Justitieketen (ongecorrigeerd stenogram)
Stenogram
Nummer: 2020D29187, datum: 2020-06-30, bijgewerkt: 2024-02-19 10:56, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Onderdeel van activiteiten:- 2020-06-30 16:30: Justitieketen (Notaoverleg), vaste commissie voor Justitie en Veiligheid
Preview document (🔗 origineel)
Tweede Kamer, Justitieketen
VERSLAG VAN EEN NOTAOVERLEG
Concept
De vaste commissie voor Justitie en Veiligheid heeft op 30 juni 2020 overleg gevoerd met de heer Dekker, minister voor Rechtsbescherming, en de heer Grapperhaus, minister van Justitie en Veiligheid, over:
de brief van de minister voor Rechtsbescherming d.d. 19 december 2019 inzake tweede voortgangsrapportage stelselherziening van het programma rechtsbijstand (31753, nr. 190);
de brief van de minister voor Rechtsbescherming d.d. 8 mei 2020 inzake antwoorden op vragen commissie over onder andere de tweede voortgangsrapportage stelselherziening van het programma rechtsbijstand (Kamerstuk 31753-190) (31753, nr. 196);
de brief van de minister voor Rechtsbescherming d.d. 13 maart 2020 inzake reactie op verzoek commissie over het bericht dat in het NRC verscheen op 13 januari 2020 getiteld "Achmea werd voorgetrokken bij omstreden proef met rechtshulp" (31753, nr. 193);
de brief van de minister voor Rechtsbescherming d.d. 13 maart 2020 inzake maatregelen aanpak coronavirus in justitiële inrichtingen (24587, nr. 763);
de brief van de minister van Justitie en Veiligheid d.d. 15 maart 2020 inzake vervolgmaatregelen aanpak coronavirus (35300-VI, nr. 114);
de brief van de minister voor Rechtsbescherming d.d. 30 maart 2020 inzake financiële maatregelen Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) ten behoeve van de continuïteit van forensische zorg (33628, nr. 74);
de brief van de minister voor Rechtsbescherming d.d. 2 april 2020 inzake externe validatie aannames bij doorrekening contourenbrief (31753, nr. 194);
de brief van de minister voor Rechtsbescherming d.d. 2 april 2020 inzake stand van zaken coronamaatregelen tenuitvoerlegging straffen en maatregelen (24587, nr. 765);
de brief van de minister van Justitie en Veiligheid d.d. 6 april 2020 inzake stand van zaken coronamaatregelen Rechtspraak en Openbaar Ministerie (29279, nr. 581);
de brief van de minister van Justitie en Veiligheid d.d. 9 april 2020 inzake stand van zaken coronamaatregelen in de justitie-, veiligheids- en migratieketen (35300-VI, nr. 116);
de brief van de minister voor Rechtsbescherming d.d. 14 april 2020 inzake reactie op verzoek commissie over de situaties voor medewerkers en justitiabelen die zijn ontstaan als gevolg van de coronacrisis (24587, nr. 767);
de brief van de minister voor Rechtsbescherming d.d. 14 april 2020 inzake afschrift brief aan NOvA inzake extra steunmaatregelen voor sociaal advocatuur (31753, nr. 195);
de brief van de minister van Justitie en Veiligheid d.d. 14 april 2020 inzake reactie op verzoek commissie over de brief van de Actiegroep Registertolken en -vertalers over coronamaatregelen (29936, nr. 48);
de brief van de minister van Justitie en Veiligheid d.d. 23 april 2020 inzake stand van zaken coronamaatregelen in de justitie-, veiligheids- en migratieketen (35300-VI, nr. 126);
de brief van de minister van Justitie en Veiligheid d.d. 15 mei 2020 inzake voortgang maatregelen aanpak COVID-19 op terrein JenV (35300-VI, nr. 127);
de brief van de minister voor Rechtsbescherming d.d. 20 mei 2020 inzake afschrift reactie op voorstel als crisismaatregelen leeftijdsgrens rechter-plaatsvervangers te verhogen (2020Z09161);
de brief van de minister voor Rechtsbescherming d.d. 20 mei 2020 inzake tegemoetkomingsregeling sociaal advocatuur naar aanleiding van de COVID-19-crisis (31753, nr. 197);
de brief van de minister voor Rechtsbescherming d.d. 29 mei 2020 inzake versoepeling corona-maatregelen DJI (24587, nr. 768);
de brief van de minister van Justitie en Veiligheid d.d. 29 mei 2020 inzake uitvoering van de motie van het lid Azarkan c.s. over justitiële aantekeningen als gevolg van handhaving van de coronamaatregelen laten vervallen (25295, nr. 387);
de brief van de minister voor Rechtsbescherming d.d. 15 juni 2020 inzake verdere versoepeling bezoek aan inrichtingen DJI (24587, nr. 771);
de brief van de minister voor Rechtsbescherming d.d. 3 juni 2020 inzake reactie op verzoek commissie om een afschrift van het antwoord op de e-mail Van Berge Henegouwen Advocaten over verzoek ex art. 5 Grondwet inzake voorbereiding strafzaken (31753, nr. 198);
de brief van de minister voor Rechtsbescherming d.d. 24 juni 2020 inzake tegemoetkomingsregeling sociaal advocatuur naar aanleiding van de COVID-19-crisis (31753, nr. 214);
de brief van de minister van Justitie en Veiligheid d.d. 25 juni 2020 inzake contouren aanpak achterstanden strafrechtketen (29279, nr. 601);
de brief van de minister voor Rechtsbescherming d.d. 26 juni 2020 inzake update situatie in het gevangeniswezen ten aanzien van de bestrijding van het coronavirus (24587, nr. 780);
de brief van de minister voor Rechtsbescherming d.d. 26 juni 2020 inzake midterm review en derde voortgangsrapportage stelselvernieuwing rechtsbijstand (31753, nr. 216).
Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.
De voorzitter van de vaste commissie voor Justitie en
Veiligheid,
Van Meenen
De griffier van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid,
Hessing-Puts
Voorzitter: Van Meenen
Griffier: Schoor
Aanwezig zijn tien leden der Kamer, te weten: Van den Berge, Van Dam, Futselaar, Van der Graaf, Groothuizen, Kuiken, Van Meenen, Van Nispen, Van der Staaij en Van Wijngaarden,
en de heer Dekker, minister voor Rechtsbescherming, en de heer Grapperhaus, minister van Justitie en Veiligheid.
Aanvang 16.34 uur.
De voorzitter:
Goedemiddag allemaal. Welkom bij dit notaoverleg van de vaste commissie
voor Justitie en Veiligheid. Aan de orde is het onderwerp justitieketen.
Ik heet de beide bewindspersonen en hun ambtenaren van harte welkom, zo
ook de leden en onze ondersteuning in allerlei gedaanten. We zitten hier
in de prachtige Oude Zaal. Dat is toch bijzonder. Hier hing ooit de geur
van wilde beesten et cetera. Wie weet wordt het ook zo'n middag. We
zullen het zien!
We hanteren bij een notaoverleg de begrotingsvolgorde. De grootste
oppositiepartij in dit parlement is niet aanwezig bij dit overleg. Dit
betekent dat we beginnen met op een na grootste oppositiepartij:
GroenLinks. Ik ga de heer Van den Berge zo meteen het woord geven voor
zijn vijf minuten spreektijd, want de afspraak is dat we vijf minuten
spreektijd hebben.
Ik meld ook dat we aan het eind nog even drie VAO's verwerken. Ik noem
ze voor de zekerheid op. Het gaat om het VAO Evaluatie Wet hervorming
herziening ten voordele, het VAO Strafrechtelijke onderwerpen en het VAO
Strafrechtketen. Er zal dan ook gelegenheid zijn om de moties voor die
verschillende VAO's in te dienen. Dat doen we aan het eind.
Ik zou willen voorstellen om drie interrupties per persoon als
uitgangspunt te hanteren. Kunt u daarmee instemmen? Ja. Dan geef ik als
eerste het woord aan de heer Van den Berge van GroenLinks.
De heer Van den Berge (GroenLinks):
Dank u wel, voorzitter. Laat ik om te beginnen zeggen dat de
coronacrisis heel veel druk heeft gezet op de rechtsketen, op alle
ambtenaren, op boa's, die onbeschermd noodverordeningen moesten
handhaven, op sociaal advocaten, op rechters, die ik al noemde, en zeker
op het personeel: alle medewerkers in penitentiaire instellingen die
natuurlijk met dit nieuwe regime moesten omgaan en toch ook moesten
proberen een beetje de sfeer goed te houden. Volgens mij is dat in grote
lijnen goed gelukt. Hulde daarvoor.
Nu is het tijd om weer wat meer vooruit te gaan kijken. Het kabinet
heeft met onder andere de Raad voor de rechtspraak afspraken gemaakt
over hoe de achterstanden in de strafrechtspleging weggewerkt moeten
worden. Daar heb ik een aantal vragen over. Ik begrijp op zichzelf de
intentie om zo veel mogelijk sepots te voorkomen en om zo veel mogelijk
de achterstanden richting eind 2021 weg te werken. Wel vraag ik me af of
we nu de juiste balans hebben gevonden tussen aan de ene kant het belang
van de rechtspleging en aan de andere kant het belang van de
rechtsbescherming en daarbinnen specifiek ook de rechten van
slachtoffers. We gaan meer zaken afhandelen met OM-beschikkingen en we
gaan meer zaken laten afhandelen door de politierechter. Ik vraag mezelf
wel af of we op dit moment de juiste keuze hebben gemaakt. Waarom is er
bijvoorbeeld niet voor gekozen om in hoger beroep wel standaard een
meervoudige kamer te laten kijken naar een zaak? Dat is meteen mijn
eerste vraag aan de minister voor Rechtsbescherming. Wat zou het
betekenen als we zaken in hoger beroep wel standaard door een
meervoudige kamer zouden laten behandelen? Hoever schuift de tijdslijn
van eind 2021 dan op?
Ik wil ook graag van de minister horen of er nu voldoende ruimte is bij
Openbaar Ministerie, rechters en advocaten om maatwerk te bieden aan
slachtoffers. Wij horen ook wel van slachtoffers en van organisaties die
slachtoffers vertegenwoordigen dat sommige slachtoffers behoefte hebben
aan een snelle afhandeling van een zaak. Zij willen gewoon snel
duidelijkheid en willen gewoon rechtsvinding. Maar er zijn ook
slachtoffers die juist soms wat meer tijd willen nemen en een
zorgvuldige, fysieke zitting binnen de coronabeperkingen willen hebben.
De vraag is de volgende. De brief die we hebben ontvangen over het
wegwerken van de corona-achterstanden, ademt heel erg "zo snel zo veel
mogelijk zaken afwikkelen", maar de vraag is of er ruimte is voor
maatwerk. Als slachtoffers behoefte hebben aan een uitgebreidere
behandeling van zaken, is die ruimte er dan bij de rechtbanken, bij de
gerechtshoven, bij de advocatuur en in het bijzonder bij de sociale
advocatuur?
We horen nu al van rechters dat 45 minuten per zaak lang niet altijd
genoeg is. We horen ook dat ze niet altijd kunnen "raadkameren" wanneer
ze daar behoefte aan hebben. Ze kunnen niet overleggen met andere
rechters over ingewikkelde afwegingen omdat er zo veel tijdsdruk op
staat. We horen ook wel van rechters dat ze zaken moeten voorbereiden
met een broodje op schoot tussen de ochtend- en de middagshift in. Soms
moeten ze daarna ook nog een avondshift doen. We hebben hier eerder ook
kritische schriftelijke vragen over gesteld aan de minister. Mijn vraag
vandaag is: is deze versnelling die we inzetten wel te combineren met
een kwalitatief goede rechtspraak, die recht doet aan alle
betrokkenen?
Dan een ander onderwerp, en dat gaat over de sociale advocatuur. Zal ik
even pauzeren, voorzitter? Of zal ik doorgaan?
De voorzitter:
Ik weet niet hoeveel het er worden. Nee, het gaat goed zo. U hebt nog
anderhalve minuut.
De heer Van den Berge (GroenLinks):
Ik ga verder met de sociale advocatuur. We hebben inmiddels de midterm
review ontvangen, en die ligt eigenlijk in lijn met de eerdere validatie
en met kritische vragen die onder andere GroenLinks al eerder heeft
gesteld, maar zeker ook de fractie van de SP. Die midterm review laat
eigenlijk zien dat de stelselherziening waarschijnlijk veel minder
financieel effect zal hebben dan tot nu toe werd aangenomen en tot nu
ons werd voorgehouden door de minister. De Nederlandse Orde van
Advocaten vraagt zich inmiddels hardop af of die stelselherziening nou
wel de juiste route is, als die inderdaad financieel minder oplevert.
Moeten we niet gewoon binnen het huidige stelsel gaan kijken, vraagt de
orde zich af, naar het verhogen van vergoedingen? Het gaat om eerlijke
vergoedingen aan sociaal advocaten. Dat is dus ook de vraag van mijn
fractie aan de minister: hoe kijkt de minister aan tegen de midterm
review? En hoe kijkt de minister in het licht van de midterm review en
de winstwaarschuwing die daarin wordt gegeven dat het een stuk minder
zou kunnen opleveren, aan tegen zijn voorgenomen plannen voor de
stelselherziening en ook tegen de acute nood die er nu onder sociaal
advocaten is?
Voorzitter, ten slotte nog een vraag aan de minister van Justitie en
Veiligheid. Bij de Algemene Politieke Beschouwingen is extra geld
vrijgemaakt voor de zedenaanpak en de politie. Later is door de minister
toegezegd dat een deel daarvan zal gaan naar het oplossen van knelpunten
bij het Openbaar Ministerie. In de interne PMJ-ramingen zien we de
gevolgen daarvan nog niet terug. Hoe staat het met die toezegging? Wordt
er nu ook gewerkt aan het aanpakken van knelpunten bij het Openbaar
Ministerie waar het gaat om het vervolgen van zedenzaken? Dank u wel,
voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan is vervolgens het woord aan de heer Van Wijngaarden van
de VVD.
De heer Van Wijngaarden (VVD):
Dank, voorzitter. Ik wil graag beginnen met het uitspreken van mijn
waardering voor het werk dat de bewindspersonen, gesteund door hun
ambtenaren, de afgelopen maanden hebben verricht. De wereld ziet zich
geconfronteerd met een pandemie die we tot nu toe slechts kenden als
verhaal uit een ver land of een ver verleden. Ineens vrezen mensen voor
hun gezondheid en die van hun dierbaren. De schaduw van de pandemie die
de wereld nu treft valt ook over dit notaoverleg. Ook al wil je zo
normaal mogelijk verder met je leven en je werk, van een normale
situatie is bepaald geen sprake. We zijn en blijven allemaal kwetsbaar
voor COVID-19. Gevangenen, rechters, agenten, boa's, officieren,
advocaten, bewaarders, bewakers, forensisch personeel en alle anderen in
de justitieketen zijn net zo goed kwetsbaar voor het coronavirus als
alle andere mensen. Daar hebben we rekening mee te houden als we het
over hen hebben. Dat velen van hen zich afgelopen maanden hebben
aangepast, heeft voorkomen dat de hele justitieketen plat kwam te
liggen. Dat iedereen op het ministerie van JenV en in de justitieketen
de schouders eronder heeft gezet, heeft twee harde resultaten
opgeleverd. Op de eerste plaats zijn massale uitbraken via de
justitieketen, waar toch vele mensen dicht op elkaar zitten, voor zover
we weten ons bespaard gebleven. Ten tweede heeft de rechtsgang op
diverse plekken waar dat mogelijk was toch doorgang kunnen vinden. In
weerwil van de zware omstandigheden zweeg het recht niet helemaal, ook
niet tijdens corona. Namens de VVD wil ik de bewindspersonen via u
hiervoor bedanken en complimenteren.
Voorzitter. Ik heb een paar losse punten, te beginnen met de
gevangenissen. Met de extra mogelijkheden voor skypen in de
gevangenissen heeft ook de voor kindermisbruik veroordeelde Nelson M.
mogen skypen, waarbij hij in contact is gekomen met een van de leden van
de verboden pedofilievereniging Martijn. Nu blijkt hij vrijgelaten om
zijn rechtszaak verder af te wachten. Ik vraag de minister hoe dit kan.
Is hij het met de VVD eens dat dit klinkt als een beloning voor zijn
gedrag en blijkt hieruit ook niet dat Nelson M. nog te gevaarlijke
ideeën heeft om te worden vrijgelaten?
Dan kom ik bij het Fonds Slachtofferhulp. Dat heeft gezegd dat rechters
in de praktijk heel verschillend beslissen in welke vorm rechtszaken nog
door kunnen gaan. Nog steeds vinden er weinig fysieke zittingen plaats,
en daarbij is een beperkt aantal mensen welkom. Hoe wordt hierin enige
uniformiteit en harmonie in gebracht door de rechtspraak? Ook zouden
slachtoffers en advocaten te weinig gekend worden in deze beslissingen.
Het is van belang dat hierbij voldoende overleg plaatsvindt met het
slachtoffer. Hoe wordt dit gewaarborgd? Kan er een duidelijke toezegging
komen op dit punt?
Als het gaat om de vraag of mensen die niet rijk of niet arm zijn, maar
gewoon een middeninkomen hebben toch nog rechtshulp kunnen krijgen, kom
ik bij het punt van de advocatentarieven. In dat kader is het goed dat
er nieuwe overzichtelijke rechtshulppakketten worden aangeboden met
rechtsbijstand van advocaten. Het is advocaten via de zogenoemde
loondienstmaatregel door hun beroepsorganisatie echter nog steeds
verboden op straffe van tuchtmaatregelen om hun diensten aan gewone
Nederlanders aan te bieden via een organisatie die niet in het bezit is
van andere advocaten, in tegenstelling tot bijvoorbeeld Engeland, waar
zo'n verbod onnodig prijsopdrijvend, concurrentiebeperkend en
betuttelend wordt geacht. Nieuwe, betaalbare initiatieven, zoals dat van
Brandmeester van SRK, waar we het eerder over hebben gehad, kunnen zo in
Nederland geen voet aan de grond krijgen en niet wortelschieten. Het
kabinet heeft aangegeven hierover in gesprek te zijn met de Nederlandse
orde van advocaten. Ook de ACM zou de beroepsregels mogelijk
bekijken.
Maar het probleem blijft voortsudderen. Er zijn in de ogen van de VVD
minder vergaande waarborgen te bedenken dan totale beroepsverboden. De
NOvA moet de loondienstmaatregel ten grave dragen en komen met een
alternatief dat advocaten ruimte biedt om ook via een
niet-advocatenkantoor op volstrekt onafhankelijke wijze rechtsbijstand
te bieden. Is de minister het met de VVD eens dat er voor advocaten en
rechtzoekenden een minder beperkend alternatief zou moeten komen voor de
loondienstmaatregel? Wat zijn zijn doel en tijdspad? De tijd dat artsen
alleen voor een geneesheer-directeur mochten werken, is ook allang
voorbij. Hoewel vele artsen niet in dienst zijn van een andere arts,
hebben we in Nederland toch een gezondheidszorg waar de rest van de
wereld met bewondering naar kijkt.
Tot slot ben ik blij met de drie onderzoeken naar het onnodig procederen
door de overheid vanuit drie verschillende ministeries. Zo is er een
onderzoek onder de verantwoordelijkheid van de staatssecretaris van
Financiën naar verbetering van praktische rechtsbescherming. Er is een
aanjager, de heer Daan Hoefsmit, die in opdracht van de ministeries van
JenV en VWS geschillen tussen overheid en burger moet terugdringen. En
er is een parlementair onderzoek naar de problemen bij de
uitvoeringsorganisaties van de overheid. Maar wie coördineert de
uitkomsten en mogelijke consequenties van deze drie onderzoeken? Waarom
wordt ervoor gekozen om het terugdringen van onnodig procederen door
gemeentes dan weer op een andere manier aan te pakken?
Tot zover, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan is het woord aan de heer Van Nispen van de
Socialistische Partij.
De heer Van Nispen (SP):
De situatie in de justitieketen is verontrustend. Er wordt door velen
hard gewerkt: agenten, officieren van justitie, advocaten, rechters en
gevangenispersoneel. Maar er zijn lange wachttijden en achterstanden in
het recht. Dat is per definitie niet rechtvaardig. Die achterstanden
zijn niet uit de lucht komen vallen. Ze waren er al, onder andere door
bezuinigingen op de keten uit het verleden. Die achterstanden zijn door
corona fors opgelopen. Dat moet worden opgelost, liefst met structurele
maar ook met tijdelijke oplossingen. We moeten er heel erg voor oppassen
dat dit niet ten koste gaat van de zorgvuldigheid en de
rechtsbescherming van verdachten en slachtoffers. Op de rechtsstatelijke
beginselen openbaarheid, aanwezigheid ter zitting en equality of arms is
in de coronacrisis fors ingeleverd. Dat is zorgelijk. Sterker, dat kan
niet zo blijven, zeker niet als maatregelen structureel worden. Wordt de
Kamer hier nauwgezet over geïnformeerd en wanneer zal dat dan zijn? Als
bijvoorbeeld telehoren een structurele plek krijgt in het
strafprocesrecht, dus meer dan nu, dan moet het technisch en
organisatorisch wel echt beter, en natuurlijk zonder tijdslimiet in de
gevangenis. Die 45 minuten, dat kan soms gewoon echt niet.
Ik ben geen voorstander van het vaker afdoen van zaken via een
OM-strafbeschikking, maar als de minister daarvoor kiest, dan stel ik
daarbij drie eisen. Ten eerste moet het een tijdelijke maatregel zijn,
waar we echt weer mee gaan stoppen. Ten tweede moeten de waarborgen en
de rechtsbescherming echt beter. Ten derde moet er extra budget komen
voor het Openbaar Ministerie, maar ook voor de rechtspraak en de
advocatuur, want daar blijven dan de zwaardere zaken over.
Over het budget lees ik eigenlijk helemaal niets in de brief van de
minister. Dat is onbegrijpelijk. Wat betekent het eigenlijk dat dat niet
in de brief zit? Heeft de minister het geld er niet voor over? Heeft de
minister het geld er niet voor gekregen? Of weten we gewoon nog niet wat
het gaat kosten en komt het geld er alsnog als we weten wat het gaat
kosten?
De heer Van Wijngaarden (VVD):
Niet om de heer Van Nispen nu enorm de maat te nemen op de woorden die
hij kiest, maar toch even voor mijn begrip. Hij zegt: als de minister er
echt voor kiest om vaker zaken af te doen via OM-strafbeschikking. Daar
haak ik even op in, want het OM en de rechtspraak, dus de zittende en de
staande magistratuur, zijn toch samen met een plan gekomen waar dit een
onderdeel van is? Het is toch niet zo dat de minister dit per se
allemaal heeft bedacht?
De heer Van Nispen (SP):
Dat is een terechte vraag. Toen de heer Van Wijngaarden net zelf aan het
woord was, vroeg ik me eigenlijk af wat ik vond van al zijn complimenten
aan de ministers. Want het waren toch het OM en de rechtspraak zelf die
in deze coronacrisis maatregelen hebben genomen? Wij moesten juist een
beetje op afstand blijven. Ik had hem dus dezelfde vraag kunnen stellen.
Dat heb ik niet gedaan, dus ik zal nu keurig zijn vragen
beantwoorden.
Nee, klopt. Dat is ook zo. Maar daar hebben de ministers natuurlijk ook
wel degelijk over mee nagedacht. Uiteindelijk hebben ze er beleidsmatig
ook wat van gevonden. U herinnert zich vast nog wel het uitgebreide
algemene overleg dat we hebben gehad over die OM-strafbeschikkingen,
over wat daar allemaal nog aan schortte en over wat daar nog niet
zorgvuldig genoeg aan was. Dus we hebben daar als Kamer natuurlijk wel
wat van te vinden. Uiteindelijk stellen wij als Kamer natuurlijk de wet
vast waarop dit allemaal gebaseerd is. Wij zouden die wet ook kunnen
wijzigen. Dus de zelfstandige onafhankelijke positie van het OM en de
rechtspraak zijn er zeker, maar ik reageer nu natuurlijk op de brief van
de minister. Daar stel ik vragen over.
De voorzitter:
Dat is voldoende voor de heer Van Wijngaarden. Meneer Van Dam nog met
een interruptie.
De heer Van Dam (CDA):
Ik wil toch eens even iets vragen aan de heer Van Nispen van de SP. Hij
vraagt nu of er niet meer geld moet komen enzovoorts, maar als je kijkt
naar de Voorjaarsnota, dan moet ik constateren dat er eigenlijk heel wat
meer geld is gegaan naar het ministerie van Justitie en Veiligheid, op
basis van de PMJ-berekening.
Ik heb nog een ander punt. Ik heb een motie ingediend over "piepen en
kraken". Daarop hebben we inmiddels ook een korte reactie van de
minister gehad. Ik meen dat er ook nog een rapport komt naar aanleiding
van de motie-Rosenmöller in de Eerste Kamer, waarin dit ook naar voren
komt. Dus neemt de heer Van Nispen dat ook in overweging?
De heer Van Nispen (SP):
De heer Van Dam kent mij: ik neem altijd alles in overweging. Maar het
ging mij om iets anders. Ik heb eerst het punt gemaakt dat er in het
verleden natuurlijk zo hard is bezuinigd op de justitieketen dat we al
met achterstanden zaten voordat de coronacrisis losbarstte. Eerst zijn
er allerlei gevangenissen gesloten. Nu zijn er ramingen dat het aantal
gedetineerden weer gaat toenemen, dus nu is er op grond van die ramingen
ook automatisch extra geld beschikbaar. Dat is ook goed, maar het valt
mij op dat er een ambitieus plan van aanpak wordt gepresenteerd om de
corona-achterstanden weg te werken, maar dat er in heel die brief van
volgens mij acht pagina's geen financiële paragraaf zit. Dat kan niet
waar zijn. Dat moet de heer Van Dam het met mij eens zijn. Want als je
die achterstanden gaat wegwerken en vaker kiest voor
OM-strafbeschikkingen, dan kost dat meer tijd en meer mankracht bij het
Openbaar Ministerie. Het gevolg is ook dat de zaken bij de rechtspraak
gemiddeld zwaarder worden. Het gevolg is ook dat de makkelijkere zaken
voor de advocaten tot minder punten leiden. Dus het geheel verschuift.
De heer Van Dam kent ook die systematiek. Ik geloof dus niet dat dat min
of meer budgetneutraal is. Daarom heb ik me erover verbaasd dat er in
die brief over het wegwerken van de achterstanden helemaal geen
financiële onderbouwing zit.
De heer Van Dam (CDA):
Nou, in zekere zin vind ik het heel logisch dat er geen financiële
onderbouwing in zit. Dat komt juist doordat het OM en de rechtspraak
productgefinanierd zijn. Daar ben ik zelf overigens niet de grootste fan
van. Maar uiteindelijk bepaalt het product of ze er wel of geen budget
voor krijgen. Ik ga er dus van uit dat als ze nu een bepaalde smaak meer
of minder leveren, daar dan ook de financiering op meedeint.
De heer Van Nispen (SP):
Ik denk dat de heer Van Dam daar ten onrechte van uitgaat. Natuurlijk
klopt het wat hij zegt: als je bijvoorbeeld vaker een meervoudige kamer
hebt dan een politierechterzitting, dan krijg je daar ook budget voor.
Maar nu gaat het juist naar het omgekeerde. De wat ingewikkeldere zaken
gaan nu namelijk vaker enkelvoudig worden afgedaan. Dat levert dus
minder financiering op. En dat kun je niet meer uitmiddelen tussen de
wat zwaardere zaken waarmee je soms geluk hebt en wat geld overhoudt, en
de wat lichtere zaken waarvoor je dan wat harder moet werken. Dat werkt
nu bij de advocaten zo. Dat werkt nu bij de rechtspraak zo. Ik denk dus
wel degelijk dat dit financiële gevolgen zal hebben. Ik denk dat de heer
Van Dam dat zelf ook wel weet. Dat geldt ook voor het OM. Daar gaan dus
nu mijn vragen over. Daarom is mijn vraag: komt die financiële paragraaf
nog? Of gaat het echt budgetneutraal zijn, zoals de heer Van Dam — het
verwondert mij — lijkt te veronderstellen?
De voorzitter:
Gaat u verder.
De heer Van Nispen (SP):
Het punt van het afschalen van zaken van de meervoudige kamer naar de
politierechter mag dus wat de SP betreft niet leiden tot minder
financiering van de rechtspraak en ook niet tot een mindere vergoeding
voor de advocaat. Die zaak zelf is namelijk nog net zo ingewikkeld.
Graag een toezegging daarop, want anders lijkt het toch een
bezuinigingsmaatregel en ik geloof gewoon niet dat dat de bedoeling kan
zijn. Worden complexe zaken, bijvoorbeeld met principiële verweren, ook
uitgezonderd? Wordt hierover dan ook steeds overleg met de verdediging
gevoerd? Is het wel uit te leggen dat hoger beroep ook enkelvoudig wordt
afgedaan? In plaats van zes rechters kijken dan slechts twee rechters
naar een zaak, in totaal. Hoe ziet de minister dat?
Dit alles leidt inderdaad tot een verdere scheefgroei voor de sociaal
advocaten. Die kregen al een te lage vergoeding. Dat wordt hierdoor
erger. Met de conclusies van de commissie-Van der Meer heeft de minister
eigenlijk al die jaren nog niks gedaan; gewoon geen resultaat. Dat vind
ik heel erg treurig. Want nog steeds is het zo dat sociaal advocaten
ermee stoppen en dat de toegang tot het recht onder druk staat. En
terwijl de minister erkent dat advocaten geen redelijke vergoeding
krijgen, moeten ze wachten. Ze moeten wachten tot de minister zijn
omstreden stelselherziening voor elkaar heeft. En eigenlijk hebben we
geen idee wanneer dit dan tot een redelijke vergoeding leidt. Dat kan
toch niet? Ik wil mij aansluiten bij de terechte vragen van GroenLinks
hierover. Ook wil ik de minister vragen of hij bereid is toe te zeggen
dat de tegemoetkomingsregeling voor sociaal advocaten niet afgaat van
het budget voor het stelsel en dus bovenop het begrote budget komt en er
niet toe leidt dat advocaten nog langer op die redelijke vergoeding
moeten wachten. Komt die er nou eindelijk, bijvoorbeeld in 2021 maar het
liefst eerder? Kan de minister ook toezeggen dat er coulant zal worden
omgegaan met advocaten die hun voorschot later dit jaar niet of lastig
terug kunnen betalen? Ook daar krijg ik graag een toezegging op.
Over het gevangeniswezen heb ik veel vragen gesteld in de afgelopen
tijd, vaak ook samen met D66, omdat ik veel signalen kreeg dat
bijvoorbeeld coronamaatregelen niet goed werden uitgevoerd, wat leidde
tot gevaarlijke situaties voor gedetineerden en personeel. Het gebrek
aan contactmogelijkheden was, en is nog steeds, voor gedetineerden en
familieleden een kwelling, zeker voor de kinderen. Ik begrijp dat dat
plexiglas nodig is, maar dat wordt toch geen blijvende maatregel, zo
vraag ik hierbij alvast aan de minister. En er is gebrek aan duidelijke
communicatie, bijvoorbeeld over wat de gevolgen zijn voor de
detentiefasering. Mensen weten vaak niet goed waar ze aan toe zijn. Dat
maakt mensen boos en wanhopig. Daar heeft dan ook het
gevangenispersoneel veel last van. Ook de Ombudsman vraagt hier aandacht
voor. Geef duidelijke informatie en luister naar hun zorgen. Geef extra
aandacht aan ingeslotenen, die kwetsbaar zijn en risico lopen. Lever
regie en maatwerk bij schrijnende situaties, bijvoorbeeld met de
kinderen. Welke inspanning kan de minister leveren in het belang van de
kinderen van gedetineerde ouders? En wat de detentiefasering betreft:
hoe zorgt de minister ervoor dat mensen tijdig en goed terug kunnen
keren in de samenleving na detentie?
Tot slot een heel ander onderwerp: de zaak van Julio Poch. Vorige week
ontvingen we al antwoord op Kamervragen. We vroegen een document op,
maar de minister wil het niet geven. Eerder kregen we een ander document
alleen vertrouwelijk ter inzage. Dit alles omdat er een
onderzoekscommissie aan het werk is, die de minister zelf heeft
ingesteld. Dat is prima, maar daarmee kun je de inlichtingenplicht op
grond van artikel 68 van de Grondwet natuurlijk niet negeren. We hebben
het recht om deze documenten te ontvangen als we daarom vragen. Graag
een reactie daarop.
De voorzitter:
Ik dank u zeer. We heten ook mevrouw Kuiken welkom in ons midden. Het
woord is aan de heer Van Dam van het CDA.
Mevrouw Kuiken (PvdA):
Voorzitter, mag ik straks als laatste? Dat vind ik wel zo netjes als je
als laatste binnenkomt.
De voorzitter:
Dat is goed. Meneer Van Dam, het woord is aan u.
De heer Van Dam (CDA):
Voorzitter, dank u wel. Laat ik beginnen met de plannen die van de week
tot ons zijn gekomen om de problematiek te beteugelen die door het
coronavirus in de strafrechtketen is ontstaan. Ik heb daar met genoegen
naar gekeken. Er zaten veel goede voorstellen in, leek mij. Ik heb
daarover wel een paar vragen.
De eerste betreft het meer werken met de OM-strafbeschikking. We hebben
toevallig net de tweemeting gekregen. We kennen de historie van de
OM-strafbeschikking. In dat kader vind ik het enorm van belang dat ook
de advocatuur betrokken is bij het opleggen van de OM-strafbeschikking.
Ik lees in de stukken dat er in acht van de tien arrondissementen al
fors invulling wordt gegeven onder andere aan een motie die ik eerder
heb ingediend over "advocatuur aanwezig bij ZSM". Maar wat is nou die
invulling? Zijn er werkgroepen gestart? Is er een pilot? Is het al breed
geïmplementeerd? Graag zou ik daar mede met het oog op het wegwerken van
die achterstanden meer zicht op krijgen.
