Initiatiefnota "Weidse blik op de weidevogels" van het lid Von Martels (ongecorrigeerd stenogram)
Stenogram
Nummer: 2021D07133, datum: 2021-02-11, bijgewerkt: 2024-02-19 10:56, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Onderdeel van activiteiten:- 2021-02-11 14:00: Initiatiefnota "Weidse blik op de weidevogels" van het lid Von Martels (Notaoverleg), vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (2017-2024)
Preview document (🔗 origineel)
Tweede Kamer, Initiatiefnota "Weidse blik op de weidevogels" van het lid Von Martels
VERSLAG VAN EEN NOTAOVERLEG
Concept
De vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit heeft op 11 februari 2021 overleg gevoerd met mevrouw Schouten, minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, over:
de initiatiefnota van het lid Von Martels d.d. 2 november 2020 "Weidse blik op de weidevogels" (35616);
de brief van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit d.d. 15 december 2020 inzake Aanvalsplan Grutto en initiatiefnota "Weidse blik op de weidevogels" (33576, nr. 218);
de brief van het lid Von Martels d.d. 2 februari 2021 inzake antwoorden op vragen commissie over de initiatiefnota van het lid Von Martels "Weidse blik op de weidevogels" (35616, nr. 3);
de brief van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit d.d. 8 februari 2021 inzake reactie op verzoek commissie over de brieven van zowel de Nederlandse Vereniging tot Bescherming van Dieren als de Stichting Dierenlot met betrekking tot de initiatiefnota-Von Martels "Weidse blik op de weidevogels" (Kamerstuk 35616-2) (2021Z02576).
Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.
De voorzitter van de vaste commissie voor Landbouw, Natuur en
Voedselkwaliteit,
Kuiken
De griffier van de vaste commissie voor Landbouw, Natuur en
Voedselkwaliteit,
Jansma
Voorzitter: De Groot
Griffier: Goorden
Aanwezig zijn negen leden der Kamer, te weten: Van den Anker, Bromet, Dik-Faber, Futselaar, De Groot, Von Martels, Moorlag, Wassenberg en Weverling,
en mevrouw Schouten, minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.
Aanvang 14.04 uur.
De voorzitter:
Goedemiddag allemaal. Welkom aan de indiener, de heer Von Martels, aan
de minister, maar ook aan de heer Van den Anker, lid van het CDA, voor
zijn eerste optreden maar tevens laatste optreden in ons midden. Heel
fijn dat we dit laatste overleg kunnen besteden aan een heel belangrijk
onderwerp, namelijk de weidevogel en de initiatiefnota van de heer Von
Martels van het CDA. We hebben twee uur voor dit overleg. We kunnen niet
uitlopen, dus ik stel voor om in de eerste termijn één interruptie en
twee vragen te doen — maar als u zichzelf inhoudt, zal ik kijken of ik
daar ruimte kan geven — en in de eerste termijn van de initiatiefnemer
en de minister anderhalve interruptie, dus drie vragen. In de tweede
termijn kunt u moties indienen. Na het indienen van de moties zal kort
geschorst worden om de moties te kunnen kopiëren. Alvast dank aan de
Griffie voor de ondersteuning.
Dat gezegd hebbend wens ik u een plezierig overleg en geef ik het woord
…
De heer Futselaar (SP):
Een klein punt van orde, als het mag. De beperkingen aan het aantal
interrupties zijn prima, maar zou u iets soepel willen zijn met de
spreektijd? Want drie minuten is wel heel weinig voor een onderwerp dat
toch van belang is.
De voorzitter:
We hebben zes minuten. Die mag u zelf verdelen over de eerste en de
tweede termijn. Dat heb ik van de Griffie begrepen. O ja, ik zie nu dat
de spreektijden afhangen van de fractiegrootte.
Ik stel voor dat we dit op een volwassen manier doen. We hebben twee
uur, dus als iedereen zich inhoudt met vragen ... Dan gaan we gauw
beginnen. De heer Van den Anker, CDA.
De heer Van den Anker (CDA):
Dank u wel, voorzitter. Allereerst wil ik dankwoorden uitspreken aan
mijn collega Von Martels. Volgens mij is het goed en vooral ook nodig
dat we ons bekommeren om de weidevogels. Ik ben blij met de
initiatiefnota die er ligt. Ik onderschrijf de bevindingen in de nota en
ben van mening dat we de bestaande weidevogelgebieden moeten
optimaliseren en optimaal moeten faciliteren, door extra budget vrij te
maken voor het agrarische natuur- en landschapsbeheer, met als
bestemming: weidevogelbeheer. Kan de initiatiefnemer toelichten hoeveel
er nodig is en waar dat budget gevonden moet worden? Het zou logisch
zijn om de financiering van het aanvalsplan te koppelen aan de 3 miljard
euro die is vrijgemaakt voor natuurontwikkeling en natuurversterking.
Immers, met de ambitie in dit plan voor het planten van extra bossen kan
de weidevogel juist een alternatief leefgebied vinden.
Een andere optie is dat provincies, in lijn met de POP3-afspraken, dit
ook met een gelijk bedrag cofinancieren vanuit het, na een besluit in
2017, overgehevelde pijler 1-budget. Is de initiatiefnemer het eens met
deze opvatting? Zo niet, wat is de visie van de initiatiefnemer
hierop?
Voorzitter. Het is wel duidelijk dat de eigenaren van agrarische gronden
een belangrijke rol spelen in het weidevogelbeheer. In de nota wordt
voorgesteld om langere beheerscontracten te ontwikkelen. In dat kader
wil ik aandacht vragen voor het gedegen vastleggen van een bijbehorende
vergoeding bij langere beheerscontracten. Ik wil graag weten hoe de
initiatiefnemer een gedegen en duurzame vergoeding voor agrarische
ondernemers ziet, mede vanwege de opbrengstenderving als gevolg van deze
beheersmaatregelen.
We hebben het nu over agrarisch natuur- en landschapsbeheer. Daarbij
wordt in eerste instantie gedacht aan de boeren die het agrarische
landschap beheren, maar we moeten niet vergeten dat de jagers hier ook
een belangrijke rol in spelen. Voorkomen is immers beter dan genezen.
Het begint er namelijk mee dat we moeten voorkomen dat eieren en kuikens
worden aangevallen door predatoren. Als we dat niet doen en de populatie
van de predatoren blijft groeien, dan zijn we aan het dweilen met de
kraan open. Dan hebben de maatregelen die we nemen in het kader van
natuur- en landschapsbeheer geen enkele zin. Uit de nota maak ik
namelijk op dat een aantal predatoren de laatste jaren een steeds
grotere bedreiging vormen voor de weidevogels, bijvoorbeeld de
steenmarter. Ik denk er daarom aan om een motie in te dienen over het
plaatsen van de steenmarter op de landelijke vrijstellingslijst. Naast
de steenmarter blijkt ook de zwerfkat een steeds grotere bedreiging voor
weidevogels te vormen. Dus ik denk er ook over om een motie in te dienen
om een onderzoek te starten die de schadelijke rol van zwerfkatten in
beeld brengt.
Voorzitter. Dan nog heel even over het Aanvalsplan Grutto. Kan de
initiatiefnemer bevestigen dat deelname door agrarische ondernemers op
vrijwillige basis zal gebeuren? Dat is in mijn ogen essentieel om het
plan te laten slagen.
De voorzitter:
Een vraag van de heer Wassenberg.
De heer Wassenberg (PvdD):
Ja, een vraag aan de heer Van den Anker. Hij heeft het over de
predatoren en de mogelijke jacht. Maar de heer Van den Anker heeft toch
ook gelezen dat de grootste bedreiging voor de weidevogels niet gevormd
wordt door de predatoren? Die jagen al honderden jaren op de weidevogel
en hebben nooit een bedreiging gevormd. De grootste bedreiging voor de
weidevogel is de manier waarop wij met het land omgaan en het land
inrichten, met het agrarische beheer, de veeteelt en de industriële
landbouw. Dát moet je toch aanpakken, in plaats van gewoon te gaan
schieten?
De voorzitter:
De heer Van den Anker. En de vragen zouden kort zijn.
De heer Van den Anker (CDA):
Ik denk dat het en-en is. Het gaat niet alleen om schieten, maar als de
natuurlijke balans verstoord is, waardoor er te veel predatoren aanwezig
zijn, moet er een instrument zijn zoals de jacht om die balans te kunnen
herstellen. Het is dus een optelsom van maatregelen die je moet nemen.
Als er een disbalans is in de aanwezigheid van het aantal predatoren,
moet je een instrument uit de gereedschapskist kunnen pakken waardoor je
dat evenwicht weer herstelt.
De heer Wassenberg (PvdD):
Dan heel kort. De heer Van den Anker heeft het over een natuurlijke
balans. Nou, zoals ik al zei, is die natuurlijke balans verstoord door
de landbouw en de veeteelt, en ook door de jacht. Maar als die
natuurlijke balans is verstoord, onder andere door het schieten, ga je
in reactie daarop toch niet nog meer schieten? Dan ga je de boel toch
nog veel meer uit balans brengen? Je kunt toch niet op alles schieten
waar je last van hebt?
De heer Van den Anker (CDA):
In de praktijk zie je een aantal voorbeelden in zowel Friesland als
Limburg waaruit blijkt dat met name een beperking van het aantal
predatoren een positieve uitwerking heeft op de stand van de
weidevogels. Dan zou ik dat instrument echt willen bepleiten, om echt in
te grijpen als er te veel predatoren zijn. Anders is het, zoals ik al
eerder heb gezegd, echt dweilen met de kraan open.
De voorzitter:
Er is een vraag van mevrouw Dik-Faber van de ChristenUnie.
Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):
Ik heb ook vragen op dit thema. Ik hoorde de heer Van den Anker zeggen
dat er voorbeelden zijn waarbij door het predatorenbeleid de
weidevogelpopulatie inderdaad toeneemt. Maar waarom dan bijvoorbeeld die
landelijke vrijstelling? Ik kan me voorstellen dat je die in een
beperkte periode heel gericht in een specifiek gebied nodig hebt, maar
je hoeft dan toch niet overal altijd in het hele land die vrijstelling
te organiseren?
De heer Van den Anker (CDA):
Ik heb het ook met name bedoeld als een instrument dat uit de
gereedschapskist gepakt kan worden. Op welke manier regel je dat dan in?
Landelijk lijkt mij makkelijk. Je kunt ook een vrijstelling geven op
basis van een aantal aantallen. Maar laten we het dan zo praktisch
mogelijk inrichten op de plaatsen waar het plaatsvindt, zodat je de
mogelijkheid hebt om het overal te laten plaatsvinden, in plaats van nog
weer extra procedures om de jacht mogelijk te maken. Het is een beetje
een vereenvoudiging van regelgeving om dit instrument makkelijk te
kunnen inzetten als dat noodzakelijk is.
Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):
Mijn fractie zou willen dat dit instrument specifiek en gericht wordt
ingezet, altijd op basis van maatwerk. Is de CDA-fractie het met mij
eens dat op het moment dat de weidevogelpopulatie voldoende robuust is
en er voldoende beschermingsmogelijkheden zijn, je dat instrument
helemaal niet meer nodig hebt? Als we weer terug zijn bij de natuurlijke
balans, dan stoppen we dit instrument weer snel weg in de koffer.
De heer Van den Anker (CDA):
Ja, ik ben het met u eens. Ik heb dat ook gezegd. Als er sprake is van
een disbalans, moet je kunnen ingrijpen, maar als er een natuurlijk
evenwicht is, dan moet je de jacht zeker niet gaan inzetten. Het is dus
echt om de balans te herstellen. Daarvoor zouden wij dit instrument
willen inzetten.
De voorzitter:
Er is een vraag van mevrouw Bromet van de fractie van GroenLinks.
Mevrouw Bromet (GroenLinks):
Ik ga zo meteen in mijn bijdrage ook iets zeggen over de jacht en de
inzet van dat instrument, zoals de heer Van den Anker het noemt, maar ik
heb een vraag over de volgorde van het inzetten van dat instrument. Het
is dweilen met de kraan open als je gebieden helemaal op orde hebt
gebracht en er vervolgens een overmaat aan roofdieren langskomt om de
kuikens op te eten. Maar tegelijkertijd is het ook dweilen met de kraan
open als je gaat jagen zonder dat je de omstandigheden optimaal hebt
gemaakt. Dus hoe kijkt het CDA daartegen aan?
De heer Van den Anker (CDA):
Ik denk dat het en-en is. Je zult de omstandigheden zo ideaal mogelijk
moeten maken. Dat is een. Twee is: alleen inzetten wanneer het
noodzakelijk is. Je kunt contact hebben met wildbeheerseenheden. Samen
met de landeigenaren hebben die een heel duidelijk beeld van wat zich
allemaal rond een perceel afspeelt. Zij kunnen een heel duidelijk
inzicht geven. Zij zijn de ervaringsdeskundigen. Zij weten wat er ter
plaatse leeft en wat er speelt. Op basis daarvan zou je dus dat
instrument moeten inzetten.
Mevrouw Bromet (GroenLinks):
Begrijp ik het dan goed dat het CDA net als GroenLinks vindt dat eerst
de omstandigheden op orde gebracht moeten worden, zodat het een
aantrekkelijk gebied is voor weidevogels, en dat pas in latere instantie
de jacht als instrument ingezet moet worden?
De heer Van den Anker (CDA):
Ik bepleit dat je het instrument inzet wanneer er sprake is van een
onbalans. Uiteraard dienen alle randvoorwaarden goed ingevuld te zijn en
moet daar aandacht aan besteed worden. Maar wij willen het alleen
inzetten als er sprake is van een onbalans. Dat is mijn pleidooi.
De voorzitter:
U vervolgt uw betoog.
De heer Van den Anker (CDA):
Op welke manier ziet de initiatiefnemer de start van het Aanvalsplan
Grutto in de praktijk voor zich? Is het denkbaar dat er enkele pilots
worden gedraaid om ervaring op te doen, mede om erachter te komen of de
maatregelen effectief zijn?
Tot slot het verzoek aan de initiatiefnemer, maar ook aan de minister,
om het verdienmodel van de boer in de aanpak niet te vergeten. Ik ben
benieuwd hoe zij dit zien.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik nu het woord aan de heer Futselaar van de
fractie van de SP.
De heer Futselaar (SP):
Dank u wel, voorzitter. Sommige leden kiezen ervoor om te verdwijnen uit
deze Kamer in betrekkelijke stilte. Anderen doen dat liever met een
knal. De heer Von Martels behoort tot die laatste categorie, tenminste,
de initiatiefnota is toch het parlementaire equivalent van een knal.
Daarom is het mooi dat we deze vandaag nog, enkel uren voordat het
verkiezingsreces begint, kunnen behandelen.
