Hersteloperatie kinderopvangtoeslag (ongecorrigeerd stenogram)
Stenogram
Nummer: 2021D38530, datum: 2021-10-12, bijgewerkt: 2024-02-19 10:56, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Onderdeel van activiteiten:- 2021-10-12 18:00: Hersteloperatie kinderopvangtoeslag (Notaoverleg), vaste commissie voor Financiën
Preview document (🔗 origineel)
Tweede Kamer, Hersteloperatie kinderopvangtoeslag
VERSLAG VAN EEN NOTAOVERLEG
Concept
De vaste commissie voor Financiën heeft op 12 oktober 2021 overleg gevoerd met mevrouw Van Huffelen, staatssecretaris van Financiën - Toeslagen en Douane, over:
de brief van de staatssecretaris van Financiën - Toeslagen en Douane d.d. 30 september 2021 inzake achtste Voortgangsrapportage kinderopvangtoeslag (2021Z16905);
de brief van de staatssecretaris van Financiën - Toeslagen en Douane d.d. 11 oktober 2021 inzake beantwoording vragen commissie over de achtste Voortgangsrapportage kinderopvangtoeslag (2021Z17633);
de brief van de staatssecretaris van Financiën - Toeslagen en Douane d.d. 11 oktober 2021 inzake reactie op de vragen over de achtste Voortgangsrapportage kinderopvangtoeslag (VGR) (2021Z17632);
de brief van de staatssecretaris van Financiën - Toeslagen en Douane d.d. 9 september 2021 inzake voortgang herijking herstel Toeslagen (2021Z15170);
de brief van de staatssecretaris van Financiën - Toeslagen en Douane d.d. 6 juli 2021 inzake toezending onderzoeksrapport ADR: ''grensbedragen opzet/grove schuld (O/GS) en minnelijke schuldsanering MSNP'' (2021Z12852);
de brief van de staatssecretaris van Financiën - Toeslagen en Douane d.d. 17 september 2021 inzake beantwoording vragen van de leden Edgar Mulder en Grinwis over Regeling Kinderopvang Toeslag (RKT) en Schenkbelasting (31066, nr. 884).
Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.
De fungerend voorzitter van de vaste commissie voor Financiën,
Tielen
De griffier van de vaste commissie voor Financiën,
Weeber
Voorzitter: Tielen
Griffier: Weeber
Aanwezig zijn vijftien leden der Kamer, te weten: Alkaya, Azarkan, Inge van Dijk, Grinwis, Idsinga, Kat, Edgar Mulder, Nijboer, Omtzigt, Van der Plas, Van Raan, Simons, Snels, Stoffer en Tielen,
en mevrouw Van Huffelen, staatssecretaris van Financiën - Toeslagen en Douane.
Aanvang 18.00 uur.
De voorzitter:
Goedemiddag allemaal. Het is 18.00 uur. Bij de meeste gezinnen staan
inmiddels de aardappels op tafel. Ik hoop dat u ze inmiddels achter de
kiezen heeft, want wij gaan een intensieve avond tegemoet, als ik kijk
naar het aantal sprekers dat zich bij ons voegt. We hebben een
notaoverleg over de hersteloperatie kinderopvangtoeslagen. Ik heet de
staatssecretaris van Toeslagen, mevrouw Van Huffelen, van harte welkom,
en uiteraard ook mijn collega-Kamerleden. Dat zijn mevrouw Kat namens
D66, mevrouw Inge van Dijk namens het CDA, de heer Alkaya namens de
Socialistische Partij, de heer Snels namens GroenLinks, de heer Idsinga
namens de VVD, de heer Nijboer namens de Partij van de Arbeid, de heer
Azarkan namens de fractie van DENK, de heer Mulder namens de Partij voor
de Vrijheid, de heer Stoffer namens de Staatkundig Gereformeerde Partij
en de heer Omtzigt namens de heer Omtzigt en een heleboel stemmers in
zijn achterban. Dat geldt uiteraard voor iedereen hier aan tafel.
We hebben dit notaoverleg gepland tot 23.00 uur. Een notaoverleg is
anders dan een commissiedebat — dat zeg ik even tegen de kijkers thuis,
die ik ook welkom heet — aangezien we in de tweede termijn moties kunnen
indienen. Ik vermoed dat dat ook zal gebeuren, maar dat betekent wel dat
het verstandig is om ons een beetje aan de spreektijden te houden. Dat
betekent een indicatieve spreektijd in de eerste termijn van vier
minuten en vier korte vragen dan wel twee interrupties in tweeën aan
elkaar, en ook aan de staatssecretaris in de eerste termijn van het
kabinet. Ik zie mensen die daar een amendement op willen indienen!
Mevrouw Kat.
Mevrouw Kat (D66):
Nee, voorzitter. Ik had in de voorbereiding ergens vijf minuten gelezen,
dus daar ging ik ook van uit.
De voorzitter:
Ja, wie ben ik dan om uw gedegen voorbereiding in te perken? Prima, maar
we houden wel om 23.00 uur op. Als u dus gewoon een beetje sneller praat
en mij in ieder geval niet uitdaagt door heel ver over die vijf minuten
heen te gaan, dan moet het allemaal lukken. We gaan spreken in de
volgorde zoals we die gewend zijn in dit soort debatten. Dat betekent
dat de spreker links van mij mag beginnen. Dat is mevrouw Kat namens
D66. Het woord is aan mevrouw Kat.
Mevrouw Kat (D66):
Dank u wel, voorzitter. In de documentaire Alleen tegen de Staat heeft
heel Nederland pijnlijk treffend kunnen zien welk ongekend onrecht de
ouders in de toeslagenaffaire is aangedaan. De overheid heeft de ouders
totaal geïsoleerd, geruïneerd en vernederd. De verhalen van de ouders
sterken mij in de gedachte die wij nu ook breder in deze Kamer hebben:
geld alleen is niet genoeg. Natuurlijk moeten allereerst de acute
geldzorgen opgelost worden, maar daarna vraagt echt herstel om maatwerk
en om het meedenken met de ouders. Een van de pijlers van het
gedachtegoed van D66 is het vertrouwen op de eigen kracht van mensen.
Voor mij hoort daarbij dat we mensen helpen om vertrouwen te hebben in
zichzelf. We hebben die ouders vernederd. Hun vertrouwen in de overheid
was zo groot dat ze eerder aan zichzelf twijfelden dan aan hun eigen
overheid, terwijl ze geen schijn van kans maakten, wat ze ook deden. Die
twijfel wens ik niemand toe.
Voorzitter. Ik twijfel niet aan deze ouders. Alleen door het gesprek aan
te gaan kunnen we met elkaar de individuele behoeftes per gezin
vaststellen. Deze behoefte moet wat mij betreft leidend zijn. Daarnaast
laten we met dat gesprek zien dat we vertrouwen hebben in de ouders en
dat ze het verdienen om serieus genomen te worden. Nog pijnlijker is de
twijfel aan je eigen rol in je gezin. Denk aan jarenlange stress,
keihard werken, ieder dubbeltje drie keer omdraaien. Achteraf volgt pas
de bezinning, als je jezelf in de spiegel aankijkt en ziet hoe je
veranderd bent; je hebt het gevoel dat je niet de vader of moeder bent
geweest die je had willen zijn. Kortom, dit gaat verder dan
€30.000.
Voorzitter. We moeten deze ouders weer perspectief geven. Dat moet en
kan niet snel genoeg gaan. Ik waardeer de inzet van de ambtenaren en de
staatssecretaris in de uitvoering van de hersteloperatie enorm.
Inmiddels hebben 20.000 ouders €30.000 ontvangen en is er een pauze op
de invordering van hun schulden. Maar we hadden allemaal liever gezien
dat de integrale beoordelingen en de klachtenbehandeling verder op gang
waren, dat we ook meer zekerheid hadden over het nieuwe tijdpad dat
geschetst zal worden en dat ook realistisch is, en dat we echt, maar dan
ook echt, alle opties hebben ontdekt en benut om nog verder te
herstellen.
Ook de ex-partnerregelingen en de niet-KOT-regelingen laten nog steeds
op zich wachten. We moeten proberen om snel knopen door te hakken over
hoe wij met elkaar verder willen gaan, zodat een afronding in beeld
komt. Dan heb ik het nog niet eens gehad over wat te doen met de vele
mensen die zich bij de uitvoeringsorganisatie hebben gemeld met andere
problemen met de overheid. Na de lichte toets is namelijk 40% als niet
gedupeerd in de kinderopvangtoeslagaffaire bevonden, maar ik ben ervan
overtuigd dat hier andere verhalen achter zitten. Die verhalen zijn
relevant, want deze mensen moeten verder geholpen worden. Ook de Raad
van Europa heeft erop gewezen dat we beter moeten omgaan met de klachten
van onze inwoners. We moeten toe naar een eerlijke, simpele en
begripvolle overheid.
Voorzitter. Ik ben blij met de grote rol die gemeentes hebben gekregen.
Gemeentes zitten namelijk het dichtst op hun eigen inwoners en kunnen
ook het best maatwerk leveren aan de ouders. Daarom maak ik me zorgen
als ik lees dat slechts 20% van de gemeentes begonnen is met het
kwijtschelden van de publieke schulden. Hoe gaan we ervoor zorgen dat de
gemeentes de ruimte die de staatssecretaris nu geboden heeft, gebruiken
om ouders hulp te bieden? Niet bang zijn voor precedentwerking, maar
daadwerkelijk de ouders en kinderen verder helpen. De staatssecretaris
heeft haar conceptbesluit inzake de private schulden met de Kamer
gedeeld. Er wordt een nieuwe uitvoeringsorganisatie opgezet met de
ervaringsdeskundigheid van de kredietbanken. Daarin kunnen ze samen het
verschil maken, maar dienstverlening is natuurlijk mensenwerk. Het
draait om vakmanschap. Wat dat betreft heb ik vertrouwen in de nieuwe
uitvoeringsorganisatie. Maar de aanpak van schulden is een aanpak
waarvan we ook breder kunnen leren. Ik hoor van ouders, kinderen, de
gemeentes en ook van de belangenorganisaties dat ze ontzettend veel lof
hebben voor de inzet van onze staatssecretaris. Zij is continu in
gesprek met de ouders en kinderen, maar ook met instanties over hoe wij
nu verder kunnen gaan.
Voorzitter. Ik rond af met een laatste punt. Wat D66 betreft is deze
problematiek ontstaan door het overmatig ingewikkeld maken van het hele
toeslagensysteem. Het is een systeem waar we eigenlijk gewoon vanaf
moeten. We moeten per toeslag, stuk voor stuk, gaan kijken hoe wij deze
overbodig kunnen maken, zodat we ze kunnen afschaffen. Geen ingewikkelde
aangiftes met voorschotten, naheffingen, definitieve aanslagen en
schulden bij de Belastingdienst. We moeten zeker niet al die mensen maar
voorschotten gaan betalen, zoals op advies van mevrouw Van der Plas.
Nee, niet nodeloos geld rondpompen maar wel toe gaan werken naar een
eerlijke, simpele en begripvolle overheid.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Kat. Inmiddels hebben zich bij ons gemeld mevrouw
Simons namens BIJ1, meneer Grinwis namens de ChristenUnie en meneer Van
Raan namens de Partij voor de Dieren. We hebben al dertien sprekers, dus
dat maakt de noodzaak om ons aan de afspraken over de spreektijden te
houden nog wat groter. Mevrouw Van Dijk, namens het CDA.
Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Dank je wel, voorzitter. Er zijn nog heel veel onderwerpen die
samenhangen met de kinderopvangtoeslag waarover we met elkaar moeten
gaan praten en dat gaan we ook zeker doen, maar vandaag ga ik me enkel
richten op de voortgang van de hersteloperatie. Wij zijn deze ouders
perspectief verschuldigd en daarvoor is deze voortgang een heel
belangrijk onderdeel.
Allereerst constateer ik dat we met verschillende brillen naar de
voortgang kijken. De een zegt dat er nog geen 10% volledig is
gecompenseerd, en de ander zegt dat bijna 70% de eerste toets al heeft
doorlopen. En beiden hebben gelijk. Hoe ik ernaar kijk is dat, los van
hoe het nu gaat, de voortgang alleen maar verder vast gaat lopen als we
niet anders gaan werken. Voor de vakantie hadden we al het voornemen om
te gaan herijken. Ik was in de veronderstelling dat we na de vakantie
over deze herijking zouden gaan praten. Ik snap echt wel dat de vakantie
niet het ideale moment is voor een herijking, maar in het nu
voorgestelde tempo gaat ook het proces van herijking erg langzaam.
Tijdens de vakantie is wel een enquête afgenomen onder 1.000 ouders over
wat zij nodig hebben voor herstel. Ik vraag de staatssecretaris hoe deze
groep ouders is geselecteerd voor een zo goed mogelijke afspiegeling van
die groep. Was het niet beter geweest als de enquête zo breed mogelijk
was gedeeld en alle ouders hun input hadden kunnen geven?
Helaas zijn we dus nog niet veel verder, en dat voelt bij mij helemaal
niet lekker. Maar wat stel ik dan voor? Enkel klagen over de voortgang
levert geen beter proces voor ouders op. Ik ben even heel plat twee
rijtjes gaan maken met signalen van de ouders. Een rijtje met wat niet
werkt voor heling en voortgang en een rijtje van wat wel positief werkt.
Wat niet werkt is dat dossiers van bureau naar bureau gaan, ouders keer
op keer opnieuw hun verhaal moeten doen, extra stukken moeten
aanleveren, iedere keer iemand anders spreken en onzekerheid over
wanneer zij iets horen en wat zij precies moeten doen. Wat wel werkt is
persoonlijk contact met mensen die luisteren en het verhaal van de
ouders leidend laten zijn, die de ouders serieus nemen, die ze stap voor
stap begeleiden in het hele proces, die duidelijkheid geven en bij
vragen snel teruggebeld worden.
Als we dit weten, is een deel van de oplossing dan niet vrij simpel? Is
het dan niet verstandig om na de lichte toets door UHT en de
constatering dat een ouder inderdaad gedupeerd is, het dossier warm over
te dragen aan een vanaf dat moment vaste contactpersoon voor de ouders
bij de gemeente? De gemeente heeft ook het beste inzicht wat de dossiers
met de grootste problemen zijn die voorrang moeten krijgen. Vanaf dat
moment is de gemeente dan ook in the lead en is iedere instantie die de
gemeente nodig heeft — dus ook de Belastingdienst — verantwoordelijk
voor een integrale beoordeling, dienstbaar aan die gemeente en aan de
ouders, met een gezamenlijk doel. Gemeente en UHT zijn op dat moment als
team verantwoordelijk om de juiste oplossing te vinden voor de problemen
van de ouders, in samenspraak met de ouders.
Wel gelden wat ons betreft een paar voorwaarden om gemeenten te vragen
deze rol op te pakken, vooral bij de integrale toetsing. De deadline van
1.600 ouders in Q3 wordt al moeilijk gehaald, laat staan de in totaal
8.300 ouders in heel 2021. We zijn nog niet eens op de helft. De
integrale toetsing moet vlotter, zodat gemeentes ook sneller met ouders
tot herstel kunnen komen. En dan is de afweging of we de integrale
toetsing generieker gaan insteken of accepteren dat het nog jaren duurt.
Wij denken dat eerste. Graag horen we van de staatssecretaris op welke
manier dat mogelijk is, bijvoorbeeld door een forfaitaire tegemoetkoming
per schadejaar. Dat zou misschien ook tot gevolg kunnen hebben dat ook
andere mensen, zoals lokale accountants en belastingadviseurs, kunnen
gaan helpen bij beoordelingen. Op die manier kan ook de gang naar de
Commissie Werkelijke Schade beperkt worden, de volgende bottleneck die
we aan zien komen.
Een andere voorwaarde is dat we de werkstroom van integrale toetsing
inkrimpen door mensen die andere problemen hebben dan de onterechte
terugvorderingen voor de kinderopvangtoeslag uit de hersteloperatie te
halen. Kunnen we voor deze groep een apart loket inrichten, zodat hun
aanvragen gericht behandeld kunnen worden en het herstel voor ouders
niet wordt vertraagd?
Voor het herstel is het tot slot belangrijk dat de schulden van ouders
snel worden opgelost. Daarvoor ligt er nu een regeling. We hebben
gisteren een reactie op de praktische uitvoerbaarheid gehad. Daar zien
we twee risico's, namelijk dat nader testen toch onvoldoende uitvoerbaar
is en dat niet alle ouders voor 1 januari geholpen zijn, terwijl het
moratorium dan wel afloopt. Graag horen we van de staatssecretaris hoe
ze dat gaat oplossen.
Voorzitter. Ik blijf dus pleiten voor een integrale persoonlijke
benadering, met de ouder als regisseur van zijn of haar eigen proces.
Laten we de menselijke maat weer vooropstellen, iets wat juist zo
ontbroken heeft al die tijd. En laten we nu eerst die herijking op orde
brengen, en dan kunnen we vandaaruit doorwerken met de diverse
regelingen en zorgen dat ze niet alleen op papier kloppen, maar ook
uitvoerbaar zijn in de praktijk, want dat kan alleen als de basis op
orde is.
Graag hoor ik de reactie van de staatssecretaris op de voorstellen,
vanuit de bril: kansen zien voor deze ouders. Dank je wel,
voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Van Dijk. Dan geef ik het woord door aan de heer
Alkaya, die spreekt namens de SP.
De heer Alkaya (SP):
Voorzitter. Wij zitten hier vandaag niet alleen in de wetenschap dat er
jarenlang ongekend onrecht is aangedaan aan tienduizenden ouders en
kinderen, maar wij zitten hier ook in de wetenschap dat diezelfde
overheid er niet in slaagt om de slachtoffers van dit onrecht spoedig en
volledig te compenseren voor de schade die zij hebben geleden. Nog niet
een op de tien mensen die zich hebben gemeld als gedupeerden, heeft een
integrale beoordeling gehad. Dat zijn ongeveer 4.200 ouders van de bijna
50.000 die zich hebben gemeld. En de rest zit dus nog in het proces, in
onzekerheid, en sommigen al jarenlang. En natuurlijk heeft een deel van
de gedupeerden al €30.000 ontvangen, volgens de Catshuisregeling. Maar
ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat deze regeling, die kort
voor de verkiezingen opeens uit de hoge hoed van de regering kwam, de
hersteloperatie alleen maar ingewikkelder heeft gemaakt. Er zou eerst
alleen een lichte toets komen, maar ondertussen spreekt de
staatssecretaris al van een eerste zorgvuldige toets voor die €30.000.