Een tweede punt is de openstelling van de gerechten. Ik heb daar met
collega Groothuizen vragen over gesteld, maar de kantongerechten zijn
tot 1 september nog gesloten. Met name mensen die bijvoorbeeld bezwaar
maken tegen een hun opgelegde coronaboete zullen tot 1 september moeten
wachten voordat zij ontvangen worden in hun verzet tegen de
strafbeschikking op dat punt — want het is een overtreding — en
misschien moeten zij nog wel veel langer wachten. Zou het niet
verstandig zijn om daar wat meer vaart mee te maken en om bijvoorbeeld
die zaken naar voren te trekken?
Voorzitter. Dan de strafrechtketen in meer algemene zin. De ministers
spitsen hun beleid toe op de drie issues van het strafrechtketenberaad:
digitalisering, doorlooptijden en multiproblematiek. We hebben twee
weken geleden een overleg gehad en daarin heb ik al betoogd dat ik niet
helemaal onder de indruk was van de ketenbrede prestaties, met respect
voor iedereen die daarmee aan het werk is. Maar vorige week is een motie
van mij en collega's Groothuizen en Van Nispen aangenomen, die
Kamerbreed is ondersteund: het ministerie zou meer regie moeten nemen op
de strafrechtketen. Zouden de ministers misschien nu al iets meer zicht
kunnen geven op wat ze daar voornemens zijn om te gaan doen? Dat zou ik
bijzonder graag willen weten.
Dan de drie thema's, te beginnen met digitalisering. Laat ik één
voorbeeld noemen, en dat gaat over de multimedia-aanpak. Eerst was het
idee dat de strafrechtketen daarin gezamenlijk een oplossing zou vinden.
Dat leek mij zeer verstandig, alleen al uit het oogpunt van de
integriteit van data. Als je in de keten data gaat doorgeven, wie
garandeert dan dat die bestanden aan het eind — dat kan jaren duren bij
rechtszaken — nog integer zijn? Maar los daarvan, het bouwen van een
voorziening om tot in lengte van jaren bestanden in op te slaan, is een
technische en financiële uitdaging. Het is echt het toppunt van falen
als je uiteindelijk moet constateren dat het niet lukt om dit in de
keten voor elkaar te krijgen. Stelt u zich voor: de aanslag op de tram
in Utrecht. De politie krijgt honderden foto's en filmpjes binnen, die
allemaal kunnen dienen tot bewijs, belastend of ontlastend. Gaan nu al
die bestanden zowel bewaard worden bij de politie als bij het OM en bij
de rechtspraak, en dat jarenlang? Hoeveel kost dat wel niet? Wie
garandeert dat er tussentijds niet geklungeld is met die beelden? Waar
worden ze opgeslagen? Ik word er emotioneel van, merk ik. In clouds in
Amerika of op in China gevestigde platforms? Er wordt nu met de
dooddoener dat voldaan moet worden aan rechtsstatelijke waarborgen
overheidsgeld verbrast. Het is iedereen duidelijk dat je ook technisch
kunt regelen dat die rechtsstatelijke waarborgen gegarandeerd worden. Ik
ben geen techneut, maar ik heb me inmiddels voldoende uit laten leggen
dat het creëren van afzonderlijke toegang tot een database vele malen
eenvoudiger te regelen is en minder kost dan dat je dat in meerdere
opslagfaciliteiten gaat realiseren. Graag een reactie van de minister
hierop hoe deze vorm van verspilling tegengegaan kan worden.
Dan de doorlooptijden. Daar is heel veel over te zeggen in het kader van
corona. Daar ga ik nu niet zo veel over zeggen. Wat wel een opdracht
voor mezelf is voor de komende zomer is toch nog eens na te denken over
hoe we die discussie willen voeren. Als je eigenlijk van een afstandje
naar die cijfers kijkt, zie je dat die strafrechtketen al jarenlang in
de aantallen overvoerd is. Er komt een miljoen zaken binnen, en er gaan
al vrij snel 500.000 zaken af die geseponeerd worden, en daarna is het
een soort afvalrace. Wat ik soms een beetje zorgelijk vind, is dat wij
hier in de Kamer — daar doe ikzelf ook aan mee — steeds praten over
doorlooptijden, productiefactoren en dingen die niet lukken. We
behandelen de hele strafrechtketen als een koekjesfabriek, en voeren
niet de waardendiscussie over wat het ons nu waard is. Dat loopt
eigenlijk al sinds het rapport van de Rekenkamer van jaren geleden, waar
het falen van de strafrechtketen in dat opzicht in beeld werd gebracht.
Op de een of andere manier zitten we nog steeds in die groef. Dan weet u
in ieder geval wat mijn huiswerk is voor het komende zomerreces.
Voorzitter. Ik rond af met de multiproblematiek.
De voorzitter:
In tien seconden.
De heer Van Dam (CDA):
In tien seconden zal ik zeggen dat er naar schatting 100.000
multiprobleemgezinnen in Nederland zijn. Dat schrijven de ministers in
hun brief. 100.000 gezinnen. Een groot deel daarvan komt in aanraking
met het recht en het strafrecht. Mijn vraag aan de ministers, pratend
over verwarde personen en de populatie in gevangenissen, is of dit
alleen een strafrechtding is. Of stellen de ministers ook aan de orde in
het kabinet dat dit een gedeeld probleem is? Een heleboel problemen
worden op deze manier op de strafrechtketen afgewenteld. Dank u
wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Er is een interruptie voor u van mevrouw Kuiken.
Mevrouw Kuiken (PvdA):
Dank, voorzitter. Bij die laatste woorden kan ik mij alleen maar
aansluiten. Dat is namelijk een heel terechte oproep. Maar mijn vraag
ging even over de strafrechtketen, en of we daar niet te veel naar
kijken als een soort koekjesfabriek. Wat zouden dan uw eigen oplossingen
zijn? Minder productfinanciering, meerjarenbudgetten? Wat is uw eigen
oplossing?
De heer Van Dam (CDA):
Ik ben nog niet aan een oplossing toe, maar ik kan u wel vertellen dat
ik daar enorm over aan het nadenken ben. Mijn eigen ervaring is dat in
het strafrecht een heleboel problemen worden gedumpt die eigenlijk niet
voor het strafrecht zijn. Dus op het moment dat jij ruzie hebt met je
buren en niet in staat bent om een fatsoenlijk gesprek met hen aan te
gaan, komt er vanzelf een keer een moment waarop de buurvrouw iets naar
je gooit, een klap uitdeelt of wat dan ook, en dan is het een strafzaak.
Terwijl je toch kunt zeggen: misschien had het probleem al veel eerder
opgelost moeten worden. En ook met die multiprobleemgezinnen: het is
niet zo moeilijk dat je op een gegeven moment, als je niet te eten hebt,
dingen doet die in het Wetboek van Strafrecht staan. Dus ik denk dat
hier echt een veel bredere discussie achter zit. In mijn studie was
strafrecht een ultimum remedium, en inmiddels is strafrecht verworden,
zeker ook rond die ontzettend goed bedoelde veiligheidshuizen, tot een
soort welzijnsinstrument, waar van alles en nog wat in gedaan wordt. Het
leidt tot een enorme overbelasting van dit instituut. Laten we reëel
zijn: we staan voor een crisis, ook economisch gezien. We hoeven echt
niet te verwachten dat er de komende tijd honderden miljoenen bij komen.
Dat betekent dat je gewoon fundamenteel moet nadenken hoe je met dat
instituut omgaat.
Mevrouw Kuiken (PvdA):
Hiermee koppelt u uw een-na-laatste opmerking en uw laatste opmerking
aan elkaar. Ik laat het voor nu even liggen. Laten we dat denken doen,
en dan vooral samen. Maar ik dacht dat er wellicht nu al zaken voorbij
zouden komen. We laten hem even liggen. Na de zomer weer verder.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan is het woord aan de heer Groothuizen van D66.
De heer Groothuizen (D66):
Dank u wel, voorzitter. Het coronavirus en de rechtsstaat bleken een
ingewikkelde combinatie. In maart sloot de rechtspraak zijn deuren, met
uitzondering van heel urgente zaken. Wat later zagen we weliswaar
versoepelingen, maar we zagen ook zittingen op 1,5 meter afstand en
telehoren. Ik ben recent zelf maar eens gaan kijken naar een rechtszaak.
Ik heb echt wel bewondering voor de manier waarop de rechtspraak, het
Openbaar Ministerie en de advocatuur zich hebben aangepast, maar ik heb
ook gezien wat het ongemak van het tijdslot van DJI oplevert, met toch
een bepaalde sfeer die over de hele zitting hing. Het had toch een
bepaalde lading, hoewel het in de zitting die ik bijwoonde op zich goed
ging.
Dat sluit wel aan bij de zorgen die D66 eerder heeft geuit over het
gebrek aan openbaarheid van zittingen en over de aanwezigheid van
verdachten en advocaten bij hun eigen zaak. Een aantal keren is het
voorgekomen dat advocaten werden ontmoedigd om aanwezig te zijn bij een
strafzaak. Dat was, laten we het maar gewoon zeggen, niet goed.
Voorzitter. Juist in een crisis is onze rechtsstaat van fundamenteel
belang. Ik moet u eerlijk bekennen dat ik me soms afvraag of ik de
impact van sommige keuzes die de afgelopen maanden zijn gemaakt, zelf
niet heb onderschat. Daarover gaat mijn eerste vraag. Hoe kijkt de
minister van Justitie terug op de afgelopen maanden? Hoe robuust was
onze rechtsstaat? Op welke punten krabt hij zich misschien ook wat
achter zijn oren? Graag een eerlijke reactie.
Voorzitter. Ik vind het belangrijk dat we gaan terugkijken op de
coronatijd. Wat ging er goed en wat ging er niet goed? Wat kunnen we
eventueel wel meenemen naar de toekomst? Want ik zie ook dat de
videoconferentie in sommige zaken echt een uitkomst kan bieden. Denk aan
een reclasseringsmedewerker die veel tijd kan besparen, of aan meer
digitaal bezoek in de gevangenis. Mijn vraag aan beide ministers is hoe
ze precies lessen gaan trekken uit deze tijd. Graag een duidelijke
reactie.
Voorzitter. De achterstanden in de rechtspraak waren niet nieuw, maar ze
zijn door corona wel toegenomen. Dat is denk ik ook het gevolg van
verwaarlozing in het verleden. Ik denk dat de heer Van Nispen daar
terecht op wijst. Ik ben blij dat er nu een plan ligt, al heeft dat wel
eventjes geduurd. In de praktijk waren er al eerder praktische, en
volgens mij soms zinvolle ideeën over hoe we konden omgaan met de
achterstand. Veel van die ideeën moeten nog worden uitgewerkt. Mijn
vraag aan de minister van Justitie is dan ook wanneer hij wil dat deze
aanpak echt loopt. Wat is de einddatum? Want ik ga er, samen met de heer
Van Nispen, van uit dat dit wel tijdelijk is. Graag een reactie en een
bevestigende reactie op dat laatste punt.
Voorzitter. Wie gaat dit uiteindelijk betalen? Het zal toch ook niet
helemaal gratis zijn. In het verlengde daarvan, als dit uiteindelijk aan
het einde van het jaar tot een lagere Q, tot minder zaken bij de
rechtspraak en het OM heeft geleid, hoe gaan de ministers dat dan
opvangen? Wordt de bestaande hardheidsclausule dan gebruikt? Graag een
toelichting van de ministers.
Dan over de inhoud, voorzitter. Meer zaken zullen worden afgedaan via de
OM-strafbeschikking. Dat begrijp ik, maar ik heb wel een aantal
kanttekeningen, want dit legt ook een zware last op het Openbaar
Ministerie. Er zijn in het verleden echt problemen geweest met die
strafbeschikking. Kortom, het Openbaar Ministerie moet scherp gaan
letten op de bewijsbaarheid van de zaak. Het moet qua sancties
aansluiten bij wat er wordt opgelegd in de rechtspraak. Goede
rechtsbijstand moet zijn geborgd. De heer Van Dam zei daar ook al dingen
over. In de brief over de rechtsbijstand lees ik dat dit in acht van de
tien regio's geregeld is, maar ik ga ervan uit — ik vraag bevestiging
van de minister voor Rechtsbescherming — dat het dadelijk in het hele
land geregeld is en dat de achterstand die we gaan wegwerken keurig via
ZSM gaat, met afdoeningsbijstand van een advocaat.
Voorzitter. Dat soort reserves heb ik ook bij de verschuiving naar de
unusrechtspraak. Soms kan dat prima, als een zaak zich daarvoor leent,
maar er moet wel goed worden gekeken óf die zaak zich daarvoor leent. Ik
vraag de verzekering van de minister voor Rechtsbescherming dat de aard
van de zaak leidend is, en niet het belang om heel veel zaken heel snel
weg te werken.
Voorzitter. Ik waardeer het dat de minister voor Rechtsbescherming
noodregelingen heeft gemaakt voor de advocatuur. Dat was nodig, maar dat
was ook goed. Ik heb ook de indruk dat de discussie over de
rechtsbijstand, mede door de financiële injectie van eind vorig jaar, in
een wat rustiger en daarmee ook wat productiever vaarwater is gekomen.
Maar er is nog steeds wel een grote opgave. Tempo is van belang om te
komen tot een hogere vergoeding voor sociaal advocaten. Is de minister
voor Rechtsbescherming dat met mij eens? Gaat hij dan ook echt alles op
alles zetten om zo spoedig mogelijk stappen te kunnen zetten met
betrekking tot die vergoeding? Volgens mij waren daar onder andere de
pilots voor bedoeld. Graag een reactie.
Voorzitter. Dan de digitalisering. Ik sluit mij aan bij wat de heer Van
Dam daarover heeft gezegd. We moeten daar echt stappen gaan zetten: van
fax naar cloud. Ik heb daar in het vorige debat ook iets over gezegd. Ik
heb twee vragen aan de minister van Justitie. Welke voorziening gaat hij
ontwikkelen voor die multimedia in de keten? Want wat de heer Van Dam
zei, is volgens mij helemaal terecht. Is het niet gewoon zo — dat is
mijn tweede vraag aan de minister — dat je, als je dit goed wilt
regelen, eigenlijk alleen een soort cloudoplossing kunt ontwikkelen
tussen politie, OM, rechtspraak en ook de advocatuur? Graag een
toelichting van de minister van Justitie.
Voorzitter. Dan de milieucriminaliteit. Illegale lozingen veroorzaken
een milieuschade van maar liefst 4 miljard per jaar. Dan heb ik het over
de financiële schade. De schade aan het milieu is natuurlijk niet in
geld uit te drukken. Niet de overheid is de baas bij de bestrijding van
milieucriminaliteit, maar de markt. Dat waren harde conclusies uit een
rapport dat ik een aantal maanden geleden onder de aandacht heb
gebracht. Ik heb er ook in juni aandacht voor gevraagd. Waar blijft dan
het voor de zomer beloofde actieplan, is mijn vraag aan de minister van
Justitie. Het is inmiddels toch wel zomer en we hebben het nog niet
gezien. Graag een reactie.
Voorzitter. Samen met ...
De voorzitter:
Uw tijd is om.
De heer Groothuizen (D66):
Nee, zes minuten, toch?
De voorzitter:
Vijf. Dan heeft u straks nog een minuut in de tweede termijn.
De heer Groothuizen (D66):
Oké. Ik ga dat zo doen.
De voorzitter:
Ja. O, meneer Van Nispen gaat u helpen.
De heer Van Nispen (SP):
Het zou mooi zijn om te vragen "Wat had u nog willen zeggen?", maar dat
zal ik niet doen. Ik had wel een vraag over de rechtsbijstand. Ik vond
dat de heer Groothuizen daar terechte vragen over stelde. Sociaal
advocaten moeten nu al te lang wachten op een redelijke vergoeding. De
heer Groothuizen maant de minister voor Rechtsbescherming tot spoed,
maar aan welke termijn denkt de heer Groothuizen zelf? Mijn zorg zit in
het volgende. De stelselherziening is nog niet lang rond. Daar zitten
veel veronderstellingen, aannames, et cetera onder. We weten nog niet
hoe dat allemaal gaat lopen. Ik ben een beetje bang dat zo'n
tegemoetkomingsregeling sociaal advocaten, hoe terecht die ook is, er
alleen maar toe kan leiden dat de redelijke vergoeding nog verder uit
het zicht raakt, omdat die misschien weer uit hetzelfde budget voor de
rechtsbijstand moet komen. Ziet de heer Groothuizen dat risico ook? Wat
zou volgens de heer Groothuizen een redelijke termijn zijn om tot een
redelijke vergoeding te komen?
De heer Groothuizen (D66):
Zo snel mogelijk. Ik zou eigenlijk hopen dat we aan het einde van dit
jaar kunnen werken met die pilots, waar 10 miljoen in zit, zeg ik uit
mijn hoofd, en waarvan het idee is dat we gericht aan een hogere
vergoeding kunnen werken, bijvoorbeeld bij familierecht. Voor de rest
heb ik begrepen dat als het gaat over de tijdelijke regeling, de
covidgerelateerde regelingen die nu worden betaald, die ruimte er
volgens mij ook is, omdat ook dit systeem weer PxQ is, om die
verschrikkelijke afkorting maar eens te gebruiken. Dat betekent dus dat
als je minder zaken hebt — dat is natuurlijk het probleem dat de
advocatuur nu heeft — je ook wat ruimte hebt om dat op te lossen. In die
zin heeft het dan wel geholpen, zonder al te veel veren uit te delen,
dat we een aantal jaren geleden een hek om dit budget hebben gezet, want
dat maakt het mogelijk dat het geld nu niet wegloopt naar iets anders,
maar dat we het weer kunnen terugleiden naar de rechtsbijstand.
De heer Van Nispen (SP):
Ik denk ook dat het goed is dat we dat gedaan hebben, maar het is toch
eigenlijk te gek voor woorden dat wij dat hier in de Kamer hebben moeten
regelen. Wij hebben moeten zeggen "je mag het geld voor rechtsbijstand
niet per ongeluk voor iets anders gebruiken", maar de minister zegt op
geen enkel thema zo duidelijk: het moet binnen het bestaande budgettaire
kader. Dat was volgens mij de zin waarmee dit in het regeerakkoord is
gekomen en die ik de minister voor Rechtsbescherming tientallen keren zo
nadrukkelijk over de rechtsbijstand heb horen zeggen. Is de heer
Groothuizen bereid om, als de tegemoetkomingsregeling uiteindelijk kost
wat ze kost — want dat is nou eenmaal de regeling, zo hebben we
afgesproken — het niet daarvan te laten afhangen of er uiteindelijk een
redelijke vergoeding komt voor de sociaal advocaten? Is de heer
Groothuizen dat met mij eens?
De heer Groothuizen (D66):
Ja, dat ben ik met de heer Van Nispen eens. Daar waren wij het ook al
over eens. Sterker nog, ik denk dat het goed is dat we dit doen. Dat
gaat ook winst opleveren, maar daarmee is nog niet helemaal voldaan aan
de wens van de commissie-Van der Meer. De enige terughoudendheid die ik
altijd heb, misschien iets meer dan de heer Van Nispen, is dat ik vind
dat ik geen dingen moet beloven die ik niet kan waarmaken. Daarom ben ik
altijd terughoudend om te zeggen: er komt extra geld. We hebben ons daar
vorig jaar hard voor ingezet. Toen is er een bedrag bij gekomen. Daar is
het probleem lang niet mee opgelost. Dat geef ik ook direct toe, maar
het was wel weer een extra stap. Ja, ik zie dat het probleem nog steeds
bestaat. Daar moet echt een oplossing voor komen.
De voorzitter:
Ik zag ook meneer Van den Berge. Een interruptie.
De heer Van den Berge (GroenLinks):
Mijn vraag is: stel dat collega Groothuizen wel zes minuten had gehad,
welk punt had hij dan nog willen maken?
De heer Groothuizen (D66):
Dank voor deze vraag.
De voorzitter:
Ja, ik sta hem toe.
De heer Groothuizen (D66):
Dat gaat over het volgende. Ik heb samen met de heer Van Nispen een
aantal keren vragen gesteld over fraudeonderzoek door advocaten. De
minister van Justitie is heel blij met deze vraag, want we zijn het
namelijk roerend oneens op dit punt. De minister van Justitie ziet
allerlei efficiencyvoorstellen in eigen onderzoek gedaan door bedrijven
die daarvoor advocaten inhuren. Ik ben daar wat sceptischer over. Als je
een bedrijf dat van fraude of corruptie wordt verdacht dat vervolgens
zelf laat onderzoeken, kan je op je vingers uittellen dat zo'n advocaat,
die gewoon partijdig is en dat ook moet zijn, misschien wel dingen
opschrijft die dat bedrijf vooral goed uitkomen. Mijn vraag aan de
minister is kort en goed: is hij bereid om dit nou eens goed te laten
onderzoeken? Wat zijn de voordelen, wat zijn de nadelen en hoe kunnen we
het eventueel reguleren?
Dank u wel en vooral ook dank aan de heer Van den Berge voor de
vraag.
De voorzitter:
Meneer Van den Berge, nog vervolgvragen?
De heer Van den Berge (GroenLinks):
Het is een wat lang, maar wel helder antwoord, dus dank daarvoor.
De voorzitter:
Ja. Dat was uw bijdrage. Dan is nu het woord aan de heer Van der Staaij
van de SGP.
De heer Van der Staaij (SGP):
Dank u wel, voorzitter. De coronacrisis heeft veel gevolgen gehad voor
de hele strafrechtketen. Dat merkten we net ook weer in de verschillende
bijdragen hier vanuit de Kamer en aan alle brieven die op de lijst staan
die we vandaag bespreken. Ik wil graag beginnen met een compliment te
maken aan iedereen die hier met creativiteit en grote inzet aan heeft
gewerkt om die gevolgen op te vangen, om de rechtsstaat ook in deze
coronacrisistijd vorm te geven.
Voorzitter. Ik heb daarbij nog een aantal punten. De gedetineerden, en
het personeel van gevangenissen en tbs-klinieken hebben, ieder op een
eigen wijze, natuurlijk heel indringend te maken gehad met alle
beperkingen die corona veroorzaakte. Gelukkig hebben maatregelen ook een
positief effect gehad. In ieder geval bleef het aantal zieken vanwege
corona beperkt. Ik zie nog wel dat het ziekteverzuim onder personeel nog
steeds behoorlijk wat hoger ligt dan eerder. Mijn vraag is of duidelijk
is wat de achtergrond daarvan is en welke maatregelen genomen kunnen
worden om daaraan verder goed het hoofd te kunnen bieden.
Maatregelen voor resocialisering van gedetineerden bleven beperkt in de
achterliggende periode. Dat is natuurlijk in die omstandigheden
alleszins begrijpelijk, maar roept wel de vraag op wat dit nu ook
betekent voor de veilige terugkeer van gedetineerden in de samenleving.
Wordt aan deze groep nog bijzondere aandacht besteed om recidive te
voorkomen en om deze mensen te helpen hun leven zo goed mogelijk weer op
te pakken? Dat zou bijvoorbeeld kunnen gebeuren door achteraf nog extra
aandacht te geven aan zaken die nu misschien tijdens detentie
onvoldoende uit de verf zijn gekomen. Ik denk bijvoorbeeld aan bepaalde
projecten rond arbeidsbemiddeling, die nu veel minder konden
plaatsvinden. En ook is natuurlijk het ontwikkelen van
slachtofferempathie heel belangrijk. Komt er nog extra aandacht voor
projecten die daarop betrekking hebben? Het zou natuurlijk heel spijtig
zijn als zulke zaken nu tussen wal en schip zouden gaan vallen. Vandaar
de vraag of de minister voor Rechtsbescherming daarvoor nog
mogelijkheden ziet.
Ik kom op de bezoekregelingen. Er is sinds 15 juni wat meer ruimte voor
bezoek gekomen in gevangenissen en andere inrichtingen. Nu zie je dat
verdere verruiming tot augustus moet wachten. Wat zijn de mogelijkheden,
vooral voor de kring van intieme familie, om daarvoor al eerder ruimte
te bieden? Ik denk daarbij aan bezoek van kinderen aan hun gedetineerde
vader of moeder. Ik weet dat die ruimte er al wel is voor kinderen tot 4
jaar, maar voor oudere kinderen kan dit ook heel belangrijk zijn. Ik
vraag de aandacht van de minister hiervoor.
Bijzondere aandacht vraag ik ook voor de bezoekvrijwilligers. Onder meer
Gevangenenzorg Nederland vroeg hier ook aandacht voor. Men zegt daar:
het is wel heel lastig dat de regeling nu zo is dat gevangenen moeten
kiezen tussen bezoek van familie en bezoek van een vrijwilliger. Dan is
het natuurlijk logisch dat je kiest voor familie, als je ook veel
familie hebt die je allereerst wil zien. Maar men vraagt: zijn er dan
niet toch ook mogelijkheden voor een vrijwilliger, die juist weer op een
andere manier ook kan bijdragen aan de resocialisatie van de
gedetineerde? Is het niet mogelijk dat vrijwilligers bijvoorbeeld ook
gebruik kunnen maken van advocatenkamers, die juist meer voor bezoek
geschikt zijn gemaakt? Zijn er andere mogelijkheden om hier op een goede
manier invulling aan te geven?
Voorzitter. Ik kom op de maatregelen voor het wegwerken van
achterstanden in zaken bij het Openbaar Ministerie en de rechter. Wat
zijn de meest recente cijfers voor de instroom van zaken vanuit de
politie? Eerder was die natuurlijk nog niet helemaal op het niveau dat
er was. Hoe is dat inmiddels? En wat is nu de inzet om de achterstanden
weg te werken? Ik zag ergens in de brieven "eind 2021" langskomen. Dat
is toch wel een heel eind weg. Wat zijn de mogelijkheden om dat ook nog
te versnellen?
De sepots kwamen eerder langs, volgens mij in het vragenuur. Toen hebben
wij daarover gezegd: het is onwenselijk als door de situatie met corona
tot sepots wordt gekomen van zaken die anders nooit geseponeerd zouden
zijn. Ik realiseer me dat je, als je dat zegt, heel welwillend moet
kijken naar mogelijkheden om er dan wél op een goede manier invulling
aan te geven. Zo kijk ik ook aan tegen de verruimde mogelijkheden voor
de strafbeschikkingen van het Openbaar Ministerie, en ook tegen het
afdoen van enkelvoudige zaken.
Voorzitter. Ik zie uw signaal en ik zie mijn klokje. De vijf minuten
naderen, dus hier laat ik het bij.
De voorzitter:
Ik dank u zeer. Het woord is aan mevrouw Van der Graaf van de
ChristenUnie.
Mevrouw Van der Graaf (ChristenUnie):
Dank u wel, meneer de voorzitter. Ook de ChristenUnie ziet dat deze
crisis veel gevolgen heeft voor de rechtspraak, voor de advocatuur en
voor het OM. Ook wij willen onze waardering uitspreken naar iedereen die
hierin werkzaam is om het recht z'n beloop te laten. Tegelijkertijd zijn
er ook wel wat zorgen over de waarborgen daarbij voor de
rechtsbescherming en de rechtsstatelijke beginselen. Als je wilt komen
tot oplossingen voor de achterstanden, dan wordt daar misschien wel wat
op ingeboet. Daarop zou ik ook wel graag een reflectie willen horen van
de twee bewindslieden: hoe zien zij dat?
Aan het eind van de brief lees ik over de contouren om die achterstanden
weg te werken: bezien kan worden of structurele inbedding van
innovatieve oplossingen mogelijk is. Dan heb ik vanuit de ChristenUnie
wel enkele vragen. Onder welke voorwaarden dan precies? Welke waarborgen
zitten erbij als het kabinet denkt aan structurele inbedding? Aan welke
maatregelen denkt het kabinet dan? Kan gegarandeerd worden dat alle
maatregelen die we in het kader van deze covidcrisis nemen, altijd
tijdelijk van aard zullen zijn? Want als er zaken van een meervoudige
kamer als enkelvoudige zaken zullen worden afgewikkeld en als zaken
worden verplaatst naar een OM-strafbeschikking, dan is dat wat de
ChristenUnie betreft niet "het nieuwe normaal", om dat ook in dit debat
maar in te brengen. Wij begrijpen dat we moeten zoeken en voor een best
grote opgave staan, maar wij benadrukken de tijdelijkheid. Graag zou ik
daarop een reactie van de bewindslieden willen hebben. En hoe voorkomen
we dat zich nu problemen gaan ophopen bij het OM, waar ook al sprake is
van een groot probleem qua capaciteit?
Voorzitter. Ook ik vraag aandacht voor de sociale advocatuur. We zijn
blij met de regeling die er is gekomen om hen tegemoet te komen en
verlichting te bieden in deze tijd. Deze sociaal advocaten verkeerden
immers al in zwaar weer. Ik vraag in het kader van de stelselherziening
ook naar de actie die op het bordje van de overheid ligt, namelijk om
onnodig procederen door de overheid aan te pakken. Kan de minister
aangeven hoe dat nu loopt? Wordt daar in deze coronatijd ook extra aan
gewerkt? We weten namelijk dat bij veel mensen de schulden oplopen en
dat geschillen ook vaak door gemeenten worden veroorzaakt. Worden zij
voldoende aangesproken, ook door de aanjager die is ingesteld door het
ministerie?
Voorzitter. Ik ...
De voorzitter:
Een ogenblik. Er is een interruptie van meneer Van Wijngaarden voor
u.
De heer Van Wijngaarden (VVD):
Nog even over het punt van zaken die per strafbeschikking worden
afgehandeld en dat dat in de ogen van de ChristenUnie tijdelijk moet
zijn. Ik hoor dat ook andere woordvoerders zeggen. Kijk, in het licht
der eeuwigheid is natuurlijk alles tijdelijk, maar wat ik mij nu
afvraag, en ik ben benieuwd hoe mevrouw Van der Graaf dat ziet: is het
niet gewoon goed om eerst eens even te kijken wat de resultaten en de
ervaringen hiermee zijn? Ik kan me daarbij best voorstellen dat er op
voorhand grote reserves zijn en dat er vraagtekens bij te plaatsen zijn.
Maar doen we niet ook gewoon recht aan de eigenstandige positie en de
onafhankelijkheid van de zittende en staande magistratuur als we hen
daarin gewoon eerst even de kans en de gelegenheid geven? Dan kijken we
hoe hen dat bevalt, voordat we meteen uitspreken: dit moet en dit zal
per se tijdelijk zijn en daarna weer eindigen. Het klonk namelijk wel
heel resoluut.
Mevrouw Van der Graaf (ChristenUnie):
Nou, dan is het wel goed dat de heer Van Wijngaarden mij deze vraag
stelt, want de aanleiding om deze maatregelen te nemen, is natuurlijk
gelegen in het feit dat we nu met een coronacrisis te maken hebben en we
de achterstanden zien oplopen. In die coronacrisis gaan we er volgens
mij met alle maatregelen van uit — zo spreken we er in ieder geval in de
Kamer over — dat de maatregelen die we treffen, tijdelijk van aard zijn.
We hopen dat het leven naar het normale kan terugkeren. Dan zegt de
ChristenUnie ook: het is belangrijk om die tijdelijkheid te benadrukken,
omdat het strafrecht zoals we dat nu hebben vormgegeven, ook met
allerlei waarborgen is omkleed. Er wordt rechtsbescherming geboden. Er
wordt vanuit een rechtsstatelijk oogpunt aan de beginselen van de
rechtsstaat voldaan. Zaken die normaal gesproken in een meervoudige
kamer worden afgewikkeld, zijn zaken met een heel groot belang. We
hebben niet voor niets bedacht dat zich daar veel meer rechters over
zouden moeten buigen. Wij vinden het dus heel erg belangrijk dat we die
waarborgen ook weer een plek geven, zodra het weer kan. Dat is wat ik
hier neerleg. Daar vraag ik dus inderdaad een reflectie op. Ik denk
namelijk dat we er oog voor moeten hebben dat we nu in de crisis niet
sluipenderwijs — laat ik het maar zo verwoorden — allerlei maatregelen
treffen die uiteindelijk een structurele inbedding gaan krijgen, terwijl
ze wel raken aan de waarborgen die we met elkaar in deze rechtsstaat
hebben afgesproken. Dat is het punt dat ik hierbij maak.
De heer Van Wijngaarden (VVD):
Nou, het is goed om te horen dat de ChristenUnie hier dan inderdaad toch
genuanceerd naar kijkt. Ik wijs er wel op dat rechters zelf ook aangeven
dat veel zaken die nu al in de meervoudige kamer plaatsvinden ook prima
in een enkelvoudige kamer hadden gekund, als je kijkt naar de
uiteindelijke straftoemeting. Als ik het goed begrijp, is het dus wat de
ChristenUnie betreft niet uitgesloten dat de maatregelen die nu vanwege
de crisis worden genomen, tot nieuwe inzichten leiden. In die zin moeten
we de rechtspraak daarvoor dus ook alle ruimte geven.
Mevrouw Van der Graaf (ChristenUnie):
Ja, maar dan gaat het wel om de zorgvuldigheid en om de vraag of de
waarborgen allemaal op een goede manier zijn vormgegeven. Als ik de heer
Van Wijngaarden tussen de regels door beluister ... Ik hoop niet dat hij
dat bedoelt, maar het zou niet een efficiencyoverweging moeten zijn. Dan
zijn we namelijk op het verkeerde spoor bezig. Daar wil ik ook voor
waken. Daarom zeg ik: die waarborgen moeten in de volle omvang weer
terugkeren zodra dat weer kan.
De voorzitter:
Ik zie de heer Van Wijngaarden nee schudden, zeg ik voor de
Handelingen.
De heer Van Wijngaarden (VVD):
Nee hoor, dat was op het punt van de efficiency. Dat is inderdaad niet
het belangrijkste.