Voorzitter. Complimenten zijn op hun plaats, in de eerste plaats omdat
ik weet dat het maken van een initiatiefnota gewoon erg veel werk is,
maar ook vanwege de grote noodzaak en actualiteit van het onderwerp,
namelijk onze afnemende weidevogelstand. Als de parlementaire erfenis
van de heer Von Martels alleen al is dat daar meer aandacht voor komt,
dan is dat in ieder geval al winst voor die totale vier jaar, nog los
van alle andere dingen die hij heeft gedaan.
Voorzitter. De SP-fractie ziet in weidevogels een soort paradox, in dit
dossier. De vogels kunnen immers bijna niet bestaan zonder landbouw. Ze
hebben landbouwgrond in de praktijk nodig. De rijkdom aan weidevogels
die Nederland traditioneel heeft, is ook een gevolg van de rijkdom aan
landbouw die Nederland traditioneel heeft. Tegelijkertijd zijn het juist
de veranderende landbouwpraktijken die een van de oorzaken zo niet de
hoofdoorzaak zijn van de drastische afname van het aantal grutto's. Wat
dus ooit de bron was, is geëvolueerd tot het probleem. Ik zou de heer
Von Martels willen vragen of hij die paradox herkent. Mijn vraag is of
hij daar misschien wat op wil reflecteren.
In de initiatiefnota worden verschillende financiële maatregelen
voorgesteld om het boeren te vergemakkelijken om aan weidevogelbeheer te
doen. Een aantal daarvan, zoals waterschapslasten, liggen niet direct
bij ons als overheid en een aantal zelfs helemaal niet bij de overheid,
zoals het verhogen van melkgeld. Maar andere zijn makkelijker. De
SP-fractie ziet op korte termijn het meest in het voorstel om over te
gaan op langjarige beheercontracten, omdat daar de snelste en de kortste
klap te maken is. Ik zou de heer Von Martels willen vragen of hij dat
ook zo ziet. Misschien wil de minister daar ook wel iets over zeggen; ze
begon in ieder geval met schrijven toen ik dat zei.
Voorzitter. We hebben ook een Aanvalsplan Grutto. Dat komt op best wel
veel punten overeen met de initiatiefnota van de heer Von Martels, op
andere punten niet. In beide plannen is sprake van een soort
gebiedsgerichte aanpak; zo wordt die in ieder geval genoemd. Dat is
logisch. Je hoort uit het agrarisch natuurbeheer vaak terug dat het zo
versnipperd is. Mensen zeggen: ik doe wel mijn best, maar het resultaat
is gewoon niet groot genoeg. Dus dan heb je massa nodig voor gerichte
regelingen. Het Aanvalsplan Grutto gaat uit van grote gebieden van 1.000
hectare, terwijl de initiatiefnemer juist ook wel ruimte lijkt te
scheppen voor allemaal initiatieven buiten die gebieden. Ik vroeg mij
dus af hoe hij die tegenstelling ziet. Lopen we niet het risico op
versnippering?
Voorzitter. Dan het waterpeil. Dat staat vrij centraal bij het
Aanvalsplan Grutto. In de initiatiefnota wordt het wel genoemd, maar
toch een beetje marginaal, als een van de dingen die ook zouden moeten
kunnen gebeuren. Hoe ziet de heer Von Martels dus de mogelijkheden en
onmogelijkheden van het verhogen van het waterpeil? Dan kom je ook weer
een beetje bij die versnipperingskwestie. Je kunt in de praktijk vaak
namelijk niet bij één boerderij het waterpeil verhogen, dus daar is
massa voor nodig.
Voorzitter. Wat betreft predatie en jacht zal het de heer Von Martels
niet verbazen dat wij een andere mening zijn toegedaan dan het CDA. Wij
zien predatie niet als een hoofdoorzaak en wij zien ook geen reden of
noodzaak tot nadere maatregelen.
Tot slot, voorzitter. De heer Von Martels stelt in zijn initiatiefnota
terecht dat de natuurbescherming primair bij de provincies ligt en dat
dit weleens de effectiviteit van de beleidsvoering in de weg zou kunnen
zitten, omdat het beleid verschillend is. Ik zou de initiatiefnemer dan
toch willen vragen of hij er in dat kader niet over zou willen
filosoferen of het niet verstandig zou zijn om natuurbescherming weer
veel meer te centraliseren in Nederland. En ach, we hebben een
demissionaire minister. Misschien wil die er ook nog wel wat over
zeggen.
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Ik zou bijna zeggen: het lijkt me zeker de moeite waard. Maar ik ben
natuurlijk neutraal als voorzitter. Dank u wel, de heer Futselaar, voor
uw uitstekende inbreng. De heer Wassenberg van de Partij voor de Dieren
heeft het woord.
De heer Wassenberg (PvdD):
Dank, voorzitter. Allereerst dank aan de heer Von Martels voor zijn
initiatiefnota. Volgens de initiatiefnota kan de weidevogel onder meer
gered worden door het waterpeil in de leefgebieden te verhogen,
kruidenrijk grasland terug te brengen en later te maaien. Dat
onderschrijf ik allemaal.
Ik heb een vraag over het voedsel van de weidevogelkuikens: insecten. Er
zijn namelijk duidelijke aanwijzingen dat er gifresten zitten in
koeienmest die over de weilanden wordt uitgereden. Hoe meer gif, hoe
minder mestkevers er worden uitgereden. Dat betekent minder voedsel voor
die weidevogelkuikens. De initiatiefnemer vindt dat er een
weidevogelbestendig mestbeleid moet komen. Maar betekent dat volgens hem
ook dat er een einde zou moeten komen aan bijvoorbeeld mestinjecties?
Vindt hij dat mest gewoon vrij moet zijn van de residuen van
landbouwgif?
Voorzitter. Na een paar goede voorstellen komt er opeens een pleidooi om
de vos intensiever te bejagen en steenmarters af te schieten. Maar die
predatiedruk is volstrekt natuurlijk en bracht weidevogels honderden
jaren lang niet in gevaar. De weidevogel gaat niet achteruit door de
vos, maar door de industriële landbouw en veeteelt. Daardoor is de
biodiversiteit verschrompeld en de natuur verschraald: te veel stikstof,
te veel groene woestijnen, te veel gif, maar ook te weinig
schuilplaatsen en nestplaatsen, te weinig kruiden en bloemen, te weinig
insecten en dus te weinig voedsel. Dan gaan we de vos toch niet
bejagen?
Voorzitter. We moeten verder kijken dan de loop van het geweer. Kijk
bijvoorbeeld naar de haas en het konijn. Dat zijn soorten die inmiddels
zo bedreigd zijn dat ze op de rode lijst staan. Haas en konijn worden
ook gegeten door de vos en de steenmarter. Maar dat bracht die soorten
niet in gevaar. De jacht en de afnemende leefruimte wel.
Voorzitter. Ik wil ervoor pleiten om niet meer te schieten, maar minder.
Dus geen afschot van de vos. Ook geen afschot van zijn prooien, zoals
haas en konijn. Als haas en konijn weer vooruitgaan in aantallen,
vermindert namelijk de predatiedruk op weidevogels. Ik zou dus zeggen:
verstoor het evenwicht niet langer. Ik zal daar straks ook een motie
over indienen.
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Wassenberg. Dan is nu het woord aan mevrouw Bromet
van de fractie van GroenLinks.
Mevrouw Bromet (GroenLinks):
Ja, voorzitter. Dank voor het initiatief van het CDA om deze nota te
schrijven, want ik ben eigenlijk de politiek ingegaan om de weidevogels.
Dat was ook door een CDA-actie, op lokaal niveau, namelijk om
bedrijventerreinen aan te leggen in een weidevogelgebied. Dus op de een
of andere manier is de cirkel rond. Overigens liep het met die lokale
CDA'er ook heel goed af, want later heeft diegene zijn standpunt
gewijzigd en hebben we heel fijn samengewerkt. Het was ook een
weidevogelvrijwilliger.
Het gaat heel slecht met de weidevogels. Dat weten we allemaal. Daar is
iedereen van overtuigd. Dat is in die zin positief dat er steeds meer
initiatieven komen om de weidevogel te redden, hier in de Kamer, maar
ook in de praktijk. We hebben nu de initiatiefnota van de heer Von
Martels, maar we hebben ook het Aanvalsplan Grutto, dat we ook breed
hebben ondersteund hier in de Kamer. Ik hoop dat het betekent dat er ook
een omkeer zal plaatsvinden. De eerste vraag aan de initiatiefnemer is:
waarin verschillen de voorstellen die hij doet van de voorstellen zoals
die in het Aanvalsplan Grutto geformuleerd zijn?
Het beheer van het land waar de weidevogels graag vertoeven, wordt
gedaan door de boeren. Dat gaat allemaal op basis van vrijwilligheid.
Maar tegelijkertijd gaat het ook over kerngebieden. Ik weet uit eigen
ervaring dat er bij mij in de buurt een grote boer is die niet meedoet
aan weidevogelbeheer. Die heeft er gewoon geen zin in. Eerlijk gezegd is
dat niet om aan te zien. Dat is jammer, want het is wel midden in een
kerngebied. Kun je de weidevogel redden als het allemaal op basis van
vrijwilligheid gaat?
De financiering van het beheer wordt op dit moment geregeld via het
Europees landbouwbeleid. Dat heeft altijd maar een korte looptijd. Dat
is voor boeren best ingewikkeld, want ze kunnen hun investeringen daar
niet op afstemmen. Dus vindt de heer Van Martels dat er langjarige
financiering buiten het gemeenschappelijk landbouwbeleid om moet komen,
om het beheer van de grond voor de weidevogels door de boeren te
financieren?
Het is nu eenmaal zo dat we heel goed weten wat er nodig is voor de
weidevogels. Dat staat ook in de nota. We willen een hoger waterpeil. We
willen een kruidenrijk grasland. We willen dat er later wordt gemaaid.
Dat heeft gevolgen voor de bedrijfsvoering van de boeren. Het is ook
juist daarom dat het zo slecht gaat met de weidevogels; dat zeiden de
voorgaande sprekers ook al. De intensivering van de landbouw heeft ertoe
geleid dat de omstandigheden voor de weidevogels niet meer optimaal
zijn.
Dat brengt mij bij de jacht. Dat is namelijk een heel moeilijk punt voor
GroenLinks. Wij houden van de weidevogel. Wij houden ook niet van jacht.
Maar wij denken wel dat het inmiddels zo slecht gesteld is met de
weidevogels dat je het ook niet meer zonder beheer af kunt, dus het
doden van een vos die hele gruttonesten leeghaalt. Alleen, ik heb net
ook in het interruptiedebatje met de heer Van den Anker gezegd dat je
natuurlijk niet een jager een gebied in kunt sturen waar de
omstandigheden niet optimaal zijn. Dat vind ik zo sterk aan het
Aanvalsplan Grutto. Daarin wordt gezegd: je moet eerst het waterpeil
verhogen, je moet later maaien en je moet zorgen voor kruidenrijk
grasland; als het dan nog steeds niet lukt om die weidevogels een
prettige plek te geven, kun je jacht inzetten. Dus ik hoor graag van de
heer Von Martels van het CDA hoe hij daarover denkt, want ik zou het
echt doodzonde vinden als we beginnen met jagen. Het is niet zo dat de
jacht het weidevogelprobleem gaat oplossen.
Tot slot. Ik vind het heel jammer dat de heer Von Martels niet op de
lijst van het CDA staat. We hebben hier heel veel debatten gevoerd over
landbouwissues. We hebben zo veel uitdagingen voor ons liggen: de
bodemdaling, het Klimaatakkoord, de Kaderrichtlijn Water en stikstof.
Dat zijn allemaal onderwerpen die hun weerslag hebben op de weidevogels.
De heer Von Martels houdt van de weidevogels. Het betekent dat ook
bestaande belangen van boeren aangetast zullen worden. Ik vind het dus
ook heel moedig dat de heer Von Martels dit onderwerp als CDA'er naar
voren brengt. Jammer dat hij weggaat, maar hopelijk zijn zijn opvolgers
net zo verlicht.
De voorzitter:
Met deze aardige woorden eindigt mevrouw Bromet haar inbreng. Dank
daarvoor. Dan ga ik nu over naar de heer Moorlag van de fractie van de
PvdA.
De heer Moorlag (PvdA):
Dank u wel, voorzitter. Ik sluit me graag aan bij de laatste woorden van
mevrouw Bromet. Volgens mij is de grootste opgave voor ons in het
landelijk gebied hoe wij natuur en agrarische bedrijvigheid met elkaar
in verbinding weten te houden. Ik heb weleens eerder gezegd: het moet
niet zo zijn dat als je voor de boer bent, je tegen de natuur bent, en
dat als je voor de natuur bent, je tegen de boer bent. Die verbinding
moet gezocht worden.
Er ligt hier een prachtige initiatiefnota. Ik wil de heer Von Martels
daarmee complimenteren, omdat hij daarin die verbinding vindt. Ik kreeg
een mail van Alex Datema van agrarisch natuurbeheer in Noord-Nederland.
Die zegt dat het goed is. Dan zou ik kunnen zeggen: nou, het is een mooi
en goed initiatief; daar houd ik het bij in mijn bijdrage. Dat doe ik
niet, want ik heb nog wel een paar aanvullende punten. Wij moeten echt
iets doen. Het is urgent.
Bij mijn geboorteplaats, Onderdendam, was in het voorjaar de herrie van
de kieviten en grutto's niet van de lucht. Daar hoor je geen enkele
grutto meer. Kieviten zijn daar ook redelijk schaars. Bij de
Wetsingermeeden, iets verderop, zijn nog enkele grutto's en als je echt
een gruttopopulatie wilt hebben, moet je bij Fransum en Beswerd zijn, in
Groningen. Het is echt de moeite waard om daar eens naar toe te gaan,
alleen al vanwege het kerkje van Fransum, op een verlaten wierde. Dat is
van grote schoonheid. Als je dan grutto's in de lucht hebt, dan is het
er gewoon goed.
Voorzitter. Maar hoe gaan we dit nu ten uitvoer brengen? Dat geldt voor
de initiatiefnota van de heer Von Martels, maar ook het Aanvalsplan
Grutto, dat ook voorziet in grotere, robuustere gebieden voor
weidevogels. De heer Futselaar zei ook nog: we moeten af van de
versnippering. Daar ben ik het mee eens. Een postzegel natuur is
ongeschikt voor goed weidevogelbeheer. Is de minister bereid om deze
initiatieven uit te voeren? Ook het Aanvalsplan Grutto heeft in de Kamer
brede steun gekregen. Wat kan er uit bestaande middelen gerealiseerd
worden? Er komt extra geld voor natuur. Wat zou er eventueel aan extra
middelen nodig zijn? Niet dat een demissionaire minister dat nou zou
moeten gaan oormerken en reserveren, maar ik vraag de minister wel om
dit in beeld te brengen voor de formerende partijen die na de
verkiezingen aan de slag gaan. Dus de vraag is eigenlijk: wil de
minister alles gereedzetten voor een nieuw kabinet om in de Kamer breed
gesteunde initiatieven oven-ready te maken, zoals ze in Engeland zeggen,
zodat ze ten uitvoer gebracht kunnen worden?
