Omgevingswet (ongecorrigeerd stenogram)
Stenogram
Nummer: 2020D49185, datum: 2020-11-25, bijgewerkt: 2024-02-19 10:56, versie: 2
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Onderdeel van activiteiten:- 2020-11-25 13:30: Omgevingswet (Notaoverleg), vaste commissie voor Binnenlandse Zaken
Preview document (🔗 origineel)
Tweede Kamer, Omgevingswet
VERSLAG VAN EEN NOTAOVERLEG
Concept
De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken heeft op 25 november 2020 overleg gevoerd met mevrouw Ollongren, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, over:
de brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 13 november 2020 inzake voortgang Omgevingswet november 2020 (33118, nr. 158);
de brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 23 oktober 2020 inzake voortgang van de ontwikkeling en implementatie van de Omgevingswet in de afgelopen maanden (33118, nr. 157);
de brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 16 oktober 2020 inzake afschrift brief Eerste Kamer inzake vragen naar aanleiding van voortgangsbrief Omgevingswet d.d. 24 juni 2020 (2020Z19161);
de brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 28 september 2020 inzake afschrift van de brief aan de Eerste Kamer over nadere vragen over tijdpad betreffende toezending informatie inzake stelselherziening omgevingsrecht (33118, nr. 156);
de brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 17 augustus 2020 inzake maandrapportage juli 2020 Aansluiten op het Digitaal Stelsel Omgevingswet (33118, nr. 153);
de brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 24 juni 2020 inzake voortgangsbrief Omgevingswet (33118, nr. 148);
de brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 20 mei 2020 inzake nieuwe datum inwerkingtreding Omgevingswet (33118, nr. 145);
de brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 12 mei 2020 inzake antwoorden op vragen commissie over de inwerkingtreding van de Omgevingswet (33118, nr. 144);
de brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 4 mei 2020 inzake voortgangsbrief Omgevingswet (33118, nr. 142);
de brief van de minister voor Milieu en Wonen d.d. 4 maart 2020 inzake toetsen op Omgevingswet door ILT (33118, nr. 137).
Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.
De voorzitter van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken,
Ziengs
De griffier van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken,
Roovers
Voorzitter: Ziengs
Griffier: Roovers
Aanwezig zijn acht leden der Kamer, te weten: Van Eijs, Van Gerven, Nijboer, Van Otterloo, Regterschot, Smeulders, Terpstra en Ziengs,
en mevrouw Ollongren, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
Aanvang 13.34 uur.
De voorzitter:
Goedemiddag. Hartelijk welkom bij de vaste commissie voor Binnenlandse
Zaken. Aan de orde is een notaoverleg met als onderwerp de Omgevingswet.
De spreektijd is vijf minuten. Ik kijk even naar de leden. Zij kunnen
daar vast mee uit de voeten. Zij krijgen ook twee interrupties in
tweeën. Dat kunnen ook gewoon vier vragen zijn. Hartelijk welkom aan de
minister en haar gevolg, zeg ik maar zo. Normaal wens ik ook de mensen
op de publieke tribune een hartelijk welkom. Dat doe ik nu richting het
publiek dat dit online volgt. Ook een hartelijk welkom aan de leden,
respectievelijk de heer Terpstra namens het CDA, mevrouw Regterschot
namens de VVD, de heer Smeulders namens GroenLinks, de heer Van Gerven
namens de SP, de heer Van Otterloo namens 50PLUS, mevrouw Van Eijs
namens D66 en de heer Nijboer namens de PvdA.
We beginnen met de vijf minuten spreektijd van de heer Terpstra. O nee,
ik moet nog even het woord geven aan de heer Smeulders, want hij had een
punt van orde. Excuus, ik vergat hem bijna. De heer Smeulders.
De heer Smeulders (GroenLinks):
Zeker, voorzitter. Wij hebben begin deze week een e-mailprocedure gehad,
waarin de meerderheid van de commissie heeft verzocht om het
KPMG-rapport over de transitie en de financiën van de Omgevingswet te
ontvangen. We hebben allemaal echt honderden mailtjes gehad over de
mondkapjes en de mondkapjesplicht, maar het is mij gelukt om mijn gewone
mail daar tussendoor goed in de gaten te houden. En volgens mij heb ik
dat rapport niet zien verschijnen. Misschien kan de minister daarop
reageren?
De voorzitter:
Ik kijk even naar de minister. De microfoon staat nog niet helemaal
goed.
Minister Ollongren:
Dank aan de heer Smeulders voor het alsnog stellen van de vraag. Ik was
sowieso voornemens om in de beantwoording hierop in te gaan. Ik heb het
gezien. Ik was even op zoek naar het verband tussen de mondkapjes en de
kosten van de Omgevingswet, maar dat is er dus niet; gelukkig! Het
verzoek heb ik gezien. Ik wilde u zo meteen mededelen dat er
verschillende onderzoeken lopen naar verschillende onderdelen van de
stelselherziening. Er loopt ook een onderzoek van KPMG. Daar heb ik de
Kamer ook over geïnformeerd in de brief van 23 oktober. Maar dat
onderzoek is nog niet klaar. Ik denk dat het belangrijk is dat de Kamer
kennisneemt van alle onderzoeken die er zijn, maar wel als ze af zijn.
Dit is niet af. Zodra het wél af is, zal ik de Kamer daarover
informeren. Dat staat gepland voor begin volgend jaar.
De heer Smeulders (GroenLinks):
Dan heb ik misschien één vervolgvraag daarover. Als het niet af is, snap
ik dat, alleen kunnen we dan vandaag geen grote besluiten nemen. Volgens
mij moet er nog een "go/no go"-moment komen, ook vanuit de Kamer. Een
paar weken geleden heeft de minister tijdens het debat aangegeven dat
vandaag dat moment zou zijn. Ik vind het dus prima dat we die rapporten
later krijgen, maar dan hoop ik ook dat de minister kan bevestigen dat
we later nog over het KB spreken en het "go/no go"-moment hebben als
duidelijk is hoe het met alle informatie zit.
Minister Ollongren:
Dit lijkt me echt iets voor het debat zo meteen, want dit is volgens mij
voorbij het punt van orde. Wat ik zo meteen zal betogen, als ik daar de
kans voor krijg, is dat ik op basis van wat er nu aan informatie
beschikbaar is, de verantwoordelijkheid op me zou willen nemen om met
het koninklijk besluit te beginnen. Maar uiteraard wil ik dan eerst
horen wat voor vragen u allemaal hebt en u wilt natuurlijk mijn antwoord
op die vragen kunnen wegen. Pas daarna kunt u beoordelen of u zover
bent.
De voorzitter:
Dank u wel. Volgens mij hebben we het punt van orde daarmee behandeld.
Meneer Terpstra. Aan u het woord voor vijf minuten.
De heer Terpstra (CDA):
Dank u wel, voorzitter. De verkiezingen naderen. Dat betekent dat dit in
deze periode een van de laatste keren is dat we spreken over de
Omgevingswet. Net in het ordedebatje ging het er ook al even over dat
het de vraag is of we het schip van de kant af durven duwen, als het
gaat om de Omgevingswet. Omdat we bij dit soort debatten altijd snel
verzanden in de technische aspecten van de Omgevingswet, zou ik willen
beginnen met op te sommen waarom mijn fractie en ik de Omgevingswet
belangrijk vinden. Want het betreft hier natuurlijk een gigantische
stelselwijziging. We gaan 26 wetten die betrekking hebben op de fysieke
ruimte, terugbrengen naar één Omgevingswet. Het is dan ook belangrijk om
te weten waarom we dat eigenlijk doen. Waarom vinden we dat belangrijk?
Waarom is dat nuttig?
De uitgangspunten van de Omgevingswet kan het CDA dragen, want het idee
is: we gaan procedures versnellen, we gaan het overzichtelijker maken,
we gaan het simpeler maken om vergunningen aan te vragen en we gaan de
betrokkenheid van burgers en ondernemers vergroten. Al met al moet deze
stelselwijziging ertoe leiden dat het overzichtelijker wordt. Dat is
iets wat mijn fractie zeker kan dragen. Daarmee zouden we ook graag de
inwerkingtreding van de nieuwe Omgevingswet na drie keer uitstel op de
gekozen datum laten staan.
Hebben wij dan geen vragen? Zijn er dan geen vragen over kaders die we
nog graag beantwoord willen zien? Zeker, er zijn een aantal punten waar
we graag nog wat antwoorden op zouden willen hebben. Die zal ik in deze
inbreng naar voren brengen. Het eerste is dat de Omgevingswet in al zijn
vezels lokaal maatwerk van gemeentes, provincies en dergelijke ademt.
Maar als we nou de debatten van de afgelopen periode over de fysieke
ruimte bekijken, of het nou gaat over woningbouw of over de Nationale
Omgevingsvisie, dan is er een soort van discours over meer regie vanuit
het Rijk. Ook dat kan ik onderschrijven, zeker als het gaat om
woningbouw. Maar de Omgevingswet ademt lokaal maatwerk. Ik ben wel
benieuwd hoe de minister nu kijkt naar deze twee grootheden en hoe ze
dat zou becommentariëren. Haakt dat in elkaar? Staat het tegenover
elkaar? Kan het elkaar versterken? Graag een reactie op dat punt.
Het tweede punt is de ICT. Als we dit willen invoeren vanaf 1 januari
2022, zijn een goed werkend ICT-systeem en een goede digitale omgeving
van essentieel belang, zowel voor inwoners en burgers als voor
gemeenten, provincies en waterschappen. Het BIT was kritisch. Dat hebben
we overal in de media kunnen lezen. Het digitale systeem is nu shaky,
zoals ik het in mijn eigen termen zou willen noemen. Graag krijg ik een
reactie van de minister. In hoeverre kan zij garanderen dat vanaf de
inwerkingtredingsdatum van 1 januari 2022 bijvoorbeeld
vergunningverlening en plancapaciteit blijven doormarcheren? In hoeverre
verwacht de minister daar problemen? Ziet zij dat dat gewaarborgd
is?
Ik wil wel doorgaan, maar ik zie rechts een vinger.
De voorzitter:
Ik was zo goed naar u aan het luisteren dat ik niet zag dat er ook al
een interruptie was. Maar die was er inmiddels. Dank dat er in ieder
geval even een stilte ontstond. Meneer Smeulders, gaat uw gang.
De heer Smeulders (GroenLinks):
Ik ken het CDA als een partij die voorstander is van de Omgevingswet,
maar de heer Terpstra haalt volgens mij heel terecht het rapport van het
BIT, het Bureau ICT-toetsing, aan. Dat rapport is best wel vernietigend.
Het BIT schrijft zelfs dat kritieke onderdelen niet af zijn en niet
voldoende beproefd. Is de heer Terpstra het met mij eens dat, als dat zo
blijft, de Omgevingswet niet op 1 januari 2022 kan worden ingevoerd en
dat de Kamer pas kan besluiten over de invoering van de Omgevingswet als
ze zeker weet dat die gaat werken?
De heer Terpstra (CDA):
De heer Smeulders snijdt een terecht punt aan. Ik snap en deel zijn
zorg. Als we naar de Omgevingswet kijken, zie ik tegelijkertijd dat we
die al drie keer eerder hebben uitgesteld. Ik denk dat het ook kan
werken — en dat lees ik volgens mij ook in het rapport — als je de
piketpaal slaat op 1 januari 2022 in dit geval, want dan hebben de
provincies, de gemeentes en de waterschappen ook iets om naartoe te
werken. Betekent dat dat het moet werken of dat het in ieder geval van
een bepaald basisniveau moet zijn? Natuurlijk! Dat deel ik met de heer
Smeulders. Maar als we nu weer gaan uitstellen, denk ik dat de puf er
ook uitgaat. Ik denk dat het juist kan helpen als je de piketpaal laat
staan. Zo lees ik het ook in het BIT-advies. Ik ben ook benieuwd wat de
minister daarop gaat antwoorden. Als je gaat testen, moet het mogelijk
zijn om dat niveau te bereiken. En daarna hebben we vanaf 1 januari in
ieder geval dat basisniveau om met gemeentes, provincies en
waterschappen verbeteringen door te voeren. Ik deel dus de zorgen van de
heer Smeulders, maar ik denk ook dat we ergens een beetje ambitieus
moeten zijn en een keer van wal moeten gaan.
De heer Smeulders (GroenLinks):
Er is niks mis met ambitie, maar het probleem is vaak, zeker bij
ICT-projecten en de overheid, dat de ambities heel groot zijn en dat
keer op keer blijkt dat de overheid dat gewoon niet waar kan maken. Is
de heer Terpstra het met mij eens dat we een heel groot risico gaan
lopen, als dit de lijn is van het CDA en van de meerderheid van de
Kamer? Ik snap dat je aan de ene kant zegt dat we aan 1 januari 2022
moeten vasthouden, omdat er anders geen druk meer op staat. Maar als de
Kamer nu al ja zegt, terwijl we niet weten of het gaat lukken, lopen we
volgens mij een heel groot risico dat we op 1 januari 2022 chaos hebben,
omdat het systeem niet werkt en we wel de invoering hebben gedaan en de
Kamer het ook niet meer kan tegenhouden. Hoe kijkt de heer Terpstra
daarnaar? Is het toch niet slimmer om als Kamer pas een besluit te nemen
over de definitieve invoering als we zeker weten dat het DSO
werkt?
De heer Terpstra (CDA):
Ik wil graag van de minister horen wat zij gaat doen om te zorgen dat
het systeem fatsoenlijk kan functioneren vanaf 1 januari 2022. De heer
Smeulders en ik zijn het eens dat er een bepaald basisniveau nodig is om
van start te kunnen gaan. Dat is nodig en dat hoor ik dus ook graag van
de minister. Aan de andere kant is het ook waar, denk ik, dat de puf er
helemaal uit gaat als we het voor de vierde keer gaan uitstellen. Dan
gaan gemeentes afhaken. Dan krijgen gemeentes, provincies en dergelijke
het gevoel: waar doen we dit allemaal voor? En dan zijn de inzet en de
positiviteit van nu — die proef ik heel nadrukkelijk — voor niks
geweest. Dat zou ik ook willen voorkomen. Daarbij komt, nogmaals, dat ik
denk dat het goed is om een specifiek punt te hebben om naartoe te
werken. Die optelsom maakt dat ik van de minister — daarom breng ik die
punten ook op in mijn inbreng — wil horen wat zij eraan gaat doen, zodat
het stelsel gaat werken en van start kan gaan. Maar dan heb ik er ook
vertrouwen in.
De heer Van Gerven (SP):
Ik laat even op me inwerken wat de heer Terpstra zegt, namelijk: we
moeten eigenlijk nu de knoop doorhakken, want anders gaat de puf eruit.
Stel dat je een vriendin of een vriend hebt waar je zielsveel van houdt
en waar je mee wilt trouwen, maar het huwelijk wordt steeds uitgesteld
vanwege corona. Als het een goed huwelijk is, dan geldt: hoe langer je
wacht, hoe groter het verlangen om toch dat trouwmoment te kunnen
meemaken. Maar eigenlijk zegt de heer Terpstra het omgekeerde: hoe
langer het duurt, hoe eerder de gemeente, de provincie of wat dan ook
afhaakt. Is dat niet het bewijs dat we een pas op de plaats moeten maken
en dat we ons serieus moeten afvragen of het wel zin heeft om zo door te
gaan, met al die problemen en de ICT in gedachten?
De voorzitter:
Dat is er bijna een uit de bouquetreeks. De heer Terpstra.
De heer Terpstra (CDA):
Dat is een prachtige vergelijking van de heer Van Gerven. In mijn
antwoord zal ik mijn eigen huwelijk er maar niet bij betrekken. Dat zal
ik hem besparen. Ik zou hem het volgende willen voorhouden. Als je wilt
gaan trouwen met je partner en je je verloving al drie keer heb moeten
uitstellen, dan wordt het verlangen om eraan te beginnen steeds groter
en groter. Dat kan ik me alleszins voorstellen. Door corona worden
inderdaad veel huwelijken uitgesteld. Maar je ziet ook — dat zie ik in
mijn eigen omgeving — dat er na een aantal keer uitstel toch voor
gekozen wordt om in kleine kring te trouwen, om toch dat huwelijk aan te
gaan. Laten we dat nou eens vergelijken met de Omgevingswet. Ik lees in
de brief van de minister dat de gemeentes heel graag aan de slag willen
en dat het digitaal stelsel daar een absolute voorwaarde voor is, maar
dat er een basisniveau nodig is voor inwerkingtreding. Als de minister
dat kan garanderen, dan denk ik dat we dat huwelijk met elkaar aan
moeten gaan. Maar wederom wel met het idee — dat moeten we niet uit het
oog verliezen, want we zitten weer in de details — dat we het voor
inwoners en ondernemers simpeler en overzichtelijker willen maken binnen
de fysieke ruimte.
De voorzitter:
De heer Van Gerven, aanvullend.
De heer Van Gerven (SP):
Maar zou het ook niet zo kunnen zijn, zou ik de heer Terpstra willen
voorhouden, dat het uiteindelijk toch niet zo'n goed huwelijk blijkt te
zijn en dat dat de reden is dat de puf eruit gaat bij de gemeenten en
een heleboel mensen? Zij denken: "Als ik dat huwelijk aanga, waar raak
ik dan in verzeild? Misschien wel in een moeras, een grote chaos, en dan
moeten we misschien weer gaan scheiden." Laat ik tot slot zeggen: kunnen
we niet beter ten halve gekeerd zijn dan ten hele gedwaald, gezien de
ontwikkelingen van de afgelopen jaren?
De voorzitter:
Ik denk dat degene die nu inschakelt om dit debat te luisteren, denkt
dat hij terecht is gekomen bij de burgerlijke stand. Maar de
vergelijking hebben wij hier intern in ieder geval allemaal begrepen. De
heer Terpstra. Gaat uw gang.
De heer Terpstra (CDA):
Het is maar goed dat de heer Van Gerven in de aanloop naar mijn huwelijk
niet mijn relatietherapeut was om mij te ondersteunen. Als zijn advies
voorafgaand aan mijn trouwen zou zijn geweest "kijk uit, het kan ook
eindigen in een scheiding, dus begin er niet aan", dan zou dat wel heel
negatief geformuleerd zijn. Het klopt natuurlijk, want er zijn
huwelijken die eindigen in een scheiding. Maar er zijn ook huwelijken
die zeer positief uitpakken. Als we op voorhand al gaan zeggen dat dit
één groot drama wordt, dan wens ik de heer Van Gerven een positiever
levensbeeld toe. Laten we hier niet op voorhand al zo negatief over
zijn. Ik denk dat de intenties van deze Omgevingswet goed zijn en ik
denk dat de intenties voor onze inwoners, de gemeentes, de provincies en
de waterschappen ook goed zijn. Iedereen staat te trappelen. We kunnen
hier vanuit de Kamer wel aan de handrem trekken, maar dat zou alleen
goed zijn als daar ook echt reden toe is. Ik vraag garanties van de
minister, maar anders zie ik geen reden om het huwelijk op voorhand al
af te blazen.
De voorzitter:
Ik stel voor dat de heer Terpstra nu doorgaat met zijn inbreng.
De heer Terpstra (CDA):
Dit was het Digitaal Stelsel Omgevingswet.
Dat brengt mij op het Aanvullingsbesluit geluidshinder. Het
aanvullingsbesluit, dat onderdeel is van de Omgevingswet, hangt als een
soort zwaard van Damocles boven de woningbouw. U weet allemaal dat ik en
mijn fractie veel aandacht vragen voor de woningnood in Nederland. We
moeten ervoor zorgen dat de woningbouw aan de gang kan blijven. De
Omgevingswet ademt aan alle kanten lokaal maatwerk, een lokale afweging
van gemeentes en provincies. In het Aanvullingsbesluit geluidshinder
blijken striktere regels vanuit het Rijk te worden opgelegd, sectoraal.
In grote delen, pak Noord-Holland, Zuid-Holland en Utrecht, waar
duizenden woningen op de rol staan, is twijfel gerezen over de vraag of
die woningen wel doorgang kunnen vinden. Waar de minister enerzijds
woondeals sluit om de woningbouw te bevorderen, hangt dit, nogmaals, als
een soort zwaard van Damocles boven de woningbouw. Dat vindt mijn
fractie onwenselijk. Volgens mij is dat ook niet in lijn met de
Omgevingswet. Graag een reactie daarop van de minister. Zou het niet
veel logischer zijn om de huidige geluidsnormen beleidsneutraal over te
nemen binnen deze Omgevingswet en dan, in de geest van de Omgevingswet,
lokaal maatwerk te leveren? Want geluidsoverlast is natuurlijk een
serieus punt voor veel mensen. Waar dat opportuun is, zou gekeken kunnen
worden waar aanscherping mogelijk is. Dat zou veel logischer zijn. Is de
minister daartoe bereid? Graag een reactie.
Voorzitter. Dan kom ik bij het punt van de financiën.
De voorzitter:
U heeft nog zo'n 30 seconden.
De heer Terpstra (CDA):
30 seconden? Dan zal ik afronden, voorzitter. Het punt van de financiën.
Er zijn bestuurlijke afspraken gemaakt met gemeentes over de invoering.
De kosten gaan omhoog. Gemeentes hebben onvoldoende zicht op de baten.
Gemeentes moeten hun wettelijke taken goed kunnen uitvoeren. In hoeverre
gaat de minister de gemeentes ondersteunen, zodat ze niet in financiële
problemen komen?
Voorzitter. Al met al staat onze fractie positief tegenover de
Omgevingswet. Ik dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik heb twee interrupties, allereerst van de heer Van Gerven
en daarna van mevrouw Van Eijs.
De heer Van Gerven (SP):
Ik ga door op dat laatste punt van de heer Terpstra, de financiën van
gemeenten. Is het eerlijk als gemeenten volledig gecompenseerd worden
voor de kosten voor de invoering van het Digitaal Stelsel
Omgevingswet?
De heer Terpstra (CDA):
Ik zou tegen de heer Van Gerven willen zeggen dat het zo moet zijn dat
gemeentes hun wettelijke taken moeten kunnen uitvoeren. Ik denk ook dat
de minister dat zal bevestigen. Gemeentes moeten daartoe — volgens mij
zijn we het daarover met elkaar eens aan deze tafel — in staat worden
gesteld. Ik vraag ook aan de minister of zij kan garanderen dat dit
gebeurt.
De voorzitter:
Aanvullend nog?
