Consulaire Zaken (ongecorrigeerd stenogram)
Stenogram
Nummer: 2020D27020, datum: 2020-06-29, bijgewerkt: 2024-02-19 10:56, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Onderdeel van activiteiten:- 2020-06-29 09:30: Consulaire Zaken (Notaoverleg), vaste commissie voor Buitenlandse Zaken
Preview document (🔗 origineel)
Tweede Kamer, Consulaire zaken
VERSLAG VAN EEN NOTAOVERLEG
Concept
De vaste commissie voor Buitenlandse Zaken heeft op 29 juni 2020 overleg gevoerd met de heer Blok, minister van Buitenlandse Zaken, over:
de brief van de minister van Buitenlandse Zaken d.d. 19 juni 2020 inzake Staat van het Consulaire - editie 2020 (2020Z11640);
de brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 10 december 2019 inzake resultaten van onderzoeken naar innovaties in dienstverlening paspoorten (25764, nr. 125);
de brief van de minister van Buitenlandse Zaken d.d. 2 maart 2020 inzake subsidieverlening gedetineerdenbegeleiding buitenland 2020-2023 (30010, nr. 48);
de brief van de minister van Buitenlandse Zaken d.d. 16 maart 2020 inzake impact van COVID-19 op de consulaire dienstverlening (32734, nr. 41);
de brief van de minister van Buitenlandse Zaken d.d. 23 maart 2020 inzake het Convenant bijzondere bijstand buitenland als gevolg van de impact van het coronavirus (COVID-19) (32734, nr. 42);
de brief van de minister van Buitenlandse Zaken d.d. 25 maart 2020 inzake beantwoording vragen commissie over het Convenant bijzondere bijstand buitenland als gevolg van de impact van het coronavirus (COVID-19) (32734, nr. 44);
de brief van de minister van Buitenlandse Zaken d.d. 27 maart 2020 inzake maatregelen consulaire dienstverlening ten aanzien van COVID-19-uitbraak (32734, nr. 45);
de brief van de minister van Buitenlandse Zaken d.d. 7 april 2020 inzake het Convenant bijzondere bijstand buitenland en verlenging tijdelijke bedrijfsreductie wereldwijde consulaire dienstverlening (32734, nr. 46);
de brief van de minister van Buitenlandse Zaken d.d. 26 april 2020 inzake stand van zaken bijzondere bijstand buitenland en consulaire ontwikkelingen (32734, nr. 48);
de brief van de minister van Buitenlandse Zaken d.d. 15 mei 2020 inzake toezegging gedaan tijdens het algemeen overleg Consulaire dienstverlening over de opkomst bij de briefstembureaus op ambassades tijdens de EP-verkiezing (35300-V, nr. 67);
de brief van de president van de Algemene Rekenkamer d.d. 20 mei 2020 inzake aanbieding van het rapport Resultaten verantwoordingsonderzoek 2019 bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken (alleen hoofdstuk 6 over Reisadviezen en de reactie van de minister daarop) (35470-V, nr. 2);
de brief van de minister van Buitenlandse Zaken d.d. 10 juni 2020 inzake verkeersnotificaties van overtredingen die zijn begaan met een diplomatiek voertuig (35300-V, nr. 68).
Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.
De voorzitter van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken,
Pia Dijkstra
De griffier van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken,
Van Toor
Voorzitter: Van Ojik
Griffier: Van Toor
Aanwezig zijn vijf leden der Kamer, te weten: Koopmans, Kuiken, Van Ojik, Ploumen en Sjoerdsma,
en de heer Blok, minister van Buitenlandse Zaken.
Aanvang 9.33 uur.
De voorzitter:
Ik open deze vergadering over het dossier consulaire zaken of de Staat
van het Consulaire, zoals het jaarlijkse rapport heet. Er staan ook een
aantal andere stukken op de agenda die te maken hebben met de
actualiteit van de laatste maanden, zoals de repatriëring en een rapport
van de Rekenkamer. Ik heet de minister van harte welkom in dit
notaoverleg en uiteraard ook de medewerkers van de minister. Ik heet
iedereen welkom die op beeld ergens meekijkt. Rest mij nog te zeggen dat
dit een notaoverleg is, hetgeen betekent dat er niet alleen vaste
spreektijden zijn, maar ook dat de mogelijkheid bestaat voor de
Kamerleden om in tweede termijn moties in te dienen. Daar zal dan de
minister namens het kabinet in zijn tweede termijn op reageren.
Er is nog een enkele huishoudelijke mededeling. Mevrouw Ploumen, die als
eerste zal spreken straks, moet deze vergadering helaas om 10.30 uur
verlaten om naar een ander overleg in deze Kamer te gaan. De heer Van
Helvert van de fractie van het CDA heeft zich afgemeld wegens dringende
andere verplichtingen.
Dit alles gezegd hebbende geef ik graag het woord aan mevrouw Ploumen
van de fractie van de Partij van de Arbeid.
Mevrouw Ploumen (PvdA):
Voorzitter, dank u wel. Ik wilde stilstaan bij drie onderwerpen.
Allereerst natuurlijk de repatriëring van Nederlanders tijdens de
coronacrisis, de lessen die daar geleerd zijn en de vragen die daar nog
over leven. Twee: het onderwerp huwelijksdwang en achterlating van
vooral meisjes. Drie: het onderwerp gedetineerden in het buitenland.
Maar eerst over de repatriëring.
We hebben het allemaal mee kunnen krijgen. Veel Nederlanders waren
gestrand op andere plekken in de wereld omdat de coronacrisis de
mogelijkheid om vrij te reizen ernstig inperkte. De meeste Nederlandse
burgers zijn terug, gelukkig, veilig in Nederland. Ik denk dat echt wel
een woord van dank op zijn plek is aan de mensen van Buitenlandse Zaken
die daar dag en nacht aan gewerkt hebben. Want dat moeten we ook even
zeggen: wij horen vooral over de mensen die nog vast zitten, erg genoeg,
maar het goede nieuws van de mensen die terug zijn, wordt altijd een
beetje bedolven onder de problemen, terwijl natuurlijk net zo hard aan
gewerkt is.
Net als de collega's krijg ik nog elke dag berichten van mensen die in
Marokko zijn en terug zouden willen naar Nederland. Is er een beeld van
hoeveel mensen dat nog zijn? Weet het ministerie dat? Wat doet Nederland
op dit moment om de mensen te ondersteunen? Want ik krijg de indruk uit
die berichten dat nu de crisishulpverlening afgeschaald is, mensen niet
goed meer weten waar ze terechtkunnen. Zijn er mogelijkheden om niet
alleen te zorgen dat mensen terug kunnen komen, maar kan er ook voor
onderdak gezorgd worden als dat nodig is? Is er nog steeds extra inzet
via de diplomatieke kanalen? Is er samenwerking met andere landen? Tot
slot. Als ik het goed heb, is de ambassade in Rabat nog steeds gesloten.
Ik krijg berichten van mensen die zeggen "goh, kan die ambassade nou
niet open?" want ook de dienstverlening waar in deze tijd zo veel
behoefte aan is, stokt daardoor. Kortom, veel zorgen van die zijde.
Graag van de minister antwoord op de vragen.
De minister geeft aan dat er lessen zijn geleerd. Er moet een consulaire
crisisstructuur komen. Ik meen dat collega's Sjoerdsma en Van Ojik daar
ook wat over zullen zeggen. De samenwerking tussen de landen van de EU
is van groot belang. Op welke manier gaat de minister aan de slag met
deze lessen?
Dan huwelijksdwang. Ik begin met een citaat van een campagne die het
ministerie via Instagram en Snapchat is gestart, en een website die
daarbij hoort. "Het is weer zomervakantie! Tijd voor een gezellige
vakantie met je gezin of familie. Een leuke periode, maar helaas niet
voor iedereen. Ieder jaar weer worden Nederlandse meisjes en jongens
door hun ouders achtergelaten in het buitenland of gedwongen te
trouwen." Vorig jaar is deze campagne actief onder de aandacht van
Nederlanders gebracht. De vraag is of de minister dat ook dit jaar weer
gaat doen, want ondanks de reisbeperkingen zijn er natuurlijk toch weer
mogelijkheden om op reis te gaan.
Voorzitter. Een onderzoek alweer uit 2015 van het Verweij-Jonker
Instituut rapporteerde dat er 181 gevallen van huwelijksdwang zijn en
dat er 178 meisjes en jongens achtergelaten zijn. Dat zijn echt
verschrikkelijke aantallen, maar de aantallen die het ministerie
rapporteert voor 2019 en 2018 zijn significant lager, namelijk 3 en 6 of
21 en 15. Nu zou dat op zichzelf heel goed nieuws kunnen zijn, ware het
niet dat het verschil tussen de aantallen wel heel groot is. Kan de
minister dit duiden? Tot slot over dit onderwerp: kan de minister
aangeven wat de Nederlandse ambassades, mocht er van huwelijksdwang of
achterlating sprake zijn, kunnen en willen doen in de landen waar zich
dat afspeelt?
Voorzitter. Dan gedetineerden in het buitenland. Nederland staat
gedetineerden in het buitenland bij, maar regelmatig horen we natuurlijk
dat die dienstverlening niet altijd op rolletjes loopt. Dus zou ik graag
van de minister willen horen hoelang het gemiddeld duurt voordat de
verdachte een eerste bezoek vanuit de ambassade krijgt. De situatie in
veel gevangenissen in andere landen is schrikbarend slecht. Lokale
autoriteiten kijken ook anders naar de kwaliteit van de rechtspraak dan
wij doen. Wat kan de ambassade doen om druk op de lokale autoriteiten te
leggen om fatsoenlijk om te gaan met Nederlandse gedetineerden?
Voorzitter, hier wilde ik het bij laten. Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u zeer, mevrouw Ploumen. Dan geef ik het woord aan de heer Koopmans
van de fractie van de VVD.
De heer Koopmans (VVD):
Dank u wel, voorzitter. Nederlanders zijn wereldkampioen reizen. Ze
verdienen dan ook een consulaire dienst die op de eerste plaats staat.
Gelukkig hebben we in het begin van de coronacrisis gezien dat er echt
een prijs is verdiend door de mensen die zo hard hebben gewerkt aan de
consulaire ondersteuning van al die Nederlanders over de hele wereld die
vastzaten. Net als mevrouw Ploumen en waarschijnlijk ook alle andere
collega's heb ik veel telefoontjes en berichten gehad van mensen in de
problemen, maar we hebben ook gezien dat die mensen uiteindelijk
geholpen zijn. Daarnaast zijn er heel veel succesverhalen. Ik denk dat
het hier ook onze taak is om complimenten te geven, niet alleen aan de
minister maar ook aan zijn staf die enorme prestaties heeft
geleverd.
Ik wilde verdergaan met de crisis en wat daaruit voortvloeit en apart
iets zeggen over de staat van de consulaire dienst. Ik kijk even naar u,
voorzitter, om aan te geven hoeveel tijd ik nog heb.
De voorzitter:
U heeft nog wel even.
De heer Koopmans (VVD):
Het is overigens niet alleen het werk van het ministerie maar ook van de
hele reissector, die heeft samengewerkt met het ministerie om in die
crisis die honderdduizenden Nederlanders terug naar huis te helpen. Ook
die verdienen complimenten. Collega Ploumen zei het al: tegelijkertijd
zijn er nog steeds mensen, met name in Marokko maar misschien ook
elders, die niet terug kunnen. De tegenwerking van de regering van
Marokko, die hier het probleem is, is verwerpelijk. Ik vraag dus ook
naar de stand op dit moment. Welke steun krijgt de minister op dit
moment van zijn Europese collega's om die mensen terug naar huis te
brengen? Overigens erkennen wij dat iedereen met een Nederlands paspoort
natuurlijk het recht heeft om naar Nederland te komen. Maar voor mensen
die permanent in een ander land wonen, hoeven we niet apart een
repatriëring te organiseren. Hoe beoordeelt het kabinet deze gevallen?
Dus het onderscheid tussen de mensen die daar permanent wonen en de
mensen die op reis zijn en vast komen te zitten? Hoe doen we dat? Ik heb
al gezegd dat er nog steeds mensen met problemen zijn. Dat is ook niet
verrassend in zo'n enorme crisis. Er waren ook mensen die geen contact
konden krijgen met consulaten en ambassades en soms gebrekkige
informatie kregen. Ik wil de minister vragen welke lessen we hieruit
kunnen trekken voor de toekomst. Ik wil niemand iets kwalijk nemen, maar
we moeten toch profiteren van het feit dat daarvan lessen geleerd kunnen
zijn.
Verder krijg ik berichten van mensen die een langeafstandsrelatie
hebben. Dat zijn mensen die niet getrouwd zijn, maar een liefde hebben
in een ver buitenland. Ik begrijp dat het heel moeilijk is om mensen te
helpen, maar ik weet dat sommigen van hen ook naar dit debat kijken. Ik
zou de minister willen uitnodigen om te zeggen hoe we daarmee kunnen
omgaan en welk perspectief we die mensen, die dus voor maanden
gescheiden zijn van hun geliefde in een buitenland, kunnen bieden. Welk
perspectief is daar mogelijk, zonder dat wij daarbij de
veiligheidsmaatregelen die nodig zijn en de bescherming die mensen in
Nederland verdienen, schade toebrengen?
Gelukkig kunnen mensen deze zomer weer op reis, in ieder geval in
Europa. De minister-president heeft terecht gezegd dat reizen op eigen
verantwoordelijkheid is en dat het kabinet niet nog een keer een
repatriëringsactie zal opzetten. Maar hoe kunnen wij helpen voorkomen
dat als er ergens een nieuwe uitbraak is, vakantievierende Nederlanders
bijvoorbeeld massaal op de vlucht slaan en ongecontroleerd weer in ons
land terugkomen? Wat zijn de mogelijkheden voor bijvoorbeeld vrijwillige
reisregistratie, pushberichten naar het buitenland en eventuele
screening bij terugkomst? Zijn dat mogelijkheden of is dat onmogelijk?
Ik wil in ieder geval de vraag stellen.
Voorzitter. Dan kom ik bij mijn vragen over de Staat van het Consulaire.