De heer Van Dam (CDA):
Toch nog even op dit punt. Kijk, de hele coronacrisis brengt ons ook
dingen die we misschien vroeger niet gedaan hadden, maar die best goed
uitpakken. Denk bijvoorbeeld aan het telehoren, het televergaderen. Ik
vind het ook heel fijn dat hier weer met elkaar live kunnen vergaderen,
maar ik denk dat ik er in de toekomst vaker voor zal kiezen om het via
video te doen in plaats van dat ik naar Groningen of Maastricht rij. Zou
het dan niet zinnig zijn om de maatregelen die het kabinet nu aan ons
gemeld heeft, ook eens te evalueren? Misschien zitten daar wel hele
goede dingen in. Natuurlijk begrijp ik volledig dat je bij sommige zaken
denkt: nou, het is maar de vraag of je daar beter van wordt. Maar ik
denk dat er wel degelijk positieve dingen in kunnen zitten.
Mevrouw Van der Graaf (ChristenUnie):
Zeker. Daar moet je altijd naar kijken. In de spoedwet voor justitie
hebben een aantal van deze maatregelen een plek gekregen. Volgens mij
hebben bijna alle fracties — ik heb het ook namens mijn fractie
ingebracht — toen gezegd: laten we ook kijken en goed evalueren wat voor
maatregelen hier nu worden getroffen. Natuurlijk moet je daarnaar
kijken. Ik spreek ook advocaten, bijvoorbeeld in familierechtzaken. Zij
zeggen: soms kan het ook een voordeel zijn dat je op de kamer van de
advocaat het gesprek kunt voeren. Maar tegelijkertijd hoor ik ook van
rechters dat ze de mensen toch wel het liefst in de ogen kijken bij een
zaak. Er zitten dus altijd meerdere kanten aan. Ik vind dat het heel erg
belangrijk is om het belang van de rechtzoekende, degene die
rechtsbescherming nodig heeft, goed voor ogen te houden. Dat is dus het
punt dat ik hier maak. Daar heb ik nu heel veel ruimte voor
gekregen!
De voorzitter:
Gaat u verder. U heeft nog tweeënhalve minuut.
Mevrouw Van der Graaf (ChristenUnie):
Tweeënhalve minuut.
De rechtsbijstand heb ik gehad.
Dan ga ik naar de gevangenissen. Dat is een ander mooi onderwerp waar
onze minister voor Rechtsbescherming zich voor mag inzetten: recht doen
en rechtvaardig straffen, maar ook werken aan herstel. Daar vraag ik
vaak aandacht voor. Onder andere Gevangenenzorg Nederland, het
Expertisecentrum KIND, Exodus, Humanitas en Bonjo hebben ferm bij ons
onder de aandacht gebracht dat we in deze tijd ook oog moeten hebben
voor de gedetineerden, voor de kinderen van gedetineerden en voor de
bezoekvrijwilligers die voor deze organisaties werken. Ik vind het erg
belangrijk dat we daarvoor ruimte bieden. Want moeders staan soms voor
ingewikkelde dilemma's. Ik noem er enkele. Welk kind neem ik nou mee op
bezoek? Hoe leg je nou aan een kind uit dat je je papa of mama alleen
achter plexiglas ziet en niet kunt knuffelen? Hoe ga je om met de
angsten die het kind ervaart vanwege al die maatregelen? Ook van
gedetineerden weten we dat het bezoek en het contact met hun geliefden,
de mensen om hun heen en de vrijwilligers, bijdragen aan herstel en aan
een goede terugkeer naar de samenleving. Dat zijn hele belangrijke
uitgangspunten. Ik vraag de minister om te kijken of hier niet toch meer
mogelijk is, ook voor kinderen die ouder zijn dan 4 jaar en of er
meerdere kinderen op bezoek kunnen komen, ook met de vakantieperiode die
eraan zit te komen. Kunnen we ook kijken naar glasvrij bezoek? Daar
bedoel ik mee dat je elkaar bijvoorbeeld in de buitenlucht kunt
ontmoeten. Ik vraag de minister om ook met de vrijwilligers en met de
gevangenenhulporganisaties te kijken hoe dit vormgegeven kan worden.
Heel graag een reactie daarop van de minister voor
Rechtsbescherming.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan is ten slotte het woord aan mevrouw Kuiken van de Partij
van de Arbeid.
Mevrouw Kuiken (PvdA):
Dank u wel, voorzitter. Uiteraard zijn er al heel goede vragen gesteld.
Ik zal mijn best doen om daar nog aanvullend op te zijn. Over de
justitieketen vind ik zeker dat we moeten leren van de maatregelen die
we nu nemen. Wat ik alleen wel een beetje gek vind, is dat we niet
meteen starten met een nulmeting en gelijktijdig evalueren. Mijn eerste
vraag is dan ook: is het dan niet verstandig om nu al meteen het
evaluatieonderzoek te starten, zodat je alle effecten mee kunt nemen?
Want de rechtspraak gaat ervan uit dat sommige maatregelen tot 1
december zullen duren. Dat zal misschien wel te kort zijn. Maar als je
dan pas begint en je wilt eventueel een doorstart maken, dan wordt dat
wel lastig. Dat is mijn eerste vraag.
Mijn tweede vraag gaat meteen over het verzoek dat nu plenair voorligt,
namelijk om rechters boven de 70 een kans te geven om door te werken. Er
ligt nog een amendement over 24 maanden in plaats van 12 maanden. Dat
zullen wij steunen. Mijn vraag is: kunnen we niet ook leren van deze
ervaringen? We leven allemaal langer, in veel gevallen zijn mensen nog
heel vitaal. Dat zal allemaal wel met ingewikkeldheden verbonden zijn,
maar laten we ook van die ervaringen leren en kijken wat we daar voor de
toekomst mee moeten.
Voorzitter. Wat ik aan het opdoen van ervaringen belangrijk vind, zijn
vooral die waarborgen, het oogpunt van de slachtoffers. Ik ga daar één
concreet voorbeeld bij noemen: Ietje en Ron, een strafzaak die net is
geweest. Het ging om een ernstige zedenzaak. Haar man mocht niet mee
naar de rechtszaak. Dat is uiteindelijk wel gelukt, maar het geeft ook
wel aan dat je voortdurend oog moet houden voor wat de positie is van
die slachtoffers. Wat betekenen maatregelen? Ook maatregelen die je in
de toekomst misschien permanent wilt laten zijn. Of dat nou slachtoffers
zijn of kinderen van slachtoffers of de verdachten zelf en hun rechten:
laten we vooral dat oogpunt van de slachtoffers en die waarborgen wel
heel nadrukkelijk als uitgangspunt nemen. Daar zijn verschillende vragen
over gesteld. De positie van slachtoffers zou ik daar nadrukkelijk een
rol in willen laten spelen.
Voorzitter. Het is ongelofelijk belangrijk dat we niet alleen nu die
achterstand wegwerken, maar dat we ook kijken naar die 40.000 zaken die
voorliggen. Daar moet ook voldoende geld voor zijn. Er wordt over
gesproken dat er eigenlijk wel 1 miljoen per maand nodig is om de
ambities van langer doorwerken, versnelling et cetera mogelijk te maken,
dus voor het komende jaar alleen al 12 miljoen. Ik wil graag een reactie
of dit bedrag klopt of dat het niet klopt. Ik weet wel dat er ook een
aantal kosten worden bespaard door middel van telehoren, maar er worden
ook extra kosten gemaakt. De heer Groothuizen vroeg daar ook naar, maar
ik koppel daar een concreet bedrag aan vast.
Waarom het ook zo belangrijk is, en daarmee kom ik weer terug op Ietje
en Ron: als je vijf jaar over een strafzaak moet doen, dan word je
eigenlijk twee keer slachtoffer, omdat mensen zo lang blijven hangen,
voortdurend terug moeten naar de rechtbank, in de tram, nog in de tram
weer gebeld worden, van "het gaat niet door, want de advocaat is ziek"
of "de zitting wordt weer verschoven". Maar dat zo'n zaak al met al vijf
jaar moet duren, dat zien we in zedenzaken, dat zien we in moordzaken,
dat zien we in gruwelijke mishandelingen. Willen we dat tweede
slachtofferschap voorkomen, dan is de versnelling in de zittingen
essentieel.
Voorzitter. Ik moet doorschakelen naar even kort de covidwetgeving. Het
is goed dat er een aanpassing komt. Het is ook goed dat we daar meer
tijd voor krijgen, maar ik wil wel een hartenkreet kwijt hier. Ik zie
daar een tendens ontstaan, namelijk dat de Kamer, als ze niet oppast,
buitenspel wordt gezet. Geen voorhang, geen tijd om vooraf over
maatregelen te beslissen. Dat zagen we ook bij het wetsvoorstel dat
vandaag is aangenomen over de dwangsommen bij de IND. Daar was ook geen
voorhang en ook geen plek voor de Kamer om te zeggen: joh, hier willen
we toch eigenlijk op ingrijpen. Ik wil eigenlijk een moreel appel op de
minister doen. Ik ga er geen moties over indienen. Wilt u uw departement
daar nog eens kritisch op beschouwen? Ook als u wetsvoorstellen bij ons
aanlevert: zijn wij dan nog in staat om onze parlementaire controle uit
te oefenen? Ik zie een trend. Ik vind hem niet prettig en ik doe gewoon
een vriendelijk verzoek aan twee vriendelijke ministers. Kan dat een
beetje anders?
Voorzitter. Rechtsbijstand. Ik was ietwat te laat binnen, maar ik ga
ervan uit dat er hele goede vragen zijn gesteld, onder anderen door
collega Van Nispen. Ik zou ook willen zeggen: stop met die
rechtshulppakketten. Het is een vermarkting van iets wat niet hoeft. Zet
in op goede voorbeelden die er nu zijn, het terugdringen van onnodig
procederen en geef als overheid ook het goede voorbeeld. We hebben al zo
vaak gevraagd aan de minister: welke stappen zet de overheid nu zelf? We
zien het nog niet. Het is te beperkt en als we zelf niet het goede
voorbeeld geven, zijn we niet op de goede weg.
Mijn allerlaatste opmerking betreft Poch. Ik sluit mij aan bij de
opmerkingen die daarover zijn gemaakt door de heer Van Nispen.
Punt.
De voorzitter:
Ik dank u zeer. Daarmee eindigt de eerste termijn van de zijde van de
Kamer. Ik kijk even naar de bewindslieden hoeveel tijd zij nodig hebben.
Laten we ook even wat eten. Ik schors voor een halfuur.
De vergadering wordt van 17.35 uur tot 18.11 uur geschorst.
De voorzitter:
Dames en heren, we gaan weer van start. Ik meld even dat we in de tweede
termijn van dit overleg ook de moties zullen indienen die horen bij de
drie VAO's. Dat moeten we wel even goed uit elkaar houden, maar daar zal
ik op toezien, gesteld dat ik er dan ben, want zelf moet ik om 19.15 uur
in de plenaire zaal zijn. Maar dan komt onze plaatsvervangend
voorzitter. Het komt allemaal goed.
Minister Grapperhaus:
19.15 uur?
De voorzitter:
Ja, maar ik kom weer terug. Geen zorgen. We gaan een mooie lange avond
hier met elkaar doormaken. Maar goed, dat is allemaal straks. Nu is het
woord aan de minister van Justitie en Veiligheid voor zijn eerste
termijn.
Minister Grapperhaus:
Voorzitter, dank. We hebben een periode achter de rug in onze
samenleving die in belangrijke mate nog voortduurt, want het coronavirus
is er nog steeds. We hebben inmiddels vier maanden erop zitten waarin we
met elkaar ons best hebben gedaan om de verspreiding van en besmetting
met het virus zo veel mogelijk te voorkomen en ons uit de gevarenzone te
houden. Dat was echt enorm stevig. Als we zien wat in dat kader voor
maatregelen getroffen moesten worden en wat er allemaal met onze
samenleving is gebeurd, komt terecht de vraag wat dat heeft betekend
voor onze rechtsstaat en hoe ik daarop terugkijk, zoals de heer
Groothuizen zei. Ik heb weleens van een enkeling van uw leden een
strenge blik gekregen als de indruk bestond dat ik misschien iets te
veel van een blaadje voorlas bij een bepaalde vraag, los van het feit
dat ik u kan verzekeren dat ik dat altijd doorspek met mijn eigen
gedachten. Maar dit is nou typisch een vraag die ik wil beantwoorden
zonder naar blaadjes te kijken, want dat is het wezen van de
verantwoordelijkheid die collega Dekker en ik hebben.
Ik ben echt onder de indruk geraakt van hoe onze samenleving binnen de
kaders van een in no-time uit zijn voegen getrokken rechtsstaat goed
heeft kunnen functioneren. Waarom zeg ik uit zijn voegen? Omdat mensen
zich ineens aan regels moesten houden die haaks stonden op het leven dat
we voor, pak 'm beet, 2 maart 2020 hadden. Denkt u aan de
anderhalvemeterregel, het dringende advies in het begin "blijf thuis",
doodstille straten en dergelijke, maar ook aan allerlei regels op het
gebied van samenkomsten en dergelijke. En dat niet alleen; ten gevolge
van de bestrijding van het virus waren er ook allerlei soms heel
ingrijpende consequenties voor mensen op het gebied van hun werk, hun
onderneming, hun kerk, hun hobby. We kunnen echt met elkaar constateren
dat onze rechtsstaat en onze samenleving in die tijd goed met elkaar
zijn samengevallen.
Ik blijf nog even doorgaan met het antwoord op die vraag, want ik vind
dat echt een belangrijk punt. Ik vind het een teken van de kracht van
onze handhavingsinstanties dat we maar zo'n 10% van de bonnen hebben
uitgeschreven die in landen als Spanje en Engeland zijn uitgeschreven.
Het is ook een teken van sterkte van de bevolking van ons land, die in
groten getale in staat is om — ik geloof dat we dat wel herkennen —
voortdurend te zeggen "maar waarom dan?", "legt u eens uit" en
"verantwoordt u", maar die het uiteindelijk in de naleving toch echt
heel goed heeft gedaan. Bij het begin vertelde het RIVM de vier leden
van het kernkabinet dat het rekening hield met een nalevingspercentage
van de regels van 40% tot 60%. Het Nederlandse volk is daar heel erg
boven gebleven. In het begin zat de naleving op 90%, 95%. In latere
tijden is dat teruggelopen naar 70% tot 75%. Volgende week komt het RIVM
met een nieuw onderzoek naar de naleving. Ik denk dat dat er ook toe
heeft geleid dat we er in Nederland enorm in zijn geslaagd om die curve
van het virus heel erg omlaag te krijgen, naar de plek waar die moest
zijn.
Terug naar de rechtsstaat. Er is natuurlijk, zoals ik al zei, een enorme
wissel getrokken op mensen, of je nou ondernemer bent, naar de kerk
wilt, naar je sport wilt of weet ik veel wat. Dat is toch door iedereen
lange tijd overwegend in een acceptatiemodus gebeurd. Dat het vooral bij
jongeren naarmate het langer duurde af en toe wat moeilijker werd, daar
heb ik altijd in contacten met media, maar ook met uw Kamer, mijn begrip
voor uitgesproken. Dat heeft toch niet afgedaan aan de
rechtsstatelijkheid van die afgelopen maanden. Ik kijk ook terug naar
dingen die beter hadden gekund. Dat zal zich in de evaluatie zeker nog
uitkristalliseren. Dan heb ik het ook over hoe we af en toe in te korte
tijd besluiten moesten communiceren en in te korte tijd besluiten
moesten formuleren. Ik ga hier onmiddellijk toegeven dat dat niet altijd
optimaal is gebeurd, maar men is er toch uiteindelijk telkens verder mee
gekomen.
Ik denk, over de rechtsstaat gesproken, dat het systeem in Nederland van
de veiligheidsregio's zeer goed gewerkt heeft. Dat gaf een heel goed
verspreidingscontact, al is dat misschien een wat verkeerde term in het
licht van een virus. Ik kon namens het kabinet elke maandag met de
veiligheidsregio's in gesprek gaan om waar nodig toelichting te geven op
de aanwijzingen. Daar was de NCTV ook vaste gast. Die heeft daar ook
heel veel goed werk verricht, de heer Aalbersberg. Dat kon zich meteen
doorvertalen naar alle gemeenten in Nederland.
Ik denk ook wel dat het nu tijd is, nu we een aantal van de maatregelen
versoepeld of zelfs afgeschaald hebben, om geleidelijk aan toe te gaan
naar een nieuwe situatie, een nieuwe inbedding. Ik kom daar straks nog
op terug bij het punt van de covidwet en de enkele vragen die daarover
zijn gesteld. Omwille van de tijd zal ik hier niet verder over
uitweiden. Ik ben het wel met degenen eens die zeggen dat we dit
natuurlijk uitgebreid moeten gaan evalueren. Eerst door de
Onderzoeksraad voor Veiligheid, daarna, zo kan ik me voorstellen, met
een parlementaire enquête, maar dat is niet aan mij, en met andere
middelen. Want dit is een ongekende crisis geweest en daar moeten we met
zijn allen straks goed naar terugkijken om te zien wat er goed en wat er
helaas ook minder goed is gegaan.
Voorzitter. Dat zo gezegd zijnde, kom ik toe aan een aantal vragen die
verband houden met de rechtsstaat. Ik zal aan het eind van mijn bijdrage
ingaan op het verzoek van de heer Van Dam om ook eens zicht te geven op
dat punt van meer regie op de strafrechtketen. Ik meende dat ook de heer
Groothuizen daarnaar vroeg, maar ik heb hier alleen de heer Van Dam
staan. Ik hoop niet dat ik iemand tekortdoe.
Allereerst de OM-strafbeschikking. Daar zijn vragen over gesteld door de
leden Van Dam en Groothuizen. Ik heb al vaker in debatten met uw Kamer
aangegeven dat de eerdere kritieken op de toepassing van die
OM-strafbeschikking aanvankelijk vaak terecht waren, maar dat daar wel
echt duidelijk een verbetering in zat en nog steeds zit. Het College van
procureurs-generaal heeft zich de kritiek van onder anderen de
toezichthoudende procureur-generaal bij de Hoge Raad aangetrokken. Er is
hard aan gewerkt om de kwaliteit van de toepassingspraktijk te
verbeteren. Dat is gelukt. Er blijkt nu uit de zogenaamde "tweemeting"
van het OM zelf dat op vrijwel alle fronten verbetering is opgetreden.
Dat beeld vindt onder andere bevestiging in het dalende percentage
vrijspraken in de verzetszaken tegen een strafbeschikking. Dat was — dan
kijk ik even naar de heren van Nispen en Groothuizen, want die hebben
mij daar terecht voor op de hielen gezeten — natuurlijk een van de
punten, dat in die verzetszaken vaak bleek dat er eigenlijk in de
beschikking een hogere eis, om het zo te noemen, zat dan er als
veroordeling uit de verzetszaak kwam. Daar zit echt een verbetering in.
Er is meer verbetering mogelijk, zoals op het punt van de
doorlooptijden. Ik ben ervan overtuigd dat de OM-strafbeschikking een
goed middel is om ook een bijdrage te leveren aan het wegwerken van de
opgelopen achterstanden.
Dan de rechtsbijstand bij de strafbeschikking.
De heer Groothuizen (D66):
Nog even over die voorwaarden. Een van de dingen die aan de orde is
gekomen — dat was in 2019, meen ik — is de mogelijkheid van een
voorwaardelijke strafbeschikking. Dat is ook iets wat het OM graag wil.
Ik heb dat even terug moeten zoeken. Ik heb het destijds opgebracht, net
als de heer Van Nispen en de heer Van Dam als ik het me goed herinner,
en volgens mij heeft de minister gezegd: ik ga een wetsvoorstel in
consultatie brengen. Dit lijkt me inmiddels een mooi moment om haast te
maken met dat wetsvoorstel, als we meer zaken via die modus af gaan doen
en het OM zegt die graag te willen hebben. Waar blijft dat wetsvoorstel,
is mijn vraag dus.
Minister Grapperhaus:
Ik geef toe dat ik het misschien wat impliciet zei, maar de
coronaperiode heeft mij wel geleerd dat haast een slechte raadgever is.
Wij hebben erover nagedacht om dat wetsvoorstel versneld naar u toe te
brengen, maar op enig moment is toch de conclusie getrokken dat we dat
moeten hernemen. Het moet echt heel zorgvuldig worden ingericht, juist
omdat we nu zien dat die strafbeschikking echt in de praktijk een enorme
verbetering heeft doorgemaakt. We willen er echt voor zorgen dat in zo'n
wetsvoorstel dat in consultatie gaat het proces voor zo'n
voorwaardelijke strafbeschikking goed is ingeregeld. Ik heb daar maandag
nog naar gevraagd. De gedachte is om na de zomer — ik reken de zomer tot
en met 21 september, zoals u uit voorgaande jaren weet — dat
wetsvoorstel zo snel mogelijk in consultatie te brengen.
De heer Groothuizen (D66):
Met dat laatste deel ben ik blij, want dat geeft dan toch wat haast. Het
eerste deel kon ik niet zo heel goed volgen, want ik zou denken dat je
bij elke strafbeschikking wilt dat het bewijs erin zit en dat de straf
aansluit op datgene wat de rechtspraak doet. Dan zie ik niet waarom dat
soort vraagstukken een rol speelt bij de modaliteit van het
voorwaardelijk kunnen opleggen van een strafbeschikking, als mensen in
de praktijk zeggen: geef ons nou die modaliteit, want we komen gewoon
wat middelen tekort in de praktijk. Het maakt het natuurlijk ook voor
mensen makkelijk acceptabel. Als je voorwaardelijk iets opgelegd krijgt,
is het toch weer anders dan wanneer je echt moet schoffelen of
betalen.
Minister Grapperhaus:
Ik begrijp heel goed wat de heer Groothuizen bedoelt, maar we hebben
geconstateerd dat het als je dat echt goed wilt inregelen ook echt in
het hele systeem moet passen. Je gaat iemand dat voorwaardelijk
opleggen. Wat gebeurt er dan wanneer de voorwaarde is vervuld en wat
zijn mogelijke voorwaarden? Ik heb in ieder geval gezegd dat ik wil dat
aan de voorkant, zoals dat geloof ik heet, de rechtspraak zich daar ook
in kan vinden. Die hebben dan natuurlijk ook nog steeds een mogelijkheid
in het kader van de consultatie, maar ik wil voordat we het wetsvoorstel
in consulatie doen daar bij de rechtspraak in ieder geval een soort
principe-enthousiasme over hebben, als ik het zo mag noemen.
Dan de rechtsbijstand bij de strafbeschikking. Ik heb in de brief van 26
juni uw Kamer geïnformeerd over de voortgang ten aanzien van de
intensivering in de ZSM-zaken. In het eerste kwartaal van 2020 is in
acht van de tien politieregio's gestart met rechtsbijstand bij een
OM-strafbeschikking. Het is in de regio's Midden-Nederland en
Noord-Nederland niet gelukt om in het eerste kwartaal te starten.
Inmiddels is Noord-Nederland alsnog gestart met de afdoeningsbijstand en
worden in Midden-Nederland voorbereidingen getroffen om dat ook zo snel
mogelijk te doen. Voor de start van de afdoeningsbijstand voor
aangehouden verdachten is aangesloten bij de piketfase, waarin
verdachten zowel consultatie- als verhoorbijstand krijgen.
De voorzitter:
De heer Van Dam. O, ik dacht dat dit klaar was. Kunt u iets dichter bij
de microfoon spreken? Ik weet dat ik daar de verslaglegging een plezier
mee doe.
Minister Grapperhaus:
Ja, ik probeer dichterbij te komen. Het ligt niet aan mij.
De voorzitter:
Nee, natuurlijk niet. U kunt ook iets harder spreken.
Minister Grapperhaus:
Ik zal iets harder spreken. Sorry, voorzitter, maar dit is een beetje
een Kabouter Plop-microfoon. Ik kan er niks aan doen.
Voorzitter. Als de officier van justitie voornemens is om meteen na de
piketfase een strafbeschikking uit te vaardigen, krijgt de verdachte
daarbij rechtsbijstand, meestal van dezelfde advocaat die in de
verhoorfase zat. De verdere implementatie van de afdoeningsbijstand voor
andere categorieën verdachten, heengezonden of niet aangehouden, valt
samen met de inzet van de organisaties in de strafrechtketen om de
voorraad zaken als gevolg van de coviduitbraak en de sluiting van de
gerechten zo snel mogelijk weg te werken. Een onderdeel daarvan is om
meer zaken die zich daarvoor lenen, door middel van een
OM-strafbeschikking af te doen. Op dit moment wordt gekeken hoe we in
die zaken het beste in gedegen rechtsbijstand kunnen voorzien. Dat is
dus werkendeweg.
De heer Van Dam (CDA):
Een korte reactie op het hele stukje over de OM-strafbeschikking. Wat ik
het meest positief vind aan het verhaal, is dat het OM nu een eigen
instrument heeft en dus niet meer afhankelijk is van anderen om de
kwaliteit in beeld te hebben. Dat hoort bij een professionele
organisatie. Ik ben iets minder enthousiast over de resultaten, want nog
steeds eindigt een op de vijf zaken na verzet in een vrijspraak. Als je
dat nagaat, is dat best heel veel. En zo kan ik nog wel meer dingen
noemen, maar laten we aan het einde van het parlementaire jaar vooral de
positieve elementen benadrukken.
Het antwoord van de minister op mijn vraag over de rechtsbijstand is
eigenlijk ook al in de brieven te lezen. Mijn punt is het volgende. Al
jarenlang wordt gezegd: het gaat op twee plekken in het land aan de
gang. Ik weet dat men een pilot heeft op één plek. Die wordt nu verbreed
naar acht plekken in het land. Ik ga niet voor acht pilots. Ik wil dat
de advocatuur in brede zin aanhaakt. Dat is waar ik geen zicht op krijg
en waar mijn vraag op gericht was.
Minister Grapperhaus:
Dat ben ik even kwijt. In acht van de tien politieregio's is men in
ieder geval al begonnen.
De heer Van Dam (CDA):
Even ter toelichting: men is al jaren begonnen op twee plekken in twee
politieregio's. Maar ik ben niet op zoek naar het begin, maar naar de
afronding in brede zin, want dan kun je de strafbeschikking op een goede
manier inzetten als alternatief voor rechtszittingen. Als je er niet een
advocaat bij betrekt, dan zijn er heel veel mensen die later toch op een
verjaardag zeggen: ik ben misschien toch slechter af, dus ik moet alsnog
in verzet. Dat is mijn punt. Ik begrijp ook dat het voor de minister
ingewikkeld is om daar nu een antwoord op te geven, maar ik wil gewoon
meer zicht hebben op hoe de planning is, zodat de rechtsbijstand in de
breedte vorm krijgt. Misschien kan daarover een nadere brief op een
nader moment komen.
Minister Grapperhaus:
Laat ik dat doen. Die tweemeting is natuurlijk net binnen, dus dan kan
ik daar ook iets uitvoeriger op ingaan. Ik vind ook dat een op de vijf
nog steeds omlaag moet; dat kan nog steeds beter. Je zou ook kunnen
zeggen: het glas is voor acht tiende vol en voor een tiende leeg. Wat
zei ik? Nee, twee tiende, dus een vijfde. Maar ik wil daar wel op
terugkomen, want ik begrijp de vraag van de heer Van Dam. Die zal ik
beantwoorden door wat dieper in te gaan op die tweemeting van het
OM.
De voorzitter:
Mevrouw Van der Graaf, op ditzelfde punt.
Mevrouw Van der Graaf (ChristenUnie):
Ja, ook over het punt van de strafbeschikkingen, en niet zozeer over de
rechtsbijstand. Ik vraag even naar de capaciteit van het OM. Daar heb ik
in de eerste termijn al aandacht voor gevraagd. We zagen in de
kwaliteitsmeting van het OM die gisteren naar buiten kwam dat de
doorlooptijden voor de strafbeschikkingen al enorm opliepen, dat er
grote voorraden waren en dat verbeterpunt nummer één was om die
doorlooptijden en voorraden zo snel mogelijk terug te dringen. Nu zien
we dat er vanwege corona ruim 30.000 extra zaken bij komen. Hoe ziet de
minister dat? Heeft het OM voldoende capaciteit om die zaken op te
pakken? Hoe voorkomen we dat die zaken zich daar weer gaan ophopen? Ik
zou daar toch wel graag een reactie op willen van de minister. Welke
extra maatregelen zullen worden getroffen om dat in te lopen?
Minister Grapperhaus:
Daar gaat de brief zelf natuurlijk ook al nader op in. U heeft gezien
dat die brief een horizon heeft die de komende paar jaar doorloopt. Dat
is voor een belangrijk deel echt het gevolg van de al door mevrouw Van
der Graaf gesignaleerde extra achterstand die door corona is opgelopen.
Dat is natuurlijk een enorme tegenslag. Op dit moment is nog niet
voorzien dat in dat verband de capaciteit van het Openbaar Ministerie
niet voldoende zou zijn. Daarbij moeten we ons realiseren dat er rondom
het begin van corona wel degelijk extra geld voor Justitie is gekomen in
het kader van het PMJ. De heer Van Dam heeft daar ook al aan
gerefereerd. Ik zal eerlijk zeggen dat ik niet kan uitsluiten dat we op
enig moment moeten vaststellen dat er straks misschien extra capaciteit
bij moet om bepaalde resultaten werkelijk voor honderd procent
verwezenlijkt te hebben. Daar zal ik dan bij u op moeten
terugkomen.
Mevrouw Van der Graaf (ChristenUnie):
We zien nu een verschuiving van de meervoudige naar de enkelvoudige
kamer. We zien een verschuiving van de enkelvoudige kamer richting de
OM-beschikkingen. Daar lijkt het zich nu toch wel wat op te hopen, met
die 30.000 extra zaken. Eerder is inderdaad gewisseld dat sepot echt
niet aantrekkelijk is. Het recht moet zijn loop hebben. Is het niet de
moeite waard om te doordenken of dat in de allerlichtste zaken misschien
toch een uitkomst kan zijn, omdat we voorzien dat het aantal zaken hier
heel erg oploopt? Is dat een scenario waar de minister naar kijkt?
Minister Grapperhaus:
Ik moet dan even goed begrijpen wat u precies bedoelt.
De voorzitter:
Voor de allerlichtste zaken.
Minister Grapperhaus:
Ja, maar wat dan precies?
Mevrouw Van der Graaf (ChristenUnie):
Ik schets eigenlijk een lijn. Er worden zaken doorgeschoven van de
meervoudige kamer naar de enkelvoudige kamer, en van de enkelvoudige
kamer naar het OM. Daar hoopt het zich op. Kunnen we dat wel aan? Zou je
niet moeten kijken naar een maatregel als sepot voor de lichtste zaken?
Ik realiseer me dat dat in eerste instantie natuurlijk niet wenselijk
is.
De voorzitter:
Ja, duidelijk. De minister.
Mevrouw Van der Graaf (ChristenUnie):
Misschien is dat een noodgreep die je zou moeten overwegen.
Minister Grapperhaus:
Collega Dekker en ik hebben in de brief benadrukt dat sepot een
sluitstuk van het geheel moet zijn. Het OM heeft er wel voor
gewaarschuwd dat we bij de categorie overtredingen in een aantal
gevallen misschien zullen moeten vaststellen dat die uit de
verjaringstermijn lopen. Dat vindt u ook in de brief terug. Dat is al
vervelend genoeg, om het maar even zo te zeggen.
Ik begrijp het punt van mevrouw Van der Graaf heel goed, maar het is
natuurlijk toch ons streven om zoveel mogelijk te voorkomen dat het nog
verder afdaalt van de afdoening door het OM naar sepot. Ik zeg daar ook
bij: de andere kant van het verhaal zou kunnen zijn dat je in een later
stadium moet constateren dat, willen we werkelijk de volgende slag
maken, een verdere investering in onze rechtsstaat nodig is. Ik blijf
daarbij benadrukken dat het echt niet zo is dat Justitie dit jaar
tekortgekomen is, ondanks corona. Daar hoort u mij niet over
klagen.
De heer Groothuizen (D66):
Ook over het punt van de rechtsbijstand: volgens mij heeft de heer Van
Dam helemaal gelijk als hij wijst op de passage in de brief. Maar
vervolgens is hij wel erg aardig voor de minister. De Kamer heeft
volgens mij anderhalf jaar geleden tegen de minister gezegd: luister
eens, bij die strafbeschikking vinden wij het van belang dat je de
afdoening via de ZSM doet, en dat daarbij de afdoeningsbijstand door een
advocaat is verzekerd. Toen is door het kabinet gezegd: daar gaan we
hard aan werken. Volgens mij is die planning niet helemaal gehaald. Dat
kan eens een keer gebeuren. Nu is mijn punt: als je zaken die nu door
corona achterstanden oplopen gaat afdoen, zorg er dan voor dat je ervan
verzekerd bent dat er bij ZSM altijd een advocaat meekijkt, zodat je je
ervan verzekerd hebt dat er niet heel gekke dingen gebeuren. Ook ik zie
dat het OM het beter doet, maar we willen hier gewoon een extra check
op. Het antwoord kan dan eigenlijk niet anders zijn dan: ja, dat ben ik
met u eens; daar gaan we inderdaad gewoon voor zorgen. Ik snap de
vaagheid op dit punt niet zo.
Minister Grapperhaus:
Ik begrijp heel goed dat er enig ongenoegen is over het feit dat ik daar
geen harde garantie over wil geven, maar zeg: we moeten daar zo veel
mogelijk voor zorgen.
De voorzitter:
Meneer Groothuizen? U geeft het op. Maar meneer Van Nispen is er ook
nog.
De heer Van Nispen (SP):
Dat laatste was in de verste verte geen antwoord op de vraag. Ik had
zelf door willen gaan over het budget. Ik miste al de financiële
paragraaf in de brief van de minister. In antwoord op mevrouw Van der
Graaf zei de minister net: we moeten nog maar bezien of dit financiële
consequenties heeft. In de brief staat dat de openingstijden van de
gerechten verruimd zijn, dat het OM de mogelijkheden onderzoekt om extra
ruimten te huren, dat er tijdelijk extra detentiecapaciteit wordt
ingericht, dat de rechtspraak meer personeel aantrekt, en dat ook het OM
extra personeel, officieren van justitie, juridische ondersteuning en
administratief medewerkers aantrekt. Dat gaat alleen nog maar over het
eerste punt van de avondzittingen. Daarnaast heb je vaker
politierechterzittingen in plaats van meervoudige kamers. Dat leidt tot
een verschuiving in de gemiddelde zaakzwaarte, in ieder geval voor de
rechtspraak, maar ook voor de advocatuur. Je hebt extra inzet van het OM
door de OM-strafbeschikking. Ik begrijp dan niet dat er geen financiële
onderbouwing bij de brief zit, en dat de minister nu zelfs zegt: we
moeten nog maar zien of dit financiële consequenties heeft. Wat is het
nou? Heeft de minister hier het geld nog niet voor gekregen, of weet de
minister gewoon nog niet tot hoeveel extra geld dit moet leiden en komt
dat geld er als het nodig is?
