandje erbij te doen met elkaar, om te
laten zien dat ze dit in deze tijd ook kunnen waarmaken.
U weet ook dat de meeste van deze college-examens voor het vso op de
vso-scholen worden afgenomen. Dat is een vertrouwde omgeving voor de
kinderen. Natuurlijk is er stress en spanning, ook vanwege de situatie,
maar met alle zorgvuldigheidseisen eromheen moet dat kunnen. Het is voor
hen zelfs heel belangrijk dat het op die manier in de vertrouwde
omgeving, met vertrouwde mensen erbij, kan gebeuren. Dus ik wil het
gewoon blijven doen conform de wijze waarop we het nu geregeld hebben.
Ik denk dat dat ook kan.
Er zijn een aantal suggesties door u gedaan om daar toch weer wat
verandering in aan te brengen, maar dat zou de wijze waarop we het nu
doen weer overhoop gooien. Sommige dingen wat minder ernstig dan andere,
maar ze zouden wel weer tot wijzigingen leiden, waar soms ook de
juridische basis voor moet worden aangepast. Dus laten we dat niet nu
allemaal overhoop gaan halen. Ik ben er echt van overtuigd, als we het
nu zo doen, met ook de aanvullingen zoals die door u als Kamer worden
gevraagd, dat we ons maximaal gestretcht hebben in het belang van de
leerlingen om hen verder te begeleiden om te zorgen dat ze naar het
vervolgonderwijs kunnen en zelfs dat ze al naar het vervolgonderwijs
kunnen als het diploma er nog niet is.
Dan nog weer even de vergelijking met VMBO Maastricht. U weet dat ik u
twee weken geleden een brief daarover heb gestuurd. Zo mooi om te zien
hoe men daar de zaak hersteld heeft en heel ver gekomen is. Dat hadden
we twee jaar geleden niet met elkaar kunnen bedenken. Het is nu wel
gebeurd. Uiteindelijk hebben de leerlingen daar, op een enkele
uitzondering na, allemaal hun diploma kunnen behalen. We hebben ze ook
gevolgd in het vervolgonderwijs. Ik heb geen signalen gekregen dat daar
problemen zijn ontstaan. Laten we hopen dat dat ook een afspiegeling is
van wat we straks ook dan met deze leerlingen gaan doen, want dat wensen
we hun natuurlijk van harte toe.
Voorzitter ...
De voorzitter:
Ik kijk even hoever u bent met dit deel.
Minister Slob:
Ik ben bijna klaar. Ik kijk nog even naar de vragen. Of wij zicht hebben
op leerlingen die door het hele gedoe, werd er geloof ik gevraagd, zijn
uitgevallen. Het is nog te vroeg om daar echt al percentages of
aantallen van te noemen. Wij hebben geen signalen dat leerlingen die
zich hebben aangemeld voor de staatsexamens, zich hebben teruggetrokken.
Het zou kunnen dat dat in een enkele situatie gebeurt, maar er zijn geen
signalen dat dat opeens heel veel gebeurt. Uiteindelijk is dat
natuurlijk ook een afweging die mensen moeten maken. Dan weten ze ook
dat ze volgend jaar weer een nieuwe kans krijgen. Als je je nu voor een
deelcertificaat hebt opgegeven, zou het dus kunnen dat je zegt: nou, ik
doe het toch liever volgend jaar. Dat is natuurlijk ook een te
respecteren afweging. We houden het in de gaten. Als ik u daar meer
harde gegevens over kan geven, zal ik dat uiteraard in uw richting
communiceren.
Zo'n startbewijs als doorstroomadvies — u voelt het al aan — voldoet
niet aan de rode lijn die ik geschetst heb en is ook niet in het belang
van de leerling. De route die wij nu met elkaar aan het verkennen zijn,
aangevuld met suggesties van u uit de Kamer die werkbaar zijn, is een
betere route.
De opp's hebben vooral als doel om de ondersteuningsbehoefte van
leerlingen in kaart te brengen en om optimaal bezig te zijn met de
aansluiting daarop, ook in vervolg op de begeleiding die de school
biedt. Die zijn heel breed bedoeld, want die zijn dus ook bedoeld voor
de leerlingen met de dagbesteding. Die zijn ook bedoeld voor de
leerlingen die naar de arbeidsmarkt gaan. Dus dit is niet bedoeld om
resultaten van leerlingen in beeld te brengen en dat is natuurlijk wat
we nodig hebben, willen we uiteindelijk een basis hebben voor een
doorstroomadvies.
De voorzitter:
Een vraag van mevrouw Van den Hul.
Minister Slob:
Mag ik hier nog één aansluitende opmerking bij maken? Ze zijn wel heel
werkbaar en dienstbaar om te zien welke ondersteuning leerlingen nodig
hebben, want daar geven ze juist inzicht in. Dat kan weer behulpzaam
zijn bij de wijze waarop het college-examen wordt afgenomen.
Mevrouw Van den Hul (PvdA):
Ik weet heel goed hoe die opp's bedoeld zijn. Daar ging mijn vraag
natuurlijk niet over. Dat weten we hier allemaal. De vraag was: zou je
kunnen kijken of die opp's naast hun primaire doel ook een bijvangst
kunnen opleveren en zou je daar het CvTE of de onderwijsinspectie naar
kunnen laten kijken? Want die opp's registreren wel degelijk
ontwikkeling en soms ook resultaten, en soms ook veel meer. Dat hangt af
van de school; die worden heel verschillend ingezet. Dus mijn vraag is
niet zozeer of het doel is daar een cijferlijst uit te toveren. Nee,
natuurlijk niet. We weten hier allemaal dat ze zo niet zijn ingericht.
Ons doel is om te kijken naar creatieve oplossingen om te zorgen dat je
een zo goed mogelijk beeld krijgt van wat het niveau is van de
leerlingen en van wat ze nodig hebben om uiteindelijk — ons gedeelde
doel hier — zo snel mogelijk met zo min mogelijk vertraging die stap
toch te zetten. Ik vind dat de minister nu wel heel makkelijk over de
suggestie heen stapt om daarnaar te kijken en om dat mee te nemen in het
totaalpakket om die leerlingen zo snel mogelijk weer op weg te
helpen.
Minister Slob:
Mijn laatste zin was juist een bijdrage om dit onderdeel mee te nemen in
het totaalpakket, maar dan in het kader van de begeleiding van de
leerlingen. Het kan niet de vervanging zijn van de college-examens. Daar
moet ik gewoon helder over zijn. Zo heeft u het denk ik ook niet
bedoeld, want dat kan niet. Daar moet ik helder in zijn. Als scholen in
beeld hebben gebracht wie de leerlingen zijn, wat ze kunnen en wat voor
ondersteuning ze nodig hebben — ik sluit ook niet uit dat sommige
misschien ook resultaten erbij geboekt hebben, maar dat is niet het
primaire doel van de opp's — dan kunnen ze inderdaad een heel nuttige
functie vervullen bij de stappen die we vanaf 25 mei met ze gaan zetten.
In dat opzicht vind ik dat inderdaad waardevol en zal ik dat onder de
aandacht brengen van degenen die de toetsen straks gaan afnemen, waar de
scholen ook bij betrokken zijn. Ik ga er ook van uit dat de scholen dit
ook mee zullen nemen, want ze krijgen er zelfs een rol in, zoals u
weet.
Mevrouw Van den Hul (PvdA):
Mijn vraag was nog wat breder dan die opp's zelf. Mijn vraag ging ook
over de mogelijke rol daarbinnen van het CvTE dan wel de
onderwijsinspectie. Zou de minister daar nog iets meer over kunnen
zeggen? Hoe ziet hij hun rol specifiek in het traject dat hij vanaf nu
schetst?