De heer Van Gerven (SP):
Maar dat is onduidelijk. Misschien kan de heer Terpstra toch wat
duidelijker zijn. Kijk, er zijn financiële afspraken gemaakt. Nu blijkt
in de praktijk dat de invoering van computerstelsels, en zeker bij dit
enorm grote, ambitieuze project, tot extra kosten leidt. Dat weten we
allemaal. Als dit nou wordt aangetoond, is het dan niet eerlijk dat
gemeenten daarvoor volledig gecompenseerd worden? Is het ook geen harde
voorwaarde van het CDA dat dit bij de Omgevingswet geregeld moet
worden?
De heer Terpstra (CDA):
Wat een harde voorwaarde is, is dat gemeentes hun taken kunnen
uitvoeren. Ik lees dat er goed overleg is tussen het ministerie en de
VNG over dit punt. Ik heb ook gezien dat de gemeente Noordoostpolder op
het VNG-congres een motie heeft ingediend over de kosten. Ik kan me daar
alles bij voorstellen. U en ik weten ook dat de financiële positie van
gemeentes lastig is op dit moment. Ik zou dan ook willen zeggen dat we
gemeentes in staat moeten stellen om dit uit te voeren. Waar dat dan
uiteindelijk gaat landen, hoor ik graag van de minister. Maar u kunt
ervan op aan dat het CDA gemeentes hierin wil ondersteunen.
Mevrouw Van Eijs (D66):
Ik wil nog even terugkomen op het Aanvullingsbesluit geluidshinder. De
effecten van het geluid zijn reëel. De WHO heeft niet voor niets
aangegeven dat we steeds meer weten over de gezondheidseffecten van
geluidsbelasting. Zouden we de bewoners van die woningen niet moeten
beschermen tegen reële gevaren?
De heer Terpstra (CDA):
Dank voor deze interruptie. Ik zou tegen mevrouw Van Eijs willen zeggen:
absoluut. Ik bagatelliseer geluidsoverlast ook totaal niet. Totaal niet.
Ik vind alleen dat de dingen in de huidige volgorde anders kunnen. Waar
de Omgevingswet ademt dat we lokaal maatwerk leveren en dat gemeentes
lokaal aan kunnen geven of iets wel of niet kan — dat is de geest van de
Omgevingswet — gaan wij nu sectoraal vanuit het Rijk striktere normen
opleggen. We zetten in één keer een streep door mogelijk tientallen
nieuwbouwprojecten. Ik vind het gek om dat vanuit het Rijk te doen, in
lijn met de huidige Omgevingswet. Ik zou dus zeggen: neem eerst de
huidige normen over en ga vervolgens in gesprek met al die gemeenten die
het betreft — dat zijn er geloof ik wel 60 of meer — om te kijken wat er
wel en wat er niet kan. Nu dreigt er namelijk als een soort zwaard van
Damocles een streep te gaan door ontzettend veel nieuwbouw. Dat is de
andere kant. We hebben ook gewoon een woningbouwopgave te realiseren;
dat zal mevrouw Van Eijs met mij eens zijn.
De voorzitter:
Aanvullend, mevrouw Van Eijs.
Mevrouw Van Eijs (D66):
Ja, zeker is er een woningbouwopgave. Ik ben ook nog wel benieuwd wat de
daadwerkelijke effecten zullen zijn, want nu wordt er nog gedaan alsof
alle woningen wellicht niet doorgaan. Maar ik vraag me af of het niet
veel beter is om te kijken naar de oorzaak van dat geluid, in plaats van
de normen op papier te veranderen en te doen alsof dat geluid er niet
is. Want dat is wat de heer Terpstra wil doen als hij zegt dat we de
norm wat minder scherp moeten stellen en maatwerk moeten leveren.
Daarmee zegt hij in feite: dat geluid zal er zijn en dat is wel
acceptabel op de ene plek en niet op de andere, maar we doen op papier
alsof het er niet is en het geen gezondheidseffecten heeft.
De heer Terpstra (CDA):
Ik hoorde daar niet direct een vraag in, maar ik zou tegen mevrouw Van
Eijs het volgende willen zeggen. Zij heeft het over normen. Ik heb het
daar ook over. Natuurlijk moeten we ook kijken naar de herkomst van
geluid. Maar goed, tegelijkertijd voeren we wel gelijk al striktere
normen in, waarmee hele gebieden rondom met name luchthavens als
onleefbaar worden weggezet. Dat vind ik ook te rigide en te radicaal, en
niet in lijn met de gedachte van de Omgevingswet. Volgens mij komen we
uiteindelijk misschien wel op hetzelfde uit. Ik zou er best wel naar
willen kijken als dat nodig is, want geluidsoverlast is een reëel
probleem, maar dan zou ik maatwerk willen leveren. Ik wil niet nu al
vanuit het Rijk in één keer die scherpere regelgeving opleggen, waarbij
de woningbouw echt in het gedrang komt. Want nogmaals, we hebben ook
woningnood. Veel gemeentes geven dit ook aan als zijnde een probleem
voor de bouw. De bouw stagneert daardoor of dreigt daardoor te
stagneren.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik nu het woord aan mevrouw Regterschot.
Mevrouw Regterschot (VVD):
Dank u wel, voorzitter. Zo bijna aan het eind van het jaar hebben we een
notaoverleg over de Omgevingswet. Vorig jaar rond deze tijd hebben we
met elkaar een rondetafelgesprek gehad, waarbij de afgevaardigde
partijen van de bevoegde gezagen, de medeoverheden, aangaven dat snelle
inwerkingtreding van de Omgevingswet wenselijk was. 1 januari 2021 was
wat hen betrof een prima datum. Er was voldoende tijd geweest voor
medeoverheden om zich voor te bereiden op de inwerkingtreding en het
moest er maar eens van komen. Dit voorjaar werden wij als VVD verrast
met het bericht dat de inwerkingtreding toch nog met een jaar moest
worden uitgesteld. Reden hiervoor was enerzijds de coronaperiode.
Anderzijds was er toch behoefte aan meer tijd om het digitale stelsel
steviger neer te zetten en alle partijen meer tijd te geven om het te
kunnen vullen en implementeren. We koersen nu aan op een
inwerkingtredingsdatum van 1 januari 2022. Aangegeven wordt dat deze
datum haalbaar realistisch is. Ook wordt door de VNG, het IPO en de Unie
van Waterschappen per brief een pleidooi gehouden voor het niet verder
uitstellen van de inwerkingtreding en voor het vastprikken van deze
datum. De regelgeving van het nieuwe stelsel is nagenoeg afgerond.
Verschillende besluiten zijn al gepubliceerd of worden dat op korte
termijn, en vorige week heeft de Tweede Kamer nog ingestemd met de
aanpassingen in de Algemene wet bestuursrecht. Op het slot-koninklijk
besluit na zijn we er dan ook wat de regelgeving betreft.
Dat kunnen we niet zeggen van het Digitaal Stelsel Omgevingswet. De
Kamer ontving het BIT-advies over het digitale stelsel, waarvan nog
steeds een kritisch-waarschuwende toon uitgaat. In het advies wordt
geschetst wat er nog moet gebeuren voordat het digitale stelsel in volle
omvang goed kan functioneren, maar het BIT adviseert wel om alle
bestuurlijke aandacht en managementaandacht te richten op het in gebruik
nemen van dit digitale stelsel op het basisniveau vanaf 1 januari 2022.
Kan de minister nogmaals schetsen hoe het digitale stelsel er nu voor
staat en wat het betekent dat er per 1 januari 2022 een digitaal stelsel
op basisniveau beschikbaar is? En kunnen medeoverheden hiermee voldoende
invulling geven aan hun wettelijke taken en bevoegdheden? Kan de
minister voorts schetsen wat er nog moet gebeuren in de jaren na de
voorziene inwerkingtreding en wanneer het tijdpad voor het DSO
definitief tot een afronding komt?
De VVD is tevreden over de manier waarop de minister de Kamer in de
afgelopen jaren heeft geïnformeerd over de voortgang, zeker ook ten
aanzien van dat digitale stelsel. Kan de minister toezeggen dat de Kamer
jaarlijks per voortgangsbrief op de hoogte gehouden wordt van dit hele
proces van digitalisering?
De Gateway Review onderstreept de noodzaak van inwerkingtreding op 1
januari 2022 en constateert dat het laatste jaar vertraging verstandig
is geweest. Daarmee hebben de overheden in heel Nederland volop
resultaten kunnen boeken en zich goed kunnen voorbereiden. Medeoverheden
krijgen hiermee ook duidelijkheid en hebben nu echt een datum om zich op
te richten. De bevoegde gezagen die zich al ruimschoots op tijd en goed
hebben voorbereid, zijn er klaar voor. Een kleine groep kan het komend
jaar nog goed gebruiken, en maar een heel klein percentage geeft aan dat
het voor hen nog steeds niet haalbaar is. Ik wil de minister vragen om
in het komend jaar alles op alles te zetten om ook deze laatste twee
groepen voldoende ondersteuning en informatie te bieden, zodat het ook
voor deze, met name gemeenten mogelijk wordt om goed aan te haken.
Een laatste aandachtspunt dat de VVD naar voren wil brengen, zijn de
eventuele financiële effecten die de vertraging met zich mee heeft
gebracht en die het proces mogelijk verder nog zal veroorzaken. Volgend
jaar zal een nulmeting worden uitgevoerd en in 2027 volgt een financiële
evaluatie. Is het niet beter om jaarlijks een vinger aan de pols te
houden? Kan dan bij de jaarlijkse rapportage over het DSO ook een
financieel tussenbeeld opgeleverd worden? Kan de minister dat
toezeggen?
Tot slot. De meerderheid van de lichten staat op groen. Enkele zeker
niet onbelangrijke waarschuwingslichten knipperen nog, maar de VVD deelt
de mening van de minister en vooral ook die van de medeoverheden dat met
de eerder gemaakte kanttekeningen de datum van inwerkingtreding haalbaar
en realistisch is op 1 januari 2022. We kijken dan ook uit naar de
voorhang van het slot-koninklijk besluit in december.
Voorzitter. Tot zover mijn eerste termijn. Dank u wel.
De voorzitter:
Ik dank u wel. Ik heb een interruptie voor u van de heer
Smeulders.
De heer Smeulders (GroenLinks):
Mevrouw Regterschot zegt: ik kijk uit naar de voorhang van het slot-KB
in december, maar ik heb nergens gelezen dat dat in december komt. Dat
was straks mijn vraag aan de minister, en de minister gaf aan dat ze
daar verder op in wilde gaan. Kan de VVD daar misschien iets over
zeggen?
Mevrouw Regterschot (VVD):
Ik denk dat het in de fase waarin we nu zitten met de Omgevingswet van
belang is dat we het proces zorgvuldig met elkaar gaan afronden. Indien
de inwerkintreding per 1 januari 2022 inderdaad haalbaar is, dan is het
ook noodzakelijk dat het slot-koninklijk besluit nog wordt voorgehangen.
Wat de VVD betreft, doen we dat zo snel mogelijk.
De voorzitter:
Aanvullend de heer Smeulders.
De heer Smeulders (GroenLinks):
Dat gaan we zien. Ik ben benieuwd naar het antwoord van de minister. Ik
vraag mij wel af hoe het kan dat de VVD zegt: wij kunnen nu dat besluit
nemen, want volgens mij heeft u ook het rapport van het BIT gehad. We
hebben het rapport van KPMG nog niet gehad, want dat is nog niet af,
heeft de minister net aangegeven. Maar we hebben wel al in Trouw kunnen
lezen dat de gemeentes een tekort hebben van 1,5 tot 1,8 miljard om de
Omgevingswet in te voeren. Hoe zouden wij dan volgende maand kunnen
besluiten om dat te doen, terwijl we het ene rapport over een enorm
tekort nog niet hebben en het andere rapport over grote ICT-problemen
ook heel weinig vertrouwen geeft om tot een snelle invoering over te
gaan?
Mevrouw Regterschot (VVD):
Ik ga niet voorbij aan de brieven, zoals ik ook in mijn eerste termijn
zie, die namens gemeenten, provincies en waterschappen ook aan ons
gericht zijn en waarin ook op ons een beroep gedaan wordt om nu
eindelijk tot die inwerkingtreding te komen. De medeoverheden zijn er in
groten getale klaar voor, geven dat ook aan en wensen graag die datum.
Ik denk dat als wij de antwoorden hebben gehad op de vragen die wij
allemaal willen stellen over het Digitaal Stelsel Omgevingswet en ook de
financiën, want dat zien wij heus ook wel, dat dan met de afspraken die
daarover gemaakt zijn, toch ook blijkt dat die datum realistisch en
haalbaar is. Zo wordt het omschreven en dat wordt ook zo gedeeld door
die medeoverheden.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik nu het woord aan de heer Smeulders.
De heer Smeulders (GroenLinks):
Dank u wel, voorzitter. GroenLinks maakt zich grote zorgen over de
invoering van de Omgevingswet. De minister weet dat. Wij hebben grote
inhoudelijke zorgen, omdat wij het zien als een dereguleringsoperatie,
maar ook als een decentralisatieoperatie. Ik snap niet zo goed dat
iedereen zegt dat we na de verkiezingen een ministerie van VROM hebben
en dan weer de ruimtelijke touwtjes in handen gaan nemen, maar dat
tegelijkertijd de Omgevingswet wordt ingevoerd, waarmee nog veel meer
wordt gedecentraliseerd naar lagere overheden en het nog veel lastiger
wordt voor de rijksoverheid om die rijkssturing te hebben. Daarnaast
vinden we het raar dat de Omgevingswet geen totaalbeeld geeft. Kan de
minister bijvoorbeeld eens uitleggen waarom de luchtvaart er niet in
zit? En we snappen werkelijk niet waarom in de NOVI, waarvan er wordt
gezegd dat het hét instrument moet worden, het ene wel en het andere
niet zit. Dat vinden we ook heel erg raar.
Maar, voorzitter, vandaag zal ik niet langer stilstaan bij de
inhoudelijke bezwaren, die dus voor GroenLinks reden zijn om tegen die
Omgevingswet te zijn, maar bij de financiële problemen en de problemen
met betrekking tot de ICT. Want als we heel eerlijk zijn, dan is de
informatie die ons daarover heeft bereikt de afgelopen tijd, gewoon niet
positief. In onze ogen zouden in plaats van alle lichten op groen alle
lichten op rood moeten gaan. Mijn eerste vraag — die ik zonet ook al een
beetje stelde bij het ordedebatje — voordat ik inhoudelijk op die punten
inga, aan de minister is dan ook: wanneer gaan we als Tweede Kamer nou
waar een besluit over nemen? Want er is volgens mij altijd gezegd: er
komt een apart koninklijk besluit en dat gaat het "go/no go"-moment
zijn. Ziet de minister dat ook zo? Of ziet ze vandaag als dat "go/no
go"-moment? Als de minister met een apart KB wil komen, is ze het dan
met ons eens dat dat pas kan en dat we daar als Kamer pas een beslissing
over kunnen nemen als we zeker weten dat het Digitaal Stelsel gaat
werken? Anders gaan we volgens mij op 1 januari 2022 heel hard met onze
neus op de feiten gedrukt worden en gaan we misschien ongelukken
veroorzaken.
Voorzitter. Dan heb ik een aantal vragen over de twee inhoudelijke
problemen. Het eerste heeft te maken met het geld. We hebben om het
rapport van KPMG gevraagd, maar hebben al in Trouw kunnen lezen dat er
op basis van dat rapport alleen al voor de gemeentes een tekort van 1,5
tot 1,8 miljard is. Dat is echt gruwelijk veel geld. Iedereen zegt wel
dat de VNG ons brieven stuurt met de vraag om het zo snel mogelijk in te
voeren — die brieven lezen wij ook — maar de VNG stelt ook dat daarvoor
wel het probleem met het geld opgelost moet worden. Dus zou de minister
daarop kunnen reageren? Kloppen de bedragen die in Trouw genoemd worden?
Ze kan misschien het rapport nog niet verstrekken, maar ik wil in ieder
geval wel weten of de bedragen die wij in de media lezen, kloppen. Is
zij ook bereid om te zeggen: nee, gemeentes hoeven daar geen geld bij te
leggen, in lijn met de afspraken die eerder zijn gemaakt?
Het tweede punt gaat over het Digitaal Stelsel Omgevingswet. We hebben
het rapport van het BIT gelezen. Het BIT is er trouwens gekomen op
verzoek van de Tweede Kamer, omdat ICT-projecten vroeger zo vaak
misliepen. Toen zeiden we: laten we dat nou eens op voorhand gaan
toetsen. Er ligt nu een heel kritisch rapport. Kan de minister aangeven
hoe zij dat rapport heeft gelezen en of haar dat wel voldoende steun
geeft om door te gaan? Of is het toch niet beter om een pas op de plaats
te maken? Is het bijvoorbeeld niet slim om ruimtelijkeplannen.nl in de
eerste fase naast het DSO te laten bestaan, totdat we zeker weten dat
alles werkt?
Voorzitter. Dan nog een paar andere punten. Eén gaat over de
participatie. Daar is in de Eerste Kamer een motie over aangenomen. Die
motie stelt dat er gewoon participatie moet zijn bij alle projecten. Ik
begrijp nu dat de minister zegt dat dat zo moet zijn bij projecten waar
de overheid bij betrokken is, maar niet bij andere projecten. Dan moet
er wel participatie zijn maar die is dan totaal vormvrij. Als een
projectontwikkelaar dan zegt "ik heb participatie gehad", dan heeft die
lokale overheid geen been meer om op te staan. Moet dat niet veel meer
ingekaderd worden?
Voorzitter. Een andere vraag gaat over de bevoegdheidsverdeling tussen
verschillende overheden. Wij begrijpen bijvoorbeeld dat gemeenten niet
bevoegd zijn als het gaat over bomen in het buitengebied, terwijl ze dat
nu wel zijn. Dat is dus ook weer gewoon een wijziging. Dat alleen
provincies daarover gaan, zouden wij onwenselijk vinden. Kan de minister
daar dus iets over zeggen?
Mijn laatste punt is de evaluatie. Ik doe wat ik kan doen om deze wet
uitgesteld te krijgen, maar als ik zo rondkijk zou het zomaar kunnen dat
dat niet gaat lukken. Is de minister het ermee eens dat we deze wet
periodiek moeten evalueren? Wij kunnen ons ook voorstellen dat regels
rondom geluid, bodem en luchtvaart hier snel aanleiding toe kunnen
geven. Dus graag een toezegging daarop van de minister.
De voorzitter:
Ik dank u wel. Meneer Van Gerven, aan u het woord.
De heer Van Gerven (SP):
Dank u wel, voorzitter. Ik werd getroffen door het verhaal van Berno
Strootman, rijksadviseur voor het landschap. "Als Den Haag niet snel de
regie pakt bij de ruimtelijke ontwikkeling van het landschap, dan wordt
Nederland één grote hagelslag. Ik houd mijn hart vast", aldus Strootman.
Het gebrek aan goed landelijk ruimtelijk beleid voorspelt weinig goeds.
Hij voorspelt, hij vreest voor donkere vlekken op de landbouwgronden en
zijn ultieme doemscenario is dat er straks nergens meer een plek in
Nederland is waar je geen windturbines ziet. Hij pleit voor een minister
van Ruimte, met geld en doorzettingsmacht, zodat de cruciale waarden die
helaas geen geld vertegenwoordigen — dan denk ik aan schoonheid,
landschaps- en natuurwaarden — voor Nederland in zijn geheel behouden
kunnen blijven. Mijn vraag aan de minister is of zij geen spijt heeft
dat er geen ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieu meer bestaat. Zou ze dat niet terug willen? Cruciaal is ook dat
het algemeen belang geborgd wordt bij al die particuliere belangen waar
we nu over spreken en die daarmee strijdig kunnen zijn.
De Kamer heeft bij de discussie over de Omgevingswet en de Nationale
Omgevingsvisie, de NOVI, als uitgangspunt een motie van mij omarmd dat
ruimtelijke ontwikkelingen democratisch, duurzaam, voor iedereen
duidelijk en met voldoende draagvlak tot stand moeten komen. Als we het
hebben over draagvlak, dan is het essentieel dat de lusten en lasten
gelijk verdeeld zijn, maar daar schort het ten zeerste aan. Ik noem dat
met name omdat ik verwacht dat dat ook in de komende jaren enorme
brandhaarden zullen zijn en blijven. Want als we kijken naar de
energieprojecten die er allemaal op stapel staan, dan komen die met name
ten goede aan particuliere ontwikkelaars en geldschieters, waarbij ook
nog heel veel geld wegvloeit naar buitenlandse investeerders, met dank
aan onze subsidiepotten. Zouden we onze subsidies niet gerichter moeten
sturen via een soort subsidieladder, waarbij initiatieven waarvan de
opbrengsten ten goede komen aan de hele gemeenschap, voorrang krijgen
boven initiatieven waarbij dat niet het geval is? Ik heb daarover een
motie klaarliggen. Waarom vind ik dat belangrijk? Als iets ten goede
komt aan het collectief, als iedereen er belang bij heeft, komen we tot
betere projecten en voorstellen en vindt er ook minder verrommeling van
het Nederlandse landschap plaats.
Dan de haalbaarheid van de Omgevingswet. Ik weet niet hoe het komt —
vergeeft u mij, minister — maar ik moest denken aan Mohammed Saïd
al-Sahaf. Kent u die man? U moet hem kennen, want het was Comical Ali.
Dat was die persvoorlichter, die Iraakse minister van Informatie bij de
Tweede Golfoorlog in Irak. Die vertelde "het gaat goed, we zijn aan de
winnende hand", maar ondertussen rolden de tanks van het Amerikaanse
leger Bagdad binnen. Waarom trek ik die vergelijking? Ik heb een beetje
het gevoel dat de minister te zeer een soort spindoctor is in plaats van
een eerlijke minister die weergeeft wat voor problemen er nog zijn op
dit moment met het Digitaal Stelsel Omgevingswet. Dat zijn grote
technische problemen, grote financiële problemen. Zijn we toch niet een
digitaal monstrum aan het creëren dat technisch nauwelijks uitvoerbaar
is, gelet op wat dat stelsel allemaal moet kunnen. We weten: hoe meer er
gevraagd wordt van de techniek, hoe moeilijker het gaat. Schoonheid is
vaak eenvoud en realisme. Is het wel realistisch en haalbaar, wil ik de
minister toch vragen. Moeten we dan niet ook eerlijk rekening houden met
het scenario dat uitstel wenselijk is, als we überhaupt al door zouden
gaan? Moet er niet ook over die alternatieven worden nagedacht?
