Politie (ongecorrigeerd stenogram)
Stenogram
Nummer: 2021D05132, datum: 2021-02-03, bijgewerkt: 2024-02-19 10:56, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Onderdeel van activiteiten:- 2021-02-03 14:00: Politie (Notaoverleg), vaste commissie voor Justitie en Veiligheid
Preview document (🔗 origineel)
Tweede Kamer, Politie
VERSLAG VAN EEN NOTAOVERLEG
Concept
De vaste commissie voor Justitie en Veiligheid heeft op 3 februari 2021 overleg gevoerd met de heer Grapperhaus, minister van Justitie en Veiligheid, over:
de brief van de minister van Justitie en Veiligheid d.d. 16 november 2020 inzake voortgang nieuwe regeling boa's en pilot korte wapenstok (29628, nr. 988);
de brief van de minister van Justitie en Veiligheid d.d. 20 november 2020 inzake vuurwapentraining voor politievrijwilligers (29628, nr. 991);
de brief van de minister van Justitie en Veiligheid d.d. 23 november 2020 inzake vrijvallende middelen Arrestantenzorg Amsterdam (29628, nr. 989);
de brief van de minister van Justitie en Veiligheid d.d. 17 december 2020 inzake tijdpad van ICT-ontwikkeling bij de politie (29628, nr. 995);
de brief van de minister van Justitie en Veiligheid d.d. 17 december 2020 inzake aanpak personen met verward gedrag, street-triage, ggz-triage en passend vervoer (25424, nr. 580);
de brief van de minister van Justitie en Veiligheid d.d. 18 december 2020 inzake stelsel beroepsziekten en dienstongevallen politie (29628, nr. 993);
de brief van de minister van Justitie en Veiligheid d.d. 21 december 2020 inzake reactie op het verzoek van het lid Wassenberg, gedaan tijdens de begrotingsbehandeling Justitie en Veiligheid van 26 november 2020, over de uitzending van Zembla over de inzet van politiehonden (29628, nr. 996);
de brief van de minister van Justitie en Veiligheid d.d. 28 januari 2021 inzake beleidsreactie op inspectieonderzoek naar de taakuitvoering bij de Landelijke Eenheid (deelrapport 1) (29628, nr. 997).
Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.
De voorzitter van de vaste commissie voor Justitie en
Veiligheid,
Van Meenen
De griffier van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid,
Haveman-Schüssel
Voorzitter: Van Meenen
Griffier: Verouden
Aanwezig zijn zeven leden der Kamer, te weten: Van Dam, Groothuizen, Helder, Van Meenen, Van Raak, Westerveld en Yeşilgöz-Zegerius,
en de heer Grapperhaus, minister van Justitie en Veiligheid.
Aanvang 14.00 uur.
De voorzitter:
Goedemiddag. Welkom bij dit notaoverleg van de vaste commissie voor
Justitie en Veiligheid. Aan de orde is het onderwerp politie. Laat ik
beginnen met de minister en zijn ambtenaren van harte welkom te heten,
evenals de leden, onze ondersteuning in alle soorten en maten, de pers
en iedereen die dit verder volgt.
Eventjes wat dingen vooraf. Er is een e-mailprocedure geweest waarin u
heeft besloten om het notaoverleg van hedenmiddag met een halfuur te
verlengen zodat u ook moties kunt indienen met betrekking tot het
schriftelijk overleg Politie van 3 december 2020. Dat betekent dat de
spreektijd in de tweede termijn wordt verlengd naar drie minuten —
maximaal, natuurlijk. Ik wil u erop attenderen dat op de agenda van dit
SO vier brieven stonden, waarvan het "ontwerpbesluit over wijziging van
het Besluit verdeling sterkte en middelen politie in verband met de
flexibilisering van de operationele inzet" tijdens de
procedurevergadering van 20 januari door uw commissie controversieel is
verklaard, wat gisteren bevestigd is in de plenaire zaal. Er kunnen dus
geen moties ingediend worden die betrekking hebben op dit
ontwerpbesluit. Daar zijn we het allemaal met elkaar over eens,
hopelijk. Goed zo.
Dan kunnen we van start. In de eerste termijn geldt een spreektijd van
vier minuten en ik zou willen beginnen met twee interrupties. Als u
daarmee akkoord kunt gaan, geef ik als eerste het woord aan de heer Van
Raak van de Socialistische Partij.
De heer Van Raak (SP):
Dank je wel, voorzitter. Soms vraag je je af waarom. De minister
herinnert zich nog wel het debat dat we hadden over de rellen. Mijn
collega Michiel van Nispen deed dat debat en die vroeg de minister
opheldering over waarom de cao-onderhandelingen nou zijn gestopt. De
agenten worden in hun gezicht gespuwd, moeten rellen neerslaan, hebben
nauwelijks testen en nauwelijks bescherming, krijgen geen voorrang bij
vaccineren en moeten bij reanimaties hun onmogelijke werk binnen 1,5
meter kunnen doen. We hebben toen als Kamer gezegd: er moet wat meer
respect worden getoond voor de agenten. Waarom zijn die onderhandelingen
over een nieuwe cao nou mislukt?
De minister zei toen: "De onderhandelingen zijn niet vastgelopen. Ze
lopen nog steeds. Ze lopen in goed overleg." Nou, dat wisten de
politiebonden niet, dat die onderhandelingen in goed overleg liepen. Er
is helemaal geen overleg over de cao. Er is misschien wel ergens een
overleg over het een of ander, maar absoluut niet over de cao. Dan vraag
ik me af waarom de minister dat zegt. Denkt de minister dan: die Michiel
van Nispen of die Ronald van Raak stuur ik gewoon het bos in, want die
komen daar toch niet achter, die komen toch nooit een politieagent tegen
of iemand van de vakbond of zo, daar kom ik wel mee weg? Is de minister
bereid om aan te geven waarom hij hier de Kamer verkeerd heeft
geïnformeerd, is hij bereid om de bonden excuses aan te bieden en is hij
bereid om gewoon meer geld beschikbaar te maken voor een fatsoenlijke
cao?
Je vraagt je af waarom, als je kijkt naar het inspectierapport over de
recherche. De informatievoorziening was belabberd, er is onveilige
werksfeer, er zijn te weinig mensen en er is te veel bezuinigd. Dan zie
ik iemand op de televisie, van de politie, die mag reageren in het NOS
Journaal en die zegt letterlijk: "Ik vind het een pijnlijk rapport, maar
niet verrassend. Want dit is precies de reden waarom we vorig jaar
hebben ingegrepen. Wat we al in gang hebben gezet, los van andere
leidinggevenden, is vooral helderheid geven aan de mensen wat hun werk
is en ook wat ze niet hoeven te doen." Met zulke leidinggevenden snap ik
wel waarom die problemen zijn ontstaan. Er wordt nu een extern bureau
ingehuurd, nog meer consultants, nog meer flauwekul. We gaan de
rechercheurs uitleggen wat hun werk is en wat niet. Ik denk dat we hier
de kern van het probleem hebben. Wat doen die mensen bij de politie?
Waarom is zo iemand leidinggevende? Dat kan toch helemaal niet?
Soms vraag je je af waarom. Soms vraag je je af waarom de minister
dingen zegt als dat de politiesterkte in 2024 weer op orde zal zijn.
Want waarom is die op orde? We gaan flexibel inzetten. We gaan de arbeid
flexibiliseren. En toen zei de minister in antwoord op vragen van de SP:
ook zal, omdat er nieuwe jonge medewerkers komen, de inzetbaarheid naar
verwachting stijgen, omdat jongere medewerkers in het algemeen fitter
zijn. De minister gaat de grote groeiende tekorten bij de politie
oplossen, omdat de jonge mensen, die net van de Politieacademie komen,
fitter zijn, in plaats van agenten die soms al tientallen jaren ervaring
hebben, die precies weten wat het politiewerk inhoudt, die ervaring
hebben op straat of ervaring bij de recherche.
De voorzitter:
U hebt nog een halve minuut.
De heer Van Raak (SP):
Ik wil de minister vragen om eerlijk te zijn over de cijfers over de
instroom, om hier toe te geven dat het in 2024 niet op orde zal zijn, om
aspiranten niet meer voor 100% mee te tellen, maar gewoon voor 40%,
zoals het hoort, en om af te zien van die flexibele inzet. Want straks
kan ook nog eens een keer 2% van de inzet niet worden ingezet en het
geld aan andere dingen worden besteed.
Dat zijn mijn vragen in eerste instantie, meneer de voorzitter.
De voorzitter:
Ik dank u zeer. Het woord is aan mevrouw Helder van de PVV.
Mevrouw Helder (PVV):
Dank u wel, voorzitter. Ik begin met de voortgang bij de nieuwe regeling
voor boa's en de pilot met de korte wapenstok. De minister schrijft dat
de pilot idealiter uiterlijk in januari zal aanvangen. Inmiddels is het
februari. De vraag is dus of de pilot in alle deelnemende gemeenten is
gestart.
Dan de PTSS-dossiers. "Bij een schikking moeten beide partijen water bij
de wijn doen", aldus de korpsleiding afgelopen zaterdag in Hart van
Nederland. Dat is volstrekt onjuist, om meerdere redenen.
Ten eerste. Er is sprake van aansprakelijkheid van de politie als
werkgever. Dat betekent schade vergoeden, niets meer, maar zeker niets
minder. Bij rechtszaken heeft de politie regelmatig ongelijk gekregen.
Men probeert hier telkens onderuit te komen door de slachtoffers die
vanwege hun PTSS-problematiek toch al zwak staan en geen rechtszaak
willen starten tot op heden aan het lijntje te houden.
Ten tweede. De politie miskent dat het smartengeld in het verleden is
toegezegd. Daar kom je dus gewoon niet meer onderuit. Maar het wordt nog
bonter. Er wordt gedaan alsof het nieuwe stelsel er al is, maar dat is
helemaal niet zo. Ik citeer de passage uit de brief van de minister van
18 december 2020. "De uitwerking van het nieuwe stelsel voor
beroepsziekten is complex en vergt een zorgvuldige aanpak waarover nog
veel interne afstemming nodig is en overeenstemming in het Centraal
Georganiseerd Overleg Politie."
Om het nog erger te maken doet de politie alsof het nog niet bestaande
stelsel zelfs terugwerkende kracht heeft, die de eerdere gedane
toezegging van het smartengeld tenietdoet. Als de politie zich aan de
normale juridische beginselen zou houden, die iedere stagiaire kent, zou
mijn met algemene stemmen aangenomen motie niet eens nodig zijn, maar
zelfs die wordt genegeerd door de hoge heren en dames van de
korpsleiding. Niet alleen laten zij dus hun eigen mensen in de steek, ze
zetten ook de minister in zijn hemd en lappen een Kamerbreed gesteunde
motie aan hun laars.
Dit moet stoppen. Sinds twee weken staat Sheila met haar buddyhond
dagelijks op het Binnenhof om aandacht voor haar dossiers en die van
haar collega's te vragen. Oud-korpschef Bouman noemde het oplossen van
deze zaken "een ereschuld". De huidige korpschef reed Sheila met haar
buddyhond en twee anderen die er ook stonden voorbij in zijn dienstauto.
Ik vraag de minister dan ook dringend om zich hier persoonlijk mee te
gaan bemoeien totdat het is opgelost, ondanks de drukke coronatijd. Deze
politieagenten stonden voor ons in de frontlinie en nu moeten wij dat
voor hen doen. Graag een reactie en zelfs een garantie als dat kan op
dit punt.
Voorzitter. Dan het rapport over de taakuitvoering bij de Landelijke
Eenheid. De conclusies zijn vernietigend. Er is sprake van een totaal
gebrek aan sturing door de politietop. Er is sprake van
taakverwaarlozing, schade aan informatiestromen en slechte afstemming
tussen Intel en Tactiek, met als gevolg een groot afbreukrisico voor de
nationale en internationale opsporing, een slecht imago van de
Nederlandse politie in de internationale samenwerking en last but not
least ook hier forse schade aan medewerkers. Weer een stuitend voorbeeld
van slecht voor de eigen mensen zorgen.
Over dat menselijke aspect heb ik twee opmerkingen. Ten eerste. De
minister kondigt een heleboel maatregelen aan, maar degenen die deze
maatregelen moeten gaan implementeren en de verantwoordelijken onder wie
deze ellende is ontstaan dan wel heeft voortgeduurd, zijn nou net
degenen die hier die maatregelen moeten gaan implementeren, de voortgang
moeten bewaken en aan de minister moeten rapporteren. Dat kan toch
gewoon niet? Hoe moeten de mensen op de werkvloer en met name de
klokkenluiders zich hier nou bij voelen? Ik heb er in ieder geval geen
enkel vertrouwen in dat deze enorme problemen onder de huidige leiding
opgelost gaan worden. Is de minister dat met mij eens en, zo nee, waar
baseert hij zijn vertrouwen dan op?
Ten tweede, en tot slot. De inspectie heeft geen onderzoek gedaan of er
een causaal verband is tussen de problemen bij het Team Criminele
Inlichtingen en twee dodelijke gevallen van politie-informanten. Dat
blijkt duidelijk uit twee passages op pagina 6 van het rapport. Ik vind
dat dit wel degelijk onderzocht moet worden, want als dat causale
verband er is, dan komt ook hier de aansprakelijkheidsvraag aan de orde,
nog daargelaten dat de dood van twee mensen natuurlijk niet in de lucht
kan blijven hangen.
Dan de laatste vraag, voorzitter. Ik rond af. Is de minister dat met mij
eens en, zo ja, wie gaat dat onderzoek doen? En dan een voorzetje. Dat
kan niet het Openbaar Ministerie zijn, want dat is het bevoegd gezag
voor het TCI.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u zeer. Het woord is aan de heer Groothuizen van D66.
De heer Groothuizen (D66):
Dank u wel, voorzitter. Dankzij de inspanningen van de Nederlandse
politie zit ik hier vandaag een stuk geruster dan een week geleden, want
toen hadden we net een weekend vol met rellen en geweld achter de rug.
Er past wat mij betreft dan ook een groot compliment aan de politie. Ze
hebben echt heel goed werk gedaan bij het beheersen en op een gegeven
moment zelfs oplossen van die rellen. Ik had er graag iets langer bij
stilgestaan, maar de tijd is helaas beperkt. Ik beperk mij vandaag dus
tot de problemen bij de Landelijke Eenheid, de stand van zaken met
betrekking tot het MIT en de bestrijding van corruptie.
Voorzitter. Vorige week publiceerde de inspectie het eerste deel van
haar onderzoek naar de problemen binnen de Landelijke Eenheid van de
politie. Collega Helder refereerde daar ook al aan. Dat rapport loog er
niet om: afbreukrisico voor de opsporing, een slecht imago van de
Nederlandse politie in de internationale samenwerking en schade aan
medewerkers door spanning en conflict. Belangrijkste oorzaken: ICT niet
op orde, onderbezetting, langdurige achterstanden en onvoldoende
sturing, en dat eigenlijk allemaal in de bredere context van een te
snelle reorganisatie van de politie. Het klinkt helaas allemaal tamelijk
bekend.
Een week eerder kwam al naar buiten dat de spanningen rond het
Multidisciplinair Interventie Team — ik ga het voortaan het MIT noemen —
hoog oplopen. Tijdens de begrotingsbehandeling in november vorig jaar
wees ik al op het risico dat je voor elk probleem met een nieuwe aanpak
komt, met een nieuwe club of een nieuwe managementlaag. Eigenlijk zegt
nu ook de inspectie: zorg nou eerst dat je basis op orde is. Dat is een
verstandig advies, dat helaas te weinig wordt opgevolgd. De minister
erkent dat de basis op orde moet zijn, maar kondigt vervolgens wel weer
van alles aan. De cultuur moet veranderen door een multidisciplinair
triageteam, door het programma Politie voor iedereen en door het
visiestuk Grondtoon leiderschap. Dat klinkt allemaal prachtig, maar ik
vraag me wel het volgende af; dat is dan de vraag aan de minister. Is
dit niet een beetje dezelfde fout: weer een nieuwe stapel
beleidsstukken, weer een nieuw team oprichten in plaats van eerst echt
de basis op orde hebben? De inspectie constateert namelijk dat er
beleids- en visiedocumenten lagen, maar dat onduidelijk was wie daarvoor
verantwoordelijk was. Is dat probleem nu opgelost? Graag een
reactie.
Voorzitter. Ik ben ook benieuwd naar de gedachten van de minister over
de berichtgeving rond het MIT. Het MIT wil innovatief zijn en zoekt hoog
gespecialiseerde mensen, bijvoorbeeld in de hoek van de digitale
opsporing of in de financieel-economische hoek. In die vijver vist de
minister niet alleen. Ook banken hebben bijvoorbeeld behoefte aan dat
soort specialisten. Hoe gaat de minister er nou voor zorgen dat hij die
vacatures gaat vervullen met de juiste mensen, en het liefst niet door
ze weg te halen bij politie, FIOD of Douane? Want die hebben daar zelf
ook behoefte aan. Graag een reactie van de minister.
Voorzitter, tot slot corruptie. Dat is een onderwerp dat me aan het hart
gaat, waarschijnlijk omdat ik in het buitenland twee keer heb gezien hoe
verwoestend de invloed van corruptie kan zijn. Ik vrees zo langzamerhand
dat Nederland wat minder schoon is dan we dachten en hoopten. We worden
regelmatig opgeschrikt door berichten over platte douaniers en agenten.
Transparency International wijst ons er herhaaldelijk op dat we
achterblijven, als het gaat om het aanpakken van wat Nederlandse
bedrijven fout doen in het buitenland. Ik denk dus dat we onze
inspanningen bij het bestrijden van corruptie moeten opvoeren.
Ik heb daarom een plan gemaakt met een aantal voorstellen om onze
inspanningen te vergroten, zonder de pretentie te hebben dat daarmee
alles is opgelost. Een van de voorstellen behelst een zogenaamde
bedrijfsreclassering, zodat we beter zicht hebben op de afspraken die
met bedrijven worden gemaakt. Het is immers best wel gek dat het OM
bedrijven soms een verbetertraject oplegt, maar eigenlijk niemand goed
toezicht houdt of kan houden hoe ze dat dan doen.
Een ander voorstel betreft een gat in de bevoegdheden bij de opsporing
van corruptiedelicten. Dat hindert bijvoorbeeld de Rijksrecherche om
bepaalde bevoegdheden zoals OVC, afluisteren in een woning, in te zetten
bij bijvoorbeeld een verdenking van poging tot omkoping of passieve
ambtelijke omkoping. Volgens mij moeten we daar simpelweg de wet op
aanpassen. Ik overhandig met behulp van de bode, hoop ik, het plan aan
de minister en aan mijn collega's, en ik ben benieuwd naar de reactie
van de minister. Dank u wel.
De voorzitter:
Ik neem aan dat er geen bezwaar tegen bestaat dat dit stuk ter inzage
wordt gelegd bij het Centraal Informatiepunt van de Kamer.
(Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt van de Tweede Kamer
der Staten-Generaal.)
De voorzitter:
Dank u zeer. Dan is het woord aan mevrouw Westerveld van
GroenLinks.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks):
Dank u wel, voorzitter. Mijn collega Kathalijne Buitenweg kan vandaag
niet aanwezig zijn; vandaar dat ik het van haar overneem. Dat doe ik
graag, want er staan een aantal belangrijke onderwerpen geagendeerd,
onder andere beroepsziekten onder agenten, de aanpak van verwarde
personen, de tomeloze inzet van agenten tijdens de avondrellen maar ook
het zorgwekkende inspectierapport.
Wat mij opvalt bij het lezen van het rapport, is dat de problemen waar
veel mensen bij de politie tegen aanlopen niet op zichzelf staan. Net
als bij veel andere professionals die werken in de publieke sector
verwachten we enorm veel van hen, maar krijgen ze te weinig waardering
en is de werkdruk enorm. Dat laatste zien we onder meer als het gaat om
beroepsziekten. Hoe kan het dat oud-dienders die door het zware werk een
posttraumatische stressstoornis ontwikkelen niet goed worden geholpen?
Ik schrok van de berichten die ik daarover las, want de wanhoop spatte
daarvan af. Als woordvoerder jeugdzorg en ggz herken ik die wanhoop ook
bij andere mensen. Hoe kan het dat de overheid eerst een beroep doet op
haar mensen, maar niet thuis geeft als zij ondersteuning nodig hebben
vanwege mentale problemen door hun werk? Ik begrijp uit de Kamerbrief
dat de minister werkt aan een nieuw stelsel beroepsziekten en
-incidenten. Dat is mooi, maar wat houdt dit concreet in voor de mensen
die nu aankloppen bij het ministerie maar ook bij leden van deze
commissie? Ik wil de minister het volgende vragen. Welke fouten hebben
er volgens hem in het verleden plaatsgevonden en hoe worden de lopende
zaken behandeld? Als ik de berichten van oudgedienden zoals Sheila lees,
dan hebben deze gedupeerden vaak een overheid gevonden die niet naast
hen stond, maar te vaak tegenover hen stond. Graag een reactie.