Overigens heb ik er begrip voor dat die gezien de crisis in een wat
minimalere vorm is dan standaard. Dat vloeit logisch voort uit wat we de
afgelopen maanden hebben meegemaakt. De Tweede Kamer heeft een
vergelijkend onderzoek laten doen — ik heb dat samen met collega
Sjoerdsma en een deel van de staf van de Kamer gedaan — naar hoe het zit
met consulaire hulp in verschillende landen. De conclusie daarvan was
dat we het in Nederland eigenlijk heel goed doen, maar de gedachte
erachter is dat het een bijdrage is aan hoe we ervoor kunnen zorgen dat
we een nog betere consulaire dienst hebben. Ik wil daarbij ook memoreren
dat wij, de VVD, de consulaire dienst altijd als een prioriteit hebben
gezien. Er zijn zo veel Nederlanders die werken en wonen in het
buitenland dat wij alles eraan willen bijdragen om de consulaire dienst
zo goed mogelijk te houden. Ik ben dus ook blij te zien dat wij op het
juiste pad zijn. In dat kader vraag ik — mevrouw Ploumen vroeg dat ook
al — wat de mogelijkheden zijn voor het opstarten van visumverlening
waar die op dit moment nog niet is opgestart. Nogmaals, ik heb begrip
voor alle moeilijkheden die er zijn, maar er zijn natuurlijk mensen die
die vraag hebben. We willen kijken wat voor perspectief we kunnen
bieden.
Dan nog iets over de verdere toekomst. Consulaire dienstverlening omvat
ook de business support officers, die wij in steeds meer landen hebben.
Is het mogelijk om te kijken, om een soort planning te maken, waar die
support officers in de toekomst zouden kunnen komen als er weer nieuwe
mogelijkheden zijn? Hoe houdt de minister het oog op de ontwikkelingen
van het bedrijfsleven in de wereld en waar Nederland dat kan
ondersteunen, al dan niet met nieuwe van dit soort support
officers?
Nog iets anders, wat ook voortvloeit uit de crisis. Ik heb gemerkt dat
er veel honorair consuls zijn — mensen die het eigenlijk helemaal voor
niets doen omdat zij Nederlandse reizigers een warm hart toedragen — die
zich enorm hebben ingezet voor die Nederlanders in het buitenland. Ik
heb gehoord van honorair consuls in Peru die boodschappen gingen doen
voor de mensen die vastzaten in een hostel. Ik vind dat
bewonderenswaardig. Ik denk dat wij daar los van het geven van een
compliment ook de vraag kunnen stellen wat het kabinet in de toekomst
eventueel nog meer kan doen met honorair consuls. Is het altijd wel zo'n
succesverhaal als de indruk die ik nu krijg? Ik zou benieuwd zijn naar
een verdere reflectie op de inzet van honorair consuls.
Mevrouw Ploumen sprak al over kwesties als huwelijksdwang, genitale
verminking en achterlating. Daar hebben wij samen het vaker over. De VVD
heeft met steun van de PvdA en anderen een amendement op de begroting
ingediend afgelopen jaar, waardoor er veel meer geld komt voor die
verschrikkelijke gevallen van vaak jonge mensen die worden gedwongen tot
een huwelijk of die naar het buitenland worden gehaald om daar genitaal
verminkt te worden en dat soort dingen. Ik wil de minister vragen naar
de voortgang hiervan. Hoe staat het met de samenwerking met andere
landen die dit tot een prioriteit hebben gemaakt? Ik noem daarbij het
Verenigd Koninkrijk en Noorwegen. Zij hebben daar veel ervaring
mee.
Tot slot, voorzitter, de zeevarenden die door visumproblemen niet kunnen
worden afgelost. Ik heb daar met mijn collega Weverling Kamervragen over
gesteld. Er zijn mensen die soms al maanden vastzitten in het buitenland
omdat zij zelf of de bemanning op het schip waarop zij zitten geen visum
kunnen krijgen om afgelost te worden. Ik begrijp ook op dit punt dat er
problemen zijn met veiligheid en op vele andere vlakken, maar ik vraag
toch welk perspectief er is voor deze mensen. Wat is de stand van zaken?
Ik vraag dus eigenlijk om een soort sneak preview van antwoorden op de
Kamervragen die ik heb gesteld.
Tot zover, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Koopmans. U heeft straks voor uw tweede termijn nog
drie minuten spreektijd. U bent nu één minuutje over de tijd gegaan. Dat
kunt u straks compenseren. Dan geef ik nu het woord aan de heer
Sjoerdsma van D66.
De heer Sjoerdsma (D66):
Dank, voorzitter. Dit zou eigenlijk het drukst bezochte debat moeten
zijn van de commissie voor Buitenlandse Zaken. Het is natuurlijk altijd
goed om te praten over politieke ontwikkelingen en
mensenrechtenontwikkelingen, maar de kerntaak van het ministerie van
Buitenlandse Zaken is ervoor zorgen dat Nederlanders in het buitenland
goede dienstverlening mogen ontvangen, in goede, maar ook in slechte
tijden. Op dit moment blikken we terug op een bijzonder roerig jaar voor
de consulaire dienstverlening, een jaar waarin corona over de wereld
raasde en waarin deze minister en zijn ambtenaren een gigantische
inspanning hebben geleverd om meer dan 200.000 Nederlanders terug naar
huis te halen. Ik heb het al vaker gezegd, maar ik zal het nu weer doen:
petje af daarvoor. Wij wisten het natuurlijk al, maar heel Nederland
weet nu dat het werk dat u doet vaak letterlijk van levensbelang
is.
Voorzitter. Toch moeten we ook constateren dat er dingen zijn die beter
kunnen. Collega Koopmans zei dat ook al. Dat zeggen we niet om u dingen
aan te wrijven, maar om er lessen uit te trekken die nodig zijn. Niemand
had deze pandemie zien aankomen, maar we moeten er wel van leren. Zo
zijn er bijvoorbeeld praktische zaken die in een volgende situatie beter
geregeld kunnen worden. Ik denk aan het sneller opschalen van de
contactcentra en het sneller in de lucht brengen van een
registratiewebsite. Eén ding springt er wat mij betreft echt boven uit,
namelijk duidelijkheid. Duidelijkheid over wat je als Nederlander in
nood wel en niet van Buitenlandse Zaken mag verwachten, over de plichten
die Buitenlandse Zaken heeft bij repatriëring in geval van nood en over
de kosten die daarbij komen kijken. Hoe hoog zijn die kosten en wie moet
die dragen? Maar er moet ook duidelijkheid zijn over de reguliere
dienstverlening. Collega's hadden het daar ook al over. Op sommige
posten en bij de IND lag die stil. Ik snap dat dit was vanwege de
veiligheid van de medewerkers, maar dat had heel vervelende
consequenties voor veel reizigers en partners van Nederlanders.
Nederlanders die eigenlijk recht hadden om naar Nederland te komen,
konden vervolgens niet naar Nederland komen omdat de dienstverlening er
tijdelijk uit lag. Dat ging over langeafstandsrelaties, zoals al werd
gezegd. Dat ging over het feit dat mensen eigenlijk al wel een visum
hadden gekregen, maar het niet konden ophalen omdat de betreffende
ambassade of het consulaat dicht was. We zien dat nu nog steeds in
Marokko. Ik sluit me aan bij de collega's die vragen hebben gesteld over
het weer openen van consulaten en ambassades, uiteraard met inachtneming
van de veiligheid, om zo snel mogelijk de dienstverlening weer te
hervatten.
Voorzitter. Om die duidelijkheid — dat is de kern wat ons betreft — te
vergroten, roepen D66 en GroenLinks vandaag de regering op om te kijken
naar een consulaire wet, een wet die rechtszekerheid en houvast biedt en
die de minimumstandaarden vastlegt richting Nederlanders in het
buitenland. Dat zou bijvoorbeeld kunnen naar het voorbeeld van
Duitsland, dat zo'n wet al heeft. Daar is de rechtszekerheid geborgd en
is er geen onduidelijkheid. Daar kan het Auswärtiges Amt nog steeds goed
maatwerk verrichten als dat nodig is.
Wat in ieder geval in zo'n wet moet worden vastgelegd, is wanneer en hoe
we omgaan met repatriëring en de kosten daarvan. Veel Nederlanders die
vastzaten hebben tal van vliegtickets gekocht voor vluchten die
uiteindelijk niet bleken te gaan. Ze hebben torenhoge mobiele kosten
gemaakt en extra verblijfkosten moeten betalen. Dat was natuurlijk
allemaal tegen hun zin in. Zelfs na die duizenden euro's kwam alsnog de
rekening voor de repatriëringsvlucht. Nagenoeg de hele Kamer heeft aan
deze minister gevraagd of er voor bepaalde mensen een coulanceregeling
getroffen kan worden. De minister zei: nee, dit is iemands eigen
verantwoordelijkheid. Maar toch vraag ik de minister hoe hij dat nou
precies zó kan zeggen tegen mensen die in principe netjes de regels
hebben gevolgd, die de reisadviezen hebben gelezen en die zich aan de
regels hielden, maar simpelweg niet via een andere weg terug konden. Ik
vraag de minister om toch nog een keer te kijken naar een
coulanceregeling op maat.
Voorzitter. De introductie van zo'n consulaire wet biedt, denk ik, ook
in normale omstandigheden grote voordelen. Ten eerste als het gaat om de
reisadviezen. Die zijn vaak van hoge kwaliteit, maar uit onderzoek van
de Rekenkamer blijkt tegelijkertijd dat slechts in 11% van de gevallen
het reisadvies binnen 24 uur werd aangepast na een ramp of een
verslechtering van de veiligheidssituatie. Nou weten we allemaal dat
100% in dit soort gevallen niet kan, maar 11% is dan wel weer een heel
erg laag percentage. Nú ligt die termijn vast in een zelfopgelegde
"zachte" doelstelling van de minister; ik denk dat het goed is om dit in
de wet op te nemen als een harde doelstelling. Ik vraag de minister hoe
hij ervoor gaat zorgen dat er inderdaad binnen 24 uur na een ramp ten
minste een waarschuwing verschijnt op de reisadviessite.
Het tweede voorbeeld waarbij ik denk dat zo'n wet in reguliere tijd kan
bijdragen, is gedetineerdenbezoek. Dat is belangrijk vanwege
resocialisatie en re-integratie en het lijkt een beetje een
ondergeschoven kindje te worden. Het is grotendeels uitbesteed, met
subsidiekaders, met als resultaat dat veel Nederlanders die vastzitten
in het buitenland te weinig hulp en bezoek krijgen. Ook hier wil ik
graag dat zo'n wet een minimumstandaard neerlegt. In de tussentijd vraag
ik de minister wanneer die aantallen bezoeken weer op orde zijn. Neemt
hij de aanbevelingen die voortkomen uit het onderzoek naar
gedetineerdenbegeleiding over?
Voorzitter. Dan heb ik nog twee andere punten over Nederlanders in het
buitenland. Zij zijn onze ambassadeurs. Zij zijn onze oren en ogen in
het buitenland.
De voorzitter:
Voordat u verdergaat ... O nee, de heer Koopmans wil nu niet
interrumperen. Gaat u rustig verder.
De heer Sjoerdsma (D66):
Dat is goed.
Het is goed om te zien dat de dienstverlening voor de 1 miljoen
Nederlanders in het buitenland langzaam wordt verbeterd. Een belangrijke
afspraak in het regeerakkoord is dat zij voor al het contact en alle
diensten bij de Nederlandse overheid 24 uur per dag en zeven dagen per
week digitaal terechtkunnen via het zogenoemde Loket Buitenland. We zien
dat er voor de oprichting van dat loket stappen worden gezet, goede
stappen, maar ik zou eigenlijk graag zien dat dat loket aan het eind van
de kabinetsperiode volledig in werking is. Ik zou de minister willen
vragen of hij dat kan toezeggen en welke problemen er nog mee
zijn.
Voorzitter. Mijn laatste punt gaat over de paspoortverlenging. Ik zie
daarover mooie dingen in het rapport zelf staan, zoals het toegenomen
gebruik van de mobiele teams voor paspoortverlenging en onderzoek naar
de alternatieven voor de verschijningsplicht. Het lijkt me zaak om dat
door te zetten. Mijn vraag aan de minister is: is het mogelijk om zo'n
mobiel team op aanvraag te bestellen? Wanneer verwacht de minister dat
er stappen kunnen worden gezet voor alternatieven voor de
verschijningsplicht?
Tot zover.
De voorzitter:
Exact binnen de u toebedeelde zes minuten, meneer Sjoerdsma. Dank u wel.
Er leek even een interruptie voor u te zijn van de heer Koopmans. Die is
er inderdaad nog.
De heer Koopmans (VVD):
Ja, ik wilde de heer Sjoerdsma even laten uitspreken. De heer Sjoerdsma
en ik hebben in de afgelopen anderhalf jaar dat we hier mogen
samenwerken heel vaak plannen gehad om de consulaire dienst op een of
andere manier te verbeteren. We zaten ook allebei achter dat onderzoek
van de Kamer. Daarbij hebben wij volgens mij ook gezien dat
flexibiliteit belangrijk is, ook om steeds weer ruimte te hebben voor de
nieuwe plannen die wij hebben. Daarom vraag ik, nu de heer Sjoerdsma
voorstelt dat er een wet komt die vaste minimumstandaarden regelt, of
dat niet die flexibiliteit in de weg gaat zitten. En mijn vraag is ook:
wat zou die wet dan eigenlijk veranderen? We hebben allemaal
complimenten uitgesproken voor de fantastische hulp die er was; de heer
Sjoerdsma heeft dat ook gedaan en ik sluit me daar natuurlijk bij aan.
Is er dan nu toch nog, met terugwerkende kracht, allemaal kritiek? Ik
probeer even te begrijpen waarom die wet nu ineens nodig is, ondanks dat
het voorheen dus altijd goed was.
De heer Sjoerdsma (D66):
Het is altijd belangrijk om honing niet in azijn te veranderen, dus mijn
complimenten blijven staan. Laat dat even heel erg duidelijk zijn. Mijn
complimenten blijven staan, voor al die ambtenaren die zich 24 uur per
dag het leplazarus hebben gewerkt om Nederlanders in veiligheid te
brengen. Zonder enige twijfel. Dat staat als een paal boven water.