Minister Slob:
Het CvTE heeft natuurlijk een grote verantwoordelijkheid voor de
staatsexamens en de wijze waarop die worden afgerond. De inspectie kijkt
uiteindelijk of voldaan wordt aan de eisen die we daaraan stellen en
houdt daar toezicht op. Op dit hele specifieke punt heeft de inspectie
dus geen rol. Maar u weet dat er trainingen plaatsvinden en de docenten
er een positie in krijgen, ook onder de verantwoordelijkheid van het
CvTE. Ik zal hen inderdaad wijzen op deze documenten, die een rol kunnen
gaan krijgen in de afspraken die we al met ze gemaakt hebben. Er moet
maatwerk geboden worden. Eigenlijk is "staatsexamen" een synoniem voor
maatwerk, maar dat moet nog veel specifieker met betrekking tot de wijze
waarop het afgenomen gaat worden.
Voorzitter. Dan was er nog de vraag van mevrouw Westerveld of we weten
hoeveel vso-scholen in hun toetsen al de volledige eindtermen hebben
afgedekt, om maar even een term te gebruiken die volgens mij een keer in
een brief heeft gestaan. We hebben daar geen exacte percentages van,
maar wij weten — daar hebben we de inspectie op bevraagd, want die kijkt
daar natuurlijk ook naar — dat het overgrote deel van de scholen dat
niet op deze wijze heeft gedaan. Dat heeft soms ook te maken met het
feit dat ze geen PTA hebben of op een andere manier getoetst hebben. Dat
gaat soms niet eens met cijfers, zoals u weet. Kortom, er is een enorme
diversiteit in het hele vso. Dat is ook identiek aan de manier waarop
het vso is ingericht, met die verschillende uitstroomprofielen. Die
zitten soms bij elkaar — dan zijn er een paar leerlingen die wel voor
het staatsexamen gaan, maar zitten er ook een paar klasgenoten bij die
dat niet doen — en soms zitten ze wel in gelijke klassen. Alleen daarom
al was de route die eerst werd voorgesteld, om het via de scholen te
gaan afronden, niet werkbaar, nog even los van het hele praktische punt
dat daarvoor echt de wet moest worden veranderd. Dat kun je natuurlijk
best met spoed doen, maar dat hadden we nooit voor 25 mei geregeld. Dat
was dus al een complicerende factor om daarin mee te gaan. We gaan
straks natuurlijk heel goed monitoren en evalueren wat daar gebeurd is.
Als ik op dit punt meer informatie heb, als ik daar cijfers over kan
melden, beloof ik u dat we die met u zullen delen. Dat heb ik ook aan
mevrouw Van den Hul gemeld met betrekking tot de vragen die zij
stelde.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks):
Inzicht in die cijfers is natuurlijk handig, maar mijn vraag is: zou er
voor deze kinderen niet toch een uitzondering gemaakt kunnen worden? Ik
kreeg bijvoorbeeld een bericht van de moeder van een leerling die op het
voortgezet speciaal onderwijs zit, maar die dezelfde schoolexamens heeft
gemaakt als leerlingen op het vmbo. Zo zullen er wellicht ook leerlingen
zijn die schoolexamens hebben gemaakt op de havo of het vwo. Omdat deze
leerlingen op het vso zitten, zijn ze nu niet geslaagd, terwijl
leeftijdsgenoten op bijvoorbeeld vmbo-scholen wel geslaagd zijn. Ik zou
de minister willen vragen: is daar nou geen maatwerk nodig? Laten we wel
wezen: dit zijn dus leerlingen die eigenlijk kunnen aantonen dat ze wel
aan de vereisten voldoen, maar omdat ze op een vso-school zitten, halen
zij toch niet hun examen. Ik wil de minister vragen of er maatwerk
mogelijk is, juist voor deze leerlingen.
Minister Slob:
Hoe begrijpelijk dit misschien ook klinkt, dat is toch niet mogelijk.
Allereerst weten we niet eens precies hoe groot deze groep is. U heeft
nu één voorbeeld. Dat zal ongetwijfeld kloppen. Er zullen misschien nog
een paar leerlingen bij komen. Maar dan gaan we deze leerlingen dus uit
het grotere geheel halen en een andere wijze van diplomering voor hen
regelen. U weet dat dat echt tegen grenzen aan loopt. En we moeten er
dus ook nog de wet voor wijzigen. Dat klinkt heel formalistisch; dat
begrijp ik heel goed. Maar we willen dat ze een diploma krijgen dat ook
dezelfde juridische en civiele waarde heeft. Dat kunnen we hun dan niet
garanderen. Het tweede is: op het moment dat zij al zo getraind zijn,
hun eindtermen al zo verinnerlijkt hebben en al hebben laten zien dat ze
het kunnen, zal de kans dat zij straks gewoon hun college-examens gaan
halen waarschijnlijk heel erg groot zijn. Waarschijnlijk is dit de groep
die niet eens gebruik hoeft te maken van de herkansingen. Het lijkt in
hun belang om ze anders te behandelen, maar ze anders behandelen heeft
ook gevolgen voor hun diploma. Dat moeten we ze niet aandoen. Dat is
niet in hun belang. Ik vind dat we ze dat ook kunnen uitleggen.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks):
Volgens mij zeg ik juist: behandel deze leerlingen dan hetzelfde als
leerlingen in het regulier voortgezet onderwijs. Dat is eigenlijk mijn
oproep.
Minister Slob:
Maar zij zitten niet in het reguliere onderwijs. Ze zijn dus naar het
vso gegaan, waar ze zich hebben ingeschreven voor de alternatieve route.
En daar maken ze nu onderdeel van uit. In die alternatieve route hebben
we uiteindelijk wel hetzelfde doel, namelijk dat ze hun diploma halen.
Ik kan me ook voorstellen dat er leerlingen zijn die nu in de reguliere
route zitten die kijken naar wat er nu bijvoorbeeld gebeurt bij de
staatsexamens en die kijken naar de leerlingen uit het particuliere
onderwijs en zeggen: wacht even, dat zou ik ook wel willen. Hier moeten
we gewoon heel duidelijk in zijn: dit is de ene route, en daar gelden
deze regels, met hetzelfde doel, en dat is de alternatieve route, maar
uiteindelijk wel met hetzelfde doel. Dan gaan we heel straight iedere
leerling — dat heeft ook met rechtsgelijkheid te maken — op dezelfde
manier behandelen. Als je daaraan gaat trekken, gaat het echt glijden;
dan kom je op een glijbaan terecht.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks):
Nog een laatste opmerking. Ik snap echt wel wat de minister zegt. Maar
ik heb er problemen mee dat we met elkaar constateren dat er een enorme
verscheidenheid is in het vso, maar dat we nu toch zeggen: we gaan al
die leerlingen in het vso op dezelfde manier behandelen. Dat verschilt
wel ten opzichte van het reguliere voortgezet onderwijs. Ik heb er
moeite mee dat een aantal van deze leerlingen die net zoals leerlingen
in het voortgezet onderwijs kunnen aantonen dat ze aan de vereiste
kwalificaties voldoen om een diploma te halen, toch anders behandeld
gaan worden omdat ze op het voortgezet speciaal onderwijs zitten.
Minister Slob:
Ik snap deze opmerkingen helemaal, want dit is inderdaad een hele
bijzondere situatie. Het vso is dat sowieso. Er werd gezegd dat we het
daar nog eens verder met elkaar over moeten hebben. Zeker. Daar ben ik
het helemaal mee eens, want het is een hele gemêleerde groep die daar
zit. Maar ze zitten wel op het vso, op een school die niet zelf de
schoolexaminering voor zijn rekening neemt. Ze kiezen dus voor die
alternatieve route van de staatsexamens. Dat is een keuze die ze maken.
Ik ben altijd bereid om in de toekomst nog eens met elkaar te gaan
discussiëren, zeker over deze categorie leerlingen die op het vso zit,
over de vraag of daar niet ook andere modaliteiten te bedenken zijn. Ik
denk dat het misschien zelfs wel mogelijk zou moeten zijn, maar dat
moeten we wel zorgvuldig doen. Maar ik denk dat het niet zorgvuldig is
om dat nu even in deze situatie te doen voor een enkele leerling.