Tot slot nog enkele vragen aan de minister. Houdt ze rekening met
uitstel? Zo ja, wat betekent dat dan? Is zij het eens met de SP dat, of
je nou voor of tegen die Omgevingswet bent, dat Digitaal Stelsel
Omgevingswet de basis is en gewoon moet werken, dus echt goed op orde
moet zijn. Er zijn een aantal criteria neergelegd waaraan wordt
gerefereerd en waar ook de Omgevingswet aan moet voldoen voordat het kan
worden ingevoerd. Kan de minister daarop ingaan? Kan zij ook ingaan op
dat BIT-rapport betreffende de bestede en benodigde budgetten?
Tot slot. Wil zij de gemeenten eerlijk tegemoetkomen, zodat zij niet
voor de kosten van de invoering van de Omgevingswet hoeven
opdraaien?
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik heb een interruptie voor u van de heer Terpstra.
De heer Terpstra (CDA):
Ik heb naar het betoog van de heer Van Gerven geluisterd. Hij hield een
gloedvol betoog voor het opnieuw invoeren van een ministerie van VROM.
Ik denk dat ik op grote lijnen wel kan volgen waarom dat nuttig zou
zijn. Toch heb ik, misschien wat meer op hoofdlijnen, de volgende vraag
aan de heer Van Gerven: hoe ziet hij nou die inrichting, kijkend naar
gemeentes, provincies en het Rijk? Want we hebben 26 wetten die
betrekking hebben op de fysieke ruimte. Gemeenten zullen vergunningen
moeten verlenen, plancapaciteit moeten maken. Is hij het met het CDA
eens dat dat veel simpeler, overzichtelijker en voor de burger
toegankelijker kan?
De heer Van Gerven (SP):
Daar heb ik zeer mijn twijfels over. Kijk, die 26 wetten zijn ontstaan
op basis van de praktijk van de afgelopen decennia. Dat kan wellicht
eenvoudiger en makkelijker in één wet, want we kennen een hele hoop
bureaucratie. Maar we kennen daardoor ook een redelijk goed
georganiseerd en redelijk geordend land. In België zie je verstening.
Daar ga je van het ene naar het andere dorp zonder natuur te zien,
alleen maar grote huizen. Dat willen we niet. Dat hebben we met de
wetten die er tot nu toe waren, kunnen beperken. We hebben het niet
helemaal kunnen voorkomen, maar toch goed kunnen reguleren. Het is toch
eigenlijk de bedoeling om dat vrij te laten, dus om dat te liberaliseren
en al die regels af te schaffen of globaler te maken. Dat wordt
vervangen door het lokale of plaatselijke overleg tussen een
ontwikkelaar en de burgerij. Ik vraag me af of dat wel zo goed is en
gaat werken. Ik vraag me ook af of het technisch überhaupt mogelijk is.
Ik snap wel dat er sympathie bestaat of bestond voor dat vergezicht,
maar ik vraag me heel erg af of het uitvoerbaar is, of het niet ten
koste gaat van mensen en of het niet juist heel veel extra bureaucratie
en juridisering gaat veroorzaken.
De voorzitter:
De heer Terpstra, aanvullend.
De heer Terpstra (CDA):
Dan heb ik toch de vraag aan de heer Van Gerven hoe hij aankijkt tegen
de oproep van met name de gemeenten zelf. Ik begrijp dat hij betoogt dat
we een georganiseerd land zijn en we het goed regelen met elkaar, hoewel
er echt nog wel wat onderwerpen zijn waar het sowieso beter kan. De
gemeenten geven zelf aan dat we nu met bureaucratische rompslomp zitten.
Ze vragen om een middel in handen te krijgen om het te vereenvoudigen,
dat niet ten koste gaat van de dienstverlening maar die, sterker nog,
zelfs verbetert. Wil de heer Van Gerven het alleen hier vanuit het Rijk
sturen? Of heeft hij toch ook wel begrip voor de gemeenten, die hier
zelf om vragen?
De heer Van Gerven (SP):
Even praktisch nog. We hebben het er al eerder over gehad in de Kamer:
Den Haag heeft bij de Binckhorst een experiment gedaan à la de
Omgevingswet. Dat ging, geloof ik, om 5.000 pagina's. Of dat een
vooruitgang is, waag ik te betwijfelen. Ik roep de decentralisaties in
het sociaal domein van 2015 even in herinnering. De gemeenten wilden dat
met alle geweld doen, want welke organisatie wil niet meer taken op zich
nemen, ook in politiek opzicht? Dat is dus heel aantrekkelijk. Maar de
voorwaarden waren volstrekt onverantwoord. Laat ik het beperken tot de
middelen die meegingen bij die decentralisatie. Die waren volstrekt
onvoldoende. Er werd een forse bezuinigingstaakstelling aan gekoppeld in
de orde van wel 15% en soms nog meer. De gemeenten wilden dus wel, maar
toch was de uitkomst dramatisch. Dat wil ik de heer Terpstra
meegeven.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik nu het woord aan de heer Van Otterloo.
De heer Van Otterloo (50PLUS):
Dank u wel, voorzitter. Ik zal mijn vergelijking niet beginnen met de
Irakoorlog, maar met de scheepvaart. Ik zie 26 stoomboten voor me die
binnenvaren en vervangen worden door één groot containerschip. Het
probleem met dat grote containerschip is dat daar van alles op staat,
dat het moeilijker wendbaar is en dat er meer met elkaar samenhangt. Dan
komt de volgende vraag op. Hoezeer je ook waardering kunt hebben voor
het streven om alles beter toegankelijk te maken en op elkaar te laten
aansluiten, des te belangrijker het is om te weten of het allemaal
realiseerbaar is. Dan trek ik ook maar even de vergelijking met de
Voedsel- en Warenautoriteit. Tien jaar na de vorming daarvan waren er
nog steeds — ik zeg het uit mijn hoofd en ik kan er een paar naast
zitten — negentien afzonderlijke systemen voor elf afzonderlijke
afdelingen, die nog steeds niet aan elkaar geknoopt waren. Dat komt
omdat er in de loop van de tijd zoveel dingen zijn opgebouwd dat het
lastig is om ze aan elkaar te knopen en te vervangen door één nieuw
systeem.
Wij zijn gelukkig wijzer geworden over wat wij met digitale
ondersteuning beter kunnen, maar de vraag is of de minister er inmiddels
van overtuigd is dat het zou kunnen. Dat idee krijg ik niet helemaal uit
de commentaren van de VNG, het IPO en de Unie van Waterschappen. Er
worden vooral nog problemen gesignaleerd. Er wordt de hoop uitgesproken
dat het financieel gecompenseerd kan worden, want het is de bedoeling
dat het een neutrale operatie zal zijn als je kijkt naar de voordelen
die er naderhand moeten komen en de investeringen die nu moeten worden
gedaan. Iedereen voor mij heeft het al gezegd: het lijkt er eerder op
dat de ramingen van deze kosten veel te laag zijn.
Daarbij blijft overigens ook van belang dat je het met name voor de
burgers, waarvan een deel minder digitaal geëquipeerd is, goed moet
regelen. Want niet iedereen is zo vaardig in het gebruik van digitale
middelen. We hebben meer dan 3 miljoen laaggeletterden in het land. We
hebben mensen die niet beschikken over allerlei nieuwe gadgets. Dat
maakt het noodzakelijk dat je, als je het goed wilt doen voor de
burgers, aandacht moet hebben voor een goede toegankelijkheid van het
systeem.
We zitten tijdens dit geheel ook nog met de aanpassing van het
Bouwbesluit. Ik zou graag van de minister horen — daar hebben we het in
een eerder overleg, dat over iets anders ging, ook al over gehad — dat
het nieuwe Bouwbesluit, dat gekoppeld was aan deze invoering, toch
doorgaat op 1 januari aanstaande en dat dat niet wordt uitgesteld tot
het moment van invoering van deze wet. Hier en daar wordt gesproken over
een plan B. Dat klinkt soms als het vermijden van het nemen van een
beslissing. Ik zou graag van de minister willen weten of er nog iets als
een plan B is en of er iets als een plan bestaat om in ieder geval de
meest directe zaken nu al aan elkaar te koppelen en dan bepaalde
onderdelen, die in sommige regio's wel belangrijk zijn en in andere
regio's niet, later in te voeren.
Het getal zweeft rond dat de helft nog niet is aangesloten op de
digitalisering, maar nou weet ik niet of dat de helft is qua aantal
inwoners of qua aantal activiteiten. Graag hoor ik dus van de minister
waar we aan moeten denken als het gaat om de helft. Hoe hou je die helft
erbij?
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan ga ik naar mevrouw Van Eijs. Ik geef haar het
woord.
Mevrouw Van Eijs (D66):
Dank u wel, voorzitter. De Omgevingswet is het grootste
wetgevingstraject van de afgelopen jaren of misschien wel decennia, met
het samenvoegen van tientallen wetten. Het is een enorm grote uitdaging.
Daarom zien we ook grote obstakels en soms weer nieuwe obstakels. Maar
het is goed om niet te vergeten waarom we dit ook alweer doen, wat de
noodzaak is. Want die is er wel degelijk. We wilden het
ruimtelijkeordeningsrecht inzichtelijker, helderder en voorspelbaarder
maken, de leefomgeving centraal zetten, integraal kijken in plaats van
door de kokers van verschillende beleidsterreinen, ruimte voor maatwerk
bieden om dingen soms weer mogelijk te maken, en zorgen voor snellere en
betere besluiten.
Dit neemt niet weg dat we niet moeten voorbijgaan aan obstakels. D66
deelt de zorgen over het DSO. Daar hebben wij al eerder aandacht voor
gevraagd: voor de kosten en voor de noodzaak om op tijd klaar te zijn.
Alleen merk ik dat in de "go/no go"-discussie over de Omgevingswet soms
een beetje het idee speelt dat het gras groener is aan de overkant, en
overkant is dan een soort vage plek waar we de Omgevingswet nu niet
invoeren. Maar ik vraag me echt af: is het nu dan zo ideaal, is het nu
dan zo makkelijk voor de burger om een vergunning aan te vragen? Mij
lijkt van niet. Soms weten mensen de weg door het doolhof van de huidige
ruimtelijke ordening, maar heel veel burgers weten dat niet. De belofte
van de Omgevingswet was juist om het makkelijker te maken voor de
burger. Voor D66 blijft dan ook de afweging centraal staan of het mét de
Omgevingswet beter is dan zonder.
Daarom vraag ik de minister of zij kan toezeggen dat het, ook met de
hobbels die we nog moeten overwinnen, bijvoorbeeld op het gebied van het
DSO, daadwerkelijk duidelijker en makkelijker wordt voor de burger. Kan
de minister bevestigen dat het het nog steeds waard is om deze obstakels
te overkomen, omdat de toegevoegde waarde van de Omgevingswet nog steeds
overeind staat? Wordt het per 1 januari 2022 echt makkelijker voor de
burger om verbouwingen aan zijn huis te doen? Want het stelsel blijft
wel ingewikkeld; dat heb je nu eenmaal met ruimtelijke ordening. D66
houdt niet van bestuurlijke spaghetti, zoals u weet.
Voorzitter. Vorige week lazen we in de media allemaal nieuws over het
DSO. Het KPMG-rapport dat wij nog niet hebben kunnen zien, voorspelde
hoge additionele kosten voor het DSO, met name voor gemeentes. We weten
dat het rapport er nog niet is, maar ik ga er toch een aantal vragen
over stellen. Ik hoop dat de minister daar al een beetje op kan
antwoorden. Worden er inderdaad additionele kosten verwacht? Wie gaan
die dan betalen? Hoe kijken de gemeenten hiernaar? Kunnen zij deze
kosten opvangen? Hoe wordt gewaarborgd dat deze extra kosten niet ten
koste gaan van andere belangrijke taken van de gemeenten?
Voorzitter. Ik heb ook signalen gehad dat het uitstel van een jaar een
aantal overheden achterover heeft doen hangen. Dat is natuurlijk niet de
bedoeling; D66 benadrukt graag dat een jaar uitstel wel winst moet
betekenen en dat daarbij de cultuuromslag bovenaan moet staan. Ik krijg
veel signalen dat ook dit nog niet altijd het geval is. Herkent de
minister deze signalen? Hoe gaat zij hiermee om?
Voorzitter. Bij het VAO NOVI van 3 november heb ik een motie ingediend
over het uitwerken van natuur- en beleidsdoelstellingen naar leidende
streefwaarden. Ik ben blij dat deze motie is aangenomen, want dit is
belangrijk voor een goede balans tussen beschermen en benutten. We zien
daarom ook uit naar de uitwerking ervan in het voorjaar van 2023. Maar
ik vraag mij af of de minister misschien al kan aangeven waar deze
streefwaarden een plek krijgen in het stelsel van de Omgevingswet. De
Commissie voor de m.e.r. kwam in een toetsingsadvies voor de NOVI met de
opmerking dat het noodzakelijk is om kwetsbare functies te beschermen en
dat centrale regie hierbij belangrijk is. Er werden daarnet al een
aantal vragen gesteld over centrale regie. Ik vraag de minister hoe zij
gehoor gaat geven aan dit advies voor meer centrale regie van de
rijksoverheid, in dit geval op het gebied van dit soort kwetsbare
functies.
Voorzitter. D66 onderschrijft het belang om door te pakken om de
Omgevingswet op 1 januari 2022 in te laten gaan. Maar we moeten wel
steeds het oog op de bal houden. De doelen van de Omgevingswet staan
uiteindelijk centraal en het moet voor de burger ook echt een werkbare
verbetering zijn.
Tot zover, voorzitter.
De voorzitter:
Ik heb een interruptie voor u van de heer Terpstra.
De heer Terpstra (CDA):
Mevrouw Van Eijs interrumpeerde mij net over de striktere geluidsnormen
in het Aanvullingsbesluit geluid waardoor in mijn ogen de doorgang van
de bouw van vele duizenden woningen onder druk komt te staan. Mevrouw
Van Eijs somt een aantal zorgen op die de D66-fractie heeft. Deelt
mevrouw Van Eijs mijn zorgen over dat Aanvullingsbesluit geluid waardoor
de bouw van vele woningen onder druk komt te staan? Is zij met mij bang
voor een nieuwe stikstof- of pfas-crisis?
Mevrouw Van Eijs (D66):
Nou, ik vind het niet hetzelfde als stikstof of pfas. Dat zijn toch hele
andere dingen. Uiteindelijk gaat het hier om een andere meetmethode van
geluid, om te kijken naar het reële effect van geluid. Want je kan wel
doen alsof het spoor dat achterlangs een huis loopt en de weg die aan de
andere kant loopt, niets met elkaar te maken hebben, maar als je in dat
huis woont, heb je gewoon van allebei last. Dus het is realistisch om op
een andere manier te gaan meten. Dat is wat we doen door middel van de
regelgeving die nu wordt ingevoerd. Er kan realistischer worden gemeten.
Dat lijkt mij goed. Ik geloof dat er nu heel veel onrust is, maar de
heer Terpstra met zijn opmerkingen over grote aantallen woningen die
daardoor op losse schroeven zouden komen te staan, helpt daar natuurlijk
ook niet bij. Ik ben dus niet meteen bang dat al die woningen niet door
zullen gaan. Nee.
De voorzitter:
Aanvullend, de heer Terpstra.
De heer Terpstra (CDA):
Op dat laatste zou ik graag willen doorvragen. U geeft aan dat het een
realistische meetmethode is. U geeft ook aan dat de normen worden
verscherpt. Dan zou mijn vraag aan mevrouw Van Eijs toch zijn of zij
echt niet bang is dat de bouw van nieuwe woningen tot stilstand komt.
Want dat is wel wat we gaan zien als we deze strengere methodes gaan
invoeren. Oké, u bent akkoord met realistische meetmethodes.
Geluidoverlast is ook zeker een probleem. Absoluut. Maar wat zou de
oplossing van mevrouw Van Eijs dan zijn voor de bouw van nieuwe
woningen, die we toch ook echt nodig hebben?
Mevrouw Van Eijs (D66):
Nou, hier wil ik wél een parallel met stikstof trekken. Net zoals we bij
stikstof heel lang hebben gezegd "als we het zo berekenen en daar een
beetje compenseren en over vijf jaar nog iets doen, doen we net alsof
stikstof er niet is". Dat is een rare manier van werken. Je moet de
oorzaken aanpakken. Als het gaat over geluidsoverlast moet je zorgen dat
bijvoorbeeld de woning beter geïsoleerd is, of dat de woning anders
georiënteerd wordt, of dat er een geluidswal wordt aangelegd, of dat
mensen minder hard mogen rijden waardoor er minder geluidsoverlast is,
of dat er minder vliegverkeer is waardoor mensen minder overlast hebben.
Pak de bron aan en houd er rekening mee. Maar doe niet alsof het er niet
is. Want die mensen wonen daar niet alleen vandaag of morgen, die wonen
daar de komende 50 jaar. Hun gezondheid moet beschermd zijn.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik nu het woord aan de heer Nijboer.
De heer Nijboer (PvdA):
Dank u wel, voorzitter. Ook in dit debat zijn er al wat vergelijkingen
gemaakt tussen de Omgevingswet en een huwelijk, al dan niet bestendig op
voorhand, en een hoeveelheid stoomschepen en weet ik wat voor schepen
nog meer. Maar als ik een beeld voor me zie van de Omgevingswet, dan zie
ik mijn voormalig collega Albert de Vries uit Zeeland, die onder stapels
papier bedolven zat om 26 wetten tot één wet te maken en daar allemaal
amendementen en moties bij aan het maken was. Ik herinner me nog wel dat
die wet destijds is aangenomen en hoe wij als fractie daarbij uitgebreid
geapplaudisseerd hebben voor de manier waarop hij jarenlang zwoegend
door die wetten heen was gekomen. Nu gaat het over de uitvoering van die
behoorlijk ingewikkelde wet. Ik vervang vandaag collega Moorlag, die op
zijn beurt weer collega Kuiken vervangt, die aan het ondervragen is, bij
de begroting van Justitie en Veiligheid. Dat komt allemaal goed, hoor.
De woordvoering voor de PvdA-fractie is bij iedereen in goede handen.
Maar ik vervang hem op dit punt. Ik zie dat beeld nog zo voor me.
Wat je toen eigenlijk al een beetje vermoedde, is nu ook wel een beetje
de praktijk geworden, denk ik. Het is toch best wel een ingewikkelde wet
geworden, die op best wel veel punten klemt. Hij klemt financieel. We
hebben ook een brief van de gemeenten ontvangen over de Wet
vergunningverlening, toezicht en handhaving, met de vraag of ze daar wel
voldoende middelen voor hebben. Maar dat geldt natuurlijk breder. Het
gaat ook over de ICT. Het DSO werd hier steeds genoemd, het digitale
systeem dat dit allemaal moet ondersteunen. Dat moet natuurlijk wel op
orde zijn als je verder wil met die wet. Dat blijft een probleem, en dat
is eigenlijk al jaren een probleem. Ik vraag de minister wel hoe reëel
het is om dat volgend jaar alweer voor de bakker te hebben, om het maar
een beetje huiselijk te zeggen. Gaat dat lukken? Is het niet een zo
groot voorstel geworden dat het bijna niet meer te halen is, dat we
elkaar wel elke keer weer beloven dat het wel goed gaat komen, maar het
in de praktijk toch vast dreigt te lopen? We kennen natuurlijk best veel
grote ICT-projecten van de overheid die zijn mislukt, die duurder zijn
geworden en die vast zijn gelopen. Ik vrees wel een beetje, ook als ik
het BIT-rapport bekijk, dat in ieder geval dezelfde risico's ook hier
weer worden gelopen.
Dan nog een meer inhoudelijk punt. De PvdA-fractie is voor de terugkeer
van een minister van VROM in een volgend kabinet. De SP heeft dat
overigens zelf ook ingebracht, maar we hebben met het CDA die motie
daarvoor ingediend. Daar zit ook wel een gedachte achter. Aan de ene
kant is de woningnood immens. Dat is zo'n groot probleem dat één
bewindspersoon dat moet aanpakken. Maar er is ook meer rijkscentrale
sturing nodig. Deze wet is natuurlijk wel heel erg decentraal opgebouwd.
Natuurlijk heb je gemeentes nodig, maar dat kan best ergens wringen. Ik
vraag de minister dan ook hoe zij daartegen aankijkt. Ik vind de
NOVI-debatten, die collega Moorlag ook voert, maar die ik wel een beetje
volg, wel een hele grote kluwen met vrij weinig waarvan het Rijk echt
zegt: dit gaan we overal doen. Toch denk ik dat dat wel nodig is.
Het tweede punt is net andersom. De wet is ook bedoeld om mensen juist
weer wat meer invloed te geven op hun eigen omgeving. Komt dat element,
dat collega De Vries ook echt in die wet heeft ingebracht, zowel met
moties als met amendementen, nog wel voldoende naar voren, dat mensen
zelf over hun eigen omgeving kunnen meebeslissen?
Dank u wel. Ik moet straks overigens het debat verlaten vanwege al die
vervangende werkzaamheden. Dat is dus niet uit desinteresse. Ik zal de
antwoorden teruglezen.
De voorzitter:
Dank dat u dat even doorgeeft. Als wij straks wel uw bordje zien staan,
maar u daar niet in persoon zien, dan hebben we natuurlijk nog de kans
dat u weer aanschuift in verband met het wisselen van debatten. Of
verdwijnt u dan ook echt?
De heer Nijboer (PvdA):
Dan bent u van mij af.
De voorzitter:
Dan laten we uw bordje ook verdwijnen, om misverstanden te voorkomen. Ik
kijk even naar de klok. Het is 14.35 uur op dit moment. Ik schors voor
een halfuurtje.
De vergadering wordt van 14.35 uur tot 15.08 uur geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen het notaoverleg over de Omgevingswet namens de vaste
commissie voor Binnenlandse Zaken. We hebben de inbrengen gehad voor de
eerste termijn en we gaan nu over tot de beantwoording door de minister.
We doen twee interrupties in tweeën. De minister heeft aangegeven dat ze
in vijf blokjes gaat antwoorden. Ik noem de blokjes even. Zelfs de heer
Terpstra neemt dat altijd over als hij zijn inbreng doet. Zo'n grote
invloed heb ik hier inmiddels achter deze tafel. Er zijn vijf blokjes.
We werken eerst het blokje af en na afloop van het blokje gaan we
inventariseren wie een interruptie wil plegen. Het eerste blokje is
financiën, het tweede blokje is wetgeving, het derde blokje is DSO, het
vierde blokje is inwerkingtreding en het vijfde blokje is monitoring en
evaluatie. Ik heb het goed opgelezen. Er is mij gevraagd of het
handschrift leesbaar was. Ik heb ja gezegd, maar het was wel moeilijk.