Voorzitter. GroenLinks maakt zich ook al langer zorgen over de interne
veiligheid bij de politie. Ik hoorde een aantal collega's daar ook over.
In het vorige notaoverleg vroeg mijn collega daar ook al uitgebreid
aandacht voor vanwege een KPMG-rapport, maar nu ligt er een
inspectierapport waar je simpelweg een knoop in je maag van krijgt. Het
rapport spreekt van organisatie- en taakverwaarlozing. Het spreekt over
falend leiderschap. Het gaat over ongewenst gedrag op de werkvloer. Het
gaat over imagoschade in het buitenland, over falende ICT-voorzieningen
en over tal van misstanden, terwijl deze eenheid van cruciaal belang is
voor onze nationale veiligheid, om ondermijning tegen te gaan en om
terrorisme te bestrijden. Dit rapport bevat snoeiharde conclusies en ook
conclusies die de minister zich moet aanrekenen. Daarom een aantal
vragen.
De allereerste vraag is: hoe heeft het zover kunnen komen? Had de
minister met de kennis van nu eerder of misschien ook wel anders
gehandeld? Is onze nationale veiligheid in het geding vanwege deze
structurele problematiek?
Ik lees in de kabinetsreactie dat er een lid aan het managementteam
wordt toegevoegd en er begeleiding komt voor leidinggevenden. We geven
natuurlijk mensen graag een tweede kans, maar in het rapport leest het
wel als structureel falen van leiderschap. Daarom vragen wij na het
lezen van dit rapport ons af of de organisatie ook niet gebaat is bij
nieuwe mensen op nieuwe plekken.
Ook staat de hoge werkdruk niet los van de geconstateerde problemen. Ik
zou de minister willen vragen wat zijn advies nu is voor de komende
formatietafel als het gaat over investeringen in de politiecapaciteit.
Graag een reactie.
Voorzitter. Er is in deze commissie veel vaker gesproken over verwarde
personen of eigenlijk over dat de politie steeds meer tijd moet
investeren in personen met verward gedrag. Als woordvoerder jeugd-ggz
ken ik ook de andere kant, namelijk jongvolwassenen die echt dringend
psychische hulp nodig hebben, die nooddiensten bellen, die soms door de
politie gebracht worden naar een plek voor acute noodopvang en die een
paar uur later weer buiten staan omdat er simpelweg geen plek voor hen
is. Dat is natuurlijk niet alleen schadelijk voor deze mensen en
schadelijk voor de noodopvang, maar ook voor de politie, die hier heel
veel tijd aan kwijt is. Het is ook om wanhopig van te worden. Ik wil de
minister vragen wat de meetbare stappen zijn geweest in de afgelopen
jaren. Er is een schakelteam geweest en dat heeft uitgebreid bevindingen
gepresenteerd. Wat is er concreet veranderd in het werk van de politie
en ook voor deze mensen die verward gedrag hebben en nergens
terechtkunnen? Graag een reactie daarop.
Ik wil ook graag tegen deze commissie zeggen dat een manier om de
politie te ontlasten natuurlijk ook is dat we investeren in hulp aan
mensen die psychische hulp nodig hebben.
Voorzitter, mag ik nog een laatste punt maken?
De voorzitter:
Jazeker.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks):
Dat is de waardering die wij ook hebben voor de politie tijdens hun
belangrijke werk bij de avondrellen. Er werd ongelofelijk veel van hen
gevraagd. Tegelijkertijd lezen we — dat hoorde ik collega Van Raak ook
al uitgebreider benoemen — dat de politie er niet met de minister
uitkomt als het gaat over het afsluiten van een nieuwe cao. Ik hoor heel
graag wat de stand van zaken is, want de mensen die bij de politie
werken hebben recht op een gepaste waardering.
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Het woord is aan mevrouw Yeşilgöz van de VVD.
Mevrouw Yeşilgöz-Zegerius (VVD):
Heb ik nou voorgedrongen? Ik dacht dat ik juist ...
De voorzitter:
Ik ken de heer Van Dam. Hij is net als ik. Wij komen uit de tijd dat je
nog werd opgevoed.
Mevrouw Yeşilgöz-Zegerius (VVD):
Goed! Ik wil nu zo veel zeggen, voorzitter. Maar ik laat het allemaal
zitten en ik begin gewoon met mijn spreektekst. Anders gaat het helemaal
mis, denk ik.
Ik wil graag beginnen met woorden van dank richting onze politiemensen,
richting alle vrouwen en mannen die dag en nacht klaarstaan voor onze
veiligheid. We hebben inderdaad vorige week tijdens de rellen kunnen
zien hoe heftig hun werk kan worden. Ik wil daarbij ook mijn respect
uitspreken richting hen die daar zo professioneel hebben opgetreden. Dat
zijn onze politiemensen, handhavers, ME, Koninklijke Marechaussee. Ik
ben ook blij dat justitie daarna heel voortvarend aan de slag is gegaan
met de opsporing en het snel voor de rechter brengen van mensen. Het
gaat ook echt over flinke zaken. Neem de twee criminelen die in
Telegramgroepen een prijs zetten op het hoofd van agenten. Walgelijk! Ik
kan daar niet ... Nou ja, ik zal daar verder geen woorden aan vuilmaken,
maar het gaat dus over zulke zware zaken. Daarbij wil ik nog wel
opmerken — dat hebben verschillende collega's en ook ik in het verleden
gedaan — dat we echt aan de slag moeten met een verbod op het überhaupt
openbaar maken van foto's, namen en adressen van agenten.
Voorzitter. Bij waardering uitspreken hoort ook waardering tonen. De
collega's van de SP en GroenLinks vroegen hoe het zit met de
cao-onderhandelingen. Ik ga deze vraag ook stellen aan de minister. Ik
hoorde hem vorige week tijdens het debat over de rellen zeggen: nee, die
onderhandelingen lopen nog. Net als collega's kreeg ik daarna van
verschillende politiemensen het bericht: nee, die lopen helemaal niet.
Ik zou graag van de minister het volgende willen weten. Wat is de stand
van zaken? Hoe staat het ervoor? Wat heeft de minister nodig om deze
onderhandelingen tot een goed einde te brengen? Heeft de minister er
bijvoorbeeld contact over met zijn collega Hoekstra?
Over het inspectierapport is ook heel veel gezegd. Daar sluit ik mij bij
aan. Ik heb de brief van de minister een aantal keren gelezen, maar ik
weet niet precies wat hij nou eigenlijk zegt. Wat gaat er concreet
gedaan worden en wat kunnen wij concreet volgen? Zijn alle middelen nu
voorhanden om ervoor te zorgen dat de zaken op orde worden gebracht? Dit
is een hele brede vraag. Ik zou nog veel gedetailleerdere vragen kunnen
stellen, maar daarvoor heb ik niet de tijd. Wat heeft de minister
daarvoor nodig? Hij geeft aan dat hij periodiek geïnformeerd gaat worden
door de korpschef. Waarover is dat dan? Wat wordt dan meetbaar gevolgd
en wat kunnen wij als Kamer meetbaar volgen? In de brief staat: zo nodig
wordt de Kamer geïnformeerd. Ik neem aan dat het nodig is. Ik wil graag
weten op welke manier ik dat goed kan volgen.
De voorzitter:
Ogenblik. Er is een interruptie voor u van mevrouw Helder.
Mevrouw Helder (PVV):
Ja, over de nieuwe cao. Je kunt zeggen dat de onderhandelingen lopen of
niet lopen, maar voor zover ik van de bonden heb begrepen is de
financiële bandbreedte het probleem. Ik geloof dat ze op iets van meer
dan 2% hebben ingezet, terwijl de minister zegt dat het maximaal 1,5%
is. Pin me niet vast op de getallen, maar het gaat om de financiële
bandbreedte. Mevrouw Yeşilgöz behoort tot een partij van wat inmiddels
een demissionair kabinet is — ik weet dat ook wel — maar ik denk dat zij
beter weet dan wie dan ook waar het geld gehaald moet worden en dat daar
nou net de ruimte zit. Is zij bereid om iets harder te werken en het
niet alleen aan de minister te vragen, zodat er ook eens ergens geld
vrijkomt? Dat vragen we al een hele tijd, maar ik vraag het weer.
Mevrouw Yeşilgöz-Zegerius (VVD):
Dank voor deze vraag van mevrouw Helder. Dat is ook de reden waarom ik
aan de minister vraag hoe de gesprekken tussen hem en zijn collega
Hoekstra gaan en waarom ik van hem wil weten wat er voor nodig is om die
gesprekken tot een goed einde te brengen. Dan kun je de volgende stap
zetten in die zin dat wij hier die cao-onderhandelingen overdoen, maar
dat doet mevrouw Helder niet. Dat lijkt me ook niet gepast. Ik denk ook
niet dat de politie daar wat aan heeft. Het is veel complexer dan dat,
maar ik deel de vraag. Ik zou graag willen weten waar het aan deze kant
vastloopt en wat daarvoor nodig is. Die vragen heb ik ook.
Mevrouw Helder (PVV):
Dan wil ik van mevrouw Yeșilgöz weten of ze klaar was met het rapport
van de inspectie, want daar heb ik ook nog een vraag over.
De voorzitter:
Komt dat nog of was u daar klaar mee?
Mevrouw Yeşilgöz-Zegerius (VVD):
Nee, voorzitter. De vragen die ik heb gesteld, waren even de beknopte
versie van álle vragen die ik heb gesteld. Dus ik ben klaar voor de
interruptie.
De voorzitter:
Mevrouw Helder, gaat uw gang.
Mevrouw Helder (PVV):
Dan is hier mijn vraag. Er komt ook heel prominent naar voren dat er
structureel sprake is van wegkijken door de politietop, de vorige
korpschef, de huidige korpschef en alles wat zich leidinggevend mag
noemen. Heeft mevrouw Yeşilgöz er wel vertrouwen in dat de huidige
leiding van de eenheid en de korpsleiding deze problemen gaan tackelen?
Die vraag miste ik.
Mevrouw Yeşilgöz-Zegerius (VVD):
Dat is een hele terechte. Ik denk dat ik die vraag deel en mede voor
mijzelf kan beantwoorden zodra ik een reactie heb van de minister op de
vraag welke concrete afspraken er nou echt gemaakt zijn met de
korpschef. Wat wordt meetbaar gevolgd en getoetst, en wat kunnen wij als
Kamer straks meetbaar volgen en toetsen? Daar heb ik zelf ook geen
feeling bij. Ik heb verschillende mensen bij de politie gesproken,
ongetwijfeld net als mevrouw Helder. Zij geven aan dat zij vertrouwen
hebben in hoe dat intern wordt opgepakt. Dat is voor mij een heel
belangrijk signaal, maar dan nog is het belangrijk dat wij het aan deze
kant ook kunnen volgen. Dat kan ik niet terugvinden in de brief van de
minister.
De voorzitter:
Kort nog, mevrouw Helder.
Mevrouw Helder (PVV):
Voorzitter, afrondend. Dan blijf ik steken bij het structureel wegkijken
door de top en vraag ik mij af mevrouw Yeşilgöz vertrouwen heeft in deze
top, want zij moeten het in gang zetten en aan de minister rapporteren.
Ik heb dat in ieder geval niet.
Mevrouw Yeşilgöz-Zegerius (VVD):
Ik zit hier niet om te zeggen dat ik overal heel veel vertrouwen in heb
of totaal geen vertrouwen heb. Ik wil graag de stappen zien. Ik denk wel
dat wij de politieorganisatie tekortdoen als wij zeggen: in één keer. Er
was intern onderzoek gaande. Er zijn andere onderzoeken geweest. Er zijn
al verbeterslagen gemaakt. Een inspectieonderzoek duurt nu eenmaal
langer. Dat ligt nu voor. Het is niet zo dat er niks gebeurde en men nu
wakker schrikt. Maar ik ben het met mevrouw Helder eens dat wij nu niet
moeten zeggen: nou, we kunnen rustig gaan slapen; het is wel in orde.
Vandaar dat ik precies wil weten hoe wij dit gaan volgen en waar wij
kunnen ingrijpen als wij denken dat het toch niet goed gaat. Wij zitten
allemaal niet te wachten op vervolgonderzoeken waaruit blijkt dat er nog
meer ellende is gekomen. Dus die zorg deel ik, maar ik wacht graag nog
eerst op het antwoord van de minister op de vraag hoe hij dat gaat
volgen en hoe wij dat kunnen volgen.
De voorzitter:
Dan is er nog een interruptie voor u van de heer Van Raak.
De heer Van Raak (SP):
Even terug naar de waardering van agenten, die cao. Mevrouw
Yesilgöz-Zegerius vraagt wat er nodig is. Nou, dat is niet zo heel
moeilijk: 1,2%. De agenten willen 2,5% en de regering biedt 1,3%. Dus
1,2% is wat er nodig is, plus een minister die de waarheid vertelt aan
de Kamer, die even excuses aanbiedt en die 1,2% ter beschikking stelt.
Is mevrouw Yeșilgöz-Zegerius dat met mij eens?
Mevrouw Yeşilgöz-Zegerius (VVD):
Meneer Van Raak geeft antwoord op de vraag die ik aan de minister heb
gesteld. Misschien is dit een sollicitatie voor een volgende
carrièrestap, dat zou kunnen, ik kijk ernaar uit. Maar laten we even van
de minister horen hoe die gesprekken gaan. Die met de bonden,
natuurlijk, over de cao's, maar ook intern, met minister Hoekstra over
de ruimte die er wel of niet is en waar het echt op vastloopt. Ik stel
zelf die vragen, maar ik voeg daar nog wel een keer aan toe: wij moeten
niet hier met elkaar cao-onderhandelingen gaan voeren, daar is de
politie per definitie niet bij gebaat, want het is natuurlijk veel
complexer dan waar wij het nu over hebben. Daar wil ik dus wel voor
waken. Maar dat is volgens mij ook niet de insteek van de heer Van
Raak.
De heer Van Raak (SP):
Nee. Maar we moeten de minister ook niet op pad sturen met lege zakken.
We moeten hem wel iets meegeven. De SP heeft natuurlijk eerder een motie
ingediend. Mevrouw Yeşilgöz-Zegerius heeft die toen niet gesteund. Ik
zal straks weer een motie indienen, denk ik. Het ligt er natuurlijk aan:
als de minister zegt "nee, excuses aan de Kamer, excuses aan de bonden,
excuses aan agenten, mijn zakken zitten vol en het wordt geregeld, deze
week nog", is dat hartstikke mooi. Anders overweeg ik een motie die
vraagt om met spoed deze financiële ruimte beschikbaar te stellen en de
politiesalarissen te verhogen. Als ik dat doe, is mevrouw
Yeşilgöz-Zegerius dan ook bereid om te zorgen dat de minister met volle
zakken gaat onderhandelen in plaats van met lege?
Mevrouw Yeşilgöz-Zegerius (VVD):
Dit vind ik nou echt onwijs jammer. Ja, dat vind ik echt. Die motie van
vorige week, die straks blijkbaar weer wordt ingediend, en die andere
moties van de SP van vanochtend die ik bij andere debatten al voorbij
zag komen, zeggen allemaal hetzelfde: regel geld. Er zit geen dekking
bij, er wordt niet gezocht naar geld, er wordt niet meegedacht. De heer
Van Raak lacht, maar dit klopt. In een vorige motie van de SP bij JenV
stond: regel geld, het verdient zichzelf wel terug. Het is ontzettend
creatief boekhouden. De agenten die mij belden om te vragen hoe het zit
met de cao-onderhandelingen, zeiden daarbij: we zien dat een SP een lege
motie indient zonder dekking om een beetje goede sier te maken. Ik hoop
dat dat straks niet gebeurt. Ik hoop ook dat de SP niet continu in
dezelfde potjes grijpt waar ze al zo ongeveer 800 moties voor hebben
liggen. Laten we serieus aan de slag gaan. Eerst aan de minister vragen
hoe het ermee staat en wat er nodig is, en dan kunnen we samen kijken
wat daar echt voor nodig is. Maar ik denk dat dit onderwerp té
belangrijk is om daar, met alle respect, een politiek nummertje van te
maken.
De voorzitter:
Ten slotte de heer Van Raak.
De heer Van Raak (SP):
Dit vind ik echt bijna laag bij de grond. Het spijt me zeer om dat te
moeten zeggen vandaag. Maar als de KLM belt, is er nooit een probleem
met de dekking. Als Unilever belt, is er nooit een probleem met de
dekking. Als bol.com belt, is er nooit een probleem met de dekking. Maar
als agenten, die met gevaar voor eigen leven de straat op worden
gestuurd, een eerlijke, fatsoenlijke vergoeding vragen, zegt de VVD:
nee, er is geen dekking. Nee, het probleem ís niet de dekking, het
probleem is de wíl. De wil om de agenten fatsoenlijk te behandelen en ze
het respect te betonen dat ze verdienen. Dát is wat er vandaag aan de
hand is.
Mevrouw Yeşilgöz-Zegerius (VVD):
Ik hoor geen vraag. Waarvan akte. Ik denk dat dit heel erg sleets en
flauw begint te worden van de SP. Dit gaat echt, écht over mensen die
dit debat volgen en willen weten wat we voor ze kunnen doen. Dan moet je
precies weten wat er aan de hand is, hoe het met de onderhandelingen
staat en wat daarvoor nodig is. Dan kunnen we elkaar vinden om dat te
regelen. Om daar allerlei zaken bij te halen die er helemaal niks mee te
maken hebben: ik vraag mij af wie je daar een plezier mee doet, behalve
je eigen campagne.
Voorzitter. Ik ga door met …
De voorzitter:
Gaat u verder met uw betoog.
Mevrouw Yeşilgöz-Zegerius (VVD):
Ja, ja. Ik was bij het Multidisciplinair Interventie Team gekomen, het
MIT. Twee weken geleden konden we uitgebreid in de krant lezen dat er
allerlei stukken waren gelekt waarbij — ik zal het samenvatten — vanuit
de politieorganisatie werd gezegd: onze aanpak van ondermijning wordt op
dit moment ondermijnd door dit prestigeproject van de minister. Dit zijn
letterlijk de zorgen die ik hier al anderhalf jaar deel in debatten. Ik
heb alle keren opgezocht waarop we hierover vragen hebben gesteld,
schriftelijk, mondeling, van alles. Die vragen gaan over hele concrete
zaken. Waarvoor is het MIT? Wat voegt het toe? Wat voegt het toe aan
bevoegdheden? Wat gaat het extra doen? Waar halen we de mensen vandaan?
Ik heb in deze zaal, of een van de zalen ernaast, onlangs nog gevraagd
waar we die 400 mensen vandaan halen zonder de teams, die uitstekend
functioneren, leeg te trekken. Nee, zei de minister, ik ga die niet
leegtrekken. Maar dat gebeurt nu. Ik wil graag van de minister weten wat
concreet de doelstelling van het MIRT is. Wat is er afgesproken? Waar
komen die mensen vandaan? Zijn er afspraken gemaakt dat ze niet uit de
teams komen die zich moeten houden aan de regels die al eerder zijn
gemaakt met vakbonden, zodat zij niet meer kunnen bieden terwijl het
MIRT alles kan bieden?
Voorzitter. Dit zijn de geluiden. Ik wil gewoon zwart-op-wit hebben hoe
dit zit. Tot dan zou ik graag willen dat de minister geen nieuwe stappen
neemt bij dat MIRT. Ik heb geen zin in een nieuw inspectierapport over
twee jaar waarin we zien dat dingen onder onze neus al misgingen.
Voorzitter. Volgens mij heb ik nog heel even voor twee punten?
De voorzitter:
Nou, anderhalve seconde. Maar ik zal dezelfde mildheid betrachten als
bij mevrouw Westerveld, dus u heeft nog een halve minuut.
Mevrouw Yeşilgöz-Zegerius (VVD):
Dank u wel. Dan wil ik graag een vraag stellen over straattriage. Dat is
hetzelfde punt als mevrouw Westerveld maakte over de ggz en over dat de
politie heel vaak op stap moet voor verwarde personen. Daar hebben wij
voorstellen over ingediend. De minister antwoordt dat zijn brief een
reactie op onze Kamerbreed aangenomen motie is, waarin wij vragen om
nieuwe pilots, maar de minister verwijst daarin naar oude plannen en
pilots. Graag een stand van zaken. Hoe staat het ermee? We vroegen
concreet om nieuwe zaken.
Voorzitter, mijn laatste punt zal ik zo maken. Ik sluit me aan bij de
vragen over PTSS en over de politievrijwilligers.
De voorzitter:
Nou, die halve minuut is alweer lang voorbij.
Mevrouw Yeşilgöz-Zegerius (VVD):
Dan zal ik mijn laatste punt bewaren voor de tweede termijn, waarvoor we
extra tijd hebben gekregen.
De voorzitter:
Ik vind het een reuzeplan, echt fantastisch. Ik zou er zelf niet op
gekomen zijn.
Mevrouw Yeşilgöz-Zegerius (VVD):
Ja, toch? Doen we het zo!