Voorzitter. Als laatste punt predatoren. In mijn jeugd waren kinderen
bijna de grootste predatoren. Die zochten eieren. Ik heb ook nog zo'n
doos met watten gehad met allemaal van die uitgeblazen eieren erin.
Tegenwoordig zou je de jeugdreclassering op je nek krijgen als je zo'n
verzameling aanlegt. Maar wij moeten wel iets gaan doen aan die
predatoren. Ik denk dat daar bij de zwerfkatten best wel mogelijkheden
liggen. Er zijn goede initiatieven. We hebben daar ook eerder een debat
over gehad. Ik wil aan de minister vragen hoe het staat met de
uitvoering van de moties op dat terrein die aangenomen zijn in de Kamer.
In hoeverre worden de goede pilots die er zijn bij Utrecht, op Texel en
in Zeeland tot uitvoering gebracht? Is de bereidheid er om die lokale
initiatieven landelijk uit te gaan rollen?
Tot zover, voorzitter. Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Moorlag van de PvdA. Dan geef ik nu het woord aan de
heer Weverling van de fractie van de VVD.
De heer Weverling (VVD):
Dank u, voorzitter. Een zichzelf respecterend land heeft natuurlijk een
nationale vogel. De Amerikanen hebben de zeearend en de Duitsers de
steenarend. In Nederland hebben we voor een wat minder gevaarlijke vogel
gekozen: de grutto. Niet zo gek, want Nederland is een echt
weidevogelland. Weidevogels horen bij ons landschap. Dat is altijd zo
geweest en dat moet ook zo blijven. Maar dan moet er wel iets
veranderen, want het gaat niet goed met de weidevogels in Nederland. De
heer Von Martels heeft dat terecht opgemerkt en een initiatiefnota
geschreven met daarin een aantal heel goede punten.
Het beter beschermen van de Nederlandse weidevogels begint natuurlijk
met een goed inzicht in waarom onze weidevogelpopulatie de laatste jaren
afneemt. In verschillende delen van het land zullen verschillende
factoren een nadelig effect hebben op de populatie. Het grondgebruik in
Friesland is heel anders dan het grondgebruik in Utrecht. In Zeeland
vormen andere predatoren een bedreiging voor de weidevogel dan in
Drenthe. Kan de minister toezeggen dat zij in kaart brengt welke
omstandigheden in welke provincie een nadelig effect hebben op de
weidevogelpopulatie, zodat we op die manier gebiedsgerichte maatregelen
kunnen treffen?
Waar de weidevogel ook neerstrijkt, goed beheer van de broedgebieden is
essentieel. Bij dat goede beheer van broedgebieden is een goede
samenwerking met boeren noodzakelijk, want maatregelen die een positief
effect hebben op de weidevogelpopulatie, vragen ook om aanpassingen van
boeren. In de initiatiefnota wordt terecht gesteld dat deze maatregelen
in te passen moeten zijn in de bedrijfsvoering van boeren. Een manier om
dat te kunnen bereiken, is het geven van passende vergoedingen aan
boeren die hun steentje bijdragen om hun land tot een geschikt
broedgebied te maken. Hoe beoordeelt de minister de voorstellen in de
nota ten aanzien van het geven van vergoedingen aan boeren?
Maar alleen goed beheer van broedgebieden is niet voldoende. De tweede
oplossingsrichting voor het verbeteren van de weidevogelstand is een
goed predatiebeheer. De toenemende predatiedruk is na het leefgebied de
belangrijkste factor die bijdraagt aan vermindering van de
weidevogelpopulatie. Experimenten met beter predatiebeheer in Drenthe
hebben aangetoond welke positieve effecten predatiebeheer op de
weidevogelstand kan hebben. Predatiebeheer betekent niet alleen
verjagen, maar ook bejagen. Dat betekent dat de jagers een onmisbare
schakel zijn in het versterken van onze weidevogelpopulatie. Hoe staat
de minister tegenover het versoepelen van de vrijstellingen van de
bescherming van bepaalde predatorsoorten, zoals de vos, de kraai en de
kauw, om de weidevogelstand vooruit te helpen?
Voorzitter. Ik kom tot een conclusie. De weidevogel hoort bij het
Nederlandse landschap. Daarom moeten wij nu het tij keren, voordat de
weidevogel helemaal van onze boerenvelden is verdwenen.
Dank u wel. Meneer Moorlag wil interrumperen. Ik wil meneer Von Martels
nog danken voor de fijne samenwerking. Ik weet nog dat ik een keer — ik
denk dat het 30 of 31 augustus 2017 of 2018 was — 's ochtends om half
zeven, zeven uur in Dalfsen bij het erf van de heer Von Martels kwam.
Wij hebben samen de fiets gepakt en hebben toch zeker een uurtje
gefietst door het prachtige gebied rondom zijn woonplaats. Dat was zeer
de moeite waard en ook leuk om op die manier een collega beter te leren
kennen. Daarna hebben we lekker aan de ontbijttafel gezeten en heerlijk
ontbeten met de honden en je vrouw. Ik weet niet hoe het komt dat ik die
nu in één adem noem! Dat was zeer genoeglijk en heel waardevol.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dat zijn aardige woorden. Dank u wel, meneer Weverling. Er is een vraag
van de heer Moorlag.
De heer Moorlag (PvdA):
Ik durf bijna geen interruptie meer te plegen na zulke warme woorden.
Maar laat ik de interruptie genuanceerd plaatsen. Predatie is natuurlijk
een punt. We kunnen de vos niet naar de slager sturen voor een
biefstukje, dus die blijft gewoon op de grutto's jagen. Maar je kunt wel
aan andere knoppen draaien. Gezaghebbende personen uit VVD-kring, de
heer Winsemius en ook de heer Remkes, hebben toch wel belangwekkende
adviezen uitgebracht: de commissie-Remkes over het creëren van
grootschalige bufferzones en de heer Winsemius over grotere
aaneengesloten gebieden voor weidevogels. Hoe staat de VVD-fractie
daarin?
De heer Weverling (VVD):
Laat ik zeggen dat ik dat in ieder geval een heel goed idee vind en dat
ik ook blij ben met het plan dat de heer Winsemius heeft gepresenteerd.
Dat lijkt me erg goed. Uiteindelijk gaat het om verjagen en bejagen. Er
is vanmiddag ook al door anderen gezegd: het gaat ook om de balans. Het
kan niet los worden gezien van andere initiatieven. Jagen is natuurlijk
geen doel op zich. Laat dat duidelijk zijn.
De heer Moorlag (PvdA):
Naar de overtuiging van de PvdA-fractie is het zonder een andere
ruimtelijke inrichting van Nederland niet goed mogelijk om
natuurbelangen en agrarische belangen goed met elkaar te verenigen. Ik
heb samen met de heer Harbers een motie ingediend om een werkgroep in te
stellen voor dat type ruimtelijke vraagstukken. Voorzitter, ik zoek even
de randjes op. Ik vraag via deze interruptie aan de heer Weverling
eigenlijk aan de minister hoe het staat met de voortgang van die
werkgroep ruimtelijke inrichting van Nederland, op basis van die
aangenomen motie.
De voorzitter:
Staat genoteerd. Ik geloof niet dat er een reactie nodig is van de heer
Weverling.
De heer Weverling (VVD):
Nee, maar het is een terechte vraag, denk ik.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we nu over naar mevrouw Dik-Faber van de fractie
van de ChristenUnie.
Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):
Dank u wel, voorzitter. De liefde voor de boerenlandvogels is bij mij
ontstaan op het Friese platteland. Mijn grootouders hadden een boerderij
en je kon mijlenver over de weilanden wegkijken. Mijn opa had een
verrekijker en dan keken we urenlang naar de vele grutto's en kieviten;
dat was prachtig. Dat was in de jaren tachtig van de vorige eeuw, moet
ik erbij zeggen, want de gruttopopulatie staat nu zwaar onder druk. Dat
geldt ook voor andere weidevogels. Dat doet mij verdriet. De grutto is
de koning van de boerenlandvogels en ik denk dat hij terecht is
uitgeroepen tot ons nationale icoon.
Ik ben blij met de initiatiefnota van collega Von Martels. Goed dat hij
het initiatief heeft genomen voor zijn nota Weidse blik op de
weidevogels. Ik wil hem daar ook mee complimenteren. Onder zijn
aanvoering heeft de Kamer ook een motie over het Aanvalsplan Grutto
aangenomen. Daar wil ik nu dan ook mee beginnen, want ik heb daarover
een paar vragen. Er is veel enthousiasme onder de boeren. De boeren
willen graag meedoen, maar de financiering van het aanvalsplan is de
achilleshiel. Er is een bedrag van 9 miljoen toegezegd. Dit is genoeg om
in ieder geval de aanloop- en herinrichtingskosten te dekken, maar biedt
onvoldoende langjarige zekerheid om weer contracten te kunnen afsluiten.
Ik heb het gevoel dat nu het momentum is en dat we moeten voorkomen dat
boeren afhaken. Welke mogelijkheden ziet de minister nog in het GLB,
bijvoorbeeld door een verschuiving van de eerste naar de tweede pijler?
Ik weet niet of dat nu zo kan, terwijl het GLB al loopt. Daarom leg ik
de vraag bij haar neer. Zijn er afspraken te maken met ketenpartijen en
banken? Welke verantwoordelijkheid ligt er dan bij de ketenpartijen zelf
en welke rol ziet de minister hierin voor de overheid?
In de brief heb ik gelezen dat de minister de voorstellen uit het
aanvalsplan gaat bespreken met alle betrokken partijen en ook gaat
onderzoeken welke beleidsinstrumenten ingezet kunnen worden. Daar ben ik
heel blij mee, maar kan zij daar ook een tijdpad aan hangen? Wanneer
ontvangt de Kamer een terugkoppeling en wanneer zijn de eerste concrete
stappen?
De voorzitter:
Er is een vraag van de heer Van den Anker.
De heer Van den Anker (CDA):
Ik hoor mevrouw Dik het GLB-beleid noemen, maar we zien dat het GLB
enorm teruggaat. Er komt minder geld beschikbaar voor het GLB, terwijl
daar wel meer ambities tegenover staan. Ik ben benieuwd wat zij ervan
vindt dat de ambities van het GLB hoger zijn — hoe kunnen we die
waarmaken en hoe kunnen we aan de ecoregelingen voldoen? — terwijl de
bedragen juist lager worden en terwijl de initiatiefnota juist aangeeft
dat er meer geld nodig is omdat er wachtlijsten zijn voor
weidevogelbeheer. Ik ben benieuwd hoe zij de middelen denkt te vinden in
het krimpende GLB-budget.
Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):
Volgens mij gaat Europa ons wel enorm helpen met de
Van-Boer-Tot-Bordstrategie. Er is geld beschikbaar gesteld om met het
nieuwe GLB de uitvoering daarvan te kunnen realiseren. Is het geld
voldoende? Wellicht niet. Mijn ideaal zou zijn dat boeren de
maatschappelijke inzet die zij plegen kunnen terugverdienen uit de
markt. Als een pak melk in de supermarkt twee cent duurder wordt, dus
als de consument twee cent meer betaalt, kan de boer zo veel meer doen
aan dierenwelzijn en beheer van het landschap. Dan heb ik het over maar
twee cent per liter. Dan denk ik: kom op! We kunnen naar Europa kijken,
en natuurlijk gaan we dat geld ook gebruiken, maar iedereen zal mee
moeten doen: ook de ketenpartijen, ook de FrieslandCampina's cum suis,
ook de banken.
De heer Van den Anker (CDA):
U slaat wel de spijker op zijn kop, want dat is nu net de actualiteit:
FrieslandCampina heeft gister naar buiten gebracht dat ze met minder
PlanetProof-boeren verdergaan. Die twee cent gaan ze dus niet meer
uitkeren; sterker nog, ze gaan verder met minder van die agrariërs. Een
fors aantal agrariërs levert op dit moment volgens dat keurmerk en zou
die twee cent extra krijgen, maar die twee cent gaat er nu af en
FrieslandCampina gaat die melk niet meer onder dat label verkopen omdat
blijkt dat de afzet niet gegarandeerd is omdat de consument het niet
wenst te betalen.
Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):
Dan hoop ik dat wij de CDA-fractie aan onze zijde krijgen als het gaat
om het wetsvoorstel voor duurzaamheidsinitiatieven, dat nu helaas
controversieel is verklaard, en als het gaat om het aanspreken van de
supermarkten. Want de boeren kunnen dit echt niet alleen. Hiervoor is
ook FrieslandCampina nodig, en ook de hele keten, inclusief uiteindelijk
de supermarkten als schakel naar de consument.
Ik ben blij te horen dat het CDA dit steunt; ik zie de heer Van den
Anker knikken. Ik wil nog wel opmerken dat ik het CDA aan onze zijde
hoop te vinden om echt in te zetten op deze nieuwe koers. Dat heb ik de
afgelopen jaren wel gemist. De verduurzaming van de landbouw,
natuurinclusieve landbouw, is echt iets wat we met elkaar op de agenda
moeten zetten. Als het CDA dit zo zegt, hoop ik dat het de
natuurinclusieve landbouw nu ook voluit gaat omarmen.
De voorzitter:
U vervolgt uw betoog.
Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):
Ja, dank u wel, voorzitter. Ik kom op de initiatiefnota. Die bevat veel
goede punten, bijvoorbeeld over de agrarische collectieven, langjarige
beheercontracten en een hoger waterpeil. Boeren staan ook in de rij om
mee te doen. Ook in deze nota lees ik over de noodzaak van meer geld en
structurele financiering. Ik hoop dan ook dat dat de erfenis van de heer
Von Martels is en dat het CDA, mocht het bij de formatie aan tafel
zitten, dit ook zal bepleiten.
Mijn eerste vraag gaat over het vergroten van kennis onder boeren. Ligt
hier niet ook een taak voor het agrarisch onderwijs? Rijk en provincies
moeten natuurinclusieve landbouw bevorderen. Het is echt opvallend om
dat ook bij het CDA te lezen; heel goed. Het gaat om kennis en daar moet
het onderwijs een rol in spelen.
Mijn tweede vraag gaat over predatie. Ik kan me voorstellen dat het niet
helemaal zonder kan, maar dan hooguit met gerichte afspraken en voor een
bepaalde periode. Als de weidevogelpopulatie voldoende robuust is en er
voldoende voedsel en beschermingsmogelijkheden zijn, heb je het niet
meer nodig. Is de initiatiefnemer dat met mij eens?