Nogmaals, ik heb er alle begrip voor dat die vragen zijn gekomen. Ik
snap dat ook wel, maar we moeten ze volgens mij uitleggen dat het op dit
moment, in deze fase, niet werkbaar is. Maar we moeten het wel gebruiken
als een duidelijk punt voor vervolggesprekken om, als we hopelijk weer
in wat rustigere tijden zitten, dit nog eens even heel goed tegen het
licht te houden. Maar op dit moment zijn ze er niet mee gediend. We
kunnen het gewoon niet voor hen waarmaken. Dan moeten we, denk ik, ook
heel duidelijk naar hen zijn.
Voorzitter. Over het leerlingenvervoer zullen we u uiteraard berichten
als daar weer dingen over te melden zijn. Daar vroeg mevrouw Westerveld
naar.
Dan heb ik de vragen gehad die bij het eerste blok horen. Dan wil ik
naar het protocol gaan.
De voorzitter:
Ik kijk eventjes of alle vragen met betrekking tot de eerste motie zijn
beantwoord. Ja. Dan gaan we door.
Minister Slob:
Voorzitter. Ik kom op het protocol.
De voorzitter:
Nee, mevrouw Westerveld nog.
Minister Slob:
O, sorry.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks):
Wellicht heb ik het antwoord gemist, maar ik vroeg me nog af of er meer
digitaal gedaan kan worden, juist in het belang van de veiligheid van
leerlingen.
Minister Slob:
Ik heb over digitaal al iets gezegd. Men zou wel gewoon contact moeten
hebben. Dat is juist in het belang van deze leerlingen, omdat de
examinatoren en hun eigen docenten juist degenen zijn die hen kunnen
helpen, ook met de vragen die ze stellen en eventueel mogen opschrijven,
om uiteindelijk hun diploma te behalen. Er mag dan gebruik worden
gemaakt van digitale hulpmiddelen, maar het is niet de bedoeling dat ze
het op afstand gaan doen. Dus het is echt belangrijk. Juist dat contact
tussen examinatoren, eigen docenten en de leerling is medebepalend voor
de mogelijkheid om het uiteindelijk te kunnen afsluiten. Dat hoort bij
het maatwerk dat deze leerlingen krijgen.
Voorzitter. Dan het protocol.
De voorzitter:
Excuses. Ik ben even naar de klok aan het kijken. We komen nu pas aan
bij het tweede onderdeel van dit debat, over het protocol.
Minister Slob:
Dat kan ik vrij snel doen.
De voorzitter:
Ik was al even een beetje aan het overleggen met de leden of er behoefte
is aan een tweede termijn, want dan kan ik inschatten hoe we verdergaan.
Ik kan ook hierbij het voorstel doen dat u alle ruimte krijgt om nu, in
de eerste termijn, de interrupties te plegen. Dan is er misschien geen
behoefte meer aan een tweede termijn.
De heer Van Meenen (D66):
Ter voorkoming wellicht van een tweede termijn zou ik één vraag willen
stellen, en dat is de volgende. Ik ben heel blij met de woorden van de
minister. We hebben een aantal vragen gesteld en een aantal suggesties
gedaan om het Maastrichtscenario te volgen. Ik zou eigenlijk willen
constateren dat dat ook gaat gebeuren. Ik noem ze voor de zekerheid nog
een keer op, als u het goed vindt. Er komen vier
herkansingsmogelijkheden, die doorlopen tot 1 januari. Die extra
mogelijkheden gelden voor alle leerlingen die opgaan voor de
staatsexamens, dus ook voor de thuiszittende leerlingen. De leerlingen
krijgen onbeperkte toegang tot vervolgopleidingen, ongeacht of ze dan
hun diploma hebben en zonder nadere selectie-eisen. En, net als bij
Maastricht, bieden de opleidingen ruimte om tekortkomingen in te halen
en ondersteuning te bieden. Op maximale flexibiliteit en maatwerk in de
vormgeving van het examen, indien gewenst ook schriftelijk, is de
minister uitgebreid ingegaan. En ten slotte maximale aandacht voor extra
onderwijs, ondersteuning en voorbereiding op die examens. Dat zijn
volgens mij de conclusies die we nu mogen trekken. Als dat zo is, heb ik
geen behoefte aan een tweede termijn, en ook niet aan een motie om dat
daarin nog eens een keer vast te leggen. Dus als de minister dat kan
bevestigen, dan zijn we wat dat betreft, op dit punt, wat mij betreft
klaar.
Minister Slob:
Ik kan dat bevestigen. Voor de leerlingen die voor een diploma gaan,
zijn dit de aanvullende mogelijkheden die wij bieden. Het zal best nog
wel een hele klus zijn om dit uit te voeren, maar we gaan ons er
maximaal voor inzetten dat dit gaat slagen, met al die mensen die in de
praktijk een onderdeel hiervan zijn.
De heer Van Meenen (D66):
Misschien dan ten slotte, voorzitter. Hoewel er veel belangstelling is,
heeft niet iedereen dit kunnen meemaken. Ik ga er dus van uit dat de
minister heel snel iedereen die er maar toe doet en er belang bij heeft,
daarover zal informeren.
Minister Slob:
Dat spreekt voor zich, want we willen voor iedereen optimaal duidelijk
zijn. En als we aanvullingen hebben op de al uitgezette lijn,
aanvullingen die ook weer dienstbaar kunnen zijn voor een goed vervolg,
dan moet men daar ook zo snel mogelijk over worden geïnformeerd.
Voorzitter. Als we het hebben over goed informeren — dat is een mooi
bruggetje — …
De voorzitter:
Voordat u verdergaat, heeft de heer Beertema nog een vraag.
De heer Beertema (PVV):
Ik heb waardering voor de woorden van collega Van Meenen van D66. Ik heb
nog wel één vraag. De minister heeft het een en ander gezegd over
leerlingen die alleen deelexamens doen. Is dat nou uitputtend behandeld
door de minister? Zijn alle mogelijkheden die er zijn, bekeken en blijft
het hierbij?
Minister Slob:
Ik kan dat laatste bevestigen. Het blijft hierbij. Nogmaals: ze mogen de
certificaten die ze wél halen, meenemen naar het volgende jaar. Daarbij
zeg ik toe dat we heel specifiek met de scholen contact zullen hebben
als deze leerlingen misschien nog wat extra steun nodig hebben,
bijvoorbeeld omdat er nog een certificaat meer moet worden behaald dan
in de oorspronkelijke planning het geval was. Daar zetten we ons dan
natuurlijk met elkaar voor in. Dan is het niet dit jaar, maar volgend
jaar. We hopen dan ook echt dat de planning ongehinderd tot de uitkomst
kan leiden dat er een mooi diploma is, waar ze mee verder kunnen.
Voorzitter. Er is echt een misverstand, in ieder geval bij de heer
Futselaar, over de motie van de heer Rog met betrekking tot het
protocol. Hij meent dat die motie niet uitgevoerd is. Ik heb in het
debat de motie inderdaad ontraden, maar niet met de achterliggende
gedachte dat ik het niet belangrijk zou vinden dat ouders, scholen en
iedereen die erbij betrokken is, geïnformeerd zijn over wat je moet doen
als er een besmetting is of over hoe het zit met inenten, eh —
"inenten"; moet je mij horen — met testen of over wat er gebeurt als er
een aantal klachten is in een klas of school en hoe je daarmee moet
omgaan. Nee, het is heel erg belangrijk dat daar duidelijkheid over is.
Ik heb aangegeven dat het RIVM toen ook bezig was om dat op papier te
zetten. Ik heb bevorderd — u hebt dat in de brief van vandaag kunnen
lezen — dat dat snel is afgerond en dat de communicatie daarover
richting de scholen via alle kanalen die daarvoor openstaan — dat zijn
er vele, onder andere ook de raden — zou plaatsvinden om de scholen
daarover te informeren.