De voorzitter:
Ja, zeer bedankt. Ik ga naar de heer Van Dam van het CDA. O, eerst
mevrouw Westerveld.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks):
Ik wil nog wel graag een vraag stellen over verwarde personen. De
politie is daar veel tijd mee bezig. Daar is de afgelopen tijd veel
inzet op gepleegd. Ik heb begrepen en ook teruggelezen dat ook de VVD er
een aantal voorstellen voor heeft gedaan. Het is natuurlijk wel heel erg
zuur dat vervolgens blijkt dat er geen plek is voor heel veel mensen die
op straat zijn vanwege verward gedrag. Ik zou mevrouw Yeşilgöz-Zegerius
willen vragen of ze het met me eens is dat dit ook betekent dat er
geïnvesteerd moet worden in voldoende plekken voor mensen met psychische
problemen.
Mevrouw Yeşilgöz-Zegerius (VVD):
Ja. Dat is een ander debat, waarvan ik weet dat GroenLinks het met mijn
collega van de VVD heeft gevoerd en aan het voeren is. Dat is ook heel
erg belangrijk. En dan denk ik dat het zowel gaat om plekken, alsook om
extramurale zorg. Er is heel veel voor te zeggen dat we het zo hebben
ingericht dat mensen niet per definitie worden opgenomen, maar juist
zelfstandig kunnen blijven wonen en leven. Maar daar hebben ze dan wel
begeleidende zorg bij nodig. Dat je daar veel meer aan moet doen, deel
ik. Volgens mij kun je ook heel veel stappen zetten, waarbij de politie
een heel belangrijke factor kan zijn, zonder dat ze zo veel mensuren
kwijt zijn aan werk dat eigenlijk bij de zorgprofessionals ligt. Ik denk
dus niet dat wij heel erg uit elkaar liggen.
De voorzitter:
Mevrouw Westerveld nog? Nee? Akkoord. Dan kom ik bij de heer Van Dam van
het CDA voor zijn bijdrage.
De heer Van Dam (CDA):
Voorzitter, dank u wel. Dit is het laatste overleg voor de verkiezingen
over de politie. Alles wat ik de afgelopen jaren heb gezegd en gedaan op
politiegebied, heb ik gedaan met grote waardering en respect voor de
mensen op de werkvloer en de dienders die het werk verrichten, recent en
in het verleden. Als ik een worsteling heb met de politie, is het meer
met de organisatie en met de aansturing van de organisatie.
Vandaag drie punten, in de eerste plaats het rapport van de Inspectie
Justitie en Veiligheid, het eerste in een reeks van drie. Samen met het
Deloitterapport kun je hier toch echt wel over een foute Bouquetreeks
spreken. Echt. Het gaat niet goed bij de Landelijke Eenheid. Daar hangt
ook heel veel van af. We hebben het nu over het MIT, maar ik begin een
beetje te twijfelen of het bij de Landelijke Eenheid allemaal wel zo
koosjer loopt. Wij voeren hier geen functioneringsgesprekken met de
Landelijke Eenheid, maar mijn centrale vraag is: heeft de minister nog
vertrouwen in de leiding van de Landelijke Eenheid?
Voorzitter. Het rapport zou het rechtvaardigen dat wij onze neus erin
steken, dat we hier hoorzittingen houden en ons verdiepen in wat daar
gebeurt, maar helaas, het is bijna verkiezingsreces, dus als het mij
gegeven is, zal ik dat na de verkiezingen oppakken.
Een enkele vraag. In het rapport staat meer niet dan wel. Er is al aan
gerefereerd: er staat bijvoorbeeld in dat er rijksrechercheonderzoeken
en VIK-onderzoeken zijn. Ik zou graag inzicht krijgen in wie wat
onderzocht heeft. Bijvoorbeeld informant Freddy Janssen: ik heb gehoord
dat de mensen die daarbij betrokken zijn, niet gehoord zijn door de
inspectie en ook niet door de rijksrecherche. Wie heeft dus wat
onderzocht? Kan de minister daar duidelijkheid over geven?
Dan over de externe adviescommissie. Wie gaan daarin zitten? Komen daar
ook mensen in die niet tot het establishment behoren, die nieuw en fris
zijn en die vertrouwd worden door de mensen?
Dan PTSS. Er zitten vandaag op z'n minst 209 mensen naar dit notaoverleg
te kijken. Die groep groeit. Ik heb inmiddels uitgevonden dat die groep
steeds groter wordt. Het begint een kwestie van dramatische proporties
te worden. In 2015 stond toenmalig korpschef Bouman in het AD met een
interview waarin hij aankondigde dat het ging om een ereschuld en dat
het niet mocht uitmaken hoeveel het ging kosten om recht te doen aan hen
die door hun werk PTSS hadden opgelopen.
Maar zie waar we nu zijn. Het lijkt wel of we verder van huis zijn dan
ooit, ondanks alle goede bedoelingen van iedereen en ondanks de brief
van de minister van 23 april 2020, waarin hij een prachtig perspectief
bood. We zijn nu zo'n tien maanden verder. Waar is dat nieuwe beleid
gebleven? Hoe staat het met die nieuwe regeling? We weten allemaal dat
daarin het smartengeld als zodanig fors naar beneden gaat en dat er
mogelijk meer ruimte ontstaat voor vergoeding van materiële kosten, maar
vooral dat een minder juridische en meer menselijke maat de afhandeling
moet gaan bepalen. Zolang er geen nieuw beleid is, blijft er voor de
tussengroep tussen coulanceregeling en nieuw beleid een onheldere
situatie bestaan, die niemand goed doet. Wanneer komt het nieuwe
beleid?
Dan over verrekening. Daar hebben we ons de laatste tijd op
blindgestaard, en terecht. Inmiddels ben ik verder gaan graven. Onder de
motorkap van de verrekening kom je uit bij de vraag of het korps zich
wel of niet aansprakelijk acht voor de restschade. Als het korps
aansprakelijkheid aanvaardt, wordt er niet verrekend. Als het korps geen
aansprakelijkheid aanvaardt, omdat er geen sprake is van
buitensporigheid of verjaring, of omdat de zorgplicht niet geschonden
is, is het pure coulance om toch iets aan de vergoeding van schade te
doen. Hoe verhoudt zich dat tot de ambities van de minister om de
buitensporigheidsdiscussie juist niet meer te voeren, om niet te
juridificeren? Het sterkt mij in de gedachte dat het nieuwe beleid as
soon as possible op onze deurmat moet liggen. Als dat er is, kun je
werkelijk helderheid gaan geven aan de tussencategorie.
Voorzitter. Ik voel mij gevangen in de huidige situatie. Als ik dat al
zo voel, hoe voelen de betrokken politiemensen zich dan? Met de huidige
uitleg van de minister is de enige weg voor mensen om hun gelijk te
halen, naar de rechter gaan. Dat wens je niemand toe. Ik weet dat een
categorie mensen niet naar de rechter wil en tot een afronding wil
komen, maar onvoldoende vertrouwen in de politieorganisatie heeft dat
het goed gaat komen. Is het mogelijk om daarvoor een voorziening te
treffen? Zelf denk ik aan een tripartiet samengestelde commissie,
onafhankelijk, die de mogelijkheid krijgt om als een soort beroepsorgaan
recht te doen tussen korps en medewerker, misschien ook wel voorzien van
een hardheidsclausule. Ik aarzel, want onder de motorkap blijft
onduidelijkheid over de aansprakelijkheid bestaan. Ik wil een weg zoeken
om hieruit te komen. Graag een reactie.
Ik denk dat ik het hierbij moet laten.
De voorzitter:
Dat denk ik ook. Ik dank u zeer. Daarmee eindigt de eerste termijn van
de zijde van de Kamer.
De vergadering wordt van 14.39 uur tot 14.55 uur geschorst.
De voorzitter:
Het woord is aan de minister van Justitie en Veiligheid voor zijn eerste
termijn.
Minister Grapperhaus:
Voorzitter. Mijn verontschuldigingen dat ik wat later ben. Ik was een
verkeerde zaal ingestapt en zat net midden in een betoog over
megastallen, waar ik natuurlijk helemaal niks van afweet; nou ja, je
weet maar nooit. Maar toen besloot ik toch dat ik hier moest zijn.
Excuses dat we iets later beginnen.
Voorzitter. Veel van uw leden hebben de wijze waarop de politie de
afgelopen weken heeft opgetreden, geprezen. Degenen die dat per ongeluk
niet hebben gedaan, hebben dat vast impliciet wel zo bedoeld. Ik wil
toch even stilstaan bij een punt dat mevrouw Yeşilgöz naar voren bracht.
Ik heb elke avond een bezoek gebracht aan een politiekorps, redelijk à
l'improviste, want ik wilde ter plekke horen hoe het met hen gaat, wat
hun overkomt en wat hun ervaringen zijn. Een van de schadelijkste dingen
die we zien, is doxing en het framen van politieagenten. Ik vraag daar
aandacht voor. Onze politie treedt heel beheerst op. Er wordt
gehandhaafd op een wijze die uitermate kundig en zorgvuldig is. Ik heb
niet alleen uitgebreide verslagen gezien en gehoord, maar heb ook
filmbeelden gezien van hoe dat is gegaan; die beelden boden echt
overzicht. Het gebeurt écht heel goed en zorgvuldig. Buitenlandse
collega's zijn altijd vol bewondering — niet naar mij toe; dat begrijpen
we — naar onze politiemensen, omdat ze handhavers én hulpverleners zijn.
Maar vervolgens worden agenten die gewoon hun werk doen op internet
gezet, met foto en al. Er wordt een soort prairiejacht geopend, zo van:
wie is dit? Adressen worden bekendgemaakt. Dat is echt fnuikend.
De afgelopen weken heb ik in een aantal steden in Nederland hierover
gesproken met agenten. Tegen hen heb ik gezegd dat ik daar echt nog mee
op pad ga. Het punt is dat specifieke wetgeving op dat punt lastiger zal
worden in een demissionaire periode. Maar ik zeg alvast — ik hoor uw
reacties daarop nog wel in de tweede termijn — dat ik eraan denk om ten
aanzien van de bedrijven die dit faciliteren, de providers die dit
mogelijk maken, misschien wel eenzelfde inzet te plegen als ik een
halfjaar geleden heb gedaan ten aanzien van kinderporno. Toen bleef het
werkelijk overal bij mooie woorden. De naming-and-shaming-aankondiging
leidde ertoe dat bijna iedereen zei: dan gaan we toch onze providers
anders inrichten. Maar ook daar zitten haken en ogen aan. Ik denk zeker
dat we daar nog wel met elkaar over te spreken komen. Maar ik wil in
ieder geval — die oproep heb ik zelf al een keer op het internet gedaan
— zeggen tegen de mensen die het goed bedoelen: laat je niet misleiden
door allerlei negatieve frames over politiemensen en andere
hulpverleners, die gewoon hun werk doen.
De heer Groothuizen (D66):
Het is goed om te horen dat de minister het serieus oppakt. Mijn vraag
is de volgende. Ik heb hier samen met mevrouw Van Toorenburg van het CDA
nog vragen over gesteld eind november. Toen was de reactie van minister
Dekker: nou ja, ik zie het punt wel, maar ik wil niet met een aparte
aanpak komen; ik neem het wel mee bij het internetpesten. Zo vat ik het
even kort samen, maar ook weer niet al te kort, want dat was wel zijn
reactie. Ik begrijp dat de minister afstand neemt van de antwoorden van
eind vorig jaar en dat hij zegt: ik zie toch wel reden om op dit punt
met een simpele aanpak te komen.
Minister Grapperhaus:
Ik kan u verzekeren dat Sander Dekker en ik geen afstand van elkaar
nemen. Bij het wetsvoorstel Taakstrafverbod, dat door uw Kamer met
overweldigende meerderheid is aangenomen — dank daarvoor — zaten we op
één lijn. Ik ben iemand die denkt: het glas is halfvol. Als het glas
meer dan halfvol is — dat is een meerderheid — dan is het wat mij
betreft buitengewoon vol. Tegen de heer Groothuizen zeg ik: nee, dat is
niet zo. Ik stel alleen wel vast dat dit nu echt vormen aanneemt die zo
langzamerhand niet te tolereren zijn. Dat geldt overigens — daarin heeft
de heer Groothuizen wel een punt — in algemene zin. We hebben gezien dat
de adresgegevens van politie, bekende Nederlanders en weet ik wie
allemaal de afgelopen tijd welig tierden op het internet. Daar zullen we
als samenleving echt tegen in moeten gaan om duidelijk te maken dat je
niet met elkaar in discussie gaat door de ander vogelvrij te verklaren.
Maar ik kom daar bij uw Kamer op terug. Ik denk dat het nog steeds een
onderwerp is waar we geen onverhoedse stappen in moeten zetten. Daarom
zeg ik nu in ieder geval tegen iedereen die vandaag kijkt: laat je niet
misleiden en opjutten door allerlei frames over mensen, over
hulpverleners, of het nou gaat om de politie, de brandweer of de
ambulance, die gewoon hun werk doen.
De heer Groothuizen (D66):
Dan toch even heel precies de tekst erbij van het antwoord op de vragen:
"het beleidskader rond de aanpak van verschillende vormen van
internetpesten, dat op korte termijn aan uw Kamer zal worden aangeboden,
zal ook van toepassing zijn op privacyschendingen in de vorm van
doxing". Daarvoor: "Het heeft de voorkeur van het kabinet om niet op elk
fenomeen op internet een separaat beleidskader te ontwikkelen". Terwijl
ik de minister toch net hoorde zeggen dat hij het probleem dermate groot
vindt dat hij overweegt dezelfde aanpak te kiezen als bij kinderporno.
Weet u, het gaat me niet om het spelletje. Ik vind het niet zo erg dat
er verschil in zit. Ik wil nu gewoon weten of het wordt meegenomen in
het kader van internetpesten of dat de minister het dermate serieus
vindt dat hij hiervoor met een apart voorstel komt. Dat laatste heeft
mijn voorkeur, maar het is gewoon nu niet heel erg helder meer.
Minister Grapperhaus:
De heer Groothuizen heeft het goed geproefd. We hebben de afgelopen tijd
gezien dat dit zo langzamerhand een vorm aanneemt die het fenomeen van
internetpesten ver voorbij gaat.
De heer Groothuizen (D66):
Dan is dus de conclusie dat de minister toch kiest voor een andere
invalshoek dan minister Dekker eind vorig jaar?
Minister Grapperhaus:
Ik vind dat hier een ernstiger fenomeen aan het ontstaan is, of reeds is
ontstaan. Ik vraag daar aandacht voor. Als wij mensen vragen
beroepsmatig uit een linie naar voren te stappen om te zeggen "hou
hiermee op" of "hou je aan de regels", moeten wij het ons ook als
samenleving aantrekken als niet alleen hun gezag maar ook hun
persoonlijkheid op die manier ondergraven wordt.
De voorzitter:
Op hetzelfde punt, denk ik, meneer Van Raak.
De heer Van Raak (SP):
Ja, want de minister is demissionair, maar de Tweede Kamer niet. Ik vind
het heel goed dat de minister van dit overleg gebruikmaakt om dit punt
te maken. Ik constateer dat hij afstand neemt van de lijn van zijn
collega Dekker. Ik vind dat in de situatie waarin we zitten, helemaal
niet erg. Ik kan de minister ook zeggen dat het wat mij betreft prima is
als hij op dit punt met voorstellen komt. Dat mag ook korte
termijn.
De voorzitter:
Dank u zeer. Gaat u verder.
Minister Grapperhaus:
Over het niet afstand nemen heb ik al genoeg gezegd. Daar verwijs ik
naar.
Voorzitter. Er staat een aantal onderwerpen op de agenda. Omdat de
tweede termijn wat langer wordt en ik de gelegenheid wil geven aan de
Kamer, wil ik eigenlijk meteen doorgaan naar de vragen. Dat is niet om
de politiemensen of degenen die in het onderwerp geïnteresseerd zijn
tekort te doen, maar ik denk dat het vooral goed is om daar flink op in
te gaan. Ik heb ze zo veel mogelijk per onderwerp gerangschikt.
Ik begin met een onderwerp dat ik mij echt aantrek, los van
regeerakkoorden en allerlei andere afspraken die er zijn. Dat is het
stelsel van beroepsziekten en dienstongevallen. Ik vind dat we dat
nieuwe stelsel zo snel mogelijk ingeregeld moeten hebben. Dat is ook
echt iets waar we nou juist met de bonden de gesprekken over voeren. Ik
wil hier nog eens het harde commitment afgeven dat we wat mij betreft,
en wat mijn mensen betreft, het eerste kwartaal van 2021 een definitieve
overeenkomst hebben over hoe dat nieuwe stelsel eruit gaat zien. Ik wil
benadrukken dat iedereen die daarmee bezig is, het afgelopen jaar alles
daarop heeft ingezet, met alle handicaps die we hadden. We blijven
daarop inzetten. Het eerste kwartaal is pas op 31 maart af, maar ik hoop
zelfs eerder dan 17 maart iets daarover te kunnen berichten, want dat is
iets waar de Kamer en ik ook heel erg graag naartoe willen.
Dan wat betreft de kwestie die er is; allereerst over de motie van
mevrouw Helder. De korpschef en ik willen echt dat die mensen ruimhartig
worden gecompenseerd. Daarom worden alle schade en kosten meegenomen in
de afdoening. Er wordt ruimhartig omgegaan met de vaststelling van de
vergoeding voor immateriële schade, ruimhartiger dan in de maatschappij
gebruikelijk is. Dat heb ik in de brief van december ook aangegeven. En
er wordt ruimhartig omgegaan met het afronden van de
vergoedingsbedragen. Maar als er al voorschotten zijn uitgekeerd, moeten
we die natuurlijk in redelijk erin kunnen betrekken. De heer Van Dam
zegt: kijk of je een paritaire commissie een klap erop kan laten geven.
Even, voor de mensen die kijken: dan zou je een vertegenwoordiger van de
vakbonden, een vertegenwoordiger van de werkgever en een onafhankelijk
expert — ik denk aan een professor in arbeidsschade of iets dergelijks —
de zaken die niet nog snel tot een oplossing kunnen komen, laten
beslissen. Ik zou begrijpen dat we dat dan ook nog eens doen met een
hardheidsclausule — dan kijk ik vooral naar mevrouw Helder en meneer Van
Dam, want die hebben zich er vooral voor ingespannen — en kijken of er
bepaalde situaties denkbaar zijn waar zo'n verrekening tot toch weer
onbillijke of moeilijke situaties zou leiden. Dan wil ik het aan die
onafhankelijke commissie laten om daarover een knoop door te hakken, op
basis van een hardheidsclausule.
Om dat ook weer even aan de mensen uit te leggen: dat zou ik zo willen
doen, maar ik kan me voorstellen dat de Kamer dat nog wel wil verzekeren
met een motie of zo. Ik wil dat zo doen om te voorkomen dat het verzandt
in een toch weer heen en weer gaan van "ja, maar wel", "ja, maar niet".
Zo'n commissie kan dan zeggen: hoor eens, dit wordt nu de eindbeslissing
op basis van die hardheidsclausule. Daar zou ik aan willen werken. Ik
moet natuurlijk de tweede termijn afwachten, maar dat zou ik dan spoedig
in een brief helemaal in detail voor u kunnen uitwerken. Nogmaals, het
nieuwe stelsel komt dus in het eerste kwartaal van 2021. Daarvoor ga ik
alles op alles zetten.
Er waren nog wat vragen over de aantallen zaken. Er waren 202 lopende
restschadezaken. In de loop der tijd — daar bent u ook over geïnformeerd
— zijn er steeds meer gesprekken met de mensen over gevoerd. Ik heb met
de korpsleiding deze week nog afgesproken — dat was ook naar aanleiding
van een gesprek dat ik op het Binnenhof had met een van de mensen die
daar ook wanhopig van worden — dat ik een versnellingsslag wil. Die
versnellingsslag gaat, als het goed is, inhouden dat een heel groot deel
van die restschadezaken in een vergevorderd stadium zullen zijn in de
eerste maanden van dit jaar, zeg even, tot en met eind maart. Daarvoor
gaan we alles op alles zetten.
De voorzitter:
Mevrouw Helder.
Mevrouw Helder (PVV):
Ik ben het daar niet mee eens. Ik kan daar drie redenen voor noemen.
Zo'n commissie gaat die motie, die met algemene stemmen is aangenomen,
ondergraven. Er wordt gewoon verrekend, een hardheidsclausule of niet.
Al is er maar één geval waar uiteindelijk toch verrekend wordt, vind ik
dat er één te veel. Dat is één. Het is klip-en-klaar. Er is smartengeld
in het verleden, onder oud-korpschef Bouman, toegekend. Daar ontkom je
niet meer aan, punt.
Tweede reden. Smartengeld is immateriële schadevergoeding. Het verschil
tussen immaterieel en materieel is dat materiële schadevergoeding geldt
voor alles dat direct in geld kan worden uitgedrukt, waar je een
berekening voor kan maken. In het verleden heeft de politie dat fout
gedaan. Dat kun je nu niet meer terugdraaien. Dat doen ze wel, door
verlies aan verdienvermogen onder immateriële schade te brengen. Dat is
gewoon fout. Iedere letselschadeadvocaat kan dat uitleggen. Dat is de
tweede reden.