Voorzitter. Ook ik wil de heer Von Martels uiteraard danken voor de
samenwerking. Wij waren samen bij een boerderij in Renswoude in het
kader van een werkbezoek over statiegeld op blik. Dat ging over
scherp-in bij koeien. We hebben daar een dierenarts gesproken. Dankzij
dit werkbezoek, dankzij de heer Von Martels heeft het CDA het standpunt
ingenomen om statiegeld op blik in te voeren. Dat is een gamechanger
geweest. Daar wil ik hem absoluut de credits voor geven. Veel
dank.
De voorzitter:
Heel erg mooi. Mevrouw Dik-Faber, dank u voor uw inbreng. Zou u als
oudste van dienst in dienstjaren in deze Kamer het voorzitterschap van
mij willen overnemen? Dan zal ik mijn inbreng leveren.
Voorzitter: Dik-Faber
De voorzitter:
Dat wil ik. Dan geef ik nu het woord aan de heer De Groot van de fractie
van D66 voor zijn inbreng in eerste termijn.
De heer De Groot (D66):
Dank, voorzitter. Ook mijn dank aan de initiatiefnemer, die samen met
zijn medewerkers een heel mooi stuk heeft geschreven over een onderwerp
dat misschien heel klein lijkt, maar eigenlijk heel groot is, want het
gaat over een hele belangrijke indicator, plat gezegd, voor de staat van
onze natuur. Het gaat niet goed met de weidevogel, en dat terwijl
Nederland wel een internationale verantwoordelijkheid heeft. Mijn roots
liggen wat meer in Friesland. Ook mijn jeugd was begeleid door het
geluid van de skries en de ljip, de grutto en de kievit, die daar toen
een concert verzorgden. Het is nu in Friesland ook echt gewoon stil
geworden.
2020 was een desastreus broedseizoen voor onze nationale vogel. Minder
dan de helft van de dieren die nodig zijn voor een gezonde populatie is
erbij gekomen. Van de patrijs zijn nog maar minder dan 5.000 paartjes
over. In 1975 waren dit er nog 100.000. Het roer moet om. De
initiatiefnemer heeft drie factoren van belang geïdentificeerd. D66 is
het met die factoren eens, maar wel met kanttekeningen.
In de eerste plaats: weidevogelgebieden optimaliseren en uitbreiden.
Kort gezegd: helemaal mee eens .De natuur verdient een boost, zodat het
leefgebied verbetert en vogels beter beschermd zijn tegen predatie, in
die volgorde. Hoe wordt het Aanvalsplan Grutto meegenomen in de
realisatie van het NNN, zo vraag ik aan de minister. Hoe worden deze
gebieden verbonden met agrarisch natuurbeheer? Hoe gaat de minister de
collectieven die nu al bestaan ondersteunen en hoe gaat zij ervoor
zorgen dat zij kunnen uitbreiden, zodat het gebied voor de weidevogel
groter en robuuster wordt? Hoe staat het met de motie omtrent
lichthinder van juni 2019? Op welke wijze gaat de minister het
Aanvalsplan Grutto inbouwen in de stikstofaanpak?
Voorzitter. Door de coronacrisis trekt Nederland massaal de natuur in,
om te wandelen, om te recreëren. Dat is echt fantastisch. Die natuur
hoeft niet per se onderdeel te zijn van een natuurgebied, maar kan een
schakel zijn tussen stad, land en natuur. Hoe kijkt de initiatiefnemer
naar een recreatieve hoofdstructuur, naast het NNN?
Dan een weidevogelvriendelijk boerenlandschap. D66 maakt zich zorgen
over ons veranderende boerenlandschap. Meer dan ooit wordt Nederland
bedekt door een strak biljartlaken van gras. Predatoren hebben vrij
spel. Dit erkent de initiatiefnemer te weinig. Met alleen goed
maaibeheer komen we er niet. Uit onderzoek blijkt dat vermindering van
kunst- en drijfmest een van de beste maatregelen voor weidevogels is.
D66 heeft al eens een motie ingediend — die is ook door de Kamer
aangenomen — om het mestbeleid weidevogelbestendig te maken. De
initiatiefnemer stelt zelf dat het bemesten van de zoden slecht is voor
de weidevogel, dus ik vraag hem: wordt het geen tijd voor een
drijfmestverbod? Kan de initiatiefnemer ook reflecteren op het advies
van Remkes Niet alles kan overal en op zijn ideeën over de agrarische
kaart van Nederland? Kan de minister toelichten hoe de 43 landgoederen
in Nederland, goed voor 20.000 hectare land, meegenomen worden in het
weidevogelbeheer?
Predatoren. De initiatiefnemer legt de nadruk op het bejagen van
predatoren en wil de jachtlijst uitbreiden. De predator is een groot
probleem voor de weidevogels. D66 zal dat niet ontkennen. Maar de
initiatiefnemer maakt zich er zo wel heel makkelijk van af. Want waarom
zijn ze zo succesvol? Omdat weidevogels zich gewoon niet kunnen
verschuilen. De patrijs heeft bosjes nodig voor zijn nest. Juist die
bosjes en landschapselementen ontbreken. De initiatiefnemer wil
letterlijk met hagel schieten en hoopt dan het probleem op te lossen.
Laten we niet de blinde zijn die soms wel eens een kraai schiet, maar
het probleem bij de wortel aanpakken. Laten we ons richten op herstel
van het leefgebied, volgens de Sovon-richtlijnen, dat kuikens worden
gepakt door de vos of de steenmarter, in plaats van. Dus: waterpeil
omhoog, andere bemesting en kruidenrijk grasland. Kan de initiatiefnemer
beloven zich in te zullen zetten voor het principe functie volgt
peil?
Tot slot een vraag over de vogelgriep. In de beantwoording werd gezegd
dat dit geen actueel gevaar vormt voor weidevogels, ondanks dat
wetenschappelijke bronnen het tegenovergestelde laten zien. Waar baseert
de initiatiefnemer dit op? Welke stappen moeten volgens hem worden gezet
om de gevaren van vogelgriep te beperken? Ik vraag dit ook aan de
minister.
Voorzitter, ik rond af. Ik dank de initiatiefnemer voor de goede nota en
de zeer prettige samenwerking in de laatste vier jaar. Ik hoop dat we er
nog eens met de commissie op terug kunnen komen, met een borrel.
De voorzitter:
Dank aan de heer De Groot van D66 voor zijn inbreng in eerste termijn.
Ik geef het voorzitterschap weer aan hem terug.
Voorzitter: De Groot
De voorzitter:
Ik kan me voorstellen — er zijn veel vragen gesteld — dat de
initiatiefnemer en de minister even willen nadenken.
De heer Von Martels (CDA):
Als het kan vijf minuten om even de boel te ordenen. Wat mij betreft kan
ik dan een antwoord geven op de meeste vragen.
De voorzitter:
Dat is sneller dan menig minister, dus complimenten daarvoor. We gaan
door om 14.55 uur. Ik schors de vergadering.
De vergadering wordt van 14.48 uur tot 14.55 uur geschorst.
De voorzitter:
Ik geef het woord aan de heer Von Martels, de indiener van de
nota.
De heer Von Martels (CDA):
Dank u wel, voorzitter. Mooi dat we hier vandaag toch nog met z'n allen
bij elkaar kunnen komen om over dit belangwekkende onderwerp te kunnen
spreken. Ik heb van meerdere kanten gehoord dat men het een
belangwekkend onderwerp vindt. Dat woordvoerders van acht partijen hier
van de partij zijn, geeft ook wel aan dat iedereen interesse toont in
dit onderwerp. En terwijl er bij heel veel onderwerpen sprake is van
polarisatie, zijn we het vandaag over dit onderwerp heel snel met elkaar
eens; we willen allemaal aandacht voor die weidevogels en we willen
allemaal dat er een trendbreuk ontstaat en dat de populatie weer gaat
groeien. In die zin zou je zeggen: niks aan de hand. Maar zijn er dan
toch nog verschillen? Ja, die zijn er ook nog, en die komen ook aan
bod.
Als ik hier als minister zou zitten, zou ik zeggen: ik ga de
beantwoording doen in blokjes. Dat ga ik dan ook doen, want het gaat
zeker niet lukken om alle vragen een voor een langs te gaan. Het gaat
natuurlijk om succes in de kansgebieden. Daarvoor is een aantal factoren
van belang. Die hebben te maken met de omvang, de openheid, het
waterpeil, het agrarisch beheer, het predatorenbeleid, de financiering.
Dat zijn allemaal onderwerpen die even aan bod moeten komen, en die ik
respectievelijk langs zou willen lopen, voorzitter.
Mijn nota heet Weidse blik op de weidevogels. Maar ik heb in ieder geval
ook een heel wijze blik op weidevogels van al mijn collega's mogen
horen. Dat kwam ook naar voren. Dank ook voor de complimenten en de
prettige samenwerking in de afgelopen vier jaar. In die zin is het
natuurlijk jammer dat we elkaar in een volgende periode niet zullen
ontmoeten in deze hoedanigheid. Maar voor mezelf zeg ik maar: ik ga
gewoon vier jaar op sabbatical, en dan kom ik misschien op termijn weer
terug. Het kan allemaal, hè. En misschien komen er nog wel meer van de
huidige collega's terug, maar dat doet er op dit moment niet toe als het
gaat over dit onderwerp.
In de eerste plaats wil ik even duidelijk maken dat er een verschil is
tussen mijn initiatiefnota en het Aanvalsplan Grutto. Want terwijl mijn
initiatiefnota zich richt op eigenlijk heel Nederland, is het
Aanvalsplan Grutto alleen gericht op de zes weidevogelprovincies. Dat
zijn de laaggelegen provincies, Friesland, Groningen, De Kop van
Overijssel, Utrecht, Noord-Holland en Zuid-Holland. Op die provincies
richt het Aanvalsplan Grutto zich met name. In dat plan is men ook veel
meer op zoek naar grote kansgebieden, kerngebieden van 200 hectare en
kansgebieden van 1.000 hectare. Het agrarisch natuur- en
landschapsbeheer, dat al bestaat, kan daarentegen op allerlei plekken in
Nederland plaatsvinden. En het agrarisch natuur- en landschapsbeheer
heeft zich al bewezen. Dat hebben we door de jaren heen gemerkt. 78.000
hectare wordt al op die manier benut. En we merken gewoon dat het leeft.
Het leeft bij de boeren. Boeren willen veel meer doen dan wat er
mogelijk is. Daardoor lopen al die agrarische collectieven die succesvol
zijn, aan tegen het feit dat er niet voldoende budget is om alle boeren
die willen bijdragen, te belonen, te honoreren. Zij willen duidelijk
maken dat er meer mogelijk is dan er nu al gaande is. Daarom is die 30
miljoen euro die helemaal ten goede komt aan het weidevogelbeheer,
eigenlijk ontoereikend. Er is ook al een doorrekening gemaakt, ook door
al die collectieven. Zij pleiten er eigenlijk voor om dat budget te
verhogen naar zo'n 43 miljoen euro. En in het Aanvalsplan Grutto wordt
over nóg hogere bedragen gesproken, zeker in eerste instantie, en
vervolgens ook voor het beheer. Daarin worden we wel met enorme bedragen
geconfronteerd.
En waar moet dat geld dan vandaan komen? Dat is een vraag die ik vandaag
al meerdere keren van partijen heb gehoord. Nou ja, het moet uit
allerlei potjes komen. Het maakt daarbij ook niet zo veel uit of dat nou
linksom of rechtsom gebeurt, want uiteindelijk willen we iets bereiken,
willen we ervoor zorgen dat die weidevogels weer kans van slagen maken
en weer terugkomen in ons Nederlandse landschap. Als we dat willen,
zullen we daar ook iets voor over moeten hebben, en dat heeft ook met
geld te maken. We hebben allerlei bestaande regelingen. De minister
heeft in haar brief ook al geschreven dat er misschien mogelijkheden
zijn als het gaat over klimaatbeleid, om beleid ten aanzien van
biodiversiteit, maar ook om beleid ten aanzien van de veenweidegebieden.
En misschien komen ook de ecoregelingen nog in aanmerkingen en kunnen we
daar ook nog uit putten. Dus er zijn wel mogelijkheden, maar door een
volgend kabinet zal duidelijk gemaakt moeten worden waar het geld
vandaan moet komen en hoe we het dan gaan doen. En dan hoop je dat die
middelen met enige creativiteit gevonden gaan worden. Want we kunnen bij
voorbaat al zeggen dat het Aanvalsplan Grutto, maar ook het
weidevogelbeleid dat ik dan voorsta, zijn gedoemd te mislukken als de
financiële middelen ontoereikend zullen zijn.
Voorzitter, volgens mij is er een interruptie.
Mevrouw Bromet (GroenLinks):
Ik was in mijn inbreng eigenlijk iets vergeten dat ik wel heel
interessant vond in de initiatiefnota van de heer Von Martels. Hij
schrijft daarin namelijk dat boeren en terreinbeheerders samen plannen
moeten maken om vogels te beschermen. Ik heb dat vroeger ook weleens
bepleit toen ik medewerker van Natuurmonumenten was. Toen ging ik praten
met boeren. Die zeiden: ja, maar boerengeld is een andere geldstroom dan
geld voor natuur. En dat is natuurlijk ook zo, want terreinbeheerders
halen hun geld voor weidevogelbeheer uit een ander potje dan boeren. Is
de heer Von Martels het met GroenLinks eens dat je moet gaan kijken hoe
je die budgetten samen kunt voegen om de doelen in een gebied te
bereiken? Want het maakt een weidevolgel niet uit of hij op een stuk
grond van Staatsbosbeheer zit, of op een stuk grond van een aanpalende
boer.
De heer Von Martels (CDA):
Daar ben ik het inderdaad mee eens, want het succes van weidevogelbeleid
heeft ook te maken met de samenwerking tussen boeren, jagers,
vrijwilligersorganisaties en terreinbeherende organisaties. Als zij niet
goed samenwerken, komt het niet van de grond en zal succes achterwege
blijven. En ook over de middelen die ingezet zullen moeten worden,
zullen de partijen het samen eens moeten zijn. Men moet het erover eens
zijn hoe men dat uiteindelijk gaat invullen en ten goede wil laten komen
aan wat hen voorstaat. Zeker.
Al met al kan dus geconcludeerd worden dat er dus financiële middelen
nodig zijn die ergens vandaan moeten komen. Maar die middelen zijn wel
een voorwaarde. Ik probeer in de initiatiefnota ook iedere keer
duidelijk te maken dat uiteindelijk een aantal factoren samen het
resultaat bepalen. De som van al die maatregelen moet leiden tot succes.
En als we ook maar één schakel weghalen, betekent dat ook meteen dat het
niet lukt.