En als je daar niet doorheen komt, dan sta je al op achterstand bij het
halen van je recht. Het is dus een extra bureaucratische molen geworden,
waardoor ouders die al veel te lang wachten op een integrale
beoordeling, nog steeds niet weten wanneer zij van de ellende van deze
staatssecretaris zijn verlost.
Na lang in de ontkenningsfase te hebben gezeten, kondigde de
staatssecretaris voor de zomer aan dat er toch een zogenaamde herijking
van de aanpak komt. Want zij ontkende lang dat er fundamentele problemen
waren in de aanpak van de compensatie, maar opeens was er dan toch het
besef dat alles anders moest. Dat klonk aanvankelijk veelbelovend; de
regering leek toe te geven dat zij niet op de juiste weg zaten. Maar
ondertussen weten wij ook dat die zogenaamde herijking van de
staatssecretaris nog maandenlang gaat duren. Ook dat gaat dus traag en
bureaucratisch. Deze staatssecretaris heeft een bureaucratisch gedrocht
gecreëerd, terwijl zij een crisisorganisatie had moeten inrichten. Deze
staatssecretaris heeft daarom gefaald, wat ons betreft. En de SP
twijfelt er ernstig aan of zij wel de juiste persoon op de juiste plek
is.
Al in december 2020 werd een motie van de SP aangenomen om te starten
met proeven voor een integrale beoordeling van slachtoffers binnen één
dag. December 2020! Dat betekent dus niet dat al het werk wordt
gereduceerd tot één dag, maar wel dat het contactmoment van de ouders,
die voorbereid aan tafel komen, op een afgesproken moment, eventueel met
juridische ondersteuning, dat proces dus, niet langer dan een dag duurt.
Aan tafel zit dan ook een persoonlijke zaakbehandelaar, die de
bevoegdheid heeft om een compensatiebedrag overeen te komen, en de
gemeente die de ouders daarna verder kan ondersteunen, bijvoorbeeld met
hun schulden. Aan het einde van de dag is er dan een overeenkomst en een
beschikking. Dat zal niet bij iedereen lukken, maar al in 2020 gaven
veel betrokkenen bij de SP aan dat dit voor een groot deel van de ouders
een snelle en adequate oplossing kan zijn. En nu blijkt eindelijk, tien
maanden nadat onze motie is aangenomen, dat dit inderdaad het geval is.
Daarom is mijn enige vraag vandaag aan de staatssecretaris: is zij
bereid om op basis van de resultaten van de pilots die zijn uitgevoerd,
de eendagsprocedure de norm te maken bij alle integrale beoordelingen
van de gedupeerde ouders, en dit dus breed uit te rollen over het
land?
Daarvoor zijn wat de SP betreft in ieder geval twee hervormingen
cruciaal. Allereerst dat de persoonlijke zaakbehandelaars de bevoegdheid
krijgen om, eventueel na een collegiale toets ter plekke, een
beschikking op te stellen. Veel meer vrijheid voor die persoonlijke
zaakbehandelaars, veel meer bevoegdheden. En ten tweede: dat de
organisatie van die eendaagse beoordeling in ieder geval niet wordt
gedaan door de Belastingdienst en de UHT, maar door een organisatie die
ervaring heeft met het opzetten van soortgelijke crisisvoorzieningen.
Dan moet men dus denken aan het inrichten van tijdelijke faciliteiten in
een groot aantal gemeenten, vergelijkbaar met bijvoorbeeld de
vaccinatielocaties, maar dan natuurlijk veel minder grootschalig, die
ook weer snel moeten verdwijnen op het moment dat het is afgerond. Als
de staatssecretaris bereid is om dit te organiseren, dan krijgt zij van
de SP de kans om dit te doen. Anders kan zij beter het veld ruimen voor
een staatssecretaris die meer oog heeft voor de gedupeerden en minder
voor de bureaucratie.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Alkaya. Meneer Snels is aan het woord, namens
GroenLinks.
De heer Snels (GroenLinks):
Dank u wel, voorzitter. Je zal maar een ouder zijn in de
toeslagenaffaire: jarenlang vernederd en achternagezeten door een
overheid en niet weten wat je fout hebt gedaan. Zelf niets eten bij het
kerstdiner zodat er nog genoeg is voor de anderen. Te horen krijgen van
je eigen zoon of dochter dat je van de overheid geen contact meer met ze
mag hebben. Je aanmelden voor compensatie en dan eindeloos moeten
wachten totdat je geholpen wordt, zonder dat je weet wanneer je aan de
beurt bent, en nog steeds geen uitzicht hebben op de dag dat je deze
ellende achter je kan laten.
Voorzitter. Je zal ook maar een ambtenaar zijn: gemotiveerd om het goede
te doen, terwijl je misschien niks te maken hebt met de wrange
geschiedenis van het toeslagenschandaal en niet meer je vinger durft op
te steken richting je manager, omdat je je niet langer veilig voelt en
in de beeldvorming altijd verdacht bent.
Voorzitter. Mijn frustratie over de trage afhandeling is erg groot, maar
mijn frustratie over de sfeer die we inmiddels met z'n allen hebben
gecreëerd, is minstens net zo groot. Het wantrouwen binnen de
Belastingdienst, tussen de diensten en het kerndepartement en tussen de
ambtenarij en de politiek is giftig. Uiteindelijk zijn de ouders hiervan
de dupe. Niemand durft meer zijn vinger op te steken bij de
Belastingdienst. In zo'n sfeer van wantrouwen komt een proces van heling
nooit meer tot stand. Ik vraag daarom wat de inhoudelijke analyse van de
staatssecretaris is. Hoe gaan we een klimaat creëren waarin inhoudelijke
kritiek weer mogelijk is en mensen zich veilig voelen, zodat ze in staat
zijn met volle overgave de ouders te helpen? Graag een inhoudelijke
reactie.
Voorzitter. Het moet fundamenteel anders, zei de Ombudsman. Maar ik
krijg het gevoel dat de herijking van de operatie slechts smalle marges
kent, dat er geen radicaal antwoord is op het fundamentele dilemma: zo
snel mogelijk, maar ook met individueel maatwerk. We willen het allebei,
maar kan het wel volgens de staatssecretaris? Wat is volgens de
staatssecretaris het perspectief van de herijking voor de
hersteloperatie? Die herijking kost tijd — dat snap ik — maar wanneer
krijgen we de voorstellen? Welke veranderingen en verbeteringen kunnen
nu al doorgevoerd worden? Graag een reactie.
Voorzitter. Ik maak me ook zorgen over het emotionele herstel. De
staatssecretaris schrijft zelf in een voortgangsrapportage dat de
immateriële hulp op dit moment nog vrij rommelig is georganiseerd, met
het serviceteam, het Brede Hulpteam, Slachtofferhulp Nederland en de
gemeenten. Allemaal werken ze hard en doen ze hun best, maar er is nog
geen duidelijke verantwoordelijkheidsverdeling. Ook hierbij wijst de
staatssecretaris naar de herijking. Die is van belang, maar wat kan er
nu al beter georganiseerd worden? Hoe gaat dat er in de toekomst
uitzien? Hoe gaan we er bovendien voor zorgen dat er niet allerlei
mensen zijn die gedupeerd zijn in andere toeslagen en nu bij de
kinderopvangtoeslag niet door de toets komen en afgewezen worden? Ook
die mensen zullen geholpen moeten worden. Hoe gaan we dat organiseren,
zodat mensen die toch gewoon last hebben van de overheid maar misschien
geen recht hebben op compensatie, wel door de overheid worden geholpen?
Graag een reactie.
Voorzitter. Tot slot twee praktische vragen. Wij krijgen signalen dat er
ex-partners van gedupeerden zijn die recht hebben op alimentatie, maar
deze niet ontvangen wegens het schuldenmoratorium. Is het kabinet bereid
om zelf de betalingsachterstand in de alimentatie van gedupeerden over
te nemen en dit verder zelf te regelen met de ex-partner, zodat zowel de
ex-partner als de gedupeerde hier geen last meer van heeft?
Voorzitter. Dan de Commissie Werkelijke Schade. Er blijven wachtrijen.
Ik maak me echt zorgen over de gemiddelde doorlooptijd van 170 dagen.
Het aantal commissieleden is uitgebreid van vijf naar negen, maar er
zijn maar vijftien juristen werkzaam. Bij de hersteloperatie en de
integrale beoordeling snap ik dat er grenzen zitten aan het uitbreiden
van de capaciteit, maar hier zou het toch moeten kunnen om de capaciteit
uit te breiden? Hetzelfde geldt eigenlijk ook voor de
Bezwaarschriftenadviescommissie. Graag een reactie.
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Snels. Meneer Idsinga, namens de VVD.
De heer Idsinga (VVD):
Dank u wel, voorzitter. In de documentaire Alleen tegen de Staat
vertellen vijf moeders die slachtoffer werden van de toeslagaffaire hun
ijzingwekkende verhalen, hoe hun leven en dat van hun kinderen werd
verwoest door een systeem waaruit iedere menselijkheid was verdwenen.
Deze verhalen lieten je opnieuw het verdriet, de pijn, de vernedering,
de boosheid en de machteloosheid voelen van de mensen die dit ongekende
onrecht is aangedaan. Dit raakte mij opnieuw vol in het hart. Het laat
nogmaals zien hoe belangrijk onze gezamenlijke opdracht is om deze
ouders en kinderen recht te doen en hen te helpen bij een nieuwe start.
Helaas blijkt die weg een stuk hobbeliger dan in eerste instantie was
voorzien. Rapporten — gisteren kwam nog het rapport van de Nationale
ombudsman — en de kille cijfers van de achtste voortgangsrapportage
tonen aan dat de hersteloperatie nog steeds te traag verloopt en dat er
nieuwe problemen op de loer liggen. Dat is natuurlijk in de eerste
plaats pijnlijk en frustrerend voor al die ouders en kinderen die nog
steeds niet weten waar ze aan toe zijn, terwijl er bij de UHT, de
gemeenten en andere instanties knetterhard wordt gewerkt door mensen die
zich met hart en ziel inspannen om die ouders zo goed en snel mogelijk
te helpen. Ik wil de staatssecretaris vragen om aan te geven waarom deze
operatie nog steeds zo traag verloopt. Wanneer mogen we nu een plan
verwachten om tot versnelling en herijking van processen te komen?
Tegelijkertijd wil ik haar ook vragen om te reflecteren op de volgende
oplossingsrichtingen.
Ouders geven aan dat er na het moment van de lichte toets behoefte is
aan ruimte voor differentiatie tussen verschillende groepen. Niet alle
ouders hebben namelijk dezelfde hulpbehoefte. Sommigen willen zelfs
graag versneld het proces verlaten. Een versneld traject voor ouders die
daar behoefte aan hebben, zou hier een oplossing kunnen bieden. Daarbij
zou mogelijk meer gebruik kunnen worden gemaakt van nader te bepalen
eenvoudige forfaitaire regelingen. Daardoor ontstaat meer ruimte voor
anderen met meer complexe problemen. Mogelijk kunnen dan opeenvolgende
processtappen die nu nog apart van elkaar zijn, worden
samengevoegd.
Verder geven ouders aan dat het huidige proces in ieder geval meer
gestroomlijnd moet worden, zodat ze niet steeds opnieuw hun verhaal
moeten vertellen, zoals tot hun grote frustratie nu het geval is. Dat
pleit bijvoorbeeld voor één intakegesprek, waarbij de ouders met
vertegenwoordigers van meerdere instanties tegelijkertijd om de tafel
zitten; niet alleen met de persoonlijk zaakbehandelaar, maar
bijvoorbeeld ook meteen met iemand van de gemeente en met een expert om
alvast eventuele aanvullende schade in kaart te brengen enzovoort,
enzovoort. Dat moet dus tegelijkertijd in plaats van achter elkaar of
los van elkaar, zoals nu het geval is. Ook ontstaat dan van begin af aan
een duidelijker beeld van welke specifieke hulp van wie nodig is. Dit
zou wachttijden in het verdere proces kunnen verkorten.
Ik kom nog even terug op de gemeenten. Het is hier al een paar keer
gezegd. Moeten zij niet nog meer de ruimte krijgen, dus meer
beoordelingsvrijheid in de uitvoering, of zelfs de lead krijgen om
ouders goed en snel te helpen? Zij staan het dichtst bij de
mensen.
De voorzitter:
Voor u verdergaat, meneer Idsinga ...
De heer Idsinga (VVD):
Mag ik het heel even afmaken?
De voorzitter:
Als het heel even is, dan mag het.
De heer Idsinga (VVD):
Ja, het is een heel klein stukje. Dan is het plaatje namelijk compleet.
Verder vragen veel ouders niet zozeer alleen om snelheid, maar vooral om
duidelijkheid over wanneer ze wat kunnen verwachten. Vandaar ook mijn
eerdere opmerking om het intakegesprek zo breed mogelijk te maken, zodat
daarin vooraf aan ouders meer duidelijkheid kan worden gegeven over op
welk moment er iets concreet gebeurt. Graag een reflectie van de
staatssecretaris op deze punten.
De voorzitter:
Ja, dat was best kort. Als u uw microfoon even uitzet, geef ik het woord
aan de heer Alkaya, die een interruptie voor u heeft.
De heer Alkaya (SP):
De heer Idsinga spreekt twee keer over een intakegesprek. Dat klinkt als
het begin van weer een lang traject, want het is een intake. Daarna
volgt weer een hele rits. Uit de proeven die zijn gedaan, blijkt dat het
voor een deel van de ouders binnen één dag opgelost kan zijn, als je
begint met een driegesprek — zo noemen ze dat — waarin de gemeente, de
persoonlijk zaakbehandelaar en de ouders, eventueel met juridische
ondersteuning, voorbereid aan tafel komen. Kunnen we dan niet spreken
van een integrale beoordeling, gelijk op één dag, in plaats van een
intakegesprek waarna die ouders weer maandenlang in onzekerheid zitten?
Kunnen we dan in ieder geval voor de ouders waarvan uit de proeven is
gebleken dat dat mogelijk is, zeggen: dan moet het ook binnen één dag
klaar zijn?
De heer Idsinga (VVD):
Ik zou het fantastisch vinden als dat zou kunnen. Ik zou het fantastisch
vinden. Ik begrijp — dit is ook een vraag voor de staatssecretaris — dat
het op dit moment praktisch gezien heel lastig is, zo lees ik in de
brief van de staatssecretaris, ook gelet op de verschillen tussen
behoeften van mensen. Maar als het mogelijk zou zijn — dat ben ik met
meneer Alkaya eens — dan zou het fantastisch zijn als het in één dag
kon, maar het moet wel werken.
Voorzitter, ik ga door, als dat goed is.
De voorzitter:
Meneer Alkaya, u heeft nog een vervolgvraag?
De heer Alkaya (SP):
Over "als het mogelijk is". Voor de mensen die zich afvragen hoe dat
gaat: wij stellen vragen aan het kabinet en het kabinet beantwoordt die
schriftelijk van tevoren. Uit die antwoorden blijkt dat het mogelijk is.
Er staat: "In de twee pilots versneld herstel bleek dat bij een beperkte
groep gedupeerden (namelijk ouders met een beperkt aantal
toeslagenjaren) het mogelijk is het resultaat van financieel herstel
binnen één dag terug te koppelen." Voor een groep is het dus in ieder
geval mogelijk. Ik vraag me af hoe beperkt of uitgebreid die groep kan
zijn, maar het staat vast dat het kan; dat is gebleken uit die proeven,
waar maandenlang onderzoek naar is gedaan. De heer Idsinga zegt: als het
kan, dan sta ik er achter. Dan staat hij er dus achter. Dat is dan een
juiste conclusie, want uit de beantwoording van het kabinet blijkt dat
het kan.
De heer Idsinga (VVD):
Ik denk dat de heer Alkaya en ik hetzelfde doel hebben. Wij willen
ouders zo snel mogelijk helpen. Als het kan, dan sta ik er uiteraard
achter. Als het niet kan, dan kom ik met een aantal alternatieven. Die
heb ik net uitgesproken. Ik denk dat er in het huidige proces ook een
aantal stappen verbeterd zouden kunnen worden, maar voor zover het
inderdaad mogelijk is om de ouders van a tot z in één dag te behandelen,
zou dat fantastisch zijn. Mijn vraag aan de staatssecretaris is dus ook,
met uw goedvinden, nogmaals of dat tot de mogelijkheden zou
behoren.
De voorzitter:
Ik begrijp dat u uw betoog wil afmaken? U heeft nog 45 seconden.
De heer Idsinga (VVD):
Ja, voorzitter. Tot slot schrok ik van het feit dat zich wekelijks nog
honderden mensen melden van wie het overgrote deel, volgens de brief van
de staatssecretaris, niet tot de doelgroep van de hersteloperatie lijkt
te behoren. Kennelijk hebben deze mensen andere problemen en zijn zij op
zoek naar hulp. Kan de staatssecretaris verder inzicht geven in die
problematiek? Wat zijn de plannen van het kabinet ten aanzien
daarvan?
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Idsinga. Meneer Nijboer namens de Partij van de
Arbeid.
De heer Nijboer (PvdA):
Voorzitter. Helaas is wat voorligt meer een vertragingsrapportage dan
een voortgangsrapportage aan het worden. Dat is al een hele tijd het
probleem dat de PvdA heeft met de aanpak van dit kabinet, niet alleen
van deze staatssecretaris, maar ook van haar voorgangers. De PvdA heeft
zich destijds verzet tegen de installatie van de commissie-Donner, om
één belangrijke reden. Er waren excuses aangeboden aan ouders. Als je
zo'n commissie instelt, weet je één ding zeker: dat kost eindeloos veel
tijd en uitzoekwerk. En dat duurt dan langer dan gepland. Alles is
precies zo uitgekomen. Daarna moet er een organisatie worden opgetuigd,
en dat duurt ook weer eindeloos. Dan loop je tegen een tekort aan
menskracht op, en dan vallen er dingen tegen. En al die tijd schrijdt de
tijd voor de ouders voort.
Mijn kernpunt bij eerdere debatten is geweest dat de tijd voor de
Belastingdienst nooit een probleem is, maar in het leven van echte
mensen wel het grote probleem, zeker op dit moment. Kinderen worden
ouder. Je beslist om kinderen wel of niet naar de opvang te doen, als je
op dat moment geen geld hebt. Je stopt wel of niet met je baan. De tijd
is voor mensen veel belangrijker dan voor de Belastingdienst. Die kijkt
na zeven jaar en zegt: nou, de schade is een ton geweest, ik doe er 30%
compensatie bij, of 40% of 50%, we zijn ruimhartig, en dan is het
afgedaan, dan zetten we er een streep onder en dan is de casus gesloten.