Ik heb het toch goed gereproduceerd, begrijp ik nu. Ik geef het woord
aan de minister.
Minister Ollongren:
Heel veel dank, voorzitter. Mijn handschrift blijkt toch onleesbaar te
zijn, want er staat een krabbel boven: inleiding. Ik heb namelijk ook
enkele inleidende opmerkingen.
De voorzitter:
Dat is correct. Ik dacht dat er "lijstje" stond, maar het is
"inleiding".
Minister Ollongren:
Veel dank. Ook veel dank aan alle woordvoerders die vandaag gesproken
hebben en die vragen gesteld hebben. Dat is natuurlijk belangrijk. We
zijn nu bij de volgende fase van de Omgevingswet en de vraag is — alles
wat hier vandaag gezegd is, gaat daar ook over — of we nu zover zijn dat
we ook over kunnen naar die volgende fase: de implementatiefase. In de
aanloop daarnaartoe hebben meerdere woordvoerders vandaag ook nog naar
het hoe en waarom geïnformeerd, en dat begrijp ik heel goed. Zij hebben
gevraagd om dat nog eens uiteen te zetten. Daar wilde ik even mee
beginnen, net als met een paar vragen die gesteld zijn over de relatie
tussen regionaal maatwerk, landelijke regie en dat soort zaken. Daarna
komen de vijf blokjes, zoals de voorzitter die net heeft opgesomd.
Eerst het hoe en waarom. Ik heb deze wetgeving geërfd van mijn
voorganger. Het doel is steeds geweest om de mensen er beter bij te
betrekken en om de verschillende belangen beter te kunnen wegen, op zo'n
manier dat de procedures sneller en dus makkelijker verlopen voor
iedereen die ermee moet werken. We zoeken eigenlijk naar een manier
waarop je de kwaliteit van de leefomgeving steeds in het oog hebt en
waarbij je ruimte geeft voor de ontwikkelingen die je wilt toestaan. Dat
is het doel achter de wet en die hebben we natuurlijk ook heel hard
nodig, want we hebben ook in deze kabinetsperiode hele grote opgaven. De
heer Terpstra had het net over de woningbouw en ik dacht dat de heer
Smeulders ook nog over de energietransitie sprak. Dat zijn allemaal hele
grote opgaven die implicaties hebben voor de ruimte in ons land. Voor
die transities heb je een kader nodig en dat schetsen we hiermee.
Ik denk dat de Omgevingswet ook een democratische impuls is. Zo is die
ook bedoeld, want de Omgevingswet dwingt overheden om aan de voorkant,
voordat je tot besluitvorming overgaat, met alle betrokkenen om tafel te
zitten en om echt te zorgen voor participatie. We hebben daar gelukkig
al veel ervaring mee, want de Crisis- en herstelwet heeft ruimte gegeven
om te experimenteren. Al 230 gemeenten hebben zo'n nieuw omgevingsplan
en werken daarmee. De 23ste tranche van de Crisis- en herstelwet ligt
alweer voor. We hebben ook een aantal provincies al de mogelijkheid
gegeven om vooruitlopend op de Omgevingswet aan de slag te gaan met een
omgevingsverordening, dus er wordt al fors mee geoefend en gewerkt in de
praktijk. Daaruit kunnen we afleiden dat er in de praktijk behoefte is
aan deze wet. Maar daarmee is nog niet gezegd dat het makkelijk is. We
hebben nog een aantal hordes te nemen, waar ik nog uitvoerig op inga.
Maar ik zie wel terug, ook in de reacties en de brieven die u hebt gehad
van de koepels, dat de gemeenten, provincies, waterschappen en de
collega's van andere ministeries — er zijn natuurlijk veel departementen
bij betrokken — volop achter de wet staan en graag door willen.
Sinds u met mijn vervanger, mevrouw Van Veldhoven, over de Omgevingswet
sprak, zijn er heel veel stappen gezet, bijvoorbeeld in de sfeer van
wetgeving: het DSO en de implementatie. We hebben inderdaad gezegd — dat
werd net ook gezegd door mevrouw Regterschot — dat corona een effect
heeft gehad op de haalbaarheid van de inwerkingtredingsdatum van 1
januari 2021. Uiteindelijk heb ik samen met de bestuurlijke partners
besloten om de daadwerkelijke datum van inwerkingtreding met één jaar
uit te stellen, dus we hebben het nu inderdaad al over 1 januari 2022.
We hebben ook tegen elkaar gezegd: als we het uitstellen, dan moet dat
niet betekenen dat we achterover gaan leunen en denken "er is nog heel
veel tijd". Nee, we gaan gewoon door volgens het schema dat we hadden,
juist omdat het besluit over de inwerkingtreding nodig is om
daadwerkelijk alles om te zetten en om ervoor te zorgen dat we het hele
jaar gaan benutten om te testen, te testen en nog eens te testen. Op die
manier weten we zeker, op het moment dat we overgaan, dat het ook echt
kan. Ik ga straks nog in op al uw vragen. Ik herken ook wat de heer
Terpstra zegt. Er is nu bij alle bestuurlijke partners en bij alle
organisaties die daarachter zitten, veel energie aanwezig om te zorgen
dat dit gaat lukken. Dit is een hele grote stelselwijziging, waar heel
veel partijen, mensen en uitvoerders voor nodig zijn. Door de
bestuurder, de uitvoerder en alle lagen die daartussen zitten moet een
boel werk worden verricht. Ik vind het belangrijk om die energie nu vast
te houden. Dan die vraag over regionaal maatwerk versus meer regie. Er
wordt vaak gezegd dat er meer regie moet komen op dit soort
ruimtelijkeordeningsvraagstukken. Ik denk dat deze Omgevingswet daarbij
gaat helpen. Die zet een overzichtelijke set van instrumenten neer,
eigenlijk voor alle overheden. Dat maakt het mogelijk om integraal
beleid te voeren. Dat integrale beleid geldt zowel nationaal als
decentraal. Je kijkt bij iedere opgave naar het daarbij passende niveau,
dus er is inderdaad altijd maatwerk nodig, maar wel op basis van de
kaders die wij met elkaar hebben afgesproken. Dus het Rijk stuurt op
doelen, het stuurt op kaders, de provincie werkt dat uit en het beleid
en de regelgeving kunnen op die manier ook worden afgestemd op
specifieke, lokale omstandigheden. Want een stiltegebied vraagt nou
eenmaal om andere geluidswaarden dan een horecaconcentratiegebied, om
maar twee uitersten te noemen.
Zo geven we dus vanuit die kaders nationaal lokaal de ruimte om een
eigen invulling te geven en ook eigen ambities te hebben voor die
leefomgeving. Dus de regie vanuit het Rijk, zoals we dat met de NOVI ook
doen, waarin we de nationale belangen, de nationale
verantwoordelijkheden zetten, waarin we een afwegingskader of een
voorkeursvolgorde weergeven. Daarmee kiezen we ook, want dat hebben we
samen met de andere overheden opgesteld, voor samenwerking, en die NOVI
is weer de basis voor de regionale uitwerking.
Zo maken we onderling wederkerige afspraken met elkaar. Dat betekent dat
we vanuit dat stelsel van één Omgevingswet samenwerken met die andere
overheden, maar wel binnen datzelfde stelsel. Dus dat betekent eigenlijk
meer regie, maar wel met ruimte voor dat maatwerk.
Tot slot misschien bij dit onderdeel. De heer Smeulders zette de
Omgevingswet neer als een decentralisatie. Dat hoor ik wel eens. Maar
dan zou je ook verwachten dat er ook fundamentele verschuivingen van
bevoegdheden achter zitten. Dat is niet zo. De Omgevingswet verschuift
eigenlijk niets tussen overheidslagen. Dus je kunt het niet uitleggen
als een decentralisatie. Het is een stelselwijziging. Het is een grote
verandering. Zoals mevrouw Van Eijs het net zei, van een heleboel wetten
stoppen we dat nu in dit stelsel. Maar de bevoegdheden in de fysieke
leefomgeving liggen grotendeels al bij die decentrale overheden. Dus in
dat opzicht is het gewoon geen decentralisatie, en ik denk dat dat ook
goed is. Het is niet een hercentralisatie, het is niet een
decentralisatie, het is een betere manier van samenwerken. Ik heb de
afgelopen drie, vier jaar heel veel met de medeoverheden gewerkt,
samengewerkt en ook goeie afspraken kunnen maken, bijvoorbeeld op het
gebied van de woningbouw. Dus dat heeft mij in ieder geval ook overtuigd
dat dat de manier is in Nederland waarop we dat voor elkaar kunnen en
moeten krijgen.
Voorzitter. Dat bij wijze van inleiding. Dan wou ik nu naar de financiën
gaan.
De voorzitter:
Ik kijk even of de inleiding in ieder geval al reden geeft tot
interrupties. Dat is niet het geval, dus dan gaan we naar de
financiën.
Minister Ollongren:
Dank. Kort samengevat heeft eigenlijk iedereen vragen gesteld of de
andere overheden financieel zijn berekend op de Omgevingswet, en dat in
de context van vooral de gemeenten, die zeggen: er komt heel veel op ons
af.
Daar doe ik niets aan af, want dat is ook zo. Er komt heel veel op die
gemeenten af, ook door corona. Daar hebben we gelukkig wel goeie
afspraken met ze over gemaakt en dat blijven we ook met ze doen. Dus
daar zullen ze voor worden gecompenseerd.
Maar ze hebben ook andere problemen, bijvoorbeeld problemen met het
sociaal domein, waarover we nu ook afspraken hebben gemaakt,
bijvoorbeeld extra geld voor de jeugdzorg. Maar de gemeenten kijken
natuurlijk ook verder vooruit en vragen zich af hoe ze op de wat langere
termijn daarmee uit moeten komen.
Dus ik wil niets afdoen aan de financiële problematiek bij de gemeente
als zodanig. Maar als het gaat over de Omgevingswet hebben we dit
natuurlijk ook in nauw overleg met de medeoverheden gedaan, dus ook over
de financiën. We doen het echt samen. Dat begon al in 2015. Het
uitgangspunt dat toen is vastgesteld, geldt nog steeds, namelijk dat
overheden er op zich financieel niet beter van hoeven te worden, maar
ook niet slechter. Dat geldt dus ook voor de gemeenten. Dus ze moeten er
niet op achteruitgaan doordat we dit gaan invoeren. Dat is gewoon de
basis waar dit op drijft.
Dat uitgangspunt is vervolgens ook in het financieel akkoord
vastgesteld, namelijk: de overheden betalen zelf de invoeringskosten.
Iedere overheid betaalt zijn eigen invoeringskosten, maar er zijn ook
baten in het vooruitzicht en daar worden ze niet op gekort. Dus zeg ik
ook tegen de heer Smeulders: als je de vergelijking zou maken met die
decentralisaties, dan is dit echt het tegenovergestelde. Er wordt niet
aan de voorkant gezegd: jullie hebben straks ook baten, die moet je
inleveren. Nee, er wordt niet gekort op de baten.
Ik neem alle zorgen die leven over die invoeringskosten, ook nu serieus.
Daarom heb ik met de bestuurlijke partners afgesproken dat als de
invoeringskosten in relatie tot de verwachte baten substantieel hoger
zouden blijken te zijn dan was voorzien, dan zullen alle partijen — dat
doen we in het kader van de eerste financiële evaluatie — weer dat open
gesprek met elkaar aangaan en naar een oplossing zoeken. Die oplossingen
vinden we ook. Daarop ben ik aanspreekbaar en daar is het ministerie op
aanspreekbaar. We hebben dat twee weken geleden in een bestuurlijk
overleg nog een keer tegen elkaar gezegd, herbevestigd en aangevuld. Dus
ik heb daar met de bestuurlijke partners gewoon het vertrouwen dat we
elkaar weten te vinden, dat deze basisafspraak gewoon staat, dat
iedereen weet dat hij daar een beroep op kan doen. We doen een eerste
extra financiële evaluatie. Die doen we snel na de invoering. Dat zou
wat mij betreft in het najaar van 2022 zijn. We zullen de financiën
monitoren en evalueren. Dat doen we de eerste keer dus in 2022. We
hebben afgesproken dat we het ook nog doen in 2023 en in 2027, om op die
manier de vinger aan de pols te houden en in dat proces samen te werken
op basis van het vertrouwen dat iedereen elkaar aan die afspraken kan
houden. Ik wil de Kamer ook heel graag over de uitkomst van die
evaluaties informeren. Mevrouw Regterschot vroeg dat.
Vooruitlopend op die evaluatie wordt nu gezamenlijk gewerkt aan een
eerste integraal beeld van de verwachte financiële effecten van de
stelselherziening, dus van de kosten en de baten. Ik antwoordde net op
de vraag van de heer Smeulders dat dat naar verwachting begin volgend
jaar beschikbaar zal zijn. Dat is dus iets wat niet alleen door BZK is
gevraagd, maar door alle betrokken overheden. Dat is dan het startpunt
voor de monitoring van de financiële effecten. Misschien mag ik hier ook
opmerken dat eigenlijk alle partijen nu ook wel een financieel belang
hebben bij inwerkingtreding per 1 januari 2022. Een latere
inwerkingtreding brengt ook weer kosten met zich mee en betekent ook dat
de baten later worden gerealiseerd. Die baten zijn overigens natuurlijk
niet alleen maar financieel van aard; die zitten ook in de
maatschappelijke opgave. Maar ze zijn ook financieel van aard. Ik heb
mevrouw Regterschot dus al toegezegd dat ik de Kamer ook wil informeren
over de financiële ontwikkelingen.
De heer Smeulders wilde nog wat meer informatie hebben over dat
KPMG-rapport in wording, ook omdat hij was geschrokken van de hoge
bedragen die daarbij werden genoemd. Zoals ik al zei: dat rapport is
niet af. KPMG werkt daaraan, maar alle overheden werken daar ook aan
mee. Er worden nu weer validaties gedaan van bevindingen. Dat is best
wel moeilijk. Dat zegt KPMG zelf trouwens ook. Het is een lastig
onderzoek. Je moet namelijk eruit proberen te filteren welke kosten die
bij de Omgevingswet horen, nu ook al gemaakt worden door medeoverheden
en welke kosten nieuw zijn, welke kosten er spelen na de start. Dat
maakt dat het best ingewikkeld is. Natuurlijk gaat het wel over
substantiële bedragen. Daar moeten we niet voor weglopen. Maar de
invoeringskosten, de transitiekosten en de baten die later optreden,
moeten natuurlijk wel allemaal in beeld worden gebracht om een eerlijk
beeld te schetsen van het totaalplaatje. Daar werken de koepels en wij
goed in samen. Zodra dat beschikbaar is, zorg ik dat de Kamer het ook
heeft. Maar nogmaals, toen ik bijvoorbeeld vorige week met de
medeoverheden sprak, had iedereen dezelfde tusseninformatie die op dat
moment beschikbaar was. Er is dus niemand die gezegd heeft: dit
verandert voor ons iets. Nee, iedereen gaat ervan uit dat we daar op een
gegeven moment een goed beeld van hebben en dat we ook goede
basisafspraken hebben waar we op kunnen terugvallen. Ik kom straks nog
op de inwerkingtreding, maar ik zou erop willen aandringen dat we, juist
ook zonder dat we een compleet zicht hebben op de financiële effecten,
waar de koepels ook van op de hoogte zijn, wel overgaan tot die
inwerkingtreding. Nogmaals, als je dat niet doet, dan kost dat meer
geld. In dat opzicht heeft het een nadelig effect, nog even los van het
feit dat iedereen er ook klaar voor is om die stap te gaan zetten.
Ik denk dat het betoog dat ik net heb gehouden, eigenlijk ook een
antwoord is op de vraag van de heer Terpstra of ik de gemeenten ga
ondersteunen. Het antwoord is: we hebben daar gewoon goede afspraken
over gemaakt. Als zou blijken dat die kosten en baten niet in balans
zijn, dat gemeenten in de problemen komen en dat niet redden, dan gaan
we samen naar oplossingen kijken. Dan kun je ook niet uitsluiten dat dat
financieel bijspringen betekent. Op die afspraak kunnen de gemeenten
vertrouwen.
Mevrouw Van Eijs en de heer Van Gerven vroegen ook nog: kan dat nou ten
koste gaan van andere taken bij gemeenten? Die vraag begrijp ik ook heel
goed. Ik kan natuurlijk niet voor de gemeenten spreken. We hebben
wethouders financiën die naar het geheel kijken. Maar ik denk dat als de
financiële effecten anders zijn dan we op dit moment denken, we op basis
van de afspraken die we gemaakt hebben en het vertrouwen dat er is, met
alle gemeenten weer bij elkaar kunnen komen en daar een oplossing voor
vinden. Daar kunnen alle gemeenten mee uit de voeten. Daarmee vind ik
het onwaarschijnlijk dat gemeenten keuzes moeten maken ten koste van
andere taken. Maar goed, ik kan hier natuurlijk niet voor alle gemeenten
spreken.
Voorzitter, dat waren wat mij betreft de financiën.
De voorzitter:
Ik heb in ieder geval een interruptie van de heer Smeulders. Ik kijk
even of er verder nog interrupties zijn. Ja, van de heer Van Gerven.
Meneer Smeulders, gaat uw gang.
De heer Smeulders (GroenLinks):
Er is heel veel gezegd. Het is lastig dat wij dat KPMG-rapport niet
hebben. De minister kan wel zeggen dat ze er alle vertrouwen in heeft
dat het goed komt met het geld, maar we hebben een stuk van de VNG
gehad, waarin de VNG zegt: wij maken ons daar grote zorgen over. Ook
tijdens het VNG-congres is daar bijna unaniem een motie over aangenomen.
Als ik dan in de krant lees dat er een KPMG-rapport is — wij krijgen dat
over een paar maanden — waarin staat dat het tot 1,8 miljard gaat
kosten, dan weet ik gewoon niet hoe ik het met elkaar moet rijmen. Het
klopt dat de gemeenten — dat wil ik meteen zeggen — best positief zijn
en zeggen: we moeten het gewoon gaan invoeren. Maar dit is wel het grote
punt waar zij zich heel erg veel zorgen over maken. Kan de minister dus
bevestigen — dat is voor ons een heel belangrijk punt — dat de
Omgevingswet en de invoering daarvan decentrale overheden meer gaat
kosten dan opleveren? Ze zegt: we moeten zien hoeveel baten de wet
oplevert. De bestuurders die ik gesproken heb, zeggen: wij zien op dit
moment geen baten; wij zien alleen maar kosten en geen baten. Kan de
minister daarop reageren?
Minister Ollongren:
Ik kan dat natuurlijk niet bevestigen. Dat is ook niet het uitgangspunt.
Nogmaals, dat KPMG-rapport is in wording. Alle partijen die u en ik
spreken, zijn daar gewoon bij betrokken. Ik heb het over de gemeenten,
de VNG en alle andere bestuurlijke partijen. De VNG vraagt er aandacht
voor, en terecht. Ik begrijp dat heel goed. De VNG heeft een motie
ingediend bij het VNG-congres. Die motie zegt dat de gemeenten
geconsulteerd moeten worden op basis van de onderzoeken die begin
volgend jaar compleet zijn. Eventuele andere belangrijke momenten worden
ook in die motie genoemd. Er wordt in die motie ook opgemerkt dat de
kosten in tien jaar terugverdiend moeten kunnen worden. Als dat niet
kan, zouden de gemeenten een beroep op het Rijk moeten kunnen doen. Dat
zijn allemaal uitspraken die prima passen binnen de afspraken die ik met
de VNG en met andere koepels — we moeten niet vergeten dat er ook nog
andere overheden bij zijn betrokken — heb gemaakt. We weten nu grosso
modo dat KPMG heeft gekeken naar de invoeringskosten. Maar alle
betrokkenen zullen beamen dat het aan de batenkant nog helemaal niet
gereed is. Daar kunnen we dus nog geen cijfer op plakken. Ik kan dus
niet beamen wat de heer Smeulders zegt. Maar mocht het wel zo blijken te
zijn — dat zal verderop pas blijken — dan geldt altijd nog de
onderliggende afspraak die we met elkaar hebben gemaakt.
De voorzitter:
De heer Smeulders, aanvullend.
De heer Smeulders (GroenLinks):
Als ik het goed begrijp, zit het dus als volgt. Het invoeren kost veel
geld. Dat geld moeten gemeentes — dat weet de minister, omdat ze
minister van Binnenlandse Zaken is en over het Gemeentefonds gaat —
voorschieten, terwijl ze al een zeer, zeer, zeer krappe financiële
positie hebben, onder meer door de andere decentralisaties en de
financiële fiasco's die daarmee gepaard zijn gegaan. Dan hopen we dat we
ergens de komende tien jaar voldoende geld gaan terugverdienen. Niemand
kan mij vertellen waar dat inverdieneffect zit. Maar we hopen dat het
gaat gebeuren. Dan gaan we in 2029 kijken of het gelukt is of niet. Dan
kunnen ze bij de opvolger van deze minister terecht om te kijken of ze
mogelijk wat geld terugkrijgen. Is dat een goede analyse?
Minister Ollongren:
Nee. Zo ken ik de heer Smeulders ook helemaal niet. Hij doet mij tekort,
maar hij doet ook de gemeenten bijzonder veel tekort. Natuurlijk niet.
Nee, de gemeenten zouden wel gek zijn om afspraken voor 2029 te maken.
Ik schetste net wat in de motie van de VNG staat. Begin 2021 weten we
als het goed is meer, omdat we dan gezamenlijk hebben kunnen kijken wat
de kosten en de baten grosso modo zijn. Het is best lastig voor de
gemeenten om die in beeld te brengen. Maar dit is natuurlijk niet het
eerste moment. De gemeenten zijn al veel langer betrokken bij dit hele
traject. De gemeenten staan te springen om de Omgevingswet in te voeren.
De Omgevingswet heeft — even los van de financiële baten, die nog even
op zich laten wachten — enorme baten voor hun dienstverlening. Zij
willen dus heel graag overgaan tot de Omgevingswet. Dat geldt ook voor
bestuurders die ik spreek uit de partij van de heer Smeulders. Dus nee,
wij hebben hele goede onderliggende afspraken gemaakt en gemeenten
hoeven niet te wachten tot 2029.