De derde reden is dat dit weer vertraging is. Mensen trekken dat niet
meer. Collega Van Dam zei dat ook al terecht. Wij worden er al moedeloos
van. Dit kan echt niet. Ik wil geen commissie. Het is een kwestie van
geld. Ik weet het. Dat zei Bouman in 2015 ook. Toen zei hij: dat kan me
niet schelen, dan moet er maar ergens anders op bezuinigd worden. Ik ben
het helemaal met hem eens. Ik wil geen commissie. Een nieuw stelsel vind
ik prima, maar niet als met terugwerkende kracht alsnog het toegekende
smartengeld, de immateriële schadevergoeding, op welke manier dan ook
wordt verrekend. Dat gebeurt wel. Dus ik ben het daar niet mee eens. Ik
weet niet of de minister daar een vraag in ziet of een statement, maar
ik geloof wel dat het duidelijk is.
Minister Grapperhaus:
Ik heb de brief van 23 april 2020 er nog eens bij gepakt. Nu heb ik
onder punt 6 op bladzijde 3 uitgebreid uitgelegd hoe we het gaan doen en
uitgebreid uitgelegd waarom we het zo gaan doen. Zo zijn we ook met de
uitvoering aan de slag gegaan. Dat betreft ook die uitleg over de
smartengelduitkering, die in het destijds bestaande stelsel een dubbel
karakter had. Ik heb daarin uitgelegd dat je dat ook moet doen om een
redelijke balans te houden tussen de verschillende gevallen. Maar om te
voorkomen dat dat tot onbillijke situaties leidt, heb ik het volgende
gedaan. Ten eerste. De maatschappelijke hoogte van die smartengelden zou
volgens de deskundigen op zo'n €25.000 liggen. Ik heb gezegd: we
verdrievoudigen dat, om heel veel leed als gevolg daarvan te voorkomen,
dus wordt het €75.000. Vervolgens zeg ik nu: als er mensen zijn die in
het kader van het feit dat ze nog wel inkomensschade vergoed krijgen, te
veel onder dat smartengeld hebben gekregen — wat voor hen tot grote
problemen leidt — dan ga ik daar niet zelf in treden. Ik wil dat welles
en nietes tegengaan en daarom zeg ik: laat een onafhankelijk
driemensschap daar de knoop doorhakken op basis van een
hardheidsclausule, zodat ik juist meer ruimte geef dan ik vorig jaar, in
april 2020, heb aangegeven. Ik verwijs daarnaar, want dat was echt ...
Ik weet wel dat vervolgens in december die motie kwam, maar ik was hier
al in april 2020, middels de brief met de aankondiging, echt mee aan de
slag gegaan. Ik vind dus dat ik daarmee de mensen juist tegemoetkom en
ik zeg nogmaals, zoals ik met de korpsleiding heb afgesproken, dat er
echt — er zijn ook extra mensen voor aangetrokken — een versnelling aan
onze kant komt. Ik wil niet de werknemer zelf op snelheid jagen, maar
aan onze kant komt daar echt heel veel versnelling in. Ik stel dat dus
bij in de richting van de werknemers, en denk echt dat we er daarmee
alles aan doen, ook in het licht van wat ik vorig jaar geschreven
heb.
Mevrouw Helder (PVV):
Alle goede bedoelingen en uitleg van de minister ten spijt, komt het er
gewoon op neer dat het nieuwe stelsel dan terugwerkende kracht gaat
krijgen voor in ieder geval een aantal van die langlopende dossiers,
waarin het smartengeld, de immateriële schadevergoeding, is toegekend.
Dat is niet in lijn met de motie. Ik weet dat die motie problemen
oplevert, maar de Kamer is hier gewoon heel duidelijk over. Over het
nieuwe stelsel heb ik ook al heel veel opmerkingen gemaakt in deze lijn,
dus het kan de minister niet verbazen. Want een commissie gaat dan
opnieuw kijken, met alle goede bedoelingen, zodat er snelheid in komt en
dergelijke, maar er is gewoon een immateriële schadevergoeding
toegekend. Dat kun je niet meer terugdraaien, ook niet door daar andere
posten in onder te brengen. Dus ik blijf mij daar tot het laatst toe
tegen verzetten.
De voorzitter:
Dat is duidelijk.
Minister Grapperhaus:
Ik zeg heel eerlijk dat de mensen, juist ook in die oude zaken, er door
de aanpak waarvoor ik al in april heb gekozen en die ik aan uw Kamer heb
meegedeeld — dat wil ik steeds blijven benadrukken — uiteindelijk op
vooruitgaan. Maar als er iemand is die zegt "ja, maar nu kom ik in de
problemen, want ik heb echt veel te veel onder dat smartengeld gehad en
ik zou een deel minder krijgen op mijn inkomensderving en ik ben
verplichtingen aangegaan", dan ben ik bereid om dat idee op te pakken:
blijf daar dan van weg en laat een onafhankelijk persoon daarover meteen
beslissen. En laten we heel eerlijk zijn: mensen kunnen dan, als ze dat
willen, altijd nog naar de rechter. Maar ik hoop dat dat niet nodig is.
Ik wil de mensen zo veel mogelijk tegemoetkomen, maar we moeten ook
eerlijk zijn: we hebben dat in april in deze opzet gedaan, en daar wil
ik wel mee door.
De voorzitter:
Mevrouw Westerveld.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks):
Ik zit voor het eerst en in ieder geval voor deze kabinetsperiode ook
voor het laatst in deze commissie, dus ik heb niet alle voorgaande
debatten hierover meegemaakt, maar ik maak me wel zorgen om de brief die
ik heb gelezen als het gaat om de hulp aan mensen die een beroepsziekte
hebben opgelopen, zoals PTSS. Mijn zorgen hebben ermee te maken dat ik
in de brief lees dat in de loop van 2021 contact wordt opgenomen en een
zorggesprek wordt gevoerd. Vanuit mijn andere portefeuille, namelijk
jeugd-ggz, weet ik dat dat te laat kan zijn. Als mensen een
posttraumatische stressstoornis hebben opgelopen, dan is het heel weinig
behulpzaam als zij maanden moeten wachten voordat er een gesprek over
een eventuele behandeling wordt gevoerd. Daar moet je veel sneller bij
zijn. Daarom maak ik mij wel zorgen over de plannen die hier liggen.
Daar zitten goede bedoelingen achter, maar "een stelsel en gesprekken in
de loop van 2021" is gewoon te laat voor een aantal van deze mensen. Dus
ik wil de minister vragen of hij dat ook scherp heeft en kan zeggen wat
eraan gedaan kan worden om hun zo snel mogelijk hulp te geven.
Minister Grapperhaus:
Dit gaat over de zaken die al een aantal jaren geleden liepen en waar we
een inhaalslag in hebben gemaakt. Die waren we al aan het maken en die
ben ik nu verder aan het versnellen. Ik kijk daarvoor met name naar
mevrouw Helder, want ik zeg heel eerlijk dat zij dit punt de afgelopen
jaren het meest aanjagend op de agenda heeft gezet. Het is mijn eer te
na als ik niet in de eerste maanden van het jaar kan zeggen dat we veel
van deze zaken uit het verleden in ieder geval met de mensen hebben
geregeld. Als ik zeg dat het mijn eer te na is en ik er alles aan doe,
dan mag mevrouw Helder mij er nog steeds op afrekenen, maar daar moeten
we echt alles op inzetten.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks):
Dat geloof ik wel. Ik lees ook inderdaad in de brief dat het gaat over
een aantal zaken uit het verleden, maar dat maakt het natuurlijk wel
zorgwekkender. Wat ik daarmee bedoel is dat we gewoon weten dat er
flinke tekorten zijn aan mensen die psychische hulp kunnen geven. Dit is
natuurlijk deels een zaak van schadevergoeding, van geld, maar het is
ook een zaak die erom draait dat mensen geholpen worden met hun
problemen. Daar maak ik me dus zorgen over. Want er zijn tekorten in de
hulpverlening, in de ggz en hier zijn ook mensen met PTSS die een
hulptraject nodig hebben. Ik zie en lees gewoon terug dat dat in ieder
geval niet op de hele korte termijn wordt opgelost, ondanks alle goede
bedoelingen. Mijn vraag aan de minister is dus of hij dat ook scherp
heeft.
Minister Grapperhaus:
We hebben natuurlijk in november 2019 een bijeenkomst gehad in
Vlaardingen met de bonden, met een aantal PTSS'ers, met de korpsleiding
en de ondernemingsraad. Daar heb ik uw Kamer ook in meegenomen. Toen
hebben we de handen ineengeslagen. We hebben tegen elkaar gezegd: we
gaan zorgen dat een aantal principes heel erg goed in het stelsel komen.
Een daarvan is het punt waar mevrouw Westerveld het over heeft: het
kijken of je mensen er vooral weer bij kunt halen. Want in die
zorgpositie zie je dat het zo enorm belangrijk is voor mensen die PTSS
hebben dat ze op de een of andere manier toch weer bij de werkgever zelf
betrokken worden. Dat zie je bij het project in Poortugaal, Rotterdam.
Ik zou zeer van harte aanraden om daar misschien ook eens een keer met
de commissie Jeugdzorg naartoe te gaan.
Voorzitter, dan …
De voorzitter:
Meneer Van Dam nog, sorry.
De heer Van Dam (CDA):
Ik denk dat ik niet hoef te twijfelen aan de intentie van iedereen die
betrokken is bij dit PTSS-dossier, ook niet van de minister. Ik weet dat
u op werkbezoek bent geweest en dat u geroeid en gewandeld heeft. Ik
hoor dat ook terug en ik waardeer ook zeer dat u dat gedaan heeft.
Tegelijkertijd moet ik het met mevrouw Helder eens zijn wat betreft het
erkennen van de aansprakelijkheid en de verrekening, materieel en
immaterieel, onder de motorkap. Laten we het ook maar bij de naam
noemen. Als we dat zouden doorvoeren bij 209 of meer mensen, dan is een
groot probleem dat dit misschien wel 15 tot 20 miljoen kost. Dat is
volgens mij een van de onderdelen van het probleem. Volgens mij is dat
geld op dit moment niet te vinden. Als we dat al zouden moeten vinden,
dan denk ik dat het bij wijze van spreken bij een formatie op tafel zou
moeten liggen om dat te realiseren.
Ik besef dat er mensen in die groep zijn die dat niet zo lang volhouden.
Ik weet ook dat er mensen zijn die gewoon tot een afronding willen
komen. Wat ik nu zeg, zeg ik bijna meer tegen mevrouw Helder dan tegen
de minister. Dat is de reden waarom ik dan denk: laten we kijken of we
met een commissie iets kunnen doen. Er zal ook een aantal mensen zijn
die zeggen: bekijk het maar met je commissie, ik ga naar de rechter toe,
want ik wil helder hebben hoe het zit. Dat kan ik begrijpen. Dat juich
ik niet toe. Maar laat ik dan ook maar via deze camera tegen de mensen
die zitten te kijken zeggen: het is mij niet gelukt om hier verandering
in te brengen de afgelopen weken en ik vrees dat daar meer voor nodig
is. Vandaar dat ik dit aan de minister heb gevraagd. Ik zal met die
motie komen.
Minister Grapperhaus:
Toch goed om daar nog even, heel kort, wat over te zeggen. Ik denk dat
de politie in de afgelopen jaren niet alleen op het gebied van erkenning
van PTSS, maar ook op het gebied van de omgang daarmee en de omgang met
het individu, met de politiemens die in die verschrikkelijke
problematiek is gekomen, echt enorme stappen heeft gezet. Daarmee zijn
we er nog niet. Daarmee zijn met name de mensen die al langer PTSS
hebben nog niet geholpen. Ik heb me die problematiek ook echt
aangetrokken — daarvoor verwijs ik naar Vlaardingen — en gezegd: we
moeten dat voortvarend, maar zorgvuldig oppakken. Zorgvuldigheid
betekent ook dat je niet alleen aan tafel zit, maar ook met de persoon
die het overkomen is. Daar spreek je mee. Die moet je ook de tijd gunnen
voor dingen. Ik wil alleen maar zeggen dat we wat mij betreft echt alles
op alles zetten om nu met zoveel mogelijk zaken zo ver mogelijk te
komen. Daar zal ik uw Kamer ook steeds periodiek over berichten. Dat doe
ik tot nu toe ook.
Ten tweede — en dat zeg ik richting mevrouw Helder en ook wel richting
de heer Van Dam — ben ik bereid om voor de mensen die door de
uitgangspunten die we alweer een jaar geleden hier binnen hebben
gebracht in een andere problematiek zijn gekomen, een onafhankelijk
iemand een knoop te laten doorhakken en een oplossing te vinden. Dat zal
ikzelf niet doen en ik laat het ook niet door mijn ambtenaren of de
korpsleiding doen. Dat vind ik de beste manier om mensen een reële
oplossing te bieden. Dan mogen ze nog altijd zeggen: die oplossing
bevalt me niet; ik wil wel naar de rechter. Ik hoop van niet, maar
iedereen kan naar de rechter. Maar ik vind het het beste om dat op die
manier te doen. Daar sta ik voor.
De voorzitter:
Meneer Van Dam nog.
De heer Van Dam (CDA):
Voorzitter, tot slot. Ik haalde al eerder de quote aan van voormalig
korpschef Bouman, die helaas niet meer onder ons is. Dat staat allemaal
beschreven in dit boek dat door de heer Tonino geschreven is. Het is een
redelijk onleesbaar boek, vind ik — ik durf het wel te zeggen, want ik
ken Jos goed — omdat er namelijk jarenlang beleid in is verwoord tot in
detail. Ik hoop toch dat de minister dit boek straks van mij aan wil
nemen, al was het maar om die quote ook nog eens te lezen. Want daar
gaat het volgens mij om. Nogmaals, ik heb geen twijfel aan de intentie
van de minister en de betrokken ambtenaren. Maar we moeten deze mensen
wel recht doen en daar sta ik voor. Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel.
Minister Grapperhaus:
Laat ik het zo stellen. Misschien hebben we 31 maart weer ineens een
ietwat ander gezelschap, ik weet het niet. Ik zeg uw Kamer toe dat ik
stipt op 1 maart, als dat geen zondag is, zal zeggen waar we op dat
moment staan. Misschien hebben Kamerleden dan andere prioriteiten in het
kader van de verkiezingen, maar dan hebben de mensen die dit aangaat,
ook echt over een maand weer een voortgang. Want deze leden weten — dan
mogen ze me er nog steeds van langs geven met kritiek — dat ik dit een
van de belangrijkste problematieken vind waarmee we verder moeten
komen.
Voorzitter. Als u het goed vindt, wil ik graag even naar het punt van de
cao. Voor alle duidelijkheid: ik heb vrijdagavond een gesprek gehad met
alle vier de politiebonden om van hen te horen wat hun observaties zijn
naar aanleiding van de coronamaatregelen en met name de gebeurtenissen
van vorige week zaterdag tot en met maandag; de ongeregeldheden, zal ik
maar zeggen. In dat gesprek heb ik ook gezegd — en dat had ik daarvoor
al telefonisch aan twee van de bondsvoorzitters aangegeven — dat er
mogelijk een misverstand is ontstaan over wat ik in de Kamer heb gezegd.
Want natuurlijk was het mij bekend dat de bonden hebben gezegd: er ligt
nu een voorstel waar we niet positief over kunnen zijn, we gaan dit mee
terug nemen naar onze achterban. Dat was op dat moment de stand van
zaken. Dat betekent voor mij — dat is nu eenmaal mijn achtergrond als
arbeidsjurist — dat de gesprekken op zichzelf nog steeds lopen en in
afwachting zijn van wat er uit de raadpleging van die achterban komt. Ik
heb dat vrijdag ook zo voorgehouden. Ik heb gezegd: luister, als daar de
indruk zou zijn ontstaan dat we nog vrolijk met elkaar aan de tafel
percentages zitten uit te wisselen, dan is dat zéker niet mijn bedoeling
geweest. Dat hebben de bonden ook zo ervaren. Ik wil daar ook duidelijk
over zeggen dat er inderdaad een bod ligt.
Ik heb overigens ook in de Kamer gezegd dat het niet zo is dat we de
onderhandelingen voeren via de Tweede Kamer. Dat heb ik de afgelopen
jaren wel vaker gezegd. Het kabinet heeft in december besluiten genomen
omtrent de loonruimte voor de publieke sector voor 2021. Daarbij is
natuurlijk breed gekeken. Er is momenteel naar het oordeel van het
kabinet geen mogelijkheid tot verruiming van de loonruimte vanwege de
economische gevolgen van de coronacrisis. Dat doet echt niet af aan de
waardering. Ik wil er ook nog bij zeggen dat financiering vanuit de
politiebegroting geen optie is, want dat zijn natuurlijk geen middelen
die bedoeld zijn voor de verruiming van de arbeidsvoorwaarden. Wij
wachten nu eerst de uitkomst van de ledenraadpleging en de gesprekken
die daarna zullen volgen af. In ieder geval wil ik benadrukken dat dit
een rijksbrede discussie is.
De voorzitter:
De heer Van Raak.
De heer Van Raak (SP):
Hoewel ik moet zeggen dat ik denk dat de bonden het niet zo hebben
ervaren, wil ik desondanks de minister danken. Ik hoop dat dit helpt om
de lucht te klaren. Maar ik wil ook tegen de minister zeggen dat het
weinig zin heeft om te gaan onderhandelen met lege zakken. Ik denk dat
heel veel agenten nu denken dat er vele miljarden worden uitgegeven in
het kader van corona. Dat is terecht. Daar staat de Kamer ook achter.
Maar ik denk niet dat ze begrijpen dat het argument van corona nu wordt
gebruikt om hun een fatsoenlijke cao te onthouden. Dus heeft de minister
ook iets in zijn zak als hij weer met de bonden, als die daartoe bereid
zijn, gaat praten? Heeft hij iets te bieden?
Minister Grapperhaus:
We hebben natuurlijk ook extra coronageld gekregen bij Justitie, ook in
het kader van de problematiek rondom de strafrechtketen. Dat is, als het
bekend is, allemaal met uw Kamer gedeeld. Er is natuurlijk extra geld
naar allerlei sectoren toe gegaan. We hebben noodregelingen opgezet voor
mensen. Ik denk dat dat heel zorgvuldig gewogen wordt door het kabinet.
Dat wordt trouwens heel duidelijk aan uw Kamer uitgelegd, ook vorige
week nog door mijn collega's die zich, zodra ze zich gezamenlijk in één
ruimte bevinden, de trojka laten noemen. Met alle respect: daar kun je
op punten zeker iets anders van vinden, maar dat is een heel afgewogen
beleid. In het kader van dat afgewogen beleid wordt er natuurlijk ook
gekeken naar ruimte. Dat is ook in de diverse sectoren besproken. Daar
is ook verantwoord dat de ruimte die er is, is aangeboden. Je kunt dus
niet zeggen: er wordt wel geld uitgegeven aan coronamaatregelen, dus er
is geen geld voor de cao. Integendeel, de rijksoverheidsscao's draaien
minimaal door op het niveau waarop ze staan. Daarnaast wordt gepraat
over wat er nog extra mogelijk is. Ik geloof dat dat heel afgewogen
besluitvorming is. Ik wil nu echt eerst afwachten waar de bonden zo
dadelijk mee terugkomen naar aanleiding van hun
ledenraadplegingen.
De heer Van Raak (SP):
De minister is demissionair. De Kamer is dat gelukkig niet. Ik denk niet
dat het goed is als deze Kamer de minister met lege zakken naar de
agenten gaat sturen. Ik denk dat dat leidt tot heel veel boosheid. Ik
weet dat de actiebereidheid groot is. Ik zal in tweede termijn dus
gewoon een motie indienen om de zakken van de minister een beetje te
vullen. Ik hoop dat er voldoende steun is vanuit de Kamer.
De voorzitter:
Gaat u verder, minister.
Minister Grapperhaus:
Voorzitter. Ik moet zeggen: ik heb het altijd zo ontzettend op prijs
gesteld dat de SP mij nooit voor zakkenvuller heeft uitgemaakt, maar ik
meen dat de heer Van Raak nu toch een pad opgaat waarmee ik ineens in
een rol terechtkom die ik nou juist niet wilde hebben. Ik wacht de
tweede termijn af, en zal dan uiteraard op de motie reageren.
De heer Van Raak vroeg mij ook om eerlijkheid over de instroom, de
aspirantentelling en het afzien van de flexibele inzet. De strategische
personeelsplanning van de politie laat zien dat de operationele formatie
en bezetting vanaf 2024-2025 weer in balans zullen zijn. Dat is dus
inclusief die 2.400 fte aan opgeleide medewerkers die dit kabinet met
structureel geld extra heeft voorzien. Het begon met 1.161 fte. U kunt
me 's nachts voor de getallen wakker maken. In de loop der tijd hebben
we, onder andere dankzij een motie van mevrouw Buitenweg — helaas is ze
hier niet aanwezig — en de heer Klaver, extra geld uitgetrokken voor de
zeden. Mevrouw Yeşilgöz heeft extra geld voor bewaken en beveiligen
geregeld. Als ik andere Kamerleden tekortdoe, dan spijt me dat. Dat is
niet de bedoeling. Ook anderen hebben aangedrongen op extra structureel
geld voor de politie. Dat heeft geleid tot de mogelijkheid van die 2.400
fte.
