35692 Advies Afdeling advisering Raad van State inzake Goedkeuring en uitvoering van het op 23 juli 2018 te Brussel tot stand gekomen Verdrag tussen het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden inzake politiesamenwerking (Trb. 2018, 160)
Goedkeuring en uitvoering van het op 23 juli 2018 te Brussel tot stand gekomen Verdrag tussen het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden inzake politiesamenwerking (Trb. 2018, 160)
Advies Afdeling advisering Raad van State
Nummer: 2020D54042, datum: 2020-12-22, bijgewerkt: 2024-02-19 10:56, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: Th.C. de Graaf, vicepresident van de Raad van State
Onderdeel van zaak 2020Z25707:
- Indiener: F.B.J. Grapperhaus, minister van Justitie en Veiligheid
- Volgcommissie: vaste commissie voor Buitenlandse Zaken
- Volgcommissie: vaste commissie voor Defensie
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Justitie en Veiligheid
- 2021-01-12 15:15: Regeling van Werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2021-01-20 14:30: Extra procedurevergadering Justitie en Veiligheid (groslijst controversieel verklaren) (Procedurevergadering), vaste commissie voor Justitie en Veiligheid
- 2021-01-28 13:00: Procedures en brieven (Procedurevergadering), vaste commissie voor Justitie en Veiligheid
- 2021-05-12 14:00: Goedkeuring en uitvoering van het op 23 juli 2018 te Brussel tot stand gekomen Verdrag tussen het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden inzake politiesamenwerking (Trb. 2018, 160) (35692) (Inbreng verslag (wetsvoorstel)), vaste commissie voor Justitie en Veiligheid
- 2021-12-01 14:30: Procedures en brieven (hybride) (Procedurevergadering), vaste commissie voor Justitie en Veiligheid
- 2021-12-02 13:15: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2021-12-09 10:15: Goedkeuring en uitvoering van het op 23 juli 2018 te Brussel tot stand gekomen Verdrag tussen het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden inzake politiesamenwerking (Trb. 2018, 160) (35692) (Hamerstukken), TK
Preview document (🔗 origineel)
No.W16.20.0145/II 's-Gravenhage, 7 oktober 2020
...................................................................................
Bij Kabinetsmissive van 20 mei 2020, no.2020001049, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Justitie en Veiligheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot goedkeuring en uitvoering van het op 23 juli 2018 te Brussel tot stand gekomen Verdrag tussen het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden inzake politiesamenwerking (Trb. 2018, 160), met memorie van toelichting.
Het wetsvoorstel strekt tot goedkeuring en uitvoering van het Benelux-politieverdrag.
De Afdeling advisering van de Raad van State maakt opmerkingen over de uit artikel 49 Benelux-politieverdrag voortvloeiende verplichting tot gelijkstelling van de strafrechtelijke aansprakelijkheid van ambtenaren van de zendstaat met ambtenaren van de gaststaat. De thans voorgestelde uitvoeringswetgeving is ontoereikend om aan de uit deze bepaling voortvloeiende verplichting te voldoen voor zover het gaat om feiten die alleen strafbaar zijn indien zij worden gepleegd door of tegen een ambtenaar. De Afdeling adviseert het voorstel en de toelichting in zoverre aan te passen. Voorts is zij van oordeel dat aanpassing van de toelichting en, zo nodig, het voorstel wenselijk is voor zover het gaat om feiten die enkel een strafverhoging meebrengen indien zij worden gepleegd door of tegen een ambtenaar.
1. Inleiding
Het wetsvoorstel strekt tot goedkeuring en uitvoering van het op 23 juli 2018 te Brussel tot stand gekomen Verdrag tussen het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden inzake politiesamenwerking (Benelux-politieverdrag).1 Het wetsvoorstel voorziet daartoe onder meer in bepalingen die zien op uitvoering van artikel 49 van het Benelux-politieverdrag.2
Het Benelux-politieverdrag strekt tot vervanging van het op 8 juni 2004 tot stand gekomen Benelux-verdrag inzake grensoverschrijdend politieel optreden, ook wel bekend als het Senningen-verdrag.3 Beoogd wordt de bestaande samenwerking tussen de politiediensten van de Benelux-landen verder te intensiveren, procedures te stroomlijnen en te vereenvoudigen en de mogelijkheden tot grensoverschrijdende politiesamenwerking uit te breiden met het oog op een nog nauwere samenwerking inzake de handhaving van de openbare orde en veiligheid en de voorkoming, het onderzoek en de opsporing van strafbare feiten.4
2. Gelijkstelling strafrechtelijke aansprakelijkheid
Het Benelux-politieverdrag bepaalt dat tijdens een grensoverschrijdend optreden of een grensoverschrijdende aanwezigheid de ambtenaren van de zendstaat met ambtenaren van de gaststaat worden gelijkgesteld, voor wat betreft de strafbare feiten die tegen of door hen mochten worden begaan.5 Ter uitvoering van deze bepaling voorziet het wetsvoorstel in aanpassing van het Wetboek van Strafrecht (Sr) en het Wetboek van Strafvordering (Sv).6
In beginsel geldt dat de strafbare feiten in het Wetboek van Strafrecht door een ieder en tegen een ieder kunnen worden gepleegd. Voor enkele in het Wetboek van Strafrecht strafbaar gestelde feiten is dit evenwel anders. Deze delicten kunnen blijkens de delictsomschrijving alleen door dan wel tegen een ambtenaar worden begaan.7 Ten aanzien van een aantal van deze feiten is reeds wettelijk bepaald dat personen in de openbare dienst van een vreemde staat worden gelijkgesteld met de Nederlandse ambtenaar.8 In de toelichting wordt gesteld dat hiermee reeds is voldaan aan de uit artikel 49 Benelux-politieverdrag voortvloeiende verplichting, omdat dit ook de feiten zijn die in het kader van deze bepaling relevant zijn.9 De Afdeling merkt hierover het volgende op.