Maar ondertussen is de schade wel aangericht.
Dat punt wil ik vandaag nog een keer heel nadrukkelijk naar voren
brengen, omdat het nu weer geldt. Wanneer vindt de staatssecretaris het
acceptabel dat aan het enorme onrecht dat de mensen is aangedaan, recht
is gedaan vanuit de overheid? Is dat na zes maanden, over een jaar, over
anderhalf jaar? Of wordt het antwoord: als we op deze manier doorgaan,
zijn we over tien jaar nog niet klaar? Moeten we dat dan impliciet of
expliciet accepteren? Dat vind ik niet acceptabel.
Ik vind dat de staatssecretaris bij de mensen moet beginnen en moet
zeggen dat de problemen zo groot zijn — we hebben onze excuses gemaakt,
de premier, de minister van Financiën, ik heb nu weer twee excuusbrieven
bij gezonden; het kost natuurlijk tijd, het kost zes maanden of een jaar
of zelfs anderhalf jaar — maar terugredenerend is dit daarvoor nodig,
dit is mijn ondergrens. Dat kunnen forfaitaire bedragen zijn of ander
grof geschut dat je uit de kast moet halen, maar dat is een totaal
andere benadering dan steeds weer procedures, verschillende groepen,
aanmeldingen, intakes en weet ik wat allemaal meer, want daarmee komen
we er niet. Dan zitten we hier over drie jaar nog. Ik ben ook
woordvoerder Groningen, voorzitter. In 2012 was de beving in Huizinge.
In 2028 is nu de ambitie om de huizen versterkt te hebben. Dat is
zestien jaar later! Bij de woekerpolisaffaire hetzelfde verhaal. Bij de
rentederivaten ook zo. Dat gaat niet goed. Dit is mijn hoofdvraag.
Mijn tweede hoofdvraag is waarom de staatssecretaris niet naar de
Ombudsman luistert. Hij heeft gisteren een noodkreet gedaan, en dat is
toch eigenlijk wel een grote blamage, als je dat als Ombudsman goed hebt
gezien. Hij neemt het zichzelf kwalijk dat hij destijds niet harder aan
de bel heeft getrokken. Dan had de Kamer eerder geacteerd en het kabinet
meer gedaan. Hij moet nu een dag voor zo'n debat, over een groot punt,
waarover het kabinet is afgetreden, de noodklok luiden dat het kabinet
zich niet houdt aan de eigen wet. Weer een termijn van een jaar bij de
bezwaarschriftenprocedure, maar men houdt zich daar niet aan. Die ouders
hebben zich aan de wet gehouden en het kabinet houdt zich niet aan de
eigen wet. Hoe is dat nou mogelijk? De staatssecretaris zegt dan dat zij
alle aanbevelingen overneemt. Ja, maar zo ver had het toch nooit mogen
komen? Hoe kan het dat het zo ver is gekomen?
Voorzitter. Mijn derde hoofdpunt is dat het niet alleen om geld gaat,
natuurlijk, maar ook om opleiding, sociaalpsychologische ondersteuning,
schulden, waar we het eerder over hadden. De hele Kamer is het daarover
eens, dus het is niet een eigen punt, maar de vraag is of de
Belastingdienst wel zo geweldig in staat is om dat te doen. Natuurlijk
wordt dan gezegd dat de gemeentes dichtbij staan en dat ze dat samen
gaan doen. Maar het is mij volstrekt onhelder hoe er perspectief wordt
geboden in de gezinnen waar de ellende zo groot is, terwijl dat wel
moet.
Voorzitter. Twee slotopmerkingen. Er komt vandaag ook het nieuws bij dat
ambtenaren zich niet veilig voelen bij de Belastingdienst om het te
melden als er wat is. En dat vind ik ongelofelijk, dat dat mogelijk is.
Je zou toch alles moeten doen om te zorgen dat, als er iets niet deugt
zowel richting mensen zoals we hebben gezien, maar ook intern, iedereen
zich veilig voelt om dat te melden? Hoe kan het nou dat dat nu niet
gebeurt? En wat heeft de staatssecretaris gedaan om dat te
voorkomen?
Dan het laatste. Er is geloof ik, nog een technische briefing. Ik krijg
niet alles mee, maar dat memo-Palmen, daar spreken we nog vaker over.
Maar ik vind het wel gek — en dat wil ik wel gezegd hebben hier — dat er
meer dan twintig ambtenaren op de hoogte waren en dat er tot op de dag
van vandaag wordt volgehouden dat de top het niet wist; dat de
staatssecretaris schrijft aan de Kamer "er wordt alle medewerking
verleend", terwijl er ook ambtenaren zijn geweest die zich niet wilden
laten horen door de onderzoekscommissie; dat er versies zijn veranderd
... Ik vind dat een uitermate merkwaardige gang van zaken, en ik vind
het ook niet geloofwaardig dat dat niet eerder boven tafel is
gekomen.
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Nijboer. De heer Van Raan heeft een interruptie voor
u.
De heer Van Raan (PvdD):
Ja, een korte vraag. Ik dank de heer Nijboer voor zijn betoog; ik kan me
er echt helemaal in vinden. En ik ben ook nieuwsgierig naar het
volgende. Hij noemt inderdaad die onveiligheid bij de Belastingdienst,
en hij vraagt de staatssecretaris, terecht: hoe kan dat nou? Maar ik ben
ook benieuwd naar zijn opvatting over in hoeverre wij als Kamer daar ook
een rol in spelen, door steeds maar weer te vragen om sneller, garanties
en noem maar op. Daar heeft de heer Nijboer vast wel kijk op, omdat hij
natuurlijk al heel lang meegaat in de rol van de Kamer in dit soort
uitvoeringsorganisaties. Daar ben ik gewoon nieuwsgierig naar.
De heer Nijboer (PvdA):
Nou, ik denk dat het eerlijke antwoord is dat de Belastingdienst evident
mensen de vernieling in heeft geholpen, en dat er tegelijkertijd
ongeveer 30.000 mensen werken, waarvan verreweg het merendeel zich
natuurlijk met hart en ziel inzet voor de publieke zaak, en op
verjaardagen niet meer durft te vertellen voor wie ze werken. En dat is
iets wat je ook wel voelt aan zo'n debat, als de organisatie waar je met
trots werkt, waarvoor je gewoon probeert de Vpb te innen en
belastingontwijking aan te pakken, of netjes belasting te innen bij de
bakker op de hoek, en dat je dan denkt: wat zeggen ze daar nou over mij,
terwijl ik gewoon eerzaam mijn werk doe; en dan krijg je elke keer een
klap op de kop? En dat dat ook de motivatie ... Daarom is het zo
belangrijk dat iedereen die daar intern een misstand ziet, dat bij hun
management of bij de staatssecretaris of elders kan melden. Daarom is
het zo belangrijk dat wij ook — en dat hebben we als PvdA regelmatig
gedaan, ook in dit debat weer — de waardering uitspreken voor de
medewerkers die zo goed hun best doen, want die komen aardig in de
verdrukking. Daar hebben we laatst ook mee gesproken, met de
vakbonden.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan is het woord aan mevrouw Simons, namens de fractie van
BIJ1.
Mevrouw Simons (BIJ1):
Dank u wel, voorzitter. Er is al heel veel zinnigs gezegd door
voorgaande sprekers. Ik kan me daar volledig bij aansluiten. En met hen
vraag ook ik me af: hoelang nog, hoe vaak nog? Hoeveel mensen moeten
door het systeem nog compleet vermorzeld worden voordat hier echt
doordringt dat het helemaal niet werkt? Een systeem waarin ambtenaren
misstanden niet meer durven aan te kaarten; dat werd net ook al gezegd
door collega Nijboer. Waarin burgers in hun noodzakelijke behoefte aan
rechtsbijstand actief zijn gehinderd. Waarin elke nieuwe regeling alleen
maar leidt tot nog meer knelpunten. Een systeem dat onbegrijpelijk is
geworden voor zowel uitvoerders als burgers. En een systeem waarin je
misschien wel zo veel mogelijk "het is allemaal wel als rechtmatig
bestempeld door de wetgever" kan zeggen, maar dat allerminst
rechtvaardig is. Ik kan er in mijn hoofd gewoon niet bij hoe vaak nog,
hoelang nog en hoeveel levens er nog compleet vernield moeten worden,
voordat we besluiten dat systeemverandering echt noodzakelijk is.
Want de realiteit is dat er in huidige systeem niet voor iedereen
rechtvaardigheid te behalen valt in de rechtbank. De realiteit is ook
dat de overheid eerder wantrouwt dan beschermt, en dat het hebben van
een dubbele nationaliteit, een niet-westerse achternaam of een bepaalde
sociaaleconomische status leidt tot institutionele afstraffing. Daar
praten we wat mij betreft iets te snel overheen, want institutioneel
racisme staat aan de basis van dit schandaal, hoezeer dat ook zeer doet
om te horen en te benoemen. En dat betekent dat ouders van kleur extra
bagage met zich meedragen in het herstellen van dit schandaal. Want los
van het trauma waar de toeslagenouders als slachtoffer van dit schandaal
mee te kampen hebben, dragen vele ouders van kleur ook nog een
intergenerationeel trauma van ons koloniaal verleden met zich mee. En
dan heb ik het onder anderen over ouders die getroffen zijn uit de
Molukse, Surinaamse, Indische of Antilliaanse gemeenschap; en de
Hindoestaanse gemeenschap, die ik onder de Surinaamse schaar. Ik kan
niet vaak genoeg benadrukken hoe zwaar het is om met de pijn — die is
nog altijd vers — te moeten leven over wat je ouders, je grootouders, je
voorouders is aangedaan en om dat dan weer te moeten herbeleven in een
schandaal als het toeslagenschandaal. Het is een déjà vu, met dezelfde
mechanismen en dezelfde uitkomsten. Voeg daar nog eens aan toe het
onbegrip vanuit de Belastingdienst door het gebrek aan culturele
sensitiviteit. Hun onderneming, hun sociaaleconomische status, hun
status als alleenstaande ouders: ouders hebben nog altijd behoefte aan
helderheid over de risicoprofielen die op basis van deze kenmerken op
hen zijn toegepast. Welke plek krijgen al deze ervaringen in de
herijking van de hersteloperatie?
Heldere communicatie over de rol van institutioneel racisme en
discriminatie is in dezen van wezenlijk belang, want rechtvaardigheid
bestaat niet zonder heling. En heling kan niet zonder vertrouwen van de
burger. Precies in het terugwinnen van dit vertrouwen schiet het kabinet
tot op heden tekort. De Ombudsman constateert dat het systeem te complex
is. Ouders komen opnieuw vast te zitten en hebben niet allemaal toegang
tot rechtshulpverleners of tot broodnodige emotionele ondersteuning.
Daarbovenop komt dan dat ouders en ex-partners, of soms zelfs nog
huidige partners, achterblijven zonder voldoende informatievoorziening
omtrent hun herstelproces. Intussen moeten ze ook nog strijden tegen
jeugdzorg en andere instanties, staan de incassobureaus alweer op de
stoep en wordt de €30.000 alsnog door bewindvoerders vastgehouden. Hoe
verklaart de staatssecretaris deze signalen?
Voorzitter. Begrijp me niet verkeerd: ik ben ontzettend blij dat er na
jaren eindelijk werk wordt gemaakt van het centraal stellen van de
gedupeerde ouders en hun input, maar ervaringsdeskundigheid, heling en
rechtvaardigheid hadden vanaf dag een al leidend moeten zijn. Steeds
duidelijker blijkt dat de Belastingdienst niet in staat is om het
vereiste maatwerk te bieden. Sterker nog, de Belastingdienst blijkt zelf
een van de grootste obstakels te zijn voor de afhandeling van dit
schandaal. Hoe lang nog?
Voorzitter. Ik zie dat de uitdagingen reëel zijn, maar er zijn echt nog
te veel knelpunten waarin we ouders verder moeten ontlasten. Kunnen we
er bijvoorbeeld voor zorgen dat ouders zich niet steeds zelf moeten
melden bij de Commissie Werkelijke Schade, maar dat ze na afronding van
hun integrale beoordeling, mocht die daar aanleiding toe geven,
automatisch worden doorverwezen? Kunnen we processen tot stand brengen
waarbij iedere ouders naast een persoonlijk zaakbehandelaar ook een
rechtshulpverlener krijgt? Hoever is het plan van aanpak voor de
gedupeerde ouders in het buitenland, bijvoorbeeld de ouders die in het
Caribische deel van dit Koninkrijk leven?
Tot zover, dank, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Simons. Dan geef ik het woord aan de heer Grinwis,
die spreekt namens de ChristenUnie.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Voorzitter, dank. Iedere keer als we ons voorbereiden op een debat over
het toeslagenschandaal, iets wat we ongeveer het meest in de paar
maanden van deze nieuwe Kamer hebben bediscussieerd, denk ik, samen met
de hersteloperatie in Groningen, ben ik weer onder de indruk van het
verdriet en het onrecht dat ouders is aangedaan en van hoe
verschrikkelijk dat is. Tegelijkertijd weet ik ook dat verontwaardiging
en verdriet daarover hebben geen oplossing is. Er is heel veel
misgegaan. Er gaat veel mis, maar ik wil ook wel zeggen dat veel mensen,
ook veel ambtenaren, hard werken om mensen recht te doen, om het recht
te herstellen bij ouders en kinderen. Dat ziet de ChristenUniefractie,
evenals de fractie van BBB, de BoerBurgerBeweging, namens welke ik
vanavond ook mag spreken. Jaja, de wonderen zijn de wereld nog niet
uit.
Voorzitter. De hersteloperatie dreigt zich aan zichzelf te vertillen. Om
dat te voorkomen, willen we constructief meedenken, met daarbij het
perspectief van gedupeerde ouders als kompas. Dat deden we voor de
zomer, bijvoorbeeld met de motie om tot een denktank te komen, en door
opties mee te geven bij de herijking voor een plan B, of in ieder geval
een stevige aanvulling op plan A, de lopende hersteloperatie. Mijn vraag
over die motie: hoe wordt die motie om tot een goed uitvoerbare
schadeafhandelings- en hersteloperatie te komen nu precies uitgevoerd?
Er is een BAK ingesteld, begreep ik, een Bestuurlijke Adviesraad
Kinderopvangtoeslag. Maar bij wie is de BAK de afgelopen tijd te rade
gegaan? Wanneer kunnen we conclusies verwachten van die bestuurlijke
adviesraad? Ik weet dat die onafhankelijk is, maar er is ook wel enige
haast geboden. Ik ben ook wel heel benieuwd hoe het nu met hen gaat, en
met hun werk en hun adviezen. Wie betrekken ze daarbij?
De belangrijkste vraag vandaag gaat over de richting. Welke kant willen
we op? Wat moet er anders? Hoe moet het anders? Wat ons betreft is de
belangrijkste richting niet het verplaatsen van een einddatum naar 2030,
of naar over enkele decennia, als we zo doorgaan, met wat
procesoptimalisaties. We moeten ons de vraag stellen hoe we in 2023 een
streep kunnen zetten onder het toeslagenschandaal, en het liefst
natuurlijk nog eerder, maar laat ik 2023 nemen. Ik sluit me eigenlijk
wel aan bij de benadering van collega Idsinga. In het kader daarvan stel
ik ook mijn vraag aan de staatssecretaris. Ziet zij heil in de door de
gedupeerde ouders Heiner en Woodrow geschetste koerswijziging richting
een meer forfaitaire en ook regionaal georiënteerde regeling? Vandaag
hebben zij daar ook bij het ministerie van Financiën over gesproken. Dat
is wel een beetje in lijn met de motie die ik voor de zomer heb
ingediend. Hoeveel heil ziet de staatssecretaris daarin? En verder sluit
ik me dus aan bij de vragen van collega Idsinga.
Dan private schulden. Er zijn veel zorgen over de nu uitgewerkte
regeling met betrekking tot private schulden. We hebben afgesproken dat
die €30.000 uit de Catshuisregeling dient als nieuwe start. Die hoeft
dus niet gebruikt te worden voor het aflossen van bestaande schulden.
Maar dan is het pijnlijk dat met de private schuldenregeling veel
schulden alsnog blijven bestaan, waar dus die €30.000 voor moet worden
aangeboord. Dat heeft toch niets te maken met een nieuwe start? Veel
schulden komen nu niet in aanmerking maar hebben wel degelijk een
aanwijsbaar verband met de affaire. Het is in veel gevallen moeilijk uit
te leggen waarom bijvoorbeeld niet de hoofdsom maar alleen de
achterstand kwijtgescholden wordt. Er zijn zo veel situaties aan de orde
waarin consumptieve dan wel zakelijke dan wel familiaire schulden,
kredieten een causaal verband hebben met vermorzeld worden door de
Belastingdienst in het toeslagenschandaal. Als je spaarpotje en meer net
was ingepikt door de Belastingdienst, moest je wel een lening aangaan
voor het vervangen van zoiets als een kapotte koelkast. Het is toch
vreemd dat bij de private schuldenregeling zoals die nu is voorgesteld,
het er anders aan toegaat dan bij een reguliere schuldhulpverlening en
de Wsnp, waar hoofdsommen wel gewoon in aanmerking komen.
Voorzitter. Ik heb daarover een paar vragen. Is dat geen
rechtsongelijkheid en, zo ja, waarom is daar dan voor gekozen? Is de
staatssecretaris bereid de deur naar schuldhulpverlening dan wel Wsnp
weer open te zetten voor ouders, zodat ze zelf kunnen kiezen hoe en door
wie ze geholpen worden? Of staat deze al open voor nieuwe dossiers? Dat
is ook voor ouders een minder stressvol traject. Voor deze regeling
wordt nog maar weer eens een nieuwe uitvoeringsorganisatie opgetuigd.
Dat gaat natuurlijk ook weer tijd vragen. Is 150 tot 200 fte, gelet op
de tijdrovende werving en opleiding van medewerkers, wel reëel en
haalbaar op korte termijn?