De heer Rog zegt: kom met één protocol. Er is één protocol. Dit zit ook
in het protocol, met een duidelijke doorverwijzing, zoals die in
verschillende protocollen zit, naar de verdere uitwerkingen daarvan die
precies en heel concreet zeggen wat er moet gebeuren op het moment dat
iets plaatsvindt. Laten we daar heel duidelijk over zijn. U hebt het in
de brief kunnen lezen: er kan sprake zijn van een coronabesmetting bij
iemand in de school of in de nabije omgeving van de school. Denk
bijvoorbeeld aan een ouder van een kind of een partner van een
leerkracht. Dan komt de GGD direct in actie en wordt er direct bron- en
contactonderzoek gedaan. Daar is geen enkele twijfel over. In een klas
kan een aantal leerlingen bijvoorbeeld opeens een beetje grieperig
worden, een beetje ziek zijn. Dat is ook opgenomen in het protocol. Bij
drie leerlingen wordt er een melding gedaan aan de GGD. De GGD komt naar
de school en zal onderzoeken wat daar aan de hand is. De GGD zal dan,
als dat nodig is, ook bron- en contactonderzoek laten doen. Dat aantal
van drie is gelijk aan wat bij andere virussen de protocollen zijn over
wanneer de GGD op meldingen gaat reageren. Als er een hele indringende
melding komt en het er twee zijn, zal men echt niet zeggen: we wachten
nog even op de derde. Als een school immers indringend zegt "wij willen
dat er gesproken wordt", ga ik ervan uit dat die flexibiliteit er gewoon
is. Maar dit is wel zoals het in de protocollen vermeld staat. Bij
coronabesmettingen — daar is geen enkele twijfel over — wordt er direct
actie ondernomen en bron- en contactonderzoek gedaan. Er kunnen ook
twijfels zijn, omdat er toch ineens een paar leerlingen meer ziek zijn
dan normaal en men zich afvraagt: is hier wat aan de hand? Dat kan in de
klas zijn of breder. Dan wordt daar melding van gedaan en komt de GGD
direct in beweging. Dat is echt onderdeel van dat ene protocol.
De heer Rog noemde voorbeelden waarbij sommigen niet precies wisten wat
erin stond. Dat kan natuurlijk weleens een keer gebeuren en dat is
vervelend, want het moet wel scherp op het netvlies staan. Hij zei ook
dat sommigen nog met een oude versie werkten. Het is een levend
document; dat geldt voor alle protocollen in alle sectoren. De nieuwe
versies worden steeds als ze ververst worden ook weer gecommuniceerd. Op
rijksoverheid.nl staat altijd de meest recente versie van de
protocollen. Het klopt dat er in de loop van de tijd een paar
veranderingen zijn doorgevoerd. Ik heb in het vorige debat er één
genoemd, namelijk dat er eerst nog met een gel moest worden gewerkt in
het onderwijs. Daarvan zeiden we: dat is niet zo erg handig, want die
kinderen steken de vingers in de mond; dat moet op een andere manier
gebeuren. Op die wijze vinden er dus af en toe aanpassingen plaats. Maar
in het hoofdprotocol zit dit ook, met een hele duidelijke doorverwijzing
naar de verdere uiteenzettingen. Die vallen onder verantwoordelijkheid
van het RIVM, omdat het om gezondheidszaken gaat. Zo hebben we het
georganiseerd en zo wordt het gecommuniceerd.
Voorzitter, ik maak daar nog één opmerking bij, want ik zie dat u mij
het woord wilt ontnemen. We hebben in de afgelopen tijd natuurlijk ook
gevolgd welke vragen er nu worden gesteld. Hoe gaat het nu in de eerste
dagen dat we hiermee bezig zijn? Het signaal dat van verschillende
kanten komt — en dat wordt ook gemonitord door onder andere de AVS, die
daar een uitstekend systeem voor heeft en heel snel informatie heeft van
heel veel scholen — is dat de opstart, fysiek en ook met de protocollen,
op de scholen goed verloopt en dat de hygiënemaatregelen goed worden
nagevolgd. De protocollen zijn daar uiteraard zeer dienstbaar in geweest
en zullen dat ook moeten blijven.
De voorzitter:
Ik wilde u niet het woord ontnemen, maar de leden het woord geven. Eerst
is de heer Futselaar, dan de heer Beertema en dan de heer Rog.
De heer Futselaar (SP):
Dank voor de reactie. Even voor mijn begrip. Stel, ik ben
basisschooldirecteur en in een klas van mij is er inderdaad een aantal
kinderen dat corona krijgt. Dat gaat gebeuren; we weten bijna zeker dat
die casussen er gaan komen. De Telegraaf staat bij mij voor de deur en
Hart van Nederland wil het gebouw van een afstand filmen. Ouders vragen:
gaat u de klas naar huis sturen? Biedt het protocol mij nou
duidelijkheid? Dat staat los van de vraag wie er getest gaat worden,
want dat is helder, en ook van de vraag of er contactonderzoek wordt
gedaan. Maar ga ik bijvoorbeeld tegen die hele klas zeggen: blijf maar
een paar dagen thuis? Biedt het protocol daar duidelijkheid voor? Ik
denk namelijk dat dat de gewetensvragen zijn waar straks in het veld mee
geworsteld gaat worden.
Minister Slob:
Dan is het gewoon heel belangrijk dat, zoals het protocol voorschrijft,
de GGD direct in actie komt. De GGD moet dan in overleg met de school
kijken naar de specifieke situatie en geeft advies over de acties die
ondernomen moeten worden in het belang van de gezondheid. Dat spreekt
voor zich, want er kunnen heel veel verschillende soorten situaties
zijn. Er zijn natuurlijk verschillen. Iemand kan op grote afstand van de
school staan, maar wel op de een of andere manier een relatie met de
school hebben. Men zal dus heel nadrukkelijk en heel specifiek naar de
omstandigheden moeten kijken om te zien wat er nodig is en welke acties
ondernomen moeten worden. Dat moet in samenspraak. Een school kan dat
niet zomaar zelf beslissen. Dat moet in samenspraak met degenen die daar
de medische kennis voor hebben en die de adviezen kunnen geven.
De heer Futselaar (SP):
Samenspraak is mooi, maar uiteindelijk zal iemand moeten beslissen. Wat
je absoluut wilt voorkomen, is dat de school zegt dat ze geen duidelijk
advies van de GGD hebben gekregen en dat de GGD zegt dat het besluit bij
de school ligt, waardoor uiteindelijk niemand iets doet of waardoor ze
naar elkaar wijzen.
Minister Slob:
Nee, het gaat hier echt om de gezondheid. Als de GGD zegt dat er iets
moet gebeuren, dan moet men dat ook opvolgen. Dat spreekt voor zich.
Alleen, wij kunnen niet alle situaties die zich mogelijk gaan voordoen —
laten we oprecht hopen dat het niet gebeurt, maar je kunt het niet
uitsluiten; dat zeg ik u na — al op voorhand beschrijven. Daarom is het
zo belangrijk dat in het protocol heel duidelijk de verbinding wordt
gemaakt met de protocollen die horen bij de medisch deskundigen en dat
er direct actie wordt ondernomen in de situaties waar het nodig is. Het
protocol geeft natuurlijk een beschrijving van wanneer dat is en dan
moet men ook gelijk to the point ingrijpen. Dat geldt niet alleen voor
deze sector, maar voor alle sectoren waarvoor nu protocollen zijn en
waar zich mogelijk situaties als deze kunnen voordoen.