Maar we weten — althans, dat heb ik onder andere in mijn brief van juli
vorig jaar omstandig uiteengezet — dat met name de enorme
pensioneringsuitstroom daar natuurlijk tegenin roeit qua bezetting. Ik
was afgelopen vrijdag in Den Bosch. Ik heb de afgelopen twee weken elke
avond een politiekorps bezocht. Bij het korps in Den Bosch was er een
rechercheur met inmiddels 47 dienstjaren die het werk dat hij doet nog
steeds het mooiste vindt. Ik heb gezegd: mensen zoals jij, die bereid
zijn om door te werken, zijn natuurlijk geweldig. Daarmee zouden we die
bezetting veel meer en veel eerder op peil kunnen krijgen. In 2024-2025
zullen er aanzienlijk meer opgeleide medewerkers zijn dan aan het begin
van de kabinetsperiode. Aspiranten blijven deel uitmaken van de
operationele formatie. Ik breng toch mijn brief van 3 november vorig
jaar nog eens onder uw aandacht. Ik dacht heel even: zal ik u nog een
keer een brief sturen? De heer Van Raak en ik hebben daar altijd goede,
kritische debatten over gehad, maar ik heb dat al een paar keer en
detail uitgelegd in brieven, de laatste keer op 3 november 2020. Ik
geloof dat die brief alles zegt.
De heer Van Raak vraagt of ik ga afzien van de 2% flexibele inzet. Het
ontwerpbesluit waarmee de 2% bandbreedte wordt voorzien, is door uw
Kamer controversieel verklaard, zoals de voorzitter bij aanvang van dit
overleg heeft aangegeven. Uw commissie heeft bij brief van 11 september
jongstleden verzocht geen onomkeerbare stappen te zetten gedurende de
voorhang van het ontwerpbesluit. Dat besluit blijft nu dus als het ware
even bevroren voorhangen. Uiteraard worden er ten aanzien van die 2%
bandbreedte geen onomkeerbare stappen gezet.
Mevrouw Westerveld vroeg wat het advies van deze minister is aan de
formatietafel over de investeringen in de politie. Nu zal zij mij
vergeven dat ik constateer dat die formatietafel er op dit moment nog
niet is, althans voor zover mij bekend. Laat ik vooropstellen dat het
kabinet echt flink heeft geïnvesteerd in de politie met 291 miljoen
structureel aan regeerakkoordmiddelen. Daar komen die 15 miljoen bij
voor zeden, iets wat destijds is geïnitieerd door GroenLinks. Verder is
er 10 miljoen structureel extra voor mensenhandel en 25 miljoen
incidenteel voor het stroomstootwapen. Ik durf de naam van mevrouw
Yeşilgöz bijna niet meer te noemen, maar volgens mij had zij daar samen
met mevrouw Van Toorenburg een belangrijke hand in. Er is 91 miljoen
incidenteel extra voor de opvang van de verhoogde uitstroom. Dat hebben
we er in het voorjaar van 2018 bij gedaan. Tot slot is er nog 10 miljoen
incidenteel extra voor bewaken en beveiligen, maar dat had ik al
genoemd. Daarmee kom je dus uit op die 2.400 fte. De politie moet die
investeringen de komende jaren nog echt goed uitrollen. Daar is men ook
goed mee bezig. We kennen het verhaal van de uitbreiding van de
capaciteit van de Politieacademie en dergelijke.
Welke investeringen een volgend kabinet kan en gaat doen? U zult
begrijpen dat de sterke arm ver strekt, maar niet zo ver. Maar ik spreek
wel met de korpsleiding over wat er nodig zou zijn en dat zal, denk ik,
te zijner tijd uiteraard in de vorm van een realistisch verhaal op de
formatietafel terechtkomen.
Voorzitter. Dan kom ik op het belangrijke onderwerp van het
inspectierapport. Dat zijn de beleidsreactie en het inspectieonderzoek
naar de taakuitvoering bij de landelijke eenheid. Het deelrapport 1 gaat
over de DLIO. Ik ga de vragen daarover zo af, maar voordat ik dat doe,
wil ik er toch nog iets ter inleiding over zeggen.
In het najaar van 2019 heb ik gesproken met de bonden en de korpsleiding
over de met name door de bonden gesignaleerde zorgen. Ik weet niet of
het woord "zorgen" het juiste woord is en misschien moet ik het maar
"problematiek" noemen. Ik heb toen zelf gezegd dat ik wilde dat daar een
onafhankelijk onderzoek naar zou komen. U zult deze week gemerkt hebben
dat ik om nogal veel onafhankelijke onderzoeken heb gevraagd! En over
dat onafhankelijke onderzoek heb ik gezegd: ga nou samen zelf uitmaken
hoe dat vorm zou moeten krijgen en wie dat zou moeten doen. Daar is een
drieledig inspectieonderzoek uit voortgekomen en één van die delen is
het deelrapport 1 over de Dienst Landelijke Informatieorganisatie.
Dat is het rapport waar we vandaag over spreken. Het bevat zeer scherpe
conclusies, conclusies waar ook echt iets mee moet gebeuren. Ik heb in
mijn brief van 28 januari — die zal ik hier niet voordragen, voorzitter
— uiteengezet wat de diverse kritiekpunten zijn en wat in ieder geval
voorlopig onze reacties daarop zijn. Ik heb heel duidelijk aangegeven
dat er nu een programmatische aanpak moet komen, laat ik het zo maar
even noemen. Daarbij zullen al die punten worden meegenomen. Ik heb
verder ook gezegd dat er door externe deskundigen over moet worden
geadviseerd. Over de gehele aanpak alsook over de uitrol zal een
gezaghebbend extern advies worden gevraagd. Het is namelijk van belang
dat er vanuit een gedegen analyse gekeken kan worden naar de vraag wat
de passende invulling is van de benodigde sturing op een type
organisatie als de landelijke eenheid.
Ik denk dat het de goede verstaander en de kritische lezer heel
duidelijk is dat ik daar aangeef dat dat externe advies zich niet alleen
moet richten op de vraag of die programmatische aanpak klopt. Ik ga zo
overigens nog op de vraag van de heer Van Dam in wie dat nou moet gaan
doen. Maar daarbij moet ook gekeken worden hoe we dat gaan uitrollen,
met welke sturing en met wie erbij. Ik vind nu het allerbelangrijkste
dat het plan op een afzienbare termijn gewoon wordt ingezet. Overigens
beschrijft het rapport ook dat er al flink in het management en de
leiding is ingegrepen. Dit zo gezegd zijnde, wil ik nu eerst de vragen
beantwoorden.
De voorzitter:
De heer Van Dam.
Minister Grapperhaus:
Moet ik niet eerst de vragen beantwoorden?
De voorzitter:
Ik heb even overlegd met meneer Van Dam en hij wil graag nu al
interrumperen. Mevrouw Helder komt daarna.
De heer Van Dam (CDA):
De minister zei het eigenlijk zelf al: een goede verstaander. En een
goede verstaander heeft meestal voldoende aan een half woord. Dat is een
beetje wat ik bij dat rapport heb: ik krijg daar een half woord
voorgeschoteld. Tegelijkertijd is de brief van de minister een stevige
brief, want de minister trekt daar — ik kan niet anders zeggen — stevige
conclusies. Als men in het rapport echter in de buurt komt van wat er
gebeurd is, zegt men: inmiddels hebben we het verbeterd. Je denkt dan
toch een beetje: ik wil geen half woord, ik wil het hele woord weten.
Dan heb ik respect voor het feit dat dit een club is waar allemaal
geheime operaties lopen, maar ik hoor bijvoorbeeld ook dat het rapport
ook een geheim deel bevat. Is dat zo? Gaat de Kamer, desnoods besloten,
geïnformeerd worden over wat er daar nou werkelijk mis is gegaan?
Collega's hebben al genoemd dat het om een casus gaat waarbij
informanten het leven hebben gelaten in het kader van operaties. Het
gaat over verstoorde verhoudingen met het buitenland. Maar dat lees ik
niet in het rapport, want dat krijg ik via allerlei andere wegen te
horen. Ik vind gewoon dat je alleen maar nieuw kunt bouwen als het putje
leeg is.
Minister Grapperhaus:
Er is geen geheim deel. Ik moet zeggen dat ik die suggestie nogal wat
vind. Ik zou dan toch graag gesubstantieerd horen waar de gedachte
vandaan komt dat er een geheim deel in het rapport zit. I'm not amused,
moet ik zeggen. Ik ben uitermate voor helderheid, transparantie en wat
dies meer zij. De inspectie is onafhankelijk, zeg ik er ook nog maar
even bij, en het is alleen maar goed dat de inspectie dit heeft
onderzocht. Maar ik weet niet van enig geheim deel. Ik ben dan ook toch
wel heel benieuwd waar dat nou weer op gebaseerd is.
De heer Van Dam (CDA):
Dit is een beetje het effect als een rapport vrij vaag is over wat er
nou echt mis is. Dan gaan dit soort geluiden rond. Overigens zou ik het
helemaal niet vreemd vinden als er een geheim deel is, omdat het hier om
heel geheime operaties gaat. Mocht de minister hieruit opmaken dat ik
hem verwijt dat hij niet transparant is naar de Kamer, dan zeg ik hem
dat ik dat er geenszins in heb willen leggen. Het gaat meer over de aard
van het onderzoek. Mijn punt is dat ik onvoldoende helder vind wat nu
precies de problematiek is en wat er aan de hand is. Gelet op de
problematiek vind ik dat de Kamer daar meer zicht op moet krijgen.
Minister Grapperhaus:
Ik vind het geen vaag rapport, laat ik daar maar eens mee beginnen. Dit
is, zoals ik aan het begin al zei, een rapport met keiharde conclusies!
Het zijn geen prettige conclusies voor de landelijke eenheid en daarom
moet de korpsleiding ook echt aan de slag. Achteraf denk ik dat het goed
is geweest dat ik de partijen bij elkaar heb gehaald en tegen hen heb
gezegd: mensen, we gaan een onafhankelijk onderzoek doen, maar ik wil
dat jullie, bonden en korpsleiding, het eens worden over wie wat gaat
doen. Dat is ook goed geweest. Vervolgens moeten we allemaal slikken
wanneer we dit lezen. Ik heb weleens vage rapporten gelezen, maar die
zagen er echt anders uit.
Voorzitter. In de brief heb ik vervolgens ... Mevrouw Yeşilgöz had daar
ook wat kritiek op. Ik wil 'm hier nog weleens met u doornemen, maar wat
we nou juist gedaan hebben, is al die kritiekpunten los achter elkaar
zetten. Vervolgens hebben we daaronder uitgelegd waarom het ook echt een
gevoelig kritiekpunt is en wat we daarmee willen gaan doen. Het enige
waarvan je kunt zeggen dat er een goede verstaander voor nodig is, is
dat ik over de gehele aanpak alsook over de uitrol en de passende
invulling van de benodigde besturen heb aangeven dat ... Dat heb ik
gedaan, omdat ik het bij zo'n rapport belangrijk vind dat je het
probleem aanpakt en dat je daar extern naar laat kijken. U heeft ook
kinderen, hè, en u weet dus ook dat de oppas de kinderen altijd stil
krijgt. Vreemde ogen dwingen! Dus extern advies vind ik echt belangrijk
om te bepalen of die stappen allemaal goed zijn, hoe dat besturingsmodel
eruit moet gaan zien en wie wat gaat doen. Punt!
Meer ga ik er niet over zeggen, want anders gaan we ons hier op
poppetjes en zo concentreren en ik vind dat we dat nou juist niet moeten
doen. Dan ga ik toch even terug, want ik begrijp nog steeds niet waar
dat geheime deel vandaan komt. Dan even terug. Ik begrijp nog steeds dat
ding van dat geheime deel niet. Ik vind echt dat we met elkaar ... U
merkt dat ik wat scherp terug ben, voorzitter. Dit is echt goed gebeurd.
Er is geen blad voor de mond genomen. Het was geen hoogtepunt in mijn
nog maar vrij korte ministeriële carrière van toch alweer drieënhalf
jaar toen ik dat las, maar wij zijn er wel mee aan de slag gegaan. We
hebben open en bloot gezegd: oké, dit is niet goed; daar moet wat mee
gebeuren. Maar dan moeten wij samen als Kamer en kabinet zeggen: oké, we
gaan dat doen. Als dan iemand zegt dat er nog een geheim deel is of
zoiets, dan wil ik dat gesubstantieerd hebben. Het is er dus overigens
niet.
De voorzitter:
Helder. Afrondend, meneer Van Dam, en dan bedoel ik ook echt
afrondend.
De heer Van Dam (CDA):
Afrondend. Fijn om te horen dat er geen geheim deel is. Wat ik
bijvoorbeeld bedoel, is dat in het rapport staat dat de ene afdeling op
het terrein van de andere afdeling actief is geworden. Maar wat dat dan
is en wat daar gebeurd is, blijft een groot vraagteken. Zo zit het vol
met voorbeelden. Dat is wat ik bedoel.
Minister Grapperhaus:
Nou dan moet ik echt ... Ik geef toe: ik heb het rapport donderdag, een
dag of dertien geleden, gelezen. Dus ik moet echt weer even gaan kijken.
Daarna zijn nog wat avondklokken en relletjes en zo voorbijgekomen, dus
het ligt niet helemaal voor in mijn geheugen. Maar ik kan mij herinneren
dat ik het beeld had dat de ene club inderdaad op het rechercheterrein
van de andere ging zitten en dossiers ging doen, respectievelijk mensen
daarbij ging halen die juist voor andere dingen waren bedoeld. Ik kan
niet anders zeggen dan dat ik het een pijnlijk duidelijk rapport vond.
Ik hoop dat de heer Van Dam van mij wil aannemen dat ik er op een
duidelijke manier mee aan de slag ga. En dat ene puntje van de goede
verstaander begrijpt volgens mij iedereen, maar de externe adviseurs wil
ik daar echt leading in laten zijn. Overigens had de heer Van Dam daar
een vraag over, als dat nog mag.
De voorzitter:
Nee, daar komen wij zo wel aan. Eerst gaan we naar mevrouw Helder.
Mevrouw Helder (PVV):
Over die goede verstaander. Als oud-advocaat — en de minister herkent
dat zeker — weet ik dat mondeling ook bindend is. Je kan het alleen niet
bewijzen, dus je moet kijken naar wat er op papier staat. Dan pak ik de
brief van de minister erbij. Daar staat op pagina 2: "Deze
programmatische aanpak vergt meer dan alleen een aanpak binnen de
landelijke eenheid." En dan komt het: "Om die reden heeft de korpschef
besloten dat hij de opdrachtgever van deze programmatische aanpak zal
zijn, waarbinnen de leiding van de landelijke eenheid verantwoordelijk
blijft voor de LE-interne verbetertrajecten van cultuur en leiderschap
en de uitvoering van de ingezette trajecten." Dan ga ik kijken waar dat
interne advies over gaat. Dat gaat over de gehele aanpak en de uitrol,
maar dat gaat dus niet over de mensen. Dat gaat over de maatregelen die
de minister aankondigt, waarvan ik inderdaad zeg: daar is geen woord
Frans bij. Maar degenen die dat moeten gaan doen, die het gaan bewaken,
die de opdrachtgever zijn en die het allemaal vervolgens aan de minister
moeten rapporteren, blijven dezelfde mensen. Waar baseert de minister
het vertrouwen op in díé mensen?
Minister Grapperhaus:
Nu gaan we toch hele stukken uit de brief met elkaar doornemen. Dat vind
ik eigenlijk best goed, hoor. Dat doe ik zelden, dus dat is heel mooi.
Op bladzijde 6 staat een heel stuk over het gebrek aan sturing en
leiderschap binnen met name het LIRC die hebben geleid tot
taakonduidelijkheid enzovoort, enzovoort. "Naar aanleiding van die
signalen zijn een aantal leden van het management van de DLIO en het
LIRC vervangen. Het nieuwe management heeft als belangrijkste opdracht"
enzovoort, enzovoort, enzovoort. Dus er zijn al heel veel mensen
vervangen, maar dit is het punt. Dit is de alinea waarin de korpschef
zegt: ik pak de verantwoordelijkheid voor die programmatische aanpak.
Tja, het zou me ook wat zijn als daar stond: om die reden heeft de
minister besloten dat hij de opdrachtgever is. Dan zou iedereen zeggen:
wat is dat voor korpschef; hij laat de minister dat doen. Ik hoop dat
mevrouw Helder en ik dat met elkaar eens zijn. In de volgende alinea
staat dat er gezaghebbend extern advies wordt aangevraagd over de
aanpak, over de uitruil en — als je goed verder leest — ook over de
passende invulling van de benodigde sturing; over die drie punten. Dat
betekent dus dat wij die externe adviseurs naar alles laten kijken. Wat
ik daar goed aan vind, is dat de vraag hoe de organisatie eruit gaat
zien en wie dat gaat doen, echt wordt beoordeeld aan de hand van een
nieuwe aanpak waarvan de adviseurs zeggen: dat is de goede manier om het
te doen; zo moet de leiding en de sturing worden. Wij gaan dat nu niet
doen op basis van wat wij misschien van deze of gene vinden. Dat vind ik
een veel verstandigere aanpak. Daar moeten wij een beetje geduld mee
hebben, want dat gaat de komende maanden zijn beslag krijgen. Dat vind
ik alleen maar goed.
Mevrouw Helder (PVV):
Ik ben daar niet van onder de indruk, want in het rapport staat als een
van de conclusies: structureel wegkijken door de politietop. De huidige
korpschef was plaatsvervangend korpschef sinds 2010. Ik weet ook wel hoe
de lijntjes lopen en ik weet ook wel dat we de hele club niet kunnen
ontslaan, maar dat was mijn vraag niet. Ik vraag aan de minister — daar
heeft hij nog steeds geen antwoord op gegeven — waar hij zijn vertrouwen
op baseert dat zij het gaan doen. Dat zou ik gewoon graag willen weten.
Ik heb niet gevraagd: ontsla ze allemaal. Daar ga ik ook helemaal niet
over.
Minister Grapperhaus:
Het vertrouwen in de huidige korpsleiding baseer ik op het feit dat we
eerst vorig jaar met elkaar hebben vastgesteld: hier gaan dingen echt
niet goed en daar moet onafhankelijk onderzoek naar komen. Dat is een.
Twee is dat we vervolgens met dit rapport in de hand met elkaar hebben
gezegd: oké, de programmatische aanpak moet nu echt heel goed worden
ingezet op al die dingen — het goed neerzetten van de organisatie, het
verbeteren van de cultuur, enzovoorts, enzovoorts — en we laten dat
extern toetsen. Dat is voor mij heel erg van belang. Als men had gezegd
"nou, minister, dank, mooi rapport, u hoort van ons", dan had ik daar
misschien wel anders in gezeten. Maar ik vind dat gewoon de manier om
het te doen. Laten we eerst die aanpak vaststellen en kijken hoe we die
gaan uitrollen en wat daarbij het leiding- en het sturingsmodel
wordt.
De heer Groothuizen (D66):
Laat ik eerst de heer Van Dam bijvallen, want als de inspectie zelf in
voetnoot 1 zegt "de bevindingen die ten grondslag liggen aan het
conclusiedeel met betrekking tot de spanningen met (internationale)
partners zijn gebaseerd op een vertrouwelijk deel van dit onderzoek",
dan roept dat natuurlijk de gedachte op dat er misschien ook een
vertrouwelijke rapportage ligt. Dat hoeft natuurlijk niet noodzakelijk
zo te zijn. Het kan mondeling gedeeld zijn, maar laten we zeggen: het
wordt dan natuurlijk wel een wat dunner lijntje. Ik begrijp dat de
minister zegt dat er geen vertrouwelijk rapport is, maar dat er wel een
vertrouwelijk onderzoek is geweest en dat dat mondeling, niet zijnde in
rapportvorm, gedeeld is met de betrokkenen. Dat lijkt me de conclusie,
maar dat hoor ik dan nog wel van de minister, nadat hij de heer Van Dam
volgens mij toch iets te hard op zijn vingers tikte.
Mijn vraag gaat over die externe adviseurs, want het heeft ook iets
sneus; laat ik het maar een beetje plat zeggen. Je hebt een hele
specifieke club, met een werkwijze die de meeste organisaties natuurlijk
niet hebben: geheime operaties, vaak specialistisch werk. Dan moet er
iemand van buiten komen om dat te gaan inrichten. Dat klinkt armoedig.
Laat ik het dan maar gewoon zo zeggen. Ik ben benieuwd of de minister
het met mij eens is dat het een beetje gek is dat de capaciteit niet bij
de politie zelf in huis is om dit goed in te richten.