Waarom is er wel een wet nodig? Dat gaat over de minimumvereisten
waaraan die dienstverlening moet voldoen, het minimum aan
dienstverlening. Als ik bijvoorbeeld kijk naar de reguliere tijden dan
zakt het aantal gedetineerdenverzoeken onder de doelstelling. Waar het
gaat om de doelstelling inzake de reisadviezen zakt het aantal ook weg;
slechts 11% van de reisadviezen wordt tijdig geüpdatet. Een belangrijke
les van deze hele repatriëringsoperatie, wat ook iets is wat de Algemene
Rekenkamer in 2019 heeft gesteld, is dat de rol van Buitenlandse Zaken
bij de repatriëring te onduidelijk blijft. Dat is met heel veel creatief
kunst- en vliegwerk in deze crisis opgelost en er is van alles mee
gedaan maar op welk moment Buitenlandse Zaken in actie komt en wie dat
gaat betalen, is eigenlijk niet vastgelegd. Wat wij met deze wet beogen
en wat de heer Koopmans die inderdaad samen met mij altijd strijdt voor
deze dienstverlening gerust zou moeten stellen, is het vastleggen van
een minimum. Als de minister en zijn ambtenaren daarboven nog dingen
noodzakelijk achten, dan moet de wet dat natuurlijk niet in de weg
staan, maar het lijkt ons wel verstandig om die minimumvereisten, zoals
die ook in Duitsland goed werken, goed vast te leggen.
De voorzitter:
Een vervolgvraag van de heer Koopmans.
De heer Koopmans (VVD):
De heer Sjoerdsma en de heer Van Ojik hebben gisteren in de krant
hierover iets gezegd en dat ging over een situatie zoals die van de
pandemie en dat daar dan dingen voor moeten worden geregeld. Ik probeer
het een beetje te begrijpen want we willen allemaal een consulaire
dienst die zo goed mogelijk functioneert. Kan je nou een wet maken die
vooruitziet op een volgende pandemie? Als er zoiets gebeurt, is er als
ik u goed begrijp geen sprake meer van een eigen verantwoordelijkheid
maar is er een soort gegarandeerde reddingsoperatie van de overheid,
ongeacht de crisis die we nu dus nog niet kennen. Maak je daarmee niet
dat de verantwoordelijkheid van mensen die op reis gaan, bij voorbaat
wordt weggenomen, in de zin dat je zegt: de Staat moet de mogelijkheid
zo en zo inkleden, waardoor je dus ook geen flexibiliteit meer hebt die
we hier juist allemaal zo prijzen? Dus ik probeer het te
begrijpen.
De voorzitter:
De heer Sjoerdsma gaat proberen om het u verder toe te lichten.
De heer Sjoerdsma (D66):
Ja, en mocht mij dat niet lukken, dan kunt u dat wellicht in een
volgende ronde als woordvoerder van GroenLinks nog een keer trachten. Je
kan niet in een wet het hele crisisbeheersingsplan van het ministerie
van Buitenlandse Zaken vastleggen en ik denk ook dat niemand dat beoogt,
maar we moeten wel vaststellen dat zeker in het begin van deze pandemie
er grote onduidelijkheid was bij de reizigers maar ook bij de
reisorganisaties en misschien ook nog wel bij anderen, over wie welke
rol speelt. Wie heeft nou welke verantwoordelijkheid als het gaat om het
ophalen van Nederlanders in nood? Bij dit soort zaken zou ik die
onduidelijkheid graag bij voorbaat weg willen nemen. Volgens mij is dat
ook belangrijk. De op zich heldere afspraken die gaandeweg de crisis op
papier zijn gezet tussen Buitenlandse Zaken en de reisorganisaties, zijn
bijvoorbeeld een hele goede aanzet voor hoe zoiets zou moeten kunnen
gaan werken, denk ik. Dat hoeft misschien niet allemaal een-op-een in
een dergelijke wet opgenomen te worden, maar het moet wel duidelijker
zijn wat de rol van Buitenlandse Zaken is. Dat adviseert de Rekenkamer
ook.
Voorzitter. De heer Koopmans is heel bezorgd dat dit tot minder
dienstverlening gaat leiden. Ik denk dat het juist tot meer
dienstverlening zal leiden, niet alleen door een hogere kwaliteit
dienstverlening, maar ik denk dat ook de frequentie van bepaalde
dienstverlening zal toenemen, of het nu gaat om gedetineerdenverzoeken
of om andere zaken. Dat is wel belangrijk. Onze collega's in andere
commissies, bijvoorbeeld de transportcommissie, willen het namelijk tot
achter de komma hebben over de punctualiteit van de NS. Het is daarbij
allemaal wettelijk vastgelegd hoe de dienstverlening eruit moet zien.
Maar hierbij is er eigenlijk heel erg weinig vastgesteld over hoe de
dienstverlening eruit moet zien. En met het voorstel om de
minimumwaarden eens goed vast te leggen, kan de heer Koopmans het
eigenlijk alleen maar eens zijn, denk ik.
De voorzitter:
We gaan het hierbij laten, meneer Koopmans. U kijkt verwachtingsvol mijn
kant op, maar u heeft uw vragen duidelijk gesteld. De heer Sjoerdsma
heeft daar het antwoord op gegeven dat hij daarop wil geven. We komen
hier wellicht later in het debat, bij het antwoord van de minister, nog
op terug.
Ik vraag mevrouw Ploumen om even het voorzitterschap over te nemen,
zodat ik nog kort een aantal opmerkingen kan maken.
Voorzitter: Ploumen
De voorzitter:
Het woord is aan de heer Van Ojik voor zijn bijdrage namens de fractie
van GroenLinks. Gaat uw gang.
De heer Van Ojik (GroenLinks):
Dank u wel, voorzitter. Ik kan het kort houden, denk ik. Veel van de
opmerkingen die ik vanochtend wilde maken, zijn namelijk al door
collega's gemaakt.
Dat geldt uiteraard voor het voorstel om te kijken naar een mogelijke
wet op consulaire zaken. Als ik straks weer voorzitter ben, is
interrumperen wellicht een beetje moeilijk, dus misschien mag ik van
mijn spreektijd gebruikmaken om aan het adres van de heer Koopmans
misschien wel een zorg van hem weg te nemen. Zo'n mogelijke wet is er
namelijk juist niet op gericht om alle verantwoordelijkheid bij burgers
weg te nemen, om het zo te zeggen, maar juist om duidelijk te maken
waarin de burger zelf de verantwoordelijkheid heeft en waarin de
minister of het kabinet de verantwoordelijkheid heeft. Zoals de heer
Sjoerdsma ook al zei, gaat het er juist om te regelen wat er wél van de
overheid verwacht kan worden, maar uiteraard ook om daarmee te regelen
wat er níét van de overheid verwacht kan worden en waarvoor burgers zelf
de verantwoordelijkheid moeten dragen. Dat zou misschien een deel van de
zorg van de heer Koopmans kunnen wegnemen, althans dat hoop ik.
Voorzitter. Ik had het nog niet gedaan, maar ik sluit mij heel graag aan
bij alle complimenten die door de collega's zijn gemaakt over de manier
waarop het ministerie deze ongekende consulaire uitdaging heeft
aangepakt. Ik denk namelijk niet dat er ooit eerder in de geschiedenis
van dit ministerie iets is geweest wat zo'n gigantisch beroep heeft
gedaan op de consulaire ondersteuning. Ik heb heel veel bezorgde
telefoontjes gehad, maar ik heb later bij navraag van heel veel mensen
gehoord dat hun situatie inderdaad naar tevredenheid was opgelost. Dat
is de andere kant van de medaille. Dat verdient heel veel lof.
Er komt nog een onafhankelijke evaluatie en dat is goed, maar ik vind
het ook goed dat er al in de Staat van het Consulaire een eerste poging
wordt gedaan om al een aantal lessen te formuleren. Tegelijkertijd zou
ik de minister wel willen uitdagen om nog iets duidelijker te zijn over
wat er dan precies goed en mis is gegaan. Ik heb de lessen nu vooral
gelezen als: dit en dit en dit is belangrijk. Veel zaken die daarin
staan, gaan over elementen die belangrijk zijn voor een goede consulaire
dienstverlening. Dat is belangrijk om te weten, maar ik ben ook heel
nieuwsgierig naar de specifieke lessen die kunnen worden getrokken uit
de geschiedenis van deze ongekende laatste maanden.
Mevrouw Ploumen vroeg al naar de huwelijksdwang en de achterlating. De
heer Koopmans sprak daar ook over. Ook mij viel het op dat er een grote
discrepantie zit in de cijfers. Ik vond datgene wat er in de Staat van
het Consulaire staat dus heel positief, want bijna alle gevallen zijn
opgelost, om het maar even huiselijk te zeggen. Maar het gaat dan maar
om een vrij kleine deelverzameling van de grote aantallen die
bijvoorbeeld door het Verwey-Jonker Instituut worden genoemd. Net als
mevrouw Ploumen vroeg ik me af hoe dat te verklaren is.
Ik sluit me ook graag aan bij de vraag van de heer Koopmans over hoe het
nou zit met de repatriëring — "de komst naar Nederland", moet ik zeggen
— van geliefden. Waar mensen die getrouwd zijn wel de mogelijkheid
krijgen om naar Nederland te komen, geldt dat niet voor geliefden die
samenwonen of op een andere manier samenzijn. Uit de vele mails die ik
heb gehad, begrijp ik dat er bijvoorbeeld in Denemarken inmiddels een
regeling is — die is dit weekend ingegaan — waarin juist een verruiming
is geregeld van het aantal mensen dat naar Denemarken kan komen. Ik zou
de minister willen vragen of dat voor Nederland niet ook een model zou
zijn.
Voorzitter. Ten slotte — daar is ook al door collega's over gesproken —
de gedetineerdenbegeleiding. Ik wil nog heel specifiek terugkomen op de
discussie die we vorig jaar hadden naar aanleiding van het uitreisverbod
vanuit Turkije van onze SP-collega in de Eindhovense gemeenteraad. We
herinneren ons dat allemaal nog. Dat is uiteindelijk goed afgelopen.
Toen hoorden we van de minister dat er enkele tientallen mensen met ook
een Nederlands paspoort om politieke redenen — het waren politieke
gevangenen, zo zou je kunnen zeggen — in Turkije vastzaten en niet de
mogelijkheid hadden om uit te reizen. Ik zou het goed vinden als in de
Staat van het Consulaire specifiek aandacht besteed zou kunnen worden
aan deze groep, die misschien klein maar wel belangrijk is. Misschien
kan dat in de toekomst gewoon standaard. Maar ik zou de minister willen
vragen of hij nu iets specifieker in kan gaan op de vraag om hoeveel
mensen het op dit moment gaat en wat het ministerie consulair kan doen,
en doet, om deze mensen bij te staan.
Dank u wel.
De voorzitter:
Meneer Van Ojik, er is een vraag voor u van de heer Koopmans. Gaat uw
gang, meneer Koopmans.
De heer Koopmans (VVD):
Net als de heer Van Ojik wil ook ik natuurlijk een zo goed mogelijke
consulaire dienst. We prijzen steeds de enorme flexibiliteit van die
consulaire dienst. Ik probeer toch te begrijpen wat de heer Van Ojik
zegt, namelijk: ondanks de goede ervaringen en de flexibiliteit hebben
we nu een wet nodig die bepaalde dingen vastlegt. Uiteindelijk vraag je
je dan namelijk voor een situatie die we nog niet kennen — want het gaat
over een toekomstige crisis, die we dus niet kunnen analyseren enzovoort
— af of we dit niveau van hulp willen. Als je dat vastlegt, is dan niet
juist het probleem dat je de flexibiliteit die je nodig hebt om
misschien iets meer of iets minder te doen, frustreert? Want dan zegt de
ene partij "ja, maar u vraagt meer dan de wet, dus dat willen we niet"
en zegt de andere partij misschien het tegenovergestelde. Dan leg je dus
juist iets vast voor die onbekende, toekomstige situatie.
De heer Van Ojik (GroenLinks):
Ik denk dat je het risico dat de heer Koopmans ziet, heel makkelijk kunt
ondervangen door zo'n wet. Het is uiteraard uiteindelijk aan de minister
om met zo'n wet te komen. Je kunt die wet zo formuleren dat daarin een
aantal duidelijke minimumvereisten, om het zo maar te zeggen, zijn
geformuleerd. Denk bijvoorbeeld aan het aantal bezoeken waar een
gedetineerde aanspraak op kan maken, het aantal dagen dat mag
verstrijken voordat een reisadvies wordt aangepast — dat is een punt
waar de Rekenkamer op heeft gewezen en waar de heer Sjoerdsma net over
sprak — of de manier waarop kosten worden toegedeeld op het moment dat
er van repatriëring sprake zou zijn. Je kunt in zo'n wet wel degelijk
een aantal zaken regelen die zekerheid geven over de
verantwoordelijkheidsverdeling tussen burger en overheid en
tegelijkertijd ruimte bieden. Ik heb zelf overigens niet het idee dat
die wet alleen bedoeld is voor crisissituaties. Die wet is gewoon
bedoeld om ook tussen crisissen in, dus in normale situaties, mensen
duidelijkheid te geven over waar ze aan toe zijn. Als er dan een
crisissituatie is, zul je sommige dingen moeten opschalen. Dan heb je
een vloer gelegd in wat je minimaal moet blijven doen. Volgens mij is
een van de lessen van deze pandemie dat zo'n vloer, zo'n bodem, heel
nuttig is.
De voorzitter:
De heer Koopmans, in tweede instantie.