De heer Futselaar (SP):
Dat is helder. De minister heeft gezegd: de GGD is leidend. Dat is nu
dus gewoon de praktijk, voor zover dat het nog niet was, maar mij was
het nog niet helemaal duidelijk. Ik heb nog een andere vraag over het
verschil tussen praktijk en theorie. We hebben een document gekregen van
het RIVM over testen in het basisonderwijs, met een stappenplan van vijf
stappen van wat je moet doen om te testen. Maar ik heb hier iets uit de
praktijk van een school. Dat heeft negen stappen. Dat zegt al iets over
wat het probleem is. Als een medewerker COVID-19 zou hebben, is stap één
dat hij na minimaal 24 uur ziekteverschijnselen die passend zijn,
overleg heeft met zijn leidinggevende. Stap twee is dat de
leidinggevende contact opneemt met P&O. Stap drie is dat P&O een
afspraak maakt met de bedrijfsarts en een telefonische afspraak inplant
voor de medewerker. De bedrijfsarts legt het langs de lijnen van het
RIVM. Dan wordt er door de bedrijfsarts een afspraak gemaakt met de GGD
in de regio. Dan wordt er uiteindelijk getest. Die test gaat weer naar
de bedrijfsarts en de bedrijfsarts meldt dat vervolgens aan de
leidinggevende. Mijn punt is: het is best bureaucratisch als je zegt dat
iedereen die getest moet worden, naar de bedrijfsarts kan stappen, maar
zo'n school er in de praktijk dan twee lagen tussen zet. Ik vraag de
minister niet om al die dingen af te lopen, maar dit zegt wel iets over
de verwarring die hier en daar misschien nog in het veld is.
Minister Slob:
Je kunt nooit helemaal voorkomen dat er misschien soms wat
onduidelijkheid is over hoe het nou in de praktijk moet worden
toegepast. Het is ook een hele nieuwe situatie waarin we terecht zijn
gekomen. Maar laat ik heel duidelijk zijn over die testen. U weet dat er
in het vorige debat zorgen waren over of er wel voldoende testen waren.
Ik heb dat toen gegarandeerd. Dat was ook wat ik van VWS gehoord had.
Dat is ook gewoon uitgekomen. Het is gegarandeerd. Sterker nog, ruim
voordat de scholen gingen starten, kon er al gebruik van worden
gemaakt.
Het is ook heel duidelijk wanneer je van een test gebruik mag maken. Het
heeft helemaal geen zin om die test te gaan gebruiken als mensen nog
geen klachten hebben, want dan kun je het de dag erna weer doen. Die
uitslag zegt helemaal niets. Op het moment dat je 24 uur klachten hebt,
kun en moet je je laten testen. Dat is zeer verstandig. Het is inderdaad
belangrijk om dat niet te bureaucratisch te organiseren, dus geef het
voorbeeld nog maar even aan ons mee, zodat we daar ook even gericht naar
kunnen kijken. We moeten er met degenen die de scholen adviseren hoe ze
daarmee om moeten gaan, voor zorgen dat het gewoon eenduidig is. Dat is
inderdaad heel erg belangrijk.
De heer Beertema (PVV):
Dat waren goede vragen van collega Futselaar van de SP. Het waren ook
mijn vragen, maar ik heb nog eventjes een aanvulling. Ik heb me verbaasd
over het aantal van drie leerlingen die ziekteverschijnselen zouden
hebben. De minister nuanceert dat wat door te zeggen: goed, als het er
twee zijn, kan de school ook actie ondernemen. Ik ben bang dat de meeste
scholen zich heel erg nauw aan het protocol zullen houden en zullen
wachten tot het om drie leerlingen gaat. Ik vind drie leerlingen veel.
Kan dat niet gewoon één leerling worden? Het uitgangspunt is tenslotte
dat die leerlingen thuisblijven als ze ziekteverschijnselen hebben. Ze
zitten nu toch al op school, althans die ene leerling. Ik denk dat het
goed zou zijn om dan onmiddellijk in te grijpen. Wat vindt de minister
daarvan?
Minister Slob:
Op zich zijn dit vragen die ik wel begrijp. Ik denk dat het in dit
opzicht heel belangrijk is om te zeggen dat het aantal van drie niet
door ons als politici wordt bedacht. De medische deskundigen geven dit
aan. Het is breder dan dit virus. Er zijn er natuurlijk meer die soms
ook heel ernstig kunnen zijn. Als er klachten zijn, als bijvoorbeeld
drie kinderen in een klas opeens de griep krijgen en je twijfels hebt,
dan staat de weg open om naar de GGD te gaan. De GGD is dan ook
verplicht om in actie te komen, onderzoek te doen en, als het nodig is,
zelfs bron- en contactonderzoek. Daar hebben we afspraken over gemaakt.
Dat is volgens de medisch deskundigen de goede weg om hierop te
reageren. Vier, twee of een, alles kan natuurlijk! Maar dit is wat zij
werkbaar en acceptabel vinden met betrekking tot hoe je in dit soort
situaties vanuit medische inzichten moet handelen.
Wij kunnen hier natuurlijk wel heel lang over gaan dealen, zoals we dat
in de politiek wel eens doen. De een wil vier, de ander drie en dan
wordt het twee of iets dergelijks. Dat lijkt me niet de goede weg. Ik
vind dat we ons daarin moeten voegen. Ik heb wel aangegeven dat je de
letter en de geest hebt. Als een school echt waanzinnige zorgen heeft,
zou het raar zijn als die niet een signaal kan afgeven. Maar dit is wel
de regel van waaruit er gehandeld moet worden. Ik ben ervan overtuigd
dat schoolleiders dat echt wel beseffen. Als er zich opeens echt een
situatie voordoet in hun school waar zij zich grote zorgen over maken,
moeten ze niet zeggen: het zijn er nog geen drie, dus we wachten nog
even een dag. Zo zal het echt niet gaan werken.
De heer Beertema (PVV):
Wat de minister zegt, vind ik geruststellend. Misschien is het goed om
nog eens even extra te communiceren naar schoolleiders dat ze inderdaad
de vrijheid hebben om naar eigen inzicht te handelen.
Minister Slob:
Het protocol is natuurlijk wel leidend, maar ik zal de vragen en de
concrete dingen die hier naar voren komen, uiteraard bespreken met
degenen die hier namens het onderwijsveld bij betrokken zijn geweest. Ik
zal dat met hen delen.
De heer Rog (CDA):
De minister zei net dat er niets vervelender is dan onduidelijkheid. Die
onduidelijkheid is er gewoon als het gaat om dit protocol. Als je
"protocol" intypt, zijn er meerdere protocollen. De ene school hangt het
ene op en de andere het andere. Er is een infographic waarin weer niets
staat over het bron- en contactonderzoek. We hebben het regionale
GGD-beleid. We hebben richtlijnen van de RIVM. We hebben testbeleid. Het
vergt toch wel een behoorlijk wetenschappelijke basis om al die
documenten bij elkaar te krijgen en om het beleid, waar de motie om
vroeg, helder voor de geest te hebben. Ik zou graag iets willen van de
minister. Deze minister is stelselverantwoordelijk. We hebben de
grootste gezondheidscrisis sinds mensenheugenis, ook in het onderwijs.
Is dit nou niet het moment voor de minister om een stap naar voren te
zetten, nu glashelder te maken wat van de scholen verwacht wordt en die
protocollen bij elkaar te nemen? Het hele plaatje lijkt me wel ongeveer
op orde. Maar als zelfs de voorzitter van de PO-Raad het niet weet, wie
weet het dan wel? We kunnen dat niet verwachten van de schoolleiders en
de leraren. Ik vind dat de minister hier een verantwoordelijkheid heeft.
Bovendien hebben we hem als Kamer daarom gevraagd.