In 2005 is er hier in de Kamer al over de weidevogels gesproken. Ik was
daar toen niet bij. Minister Veerman heeft toen al een plan gelanceerd.
En er lag ook een heel mooie initiatiefnota, van collega-Kamerlid Rik
Grashoff van GroenLinks. Ik heb die nog eens even teruggekeken, en ik
was het eigenlijk van harte eens met de punten die hij naar voren
bracht. Alleen, één onderdeel kwam niet ter sprake, namelijk
predatiebeheer. Daar was blijkbaar nog onvoldoende motivatie voor. Of in
ieder geval kwam het feit dat het van groot belang is om predatiebeheer
ook mee te nemen, in die notitie van hem niet aan de orde en niet naar
voren. We kunnen ook wel concluderen dat, als je dat aspect vergeet, je
dan inderdaad niet gaat bereiken wat noodzakelijk is. En dat zou toch
jammer zijn, want we willen met z'n allen toch dat die populatie weer
toeneemt. Daardoor hoort dat onderdeel predatiebeheer er wel bij. Daar
wil ik straks nog wel wat over zeggen, maar volgens mij wil de heer
Wassenberg mij storen in mijn verhaal.
De voorzitter:
Ja. Meneer Wassenberg van de Partij voor de Dieren heeft een
vraag.
De heer Wassenberg (PvdD):
Dank, voorzitter. U had gezegd: alle sprekers hebben anderhalve
interruptie in deze termijn, dus ik knip mijn interrupties even in
onderdelen, als u dat goed vindt.
De heer Von Martels zegt: er moet geld tegenaan. Hij heeft het over 30
miljoen, 43 miljoen en misschien nog meer. Maar zijn we dan niet alleen
maar bezig met symptoombestrijding? Want er moet inderdaad iets
gebeuren, maar met alleen een aantal miljoenen ertegenaan gooien, kom je
er niet, als je niet ook vooral stopt met het kunstmatig verlagen van
het grondwaterpeil, als je er niet ook voor zorgt dat er echt
fundamenteel andere landbouw wordt bedreven. In het Aanvalsplan Grutto
staat ook dat je minder koeien per hectare moet houden. Je moet toch de
onderliggende factoren aanpakken? Je moet er toch voor zorgen dat het
landbouwsysteem minder schadelijk wordt voor die grutto? Je komt er toch
niet met enkele tientallen miljoenen euro's? Je moet toch echt het
onderliggende systeem aanpakken?
De heer Von Martels (CDA):
Ja, ook de habitat is natuurlijk van groot belang. Daarmee moet rekening
gehouden worden. Ik wil voorkomen dat ik van de hak op de tak spring,
maar de heer De Groot heeft ook aandacht gevraagd voor een
weidevogelbestendig mestbeleid. De motie daarover is aangenomen en heeft
het CDA ook ondersteund. Daar moet naar worden gekeken. Kunnen we die
zodenbemester in de toekomst nog wel gebruiken? Als we in die
weidevogelgebieden inderdaad succes willen boeken, kun je je dat wel
afvragen. Eigenlijk moet de zodenbemester verboden worden, want die
vernielt de bodem en is niet geschikt voor weidevogelgebieden. Dus ik
ben het er helemaal mee eens dat we de onderliggende factoren moeten
aanpakken. Dat staat ook in mijn initiatiefnota. De leefomgeving moet
worden aangepakt. Bij agrarisch natuur- en landschapsbeheer gaat het er
ook om dat je plasdras aanlegt. Je moet zorgen voor open gebieden,
waarin die weidevogels gedijen. Er zijn allerlei voorwaarden waar aan
moet worden voldaan als je gebruik wilt maken van de zwaarste pakketten
van het agrarisch natuur- en landschapsbeheer. Dus die onderliggende
factoren moeten zeker worden aangepakt. En dat gebeurt nu dus ook al
wel, als je gebruikmaakt van die zwaarste pakketten. Ik pleit ook niet
zozeer voor een verhoging van de vergoeding per hectare bij het
agrarisch natuur- en landschapsbeheer. Dat is verder prima geregeld. Ik
pleit er met name voor dat meer boeren mee kunnen doen. Veel meer boeren
zouden mee willen doen. Zij moeten dan voldoen aan de randvoorwaarden
die worden gesteld binnen dat agrarisch natuur- en landschapsbeheer. Dan
zul je ook zien dat er van een kentering sprake zal zijn. Maar dan zal
toch ook dat predatiebeheer om de hoek komen kijken.
De voorzitter:
De heer Wassenberg is tevreden, dus u vervolgt uw betoog.
De heer Von Martels (CDA):
Succes en kansen bieden. Er wordt gepleit voor omvang en openheid. Ik
heb gesproken over het aantal hectares dat je daarvoor nodig hebt. Het
waterpeil zal zeker verhoogd moeten worden. De weidevogels geven zelf
aan waar ze willen zijn. Ze geven duidelijke signalen af. Er is nu
dikwijls sprake van een peilbeheer van 80 cm onder het maaiveld, maar
daar heeft de weidevogel niks te zoeken. Ze willen toch meer 20 tot 40
cm onder het maaiveld. Het waterpeil is dus heel belangrijk om succes te
boeken. Het is een van dé factoren.
We hebben het gehad over agrarisch beheer. Er moet een
weidevogelbestendig mestbeleid komen. Dat is van essentieel belang om
succes mee te kunnen boeken. Ik ben echt benieuwd hoe dat in de toekomst
uitvoering zal krijgen. Misschien kan de minister daar straks nog iets
over zeggen. Er is een motie over ingediend. Ik heb geen idee wanneer
het ter sprake zal komen. Waarschijnlijk — dat is eigenlijk wel zeker —
gebeurt dat in een volgend kabinet. Er zal echt aan gewerkt moeten
worden. Er zullen zonder meer heilige huisjes omvergeworpen moeten
worden om toch de goede weg in te slaan.
Predatiebeheer. Wat zal ik er nog meer over zeggen? Ik heb zelf gepleit
voor het aanpakken van de steenmarter. Er mag overdag gejaagd worden op
de vos. Voor 's nachts kunnen provincies ontheffing aanvragen. We kregen
toevallig vandaag nog een brief uit Friesland.
Boerenlandvogelorganisaties en boerenlandvogelcoördinatoren pleiten voor
een ontheffing van de nachtklok als het gaat om het bestrijden van de
vos. Dat zijn mensen uit het veld. Zij zien dat ze de vos niet kunnen
bestrijden, terwijl ze bij wijze van spreken dag en nacht in de weer
zijn om succesvol te zijn in het vergroten van de populatie in hun
weidevogelgebied. Dan lopen ze tegen een schakel aan waar ze momenteel
dankzij overheidsbeleid niks mee kunnen. Vandaar het pleidooi — volgens
mij is die mail vanmiddag binnengekomen omstreeks 12.00 uur; iedereen
heeft die in de mailbox gekregen — voor een ontheffing van de avondklok,
om het zo maar te zeggen. Wat betreft de zwerfkatten zullen we die
avondklok juist moeten invoeren, want die horen absoluut niet in het
veld, zowel overdag niet als 's avonds niet. Die zwerfkatten zorgen voor
de nodige problemen. Dat naast de vos en de steenmarter.
Ik ben het er niet helemaal mee eens om actie te ondernemen op de
roofvogels. Uiteindelijk moeten we ervoor zorgen dat we een open gebied
hebben. Roofvogels hebben sowieso minder kans in open gebieden. Een
succesvol weidegebied is open en omvangrijk. Waterpeil, agrarisch
beheer, predatorenbeleid, financiering: dat zijn allemaal zaken die aan
bod moeten komen.
Links en rechts kwamen er vragen voorbij over recreatieve
hoofdstructuur. De heer De Groot vroeg of dat wenselijk zou zijn. Ik zal
met name willen bepleiten dat we de goede dingen die we nu hebben in ons
land met rust laten en dat we moeten voortborduren op de successen die
we al hebben met agrarisch natuur- en landschapsbeheer. Dat moeten we
alleen maar uitbouwen. We moeten niet te veel nieuwe dingen gaan
verzinnen. Laten we de successen uitbouwen en de knelpunten wegnemen.
Dat is met alles zo in het leven. Laten we leren van de goede
ervaringen. We moeten kritisch zijn op de zaken die minder goed gaan. We
moeten proberen om die te verhelpen en ervoor te zorgen dat het zich in
de goede richting gaat bewegen.
De vogelgriep werd ook nog even genoemd.
De heer Wassenberg (PvdD):
Ik kom toch nog even terug op het predatorenbeheer, zoals de heer Von
Martels dat noemt. Ik begrijp dat roofvogels moeten worden aangepakt en
dat we vossen, katten en steenmarters moeten schieten; ergens anders las
ik iets over kraaien. Maar we kunnen toch niet al dit soort dieren gaan
schieten omdat de weidevogels slachtoffer zijn van ons landbouwsysteem?
Dat kan toch niet? Het is toch vrij absurd om alles verder te
ontwrichten en te gaan schieten?
De heer Von Martels (CDA):
Ik ben blij dat u het punt nog even naar voren brengt. Ik heb zeker geen
pleidooi gehouden voor het schieten van roofvogels. Het is jammer als
dat zo over is gekomen, want dat is zeker niet het geval. Alleen, in de
gebieden waarin men heel actief is met weidevogelbeheer loopt men aan
tegen een aantal zaken, namelijk dat de vos of de steenmarter huishoudt.
Men zou dolgraag willen ingrijpen, want het is toch jammer dat, als je
zo veel initiatief ontplooit om de weidevogelstand in redelijke toestand
te krijgen, het verstoord wordt door de vos of de steenmarter. Dan moet
je dus echt ingrijpen. Volgens mij zou dat ook niet bezwaarlijk moeten
zijn. Je kunt wel iedere provincie, die natuurlijk zelf autonoom zijn,
om een ontheffing vragen, maar het is veel makkelijker als we er met
rijksbeleid al direct voor zorgen dat het allemaal wat gemakkelijker
wordt gemaakt. We moeten wat meer vertrouwen hebben in de mensen die in
hun gebied werkzaam en actief zijn. Het getuigt te veel van wantrouwen
als we alleen maar dingen verbieden. Wij moeten in ieder geval de
mogelijkheden bieden, zodat de mensen in het veld de instrumenten hebben
om succesvol te kunnen zijn.
De voorzitter:
De heer Wassenberg.
De heer Von Martels (CDA):
Nog even ter aanvulling, voorzitter. Er werd gesteld — de heer
Wassenberg stelt dat ook — dat we het allemaal niet nodig hebben:
vroeger was de habitat toch ook in orde en toen hadden we het toch ook
niet nodig? Toen hadden we het wel nodig. Toen had de jacht veel meer
mogelijkheden om in te grijpen. We zijn dat met z'n allen gaan
verbieden. We hebben ervoor gezorgd dat overal regels voor zijn
opgesteld en dat er verboden hebben plaatsgevonden. Uiteindelijk heeft
dat ertoe geleid dat we nu in een situatie zitten waarin de noodroep
klinkt.
De heer Wassenberg (PvdD):
Dit is mijn laatste interruptie, voorzitter; dat realiseer ik me. Ik
hoor een herhaling van zetten van toen we het Aanvalsplan Grutto
bespraken. Bij de begroting van Landbouw hebben we er ook een
interruptiedebatje over gehad. Het aanvalsplan zegt bijvoorbeeld: er
moeten heel veel maatregelen genomen worden om de landbouw systematisch
en substantieel aan te pakken en te veranderen. Dat zal heel duur zijn.
Daarin werd als allerlaatste mogelijkheid predatiebeheer genoemd, ofwel:
de jacht. Dat is overigens de reden waarom de Partij voor de Dieren daar
tegengestemd heeft. Maar toen heb ik al gezegd dat ik dadelijk zie
gebeuren dat er naar dat middel gegrepen wordt omdat de rest allemaal
veel te duur en te kostbaar is en veel te lang duurt. Dat is wat ik nu
zie. Het is te duur en te kostbaar om het waterpeil te verhogen. Het is
te duur om voor graslanden te zorgen. Het maaibeleid moet anders. Denk
ook aan minder koeien. Dus pak je dan maar het geweer. Dat kan toch
niet? Dat is toch wat de heer Von Martels nu doet? Hij weigert om het
systeem aan te pakken en grijpt in plaats daarvan naar het geweer.
De voorzitter:
Uw vraag is helder. De heer Von Martels.
De heer Von Martels (CDA):
Er is bij mij geen volgorde in prioriteit, want alles moet worden
aangepakt. Alle onderdelen die al genoemd zijn, zullen onderdeel van het
hele pakket moeten zijn. Daar hoort predatiebeheer gewoon bij. Dat kan
de Partij voor de Dieren ontkennen, maar dan zou ik toch een keer
spreken met de mensen uit het veld, want zij lopen daar gewoon tegenaan.
Je hoort nooit geluiden over het aantal stuks vee. Graasbeheer is prima
mogelijk — denk aan voorweiden — zonder dat het tot problemen zal
leiden. Maar de onderliggende factoren waar we het net over hadden,
moeten allemaal aangepakt worden. We zijn het dus eens, maar in dat ene
punt, predatiebeheer, heeft de Partij voor de Dieren een ander inzicht
dan onze partij. Het zal er wel toe leiden dat het niet gaat lukken.
Zoals ik al zei over de initiatiefnota van de heer Grashoff werden alle
aspecten daarin genoemd, maar ook dit onderdeel werd vergeten. We zijn
nu vier à vijf jaar verder. Het zou toch jammer zijn als we daar niet
van geleerd hebben.
De voorzitter:
Dit is een belangrijke discussie. Volgens mij is het duidelijk waar
iedereen staat.
De heer Wassenberg (PvdD):
Is het goed als ik in één zin iets rechtzet? De heer Von Martels zegt:
er zijn geen prioriteiten. Maar in het Aanvalsplan Grutto is echt
expliciet gezegd: die prioriteiten zijn er wel; predatie aanpakken kan
alleen als alle andere maatregelen gefaald hebben. De prioriteiten zijn
daar in ieder geval wel.
De heer Von Martels (CDA):
Ik heb vanmorgen nog even de samenvatting van het Aanvalsplan Grutto
gelezen. Ik heb de punten opgenoemd. Daarin staat heel duidelijk, zonder
een volgorde van prioriteit: predatorenbeheer. Het staat er gewoon bij
als een van de vijf onderdelen, naast omvang en openheid, waterpeil,
agrarisch beheer en financiering. Het hoort er allemaal bij.
De voorzitter:
Mevrouw Bromet heeft hierover ook een vraag, denk ik.