Collega Snels sprak ook al over de schrijnende situatie met betrekking
tot alimentatie. Stel dat een alimentatieplichtige een nieuwe partner
heeft die toeslagengedupeerde is. Als toeslagpartner krijgt hij een
moratorium vanwege de €30.000 compensatie voor de nieuwe partner. Maar
ondertussen blijft de alimentatiegerechtigde dus berooid achter, omdat
die geen alimentatie meer krijgt. Dat blijkt een hiaat te zijn in de
schuldenregeling. Kan de staatssecretaris nog eens goed kijken naar deze
specifieke problematiek en bijvoorbeeld in gesprek met het LBIO gaan om
dit op te lossen?
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Grinwis.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Is mijn tijd op? Dan ben ik nog heel benieuwd wanneer de Commissie
Werkelijke Schade eindelijk eens de uitspraken gaat publiceren. Daar
hebben we in een motie ook om gevraagd.
Tot zover, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Grinwis. Dan steken we de zaal over en geef ik de
heer Azarkan namens DENK het woord.
De heer Azarkan (DENK):
Voorzitter, dank. De commissie onder leiding van voormalig collega Van
Dam concludeerde dat tienduizenden burgers en hun kinderen ongekend
onrecht is aangedaan. Ik vraag me af of we op den duur ook een commissie
gaan krijgen die de afhandeling gaat onderzoeken. Er gaat veel mis. Het
gaat op dit moment ook tergend traag. Ik zie eigenlijk dezelfde patronen
als bij het ontstaan van de toeslagenmisdaad. Het zijn dezelfde zaken
die weer niet goed gaan, zoals een overschrijding van de wettelijke
termijnen. Dat werd gisteren ook goed aangegeven door de Nationale
ombudsman. In meer dan een kwart van de gevallen zijn de termijnen
overschreden. Van 5.700 herstelverzoeken is de termijn verstreken. Het
herstelproces leidt tot nog veel meer overschrijding van
termijnen.
Voorzitter. We zien ook een knelpunt in de informatie en de
informatiedeling. Veel ouders beschikken niet over hun dossier. Ik zie
dat de advocaten inmiddels een brandbrief hebben gestuurd, waarin ze ook
klagen over de informatievoorziening. Ze geven aan dat ze niet kunnen
beschikken over het dossier. Hoe kun je nou ouders bijstaan als je niet
over het dossier beschikt?
De hersteloperatie is buitengewoon complex. Dat riepen we ook over de
wijze waarop we toeslagen hadden georganiseerd. Ook de Ombudsman heeft
dat al in mei aangegeven. We hebben zelf ook bij de start, vorig jaar in
juni, bij de wetsbehandeling aangegeven dat het een enorme kerstboom van
allerlei organisaties en heel veel mensen is, van controle op controle
voor het onderbouwen van je schade. Dat is gewoon te complex en te
ingewikkeld. Het is voor ouders ook oneerlijk. Het is een oneerlijke
strijd, zoals dat ook het geval was bij de toeslagen. Ik hoor een aantal
collega's spreken over de forfaitaire behandeling, waarbij wordt gekeken
of je bij de integrale beoordeling al een deel van de schade kunt
vaststellen die later pas via de Commissie Werkelijke Schade in beeld
komt. Maar daarvan zeggen de advocaten: dat kan natuurlijk alleen als de
ouders daar begeleiding en bijstand in de vorm van kosten bij krijgen,
zodat ze zich door onafhankelijke schade-experts kunnen laten
ondersteunen. Het is nogal ingewikkeld als een persoon aangeeft: "Ik heb
mentale schade. Ik heb schade omdat ik promotie ben misgelopen. Ik heb
schade omdat ik mijn woning heb moeten verkopen of omdat ik überhaupt
niet in staat ben geweest om mijn woning te verkopen. Ik heb schade
omdat ik heel veel moeite heb gehad om mijn kinderen een krantenwijk te
laten lopen; daar verdienden ze €18 mee en aan het einde van de maand
werd die €18 afgepakt." Hoe drukken we dat nou uit? Ik had eigenlijk een
wat andere tekst voorbereid, maar ik probeer in dit verhaal een beetje
het overzicht te bewaren en niet te emotioneel te worden, want als we
die kant opgaan, dan kunnen we allemaal onze zakdoeken tevoorschijn
trekken, en dat hebben we natuurlijk al een paar keer gedaan.
Maar het is gewoon niet goed genoeg. Het is niet goed genoeg voor veel
ouders; voor een beperkt aantal is het dat wel. Het is niet goed genoeg
voor de meeste Kamerleden, volgens mij. Het is niet goed genoeg voor de
Nationale ombudsman. We zien ook dat het niet goed genoeg is voor de
advocaten, die wat mij betreft veel meer kunnen doen dan ze nu doen en
die een andere rol zouden kunnen vervullen. Het is dus eigenlijk maar
voor een hele beperkte set ouders goed genoeg. Dat moet echt
anders.
Toen we voor de zomer met elkaar vaststelden dat we bezig waren een
doodlopende steeg in te gaan, had ik de hoop dat de zomer gebruikt zou
worden om een aantal zaken fundamenteel anders te doen en om de aanpak
zo te organiseren dat straks niet heel veel mensen bij de Commissie
Werkelijke Schade staan. Ik heb voor de zomer tegen de collega's gezegd
dat we het gewoon niet kunnen maken om te zeggen tegen burgers die al
tien jaar getraumatiseerd zijn: uw bezwaarschrift wordt niet
afgehandeld, want we hebben niet genoeg mensen. We kunnen het niet maken
om een inschatting te doen van 20 uur voor de afhandeling van een
dossier, terwijl het in de praktijk 50 uur is. Dat betekent tweeënhalve
keer meer mankracht. Dat kan natuurlijk ook niet. Dat kunnen we niet
organiseren.
Wat we ook niet kunnen maken is het volgende. Ik werd op de markt door
een aantal mensen benaderd. Ze zeiden: "Meneer Azarkan, Farid" — een
aantal mensen kende ik — "ik heb een aanvraag gekregen van een
financieel bureau. Ik kan voor €211.000 per jaar schades gaan afhandelen
en zaakbehandelaar worden, maar ik vertik het gewoon. Ik ga het niet
doen. Ik vind het oneerlijk. Ik ga er geen geld aan verdienen. Ik vind
het ook een beetje immoreel." Ik snap dat de nood hoog is en dat we wat
moeten doen, maar ik denk dat het echt anders moet. Zonder nou in die
emotie te vervallen: het gaat niet zoals we hadden bedacht. Het moet
anders. Het moet op een andere manier. Het moet wellicht ook buiten de
Belastingdienst. Ik verwacht van de staatssecretaris dat ze vanavond
laat zien dat ze regie neemt en dat ze antwoorden geeft op vragen. Dan
kunnen we aan het einde van de avond met elkaar concluderen dat we het
echt anders moeten doen. Hoe, dat gaan we zien.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Azarkan. Meneer Idsinga heeft een interruptie voor
u.
De heer Idsinga (VVD):
Dank aan de heer Azarkan voor zijn indringende verhaal. Ik weet dat de
heer Azarkan en ik dezelfde frustraties delen, met name waar het gaat om
de voortgang. Daar spreken we vaak over. Meneer Azarkan geeft aan dat
het anders moet. Daar zijn we het, denk ik, over eens. Er zijn hier
vanavond aan tafel een aantal suggesties gedaan. Ik ben wel benieuwd:
wat vindt meneer Azarkan nou zelf? Wat zou er dan anders moeten? Zou u
mij iets meer richting kunnen geven in hoe u het voor zich ziet?
De heer Azarkan (DENK):
Jazeker. Dank, collega van de VVD. Ik had een maand of twee geleden zelf
de overtuiging dat de schadevergoeding zoals we die bedacht hebben, die
schadevergoeding van 25% boven op het bedrag dat ingepikt is van de
ouders, echt te weinig is. Ik heb heel veel ouders gesproken en gehoord
over de indringende impact die dat heeft gehad op hen en hun kinderen.
Ouders zeggen tegen mij: ik heb dingen moeten doen waar ik me voor
schaam; dingen die ik anders nooit zou doen. Ik vind het dan echt een
hele magere regeling. Dat neem ik mezelf kwalijk. Ik had ook kunnen
zeggen: ik ga er via een amendement een ander voorstel voor indienen.
Wij moesten die wet toen met elkaar onder hoge druk goedkeuren. Maar
goed, los daarvan. Ik denk dus dat we de ouders ruimer moeten
compenseren, en wel zodanig dat we de immateriële schade eerder
meenemen. Ik zou eigenlijk willen zien dat maximaal 1% tot 2% van de
mensen bij de Commissie Werkelijke Schade zou komen. Dat moet je dus
echt anders organiseren. Dat betekent dat je dus ook moet gaan zitten
met de advocaten, met een aantal schade-experts en met een deel van die
ouders. En dan moet je gaan kijken hoe je dat forfaitair zo organiseert
dat je daar echt in voorziet.
Ten tweede, het is natuurlijk een hele ambtelijke organisatie waarin
alles wordt georganiseerd. Ik zou het panel van ouders meer ruimte geven
om zelf de regie te hebben op hoe er wordt gecommuniceerd. Ik zou de
staatssecretaris willen adviseren om te stoppen met die filmpjes die
echt gewoon niet goed aankomen bij die ouders. Daarin worden goedbedoeld
dingen uitgelegd, waarvan ouders zeggen: we zijn geen kleuters. Ik zou
dat op zo'n manier organiseren dat uiteindelijk veel ouders uit zichzelf
zeggen: dit vind ik een mooie regeling, hier ben ik tevreden mee en ik
heb geen behoefte om dat hogerop te spelen via de Commissie Werkelijke
Schade dan wel via een rechter. Want dat laatste krijgen we ook nog. Dat
mag ook nog. Dus ja, dat vergt een andere aanpak.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Azarkan. Het woord is aan de heer Mulder, die spreekt
namens de PVV.
De heer Edgar Mulder (PVV):
Mijn collega, mijn buurman, zei net dat hij voor de zomer de hoop had
dat het beter zou gaan. Wij hadden dat als PVV helemaal niet. Wij hebben
onze zorgen uitgesproken. En helaas, helaas, helaas hebben we gelijk
gekregen. Want die hele herijking heeft dus nog helemaal niets
opgeleverd. Als er überhaupt al een herijking heeft plaatsgevonden! De
cijfers zijn er in ieder geval niet beter op geworden. Die zijn
schrikbarend slecht. Slechts ruim 4.000 gedupeerde ouders zijn geholpen
en de teller van de Commissie Werkelijke Schade staat op 47. En dat is
echt, echt niet uit te leggen. Dat is een blamage. En dat dan na
anderhalf jaar hersteloperatie.
Voorzitter. De zomer is dus verkeerd gebruikt. Er is niet alleen weinig
voortgang bij de afhandeling van dossiers maar er zijn ook héél veel
ambtenaren aangenomen. Schijnbaar is er toch wel iets wat deze
staatssecretaris kan. Want we staan nu al op 26 fte, en de
staatssecretaris wil de komende maanden vrolijk doorgaan met het
aannemen van personeel. Ik vraag mij dan af wat ze nu bij de Algemene
Rekenkamer denken, die al bij het verantwoordingsonderzoek in mei 2021
oordeelde dat de staatssecretaris meer dan genoeg geld en meer dan
genoeg personeel had.
Helaas kloppen ook de andere vooroordelen van de PVV, want het is een
echte D66-organisatie geworden. Dat werd hier vandaag ook al gezegd.
Kijk naar de inzet van de mensen. 100 man zitten comfortabel bij de
stafafdelingen en slechts 80 fte worden ingezet voor beoordelingen. Kan
de staatssecretaris aangeven wat die 100 man fte op de stafdeling zo'n
beetje de hele dag daar zitten te doen? En waarom kiest zij dus voor een
logge lijnorganisatie en niet voor een snelle crisisorganisatie? Want
nog een keer: u bent niet bezig om een marketinggevoelig nieuw ijsje in
de markt te zetten. U moet mensen helpen, letterlijk mensen helpen,
mensen redden van de afgrond. Dan heb ik nog een vraag aan de
staatssecretaris. Wat gaat er straks met al die ambtenaren gebeuren, als
de hersteloperatie ooit is afgerond?
Voorzitter. Er wordt in de achtste voortgangsrapportage 22 keer verwezen
naar moties. Dat zijn moties van collega's hier, van Van Dijk, Azarkan,
Kwint, Leijten, Van Raan, Simons en Lodders. Iedereen wordt genoemd.
Maar heel opvallend: nergens wordt verwezen naar de motie-Wilders, ook
niet bij de lopende moties of bij de toezeggingen. Nu weten we inmiddels
wel dat D66 de PVV graag uitsluit — nieuw leiderschap en zo — maar het
gaat wel heel ver om een aangenomen motie volledig te negeren. Of het
moet zo zijn dat hoofdstuk 2.2 over het overnemen van private schulden
een eerste uitwerking van de motie-Wilders is, en dat u gewoon vergeten
bent om de naam van de heer Wilders erbij te zetten. Dat kan natuurlijk,
maar graag een reactie van de staatssecretaris.
Voorzitter. Meerdere keren heeft de PVV gevraagd naar het kwijtschelden
van schulden, en of dat kwalificeerde als een schenking. En steeds kreeg
ik daarop een zeer beperkt antwoord. Het antwoord dat ik een paar keer
heb gekregen, was in de kern: kwijtschelding is geen belaste schenking.
Uiteindelijk heb ik dan maar gevraagd om dat op papier te zetten, want
het zat ons niet lekker. De staatssecretaris bevestigt nu zwart-op-wit
dat het kwijtschelden van schulden door ouders, familieleden, kennissen
of derden, wel gewoon kwalificeert als een belaste schenking. Betekent
dat dat de staatssecretaris ons dus twee keer verkeerd heeft
geïnformeerd? Was ze een beetje uit de losse pols aan het freewheelen
over fiscale vragen? Acht de staatssecretaris dit een bevredigende
uitkomst voor de gedupeerden? Dat zijn drie vragen en ik wil graag op
alle drie een antwoord.
Voorzitter. Ik heb ook nog een vierde vraag. Vindt zij het acceptabel
dat de slachtoffers dadelijk weer de Belastingdienst achter zich aan
krijgen, maar dan voor de schenkbelasting? Ik wil graag nu een keer
duidelijke antwoorden en ook antwoorden die kloppen. Dat lijkt me niet
te veel gevraagd, aangezien dit mijn vierde poging is om een en ander
duidelijk te krijgen.
Afsluitend. Ik wil de staatssecretaris vragen om voortaan wat secuurder
te zijn en zich bij de feiten te houden. In dit dossier hebben al te
veel D66-bestuurders grove fouten gemaakt, al dan niet met opzet.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Mulder. Dan gaan we naar de heer Stoffer, die spreekt
namens de SGP.
De heer Stoffer (SGP):
Voorzitter. De ouders, de kinderen en de gedupeerden moeten centraal
staan. Dat klinkt misschien als een cliché, maar dat is wel steeds mijn
inzet geweest. Ook in dit debat is dat wat mij betreft de inzet. Want
die ouders, kinderen en gedupeerden is onrecht aangedaan. Zij moeten
daarom ook zo goed en zo snel mogelijk geholpen worden. Maar we kunnen
constateren dat dit helaas niet zonder slag of stoot gaat. De problemen
bij de Belastingdienst waren groot en er is nog een lange, heel lange,
weg te gaan. Maar we kunnen ook zien dat er vooruitgang wordt geboekt.
Medewerkers van de hersteloperatie en daarbuiten doen hun uiterste best
om problemen op te lossen en ouders te helpen. In korte tijd is er een
grote operatie in gang gezet om gedupeerden te helpen. Dat is geen
gemakkelijk werk. Ik zie ook een staatssecretaris — dat wil ik
nadrukkelijk zeggen — die zich stevig inzet in dit enorme debacle. Ik
heb er bewondering voor dat zij er destijds ingestapt is en hier nog
steeds op zit.
Voorzitter. Ondanks alle problemen moeten we ook oog hebben voor wat wél
goed gaat. Met de kennis van nu hadden veel problemen voorkomen kunnen
worden. Het onderzoek naar het memo-Palmen biedt daarin een goed
inzicht. We komen daar later nog over te spreken. Maar het onderzoek
toont wel aan dat zaken grondig mis waren. Dat is niet een-twee-drie
opgelost, hoe graag we dat ook willen. Daarvoor is een cultuuromslag
nodig binnen de Belastingdienst. Mijn vraag aan de staatssecretaris is
of zij daarop in kan gaan. Hoe staat het daarmee? Welke resultaten zijn
daarin al geboekt?
Voorzitter. Ook ik deel het ongeduld over de trage gang van de
hersteloperatie. De onzekerheid over de voortgang is het meest
schrijnend voor de gedupeerden, want zij willen duidelijkheid en
erkenning. In het begin van de hersteloperatie waren de termijnen lastig
vast te stellen en was er geen planning te maken. Maar kan dit inmiddels
wel ingekleurd worden, zo vraag ik de staatssecretaris. Inmiddels loopt
de hersteloperatie al zo'n twee jaar. Dan zou je wat dat betreft toch
meer neer moeten kunnen zetten? Er zal nog een hoop moeten gebeuren om
de behandelsnelheid te verhogen, want met dit tempo gaat het gewoon te
traag. Mijn vraag aan de staatssecretaris is hoe zij ervoor gaat zorgen
dat die snelheid er vanaf nu wel in komt.
Gisteren kwam de Nationale ombudsman met een rapport over de afhandeling
van bezwaar en de hersteloperatie. Daaruit blijkt dat de zaken goed
gaan, maar dat er tegelijkertijd ook heel grote problemen zijn. Die
problemen lijken vooral te komen doordat de grootte van het team dat de
klachtenafhandeling doet niet in overeenstemming is met het aantal
bezwaren. Vandaar de volgende vragen. Hoe ziet het verbetertraject
eruit? Hoe wordt ervoor gezorgd dat er ook echt iets gedaan wordt met de
bezwaren?
Voorzitter. Er is ook een heel raamwerk opgetuigd van commissies en
trajecten. Dat is op zich goed, want ouders zouden daar, als het goed
werkt, snel en goed mee geholpen kunnen worden als het eenmaal staat.
Maar ik hoor ook geluiden dat het misschien wel te bureaucratisch wordt.
Mijn vraag aan de staatssecretaris is welke verbeteringen daarin
mogelijk zijn. Maken we het niet te ingewikkeld voor ouders om geholpen
te worden? Oftewel, kan het niet simpeler?