Minister Grapperhaus:
Eerst even over voetnoot 1. Dat heeft de heer Van Dam ook terecht
aangevoerd. Je hebt hier een aantal operaties die een vertrouwelijk
karakter hebben en die kom je tegen in dit onderzoek. Dat maakt het
lastig om alles in je rapport te zetten. Maar er is niet enig geheim
rapport en ik heb ook nog steeds niet van wie dan ook gehoord waar die
gedachte nu vandaan komt. Die kan niet uit voetnoot 1 komen, want
voetnoot 1 verklaart gewoon letterlijk: hoor eens, er zijn ook bepaalde
vertrouwelijke bevindingen geweest. Dan is het ook niet meer
geheim.
Nu even terug naar het andere punt. Ik vind het geen armoede dat je dat
extern laat onderzoeken. Ik gebruikte net het gezegde — de heer
Groothuizen moet dat als vader herkennen — "vreemde ogen dwingen". Ik
denk dat het bij dit soort dingen heel verstandig is dat je daar ook
door externen naar laat kijken. Dat is het punt dat ik net aan mevrouw
Helder aangaf: als men bereid is om dat ook extern te laten beoordelen,
vind ik dat juist een teken van kracht. Want dan zeg je: hoor eens, dit
is mijn plan, maar ik vind het prima als dat door anderen getoetst wordt
respectievelijk als er door anderen meegekeken wordt. Ik vind dus het
omgekeerde. Je moet dat niet bij elke beslissing in het leven doen. Maar
we zien dat dit een rapport is met krachtige conclusies en dan is het
soms verstandig om iemand anders daar ook naar te laten kijken.
De heer Groothuizen (D66):
De vraag blijft dan natuurlijk wel waar je de expertise vandaan haalt om
bij iets wat toch tamelijk specialistisch is, de vreemde ogen die
dwingen te halen, die ook nog eens een keer gezag en ervaring hebben.
Daar ben ik dan wel benieuwd naar. Hartstikke goed dat de politie er
zelf voor openstaat, maar ik ben toch wat bevreesd dat er weer een
vrijblijvend en algemeen consultancyadvies uit gaat komen. Ik weet niet
of we daar nou zo heel erg veel mee opschieten.
Minister Grapperhaus:
Ik wil de heer Groothuizen hierbij toezeggen dat er geen vrijblijvend
consultancyadvies gaat uitkomen.
De heer Groothuizen (D66):
Ook niet met een geheim deel?
Minister Grapperhaus:
Ook niet met een geheim deel. Misschien wel met een voetnoot waarin iets
staat over vertrouwelijke dingen.
Voorzitter. Dan kom ik meteen …
De voorzitter:
Was dit het antwoord op de laatste vraag van de heer Groothuizen? Ik zie
dat hij er zelf tevreden mee is, zal ik maar zeggen.
Mevrouw Yeşilgöz-Zegerius (VVD):
Volgens mij laat het debat zien dat het voor de Kamerleden, in ieder
geval voor mij, niet grijpbaar is waarop wordt gestuurd. De minister
geeft aan dat hij periodiek geïnformeerd gaat worden door de korpschef.
Waar gaat hij op sturen? Wat wordt meetbaar afgesproken? En wat kunnen
wij straks toetsen? Die vragen blijven voor mij open. En zolang die
vragen open blijven, is het heel lastig om vertrouwen te hebben in het
vervolgtraject. Wat wordt er nou concreet afgesproken? Waarop wordt
gestuurd? En hoe worden wij daarover geïnformeerd, zodat wij dat ook
weer kunnen volgen?
Minister Grapperhaus:
Ik weet niet of ik mevrouw Yeşilgöz hiermee help, maar dit is de vraag
van haar die ik wilde beantwoorden, dus daar hoeft ze niet op te
interrumperen.
Mevrouw Yeşilgöz-Zegerius (VVD):
Doorgaans helpt dat niet, maar ik wacht het toch even af.
Minister Grapperhaus:
Maar daarmee hebt u één interruptie minder volgens de spelregels.
De voorzitter:
Prima, ga zo door.
Minister Grapperhaus:
Soms helpt een minister op de gekste momenten.
Die programmatische aanpak van verbetermaatregelen bestaat uit
maatregelen gericht op drie doelstellingen. 1. Het op orde brengen van
de organisatorische basis door bijvoorbeeld het stopzetten van projecten
die buiten de taakomschrijving vallen, het vernieuwen van ICT en het
verhelderen van rollen en taken tussen de verschillende diensten. Dat
zie je in het rapport terug als een van de hiccups.
2. Het verbeteren van leiderschap en cultuur door bijvoorbeeld het
korpsbreed inzetten op die veilige, inclusieve werkcultuur en het
verstevigen van leiderschap, onder andere via het programma Politie voor
iedereen. Laat ik maar heel duidelijk zijn: dit rapport zet daar hele
dikke strepen onder. In het verbeterprogramma zit ook een nieuw
management van de Landelijke Eenheid en DLIO, en het uitbreiden van de
eenheidsleiding met een extra lid conform de motie-Van Dam.
3. Het versterken van de interne en externe sturing en monitoring door
bijvoorbeeld periodieke monitoring en verhoogde aandacht binnen de
politie en het departement en daarmee — ik kijk naar mevrouw Yeşilgöz —
de Kamer. Ik begrijp het punt van mevrouw Yeşilgöz heel goed: we moeten
met elkaar de vinger aan de pols blijven houden. Die periodieke
monitoring en die verhoogde aandacht is dan een van de punten. Gehoord
de discussie veronderstel ik dat we het snel eens zijn dat dat gewoon
echt nodig is.
En dan is er nog het onderzoek van de inspectie naar het effect van de
maatregelen. Dit is dus niet het einde van het verhaal. Ik ga de
voortgang van de maatregelen hoe dan ook opnemen in het halfjaarbericht
naar uw Kamer. Het kan ook nog zijn dat er tussentijds iets is waardoor
ik tussentijds wil rapporteren.
Mevrouw Yeşilgöz-Zegerius (VVD):
Dat laatste punt. In de brief van de minister lees ik dat de Kamer daar
waar nodig op de hoogte zal worden gehouden. Volgens mij spreken wij nu
af dat dat per definitie gebeurt met een bepaalde regelmaat aan de hand
van deze onderdelen. Het zou mij helpen als we dat wat systematischer
konden afspreken. Wat zijn nou de onderdelen die we met elkaar gaan
volgen en meten, zodat wij allemaal het gevoel hebben dat wij goed
geïnformeerd zijn en niet de behoefte hebben om informatie te gaan
ophalen bij de organisatie? Dat zou ik graag nog iets concreter horen
van de minister.
Minister Grapperhaus:
Dat zijn de punten 1 tot en met 3. U vindt ze nog eens samengevat op
bladzijde 2. Ik stel mij voor dat we in het halfjaarbericht telkens
aangeven hoe het ervoor staat bij de Landelijke Eenheid op het punt van
het organisatorisch op orde brengen van de basis, op het punt van het
verbeteren van leiderschap en cultuur en op het punt van de interne en
externe sturing en monitoring, inclusief de relevante ontwikkelingen.
Als er geen relevante ontwikkelingen zijn, dan is geen nieuws goed
nieuws. Maar ik ga ervan uit dat er voorlopig wel het een en ander
gemeld gaat worden.
De voorzitter:
Gaat u verder.
Minister Grapperhaus:
Dan kom ik eindelijk op de vraag van de heer Van Dam over de externe
adviescommissie. Wie gaan daarin zitten? Ik heb de heer Groothuizen al
toegezegd dat dat geen wat was het ook alweer … In mijn gedachten moet
er iemand in zitten die zeer ervaren is in het aansturen en organiseren
en omvormen van ambtelijke organisaties. Daarnaast moeten er mensen in
zitten met specifieke kennis over de politieorganisatie. Dat moet kennis
zijn die zich ook bestuurskundig uitstrekt, dus niet alleen maar over de
processen. Wie het gaan worden, is op dit moment onderwerp van gesprek.
Dan heb ik, dacht, ik alle vragen over DLIO beantwoord.
Mevrouw Helder vroeg nog of er aanvullend onderzoek bij het TCI moet
plaatsvinden. De inspectie heeft tientallen interviews gehouden met
medewerkers en oud-medewerkers van de Dienst Landelijke
Informatieorganisatie. Op basis van die interviews zegt de inspectie dat
er geen aanleiding is tot nader onderzoek naar de kwaliteit van de
taakuitvoering bij het TCI. Mij zijn daar op dit moment ook geen
signalen over bekend. Dat is me ook recent nog bevestigd door het
Openbaar Ministerie. Maar ik wil er wel bij zeggen dat als die signalen
er zijn, die wel gemeld moeten worden bij het Openbaar Ministerie, want
dat kan besluiten om indien noodzakelijk achtereenvolgens de
Rijksrecherche en/of de inspectie in te schakelen. Dat ligt dus qua
autonomie en andere zaken wel primair daar. Op dit moment zijn de
signalen dus in ieder geval niet zodanig.
Ik kijk even rond, maar volgens mij heb ik hiermee ieders vragen over de
Landelijke Eenheid beantwoord. Ik zag dat de heer Van Dam nog vroeg wie
nou wat heeft onderzocht. Ik weet niet of daar nog iets van
openstaat.
De heer Van Dam (CDA):
Het is meer een gevoel dat ik nog even wil delen. Ik heb echt enorm
grote zorgen over wat er bij de Landelijke Eenheid aan de hand is, ook
gelet op alle signalen, en we krijgen nog meer rapporten. Ik ga nog niet
eens zelf peuren, maar ik moet echt mijn mailbox afplakken met wat er
allemaal binnenkomt. Tegelijkertijd zit ik op dit moment bijna tegen het
einde van een parlementaire periode. Het liefst zou ik gewoon een
besloten technische briefing hebben om mijn eigen neus, als Kamer, te
steken in wat er gebeurt, maar de realiteit is dat dit nu even niet meer
gaat. Ik zou die zorg aan de minister mee willen geven, want dit is een
ongelofelijk belangrijk onderdeel van de politie dat betrokken is bij
alle zware onderzoeken. Dat is de reden dat ik me daar enorm veel zorgen
over maak.
De voorzitter:
Gaat u verder, minister.
Minister Grapperhaus:
Ik meen dat de heer Van Dam net ook iets positiefs zei over de stevige
conclusies die ik zelf trek en de stevige maatregelen, dus ik wil er
toch heel snel nog wat over zeggen. Ik heb dit rapport echt gezien als
iets wat zeer veel dringendheid in zich heeft. We moeten aan de bak.
Helaas lopen we nu tegen het einde van een periode aan.
Voorzitter. Dan kom ik op het MIT.
De voorzitter:
Voordat we dat gaan doen is er nog een bericht van mevrouw
Westerveld.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks):
Het is heel goed dat dit rapport echt de aandacht heeft van de minister
en dat hij zich zorgen maakt, maar we hadden ook de concrete vraag
gesteld of de nationale veiligheid volgens de minister in het geding is
als je kijkt naar de conclusies van dit rapport, want die zijn nogal
heftig.
Minister Grapperhaus:
De politie heeft gesprekken gevoerd met buitenlandse partners. Daaruit
blijkt dat het vertrouwen inmiddels weer in voldoende mate aanwezig is.
Dat heb ik in ieder geval zelf ook bij een van de internationale
partners kunnen vaststellen in gesprekken. Ik denk dus dat voor zover er
afbreukrisico of schade was, dit inmiddels goed geadresseerd is.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks):
Het is denk ik goed dat de minister met buitenlandse partners heeft
gesproken, maar het rapport spreekt ook van organisatie- en
taakverwaarlozing. Het spreekt van falende ICT-systemen. Ik heb niet de
indruk dat dit in enkele maanden is opgelost. Vandaar dus mijn vraag
daarover.
Minister Grapperhaus:
Dan moeten we even terug in de tijd. Dat staat ook in de begeleidende
brief. De politie is al voordat dit rapport kwam aan de slag gegaan om
een aantal zaken anders aan te pakken, te verbeteren en op te lossen.
Dat is denk ik iets waarnaar de inspectie nog gaat kijken; dat heb ik
ook aangekondigd. De inspectie heeft natuurlijk eerst bekeken wat er
precies fout is gegaan, hoe het fout is gegaan en wat daar anders aan
zou moeten.
De voorzitter:
Gaat u verder.
Minister Grapperhaus:
Het MIT, het Multidisciplinair Interventie Team. Laat ik alvast aan het
begin zeggen dat de lessen uit het DLIO-rapport van de inspectie
natuurlijk worden betrokken bij de opzet van het MIT. Ik heb uitvoerig
met de Kamer gedeeld dat het MIT een nieuw en uniek samenwerkingsverband
is binnen de Nederlandse rechtshandhaving. Ik vind het heel mooi dat dit
een project is dat erg op mij wordt geplakt door mevrouw Yeşilgöz, maar
dit is iets waar het kabinet in grote eenheid van heeft gezegd dat
hierin geïnvesteerd moet worden. We zien namelijk dat er op een aantal
punten echt veel moet gebeuren. Dat geldt op het punt van de aanpak van
georganiseerde misdaad, op het punt van het afpakken van winsten en wat
ze allemaal binnenhalen en op het punt van preventie. Ik heb dat steeds
gesimplificeerd tot: oprollen, afpakken en voorkomen. Dat MIT zit vooral
op die eerste twee aspecten. Daar zitten ook de politie, de FIOD, de
KMar, Defensie, Douane, Belastingdienst en OM. Ik denk dat ik u het
afgelopen anderhalf jaar als Kamer ook uitvoerig heb meegenomen in hoe
dat eruit ging zien. Ik meen ook dat er vanuit de Kamer brede steun voor
was. Dat mag ook wel, want het is iets waar heel veel extra geld in
gaat. Vanaf 2024 gaat er structureel 91 miljoen heen, inclusief bepaalde
keteneffecten. Dat bedrag is vanaf 2021 al 77,3 miljoen.
Voorzitter. Natuurlijk kent de werving en selectie van het personeel van
het MIT een gefaseerde meerjarenopbouw. Er vindt echt op alle niveaus
zorgvuldige en onderlinge afstemming plaats. De zorg van individuele
teamleiders over het verlies van experts is vanaf het begin onderkend.
Daar wordt natuurlijk ook mee gesproken, want laten we wel wezen, dat
zal zeker in een aantal gevallen ook zo zijn. Dat geldt overigens niet
alleen voor de politie, maar ook voor de FIOD, de KMar en al die andere
instanties die hieraan meewerken. Maar omdat het om extra geld gaat, is
het wel zo dat het MIT in de eerste plaats ook zelf zijn eigen vacatures
buiten binnen de diensten bestaande expertise opvult. In de tweede
plaats mogen de diensten als er bij hen daardoor een vacature ontstaat
die ook weer opvullen. Het hoort bij het opbouwen van een nieuwe
hoogwaardige, innovatieve organisatie. Daar vindt echt op alle niveaus
volop afstemming over plaats. In de publiciteit die hier enige tijd
geleden over was, was ook sprake van een brief met zorgen daarover aan
de korpsleiding. Ik kan u zeggen dat de korpsleiding en het departement
mij hebben bericht dat de zorgen die daar werden geuit ook met de
betrokken leidinggevenden goed zijn geadresseerd.
Het MIT is nieuw, het is noodzakelijk en het is gewenst door de
deelnemende organisaties; laten we dat ook met nadruk zeggen. Het is ook
gewenst door uw Kamer. Het was een motie van de heer Heerma van het CDA
en de heer Dijkhoff van de VVD. Ook wat dat betreft is het te veel eer
voor mij als we het hebben over een prestigeproject van deze minister.
Ik vind wel dat u mij kritisch mag bevragen of ik dit nou op een goede
manier opzet en of het nog steeds allemaal goed gaat. De korpsleiding,
het college van procureurs-generaal van het OM, maar ook de leiding van
Douane, FIOD en andere instanties onderschrijven dat dit gewoon op een
zorgvuldige manier gebeurt. Er zullen ook mensen zijn die teleurgesteld
zijn en die zeggen: "Beste minister, waarom bent u jaren aan het
opbouwen? Kan dat er niet morgen staan?" Nee, dat kan niet. Dat zou zeer
onzorgvuldig zijn. Maar het leegtrekken van capaciteit bij de Landelijke
Eenheid is niet wat er nu gebeurt. Daar heb ik denk ik al het nodige
over gezegd. Voor zover er een brief was waarin zorgen zijn geuit, kan
ik zeggen dat die geadresseerd zijn. Daar laat ik het even bij.
Een laatste ding nog, voorzitter. Dit soort dingen gebeurt trouwens ook
al. We hebben ook het Combiteam, het Recherche Samenwerkingsteam en de
FIU-Nederland. Dat zijn ook samenwerkingsverbanden die diensten
overschrijden, waarin soms mensen worden ingezet die vanuit de
betreffende dienst komen. En dan moet je ervoor zorgen dat de vacature
bij die dienst weer wordt opgevuld.
Mevrouw Yeşilgöz-Zegerius (VVD):
Ik vind deze reactie van de minister niet fair. Sinds het begin, in de
anderhalf jaar dat ik woordvoerder ben en we het hierover hebben, voor
de motie van het CDA en de VVD en daarna, stel ik vragen en deel ik mijn
zorgen. Wat gaat dit team doen? Wat zijn de extra bevoegdheden die
blijkbaar nodig zijn? Hoe gaan we die vormgeven? Waar komen die 400
mensen vandaan? Het kan toch niet zo zijn dat bestaande teams, die
verantwoordelijk zijn voor bijvoorbeeld het oppakken van Taghi en
allerlei andere successen, worden leeggetrokken? Ik heb echt nooit een
antwoord gehad op mijn concrete vragen over welke analyse eronder ligt
en hoe het er nu uitziet. De minister heeft vorige keer tegen mij
gezegd: de teams worden niet leeggetrokken. Nu hoor ik: het verlies van
experts is onderkend. Daar stel ik al anderhalf jaar vragen over. Ik
waardeer dat de minister op een rij zet welke zorgen bij welke mensen
zijn weggenomen. Maar al anderhalf jaar zijn bij mij geen zorgen
weggenomen. Vervolgens staan de zorgen die ik hier al anderhalf jaar
lang neerleg letterlijk in de krant en krijg ik weer geen antwoord. Er
zijn afspraken gemaakt dat het MIT eerst extern moet gaan werven. Ik heb
een stapel vragen en ik heb daar nog nooit inhoudelijk een antwoord op
gehad, behalve dan: men wilde dit. Volgens mij wilde niemand iets
optuigen waarvan niemand wist wat het doel is, welke analyse eronder
ligt, wat de bevoegdheden zijn en hoe het straks gaat functioneren. Die
vragen zijn niet beantwoord. Mijn verzoek aan de minister is het
volgende. Kunnen we die eerst zwart-op-wit beantwoord krijgen en dan
verdergaan, voordat we iets optuigen waarvan we straks, twee jaar later,
met z'n allen gaan zeggen: hadden we het op deze manier moeten doen, of
hadden we het anders moeten doen? Dat zijn toch legitieme vragen, denk
ik, vanuit mijn rol als volksvertegenwoordiger.
Minister Grapperhaus:
Ik stel het volgende voor. Ik denk dat dat het makkelijkst is. Ik zet
alle brieven nog eens op een rij die ik de afgelopen anderhalf jaar over
het MIT heb gestuurd en waarin u een geleidelijke voortgang van het plan
ziet, evenals hoe dat precies vorm gaat krijgen, wat daarvoor benodigd
is en wat die diensten gaan leveren. En als daarin nog enig element dat
mevrouw Yeşilgöz noemt, niet beantwoord is, dan doe ik dat in een nieuwe
brief. Ik denk echt dat we hier juist uitvoerig over hebben gesproken,
ook bij de laatste begroting. Laten we heel eerlijk zijn: ik heb er heel
bewust voor gekozen. Door corona werd duidelijk dat er, heel erg spijtig
en bitter genoeg, voor de structurele bestrijding van ondermijning
minder geld beschikbaar zou zijn dan ik misschien van tevoren gewenst
had. Ik heb er heel nadrukkelijk voor gekozen om dan in ieder geval op
een structurele wijze, juist om te voorkomen dat het een zooitje zou
worden, dit team te gaan opzetten, omdat er anders weer jaren verloren
zouden gaan. Dat is gebeurd. Nogmaals, ik ben zonder meer bereid — ik
bied dat hierbij aan — om nog eens voor de Kamer op een rij te zetten
wat we eerder aan informatie hebben geleverd. En voor zover er dan nog
dingen niet beantwoord zijn — we hebben de vraag goed genoteerd — kom ik
daarop terug. Natuurlijk moet de Kamer erin worden meegenomen, want het
gaat om veel geld en het gaat om een heel belangrijk project.
Mevrouw Yeşilgöz-Zegerius (VVD):
Ik stel wel voor dat we elkaars rollen serieus nemen. Ik heb al die
brieven erbij gezocht. Ik bereid me voor op een debat. Ik heb ook al
mijn eigen vragen erbij gezocht, ook de vragen waarop ik geen antwoord
heb gehad. Ik vind het prima om al die vragen van mij op een rij te
zetten en nog eens neer te leggen. Maar dan zou ik wel graag erbij
willen zeggen dat ik dan gewoon concreet antwoord wil op die vragen:
welke analyse lag eronder waardoor juist voor deze vorm is gekozen en
welke bevoegdheden krijgen deze mensen extra boven op wat er al is? Dat
lijken me hele legitieme vragen. Dus laten we het andersom doen. Ik heb
mijn huiswerk al gedaan. Dan hoeft de minister dat niet voor mij te
doen. Ik lever dan die vragen nogmaals aan.