Minister Slob:
Zeker heb ik een verantwoordelijkheid. U zegt: er moet één protocol
komen. Er is één protocol. De uitwerkingen die horen bij dat onderdeel —
hoe moet je reageren op, en de betrokkenheid van de GGD — vind je als je
naar dat protocol kijkt. Mensen hebben dat ook digitaal. Eén klikje, en
ze zitten precies bij de goede informatie. Alles staat er. Dat wordt ook
steeds bijgewerkt. Echt, want als er een kleine verandering is, dan moet
dat ook bijgewerkt worden. Dus er is één protocol. Ik denk dat het
inderdaad wel belangrijk is dat, als er over dat ene protocol en de
uitwerkingen vragen zijn, wij met elkaar proberen om dat zo soepel
mogelijk te laten verlopen. Daar staan we ook voor open, ook vanuit
Onderwijs, al weet u dat VWS natuurlijk ook een heel belangrijke taak
heeft op het gebied van de algehele gezondheidszorg. Als iemand zich een
keer vergist over wat er in een protocol staat, dan is dat natuurlijk
best vervelend, maar ik heb ook gezien dat dit heel snel weer is
hersteld. Dat moeten we natuurlijk met elkaar proberen te voorkomen,
maar, nogmaals, er is één protocol met daarbij de uitwerkingen zoals die
gevraagd zijn. Dat was overigens al geregeld voordat de motie in
stemming kwam. Toen was dat klaar. Dat heb ik ook in de brief van vorige
week vermeld, voor de stemming. Er is dus heel snel gereageerd op,
nogmaals, uw heel terechte vraag van vorige week: zorg dat daar
duidelijkheid over is. Wij houden het in de gaten. Ik blijf ook in
contact staan met mijn collega van VWS, u niet onbekend. Er zijn zelfs
verschillende collega's die een verantwoordelijkheid dragen voor de
gezondheidszorg, vanuit hun positie en vanuit het kabinet in zijn
algemeenheid. Protocollen zijn uiteindelijk eigendom van de sectoren.
Zij moeten daar ook aan werken en dat hebben ze voortreffelijk gedaan.
Wij houden in de gaten of alle gezondheidszorgvereisten daarin goed zijn
verwerkt en dat hebben we ook bij dit protocol gedaan.
De heer Rog (CDA):
Ik weet even niet hoe ik hier nou nog mee verder moet. We vragen aan de
minister om dat protocol aan de sector uit te dragen, in zijn
compleetheid, dus inclusief datgene wat het RIVM doet — waarbij scholen
erop mogen vertrouwen dat dat ook gebeurt en wat dus niet het protocol
zelf beschreven staat — en inclusief de rol van de GGD. Nu wordt
verwezen naar een opstartprotocol. Daarvan zijn verschillende versies in
omloop, met allerlei doorlinken naar allerlei organisaties. Dat leidt
tot verwarring. Het leidt gewoon tot verwarring. Van schoolleiders, van
bestuurders en van ouders krijg ik over die verwarring te horen. Mijn
enige vraag is: minister, neem gewoon uw stelselverantwoordelijkheid en
leg het nog een keer uit. Dat is toch niet te veel gevraagd?
Minister Slob:
Wat ik hier gedaan heb, is het uitleggen. We moeten ook oppassen: als je
het woord "verwarring" vaker in de mond neemt, dan gaat er ook
verwarring ontstaan. U schept verwarring door te denken dat dit helemaal
losstaat van het protocol. Nee, het is er integraal onderdeel van. Ook
bij andere protocollen zie je dat. Als je verdere informatie wil hebben
over een heel specifiek onderwerp dat onderdeel is van het protocol, dan
kun je door de desbetreffende link te gebruiken alles wat je op dat
onderwerp nodig hebt heel precies vinden. Dat zien we ook bij andere
protocollen terug. Hier zijn er zelfs een aantal voorbeelden van. U
heeft er nu één uit gehaald, maar dat gebeurt ook op andere onderdelen.
Dat is natuurlijk integraal onderdeel van het protocol. Het RIVM is ook
betrokken geweest bij dit protocol. Dat spreekt voor zich. Het heeft
zijn inzichten verstrekt met betrekking tot de algemene vereisten die er
zijn, om ervoor te zorgen dat dit daarin ook een borging heeft gekregen.
Gelet op de vragen van u en van anderen ben ik bereid om nog een keer
contact op te nemen met degenen die die sector vertegenwoordigen om zo
na te gaan of de onduidelijkheid die u constateert — waarschijnlijk op
basis van een paar signalen die u gekregen heeft — ook door hen breed
wordt gedeeld en om de wijze waarop dit werkt nog een keer extra onder
de aandacht te brengen. Want het is inderdaad heel erg belangrijk dat
dit eenduidig beschikbaar is en bruikbaar is. Daar vinden wij elkaar
denk ik ook volledig in. Daar zal ik me voor inzetten. Ik zal u melden
wat daar uitkomt.
Nog één slotopmerking met betrekking tot de toekomst, want daar zijn
vragen over gesteld. Sowieso moeten we uit deze periode lessen trekken
en zorgen dat we de inzichten die we nu opdoen, benutten, nu dat gebeurt
als er hele hoge druk op staat en er ook heel veel opeens naar boven
komt. Voor sommigen van u, als het gaat om het vso en de diversiteit
daar en de wijze waarop dat georganiseerd is, en ook de wijze waarop de
examens worden afgenomen — in de schriftelijke ronde was er bijvoorbeeld
zelfs een fractie die dacht dat DUO dat doet ... Kortom, er is best heel
veel opeens inzichtelijk geworden, maar er zijn ook best heel veel
vragen opgekomen. Dat nemen we uiteraard mee, en dat is niet als een
dooddoener bedoeld. Ik denk dat we ook moeten zorgen dat we, als er weer
een rustiger moment komt — en laten we hopen dat dat ook snel komt — om
met elkaar die evaluaties te hebben, daar heel gericht naar kijken. En
met name op het punt van het vso dat door velen is ingebracht, gaan we
terugkomen. Dat is wat mij betreft ook iets wat ik u nu toezeg, dus dat
kunt u als toezegging noteren. Dat geldt ook voor de wijze waarop de
examinering voor deze leerlingen is georganiseerd. Kortom, wij zullen
inderdaad onze lessen moeten leren. En we zullen ook volgen wat er in de
komende weken gaat gebeuren, als vanaf 25 mei de college-examens gaan
plaatsvinden. Ik zal er ook voor zorgen dat u de aantallen van
leerlingen die gaan slagen en dergelijke, van ons gecommuniceerd krijgt.
Kortom, we hebben best nog heel veel huiswerk voor de komende periode,
maar ik denk dat het ook wel weer een vreugde is om met elkaar daarmee
aan het werk te gaan.
De voorzitter:
Dank. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de eerste termijn van de
kant van het kabinet. Mevrouw Westerveld heeft nog een vraag.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks):
Ja, over de protocollen. Ik had nog een specifieke vraag gesteld aan de
minister over kinderen met een ernstige meervoudige handicap, omdat er
natuurlijk ook wel wat extra zorgen zijn over deze groep vanwege de vaak
wat zwakkere gezondheid van deze kinderen.
Minister Slob:
Die vallen daar ook onder, dus als er sprake is van een coronabesmetting
in de omgeving van deze kinderen, wordt er direct actie ondernomen:
bronnen- en contactonderzoek. Ook op het moment dat er klachten zijn in
deze groepen, zijn er contacten met de GGD en komt er nader onderzoek,
eventueel bronnen- en contactonderzoek, ook heel specifiek voor hen. En
het spreekt voor zich dat onze voelhorens richting deze kinderen
natuurlijk extra scherp moeten worden neergezet, omdat we graag willen
dat ook zij in een veilige omgeving hun lessen kunnen ontvangen en, als
dat nodig is, hun examens kunnen doen.
De voorzitter:
Ik kijk naar de leden. Is er behoefte aan een tweede termijn? Ik zie
mevrouw Westerveld, heel kort?
Mevrouw Westerveld (GroenLinks):
Ik houd het heel kort.
De voorzitter:
Op het gevaar af dat dan iedereen wil ... Laten we het zo doen:
misschien is het gewoon slim om nu een slotopmerking in eerste termijn
te maken, en dan zijn we daarmee rond, denk ik. Of is er behoefte om
moties in te dienen?
Mevrouw Westerveld (GroenLinks):
Ik heb één motie.