De heer Koopmans (VVD):
Ik denk graag met de heer Van Ojik mee, maar ik begrijp hem nog steeds
niet helemaal. Want de landen die, naast Nederland, relatief de meeste
reizigers hebben, zijn Ierland en Australië en die hebben zoiets ook nog
niet. We hebben, zo begrijp ik ook weer uit dit overleg, ook helemaal
geen groot probleem dat we moeten oplossen. Ik zoek dus nog steeds naar
een reden: waar biedt zo'n wet nou een oplossing voor? Ik zit ook nog
steeds met een andere grote vraag. De heer Van Oijk zegt ook in dat
interview weer dat er standaarden moeten komen, maar wat die standaarden
zijn, kunnen we niet zeggen; dat laten we aan de beleidsmakers. Dan maak
je dus een wet die wel een kader geeft, een wet die het allemaal
zwaarder, ingewikkelder en minder flexibel maakt, maar wat die wet
daadwerkelijk doet, wil je niet zeggen. Ook laat je achterwege welk
probleem we nou eigenlijk aan het oplossen zijn, want gaat er nou iets
helemaal mis dat zo'n wet moet oplossen? Ik denk graag mee, maar ik snap
dus het probleem én de oplossing niet. Ik vrees dat we het alleen maar
rigider en moeilijker maken.
De heer Van Ojik (GroenLinks):
Ik heb geprobeerd om dat heel kort aan te geven, met drie voorbeelden:
de kostentoerekening bij repatriëring, een minimumaantal bezoeken aan
Nederlandse gedetineerden in het buitenland en de aanpassingstermijn
voor reisadviezen. Dat zijn drie voorbeelden waarvan de heer Sjoerdsma
van D66 en ik van GroenLinks hebben gezegd: daar zou je in zo'n
wettelijk kader standaarden voor kunnen afspreken die altijd gelden. Dan
weten burgers ook meteen waar ze geen recht op hebben. Als een
gedetineerde recht heeft op twee keer per jaar bezoek, dan heeft hij
geen recht op vier keer per jaar bezoek; maar één keer is dan te weinig.
De heer Koopmans zegt dat hij niet weet voor welk probleem dit een
oplossing is. Nou, bijvoorbeeld voor het feit dat het vaak te lang duurt
voordat reisadviezen worden aangepast. Bijvoorbeeld voor het feit dat
gedetineerden soms geen bezoek krijgen. Bijvoorbeeld voor het feit dat
het tijdens de covidpandemie vaak tot heel laat in het proces
onduidelijk was of iemand zelf voor repatriëring moest zorgen of dat de
reisorganisatie of de minister dat zou doen. Dat zijn maar een paar
voorbeelden. Natuurlijk is het uiteindelijk aan de regering, aan het
kabinet — althans in ons voorstel — om die standaarden verder in te
vullen, zodat wij er als Kamer weer met de minister over kunnen
debatteren. Op die stoel gaan we niet zitten, voorzitter.
De voorzitter:
Nee, meneer Van Ojik, maar u neemt nu wel de voorzittersstoel in.
Voorzitter: Van Ojik
De voorzitter:
Dat doe ik met heel veel genoegen, onder dankzegging aan u, mevrouw
Ploumen.
Hiermee zijn we gekomen aan het eind van de eerste termijn van de zijde
van de Kamer. Ik kijk naar de minister, die zegt dat hij tien minuten
nodig zal hebben om zijn antwoord voor te bereiden. Ik schors de
vergadering dus tot 10.25 uur.
De vergadering wordt van 10.14 uur tot 10.26 uur geschorst.
De voorzitter:
Ik geef het woord aan de minister van Buitenlandse Zaken voor zijn
antwoord namens de regering in eerste termijn.
Minister Blok:
Dank u wel, voorzitter. Allereerst natuurlijk mijn dank voor uw dank aan
de BZ'ers die zich inderdaad enorm hebben ingespannen voor de
repatriëring. Dat was indrukwekkend. Ook ik heb, net als u, contact
gehad met mensen die begrijpelijkerwijs heel bezorgd waren omdat ze zelf
vastzaten of familie vast hadden zitten, maar ook met mensen die enorm
blij en dankbaar waren toen het was opgelost. Uw dank, die u overigens
eerder had geuit, is ook luid en duidelijk ontvangen bij BZ. Ik zou
daaraan overigens willen toevoegen de goede samenwerking die we hebben
gehad met een aantal private partners, de alarmcentrales, de
verzekeraars, reisorganisaties en luchtvaartmaatschappijen. Ik vond het
bijzonder dat we heel snel, heel Hollands zijn gaan polderen tussen alle
betrokken partijen, met wat mij betreft gewenst resultaat. Ik zal zo nog
specifiek ingaan op mensen in Marokko die nog steeds de wens hebben naar
huis terug te keren, maar overall is dat heel behoorlijk verlopen.
Ik begrijp ook de wens bij eigenlijk alle Kamerleden om de ervaringen
met de consulaire dienstverlening tijdens zo'n grote crisis, die
misschien nog eens terug kan komen in een andere vorm, nog eens
uitgebreider te evalueren. We moeten alleen constateren dat we in feite
nog in de crisis zitten. Als je naar de wereldwijde cijfers kijkt, dan
hebben we in Nederland en West-Europa gelukkig over het algemeen te
maken met een enorme afname van het aantal infecties, maar wereldwijd
geldt dat zeker niet. Voor het onderwerp waarover we het vandaag hebben,
consulaire dienstverlening en reisadviezen en wat die betekenen voor het
werk van Buitenlandse Zaken en voor de dienstverlening aan Nederlanders
in het buitenland, kan ik nu dus alleen maar tussenstanden geven. Het
lijkt mij dus het meest logisch dat ik u toezeg dat we volgend jaar in
de Staat van het Consulaire uitgebreid ingaan op de lessen die wij
getrokken hebben, hopelijk in een situatie waarin we kunnen zeggen dat
de crisis echt onder controle is. Als dat niet zo is, dan hebben we in
ieder geval de gelegenheid om de lessen tot op dat moment uitgebreid uit
te werken. Nu zou het, in alle eerlijkheid, heel erg een tussenstand
zijn.
Ik zal mijn antwoorden opdelen in de volgende onderwerpen: repatriëring,
het loket buitenland en de visumverlening, huwelijksdwang en
gedetineerdenbegeleiding.
Ik begin met de repatriëring, waarbij ik ook zal ingaan op het voorstel
van D66 en GroenLinks om te komen tot een aparte visumwet. Allereerst
mevrouw Ploumen, die ons inmiddels ongetwijfeld op afstand volgt, de
heer Koopmans en de heer Sjoerdsma, die vroegen naar de huidige stand
van zaken rond Nederlanders in Marokko. Wij hebben negen
repatriëringsvluchten kunnen uitvoeren. Langs die route zijn in totaal
zo'n 3.000 mensen terug naar huis kunnen keren. Dat is ook het aantal
mensen dat zich gemeld heeft toen we de regeling Bijzondere Bijstand
Buitenland openstelden. Het zijn niet een-op-een dezelfde mensen. Ik heb
al eerder rond repatriëring aangegeven dat het onvermijdelijk ook een
beetje schuivende panelen zijn. Mensen die in eerste instantie geen
behoefte hadden, hebben zich later laten toevoegen. Daarnaast zijn er
mensen die zich eerder gemeld hadden, maar die toen ze benaderd werden
ofwel onvindbaar waren ofwel aangaven bij nader inzien toch niet weg te
willen.
Daarbij is er ook een heel grote tussencategorie. Toen wij de operatie
startten, hebben we direct aangegeven dat we ons zouden richten op
toeristen, op reizigers die redelijkerwijs geen vast onderdak hebben,
overvallen zijn door de crisis, vastzitten in een hotel of een hostel en
hun vakantiebudget aan het verstoken zijn in een land waar ze echt
totaal vreemdeling zijn. We hebben direct aangegeven dat we ons
realiseren dat er feitelijk natuurlijk honderdduizenden Nederlanders min
of meer permanent buiten Nederland wonen en dat er ook een heel grote
tussengroep is, niet alleen in Marokko, maar ook in heel veel andere
landen. Die mensen brengen een deel van het jaar in dat land door,
bijvoorbeeld vanwege het klimaat, en een ander deel van het jaar in
Nederland. Dat zie je ook bij de aanmeldingen voor repatriëring. Dat zie
je in Marokko, maar ook in andere landen. Mensen die zich aanvankelijk
niet gemeld hadden omdat ze er bijvoorbeeld toch iedere winter zitten en
er onderdak hebben, vonden het op een gegeven moment toch wel lang
duren. Het is ook mogelijk dat ze zich oncomfortabel gingen voelen
vanwege andere medische voorzieningen of vanwege de wens om in deze
situatie in Nederland te zijn.
Vanaf het begin heb ik steeds gezegd: als er Nederlanders in het
buitenland een beroep op ons doen, dan staan we voor ze klaar. Die
uitspraak blijft staan. Voor Marokko betekent dat dat wij blijven
inzetten op het kunnen terugbrengen van mensen. U heeft mij in de
praktijk steeds deze formulering horen gebruiken. Gelukkig heeft dat
geleid tot negen vluchten. Het is ook nu de praktijk. De regeling
Bijzondere Bijstand Buitenland is gesloten, maar dat neemt niet weg dat
wij kijken naar de mogelijkheid om luchtverbindingen te organiseren voor
mensen die alsnog naar huis willen. Kortom, daar zetten wij ons zeer
voor in.
Is de ambassade bereikbaar? De ambassade in Marokko werkt binnen de
lokale regelgeving. Dat betekent: zo veel mogelijk thuis en beperkte
visumverlening. De ambassade is wel 24/7 bereikbaar omdat we dat ook via
ons contactcentrum hier kunnen leiden. Maar visumverlening op de schaal
waarop we dat voor de crisis konden doen, kan ook in Marokko nog niet.
In die zin is het vergelijkbaar met de situatie in heel veel andere
landen. Als je nog niet met de volle bezetting op kantoor kunt werken,
kan de dienstverlening ook nog niet op dat niveau plaatsvinden. Het is
onze inzet om, naarmate de regels versoepeld worden, mee te bewegen en
terug te kunnen naar de verstrekking van visa en reisdocumenten op de
oude schaal. Het is nu dus nog niet helemaal het geval, maar de
bereikbaarheid is er.
De heren Koopmans, Sjoerdsma en Van Ojik vroegen hoe we omgaan met
mensen van wie de partner zich bevindt in een land dat op dit moment
valt onder het inreisverbod van EU-Schengen.
De voorzitter:
Voordat u daarnaartoe gaat, is er een interruptie op het vorige punt van
de heer Sjoerdsma.
De heer Sjoerdsma (D66):
Even voor de zekerheid. Is het blokje Marokko hiermee afgesloten?
Minister Blok:
Ja.
De heer Sjoerdsma (D66):
Dan toch even de vraag hoeveel Nederlanders nog in Marokko vastzitten
die eigenlijk graag terug naar huis zouden willen.
Minister Blok:
Daar moet ik in tweede termijn even op terugkomen. Maar nogmaals, het
zijn altijd glijdende cijfers. Ik wil wel even kijken wat nu de stand
van zaken is, maar ik zeg er meteen bij dat als wij gaan bellen, er heel
veel no-shows blijken te zijn. Dat geldt voor Marokko of voor een ander
land. Overigens krijgen we ook heel veel no-shows als we een vliegtuig
boeken. Ik kom even terug op wat wij nu aan meldingen hebben. Helaas is
het geen een-op-eensysteem. We kunnen niet met bijvoorbeeld een aantal
van 500 beginnen en die mensen dan een voor een afturven.
De heer Sjoerdsma (D66):
Nee, dat snap ik. Nederland is erin geslaagd om heel veel mensen terug
te halen. Daarvoor mijn complimenten. Marokko is in die zin anders dan
heel veel andere landen, dat het deze regering heeft belet om
vliegtuigen te sturen om mensen op te halen. Vandaar mijn vraag en
vandaar dat ik er waarde aan hecht om te weten hoeveel Nederlanders daar
nog vastzitten. Ik snap dat het een glijdende schaal is en dat het nooit
een actueel beeld is. De minister zou kunnen zeggen dat er nog enkele
honderden zijn die eigenlijk naar huis zouden willen maar dat niet
kunnen. Het gaat mij om die orde van grootte. Het is misschien overbodig
omdat de minister er zelf ook achteraanzit. We zijn nu al zo veel
maanden in deze crisis dat het van de gekke is dat Marokko nog steeds
mensen van Nederlandse komaf vasthoudt. Dat wil ik in ieder geval gezegd
hebben. Ik roep de minister op om zijn inspanningen te vervolgen.
Minister Blok:
Inmiddels krijg ik een briefje toegeschoven met het aantal mensen dat
zich gemeld heeft bij het 24/7-punt. Dat zijn er 1.800. Voor het
overgrote deel zijn dit mensen die na de sluiting niet terug konden.
Daarvoor geldt dat wij nog steeds proberen om voor hen vluchten te
regelen. Maar nogmaals, probeer niet van 1.800 terug te tellen naar nul,
want ook bij de vliegtuigen die wel zijn gegaan waren er heel veel
no-shows.
De voorzitter:
U was net begonnen aan het volgend punt van de beantwoording.
Minister Blok:
Ja, de vraag van een aantal van u over de gevolgen van reisbeperkingen
voor mensen die gescheiden zijn van hun partner. Er wordt een
uitzondering gemaakt op het EU-Schengen-inreisverbod voor mensen van wie
de partner overkomt. Dit geldt overigens ook voor mensen die al
beschikken over een verblijfsvergunning of een mvv. Als er een vorm van
registratie van het partnerschap is, huwelijk of geregistreerd
partnerschap, dan kan een beroep op die uitzondering worden gedaan. Als
er geen registratie van het partnerschap is, dan kunnen wij natuurlijk
ook geen oplossing bieden, want dan is er geen juridische grondslag voor
het inreisverzoek. Mensen kunnen nog wel zelfstandig een verzoek doen,
maar dan kunnen ze geen beroep doen op de uitzonderingsclausule voor
geregistreerde en gehuwde partners.
De heer Koopmans vroeg …
De voorzitter:
De heer Koopmans heeft eerst nog een interruptie op dit punt.
De heer Koopmans (VVD):
Ik begrijp wat de minister zegt. Ik vraag dit omdat ik weet dat mensen
die in zo'n situatie verkeren nu meekijken. Hun partner woont
bijvoorbeeld in Japan of ergens in Zuid-Amerika. Deze mensen zijn nu een
halfjaar gescheiden van hun geliefde. Ik begrijp dat de minister zegt
dat het moeilijk is om dit op pakken als er geen registratie is. Is er
niet toch iets mogelijk? Ik wil de minister niets voorschrijven, maar
mensen in andere landen kunnen proberen aan te tonen dat ze al een
duurzame relatie hebben. Is zoiets denkbaar of is dat onmogelijk?