Voorzitter, tot slot de brede ondersteuning, want de schrijnende
gevolgen van de toeslagenaffaire los je niet alleen met geld op. Een
deel van de problemen kunnen we misschien ook helemaal niet meer
oplossen. Maar we moeten er wel alles aan doen om zo veel als mogelijk
het aangedane leed te verzachten, naast de financiële compensatie. In de
voortgangsrapportage lees ik dat er een brede ondersteuning opgezet is,
bijvoorbeeld samen met gemeenten. Vanmorgen konden we daar iets over
horen op Radio 1, vanuit de gemeente Den Haag. Heel mooi dat dat
gebeurt, maar ik hoor graag van de staatssecretaris hoe dat voor
gedupeerden daadwerkelijk uitpakt in de praktijk. Worden signalen voor
verbetering ook concreet opgepakt? Als we ouders en kinderen centraal
willen stellen, dan moeten we gewoon naar hen luisteren.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Stoffer. Ik krijg wat digitale briefjes van de heren
Omtzigt en Van Raan, die hun positie in de volgorde hebben omgedraaid.
Meneer Van Raan, het woord is aan u.
De heer Van Raan (PvdD):
Dank u wel voor uw coulance, voorzitter. Naast ongekend leed lijkt er in
dit dossier hersteloperatie ook sprake te zijn van ongekend onvermogen
om de hersteloperatie goed op poten te zetten en uit te voeren. De vraag
die wat ons betreft centraal staat, is: zijn de gedupeerden geholpen met
wat wij doen en wat de staatssecretaris doet? Ondanks talloze beloften
en verbetervoorstellen om de hersteloperatie beter te laten verlopen
treedt er elke keer weer vertraging op. Twee jaar na de toeslagenramp is
nog maar 10% van de slachtoffers geholpen, of de gedupeerden, moet ik
zeggen. Het is niet alsof we het niet aan hebben zien komen. De
hersteloperatie was al vertraagd voordat die ooit überhaupt begonnen
was.
Nogmaals, de vraag die centraal staat, is: zijn de gedupeerden geholpen
met wat wij doen? Waren de gedupeerden ermee geholpen dat de
staatssecretaris bij Nieuwsuur en WNL eerst begon met te zeggen dat we
moeten kijken naar wat er wel goed gaat? De staatssecretaris zei over
het PwC-rapport dat het niet nodig was om verder onderzoek te doen. Er
was immers niet aangetoond dat er iets mis was gegaan? Er was overigens
ook niet aangetoond dat het goed was gegaan. Waren de gedupeerden erbij
geholpen dat de staatssecretaris kennelijk niet per se de onderste steen
boven water hoeft te krijgen?
Op schriftelijke vragen van collega Simons en mijzelf over de spanning
tussen de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen UHT en de Commissie
Werkelijke Schade schrijft de staatssecretaris dat het wel goed komt met
de capaciteit, dat een snellere beoordeling door de Commissie Werkelijke
Schade niet nodig is, dat ze de spanning tussen de UHT en CWS niet
herkent en dat hierdoor geen nieuwe urgente, schrijnende situaties
zullen ontstaan, zoals beschreven in het artikel in Trouw. Hoe helpt dit
nou de gedupeerden die er wel last van hebben?
Voorzitter. De staatssecretaris kan met de huidige werkwijze niet de
garantie geven dat het goed komt. Dat is een eerlijk antwoord. Maar hoe
helpt dat de gedupeerden, als je zelf geen plan B hebt? Als je nog
steeds in de mallemolen van de Belastingdienst zit en niemand lijkt iets
te kunnen doen, ook al heb je honderd keer hetzelfde verhaal verteld,
zelfs tegen de Koning en op tv. Zelfs de vrouw die het voor het zeggen
heeft, lijkt machteloos te staan. Dan wil je in elk geval de hoop dat
het goed komt.
Soms is het beter ten halve te keren dan ten hele te dwalen. De
gedupeerden zijn geen slachtoffer. Stop met ze zo te behandelen. Ze
willen niet meer vernederd worden. Geef ze regie!
Deze Kamer heeft een aantal moties aangenomen, van veel partijen, die
een andere kant op willen, een kant van heling, van regie, van hoe lang
het ook duurt, van whatever it takes. Hoogste tijd voor een schaalsprong
in de aanpak, waarbij we kritisch kijken wat de uitvoeringsorganisatie
niet meer gaat doen, wat daar weggehaald kan worden, hoe ze anders gaan
werken, maar zonder de kritieke delen weg te halen die de UHT ook zal
moeten hebben, maar eerder te kijken hoe die kritieke delen van de UHT
ingebed kunnen worden in een veel bredere aanpak.
Bij de politieke kant moeten we wel de onderste steen bovenhalen,
waarbij de staatssecretaris ook niet tevreden is totdat dat gebeurd is,
ongeacht de persoon. Het politieke proces moet de gedupeerden daarbij
niet in de weg zitten. Bij deze bredere aanpak zullen de gedupeerden
zelf zeggen: ja, hier zijn we inderdaad mee geholpen, iedereen staat te
popelen om daarbij te helpen. Graag uw reactie.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Van Raan. Dan is het woord aan de heer Omtzigt.
De heer Omtzigt (Lid Omtzigt):
Dank u wel, voorzitter. De vijf moeders in de documentaire Alleen tegen
de Staat gaven het treffender weer dan wij het hier in acht
voortgangsrapportages hebben kunnen opschrijven. De individuele pijn die
het gedaan had, en vooral het totale gebrek aan enige erkenning en de
totale eenzaamheid die ze daardoor jarenlang gevoeld hadden, waren
pijnlijk om te zien en pijnlijk voor hen om te vertellen. Ik vraag als
eerste aan de staatssecretaris: hoe vindt ze nu zelf dat het gaat met de
voortgang van de hersteloperatie?
Ik heb de derde voortgangsrapportage er nog maar eens bij gepakt. Toen
dacht de regering dat er 80 ouders waren die in acute problemen zaten.
Ik heb er nog maar eens even doorheen gebladerd om te zien hoe dat
constant opliep. Ik zie een patroon. Ik spreek mijn collega na: het is
hetzelfde patroon als bij het ontstaan van deze ellende. Alles is zo
lang mogelijk onder tafel gehouden totdat het niet anders kon. Iedere
keer wordt er een noodoplossing voorgesteld waar niet over nagedacht is
en waarover de Kamer eigenlijk ook niet kan meebeslissen. Dat was zo bij
de eerste compensatieregeling. Dat was zo bij de Catshuisregeling.
Daarbij heeft de Algemene Rekenkamer een enorme tik op de vingers van de
regering gegeven, omdat men begonnen is met de uitkering voordat we er
hier iets van konden vinden. Die regeling loopt niet lekker. Dat heb je
als er hier niet over gesproken kan worden. Nu gaan trouwens voor een
aantal mensen in één keer de sluizen open, dus ik wil hier nog één
tegenwicht bieden aan wat een aantal collega's zegt. Ik heb ook een
aantal gevallen van mensen die €100 of €200 schade hadden. Die krijgen
€30.000. Gaan we dan straks krijgen dat die mensen ook nog gratis
studiebeurzen voor hun kinderen krijgen? Dan heb ik wel een probleem om
dat aan de rest van Nederland uit te leggen, zeg ik er maar gewoon heel
eerlijk bij. Ik snap een zekere forfaitaire grofmazigheid. Ik snap dat
we het niet tot de laatste euro precies gaan uitrekenen, maar ik moet
het ook ergens kunnen verantwoorden. Daar zitten we nu klem.
Ik zou graag een reactie willen hebben van de staatssecretaris op de
Nationale ombudsman. Deze Nationale ombudsman is, in tegenstelling tot
zijn voorganger, niet de allergrootste scherpslijper van Den Haag. Als
hij zegt dat het niet loopt, dan loopt het niet. Dan loopt het ook echt
niet. Ik zou dus graag willen weten of de staatssecretaris bereid is tot
een overleg met de Ombudsman en tot een gezamenlijk statement over hoe
het wél kan gaan werken. Hij heeft daar ervaring mee.
Voorzitter. Dan kom ik met een aantal praktische vragen. Op pagina 43
van de voortgangsrapportage wordt de lijst van wetten die overtreden
zijn, weggemoffeld. Dat klinkt als iets marginaals, maar dat is het
niet. Wij denken dat de overheid richting een fors aantal van deze
mensen een onrechtmatige daad begaan heeft. Die moet gecompenseerd
worden. Daar is schadevergoeding voor, maar het woord "schadevergoeding"
wordt gemeden, ook in het nieuwe wetsvoorstel. Ik wil dus graag weten
welke wetten zijn overtreden en tegen hoeveel burgers er een
onrechtmatige daad is begaan.
O, voorzitter, ik was vergeten te zeggen dat mijn bijdrage vandaag ook
mede namens Volt is. Ik heb op Twitter gezien dat ik nu echt onder de
plak van Soros zit. Het was echt bijzonder! Het is niet te filmen hoe
mensen hier over elkaar denken.
Twee. In aanvulling op de ChristenUnie en BBB vraag ik hoe het zit met
de uitspraken van de Commissie Werkelijke Schade. Die dienen
geanonimiseerd gepubliceerd te worden.
Drie. De brief van de advocaten waarin ze zeggen: we hebben een
wachttijd van twee jaar voor een dossier. De voorganger van deze
staatssecretaris is afgetreden vanwege zwartgelakte dossiers. Deze
mensen krijgen nog steeds zwartgelakte dossiers. Hoe gaan we dat
rechtzetten?
Vier. Is het onderzoek van de inspectie over de naleving van de
Archiefwet al klaar? Want dat gaat over deze dossiers. Er zou ook een
onderzoek gedaan zijn naar wie die 9.000 dossiers vernietigd heeft. Die
worden nu wel opnieuw gemaakt, maar waar is dat?
Dan zou ik graag willen weten wie op 4 en 5 juni gehoord heeft over de
memo-Palmen. Dat mag ook schriftelijk de komende week. Staat de
staatssecretaris nog steeds achter de woorden dat haar ambtsvoorganger
daar geen kennis van genomen heeft op 4 of 5 juni 2019?
Voorzitter. Dit zijn een hoop feitelijke vragen, maar die kunnen niet
verbloemen dat ik toch de vraag ga stellen: welk perspectief wordt op
dit moment geboden aan de slachtoffers van het toeslagenschandaal?
Wanneer mogen zij dit dossier dichtdoen en kunnen ze beginnen?
Helemaal tot slot: er ligt een brief over het partnerbegrip. Ook daarmee
zijn mensen totaal in de klem gekomen, omdat de wet niet conform mijn
motie is veranderd. Vallen deze mensen ook onder de regeling?
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Omtzigt. U heeft een interruptie van meneer
Grinwis.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Meer dan wie ook in deze zaal heeft de heer Omtzigt zich vastgebeten in
het toeslagenschandaal. Ik hoef dat hier allemaal niet te verhalen, maar
gelet daarop stel ik wel de vraag: hoe zou de heer Omtzigt dat nou
willen oplossen? Inmiddels hebben zich meer dan 47.000 gedupeerden
gemeld. De huidige procedure, met de Catshuisregeling integrale
beoordeling en met een Commissie Werkelijke Schade, gaat heel lang
duren. Wat is de oplossingsrichting die de heer Omtzigt voor zich ziet?
Is dat meer een soort Wehkamproute, of gestaffeld forfaitair, of toch
doorgaan zoals we nu doen? Hoe zou hij dat willen doen?
De heer Omtzigt (Lid Omtzigt):
Ik denk dat de manier waarop de Catshuisregeling is vormgegeven
onzorgvuldig is. De regeling is gewoon afgekondigd en men heeft die
onmiddellijk laten ingaan, zonder dat daar fatsoenlijk over nagedacht
was. Dat betekent wel dat je een verplichting hebt tegenover al die
mensen die een aanvraag hebben ingediend. Ik heb grote twijfels of de
Belastingdienst zelf de besluiten zou moeten nemen. Als het aan mij lag,
zou ik de Commissie Werkelijke Schade en de Commissie van Wijzen meer
doorzettingsmacht geven en het niet meer bij de Belastingdienst laten.
Wat hier gebeurt, is dat de Belastingdienst zelf de fouten gemaakt heeft
en zelf geacht wordt die toe te geven.
Ik zie dat het is vastgelopen, maar ik acht het ook kwetsbaar om het in
één keer bij een ander ministerie onder te brengen. Ik zou minder
besluiten laten nemen door de Belastingdienst zelf. Wat ik ook zie, is
dat een aantal zaakbehandelaars aangeven dat zij een voorstel gedaan
hebben, maar dat het hoger in de lijn vastloopt. Het zou goed zijn om
met een aantal mensen beleid te maken op dit punt: in welke zaken mogen
de zaakbehandelaars een voorstel doen? Het liefst binnen een dag, zoals
de SP wil, maar het kan ook binnen een week. Ik mis zowel bij de
Commissie Werkelijke Schade als bij de zaakbehandelaars een kader dat
aangeeft: dit vergoeden we zo en dat vergoeden we zo. Dat missen we ook
in de wet die hier voorligt. Het klinkt allemaal vrij grofmazig, maar
uiteindelijk moeten er schadevergoedingen worden toegekend voor
uithuisplaatsingen en al dat soort dingen. Als u het mij vraagt: ik vind
het onbestaanbaar dat we geen inzicht hebben in hoeveel kinderen
hierdoor uit huis geplaatst zijn. Het simpele feit dat we geen antwoord
kunnen krijgen op die Kamervragen laat zien dat we eigenlijk nog steeds
bezig zijn met iets wat we eigenlijk gewoon niet echt willen weten. Dat
vind ik pijnlijk om te zien. Dit is wat ik in de derde
voortgangsrapportage zag: ja, het zijn er maar 80. Nee, het zijn er net
effe iets meer.
De voorzitter:
Meneer Azarkan heeft ook een vraag.
De heer Azarkan (DENK):
Mijn vraag aan collega Omtzigt gaat over die organisatiekosten. Ik weet
dat de heer Omtzigt daar af en toe ook verstandige woorden over spreekt.
Is het voor hem nou duidelijk waarom het eerst ging over 500 miljoen en
toen over 3,2 miljard? Nou gaan we naar 5,2 miljard. Het is een soort
zelfrijzend bakmeel. Is het hem bekend waar die kosten uit opgebouwd
zijn?
De heer Omtzigt (Lid Omtzigt):
Er zit een ingewikkelde tabel bij. Een gedeelte staat op de aanvullende
post. Het wordt dan allemaal toegedeeld aan de verschillende regelingen.
Zo is er voor de kwijtschelding van de private schulden een paar honderd
miljoen. Er is uit m'n hoofd een paar honderd miljoen voor de
kindregeling. Ik kan die tabel er wel bij pakken. Maar hier wreekt zich
dus dat men niet eerst het probleem in beeld had. De eerste keer was er
tussen de 400 en 500 miljoen beschikbaar. Dat was bij die regeling van
een jaar geleden. We zijn nu op 5 miljard aangekomen. Even voor de
helderheid, al bedoelde de heer Azarkan dat niet zo: het grootste deel
daarvan is bedoeld voor de uitbetaling aan de ouders en het
kwijtschelden van de schulden. Daar zitten ook apparaatskosten in. Die
worden ook iedere keer groter. Ik vind het lastig te volgen. Ik heb ook
de kritiek van de Raad van State gezien op het wetsvoorstel dat er nu
ligt, waarbij er via een AMvB eigenlijk blind uitgekeerd kan worden.
"Blind" misschien niet, maar er kan uitgekeerd worden zonder goed kader.
Dat moet er wel komen.
De heer Azarkan (DENK):
Ik ben ook geen fan van zo'n maatregel van bestuur. Daar is namelijk
toch wat weinig toezicht op vanuit de Kamer. Ik vind dat de minste
vorm.
Ik heb nog een andere vraag. Collega Omtzigt stelt de vraag over het
overtreden van de wet. Ik moet erbij zeggen dat we inmiddels een brief
hebben ontvangen. Ik zocht die net. Dat was ergens in april. Daarin
wordt overigens wel ingegaan op de vraag zoals collega Omtzigt die
stelt. Er worden daarin, zeg ik even uit mijn hoofd, een dertiental
wetten opgenoemd die in meer of mindere overtreden worden. Ik ben ook
nog wel zoekende daarin. Maar begrijp ik hieruit dat collega Omtzigt
daarbij toch nog wat meer duiding wil, of een aanvulling daarop? Wil hij
ook de erkenning dat het hier gaat om mensen die onrecht is aangedaan,
tegen wie onrechtmatig is gehandeld? Vindt hij ook dat zij eigenlijk
recht hebben op een schadevergoeding, zodat zij ook die erkenning
krijgen?
De heer Omtzigt (Lid Omtzigt):
Het is goed dat die toelichting gevraagd wordt, want de regering zegt:
wij kunnen niet zien of in een enkel dossier een enkele keer een
bepaalde wet een klein stukje overtreden is. Dat snap ik, maar pas na
enigszins doorvragen kwam het stuk van de ADR, dat vandaag op de agenda
staat. Daarin staat dat bijna 1.000 mensen, omdat ze meer dan €3.000 dan
wel meer dan €5.000 moesten terugbetalen, automatisch als fraudeur zijn
aangemerkt. Van de 990 mensen is er bij 920 mensen niet eens een
toetsing geweest. En als je als fraudeur werd aangemerkt, moest je alles
terugbetalen, in 24 maanden. Een aantal van die mensen kwam verder onder
het bestaansminimum terecht en konden geen kant op, werden klemgezet.
Dit is zo'n voorbeeld dat ik op die lijst wil hebben: hierbij zijn
mensen onrechtmatig behandeld. Je kunt namelijk niet iemand als fraudeur
bestempelen zonder daar een juridische basis voor te hebben. Ik wil dus
niet weten dat het in een of twee gevallen gebeurt, maar ik wil weten
waar het gebeurt. Daarom heb ik ook gevraagd naar die 9.000 vernietigde
dossiers. Dat kan niet, richting mensen. Ik wil dus gewoon weten: van
welke wetten weten we nu dat we ze overtreden hebben? En bij een
wetsovertreding hoort een schadevergoeding. Dat is wat anders dan een
tegemoetkoming. Daar komen we bij de wetgeving nog wel op terug, maar
een tegemoetkoming is iets in de trant van: we zijn allebei een beetje
fout geweest, maar ik probeer je uit de problemen te helpen. Een
schadevergoeding geef je wanneer je erkent dat je fout zat. Daarom wil
ik graag die hele lijst hebben van wetten waardoor mensen in de
problemen zijn gekomen.
De voorzitter:
Dank u wel. We zijn aan het einde van de eerste termijn van de zijde van
de Kamer gekomen. De staatssecretaris zou graag een halfuur krijgen om
uw vragen tot een eerstetermijnsreactie te verwerken. Dat betekent dat
we om 19.50 uur verdergaan.