De voorzitter:
Dan gaan we een hele, hele snelle tweede termijn doen, want het is nu
tien voor half vijf. De heer Van Meenen.
De heer Van Meenen (D66):
Voorzitter. De feitelijke conclusies, als opbrengst van dit debat, en
het feit dat we er met elkaar toch in zijn geslaagd — tenminste, dat mag
ik dan zo aannemen — om stappen vooruit en naar elkaar toe te zetten,
dat heb ik in eerste termijn al gezegd. In deze termijn wil ik het iets
breder trekken, en terugkomen op waar ik mee begon. We stonden tegenover
elkaar, of naast elkaar, met twee heel verschillende opvattingen, die
voortkwamen uit twee verschillende uitgangspunten. Ik vind het mooi dat
we erin geslaagd zijn om die bij elkaar te brengen. En dat doen we
allemaal voor die leerlingen, dat is al door iedereen honderd keer
gezegd, en ook voor die leraren. En ik hoop dat dit hen de duidelijkheid
geeft die ertoe zal leiden dat iedereen snel het examen zal halen en op
een goede manier verder kan naar het vervolgonderwijs. En nogmaals, daar
wens ik iedereen veel succes bij. En ik dank ook de minister voor zijn
stappen.
De voorzitter:
Dank u wel. De heer Rog.
De heer Rog (CDA):
Ja, heel kort. Ik wilde op het punt van de examenproblematiek rond het
voortgezet speciaal onderwijs de minister bedanken dat hij op zo'n korte
termijn naar de Kamer is gekomen. Inderdaad hadden wij een motie,
waarvan wij hoopten dat dat het zou worden, die niet is uitgevoerd, maar
er is wel de bereidheid geweest om echt te zoeken naar een compromis dat
recht doet aan deze leerlingen. Ik hoop van harte dat we daarmee al die
leerlingen in het voortgezet speciaal onderwijs daadwerkelijk aan een
diploma kunnen helpen. Ik zou dat heel fijn vinden, dus daar wilde ik
mee eindigen.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank. Mevrouw Van den Hul.
Mevrouw Van den Hul (PvdA):
Voorzitter. Ik heb het in andere debatten wel vaker gezegd: om gelijke
kansen te borgen, moet je soms ongelijke maatregelen nemen. Daar zit
volgens mij in dit hele debat een beetje een spanningsveld, tussen aan
de ene kant gelijk willen behandelen en aan de andere kant juist oog
willen houden voor het anders zijn van de leerlingen waar we het vandaag
over hebben. Die schoen wringt nog steeds.
Ik krijg ook tijdens dit debat — ik denk dat dit geldt voor veel van ons
hier aan tafel — toch nog steeds heel bezorgde berichten van leerlingen
in het vso die zeggen: waarom kan het niet zo, waarom worden wij nu op
achterstand gezet? Ik snap dat gevoel heel goed. Ik snap ook dat we hier
nu niet kunnen toveren en heb ook gehoord wat de minister schetst als
zijn beperkingen in dezen.
Mag ik dan nog één heel praktische suggestie doen, namelijk dat er een
centraal nummer of e-mailadres komt waar leerlingen in het vso
terechtkunnen met vragen, met klachten en met problemen die hier
specifiek mee te maken hebben? Want het gaat hier wel degelijk om heel
specifieke vragen, die we niet kunnen afdoen met een algemeen antwoord,
en waar heel vaak de school en de ouders ook niet direct een antwoord op
hebben. Zou ik de minister dus mogen vragen om daarnaar te kijken en
iets in te richten — dat kan een mailadres, een telefoonnummer of een
andere plek zijn — waar de leerlingen die nu zitten te kijken en die er
echt helemaal geen sikkepit meer van snappen, zich kunnen melden?
De voorzitter:
Dank u wel. De heer Futselaar.
De heer Futselaar (SP):
Voorzitter. Ik eindigde mijn eerste termijn met te zeggen: de minister
doet niet genoeg. Ik zal dat in de tweede termijn niet zeggen, want er
zijn duidelijke stappen gezet op dit gebied. Ik hoop dat we het hiermee
gaan redden en recht gaan doen aan deze jonge mensen. Daar laat ik het
bij, want de rest is gemoraliseer en onzin.
De voorzitter:
Dank. De heer Bisschop.
De heer Bisschop (SGP):
Voorzitter, dank u wel. Allereerst dank aan de minister voor de
beantwoording van de vragen en de toezeggingen aan degenen die daarom
gevraagd hebben. Ik wil ook graag de woordvoerders van de coalitie
danken voor het grondige voorwerk dat ze verricht hebben, waardoor de
minister hier ook soepel op kon reageren.
Ik denk dat dit een goed besluit is dat deze vervolgstap wordt gezet. We
zullen het nooit honderd procent iedereen naar de zin maken. Die illusie
moet je als politicus al helemaal niet hebben. Ik denk wel dat dit een
goede uitwerking is. Dus van harte steun voor de lijn die de minister
nader gepreciseerd heeft.
Dank.
De voorzitter:
Dank. Mevrouw Westerveld.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks):
Voorzitter. Fijn dat er toenadering tot elkaar is gezocht. Ik denk dat
het goed is dat we hier allemaal het belang van leerlingen in het oog
hebben gehouden. Ik ben niet zo heel blij met de reactie op vragen die
ik had over de maatwerkoplossingen voor leerlingen die kunnen aantonen
dat ze aan de vereisten voldoen, maar ik snap ook dat er vandaag
duidelijkheid moet zijn. Ik ga daar dus geen motie over indienen.
Ik heb wel een motie over de certificaten. Dat is niet iets wat nu
opgelost moet worden, maar voor een aantal leerlingen wel op de iets
langere termijn. Ik ben benieuwd naar de reactie van de minister
daarop.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de minister een vierde herkansingsmogelijkheid biedt
voor kandidaten die dit jaar opgaan voor het diploma;
constaterende dat er ook leerlingen zijn die verspreid over meerdere
jaren vakken afsluiten via een certificaat en er voor hen geen
herkansingsmogelijkheid is;
constaterende dat dit een kleine groep leerlingen in problemen kan
brengen, bijvoorbeeld als ze opgaan voor meerdere certificaten of de
leeftijd van 20 jaar hebben bereikt;
verzoekt de regering om te zoeken naar een oplossing, zodat deze groep
leerlingen niet onnodig gedupeerd gaat worden,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Westerveld. Naar mij blijkt,
wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.
Zij krijgt nr. 180 (35300-VIII).
Mevrouw Westerveld (GroenLinks):
Voorzitter. Een laatste opmerking. Ik ben heel blij dat we gaan kijken
naar de toekomst, ook naar wat we kunnen leren van de manier waarop deze
leerlingen in het vso hun examens gaan maken en onderwijs krijgen. Ik
denk dat daar nog een aantal verbeterstappen te zetten zijn. Volgens mij
heeft de minister daar mooie toezeggingen voor gedaan.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik kijk nog even naar de heer Heerema. Nee? Dan de heer
Beertema.
De heer Beertema (PVV):
Voorzitter. Ik dank onze gasten, de minister en zijn ambtenaren, voor
hun snelle komst naar de Kamer. Ik ben blij met de uitkomst van dit
debat. Ik sluit me aan bij de mooie woorden van Van Meenen en Rog, met
wie ik het zelden eens ben, maar in dit geval wel.
Daar wilde ik het bij laten, voorzitter.
De voorzitter:
Tot slot, de heer Bruins.
De heer Bruins (ChristenUnie):
Voorzitter. Het is fijn dat er vandaag helderheid is gekomen voor deze
groep leerlingen. Ze hebben zekerheid over hoe het examen wordt
ingericht en dat hun diploma echt een diploma waard is. Ik dank de
minister voor de ruimte die hij daartoe biedt en die hij vandaag heeft
getoond.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank. We wachten even enkele momenten, zodat de minister zijn
beantwoording in tweede termijn kan voorbereiden.