De heer Van Gerven (SP):
Ik ga hierop door. Als ik het goed beluister ... Het uitgangspunt is dat
de gemeenten er niet beter en ook niet slechter van worden. Dat was de
uitspraak van de minister zelf. Als de rekensom van kosten en baten per
saldo negatief is, dan zou compensatie in de rede liggen. De vraag is
natuurlijk wanneer dat aan de orde is en aan welke bandbreedtes de
minister dan denkt. De minister kent natuurlijk ook de begroting van de
gemeentes. Zij begroten voor pak 'm beet vier jaar. Het is dus niet te
voorspellen wat de baten zijn over 2029, maar de kosten van 2022 zijn
wel in beeld. Dan heb je toch een negatieve begroting in gemeenteland?
Leidt dat dan niet tot bezuinigingen op andere belangrijke zaken? Ik
noem maar de bekende bibliotheek als voorbeeld.
Minister Ollongren:
Nou, ik citeerde de financiële afspraak uit 2015. Die is door mijn
voorganger gemaakt. Die afspraak was dat overheden er financieel niet
beter door hoeven te worden, maar ook niet slechter. Dat is de basis, de
onderlegger eigenlijk, onder alles. Nadien is er natuurlijk heel
uitvoerig overleg geweest, ook over de financiën; onlangs nog met alle
medeoverheden. Aan die uitgangspunten hebben we een aantal dingen
toegevoegd. We hebben gezegd dat we het met elkaar heel goed gaan
monitoren. We hebben met elkaar een opdracht gegeven en werken daar zelf
aan mee om het echt nog veel beter in beeld te brengen. Dat gaat zowel
over de transitie-invoeringskosten als over de baten. We hebben ook
gezegd dat we weer bij elkaar komen als het dan onverhoopt financieel
ergens blijkt te knellen, en dat we daar dan een oplossing voor gaan
bedenken en afspreken met elkaar. Het is dus een procesafspraak, een
bestuurlijke afspraak, die ook basis geeft voor bestuurlijk vertrouwen,
over en weer. Die staat zwart-op-wit. De VNG heeft daar ook nog het een
en ander over gezegd. Daar kan iedereen op terugvallen. Waarom is het
nou niet nog veel preciezer dan dat? Ja, omdat we het nog niet preciezer
weten op dit moment. Dit geeft alle partijen voldoende comfort om te
zeggen: op basis hiervan durven wij de volgende stap te zetten.
De heer Van Gerven (SP):
Nou, ik denk dat de wethouder financiën toch onvoldoende comfort wordt
geboden met dit antwoord van de minister. Laten we de gemeentebegroting
nemen van gemeente X. Die maakt een begroting van 2022 tot 2026. Dan zie
je aan de kostenkant allerlei kosten voor de invoering van de
Omgevingswet en dat soort zaken, maar je ziet geen batenkant. Daar zal
dan ongetwijfeld p.m. staan en dat betekent een negatieve impact op de
begroting. Dan moet je de belastingen verhogen, maar dat kan een
gemeente maar beperkt. Of je moet iets anders doen. Kan de minister daar
toch nog eens op ingaan, want dat is dan toch de realiteit? Zou de
overheid c.q. de minister van Binnenlandse Zaken toch niet wat meer
comfort moeten bieden aan de gemeenten?
Minister Ollongren:
Nee, want ik heb goede afspraken gemaakt met de gemeenten. We hebben
afgesproken dat alle bestuurslagen zelf staan voor de invoeringskosten.
Daar hebben de gemeenten mee ingestemd en die hebben dat gewoon begroot
voor de komende periode. Nogmaals, de onderliggende afspraken staan. Ik
heb in mijn inleiding ook gezegd dat ik niets afdoe aan de financiële
problematiek van gemeenten. Daar ben ik me zeer van bewust, maar deze
afspraken staan ook! Die staan al vrij lang. Gelukkig spreken we
regelmatig met elkaar en heb ik ook van de VNG en de gemeenten
daarachter meer dan voldoende zekerheid gekregen dat ze op basis van
deze afspraken verder willen gaan.
De voorzitter:
Dan gaan we daarmee door naar het kopje wetgeving. O, excuus. Er is nog
een interruptie van mevrouw Van Eijs.
Mevrouw Van Eijs (D66):
Ik wist niet of er nog een interruptie van iemand anders kwam, want ik
had niet zo goed opgelet. Nu het toch over financiën gaat, vroeg ik me
af of we de vergelijking wel eerlijk trekken. Want inderdaad: op dit
moment is het niet zo dat de ruimtelijke ordening al kostendekkend is,
toch? Ik bedoel het in die zin dat een vergunning voor een dakkapel de
burger niet kost wat die de gemeente uiteindelijk kost qua werk en
moeite. In die zin zijn er dus wel degelijk soms baten te verwachten en
is het ook niet zo alsof gemeenten nu geen winst draaien, als het goed
is, op ruimtelijke ordening, toch?
Minister Ollongren:
Nee. Het is volgens mij ook niet de bedoeling dat er winst gedraaid
wordt, maar door de vereenvoudigingsslag en de andere manier van werken
zullen er op een andere manier baten zijn voor de medeoverheden. Direct
bij inwerkingtreding zijn er baten in de vorm van bijvoorbeeld
milieuleges die ze gaan heffen. De gemeenten hebben daar zelf natuurlijk
het beste inzicht in, maar er zullen al vrij snel vanaf inwerkingtreding
baten optreden, niet in de zin van winstgevendheid, maar wel in de zin
dat andere kosten niet gemaakt worden en bepaalde leges zullen moeten
worden uitgeschreven.
De voorzitter:
Er is geen aanvullende vraag. De vraag is voldoende beantwoord. Daarmee
gaan we naar het blokje wetgeving.
Minister Ollongren:
Ja. Bij de wetgeving mag ik misschien beginnen met de vraag van de heer
Terpstra over de luchtvaart. Omdat hij daar zo nadrukkelijk naar vroeg,
is het misschien goed om te schetsen dat ik samen met de
staatssecretaris van IenW … Eigenlijk moet ik zeggen "de
staatssecretaris van IenW en ik", omdat de collega's altijd het eerste
aan zet zijn als het gaat om de inhoud. Wij zijn van plan het
aanvullingsspoor geluid voor het einde van het jaar vast te stellen en
bekend te maken, dit natuurlijk in verband met de voortgang van de
Omgevingswet. Daarbij heeft één onderdeel extra aandacht: de regels over
het meewegen van geluid van luchtvaart in de totale geluidsbelasting van
woningen. De regels hierover zijn geactualiseerd. Hierdoor wordt beter
zichtbaar hoeveel hinder er werkelijk is op een locatie waar gebouwd
gaat worden. Met name vanuit de regio Schiphol bestaat de vrees dat
hierdoor geen woningen zouden kunnen worden gebouwd. Ik vind het, met de
collega's van IenW, van belang dat in de regio Schiphol wel gebouwd kan
worden. Naarmate het geluidsniveau op een plek hoger wordt, moet er
steeds beter gemotiveerd worden waarom er wel gebouwd kán worden. Ik
dacht dat mevrouw Van Eijs dat ook zei. Je moet transparant zijn over
alles: over de gezondheidseffecten, over de balans die je moet vinden
tussen beschermen en benutten. Dat vindt eigenlijk iedereen, ook de
regio.
Ik ben met de collega's van IenW, met de VNG en met de regio zelf in
overleg over de cumulatieregeling. Samen gaan we de effecten daarvan
bezien. We willen allemaal heel serieus de woningbouw én de gezondheid
meewegen. Ik kan me eigenlijk niet voorstellen dat er iemand is die dat
niet wil, dus dat je niet een goede balans daartussen wil vinden. Ik
denk dat je die doelen steeds voorop wil zetten, maar ik vermoed dat de
heer Terpstra dat ook wil. Dus: woningbouw aan de ene kant en gezondheid
aan de andere kant. We willen ook echt ruimte geven aan een zorgvuldige
afweging op dat gebied, zodat er een ook door de regio gedragen
oplossing uit kan komen. Dat doen we door een overgangsbepaling. Zo
laten we de huidige rekenregel voorlopig staan totdat we dat proces met
elkaar hebben afgerond. Dan nemen we op basis daarvan weer een nader
besluit. Dat is een oplossing die ons in staat stelt om met de
Omgevingswet door te gaan, om tegelijkertijd ruimte te maken voor dat
gezamenlijke traject rond de rekenregels en om uiteindelijk een goede
afweging te maken.
De voorzitter:
Het blokje is toch nog niet voorbij? Of wel?
Minister Ollongren:
Nee hoor, voorzitter, u heeft helemaal gelijk. Ik ga alleen nu verder
met de houtopstanden. Dat is wel een beetje een ander thema, maar het
heeft wel met de wetgeving te maken. De heer Smeulders vroeg hiernaar.
Collega Schouten, de minister van LNV, is in overleg met de koepels over
de houtopstanden. Die gesprekken verlopen constructief, zo is mij
gemeld. We kijken of het nog nodig is om hier iets aanvullends op te
regelen en, zo ja, in welk spoor dat zou moeten.
Mevrouw Van Eijs vroeg naar de motie Van Eijs/Dik-Faber over
streefwaarden. Ter uitvoering van die motie komt er een onderzoek naar
streefwaarden voor natuur en milieu. Als de uitkomsten er zijn, zal ik
de Kamer daar uiteraard over informeren. Deze motie hoorde bij het AO
NOVI.
De heer Smeulders vroeg waarom de Omgevingswet geen totaalbeeld geeft
van alle activiteiten. De Omgevingswet gaat over plaatsgebonden
activiteiten: het kappen van een boom, de aanleg van een windpark. Deze
wet gaat dus niet over alles. Zo gaat deze wet bijvoorbeeld niet over
wegverkeer. Voor wegverkeer is een aparte wet, net als voor
luchtverkeer. Maar er kunnen wel interacties bestaan tussen bijvoorbeeld
luchtverkeer en activiteiten op de grond. Dan kan het gaan over geluid
of over veiligheid. Dan worden regels wel onder de Omgevingswet
gebracht. Het stelsel zal altijd in ontwikkeling blijven. Dat zult u,
denk ik, ook zien in de toekomst. Je kunt keuzes maken om er nog
onderdelen aan toe te voegen of niet.
De heer Van Otterloo vroeg naar het Bouwbesluit en wanneer dat zou
worden gewijzigd. Op korte termijn zijn twee wijzigingen van het
Bouwbesluit voorzien. Eentje volgt per 1 januari, namelijk een wijziging
van het Bouwbesluit inzake regels over de energieprestatie van gebouwen.
Dat is al per 1 januari aanstaande. Daarna volgt ergens in 2021 — wat
mij betreft komt die er zo spoedig mogelijk — nog een verzamelwijziging.
Die gaat voornamelijk over de brandveiligheid en milieuprestatie. Die
verzamelwijziging moet eerst nog worden genotificeerd bij de Europese
Commissie. Vandaar dat dit nog even tijd kost.
De heer Van Otterloo (50PLUS):
Voorzitter ...
De voorzitter:
Meneer Van Otterloo, wilt u een interruptie plegen? We wilden namelijk
graag even het blokje afmaken. Ik noteer u als tweede voor een
interruptie als het blokje klaar is. De heer Terpstra heb ik als eerste
genoteerd.
De heer Van Otterloo (50PLUS):
Dat blokje is voor 1 januari wel klaar, dus dat komt helemaal
goed.
De voorzitter:
Het komt helemaal goed.
Minister Ollongren:
Zeker.
De voorzitter:
De minister.
Minister Ollongren:
Dan nog twee punten in het blokje wetgeving. Ten eerste de participatie.
Moet die niet bij alle projecten beter worden geregeld, vroeg de heer
Smeulders. We hebben ook de motie-Nooren, een motie uit de Eerste Kamer
over de motiveringsplicht. Die plicht is uitgebreid door die motie;
decentrale overheden moeten bij vaststelling ook aangeven hoe invulling
is gegeven aan hun eigen participatiebeleid. Bij plannen die niet van de
overheid komen, moet de aanvrager het aanvraagvereiste participatie
invullen. Dus ook daar gelden participatieregels.
Het bevoegd gezag kan de aanvrager ondersteuning bieden bij de
vormgeving van de participatie. Daar zijn handreikingen voor,
stappenplannen, dat soort zaken. Maar uiteindelijk is het aan het
bevoegd gezag om alle belangen te inventariseren en een zorgvuldige
afweging te maken, ook als een initiatiefnemer niet aan die participatie
heeft gedaan. De goede belangenafweging is op die wijze dus altijd
geborgd.
Tot slot op dit punt en een beetje in het verlengde ervan vroeg de heer
Nijboer nog of bewoners in voldoende mate kunnen meebeslissen over hun
omgeving. Ik denk dat we ons door deze manier van werken ervan
verzekeren dat de omgeving juist altijd in een heel vroeg stadium wordt
betrokken, of het nou plannen van de overheid betreft of plannen van
andere initiatiefnemers. Door die vroegtijdige participatie, zo is mijn
overtuiging, worden die plannen beter en wordt er meer gedacht vanuit de
omgeving. Het is dus juist heel belangrijk dat iedereen mee kan doen.
Het zal natuurlijk niet altijd lukken om iedereen tevreden te stellen,
dat is natuurlijk vrijwel onmogelijk, maar je kan wel zorgen dat mensen
aan de voorkant hun belang onder de aandacht hebben kunnen brengen. Het
wordt dus een andere manier van werken met die regels voor participatie,
een andere manier van denken, echt met meer ruimte aan de voorkant voor
ruime participatie.
Voorzitter. Hierna het DSO, maar tot zover het blokje wetgeving.
De voorzitter:
Dan gaan we eerst dit blokje even bemerken, zou ik zeggen. Meneer
Terpstra, uw interruptie.
De heer Terpstra (CDA):
Ik kom toch even terug op het eerste punt uit dit blokje, de
geluidsregels. Enerzijds is de minister keihard bezig met het afsluiten
van woondeals en het bevorderen van woningbouw, nieuwbouw, via de
woningbouwimpuls. Dat gebeurt aan de ene kant. Aan de andere kant zien
we nu dat er met dit Aanvullingsbesluit geluidsnormen, dus striktere
geluidsnormen, een soort zwaard van Damocles boven de markt hangt voor
wat betreft nieuwbouw. De minister geeft aan bezig te zijn met de
uitwerking. Maar tegelijkertijd lees ik dat het geluidspoor dwingend is
en dat er geen ruimte is voor een lokale afweging. Hoe rijmt de minister
deze twee grootheden? Enerzijds wil zij bouwen, aan de andere kant
stagneert en frustreert zij de woningbouw met strengere regels.
Minister Ollongren:
Dit is een specifiek probleem, dat in één regio ontstaat, de regio
Schiphol, doordat de regels over het meewegen van geluid worden
geactualiseerd. Eigenlijk bent u bij mij misschien niet helemaal aan het
goede adres. Wel natuurlijk voor de woningbouw maar minder voor de
geluidsregels. Maar het kabinet spreekt altijd met één mond, dus ik kan
hier ook spreken voor mevrouw Van Veldhoven. Ik heb geprobeerd zonet
duidelijk te stellen dat we juist vanwege dit punt hebben geprobeerd om
een oplossing te vinden die niet alleen maar over de regeltjes gaat,
maar die zich juist afspeelt binnen de twee doelstellingen die wij
hebben, namelijk woningbouw, ook in die regio, waar dat natuurlijk heel
belangrijk is, en de gezondheid van mensen. Daarvoor hebben we in het
proces gezegd extra tijd te creëren voor onszelf door middel van die
overgangsbepaling — ik denk dat dat in ieder geval deels tegemoet zal
komen aan de zorg van de heer Terpstra — om te zien hoe we dit het beste
kunnen oplossen. Als we woningbouw en gezondheid vooropstellen en er met
de regio uitkomen, denk ik dat we er uiteindelijk ook wel uitkomen hoe
we het in regelgeving moeten vastleggen. Daar hebben we dus nu de tijd
voor door die overgangsbepaling.
De voorzitter:
De heer Terpstra nog, aanvullend.
De heer Terpstra (CDA):
Jazeker. De minister geeft aan dat het Schiphol betreft. Dat klopt, maar
het betreft niet alleen Schiphol. Alleen voor Schiphol en de
Metropoolregio Amsterdam hebben we het al over tienduizenden woningen,
mind you. Het gaat over grote aantallen woningen. Het tekort is
gigantisch groot. Wat betreft de Omgevingswet gaf de minister in haar
inleiding aan dat er regie moet zijn, maar ook ruimte voor lokale
afweging. Een ander uitgangspunt ... Ja, ik probeer het gewoon even aan
elkaar te rijgen. Een ander uitgangspunt van de Omgevingswet was dat we
dat beleidsneutraal zouden uitvoeren. Nu komen er toch aanvullende
geluidsregels, die toch zeker een dwingend karakter hebben en toch zeker
de woningbouw kunnen frustreren. Daar is iedereen het volgens mij over
eens. De minister erkent dat ook en zegt: we gaan een overgangsperiode
hanteren. Is de minister — dat is mijn vraag aan de minister — dan niet
bereid om gewoon de huidige regels beleidsneutraal over te nemen en dan
in overleg met de regio te kijken hoe we eventueel tot verscherping van
die rekenmethode kunnen komen? Dat zou veel logischer zijn, in mijn
optiek, en ook veel meer passen bij het uitgangspunt van de
Omgevingswet, en het frustreert de woningbouw niet. Is dat geen
oplossing volgens de minister?
Minister Ollongren:
Nou, de heer Terpstra weet dat er al heel erg lang wordt gesproken over
bouwen rondom Schiphol. Daarbij spelen een heleboel overwegingen een
rol, niet in de laatste plaats de veiligheid. Maar goed, als we het even
beperken tot waar het hier over gaat, de Omgevingswet, dan gaan we er
altijd van uit dat de verantwoordelijke overheden moeten beargumenteren
waarom ze ergens willen bouwen. Specifiek in het geval van Schiphol en
geluid denk ik dat we ook reëel moeten zijn. Het zou niet zo veel zin
hebben om te bouwen op een plek waarvan je weet dat je er tegen dat
geluidsprobleem aanloopt, nog even los van die norm, als je geen
oplossing daarvoor hebt. Ik ben ervan overtuigd dat daar een oplossing
voor kan komen. Zo heb ik het ook met de collega van IenW
besproken.
Als we straks deze tijd hebben benut om tot een gezamenlijk beeld te
komen en nieuwe inzichten hebben in die geluidshinderbeleving ... En die
is natuurlijk wel echt, hè? Het gaat niet over een spreadsheet of zo;
het gaat over een echte geluidshinderbeleving van mensen. Die moet je
oplossen. De Omgevingswet is dus niet zozeer het probleem, want we gaan
uit van dat lokale maatwerk en we gaan ook uit van woningbouw en de
grote urgentie daarvan, zeker in die regio. Maar ik vind wel dat je een
reële afweging moet maken ten aanzien van geluid. Als de deskundigen nu
wijzen op een bepaalde geluidsproblematiek, dan zijn we natuurlijk wel
gehouden om daar iets aan te doen, ook in de manier waarop we dat meten
en in de gaten houden. Maar nogmaals, we leggen ons nu niet vast. We
creëren nu de ruimte om goed met elkaar te overleggen. We moeten
natuurlijk ook gewoon heel transparant zijn over hoe we dat dan wel
zouden willen vastleggen. Dat doen we dus ook pas nadat we die conclusie
met elkaar hebben getrokken. We moeten eerst de feiten en de
consequenties goed onder ogen zien en daarna pas een besluit daarover
nemen.
De voorzitter:
De heer Terpstra nogmaals.
De heer Terpstra (CDA):
De minister blijft zeggen: Schiphol. Schiphol is inderdaad een grote
plek, maar dit geldt natuurlijk niet alleen voor Schiphol, maar ook voor
Rotterdam, Eindhoven en Maastricht. Dat zijn allemaal plekken waar veel
woningen nodig zijn. De minister geeft aan dat dit aanvullingsbesluit,
dat onderdeel uitmaakt van de Omgevingswet — daarom bespreken we het
hier nu ook — wel een dwingend karakter heeft. Daar gaat ze in mijn
optiek aan voorbij. Ze verscherpt deze maatregelen. Daar zou best sprake
van kunnen zijn. Dat ontken ik ook helemaal niet. Ik probeer alleen de
vinger te leggen op de inconsequentie van de Omgevingswet. Enerzijds wil
die ruimte bieden voor lokaal maatwerk. Aan de andere kant is er het
dwingende karakter van dit aanvullingsbesluit. Dan denk ik: het
uitgangspunt was dat we de Omgevingswet beleidsneutraal zouden invoeren.
Op dit moment, als we het spoor van dit dwingende aanvullingsbesluit
blijven volgen, gaan hele gebieden op onleefbaar en wordt de woningbouw
gefrustreerd. Dus nogmaals mijn vraag: het is prima om dat nader uit te
werken met de regio's die het betreft, maar kunnen we dan niet beginnen
door het beleidsneutraal in te voeren, zodat in ieder geval dat zwaard
van Damocles voor die nieuwbouw van tafel is?
Minister Ollongren:
Volgens mij heb ik dat eigenlijk al toegezegd. Ik heb gezegd dat die
oude rekenregel intact blijft totdat we besluiten dat we naar een nieuwe
rekenregel kunnen gaan. Eerlijk gezegd denk ik dat dit een logische
opmerking was geweest op het moment dat de Kamer sprak over het
onderdeel geluid. Nu zijn we eigenlijk één stap verder. Nogmaals,
iedereen mag altijd alles vragen, maar ik heb de heer Terpstra volgens
mij al gerustgesteld. We blijven namelijk werken met die oude
rekenregel, omdat we zelf ook al hebben ingezien dat we eerst een
materiële oplossing moeten vinden. Dat is een gezamenlijk traject dat we
nu zijn ingegaan. Volgens mij doet het probleem zich dus niet voor, en
zodra er een oplossing is, zal ik de Kamer daar graag over informeren,
samen met Stientje van Veldhoven.
De voorzitter:
Uw laatste interruptie, meneer Terpstra. Het kan nog.
De heer Terpstra (CDA):
Zeker. Dit is de laatste keer, voorzitter. Ik probeer toch met de
minister tot een oplossing te komen om duidelijkheid te creëren. Dit is
mijn laatste vraag. Ik interpreteer de minister als volgt. De lokale
afweging die gemeentes nu nog kunnen maken om wel of niet te bouwen
rondom luchthavens, bijvoorbeeld Schiphol, maar ook Eindhoven,
Maastricht en Rotterdam, blijft behouden met de huidige wetgeving voor
geluidshinder. Kan de minister dat bevestigen? We gaan geen verscherpte
geluidsnormen hanteren. Is dat correct?