Minister Blok:
Ik hoorde een van u verwijzen naar een Deens voorbeeld, dat ik niet ken.
Ik ben graag bereid naar het Deense voorbeeld te kijken, maar dan moet
ik daar even schriftelijk op terugkomen. Het dilemma zal helder zijn:
als wij geen registratie hebben, hoe dan te controleren dat die partner
er is? Tegelijkertijd kan ik mij ook het leed heel goed voorstellen als
mensen een relatie hebben, die niet geregistreerd hebben om wat voor
reden dan ook en zeggen: we houden van elkaar, maar we zitten 10.000
kilometer van elkaar vandaan. Dat begrijp ik ook. Ik kom daar
schriftelijk op terug.
De heer Koopmans ging in op de situatie die nu gaat ontstaan dat er weer
gereisd kan worden, maar tegelijkertijd nog steeds het risico bestaat
dat het virus weer oplaait en mensen weer vast komen te zitten. Dat is
precies de reden waarom de reisadviezen nergens op groen staan, maar
altijd ten minste op geel: let goed op, bereid u goed voor; kortom,
bedenk of u op reis wil, wetend dat dit risico nog steeds bestaat.
Mensen kunnen zich individueel of, als je met een groep reist, met een
groep registreren bij Buitenlandse Zaken. Langs die route kunnen wij
contact met ze houden. We kunnen ze ook pushberichten sturen als zo'n
situatie zich voordoet. Daarnaast hebben we natuurlijk de bestaande
reisadviezen, die met grote frequentie worden geüpdatet. We hebben
bijvoorbeeld net Denemarken gelukkig van oranje naar geel over kunnen
zetten, omdat Denemarken weer open is voor Nederlandse reizigers.
Hiervoor geldt ook wat ik gezegd heb toen we aangaven dat heel veel
landen weer op geel gaan, maar dat we niet meer zo'n grote repatriëring
gaan doen. Dat betekent niet dat u niet terechtkunt bij Buitenlandse
Zaken. U kunt u voor die pushberichtenservice registreren. Onze
24/7-dienstverlening staat altijd voor u open. Maar we willen wel helder
zijn. Dit was een heel bijzondere situatie. Dat kunnen wij niet nog een
keer doen.
De heer Koopmans vroeg ook wanneer wij weer visa gaan afgeven. Dat hangt
af van de besluitvorming die as we speak in Brussel bediscussieerd
wordt. De landen die nu op geel staan hebben geen visumverplichtingen,
maar dan komen er mogelijk landen aan de orde waar wel
visumverplichtingen voor gelden. Dan zullen we dat natuurlijk weer gaan
opschalen.
De vraag over hoe we omgaan met het repatriëren van Nederlanders die
permanent in een ander land wonen heb ik bij de inleiding al
beantwoord.
Dan de zeevarendenproblematiek. Dat is inderdaad een vraagstuk dat heel
veel landen maar ook Nederland als belangrijk zeevarend land met grote
havens raakt. Dat is voor ons de reden om in een aantal landen waar veel
bemanningen vandaan komen zoals de Filipijnen en Rusland ter plekke de
visumverlening op te schalen. Dat is al gebeurd. Zowel in Manilla als in
Moskou kunnen weer ruim honderd visa per dag worden verstrekt. Daarnaast
hebben we de mogelijkheid geboden om in Nederland zowel in lucht- als in
zeehavens visa af te laten geven door de marechaussee of de
zeehavenpolitie, zodat bemanningen gewisseld kunnen worden. Dat is een
zeer reëel vraagstuk.
De heer Sjoerdsma vroeg hoe we omgaan met reizigers die kosten gemaakt
hebben voor vluchten die niet doorgingen in pogingen om terug naar
Nederland te komen en die vervolgens een beroep hebben gedaan op de
BBB-vluchten. Voor de BBB-vluchten hebben we een standaardtarief
berekend dat heel oprecht heel redelijk is: €300 Europa en de ring
daaromheen, €900 daarbuiten. Dat was voor veel landen veel goedkoper dan
wat mensen zelf betaald hadden. Ik kan dus niet zeggen dat ik overspoeld
ben door berichten van mensen die zeggen "wat een onredelijke prijs". We
hebben mensen niet gevraagd ter plekke te betalen. We hebben ze verteld
dat we ze een berekening zouden sturen. Dat doen we ook. Die worden over
het algemeen ook netjes betaald.
Ik realiseer me dat er mensen zijn die vluchten geboekt hebben die niet
door zijn gegaan — in die situatie, maar overigens ook in andere
situaties. Daarvoor geld het gewone consumentenrecht, waar de Europese
Commissie ook extra druk op heeft gezet. Aanvankelijk hebben heel veel
luchtvaartmaatschappijen aangegeven als enige optie een voucher te
willen bieden. De Europese Commissie heeft gezegd: dat is niet redelijk,
je moet ook geld terug kunnen krijgen. Dat geldt ook voor deze mensen.
Dus dat is een privaatrechtelijke verhouding. Dat staat wat mij betreft
los van het feit dat wij een redelijke vergoeding vragen. Ik kan
moeilijk tegen al die mensen die keurig die vergoeding betaald hebben,
zeggen dat andere mensen die niet hoeven te betalen omdat zij nog een
dispuut hebben met welke luchtvaartmaatschappij dan ook. Dat zou niet
eerlijk zijn.
De heer Sjoerdsma (D66):
Als het gaat over tickets die geboekt zijn en waarvoor nog geen geld is
terugbetaald, daar ga ik de minister niet mee complimenteren. Mijn
fractiegenoot, de heer Paternotte, heeft behoorlijk wat werk moeten
besteden om zowel de premier als minister Van Nieuwenhuizen te
overtuigen om hier het Europees recht uit te voeren. Nu krijgen
inderdaad mensen hun geld terug in plaats van vouchers. Dus misschien
dat ik gewoon mijn collega Paternotte een compliment geef. De minister
zegt dat hij niet mensen de kans gaat geven om gratis te hebben gevlogen
waar anderen gewoon netjes hebben betaald. Voor een deel snap ik dat. Ik
ben een echte Nederlander. Als iemand anders het gratis krijgt, had ik
het dan ook niet gratis moeten krijgen? Tegelijkertijd zijn er mensen —
de minister zegt dat hij niet wordt overspoeld, maar ik heb die
berichten wel ontvangen — die hier echt problemen aan zeggen over te
houden. Dat gaat over dingen als de komende maanden echt heel erg krap
bij kas zitten of niet zo goed weten waar het geld vandaan moet komen,
omdat niet was gerekend op deze extra uitgaven boven op de andere extra
uitgaven die moesten plaatsvinden. Dat is ook wat de Kamer in
schriftelijke vragen heeft gevraagd en waarvan de minister heeft gezegd:
nee, dat doe ik niet. Niet een algemene coulanceregeling, maar wel de
mogelijkheid voor de minister om over zijn hart te strijken als mensen
aangeven een probleem te hebben. Ik wil hem toch nog eens vragen om
daarop te reflecteren.
Minister Blok:
Door de manier van betalen die we gekozen hebben — redelijke bedragen,
niet vooraf, maar achteraf te betalen, wat ook de mogelijkheid biedt om
te zeggen "mag het twee weken later?" of "kan ik het in drieën betalen?"
— denk ik dat we mensen heel erg tegemoetkomen. Ik vind het, nogmaals,
heel ingewikkeld om tegen een deel van de mensen te gaan zeggen dat ze
niet meer hoeven te betalen. Dan word je in feite de medewerker van de
sociale dienst bij de gemeente die moet gaan controleren of iemand
andere bronnen van inkomsten of vermogen heeft. Dat vraagt een enorme
bewerkingsslag, die je in het kader van de rechtsgelijkheid dan toch wel
zou moeten doen. Want, nogmaals, de meeste mensen betalen de rekening.
Niemand vindt dat leuk, maar men realiseert zich dat uiteindelijk dat
vliegtuig betaald moest worden. Dus met wat ik schets — het is betaling
achteraf, wat met zich meebrengt dat je in tijd of deelbetalingen iets
kan doen — zie ik geen mogelijkheid die tegelijkertijd recht doet aan
het maatwerk dat soms nodig is — dat ben ik met de heer Sjoerdsma eens —
en tegelijkertijd binnen de rechtsgelijkheid blijft naar de enorme massa
mensen die zegt: het is ook wel fair dat als ik word teruggevlogen, ik
€300 of €900 betaal.
De voorzitter:
De heer Sjoerdsma in tweede termijn.
De heer Sjoerdsma (D66):
Zo kan je dat uitleggen. Je zou ook de andere route kunnen kiezen: de
route die het kabinet heeft gekozen bij het overeind houden van heel
veel banen in Nederland. Daar werd namelijk op geen enkele manier
gevraagd: bewijs dat u dit nodig heeft. Er werd gezegd: "we vertrouwen
u; er zullen ongetwijfeld mensen misbruik maken van die regeling, en er
zullen ongetwijfeld bedrijven zijn die deze regeling aanvragen terwijl
ze er eigenlijk geen recht op hebben of die haar niet nodig hebben, maar
het algehele belang hier was groter, en wij vertrouwen erop dat het in
het algemeen goed komt". Analoog hieraan zou de minister, als hij zo
hecht aan rechtsgelijkheid, hier prima kunnen zeggen: we hebben er
vertrouwen in dat iedereen die dit kan betalen, het ook betaalt; maar we
hebben er ook een dusdanig vertrouwen in dat als mensen zich melden en
zeggen dat het hun een groot probleem oplevert, we dat geloven. Daar
hoeft de minister niet een heel bureau voor op te tuigen — ik zou dat
zijn medewerkers ook niet willen aandoen; die hebben volgens mij
belangrijker werk te doen — maar het zou toch een oplossing kunnen zijn
voor die mensen die wel een probleem hebben. De minister zegt dat zijn
mailbox niet overloopt, maar ik geloof ook niet dat er geen enkel geval
bij de minister bekend is.
Minister Blok:
Ik geloof niet dat de vergelijking met de regelingen voor bedrijven
helemaal opgaat. Die is gekoppeld aan omzetterugval. Inderdaad, de
uitbetaling vooraf is royaal, nog even los van de KLM- of IHC-casus, die
apart met de Kamer worden besproken. Maar de regelingen voor
ondernemingen die met omzetverlies te maken hebben, kennen wel degelijk
een controle achteraf. Ik heb zelf niet alle details van de regelingen
voor ogen, want ik ga daar niet over, maar de regelingen die ik zo uit
het hoofd ken, houden inderdaad een soepele betaling vooraf maar daarna
een controle op omzetverlies in.
De voorzitter:
De minister vervolgt zijn betoog.
Minister Blok:
Dan kom ik op het voorstel van de heren Sjoerdsma en Van Ojik om een wet
voor consulaire dienstverlening te maken waarin een aantal basisrechten
staan. Ze verwijzen daarbij enerzijds naar ervaringen tijdens deze
crisis, en anderzijds naar het feit dat een aantal landen zo'n wet
heeft. Het vastleggen van een aantal rechten in een wet roept
onvermijdelijk een aantal klassieke vragen op rond de uitvoerbaarheid,
rond de kosten en rond de verwachtingen die je wekt. Als ik een aantal
van die criteria zo langs mijn ogen laat passeren, en ik daarvoor de
huidige crisis als illustratie gebruik, dan vraag ik mij af wat een wet
daaraan toevoegt. De mensen die ernstig knel zaten, zaten over het
algemeen in een land waar sprake was van een vorm van lockdown en
reisverbod. Marokko is het meest scherpe voorbeeld. In heel veel landen
bestond een belangrijk onderdeel van de inzet van onze medewerkers erin
mensen eerst in het land zelf te mogen verplaatsen. Daar was toestemming
voor nodig. Onze medewerkers hebben zelfs bussen geregeld in heel veel
landen. Men moest dus de lokale autoriteiten om toestemming vragen. De
landelijke autoriteiten hadden we vaak nodig voor landingsrechten; ik
heb zelfs nog gebeld om schepen door het Panamakanaal te mogen laten
varen. Kortom, het liep tegen lokale regelgeving aan. Die kan ik niet
met Nederlandse regelgeving ondervangen. Dus ook als wij hier in een wet
zouden schrijven "u heeft altijd recht op repatriëring", kan ik dat deel
niet ondervangen.
Het tweede is de ingewikkelde balans tussen eigen verantwoordelijkheid
en de verantwoordelijkheid die de Staat op zich neemt. Er is geen
algemeen recht op repatriëring. Ik zeg ook niet dat u dat bepleit, maar
het is meer een gedachte-experiment. In de situatie waarin we ons nu
bevinden, hebben we heel duidelijk onderscheid gemaakt tussen de grote
crisis waarbij we hebben gezegd "dat gaan we voor u doen samen met
verzekeraars, alarmcentrales en anderen", en de situatie nu, waarin we
ook heel duidelijk zeggen: dat gaan we niet doen. Het is heel moeilijk
om dat onderscheid in een wet te kunnen maken. Het is al moeilijk om het
eerste deel dat we, gelukkig, met private ondernemingen gedaan hebben,
goed in een wet te regelen. Dit was echt maatwerk op basis van
bereidheid van beide kanten. Het is ook moeilijk om in een wet ruimte te
laten voor het tweede deel, namelijk zeggen: u weet in welke situatie we
ons nu bevinden en dat leidt ertoe dat we u van tevoren zeggen dat we u
niet gaan repatriëren. Dat geldt ook voor het onderscheid in
verschillende reisvormen. Een beetje beschrijvenderwijs: aan het begin
van de crisis hadden we veel te maken met cruiseschepen. Toen kreeg ik
weleens de vraag waarom ik geen vlucht regelde. Die vraag kreeg ik nooit
van de cruisemaatschappijen, want als er iets hun vak is, dan is het wel
om mensen heen en weer te vliegen naar schepen. Toch las ik in allerlei
kranten: de minister moet vluchten gaan regelen. Het enige wat die
cruisemaatschappijen aan mij of mijn mensen vroegen was om toestemming
te regelen om de mensen te mogen ontschepen en vliegen. Dat is één deel.