Minister Grapperhaus:
Daarover het volgende. Even vooropgesteld: we moeten in deze crisis
natuurlijk niet krijgen dat het bekostigingssysteem de organisaties in
de problemen gaat brengen. Laat ik dat even vooropstellen. Dat is een
ding dat helder is. Het bekostigingssysteem van de rechtspraak heeft op
zichzelf voldoende ruimte om in te spelen op bijzondere omstandigheden
zoals die zich nu voordoen. Er is zelfs de mogelijkheid om maatwerk te
leveren bij een dreigend negatief vermogen, dan wel een ingrijpende
wijziging van omstandigheden met enorme gevolgen voor de productie. Voor
het OM geldt dat het bekostigingssysteem nog niet in volle omvang
operationeel is. Daar is nog geen sprake van afrekening op productie.
Daar zal dus waar nodig maatwerk worden geleverd.
Op onderdelen moeten we de maatregelen verder uitwerken, onder andere
ten aanzien van de precieze financiële gevolgen. Voor een deel zullen er
extra kosten zijn, bijvoorbeeld voor het verruimen van de personele
capaciteit en de capaciteit van de gebouwen. Daar wijst de heer Van
Nispen terecht op. Er treden ook meevallers op, bijvoorbeeld bij
onderdelen van het alternatief afdoen van zaken. Zoals in de brief
aangegeven, zijn op dit moment de financiële gevolgen van de aanpak van
de achterstanden nog niet voldoende in beeld. Zodra daarover meer
duidelijk is, zullen wij beiden uw Kamer daar in een vervolgbrief over
informeren. Uiteraard is dat een gesprek dat door ons ook binnen het
kabinet wordt gevoerd.
De heer Van Nispen (SP):
Oké, dan is het antwoord van de minister dus: er zit nog geen financiële
bijlage bij, want we weten het nog niet en we gaan dat in kaart brengen.
Dat stemt me alweer iets optimistischer. Dan nog wel een vraag aan de
minister over het feit dat je vaker politierechterzittingen hebt in
plaats van meervoudige kamers. Dat was namelijk de vraag die de heer Van
Dam mij stelde. Voor een politierechterzitting staat bedrag X. Dat is
lager dat wat de rechtspraak normaal voor een meervoudige kamer krijgt.
Die verschuiving werkt overal door, ook in de toename van het aantal
OM-strafbeschikkingen. Het heeft allerlei financiële consequenties als
die zaken gemiddeld zwaarder worden. Zo'n politierechterzitting heeft
meer ondersteuning nodig, die normaal gesproken bij de meervoudige kamer
met de hogere financiering zit. Wordt ook daarnaar gekeken? Kortom,
worden al deze financiële consequenties voor die organisaties in kaart
gebracht? Wordt dat besproken met die organisaties en krijgen we daar
een terugkoppeling van: deze claim heeft de rechtspraak, het Openbaar
Ministerie of de advocaat bij ons ingediend, en dit is wat we hun hebben
toegekend? Dan wordt voor ons ook duidelijk hoe dat allemaal gaat lopen
en of het wel genoeg is.
Minister Grapperhaus:
Ik moet even nadenken, want ook dat punt van de hardheidsclausule kwam
nog langs bij een van u. Dat speelt natuurlijk tegen het eind van het
jaar. Hoe dan ook moeten we dan kijken wat er niet in productie is
gerealiseerd, maar waarvan je wel met een beroep op de hardheidsclausule
kunt zeggen: daar is een goede rechtvaardiging of een reden voor. Dat
zijn allemaal dingen die ook nog met elkaar spelen. Wij zullen daar de
komende tijd echt moeten bekijken wat de financiële gevolgen van corona
zijn en hoe we die zo evenwichtig mogelijk kunnen opvangen, dat wil
zeggen met enerzijds optimale besparing en anderzijds toch proberen om
die extra kosten zo overzichtelijk mogelijk te houden. Dat betekent dat
we het komend half jaar zullen zien hoe zich dat uiteindelijk gaat
ontwikkelen.
De heer Van Wijngaarden (VVD):
Ik kom nog even terug op het antwoord van de minister in de richting van
de heer Groothuizen. Daarbij zat ik aandachtig mee te luisteren. Het
ging over die rechtsbijstand die we verzekerd willen zien bij die
ZSM-afdoening. Dat is een langgekoesterde wens, waar we het al lang over
hebben. Op zichzelf is daar wel tijd voor geweest om erover na te
denken. Ik snap dat het uitdagend is om dat te organiseren. Maar wat ik
nog even een beetje mis in de beantwoording van de minister: waar zit
nou die uitdaging in? Ik kan nog begrijpen dat hij hier geen harde
toezegging kan doen van: per dan en dan is het 100% gedekt. Maar waar
zit dan die uitdaging in waarom dat zo moeilijk is?
Minister Grapperhaus:
Als de heer Van Wijngaarden daar echt een gedetailleerd antwoord op wil,
dan zeg ik hem toe dat ik dat zal meenemen in de al toegezegde brief. In
algemene zin is het natuurlijk zo dat je het proces van de afdoening via
een strafbeschikking — dat heb ik net beschreven — vanaf het moment
waarop iemand zijn eerste consultatiebijstand krijgt, tot en met het
moment van de beschikking, anders moet gaan organiseren. Dat begint bij
de politieregio's, want het begint gewoon bij de politie. Maar ik ben
bereid om daarop meer en detail terug te komen in de brief waarin ik
nader inga op die tweede meting en op de vraag van de heer Van Dam om
eens nader uit te leggen waarom dat tot nu toe maar in acht van de tien
politieregio's is gebeurd enzovoorts.
De heer Van Wijngaarden (VVD):
Dank voor die toezegging. Ik denk dat dit een wens is die breed leeft in
de Kamer. Dat is goed voor het begrip waar de knelpunten zitten en waar
we ze eventueel kunnen wegnemen.
De voorzitter:
Dank u wel. Gaat u verder. O, neem me niet kwalijk meneer Van der
Staaij.
De heer Van der Staaij (SGP):
Ik heb ook nog een vraag over de strafbeschikkingen. Er was net al een
interruptiedebatje over die mogelijkheid van voorwaardelijke
strafbeschikkingen; dat duurt nog even. Aan de andere kant zegt de
minister ook in de brief: het zal wel zo zijn dat er toch tijdelijk een
toename van sepots zal zijn. Wat zijn dat dan voor zaken waarin
uiteindelijk toch sepot nodig zal zijn? Zijn er toch geen mogelijkheden
om dat te voorkomen? Bijvoorbeeld in het kader van die voorwaardelijke
strafbeschikkingen zijn voorwaardelijke ontzeggingen van de
rijbevoegdheid genoemd. Het zou toch jammer zijn als we, doordat we heel
zorgvuldig gaan kijken naar die voorwaardelijke strafbeschikkingen,
tegelijkertijd zaken die zich daar heel goed voor zouden lenen wegens
capaciteitstekort zouden moeten seponeren?
Minister Grapperhaus:
We moeten even twee dingen goed uit elkaar halen. Eerst nog even heel
kort die voorwaardelijke strafbeschikking. Ik denk dat uw Kamer en ik
elkaar erin vinden dat we dat toch wel een heel interessante optie
vinden. Het moet wel zorgvuldig gebeuren. Van waar we twee jaar geleden
vandaan kwamen, was dat nog niet aan de orde, want toen moest er door
het OM echt nog flink worden gewerkt aan verbetering van het hele proces
van de strafbeschikkingen, zal ik maar zeggen. Nou, daar zouden we nu
wel naartoe gaan. En nogmaals: ik wil bij de voordeur de rechtspraak
daar echt positief bij meehebben. Ik hoop dat we daar echt snel na de
zomer bij u op terug kunnen komen. Dat is het eerste punt.
Het tweede is: de sepots waar we in de brief naar verwijzen, zijn
natuurlijk in de eerste plaats sepots waarbij je mogelijk gaat zien dat
ze onvermijdelijk worden, gewoon doordat de verjaringstermijn in zicht
komt. Dat zal inderdaad een wat grotere kwantiteit zijn omdat er een
groei is geweest in het aantal achterstallige zaken, in belangrijke mate
door corona veroorzaakt. Daar zit het vooral in. Vervolgens is er de
beleidsmatige afweging van het OM om daarnaast nog te besluiten tot
bepaalde verdere sepots. Daar zit natuurlijk uiteindelijk echt beleid
van het OM zelf in. En daar zullen ook keuzes gemaakt worden in het
licht van het feit dat er een groot aantal zaken ligt; dat heb ik al
gezegd en dat staat ook in de brief.
De heer Van der Staaij heeft nog een vraag.
De heer Van der Staaij (SGP):
Ja, nog in een tweede termijn hierover. Ik begrijp uit de brief dat het
niet de bedoeling is om dat sepotbeleid uit te breiden. Het blijft dus
beleidsmatig eigenlijk hetzelfde, maar aan de andere kant loop je wel
het risico dat met alle maatregelen een aantal zaken niet op tijd
behandeld zal kunnen worden. Dan is mijn vraag: zijn er toch nog
beleidsalternatieven denkbaar? En in dat kader vind ik eerlijk gezegd
juist wel die voorwaardelijke strafbeschikking een goed idee. Maar
wellicht zijn er ook andere mogelijkheden om te voorkomen dat zaken niet
op tijd zullen kunnen worden behandeld?
Minister Grapperhaus:
De heer Van der Staaij zegt terecht dat het beleid op zichzelf niet
wordt gewijzigd. Wel kan het zo zijn dat je een strafzaak stopt omdat,
heel simpel, het bewijs niet rondkomt. Maar dat gebeurt natuurlijk ook
onder het huidige beleid. Dat is een afweging die het OM moet maken en
dat bedoelde ik net. En die afweging zal ook zeker gaan spelen bij die
delicten tijdens de coronaperiode. En verder kan het zijn dat er een
effectieve interventie buiten het strafrecht wordt toegepast waarvan het
OM zegt: wij zien in dat kader aanleiding om de strafvervolging niet
verder door te zetten. En ik herhaal dat door de gevolgen van de
coronamaatregelen er echt wel een tijdelijke toename zal zijn van
sepots. Want er is weer een extra bulk van 30.000, waardoor er ook meer
zaken zullen zijn die automatisch zullen worden geseponeerd, ook door
die verjaring.
De voorzitter:
Meneer Van Dam wil nog een keer interrumperen, evenals de heer Van den
Berge.
De heer Van Dam (CDA):
Aan deze kant van de tafel zijn volgens mij op dit moment meerdere
collega's moties aan het typen om die ZSM in die rechtsbijstand vorm te
geven. Ik denk dan bij mezelf: wij weten allemaal, met het verleden van
die OM-strafbeschikking, en ook met de behoefte om toch iets te doen aan
het wegwerken van achterstanden … Dan is naar mijn smaak de
OM-strafbeschikking een belangrijk instrument, maar dan wél met een
advocaat erbij. Want anders creëer je een nieuwe bult. Ik zie dat de
minister van Justitie en Veiligheid hard zit te antwoorden in onze
richting, maar we weten ook dat er misschien nog weer een deeltje van
dit probleem ook bij de minister voor Rechtsbescherming ligt, waar het
gaat om de hoogte van de vergoedingen. Nou kunnen we wel moties gaan
indienen, maar is het nou niet mogelijk dat het kabinet … Ik heb volgens
mij de heer Van Wijngaarden er iets over horen zeggen, de heer
Groothuizen en anderen. Dit is gewoon belangrijk en het is ook gewoon
goed voor de afdoening van mensen dat er in ruime mate en zo snel
mogelijk zo veel mogelijk rechtsbijstand beschikbaar is om die bult weg
te werken. Want als je dat niet doet, krijg je het per kerende post op
een ander moment keihard terug. En dat willen we niet. Dus mijn vraag is
eigenlijk: zouden de beide ministers niet op héél korte termijn daar
gewoon een brief … We kunnen op heel korte termijn coronamaatregelen
nemen met elkaar. Daarbij zeggen we: jongens, we kunnen meer met elkaar
dan we denken. Kunnen we dít dan niet regelen?
Minister Grapperhaus:
Op heel korte termijn kan ik dat hier niet toezeggen. Ik wil wel
toezeggen dat ik daar in die brief op wil terugkomen, zoals ik net heb
gedaan ten aanzien van de drie punten die in de brief aan de orde zouden
moeten komen en die door respectievelijk de heer Groothuizen, de heer
Van Dam en de heer Van Wijngaarden zijn ingebracht. Ik denk — ik zeg het
maar heel eerlijk, maar ik kan het natuurlijk niet tegenhouden — dat het
echt zonde zou zijn als er, voordat die brief er is, moties worden
ingediend, want aan de hand van die brief kan men veel meer zien waar
nog de zwakke schakels in het geheel zitten.
Ik wil mijn best doen dat die brief er echt binnen een zeer spoedige
periode ligt. Ik wil ervan uitgaan dat wij die in ons eerste overleg
direct na het reces met elkaar zouden kunnen bespreken. Dit zou
betekenen dat het eerste overleg ergens in september is en dat de brief
er een week of twee daarvoor, dus eind augustus, zou moeten
liggen.
De voorzitter:
Ik ga naar de heer Van den Berge.
De heer Van den Berge (GroenLinks):
In reactie op collega Van der Staaij suggereerde de minister dat de nu
te verwachten sepots vooral door corona komen. Dat riep bij mij een
vraag op. Er lag natuurlijk al een hele grote achterstand voor de
coronaperiode. Dat die nu verder oploopt door corona, spreekt voor zich.
Collega van Dam heeft ook vragen gesteld over de piep-en-kraakmotie en
de motie-Rosenmöller. Ik weet niet of de minister daar straks nog op
ingaat. Mijn vraag is wel: de brief die wij hebben ontvangen, gaat over
het wegwerken van de corona-achterstanden uiterlijk eind 2021. Maar er
ligt nog een hele bulk. De maatregelen die nu in deze brief staan,
hebben toch geen betrekking op de zaken die er al lagen? Anders ga ik
mij wel zorgen maken, want dat zijn toch wel twee verschillende
dingen.
Minister Grapperhaus:
Klopt.
De heer Van den Berge (GroenLinks):
Dan ben ik toch wel benieuwd. Die sepots die er dreigen te gaan komen en
die er waarschijnlijk gaan komen, hebben voor een deel betrekking op
oude zaken, zaken die voor de coronaperiode al speelden. Anders zouden
die verjaringstermijnen niet zo snel in zicht komen. Volgens mij gaat
het nu toch een beetje door elkaar lopen. Dus ik ben toch benieuwd om
van de minister te horen hoe hij die twee dingen scheidt.
Minister Grapperhaus:
Ja, toch is dat wel zo. De heer Van den Berge zei het ook juist. Ik heb
ook niet gezegd dat die sepots door corona veroorzaakt worden. Nee, er
is sprake van een tijdelijke toename van de sepots door de coronaberg
die er is. Dat is getalsmatig op zichzelf — dat ga ik hier nu niet
uitvoerig uitleggen — te begrijpen. Ik heb nog even het slot van de
brief erbij gepakt. De maatregelen hebben heel duidelijk betrekking op
deze achterstand. Aan het slot van de brief wordt dan ook gemeld dat ook
wordt gekeken naar de good practises die hier worden opgedaan en die wij
ook in bredere zin kunnen meenemen.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan heeft meneer Grootuizen — hoop ik — het slotwoord op dit
punt.
De heer Groothuizen (D66):
Ik snap het gewoon niet. Ik heb de stukken er nog even bij gepakt. Ik
heb hier een brief van juni 2019 — dat is dus een jaar geleden — waarin
over de rechtsbijstand wordt gezegd dat de verwachting is dat in de loop
van het najaar steeds meer regio's aan de slag gaan, zodat alle regio's
voor het einde van 2019 een start maken met de intensivering van de
afdoeningsbijstand. Dat was naar aanleiding van een breed aangenomen
Kamermotie van de heer Van Dam, de heer Van Wijngaarden en ik meen
mijzelf. Dan ga je een jaar later, als het nog niet in alle regio's is
uitgerold, als kabinet toch geen discussie aan over waarom dat niet
overal is uitgerold en dat dit eventueel niet in alle regio's uitgerold
gaat worden? Het ontgaat mij gewoon. In die zin denk ik dat die motie
maar gewoon moet komen, want anders blijven wij deze discussie voeren.
Dit is volgens mij gewoon altijd de bedoeling geweest. Dan kun je er
toch niet een jaar later over gaan discussiëren waarom dat in twee van
de tien regio's nog niet is gebeurd en of wij daar wel op gaan
wachten?
Minister Grapperhaus:
Maar ik heb uitgelegd, nog een keer, dat het begin van dit jaar in acht
van de tien regio's was geregeld en in twee niet, waarvan in één
inmiddels wel. Ik moet even kijken welke dat is, ik denk Midden
Nederland Midden. En in één regio is men er nu mee begonnen.
De heer Groothuizen (D66):
Het enige antwoord op de vraag of dit geregeld is op het moment dat we
de corona-achterstand gaan afdoen met strafbeschikkingen, moet dan toch
ja zijn? Dat de rechtsbijstand op orde is op het moment dat we dat gaan
afdoen via strafbeschikkingen, is dan toch het enig mogelijke
antwoord?
Minister Grapperhaus:
Maar daar ging deze discussie volgens mij nu niet over. Anders praten we
heel erg langs elkaar heen. Ik dacht dat de discussie over een heel
ander onderwerp ging, namelijk: waarom heeft het zo lang geduurd? De
heer Van Wijngaarden wilde weten wat nou precies de knelpunten zijn
geweest. Nou ja, prima.
Mevrouw Kuiken (PvdA):
Ik ga weer iets doen wat u nooit prettig vindt, voorzitter, maar
misschien is het handig dat minister Dekker even aanvult of reageert,
want als hier inderdaad sprake is van een miscommunicatie en er hier nu
geregeld is wat in de eerdere motie stond, dan is het klaar. En als dat
niet zo is, dan gaat de heer Van Dam vandaag nog namens ons allen een
motie indienen.
De voorzitter:
Dat weten we in ieder geval voordat we aan de tweede termijn van de
Kamer toekomen.
Mevrouw Kuiken (PvdA):
Maar dat is toch niet wijs?
De voorzitter:
Nee, ik laat het aan de bewindspersonen zelf over. Ik hoor net dat hij
er in zijn eigen termijn op terugkomt.
Minister Grapperhaus:
Dekker komt er in zijn termijn op terug.
De voorzitter:
Goed zo. En dan bent u door uw interrupties heen.
Minister Grapperhaus:
Ik wil wel naar de heer Groothuizen en mevrouw Kuiken benadrukken dat ik
gezegd heb dat het in acht van de tien geregeld was, dat nummer negen er
wat later mee is begonnen en dat alleen nummer tien nu pas is begonnen
in de loop van corona. Nou ja goed, de heer Groothuizen raadpleegt een
telefoon, dus dan heeft een gesprek geen zin. Misschien krijg ik dan
volgende week weer een of andere fles en dan wordt het weer
goedgemaakt.
De voorzitter:
Ik geloof niet dat we hier in een gezelschap zijn dat elkaar de maat
moeten gaan nemen in het op de telefoon kijken, want dan wordt het nog
een interessante avond.
Minister Grapperhaus:
Wel als er een vraag wordt gesteld en ik daarop antwoord. Als dat niet
zo is, dan lijkt me dat prima.
De voorzitter:
Ik stel voor dat u verdergaat.
Minister Grapperhaus:
Voorzitter. De heer Van der Staaij had nog een vraag over de sepots bij
het wegwerken van die strafzaken. Daar heb ik denk ik inmiddels ook op
geantwoord. Ik neem aan dat die niet meer separaat aan de orde hoeft te
komen.
Dan kom ik toe aan dat punt van de covidwet. Mevrouw Kuiken heeft daar
een vraag over gesteld. Ik denk dat het goed is om te benadrukken dat
het idee dat er een tijdelijke wet COVID-19 moest komen, verband hield
met het feit dat we als kabinet vonden dat het systeem van
noodmaatregelen op grond van aanwijzingen toch eigenlijk niet een
systeem is waar we heel lang mee door zouden moeten gaan, gegeven het
feit dat we niet weten wanneer de crisis rondom COVID-19 is afgelopen,
dat wil zeggen: wanneer er een vaccin is of er andere maatregelen zijn
waardoor het virus definitief bedwongen is. Zorgvuldigheid staat daarbij
voorop. Het blijkt dat er wat meer tijd nodig is om die wet op een wijze
in elkaar te zetten die degelijk en deugdelijk is. Dit betekent dat de
wet de datum van 1 juli niet gaat halen, maar dat zou ook bijna
natuurkundig onwaarschijnlijk zijn. Het is een tijdelijke wet met een
heel beperkte duur en er zal vooraf altijd betrokkenheid van het
parlement zijn via een voorhangprocedure. En die zal in de wet worden
geregeld op dezelfde manier als dat bij andere covidwetgeving, zo zal ik
het maar even noemen, is gebeurd, dus bijvoorbeeld ook bij de covidwet
die in april tot stand is gebracht voor het domein van ons
ministerie.
Voorzitter.
De voorzitter:
Ogenblik. Mevrouw Kuiken.
Mevrouw Kuiken (PvdA):
Mijn oproep was bijna over uw hoofd heen ook richting het departement,
omdat we nu een aantal keren wetgeving hebben gezien die vrij cruciaal
is, maar waarbij de normale voorhangprocedure ontbreekt, en die ook
automatisch bijna verlengd wordt. Ik noemde dat de dwangsommen covidwet
daarvan een voorbeeld dreigde te worden. Dat is niet het geval, daarvoor
mijn complimenten. Bij onze controlerende macht kan soms wel een
vraagteken worden geplaatst, maar het is onnodig dat wij allerlei gekke
slagen moeten maken om daarin iets te realiseren. Ik hoef er nu geen
reactie meer op, maar dat was wel mijn appel voor deugdelijke
wetgeving.
Minister Grapperhaus:
Toch heel kort een reactie. Ik begrijp dat appel heel goed. Ik vond de
dwangsommenwet wat dat betreft ook echt een uitzondering, vandaar dat we
nu in ieder geval bij deze wet het voorhangsysteem inzetten.
De voorzitter:
Een ogenblik. Meneer Van Nispen wil hier ook nog iets over zeggen.
De heer Van Nispen (SP):
Een halve interruptie, voorzitter, want de conceptwet die als eerste
ondertekenaar de minister van Volksgezondheid had, heeft op bijzonder
veel kritiek kunnen rekenen, zowel binnen als buiten de Kamer, tot aan
staatsrechtgeleerden toe. Ik had gehoopt dat ook deze minister van
Justitie en Veiligheid en de minister voor Rechtsbescherming aan die wet
hadden meegeschreven. Wat is nou de bemoeienis geweest van de juristen
op het ministerie van Justitie en Veiligheid bij die eerste versie van
de wet? Volgens mij kunnen we dat nu rustig delen, we zitten toch onder
elkaar.
Minister Grapperhaus:
Ik wil de collega hier uitdrukkelijk niet belasten, maar vanuit mijn
betrokkenheid kan ik zeggen dat er drie ministeries met drie juridische
afdelingen bij betrokken zijn geweest. Ik bestrijd het beeld dat het een
wet zou zijn die helemaal niet deugdelijk zou zijn. Er zijn in die wet
een paar keuzes gemaakt. Ik noemde net het punt van de voorhang. Een
ander punt in de wet is op een gegeven moment de vraag hoe je de
burgemeesters in stelling brengt ten opzichte van de voorzitters van
veiligheidsregio's. Dat heeft niet zozeer te maken met puur individuele
grondrechten van burgers als wel met de vraag hoe we vinden dat dit zich
in ons staatsrecht moet verhouden.
Ik wil hier hardop gezegd hebben dat ik het negatieve beeld dat door een
aantal mensen van dit wetsvoorstel is geschetst, los van de kritiek die
u kunt hebben op bepaalde keuzes, niet deel. Ook het feit dat mensen het
zijn gaan duiden als een noodwet en als een soort machtsgreep van het
kabinet, wil ik hier maar eens heel erg hard weerspreken. Deze wet
beoogt nou juist, ook in de vorm waarin die in consultatie is gegaan,
ervoor te zorgen dat het parlement, de Tweede Kamer met name, beter in
positie werd gebracht om mee te kunnen praten over bepaalde methoden en
maatregelen, die dus ook niet al in die wet zijn voorgekookt, maar in
voor te leggen ministeriële regelingen zitten. Dat is een. En twee, deze
wet beoogde — de minister-president heeft dat op 25 juni in het debat
ook al gezegd — ook als het om lokale kwesties zou gaan, het lokale
bestuur, het college van B en W en de gemeenteraad, meer in stelling te
brengen. Dat doet de wet ook. Het is dus juist niet een wet of een
wetsontwerp dat meer naar het kabinet toetrekt, nee, hij beoogt juist de
democratie er van tevoren meer bij te halen. Ik geef ook eerlijk toe
dat, en dat was wel ook een democratisch tot stand gekomen wet, de Wet
publieke gezondheid nu eenmaal het systeem kent dat bij een
gezondheidscrisis zoals we die hier hadden, het eerst de minister van
VWS een aanwijzing geeft waarna er noodmaatregelen worden genomen. Die
waren ook hard nodig, dat kan ik u verzekeren. Daarna wordt er pas in
het parlement verantwoording over afgelegd. Als ooit in het staatsrecht
afgestudeerde vond ik het zelf gelukkiger om, als we in een urgente
situatie zitten, dat na een tijdje — de ergste urgentie is er nu
voorlopig toch echt af — om te keren en ervoor te zorgen dat we de
volgorde hebben dat we eerst met het parlement over eventuele
maatregelen in gesprek gaan.
De voorzitter:
Ik stel voor om dit debat te gelegener tijd voort te zetten. Bij gebrek
aan interrupties zou ik u willen vragen om verder te gaan.
Minister Grapperhaus:
Het leek me goed om dit gesprek toch even te hebben.
Voorzitter. Wie garandeert dat multimediabestanden niet gemanipuleerd
worden? Dat was de vraag. Er wordt een voorziening voor de politie
verworven met behulp van een aanbestedingstraject. Die voorziening heeft
de volgende eigenschappen. De data zijn versleuteld en de politie bezit
en beheert de encryptiesleutel, zodat die data niet toegankelijk zijn
voor derden. Alle bestanden die geplaatst worden in de
multimediavoorziening worden voorzien van een unieke code, vergelijkbaar
met een vingerafdruk. Manipulatie van een bestand levert een andere code
op, waardoor die manipulatie altijd gedetecteerd kan worden. En alle
handelingen worden in het systeem gelogd, dus die kun je meteen daarin
monitoren. Dan kun je realtime zien of daar iets gebeurt.
Voor de opslag van de multimediabestanden is in het aanbestedingsbestek
als eis opgenomen dat de infrastructuur, de applicaties én de data zich
bevinden binnen de Europese Economische Ruimte en dat aan partijen die
hun oorsprong hebben in de VS wordt gevraagd hoe zij omgaan met de
toepassing van de u welbekende CLOUD Act. Op basis daarvan kan zo'n
partij worden uitgesloten van deelname. Ook hierbij geldt dat de data is
versleuteld. Als gezegd beheert de politie de encryptiesleutel.
De heer Van Dam vroeg: waarom laat u nou meerdere voorzieningen voor
multimediabestanden ontwikkelen, terwijl één voorziening veel goedkoper
is? Het lijkt logischer om één voorziening voor multimediabestanden in
te richten. Dat was aanvankelijk ook de bedoeling, maar binnen de keten
is er discussie geweest over de voor- en nadelen daarvan. De
ketenorganisaties hebben geconcludeerd dat het onafhankelijk en
onpartijdig functioneren van de rechter alleen voldoende kan worden
gegarandeerd als in ieder geval naast de politie de rechtspraak een
eigen voorziening krijgt. Alleen dan kan voldoende worden gegarandeerd
dat aan de rechter overgedragen processtukken niet meer door de politie
of het OM kunnen worden gewijzigd. Dat kunnen de leden even laten
bezinken, want ik zie dat daar wel even behoefte aan bestaat. Ik ben me
er echt …
De voorzitter:
Meneer Van Dam …
Minister Grapperhaus:
Mag ik het nog even af maken? Ik ben me ervan bewust dat daardoor
waarschijnlijk meer kosten moeten worden gemaakt. Maar na enige
gewenning kan ik u zeggen dat ik achter de uitkomst van die afweging sta
om het risico op de aantasting van rechtsstatelijke waarborgen te
minimaliseren en niet te kiezen voor één ketenvoorziening. Nogmaals, ik
begrijp de — hoe moet ik het zeggen? — vragende blikken. Maar er hoeft
natuurlijk maar één keer iets in zo'n enkelvoudige voorziening te worden
gemanipuleerd en dan zou het daarmee al gefalsifieerd zijn.
De voorzitter:
Meneer Van Dam gaat hier zijn laatste interruptie aan wijden.
De heer Van Dam (CDA):
Ja, vragende reeënogen keken de jager aan. Dat is volgens mij de tekst.
Met alle respect voor de minister, maar ik heb echt vragen hierover. Ik
heb op twee punten vragen. Ik lees u voor uit een brief van 27 mei 2020
van de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken: "De Rijksoverheid voert
een actieve strategie om dataopslag en verwerking ten behoeve van het
Rijk in Nederland plaats te laten vinden. Deze strategie komt voort uit
het streven naar een krachtige, kleine en dienstverlenende Rijksoverheid
…" Bladiebla, en dan gaat het heel veel over integriteit. Dit komt uit
een brief van 27 mei 2020. Ten aanzien van de rechtsstatelijke
argumenten heb ik in mijn eerste termijn naar voren gebracht dat ik er
echt anders tegen aankijk. Laat ik het daar voor dit moment bij laten.
Ik dien er gewoon een motie over in en kijk hoe de Kamer daarnaar
kijkt.
De voorzitter:
Ik heb geen vraag gehoord.
Minister Grapperhaus:
Misschien moet ik er dit nog even over zeggen. Het overgrote deel van
die multimedia wordt alleen door de politie gebruikt. Het is niet zo dat
alles wordt overgedragen en nog eens extra bij de rechtspraak wordt
opgeslagen. Dus ik wil benadrukken dat die extra kosten niet tweemaal of
driemaal de kosten zijn die het zouden zijn als het een
gemeenschappelijke voorziening zou zijn geweest. Het is dus niet zo dat
er echt een superinefficiënte voorziening is getroffen. Laat ik dat nog
even benadrukken. En nogmaals: dit is een keuze die door de keten is
gemaakt om redenen. En ik heb me er in ieder geval van laten overtuigen
dat het goede redenen zijn.
De voorzitter:
Meneer Van Dam.
De heer Van Dam (CDA):
Ik formuleerde inderdaad geen vraag. Ik vond het eigenlijk gewoon gepast
om, voordat ik nou straks ineens een motie uit mijn binnenzak trek, even
mijn overwegingen daarbij naar voren te brengen. En nogmaals: ik heb
echt geen discussie met de minister over de rechtsstatelijkheid en over
het feit dat rechters een eigen dossier moeten hebben waar anderen niet
in moeten komen. Dat dat zo is, is evident. Maar ik heb in mijn eerste
termijn aangegeven dat er volgens mij echt prima andere mogelijkheden
voor zijn. Ik noem als voorbeeld de zaak-Holleeder. Hoeveel jaren sleept
die zich wel niet voort? Hoeveel onderdelen van een dossier zitten
daarin? De hele strafrechtketen digitaliseert. Ik zie daar allemaal
rampscenario's ontstaan. Vandaar dat ik vrij expliciet op dit punt
ben.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik zie dat meneer Groothuizen weer wil interrumperen, maar
hij is door zijn interrupties heen. Het spijt me. De minister gaat
verder.
Minister Grapperhaus:
Oké. De heer Groothuizen vroeg nog naar de voorziening voor multimedia.
Misschien dat ik hem nog enige troost kan bieden door die vraag te
beantwoorden.
De voorzitter:
We gaan een voorzitterswissel uitvoeren, want ik ga even naar de
plenaire zaal. De heer Futselaar neemt het voorzitterschap van mij
over.
De heer Van Dam (CDA):
Kunt u uw lijstje met interrupties dan misschien ook meenemen naar de
plenaire zaal?
Voorzitter: Futselaar
De voorzitter:
Gaat u verder, minister.
Minister Grapperhaus:
Ja. Voorzitter. Is er alleen een cloud nodig voor politie, OM en
rechtspraak? We werken dus aan voorzieningen om het mogelijk te maken om
de door burgers, bedrijven en externe partijen aangeleverde bestanden te
ontvangen, en door de hele keten op te slaan en te ontsluiten. Nou ja,
goed, ik ga dat niet herhalen. We hebben er dus voor gekozen om dat niet
in één voorziening neer te zetten.
Voorzitter. Ik kom nu aan de vragen over diverse onderwerpen. Allereerst
de kwestie van die fraudezaken, advocaten en dat eigen onderzoek, waar
de heer Groothuizen naar vroeg. Het hele verhaal is dat het niet zo is
dat wij advocaten die onderzoeksresultaten laten aanleveren en die
vervolgens met een nietje erdoor aan het dossier toevoegen. Het gaat dan
overigens natuurlijk om een digitaal nietje als we straks die cloud
hebben. Ik heb steeds gezegd: de FIOD controleert de door de verdachten
aangeleverde onderzoeksresultaten van advocaten altijd op voldoende
diepgang, volledigheid en juistheid. Dat wordt vervolgens ook door het
OM geverifieerd. En het OM is en blijft verantwoordelijk voor een
strafrechtelijk onderzoek, en beslist ook verder over het inzetten van
nadere strafvorderlijke bevoegdheden en over de verdere vervolging. Dus
ik wil nog eens benadrukken dat zo'n eigen onderzoek door de advocaat
van het bedrijf dat van fraude wordt verdacht, een bouwsteen kan zijn
voor FIOD en OM, maar die bouwsteen wordt heel grondig en kritisch
bekeken. En overigens: als zou blijken dat de onderzoeksresultaten van
een advocaat niet naar waarheid zijn, dat ermee gemanipuleerd is, of dat
er door de betreffende advocaat op zijn beurt weer mee is gefraudeerd,
dan kan dat uiteraard in ieder geval door de tuchtrechter worden
getoetst, nog los van mogelijke civielrechtelijke of zelfs
strafrechtelijke aansprakelijkheid.