Minister Ollongren:
U spreekt hier met de bewindspersoon die verantwoordelijk is voor de
Omgevingswet. De heer Terpstra heeft al een paar keer gezegd: dat zouden
we toch beleidsneutraal doen? Ja, dat is ook zo, maar er zijn natuurlijk
wel ontwikkelingen. De wereld staat niet stil. Nederland staat niet
stil. En ook wat betreft die geluidsnormen staat het niet stil. Dat is
niet een politieke keuze. Dat is gewoon een ontwikkeling die zich
toevallig nu voordoet, terwijl we bezig zijn met de Omgevingswet. Daar
moet de collega van IenW zich toe verhouden. Dat kan niet anders. Dat is
niet iets wat afgedwongen wordt door de Omgevingswet, maar een
ontwikkeling die zich los van de Omgevingswet voordoet. Omdat we dat ook
zagen, hebben we gezegd: het is lastig, want we hebben én een
woningbouwopgave én we zitten in de transitie naar de Omgevingswet én er
is behoefte vanuit deskundigen om ook te kijken naar de regels rondom
geluid. Hoe gaan we dat bij elkaar brengen? Daarvoor geven we onszelf
wat tijd door een overgangsbepaling in te bouwen om het voor nu toch zo
veel mogelijk beleidsneutraal te houden. Ik zal de zorgen van de heer
Terpstra natuurlijk overbrengen aan de collega van IenW, maar voor nu
zou ik hem echt willen wijzen op de afspraak die we gemaakt hebben met
die overgangsbepaling.
De heer Van Otterloo (50PLUS):
Ik had een vraag gesteld over het Bouwbesluit, omdat we eerder dit jaar
een overleg hebben gehad over de vraag of het Bouwbesluit losgekoppeld
zou kunnen worden. Dat ging met name over de noodzaak om de
brandveiligheidseisen snel in te passen in het Bouwbesluit. Het is fijn
dat het Bouwbesluit er op 1 januari is, maar het hoofdpunt dat ik graag
wilde, is dat die brandveiligheidseisen er snel zouden komen. Mijn vraag
aan de minister is: hoeveel vertraging kunnen we verwachten? Als het in
een verzamelbesluit komt, wordt het dan niet extra vertraagd door andere
elementen die in dat verzamelbesluit zitten?
Minister Ollongren:
Het klopt dat de partij van de heer Van Otterloo zeer heeft aangedrongen
op die brandveiligheidskwestie. Daar ben ik hem ook heel erkentelijk
voor. Dat is ook goed. Die notificatie bij de Europese Commissie is
eigenlijk niet een vertraging, maar een processtap die moet worden
genomen. Dat zullen we natuurlijk allemaal zo snel mogelijk doen. De
verwachting is: zo spoedig mogelijk in 2021. Ik geloof ook niet dat het
feit dat het een verzamelwijziging is ... Die brandveiligheid is een van
de belangrijkste onderdelen van die wijziging. We houden de vaart er dus
in.
De voorzitter:
Daarmee is de vraag voldoende beantwoord. Dan gaan we door naar ...
Tenminste, als ik geen interrupties mis. Nee. Dan gaan we door naar het
kopje DSO, oftewel Digitaal Stelsel Omgevingswet. Ik heb het tussentijds
even opgezocht. Toen ik het kopje aankondigde, dacht ik: DSO, wat was
dat ook alweer? Maar nu weten de anderen dat ook: Digitaal Stelsel
Omgevingswet.
De heer Van Otterloo (50PLUS):
Wij kennen DSO veel meer als de Dienst Stadsontwikkeling dan als deze
nieuwe afkorting, maar dat is een ander verhaal.
De voorzitter:
Daarom heb ik het ... Volgens mij staat DSO toch echt voor Digitaal
Stelsel Omgevingswet. Dat heb ik tussentijds in de stukken kunnen
ontdekken. We gaan niet voor de Dienst Stadsontwikkeling, maar voor het
Digitaal Stelsel. Zo spreken we het hier af.
Minister Ollongren:
Zo is het maar net. Het zou mooi zijn als die afkorting een gevleugeld
begrip wordt, want het is toch een uniek systeem dat we aan het bouwen
zijn.
Er zijn veel vragen over het DSO en dat begrijp ik. Ze komen deels voort
uit het feit dat de Kamer zelf heeft aangedrongen op BIT-adviezen. Dat
is ook een goede interventie van de Kamer en daar ga ik zo ook iets over
zeggen. Het DSO is noodzakelijk om de rest te kunnen doen. Het DSO
bestaat uit een landelijke voorziening en uit lokale software bij de
bevoegde gezagen, dus de gemeenten en anderen. Beide componenten moeten
er zijn en moeten het doen om een werkend stelsel te hebben. Daarbij zie
ik geen grote olietanker met containers erop, maar juist een basis met
daarop bewegende onderdelen en een goed samenspel. Juist op basis van
eerdere adviezen is er niet gebouwd aan iets heel groots en heel
perfects, maar aan een basis die goed werkt en waar je vervolgens op
verder kunt bouwen. Het is dus meer een soort legoding dan het
containerschip van de heer Van Otterloo.
De heer Smeulders sprak een beetje alarmistisch over de stand van het
DSO. Dat begrijp ik wel, want ICT-ontwikkeling, een stelselherziening én
de combinatie daarvan is natuurlijk ook spannend. Dat is complex en
helemaal niet makkelijk. Daar moeten we ook niet te gemakkelijk over
doen. Maar we zijn er al een tijd mee bezig en we doen het ook niet
geïsoleerd. We doen het met al die andere partijen. Die zijn ook
medeopdrachtgever hiervan en van hun eigen softwareleveranciers. We
testen tijdens het bouwen van het DSO. We gebruiken al onderdelen ervan.
Op die manier krijg je eigenlijk de hele tijd feedback over wat er wel
en niet goed gaat. En we laten onafhankelijke en deskundige partijen
meekijken. Het BIT heeft al twee keer naar het DSO gekeken. Er zijn al
verschillende Gateway Reviews geweest. De Auditdienst Rijk kijkt
regelmatig mee.
Wat u onlangs hebt ontvangen, is het tweede BIT-advies en het tweede
Gatewayadvies. Ik loop net als sommigen van u al wat langer mee hier en
weet dus dat BIT-adviezen eigenlijk altijd kritisch zijn. Dat is ook
goed. Daar zijn ze ook voor en het helpt dat ze kritisch zijn. We nemen
de aanbevelingen ook over. Prima dus, die kritische spiegels die ons
worden voorgehouden. Zo moet je het ook doen in zo'n operatie: de hele
tijd kijken wat er goed gaat en wat niet, en wat er beter moet. Zo zie
ik ook het BIT-advies.
Ik lees ook weleens ergens "uitgekleed DSO", maar dat is helemaal niet
het geval. Wij hebben er juist voor gekozen om iets te maken wat in de
basis goed werkt. Dat betekent dat we eind van dit jaar zo ver zijn met
dat basisniveau dat het geschikt is om mee te gaan starten. Dan gaat het
weliswaar om oefenen, want we hebben onszelf nog dat extra jaar gegeven.
Dat is eigenlijk ook wat het BIT-advies zegt. Dat zegt: ga door, zorg
dat je die datum haalt, ga niet het DSO nog verder ontdoen van dingen en
zorg ervoor dat je specifieke onderdelen die je later in gebruik zou
willen nemen, pas doet als er ergens in de resterende ontwikkeling iets
tegen zou zitten. Ze zeggen dus: ga door met die basis, gebruik dat jaar
om er heel goed mee te oefenen en wees erop voorbereid dat je specifieke
onderdelen die je voor iets verderop in het traject klaar hebt liggen,
misschien nog net iets langer kan laten liggen als dat nodig zou zijn.
Dat is wat het BIT zegt. De Gateway is positief over hoe de adviezen van
de vorige Gateway zijn opgevolgd. Ze zijn positief over de implementatie
in het land. Dat is dus goed om te horen.
Samenvattend: het zal nog best een uitdaging zijn, om even dat sleetse
woord te gebruiken, maar wel een haalbare uitdaging. Dat is wat ik haal
uit beide adviezen.
Misschien moet ik nog een paar dingen zeggen over het BIT-advies. Dat
ging over de periode tot mei van dit jaar. De aanbevelingen zijn de
volgende: zorg voor een grondige validatie en test breder en dieper. De
testfase is de fase die we nu ingaan. Ze doen ook de aanbeveling om alle
bestuurlijke en managementaandacht te richten op het afbouwen en live
brengen van het digitale stelsel. Dat zei ik zonet al. Een andere
aanbeveling: temporiseer de grootschalige uitbouw, maar hou vast aan de
datum van 1 januari. Dat is kort samengevat wat het BIT-advies zegt. En
nogmaals, ik neem alle aanbevelingen van het BIT over.
Over de Gateway heb ik al het een en ander gezegd. Dat er natuurlijk
altijd nog kanttekeningen zijn, bijvoorbeeld bij het aandringen van de
andere bestuurlijke partijen op het nemen van dat definitieve besluit,
herken ik heel erg. De gemeenten werken bijvoorbeeld met
softwareleveranciers. Die moeten een planning maken en zijn gebaat bij
voorspelbaarheid. Het nemen van een besluit stelt de bestuurlijke
partijen in staat om ook aan hun kant definitieve besluiten te nemen. Op
een gegeven moment zit iedereen anders op iedereen te wachten. We hebben
binnen het DSO koplopers; dat zie je duidelijk. Dat zijn gemeenten en
andere partijen die al helemaal klaar zijn en het liefst vandaag al
zouden beginnen. Zij accepteren dat dat niet kan. We hebben ook een
klein groepje achterblijvers, maar die hebben we ook heel duidelijk in
beeld. We weten wie het zijn en er wordt met hen overlegd over wat hun
problemen zijn en hoe wij kunnen helpen om die op te lossen.
De vraag van de heer Terpstra heb ik, denk ik, al beantwoord. Hij vroeg
welke problemen zich nog zouden kunnen voordoen en welke waarborgen er
dan zijn. Ik denk dat ik die vragen grotendeels heb beantwoord. Nog even
heel specifiek: de kritieke onderdelen waar het volgens het BIT om ging,
die zijn er, namelijk de planketen, de machtiging en de
productieplatformen bij beheersorganisaties. Die zijn op tijd gereed. Zo
zien zij dat nu. Het lijkt er niet op dat we daarvoor noodmaatregelen
hoeven te treffen, maar we hebben het wel in beeld. Extra testen tijdens
het oefenjaar is belangrijk op het pad naar inwerkingtreding naar
volgend jaar.
Mevrouw Regterschot vroeg naar het kleine groepje achterblijvende
overheden. 87% van de overheden is al aangesloten of ingepland, dus 13%
is dat nog niet. Dat zijn dus precies diegene die wij heel precies
nagaan en waarmee we in gesprek gaan over wat er nog moet gebeuren zodat
zij ook die laatste stap kunnen zetten. We hebben daar ook een
uitgebreid programma voor. Dat wordt overigens ook door de koepels
ondersteund. Dat is heel gericht. We kunnen gewoon Regionale
Implementatiecoaches Omgevingswet, RIO's, inzetten. Die kunnen helpen.
Verder zijn er handreikingen en voorbeeldprocessen, dus niemand hoeft
dat wiel helemaal zelf uit te vinden. Dat is allemaal beschikbaar. Er is
een zogenaamd migratieteam dat met de technische aansluiting kan helpen.
Wij denken dat het haalbaar is. Als er toch nog specifieke problemen
zijn bij specifieke overheden, dan gaan we die ook weer ondervangen en
hen verder helpen. Het hangt gewoon van het specifieke probleem af wat
zich voordoet.
De heer Van Otterloo vroeg naar het plan B. Plan B is eigenlijk om
steeds klaar te staan en ervoor te zorgen dat we ten eerste gewoon doen
wat er uit het BIT-advies en de Gateway Review komt en ten tweede om er
te zijn voor diegene die ergens tegen een probleem aanloopt. Zo doen we
dat. Dat is dus een hele praktische manier van werken, die goed
gaat.
Mevrouw Regterschot vroeg wat er nog ontwikkeld wordt in het DSO na
inwerkingtreding. We gaan beginnen met het basis-DSO en gaan dat
stapsgewijs uitbreiden. We hebben een uitbouwagenda opgesteld samen met
de bestuurlijke partners. We doen dat gewoon stapsgewijs na
inwerkingtreding. Daar zullen we de Kamer inderdaad jaarlijks over
informeren met de jaarlijkse voortgangsbrief.
De heer Smeulders vroeg of het niet slim is om ruimtelijkeplannen.nl
naast het DSO te laten bestaan. In feite is dat ook hoe het aan de
achterkant zal gaan werken. De database van ruimtelijkeplannen blijft
draaien op de achtergrond de komende negen jaar, dus tot 2029. De inhoud
van ruimtelijkeplannen.nl wordt via een overbruggingsfunctie zichtbaar
in het DSO. Denk aan bestaande bestemmingsplannen die nog geldig zijn na
de inwerkingtreding van de Omgevingswet conform het omgevingsrecht. Die
overbruggingsfunctie is af en we weten dat die werkt. Ik hoop dus dat de
heer Smeulders op dat punt gerustgesteld is.
De heer Van Gerven vroeg naar de geraamde kosten voor het DSO. De kosten
voor de landelijke voorziening van het DSO waren bij de start geraamd op
142 miljoen euro. De kosten voor het realiseren van het basisniveau van
de landelijke voorziening blijven nu binnen de oorspronkelijk gestelde
raming.
Over plan B heb ik het al gehad. Een andere opmerking van de heer Van
Otterloo was dat het DSO heel veel systemen aan elkaar knoopt. Is dat
risicovol, vroeg hij. Het DSO vervangt uiteindelijk natuurlijk gewoon de
huidige systemen. Ik zei al in antwoord op de heer Smeulders dat dat
gaat over ruimtelijkeplannen.nl, het Omgevingsloket en de activiteiten
van de internetmodule. Dat is het bestaande. Die zijn ook wel aan het
verouderen. Ze zijn niet toekomstbestendig en ook niet altijd even
gebruikersvriendelijk. Het is dus geen doel op zichzelf om die te laten
bestaan. We laten ze alleen maar bestaan voor zover dat nodig is in de
overgangsfase, zoals ik net ook in antwoord op de heer Smeulders zei.
Maar we vervangen natuurlijk uiteindelijk alles door dat ene landelijke
stelsel. Dat doen we in stapjes om risico's te vermijden. Ik denk dus
dat we juist heel erg rekening houden met de lessen uit het verleden om
niet alles in een keer te doen, want dan kan er iets fout gaan, maar om
het op en uit te bouwen. Lokale overheden sluiten hun systemen daar dus
op aan. Dat is de manier waarop het werkt.
Voorzitter. Tot slot over DSO en laaggeletterden. Daar vroeg de heer Van
Otterloo aandacht voor. Het DSO is zo gemaakt dat veel informatie in het
digitale loket begrijpelijk is voor mensen met taalniveau B1. Dat zeg ik
hier even. Het is een taalniveau dat door circa 95% van de Nederlanders
gelezen en begrepen kan worden. Dat is dus niet iedereen, maar wel een
groot deel. Gebruikers worden er in dat landelijke systeem beter
doorheen geholpen dan nu. We zullen ervoor zorgen dat het digitale loket
vaak — nu is voorzien dat het elk kwartaal gebeurt — wordt getest op
gebruikersvriendelijkheid. Door het voor te leggen aan echte gebruikers
kun je steeds je portaal verbeteren. We zullen het ook testen op
toegankelijkheid voor visueel gehandicapten. Mensen kunnen overigens nog
steeds altijd langsgaan bij het gemeentehuis om hulp te vragen. Een
papieren aanvraag blijkt ook mogelijk te zijn. Degenen die zouden willen
— dat zijn volgens mij de echte fanaten — kunnen ook nog een cursus gaan
doen. Op de bibliotheken wordt namelijk een cursus aangeboden. Die
cursus heet Klik & Tik. Nou, dat is toch mooi.
De voorzitter:
Volgens mij zijn we met Klik & Tik aan het einde van het blokje DSO
gekomen. Ik kijk even of er interrupties zijn. Ik zag de heer Van
Otterloo. Verder zag ik … Nee, meneer Terpstra, u bent weggestreept.
Meneer Van Otterloo, aan u het woord.
De heer Van Otterloo (50PLUS):
Ik heb twee opmerkingen. Ik weet niet of die 13% die nog niet
aangesloten is ... Ik had het volgende gevraagd. Er zijn verhalen dat
het op de helft van de plekken niet zo is. Het was voor mij onduidelijk
of het nou de helft van Nederland is, de helft van de inwonersaantallen
of de helft van de gemeenten. Dat soort geluiden zijn er. Ik wil dus
graag iets specifieker weten hoe het zit. Is het maar 13%? En bestaat
die 13% voornamelijk uit kleine gemeenten die nog niet zijn aangesloten
of waar het niet gebeurt? Of zijn het juist ook hele grote gemeenten met
complexe materie?
Minister Ollongren:
Ik kan dat zo meteen nog even navragen, maar 87% van de overheden is
aangesloten. Dat zijn niet alleen de gemeenten; dan hebben we het ook
over de provincies, de omgevingsdiensten, de waterschappen et cetera.
Volgens mij is dat aselect, om het zo maar te zeggen. Het is dus niet zo
dat in die 13% alle grote zitten. Maar ik laat het zo nog eventjes
opschrijven. Dan kom ik er nog op terug.
De voorzitter:
De minister komt daar in de tweede termijn op terug. Dan komen we nu bij
…
De heer Van Otterloo (50PLUS):
Dan het tweede punt. Ik had gezegd dat ik twee punten had,
voorzitter.
De voorzitter:
… de heer Van Otterloo.
De heer Van Otterloo (50PLUS):
Het tweede punt betreft het handhaven van de oude systemen op de
achtergrond gedurende de eerste periode. Daar sloeg mijn vergelijking
met de Voedsel- en Warenautoriteit op. Er waren problemen met het
aansluiten van de oude systemen op het nieuwe systeem. Je kunt wel
zeggen dat je aan de achterkant nog het oude systeem hebt, maar systemen
met elkaar laten praten is nog lastiger dan hier iedereen achter één
motie krijgen. Wat dat betreft is het niet zo simpel om te zeggen: we
hebben een systeem maar we houden het andere systeem. Die systemen met
elkaar laten praten is vaak een groot probleem.
Minister Ollongren:
Dat is waar. Dat is ook waarom ik zei dat die systemen op zichzelf
verouderen. Ze zijn ook niet altijd even gebruikersvriendelijk. Ze
moeten inderdaad op elkaar worden aangesloten. Dat is waar nu natuurlijk
aan gewerkt wordt. Als je de basis op orde hebt en je de modules later
wel op elkaar aan kunt sluiten, functioneert het wel. Vraag mij niet hoe
dat technisch precies werkt, maar dat basisuitgangspunt zit in het
systeem.
De voorzitter:
Dan komen we daarmee bij het blokje inwerkingtreding.
Minister Ollongren:
Even kijken waarmee ik zal beginnen. Misschien begin ik gewoon met hoe
het dan formeel in z'n werk gaat. Mevrouw Regterschot zei als eerste:
dat betekent dat na dit notaoverleg het KB wordt voorgehangen. Dat
klopt, want om de datum van inwerkingtreding formeel vast te kunnen
leggen, moeten we die stap zetten. Dan moet er een KB worden
voorgehangen in beide Kamers. Ik zou die volgende stap graag willen
zetten. Ik denk dat het daar tijd voor is en dat het verstandig is om
dat te doen na dit notaoverleg. Ik wil die stap zetten omdat ik het heel
belangrijk vind om de uitvoeringspraktijk duidelijkheid te geven. Ik
vind het heel belangrijk om te zeggen: wij in Den Haag, de beide Kamers
en het kabinet, willen die duidelijkheid geven over de inwerkingtreding,
zodat u bij de uitvoeringspraktijk ook uw laatste stappen gaat zetten.
Mensen wachten op dat signaal. Dat ligt ook een beetje in het verlengde
van wat de heer Terpstra aanhaalde: dat momentum is er nu ook. Als we
dat willen vasthouden van de uitvoerders tot de bestuurders dan denk ik
dat het goed is om die stap te zetten en die datum gewoon met elkaar af
te spreken en daar geen twijfel over te laten ontstaan.
Het vastleggen van die datum heeft dus wel een grote betekenis voor de
uitvoeringspraktijk. Uit dat hele jaar testen bijvoorbeeld zal
ongetwijfeld nog iets komen, en dat is alleen maar goed, maar dat kunnen
we dan aanpakken en verbeteren. Op de kosten komen we terug, maar de
basisafspraak over de kosten staat gewoon. Dus ik zeg nu eigenlijk dat
ik vind dat we zowel wat betreft de wetgeving als het DSO, de financiën
en het implementatietraject zo ver zijn dat we inderdaad die stap kunnen
zetten. Dus ik zou dat heel graag hierna willen doen.
Hoe werkt die voorhangprocedure? Het inwerkingstredings-KB wordt aan
beide Kamers voorgehangen. De wettelijke voorhangtermijn bedraagt vier
weken. De Kamer kan die periode benutten om een afweging te maken over
dat voorgestelde tijdstip voor inwerkingtreding. Al naar gelang de Kamer
zich daar wel of niet in kan vinden, is daar wel of geen debat over,
maar dat is uiteraard aan u. In de Eerste Kamer is het hetzelfde. Na die
voorhang en al dan niet debat en stemming kan de inwerkingtredingsdatum
definitief worden gemaakt.
Wat is dan de terugvaloptie of, om in de woorden van de heer Van
Otterloo te spreken, het plan B? Ik heb met de bestuurlijke partners
afgesproken dat wij alles op alles zetten om 1 januari 2022 te halen,
dat we de extra tijd van een jaar die we onszelf gegund hebben, heel
goed gaan gebruiken, dat we de implementatie goed in de gaten houden,
dat we heel goed monitoren of iedereen is aangesloten op het DSO en dat
we bijsturen als het nodig is. Daar is dan ook tijd voor nodig. Dat is
eigenlijk de afspraak die we hebben gemaakt en die wil ik graag gestand
doen, als dat enigszins kan.
Voorzitter. Dan ben ik aangekomen bij de vragen die over monitoring,
evaluatie en overige gaan.
De voorzitter:
Dan kijk ik even naar de leden voor interrupties. Eerst mevrouw Van Eijs
en daarna de heer Smeulders.
Mevrouw Van Eijs (D66):
Als het gaat over de inwerkingtreding, hebben we het natuurlijk over
wetgeving en het DSO, maar ook over een cultuuromslag. Want we wilden
met z'n allen anders gaan werken. Ik krijg signalen dat dat nog niet
overal helemaal ingedaald is. Sommige gemeentes werken volgens mij wel
al helemaal in die geest, maar uit andere gemeentes hoor ik bijvoorbeeld
van gemeenteraadsleden dat ze dat beeld niet hebben. Kan de minister
daarop reflecteren?