Een ander deel is dat er gelukkig ook mensen zijn die met weinig geld
met de rugzak of de fiets de wereld in trekken. Zij zullen
waarschijnlijk meer vragen dan alleen maar toestemming voor een vlucht.
Dan kom je in de discussie als ik net met de heer Sjoerdsma had over wat
een redelijke kostenverdeling is en wat voor voorzieningen mensen zelf
moeten treffen.
Een ander dilemma — sorry dat ik er een aantal schets, maar als je een
wet gaat maken, moet je daar heel precies in zijn — is wat je met mensen
doet die tegen reisadviezen in zijn gaan reizen en zich toch in een
bepaald gebied bevinden. Dat geldt nu vanwege het feit dat wij hebben
gezegd: wij gaan u niet repatriëren. Wij hebben met de BBB-operatie een
heleboel mensen teruggehaald uit gebieden waar zij niet hadden moeten
zijn, tot rode gebieden aan toe. Ik wou eigenlijk nooit in een wet gaan
zetten dat dit recht bestaat. Nogmaals, wij doen ons best voor iedereen,
maar mensen hebben echt niet het recht om teruggehaald te worden uit een
rood gebied, waar ze niet hadden moeten zijn.
Ik zeg het nu even wat scherp omdat een wet naar zijn aard nogal
digitaal is. Want anders wordt een wet heel vaag, en dan leert de
praktijk dat die in rechterlijke uitspraken verfijnd moet worden. Dat is
over het algemeen een nogal onwenselijke situatie. Ik zie voor een heel
aantal van de situaties die ik u schets, geen goede mogelijkheid om
goede wetgeving te maken. U wijst er in uw voorstel logischerwijs op dat
er een aantal landen met dergelijke wetgeving zijn. Als ik naar de
praktijk van de uitvoering kijk tijdens de crisis, kan ik nou niet
zeggen dat het in Nederland heel anders is gegaan dan in Duitsland,
waarmee ik het het beste kan vergelijken. Er is goed samengewerkt met
andere EU-landen, ook met Duitsland. Die liepen tegen precies dezelfde
dilemma's en mogelijkheden aan als Nederland.
Kortom, ik begrijp de wens om lessen te trekken. Nogmaals: dat doen we
nu, maar dat gaan we ook nog gestructureerder doen. Maar voor wetgeving
leent dit onderwerp zich mijns inziens vrij slecht. Ik begrijp dat u
teleurgesteld bent, maar dit is wel een eerlijk antwoord.
De voorzitter:
Ik geloof niet dat iedereen teleurgesteld is, maar de heer Sjoerdsma wil
toch nog wat vragen, wellicht mede namens de andere indiener, die nu
voorzit.
De heer Sjoerdsma (D66):
Ik heb heel veel verstandige argumenten gehoord, maar het zijn
argumenten die maar heel weinig met ons voorstel te maken hebben. Het
was een lange opsomming van terechte punten, bijvoorbeeld hoe je omgaat
met Nederlanders die in rood gebied zitten, zoals dat in
reisadviestermen heet, en hoe je het probleem van de lokale regelgeving
oplost, waar heel veel Nederlanders last van hadden. Dat is allemaal
waar, maar dat is ook niet waar dit voorstel van wet over gaat. Ik zou
de minister eigenlijk willen vragen om deze exercitie nog een keertje te
doen. Ik kan me voorstellen dat dit misschien wat meer tijd vergt. Hij
zal ongetwijfeld nog niet de gelegenheid hebben gehad om het hele
voorstel te lezen. De kern van wat we willen vastleggen in deze wet,
omvat een aantal zaken. Dat zijn ook een aantal zaken die wel degelijk
verbetering behoeven, zoals de rol van Buitenlandse Zaken als
repatriëring nodig is. Dat was onduidelijk aan het begin van deze
crisis. In 2019 heeft ook de Rekenkamer daar het en ander over gezegd.
Dat behoeft verduidelijking, en dat kan met een wet gebeuren. Ik zeg
niet wanneer moet worden gerepatrieerd en of het kabinet dan mensen uit
de rode gebieden moet halen. Ik laat het graag aan de minister van
Buitenlandse Zaken over hoe je, als het moment daar is, daarop moet
acteren. Maar het gaat wel om welke rol er is. Hetzelfde geldt voor de
kosten. De minister en ik verschillen erover van mening waar die kosten
moeten liggen, maar ook dat was aan het begin onduidelijk. En dan heb ik
het nog niet eens over de reguliere dienstverlening, waarvoor de
minister een aantal zachte doelstellingen heeft geformuleerd,
bijvoorbeeld hoe vaak een gedetineerde per jaar moet worden bezocht of
hoe snel een reisadvies moet worden geüpdatet. Ik wil eigenlijk dat dat
soort minimumafspraken een afspraak met de Kamer worden. Ik zou de
minister dus willen vragen — hij kan dat nu doen; hij kan er ook later
nog een keer op terugkomen — om daar echt een keer naar te kijken, want
dat is het voorstel, en niet hetgeen waar hij nu op reageert.
Minister Blok:
De heer Sjoerdsma heeft natuurlijk gelijk dat het voorstel dat hij met
de heer Van Ojik heeft gedaan, recent gedaan is en dat ik daar dus een
eerste reactie op geef. Maar dat is wel mijn eerste reactie tegen de
achtergrond van het feit dat ik nogal wat wetten heb mogen maken, als
Kamerlid en als minister. Tegen die achtergrond wijs ik op het nogal
zwart-witte en onverbiddelijke karakter van een wet. Een wet kent een
aantal rechten toe — dat is de gedachte hierachter — en het toekennen
van een recht betekent altijd het opleggen van een plicht aan iemand
anders. Die iemand anders is dan de overheid/de belastingbetaler. Je
moet dus heel goed de vragen waarmee ik begon aan de orde stellen.
Kunnen we dat? Welke verwachtingen wekken we daarmee? Welke invloed
heeft dat op de verantwoordelijkheidsverdeling? En hoe betalen we het?
Ook bij een snelle doordenking van een voorstel kom je daarop.
De heer Sjoerdsma noemde bijvoorbeeld het verduidelijken van de rol van
BZ, maar die is heel erg situatieafhankelijk. Die rol is tijdens een
crisis echt een andere dan onder normale omstandigheden, en weer een
andere in de situatie waarin we ons nu bevinden. We zijn eigenlijk nog
steeds in crisis, maar gelukkig is het overgrote deel van de mensen
thuis. Daarbij zeggen we: we gaan u tijdens deze crisis dus ook niet
repatriëren als u nog een keer zou gaan. Dus op die eerste vraag, om de
rol van BZ te verduidelijken: ik zie dus niet goed hoe dat mogelijk is
in wettelijke termen. Het kostendeel idem. Je krijgt dan een heel
ingewikkelde verhouding. Je hebt de mensen die ervoor kiezen om tegen
lage kosten op eigen gelegenheid te gaan reizen. Ik heb daar alle
respect voor. Ik hoop dat ze de reisadviezen volgen; dat adviseer ik ze
dwingend. Maar het is niet aan mij om te beoordelen of mensen met de
rugzak of liftend de wereld in trekken, of dat ze een
all-inclusivecruise boeken, waarbij ze dus ook een beroep kunnen doen op
de cruisemaatschappij voor de repatriëring. Als ik in een wet iets moet
gaan zeggen over kosten, dan moet dat toch voor beide groepen gelden.
Het kan zelfs zijn dat ik daarmee dus ook invloed ga uitoefenen op de
geneigdheid van mensen om zich te verzekeren of om pakketreizen te
boeken, terwijl dat nu gelukkig een private afweging is.
Dan de snelheid waarmee reisadviezen gewijzigd worden. Ik had die vraag
iets verder op de stapel liggen, maar ik zal hem nu aan de orde stellen.
Ik ben het met de Rekenkamer eens dat wij helderder moeten registreren
wat ons afwegingskader is. Dat gaan we ook doen. Daarover zal ik de
Kamer op de hoogte houden. Ik ben het niet eens met de stelling dat je
vooraf aan kunt geven of je een reisadvies binnen een bepaalde tijd kunt
wijzigen. Het maakt enorm veel uit of zich een ernstig incident voordoet
waardoor je opeens van groen naar rood omschakelt, bijvoorbeeld een
terroristische aanslag of een tsunami, een geleidelijk incident — denk
aan een vulkaan die een tijd rommelt en dan opeens uitbarst, waardoor
alle vliegvelden gesloten worden — of een geleidelijke verslechtering of
verbetering van situaties. Reisadviezen hebben ook betrekking op
veiligheidssituaties. Dat is over het algemeen een nogal sluipend
proces. Je ziet bijvoorbeeld de criminaliteit toenemen of je ziet dat
drugsbendes een gebied overnemen. Gelukkig zie je het ook weleens de
andere kant op gaan. Waar ik bij een grote vulkaanuitbarsting makkelijk
binnen 24 uur — dat moet dan ook — kan zeggen dat de vliegvelden dicht
zijn en dat je niet meer moet gaan, kan ik als we langzaam de
drugscriminaliteit zien oprukken of juist zien afnemen, niet binnen 24
uur zeggen dat we ons reisadvies gaan veranderen. Nogmaals, ik vind dat
we deze afwegingen beter moeten structureren en delen, dus dat gaan we
doen, maar dit kan ik niet in een wet vastleggen.
De heer Sjoerdsma sprak ook over hoe vaak we een gedetineerde bezoeken.
We hebben daar duidelijke streefcijfers voor. Ook die zijn weer sterk
afhankelijk van wat de ruimte is die wij lokaal krijgen, hoe snel wij de
informatie krijgen waar iemand zich bevindt en of wij toestemming
krijgen om daarheen te gaan. Daar loopt heel vaak het ingewikkelde
vraagstuk doorheen dat wij iedereen met een Nederlands paspoort als
Nederlander beschouwen en regelmatig mensen hebben die ook de lokale
nationaliteit hebben. Tegen die achtergrond worden zij niet bij ons
gemeld of wordt hun recht op consulaire dienstverlening ontzegd. Dus ook
daarover kan ik in een wet niet geloofwaardig iets opschrijven wat ik
ook in al die situaties uit kan laten voeren. Ik ben dus heel graag
bereid om zo veel mogelijk helderheid te geven bij de afwegingen die wij
maken op al deze terreinen — natuurlijk controleert u mij daarop — maar
dit is niet hard genoeg te maken om in een wet op te schrijven. Ik moet
u hier toch in teleurstellen.
De voorzitter:
De heer Sjoerdsma in tweede instantie. Dit was naar aanleiding van zijn
eerste vraag op dit punt. Hij wil nog een vervolgvraag stellen.
Misschien kan dat relatief kort?
De heer Sjoerdsma (D66):
De minister zegt dat dit het zwart-wit en heel onverbiddelijk maakt. Dat
is in zekere zin ook wel zo. Ik denk dat bepaalde criteria en bepaalde
minimumvereisten ook onverbiddelijk moeten zijn. Ik vind dat de minister
hier relatief gemakkelijk praat over gedetineerdenbegeleiding waarbij je
niet aan de doelstellingen zou kunnen voldoen. Ik denk dat dat onterecht
is. Het argument waarmee de minister zegt dat het hem onverstandig lijkt
om dit in een wet vast te leggen, deel ik ook niet. Als ik naar
Duitsland kijk, om maar eens een voorbeeld te noemen, zie ik dat het
daar wel vanaf dag één duidelijk was wie verantwoordelijk was voor de
repatriëring. Het hielp dat die dingen waren vastgelegd. Ook de
kostenverdeling was duidelijk. Ik zou de minister dus toch willen vragen
om zijn zwart-witte oordeel over onze voorstellen, die misschien
zwart-wit zijn, wat meer te voorzien van grijswaarden en grijstinten. Ik
denk dat dat de discussie zou kunnen helpen en er ook voor zou kunnen
zorgen, en dat is denk ik ons gezamenlijke doel, dat de consulaire
dienstverlening regulier, maar ook in geval van rampen, verbeterd kan
worden.
Minister Blok:
Ik ben het eens met de ambitie om te blijven verbeteren. Ik ben het ook
eens met de grijstinten, maar die leiden bij mij nou juist tot een
andere conclusie dan bij de voorstellers. Juist omdat er zo veel
grijstinten zijn, vind ik het verstandig om zo transparant mogelijk te
zijn over onze doelen en afwegingen. Nogmaals, wat betreft de
reisadviezen ben ik het ermee eens dat dit nu niet het geval is. Voor de
gedetineerdenbegeleiding hebben we doelstellingen, die we helaas niet
altijd halen, maar vaak wel, waarbij je tegen die dwingende lokale
omstandigheden aan loopt. Maar juist het feit dat er zo veel grijstinten
zijn, brengt mij tot de conclusie dat de manier van transparantie en
protocolleren logisch is. Wetgeving leent zich juist niet voor
grijstinten en vind ik daarom niet logisch. We zouden ook kunnen
concluderen dat het verschil gelukkig niet groter is dan dat, want het
doel van goede en steeds betere dienstverlening delen we. Het belang van
transparantie over hoe we dat vormgeven en waar mensen redelijkerwijs op
mogen rekenen of niet, is wat mij betreft ook niet voor discussie
vatbaar. Maar bij het nogal rigide instrument van wetgeving zit ons
verschil van mening. Ik zou ook kunnen zeggen: gelukkig op niet meer dan
dat.
De voorzitter:
Goed, we komen hier wellicht in tweede termijn nog op terug. Ik stel
voor dat de minister nu zijn betoog voortzet.
Minister Blok:
Dan ga ik naar de vragen die gesteld zijn over visumverlening en over de
verdere inrichting van het elektronische Loket Buitenland. De heer
Koopmans vroeg hoe de voortgang is bij de inzet van externe
dienstverleners. Wij hadden het voornemen om die ruimer in te zetten,
omdat dat de mogelijkheid biedt om meer loketten te kunnen bieden aan
Nederlanders in het buitenland, tegen redelijke kosten. Dat proces is
nu, onvermijdelijk, vanwege de coronacrisis bevroren. De achterliggende
doelstelling blijft; we willen meer en betere dienstverlening bieden,
dus we zetten externe dienstverleners in.