De voorzitter:
Dat lijkt me een topafspraak.
Minister Grapperhaus:
En ook helemaal binnen het kader van de rolverdeling. Dus laten we dat
zo doen.
De voorzitter:
Goed, zo gaan we het doen.
De heer Groothuizen (D66):
Ik snap best dat iets nieuws opzetten tijd kost. Het lijkt me ook goed
om de tijd daarvoor te nemen. Ik snap ook dat het vissen is in een
beperkt reservoir, want je wil nu eenmaal mensen met ervaring. Ik zei
al: banken zijn ook bezig met het opzetten van allerlei systemen om
witwassen te bestrijden. Die zitten daar waarschijnlijk ook in te
vissen. De minister geeft toe dat het ook wel voorkomt dat mensen worden
weggehaald bij de FIOD, de Douane of de politie. Dan valt daar
natuurlijk wel een gat. Dat moeten we dan ook wel gewoon in alle
eerlijkheid erkennen. Ik herken dat nog wel een beetje uit mijn periode
als afpakofficier in het Zuiden. Dan was er een goede financieel
rechercheur bij de politie, die daar een jaar meedraaide en vervolgens
overstapte naar de FIOD omdat je daar twee schalen of één schaal — dat
ben ik kwijt — hoger zit. Dan kwam er op een gegeven moment ook wel weer
iemand anders, maar voordat die up to speed was, was je toch wel weer
anderhalf tot twee jaar verder. Dat is wel de realiteit. Misschien is
dat overkomelijk — dat zou kunnen — maar het lijkt me wel fair dat de
minister gewoon erkent dat dit gevolgen zijn van vissen in een beperkte
vijver.
Minister Grapperhaus:
Ik ga mezelf een beetje herhalen. Deze diensten zijn er zelf bij. We
hebben van tevoren gezegd: oké … Er lag een Kamermotie; laten we daarmee
beginnen. Die Kamermotie voerde ik graag uit. Daar loop ik ook niet voor
weg. Het was een Kamermotie van CDA en VVD, die zei: ga nou zo'n heel
duidelijk, nauw samenwerkingsverband opzetten. We hebben ons van tevoren
afgevraagd wie we daarbij gingen betrekken. Vervolgens hebben we met de
partijen die erbij betrokken waren, bekeken hoe zij vinden dat dit moet
worden opgezet. Ik ben er politiek verantwoordelijk voor, laat dat
duidelijk zijn, maar het auteursrecht van hoe je dat het beste kan doen,
moet ik aan anderen gunnen.
Vervolgens hebben we vastgesteld dat dit natuurlijk over meer
ministeries heen gaat. Dat moge ook duidelijk zijn. Dat betekent dat je
het initiatief moet laten komen vanuit de betrokken diensten, van: hoe
ga ik dan ook mijn personeel daar precies bij inzetten? Dan krijg je
automatisch dat in een aantal gevallen bijvoorbeeld de FIOD — laten we
een dienst nemen die niet onder mij valt — zegt: wij hebben een paar
mensen in ons Team Witwassen zitten die we heel graag in dat MIT zouden
willen inzetten. Daarmee doet de FIOD zichzelf, zou je kunnen zeggen,
een vacature aan in het eigen Team Witwassen. Die vacature kunnen ze
oplossen, want, nogmaals, het extra geld voor die mensen bij het MIT heb
ik geregeld. Althans, "heb ik geregeld" … Dat geld zit bij JenV. Laat ik
het iets bescheidener zeggen.
Zo gaat dat functioneren, en dat is altijd de consequentie van het
opzetten van een nieuw groot samenwerkingsverband. Je wilt immers ook
niet horen dat de FIOD zegt: "We hebben hier nog X, Y en Z zitten, waar
we al jaren niet weten wat we ermee aan moeten; maar weet je wat, die
gaan we in het MIT zetten". Dan zijn we met z'n allen tot mislukken
gedoemd, en dat wilden ze niet. Het proces moet zorgvuldig gebeuren en
er wordt dus ook gesproken met de diensten die het aangaat. Die zeggen:
nu raak ik goede mensen kwijt. Zo moeten we met elkaar verder
komen.
De heer Groothuizen (D66):
De minister legt mij iets uit wat ik wel begrijp, maar de eindconclusie
is dus wel dat het én een behoorlijke tijd gaat duren voordat dat MIT er
staat — dat is op zich niet erg, want dit soort investeringen kost
gewoon veel tijd — én dat je daar waar je mensen weghaalt uit bestaande
organisaties, ook zult moeten voorzien in vervanging, wat ook weer een
bepaalde tijd kost. Dat is dan wel gewoon de eerlijke consequentie. Het
is geen verwijt en ik ben niet tegen het idee, maar het is wel goed om
dan ook echt te constateren dat dit gewoon een project van drie, vier
jaar is en dat we de resultaten waarschijnlijk ook dan pas zullen
zien.
Minister Grapperhaus:
Dat doe ik ook, dacht ik, want de woorden "eerlijk", "open" en
"transparant" zijn hier een paar keer gevallen. Ik heb ook gezegd dat we
in 2024 pas op de volle 90 miljoen zitten. In 2021 is het 73 miljoen, en
dat is een opbouw, want de FIOD kan inderdaad moeilijk tegen zijn Team
Witwassen zeggen: Piet en Joke zijn vanaf morgen weg naar het MIT. Nee,
dan zullen Piet en Joke eerst nog een jaar lang een aantal zaken
overdragen of weet ik wat. Dit is overigens precies de reden waarom ik
besloten heb — dat heb ik aan uw Kamer voorgelegd — dat, als we nu
vanwege covid ineens minder extra geld krijgen dan wij met z'n allen
bedacht hadden, we in ieder geval hierop structureel moeten inzetten.
Anders gaat het namelijk nog tien jaar duren voordat we dit hebben
opgezet.
De voorzitter:
Dank u wel. Was u klaar met uw beantwoording?
Minister Grapperhaus:
Nou, nee. Ik moet nog even kijken. Als ik iets heb overgeslagen over het
MIT, dan hoor ik dat graag, maar volgens mij is dat in orde.
Ik had nog een paar losse vragen over verwarde personen. Mevrouw
Yeşilgöz en mevrouw Westerveld hebben vragen gesteld over de stappen die
zijn gezet. Zij wilden dat concreet vernemen. Allereerst verblijven
verwarde personen niet meer in politiecellen. Ten tweede is het vervoer
inmiddels in veel regio's beter geregeld en zijn er ook beveiligde
bedden geregeld. Dat was toen ik aantrad als minister een heel erg groot
issue. Dan is ook de training potentieel gewelddadige eenling
geëvalueerd. Daarop zijn er ook positieve reacties. Dat hebben we
afgelopen zomer met vereende krachten geregeld. Er is nu landelijke
coördinatie — dat is een beetje technisch — in het verdelen over die
beveiligde bedden van met name potentieel gewelddadige eenlingen en
mensen met ernstige psychiatrische aandoeningen. Dat was een heel
belangrijk breekpunt, omdat bleek dat er wel financiering voor was —
daar waren wel mogelijkheden voor — maar als zo iemand op de een of
andere manier hier in Den Haag problemen veroorzaakte, dan bleek
achteraf dat er in Groningen wel een plek beschikbaar was, maar dat men
dat niet wist of niet meldde. Het gaat soms heel bizar in het leven,
want geïnspireerd door de landelijke coördinatie van de
intensivecarebedden hebben we met elkaar gezegd: laten we hiervoor ook
zo'n landelijke coördinatie opzetten. Ik haal uit werkbezoeken — ik raad
dat eenieder hier van harte aan— dat dat inderdaad een van de grootste
issues was. Hopelijk is dat nu opgelost.
En verder wil ik nog het volgende zeggen. Al een aantal keren is het
woord gevallen dat dit het einde van de termijn is, maar ik vind echt
dat we met elkaar nog steeds een brede maatschappelijke discussie moeten
hebben over de vraag of het goed is dat we in deze samenleving merken
dat verwarde personen in aanraking komen met de politie, terwijl we toch
eigenlijk vinden dat we ons misschien op een andere manier over deze
mensen moeten ontfermen. Ik denk dat iedereen begrijpt wat ik daarmee
bedoel.
Mevrouw Yesilgöz vroeg naar de straattriage. Zij heeft daarover een
motie ingediend, die zich richtte op het realiseren van een goede
samenwerking tussen politie en zorg, specifiek bij meldingen van
kwetsbare personen. Bij het voorbeeld in Twente gaat het om een 24
uursvoorziening waarbij politie en zorg samen naar een melding rijden.
Dat vind ik een hele goede oplossing. Daarom kon ik mij die motie goed
voorstellen, maar we kunnen die alleen uitrollen in gebieden met veel
meldingen, omdat dit simpelweg rendabel moet zijn. Want daar moeten echt
mensen voor worden ingezet. Naar aanleiding van die motie worden nu
gesprekken gevoerd met de professionals uit zowel het zorg- als het
veiligheidsdomein om te kijken wat voor andere samenwerkingsvormen we
bij acute meldingen kunnen inzetten voor die betere en snellere triage
op straat. Ik denk dat we het erover eens zijn dat dit een echt hele
goede vorm van aanpak — ik weet niet of dat Nederlands is — zou kunnen
zijn. In Amsterdam is er een pilot waarbij politie, GGD en ggz daar
afspraken over maken. We hebben ernaar gekeken of je dat ook 24/7
beschikbaar zou kunnen stellen. Kortom, daar wordt op dit moment aan
gewerkt door de twee departementen.
Mevrouw Yeşilgöz-Zegerius (VVD):
Ik heb een verhelderende vraag. In de motie en in het debat hebben we
ook gezegd: kijk nou naar de gebieden waar de meeste meldingen zijn,
zodat je kans van slagen hebt. Dat heeft de minister zelf ook gezegd.
Begrijp ik het goed dat de minister zegt dat er wordt gekeken waar we
die straattriage kunnen opzetten als een nieuwe pilot? Eigenlijk is dat
de vraag, want ik begrijp het antwoord niet zo goed. Wat wordt er nu
precies waar uitgevoerd?
Minister Grapperhaus:
Ja. We kijken inderdaad hoe we het in de gebieden waar het veel voorkomt
veel meer kunnen uitrollen; vandaar de pilot in Amsterdam. Maar dan moet
je het ook echt 24/7 doen. Nogmaals, ik ben ervan overtuigd dat dit een
van de beste manieren is om dit op te pakken. Dat merkt u ook. Het kost
wel wat tijd, moeite en inspanning, omdat we dat natuurlijk moeten doen
in uitgebreid verband, dus met politie, GGD en ggz. Ik blijf wel zeggen
— daarmee kom ik weer terug op daarnet — dat het natuurlijk gaat om heel
kwetsbare mensen, ook al zijn ze in bepaalde gevallen gevaarlijk. Dat
maakt het een hele lastige problematiek.
Voorzitter. Dan had ik alleen nog de vraag van mevrouw Helder over de
korte wapenstok. Drie van de tien gemeenten zijn inmiddels gestart:
Velzen, Leeuwaren en Súdwest Fryslân. Ik heb met Velzen inmiddels een
soort relatie opgebouwd op dit punt en ik hoop daar over enige tijd
langs te kunnen gaan om te kijken hoe het allemaal gaat. Overige
gemeenten zijn voorbereidingen aan het treffen voor de vereiste
aanvullende training van de boa's. Vanaf maart zullen naar verwachting
alle gemeenten zijn gestart. Dan komt er een evaluatie door het WODC.
Daarvoor zijn al een onderzoeker en een wetenschappelijke
begeleidingscommissie aangesteld. Ten slotte, voorzitter, want ik vind
het mooi om daarmee af te sluiten: ik stel het zeer op prijs dat de heer
Groothuizen een plan van aanpak heeft aangegeven. Met een deel van zijn
plan zijn we al bezig, bijvoorbeeld de non-conviction based
confiscation, tenminste, daar kijken we naar. Er zijn ook een aantal
zaken die we nu nog niet doen, zoals de bedrijfsreclassering. Ik denk
dat we dit zeker moeten oppakken. Ik denk dat dit vooral iets zal worden
voor een volgende, missionair bewindspersoon. Die zal daarmee aan de
slag gaan. Maar ik zal dit met plezier inbrengen.
De voorzitter:
Dank u wel. Daarmee eindigt de eerste termijn van de zijde van de
minister. We komen toe aan de tweede termijn. Ben u al zover of wilt u
nog even schorsen? Heeft u behoefte aan een schorsing van vijf
minuutjes? Als het maar niet voor roken is! Dat doet u toch niet, hè?
Nee, goed zo! Dan schors ik kort.
De vergadering wordt van 16.29 uur tot 16.35 uur geschorst.
De voorzitter:
We komen toe aan de tweede termijn van de zijde van de Kamer. Het woord
is aan de heer Van Raak van de Socialistische Partij.
De heer Van Raak (SP):
Voorzitter.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat politieagenten al jarenlang extra taken krijgen die ze
met steeds minder collega's moeten uitvoeren en dat dit door de
coronacrisis verder is verergerd;
constaterende dat wijkagenten steeds minder tijd kunnen besteden in de
wijk en het preventieve karakter van het politiewerk onder grote druk
staat;
constaterende dat de cao-onderhandelingen met de politie stukgelopen
zijn op een structurele verhoging van de politiesalarissen en een
bonusuitkering;
constaterende dat er volgens de regering geen financiële ruimte is om de
loonruimte verder te verhogen;
verzoekt de regering om met spoed deze extra financiële ruimte
beschikbaar te stellen en de politiesalarissen te verhogen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Raak. Naar mij blijkt, wordt
de indiening ervan voldoende ondersteund.
Zij krijgt nr. 998 (29628) (#1).
De heer Van Raak (SP):
Moet ik de motie ergens naartoe brengen?
De voorzitter:
Dat komt zo. Als u de motie omgekeerd voor u op de tafel legt, komt het
allemaal goed.
De heer Van Raak (SP):
Ik leg haar omgekeerd voor mij op tafel.
De voorzitter:
Was dit uw tweede termijn? Ja? Prima. Mevrouw Helder, PVV.
Mevrouw Helder (PVV):
Voorzitter, dank u wel. Ik begin even met een hulde aan de agenten die
in oorlogsgebieden — zo zou je het bijna noemen; eufemistisch ook wel
aangeduid als "rellen over de avondklok" — hebben moeten opereren. Maar
ik heb dat al gezegd in het debat over het wetsvoorstel inzake
taakstrafverbod. Dat wetsvoorstel is afgelopen dinsdag gelukkig
aangenomen.
Dan de PTSS-dossiers. Ik gun de politieagenten alles wat ze nodig hebben
— een stroomstootwapen of meer collega's — om hun werk veilig te kunnen
doen. Dat kost geld en dat is niet oneindig; dat weet ik ook. Maar het
kan toch niet zo zijn dat vanwege PTSS uitgevallen collega's de rekening
hiervoor moeten betalen? Ook de afhandeling van die dossiers kost geld.
Dat snap ik, maar ik sluit toch aan bij oud-korpschef Bouman, die alles
op alles zette om zijn mensen te helpen. Dat mis ik gewoon bij de
huidige korpsleiding. Ik weet dat het geld niet oneindig is. Als dat het
probleem is, zeg het dan. Probeer het dan met de Kamer, met de minister
of hoe dan ook op te lossen, maar laat het niet op het bordje liggen van
de mensen die het niet meer kunnen dragen; dat gebeurt nu wel. Door
jarenlang traineren geven zij gewoon de strijd op, soms zelfs hun eigen
leven. Ik vind dat gewoon echt niet kunnen. De politie, de organisatie,
hoeft hun dan uiteindelijk niks meer te betalen. Ik heb daar een motie
over ingediend; dank aan mijn collega's voor het steunen daarvan.
Collega Van Dam gaat straks een motie indienen. Ik begrijp het
initiatief, maar het ondergraaft mijn motie, want al is er maar één
geval van verrekening, dan is dat gewoon één geval te veel. Ik wil niet
dat Sheila iedere dag buiten gaat zitten. Ik hoop dat ik terugkom in de
Kamer — ik sta op de negende plek — en dan ga ik er gewoon weer vier
jaar mee aan de slag. Ik geef het echt niet op, want dit kan gewoon
niet.
De minister heeft het boek gekregen. Daar is geen woord Spaans bij. De
politie zit te discussiëren over de term "VGW". Dat betekent
"Veiligheid, gezondheid en welzijn", maar daar maken ze "Veilig en
gezond werk" van, om dat "welzijn" maar niet te hoeven betalen. Ik vind
het echt stuitend en ik werk daar gewoon niet aan mee.
Voorzitter. Het laatste punt betreft het rapport over de Landelijke
Eenheid. De minister baseert zijn vertrouwen op het feit dat de
korpsleiding in 2019 heeft gezegd: daar moeten we onafhankelijk
onderzoek naar doen. Maar dat miskent dat er jarenlang — vanaf 2016, zeg
ik uit mijn hoofd — door de werkvloer en bonden op die structurele
misverstanden is gewezen. Daar is niets — ik herhaal: niets — mee
gedaan, tot het echt niet langer meer kon.
Voorzitter. Dan de dood van twee politie-informanten. De minister
verwijst naar het rapport. Ik ken dat en heb dat gelezen. Ik heb zelfs
naar twee passages op pagina 6 verwezen, met name naar deze: "Voor de
inspectie zijn de uitkomsten van deze onderzoeken" — dat gaat om de
onderzoeken door de afdeling VIK en de Rijksrecherche — "een gegeven en
is er geen aanleiding geweest om verder onderzoek te doen." Maar degenen
die die ernstige misstand hebben gemeld, zijn helemaal niet door de
Rijksrecherche gehoord. Om een semantische discussie te voorkomen over
de aanleiding et cetera — niemand heeft wat aan die semantische
discussie — vraag ik gewoon aan de minister: is er dan geen causaal
verband gevonden tussen de "kwaliteit van de taakuitvoering op
organisatieniveau" en de dood van twee politie-informanten?
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Meneer Groothuizen.
De heer Groothuizen (D66):
Dank u wel, voorzitter. Ik gaf de minister een plan met een aantal
voorstellen. Ik geef hem uiteraard de tijd om dat te lezen en daarop te
reageren. Een aantal dingen loopt, maar er zitten ook dingen in die ik
voor het eerst op tafel leg. De bedrijfsreclassering, om het zo maar
even te noemen, heb ik al eerder aan de orde gesteld. Daarvan heeft de
minister toen al gezegd: ik vind dat wel een sympathieke gedachte. Maar
er gebeurt toch niet heel veel meer. Vandaar de volgende motie.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat het OM momenteel bij een transactie geen dwingend
toezicht kan opleggen aan bedrijven;
overwegende dat dergelijk toezicht noodzakelijk is om te kunnen
beoordelen of bedrijven zich houden aan verbeterplannen;
verzoekt de regering een wettelijke basis te maken voor de invoering van
de monitoring van verbeterprogramma’s van ondernemingen waarmee het OM
een transactie overeenkomt;
verzoekt de regering tevens te voorzien in een wettelijke basis om
alsnog te kunnen vervolgen bij niet-naleving van dergelijke
verbeterprogramma’s;
verzoekt de regering ten slotte met voorstellen te komen hoe dergelijk
toezicht effectief kan worden ingericht,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Groothuizen. Naar mij blijkt,
wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.
Zij krijgt nr. 999 (29628) (#2).
Het woord is aan mevrouw Westerveld, GroenLinks.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks):
Dank, voorzitter. Als je een belangrijke taak hebt in de publieke
sector, of dat nou in het onderwijs, in de zorg of bij de politie is,
mag je verwachten dat de overheid naast je staat en dat zien we hier
niet. Er werd door een aantal mensen, onder wie door mij, verwezen naar
de cao-onderhandelingen die spaak lopen. Er is sprake van een
ongelofelijke werkdruk. We zien het ook aan de beroepsziekten, waar het
in dit debat even over ging. Ik twijfel niet aan de goede intenties,
maar er was in 2019 een bijeenkomst in Vlaardingen en er ligt nu een
brief met de aankondiging van een nieuw stelsel en de mededeling dat in
de loop van 2021 een gesprek wordt gevoerd met mensen over onder andere
financiële afhandeling en de vraag welke hulp zij nodig hebben. Dat
getuigt niet van een heel snelle aanpak en dat is wel wat mensen nodig
hebben die een beroepsziekte hebben opgelopen doordat ze belangrijk werk
en soms ook heel risicovol werk doen voor de overheid. Ik hoor graag van
de minister of daar niet meer vaart in gebracht kan worden.