Mevrouw Bromet (GroenLinks):
Ja. Ik vind het te makkelijk om te zeggen dat het er allemaal bij staat,
dat het in een lijstje staat. Het Aanvalsplan Grutto heeft echt een
prioritering opgenomen. Ik zou het echt doodzonde vinden als we nu
beginnen met het afschieten van dieren, terwijl de omstandigheden in de
weilanden nog niet zijn veranderd. De heer Von Martels zegt: de
afgelopen vijf jaar is er niks gebeurd met de predatiedruk. Maar er is
ook op de andere vijf terreinen de afgelopen vijf jaar niks gebeurd. Ik
hoop op een omslag. Ik hoop dat de heer Von Martels dat ook vindt. Ik
wil aan hem vragen of hij het niet ook belangrijk vindt dat we eerst de
omstandigheden op peil brengen en dan pas gaan jagen.
De heer Von Martels (CDA):
Ja, maar wat betreft het agrarisch natuur- en landschapsbeheer zijn de
omstandigheden in orde. Er worden namelijk voorwaarden gesteld aan de
pakketten waaraan je deel wilt nemen. Anders kom je ook niet in
aanmerking voor een vergoeding. Dat staat buiten kijf. Dan moet je in
actie komen. Dan moet je er ook zorgen voor uitgesteld maaibeheer. Dan
moet je zorgen voor plasdrassen. Dan moet je ervoor zorgen dat het
landschap open blijft. Aan al die voorwaarden is voldaan, want anders
kom je er niet voor in aanmerking. Vervolgens ga je aan de slag en dan
zie je dat het uiteindelijk tot mislukken gedoemd is omdat aan predatie
niets gedaan wordt. Niets is frustrerender dan dat. Dan kun je misschien
wel de financiële vergoeding opstrijken, maar het doel dat je zelf
gesteld hebt, is een kansloze missie geworden. De kern van de boodschap
in mijn initiatiefnota is: zorg ervoor dat alle aspecten aandacht
krijgen. Als je dat niet doet, zitten we hier over een aantal jaren
weer. Dan zeggen we: we hebben geen weidevogel meer over in Nederland,
want we hebben het er gewoon bij laten zitten. Dat zou jammer
zijn.
De voorzitter:
Dat lijkt me een goed bruggetje naar het vervolg van uw betoog. Hoeveel
tijd heeft u nog nodig?
De heer Von Martels (CDA):
Ik kan heel kort zijn, voorzitter, want het meeste heb ik benoemd.
Misschien dat ik nog wel één ding naar voren wil brengen: de duur van de
contracten. Bij het agrarisch natuur- en landschapsbeheer gaat het om
zes jaar. In feite is dat geen echte uitnodiging om een verdere
stimulans van het weidevogelbeheer mogelijk te maken. Ook in het
Aanvalsplan Grutto is het echt een voorwaarde om contracten van twintig
jaar of meer af te sluiten. Het Aanvalsplan Grutto is zo groot. Het kan
alleen maar als je zekerheid verkrijgt over alle voorwaarden die gesteld
worden en over de vergoeding die gesteld wordt. Dan moet je echt praten
over twintig jaar of meer. Dat zal nog een hele toer worden. In
Friesland heeft men al de eerste poging ondernomen om van start te gaan,
maar bij de aanvang zag je al direct dat men zekerheid wil. Dat is
logisch, want iedereen wil weten waar hij aan toe is. Het zou mooi zijn
als daarmee een aanvang genomen zou kunnen worden, bijvoorbeeld door
middel van een pilot.
Mevrouw Bromet (GroenLinks):
Ik zat te wachten op die laatste zin. Is het CDA bereid om dit geld te
besteden aan dit plan?
De heer Von Martels (CDA):
Wij hebben inderdaad nadrukkelijk gesteld dat we heel veel kansen zien
voor het Aanvalsplan Grutto. Maar we hebben ook gesteld dat aan alle
voorwaarden aan de voorkant voldaan moet worden voordat we uiteindelijk
kunnen zeggen: daar willen we ons voor de volle honderd procent achter
scharen; we willen dat dat plan slaagt. Maar dan hoort daar inderdaad
bij dat je zekerheid hebt over de vergoeding. Daar hoort ook bij dat er
afspraken zijn gemaakt met de waterschappen. En daar hoort ook bij dat
er qua melkgeld een extra plus in zit. Al die aspecten — het zijn er
nogal wat — horen daarbij. Dat maakt het Aanvalsplan Grutto zo uitdagend
en ambitieus maar ook de moeite waard om een kans te geven.
Voorzitter, ik kan best afronden, gezien het feit dat we vandaag maar
twee uur ter beschikking hebben. We kunnen over dit onderwerp uren of
dagen praten, want het raakt ons allemaal. De weidevogels hebben een
duidelijk signaal afgegeven. Laten we zorgen dat we daarnaar
luisteren.
De voorzitter:
U heeft uw nota uitstekend verdedigd en er zijn een paar hele zinnige
discussies gevoerd. Dan geef ik nu het woord aan de minister, voor de
beantwoording van de aan haar gestelde vragen.
Minister Schouten:
Dank u wel. Allereerst natuurlijk ook van mijn zijde complimenten aan de
heer Von Martels. Ook mijn complimenten aan de medewerkers. Ik weet dat
de medewerkers hier ook heel veel werk in steken.
De heer Von Martels (CDA):
Sorry. Voorzitter, aan het einde wil ik nog even de mensen noemen die
hieraan hebben meegewerkt. Ik ben hun zeer veel dank verschuldigd. Ik
kan het ook nu doen. Loretta Schoone heeft het meeste werk verzet. Ik
heb ook heel veel steun ondervonden van Sharona de Klerk, die achter mij
zit. Ik ben hun zeer dankbaar. Zij kunnen dit voor een groot deel op hun
conto schrijven.
De voorzitter:
Hun namen staan in de Handelingen.
Minister Schouten:
Zeker, het is vereeuwigd dat zij hieraan mee hebben gewerkt.
Ik vond de woorden van de heer Futselaar heel mooi: met een knal eruit.
Daar kan ik mij wel bij aansluiten. Het is altijd een hoop werk, maar
het is ook een mooie manier om je passie te laten zien. Ik denk dat de
heer Von Martels hiermee duidelijk heeft laten zien hoe hij zijn passie
heeft vormgegeven en hoe hij tegelijkertijd — dat spreekt mij enorm aan
— de twee werelden waarvoor hij woordvoerder was, landbouw en natuur,
samen heeft gebracht. Er zijn niet veel onderwerpen waarover wij vaak
overeenstemming hebben, maar op dit punt lukt het wel. Dat geeft aan hoe
we op die manier toch verder kunnen komen.
De heer Von Martels heeft al heel wat vragen beantwoord die aan hem zijn
gesteld. Er zijn enkele vragen aan mij gesteld. Dat waren af en toe best
politiek gemotiveerde vragen. Dat is altijd aardig. Daarvoor zitten we
hier, dus dat is geen enkel probleem. De grote vraag gaat, als ik het
wat breder pak, over het verdienvermogen van de boeren. Ik heb het over
de langjarige financiering en de langere contracten die nodig zijn. Dat
zit allemaal eigenlijk een beetje in dezelfde hoek. Laat ik
vooropstellen dat het ook mogelijk is om langere contracten af te
sluiten. Dat gebeurt nu ook al. De provincie Zuid-Holland heeft al
contracten afgesloten voor langere tijd dan de GLB-periode. Dat is
normaal zeven jaar, maar nu met de overgang natuurlijk zes jaar. Ook
andere provincies kijken daar nu naar. Het is dus mogelijk om
daaroverheen te gaan. Ik weet niet uit mijn hoofd hoe lang die periode
exact is, als u mij dat nu vraagt, maar het is niet zo dat je alleen
maar tot die zeven jaar kunt gaan die je normaal binnen een GLB-periode
hebt. Het is natuurlijk wel zo dat je een langer contract wil omdat je
zeker wil zijn van je financiering. Dat is de onderliggende factor. Daar
hebben we nu wel de GLB-middelen voor. In 2019-2020 is daarin nog extra
geld overgeheveld van de eerste naar de tweede pijler, ook voor de
weidevogels en agrarisch natuur- en landschapsbeheer. We zijn voornemens
om die bedragen in de komende periode door te zetten. Uiteindelijk is
het straks ook aan uw Kamer om te beoordelen hoe we dat precies
vormgeven. Dat kan in de tweede pijler, maar ook in de ecoregelingen.
Die discussie moeten wij hier nog voeren. Voor zover ik er nog over ga,
ben ik voornemens om dat door te zetten en te kijken hoe we daar echt
langjarige zekerheid over kunnen geven. Maar nogmaals, ik zal t.z.t. met
uw Kamer het debat gaan voeren over de vraag hoe we dat precies doen en
uit welke middelen dat dan precies moet komen.
De heer Van den Anker gaf in zijn interruptie op mevrouw Dik-Faber aan:
het is wel een krimpend budget; als we dat gaan overhevelen, wat
betekent dat dan? Dat is wel een debat dat we hier moeten voeren, denk
ik. Je wil namelijk een aantal zaken, en boeren vragen hier zelf ook om,
om zekerheid te hebben over de financiering. Dan zal het wel ergens uit
de lengte of de breedte moeten komen, zeg ik ook maar even tegen uw
Kamer terug. Maar nogmaals, dat debat zullen we hier ook gaan
voeren.
Er werd ook nog gevraagd: kun je nou ook al kijken naar andere trajecten
die lopen? Mevrouw Bromet vroeg: is het nou natuurgeld, of is het nou
landbouwgeld; waarom al die potjes? Ik ga dit van een iets andere kant
aanvliegen — dat is ook een leuk woord voor de grutto. We hebben nu 3
miljard voor natuurmiddelen gereserveerd. Die zijn niet expliciet voor
de weidevogels, maar wij kunnen in dat programma natuurlijk wel
maatregelen nemen die ten goede komen aan het leefgebied van de
weidevogels. Dan liften we daar een stukje op mee om te zorgen dat dat
leefgebied beter wordt. Daar zitten ook beheermiddelen in. Ik denk dat
we moeten kijken hoe we met die beheermiddelen meerdere doelen kunnen
dienen. Dan ga ik niet gelijk subsidiestromen verleggen. Dat lijkt me in
deze fase ook wat ingewikkeld. We hebben net afspraken met de provincies
gemaakt, en we moeten nu gewoon ook aan de slag. Maar ik denk wel dat
het heel goed is om in die gebieden vervolgens te kijken hoe we elkaar
daarin kunnen versterken: aan de ene kant de boeren vanuit de
GLB-middelen, en aan de andere kant de beheervergoeding en andere zaken,
die uit andere potjes komen. Dat geldt ook voor klimaatmiddelen. Mevrouw
Bromet weet dat ook. Veenweidegebieden hebben daar ook nog wel het een
en ander aan projecten lopen. Het is vooral de uitdaging om dat de
komende periode allemaal slim te combineren — zonder de hele discussie
over de subsidiestromen weer op te rakelen, want dan zijn we nog jaren
aan het discussiëren. In die gebieden moet je de zaken bij elkaar
brengen. Nogmaals, als iets goed is in het kader van natuur, kunnen de
weidevogels daar ook op meeliften. Er zijn dus zeker mogelijkheden om
dat bij elkaar te brengen.
De vraag is dan ook: wie moet er allemaal meedoen bij die vergoedingen?
Ik denk dat het sterke aan de nota van de heer Von Martels, maar ook aan
het Aanvalsplan Grutto, is dat er niet alleen naar subsidiegeld wordt
gekeken, maar ook naar waterschappen en ketenpartijen, die hier een rol
in hebben. Ik weet dat er in Friesland nu een mooi initiatief gaande is
om te kijken of je €0,02 op een pak melk kunt doen voor de Friese
grutto. In dat licht verbaast het mij dat er tegelijkertijd een grote
corporatie is die besluit om een andere groep boeren niet meer mee te
laten doen aan een programma dat iedereen wil. Ik snap dat ook werkelijk
niet vanuit het perspectief dat je aan de andere kant bezig bent met
initiatieven om dat juist wel mogelijk te maken. Dat wilde ik hier toch
maar even gezegd hebben. Dat zijn ook allemaal zaken die de
verbondenheid met het landschap kunnen vergroten. Dan zien mensen dat in
hun eigen regio en dan willen zij wel extra geld betalen voor dat pak
melk, bij wijze van spreken. Wij proberen achter de schermen te kijken
of dat te doen is, ook in verband met factoren als concurrentie of
staatssteun. Het is nieuw dat meerdere partijen zich blijken aan te
sluiten. Wij doen ons best om te kijken hoe we dit verder kunnen krijgen
vanuit LNV. Als dit slaagt, denk ik dat je kunt laten zien dat je niet
alleen afhankelijk hoeft te zijn van subsidies maar dat het gedragen
wordt door alle ketenpartijen en door de maatschappij. Ik denk dat dat
ook het meest bevorderlijk is voor het draagvlak, om zo te zeggen.
Dat waren de vragen over de financiering en over de zaken die daaromheen
zitten. Dan waren er nog een aantal hele specifieke vragen. Ik denk dat
de heer Van den Anker met name vragen had over het verdienmodel en de
middelen.
De heer Futselaar gaat er ook uit met een knal, met zijn vraag om te
reflecteren op het natuurbeleid; of we centraliseren of decentraliseren.
In een van de eerste debatten over natuur begon hij daar al over, en hij
eindigt ook zijn laatste bijdrage daarmee. De situatie is op dit moment
dat het gedecentraliseerd is. We kunnen heel veel discussies voeren over
wat de beste plek is om dit te organiseren, maar uiteindelijk moeten we
gewoon zorgen dat het gerealiseerd wordt. Dat kan natuurlijk ook met
goede afspraken met provincies. Ik weet dat de heer Futselaar daar
altijd zijn eigen overwegingen bij heeft. Laat ik het zo zeggen: dit
demissionaire kabinet heeft geen voornemens om nu een wijziging aan te
brengen. Maar ik kan mij best voorstellen dat dit een prominent punt op
de agenda van de formatie zal worden als de partij van de heer Futselaar
in het kabinet komt.
De voorzitter:
De heer Futselaar wil u even onderbreken.
De heer Futselaar (SP):
Een meer helder stemadvies kan ik me bijna niet voorstellen.
Minister Schouten:
Dan is hier ook het nieuws dat de SP bereid is aan de schuiven bij de
kabinetsonderhandelingen. We maken hier nieuws vandaag. Dat is
wederzijds.
De heer Wassenberg was meer in discussie met de initiatiefnemer en dat
gold ook voor de vragen van mevrouw Bromet. Ik denk dat ik ook op een
aantal vragen over de financiering ben ingegaan.
De heer Moorlag heeft ook nog wat specifieke vragen, zoals de vraag of
ik het Aanvalsplan Grutto ga uitvoeren. Ik heb net al een aantal punten
genoemd waar we mee bezig zijn om dat verder te brengen. Er ligt ook een
motie die vrij breed is aangenomen door de Kamer, misschien zelfs met
algemene stemmen, dat weet ik niet goed meer. Daar zijn we ook mee
bezig.