Voorzitter. Dan de milieucriminaliteit en het plan om die criminelen aan
te pakken. De staatssecretaris van IenW heeft op 5 juni een
voortgangsbrief naar de Kamer gestuurd over het Actieplan
Milieucriminaliteit en de uitvoering van de moties, de toezeggingen en
dergelijke. Het actieplan zal voor het eind van het jaar naar de Kamer
gezonden worden. Ik kan namens het kabinet niet ontkennen dat we daar
wat vertraging in hebben opgelopen, maar uit de voortgangsbrief blijkt
in ieder geval heel duidelijk dat er werk van wordt gemaakt.
De heer Van den Berge vroeg naar de zedenaanpak. Hoe staat het met de
toezegging op het punt van de knelpunten? Er is 15 miljoen euro extra
beschikbaar gesteld voor de aanpak van zedendelicten. Daar heb ik de
Kamer ook al eerder over geïnformeerd. Via het PMJ-model wordt nu
berekend hoe de extra inspanningen van de politie ook doortellen in de
rest van de keten. Zodra de uitkomsten daarvan bekend zijn, zal ik u
daar zo snel mogelijk een brief over sturen. Daarin zal dat uitgewerkt
worden.
Dan de vraag van de heer Van Dam over de multiproblematiek bij gezinnen.
Die is mij niet alleen uit het hart gegrepen maar die is ook zeer van
toepassing op een aantal werkbezoeken die ik de afgelopen weken heb
afgelegd. Dat waren er vorige week nog twee in Utrecht en in
Heerhugowaard. Ik heb dat laatste bezoek samen met collega Blokhuis
afgelegd. Dat geeft al een indicatie van het antwoord op de vraag van de
heer Van Dam. Want inderdaad: dat kunnen we niet alleen in het
strafrecht oplossen.
In het verhaal van PwC waar we u op 26 juni een reactie op hebben
gestuurd, zie je ook dat je maatschappelijke problemen rond
criminaliteit en onveiligheid niet eenzijdig op de strafrechtketen moet
afwentelen. In Utrecht heb ik gesproken met een interventieteam dat in
een van de moeilijkste wijken van Utrecht inzet op deze multi-aanpak. In
Nieuwegein heb ik soortgelijke gesprekken gevoerd. Daar richten de
mensen van de gemeente, van de woningbouwcorporatie, van het
maatschappelijk werk en ook van een speciale stichting die zich richt op
moeders van de vaak jongemannen die er al heel jong in getrokken worden,
zich gezamenlijk op die problematiek. Ik zeg daarbij ook maar eerlijk
dat het ook een problematiek is die heel vaak speelt rondom jongemannen
die — laat ik zeggen — soms ook licht verstandelijke beperkingen hebben.
"Soms" is eigenlijk niet het goede woord. Dat speelt veel. Die worden
ook vaak juist door criminele organisaties geronseld. Dat gaat
natuurlijk heel makkelijk. Dat is iets waar ik het met uw commissie al
vaker over heb gehad. Dat betekent dat je bij de keuze van de meest
geschikte interventie altijd moet kijken naar niet alleen de
veranderingen in het criminaliteitsbeeld maar ook naar wat de partijen
die buiten de strafrechtketen staan, kunnen doen.
Daarnaast speelt dan nog het probleem van de verwarde personen. Ook dat
is een opgave die we echt niet louter via de weg van het strafrecht
zullen kunnen aanvliegen. Een belangrijke positieve ontwikkeling is
natuurlijk de wettelijke koppeling die tussen justitie en zorg is
gemaakt, tussen de Wet forensische zorg, de Wet verplichte geestelijke
gezondheidszorg en de Wet zorg en dwang. Dat maakt het mogelijk dat de
strafrechter zelf de bevoegdheid heeft om een zorgmachtiging af te geven
op grond van die Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg of een
rechterlijke machtiging op grond van de Wet zorg en dwang. Daarmee zijn
we er nog niet. Je krijgt dan wel weer maatwerk. We zien nog steeds dat
in de praktijk de juiste plek met de juiste middelen niet altijd wordt
gerealiseerd. Ik hoop dat ik me zo goed uitdruk. Dat betekent dat mensen
die eigenlijk op de goede plek terecht zouden moeten kunnen komen met
een dagopvang en met intensieve begeleiding gewoon op straat lopen, met
alle gevaren en risico's van dien. Deze week komt er een brief van
collega Blokhuis en mij naar uw Kamer toe, waarin we ook die
problematiek willen adresseren. Want we willen eigenlijk toe naar een
landelijk coördinatiepunt op het gebied van wat er voor voorzieningen
zijn voor deze personen, en waar we deze kunnen onderbrengen en met
welke middelen. Onder anderen mevrouw Van der Graaf vroeg welke lessen
we leren uit de coronatijd die we mee willen nemen. We hebben — het
klinkt raar — in de grootste crisis rondom de intensivecarebedden gezien
dat het instellen van een landelijk coördinatiepunt enorm veel heeft
geholpen. In het begin kwamen we obstakels tegen die we niet verwacht
hadden, maar die we, doordat dat landelijk coördinatieteam er was,
konden gladstrijken of iets dergelijks. Hetzelfde — terug naar de
verwarde personen — is waar collega Blokhuis en ik nu ook echt naar toe
willen. Want de bedden, de opvangplekken, de dagbesteding en de
beschermde woonruimte zijn er, de financiële middelen zijn er ook, maar
we moeten dat echt landelijk bij elkaar brengen en voorkomen dat één
regio zegt: ik heb geen plek meer, waardoor iemand gewoon de straat
wordt opgestuurd.
Terug naar het punt van die multiproblematiek. Het zal altijd iets zijn
waarbij de ministeries van VWS, SZW en JenV het voortouw moeten nemen.
Maar we moeten dat met elkaar gezamenlijk doen.
Dan kom ik ten slotte op de …
De voorzitter:
Voor u verdergaat, minister, ik zie nog een interruptie voor u van de
heer Van Wijngaarden.
De heer Van Wijngaarden (VVD):
Ik wil de minister niet onderbreken in zijn reflectie en uiteenzetting
over de aanpak van multiprobleemgezinnen en verwarde personen. Goed dat
de minister daar ook nog met een brief over komt, met de VWS-collega.
Maar ik wil de minister ook nog even in herinnering brengen dat er nog
een motie ligt van mij en een aantal anderen, ik meen ingediend bij de
Wet straffen en beschermen. Die motie vraagt eigenlijk ook aan het
kabinet om eens te reflecteren op de mensen die problemen met zich
meedragen in gevangenschap, vanuit de vraag van de heer Van Dam. Want
40% van de gevangenen is psychisch belast en neemt allerlei problemen
met zich mee. Hoe kunnen we nu op het moment dat die mensen ingesloten
zijn als justitiabelen ervoor zorgen dat ze die tijd in gevangenschap
nuttiger gaan besteden? Zou de minister naast zijn samenwerking met de
VWS-collega daarover ook willen nadenken met de minister voor
Rechtsbescherming? Zoals gezegd kan dat ook in het kader van de
uitvoering van een motie die het kabinet volgens mij ruim de tijd heeft
gegeven tot ik meen eind van dit jaar. Het gaat specifiek om de vraag
van de heer Van Dam hoe we komen tot zinvolle straffen, wat ook een
zinvolle tenuitvoerlegging betreft, om te werken aan verslaving,
taalbeheersing et cetera.
Minister Grapperhaus:
Ik ga ervan uit dat mijn collega Dekker daar zo dadelijk ook nog op in
zal gaan. Maar ook deze groep is onlosmakelijk verbonden met of aanwezig
in de multiproblematiek. Ik zou uw commissie bijna van harte willen
aanraden om datzelfde werkbezoek aan Utrecht en Nieuwegein af te leggen.
Ik wil uw agenda niet belasten, maar daar krijgt u gewoon in vier uur
tijd echt veel te zien. Van de grootste probleemgevallen die men mij
presenteerde, mocht ik op een gegeven moment zeggen wie er van hen niet
vastzat. Ik zat er alle acht keren naast. Dat zijn allemaal
multiproblematieken met gebroken gezinnen, verslavingsproblematiek en
grote schuldenproblemen. Dat is enorm met elkaar verweven. Ik tel er
hier overigens maar zeven, geen acht.
Voorzitter. Ik kom aan het slot. De heer Van Dam vroeg, hoe ik invulling
ga geven aan meer regie op de strafrechtketen. Die motie is natuurlijk
vrij recent ingediend. De heer Van Dam wil mij vergeven dat we daarover
nog met elkaar in reflectie zijn. We komen dit najaar terug op de vraag
hoe we de regievoering ten aanzien van de strafrechtketen zien. Dat
hebben we in de brief van 26 juni ook aangegeven. Wat ik er wel over wil
zeggen, is het volgende. Ik onderschrijf het punt dat het geen
koekjesfabriek is. De strafrechtketen is geen doorsnee productieketen,
want het is een heel complex samenstel van deelketens, waarbinnen die
partijen landelijk en lokaal wel samenwerken, maar waarbinnen — laten we
wel wezen — ook zoiets bijzonders is als de rechtsstatelijke positie van
het OM en de nog weer andere rechtsstatelijke positie van de
rechtspraak. Ik denk niet dat in een koekjesfabriek de verkoop, de
afdeling amandeltjes en de boekhouding kunnen zeggen: wij hebben
rechtsstatelijk ook nog eens heel andere verantwoordelijkheden. Het zou
kunnen, maar het lijkt me onwaarschijnlijk.
Er ligt dan dus echt een heel belangrijke eigen verantwoordelijkheid bij
de partners zelf. Ik moet u echt zeggen dat ik positief verrast was door
het feit dat de partners in de strafrechtketen op een gegeven moment
zelf het voortouw zijn gaan nemen en die verantwoordelijkheid hebben
opgepakt om te kijken hoe ze de achterstanden weg gaan werken en zo snel
mogelijk aan de slag gaan. Dat is een heel goede ontwikkeling. We moeten
ons realiseren dat wij tweeën daar als bewindspersonen een goede
stimulerende rol in moeten spelen om uiteindelijk de autonomie en eigen
verantwoordelijkheid van die partijen te respecteren. Want anders heeft
u andere kritische geluiden te maken. In het najaar komen we daar
uitvoeriger op terug, ook naar aanleiding van de brief van 26
juni.
Ik was nog bijna vergeten, voorzitter, als u dat niet erg vindt, om in
een post scriptum toch even in te gaan op de stukken over de zaak-Poch.
Mevrouw Kuiken, maar in de eerste plaats de heer Van Nispen hebben daar
vragen over gesteld. Ik heb onlangs nog een nota vertrouwelijk ter
inzage gestuurd. Als we wat reflecterend uit het raam keken, konden we
vaststellen dat die nota al in het openbare domein was. Laten we daar
maar heel eerlijk over zijn met elkaar. Ik wil nog eens benadrukken dat
er duidelijkheid moet bestaan over de feiten. In januari 2019 heb ik een
brief aan uw Kamer geschreven en gezegd: ik wil een onafhankelijke
onderzoeker door die enorme berg stukken heen laten gaan en met mensen
laten praten om gewoon echt aan waarheidsvinding te doen. Die
onderzoeker, de heer Machielse, voormalig lid van de Hoge Raad, heeft
daar professor Myjer, voormalig raadsheer in het Europees Hof, bij
gevraagd. Zij tweeën zijn aan de slag gegaan. De heer Machielse vanaf
maart, en daarna met z'n tweeën vanaf oktober/november 2019. Die
commissie moet onafhankelijk kunnen werken. Ik blijf daar dus ook bij
weg. De commissie heeft enige tijd geleden per brief uitdrukkelijk aan
mijn directeur-generaal laten weten: luister eens, het onderzoek wordt
gehinderd als er, voordat wij ons rapport opleveren, telkens toch weer
afzonderlijke documenten verstrekt worden of anderszins in de
openbaarheid komen. Dat anderszins in de openbaarheid komen, daar ga ik
niet over. Ik kan wel zeggen: ik begrijp dat u als commissie niet wilt
dat mensen die u wilt horen beïnvloed worden door stukken en dergelijke,
reden waarom ik in ieder geval een stap terugzet. Want ik vind die
waarheidsvinding nog steeds van het grootste belang. De commissie heeft
gezegd dat zij verwacht in het laatste kwartaal van dit jaar met een
rapport van bevindingen te komen. Dat vergt nog enig geduld, maar ik
blijf zeggen dat ik het echt van het grootste belang vind dat zij dat
gestructureerd en onafhankelijk kunnen doen. Ik benadruk dat ikzelf geen
contact heb met de commissie, en dat wil ik ook zo houden. Dat loopt
alleen maar via mijn directeur-generaal, als dat nodig is. Verder: laat
ze hun werk doen.
De voorzitter:
Dat leidt tot een interruptie van de heer Van Nispen.
De heer Van Nispen (SP):
Voorzitter, dat is de andere helft van die halve interruptie die ik net
had. Ik heb hier maar een korte vraag over. Volgens mij wordt op geen
enkele manier het werk van een commissie gehinderd als stukken die bij
het ministerie liggen, die er zijn en waarover media gepubliceerd
hebben, door de Kamer worden opgevraagd. Dat is namelijk artikel 68 van
de Grondwet. Dat kan een minister niet opzij zetten door zelf een
onderzoekscommissie in te stellen. Want de minister weet ook dat het zo
natuurlijk niet werkt. Ten eerste: dat werk van de commissie wordt er
niet door gehinderd als wij als Kamer gewoon een stuk opvragen. Ten
tweede: artikel 68 van de Grondwet moet hier gewoon zwaarder wegen. Dat
is wat het is.
Minister Grapperhaus:
Maar laten we even ... Dat heb ik dan misschien niet duidelijk genoeg
gezegd. Dat ene stuk waar het om ging, is mijn ministerie toegezonden
ruimschoots nadat de commissie met haar werk was begonnen, als
afzonderlijk stuk. Dat stuk kwam, uit mijn hoofd, via het Openbaar
Ministerie. Ik heb ook gezegd: als u nog een stuk ergens uit het systeem
haalt, moet u dat aan de commissie sturen. Niet omdat ik uw Kamer niet
wil inlichten, want A. zo kent u mij niet, maar B. ik heb het nu
uiteindelijk, terwijl het al openbaar was, maar doorgezonden. Maar ik
vind dat ongelukkig, omdat de commissie zegt: zo worden wij in ons
onderzoek gehinderd. Maar ik begrijp heel goed wat de heer Van Nispen
zegt: als wij nu nog een stapel stukken zouden hebben, wil ik als Kamer
die toch wel hebben. Maar hier gebeurde iets anders: er werd mij een
stuk toegestuurd, ruim nadat die commissie was begonnen. Ik vind dat
ongelukkig, want dan kan iemand die kwaad wil ten opzichte van het
onderzoek van die commissie mij af en toe een stuk toesturen wat ik
gedwongen ben te geven, terwijl de commissie het onderzoek rustig en
gestructureerd wil doen.
De voorzitter:
Vervolgt u uw betoog, minister.
Minister Grapperhaus:
Voorzitter, ik ben aan het eind van mijn eerste termijn.
De voorzitter:
Dan kijk ik even rond. Dan kunnen we doorgaan naar de minister voor
Rechtsbescherming.
Minister Dekker:
Voorzitter, dank u wel. Laat ik beginnen te zeggen dat ik het heel goed
vind dat we vandaag dit debat voeren. Ik ben er ook blij mee, misschien
wel om het punt dat mevrouw Kuiken aanroerde, namelijk de betrokkenheid
van het parlement bij toch een hele serie maatregelen die we de
afgelopen maanden hebben moeten nemen en die behoorlijk ingrijpend
waren. Ik denk dat wij er allebei behoefte aan hebben om daar
verantwoording over af te leggen, ook als het gaat om de dingen die we
in de komende tijd nog gaan doen. De voorstellen die op tafel liggen,
zijn best fundamenteel. Dan hoort het debat ook hier in dit huis plaats
te vinden. De vraag was: hoe kijkt u terug op de afgelopen maanden? Zijn
er dingen die je daaruit geleerd hebt? Absoluut. Een crisis als deze
legt de goede kanten van organisaties bloot, maar ook de minder goede
kanten. Ik denk dat wij ons allebei afvragen wat er goed ging, maar ook
wat er beter had gekund. Daar komen we straks denk ik uitvoeriger over
te praten. Het is ook goed om het denken daarover steeds een stap verder
te brengen, omdat we niet weten hoe de toekomst eruit gaat zien. We
hopen natuurlijk allemaal dat we niet te maken krijgen met wellicht een
tweede golf; alles is erop gericht om dat te voorkomen. Maar voor het
geval dat, wil je wel de lessen hebben geleerd van de afgelopen twee,
drie maanden. Ik denk dat er best een aantal lessen te trekken zijn.
Maar voordat we daar nou in duiken, is het misschien ook wel goed om te
zeggen dat, als ik de afgelopen twee, drie maanden nou één ding heb
geleerd, het wel is dat, als we het hebben over de strafrechtketen of de
rechtspleging, het vaak gaat over organisaties, systemen en instituties.
Maar ik heb wel gezien dat de afgelopen weken en maanden de hele
strafrechtketen — ik wilde "show" zeggen, maar dat is het natuurlijk
niet — wordt gedraaid door heel betrokken, mensen die in de moeilijkste
tijd hebben laten zien dat ze in staat zijn om die waarden en principes
van de rechtsstaat toch ook onder de moeilijkste omstandigheden hoog te
houden. We zitten inmiddels in een periode dat iedereen weer nadenkt
over versoepeling en het laten vieren van de teugels. Dat moeten we
vooral doen op een heel zorgvuldige en verantwoorde manier. Ik begrijp
soms het ongeduld dat daar gevoeld wordt. Iedereen heeft de afgelopen
tijd enorm veel moeten meemaken en snakt weer naar iets meer vrijheid.
Waar dat kan, moeten we dat vooral doen, maar we moeten wel steeds
voorzichtig zijn. Als we de film nou even een paar maanden terugdraaien,
zien we dat het er in maart wel anders uitzag: het virus greep om zich
heen, we wisten niet goed wat er gebeurde, de ziekenhuizen stroomden
vol, er waren gewoon heel veel zorgen en angsten over de gezondheid. Van
de ene op de andere dag gingen rechtbanken dicht. En dat is maar één
kant van het verhaal, want ook en juist in tijden van crisis moet je
laten zien dat de rechtsstaat gewoon door blijft draaien, dat het recht
zijn beloop krijgt en dat er rechtgesproken wordt. We zeiden tegen
iedereen: ga zoveel mogelijk thuiswerken. Nou, dat kan voor heel veel
van de mensen die werken in de strafrechtketen niet. Neem het
gevangeniswezen of de forensische zorg. Neem delen van de
kinderbescherming, weliswaar niet deel uitmakend van de strafrechtketen.
Dat ging allemaal gewoon door, onder de moeilijkste omstandigheden.
Mensen die zorg hadden over de thuissituatie of over de situatie op het
werk, maar toch een enorme verantwoordelijkheid voelden om dit door te
laten gaan.
Op andere plekken is wel gezegd: we gaan het op een andere, niet meer
fysieke manier doen. Neem bijvoorbeeld de rechtbanken, maar ook daar
heeft men niet stilgezeten. Ook in die eerste weken werd er gewoon
gewerkt. Weliswaar vanuit huis, via videoverbindingen of telefonisch,
maar als je kijkt naar het aantal afgedane zaken, zie je dat die
weliswaar niet op 100% liggen van wat normaal is, maar toch op zo'n 70%.
De klappen vielen weliswaar wel in het gebied waar we het vandaag over
hebben, de strafrechtketen, maar het zegt iets over wat deze crisis ook
heeft laten zien: een enorm improvisatievermogen en de wil om samen te
werken met andere organisaties. Dan blijkt er in tijden van crises ook
heel veel te kunnen en gaan dingen veel sneller dan in normale tijden en
situaties. Denk aan de hele digitalisering en het beveiligd mailen,
waarvoor tijd was uitgetrokken, maar wat in no time in de rechtspraak
tot stand is gebracht. Denk aan de mogelijkheden om veel meer te doen
met telehoren in het gevangeniswezen. Bij de reclassering noem ik de
verschuiving die is gemaakt van de taakstraffen die logischerwijs even
stil kwamen te staan, maar waarbij wel is gezegd: dan gaan we zoveel
mogelijk inzetten op toezicht, want we hebben meer mensen nodig op de
elektronische monitoring. Dat laat wat zien over de veerkracht van de
organisatie en de mensen die daarin werken. Dat verdient echt ons
respect en onze waardering. Petje af.
Voorzitter. Ik wil op een aantal dingen even inzoomen. Ik begin met de
rechtbanken, wat daar is gebeurd, wat we daarvan kunnen leren en wat we
moeten doen om de werkvoorraden daar weer terug te brengen tot een
beetje acceptabele proporties. Vervolgens zal ik ingaan op het
gevangeniswezen en hoe het daar zit met de maatregelen. Want laten we
wel wezen, ook voor de gevangenen waren de maatregelen die we moesten
treffen natuurlijk enorm: geen verlof, geen bezoek. Je zal maar wachten
op je rechtszaak, of je nou verdachte of slachtoffer bent, en te horen
krijgen dat datgene waar je lang naartoe hebt geleefd, nog langer gaat
duren; dat komt natuurlijk enorm binnen. Dus als tweede wil ik iets
zeggen over het gevangeniswezen. Daarna ga ik in op de
rechtsbijstand.
Voorzitter. Laten we eerst eens kijken naar wat ons te doen staat rond
de strafrechtketen, met name op het onderdeel vervolging en berechting.
Daar hadden we natuurlijk al te maken met achterstanden. Volgens mij was
iedereen hier blij dat we vorig jaar rond de Miljoenennota goede
afspraken hebben gemaakt met de rechtspraak. Er kwam een kleine 100
miljoen bij. Er is toen gezegd: met dat geld kunnen we extra mensen
aannemen en rechters gaan opleiden en dan is het reëel dat we in drie
jaar tijd de achterstanden tot redelijke proporties hebben
teruggedrongen. Maar toen kwam corona om de hoek kijken, en werden we op
een aantal fronten behoorlijk teruggeworpen, in plaats van dat we
stappen vooruit konden zetten.
Ik ben er zelf blij mee dat er voorstellen gedaan zijn door OM en ZM,
overigens in goed overleg met de executieketen, want alles wat je aan de
voorkant doet, werkt onmiddellijk door in de aantallen taakstraffen, de
behoefte bij DJI et cetera. Er is ook door de rechtspraak gezegd: wij
denken dat het reëel is om die achterstanden eind 2021 te hebben
ingelopen. Tegen de heer Van der Staaij zeg ik: dat is een behoorlijke
ambitie. Er is ook echt lang gesproken over de vraag of men dat waar kan
maken, en vanuit de rechtspraak is gezegd: ja, daar moeten we echt vol
voor gaan; daar willen we aan vasthouden. En we hadden al afgesproken om
de werkvoorraden richting eind 2022 sowieso wat terug te dringen. In dat
opzicht is het dus een dubbelslag, terwijl het nu sowieso al een
dubbelslag is, want aan de ene kant wil je een inhaalslag maken, maar
aan de andere kant is het wel een hindernisrace geworden. Want we zien
dat het, met corona, ingewikkeld is om kleine zittingszalen te
gebruiken; het vraagt allemaal veel meer ruimte, mensen, middelen, tijd,
geld, et cetera. Het wordt dus echt nog wel een puzzel hoe we dat gaan
doen. Dit zijn de contouren. Die gaan we nu nader uitwerken, zoals
collega Grapperhaus al zei. Dan moeten we kijken wat dat praktisch
allemaal gaat betekenen.
Als ik er op hoofdlijnen naar kijk, zie ik dat we wat moeten doen met de
ruimte, want de fysieke ruimte die rechtbanken hebben, past gewoon niet
in de anderhalvemetersamenleving. In Amsterdam is bijvoorbeeld gezegd:
we huren hier en daar wat bij. Er zijn ook burgemeesters die hebben
gezegd: wij hebben ook ruimtes die niet het hele jaar door iedere dag
gebruikt worden. We gaan dus proberen om het op een goede manier te
doen. In Amsterdam worden op dit moment bijvoorbeeld delen van het WTC
gehuurd. Daar worden nu geen grote manifestaties, geen congressen,
gehouden, dus daar kun je goede afspraken over maken. Als je een
inhaalslag wilt maken, heb je ook extra mensen nodig. Vandaar de
maatregel in de spoedwet, die op dit moment in de plenaire zaal wordt
behandeld, om gepensioneerde rechters in te zetten als plaatsvervangers.
Verder moeten we nog eens kritisch kijken — dat ligt op het snijvlak van
OM en ZM — naar de voorraad aan zaken: wat moet je echt meervoudig
afdoen en wat kan enkelvoudig, en wat deed je vroeger bij de
politierechterzitting en zou nu eventueel kunnen worden opgepakt door
het OM zelf?
De voorzitter:
Voordat u verdergaat, ik zie een interruptie van de heer Van
Wijngaarden.
De heer Van Wijngaarden (VVD):
Ik wil nog even doorgaan over die ruimtes. Ik hoor dat ook. Het is mooi
dat er in Amsterdam dan spontaan aanbiedingen komen, maar heb ik het bij
het rechte eind als ik veronderstel dat hier landelijke regie en hulp op
zit en dat het dus niet alleen afhangt van denkwerk vanuit deze of gene
burgemeester? Ik wil niet dat we straks te horen krijgen: we wilden
eigenlijk wel meer doen, maar er was geen zaaltje. Dat is ook misschien
een van de lessen: dat bij sommige dingen wat landelijke hulp ook kan
bijdragen. Hoe ziet de minister dat?
Minister Dekker:
Die hulp is er zeker. In de tijden van crisis was er gewoon een
landelijk crisisteam met een aantal presidenten van rechtbanken en een
aantal mensen van de Raad voor de rechtspraak daarin. Daarbij is ook wel
gezegd: het verschilt heel erg van rechtbank tot rechtbank. Sommige
hebben veel minder problemen met 1,5 meter en de ruimtes, die hebben een
wat ruimere opzet. Maar er zijn ook een aantal kleinere rechtbanken die
met een veel nijpender probleem zitten. Dus die hulp is er zeker, en die
ondersteuning ook. Tegelijkertijd zul je van geval tot geval moeten
kijken wat er nodig is en waar het knelt. Op de ene plek kun je dan iets
afspreken met de gemeente, op een andere plek moet je misschien iets
huren. Daar wordt nu heel erg hard aan gewerkt.
Veel vragen gingen over wat dit betekent voor de rechtsbescherming.
Moeten we hier nou ook als parlement een keuze in maken, moeten we
beslissen wat we dan meervoudig doen en wat er enkelvoudig gebeurt? De
inschatting is dat maximaal 1.800 zaken enkelvoudig kunnen worden
afgedaan die voorheen meervoudig werden afgedaan. Maar het is niet zo
dat dat een expliciet besluit vraagt van het parlement, laat staan van
mij. Dit kan gewoon binnen de kaders van de wet. De wet biedt die
ruimte. Het gaat over relatief eenvoudige zaken met een strafeis van
maximaal een jaar. De afweging wordt ook gemaakt door mensen die dat
goed in kunnen schatten, namelijk door rechters zelf, die in goed
overleg met het OM hebben gekeken wat het best op welk bordje past. Er
is gekeken of er ruimte is om zaken die op dit moment met drie rechters
worden gedaan, straks met één rechter af te doen. De conclusie van hen
is dat dat kan, zeker als je daar ook de meer ervaren rechters op zet.
Dat hebben de rechtbanken natuurlijk ook zelf in de hand.
Het tweede is dat de rechtspraak en het OM ook samen al hebben
vastgesteld bij welke zaken een enkelvoudige afdoening misschien qua
strafeis wel zou mogen, maar waarbij het toch goed is om dat niet
enkelvoudig te doen. Dan gaat het bijvoorbeeld om de juridisch
principiëlere zaken, om zaken waarin fors gebruik is gemaakt van
bijzondere opsporingsmethoden en om ingrijpende zaken met slachtoffers,
waarbij slachtoffers gebruik willen maken van hun spreekrecht. Dus er is
een hele set aan contra-indicaties afgegeven waarvan gezegd werd: dat
zou misschien mogen binnen de wet, maar dat zijn eigenlijk geen
eenvoudige zaken. Daar willen we dat vervolgens niet doen.
Het derde is het punt van de rechtsbescherming. Hoe zorgen we ervoor dat
het recht wel zijn loop heeft? De heer Van den Berge vroeg: hoe zorgen
we er nou voor dat dit niet ten koste gaat van de kwaliteit? Als we het
hebben over rechtspraak, dan is ook snelheid een element van kwaliteit.
Je zult maar verdachte zijn in een zaak en ook gewoon weer op zoek naar
een baan moeten. Of misschien heb je een baan en wil je weten waar je
aan toe bent. Of je denkt: laat die taakstraf maar komen, dan kan ik die
maar hebben gedaan en dan kan ik daarna gewoon weer door. Als
slachtoffer wil je natuurlijk weten waar je aan toe bent. Et cetera, et
cetera. Dan moeten we ons met dat voor ogen ook realiseren dat kwaliteit
dus ook om een voorspoedige afhandeling van zaken vraagt. Ik denk dat
dat een van de drijfveren is geweest waarom binnen rechtspraak en OM is
gezegd: wij zijn het aan onze stand verplicht om dit op een goede en
zorgvuldige manier te doen. Eigenlijk om te voorkomen waar mevrouw
Kuiken het over had, de zaak van Ietje en Ron, een ingrijpende strafzaak
met slachtoffers, die vijf jaar duurt. Dat zou toch eigenlijk niet
moeten kunnen.
De voorzitter:
Ik zie een interruptie van de heer Van den Berge.
De heer Van den Berge (GroenLinks):
Ik begrijp goed wat de minister zegt en ik denk dat de minister gelijk
heeft dat snelheid ook onderdeel is van de kwaliteit. Tegelijkertijd
hoor ik wel van rechters die ochtend-, middag- en soms ook nog
avondshifts moeten doen en die tijdens de lunchpauze met een broodje
kaas op schoot zaken moeten voorbereiden. Dus mijn vraag is wel: hoe
gaan we de vinger aan de pols houden — dat zie ik namelijk wel als onze
parlementaire taak — dat er voldoende kwaliteit en maatwerk door
rechters geleverd kan blijven worden? Eerlijk gezegd heb ik niet per se
alleen behoefte aan een evaluatie achteraf, maar misschien wel tijdens
de rit. Ik ben benieuwd of we dat gaan doen en hoe dat vormgegeven zou
kunnen worden.
Minister Dekker:
Ik weet ook dat de rechtspraak daar zeer aan hecht. Heel formeel zijn
dit keuzes die wij niet maken en die we ook niet moeten willen maken,
vanwege de onafhankelijkheid van onze rechtspraak. Dit zijn keuzes die
zij maken. Zij bepalen welke zaken enkelvoudig worden gedaan en welke
zaken meervoudig worden gedaan. Ik heb er groot vertrouwen in als zij
zeggen "wij denken, met alle waarborgen en opgaven die wij hebben, dat
we dit op een zorgvuldige manier kunnen doen". Maar als u aan mij vraagt
of ik dat dan even extra kan controleren, dan dwingt u mij in een
constitutionele of staatsrechtelijke positie waar ik me niet in wil
begeven, omdat ik vind dat dit echt aan de rechtspraak zelf is.
Overigens heb ik er groot vertrouwen in dat ze dat op een hele
zorgvuldige en goede manier gaan doen, samen met de mensen.
De heer Van den Berge (GroenLinks):
Ik snap inderdaad dat het wringt. De scheiding der machten is ook voor
mij een groot goed. Tegelijkertijd constateer ik wel dat er afspraken
zijn gemaakt tussen de regering en de Raad voor de rechtspraak over hoe
er omgegaan wordt met wat ik maar even de corona-achterstanden noem. Dan
kunnen er volgens mij in principe ook afspraken gemaakt worden over hoe
er een vinger aan de pols gehouden wordt. Misschien zou de regering dat
dan niet moeten doen, maar de Raad voor de rechtspraak. Maar ik ben toch
benieuwd of we op een of andere manier zicht kunnen hebben op de
kwaliteit en of die voldoende geborgd is.
Minister Dekker:
Ik denk dat als dit allemaal achter de rug is ... Er is door een aantal
van u gevraagd of het niet een goed moment zou zijn om na 2021, als dit
voorbij is, het allemaal eens goed te evalueren. Ik denk dat die
behoefte ook bestaat bij de rechtspraak zelf, dus dan zullen ze dat ook
zelf gaan doen. Ik denk ook dat ze gedurende de rit de vinger aan de
pols gaan houden. Even over de status van de brief die wij u hebben
gestuurd: dit is de aanpak die de ketenpartners ons hebben
gepresenteerd. Daar staan niet voor niets een aantal zinnen en teksten
in. Dit is niet een kwestie van dat de twee ministers dit zouden hebben
opgedragen of dat dit een onderhandeling zou zijn geweest waarbij wij
hebben gezegd "maar je moet het echt wel even doen, anders …". Nee, zo
is het niet gegaan.
Wij hebben natuurlijk met z'n allen heel indringend over dit probleem
gesproken en daarbij ook aangegeven dat er aan onze kant de bereidheid
is, daar waar organisaties, rechters of rechtbanken aanlopen tegen wet-
en regelgeving die moet worden aangepast, praktische elementen, om
daarin te voorzien en daarover het gesprek aan te gaan. Maar met vragen
zoals of zaken enkelvoudig of meervoudig moeten worden behandeld of wat
het OM eventueel met beschikkingen kan overnemen van eenvoudige
politierechterzaken, hebben wij ons met z'n tweeën juist niet bemoeid.