a. Niet alleen de strafbare feiten waarvoor de thans bestaande gelijkstellingen gelden kunnen relevant zijn voor artikel 49 Benelux-politieverdrag, maar ook de andere strafbare feiten die blijkens de delictsomschrijving alleen door dan wel tegen een ambtenaar worden begaan. Zo kunnen personen in de openbare dienst van een vreemde staat die in Nederland grensoverschrijdend optreden of aanwezig zijn ook onrechtmatig binnentreden of onrechtmatig geschriften, boeken, andere papieren of poststukken in beslag nemen.10
Omdat een gelijkstelling ter zake van deze strafbare feiten ontbreekt, kunnen de ambtenaren van de zendstaat daarvoor niet strafrechtelijk aansprakelijk worden gesteld. Het wetsvoorstel voorziet er niet in dat de ambtenaren van de zendstaat die grensoverschrijdend optreden of aanwezig zijn ten aanzien van alle strafbare feiten die blijkens de delictsomschrijving alleen door dan wel tegen een ambtenaar worden begaan, worden gelijkgesteld aan Nederlandse ambtenaren. De thans voorgestelde uitvoeringswetgeving is dan ook ontoereikend om aan de uit deze bepaling voortvloeiende verplichting te voldoen.
De Afdeling adviseert daarom het wetsvoorstel op dit punt aan te passen.
b. Verder kan er een onderscheid worden gemaakt tussen feiten die alleen strafbaar zijn indien zij worden gepleegd door of tegen een ambtenaar enerzijds en feiten die enkel een strafverhoging meebrengen indien zij worden gepleegd door of tegen een ambtenaar anderzijds. De vraag rijst in hoeverre de gelijkstelling in artikel 49 Benelux-verdrag ook dient te gelden voor deze laatste categorie.11
De Afdeling adviseert in de toelichting nader aandacht te besteden aan de vraag in hoeverre de gelijkstelling ook dient te gelden voor bepalingen die een strafverhoging meebrengen voor strafbare feiten die zijn gericht tegen of zijn begaan door ambtenaren en, zo nodig, het wetsvoorstel ook in zoverre aan te passen.
De Afdeling advisering van de Raad van State heeft opmerkingen bij
het voorstel en adviseert daarmee rekening te houden voordat het
voorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal wordt ingediend.
De vice-president van de Raad van State,
Trb. 2018, 160.↩︎
En, als daarvan op grond van het vierde lid niet wordt afgeweken, van artikel 60 Benelux-politieverdrag.↩︎
Trb. 2005, 35 en Trb. 2010, 179.↩︎
Toelichting, Algemeen, paragraaf 3.↩︎
Artikel 49 Benelux-politieverdrag.↩︎
Artikelen 3 en 4 van het wetsvoorstel. De voorgestelde wijzigingen in deze bepalingen lopen vooruit op het wetsvoorstel Geweldsaanwending opsporingsambtenaar (Kamerstukken I 2019/20, 34 641, A) dat op dit moment bij de Eerste Kamer ligt.↩︎
In artikel 84 Sr is bepaald wie onder ambtenaren worden begrepen.↩︎
In de toelichting wordt gewezen op artikel 178a, eerste lid, en artikel 185a Sr. Daarin worden personen in de openbare dienst van een vreemde staat met Nederlandse ambtenaren gelijkgesteld ten aanzien van, kort gezegd, ambtelijke omkoping, ambtsdwang, wederspannigheid, het niet opvolgen van een ambtelijk bevel en het bemoeilijken van een ambtsverrichting (Toelichting, Artikelsgewijs, Artikelen 3 en 4 (wijziging Wetboek van Strafrecht respectievelijk Strafvordering)). Een dergelijke gelijkstelling is bovendien opgenomen in artikel 364a Sr ten aanzien van, kort gezegd, verduistering van bewijsstukken, passieve ambtelijke omkoping, dwang met misbruik van gezag door ambtenaren, knevelarij, het laten ontsnappen van een gedetineerde, het niet melden van een wederrechtelijke vrijheidsberoving en het deelnemen aan aannemingen of leveranties.↩︎
Toelichting, Artikelsgewijs, Artikelen 3 en 4 (wijziging Wetboek van Strafrecht respectievelijk Strafvordering).↩︎
Artikelen 370 en 371 Sr. Andere voorbeelden zijn het ontucht plegen met misbruik van gezag (artikel 249, tweede lid onder 1, Sr), het ten onrechte bijstand van de gewapende macht inroepen (artikel 358 Sr) of het verduisteren van geld of geldswaardig papier (artikel 359 Sr) door personen in de openbare dienst van een vreemde staat die in Nederland grensoverschrijdend optreden of aanwezig zijn.↩︎
Bijvoorbeeld strafverhoging indien smaad(schrift), laster of eenvoudige belediging wordt aangedaan aan of indien (zware) mishandeling (met voorbedachte raad) wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening (artikelen 267 en 304 Sr). Of strafverhoging indien een ambtenaar door het begaan van een strafbaar feit een bijzondere ambtsplicht schendt of bij het begaan van een strafbaar feit gebruik maakt van macht, gelegenheid of middelen hem door zijn ambt geschonken (artikel 44 Sr).↩︎