Minister Ollongren:
Dat beeld heb ik ook. Dat vind ik ook wel logisch. Ik zei al: je hebt
altijd een kopgroep, dus gemeenten en anderen die heel voortvarend
hiermee aan de slag zijn gegaan en het voorbeeld zijn voor anderen;
anderen zitten in het peloton of zelfs in de staart. Dat is ook logisch.
Natuurlijk kan niet iedereen even voortvarend ermee aan de slag zijn
gegaan. Het is ook mensenwerk. Mevrouw Van Eijs zegt dat het ook een
cultuuromslag vereist. Kenmerkend voor cultuuromslagen is dat die niet
van de ene op de andere dag gerealiseerd zijn. Dat is geen kwestie van
een druk op de knop. Juist deze stelselwijziging vraagt om een andere
manier van werken. Neem het punt van de participatie. Dat zit er
misschien bij de ene gemeente al wat meer in dan bij de andere. Maar ook
daarvan denk ik: aangezien wij hier hebben uitgesproken dat de nieuwe
Omgevingswet per 1 januari 2022 ingaat, roep ik iedereen op om het
komende jaar te gebruiken om daar goed mee te oefenen en mee te leren
werken. Dan gaat die cultuuromslag er ook wel komen. En vanaf het moment
dat de Omgevingswet een feit is, waar een hele lange voorbereidingstijd
aan vooraf is gegaan, denk ik dat er ook door degenen waar dat misschien
minder vanzelf is gegaan, aan gewerkt zal worden. Want als de
Omgevingswet straks een feit is en de basis is voor deze manier van
werken, dan is het wel nodig dat dat overal gebeurt en dat die
cultuuromslag dus ook volgt.
De voorzitter:
Aanvullend, mevrouw Van Eijs.
Mevrouw Van Eijs (D66):
Ik wil daarop verdergaan. We hebben het heel veel met elkaar over alle
dienstverlening door gemeentes — ik vind dat zelf niet zo'n heel fijn
woord — over wat alle ambtenaren voor elkaar moeten krijgen, maar
gemeenteraadsleden hebben natuurlijk ook best een kluif, een taak, voor
zich liggen. Zij moeten straks komen met een omgevingsvisie en een
omgevingsplan. Dat is veelomvattender dan een bestemmingsplan voor een
buurt. Het is breder, groter en veelomvattender. De minister heeft
eerder al aangegeven wat we allemaal doen om de gemeentes te
ondersteunen, maar ik krijg ook signalen dat niet alle
gemeenteraadsleden die ondersteuning krijgen, bijvoorbeeld omdat zo'n
gemeenteraad nog niet zover is. Hoe kunnen gemeenteraadsleden ervoor
zorgen dat zij, ondanks dat hun gemeente nog niet zover is, wel
voldoende voorbereid zijn als die stukken straks op hun bureau
landen?
Minister Ollongren:
Dat is een goede en een terechte vraag. Gemeenteraden hebben daarin
natuurlijk ook een belangrijke rol te spelen. Ik wil best kijken of we
daar nog meer aan kunnen doen. Dat signaal had mij op die manier nog
niet bereikt. Ik spreek natuurlijk meer met de wethouders, maar bedankt
dat u daar aandacht voor vraagt.
De heer Smeulders (GroenLinks):
Begrijp ik het goed dat de minister zegt: we gaan in december het KB
naar de Kamer sturen zodat de Kamer het nog in deze samenstelling kan
behandelen, maar pas daarna komt het KPMG-rapport over de financiën en
de financiële gevolgen en komt er meer duidelijkheid over het DSO en het
ICT-systeem? Dus de Kamer moet een besluit nemen, terwijl we over de
twee belangrijkste punten — de voorpagina's van de kranten staan er vol
mee dat dat de bedreiging is voor de Omgevingswet — geen informatie
hebben.
Minister Ollongren:
Nee. Dit is misschien wat gechargeerd door de heer Smeulders. We hebben
vandaag een debat dat over al die onderwerpen gaat. We hebben het over
de wetgeving. Die is nagenoeg afgerond. De Kamer heeft onlangs het
laatste stukje wetgeving behandeld: de wijziging van de Algemene wet
bestuursrecht. Die ligt nu voor behandeling in de Eerste Kamer. Dat is
het allerlaatste stukje wetgeving. Vandaag praten we over de voortgang
van het DSO, de landelijke voorziening en de lokale aansluiting daarop.
Die landelijke voorziening nadert zijn afronding. Aan het eind van dit
jaar is die klaar. Alle overheden kunnen ermee oefenen. We weten ook de
stand van zaken bij de andere overheden. Ik heb het net geschetst: 87%
is daadwerkelijk aangemeld of aangesloten en 13% nog niet. Daar zijn we
in nauw contact mee. Ook dat weten we precies. We hebben het BIT-advies,
dat zegt: houd vast aan die datum van 1 januari 2022. Over de
implementatie heb ik in hetzelfde overleg met de bestuurlijke partners
gezegd: we moeten zorgen dat we op koers liggen. We hebben een planning,
een roadmap en afspraken over monitoring en evaluatie, waar ik zo nog op
kom. Dat is ook klaar voor dat besluit. Tot slot de financiën. Ja, de
overheden moeten financieel in staat zijn om de Omgevingswet in te
voeren. Daar heb ik hele goede afspraken over gemaakt, die ook door de
andere overheden als goede afspraken worden ervaren. Dus ten aanzien van
de financiën zijn er wat mij en de koepels betreft nu geen belemmeringen
om de invoeringsdatum vast te leggen. We trekken de komende periode
steeds samen op en zoeken naar oplossingen, ook als die in financiële
zin nodig zijn. Dus alles ligt klaar. De uitvoeringspraktijk en de
mensen bij de gemeenten hebben het nodig om te weten dat er geen twijfel
meer is over de datum van de inwerkingtreding van de wet. Mevrouw
Regterschot heeft dat in haar eerste termijn gezegd en ik ben het daar
echt volmondig mee eens.
De voorzitter:
Nog aanvullend, de heer Smeulders.
De heer Smeulders (GroenLinks):
Ik vind het lastig. De minister gaat een besluit voorleggen aan de
Tweede Kamer, terwijl wij als Tweede Kamer over het Digitaal Stelsel,
wat de ruggengraat, de basis van de hele Omgevingswet is, op dit moment
alleen maar een rapport hebben dat zegt: het werkt nog niet. En dan moet
ik maar hopen dat de minister het samen met alle partners in het komende
jaar werkbaar krijgt. Maar daar kunnen we dan als Kamer niks meer aan
doen, want als Kamer hebben we gezegd: een stempel erop, hartstikke
goed, ga het maar doen. Ik vind dat daarmee een groot risico genomen
wordt en ik zal daar dadelijk een motie over indienen.
Minister Ollongren:
Ik vind het jammer dat de heer Smeulders er zo naar kijkt, want zo is
het natuurlijk niet. Je zegt hier niet op een gegeven moment: nu zijn we
klaar en nu doen we niks meer. Het is eigenlijk het omgekeerde. Geef nou
het vertrouwen aan die andere overheden dat zij ook op ons kunnen
vertrouwen, dat er niet steeds twijfel wordt gezaaid over of dit nog wel
gaat gebeuren of dat de ingangsdatum nog een keer wordt uitgesteld. Daar
jaag je ze ook mee op kosten. Ik zou het juist willen omdraaien. Het is
echt niet zo dat uw Kamer, op het moment dat het KB er is en het debat
daarover al dan niet geweest is, er nooit meer iets over hoort. Helemaal
niet. Ik heb u net nog een extra toezegging gedaan rondom de monitoring
van de financiën. Je moet het echt omdraaien. Je moet zeggen: op basis
van alles wat we nu hebben gedaan, moeten we ook de stap durven zetten
om de datum van de inwerkingtreding definitief te maken. Dat ontslaat
mij totaal niet van de plicht om te zorgen voor het DSO, voor 100%
aansluiting op het DSO en voor alles wat er daarna nog moet gebeuren,
maar het is wel een noodzakelijke stap om al die partijen in staat te
stellen om dat te doen.
De voorzitter:
Dan gaan we naar het laatste blokje: monitoring en evaluatie.
Minister Ollongren:
Zeker.
De heer Smeulders heeft gevraagd of ik bereid zou zijn om de
Omgevingswet periodiek te evalueren. Hij noemde daarbij een aantal
voorbeelden: bodem en luchtvaart. De effecten van de stelselherziening
zullen vanaf de inwerkingtreding periodiek worden gemonitord en
geëvalueerd. Als het gaat over de werking van het hele stelsel, zal ik
een brede monitor laten uitvoeren over een groot aantal onderwerpen, dus
ook over de participatie, het DSO, de financiële effecten, de
verbeterdoelen en de signalen uit de praktijk. Al die dingen zullen
worden gemonitord. Ik heb al tegen mevrouw Regterschot gezegd dat
daarover een jaarlijkse voortgangsbrief komt. Monitoring op specifieke
thema's, bijvoorbeeld de kwaliteit van de bodem of het geluid van de
luchtvaart, gebeurt door het verantwoordelijke ministerie, in dit geval
het ministerie van IenW. We zullen op al die vlakken heel zorgvuldig de
vinger aan de pols houden.
De heer Van Gerven had nog een vraag over de energieprojecten en de
subsidieladder. Die vraag gaat eigenlijk over iets waar de collega van
EZK voor verantwoordelijk is, dus ik moet voor dat onderdeel echt
verwijzen naar EZK.
Dit valt eigenlijk meer onder de categorie overig, maar ik wil toch alle
vragen beantwoord hebben. Mevrouw Van Eijs vroeg of ik het idee heb dat
de aandacht van de bestuurders wat verslapt. Ik heb daar in het begin
ook iets over gezegd. Ik zie juist heel veel steun. Dat zie je
bijvoorbeeld ook terug in de aanvragen rond de Crisis- en herstelwet en
dat soort zaken. Misschien mag ik ook hier weer zeggen dat juist
helderheid over de inwerkingtredingsdatum helpt om iedereen erbij te
houden.
Tot slot de vaak terugkerende vraag: moet er een ministerie van VROM
komen? Dat is natuurlijk niet aan mij. Een volgend kabinet, een volgende
formatie, een volgende coalitie moet maar kijken wat zij relevant
vinden. Waar het mij om gaat — dat heb ik geleerd in deze periode met
deze portefeuille — is dat regie op ruimte cruciaal is. Daar hebben we
nu een eerste stap in gezet met de NOVI en de Omgevingswet. Het lijkt
mij heel erg goed als daarop verder wordt gebouwd en daar verder aan
wordt gewerkt. Maar het is natuurlijk wel heel breed. Het gaat over van
alles. Als je iets van vroeger laat herleven, dan is het niet zo dat je
de energietransitie, de woningbouwproblematiek en de klimaatopgave
ineens allemaal afgedekt hebt met één ministerie. Maar aandacht voor
ruimtelijke ordening, de omgeving en de leefomgeving, onderstreep ik wel
heel erg.
De voorzitter:
Ik kijk even naar de leden of er nog vragen zijn blijven liggen. De heer
Van Gerven en mevrouw Van Eijs. De heer Van Gerven was als eerste.
De heer Van Gerven (SP):
Het is jammer dat de minister zich niet wil uitspreken over een
toekomstig ministerie van VROM, dus dat gaan we zien. Misschien kan ze
wel reflecteren op mijn citaten van Berno Strootman, rijksadviseur voor
het landschap. Hij maakt zich grote zorgen over wat hij de "hagelslag"
in Nederland noemt en over het gebrek aan regie. Mijn vraag aan de
minister is hoe zij die opmerking of die analyse ziet.
Minister Ollongren:
Ik heb het gelezen. Volgens mij ging het voornamelijk over de Regionale
Energiestrategieën. Hij sprak zijn zorgen uit over dat er te veel
zonneweides zijn, als ik het artikel goed heb gelezen. We hebben
inderdaad de afspraak dat er Regionale Energiestrategieën worden
gemaakt. Dat vind ik ook heel goed. Maar in de NOVI hebben we natuurlijk
wel degelijk richtinggevende afspraken gemaakt over energie, over de
energietransitie en over hoe je Nederland idealiter inricht om de
duurzaamheidsdoelstellingen te halen. En we hebben — maar dat is al veel
eerder gebeurd — in dit kabinet en deze coalitie over zonne-energie
gezegd: het liefst eerst op de daken. Daarom hebben we ook de zogenaamde
zonneladder geïntroduceerd. Uiteindelijk kunnen er altijd lokaal en
regionaal specifieke afwegingen zijn in het kader van het halen van de
duurzame-energiedoelstellingen. Ik zit nu trouwens volledig op het
terrein van het ministerie van EZK. Zo hebben we het afgesproken, dus ik
vind zelf dat er in het artikel misschien iets te weinig aandacht wordt
besteed aan het feit dat we met de deskundigen in Nederland stappen
hebben gezet die al vijftien tot twintig jaar niet zijn gezet op het
gebied van ruimtelijke ordening en de inrichting van Nederland. Die gaan
ook over energie en duurzame energie. Die moeten ertoe leiden dat er een
samenhangender beleid komt en dat we met elkaar de
duurzaamheidsdoelstellingen halen.
De heer Van Gerven (SP):
Het argument dat we het zo met elkaar hebben afgesproken, is natuurlijk
geen rechtvaardiging van een bepaalde ontwikkeling, want je kunt ook
verkeerde besluiten nemen. Maar de minister haalt terecht de
problematiek van de RES'en aan. We hebben afgesproken dat we 30 regio's
hebben, die geen enkele wettelijke democratische legitimiteit hebben in
organisatorische zin. We kennen immers geen RES'en. We kennen provincies
en gemeenten, maar geen RES'en. De democratische controle daarop is dus
heel lastig. Maar het resultaat is dat de regie op hoe Nederland er over
tien, twintig, dertig jaar uitziet, zoek is. De vrees van Strootman was
dat we straks nergens meer kunnen lopen zonder windturbines te zien, die
joekels van 200 meter hoog. Is dat wat we willen? Of zouden we
bijvoorbeeld, als we landelijk de regie nemen, kunnen proberen om
landelijk te regelen dat ze op plekken komen waar het het hardste waait
of in gebieden die zich daarvoor lenen, met de extra eis erbij dat dit
ten goede komt aan de hele gemeenschap? Want de minister haalt terecht
de NOVI aan, maar daarin hebben we ook afgesproken dat ook de lasten en
de lusten eerlijk verdeeld moeten worden, en dat gebeurt nu niet.
Minister Ollongren:
Ik ben blij met de laatste opmerking van de heer Van Gerven, want dat
zijn inderdaad de afspraken die we in de NOVI hebben gemaakt. Wat
betreft zijn uitspraak over de RES'en denk ik dat heel veel
gemeenteraadsleden en bestuurders die daarbij betrokken zijn geweest
daar een beetje verdrietig van worden. Daar is namelijk echt
ongelofelijk hard aan gewerkt, juist door heel veel lokale partners. Ik
vind eigenlijk ook die vorm van samenwerking heel waardevol. Ik vind het
dus zonde om dat op deze manier af te schrijven. Voor de democratische
controle op al dit soort verbanden heb ik ook aandacht. Dat vind ik wel
een terecht punt. Maar het kan niet zonder samenwerking, en die
samenwerking moet regionaal zijn. Ik ben dus juist heel blij met die
RES'en. Anders zal ik de NOVI nog een keer naar de heer Strootman
sturen; misschien is dat een goede oplossing.
Mevrouw Van Eijs (D66):
Een beetje hierbij aansluitend heb ik een opmerking over de Commissie
voor de m.e.r. Die zei over de NOVI dat het noodzakelijk is om bepaalde
kwetsbare functies te beschermen en dat de centrale regie daarbij
belangrijk is. Dat leidt weer een beetje terug naar de vraag die eerder
werd gesteld, over hoe je vanuit het Rijk centraal kunt sturen met deze
Omgevingswet.
Minister Ollongren:
Ik heb helemaal in het begin geprobeerd om daar een antwoord op te
geven. Dit is eigenlijk een samenspel, hè. De NOVI is er voor de
inrichting van Nederland. De Omgevingswet gaat over de manier van
werken, maar juist ook over de integrale afweging waarin de grote
opgaven van de energietransitie en de klimaatverandering et cetera die
impact hebben op de ruimte, bij elkaar komen, maar die uiteindelijk wel
ruimte laat voor maatwerk en lokale afwegingen, en ook voor decentrale
keuzes door onze gekozen organen zoals gemeenteraden en de Staten en hun
afvaardigingen. In dat samenspel heb ik wel heel veel vertrouwen, maar
wel anders dan voorheen, namelijk met meer overleg aan de voorkant en
meer centrale regie, juist op die grote vraagstukken, die inderdaad niet
vanzelf tot stand komen. Nou, dit is een beetje een abstract antwoord op
een veel concretere vraag van mevrouw Van Eijs, maar hier wil ik het
even bij laten.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan komen we aan bij de tweede termijn, met spreektijden van
twee minuten. De heer Terpstra.
De heer Terpstra (CDA):
Dank u wel, voorzitter, en veel dank aan de minister voor de uitgebreide
beantwoording van alle vragen. Nogmaals, de Omgevingswet bundelt,
moderniseert en vereenvoudigt, en dat is in de ogen van het CDA een
goede zaak. Het schip moet een keer van de wal, en met de garanties die
de minister heeft gegeven, denken wij dat het ook kan. We moeten ook een
keer durven, dus wat dat aangaat kan het CDA de minister en het kabinet
hierin goed volgen. Er zijn garanties gegeven over de financiën, de
Omgevingswet in relatie tot landelijke regie en het DSO. Dat is mooi.
Waar de minister en ik nog niet helemaal uit zijn, is over de nieuwe
aanvullende geluidsregels. Daar heb ik dan ook een motie over, om te
kijken of we elkaar daarin kunnen vinden.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat er sprake is van een hoge woningnood in
Nederland;
overwegende dat er in grote delen van Noord-Holland, Zuid-Holland en
Utrecht een situatie dreigt te ontstaan waardoor er niet meer gebouwd
kan worden als gevolg van nieuwe cumulatieve geluidsnormen in de
Omgevingswet;
verzoekt de regering de nu geldende cumulatieregels voor luchtvaart,
zoals opgenomen in de Wet geluidhinder, beleidsneutraal in de
Omgevingswet over te nemen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Terpstra. Naar mij blijkt, wordt
de indiening ervan voldoende ondersteund.
Zij krijgt nr. 159 (33118) (#1).
De heer Terpstra (CDA):
Daarmee kom ik tot een einde van mijn bijdrage, meneer de
voorzitter.
De voorzitter:
Ik dank u wel. Dan mevrouw Regterschot.
Mevrouw Regterschot (VVD):
Dank u wel, voorzitter. Ik wil de minister danken voor de uitgebreide
beantwoording in de eerste termijn en voor de toezeggingen over de
rapportages over de jaarlijkse voortgang ten aanzien van de financiële
effecten en het Digitaal Stelsel Omgevingswet, het DSO. Het is goed dat
de medeoverheden die op dit moment nog niet klaar zijn om al aan de slag
te gaan, aan hun jasje getrokken worden, geholpen worden en ondersteund
worden om bij inwerkingtreding toch uiteindelijk zo ver te zijn dat het
daar vlekkeloos zal kunnen verlopen.
Voorzitter. Ik heb één motie die wat mij betreft als steun in de rug
gezien mag worden voor de inwerkingtreding.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat de wet- en regelgeving van het nieuwe stelsel van het
Omgevingsrecht thans nagenoeg is afgerond;
overwegende dat de afbouw van de landelijke voorziening Digitaal Stelsel
Omgevingswet en de implementatie van de basisvariant door medeoverheden
als voldoende worden ingeschat om mee te starten, en de uitbouw van het
digitale stelsel in de komende jaren verder wordt vormgegeven;
overwegende dat de definitieve vaststelling van de
inwerkingtredingsdatum de medeoverheden duidelijkheid geeft bij de
laatste voorbereidingen van het nieuwe omgevingsstelsel;
van mening dat de tijd die resteert tot 1 januari 2022 voor de
medeoverheden voldoende moet zijn voor het afronden van de implementatie
van het nieuwe stelsel;
verzoekt de regering de inwerkingtredingsdatum van de Omgevingswet en
aanverwante wet- en regelgeving definitief te bepalen op 1 januari 2022
en het slot-koninklijk besluit met daarin opgenomen de vermelding van
die datum zo snel als mogelijk, doch uiterlijk in december 2020, bij
beide Kamers der Staten-Generaal voor te hangen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Regterschot en Terpstra. Naar
mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.
Zij krijgt nr. 160 (33118) (#2).
Dat was het, mevrouw Regterschot?
Mevrouw Regterschot (VVD):
Ja.
De voorzitter:
Dank u wel. Het woord is aan de heer Smeulders.
De heer Smeulders (GroenLinks):
Dank u wel, voorzitter. Na de juichbijdrage van de twee voorgaande
sprekers nu toch een wat ander geluid; het zal u niet verbazen. Ik wil
de minister heel graag bedanken voor haar beantwoording, maar zij heeft
mij echt allerminst gerustgesteld. Ik vind het werkelijk waar heel raar
dat wij als Tweede Kamer gevraagd worden om het "go/no go"-besluit te
nemen. Daar werken we al jaren naartoe. Onder anderen de heer Ronnes, de
voorganger van de heer Terpstra, heeft gezegd: nee, er moet echt een
apart moment komen waarop de Tweede Kamer kan besluiten, als zij het
totale stelsel overziet, of we wel of niet klaar zijn. Nu weten we dat
bijvoorbeeld het digitaal stelsel nog echt niet klaar is, maar zeggen we
wel: we gaan dat besluit nemen. Dat vinden wij heel raar. Vandaar een
motie daarover.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) nog niet
gereed is en het BIT in zijn recente rapport kritisch is over een
tijdige en succesvolle invoering van het DSO;
van mening dat de Kamer pas haar definitieve oordeel over de invoering
kan geven wanneer duidelijk is of het DSO — een cruciaal onderdeel van
het nieuwe stelsel — werkt en alle rapporten met de Kamer zijn
gedeeld;
verzoekt de regering het definitieve besluit over de invoering van de
Omgevingswet pas aan de Kamer voor te leggen als het DSO werkt,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Smeulders, Van Gerven, Van
Otterloo en Nijboer. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende
ondersteund.