Omdat ik vind dat dit aan de magistratuur is. Dit hebben zij ons
aangedragen: wij denken dat dit reëel is en dat we dit kunnen
waarmaken.
Voorzitter. Datzelfde geldt voor het hoger beroep, want daar was de
vraag: zou u niet in ieder geval dát meervoudig moeten doen? Ik zei al
wat over de politierechterzaken. Daar zijn twee criteria voor. Het ene
is de eenvoudige aard van de zaak — daar komen bijvoorbeeld die
contra-indicaties om de hoek kijken — en dat een maximum van twaalf
maanden gevangenisstraf zal worden geëist. In hoger beroep is dat
criterium nog strenger, namelijk maximaal zes maanden gevangenisstraf in
eerste aanleg, waardoor een veel groter contingent van wat enkelvoudig
in eerste aanleg wordt gedaan, in hoger beroep meervoudig zal worden
gedaan. Dat blijkt ook wel als je kijkt naar de cijfers. In hoger beroep
is de praktijk dat enkelvoudig afdoen eigenlijk de uitzondering is. 85%
wordt in hoger beroep meervoudig gedaan. Daar zou een deel van nu
enkelvoudig kunnen gebeuren. Dat gaat dan ongeveer om zo'n 1.000 zaken,
maar goed, dat valt allemaal onder een strenger criterium dat het moet
gaan om zaken waarvoor de strafeis niet hoger is dan zes maanden. Ook de
positie van de slachtoffers speelt daarbij een belangrijke rol. Ik gaf
al aan dat bij de keuze enkelvoudig of meervoudig de positie van
slachtoffers en de rol die slachtoffers spelen in een zaak, een van de
indicatoren is die de rechtspraak meeweegt in zijn afweging of het
enkelvoudig of dat het meervoudig moet.
Wat zien we als we terugkijken? Door het feit dat er een tijdlang geen
fysieke zittingen waren en vervolgens de fysieke zittingen wel weer
begonnen, maar slechts met mondjesmaat mensen aanwezig, is het hier en
daar best gebeurd dat er onduidelijkheid was over de aanwezigheid van
een advocaat ter zitting. Terwijl daarvan eigenlijk van begin af aan
gezegd werd, ook vanuit de equality of arms: als er officieren van
justitie aanwezig zijn, dan moet er ook gewoon een advocaat aanwezig
zijn. Hetzelfde geldt voor slachtoffers die een plek in de rechtszaal
verdienen, ook bijgestaan door hun advocaat. Daarbij is ook aangegeven:
als daar ruimte voor is, laat zo iemand dan ook iemand meenemen voor de
morele ondersteuning, een familielid, bij wijze van spreken. Die
afspraken zijn op dit moment in mijn ogen helder. Dat dat in de
afgelopen maanden in alle hectiek niet overal goed is gegaan, geloof ik
onmiddellijk. Het bovenvermelde is geen excuus, maar wel een verklaring
voor hoe dingen zijn gelopen. Ik krijg overigens nu signalen, ook van
Slachtofferhulp Nederland, dat het best goed loopt.
Voorzitter. Dan waren er nog vragen van de heer Van Dam over de
kantonzittingen. Die zijn in die zin ingewikkeld en ook ingewikkeld te
organiseren, omdat je bij kantonzittingen nooit weet wie er precies op
zitting verschijnt, dat het vaak gaat om heel korte zittingen snel
achter elkaar en je dan ook te maken hebt met de moeilijke
beheersbaarheid: hoeveel mensen wil je uiteindelijk in de centrale hal
hebben zitten wachten totdat hun zaak begint? Rechtspraak en OM hebben
met elkaar afgesproken dat ze hun uiterste best gaan doen om ervoor te
zorgen dat er voor 1 september een aantal verzetszaken bij de
kantonrechter kunnen worden aangebracht. Dan gaat het met name om een
aantal van de wat principiëlere zaken. De vraag is of dat nog veel
sneller zou kunnen. Dat is eigenlijk de vraag die de heer Van Dam had.
Dat is best ingewikkeld vanwege alle administratieve voorbereiding van
verzetszaken en ook de betekening van dagvaardingen en de inachtneming
van wettelijke termijnen. Ik weet niet of het reëel is om te
veronderstellen dat dat heel veel sneller kan dan 1 september.
Dan de vraag over de inzetbaarheid van rechters boven de 70, ook in
relatie tot het amendement dat was ingediend. Het gaat om een tijdelijke
maatregel, die met spoedwetgeving tot stand komt. Mevrouw Kuiken vroeg
of je dat niet misschien permanent zou kunnen maken. Dat zou kunnen,
maar we doen het nu voorlopig even tijdelijk. Dan doen we er ervaring
mee op. Ik sluit helemaal niet uit dat dit één van de dingen is waarvan
we, als dit straks allemaal achter de rug is, allemaal zeggen "dat
beviel eigenlijk best goed". We hebben ook heel goede rechters nodig en
die zijn soms best moeilijk te vinden. Dit is wellicht een maatregel die
we daarna zouden willen verlengen. Dan vind ik wel dat daar een
ordentelijker wetgevingsproces voor nodig is. Dan kunt u van mij of van
mijn collega verwachten dat we met voorstellen uw kant op komen.
Hetzelfde geldt voor het telehoren. Ook daar zagen we dat het in het
begin best stroef verliep. Dat had ermee te maken dat rechtspraak en DJI
onderling afspraken moesten maken over hoeveel tijd je uittrekt voor een
zaak. Dat kwam ongeveer uit op een halfuur per zaak en een kwartier
wissel ertussen, de bekende 45 minuten. Ik geloof dat het aantal
telehoorzittingen in no time in gevangenissen verviervoudigd is. Dat
deed ook wat met de techniek. Die werkte niet overal even goed naar
behoren. Inmiddels loopt dat een stuk beter, werkt de techniek beter,
maar wordt er ook gewerkt met een reserveringssysteem, waarbij de
rechters zelf kunnen aangeven hoeveel tijd zij denken nodig te hebben om
een zaak te doen. Als je denkt met een halfuur klaar te zijn, dan boek
je het systeem voor een halfuur en als je daar niet genoeg aan hebt, dan
boek je het voor een uur. Er is nu ook wat meer variëteit
mogelijk.
Inmiddels ligt het aantal zaken via telehoren op zo'n 400 per dag en
hebben zowel DJI als rechtspraak ook naar elkaar uitgesproken "we gaan
dit wel proberen vast te houden". Want zeker bij raadkamer
gevangenhouding of bij pro-formazittingen, die vrij kort zijn, is het
eigenlijk helemaal niet zo'n heel gekke manier van werken. Stel je voor
hoe dat in de oude situatie ging. Dan moest er een busje langskomen van
DV&O, dan werd iemand in dat busje gezet, dat moest dan bij nog één
of twee gevangenissen langs. Er moesten daar nog meer mensen in het
busje. Toen gingen ze twee uur in de file staan. Kwamen ze allemaal aan
bij de rechtspraak, werd iedereen naar de cellen beneden gebracht,
moesten ze worden voorgeleid door de parketpolitie. Tien minuten zitting
en dan gingen ze weer helemaal de weg terug. Ook voor verdachten is dat
een behoorlijk ingrijpende onderneming. Ook daar kan telehoren best een
goede manier van werken zijn. Daar staat tegenover dat je soms
inhoudelijke zaaksbehandelingen hebt, waarvan je zegt "daarvoor willen
we de verdachte echt even op zitting hebben, want dat gaat gewoon niet
anders". Daar moet steeds een goede inschatting worden gemaakt door de
rechtspraak van wat men de meest geëigende manier vindt.
Ik denk dat ik daarmee ook een antwoord heb gegeven op het aantal
oproepen van leden die zeiden "ja, maar deze maatregelen moeten wel
allemaal tijdelijk zijn". Wij hebben gezegd dat dit een tijdelijk
probleem is, althans de achterstanden. We weten niet hoelang het
allemaal gaat duren, maar het is een opgave en we hopen die
achterstanden eind 2021 te hebben weggewerkt. Daar zit een aantal
maatregelen in, die we hebben genomen om dat te realiseren. Wij zeggen
niet op voorhand "als het daarna goed werkt, gaan we dat over alles
uitrollen en gaan we dat direct allemaal structureel maken". Maar ik wil
ook niet onmiddellijk zeggen dat we het daarna allemaal weer gaan
afbouwen. Zaken als bijvoorbeeld telehoren, de leeftijd van rechters,
het maken van een goede afweging over welke zittingen je op welke plek
doet, de inloopkamers, zijn stuk voor stuk maatregelen die eigenlijk
gewoon nú kunnen binnen de huidige wettelijke kaders, behalve misschien
die 73 jaar voor rechters. Als daar dingen tussen zitten waarmee de
magistratuur eigenlijk gewoon door wil gaan, dan moeten we daarvoor ook
de ruimte en gelegenheid bieden, vooral ook omdat het past binnen de
wettelijke kaders van dit moment.
Voorzitter, dan wil ik het bruggetje maken naar het gevangeniswezen. Ik
heb wat gezegd over de ingrijpendheid van de maatregelen. Ik las van het
weekend — het klinkt misschien een beetje snobistisch, maar ik heb voor
het eerst een buitenlandse krant gekocht — het hoofdredactioneel
commentaar in The New York Times van afgelopen zaterdag. Dé brandhaard
in de VS: gevangenissen. De ellende daar binnen de muren — van het virus
dat om zich heen slaat, van mensen die je niet zomaar buiten kan zetten,
van personeel dat daar gewoon moet blijven werken — is enorm. In het VK
ook. We hebben ook de opstanden gezien in Frankrijk en in Italië.
Wij hebben hier ook weleens een incident gehad, maar heel eerlijk, als
ik het nu over de hele linie beschouw, op 10.000 gedetineerden 15
besmettingen. Op dit moment 0. Ja, er was af en toe ontevredenheid en
het kon ook veel beter, maar wij zien over de hele linie niet een
stijging van het aantal incidenten, integendeel. Dat vind ik een groot
compliment waard aan de mensen die werken in het gevangeniswezen, maar
ook aan de mensen die zitten in het gevangeniswezen. Dit heeft ook veel
gevraagd van het incasseringsvermogen van gedetineerden, die niet blij
waren met het feit dat ze hun familie niet konden zien of dat het verlof
niet doorging, maar ook wel inzagen dat deze maatregelen ook in hun
belang werden getroffen, namelijk om het virus buiten te houden. Die
doelstelling is niet weg, ook nu er versoepelingen mogelijk zijn. We
hebben de eerste stappen daarin genomen. Straks in augustus kunnen we
weer een forse stap nemen, niet alleen qua bezoek maar ook qua verlof.
Helemaal terug naar af gaat op dit moment niet. Voor iedereen geldt: 1,5
meter. U bent allemaal in gevangenissen geweest. Daar is de gevangenis
niet op gebouwd. Wij sporen onze mensen al heel erg aan om elkaar erop
aan te spreken, maar als je met bezoek — meer dan één — door die smalle
gangen naar de bezoekersruimte wil, onder begeleiding, dan is dat al
heel ingewikkeld, gewoon logistiek. We zouden het misschien wel willen,
maar we lopen tegen beperkingen op.
Hetzelfde geldt voor kinderen. Natuurlijk, ik geloof onmiddellijk dat
mensen zeggen dat ze het liefst hun kinderen weer een knuffel zouden
geven of het liefst geen plexiglas ertussen zouden willen hebben. We
kijken steeds wat er mogelijk is. Ik zeg echt niet dat we uitgegroeid
zijn of dat we niet nog een aantal stappen kunnen nemen, maar we moeten
dat virus buiten de deur houden. Zodra het binnen is, hebben we in het
gevangeniswezen echt een heel erg groot probleem. Die afscheiding, die
1,5 meter, die beperkingen doen we niet voor niets.
De voorzitter:
Voordat u verdergaat, minister: ik zie dat mevrouw Van der Graaf wil
interrumperen.
Mevrouw Van der Graaf (ChristenUnie):
Ik heb hier heel veel aandacht voor gevraagd. Toen hij het had over de
kinderen, zag ik de minister ook mijn kant opkijken. Ik begrijp heus wat
de ingewikkeldheid is op dit moment, maar ik zie ook wat de
consequenties zijn voor gezinnen, voor kinderen, wat het betekent voor
de gedetineerden. In alle opzichten is het gewoon geen ideale situatie,
dat realiseer ik me ook. Ik zie dat er met bijvoorbeeld videobellen wel
wat oplossingen zijn gevonden, maar wat wil de minister doen om te
kijken wat mogelijk is? Want het knelt hier wel.
Minister Dekker:
Ik zie dat. Ik zie dat onmiddellijk. In de eerste maand hebben we ik
geloof 400 of 500 iPads naar binnen gereden, want als er geen fysiek
bezoek is, moeten mensen de maximale mogelijkheid hebben om via video
contact te hebben met thuis. Ik was vorige week in Alphen in de
bezoekersruimte. Ik zei tegen de gevangenisdirecteur "wat is het hier
rustig; bezoek mag toch gewoon weer?", waarop hij zei: "Er zijn ook
gedetineerden die ervoor kiezen om toch via video contact te blijven
houden. Dan kan je vaak het hele gezin zien. Een kind kan zijn
slaapkamer laten zien. Je kunt contact hebben met familie die wat verder
weg woont, in het buitenland." Er gebeurt dus van alles om alternatieven
te vinden voor het ouderwetse fysieke bezoek. Ik wil best met de nieuwe
mogelijkheden die er zijn, met testen en noem maar op, steeds weer
kijken of je weer een stapje verder kunt zetten. Maar niet voor niets
zeggen we op scholen, bijvoorbeeld in het voortgezet onderwijs, dat
jongeren geen afstand hoeven te houden van elkaar maar wel van de
docent. Want er is een reëel besmettingsgevaar dat kinderen volwassenen
kunnen infecteren. In de thuissetting wordt gezegd dat het een
gezinssituatie is, maar er is hier natuurlijk geen formele thuissetting.
Het zijn mensen die van buiten naar binnen worden gebracht en dat brengt
reële problemen met zich mee.
Ik wil dus best kijken welke stapjes mogelijk zijn. We hebben eerst
gezegd "we werken met één" en nu mag er een jong kind mee. Ik ben
voornemens te kijken of we dat naar augustus toe kunnen uitbreiden en er
ook oudere kinderen mee kunnen komen. Maar ouderwets in een kamer zonder
plexiglas waar iedereen elkaar kan omhelzen, zit er voorlopig echt
eventjes niet in, vanwege het gevaar.
Mevrouw Van der Graaf (ChristenUnie):
Ik snap dat er beperkingen zijn. Ik hoor de minister augustus zeggen. Ik
heb ook gewezen op de vakantieperiode die eraan komt. Ik heb ook extra
aandacht gevraagd voor kinderen die ouder dan 4 jaar zijn. Is de
minister bereid om daar ook naar te kijken? De minister beschreef net
dat de toeleiding naar die ene kamer ingewikkeld is, maar de buitenlucht
hebben we natuurlijk ook nog. De gedachte is dat het besmettingsgevaar
daar minder is. Is de minister bereid om ruimte te zoeken om het contact
tussen kind en ouder vorm te geven?
Minister Dekker:
Zeker, maar de hobbels en de beperkingen waar je tegen aanloopt ...
Buitenlucht is wel een puntje. Je zit in de gevangenis omdat het
ingewikkeld is om mensen vrijelijk in de buitenlucht te laten verkeren.
Zo veel buitenlucht is er in de gevangenis niet. Ja, de luchtplek, maar
dan moet je met bezoekers door de hele gevangenis heen. Dat brengt echt
grote risico's met zich mee. Dus ja, ik ben best bereid om te kijken wat
er mogelijk is, maar we moeten er niet te lichtzinnig over doen. Bij mij
staat steeds bovenaan: hoe zorgen we ervoor dat het virus buiten de deur
blijft? Hoe zorgen we ervoor dat het virus niet onze gevangenissen
binnenkomt? Want dan hebben we een veel groter probleem. Dan doen we
namelijk onmiddellijk weer een paar stappen terug, want dan zijn alle
versoepelingen die er nu rond verlof en bezoek zijn onmiddellijk weer
terug bij af, en dat moeten we denk ik niet willen.
Voorzitter. Dezelfde redenering gaat op voor vrijwilligers, voor mensen
van de reclassering. We kijken steeds heel kritisch wat kan met afstand.
Waar moet het echt? Waar kan het via video? Hetzelfde geldt voor
advocaten. Zij hebben van begin af aan de mogelijkheid gehad om
verdachten te bezoeken, maar wel steeds met het verzoek om dat niet te
doen als het niet echt nodig is of als het ook op een andere manier kan,
bijvoorbeeld via telefoon of video. Dat heeft dan onze grote
voorkeur.
De heer Van der Staaij had een vraag over het ziekteverzuim, dat in de
eerste paar weken van de crisis in maart fors opliep, naar zo'n 15%.
Inmiddels is dat weer gedaald naar zo rond de 9%. Dat ligt licht hoger
dan waar we mee begonnen voor de coronatijd. Wat is de redenering
daarachter, hoe zou je dat kunnen verklaren? Wij zeggen op dit moment
echt wel tegen mensen "blijf bij enige klachten vooral thuis", zeker in
het gevangeniswezen. Hetzelfde geldt voor vrijwilligers of bezoek. Wij
willen dat virus buitenhouden. Dus als je last hebt van je keel, een
snotneus of koorts: blijf thuis. Misschien is er nog wel enige ruimte te
vinden met het vele testen dat nu gebeurt. Dan heb je sneller een
indicatie of het probleem echt gerelateerd is aan corona. Zo niet, dan
kan iemand bij wijze van spreken weer aan het werk gaan. Maar dat
verklaart waarschijnlijk net dat upje dat er op zit ten opzichte van de
precoronacijfers.
Tot slot over het gevangeniswezen. Daarna ga ik over naar de
rechtsbijstand. De heer Van Wijngaarden vroeg naar skypen en het
skypeverbod en dan met name in verband met één verdachte: Nelson M. Het
skypebeleid in de inrichtingen is als volgt. Justitiabelen kunnen alleen
skypen met contactpersonen die van tevoren zijn aangemeld. Justitiabelen
kunnen niet zelf inbellen. Inrichtingen houden ook toezicht op het
skypegebruik en tegen ongeoorloofd gebruik wordt opgetreden,
bijvoorbeeld door de verbinding te verbreken en tijdelijk de
mogelijkheid tot skypen te ontnemen. Dat is in deze zaak ook gebeurd.
Deze persoon had één contactpersoon opgegeven en heeft met hem contact
gehad. Aan de andere kant werd dat opgenomen en dat is vervolgens online
beland. Daarvan is gezegd dat het eigenlijk misbruik is van deze
voorziening. Toen is er gezegd: u kunt niet meer gebruikmaken van
skypen. Het andere punt gaat over de schorsing van zijn voorlopige
hechtenis. Dat is natuurlijk een besluit dat niet door mij of door de
gevangenis wordt genomen, maar uiteindelijk door de rechter. Daar kan ik
niet in treden.
Voorzitter, ik kom bij de rechtsbijstand. Ik heb al veel gezegd over het
gevangeniswezen, rechters, de reclassering. Laten we wel wezen: ook
strafrechtadvocaten hebben veel voor hun kiezen gehad in de afgelopen
tijd. Dat geldt overigens niet alleen voor strafrechtadvocaten, maar het
geldt wel óók voor strafrechtadvocaten. Ook van hen werd enorm veel
gevraagd, en ook bij hen zag je echt wel de wil en de bereidheid om mee
te denken, om mee te doen en om maximaal flexibel te zijn. En ja, dan
gaat het niet overal goed, en ik heb er alle begrip voor als er klachten
zijn. Maar ik heb ook veelvuldig contact gehad om te kijken of we het
gewoon praktisch kunnen oplossen. Als er wat is, zorg voor beter contact
met de rechtbank, zorg dat punten van slachtofferadvocaten die gaan over
aanwezigheid bij zittingen snel worden opgepakt et cetera, et
cetera.
Voorzitter. Bij rechtsbijstand speelt natuurlijk dit punt gerelateerd
aan corona. Ik zal straks nog wat zeggen over de financiële regeling die
is getroffen. Er was ook de vraag hoe de hele herziening van de
rechtsbijstand nu loopt. Die heeft niet stilgelegen, maar die is de
afgelopen tijd gewoon fors doorgegaan. Wat kunnen we aan de ene kant
doen om problemen die vastlopen eerder en eenvoudiger op te lossen? En
hoe kunnen we aan de andere kant zorgen voor een betaalbaar stelsel, met
daarbij betere vergoedingen voor sociale advocaten? Die twee ambities
willen we gewoon hooghouden.
Ik geloof dat de heer Groothuizen zei: misschien loopt het gesprek wel
wat soepeler door die maatregelen vanuit het najaar, met dat extra geld
voor die twee jaar. Ik heb die indruk ook. Ook de gesprekken met de NOvA
zijn op dit moment uitermate constructief. In het verleden had ik
weleens het gevoel dat er steeds op de rem werd getrapt, maar op dit
moment wordt er erg gemaand tot spoed. Daar ben ik alleen maar heel erg
blij mee. Laten we het maximale tempo hierin houden. We hebben gezegd:
die veranderingen voer je niet overnight door; daar heb je echt de tijd
voor nodig. Dat geldt zeker bij een ontwikkelaanpak waarin je dingen
wilt uitproberen voordat je ze permanent maakt en uitrolt, met
uiteindelijk als sluitstuk een wetgevingstraject. Er is een doorlooptijd
tot 2024, hebben we steeds gezegd. In die doorloop naar 2024 is er
ruimte voor een betere vergoeding van 10% tot 20%. En dat zal
geleidelijk oplopen. Naarmate de veranderingen vruchten gaan afwerpen,
je gaat zien dat alternatieve manieren van afdoening vat gaan krijgen en
daar voordelen mee worden ingeboekt, ontstaat er tegelijkertijd meer
ruimte om stapsgewijs wat extra's te doen in de tarieven voor de
advocatuur.
Ik ben het dan ook niet eens met wat de heer Van den Berge suggereerde.
Hij vroeg: is die stelselvernieuwing dan nog wel nodig nu blijkt dat het
minder oplevert? Nou ja, dat blijkt nu juist niet. Als je kijkt naar de
midterm review die hieraan ten grondslag ligt, zie je dat er allerlei
aannames gedaan zijn: daar minder zaken, daar een voordeel, daar een
extra investering. Toen hebben we het hele zaakje rondgerekend. We
hebben dat nu herijkt, waardoor je ziet dat we op een aantal onderdelen
te optimistisch zijn geweest, maar op een aantal onderdelen ook te
behoudend. Als we alle plussen en minnen naast elkaar zetten, is onder
de streep de ambitie er nog steeds die we aan het begin hadden. Die
ambitie was: meer ruimte voor betere tarieven voor advocaten. Het is nog
steeds reëel, ook met wat er nu ligt, dat we kunnen doorgroeien naar een
tariefsverbetering van zo'n 10% tot 20%. Dat zal geleidelijk, gedurende
het programma, kunnen oplopen. Op dit moment loopt die
innovatievoorziening met die 10 miljoen. Dat gaat ook weer bouwstenen
aanleveren om stappen te zetten. Het is niet zo dat daarmee aan het
einde van het jaar alle problemen zijn opgelost, of dat we dan de stap
kunnen zetten om de tarieven 10% tot 20% op te krikken. Maar we kunnen
wel kijken naar nieuwe werkwijzen, die we vervolgens kunnen uitrollen,
en die daar een bijdrage aan kunnen leveren. Dat is een van de elementen
waarin we wat voordelen hebben voorzien. Als die zich voordoen, kunnen
die worden teruggesluisd naar de tarieven.
Datzelfde geldt voor een van de andere pijlers, het tegengaan van het
onnodig procederen door de overheid. Daarover lopen verschillende
trajecten; de heer Van Wijngaarden refereerde daar al aan. Dit is er één
van, met die aanjager, maar er lopen ook nog een aantal andere
trajecten. Ze hebben eigenlijk vergelijkbare doelstellingen. Die moeten
dus zo goed mogelijk worden gecoördineerd. Dat gebeurt. Dit vindt
allemaal plaats binnen het georganiseerde overleg van de sg's, die ook
de opdracht hebben gegeven om met die aanjager aan de slag te gaan. En
laten we nou positief zijn over het nieuws dat de doelstelling waarmee
we gerekend hadden, namelijk een reductie van de toevoegingen van 10% in
de stroom bestuursrecht, inmiddels gewoon gerealiseerd is. Dit is dus
een voorbeeld van een van die aannames waarbij we misschien te behoudend
zijn geweest. Ik denk dat we veel meer kunnen realiseren.
Die aanjager gaat nu aan de slag met een aantal van de grootste
"boosdoeners": grote uitvoeringsorganisaties die verantwoordelijk zijn
voor veel van de zaken waar toevoegingen voor worden toegekend. Ik zal
hem ook vragen, mede naar aanleiding van wat de heer Van Wijngaarden en
mevrouw Van der Graaf daarover vroegen, om dat niet alleen maar te
beperken tot een aantal nationale uitvoeringsorganisaties, maar ook te
bekijken of je een aantal grote gemeentes daarin kunt meenemen. Die zijn
namelijk weer voor een ander deel verantwoordelijk. Als je er dan in
slaagt om binnen twee jaar nog eens die 10% voor déze organisaties te
realiseren, dan staat de teller inmiddels op ruim 15%. Dat is 5% boven
de 10% waar we rekening mee houden, in 2021, terwijl we dan nog drie
jaar hebben om naar 24 toe te groeien. Met andere woorden: ik ben best
wel optimistisch over datgene wat er al is gerealiseerd en ook over het
potentieel dat we nog zouden kunnen realiseren. Volgens mij moeten we
daar gewoon full force mee doorgaan, want als we 20% of misschien wel
30% kunnen realiseren, is dat heel mooi meegenomen.
Dat doen we omdat het meer ruimte biedt binnen de financiën van de
rechtsbijstand, maar vooral ook omdat ik geloof dat je als zaken niet
echt nodig zijn, meer de menselijke maat kunt toepassen richting
burgers, zodat je misschien geen advocaat nodig hebt om uiteindelijk
voor de rechter je gelijk te halen. Dat is natuurlijk nog vele malen
beter. Dat is uiteindelijk de doelstelling die we nastreven.
Voorzitter. Dan een paar dingen annex aan de rechtsbijstand. De heer Van
Wijngaarden vroeg naar het initiatief BrandMR en het punt van de
advocaten in loondienst. U weet dat dat op dit moment niet past binnen
de regelgeving en de verordening die de NOvA zelf heeft. Maar ook de
NOvA erkent dat het goed is om die nog eens grondig tegen het licht te
houden. Het punt is wel: als je dat gaat wijzigen, heeft dat vrij
verstrekkende consequenties. Je maakt niet alleen maar iets mogelijk
voor BrandMR, maar ook voor heel veel andere organisaties. Dan moet je
wel bekijken hoe je dat nou op een zorgvuldige manier doet. Ik heb met
de NOvA afgesproken dat we dat goed gaan bekijken en dat het reëel zou
moeten zijn om voor het einde van het jaar een onderzoek te hebben
afgerond dat die consequenties in kaart brengt. Daarna zouden zij dan
kunnen overgaan tot het aanpassen van hun verordening op dit punt.
Voorzitter. Ik ga niet de hele discussie van zojuist overdoen, maar ik
was eigenlijk wel positief gestemd over de rechtsbijstand bij ZSM. We
hadden op de 10 willen zitten. We zitten op de 9. Midden-Nederland is op
dit moment in de opstartfase; die had een kleine vertraging vanwege
corona. Maar daarmee heb je eigenlijk landelijk dekkend geregeld dat
overal waar sprake is van aanhoudingen, er ook rechtsbijstand kan worden
verleend. Daarbovenop zijn er, naar aanleiding van de brief die
Grapperhaus en ik hebben gestuurd, ook specifieke afspraken gemaakt voor
de afdoeningen die worden omgekat van politierechterzittingen naar
OM-beschikkingen. Er is afgesproken met de Raad voor de rechtspraak en
met de NOvA dat daar gewoon rechtsbijstand plaatsvindt. Dat was ook de
enige manier waarbij iedereen het gevoel had "dit is goed en dit is ook
echt verantwoord". Voor uw informatie: ik ben nog in gesprek over de
vraag wat dat dan betekent voor bijvoorbeeld puntentellingen. Als je
zaken die voorheen meervoudig werden afgedaan nu enkelvoudig gaat afdoen
of als je een enkelvoudige zaak bij de politierechter met een
OM-beschikking gaat afdoen, heb je eigenlijk dezelfde zaken, maar krijg
je daar minder punten voor. Ik zie dat punt. Ik heb daar nog geen
oplossing voor, maar ik heb wel met de NOvA afgesproken dat ik tot een
redelijke, pragmatische oplossing wil komen om ook in dat vraagstuk
gewoon goed te voorzien. Dus ik hoop daar binnen enkele weken/maanden
bij u op terug te kunnen komen en te melden hoe we daar uit zijn
gekomen. Echt, mijn doelstelling is gewoon om daar niet al te
principieel in te zijn; dit moeten we gewoon pragmatisch oplossen.
Tot slot. Er waren nog vragen over de tegemoetkomingsregeling. De heer
Van Nispen zei: ik ben een beetje bang dat dit eigenlijk ten koste gaat
van het extra geld dat daarvoor is gekomen, of van het geld waar een hek
omheen staat. Ik ben dat niet, omdat de tegemoetkomingsregeling alleen
maar van toepassing is als er sprake is van fors minder productie, van
fors minder zaken. Advocaten moeten namelijk te maken hebben met 20%
minder omzet dan vorig jaar. Van alles wat ze daaronder zitten, krijgen
ze 80% vergoed. Die situatie gaat zich alleen voordoen als er over de
hele linie veel minder wordt gedraaid. En als over de hele linie veel
minder wordt gedraaid, dan blijft er op de begroting van Justitie geld
over om die tegemoetkomingsregeling te financieren. Die spanning — als
je die financiële tegemoetkoming doet, heb je dan nog wel voldoende geld
om al die andere dingen te doen? — is er dus gewoon niet. De
tegemoetkoming is alleen maar relevant als er minder wordt gedraaid, en
als er niet minder wordt gedraaid, hebben we geen
tegemoetkomingsregeling nodig. Dat is eigenlijk het hele verhaal. En dat
is ook de reden waarom ik de zorg wat dat betreft niet deel.
Er was nog een vraag over de coulance bij de terugbetalingsregeling. De
coulance zit 'm in de regeling. Die is volgens mij in die zin netjes dat
degenen die echt te maken krijgen met een enorme terugval in de omzet,
een deel van hun voorschotten niet hoeven terug te betalen. Als je
bijvoorbeeld niet een terugval hebt van meer dan 20% en toch in de knel
komt, dan kunnen we altijd t.z.t. kijken hoe je dat in de
terugbetalingstermijn van verkregen voorschotten op een redelijke manier
doet. Ik ga op die zaken nu niet vooruitlopen. Ik denk dat de
tegemoetkomingsregeling op zich een nette manier is om het ergste leed
te ondervangen.
Voorzitter, ik ben door de vragen heen.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we vol goede moed over naar de tweede termijn van
de zijde van de Kamer. Dit is een notaoverleg, dus u mag moties indienen
als u zich daartoe geroepen voelt. Als het goed is, heeft de eerdere
voorzitter wel iets gezegd over VAO's die tevens aan de orde zijn. Daar
bent u zich dus van bewust.
Ik geef als eerste het woord aan de heer Van den Berge van
GroenLinks.
De heer Van den Berge (GroenLinks):
Dank u wel, voorzitter. Ik dank de beide ministers voor hun
beantwoording. Ik denk dat we op zich een goed debat hebben gehad over
een aantal onderwerpen, maar ook over de balans tussen rechtspleging,
rechtsbescherming en de rechten van slachtoffers. Dat was voor mij in
ieder geval heel belangrijk. Op een aantal punten zijn mijn zorgen
weggenomen, maar zeker niet op alle punten. Ik vond dat collega Van der
Graaf het in eerste termijn wel mooi verwoordde: we moeten er wel voor
zorgen dat deze manier van strafafdoening, deze manier van
rechtspleging, niet het nieuwe normaal wordt. Tegelijkertijd snap ik
daarbij ook het dilemma: je wilt niet treden in de onafhankelijkheid van
de rechtspraak. Daarover hebben we in eerste termijn natuurlijk het een
en ander gewisseld met de minister voor Rechtsbescherming.
Tegelijkertijd voel ik wel een verantwoordelijkheid als controleur van
de macht, als parlementariër, om goed in de gaten te houden dat de
kwaliteit en de balans tussen rechtspleging, rechtsbescherming en
slachtofferrechten goed blijven. De knelpunten die wij nu zien, zijn
natuurlijk voor een groot deel door corona veroorzaakt, maar die worden
vergroot door de achterstanden en de tekorten die er al waren voor
corona. Ik heb daarom één motie. Die ga ik voorlezen.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat onconventionele maatregelen worden genomen om de
oplopende achterstanden in de rechtspleging weg te werken;
overwegende dat deze maatregelen in meerdere of mindere mate gevolgen
hebben voor de toegang tot het recht en de rechter;
overwegende dat deze crisismaatregelen in beginsel eind 2021 zouden
moeten vervallen, tenzij ze bijdragen aan toegang tot het recht;
verzoekt de regering, wanneer verlenging of continuering van
crisismaatregelen aan de orde zou komen, deze maatregelen eerst grondig
te (laten) evalueren en met de Kamer te bespreken,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van den Berge, Van Nispen,
Kuiken en Van der Graaf. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan
voldoende ondersteund.
Zij krijgt nr. 200 (31753).