Dan het inspectierapport. Ik vond de conclusies echt schrikbarend en ik
kijk nogal op van de gemoedelijke toon van de minister. Als ik in dat
rapport lees dat er sprake is van organisatie- en taakverwaarlozing, van
falende ICT-voorzieningen en van slecht leiderschap, schrik ik daar wel
van, want we hebben het wel over de Landelijke Eenheid en die moet zich
bezighouden met de zwaarste vormen van criminaliteit. Dit raakt niet
alleen aan de veiligheid van ons land, maar natuurlijk ook aan de
veiligheid van de mensen die daarvoor werken en die al heel risicovol
werk doen. De heer Van Dam had het in zijn eerste termijn over
hoorzittingen die misschien nog wel zouden moeten plaatsvinden, om te
controleren wat er is gebeurd en te kijken wat we kunnen leren. Ik vind
dat een heel interessant idee. Ik ben het met de heer Van Dam eens. Na
het lezen van dit rapport is het maar moeilijk te verkroppen dat het
wellicht in een la verdwijnt en dat we weinig zicht hebben op wat ermee
gebeurt. Ik begreep wel dat er nog twee delen aankomen. Ik wil de
minister vragen wanneer deze gepland staan.
Als laatste nog een oproep, aangezien dit het laatste overleg over de
politie is voor de verkiezingen. Als het de Kamer menens is dat de
politie ontlast moet worden waar het gaat om de aanpak van personen met
verward gedrag, is mijn oproep echt om structureel te investeren in meer
plekken voor deze personen, want anders is het echt dweilen met de kraan
open.
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan mevrouw Yeşilgöz van de VVD.
Mevrouw Yeşilgöz-Zegerius (VVD):
Dank u wel, voorzitter. In mijn eerste termijn was ik gebleven bij de
politievrijwilligers. Die vraag maak ik nog even af, zoals gezegd. Zij
zijn een enorme steun voor de betaalde krachten. Dat hebben we hier
meerdere malen uitgesproken naar elkaar toe. De heer Van Dam en ik
hebben ooit een motie ingediend over het dragen van een vuurwapen door
vrijwilligers die daarvoor bevoegd en bekwaam zijn. Ik lees in de brief
van de minister dat dat nog heel lang kan duren. Ik zou graag willen dat
hij daar nog op ingaat. Hoe kunnen we er nou voor zorgen dat mensen die
er klaar voor staan die opleidingen kunnen doen en vervolgens ook een
wapen kunnen dragen om de betaalde krachten te helpen en te
ondersteunen?
Dan het inspectierapport over de Landelijke Eenheid. Mijn collega's
hebben daar ook zinnige vragen over gesteld. Ik ben zelf nog steeds op
zoek naar hoe we dit nou concreet gaan maken met elkaar. Wanneer zijn de
stappen die genomen worden, die verbeteringen, voor de minister een
succes? Hoe gaan we dat beoordelen? Hoe krijgt hij deze aandachtspunten
teruggekoppeld? Kunnen wij dat een-op-een in de Kamer krijgen, zodat wij
dat ook kunnen volgen en kan dat inderdaad met grote regelmaat?
Dan over het MIT, het Multidisciplinair Interventie Team. Laat ik hier
nog een keer zeggen dat er wat mij betreft echt geen twijfel kan bestaan
over het feit dat de VVD met de motie die toen ingediend is door de heer
Heerma en de heer Dijkhoff — ik meen dat dat in 2019 was, tijdens de
begroting — nooit heeft gezegd: start een traject waarbij heel veel
vragen openstaan en we zien wel. Ik vind het jammer dat de minister
continu die motie aanhaalt en mijn vragen overslaat. Ik zal die vragen,
zoals afgesproken, weer op een rij zetten. Die komen naar de minister en
mijn verzoek daarbij is nogmaals om te wachten met de verdere uitrol en
eerst te zorgen dat we alles helder hebben: wat gaat het toevoegen, wat
zullen de bevoegdheden zijn, waar halen we die mensen vandaan en hoe
werkt dit samen en versterkt het de aanpak van ondermijning, zonder dat
het onze eigen aanpak zelf ondermijnt? Ik wil er niet straks achter
komen dat we iets hebben opgetuigd dat onszelf alleen maar in de weg
zit. Dat verzoek leg ik dus nogmaals bij de minister neer en ik zal
ervoor zorgen dat hij heel snel die vragen heeft.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan de heer Van Dam, CDA.
De heer Van Dam (CDA):
Voorzitter. Ik heb een viertal moties. Dat komt voor een belangrijk deel
uit het schriftelijk overleg dat we hebben gehad. Laat ik daarmee
beginnen.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat de minister de verplichting van de e-screener voor
bestaande verloven in oktober 2019 voor een periode van twee jaar heeft
uitgesteld;
overwegende dat een deskundigenonderzoek naar de werking van de
e-screener zal starten, waarvan niet verwacht wordt dat het binnen de
gestelde termijn van twee jaar afgerond wordt;
verzoekt de regering om het uitstel van de e-screener voor bestaande
verloven uit te breiden met een extra jaar,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Dam. Naar mij blijkt, wordt
de indiening ervan voldoende ondersteund.
Zij krijgt nr. 1000 (29628) (#3).
De heer Van Dam (CDA):
Dan een voorstel in te dienen samen met collega Van Nispen van de
SP.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat de minister voornemens is partiële wijzigingen in de Wet
wapens en munitie door te voeren;
constaterende dat deze wet en de onderliggende regelingen
onoverzichtelijk zijn, deels innerlijk tegenstrijdig en in onvoldoende
mate aangesloten zijn op Europese regelgeving;
overwegende dat een fundamentele herziening van deze wet noodzakelijk
is;
verzoekt de regering een commissie te benoemen met onder andere
(gerechtelijk) deskundigen, betrokkenen vanuit de politie, het Openbaar
Ministerie, de jagers- en schietsportwereld, deze commissie een
basisplan op te laten stellen voor een nieuwe Wet wapens en munitie en
dit basisplan voor te leggen aan de Kamer,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Dam en Van Nispen. Naar mij
blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.
Zij krijgt nr. 1001 (29628) (#4).
De heer Van Dam (CDA):
De derde motie.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat het Programma Vernieuwend Registreren (PVR) een
doorlooptijd kent tot, nu voorzien, het jaar 2028, zijnde dertien jaar
na de start van de ontwikkeling;
overwegende dat het programma een hoofdlijnplanning kent waarin het
hanteren van risicobeheersing wel genoemd, maar nauwelijks ingevuld
wordt;
verzoekt de regering — zo nodig met ondersteuning van een daartoe
gespecialiseerd bureau — de politie een risicomatrix in te laten
richten, de daaruit voortvloeiende maatregelen te realiseren, en de
Kamer hierover te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Dam. Naar mij blijkt, wordt
de indiening ervan voldoende ondersteund.
Zij krijgt nr. 1002 (29628) (#5).
De heer Van Dam (CDA):
Voorzitter. Dan worstel ik, want ik heb hier ook een motie liggen om een
commissie in te richten. Daar hebben we het over gehad en daar heb ik
ook de bereidheid van de minister over gehoord. Maar ik heb de minister
ook horen zeggen dat hij enorme vaart gaat maken met dat nieuwe stelsel
en dat hij zelfs al per 1 maart de Kamer daarover wil informeren. Dat
betekent uiteindelijk dat ik deze motie niet indien. Het staat de
minister natuurlijk volledig vrij om zelf zo'n commissie in te stellen.
Daar heeft hij mij niet voor nodig. Ik wil niet vertraging veroorzaken
en ik wil ook geen onduidelijkheid organiseren. Ik denk dat de grootste
prioriteit nu moet liggen bij het inderdaad zorgen dat we hier op 1
maart dat nieuwe beleid hebben. Laten we daarop koersen.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan schors ik de vergadering voor tien minuten.
De vergadering wordt van 16.48 uur tot 16.53 uur geschorst.
De voorzitter:
Het woord is aan de minister.
Minister Grapperhaus:
Voorzitter. Ik begin even met een aantal vragen die zijn gesteld en dan
doe ik daarna de vijf moties.
Mevrouw Helder vroeg naar een causaal verband tussen de kwaliteit van de
taakuitvoering en het overlijden van informanten. Gezien de
vertrouwelijkheid inherent aan het inlichtingenwerk waarover we hier
spreken, kan ik niet ingaan op nadere vragen over inhoudelijke aspecten
die zich in de TCI-omgeving hebben afgespeeld. Ik moet me houden aan de
formulering die de inspectie in haar rapport gebruikt. Met betrekking
tot de taakuitvoering van het TCI concludeert de inspectie in het
rapport dat het bevoegd gezag en de direct betrokkenen hernieuwd
vertrouwen hebben in het TCI en dat er geen aanleiding is geweest voor
nader onderzoek. Ze hebben ook echt — dat zei ik al in eerste termijn —
met heel veel mensen interviews gehad.
Voorzitter. Mevrouw Yeşilgöz had het over de opleiding van
politievrijwilligers. Voor de brede politiezaak mogen vrijwilligers, net
als beroepskrachten in de GGP, alleen een vuurwapen dragen als zij de
stabiliteitstest met goed gevolg hebben doorlopen en een
politieopleiding niveau 3 of hoger hebben voltooid. Die
vuurwapentraining is een integraal onderdeel van de opleiding. De
Politieacademie verzorgt geen losse vuurwapentrainingen omdat het niet
alleen gaat om schietvaardigheid maar ook om kennis van de principes van
legitimiteit, proportionaliteit en subsidiariteit. Als ik het even voor
de kijkers vertaal: je moet niet alleen weten hoe je omgaat met het
wapen zelf — ik kan het in ieder geval niet; ik ben daar volstrekt
ongeschikt voor — maar ook leren wanneer je dat moet doen en wat de
gevolgen zijn. Je moet daar immers onmiddellijk een rapport van maken en
dat soort dingen meer. Daarom worden medewerkers alleen vuurwapenvaardig
na afronding van de volledige opleiding. Ik heb naar aanleiding van de
ongeregeldheden vorige week nog eens benadrukt hoe ontzettend belangrijk
die executieve politievrijwilligers voor ons zijn. Ik kijk ook echt
samen met de korpsleiding en de Politieacademie hoe we meer snelheid
kunnen brengen in de geïntegreerde opleiding.
Mevrouw Helder (PVV):
In antwoord op mijn vraag zei de minister dat hij zich moet houden aan
de vertrouwelijkheid van de gesprekken. Dat begrijp ik. Hij zegt ook dat
er heel veel mensen door de Rijksrecherche zijn gehoord. Maar mij is ter
ore gekomen dat niet alle mensen die misstanden aan de kaak hebben
gesteld, door de Rijksrecherche zijn gehoord. Daar wil ik graag nog iets
meer over horen.
Minister Grapperhaus:
Dat is voor mij lastig. Ik zoek het even; de inspectie heeft heel
uitvoerig met mensen gesproken. Met wie en hoe gaat mij niet aan, om het
maar even zo te zeggen. Dat is de onafhankelijkheid van de inspectie. En
de inspectie zegt heel duidelijk: wij komen tot deze conclusies op basis
van de gesprekken die wij gevoerd hebben. Dat moet ik op enig moment
respecteren. Ik respecteer dat. Dat is ook een beetje wat u van mij
verlangt. Dat wil niet zeggen dat u niet vanuit uw controlerende functie
van Kamerlid kunt zeggen: we hebben toch serieus andere signalen
gekregen. Ik moet een beetje zeggen: dit is het inspectierapport en dat
is mijn huiswerk.
De voorzitter:
Gaat u verder.
Minister Grapperhaus:
Dan de voetnoot van de inspectie.
De voorzitter:
Sorry, mevrouw Yeşilgöz had hierop ook nog een interruptie. Neem me niet
kwalijk.
Mevrouw Yeşilgöz-Zegerius (VVD):
Dat ging nog over die politievrijwilligers. Ik weet dat niveau 3
daarvoor nodig is. De vraag aan de minister was: kunnen we ervoor zorgen
dat dat opleidingsniveau zo snel mogelijk opengesteld wordt voor
politievrijwilligers? Ik meende in de brief te lezen dat dat nog wel
even kan duren door bepaalde veranderingen in de opleiding. Ik wilde
vragen om dat zo ver mogelijk naar voren te halen en niet een jaar te
laten wachten.
Minister Grapperhaus:
Mevrouw Yesilgöz hoorde mij aan het slot van de beantwoording ook
zeggen: over hoe wij dit kunnen versnellen, dat geïntegreerde, ga ik met
de korpsleiding en de Politieacademie verder spreken. Ik vind de rol van
die politievrijwilligers namelijk echt heel belangrijk. Laat dat heel
duidelijk zijn. Ik vind dus dat wij daarop moeten inzetten.
De voorzitter:
Gaat u verder.
Minister Grapperhaus:
Voorzitter. Nog even heel kort over dat vertrouwelijke, voetnoot 1. Ik
wil nog even benadrukken dat de conclusies echt hun plek hebben gekregen
in het rapport. Er is dus niet iets wat nog ergens los zweeft of
zo.
Mevrouw Westerveld vroeg om de afdoening van de rechtsschadezaken te
bespoedigen. Ik heb juist hierover met de korpsleiding gesproken en
gezegd: hoor eens, dat moet wat mij betreft nog voortvarender. 108 van
de 209 oude zaken zullen uiterlijk in april een passend aanbod hebben
gekregen, en 101 gestuite zaken, waarin het contact op enig moment
verloren is gegaan, waarin men in ieder geval op verjaring is gestuit,
moeten in de loop van 2021 echt helemaal tot een afronding en oplossing
zijn gekomen, met inachtneming — want die ga ik dan in ieder geval
vrijwillig instellen — van die hardheidsclausule waar ik het over gehad
heb, als extra borging zodat mensen niet in de problemen komen.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks):
Gaat dat dan over een gesprek of gaat dat dan al echt over een concreet
hulpaanbod of concrete hulp? Want dat zijn natuurlijk ook nog twee hele
andere zaken.
Minister Grapperhaus:
Nee, dit zijn passende aanbiedingen, ook op het gebied van
schadevergoeding en alles daaromheen.
De voorzitter:
Helder. Gaat u verder. O, mevrouw Westerveld nog? Nee. Gaat u
verder.
Minister Grapperhaus:
Dan toch nog even over die aanpak waar mevrouw Yeşilgöz naar vroeg. Ik
heb heel duidelijk gezegd dat ik uw Kamer in ieder geval periodiek ga
informeren bij het halfjaarlijkse bericht. Ik zeg hierbij nog eens heel
duidelijk dat daarin aan de hand van de drie punten zoals die als 1 tot
en met 3 staan genoemd op bladzijde 2 van de brief van 28 januari — dit
even voor de griffier — de voortgang van de maatregelen in de
programmatische aanpak komt. Ik zal daarbij ook meteen de rol en de
personen van de externe adviseurs aangeven.
Voorzitter. Dan kom ik op de moties, allereerst bij de motie op stuk nr.
998 van de SP, van de heer Van Raak. Laat één ding duidelijk zijn: er is
door het kabinet loonruimte gecreëerd en ik heb ook uitgelegd dat een
verruiming daarvan vanwege de algemene economische omstandigheden op dit
moment gewoon niet mogelijk is. De beschikbare loonruimte is in ieder
geval meer dan voldoende voor koopkrachtbehoud in 2021. Ik ontraad de
motie.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 998 is ontraden.
Minister Grapperhaus:
Ja, de motie op stuk nr. 998 is ontraden.
De motie op stuk nr. 999 is de motie van D66, van de heer Groothuizen,
over de verbeterplannen voor bedrijven. Ik kan die motie goed volgen. Ik
zou willen vragen om deze motie aan te houden, want er is voor mij nu
niet een rol om met nieuwe wetgeving aan de slag te gaan en dat zou dan
wel nodig zijn. Ik zou dus willen vragen of de motie kan worden
aangehouden.
De heer Groothuizen (D66):
Ik kan daarover nadenken, maar volgens mij zegt de motie niet zo heel
veel meer dan: ga gewoon hiermee aan de slag en ga dit gewoon
voorbereiden. Ik heb niet de indruk dat dit een controversiële kwestie
is. Eigenlijk heeft de Kamer over alles omtrent georganiseerde
criminaliteit gezegd dat dat gewoon besproken kan worden. Ik zou de
minister dus willen oproepen tot iets meer ruimhartigheid door dit
gewoon in gang te zetten. Vervolgens komt het vanzelf naar de Kamer
toe.
Minister Grapperhaus:
Als ik de motie zo mag uitleggen dat zij eigenlijk verzoekt om het
denkproces hierover in gang te zetten, dan denk ik er anders over. Maar
de motie verzoekt de regering "te voorzien in een wettelijke basis". Ik
weet hoezeer de heer Groothuizen mijn werk soms, heel soms, waardeert,
maar daarvan zeg ik dat deze minister dat niet meer moet gaan doen.
Verderop wordt de regering verzocht om met voorstellen te komen voor een
dergelijk toezicht. Dan word ik toch weer een soort missionaris als
minister. Ik dacht dat dat niet de bedoeling was. Ik hoop dus dat de
motie kan worden aangehouden en dat we het daarover eens kunnen worden.
De gedachte en de ideeën vind ik echt goed, maar als …
De voorzitter:
Als dat niet gebeurt, wordt de motie ontraden.
Minister Grapperhaus:
Dan moet ik haar ontraden.
De heer Groothuizen (D66):
Ik ga daar even over nadenken.
De voorzitter:
De heer Groothuizen gaat erover nadenken.
Minister Grapperhaus:
Dan moet ik de motie helaas ontraden.
De voorzitter:
Dan is de motie op stuk nr. 999 nu ontraden. Gaat u verder.
Minister Grapperhaus:
Dan de motie-Van Dam op stuk nr. 1000 over de e-screener. Die motie moet
ik ontraden. Er worden verbanden gelegd die ik niet op die manier zie.
Het uitstel van de invoering op de bestaande verlofhouders had niet te
maken met het instrument, maar met de implementatie van het instrument.
Die is nu goed op orde. De e-screener is gewoon een goed instrument.
Zodra ik voornemens ben de e-screener voor de gehele populatie in te
voeren, zal ik uw Kamer berichten en dan kunnen we het gesprek daarover
altijd nog voeren. Maar ik moet deze motie dus ontraden.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 1000 is ontraden.
De heer Van Dam (CDA):
Ik wil toch even reageren op de opmerking dat de e-screener een goed
instrument is. Ik kreeg vorige week een brief van de KNSA waaruit blijkt
dat iedereen die met de e-screener is afgewezen en daarna naar de
psycholoog of de psychiater is gegaan, à €1.800, daarna verlof heeft
gekregen. Op dit moment is het zelfs zo dat mensen die voor de tweede
keer een aanvraag doen, er ook allemaal doorheen komen. Ik hoor nog meer
spannende verhalen. Dat de minister de motie nu ontraadt … Prima, dat
zij zo, maar ik wilde toch even zeggen dat het positieve beeld dat hij
heeft van de werking van de e-screener, in ieder geval niet door mij
gedeeld wordt.
Minister Grapperhaus:
Daar neem ik kennis van.
De motie op stuk nr. 1001 van de heer Van Dam en de heer Van Nispen gaat
over de Wet wapens en munitie. Uw Kamer is op 18 december 2020
geïnformeerd over de voortgang van het traject inzake verdere herziening
van de Wet wapens en munitie en heeft besloten de brief daarover
controversieel te verklaren. Dan past mij ook echt terughoudendheid op
dat onderwerp. Als we er een debat over hadden kunnen hebben, hadden we
misschien kunnen concluderen dat we allebei vinden dat een kritische
externe blik nuttig zou kunnen zijn, want de Wet wapens en munitie is
echt wel breder dan jagers en schietsport. Maar ik kan niet één
belangengroep er op die wijze uit tillen. In deze vorm moet ik de motie
gewoon ontraden.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 1001 wordt ontraden.
Minister Grapperhaus:
De motie op stuk nr. 1002 van de heer Van Dam gaat over het Programma
Vernieuwend Registreren. Die motie laat ik oordeel Kamer. Dat kan ik
uitvoerig toelichten, maar het is oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 1002 krijgt oordeel Kamer.
Daarmee is de minister aan het einde van zijn termijn gekomen. Ik
constateer dat over de ingediende moties aanstaande dinsdag gestemd zal
worden.
Er zijn twee toezeggingen.
De minister heeft toegezegd de Kamer voor 1 maart een voortgangsbrief te sturen met betrekking tot de afhandeling van langlopende PTSS-dossiers.
De minister heeft toegezegd de Kamer een brief te sturen over het MIT en daarin de vraag van mevrouw Yeşilgöz te beantwoorden; laten we daar "de VVD" van maken.
Ik dank de minister, zijn ambtenaren, de leden, onze onvolprezen ondersteuning in alle gedaanten en degenen die dit debat elders gevolgd hebben. Ik wens u allen nog een hele mooie dag en avond met de uwen.
Sluiting 17.06 uur.
| ONGECORRIGEERD STENOGRAM Verslag OSV 91 (2020-2021) van 3 februari 2021 |
|---|
| Aan ongecorrigeerde verslagen kan geen enkel recht worden ontleend. Uit ongecorrigeerde verslagen mag niet letterlijk worden geciteerd. Inlichtingen: verslagdienst@tweedekamer.nl |