Zij krijgt nr. 161 (33118) (#3).
De heer Smeulders (GroenLinks):
Deze motie is dus ondertekend door alle hier aanwezige
oppositiepartijen.
Dan nog een tweede motie, die gaat over het geld. Dat is het tweede
grote struikelpunt van dit enorme dossier, de grootste wetswijziging in
100 jaar aldus het kabinet.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat het Rijk in 2016 met decentrale overheden heeft
afgesproken dat de Omgevingswet budgetneutraal wordt ingevoerd;
overwegende dat nu blijkt dat de invoeringskosten veel hoger uitkomen
dan in 2015 geraamd en de structurele kosten en baten nog onvoldoende in
beeld zijn;
verzoekt de regering om deze afspraken na te komen en zo te voorkomen
dat de Omgevingswet decentrale overheden meer gaat kosten dan dat deze
ze mogelijk oplevert,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Smeulders, Van Gerven, Van
Otterloo en Nijboer. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende
ondersteund.
Zij krijgt nr. 162 (33118) (#4).
Dank u wel. Dan geef ik het woord aan de heer Van Gerven.
De heer Van Gerven (SP):
Voorzitter. Ik sluit even aan bij de bijdrage van de heer Smeulders. We
hebben als SP beide moties meeondertekend omdat we van mening zijn dat
als je in het water springt, je moet zorgen dat je goede zwemvesten,
goede reddingsboeien en al dat soort dingen hebt. Maar die zijn er niet.
Althans, de minister zegt van wel, maar in de praktijk zijn ze gewoon
niet gerealiseerd. Dat kan echt tot ongelukken leiden. De vraag is of we
er als samenleving bij gebaat zijn als de praktijk na invoering van de
Omgevingswet een grote chaos en drama wordt.
Voorzitter. Ik heb één motie, die gaat over het democratisch gehalte en
het lusten-lastenverhaal bij energieprojecten die een enorme impact
zullen hebben op onze omgeving.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat het gewenst is dat met name lokale publieke en
collectieve initiatieven rond de energietransitie worden
gestimuleerd;
overwegende dat bij deze initiatieven de lusten en lasten van de
energietransitie op een veel eerlijkere manier lijken te worden
verdeeld;
overwegende dat lokale initiatieven kunnen bijdragen aan het vergroten
van het draagvlak onder belanghebbende omwonenden voor de
energietransitie;
constaterende dat er bij de verlening van de SDE-subsidies geen
voorwaarden zijn verbonden als het gaat om een voorkeur voor privaat,
dan wel publieke initiatieven rond de energietransitie;
verzoekt de minister onderzoek te doen naar de mogelijkheid om bij de
beoordeling van SDE-subsidieverzoeken een ladder voor SDE-subsidie toe
te passen, waarbij via deze ladder bijvoorbeeld wordt uitgegaan van de
volgende voorrangsvoorkeur:
1. publieke energievoorziening (gemeenten, provincies en Rijk);
2. lokale collectieve energievoorziening;
3. lokale private energievoorziening met 50% publieke deelname;
4. nationale private energievoorzieningen;
5. internationale private energievoorzieningen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Gerven. Naar mij blijkt,
wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.
Zij krijgt nr. 163 (33118) (#5).
Dank u wel.
De heer Van Gerven (SP):
Dank u wel.
De voorzitter:
De heer Van Otterloo.
De heer Van Otterloo (50PLUS):
Dank u wel, voorzitter. Het is een geweldige operatie, maar dat betekent
niet dat de operatie niet veel goeds kan brengen. Maar op dit moment
zitten er nog veel kwetsbaarheden in die ons wat terughoudend maken. We
hebben in het verleden de Omgevingswet gesteund. Dat doen we nog steeds,
maar onze zorgen zitten in het volgende. "Big is beautiful" is lang een
adagium geweest, maar dat kan hier niet de maatstaf zijn. Ik had het
over een containerschip. Daar zat nog geen olie in, maar misschien
eerder nog allemaal zonnepanelen. Dat moet interactief zijn, want die
containers moeten met elkaar communiceren. Daar zitten onze zorgen:
gebeurt dat wel op de goede manier? Zo ja, dan kan het betekenen dat het
zowel voor de burgers als voor de overheden een vooruitgang is. Vandaar
dat wij toch wat terughoudend zijn met nu al te zeggen: we zijn zover
dat er gestart kan worden.
Ik heb nog één motie. Het gaat nu niet alleen over de invoering, maar
vooral ook om een structurele aandacht die er bij de gemeenten,
waterschappen en provincies moet bestaan voor de weinig
digivaardigen.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende de toenemende digitalisering van de samenleving;
overwegende het feit dat er desondanks nog steeds een aanzienlijke groep
mensen bestaat met minder goede digitale vaardigheden;
verzoekt de regering bij de uitrol van de Omgevingswet structureel
aandacht te hebben voor de positie van de minder digivaardigen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Otterloo. Naar mij blijkt,
wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.
Zij krijgt nr. 164 (33118) (#6).
De heer Van Otterloo (50PLUS):
Daaraan wil ik nog toevoegen …
De voorzitter:
U bent door uw tijd heen.
De heer Van Otterloo (50PLUS):
Ik had nog iets overgehouden wat ik eerder …
De voorzitter:
Eén regel.
De heer Van Otterloo (50PLUS):
Ja, één regel. De minister heeft het gehad over 95%. We hebben 3 miljoen
mensen … De groep die niet het taalniveau B heeft, is weliswaar wat
kleiner, maar dat wil nog niet zeggen dat daarmee het probleem is
opgelost.
De voorzitter:
Dank u wel.
Mevrouw Van Eijs (D66):
Ik heb nog een vraag over de motie. Mag dat?
De voorzitter:
Dat mag.
Mevrouw Van Eijs (D66):
In verschillende stukken — u moet mij vergeven dat ik niet precies meer
weet welke stukken — wordt aandacht besteed aan toegankelijkheid. Ik was
heel blij om te lezen dat het ook voor mensen met een beperking
toegankelijk is gemaakt. Dat heb ik eerder aangevoerd. Er wordt ook
aandacht besteed aan begrijpelijkheid. Denk bijvoorbeeld aan de
bibliotheken. Daar wordt nu al aandacht besteed aan hoe toegankelijk de
overheid bijvoorbeeld via digitale wegen is. Vindt de heer Van Otterloo
dat dan niet goed of niet voldoende? Wat zoekt hij precies?
De heer Van Otterloo (50PLUS):
Ik zou daar nooit de term "niet goed" aan verbinden. Maar het is niet
voldoende. Als we kijken naar de rapporten van het Sociaal en Cultureel
Planbureau over de scheiding die in de samenleving plaatsvindt, kunnen
we zeggen dat de bibliotheken voorzieningen hebben. Maar als je kijkt
wie er bij de bibliotheken komen, zie je dat dat niet de groepen zijn
die je ook moet bereiken. Vandaar de vraag om het nog beter en
structureel bij de uitrol te betrekken.
De voorzitter:
Dank u wel. Is het helder, mevrouw Van Eijs? Ja. Dan geef ik u nu het
woord.
Mevrouw Van Eijs (D66):
Hoelang hebben we, voorzitter?
De voorzitter:
Twee minuten. Maar wij houden dat voor u bij.
Mevrouw Van Eijs (D66):
Oké. Komt goed.
We zijn blij dat alle wetgeving is afgerond en dat we straks, als het
goed is, een digitaal stelsel hebben. Dat is een verbetering. Maar
uiteindelijk komt het ook aan op het werken in de praktijk. Dat vinden
wij wel het spannendst, maar ook, als het allemaal goed gaat, het meest
lonend. Daarom heb ik de volgende motie.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat in 2016 het Rijk en koepels overeen zijn gekomen dat de
investeringskosten van het DSO komen voor rekening van het Rijk en
individuele overheden hun eigen invoeringskosten dragen;
overwegende dat de financiële gevolgen van de Omgevingswet voor de
decentrale overheden nog onbekend zijn en een integraal financieel beeld
met de verwachte kosten en baten verschijnt in het eerste kwartaal van
2021;
constaterende dat gemeenteraden en raadsleden de complexe taak hebben
een omgevingsplan en -visie te beoordelen;
overwegende dat voor de beoordeling van een omgevingsplan en -visie veel
tijd en kennis nodig is;
overwegende dat over de beschikbare middelen zorgen leven bij de
decentrale overheden;
verzoekt de regering om in overleg met de decentrale overheden zorg te
dragen voor voldoende middelen voor het invoeren van de
Omgevingswet,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Eijs. Naar mij blijkt, wordt
de indiening ervan voldoende ondersteund.
Zij krijgt nr. 165 (33118) (#7).
Bent u aan het einde gekomen van uw tweede termijn?
Mevrouw Van Eijs (D66):
Ja.
De voorzitter:
Dan ga ik even kort schorsen. Dan zie ik wel wanneer de moties
gereproduceerd zijn; die moeten namelijk even gekopieerd worden. De
minister moet even de tijd hebben om er een blik op te werpen.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.
De voorzitter:
We zijn aangekomen bij de appreciatie van de moties en bij een aantal
vragen die gesteld zijn. Die zullen beantwoord worden door de minister.
Het woord is aan de minister.
Minister Ollongren:
Dank. Ik had één vraag van de heer Van Otterloo uit de eerste termijn
nog niet beantwoord. Ik wil die nog aanvullen. Die vraag ging over het
gemengde beeld qua aanmeldingen en aansluitingen. Ik heb het dan over
die 87% versus die 13%. Ik heb het gecheckt; die 13% geeft een gemengd
beeld qua omvang, maar de echt grote gemeenten hebben zich al aangemeld
of zijn aangesloten. Met de andere gemeenten is goed contact. Op de
website aandeslagmetdeomgevingswet.nl worden aanmeldingen en
aansluitingen op een kaart van Nederland getoond. Die kaart wordt
wekelijks geactualiseerd. Daar kunt u dat dus allemaal zien. Dat was het
antwoord dat de heer Van Otterloo nog van mij tegoed had.
De meeste opmerkingen zijn neergeslagen in moties, die ik straks
allemaal ga langslopen. De heer Van Otterloo zei: "Vroeger zeiden we:
big is beautiful." Dat zeggen we niet meer. We werken ook niet meer zo.
We werken toch wat slimmer, wat meer agile, om in het Engels te blijven.
Dat is de nieuwe modeterm. Maar ik denk dat het hierop wel van
toepassing is. We hebben inderdaad geleerd om niet te proberen het
allemaal te groot en te perfect in één keer te doen. Bouw het op en zorg
dat je je kunt aanpassen. Als je ergens tegen aanloopt, moet je niet
zeggen: maar nu is het te laat, want nu is het al klaar. Nee, dat ga je
gewoon bijsturen als het nodig is. Dat is de manier van werken bij deze
Omgevingswet. Dat wisten we ook allemaal niet aan het begin; dat is
gaandeweg ontdekt. Maar dat is de manier waarop we nu werken en waar
eigenlijk alle overheden zich goed bij voelen. Dan zou ik met de heer
Terpstra zeggen: dat schip moet op enig moment van wal. Het hoort bij
het proces dat je die stap met elkaar durft te zetten, terwijl je niet
honderd procent zekerheid hebt; die heb je niet. Die honderd procent
zekerheid kun je pas hebben op het moment dat je het bent gaan doen.
Daarvoor is dat nodig.
Wat ik de Kamer, althans, deze commissie, zou willen aanbieden — ik
realiseer me namelijk dat we dat in de Eerste Kamer ook hebben gedaan —
is om een technische briefing te verzorgen waarin zij een demonstratie
krijgen van het DSO zoals dat er nu is, zoals het nu werkt. Dat kan op
heel korte termijn, als de leden daarin geïnteresseerd zijn. Ik weet dat
de Eerste Kamerleden het nuttig vonden. Daarmee ging het voor hen wat
meer leven, zo zou ik bijna zeggen. Dan is het niet meer op papier, maar
dan zie je wat er gebeurt op zo'n scherm, in zo'n digitaal systeem. Bij
dezen het aanbod. Als de commissie er prijs op stelt, kan dat dus op
heel korte termijn worden geregeld. Maar het kan ook op niet-korte
termijn, als de Kamer het later wilt.
De voorzitter:
We hebben morgen nog een procedurevergadering. Volgens mij kunnen we het
daar eventjes aftikken. Maar dan wacht ik de procedurevergadering even
af. Mevrouw Van Eijs heeft nog een vraag.
Mevrouw Van Eijs (D66):
Mijn medewerker was meteen heel enthousiast op de app. Mijn vraag is dus
of medewerkers ook kunnen meekijken of meedoen.
Minister Ollongren:
Ja, het is ook voor medewerkers, absoluut.
De voorzitter:
De minister gaat verder met de beoordeling van de moties.
Minister Ollongren:
Ja, de moties. Allereerst de motie op stuk nr. 159 van de heer Terpstra.
Volgens mij heb ik voldoende gezegd dat ik het achterliggende doel van
de motie steun. Dat gaat over het realiseren van de woningbouwopgave.
Maar ik ga toch een paar dingen zeggen. Dan kijk ik of de heer Terpstra
gaandeweg denkt: dan kan ik mijn motie misschien nog een klein beetje
aanpassen. Zoals de motie nu is geformuleerd, is die wel verstrekkend.
De motie is eigenlijk zo breed, dat ik zou zeggen: daar komt de hele
voortgang van de Omgevingswet door in gevaar. Dat kan toch niet de
bedoeling zijn van de heer Terpstra. Ik richt me op dit moment heel erg
tot de heer Terpstra.
De voorzitter:
Ik zie toch wat enthousiaste reacties van de overige partijen richting
de heer Terpstra.
Minister Ollongren:
Ik heb geprobeerd in mijn termijn te zeggen dat de angel in de
specifieke rekenregel zit. Daarin zit wat hij signaleert. De oplossing
in de overgangsbepaling komt aan beide gestelde doelen tegemoet. Dan
kunnen we door met de Omgevingswet. We hebben toch voldoende tijd voor
een zorgvuldige analyse met de andere overheden en voor besluitvorming
daarover. Die toezegging heb ik de heer Terpstra gedaan. Ik hoopte dat
dat voor hem genoeg zou zijn. Het betekent namelijk ook dat er
aanpassingen in de regelgeving komen als die nodig zijn, maar die moeten
dan wel in een apart wetstraject. Die toezegging heb ik dus willen doen.
Als hij dat in zijn motie zou zetten, zou ik zeggen: dat kan; ik geef
oordeel Kamer. Maar in deze vorm moet ik de motie gewoon ontraden.
De voorzitter:
Ik kijk even naar de heer Terpstra.
De heer Terpstra (CDA):
Dank u wel, voorzitter. Ik ga het toch even proberen. In het
interruptiedebatje van net gaf de minister aan dat die aanvullende
geluidsnormen beleidsneutraal ingevoerd worden. Dat bleef een beetje
hangen. Daarmee kwamen we volgens mij behoorlijk dicht tot elkaar en dat
is wat ik hier heb beoogd. Wat de minister net heeft toegezegd, heb ik
hier eigenlijk opgeschreven. Als we daarin verschillen, dan hoor ik
graag specifiek wat de minister bedoelt. Dat is dan de vraag.
Minister Ollongren:
Als de heer Terpstra straks nog even met mij naar die motie zou willen
kijken, ben ik daar natuurlijk graag toe bereid.
De voorzitter:
Wellicht dat de heer Terpstra dan naar aanleiding van de reactie van de
minister van nu zegt dat hij de motie even aanhoudt. Het kan ook zijn
dat hij zegt dat hij de motie in gewijzigde vorm opstuurt. Want ik kan
nu moeilijk tijdens dit notaoverleg zeggen: we gaan even met elkaar wat
moties veranderen. De heer Terpstra.
De heer Terpstra (CDA):
Ik ben graag bereid om even met de minister ernaar te kijken, maar dan
laat ik de motie even staan. Dan kan ik die altijd achteraf
wijzigen.
De voorzitter:
Dan stel ik vast dat de motie eerst aangehouden wordt met de bedoeling
om van de minister uiteindelijk een appreciatie "oordeel Kamer" te
krijgen. Maar voorlopig is het ontraden, dus zolang de motie ongewijzigd
is. Dat stel ik even voor het verslag vast.
Minister Ollongren:
De motie op stuk nr. 160 van mevrouw Regterschot ziet op de voorhang van
het KB dat ziet op de inwerkingtreding. Ik ben het met haar eens. De
tijd is daarvoor rijp. Dat is eigenlijk wat in deze motie staat. We
hebben in het debat geconstateerd hoever het met de wetgeving, het DSO
en de implementatie staat. Er moet echt duidelijkheid komen voor de
medeoverheden. Dat vind ik ontzettend belangrijk en daarom laat ik het
oordeel over deze motie graag aan de Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 160 krijgt oordeel Kamer.
Minister Ollongren:
De motie op stuk nr. 161 van de heer Smeulders stelt eigenlijk het
tegenovergestelde. Kortheidshalve kan ik dan ook zeggen dat ik die
ontraad, want ik heb juist betoogd dat er wel voldoende vertrouwen is
dat het DSO tijdig gereed is, dat de overheden in groten getale zijn
aangesloten, dat we waarborgen hebben, dat we uitvoerig gaan testen en
dat die medeoverheden — ik zeg het nog maar eens — duidelijkheid nodig
hebben over de inwerkingtredingsdatum. Ik ontraad de motie.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 161 wordt ontraden.
Minister Ollongren:
Maar omdat ik het toch belangrijk vind om brede steun te hebben in de
Kamer, wil ik over de motie op stuk nr. 162 van de heer Smeulders c.s.
wel zeggen dat die, zoals ik die lees, eigenlijk vastlegt wat ik steeds
heb gezegd. De afspraak bij de invoering al is dat de overheden er
financieel niet op achteruitgaan, maar ze hoeven er ook niet op vooruit
te gaan. We houden dat heel scherp in de gaten. We evalueren dat vaak,
juist om die afspraak na te kunnen komen. Als er gaandeweg blijkt dat er
toch meer kosten zijn dan voorzien waren, dan komen we daar samen uit.
Dan gaan we het dus ook oplossen. Zo lees ik de motie en om die reden
geef ik het oordeel over de motie graag aan de Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 162 krijgt oordeel Kamer.
Minister Ollongren:
De motie op stuk nr. 163 van de heer Van Gerven gaat echt heel erg over
de grens van mijn portefeuille heen, moet ik eerlijk zeggen. Ik zou me
nog kunnen voorstellen om een dergelijke motie te behandelen als we
spreken over energie in de gebouwde omgeving. Dat heeft natuurlijk wel
relatie met mijn portefeuille. De heer Van Gerven dient echter bij de
Omgevingswet, waarin helemaal geen subsidieregels in zijn opgenomen, een
motie in die gaat over de voorkeursvolgorde van het verlenen van
energiesubsidies. Misschien zou de heer Van Gerven de motie willen
aanhouden tot een geschikter moment, want ik kan me eigenlijk niet echt
uitspreken over de motie.
De voorzitter:
Ik kijk even naar de heer Van Gerven.
De heer Van Gerven (SP):
Ik was dit debat integraal aangevlogen, maar misschien met te veel
ministeries, volgens de minister. Zou zij aan de minister van EZ, want
daar valt dit volgens haar waarschijnlijk onder, om een appreciatie
kunnen vragen voor de stemmingen volgende week? Is dat mogelijk?
De voorzitter:
Ik kijk even naar de minister.
Minister Ollongren:
Dat is niet een heel gebruikelijke figuur, maar waarom niet? Ik denk dat
ik dat kan doen.
De voorzitter:
Dan stel ik vast dat de minister de toezegging doet om deze motie door
te geleiden naar de minister van EZK en dat van hem dan een appreciatie
komt. En dan moeten we gewoon afwachten. Zo ligt het. Ik kan daar nu
verder geen oordeel op geven.
Minister Ollongren:
De motie op stuk nr. 164 van de heer Van Otterloo vraagt aandacht voor
de positie van minder digivaardigen. Ik heb zonet gezegd dat we in ieder
geval tot nu toe steeds veel aandacht hebben besteed aan de
toegankelijkheidseisen. Ik realiseer me inderdaad dat er mensen zijn in
Nederland die ook daar moeite mee zullen hebben, dus ik ben bereid om,
bovenop wat er al gebeurt, wat ik zonet al noemde, te kijken hoe we daar
nog meer aandacht voor kunnen hebben. Ik laat het oordeel over de motie
aan de Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 164 krijgt oordeel Kamer.
Minister Ollongren:
De motie op stuk nr. 165 van mevrouw Van Eijs vraagt om overleg met
decentrale overheden voor voldoende middelen. De motie vraagt eigenlijk
om te doen wat mijns inziens past in de afspraak die ik met de koepels
heb gemaakt, namelijk om oplossingen te zoeken, mochten de kosten in
relatie tot de baten substantieel hoger zijn. Ik kan ook deze motie
oordeel Kamer geven.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 165 krijgt oordeel Kamer.
De heer Terpstra (CDA):
Ik heb nog een kort vraagje over de motie op stuk nr. 159. Mijn
medewerker had ik net op de app; zo werkt dat. Zoals de motie nu
geformuleerd is, wordt deze ontraden. Ik ben bereid om nog even met de
minister ernaar te kijken, maar dat betekent in mijn optiek niet dat de
motie is aangehouden. Eventueel komt de motie in een gewijzigde vorm
terug. De motie staat voor nu. Dat is correct, hè?
De voorzitter:
Dat is correct. Wellicht ben ik er niet helder genoeg in geweest, maar
volgens mij heeft de griffier dit wel als zodanig aan het papier
toevertrouwd. Zo gaan we het doen.
Daarmee zijn we bijna aan het eind gekomen van dit notaoverleg. Het was
een bijzonder notaoverleg, mag ik wel vaststellen. We hebben het gehad
over huwelijken, uitgestelde huwelijken, stoomboten, containerschepen en
oorlog in Irak. En dat bij een notaoverleg over de Omgevingswet. Dus het
was heel boeiend.
Dinsdag worden de moties in stemming gebracht. Daarmee ben ik echt aan
het einde gekomen van dit notaoverleg en sluit ik deze bijeenkomst. Ik
wens u een plezierige avond toe.
Sluiting 17.06 uur.
| ONGECORRIGEERD STENOGRAM Verslag OSV 47 (2020-2021) van 25 november 2020 |
|---|
| Aan ongecorrigeerde verslagen kan geen enkel recht worden ontleend. Uit ongecorrigeerde verslagen mag niet letterlijk worden geciteerd. Inlichtingen: verslagdienst@tweedekamer.nl |