Nog even één opmerking. Meneer Azarkan verwees al naar een brandbrief
van advocaten. Die is om 17.57 uur aangeleverd. We gaan in de schorsing
proberen om die ook even in uw mailboxen te krijgen, want dan kunt u
meelezen.
Om 19.50 uur gaan we verder in deze zaal. Tot straks.
De vergadering wordt van 19.21 uur tot 19.52 uur geschorst.
De voorzitter:
Beste mensen, welkom terug. Dat geldt voor de staatssecretaris, de leden
en de mensen die meekijken vanuit een andere locatie, thuis of elders.
We zijn toegekomen aan de eerste termijn van de zijde van de
staatssecretaris. Ik ga haar zo het woord geven. Ik zeg u dat u maximaal
vier korte vragen heeft als interruptie, of twee in tweeën, maar in
ieder geval zoiets. Ik houd het zorgvuldig … Dus twee in tweeën, dus
twee keer twee is vier, of vier korte. U mag zelf kiezen hoe u dat
indeelt. U kunt er ook één van drie doen, en dan nog één. De
mogelijkheden zijn eindeloos. U kunt ook geen interrupties doen. Dat
lijkt me helder. Ik ga over tot de eerste termijn van de zijde van het
kabinet. Het woord is aan staatssecretaris Van Huffelen.
Staatssecretaris Van Huffelen:
Dank u wel, voorzitter. Ik zou graag willen beginnen met te zeggen dat
ik, als ik terugkijk op de afgelopen week of weken, één ding zeker weet:
we zijn nog lang niet waar we willen zijn met de hersteloperatie voor de
kinderopvangtoeslag. U weet, net als ik, dat veel ouders zich niet
geholpen weten. Zij vertellen dat er geen recht is gedaan aan hen en dat
er ook niet voldoende is gedaan om hun persoonlijke situatie op te
lossen. Er is geen recht gedaan aan het leed dat hun kinderen is
aangedaan. Ik zie de pijn bij ouders daarover en de frustraties in de
Kamer. Ik kan u verzekeren: het doet ook veel met mij. Als ik de pijn,
het verdriet en de frustratie zie en hoor, doet dat mij ontzettend veel.
Het doet ook ontzettend veel met de mensen van Toeslagen Herstel.
Voordat ik inga op uw vragen, wil ik wel zeggen dat we dus aan het werk
moeten om te zorgen dat we die hersteloperatie echt fundamenteel
herijken en dat we gaan kijken hoe we het beter kunnen doen voor ouders.
Ik ben heel blij met de suggesties die velen van u hebben gedaan. Daar
moeten we heel goed naar kijken, omdat het anders doen ook betekent dat
we het op een andere manier moeten aanpakken. Tegelijkertijd moeten we
natuurlijk ook kijken hoe we dat kunnen doen op een manier die werkt
voor de ouders en die ook recht doet aan dat heel ingewikkelde dilemma,
dat een aantal van u ook heeft gepresenteerd, namelijk aan de ene kant
de wens om heel veel snelheid te bereiken en aan de andere kant de wens
van ouders om echt tot herstel te komen, waarbij snelheid soms ook heel
complex en ingewikkeld is. Het is onze doelstelling, onze wens, om dit
te doen, want het is helder dat we dit moeten aanpakken en dat we
hieraan moeten werken. Dat ben ik zeer eens met velen van u, eigenlijk
ieder van u, die dat gezegd hebben. We moeten hier ook samen aan werken.
Ik ben dan ook blij met uw suggesties, uw denkkracht en uw steun, omdat
we hetzelfde doel hebben, en dat is ouders echt helpen.
Dan wil ik overgaan tot de beantwoording van de vragen. Dat heb ik in
drie delen bedacht, een deel dat gaat over de aanpak en de herijking,
een stuk over het beleid, over schulden en over de samenwerking met
gemeenten en dan nog een aantal andere vragen die niet zo makkelijk in
een van de eerste twee categorieën vallen.
Ik begin met dat stuk over de aanpak en de herijking. De vraag die door
zowel de VVD als de PvdA en BIJ1, maar eigenlijk door velen van u door
uw opmerkingen en bijdragen heen is gesteld, is: waarom duurt het
behandelen van een ouder zo lang? We hebben uiteindelijk met elkaar één
doel: ouders recht doen en perspectief bieden op een nieuwe start. De
ouders willen heel erg graag dat ze zo snel mogelijk geholpen worden,
niet in de laatste plaats omdat velen van hen al lang wachten en er voor
hen lang onduidelijkheid is geweest en er soms ook nog is, over wat er
precies aan de hand is. We weten ook dat voor een goed herstel van
ouders meer nodig is. We weten dat ze persoonlijk contact heel erg
belangrijk vinden, net als het verhaal vertellen, de brede ondersteuning
om hun leven op de rit te krijgen en niet in de laatste plaats ook
aandacht voor emotioneel herstel. Een aantal van u heeft daar ook iets
over gezegd. Ze willen begrijpen wat er echt is gebeurd in het verleden.
Ze hebben vooral ook veel vragen aan onze kant om precies uit te rekenen
wat er is misgegaan. Natuurlijk verwachten ouders ook duidelijke
communicatie en willen ze dat verwachtingen worden nagekomen.
Voor een deel kost dat ook tijd. Dat is tijd die welbesteed is. Dat kan
ik illustreren aan de hand van een casus die voor veel ouders geldt,
namelijk dat een zaakbehandelaar op dit moment ongeveer vijf lange
gesprekken voert met ouders. Die gesprekken duren minimaal een uur. Die
gesprekken moeten natuurlijk niet alleen worden gevoerd, maar moeten ook
worden nabesproken en vastgelegd. Die gesprekken gaan natuurlijk over
wat de ouder heeft meegemaakt, om te zorgen dat er op een goede manier
herstel kan worden geboden. Uiteraard is het ook vaak zo dat ouders
graag zelf eigen documentatie inleveren, omdat velen van hen zeggen: ik
heb informatie die ik graag wil inbrengen in het gesprek. En het is ook
zo dat er vaak contact wordt gelegd door zaakbehandelaars met gemeenten,
deurwaarders, BKR en allerlei andere soorten van instanties. Vaak belt
de ouder ook meerdere keren naar de zaakbehandelaar om meer informatie,
wil die vragen of zorgen delen, wil meer begrijpen over het
herstelbeleid. En, niet in de laatste plaats, aan het eind en de
afronding van de gesprekken met de zaakbehandelaar wordt er niet alleen
maar een berekening gemaakt, maar deze ook uitgebreid en persoonlijk
toegelicht. En na de afronding blijft de zaakbehandelaar er ook vaak bij
betrokken.
Dit traject kost dus tijd. En u heeft het ook al aangegeven: in het
begin gingen we uit van ongeveer zo'n 20 uur per ouder, en dat is
opgelopen naar ongeveer zo'n 50 uur nu. Wat hierbij erg relevant is in
het kader van de herijking is dat we goed kijken hoe we die elementen
behouden die erin zitten, in dat stuk dat we samen met ouders doen,
omdat heel veel van hen het ook fijn en goed vinden om hun verhaal kwijt
te kunnen, met iemand afspraken te kunnen maken over het herstel, zowel
aan de financiële kant als aan de emotionele kant, en ook heel graag
iemand willen spreken die hen goed door de hele financiële situatie en
de berekeningen heen leidt. En dat heeft niet alleen maar te maken met
de berekening van de compensatie, de vergoedingen die ouders krijgen,
maar zeker ook met: wat is er nou precies in het verleden gebeurd, wat
heb ik moeten terugbetalen, hoe zit dat in elkaar? Dus het is, denk ik,
goed om in te zien dat dat betekent dat we nu, op dit moment, veel tijd
kwijt zijn per ouder, dat we dat ook welbestede tijd vinden, en dat we,
als we in de herijking kijken naar manieren om het te versnellen, dat
ook zeker kunnen zoeken — we komen daar zo meteen ook op terug — en ook
zeker zouden moeten kunnen vinden, maar dat het ook belangrijk is om een
aantal van die elementen te bewaren, omdat ouders die ook heel erg goed
waarderen.
Dan ga ik door naar de vraag van de SP die gaat over de lichte toets,
die nu de "eerste" toets heet, en of dat niet ook een bureaucratische
drempel is. Ik moet u eerlijk zeggen dat ik nog steeds blij ben dat we
deze regeling hebben, want dit maakt dat we op relatief korte termijn
een ouder kunnen laten weten of die wel of niet is gedupeerd door de
kinderopvangtoeslag. Of dat sneller kan, daar moeten we het in het kader
van de herijking over hebben, maar het feit dat iemand weet dat hij tot
de groep gedupeerden behoort, vervolgens €30.000 krijgt, zijn schulden
worden gepauzeerd en daarna kwijtgescholden, helpt heel erg. Het is niet
een drempel in het proces, maar het is wel een eerste fase. Wat we wel
weten, is dat het helpt om ouders duidelijkheid te geven. En het geeft
toegang tot die schulden, en de hulp van de gemeente. Wat we wel weten —
en dat is iets waar we in het kader van ons herstel naar moeten kijken —
is dat veel ouders dat niet voldoende vinden; die hebben de sterke
indruk dat zij meer dan die €30.000 aan schade hebben geleden, en willen
dan een volgende stap. En wat we dan zien, is dat met name daar
natuurlijk de vertraging in zit, en dat het gaat over de vraag hoe je
dat meer aan elkaar zou kunnen verbinden. Maar ik denk nog steeds dat
het heel goed is dat we wel een eerste toets doen. Die helpt ouders om
inzicht te geven in het feit dat ze ook echt gedupeerd zijn. En die
heeft er ook toe geleid — laten we dat vooral niet vergeten — dat we
inmiddels al naar meer dan 20.000 ouders middelen hebben kunnen
overmaken; die minimaal €30.000 dus.
Mevrouw Simons (BIJ1):
De heer Omtzigt verwees naar een groep ouders die eventueel niet
daadwerkelijk gedupeerd is, maar in het voorbeeld van de heer Omtzigt
bijvoorbeeld wel die €30.000 zou ontvangen of zou hebben ontvangen. Ik
ben eigenlijk benieuwd of de staatssecretaris inzicht heeft in hoe groot
die specifieke groep is, dan wel zou kunnen zijn.
Staatssecretaris Van Huffelen:
Dat inzicht heb ik niet precies. We hebben wel, toen we die eerste
toetsen hebben uitgevoerd in de regeling die we voor 1 mei hadden
aangegeven, achteraf gekeken of er veel mensen waren die het ten
onrechte niet hadden gekregen. We kwamen er toen op uit dat ongeveer
zo'n 2% van de mensen niet — zo zou je kunnen zeggen — door die eerste
toets kwam maar er uiteindelijk wel recht op had. Om die reden hebben we
de toets in zoverre verzwaard dat we sowieso ook een gesprek met een
ouder voeren. Daarom noemen we het ook niet meer de "lichte toets", maar
is het een iets zwaardere toets. Dat gesprek voeren we telefonisch, om
zeker te weten dat we alle informatie die de ouder zou kunnen geven en
die van belang is voor het maken van die toets kunnen meewegen. Dat doen
we op dit moment al. We hebben daar in het vorige debat ook over
gesproken.
Ik weet niet precies hoeveel mensen relatief weinig schade hadden en
vervolgens wel een beroep hebben gedaan op deze €30.000-regeling. Ik
weet wel dat er mensen zijn die relatief weinig schade hadden, maar die
van ons wel ten onrechte het stempel "opzet/grove schuld" hebben
gekregen. Dat is de groep mensen die wij onterecht fraudeur hebben
genoemd. Wij hebben gezegd dat wij die mensen ook die €30.000 willen
geven, omdat wij vinden dat hun onrecht is gedaan, met veel meer en
grotere gevolgen dan alleen financiële gevolgen.
Mevrouw Simons (BIJ1):
Dank voor dit wat mij betreft bevredigende antwoord, al is het niet
bevredigend dat mensen in eerste instantie niet door de toets kwamen,
maar dat lijkt rechtgezet. Mijn vraag is of de staatssecretaris dan de
zorg van de heer Omtzigt deelt, of dat zij durft te stellen dat dit
misschien een onterechte zorg is.
Staatssecretaris Van Huffelen:
Al met de introductie van de €30.000-regeling, de Catshuisregeling,
hebben wij gezegd dat het mogelijk is dat mensen overgecompenseerd
worden. De snelheid van de beoordeling wel/niet gedupeerd, in combinatie
met het overmaken van €30.000, betekent dat er ook groep is die veel
minder schade heeft geleden en wellicht helemaal geen o/gs-kwalificatie
heeft gekregen, maar wel gecompenseerd wordt met €30.000. We hebben dat
op de koop toe genomen, omdat we zeiden: dat zorgt er wel voor dat we
veel sneller kunnen werken. Als we dat niet hadden gedaan, hadden we nu
nog maar enkele duizenden mensen geholpen. Nu zijn het er al meer dan
20.000. Zij hebben weliswaar nog niet de integrale beoordeling gekregen,
maar wij weten wel dat zij gedupeerd zijn, en zij zijn als zodanig
aangemerkt. Hun schulden zijn gepauzeerd en voor een deel al opgelost.
Zij hebben €30.000 gekregen. Toen we dat deden, wisten we dat er een
groep zou zijn van mensen die veel meer zou krijgen dan de schade die ze
in werkelijkheid hebben geleden.
De heer Alkaya (SP):
In de eerste termijn van de Kamer zijn fundamentele vraagtekens
geplaatst bij de aanpak van de staatssecretaris. Niet alleen door mij,
maar door verschillende partijen. Zij hebben die aanpak "onvoldoende"
genoemd. Daar stapt de staatssecretaris nu snel overheen. Waarom is het
problematisch als het gaat om die €30.000? Omdat zij weer — en dat deed
zij ook bij de Algemene Financiële Beschouwingen — die €30.000 als een
soort smoes gebruikt om die vertraging goed te praten. Ze zegt: ja, het
duurt misschien wel tien jaar, maar ze hebben al wel €30.000 gekregen.
Dat is precies het probleem. Als je voor veel meer gedupeerd bent — een
ton, twee ton, in ieder geval voor veel meer dan die €30.000 — dan zit
je dus jarenlang in de ellende. Dan is het niet goed dat de
staatssecretaris over die fundamentele problemen heen praat en bovendien
zegt: ja, maar die mensen hebben al wel €30.000 gekregen. Dat bedrag van
€30.000 is een administratief iets, een soort voorschot dat je niet
hoeft terug te betalen. Het aantal mensen dat vervolgens afziet van die
integrale beoordeling, is maar 500. Ongeveer 1% van het aantal gemelde
gedupeerden zegt: oké, ik heb aan die €30.000 genoeg. De rest zit veel
te lang in een proces van integrale beoordeling en hoort de
staatssecretaris tot twee keer toe zeggen: ja, maar je hebt wel €30.000
gekregen. Hoe kijkt zij daartegen aan?
Staatssecretaris Van Huffelen:
In lijn met wat mevrouw Van Dijk zei: het is allebei waar. Het is
natuurlijk helemaal niet de bedoeling om daarmee te zeggen: dan is het
ook klaar. Er is een significante groep ouders die graag die integrale
beoordeling wil doen en denkt recht te hebben op veel meer dan €30.000.
Ik wil daar niets aan afdoen, want die integrale beoordeling is wat
nodig is om ervoor te zorgen dat iemand ook daadwerkelijk het bedrag
terug kan krijgen waar hij of zij recht op heeft. Dus ik wil helemaal
niet de eerste stap "verdoezelen", zoals u zei. Wat ik wel weet, is dat
veel ouders aangeven dat zij wel degelijk heel blij zijn dat zij
inmiddels wel helderheid hebben gekregen, in de zin van: u bent een
gedupeerde en uw schulden zijn gepauzeerd. Daar waar de schade vandaag
de dag voor mensen heel veel effecten heeft in financiële termen is er
in ieder geval de pauzeknop. En er is een eerste bedrag. U heeft er
volledig gelijk in dat dit onvoldoende is, dat die integrale
beoordelingen sneller moeten en dat er ook veel meer duidelijkheid en
helderheid over moet komen. Wat ouders vooral zeggen — dat is ook
besproken in de technische briefing — is: we willen vooral duidelijkheid
over wanneer we nou aan de beurt zijn en hoe het proces voor ons
loopt.
De voorzitter:
Een vervolgvraag van meneer Alkaya.
De heer Alkaya (SP):
Kan de staatssecretaris uitsluiten dat het proces is vertraagd door die
€30.000-regeling? Worden die doelstellingen die aanvankelijk waren
gesteld, allemaal gehaald, aan het eind van dit jaar? We moeten nog
steeds geloven dat het aantal mensen dat geholpen wordt met een
integrale beoordeling, nog gaat verdubbelen in tweeënhalve maand. Ik heb
daar een hard hoofd in. Maar kan zij uitsluiten dat die vertraging die
constant optreedt, met de teleurstelling en de onzekerheid waar mensen
constant in blijven, versterkt zijn door die €30.000, dat daar
capaciteit naar is gegaan die ook had kunnen zitten in het snel en
integraal beoordelen van gedupeerde mensen?
Staatssecretaris Van Huffelen:
Nee, dat kan ik niet uitsluiten. Het is wel zo dat we steeds een apart
team hebben gecreëerd voor het behandelen of uitvoeren van die eerste
toetsen. Ik weet dat er momenten in de tijd zijn geweest, bijvoorbeeld
dat we de ouders hadden toegezegd om te zorgen dat ze voor 1 mei zouden
weten of ze wel of niet tot de gedupeerden zouden behoren, als ze zich
voor 15 februari hadden gemeld. Daar hebben toen zaakbehandelaars aan
meegewerkt, dus die hebben wel degelijk meegeholpen aan het realiseren
van de 30k. Onze doelstelling voor het realiseren van die integrale
beoordelingen voor het einde van het jaar staat. Daarvan hopen we ook
echt dat we die gaan realiseren, want we werken er ontzettend hard aan
om dat te doen. Helemaal uitgesloten is het niet. Maar een deel van de
zaakbehandelaren heeft ook meegeholpen bij de beoordeling van die lichte
of eerste toetsing, naar aanleiding van uw vraag.
De voorzitter:
In laatste instantie.