De heer Van den Berge (GroenLinks):
Ten slotte, voorzitter. Zoals in de tekst van de motie ook wel is te
horen, heb ik echt geprobeerd de balans te zoeken tussen aan de ene kant
onze controlerende taak en de maatregelen die we nu in noodwetten nemen
ten aanzien van de rechtspraak en aan de andere kant de
onafhankelijkheid van de rechtspraak, daarbij oog hebbend voor het feit
dat bepaalde dingen misschien wel zo goed bevallen dat we ze juist wel
willen behouden, maar dan wel na een grondige evaluatie en nadat we daar
als Kamer over hebben kunnen spreken. Dat is wat deze motie
beoogt.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik het woord aan de heer Van Wijngaarden van de
fractie van de VVD.
De heer Van Wijngaarden (VVD):
Voorzitter. Dank aan beide bewindspersonen. Ik vond het goed en
verhelderend dat de minister over de bezoekregeling voor kinderen
aangaf: wees je wel bewust van het risico op en de betekenis van een
eventuele uitbraak in de gevangenis. Ik begrijp zijn terughoudendheid
daarin. Tegelijkertijd hoop ik wel dat hij serieus gaat kijken hoe je
dat op een veilige manier toch kunt accommoderen. Wellicht kunnen
experts van het RIVM helpen om daarin maatwerk te bieden. Het gaat mij
niet alleen om de positie van de gedetineerden, maar ook om het belang
van het kind zelf, dat in het geding is. Dat is ook iets om daarin mee
te wegen.
Dan het beroepsverbod dat de orde van advocaten nog steeds heeft en
waarover we als commissie ook al een tijd in gesprek zijn. Met
"beroepsverbod" doel ik op de beperking om alleen te mogen werken voor
een kantoor dat in eigendom van andere advocaten is. De Britten zijn ons
voorgegaan. Zij hebben gezegd: misschien zijn er minder verregaande
kwaliteitswaarborgen voor de onafhankelijkheid van de advocatuur
mogelijk. Daarom dien ik de volgende motie in.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat volgens artikel 17 Grondwet, artikel 6 van het
Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, artikel 14 van het
Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en
artikel 47 van het EU-Handvest een van de kernwaarden van onze
rechtsstaat de mogelijkheid is je te kunnen wenden tot een
onafhankelijke en onpartijdige rechter, ongeacht je inkomen;
constaterende dat de kosten voor rechtsbijstand voor mensen met een
middeninkomen en voor kleine ondernemers vaak niet dragelijk zijn en dat
het vanuit economisch perspectief in de lijn der verwachting ligt dat
een gevarieerd aanbod van rechtsbijstandverleners bijdraagt aan
verandering hiervan;
overwegende dat de loondienstregel van de Nederlandse orde van advocaten
(NOvA) deze ontwikkeling belemmert en de NOvA zich recent bereid heeft
verklaard om toelating van alternatieve bedrijfsstructuren en de
noodzakelijke aanpassingen daarvoor samen met het ministerie van
Justitie en Veiligheid te laten onderzoeken en dit voor het eind van het
jaar af te ronden;
verzoekt de regering, wanneer het gezamenlijke onderzoek niet tot
substantieel meer ruimte leidt voor alternatieve bedrijfsstructuren,
zelf het initiatief te nemen om de wet- en regelgeving aan te passen, en
hierover in de voortgangsrapportage van eind 2020 aan de Kamer te
rapporteren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Wijngaarden en Van Dam. Naar
mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.
Zij krijgt nr. 201 (31753).
De heer Van Wijngaarden (VVD):
Dan nog een punt van orde. Wellicht ben ik de enige die het niet goed
begrepen heeft, maar er zijn nog een aantal VAO's. Is het de bedoeling
dat de leden de moties daarvoor ook meteen indienen, of gaan we dat
apart doen?
De voorzitter:
Ik heb begrepen dat er nog een ronde komt voor die VAO's.
De heer Van Wijngaarden (VVD):
Prima, dank u wel. Dan was dat het.
De voorzitter:
Dan heeft u iets om naar uit te kijken.
Dan geef ik het woord aan de heer Van Nispen van de SP-fractie.
De heer Van Nispen (SP):
Ik heb in tweede termijn nog drie vragen en een paar moties. Mijn eerste
vraag gaat over het compensatiepakket voor Zeeland. Onderdeel daarvan is
dat er een grootschalig justitieel complex komt met een extra beveiligde
zittingslocatie voor de rechtbank, een strategisch kenniscentrum tegen
ondermijnende criminaliteit en een extra beveiligde gevangenis. Ik vind
het zeer terecht dat de Zeeuwen gecompenseerd worden voor, even simpel
gezegd, wat hen is aangedaan door de regering, door de fouten die zijn
gemaakt. Maar ik heb wel behoefte aan een nadere onderbouwing van deze
plannen door het ministerie van Justitie en Veiligheid, gezien de lokale
behoefte en het uitgangspunt dat het vaak goed is voor mensen om in hun
eigen omgeving berecht en zo nodig gedetineerd te worden, en natuurlijk
gegeven het feit dat er recent veel gevangenissen zijn gesloten. De
minister kan zich voorstellen dat dit vragen oproept. Ik hoor dus graag
wanneer ik die nadere onderbouwing van de minister voor
Rechtsbescherming kan krijgen.
Mijn tweede vraag is een reactie op wat de minister heeft gezegd over
het gevangeniswezen. Wat de minister zegt, klinkt hier en daar heel
redelijk, maar toch. Er is hier helemaal niemand die oproept tot het
maken van onverantwoorde keuzes, echt helemaal niemand. Er is niemand
die hier lichtzinnig mee omgaat. U kent de vraag, onder andere van mijn
fractie, die ging over beschermingsmateriaal voor personeel in die
eerste weken. Maar er zijn wel een aantal zaken die gewoon wat minder
goed te begrijpen zijn. Daarvoor vraag ik begrip van de minister. Het is
bijvoorbeeld vreemd dat we wel doorgaan met meerpersoonscellen, waar
mensen onmogelijk 1,5 meter afstand kunnen houden, maar dat mensen
tegelijkertijd hun kinderen niet mogen zien. Het is voor mensen moeilijk
te begrijpen dat personeel zo lang onbeschermd heeft gewerkt, maar dat
mensen niet op verlof mochten. Het is voor mensen ook moeilijk te
verteren dat ze bouwvakkers gewoon onbeschermd van buiten naar binnen
zien lopen om te werken in de inrichting aan onderhoud, maar dat een man
geen afscheid mocht nemen van zijn terminaal zieke vader. Dat zijn
voorbeelden waarmee mensen bij mij aankloppen en zeggen: nou vind ik het
niet goed meer te begrijpen en nu slaat het hier en daar door. Er waren
veilige andere oplossingen mogelijk geweest als de politieke wil er was
geweest. Dus er is behoefte aan meer informatie en uitleg en ook
behoefte om mee te bewegen met de ontwikkelingen in de
samenleving.
Wat het punt van het plexiglas betreft: iedereen begrijpt dat dat nu
nodig is. De zorg is, dat het nooit meer weggaat, omdat de minister zich
daar niet voor gaat inzetten en hij het wel prima vindt dat dat
plexiglas er is. Dat zijn zorgen waarop ik graag nog een reactie van de
minister wil. We moeten niet de suggestie wekken dat vanuit de Kamer
wordt opgeroepen om onverantwoorde keuzes te maken, want dat is
natuurlijk helemaal niet het geval.
Mijn laatste vraag gaat over de rechtsbijstand. Als de minister zegt "er
komt ruimte om 10% tot 20% hogere vergoedingen voor advocaten uit te
keren", dan klinkt dat heel mooi, maar het punt is juist dat de
commissie-Van der Meer aantoont dat de punten in geen enkele verhouding
stonden tot het werk dat geleverd werd. Die 10% tot 20% extra vergoeding
klinkt mooi, maar het leidt nog steeds niet tot een redelijke vergoeding
conform de scenario's van de commissie-Van der Meer. Dus ik wil graag
dat de minister, het liefst in een brief, reageert op wat de Nederlandse
Orde van Advocaten heeft voorgerekend, namelijk dat dit eigenlijk nog
helemaal niet in de richting gaat komen van wat de commissie-Van der
Meer heeft geconcludeerd. Dus die toezegging krijg ik graag ook.
Met betrekking tot dit notaoverleg heb ik nog twee moties. De moties
voor de VAO's bewaar ik dan tot later vanavond, begrijp ik.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat door de minister erkend is dat sociaal advocaten nu geen
redelijke vergoeding krijgen, zoals ook is vastgesteld door de
commissie-Van der Meer, maar dat de eis is gesteld dat alles binnen de
huidige budgettaire kaders moet blijven;
spreekt uit dat de incidentele tegemoetkomingsregeling voor sociaal
advocaten die fors inkomensverlies lijden als gevolg van de coronacrisis
of de eventuele inhaalslag met extra zaken er niet toe mogen leiden dat
de noodzakelijke structurele verhoging van de vergoeding van sociaal
advocaten later plaatsvindt;
verzoekt de regering hiervoor te zorgen, zo nodig de eis los te laten
dat een redelijke vergoeding voor sociaal advocaten binnen de bestaande
budgettaire kaders moet passen, en de Kamer te informeren per wanneer
sociaal advocaten een redelijke vergoeding kunnen verwachten, conform de
conclusies van de commissie-Van der Meer,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Nispen, Van den Berge en
Kuiken. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende
ondersteund.
Zij krijgt nr. 202 (31753).
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat veel vragen zijn gerezen in de zaak-Poch en de Kamer
documenten heeft opgevraagd, maar tot op heden het "Journaal van een
politieliaison die in januari/februari 2008 voor de eerste dienstreis
naar Argentinië is afgereisd" niet krijgt en de ministeriële nota uit
2009 slechts vertrouwelijk ter inzage heeft gekregen;
overwegende dat het kabinet zich verschuilt achter de door hemzelf
ingestelde Commissie Dossier J.A. Poch en daarbij het informatierecht
van de Kamer terzijde schuift;
verzoekt de regering artikel 68 van de Grondwet na te leven en de Kamer
nu zo spoedig mogelijk de gevraagde stukken toe te sturen
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Nispen, Kuiken, Markuszower
en Buitenweg. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende
ondersteund.
Zij krijgt nr. 203 (31753).
De voorzitter:
Dank u wel meneer Van Nispen. Dan is nu het woord aan de heer Van Dam
van de fractie van het CDA, zodra de heer Van Nispen zijn microfoon
heeft uitgezet.
De heer Van Dam (CDA):
Dank u wel, voorzitter. Ik dank de ministers voor de beantwoording en
via hen ook alle mensen die in dat enorme apparaat van Justitie en
Veiligheid de afgelopen tijd onder bijzondere omstandigheden de
rechtsstaat mee inhoud hebben gegeven. Ik heb twee moties. Die zullen
niet verbazen. De eerste motie gaat over de multimediabestanden. Ik wil
eigenlijk gewoon een punt maken. Ik wil niets afdoen aan
rechtsstatelijkheid. Ik heb helemaal geen zin om de rechterlijke
onafhankelijkheid ter discussie te stellen, maar dit ziet puur op de
bedrijfsvoering en heeft niets te maken met het inhoudelijk rechterlijk
oordeel.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de aanvankelijke keuze om binnen de strafrechtketen te
komen tot één gezamenlijke voorziening voor het opslaan van
multimediabestanden verlaten is;
overwegende dat afzonderlijke voorzieningen zullen leiden tot een
aanzienlijke toename van kosten, leiden tot een risico op
integriteitsverlies van beelden en onnodige extra ICT-uitdagingen met
zich meebrengen;
verzoekt de regering de beslissing om te komen tot afzonderlijke
voorzieningen op het vlak van multimedia in het strafrecht te
heroverwegen, en de Kamer hierover te informeren voor Prinsjesdag,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Dam en Groothuizen. Naar mij
blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.
Zij krijgt nr. 204 (31753).
De heer Van Dam (CDA):
Voorzitter. Dan een tweede motie. Die heeft betrekking op de
ZSM-strafbeschikkingen en rechtsbijstand. Ik denk dat ik me hiermee
vooral moet richten tot de minister voor Rechtsbescherming. Het is mooi
dat er nu in acht politieregio's stappen zijn gezet. Dat is winst. Maar
het punt is dat het gewoon te langzaam gaat. Het punt is dat in al die
gevallen, dus overal waar een strafbeschikking wordt aangeboden,
rechtsbijstand aan de orde is. Laten we wel wezen, het zou toch
fantastisch zijn als die advocaten zich ook helemaal suf werken op dit
vlak? Dat is wat zij willen, wat ik wil en wat iedereen wil. We moeten
vooral voorkomen dat mensen later denken: goh nee, ik was toch niet
tevreden met die strafbeschikking, laat ik nog maar eens naar de rechter
gaan. Dus ik zie echt die puzzel in elkaar vallen. Daarom de volgende
motie.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat ter bestrijding van het coronavirus meer zaken zullen
worden afgedaan via de OM-strafbeschikking en dat daarbij goede
rechtsbijstand door een advocaat geborgd dient te zijn;
overwegende dat de Kamer in april 2019 per motie al gevraagd heeft om
standaard afdoeningsbijstand bij ZSM te regelen en dat in juni 2019 de
minister schreef dat voor het einde van 2019 gestart zou worden met de
intensivering van afdoeningsbijstand;
constaterende dat de afdoeningsbijstand bij ZSM nog niet overal de
standaard is;
verzoekt de regering ervoor te zorgen dat rechtsbijstand bij de
OM-strafbeschikking standaard adequaat geregeld is, en hierover de Kamer
voor 1 september te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Dam, Groothuizen, Kuiken,
Van der Graaf, Van der Staaij, Van Wijngaarden, Van Nispen en Van den
Berge.
Zij krijgt nr. 205 (31753).
Dank u wel, meneer Van Dam. Dan geef ik het woord aan de heer
Groothuizen namens de fractie van D66.
De heer Groothuizen (D66):
Dank u wel, voorzitter. Dank ook aan de ministers voor de beantwoording
van de vele vragen. Ik dien straks twee moties in en daarna nog een bij
het VAO dat we later nog doen, zo heb ik begrepen.
Nog even een korte opmerking over de multimedia. Ik heb de motie van de
heer Van Dam van harte mede ingediend. Het punt is de praktijk. De
praktijk was en is nog steeds dat de politie beelden van bijvoorbeeld
een vechtpartij op een USB-stick aanlevert bij het OM. De advocaat heeft
daar belangstelling voor en dus moet het ding gekopieerd worden en naar
de advocaat worden gestuurd. Die wil ook graag dat het op zitting wordt
afgespeeld. Dan ren je dus als officier naar de zittingzaal in de hoop
dat daar een computer staat met het juiste playertje om hem af te
spelen, zodat iedereen op zitting vervolgens zijn ding kan doen. Dat is
het probleem van al die afzonderlijke voorzieningen. Dat probleem wil ik
graag oplossen. Zoals we het nu aan het doen zijn, gaat het volgens mij
niet goed. Vandaar die motie.
Ik lees snel mijn moties voor.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat ter bestrijding van corona maatregelen zijn genomen door
het OM, de politie, de rechtspraak, het gevangeniswezen en de
reclassering die gevolgen hadden voor het functioneren van onze
rechtsstaat;
van mening dat het van belang is te evalueren wat goed ging en wat niet,
en welke veranderingen we kunnen meenemen uit de coronatijd;
verzoekt de regering een evaluatie van de corona-aanpak te faciliteren
in overleg met de gehele keten, met inbegrip van de advocatuur, waarbij
in een later stadium ook de resultaten van de genomen maatregelen ter
vermindering van de achterstanden worden betrokken, uiteraard allemaal
binnen de rechtsstatelijke kaders,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Groothuizen, Van Dam, Van
Nispen, Van der Graaf, Van den Berge en Kuiken.
Zij krijgt nr. 206 (31753).
De heer Groothuizen (D66):
Voorzitter. De minister en ik blijven van mening verschillen over
zelfonderzoek bij advocaten. Ik zie het wat somber in en hij is daar wat
positiever over. Ik weet niet wie er gelijk heeft, maar dien wel de
volgende motie in.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de minister bij onderzoek naar
(financieel-economische) criminaliteit van bedrijven vaker gebruik wil
maken van onderzoek dat wordt uitgevoerd door advocaten die zijn
ingehuurd door de betrokken bedrijven zelf;
overwegende dat dit zogenaamde "zelfonderzoek" risico’s met zich
meebrengt;
roept de regering op de voor- en nadelen van zelfonderzoek onafhankelijk
te laten onderzoeken en daarbij, onder andere, mee te nemen de
betrouwbaarheid en bruikbaarheid van de resultaten van dergelijk
"zelfonderzoek" voor opsporingsinstanties en het Openbaar Ministerie en
de vraag op welke wijze dit "zelfonderzoek" zou kunnen worden
gereguleerd,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Groothuizen en Van Nispen. Naar
mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.
Zij krijgt nr. 207 (31753).
Dank u wel, meneer Groothuizen. Wil meneer Van Dam ook even zijn
microfoon uitzetten? Want die stond nog aan.
Dan geef ik het woord aan mevrouw Van der Graaf van de fractie van de
ChristenUnie.
Mevrouw Van der Graaf (ChristenUnie):
Dank u wel, meneer de voorzitter. Ook ik dank de bewindslieden voor hun
reactie. Ik heb een aantal moties mede ingediend. Die zien meer op de
rechtsstatelijke waarborgen bij het treffen van tijdelijke maatregelen
en zijn ingegeven door de wens — laat ik het zo verwoorden — dat sommige
maatregelen misschien wel een blijvertje zullen zijn. Wij vragen hier
echt aandacht voor en wij vragen om er goed en weloverwogen naar te
kijken. Het gaat erom dat we altijd teruggaan naar de waarborgen die we
hebben afgesproken, als dat nodig is.
Ik dien hierbij nog één motie in. Die ziet op het bezoek van kinderen
aan gedetineerden in gevangenissen.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat in verband met COVID-19 er beperkingen zijn opgelegd
aan het bezoek van kinderen aan ouders in detentie;
overwegende dat een goede band tussen kind en ouder van belang is voor
het welzijn van het kind alsook voor de succesvolle re-integratie van de
ouder;
overwegende dat ook bezoek van bezoekvrijwilligers kan bijdragen aan
succesvol herstel en re-integratie;
verzoekt de regering samen met vrijwilligers- en partnerorganisaties op
korte termijn een plan op te stellen om de mogelijkheden voor bezoek van
kinderen aan ouders in detentie verder te verbeteren, met inachtneming
van de veiligheid, en tevens te bezien hoe bezoek van
bezoekvrijwilligers verder kan worden genormaliseerd,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van der Graaf, Van der Staaij,
Van Nispen en Van Dam. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan
voldoende ondersteund.
Zij krijgt nr. 208 (31753).
Mevrouw Van der Graaf (ChristenUnie):
Deze motie dien ik ook in omdat ik weet dat de Ombudsman heeft gepleit
voor maatwerk als het gaat om bezoek aan gedetineerden, helemaal als er
kinderen bij betrokken zijn. Dus ik hoop op een positieve reactie van de
minister.
De voorzitter:
Dank u wel. Daarmee is er een einde gekomen aan de tweede termijn van de
zijde van de Kamer. Wij gaan enkele minuten schorsen voor het kopiëren
van de moties, want het is wel zo prettig als de ministers die ook
hebben als ze er iets over moeten zeggen. In de ideale wereld zult u dan
ook weer een andere voorzitter hebben, maar ze nemen de tijd in de
plenaire zaal.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.
De voorzitter:
Ik geef het woord aan de minister van Justitie en Veiligheid in de
tweede termijn.
Minister Grapperhaus:
Voorzitter. Als ik door de moties heen loop, dan stel ik vast dat
collega Dekker zal ingaan op de motie-Van den Berge c.s. op stuk nr.
200, even ervan uitgaande dat u, als u spreekt over continuering van
crisismaatregelen, de maatregelen bedoelt gericht op rechtspleging. De
motie is nu zo geformuleerd, dat zij een hele brede strekking zou kunnen
hebben, maar ik neem aan dat dit duidelijk is. Dus daar komt collega
Dekker op terug. Hetzelfde geld voor de motie-Van Wijngaarden/Van Dam op
stuk nr. 201 en idem voor de motie-Van Nispen c.s. op stuk nr.
202.
De motie-Van Nispen c.s. op stuk nr. 203 over de kwestie-Poch moet ik
ontraden, overigens niet op het punt van de naleving van artikel 68 van
de Grondwet. Ik heb uiteengezet dat op dit moment stukken worden
verzameld door de commissie van de hoogleraren Machielse en Myjer. Alles
wat zij aan stukken hebben verzameld, is bij hen. Ik voel mij niet vrij
om die stukken, die ik waarschijnlijk ook niet heb, door te sturen. Dus
die motie moet ik in ieder geval ontraden, ook gezien mijn eerdere
uitleg.
Dan de motie-Van Dam c.s. op stuk nr. 205.
De voorzitter:
Voordat u verdergaat: de heer Van Wijngaarden heeft een vraag.
De heer Van Wijngaarden (VVD):
Over de motie op stuk nr. 203. Er staat "zo spoedig mogelijk de
gevraagde stukken toe te sturen. De minister gaf ook aan dat de
commissie-Machielse in het vierde kwartaal van dit jaar klaar is. Is dat
niet "zo spoedig mogelijk"? Ik probeer nog even te kijken of er iets van
een brug te slaan is.
De voorzitter:
Ik waardeer uw "bruggen bouwen", maar de heer Van Nispen heeft denk ik
zijn eigen interpretatie van zijn motie. Meneer van Nispen.
De heer Van Nispen (SP):
Ook ik waardeer die poging, maar de minister heeft eerder toegezegd dat
de stukken die op zijn ministerie zijn per direct aan de Kamer zouden
worden gestuurd. Ook al kan een commissie daar anders over denken, een
door de minister ingestelde commissie kan volgens mij niet verhinderen
dat artikel 68 van de Grondwet gewoon geldt en dat wij als Kamer het
recht hebben om die stukken te ontvangen. Daarover zijn ook
moties-Omtzigt aangenomen nog niet zo lang geleden. Die noem ik
even.
Minister Grapperhaus:
Niet in de zaak-Poch.
De heer Van Nispen (SP):
Nee minister, niet in de zaak Poch, uiteraard, maar het gaat over het
naleven van artikel 68 van de Grondwet en hoe wij als Kamer vinden dat
daarmee moet worden omgegaan. Ik verwijs ook naar de uitzending van
Nieuwsuur van gisteravond, waarin Leijten en Omtzigt, maar ook Van der
Staaij, hierover nuttige dingen hebben gezegd. Dat heeft hier
rechtstreeks mee te maken. Nogmaals waardering voor de poging, maar "zo
spoedig mogelijk" betekent niet: pas als de commissie klaar is.
Minister Grapperhaus:
Ik zeg het nog maar eens heel duidelijk. Ik wijs de gedachte van het
zich verschuilen achter een commissie volledig af. Ik heb vanaf januari
2019 steeds gezegd dat ik deze commissie ga vragen om grondig graaf- en
speurwerk te doen. Dat heeft die commissie ook gedaan. In de brief die
uw Kamer twee weken geleden heeft gehad, heeft de commissie verteld over
het enorme aantal documenten dat men verzameld heeft en waar men
doorheen gaat. Ik zeg het gewoon maar hardop: ik vind het in het belang
van de waarheidsvinding dat deze commissie nu gewoon haar werk voltooit
en dat ik daar niet op enigerlei wijze in intervenieer.
Mag ik de motie-Van Dam/Groothuizen op stuk. nr. 204 over de multimedia
als volgt uitleggen? Met "heroverweging" wordt bedoeld dat wij nog eens
grondig de totstandkoming van de beslissing nagaan en bezien of de
motivering daarvan nog steeds de beslissing kan dragen. Vervolgens komen
wij met dezelfde beslissing, of een nieuwe beslissing, maar met een
grondige verantwoording daarvan naar uw Kamer. Als ik dat onder
"heroverwegen en informeren van de Kamer" mag verstaan, dan geef ik de
motie "oordeel Kamer".
De heer Van Dam (CDA):
Als ik het zo mag opvatten dat het ook tot een andere beslissing zou
kúnnen leiden, dus tot dezelfde maar ook tot een andere, dan mag de
minister de motie zeker zo opvatten.
Minister Grapperhaus:
Maar met motivering, want ik denk dat het voor ons allemaal het
allerbelangrijkste is dat we het nog eens op een rijtje zetten,
misschien ook met een op een USB-stick geplaatst filmpje en hoe dat dan
gaat in de rechtszaal als het niet in de computer past. Ik herken het
wel enigszins uit mijn overigens civielrechtelijke praktijk.
De motie op stuk nr. 205 laat ik aan collega Dekker.
De motie op stuk nr. 206 gaat over de evaluatie van de corona-aanpak in
overleg met de gehele keten in het geval er opnieuw sprake is van een
uitbraak. Mag ik de motie zo lezen? Deze motie voorgelezen hebbend, laat
ik haar aan collega Dekker.
Dan de motie op stuk nr. 207 over het zelfonderzoek. Die motie ontraad
ik. Ik ga niet herhalen wat ik erover in eerste termijn heb gezegd. Ik
blijf via de voorzitter tegen de heer Groothuizen en de heer Van Nispen
zeggen dat men niet de indruk moet hebben dat dit onderzoek in de plaats
komt van het onderzoek dat FIOD en OM zouden moeten doen. FIOD en OM
zullen wat in de motie het zelfonderzoek wordt genoemd heel kritisch
toetsen en zelf besluiten of zij vinden dat er onderzoek door hen nodig
is en/of dat het zelfonderzoek bruikbaar is en, zo ja, in welke mate. Ik
ontraad deze motie dus.
De heer Groothuizen (D66):
Dat de minister aan de ene kant en de heer Van Nispen en ik aan de
andere kant het niet eens zijn, is duidelijk. De motie zegt: onderzoek
nou eens hoe het zit. De minister zegt dan: dat ontraad ik. Dat kun je
volgens mij alleen doen als je voor 100% overtuigd bent van je eigen
gelijk, en dat is dan toch wel opvallend. Ziet de minister nou niet een
glimpje van "misschien hebben die twee wel een punt en moeten we daar
eens goed naar kijken; daar is geen bezwaar tegen?"
Minister Grapperhaus:
Oké. Dan ga ik even op de praatstoel zitten van de praktijkuitoefening
tot 25 oktober 23.59 uur. Deze activiteiten worden uitgevoerd door
gespecialiseerde advocaten die weer hun eigen protocollen en regels
daarvoor hebben. In de kwestie van de Nederlandse Spoorwegen uit
2015-2016 heeft de Orde van Advocaten heel strenge regels voorgesteld,
zoals u zich kunt herinneren. Dat alles gezegd zijnde, haalt zowel FIOD
als OM dat onderzoek nog steeds door een zeef of een röntgenapparaat zo
u wilt. Daarmee zitten er heel veel waarborgen in de wijze waarop de
onderzoeksbevindingen van de advocaten eventueel gebruikt worden.
De heer Groothuizen (D66):
De minister en ik blijven het oneens. Ik stel maar vast dat ik er een
beetje anders in zit. Ik vind het wat problematisch. Ik geloof best dat
heel veel van deze mensen proberen om hun werk goed te doen, maar de
vraag is hoe onafhankelijk ze uiteindelijk echt kunnen zijn in de
uitoefening van hun beroep. Ik houd dus vast aan mijn motie.
Minister Grapperhaus:
Of ze onafhankelijk zijn in welke mate dan ook, daar gaat het niet
zozeer om. Het gaat erom dat de resultaten die zij presenteren aan FIOD
en OM, door FIOD en OM kritisch worden beoordeeld. Daaruit volgt de
beslissing wat men vindt van het zelfonderzoek, zoals dat wordt
genoemd.
De motie op stuk nr. 208 laat ik aan collega Dekker.
De voorzitter:
Ik zie dat er nog een interruptie is van de heer Van Nispen. Ik wijs er
wel op dat ik niet wil dat deze discussie in de tweede termijn blijft
voortduren.
De heer Van Nispen (SP):
Als de minister beweert dat het heel veel voordelen en weinig nadelen
heeft om datzelfde onderzoek aan opsporingsinstanties als FIOD en OM te
presenteren — anders zouden we dat wel kunnen laten onderzoeken — dan
roept dat wel de vraag op wat dan nog de voordelen zijn. Want eigenlijk
zegt de minister: de opsporingsinstanties doen dat hele onderzoek
eigenlijk helemaal over. Anders kun je nooit kritisch alles onderzoeken
wat door de advocaten al is onderzocht. Dus wat zijn dan nog de
voordelen van het eerst zelf onderzoek laten doen door advocaten en
vervolgens het hele onderzoek over laten doen door de
opsporingsinstanties? Dat is namelijk niet de praktijk, zoals het nu
gaat. Dat weet de minister denk ik ook.
Minister Grapperhaus:
Allereerst een kleine correctie: een minister beweert nooit iets, maar
brengt iets naar voren. Dat is hier door mij ook gedaan. Verder heb ik
niet gezegd — en ik suggereer dat zeker niet — dat het Openbaar
Ministerie of de FIOD datgene wat de advocaten hebben gedaan vanaf begin
tot eind helemaal over gaan doen. Wat ik heb gezegd is: die advocaten
komen met de resultaten van een "zelfonderzoek" naar wat er bij de
verdachte cliënt op een bepaald punt zou zijn gebeurd. Dat is hun eigen
rapport. Of dat rapport naar waarheid en eerlijkheid is ingevuld, kan
nog getoetst worden door het tuchtrecht. Dus een advocaat die met een
gemanipuleerd rapport komt, loopt een behoorlijk groot risico, nog even
los van het feit dat die advocaat de kans loopt dat hij uit zijn eigen
specialistenvereniging binnen de advocatuur wordt gezet, maar dat is
even voor die advocaat. OM en FIOD kijken kritisch naar wat zij vinden
van die onderzoekrapportage van de advocaten, om te zien of zij die
bruikbaar vinden. Daar kunnen — dat is, dat geef ik toe, mijn vroegere
praktijkervaring — allerlei dingen in zitten die het OM of de FIOD op
bepaalde sporen brengen waarvan ze zeggen: daar kunnen we mee verder
gaan. Of ze kunnen er naar aanleiding van andere gegevens van overtuigd
zijn dat hier inderdaad een dood spoor of iets dergelijks zit. Dat is
een vakmatige beoordeling die, nogmaals, niet zegt — die suggestie komt
iedere keer weer boven — dat dat onderzoek van die advocaat een deel van
het dossier zou afsluiten. De advocaat heeft bijvoorbeeld gesproken met
de boekhouder van het verdachte bedrijf en hij concludeert dat daar niks
uit volgt. Maar dat is niet de werking van dit soort rapporten. Dat is
echt een misvatting, en het is ook niet hoe FIOD en Openbaar Ministerie
daarmee omgaan.
De voorzitter:
Tot slot hierop, meneer Van Nispen.
De heer Van Nispen (SP):
We worden het inderdaad niet eens. De minister zegt ervan overtuigd te
zijn dat verdachte bedrijven, bedrijven die soms verdacht worden van
fraude en corruptie — want daar gaat het uiteindelijk om — hun eigen
advocaten betalen om zelf onderzoek te laten doen. De minister erkent
eigenlijk onvoldoende dat advocaten partijdig mogen of moeten zijn; dat
schrijven de gedragsregels juist voor. Dat de minister dan niet bereid
is om een onderzoek te doen naar de voor- en nadelen vind ik heel erg
teleurstellend. Dan gaan we inderdaad kijken wat een Kamermeerderheid
daarvan vindt.
Minister Grapperhaus:
Ik hoor geen … We agree to disagree. Dat kan soms ook heel mooi
zijn.
De voorzitter:
Was u klaar met de rest van de beantwoording?
Minister Grapperhaus:
Ja.
De voorzitter:
Dan gaan we naar de minister voor Rechtsbescherming.
Minister Dekker:
Een paar vragen en dan zal ik de andere moties voor mijn rekening
nemen.
De heer Van Nispen vroeg naar Vlissingen. Laat ik daar dit over zeggen:
dat is natuurlijk nog niet rond, want Provinciale Staten en de
gemeenteraad moeten daar ook nog groen licht over geven. Dat zal
waarschijnlijk pas eind volgende week zijn. Maar ik begrijp de vraag
wel: hoe verhoudt zich dit nu tot andere discussies die er zijn geweest
over rechtbanken en instellingen die zijn gesloten? Het gaat hier
natuurlijk wel om heel specifieke voorzieningen. Ik geloof dat we het al
eerder hebben gehad over de noodzaak van een tweede ebi, en de krapte
die er nu is als het gaat om het aantal zittingslocaties. Ik geloof echt
wel dat er hier een verhaal is en dat er een goede kans ligt. Maar laat
ik het zo doen dat, nadat dit definitief is, ik u een brief stuur hoe de
rechtbank en de gevangenis zich verhouden tot die bredere
discussie.
Dan het punt van de gevangenissen. Volgens mij hadden wij een goed
debat. Volgens mij vroeg u mij om niks te doen wat onverantwoord was. Ik
heb u ook niet gezegd … Maar ik heb wel iets willen laten zien van de
spanning die er is: er is de wens om meer te doen, maar tegelijkertijd
geldt dat, als we het virus nou ergens buiten de deur moeten houden, dat
in het gevangeniswezen is. Het zit 'm eigenlijk juist in een van de
voorbeelden die de heer Van Nispen zelf aanhaalt. Je hebt namelijk
meerpersoonscellen. Die 1,5 meter is daar heel moeilijk te handhaven.
Dus juist op die plekken moet je alles op alles zetten om ervoor te
zorgen dat het virus niet binnenkomt. Daarom hebben we alle inkomende en
uitgaande bewegingen zoveel mogelijk beperkt. Het personeel gaat gewoon
's avonds naar huis. Aan andere noodzakelijk dingen, wat betreft
advocatuur, onderhoud et cetera, kun je niet ontkomen, maar voor alles
wat niet strikt noodzakelijk was hebben we gezegd: dat doen we niet. En
we zijn heel zorgvuldig geweest bij de intake. Als mensen binnenkomen,
zet je die dus niet onmiddellijk op een tweepersoonscel. Dan wacht je
eerst een bepaalde tijd om te kijken of er verschijnselen zijn. Dat is
redelijk effectief gebleken: kijk naar de beperkte aantallen
besmettingen. Bij alles wat we straks doen, moeten we dat zien vast te
houden. Tegelijkertijd gaan we natuurlijk wel kijken of je dingen inzake
verlof, detentiefasering, resocialisatie en bezoek stapsgewijs wat
verder kunt normaliseren. Ik heb de indruk dat we het allebei wel eens
zijn over de bandbreedte waarin dat zou moeten plaatsvinden.