Ik geef het woord aan de minister.
Minister Slob:
Voorzitter. Dank voor de tweede termijn. Het was een korte tweede
termijn. Ik werd bedankt voor mijn snelle komst, maar als de Kamer
roept, dan heb ik gewoon te komen, zoals u weet, of ik dat nou leuk vind
of niet. Ik was ertoe in staat, want mijn gezondheid liet het gelukkig
toe.
Voorzitter. Met name mevrouw Van den Hul sprak erover dat wij gelijke
kansen ongelijk behandelen. Ik hecht eraan om te zeggen dat we al deze
inspanningen plegen, juist omdat we deze leerlingen gelijke kansen
willen geven met betrekking tot het diploma dat ze willen behalen en de
waarde daarvan. Ik denk dat het heel belangrijk is dat als het beeld er
is dat ze op achterstand worden gezet, terwijl we nu juist voor hen nog
meer mogelijkheden creëren met betrekking tot ondersteuning en
herkansingsmogelijkheden om hun diploma te halen, we dat dan ook aan ze
moeten uitleggen. Ik zal dat zelf ook doen waar dat nodig is. Ik vind
het namelijk echt heel vervelend dat ze het beeld hebben dat ze anders
en ongelijk worden behandeld ten opzichte van leerlingen die via het
reguliere onderwijs hun diploma behalen. Ik kan namelijk met mijn hand
op mijn hart zeggen dat dat niet het geval is. Maar wij spannen ons,
omdat zij in deze route zitten, maximaal in om te zorgen dat zij
uiteindelijk datzelfde diploma kunnen behalen. We hebben nu voor deze
leerlingen — dat doen we niet voor het regulier onderwijs — zelfs ook de
kans gecreëerd om, als ze nog niet helemaal klaar zijn en al naar het
vervolgonderwijs willen, dat dan ook kan. Als Kamer heeft u dat heel
sterk en stevig neergezet. Ik heb ook toegezegd dat uit te gaan voeren.
De beelden die soms ontstaan, zijn niet altijd de werkelijkheid. Maar
het is wel een beleving bij hen, die we serieus moeten nemen. Maar het
is ook aan ons om dat dan te doen en uitleg te geven bij wat er gaande
is. Dat is een opdracht waar we gezamenlijk voor staan, denk ik.
U vraagt naar een loket waarbij ze zich kunnen melden — zo noem ik het
maar even. Dat ga ik regelen. Ik weet nog niet precies wat de meest
geëigende route is. Je hebt natuurlijk het Examenloket. Daar zou het
misschien kunnen. Daar kunnen ze natuurlijk al naartoe bellen. Daarvoor
zijn er telefoonnummers. Misschien dat we het even via de CvTE doen.
Kortom, er is van alles mogelijk. We gaan het gewoon regelen. De wijze
waarop we dat gaan communiceren, is via het OCW-account, Facebook en
Twitter. Ik denk dat we het op die wijze gaan communiceren. Dan kunt u
het ook oppakken. Twitter is denk ik niet helemaal het ding van de jonge
generatie. Ik hoor mensen TikTok zeggen. Wat is dat nou weer? Sorry,
sommige dingen wil ik gewoon niet weten. Goed, zij weten het. Dat is het
allerbelangrijkst. Dan gaan we dat gewoon organiseren. Mijn kinderen
zijn wat ouder dan die van u, voorzitter, dus ik word er niet meer mee
geconfronteerd. Het was een duidelijke vraag.
Dan mevrouw Westerveld met haar motie. In alle oprechtheid, we snappen
die niet helemaal. Wanneer een leerling echt in z'n laatste jaar van het
vso zit, ook vanwege zijn leeftijd, ga ik er zelf van uit dat hij voor
z'n diploma gaat. Dan heeft hij gewoon recht op vier herkansingen. Als
hij die allemaal niet haalt, is er inderdaad een probleem, maar dan
heeft hij dus ook niet voldaan aan de vereisten om een diploma te
behalen. Volgens mij heeft u er geen motie voor nodig. We spreken dat
gewoon af. Als zich situaties gaan voordoen waarvan we ons afvragen of
die wel redelijk zijn en of daar niet iets voor te vinden is, delen we
die met elkaar; dat spreken we af. Dat zal ik ook tegen de organisaties
zeggen. Dan kunnen we kijken wat we eventueel specifiek voor deze
leerlingen kunnen doen — dat hoort ook bij deze route; het is maatwerk —
zonder dat we gelijk het idee moeten laten postvatten dat alles opgelost
kan worden. Maar waar het wel kan, doen we dat natuurlijk gewoon. Laat
ik u dat toezeggen. Anders weten we niet heel goed hoe we met deze motie
moeten omgaan. Maar met zo'n toezegging moet u volgens mij kunnen
leven.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks):
Er zijn leerlingen die wel opgaan voor certificaten, maar niet opgaan
voor het diploma. Het gaat er natuurlijk om dat een aantal van deze
leerlingen, helemaal als ze meerdere certificaten willen halen, flink
wat vertraging kunnen oplopen. Dat staat in de motie: kijk nou naar deze
kleine groep waar het om gaat en bedenk voor hen een oplossing.
Minister Slob:
Dat had ik al toegezegd. Ik heb aangegeven dat leerlingen die nu de hoop
hadden … Ze hebben zich bijvoorbeeld aangemeld voor drie
deelcertificaten en halen er maar twee of misschien maar één, of
misschien gaan ze alle drie fout, maar laten we ervan uitgaan dat ze
toch iets gehaald hebben, dus laten we even uitgaan van twee. Die
blijven staan. Die deelcertificaten blijven overigens tien jaar geldig;
dat is echt een behoorlijke periode. Ik heb ook aangegeven dat we dan
volgend jaar, in overleg met de scholen, proberen in beeld te krijgen of
dat probleem echt speelt, want we zitten nu iets te doen aan een
probleem dat zich nog niet heeft voorgedaan. We kijken dan ook in
hoeverre we deze leerlingen kunnen ondersteunen. Dat hoort ook weer bij
het maatwerk. Dat had ik al toegezegd, maar nu begrijp ik u beter. Die
toezegging blijft onverkort staan. Ik heb het dus toegezegd: we gaan dat
volgen en waar nodig ondersteunen we deze leerlingen.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks):
Ik ga hier nog even over nadenken; dan besluiten we vandaag nog of we de
motie zullen aanhouden of in stemming zullen brengen.
De heer Van Meenen (D66):
Mag ik vragen of de toezegging die de minister zojuist deed, ook in het
overzicht van de maatregelen kan komen? Want het lijkt me voor heel veel
leerlingen van belang om dat te weten.
Minister Slob:
Zeker. Dat zullen we dan ook communiceren richting de scholen, zoals ik
u had toegezegd in antwoord op een vraag van u.
Als de motie wel in stemming wordt gebracht, ontraad ik haar, want ik
vind haar in zekere zin ook overbodig. Aan die kant heeft men zich ook
beheerst met een motie. We hebben gewoon duidelijk vastgesteld wat we
doen. In die lijn zou ik dit debat en dit onderwerp willen zien. Dan
ontraad ik de motie dus.
De voorzitter:
Als mevrouw Westerveld haar motie gewoon handhaaft en in stemming
brengt, dan wordt er morgen over gestemd.
Daarmee zijn we aan het einde gekomen van dit ingelaste notaoverleg. Ik
dank de minister en zijn ambtenaren voor hun komst naar de Kamer op zo
korte termijn. Ik dank mijn collega's, de griffier, de stenograaf.
Sluiting 16.36 uur.
ONGECORRIGEERD STENOGRAM Verslag OSV 52 (2019-2020) van 13 mei 2020 |
---|
Aan ongecorrigeerde verslagen kan geen enkel recht worden ontleend. Uit ongecorrigeerde verslagen mag niet letterlijk worden geciteerd. Inlichtingen: verslagdienst@tweedekamer.nl |