De heer Koopmans vroeg ook wat onze inzet is voor de "business support
offices", zoals hij ze noemt. Ik ken één business support office. Dat is
in Taipei. Dat valt weer niet onder Buitenlandse Zaken, maar onder
Economische Zaken. Ik neem aan dat de achtergrond van zijn vraag is: wat
doet u aan economische dienstverlening? Dat is eigenlijk onderdeel van
het consulaire werk. Het is natuurlijk een van de speerpunten van het
werk van Buitenlandse Zaken, van ons postennetwerk. U heeft gezien dat
een onderdeel van de uitbreidingsoperatie, dankzij het extra geld in het
regeerakkoord, ook was: een aantal extra mensen of zelfs posten,
specifiek gericht op economische dienstverlening. Dat blijft natuurlijk
altijd werk in uitvoering. Als zich nieuwe kansen voordoen én we daar
budget voor hebben, dan zullen we het niet laten om daarop in te
zetten.
De heer Koopmans (VVD):
De minister corrigeert mij natuurlijk geheel terecht wat betreft de
naamgeving. De vraag sloeg natuurlijk — ik denk dat de minister het ook
zo heeft begrepen — op de posten, binnen onze posten, die specifiek
gericht zijn op het ondersteunen van het Nederlandse bedrijfsleven in
het buitenland. Dan wordt er natuurlijk een keus gemaakt in de zin van
"hier maken wij daar meer een zwaartepunt van dan elders". De vraag was
dus, even los van de specifieke naamgeving: is er, gezien de
veranderende economische situatie in de wereld en de veranderende
interesse van het Nederlandse bedrijfsleven, een soort planning, een
soort survey, een soort middellangetermijnvisie of langeretermijnvisie
in ontwikkeling over waar wij daarbij specifiek op inzetten?
Minister Blok:
Dit is voor een deel het terrein van mijn collega Kaag. Ik wil dus even
kijken of ik daar in tweede termijn op kan terugkomen. Uw vraag is
eigenlijk: houden we periodiek een review van de economische diplomatie?
Dat wil ik even kunnen checken. Ik hoop dat dat in tweede termijn
kan.
De heer Koopmans zwaaide ook terecht lof toe aan de honorair consuls.
Dat is een enorm netwerk waar we tijdens deze crisis, maar ook
daarbuiten, heel veel profijt van hebben gehad. Ik had anderhalf jaar
geleden, geloof ik, het plezier om te mogen spreken op de terugkomdag
van de honorair consuls. Ik weet eigenlijk niet eens of de Kamer toen
ook in het programma zat. Ik hoop het wel; anders moeten we dat bij een
volgende terugkomdag doen. Het deel waar ik sprak, was in het Kurhaus.
Een Kurhaus vol. Het zijn er ongelofelijk veel, ook in landen waar we
überhaupt geen posten hebben. Ze bieden een fijnmazig netwerk, dicht in
de buurt, in Europa — vorige week was ik in Spanje en hoorde daar over
wat de honorair consuls gedaan hebben bij de repatriëring — maar ook ver
buiten Europa, in gebieden waar het echt vaak lastig is om zaken te doen
en contacten te leggen. Ze zijn dus ongelofelijk waardevol. We koesteren
ze. Nogmaals, voor de volgende terugkomdag vind ik het een goede
gedachte om te kijken of er ook een contactmoment met de Kamer mogelijk
is.
De heer Sjoerdsma vroeg naar de voortgang van het project Loket
Buitenland. Ik wilde toch beginnen met te zeggen dat ik ook daar een
beetje trots op ben, dit ook namens alle mensen die daar druk mee bezig
zijn. Ik ben het met de heer Sjoerdsma eens dat die verbeteringsslag
dringend noodzakelijk was. Inmiddels hebben we goede stappen kunnen
zetten rond DigiD, de registratie van niet-ingezetenen, het
burgerservicenummer en inmiddels ook de AOW. De heer Sjoerdsma vroeg of
het af zal zijn aan het einde van deze kabinetsperiode. In alle
eerlijkheid, dat kan ik niet garanderen. Het is ook een beetje de vraag
of je kunt zeggen "het is nu af", omdat we ook binnenlands de
dienstverlening proberen te verbeteren, hoe moeilijk ook, en dat het ook
buitenlands zijn weerslag heeft. Daarnaast moet ik ook heel praktisch
toegeven dat we automatiseringsinspanningen van uitvoeringsdiensten
vragen die al veelgevraagd zijn. Dan heb ik het over de Belastingdienst,
het UWV, de SVB en het CBR. Dus we willen blijven uitbreiden en we
willen dat ook zo snel mogelijk doen en zullen daar ook transparant over
blijven rapporteren. We gaan de website vernieuwen en verbeteren. Dat
zal het komend jaar gebeuren. Maar als ik zou zeggen "helemaal af", dan
zou ik te veel pretenderen.
Verder vroeg de heer Sjoerdsma of de inzet van het mobiel
aanvraagstation voor paspoorten meer vraaggestuurd kan worden. De
afgelopen tijd zijn ze massaal ingezet in landen met een grote
Nederlandse diaspora. Het is in alle eerlijkheid ook best kostbaar. Het
is niet zo dat wij er een rem op zetten, maar als we de vraag krijgen
inzake een plaats of regio die nu nog niet in de planning staat, zullen
we natuurlijk wel de afweging maken hoeveel mensen we dan verwachten die
er gebruik van zullen maken. Als ik het dus zo mag formuleren dat mensen
welkom zijn om op de posten in het buitenland zo'n aanvraag in te
dienen, dan kan ik dat zeker onderschrijven. We zullen daar dan naar
vermogen aan meewerken, maar wel binnen de randvoorwaarde dat er
voldoende volume moet zijn.
Dan ga ik naar de vragen rond huwelijksdwang. Mevrouw Ploumen vroeg daar
als eerste naar. Later deden anderen dat ook. Men vroeg naar de
verschillen in de cijfers. De cijfers die u van ons krijgt, betreffen
alleen de gevallen waarin onze posten echt hebben opgetreden. Helaas
moeten we inderdaad constateren dat er, ondanks onze inzet en de
publiciteit, ook gevallen waren waarin we niet konden optreden. We
blijven er wel vol op inzetten.
Dan de vraag: hoe doet u dat dit jaar? Daarop is het eerlijke antwoord
dat we dat nog niet weten, want op dit moment is het reisadvies oranje
voor reizen naar landen buiten Europa. Mocht dat voor gevoelige landen
teruggaan naar geel, dan wil ik echt op dat moment bekijken hoe we ons
alsnog gaan inzetten, specifiek gericht op dat land of die landen. Maar
het zou nu echt een ongericht schot zijn, omdat er überhaupt niet naar
buiten Europa gereisd kan worden.
Dan de gedetineerdenbegeleiding. De heer Sjoerdsma vroeg ...
De voorzitter:
De heer Koopmans heeft nog een interruptie op het vorige punt.
De heer Koopmans (VVD):
Ik heb ook gevraagd of er sprake is van een soort van structurele
samenwerking met andere landen die hierop beleid hebben, zoals het
Verenigd Koninkrijk en Noorwegen en misschien anderen.
Minister Blok:
Ja, die is er. Daar heeft u gelijk in. Die samenwerking is er, en ook
precies met die twee landen, in een aantal landen waarin we te maken
hebben met relatief veel gevallen van huwelijksdwang.
De heer Sjoerdsma vroeg hoe lang het duurt voordat er bezoek komt. Dat
sluit een beetje aan bij de discussie die we net hadden. Wat ons betreft
gebeurt dat zo snel mogelijk. Daar gaat toch een traject aan vooraf.
Punt 1, we moeten de melding krijgen. Punt 2, de autoriteiten moeten
eraan meewerken. Dat klinkt allebei heel pragmatisch, maar in sommige
landen is het wel degelijk moeilijk om toestemming te krijgen voor een
telefoontje naar de post, zeker als het om mensen gaat die ook nog een
andere nationaliteit dan de Nederlandse hebben. Daar ging ik eerder al
op in. Ten tweede moeten wij soms lang duwen en trekken voordat we
toestemming krijgen om iemand te bezoeken. Maar onze inzet is om dat
snel te doen, want ik ben het met de heer Sjoerdsma eens dat in veel
landen de omstandigheden waarin mensen gevangen zitten zo schrijnend
zijn dat het onze bijzondere aandacht verdient. Dat zeg ik even los van
de vraag of ze wel of niet terecht gevangen zitten.
De heer Van Ojik deed de suggestie om in de Staat van het Consulaire een
overzicht te geven van gevangenen in het buitenland. Hij noemde zelf het
voorbeeld van Turkije. Volgens mij zit dat er nu in. Ik kijk nog even
achterom richting mijn ambtenaren, en het zit er inderdaad in. Ik heb
dus behoefte aan een nadere toelichting op waar het hem om gaat. Hij
gebruikte zelf overigens de term "politieke gevangenen". Dat is een
oordeel dat niet aan ons is. Soms is dat wel zo, maar ik herinner me dat
daarover in het geval van Turkije nogal een discussie plaatsvond. Wij
moeten dan natuurlijk eerst een proces en een veroordeling afwachten. We
kunnen dus niet zomaar zo'n kwalificatie gebruiken. Maar kortom, er is
al zo'n registratie, dus het is mij niet helemaal helder welke
toevoeging wij daaraan kunnen doen.
De voorzitter:
Ik wil dat graag even verhelderen. Formeel moet ik dan iemand anders
vragen om even het voorzitterschap over te nemen.
Voorzitter: Koopmans
De voorzitter:
Ik neem dat over en ik geef u het woord, meneer Van Ojik.
De heer Van Ojik (GroenLinks):
Dank u wel.
De achtergrond van mijn opmerking is als volgt. In de classificatie die
nu in de Staat van het Consulaire wordt gegeven, wordt bijvoorbeeld wel
gesproken over drugsgerelateerde detentie. Maar de discussie van vorig
jaar, waarnaar ik verwees, ging over mensen met de Nederlandse
nationaliteit die in Turkije worden vastgehouden omdat ze politieke
uitspraken hebben gedaan, althans daarvan beschuldigd worden, en
daardoor niet kunnen uitreizen. Daar is vorig jaar veel aandacht naar
uitgegaan; misschien dit jaar ook wel, maar dat weet ik niet. Ik dacht:
het is goed om dat als een aparte categorie van gedetineerden in het
buitenland te kunnen herkennen. Wellicht is de term "politieke
gevangene" dan voor mijn rekening. Maar volgens mij begrijpt de minister
wat ik bedoel. Het gaat om mensen die niet vanwege drugsgerelateerde
activiteiten of andere criminele activiteiten vastzitten, maar vanwege
bepaalde uitlatingen die ze hebben gedaan, bepaalde lidmaatschappen die
ze hebben of bepaalde artikelen die ze hebben geschreven. Dat was de
achtergrond van mijn opmerking.
Minister Blok:
Dat begrijp ik. Ik denk wel dat het mogelijk is om een categorie te
maken langs de lijn "verdacht van of veroordeeld wegens uitingen of het
organiseren van activiteiten". Daar zal ik voor een volgende rapportage
naar kijken.
De voorzitter:
Wilt u een volgende vraag stellen, meneer Van Ojik?
De heer Van Ojik (GroenLinks):
Nee, ik ben blij met deze toezegging van de minister.
De voorzitter:
Dan bent u weer de voorzitter.
Voorzitter: Van Ojik
De voorzitter:
Dan geef ik weer het woord aan de minister.
Minister Blok:
Die hoopt dat hij hiermee de vragen in de eerste termijn beantwoord
heeft.
De voorzitter:
Er rest nog een vraag, een interruptie, van de heer Sjoerdsma.
Kort.
De heer Sjoerdsma (D66):
De vraag over hoe lang het duurt voordat je iemand kan bezoeken in
detentie was niet van mij. Ik had nog wel een vraag gesteld over hetgeen
de minister had geschreven over het onderzoek naar een alternatief voor
de verschijningsplicht. Mijn vraag daarbij was: wanneer verwacht de
minister dat er stappen kunnen worden gezet op weg naar deze
alternatieven voor de verschijningsplicht?
Minister Blok:
Omdat ik daar ook Binnenlandse Zaken bij nodig heb, kom ik daar of in
tweede termijn of schriftelijk op terug. Het heeft te maken met de
paspoortwetgeving.
De voorzitter:
Dan zijn wij hiermee gekomen aan het einde van de eerste termijn en de
beantwoording van de vragen van de Kamer door de minister. Ik ga ervan
uit dat er behoefte is aan een tweede termijn. Ik moet daar wel meteen
een punt van orde bij maken, want er is in deze vergadering geen quorum
aanwezig om de indiening van eventuele moties in voldoende mate te
ondersteunen. Daarvoor heeft de indiener van een motie de ondersteuning
van vier leden nodig. Wij kunnen dat met z'n drieën niet garanderen.
Misschien is het goed om — dat wijkt af van wat gebruikelijk is — de
leden even te vragen of er de intentie is om een motie in te dienen.
Meneer Koopmans? Nee. Meneer Sjoerdsma? Ja. Tot mijn spijt moeten we
even schorsen en kijken hoe we dit snel kunnen oplossen.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.
De voorzitter:
Wij hebben even overlegd en een oplossing gevonden voor het punt van de
moties, zeg ik even voor de mensen die meekijken. Wij kunnen dus
beginnen met de tweede termijn van de zijde van de Kamer. Ik geef het
woord aan de heer Koopmans. Hij had nog drie minuten, zeg ik uit mijn
hoofd.
De heer Koopmans (VVD):
Ik heb uw voorstel eerlijk gezegd nog niet gehoord.
De voorzitter:
Daar komt de heer Sjoerdsma straks op. Hij was van plan om een motie in
te dienen. Hij zal straks toelichten waarom hij dat nu niet doet. Dan
lost het zich vanzelf op. Er kan op dit moment in deze setting geen
motie worden ingediend. Dat is duidelijk.
De heer Koopmans (VVD):
Dat begrijp ik. Ik dacht alleen dat u mij nodig had voor die oplossing,
waar ik graag over meedenk, maar als dat niet zo is …
De voorzitter:
Vaak wel, maar in dit specifieke geval niet. Gaat uw gang, voor uw
tweede termijn.