De heer Alkaya (SP):
In laatste instantie ... Dit is mijn derde. Ik bewaar er bewust nog
eentje omdat ik nog een hele belangrijke vraag heb. De heer Azarkan
maakte een leuk grapje, voor de mensen thuis. Misschien wil hij dat
later in zijn interruptie nog eens toelichten.
Maar dan is de pijnlijke constatering dus dat die €30.000-regeling, de
zogenaamde Catshuisregeling, die uit de hogehoed kwam, daags voor de
verkiezingen, heeft geleid tot vertraging bij de integrale beoordeling
van gedupeerden. Als de staatssecretaris dat nu tegen de Tweede Kamer
zegt en de fundamentele kritiek hoort op de vertraging die constant is
ontstaan, dan kan ik alleen maar de vraag van de heer Omtzigt herhalen:
hoe vindt ze dan zelf dat het gaat? Even niet eroverheen stappen, maar
even stilstaan bij het moment waar we nu staan, dat we dit constateren:
hoe vindt de staatssecretaris dat het nu gaat?
Staatssecretaris Van Huffelen:
Ik vind dat er in het hele proces nog heel veel te verbeteren valt, dus
ik ben niet tevreden over hoe het gaat. Er zijn onderdelen waarvan ik
vind dat het goed en fijn is dat we die hebben kunnen uitvoeren. Het is
voor ruim 20.000 ouders goed om te weten dat zij behoren tot die groep
van gedupeerde ouders, dat zij geld hebben gekregen, dat hun schulden
zijn gepauzeerd en dat die worden opgelost. Maar overall ben ik net als
u niet tevreden. We gaan het zo meteen hebben over de voorstellen die
zijn gedaan. Er moet dus ook verbeterd worden.
De heer Edgar Mulder (PVV):
"Niet tevreden", dat is wel een understatement. Lees het rapport van
gisteren. Er wordt op alle fronten gefaald. Ik onderschrijf de zorgen
die de SP heeft over de totale afhandeling. Of we het nou leuk vinden of
niet, het begint bij die Catshuisregeling. Dat hebben wij niet bedacht,
dat is nu het geval. Zonder dat je daar door die lichte toets bent,
worden er ook geen schulden weggestreept. Hoe dan ook, het begint bij
die Catshuisregeling. Er is ooit beloofd dat het een lichte toets was en
dat het heel snel zou gaan. Ik zie dat er nog duizenden ouders niet eens
door die toets zijn. Ik krijg voorbeelden in mijn mailbox van ouders die
na zes maanden een brief krijgen dat zij nog niet aan de beurt zijn, dat
zij nog zes maanden moeten wachten. Hoe kan dat? In de rapportage staat
zelfs dat tussen 4.000 en 5.000 ouders langer dan twaalf maanden moeten
wachten. Hoe is dat mogelijk? Het zou een lichte toets zijn, die voor 1
mei zou zijn afgerond. Het is de basis van alles. Er zijn dus vele
duizenden ouders die nog steeds in de shit zitten, omdat ze niet door
die lichte toets komen. Dan moeten we daar toch aan werken? Of we die
lichte toets nou goed vinden of niet, hij is er. Laten we zorgen dat
iedereen voor het eind van het jaar door die toets is en het geld op de
rekening heeft.
Staatssecretaris Van Huffelen:
Daar kan ik tegen de heer Mulder over zeggen dat dat ook precies is wat
we doen. We hebben gezegd: iedereen die zich meldt, krijgt binnen een
halfjaar helderheid over die lichte toets. We voeren dus binnen een
halfjaar die lichte toets uit. In de voortgangsrapportage wordt
aangegeven dat we dat voor 98% van de ouders, van de mensen die zich
hebben gemeld, ook hebben gedaan. Wij hadden op een gegeven moment de
regeling waarbij we zeiden: als u zich meldt voor 15 februari, krijgt u
helderheid op 1 mei. Toen zaten we op ongeveer 26.000 ouders. Het is
voor de heer Mulder wel belangrijk om te weten dat inmiddels bijna
47.000 mensen zich hebben gemeld, waarvan een deel nog in de afgelopen
week. Dus voor die mensen hebben we die toetsen nog niet uitgevoerd.
Maar ook voor hen geldt — dat geldt voor iedereen die zich meldt — dat
wij die lichte toetsen binnen een halfjaar gaan uitvoeren. Daarbij is
sprake van een paar uitzonderingen. Die hebben we ook aangegeven in de
VGR. We doen dat omdat we het zo belangrijk vinden dat mensen die
helderheid krijgen.
De heer Mulder vroeg: hoe kan het dan zijn dat mensen een brief krijgen
waarin staat dat het nog langer duurt? Uiteindelijk is de beoordeling
natuurlijk die integrale beoordeling, die tot een definitieve
beschikking voor een ouder moet leiden. Daarvoor geldt dat we inderdaad
die termijnen van twee keer zes maanden hebben.
De heer Edgar Mulder (PVV):
Voor de duidelijkheid: ik heb het over brieven van ouders over de lichte
toets. Het gaat dus niet over de integrale beoordeling. Ik kan ze u
laten zien. Op het moment dat u beloofde dat het binnen zes maanden zou
zijn, had u 435 mensen onder u. Nu zit u op bijna het dubbele. Dus dan
zou u ook twee keer zo snel moeten kunnen afhandelen en zou iedereen
voor de kerst door die lichte toets moeten zijn. Ik zeg niet "door het
hele proces", maar ik heb het gewoon over die lichte toets, waarbij de
computer eigenlijk het meeste werk doet, waarvan je er gewoon tien,
twaalf of veertien per dag kunt doen. Als u dat zou willen, moet dat
toch voor de kerst afgerond kunnen zijn?
Staatssecretaris Van Huffelen:
Wij hebben aangegeven dat die toets een lichte toets is, maar dat die
niet onzorgvuldig is. Wij bekijken dus goed of iemand daadwerkelijk
gedupeerd is, omdat we ook zien dat, zeker in de laatste tijd, steeds
meer mensen zich bij ons melden die waarschijnlijk wel degelijk in de
problemen zitten, die financiële schulden hebben of anderszins, maar die
niet gedupeerd zijn door de kinderopvangtoeslag. Wij vinden het dus
belangrijk dat we die toets goed doen. We doen die binnen een halfjaar.
U noemt de kerst als datum. De mensen die zich een halfjaar daarvoor
gemeld hebben, moeten voor de kerst ook allemaal geholpen zijn. Er is
ons niets aan gelegen om niet meer te doen dan kan, maar het is van
belang dat we ervoor zorgen dat die toets ook goed en zo snel mogelijk
wordt uitgevoerd. Maar binnen een halfjaar is onze doelstelling.
De heer Edgar Mulder (PVV):
Dit is geen vraag, voorzitter, maar hoor ik nu een toezegging?
Staatssecretaris Van Huffelen:
Wat ik zei over dat halfjaar?
De heer Edgar Mulder (PVV):
Dat mensen die zich voor 1 juni hebben aangemeld, voor kerst een
uitspraak hebben.
De voorzitter:
Het is misschien beter als u de microfoon aanzet, meneer Mulder.
De heer Edgar Mulder (PVV):
Maar dan ben ik bang dat u het als een vraag rekent. Die wilde ik hier
niet aan kwijt zijn.
Staatssecretaris Van Huffelen:
Het is inderdaad staand beleid dat iedereen die zich gemeld heeft,
binnen een halfjaar van ons hoort of ze wel of niet gedupeerd zijn op
basis die eerste toets.
De heer Azarkan (DENK):
Het is goed dat de staatssecretaris zelf erkent dat ze niet tevreden is
over de voortgang. Heel veel mensen thuis kijken naar hoe we met de
coronacrisis zijn omgegaan. We helpen in anderhalf jaar tijd 300.000
zelfstandigen met de Tozo. We helpen 354.000 bedrijven met de
NOW-regeling. Dat gaat om tientallen miljarden euro's. Daarvan zal zeker
nog misschien wel 15 miljard terug moeten komen. Dat zijn allemaal
individuele bedrijven. Het zijn allemaal zelfstandigen. Die mensen
vragen: hoe kan dat nou dat dat wel zo uitgevoerd wordt, hoe kan het nou
dat de minister van Financiën daarvan zelf zegt "wat er ook nodig is, we
gaan het regelen", en hier niet?
Staatssecretaris Van Huffelen:
Dat is een vraag die u mij stelt en die veel mensen ook stellen. Waarom
betaalt u die mensen niet gewoon? Waarom geeft u ze niet gewoon geld? Op
die vraag zijn een paar antwoorden. Het eerste is natuurlijk dat we ons
in een situatie bevinden waarin we mensen niet zomaar een voorschot
willen geven. Dat is natuurlijk met die coronasteun wel het geval.
Bedrijven hebben een voorschot gekregen en moeten dat terugbetalen
wanneer zou blijken dat hun omzet niet zodanig gedaald is als volgens
die regeling zou moeten. Als er één ding centraal staat in deze
hersteloperatie, is het dat we de mensen geen voorschotten willen geven
en die dan later weer terug moeten vragen.
Het tweede is dat we bij de eerste toets zo snel mogelijk helder
proberen te hebben of iemand wel of niet gedupeerd is. Dan krijgt
diegene de steun die daarbij hoort, namelijk de €30.000, gepauzeerde
schulden en hulp vanuit de gemeente. Dat doen we om op die manier mensen
zo snel mogelijk alvast een eerste handreiking te geven. Daarna duurt de
integrale beoordeling dus langer. We hebben het erover dat we met z'n
allen willen dat dat deel van het verhaal ook versneld wordt. Het is
precies het verschil tussen datgene wat we in de integrale beoordeling
doen ... Ik legde net de stappen uit van wat een zaakbehandelaar samen
met een ouder doet: veel gesprekken hebben, goed met elkaar zitten,
kijken wat er moet gebeuren, met instanties contact hebben, bellen,
berekeningen doornemen, dossiers opzoeken enzovoorts, enzovoorts. Dat
maakt dat het niet zo snel gaat als de uitkering van een Tozo of van een
andere coronasteunmaatregel. Juist daarom hebben we de Catshuisregeling
— daar ben ik nog steeds heel blij mee — omdat die helpt om mensen een
eerste bedrag te geven.
De voorzitter:
Meneer Azarkan, in tweede instantie.
De heer Azarkan (DENK):
Het is erg kort door de bocht als de staatssecretaris in mijn vraag
hoort: waarom geeft u die mensen geen geld? Ik denk dat de mensen thuis
wel snappen dat je mensen niet zomaar geld geeft. Dat hebben we bij de
NOW-regeling natuurlijk ook niet gedaan. Er zijn wel degelijk criteria
ontworpen die bepalen of je daarvoor in aanmerking komt, maar ook
hoeveel het is en hoe je dat onderbouwt. Bij de RVO, de
uitvoeringsorganisatie die dat dan doet, wordt alles op alles gezet om
een portal te ontwikkelen waar je de informatie op kwijt kan. Daar wordt
het zo uitgevoerd dat mensen aan de hand van criteria dat geld krijgen.
Vervolgens moet daar waarschijnlijk een deel van terugbetaald worden.
Dat zou kunnen. Mijn punt is niet zozeer dat je het op dezelfde manier
moet doen. Mijn punt is — dan kom ik een beetje in de buurt van collega
Nijboer — hoe het kan dat we, als het om bepaalde groepen burgers gaat,
in dit geval over Groningen, er ontzettend lang over doen om soms tot op
de laatste cent vast te stellen wat de schade is. Ik weet dat dat met de
€30.000-regeling voor een deel niet geldt. Als je daar lang over
nadenkt, krijg je daar ook buikpijn van, maar laten we dat maar
accepteren. Dat is even niet anders. Maar waarom wordt er bij de ene
groep heel erg doorgeakkerd en is er soms een dossier met tien ordners?
Wat hebben die ambtenaren in hemelsnaam allemaal vastgelegd over
burgers, terwijl die dat dossier zelf soms niet eens hebben? Waarom moet
het zo in detail? Ik heb dat voor de zomer ook gevraagd. Dat moet toch
slimmer kunnen? Je kunt het toch aan de hand van een aantal criteria
veel sneller bepalen, zodat je dat sneller kunt doen?
Staatssecretaris Van Huffelen:
Ja, dat kan ook voor een deel. Dat ligt een beetje aan de situatie van
de ouder, bijvoorbeeld hoeveel jaren iemand gedupeerd is geraakt en
hoelang het heeft geduurd met de terugvorderingen. Maar we willen in de
herijking wel twee dingen boven water halen die passen bij wat u zegt.
Het eerste is het onderdeel van meer regie leggen bij ouders. Er zijn
bijvoorbeeld ouders die heel graag zeggen: "Ik wil zelf best wat meer
voorwerk doen voor die beoordeling. Geef me een soort vooringevulde
aangifte, zodat ik alvast zelf kan uitzoeken hoe het precies zit met wat
er gebeurd is, want ik heb zelf mijn hele documentatie nog." Dat hebben
heel veel ouders. Of ze zeggen: ik denk dat ik prima weet hoe het zit.
Om dat soort dingen gaat het. Dat kunnen we dus leren van die aanpak. We
moeten ernaar kijken of we dat ook kunnen uitwerken.
Het andere is dat het uitzoekwerk in veel gevallen voor ouders, met name
voor de ouders die de meeste schade hebben geleden veel meer tijd kost.
Dat zijn vaak ouders die over heel veel jaren, dus niet één jaar, maar
vaak veel meer jaren, terugvorderingen hebben gehad en die ook grote
bedragen hebben terugbetaald. Dat is niet noodzakelijkerwijs alleen maar
omdat je het precies nodig hebt, maar ook omdat ouders het heel graag
precies willen weten. Mensen zeggen natuurlijk dat ze willen dat het
opgelost wordt, maar ze willen ook heel graag precies weten wat hun is
overkomen en waarom het hun is overkomen. Ze willen heel graag een goed
antwoord op de vraag: wat heb ik nou precies allemaal moeten
terugbetalen en wat heb ik feitelijk terugbetaald? Dat klinkt als een
soort rare opmerking, maar die terugbetalingen zijn gedaan in de vorm
van verrekeningen met andere toeslagen, in de vorm van loonbeslagen en
andere vormen van betalingen, zodat het vaak voor een ouder helemaal
niet meer duidelijk is wat er eigenlijk gebeurd is. Dat is in dit
dossier echt zo. We kunnen in de herijking natuurlijk kiezen voor routes
daarin. Veel ouders willen dus graag dat hun heel precies recht wordt
gedaan en willen ook heel precies weten wat hun is overkomen. Dat vergt
dus ook echt heel precies werk. Als iemand tegen ons zegt dat hij blij
is met €30.000, dat hij een beetje schade had maar dat die eigenlijk nog
wel te doen was en dat hij met die €30.000 helemaal tevreden is, dan
willen we met zo iemand natuurlijk ook graag de afspraak maken en
zeggen: dank u wel, fijn. Nou, niet "dank u wel". "Het is afschuwelijk
wat u is overkomen, maar het is fijn dat we u nu geholpen hebben". Maar
veel ouders hebben ook echt meer hulp en steun nodig. We kunnen daarbij
zeker ook nog kijken naar de vraag hoe we het financiële en het
emotionele meer uit elkaar trekken. Op veel van de door u genoemde
punten kom ik overigens graag nog terug.
De voorzitter:
Maar als interrupties daarom vragen, hoeft dat niet. Dat scheelt ook
weer. Meneer Mulder gaat richting zijn laatste interruptie.
De heer Edgar Mulder (PVV):
Ja, de derde. Dat klopt, voorzitter, want de andere was een toezegging.
Ondanks alle kritiek hier op de Catshuisregeling blijf ik erbij dat die
nu in dit hele traject voor alles en iedereen de basis is. Als ze niet
door de lichte toets komen, worden er geen schulden kwijtgescholden. Die
Catshuisregeling is dus hoe dan ook méér dan belangrijk. Daarom moet het
ook snel. Maar kan het, alles aanhorende, ook niet zo zijn dat uzelf en
de ministerraad dit vreselijk onderschat hebben? Ik zat net nog te
kijken op uw eigen website. Ik moet dat even noemen. Sorry, voorzitter,
maar dat duurt wat langer. Daar staat: "In december 2020 heeft het
kabinet besloten om die €30.000 uit te keren. Dit heet de
Catshuisregeling Kinderopvangtoeslag. Wij verwachten dat ruim de helft
van alle gedupeerde ouders daaraan voldoende heeft." Dat was uw
uitgangspunt. Als ik nu naar uw cijfers van vandaag kijk, zie ik dat van
alle mensen die beoordeeld zijn en die die €30.000 hebben gekregen, er
546 afzien van een integrale beoordeling. Dus niet de helft is geholpen,
maar 1%, 2% of 5% of zo. Als die cijfers, die uzelf op uw website heeft
staan, kloppen, hoe kunt u het dan zo verkeerd hebben ingeschat?
De voorzitter:
Wilt u proberen via de voorzitter te praten?
De heer Edgar Mulder (PVV):
Voorzitter, ik zou heel graag horen …
De voorzitter:
"Kan de staatssecretaris" enzovoort. Als u de microfoon uitzet, kan de
staatssecretaris reageren.
Staatssecretaris Van Huffelen:
We hebben dat bedrag van die €30.000 gebaseerd op het gemiddelde
schadebedrag dat we van ouders zagen. Dat bedrag is zo gemaakt dat
ongeveer de helft van de ouders daarmee voldoende financiële compensatie
zou hebben, inclusief de schadevergoedingscomponent die daarbij hoort,
en dat dat voor de helft van de ouders onvoldoende was. In de praktijk
zien we nu dat een deel van de ouders zegt dat het voldoende is voor
hen, dat ze hier voldoende mee geholpen zijn en dat ze verder geen prijs
stellen op een integrale beoordeling, maar ook dat veel ouders dat niet
doen. Die zeggen wel door te willen met die integrale beoordeling. Dat
hoeft niet te betekenen dat ze ook in aanmerking komen voor een grotere
vergoeding, maar ze willen die beoordeling graag. Zij kiezen dan zelf
voor die integrale, wat dieper gaande beoordeling waarin ze samen met
een zaakbehandelaar aan het werk gaan. We kunnen in de herijking
natuurlijk ook gaan kijken naar de vraag of er mensen zijn die misschien
met een snellere vorm van integrale beoordeling geholpen zijn dan de
uitgebreide beoordeling die ik zojuist beschreef. Maar de groep ouders
die tot nu heeft gezegd dat ze ervan afzien, dat het voor hen niet
hoeft, bestaat uit iets meer dan 500 ouders.