Hij vraagt ook of ik alles gereed kan maken voor mijn opvolger om dit
goed op te pakken. Wat betreft de financiering zit het grotendeels bij
de discussie over het GLB en het NSP. We zijn al bezig met de provincies
om te kijken hoe we dat goed kunnen doen. Ik weet niet hoelang de
formatie gaat duren, maar voor een volgend kabinet zit daar een heel
groot brok van dit element in. Daar zitten ook vragen in over
grootschalige gebieden et cetera. Dat is vrij fundamenteel van aard en
daar kan ik geen keuzes meer in maken als demissionair kabinet. Dat is
bijna gelinkt aan de discussie over hoe je de inrichting van Nederland
moet zien, ook in relatie tot stikstof en alle opgaven die we daarbij
hebben.
Dan kom ik gelijk op de motie van de heren Harbers en Moorlag over de
groep die daarover aan het nadenken is. Die is gestart, die is bezig.
Maar dit is een vrij omvangrijk klusje dat ook wel goed verder gebracht
moet worden. Die is aan de slag, dus dat loopt. Op het moment dat er een
formatie is, kun je dan ook meer lijnen schetsen waar mogelijkheden
zitten op dat punt. Het is er ook echt op gericht om die zaken op tafel
te krijgen.
De heer Moorlag (PvdA):
De heer Harbers beoogde ook dat die werkgroep output zou leveren die
weer als input zou kunnen dienen voor de formatie. Dat ligt dus goed op
koers, begrijp ik.
Minister Schouten:
Ik heb niet de allerlaatste stand van zaken, zeg ik eerlijk, want het is
een externe commissie die hiermee bezig is. Maar dat was wel hun streven
en ik heb tot nu toe geen geluiden gehoord dat dat niet haalbaar is. Als
u mij vraagt of ze dat meteen de eerste week van de formatie op tafel
hebben, zeg ik: dat weet ik niet, maar het is erop gericht om daar die
discussie te kunnen voeren, dus dat is lopende.
Dan kom ik bij de vraag van de heer Weverling: kan ik in kaart brengen
welke provincies welke problemen hebben? De provincies zitten natuurlijk
aan tafel als het gaat over de weidevogelgebieden. Zij hebben best
aardig in beeld wat er in hun eigen provincie speelt en wat de
mogelijkheden en onmogelijkheden zijn. Ik kan wel vragen of zij dat een
keer allemaal bij elkaar willen leggen, met een nietje erdoorheen, zeg
maar, maar de provincies hebben zelf wel in beeld waar de issues en de
mogelijkheden liggen.
De heer Weverling (VVD):
Dat lijkt me op zich duidelijk. Het gaat mij niet om alle plannen met
een nietje erdoorheen. Het gaat mij er meer om dat het niet een soort
one-size-fits-all is en dat wij erkennen dat we het door het land heen
over verschillende problematiek hebben.
Minister Schouten:
De gebieden zijn soms verschillend en dan kun je op andere manieren
ervoor zorgen dat weidevogels meer kans krijgen. De onderliggende
problematiek waarom het niet goed gaat met de weidevogels is op zich wel
bekend. We hebben overigens ook de Gruttomonitor, die ook de komende
jaren wordt uitgevoerd door de Rijksuniversiteit Groningen. Die geeft
ook heel gedetailleerd informatie over wat de specifieke oorzaken zijn
in de verschillende gebieden. Eigenlijk is er al best veel informatie om
dat in kaart te brengen. Kortheidshalve wil ik daarnaar verwijzen, want
dat is vrij gedetailleerd.
De heer Weverling vroeg ook naar de predatoren, waarover ook een debatje
was. Hij vroeg of ik de vrijstelling voor vos, kraai en kauw bij
predatiebeheer wil vormgeven. Maar de vos, de kraai en de kauw zijn al
soorten die in het hele land op de vrijstellingslijst staan, dus het is
al mogelijk om die te bejagen als zij overlast geven. Ik weet niet of de
vraag over de steenmarter aan mij was gericht. Ik had meer de indruk dat
die aan de initiatiefnemer was gericht en die is ook door hem
beantwoord. Het is niet zo dat bepaalde soorten niet bejaagd kunnen
worden, alleen is er de vraag of je die op de landelijke
vrijstellingslijst moet zetten, zoals mevrouw Dik-Faber ook vroeg. De
provincies hebben de bevoegdheid om hierin zelf afwegingen en keuzes te
maken. Dat lijkt mij ook de juiste toepassing om daar vorm aan te geven,
als u dat aan mij zou vragen, wat u niet heeft gedaan.
Mevrouw Dik-Faber had ook gevraagd naar de middelen. Dat heb ik net
gezegd. Zij vraagt ook nog naar het tijdpad. Wij moeten voor het eind
van het jaar het NSP vaststellen. Dat is ook de plek waar nadere
afspraken worden gemaakt over de ecoregelingen, de aanbevelingen die de
Commissie heeft gedaan en hoe wij daarmee willen omgaan. Daarbij speelt
de vormgeving van de tweede pijler ook een rol. Daarover ben ik nu in
overleg met de provincies. Ik heb gezegd dat ik uw Kamer daarover zal
informeren als ik daar verder mee ben. Ik denk dat dat ergens voor de
zomer zal zijn, zeg ik even uit mijn hoofd. Dat is geen harde
toezegging, voorzitter, want dat is echt work in progress. Ik heb al
eerder toegezegd dat de Kamer wordt geïnformeerd en mee wordt genomen in
het proces. Het is er allemaal op gericht om dit eind van het jaar vast
te stellen.
De heer De Groot vroeg hoe het gruttoplan in het Natuurnetwerk Nederland
wordt meegenomen. Ik heb al gezegd dat het gruttoplan in eerste
instantie is gericht op de agrarische gronden die geschikt zijn voor de
weidevogels. De gebieden in het gruttoplan dienen minstens een omvang
van 1.000 hectaren te hebben. Ik denk dat het van belang is om in de
zoektocht naar die gebieden ook de verbinding te maken met de
natuurgebieden die geschikt zijn voor weidevogels. Mevrouw Bromet zei
net ook: als je de kans hebt om het samen te pakken, laat die dan vooral
niet liggen.
Hoe ga ik de collectieven ondersteunen die nu al bestaan? Er zijn nu
veertig agrarische collectieven en die zijn landsdekkend, dus die
bestrijken heel Nederland. Mijn inzet is om de omvang van het agrarisch
natuur- en landschapsbeheer te vergroten, zodat de agrariërs die willen
deelnemen niet op een wachtlijst komen te staan. We kunnen de
mogelijkheden van het nieuwe GLB daarvoor benutten. Ecoregelingen geven
ook de mogelijkheid om extra middelen voor weidebeheer daarin op te
nemen. Nogmaals, die discussie ga ik ongetwijfeld nog met uw Kamer
voeren.
Ik denk dat ik daarmee de vragen heb beantwoord. Ik kan een heel
overzicht geven over het beperken van de vogelgriep, of daar een heel
betoog over houden. We hebben in beeld welke mogelijkheden er zijn. De
heer De Groot heeft vaker gevraagd om meer te kijken naar de zoönosen
die daaronder liggen. We gaan uw Kamer nog informeren over de
expertgroep over zoönosen die is aangekondigd en die ingesteld gaat
worden door mijn collega van VWS, want die is leading in de
zoönosestructuur, zoals u weet.
Volgens mij heb ik zo de vragen beantwoord, voorzitter.
De voorzitter:
Ik kijk even rond of iedereen het daarmee eens is. Dan dank ik de
minister voor de beantwoording. We gaan over naar de tweede termijn van
de Kamer. Ik zal elke keer even de resterende spreektijd erbij zeggen.
De heer Van den Anker heeft nog ruim twee minuten. Het woord is aan het
CDA.
De heer Van den Anker (CDA):
Ik wil graag vier moties heel snel voorlezen.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de weidevogelpopulatie een impuls nodig heeft;
constaterende dat de steenmarter een van de grootste bedreigingen voor
de weidevogel is als het gaat om predatie;
overwegende dat het beheren van de steenmarter ervoor zorgt dat de
weidevogelpopulatie beter in stand gehouden kan worden;
verzoekt de regering om de steenmarter op de landelijke
vrijstellingslijst te plaatsen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van den Anker. Naar mij blijkt,
wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.
Zij krijgt nr. 4 (35616).
De heer Van den Anker (CDA):
Motie twee:
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de weidevogelpopulatie een impuls nodig heeft;
overwegende dat de (zwerf)kat een van de grootste bedreigingen voor de
weidevogel is als het gaat om predatie;
verzoekt de regering om een onderzoek in te stellen naar de schadelijke
rol van (zwerf)katten bij weidevogels,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van den Anker. Naar mij blijkt,
wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.
Zij krijgt nr. 5 (35616).
De heer Van den Anker (CDA):
Motie drie:
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat uit de initiatiefnota Weidevogels blijkt dat het
budget voor agrarisch natuur- en landschapsbeheer verhoogd moet
worden;
verzoekt de regering om binnen enkele weken te laten weten welke
mogelijkheden hiervoor zijn,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van den Anker. Naar mij blijkt,
wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.
Zij krijgt nr. 6 (35616).
De heer Van den Anker (CDA):
En motie vier ...
De voorzitter:
De heer Futselaar wees mij erop dat de echte formule langer is, maar ik
vind deze eigenlijk wel praktischer.
De heer Futselaar (SP):
Ik vind vooral dat u eerst moet kijken of er daadwerkelijk een
meerderheid is voordat u die vaststelt.
De heer Van den Anker (CDA):
Motie vier, want dat gaat allemaal van mijn tijd af.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat er breed politiek en maatschappelijk draagvlak is voor
het Aanvalsplan Grutto;
constaterende dat de betrokken provincies en maatschappelijke partijen
graag willen starten met de uitvoering van dit initiatief;
overwegende dat voor een succesvolle implementatie van het Aanvalsplan
Grutto structurele financiering nodig is;
verzoekt de regering om binnen zes weken duidelijk te maken op welke
wijze men dit denkt te kunnen realiseren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van den Anker, Dik-Faber,
Bromet, Weverling, Moorlag, De Groot en Futselaar.
Zij krijgt nr. 7 (35616).
Er is een vraag van mevrouw Bromet.
Mevrouw Bromet (GroenLinks):
Ik zou deze laatste motie graag mede willen ondertekenen, als dat
mag.
De voorzitter:
Kijk eens aan. Dat wordt een meerderheid. Gefeliciteerd alvast
daarmee.
De heer Van den Anker (CDA):
Is er nog tijd over of ben ik door mijn tijd heen?
De voorzitter:
U kunt uiteraard wat afrondende opmerkingen maken.
De heer Van den Anker (CDA):
Een afrondende opmerking wil ik hier toch kwijt. We hebben een discussie
gehad over het GLB-beleid, met name over de ecoregeling, waar de
minister ook aan refereerde. Ik wil wel aangeven dat het lijkt alsof die
ecoregeling gebruikt wordt als een soort van duizenddingendoekje. Zodra
er een initiatief komt, op welk vlak dan ook, of het gaat om
biodiversiteit, landschapselementen, diervriendelijke oevers,
CO2-opslag of het creëren van bloemstroken, dan wordt heel
gauw gezegd dat het allemaal kan uit een ecoregeling. De discussie over
die ecoregeling moet hier nog plaatsvinden, maar het lijkt erop dat het
eerder tientjeswerk per hectare gaat worden dan grotere bedragen. En
daar komt de Farm to Fork-strategie nog bovenop. Dan zijn het wel heel
veel ambities, voor heel weinig geld.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank aan de heer Van den Anker. Dan is nu het woord aan de heer
Futselaar van de SP. U heeft nog één minuut en 25 seconden, maar daar
zullen we coulant in zijn.
De heer Futselaar (SP):
Dat is tijd om uitgebreid terug te kijken op mijn eigen
Kamerlidmaatschap, maar nee, dat ga ik niet doen. Het is altijd een
beetje ongemakkelijk bij initiatiefnota's hoe je verdergaat. Dat moet
dan in moties worden verwerkt. Ik denk eigenlijk dat de laatste motie
van de vorige spreker het grootste deel wel covert. Ik heb nog overwogen
om een motie in te dienen over langjarige contracten, maar die kant gaan
we toch wel op, dus dat heb ik niet gedaan.
Ik heb wel een andere motie:
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat er een uitzondering is gemaakt bij de avondklok voor
sommige vormen van jacht;
verzoekt de regering de jacht niet uit te zonderen van de
avondklok,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Futselaar en Wassenberg. Naar
mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.
Zij krijgt nr. 8 (35616).
De heer Futselaar (SP):
Ik laat het hierbij.
De voorzitter:
Dank u wel, de heer Futselaar. Dan is nu het woord aan de heer
Wassenberg. Er staan nog 45 seconden, dus ik ben benieuwd hoe de heer
Wassenberg dat gaat doen, maar we zouden een beetje coulant zijn.
De heer Wassenberg (PvdD):
Ik ga heel snel lezen, voorzitter. Ik heb twee moties.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de haas en het konijn sinds vorig jaar op de rode
lijst van bedreigde diersoorten staan;
overwegende dat dit niet te rijmen is met het feit dat deze soorten nog
voorkomen op de lijst van vrij bejaagbare soorten;
verzoekt de regering om de haas en het konijn te schrappen van de lijst
van vrij bejaagbare soorten,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Wassenberg en Futselaar. Naar
mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.
Zij krijgt nr. 9 (35616).
De heer Wassenberg (PvdD):
De twee Franken, als het ware.
Dan mijn tweede motie:
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat mestkevers en andere insecten essentieel voedsel zijn
voor weidevogelkuikens;
overwegende dat onderzoek in opdracht van de provincie Gelderland
residuen van pesticiden aantrof in drijfmest, krachtvoer en in de bodem
van weilanden en dat er een negatief verband was tussen de hoeveelheid
residuen en het aantal mestkevers;
overwegende dat voor de bescherming van weidevogels volledig zicht moet
zijn op hun hele voedselketen en de invloed van pesticiden daarop;
verzoekt de regering op korte termijn onafhankelijk empirisch onderzoek
te laten uitvoeren naar residuen in krachtvoer, mest en de bodem en de
effecten daarvan op insecten en weidevogels,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Wassenberg en Graus. Naar mij
blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.
Zij krijgt nr. 10 (35616).
De heer Wassenberg (PvdD):
Als u mij toestaat, voorzitter, nog één opmerking. De heer Von Martels
was kritisch op die zodenbemester. Die kritiek delen wij. We hebben nog
een aangehouden motie waarin wij een verbod willen op mestinjecties;
hetzelfde maar dan een ander woord. Ik hoop dat het CDA straks die motie
zal steunen.