Een bandbreedte waar wij het misschien niet over eens zijn, is de
bandbreedte bij de rechtsbijstand. De heer Van Nispen vroeg nog of ik
aan de Tweede Kamer een brief kan sturen waarin staat hoe het zit met
die vergoedingen. Ik heb net een brief gestuurd aan de Tweede Kamer
waarin datgene wat ik al twee jaar aangeef, nog een keer staat
uitgelegd. Van der Meer geeft aan dat de gemiddelde vergoeding nu rond
de €77 is ex btw. Dat is inmiddels al wat geïndexeerd. Met alles wat we
nu doen, moet het mogelijk zijn om daarop een verbetering te laten
plaatsvinden van zo'n 10% tot 20%. Daarmee beland je niet in het
scenario één van Van der Meer, maar kom je wel bij een verbetering ten
opzichte van de huidige situatie. Voor mij is daarmee ook alles gezegd.
Ik zie de heer Van Nispen lachen. Hij zegt: daarmee voer je Van der Meer
niet uit. Inderdaad, niet het scenario één van Van der Meer, maar
volgens mij ben ik daar ook altijd helder over geweest: dat is in mijn
ogen nu niet reëel.
De voorzitter:
Dit leidt tot een vraag van de heer Van den Berge.
De heer Van den Berge (GroenLinks):
Ja, toch een vraag, want ik kan mij uit eerdere debatten wel herinneren
dat de ambitie van deze minister ten aanzien van een stelselherziening
hoger was dan wat nu uit de midterm review komt. Ik hoop niet dat ik de
minister nu zo moet verstaan dat die 10% tot 20% het is, dat iedereen
daar maar blij mee moet zijn en dat daarmee de problemen zijn opgelost.
Ik hoop wel dat de minister ook gaat zoeken naar een manier om er een
tandje bij te doen.
Minister Dekker:
Ik heb nooit gezegd: dit is het, en als we er niet meer uit zouden
kunnen persen, dan laten we het erbij. Maar ik denk dat het al een
behoorlijke opgave is om aan de bovenkant van die marge te komen. Als we
nou 20% realiseren, dan hebben we het denk ik al best goed gedaan. Dit
is altijd de doelstelling geweest. Kijk naar het allereerste plan of
naar de tweede voortgangsrapportage: we hebben altijd gezegd dat dit een
eerste stap is in de richting naar. Als zich kansen voordoen, dan duik
ik daar onmiddellijk op. Ik gaf net aan dat we eigenlijk meer bereiken,
bijvoorbeeld op het terugdringen van toevoegingen in het bestuursrecht,
dan we hadden voorzien. Nou, dat biedt dan misschien een extra kans. Aan
de andere kant: ik ben ook reëel; in de totale stroom aan zaken is dat
slechts een beperkte stroom. Het is dus niet zo dat, als je daar 10%
extra realiseert, dit zich onmiddellijk vertaalt in 10% meer ruimte op
de vergoedingen. Bijvoorbeeld straf is veel minder flexibel, en dat is
een vrij groot contingent in dit geheel. Maar goed, als er voordelen
zijn … Wij hebben steeds gezegd dat we een groot hek zetten om dat
budget. Als de Q verder naar beneden gaat, of als we ergens anders
besparingen vinden, dan is dat allemaal ten behoeve van een betere
vergoeding.
Ik ga naar de moties.
De heer Van den Berge (GroenLinks):
Heel kort, voorzitter. Ik denk dat we na het zomerreces snel een keer
uitgebreider over de gesubsidieerde rechtsbijstand moeten praten, want
dit stelt me alles behalve gerust. Volgens mij was een eerlijke en
adequate vergoeding voor sociaal advocaten het doel. De
stelselherziening was een middel om dat doel te bereiken. Ik heb kritiek
op elementen van die stelselherziening, maar ik ben best bereid om
daarnaar te kijken. Maar nu hoor ik de minister eigenlijk zeggen: de
stelselherziening is het doel op zich. En als daar 10%, 15% uitkomt, dan
moeten we kijken of we hier en daar nog wat kunnen bijplussen, maar dat
is het dan. Zo klinkt het mij in ieder geval in de oren, en dat stelt
mij allesbehalve gerust. Ik denk dat wij hier snel na de zomer over
moeten doorpraten.
Minister Dekker:
Een herziening is nooit een doel op zich. Het is een "middel om",
namelijk een middel om te kijken of we betere kwaliteit en eenvoudigere
oplossingen kunnen leveren voor mensen die in de knel zitten. Dit in
combinatie met het behouden van een betaalbaar stelsel, waarin voor
advocaten maar ook andere dienstverleners een betere vergoeding staat
tegenover die diensten die ze leveren. Dát is het doel. Ik denk dat dit
een manier is om daar te komen. Ik ben er altijd eerlijk over geweest:
alles overziend denk dat ik dat er ruimte is voor 10% tot 20%
tariefsverbetering. Volgens mij is dit een eerste stap in die
richting.
Dan kom ik bij de moties, voorzitter. Ik vond dat we een goede discussie
hadden over de motie van de heer Van den Berge op stuk nr. 200. Ik wil
dus bekijken of ik daarover positief kan adviseren. Er wordt gevraagd om
na het einde van deze periode de inhaalslag te evalueren en te bekijken
hoe het heeft uitgepakt. Ik heb daarover een paar dingen gezegd. Voor
een aantal dingen geldt dit sowieso. Wetten zijn tijdelijk en lopen op
een gegeven moment gewoon af. Als we daar met iets willen komen, zullen
we opnieuw een wetsvoorstel moeten indienen en bent u aan zet. Het
tweede punt: over een aantal van de maatregelen in deze brief gaan wij
niet. Daar gingen we niet over en daar moeten we straks ook niet over
willen gaan, met name als het gaat om de afdoeningsmodaliteiten waar de
rechtspraak voor kiest. Ik kan niet tegen de rechtspraak zeggen: doet u
het dan maar even niet, want dat is een wens van de Kamer. Dat vind ik
niet zuiver. Dat gezegd hebbende kan ik alweer beter uit de voeten met
wat u hier vraagt, in combinatie met het volgende. Het kan best gebeuren
dat we straks tegen dingen aanlopen waarvan we zeggen: dat bevalt
eigenlijk heel goed. Maar een goede evaluatie vraagt ook tijd. En dan
lopen we er straks misschien tegen aan dat we eind 2021 zeggen: wij
denken dat dit best weleens goed uit de evaluatie zou kunnen komen. Maar
ik wil voorkomen dat we het dan stopzetten, evalueren en een jaar gaan
debatteren, om het vervolgens weer op te starten. Dus als u mij nou het
volgende toestaat: als er evidente dingen zijn waarvan iedereen vindt
dat het van de zotte zou zijn als we die onmiddellijk on hold gaan
zetten — denk aan het telehoren — dan zou ik daar enigszins pragmatisch
mee willen omgaan en niet als een soort valbijl willen zeggen: eind 201
moet het allemaal klaar zijn. Wij gaan na afloop van deze periode keurig
evalueren, dan hebben we een keurig debat in dit huis. Dan denk ik dat
we het heel snel eens worden over de dingen die tijdelijk zijn en dingen
waaruit we lessen hebben geleerd. Als we daarover van mening
verschillen, is dat ook prima, dan leg ik mij daarbij neer. Dat zou een
manier zijn om met deze motie uit de voeten te kunnen. Dan kan ik het
oordeel ook aan de Kamer laten.
De heer Van den Berge (GroenLinks):
Ik kan leven met die uitleg, met misschien één aanvulling. Als er
maatregelen zijn waarvan al voor eind 2021 blijkt dat die misschien wel
heel interessant zijn, dan hoeft de evaluatie ook niet per se tot eind
2021 te wachten. Maar ik kan in ieder geval met deze interpretatie
leven, dus: prima.
Minister Dekker:
Dan de motie op stuk nr. 201. Ik begrijp heel goed waar die vandaan
komt. Wat ik zelf ingewikkeld vind aan deze motie van de heren Van
Wijngaarden en Van Dam is het volgende. Er staat eigenlijk: u gaat
onderzoek doen, maar als uit dat onderzoek blijkt dat u er niet uitkomt
met de NOvA dan vragen we ... Dat is als onderzoek doen met het pistool
op de borst. Daar voel ik mijzelf minder prettig bij in mijn
bestuurlijke verhouding tot de NOvA. Misschien dat u bereid bent om deze
motie aan te houden. Ik zeg ook niet op voorhand: als we er niet
uitkomen, dan leg ik me daar automatisch bij neer. Want ik zie ook wel
dat de ontwikkelingen voortgaan, dat er in andere landen om ons heen
veel meer kan. Maar ik zou me opgelaten voelen met deze opdracht vanuit
de Kamer. In ieder geval voel ik mij niet vrij om het oordeel aan de
Kamer te laten op dit moment. Maar wellicht dat u de motie kunt
aanhouden.
Voorzitter. De motie op stuk nr. 202 is de albekende discussie. Die
ontraad ik.
De voorzitter:
Sorry, ik zie een interruptie van de heer Van Nispen.
De heer Van Nispen (SP):
Als de minister een Kamerlid vraagt om een motie aan te houden en er
gebeurt niks, dan moeten we uiteindelijk toch een oordeel krijgen.
De voorzitter:
Ik kijk even naar de indieners van de motie.
De heer Van Wijngaarden (VVD):
Dank voor de reactie. Ik ben er zeker niet op uit om de minister een
opgelaten gevoel te geven. Tegelijkertijd heb ik inmiddels zelf wel een
wat opgelaten gevoel omdat we hier al erg lang over praten, en vind ik
dat we er wat druk op moeten zetten, ook gelet op het feit dat er in het
buitenland wel veel kan. Ik wil de motie dus niet aanhouden maar gewoon
in stemming brengen.
De voorzitter:
Minister, wat is dan uw oordeel?
Minister Dekker:
Ik zei het net al impliciet. Vanwege mijn relatie met de NOvA moet ik de
motie ontraden. Nogmaals, ik begrijp heel goed dat u zegt: ik wil de
druk op het proces houden. Maar ook gelet op de gesprekken die ik straks
met de NOvA moet voeren om hier in gezamenlijkheid goed uit te komen,
zou ik het niet goed vinden als ik de motie nu oordeel Kamer zou geven.
Dus ontraad ik haar.
De motie op stuk nr. 202 betreft dezelfde discussie. Het zal de heer Van
Nispen niet verbazen dat ik haar ontraad.
Over de motie op stuk nr. 205 kan ik het oordeel aan de Kamer laten,
omdat we dit nagenoeg al gaan doen. Ik dacht dat ik net al een tipje van
de sluier had opgelicht door te zeggen dat ik zelf ook positief ben over
hoe de landelijke dekking, de aanhoudingen, piket et cetera geregeld
zijn. Dan is er misschien één vorm van rechtsbijstand waarvan het nu nog
wat ambitieus is om te zeggen dat dit per 1 september ook volledig
geregeld is. Dat is daar waar heenzendingen hebben plaatsgevonden en er
geen sprake is van piketrechtsbijstand of van ambtshalve toevoegingen.
Daar gaat het om "vrijevoeters". Dat is een laatste afdoeningsmodaliteit
die er recent bij is geplaatst. Ik denk niet dat het reëel is om dat
binnen twee maanden te regelen, maar al dat andere wel. Ik geef de motie
dus "oordeel Kamer".
Dan de motie op stuk nr. 206. Dat is een wat bredere evaluatiemotie die
niet alleen maar kijkt naar de achterstanden en het wegwerken daarvan,
waar ik net een aardig debatje met de heer Van den Berge over had, maar
ook vraagt om goed te evalueren hoe het is gegaan met de maatregelen die
we hebben moeten nemen om corona in te dammen. Ik laat het oordeel aan
de Kamer.
Tot slot de motie op stuk nr. 208 van mevrouw Van der Graaf. Daar zit
ook "met inachtneming van veiligheid" in. Ik lees de laatste zinsnede
"hoe het bezoek van bezoekvrijwilligers kan worden genormaliseerd" met
inachtneming van de vereisten om het ook veilig te laten doen. Als de
bedoeling van dit verzoek aan mij is om daar nou een gezonde balans in
te vinden, dan zou ik hiermee uit de voeten kunnen en het oordeel aan de
Kamer kunnen laten.
De voorzitter:
Dat leidt tot een vraag van de heer Van Dam.
Mevrouw Van der Graaf (ChristenUnie):
Ik kan daar zeker mee ...
De voorzitter:
Ik zag de heer Van Dam als eerste, mevrouw Van der Graaf.
De heer Van Dam (CDA):
Ik wil mevrouw Van der Graaf graag voor laten gaan, want ik wilde toch
nog iets vragen over een eerdere motie.
De voorzitter:
Dan gaan we naar mevrouw Van der Graaf.
Mevrouw Van der Graaf (ChristenUnie):
Met die uitleg van de minister kan ik zeker uit de voeten. Met
"veiligheid" bedoel ik hier inderdaad de veiligheid voor de gezondheid.
Misschien kan ik nog iets aan de woordkeuze veranderen, maar de minister
heeft de motie begrepen zoals ik haar heb bedoeld. De minister heeft
gezegd: ik wil kijken wat de ruimte is, maar geen onverantwoorde
risico's nemen. Maar ik hoop met het oog op de kinderen dat er maatwerk
geboden kan worden.
Minister Dekker:
Het zit 'm in een term als "normaliseren". We hebben het oude normaal en
het nieuwe normaal. Het normaliseren van heel veel dingen die we vier
maanden geleden normaal waren te doen, zit er voorlopig niet in zolang
dat virus er is. Als we die verstandhouding maar hebben — u zegt: binnen
wat er qua gezondheid veilig mogelijk is — kan ik er goed mee uit de
voeten en kan ik het oordeel aan de Kamer laten.
Voorzitter: Van Meenen
De voorzitter:
Goed. Meneer Van Dam, ik zie uw vinger. Ik zie dat de heer Nispen ook
het woord wil. Gaat uw gang, meneer Van Nispen.
De heer Van Nispen (SP):
Een hele korte vraag. Eigenlijk is een vraag uit de eerste termijn
blijven liggen, namelijk de vraag over de detentiefasering. Ik heb
tijdens dit debat nog mails gekregen van mensen die zich daar grote
zorgen over maken en die vooral zeggen: we worden hier niet goed over
geïnformeerd en we maken ons er zorgen over dat alles op de lange baan
gaat. Ik snap dat de minister hier niet uitgebreid het hele verhaal kan
vertellen, ook gelet op het tijdstip, maar ik wil hem wel heel
nadrukkelijk vragen om daarop terug te komen zodra dat ook maar
enigszins mogelijk is. Ik heb het liefst dat dat snel gebeurt, maar ik
wil de minister vragen om daar in elk geval op terug te komen als dat
verantwoord is. Ik vraag hem om vooral de mensen die het betreft, maar
vervolgens ook de Kamer daarover te informeren wanneer dat gedeelte weer
genormaliseerd kan worden.
Minister Dekker:
Dat zal ik doen. Communicatie is een terugkerend punt. We doen daar heel
veel aan, maar als dit soort signaleren er is, dan gaan we daar nog meer
aan doen. De detentiefasering heeft niet helemaal stilgelegen. Het
penitentiair programma heeft bijvoorbeeld gewoon doorgang gevonden. Van
tijdelijke vormen van verlof waarbij iemand een tijdje naar buiten ging
en dan weer naar binnen, hebben we alleen wel gezegd: daar zit te veel
risico in. Wellicht komt daarin weer verandering in de aanloop naar
augustus. Als dat zo is, informeer ik u en ook de gedetineerden die dit
betreft.
De heer Van Dam (CDA):
Ik kom toch nog even terug op de appreciatie van de motie op stuk nr.
205. De ontboden verdachte — dat is de verdachte die niet vastzit, maar
later terugkomt — kan bij wijze van spreken met zijn strafbeschikking
daarna zelf nog naar een advocaat lopen. Dat vind ik nog geeneens het
spannende. Ik wil toch even nog heel expliciet maken dat het mij erom
gaat dat dat echt arrondissementbreed wordt uitgerold voor dat hele
proces van die verdachte die vastzit en daar een OM-strafbeschikking
aanboden krijgt. Ik verwijs daarbij naar de opmerking van collega
Groothuizen dat er al eerder ambities zijn geformuleerd op dat punt en
dat dat al eerder gebeurde. Daar gaat deze motie over. Als de minister
zegt "ik geef oordeel Kamer", dan veronderstel ik dat hij bedoelt dat
hij dat ook gaat doen.
Minister Dekker:
Dat is ook precies het onderdeel waarvan ik zeg: dat is realiseerbaar in
deze tijd.
De voorzitter:
Als ik goed geïnformeerd ben door mijn vervanger, zijn we dan aan het
einde gekomen van het debat over de justitieketen. U hebt nu nog drie
mogelijkheden om het woord te voeren in wat eigenlijk VAO's hadden
moeten zijn. We verlengen dit notaoverleg zodat u moties kunt
indienen.
Aan de orde zijn:
het VAO Evaluatie Wet hervorming herziening ten voordele (AO d.d. 12 september 2019);
het VAO Strafrechtelijke onderwerpen (AO d.d. 4 maart 2020);
het VAO Strafrechtketen (AO d.d. 5 maart 2020).
De voorzitter:
Ik weet niet of er ook nog behoefte is aan onderling debat of dat u wilt
volstaan met moties. Ik begrijp van de leden dat we volstaan met het
indienen van moties. Moties en emoties; het is altijd goed om die te
delen en om daarover te praten, maar niet te veel. Ik stel voor dat we
de onderwerpen toch een voor een langslopen, want anders loopt het te
veel door elkaar, ook als u elkaar wilt interrumperen. Stel dat ik het
woord aan meneer Van den Berge geef en dat hij er eerst even drie gaat
doen, dan loopt het te veel door elkaar.
Ik begin met wat dan heette het "VAO Evaluatie Wet hervorming herziening
ten voordele". Dat AO dateert overigens al van 12 september 2019, dus we
zijn er op tijd bij. Wie wil hier het woord over voeren? Meneer Van den
Berge niet. Meneer Van Wijngaarden niet. Meneer Van Nispen, gaat uw
gang.
De heer Van Nispen (SP):
Voorzitter. Het heeft zo lang geduurd omdat het een fundamenteel debat
is en omdat we daarna nog een hele uitgebreide brief van de minister
hebben gekregen. Het komt dus deels daardoor.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat justitiële dwalingen die niet hersteld worden het
vertrouwen in een goede rechtsorde aantasten en dat de drempels voor de
herziening ten voordele nu erg hoog zijn;
constaterende dat de minister een aantal voorstellen uit de SP-notitie
"Maak herstel justitiële dwalingen makkelijker" heeft omarmd, maar ook
veel voorstellen die als doel hebben dwalingen te herstellen heeft
afgewezen;
verzoekt de regering de wenselijkheid van het verruimen van het
novumcriterium nader te onderzoeken, omdat het doel moet zijn dat de
vraag centraal komt te staan of een persoon terecht veroordeeld is of
niet;
verzoekt de regering voorts op korte termijn plannen uit te werken hoe
de vergoedingen van herzieningszaken voor sociaal advocaten in
verhouding kunnen worden gebracht met de inspanningen die zij
verrichten;
verzoekt de regering ten slotte over een jaar een voortgangsrapportage
aan de Kamer te sturen over alle toegezegde verbeteringen in het
herzieningsproces,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Nispen. Naar mij blijkt,
wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.
Zij krijgt nr. 209 (31753).
De heer Van Nispen (SP):
Dank u wel. Dat was het.
De voorzitter:
Dank u wel. De heer Van Dam.
De heer Van Dam (CDA):
Voorzitter. Ik begrijp dat u het in partjes hakt. Ik heb voor geen van
de drie VAO's iets, maar ik wil wel zeggen dat dat voornamelijk komt
omdat er brieven zijn geweest na de overleggen. We hebben ook
notaoverleggen gehad waar we dat in konden doen. Ik heb zelf ook
aangestuurd op een van die VAO's, dus ik heb wel de behoefte om te
zeggen dat het niet uit onverschilligheid is, maar dat de tijd de dingen
inmiddels met brieven en inhoud heeft ingehaald. Vandaar dat ik voor
geen van de drie VAO's iets heb.
De voorzitter:
Zo kan het gaan. Wel fijn dat u zo collegiaal bent om uw collega's in
ieder geval nog aan te horen. Ik kijk of meneer Groothuizen het woord
wil voeren over dit onderwerp.
De heer Groothuizen (D66):
Nee, over dit onderwerp niet. Wel over een ander onderwerp.
De voorzitter:
Nee. Mevrouw Van der Graaf ook niet. Dan is dat het wat betreft het
eerste VAO. Zullen we maar even doorgaan met het volgende, en dan
krijgen we daarna het oordeel wel?
Het tweede is dan het VAO Strafrechtelijke onderwerpen naar aanleiding
van het algemeen overleg van 4 maart.
De heer Van den Berge niet, de heer Van Wijngaarden niet. Meneer Van
Nispen.
De heer Van Nispen (SP):
Voorzitter. Ik heb drie moties.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de aanbesteding van het tapsysteem van de nationale
politie gegund is aan het bedrijf Cyber Intelligence Ltd, dochterbedrijf
van Elbit Systems uit Israël;
overwegende dat de gunning van het tapsysteem aan dit bedrijf grote
veiligheidsrisico's oplevert, doordat de politie geen toegang heeft tot
de broncode en behalve de producent verder niemand weet hoe de
apparatuur werkt;
van mening dat de regering zou moeten besluiten af te zien van het
afnemen van een product van een bedrijf dat wordt gelinkt aan het
produceren van clustermunitie;
verzoekt de regering geen zaken te doen met dit Israëlische bedrijf en
voor een nieuw tapsysteem te zoeken naar een Europees bedrijf dat dit
systeem kan leveren;
verzoekt de regering tevens te onderzoeken of het mogelijk is een
tapsysteem voor de nationale politie in eigen beheer te laten
ontwikkelen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Nispen. Naar mij blijkt,
wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.
Zij krijgt nr. 210 (31753).
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat nabestaanden die denken dat er ten onrechte geen
veroordeling is geweest, omdat er bijvoorbeeld sprake was van onvolledig
opsporingsonderzoek, op dit moment eigenlijk nergens goed terechtkunnen
met hun bezwaren;
overwegende dat de artikel 12-procedure niet de oplossing is, omdat men
dan moet aantonen dat sprake is van een misdrijf, waar nu juist een
verschil van mening over bestaat tussen de nabestaanden en
justitie;
van mening dat een onafhankelijke commissie, met daarin experts zoals
rechters, officieren van justitie, advocaten, forensisch deskundigen,
(oud-)rechercheurs en wetenschappers, dit soort zaken onder de loep zou
kunnen nemen;
verzoekt de regering te bezien op welke wijze vorm kan worden gegeven
aan een onafhankelijk loket voor een second opinion van niet adequaat
onderzochte zaken,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Nispen. Naar mij blijkt,
wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.
Zij krijgt nr. 211 (31753).
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat onder anderen notarissen en belastingadviseurs melding
moeten maken van ongebruikelijke transacties;
overwegende dat een melding van een ongebruikelijke transactie er op dit
moment toe leidt dat de bedrijfs- of kantoornaam van de melder door het
Openbaar Ministerie in het strafdossier wordt opgenomen en dus ook
kenbaar is voor de verdachte;
overwegende dat onder anderen notarissen en belastingadviseurs hierdoor
te maken kunnen krijgen met bedreigingen en zij zich niet vrij voelen om
daadwerkelijk van alle ongebruikelijke transacties melding te
maken;
van mening dat de zorgen die leven onder de beroepsgroepen serieus
moeten worden genomen en het van belang is witwassen aan te pakken en
crimineel geld op te sporen;
verzoekt de regering in overleg met deze beroepsgroepen te bezien hoe de
veiligheid van een melder van een ongebruikelijke transactie beter
gewaarborgd kan worden, bijvoorbeeld door de melder in het strafdossier
te anonimiseren, en hierover de Kamer te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Nispen. Naar mij blijkt,
wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.
Zij krijgt nr. 212 (31753).
De heer Van Dam niet. Dan de heer Groothuizen.
De heer Groothuizen (D66):
Op het thema van de milieucriminaliteit heb ik de minister gevraagd hoe
het staat met het actieplan dat voor de zomer was toegezegd. Ik begrijp
nu dat dit aan het eind van het jaar komt. Uiteraard willen wij graag
een goed plan, maar we vinden het toch wel teleurstellend dat daar weer
vertraging bij is. Ik zou de minister eigenlijk willen oproepen om van
milieucriminaliteit net zo'n speerpunt te maken als van andere
georganiseerde criminaliteit, want ook hier gaat een hoop geld in om en
wordt een hoop schade aangericht. Een van de dingen die mij een doorn in
het oog zijn, is dat ik regelmatig hoor dat het enerzijds voorkomt dat
wij bedrijven die zich schuldig maken aan dit soort feiten een hoop
subsidie verstrekken en dat zij anderzijds strafrechtelijk in de
problemen komen. Daarvoor dien ik de volgende motie in.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de schade aangericht door milieucriminaliteit groot
is;
overwegende dat sommige bedrijven die zich schuldig maken aan
milieucriminaliteit ook subsidies ontvangen;
overwegende dat om effectief te handhaven veroorzakers van ernstige
milieuschade in de portemonnee moeten worden geraakt;
verzoekt de regering te onderzoeken of een wettelijke grond in het leven
kan worden geroepen om subsidies terug te vorderen bij bedrijven die
schuldig worden bevonden aan vormen van milieucriminaliteit en waarvan
de werkzaamheden waarvoor zij subsidie ontvangen samenhangen met het
feitencomplex van de veroordeling, en de Kamer daarover te
rapporteren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Groothuizen. Naar mij blijkt,
wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.
Zij krijgt nr. 213 (31753).
Was dat het, meneer Groothuizen? Ik zie dat dat het geval is. Mevrouw
Van der Graaf geeft aan geen behoefte te hebben aan een inbreng. Dat is
het dan wat betreft de strafrechtelijke onderwerpen.
Dan komen we bij het VAO Strafrechtketen naar aanleiding van het
algemeen overleg van 5 maart. De heer Van den Berge niet, de heer Van
Wijngaarden niet, de heer Van Nispen niet, de heer Van Dam niet, de heer
Groothuizen niet en mevrouw Van der Graaf ook niet. De minister wil nog
een motie indienen? Goed je best blijven doen. Dan krijg je misschien
ooit het mooiste beroep en dat is toch Kamerlid. Maar goed, daarmee
eindigt de eerste termijn van de zijde van de Kamer voor deze drie
VAO's. Het aantal moties lijkt me te overzien.
Minister Grapperhaus:
Ik wil alleen nog even de tekst van de moties.
De voorzitter:
De moties worden zo uitgedeeld. Ik schors voor enkele ogenblikken.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.
De voorzitter:
Ik geef het woord aan de minister van Justitie en Veiligheid voor zijn
oordeel over de moties. We beginnen met de eerste motie, die betrekking
had op de evaluatie van de Wet hervorming herziening ten voordele. Dat
is de motie van de heer Van Nispen op stuk nr. 209.
Minister Grapperhaus:
Dat is een motie voor collega Dekker.
De voorzitter:
O, pardon.
Minister Dekker:
Ja. Ik beoordeel deze motie even los van de vergoedingen van de sociaal
advocaten. Daarover heb ik al gezegd dat ik het een en ander zal
verkennen, overigens ook samen met de NOvA. In het eerste dictum wordt
gevraagd om te kijken naar de verruiming van het novumcriterium. Daar
heb ik echt een heel groot bezwaar tegen, temeer omdat de evaluatie nu
laat zien dat de verruiming van het novumcriterium uit de vorige
aanpassing van de wet eigenlijk heel erg goed werkt. Er is een heel
goede balans gevonden tussen aan de ene kant de rechtsbescherming en aan
de andere kant de rechtszekerheid. Op een gegeven moment moet een zaak
een keer echt klaar zijn. Deze motie vraagt nu toch weer die discussie
opnieuw te openen en daarom zou ik haar willen ontraden.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 209 is ontraden. Dan komen we bij de motie op stuk
nr. 210.
Minister Grapperhaus:
De motie op stuk nr. 210 gaat over het zelf ontwikkelen van het
tapsysteem. Ik ontraad die motie. Het ontwikkelen van een tapsysteem is
nu niet aan de orde en voor de bouw van dat type systeem is ook
expertise in de markt beschikbaar. Het zou echt volstrekt niet efficiënt
zijn om dat zelf te ontwikkelen. Het vorig jaar aangeschafte systeem
wordt op dit moment geïmplementeerd bij de politie. De Nederlandse
overheid is gehouden aan de regelgeving voor Europese aanbestedingen,
waarbij op basis van kwaliteit en kosten de beste leverancier wordt
geselecteerd. Eerder is ook al aan de orde geweest dat die aanbesteding
is afgerond voordat sprake was van de acquisitie van het betreffende
bedrijf. De inzet van die leverancier is echt een heel bewuste keuze; de
uitkomst van dat aanbestedingsproces. Daar heb je echt zo'n grote
investering qua benodigde specialistische kennis en kunde voor nodig dat
er een leverancier of commerciële partij bij nodig is. Ik ontraad deze
motie dus en ik verwijs verder naar mijn tekst bij het halfjaarbericht
van de politie van 1 juni, waarin ik hier heel uitvoerig op ben
ingegaan.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 210 is ontraden. Meneer Van Nispen?
De heer Van Nispen (SP):
Ik ken deze discussie en ik kom hier niet voor niets op. Dat is niet
omdat ik die brief van de minister niet ken. Ik denk dat de minister het
mij niet kwalijk moet nemen dat ik ertegen blijf dat we als Nederlandse
overheid zakendoen met een bedrijf dat op allerlei zwarte lijsten staat
en dat in verband wordt gebracht met clustermunitie. Als dat de uitkomst
is van het aanbestedingsproces, deugt er iets niet aan dat
aanbestedingsproces. Ik vind dat we het als overheid gewoon moreel niet
kunnen accepteren dat dit gaat zoals het gaat.
Minister Grapperhaus:
Ik heb al heel vaak uiteengezet dat dit aanbestedingsproces volledig
volgens de regels is verlopen. De acquisitie door het betreffende
bedrijf — de moedermaatschappij heeft overigens een afgescheiden tak die
mogelijk activiteiten doet die in bepaalde sferen zitten van
clustermunitie — is allemaal na het aanbestedingsproces gebeurd, zo is
altijd de informatie geweest.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan komen we bij de motie op stuk nr. 211, ook van de heer
Van Nispen.
Minister Grapperhaus:
Deze motie ontraad ik om de reden dat er op dit moment een pilot loopt
in Noord-Holland waarin wordt gekeken hoe een nieuw onderzoek toch kan
plaatsvinden in ongeveer een setting waarin sprake is van een soort
second opinion. Ik wil echt die pilot afwachten. Die motie kan ook
worden aangehouden. Op dit moment moet ik haar in elk geval
ontraden.
De voorzitter:
Dat gaan we zien. Als dat niet gebeurt, is de motie op stuk nr. 211
ontraden. Dan komen we inderdaad bij de motie op stuk nr. 212.
Minister Grapperhaus:
Dan de motie op stuk nr. 212 van de heer Van Nispen. Als ik ervan mag
uitgaan dat we daar dit najaar op kunnen terugkomen, is die oordeel
Kamer wat mij betreft.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 212 krijgt oordeel Kamer. Dan de motie op stuk nr.
213.
Minister Grapperhaus:
De motie op stuk nr. 213 zou ik in de huidige vorm moeten ontraden. Ik
onderschrijf dat je subsidies aan criminelen moet terugvorderen en bij
voorkeur dat ze niet verstrekt worden. Daar zijn al allerlei wettelijke
mogelijkheden toe. Het hangt wel een beetje af van hoe de motie nu
geformuleerd is, maar als ik de motie zo zou mogen verstaan dat de
regering gewoon nog eens onderzoekt in brede zin of er nog meer
wettelijke middelen nodig en mogelijk zijn om subsidies terug te
vorderen, kan ik het oordeel aan de Kamer laten. Dat is wat breder dan
zij nu is.
De voorzitter:
Ik kijk even naar de heer Groothuizen.
De heer Groothuizen (D66):
Dat vind ik op zich niet een heel gekke interpretatie. Misschien kan de
minister daar dan een termijn aan koppelen en ook aangeven welke
wettelijke mogelijkheden hij dan al ziet, want vanuit de praktijk wordt
dit wel als een knelpunt ervaren.
Minister Grapperhaus:
Een termijn lijkt me redelijk. Ergens in het laatste kwartaal van dit
jaar.
De voorzitter:
Dan constateer ik dat u het eens bent over de interpretatie van die
motie en dat zij daarmee oordeel Kamer heeft gekregen.
Daarmee komen we — je kan het bijna niet geloven — aan het eind van deze
mooie dag met elkaar.
Minister Grapperhaus:
We zijn zonder u enorm opgeschoten.
De voorzitter:
Ja, dat schoot op. Dat zag ik ook.
Ik dank de beide bewindspersonen en hun ambtenaren, onze onvolprezen
ondersteuning, de leden en degenen die dit debat op een andere manier
gevolgd hebben. Ik wens u allen nog een mooie avond toe, maar ik sluit
niet af dan nadat ik gezegd heb dat over de ingediende moties aanstaande
donderdag gestemd zal worden.
Sluiting 21.42 uur.
ONGECORRIGEERD STENOGRAM Verslag OSV 84 (2019-2020) van 30 juni 2020 |
---|
Aan ongecorrigeerde verslagen kan geen enkel recht worden ontleend. Uit ongecorrigeerde verslagen mag niet letterlijk worden geciteerd. Inlichtingen: verslagdienst@tweedekamer.nl |