De heer Koopmans (VVD):
Dank, voorzitter. Ik dank de minister voor het beantwoorden van de
vragen. Afijn, de complimenten hebben we geuit, maar nogmaals: mijn dank
aan alle staf, inclusief de honorair consuls, die het enorme werk hebben
gedaan ten tijde van de crisis. Ik dank de minister ook voor de
toezegging dat hij zal terugkomen op het punt van de niet-geregistreerde
geliefden die elkaar nu niet kunnen zien. Ik vraag nog wel: per wanneer?
Want ik weet dat er mensen zijn die hun geliefden nu al maanden niet
hebben gezien. Ik verwacht ook geen wonderen van de minister, maar ik
denk dat helderheid al een stap vooruit is.
Ik dank de minister ook voor zijn antwoord over de zeevarenden. De
Kamervragen die ik met de heer Remco Dijkstra heb ingediend, worden vast
nog beantwoord. Ook daarvoor zou het fijn zijn als we inzicht krijgen in
wanneer we dat antwoord ongeveer kunnen verwachten, want ook dat betreft
mensen die verstoken zijn van de aanwezigheid van hun geliefden.
Tot zover. Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Koopmans. Het woord is aan de heer Sjoerdsma.
De heer Sjoerdsma (D66):
Voorzitter, dank. Ook dank aan de minister voor zijn beantwoording. Het
is denk ik heel goed dat we vandaag uitgebreid hebben stilgestaan bij de
dienstverlening voor die 1 miljoen Nederlanders die zich in het
buitenland bevinden, die weliswaar vaak ver weg van ons zijn, maar die
wij toch in ons hart houden en die ook de beste dienstverlening die wij
kunnen bieden, verdienen.
We hebben hier over een aantal zaken gepraat. Ik zou nog een paar vragen
willen stellen naar aanleiding van de antwoorden van de minister. Kan
hij aangeven op hoeveel posten er op dit moment geen functionerende
consulaire dienstverlening is of hoeveel posten er daadwerkelijk dicht
zijn? Ik snap dat hij dat misschien niet tot op de komma nauwkeurig kan
zeggen, maar het gaat meer om een schatting van het aantal. Ik zou
ervoor willen pleiten dat die posten zo snel als dat veilig mogelijk is,
weer opengaan, zodat die dienstverlening hervat kan worden. Ik heb ook
goed gehoord wat de minister heeft gezegd over de afspraken die in
Brussel moeten worden gemaakt om een bepaalde dienstverlening weer op te
starten. Ik hoop dat ik de minister goed heb begrepen dat het zijn
intentie is om er in Brussel voor te pleiten om dat voor elkaar te gaan
boksen.
We komen een Kamerlid tekort om een motie te kunnen indienen over het
voorstel van de heer Van Ojik en mijzelf om een consulaire wet te
introduceren in Nederland die in ieder geval vastlegt wat de
minimumstandaarden zijn waaraan die dienstverlening moet voldoen en wat
de rolverdeling is, dus de rol die Buitenlandse Zaken op zich moet
nemen. Ter vervanging van die motie zou ik via de bode dit document aan
de minister willen aanbieden. Excuus, ik zie dat de bode ook andere
dingen te doen heeft. Is de minister bereid om hier schriftelijk op te
reageren? Dan laten we deze motie heel even liggen tot na zijn reactie.
Ik vermoed dat er bij een volgend debat wel een quorum zal zijn; dan
zullen we even kijken hoe we die reactie moeten wegen. Maar we zouden in
eerste instantie graag van de minister horen hoe hij aankijkt tegen dit
voorstel, alles gelezen hebbende, want dan geven we hem de kans om de
nuances van dit voorstel tot zich te nemen. Ik denk dat dat voor
iedereen verstandig is.
Voorzitter, hierbij laat ik het in tweede termijn.
De voorzitter:
In mijn rol als voorzitter dank ik mevrouw Kuiken heel hartelijk voor
haar alertheid. Het heeft nog niet tot een volledig quorum geleid, want
wij missen daarvoor nog één Kamerlid. Maar het voorstel dat de heer
Sjoerdsma zojuist heeft gedaan, is voor nu een goede oplossing, zeker
als we straks horen dat dat op de instemming van de minister kan rekenen
en dat hij schriftelijk wil reageren. Dank dus aan mevrouw Kuiken.
Drinkt u rustig uw koffie op.
Mevrouw Kuiken (PvdA):
Nee, ik ga. Voor de Handelingen zeg ik dat dit niet mijn commissie is,
dus ik kwam echt even aanwaaien. Meestal tel ik wel voor twee, maar
vandaag helaas niet.
De voorzitter:
Het wordt zeer op prijs gesteld. Dank u wel. Wil de heer Koopmans het
voorzitterschap even op zich nemen? Volgens mij ben ik nu aan de
beurt.
Voorzitter: Koopmans
De voorzitter:
Ik geef het woord aan de heer Van Ojik namens GroenLinks.
De heer Van Ojik (GroenLinks):
Dank u wel, voorzitter. Ik sluit mij graag aan bij het verzoek van de
heer Sjoerdsma aan de minister om schriftelijk op ons voorstel te
reageren. Inderdaad heeft hij een aantal punten naar voren gebracht die
u kunt beluisteren als argumenten tegen een wet. Er zijn ook argumenten
ervoor. De heer Sjoerdsma en ik hebben beiden geprobeerd die in eerste
termijn naar voren te brengen. Er zijn natuurlijk ook landen als
Duitsland en de Verenigde Staten die werken met een consulaire wet en
kennelijk de afweging hebben gemaakt dat dat alles bij elkaar toch te
prefereren is boven bijvoorbeeld het Nederlandse model. Het zou dus heel
fijn als we daar schriftelijk nog wat meer over kunnen vernemen van de
zijde van de minister.
Voorzitter. Nog heel kort het punt van de achterlating en de
huwelijksdwang. Ik herhaal wat ik in eerste termijn zei: als je kijkt
naar de cijfers uit de Staat van het Consulaire, dan hebben onze
Nederlandse posten echt succesvol gewerkt. Maar dat gaat helaas maar om
een heel klein deel van de waarschijnlijke gevallen — we kennen de
getallen natuurlijk niet precies — van huwelijksdwang en achterlating.
Dan resteert natuurlijk toch de vraag aan de minister wat zijn ambitie
is om de kloof te verkleinen tussen het aantal gevallen waarin een
diplomatieke vertegenwoordiging van Nederland daadwerkelijk handelend
optreedt en het aantal gevallen van achterlating dan wel huwelijksdwang
dat zich in de praktijk in zo'n land voordoet. Met andere woorden: ziet
hij kans om in meer gevallen handelend op te treden als Nederlandse
overheid?
Voorzitter, hierbij zou ik het graag laten in mijn tweede termijn.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik het woord aan de minister en het voorzitterschap
aan de heer Van Ojik.
Voorzitter: Van Ojik
Minister Blok:
De heer Koopmans vroeg wanneer ik terug kan komen op de positie van
gescheiden partners die geen geregistreerd partnerschap of huwelijk
hebben. Ik gaf aan dat we naar het Deense voorbeeld zullen kijken. Ik
hoop daar volgende week een antwoord op te hebben, want ik realiseer me
dat daar met smart naar wordt gekeken.
De vragen over de zeevarenden komen deze week op mijn bureau, zo hoor
ik, dus u krijgt deze week antwoord.
De heer Sjoerdsma vroeg hoeveel posten dicht zijn en geen consulaire
dienstverlening bieden. In welk tempo schalen we dat weer op? Ik wil
even een koppeling maken met zijn volgende vraag. Onze inzet is
inderdaad om in Brussel te komen tot Europese overeenstemming over de
landen buiten Europa. Ik wilde in de brief die ik u daarover ga sturen,
ook terugkomen op hoe wij omgaan met visaverlening in in ieder geval die
landen. Ik zal daaraan wat algemener toevoegen hoe het in de rest van de
wereld is. Dat lijkt het meest aan de vraag van de heer Sjoerdsma te
beantwoorden. Dat zal, hoop ik, deze week zijn. Ik weet dat er nu stoom
komt uit de Brusselse overlegzalen, maar het is bijna 1 juli.
De verschijningsplicht is er om begrijpelijke redenen. Een
identiteitsdocument doet wat de naam ook zegt met alle voor- en nadelen
en frauderisico's. De wet kent op dit moment een uitzondering wanneer
men zegt dwingende lichamelijke of psychische beperkingen te hebben. Dan
wordt er gebruikgemaakt van een derde partij. In de praktijk wordt daar
regelmatig, een paar honderd keer per jaar, gebruik van gemaakt.
Die uitzondering zal in de loop van 2021 komen te vervallen, omdat er
dan een nieuwe Nederlandse identiteitskaart wordt vervaardigd. Dan
zullen wij een oplossing zoeken met mobiele apparatuur. Samen met de
collega van BZK — dat is het eerste departement dat over
identiteitskaarten gaat — zal ik in het traject naar die nieuwe
identiteitskaart bekijken hoe we dan een oplossing kunnen bieden voor
die mensen die dat ook echt niet kunnen. Ik denk dat het onvermijdelijk
is dat er altijd een moment is waarop een vingerafdruk of andere
identiteitskenmerken op een heel betrouwbare manier vastgesteld moeten
worden. Het gaat er wat mij betreft om om dat zo in de tijd en de plaats
te schuiven — mensen kunnen dan bijvoorbeeld vooraf een vingerafdruk
achterlaten en dan op een andere plaats een document ontvangen — dat het
zo behapbaar mogelijk is. Op dit moment doen wij dit via de
uitzonderingsmogelijkheid die er is en in het traject naar de nieuwe
identiteitskaart zullen we kijken naar het maatwerk dat er dan nodig
is.
De heren Sjoerdsma en Van Ojik gingen in op mijn reactie op hun voorstel
voor een consulaire wet. Ik vind hun vraag logisch. Mijn reactie was
welgemeend en fris van de lever. Wij zullen er uitgebreider op
terugkomen, maar ik vraag wel de ruimte om dat niet voor het reces te
hoeven doen. Dat lukt sowieso niet. Onze consulaire mensen zijn
drukbezet. Dat wordt dus aan het begin van het nieuwe parlementaire
jaar.
De heer Van Ojik vroeg wat de ambitie is met betrekking tot
huwelijksdwang, gezien het verschil in de cijfers. De heer Van Ojik en
ik zullen het onmiddellijk met elkaar eens zijn dat het het
allerbelangrijkste is om huwelijksdwang te voorkomen. Vandaar de
aandacht voor voorlichting en preventie, die dit jaar bijzonder is, maar
continu de ruggengraat is van wat we doen. Ik sta open voor suggesties
om het verschil in cijfers kleiner te maken. Tegelijkertijd heb ik op
dit moment geen reële handelingsopties voor ogen. We zijn afhankelijk
van meldingen van over het algemeen jongeren die zich in een nogal
kwetsbare positie bevinden. Die dwang — het woord zegt het al — brengt
met zich mee dat de ouders of familieleden die mensen uit de buurt
zullen houden van Nederlandse vertegenwoordigers en contacten daarmee.
Ik ben graag bereid om nog eens in overleg te gaan met betrokkenen om te
kijken hoe we het kunnen verbeteren, maar ik heb geen pasklaar antwoord,
want dan zouden we het overigens ook doen. Er gaat een wereld van leed
achter schuil; daar zijn we het allemaal over eens. Dit kunnen we niet
goed genoeg doen.
Voorzitter. Hiermee hoop ik de vragen in tweede termijn te hebben
beantwoord.
De voorzitter:
Dank u zeer. Hiermee zijn we aan het einde gekomen van zowel de tweede
termijn als het overleg zelf. Ik zal alleen nog de toezeggingen van de
minister voorlezen.
De eerste toezegging luidt dat in de Staat van het Consulaire van volgend jaar aandacht zal worden besteed aan de geleerde lessen uit de huidige crisissituatie, en wel uitgebreider dan in de Staat van het Consulaire die we vandaag hebben besproken.
De tweede toezegging luidt dat de minister volgende week schriftelijk terugkomt op het voorbeeld van Denemarken inzake het laten overkomen van personen met een langeafstandsrelatie, om het maar even zo samen te vatten.
Ten derde wordt de Kamer nader geïnformeerd over de afwegingen die worden gemaakt bij het opstellen van de reisadviezen. Daar staat geen termijn bij.
Minister Blok:
Na de zomer.
De voorzitter:
Na de zomer, aan het begin van het nieuwe politieke jaar.
Ten vierde zal de minister bezien of hij in de Staat van het Consulaire specifiek aandacht kan besteden aan de categorie gedetineerden die gevangen zitten vanwege de redenen die wij hebben opgenoemd, zoals het uiten van een politieke opvatting, het publiceren van een artikel et cetera, et cetera. Ik zeg dit nu even zo om de term "politieke gevangenen" te vermijden. Ik doe dat op verzoek van de minister, zoals u zult begrijpen.
Ten vijfde komt er een schriftelijke reactie van de minister op het verzoek van D66 en GroenLinks om wetgeving inzake consulaire ondersteuning te maken.
Ten slotte heeft de minister op het punt van huwelijksdwang zojuist gezegd dat hij graag nog eens in overleg wil gaan om te kijken of er meer gedaan kan worden. Wat dat betreft, is hij afhankelijk van de meldingen die bij Buitenlandse Zaken worden gedaan.
Ik zie de minister knikken. Met deze lijst van in het debat gedane
toezeggingen zijn we gekomen aan het einde van dit notaoverleg.
Ik dank de minister en uiteraard ook degenen die de minister in dit
overleg hebben bijgestaan. Ik dank iedereen die van een afstand heeft
meegekeken. Ik dank de collega's, de griffier, de ondersteuning en
iedereen die heeft meegewerkt. Dank u wel.
Sluiting 11.41 uur.
ONGECORRIGEERD STENOGRAM Verslag OSV 78 (2019-2020) van 29 juni 2020 |
---|
Aan ongecorrigeerde verslagen kan geen enkel recht worden ontleend. Uit ongecorrigeerde verslagen mag niet letterlijk worden geciteerd. Inlichtingen: verslagdienst@tweedekamer.nl |