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Wassenberg. Dan is nu het woord aan mevrouw Bromet
van de fractie van GroenLinks. Er staat nog een halve minuut maar
liefst.
Mevrouw Bromet (GroenLinks):
O voorzitter, dat is best veel. Ik heb met enthousiasme net mijn naam
onder de motie van het CDA gezet om meer structureel geld te reserveren
voor weidevogelbeheer. Het is waar dat de bedragen in het GLB voor
natuurbeheer niet heel hoog zijn, maar tegelijkertijd zijn al die dingen
die de heer Van den Anker noemt goed voor de weidevogels. Ik zou een
pleidooi willen houden om al die opgaven die op het landelijk gebied af
komen, zo veel mogelijk te integreren en dan kun je met één bedrag een
heleboel doelen dienen. Ik heb het gevoel dat er langzaam iets begint te
verbeteren in de manier waarop wij praten over de wijzigingen die nodig
zijn op het boerenland. Ik hoop dat dit in de volgende periode ook tot
resultaten zal leiden, want we hebben het hier al erg vaak over
gehad.
De voorzitter:
Dank u wel. Er is hoop, en dat zeg ik met optimisme. Dan de heer Moorlag
van de PvdA. Voor uw tweede termijn heeft u nog één minuut.
De heer Moorlag (PvdA):
Zo veel tijd heb ik niet nodig om de hoogste Groninger loftuiting uit te
spreken: het kon minder. Een mooi initiatief en goede moties. De laatste
motie van het CDA heb ik graag meegetekend. Ik heb daarom geen behoefte
om andere moties in te dienen. Ik ben blij dat we elkaar in deze laatste
sessie van de commissie zo'n beetje snikkend in de armen vallen,
misschien wat overdreven gezegd, en dat we een grote mate van consensus
hebben. De weidevogels mogen rekenen op veel steun van deze commissie.
Ik hoop dat die fakkel in de volgende periode goed verder wordt
gedragen.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Moorlag. Dan is nu het woord aan de heer Weverling,
met nog ruim twee minuten.
De heer Weverling (VVD):
Oké, wat ik overhoud, mag mevrouw Dik-Faber hebben van mij. Geen
inhoudelijke bijdrage meer. Dank allemaal voor de fijne samenwerking de
afgelopen vier jaar. Dat heb ik in de plenaire zaal al een keer gezegd,
dus ik houd het kort. Dank aan de minister en haar ondersteuning. Het
was zeer plezierig. Ik zou zeggen: eet meer groente en fruit en koop
veel bloemen en planten. Dat zorgt voor gezondheid en geluk.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dat waren de laatste woorden van de heer Wevering, althans in dit
verband. Mevrouw Dik-Faber, u heeft de tijd van de heer Weverling hard
nodig, want er staan nog twintig seconden. Maak er dankbaar gebruik
van.
Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):
Dank u wel, voorzitter. Ik wil de initiatiefnemer en de minister
bedanken voor de antwoorden. Er is toch veel gewisseld in deze korte
tijd. Ik wil nog even ingaan op een van de antwoorden van de minister.
Zij verwees bij mijn vraag naar het tijdpad voor het Aanvalsplan Grutto
naar het Nationaal Strategisch Plan bij het GLB. Ik denk dat dat goed
is, alleen gaat dat Nationaal Strategisch Plan over heel erg veel. Ik
denk dat het Aanvalsplan Grutto zo veel potentieel heeft dat het
belangrijk is dat er een aparte brief over komt, of dat het heel
duidelijk naar voren komt in het Nationaal Strategisch Plan, zodat het
niet ondergesneeuwd raakt in de veelheid aan andere onderdelen in zo'n
document.
Voorzitter. Het CDA heeft een mooie laatste motie ingediend, de vierde
meen ik, die mijn fractie heel graag meetekent. U mag mijn naam eronder
zetten. Ik denk dat we dan met een brede steun van deze commissie tot
een mooi resultaat komen vandaag, met dank aan de heer Von
Martels.
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Dik-Faber. Zou u kort het voorzitterschap willen
overnemen?
Voorzitter: Dik-Faber
De voorzitter:
Ik geef het woord aan de heer De Groot namens D66 voor zijn bijdrage in
tweede termijn.
De heer De Groot (D66):
Dank u, voorzitter. Dank aan de indiener en de minister voor de
antwoorden. Ik vind het echt een mooi einde van deze termijn van vier
jaar, om in eensgezindheid te pleiten voor een beter beleid voor de
weidevogel. We steunen de motie dus van harte; u kunt ook de fractie van
D66 onder uw motie noteren.
Dat was de inbreng van D66 in tweede termijn. Dank u wel,
voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer De Groot. Dan geef ik het woord nu weer aan de heer
De Groot om het voorzitterschap over te nemen.
Voorzitter: De Groot
De voorzitter:
Dank u wel. We gaan even schorsen voor de moties. Ik kijk even naar de
tijd. We hebben niet lang meer, maar de moties moeten even
vermenigvuldigd worden.
De heer Futselaar (SP):
Ik heb een klein punt van orde, of eigenlijk meer een vraag. Weet u of
er vandaag over de moties gestemd gaat worden?
De voorzitter:
Ja, ik begreep van wel, ja.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.
De voorzitter:
Met dank aan het razendsnelle werk van de bodes heropen ik deze
vergadering. Ik geef het woord aan de minister.
Minister Schouten:
Dank u wel, voorzitter. Ik heb zeven moties en ook nog een vraag van
mevrouw Dik-Faber.
De motie op stuk nr. 4 gaat over de steenmarter op de landelijke
vrijstellingslijst. Ik had tijdens mijn bijdrage al een tipje van de
sluier opgelicht. Ik vind dat de provincies daar zelf de keuzes in
kunnen maken. Die kunnen dat ook doen. Daarom ontraad ik deze
motie.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 4 wordt ontraden.
Minister Schouten:
De motie op stuk nr. 5 gaat over de zwerfkatten en de rol daarvan bij de
weidevogels. Wij zien dat de predatie van weidevogels een groot probleem
is en dat katten een van de predatoren zijn. De informatie over de
effecten van de predatie en de verstoring door katten in
weidevogelpopulaties is behoorlijk fragmentarisch. We hebben niet een
heel dekkend beeld. De behoefte om dit te onderzoeken leeft al langer.
Dat weten wij ook. Ik zal kijken op welke wijze ik dit kan meenemen in
het lopende predatieonderzoek dat op dit moment door de
Rijksuniversiteit Groningen wordt uitgevoerd. Als ik de motie zo mag
uitvoeren, dan krijgt ze oordeel Kamer.
De voorzitter:
Ik kijk naar de indiener of de motie zo mag worden uitgelegd. De heer
Van den Anker van het CDA knikt. Daarmee krijgt de motie op stuk nr. 5
oordeel Kamer.
Minister Schouten:
Prima. De motie op stuk nr. 6 vraagt om te laten weten wat de
mogelijkheden zijn om het budget voor agrarisch natuur- en
landschapsbeheer te verhogen. Dat kan ik doen. Ik zou de motie dan ook
oordeel Kamer willen geven.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 6 krijgt oordeel Kamer.
Minister Schouten:
Dan kom ik bij de volgens mij inmiddels zeer breed ondertekende motie op
stuk nr. 7, waarin gevraagd wordt naar structurele financiering van het
aanvalsplan. Ik moet daar goed naar kijken, want dit zijn natuurlijk
middelen die niet alleen van mij zijn. Deze middelen zijn ook van de
provincies, want die gaan natuurlijk over de middelen in POP3. Bij het
agrarisch natuur- en landschapsbeheer zit ook cofinanciering en
dergelijke. Ik moet hier dus goed naar kijken, maar ik heb
tegelijkertijd ook een vraag gehoord van mevrouw Dik-Faber. Ze vroeg:
kunt u een brief sturen waarin u een en ander uiteenzet over het tijdpad
bij een aantal zaken die lopen bij het Aanvalsplan Grutto? Misschien
moeten we dat combineren. Ik kijk wat de mogelijkheden zijn. Wij zijn nu
demissionair, dus nu over mijn graf heen regerend allerlei budgettaire
toezeggingen doen is best ingewikkeld. Maar ik snap de onderliggende
vraag. Wat is ervoor nodig, zo lees ik de vraag, om dit op gang te
kunnen brengen en hoe zou je dit een snelle start kunnen geven? Dat is
de vraag, als ik hem zo mag interpreteren. Ik ben bereid om daarnaar te
kijken, maar ik heb tijd nodig. Ik combineer dat met de brief die
mevrouw Dik-Faber heeft gevraagd. Als ik de motie op zo'n manier mag
uitvoeren, dan zou de motie oordeel Kamer kunnen krijgen.
De voorzitter:
De indiener knikt: dat is het geval. Daarmee krijgt de motie op stuk nr.
7 oordeel Kamer.
Minister Schouten:
Dan de motie op stuk nr. 8. Die gaat over de jacht niet uitzonderen van
de avondklok. Ik denk dat dit gaat over het debat over de zwijnen. Dat
is hier niet benoemd, maar ik schat zo in dat het hierover gaat.
Overigens: het wordt elke keer een "ontheffing" genoemd, maar er is geen
ontheffing gegeven. Men mag dat gewoon doen met een verklaring. Dit is
gericht op de voorkoming van de Afrikaanse varkenspest en alle afspraken
die we daarover hebben gemaakt met de provincies. De provincies hebben
mij zelf gevraagd om die ruimte te krijgen, omdat zij zien dat het een
probleem is. Dit dient een hoger doel om zaken te voorkomen. Ik zou deze
motie dus willen ontraden, want hier ligt echt een hoger vraagstuk aan
ten grondslag.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 8 wordt ontraden.
De heer Futselaar (SP):
Ik zal hier niet een hele discussie over de avondklok beginnen, want dat
is een beetje buiten de orde, al was ik erg blij dat de heer Von Martels
er zelf over begon, waardoor deze motie vandaag wel binnen de orde is.
Wij hebben echt grote twijfels of de uitzondering — of hoe je het wilt
noemen — die de zwijnenjacht nu heeft, in het kader van alle andere
groeperingen die niet uitgezonderd worden, wel helemaal proportioneel
is. Dat is de achtergrond van deze motie.
De voorzitter:
De achtergrond is helder. De minister heeft haar oordeel uitgesproken.
Dan de motie op stuk nr. 9.
Minister Schouten:
Zeker. Die gaat over de haas en het konijn schrappen van de lijst van
vrij bejaagbare soorten. Ik heb uw Kamer onlangs al geïnformeerd over
hoe ik daarmee omga. Ik zal onderzoek laten uitvoeren en heldere
criteria vaststellen waarmee de jacht op deze soorten gewogen kan
worden. Deze motie gaat verder, dus ik ontraad deze motie.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 9 wordt ontraden.
Minister Schouten:
De motie op stuk nr. 10 vraagt een empirisch onderzoek te laten
uitvoeren naar residuen in krachtvoer, mest en de bodem, en de effecten
daarvan op insecten en weidevogels. Er is onlangs al een CDM-advies
opgesteld. De conclusie daarvan was dat er geen empirische aanwijzingen
zijn dat bijvoorbeeld injecteren van mest een negatief effect heeft op
regenwormen en mestkevers als voedsel voor weidevogels. Er ligt dus al
het een en ander aan onderzoek. Daarom ontraad ik deze motie.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 10 wordt ontraden.
Minister Schouten:
Ik had al een reactie gegeven op de vraag van mevrouw Dik-Faber om een
brief. Die zal ik sturen, met daarin ook de manier waarop ik kan omgaan
met op de motie van de heer Van den Anker.
De voorzitter:
Dank aan de minister. Dan nu is nu het een-na-laatste woord … De
minister nog.
Minister Schouten:
De heer Von Martels heeft natuurlijk het laatste woord, maar dit was ook
het laatste debat dat ik met u mocht hebben in deze samenstelling van de
Kamer. Er zijn mensen die terugkeren; ik weet niet of dat ook op de post
natuur of landbouw is. Er zijn ook mensen die niet meer terugkeren; in
ieder geval niet deze termijn, zeg ik de heer Weverling na, want wie
weet wat er daarna allemaal nog voor moois in het verschiet ligt. Mag ik
u ongelofelijk veel danken voor de mooie, soms intense, soms emotionele
en soms diepgaande debatten die wij met elkaar hebben gehad? Het was me
een genoegen. We waren het niet altijd met elkaar eens, maar we zijn wel
altijd verder gekomen met elkaar. Daar draait het volgens mij in de
politiek om.
Dank u wel.
(Geroffel op de bankjes)
De voorzitter:
Een mooie afsluiting door de minister, met instemming begroet. De heer
Von Martels, een een-na-laatste woord.
De heer Von Martels (CDA):
Zeker. Dank, voorzitter. Ook veel dank voor de warme woorden die zijn
gesproken, ook zojuist door de minister. Er hebben inderdaad enorm
intense discussies plaatsgevonden hier op het Binnenhof. Daar kijken we
met z'n allen op terug op een manier waarvan we achteraf zullen zeggen:
het heeft ons verder gebracht. Dat hoop ik ook met dit onderwerp, de
weidevogelnota. We hebben vandaag het weidevogeltestament aangescherpt.
Er heeft in ieder geval een herijking plaatsgevonden. Hopelijk gaan de
politieke erfgenamen daar op een hele goede manier mee om. Zo niet, dan
betekent dat misschien wel dat de weidevogels — de kievit, de tureluur
en de scholekster — vleuggellam worden gemaakt. Dat is het laatste wat
we zouden willen, toch?
De voorzitter:
Dat zijn fantastische afsluitende woorden van de heer Von Martels, de
indiener van de nota. Voordat ik afrond: dit was ook de eerste en de
laatste vergadering van de heer Van den Anker. Het was fantastisch om
met u samen te werken. Ook de heer Futselaar heeft zijn laatste woorden
gesproken, als het goed is; in ieder geval voorlopig. Bedankt voor de
samenwerking. Mevrouw Dik-Faber heeft aangegeven niet te zullen
terugkeren, evenals de heer Weverling en de heer Moorlag. Zeer bedankt
voor de samenwerking en uw inbreng in deze commissie. Natuurlijk ook van
de zijde van de Kamer zeer veel dank aan de minister in deze termijn.
Daarmee is het 16.00 uur geworden en sluit ik deze vergadering. Dank u
wel.
Sluiting 16.00 uur.
ONGECORRIGEERD STENOGRAM Verslag OSV 97 (2020-2021) van 11 februari 2021 |
---|
Aan ongecorrigeerde verslagen kan geen enkel recht worden ontleend. Uit ongecorrigeerde verslagen mag niet letterlijk worden geciteerd. Inlichtingen: verslagdienst@tweedekamer.nl |