De voorzitter:
Vervolgt u uw betoog, staatssecretaris. Meneer Mulder, als u wat wilt
zeggen, maakt u dan even een punt van orde en zet u uw microfoon
aan.
De heer Edgar Mulder (PVV):
Ja, dan maar een ordepunt. Excuus. Er zijn nu heel veel
voortgangsrapportages. Iedere keer zit iedereen naar die cijfers te
kijken, maar eigenlijk houden wij een spiegel voor. Als wij dat dan
doen, komt het verhaal: eigenlijk is het wel zo, maar misschien ook een
beetje anders. En dan is het weg, terwijl ik een heel duidelijke vraag
stel. Er was gezegd dat de helft ermee geholpen zou zijn en dat blijkt
nog geen 5% te zijn. Hoe kan het dat daar een heel kabinet bij elkaar
zit, dat dan met een heel verkeerd voorstel komt? Dat moet een antwoord
krijgen. Straks gaan we weer allemaal weg, is het weer voorbij en blijft
over dat de staatssecretaris zegt: we gaan heel hard werken! Maar dat
horen we nu al anderhalf jaar.
Staatssecretaris Van Huffelen:
Ik zal dan proberen de vraag van de heer Mulder iets helderder te
beantwoorden. Op het moment dat wij de Catshuisregeling maakten, keken
we naar het gemiddelde schadebedrag dat een ouder kreeg. Ongeveer de
helft van de ouders kreeg op dat moment minder dan €30.000, de helft
meer dan €30.000. Dus ons idee was: we zetten die Catshuisregeling op
€30.000, zodat de helft van de ouders hier financieel gezien mee
geholpen is. Dat is iets anders dan dat een ouder zegt: ik wil
desalniettemin heel graag een integrale beoordeling. Het is goed om
misschien even helder te maken wat nu het gemiddelde schadebedrag is, of
dat nog steeds die €30.000 is. Ik zal kijken of ik dat in tweede termijn
kan doen. Het kan zijn dat iemand helemaal geen recht heeft op meer dan
€30.000 maar wel degelijk graag een integrale beoordeling wil. Daar gaat
het over.
De heer Azarkan (DENK):
Ik ga toch een dure vraag, een kwart van mijn vraag, hieraan spenderen.
Dit is gewoon niet de afspraak. Ik ergerde me net, waardoor collega
Mulder er ook op reageerde. Het gaat er niet alleen om dat die mensen
nou meer of minder krijgen. Dat is voor mij helemaal niet het issue. Het
issue is niet hoeveel geld er uitgekeerd wordt. Als de mensen maar
krijgen wat ze willen hebben. Het gaat om de handling vanuit de UHT. Ik
heb voor de zomer ook gevraagd wat het zou betekenen als er veel minder
handling zou zijn. Zouden we daardoor sneller met een andere groep
ouders door die beoordeling heen kunnen? Maar als nou blijkt dat een
overgroot deel alsnog die beoordeling gaat vragen, dan zijn we niks
opgeschoten. Weliswaar helpen we dan een aantal ouders die het
broodnodig hadden, maar we helpen niet in de doorlooptijd van de UHT.
Dat is gewoon niet de afspraak! Dat is ook niet wat de staatssecretaris
ons heeft voorgehouden. Ze had het echt over de helft die we dan niet
hoeven niet te beoordelen. Ik vind dat echt nogal wat.
Staatssecretaris Van Huffelen:
Misschien is het goed om daar een paar dingen over te zeggen. Het zou
natuurlijk heel fijn zijn wanneer ouders zeggen: ik heb voldoende aan
dat bedrag; ik hoef geen integrale beoordeling. Dat doet een aantal
ouders, maar lang niet zo veel ouders als wij gehoopt hadden.
Tegelijkertijd hebben we een wet gemaakt met elkaar. Die wet zegt dat
ouders ook recht hebben op een berekening en een integrale beoordeling
van hun beschikking waarin uitgebreid beschreven staat wat er gebeurd
is, enzovoorts, enzovoorts, enzovoorts. Als u vraagt of ik teleurgesteld
ben in die zin dat ik gehoopt had dat meer mensen tevreden waren met
alleen de Catshuisregeling, dan zeg ik ja. Die hoop hadden wij. Wij zien
nu dat dat niet zo is. Veel ouders zeggen: ondanks het feit dat ik dat
bedrag heb gehad, wil ik toch graag die integrale beoordeling. Nu gaat
het erover — ik denk dat dat ook de vraag is die u steeds stelt — of we
de integrale beoordeling nog kunnen versnellen om ervoor te zorgen dat
mensen het proces daarna ook daadwerkelijk kunnen afronden. U zegt: u
heeft beloofd dat die mensen daarna geen integrale beoordeling willen.
Die belofte kan ik natuurlijk niet doen, want we hebben een wet die zegt
dat mensen daar recht op hebben.
De heer Azarkan (DENK):
Die wet is ontzettend belangrijk en ik ken die wet heel goed. Ik heb die
echt heel goed bestudeerd. We hebben er met elkaar voor geijverd dat
mensen een eerlijke beoordeling krijgen en dat ze ook altijd toegang
hebben tot de Commissie Werkelijke Schade. Die rechtsbescherming moeten
ze namelijk nu wel krijgen, dus u zult mij aan uw kant vinden als u
zegt: die mensen hebben daar recht op. Het gaat erom dat de
staatssecretaris een inschatting heeft gemaakt van de hoeveelheid werk
en de doorlooptijd. Het feit dat er gekozen is om die €30.000 in te
zetten, ging ten koste van de capaciteit van de UHT. Daardoor kon de
integrale beoordeling niet gedaan worden, maar dat zou voor een deel
goedgemaakt worden omdat een aantal mensen daarvan zou afzien. Ik vind
dat echt … De staatssecretaris zegt "ik hoopte", maar we rekenen elkaar
niet af op wat we hoopten. De staatssecretaris staat aan het hoofd van
een buitengewoon complexe uitvoeringsorganisatie met allerlei
kerstbomen. Het doel is om mensen die jarenlang ongekend onrecht is
aangedaan … Dan kunnen we niet volstaan met "ik had gehoopt". Dan moeten
we een betere inschatting hebben en elkaar ook rekenschap geven van het
feit dat het niet loopt zoals het nu gaat, want dan is het gewoon een
inschatting die iedereen had kunnen doen. Dat was in ieder geval niet
mijn beeld. Ik sta hier niet met een persoon. We staan hier met de
staatssecretaris die er alles aan doet om over de juiste informatie te
beschikken, zodat ze de juiste inschatting kan maken. Dit stelt me enorm
teleur.
Staatssecretaris Van Huffelen:
Dat laatste vind ik natuurlijk heel jammer. Volgens mij moeten we
eerlijk zijn in het delen van de feiten met elkaar. Het is zo dat veel
mensen nog steeds heel graag een integrale beoordeling willen hebben en
dat het er percentagewijs meer zijn dan ik dacht op het moment dat wij
de Catshuisregeling inzetten. Er zijn inmiddels ook heel veel meer
mensen die zich bij ons hebben gemeld. Wij hadden over de
Catshuisregeling gezegd: als u zich voor 15 februari meldt, dan kunt u
voor 1 mei van ons duidelijkheid krijgen over de eerste toets. Maar van
de mensen die zich nu hebben gemeld, heeft ongeveer de helft zich pas na
die tijd gemeld. Er is dus een steeds groter wordende groep mensen.
Zoals ik al aangaf, komen er nog iedere week mensen bij. Dat maakt dat
de uitdaging die we hebben letterlijk met de dag groter wordt. Daar
kunnen we boos of teleurgesteld of anderszins over zijn, maar volgens
mij moeten we de feiten onder ogen zien. We moeten ook onder ogen zien
wat u met z'n allen heel duidelijk aangeeft, namelijk dat het van belang
is dat we hier een andere route gaan kiezen, omdat we in het andere
geval — dat heb ik ook al eerder gezegd — nog heel erg lang bezig zijn
met deze hersteloperatie.
De voorzitter:
Gaat u verder.
Staatssecretaris Van Huffelen:
Dan de vraag van het CDA en de VVD waarom de herijking nog niet is
afgerond en hoe het plan er nu uitziet. Toen wij voor de zomer met
elkaar spraken over de herijking, zeiden we dat het van belang is om een
andere aanpak te kiezen. Tegelijkertijd heeft uw Kamer ook een aantal
dingen aangegeven, namelijk dat u het van belang vond dat dat zou
gebeuren vanuit het perspectief van de ouders en dat we de mening en de
ideeën van verschillende partijen daarin zouden betrekken. De heer
Grinwis heeft daar ook een motie over ingediend, namelijk om onze
denktank erbij te betrekken. Dat totaal maakt dat we nog niet klaar zijn
met de herijking, maar we willen die volgende maand, in november,
afronden. Uw Kamer heeft gevraagd om in gesprek te gaan over de
uitkomsten daarvan, omdat u heeft gezegd dat u wel degelijk een say wilt
hebben in: vinden we het dan ook slim en goed wat u heeft bedacht?
Tot nu toe hebben we in de herijking het volgende gedaan. We hebben een
ouderenquête uitgevoerd, waaraan bijna 1.000 ouders hebben meegedaan. Ze
zijn geselecteerd op basis van een aselecte steekproef en aanmelding. Ik
kom daar zo meteen nog even op terug naar aanleiding van de vraag van
mevrouw Van Dijk. We hebben cocreatiesessies in het land gehad met
groepjes van vier tot vijf ouders. In totaal hebben er 40 meegedacht
over oplossingen. We hebben een hele lijst van betrokken organisaties
uitgenodigd om met ons mee te denken over wat er nu fout gaat, maar ook
over wat er goed gaat, zodat we op een juiste manier een vervolg kunnen
doen. We vragen individuele experts. Onze bestuurlijke adviescommissie
helpt ook. Op basis van al die bronnen en oplossingen gaan wij bekijken
wat volgens ons de beste oplossing is. Ik kom zo meteen echt terug op de
punten die u zelf heeft genoemd, omdat ik denk dat het heel belangrijk
is om die mee te wegen. Het is dus van belang om ervoor te zorgen dat we
goede keuzes maken, dat we daar de juiste mensen bij betrekken, maar
vooral ook dat we oplossingen bieden waar we goede uitvoeringstoetsen op
doen. Mevrouw Van Dijk was daar in het vorige overleg heel helder over.
Dan weten we ook zeker dat het goed gaat als we iets nieuws
bedenken.
Is dat dan een garantie dat de wereld er een beetje anders uit zal zien
na afloop daarvan? Die is er natuurlijk niet, zeg ik tegen de heer
Azarkan. We weten ook niet precies hoeveel mensen zich in de komende
tijd nog zullen melden bij ons, maar we willen daar wel een zo robuust
mogelijke oplossing voor hebben, ook als zich nog heel veel ouders
melden in de komende tijd. Onze wet loopt nog tot 2024. Als daarna
mensen zich melden die ook gedupeerd zijn, willen we die ook helpen. Ik
denk dat de Kamer dat met me eens is. We moeten er dus wel voor zorgen
dat onze oplossingen robuust zijn voor nog een heleboel mensen die zich
zullen melden.
Dan ga ik door naar de vraag van mevrouw Van Dijk van het CDA over hoe
de ouders zijn geselecteerd voor dat ouderonderzoek, voor die enquête.
Het is misschien goed om te weten dat wij met die enquête mensen
ondervragen. Dat zijn gesprekken die ongeveer een uur duren. Er wordt
goed gesproken met een ouder en gevraagd: wat verwacht u van de
operatie? Hoe vindt u het? Wat kan er beter? Enzovoorts, enzovoorts. We
hebben een aselecte steekproef getrokken uit al onze aanmeldingen, dus
uit die 47.000 mensen die zich bij ons gemeld hebben. We hebben het dus
niet alle ouders letterlijk gevraagd, maar we hebben geprobeerd een
representatieve afspiegeling te maken van de mensen die zich bij ons
gemeld hebben. Los daarvan spreken we in het kader van de herijking nog
met een heleboel andere ouders.
Dan de vraag van GroenLinks, de VVD en DENK: wat gaat u doen om de
hersteloperatie te versnellen en te verbeteren? Wat komt er uit de
herijking?
De voorzitter:
Voordat u daartoe overgaat, geef ik mevrouw Van Dijk het woord voor een
interruptie.
Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
U heeft het over "aselect" en "representatief". Daar zit ik een beetje
mee. Als het aselect is, hoe weet u dan dat het representatief is? Ik
vroeg of het niet beter was geweest om alle ouders een kans te geven om
input te kunnen leveren. Daar zit ik een beetje mee naar aanleiding van
uw antwoord. Is het dan wel echt een representatief onderzoek? Want op
basis van representativiteit kun je het beste het proces
inrichten.
Staatssecretaris Van Huffelen:
1.000 ouders op de 47.000 ouders is natuurlijk een heel grote groep. Als
u zegt dat u weet dat er mensen zijn die ook heel graag willen meedoen,
maar nog niet hebben meegedaan, is het altijd goed om dat aan ons te
laten weten. Er kunnen altijd meer mensen meedoen. We willen die enquête
natuurlijk wel afsluiten. Ons idee is wel steeds geweest om uit die
totale groep een flinke deelverzameling te kiezen. 1.000 uit de 47.000
is denk ik statistisch gezien best een grote groep, maar de heer Omtzigt
is hier de specialist.
De voorzitter:
Laten we niet in de methodologische … Dat is misschien leuk voor straks
of morgen. Mevrouw Van Dijk had een vraag. Daar heeft de
staatssecretaris antwoord op gegeven. Zij gaat nu verder met de
inleiding die zij net al aangaf.
Staatssecretaris Van Huffelen:
Ja. Even kijken hoor. Het ging over het versnellen en het verbeteren van
de hersteloperatie, een vraag van GroenLinks, de VVD en DENK. Ik loop
alle fracties die daar ook iets over gezegd hebben graag met u langs.
Met de herijking willen wij ook fundamenteel kijken naar het verbeteren
van de aanpak, omdat wij zien dat er een aantal dingen in zitten die
niet goed gaan. Dat zit voor een deel natuurlijk in het tempo en de
snelheid, maar er zijn veel meer elementen, die ook genoemd zijn door
velen van u, zoals de mate waarin er sprake is van voldoende emotioneel
herstel, de mate waarin er bij ouders helderheid en transparantie is
over het hele proces en de doorlooptijd van een dossier van een ouder.
Ja, er is een relatief snelle eerste lichte toets, maar ouders moeten
daarna soms een lange periode wachten. Zeker voor ouders die niet door
die toets komen, kan dat heel frustrerend zijn, en overigens ook voor
mensen die er wel doorheen zijn gekomen. Dan is er nog de Commissie
Werkelijke Schade, waar veel ouders naartoe willen. We zien dat die
stappen op vele fronten verbetering behoeven, ondanks alle resultaten
die ook behaald zijn. Ik ben ook blij dat een aantal van u heeft gezegd
dat zij daar ook blij mee zijn en dat zij zien dat er heel erg hard
gewerkt is.
Ik kan natuurlijk niet helemaal vooruitlopen op alle elementen die je in
die herijking kunt zien, maar ik wil wel een paar dingen met u
doorlopen. Daarbij geldt ook dat een gouden oplossing, zoals de heer
Snels zei, die voor alle ouders gaat werken, ingewikkeld is. Enerzijds
zijn er ouders die heel diep geraakt zijn en die graag uitgebreid met
ons willen zitten, over wat er gebeurd is. Daar hebben we tijd voor
nodig. Aan de andere kant kunnen er ook ouders zijn die veel minder diep
geraakt zijn. Aan de ene kant is het verhaal dat we tijd nodig hebben om
ouders goed te behandelen. Dat wreekt zich voor de snelheid. We moeten
ons ervan bewust zijn dat we die gouden oplossing wellicht niet gaan
vinden maar dat we wel een oplossing moeten vinden die ervoor zorgt dat
het proces voor ouders een stuk beter wordt.
Ik heb een aantal dingen gehoord. De heer Idsinga van de VVD zei dat het
gaat om een beter intakegesprek, even los van hoe je dat gesprek precies
noemt. We hebben in onze pilot ook heel duidelijk gezien dat een goed
gesprek aan het begin van het traject, waarbij de ouder het verhaal doet
in samenspraak met meerdere partijen, bijvoorbeeld ook de gemeente, heel
goed werkt. Dat helpt om inzicht te bieden in wat er precies aan de hand
is. Het zorgt ervoor dat je afspraken kunt maken over welke hulpbehoefte
er is bij de ouder, welke vragen er zijn, en hoe we dat goed kunnen
uitzetten. Een tweede element is de samenwerking tussen partijen. Hoe
kunnen we zorgen dat een ouder dan ook gelijk goede hulp krijgt, van de
gemeente of van Slachtofferhulp? Die kunnen we dan ook veel beter
organiseren.
Het is belangrijk om iets te doen waar de heer Snels in een vorig debat
ook op heeft gewezen, en dat heeft de Ombudsman ook heel duidelijk
gezegd, om te proberen sneller tot een afronding te komen voor ouders
die niet in aanmerking komen voor herstel omdat ze niet gedupeerd zijn
door de kinderopvangtoeslag. Het is voor de ouders frustrerend om in een
proces te zitten dat uiteindelijk nergens toe leidt. En dan moet er tijd
van ons worden gestoken in die mensen en die kunnen we niet steken in
mensen die wel degelijk gedupeerd zijn.
Een belangrijk element is ook dat we verder willen kijken of we na de
€30.000-regeling, dus na de Catshuisregeling, met meer ouders tot een
afronding kunnen komen. Op dit moment hebben we aan ouders gevraagd:
denkt u dat dit voor u voldoende is, bent u klaar met uw herstel? Dat
doen we vaak nadat we al hebben aangeboden om de totale, integrale
beoordeling nog een keer te doen. Ik denk dat het goed is dat we ook met
hen gaan zitten, omdat er meer ouders zijn die eerder tot een afronding
van hun traject zouden willen komen.
Dat zijn een aantal elementen die erin zitten: dat intakegesprek, heel
belangrijk, de samenwerking met gemeenten — ik kom zo meteen nog op de
vraag van de heer Alkaya hoe we die kunnen invullen — en zorgen dat
mensen die uiteindelijk niet in aanmerking komen voor herstel, niet
zolang bij ons in het proces blijven, omdat dat frustrerend is voor die
ouders en ook frustrerend kan zijn voor andere ouders, omdat die dan
langer moeten wachten.
De heer Idsinga (VVD):
De reden dat ik zo'n punt maakte van dat "intakegesprek" — om het maar
zo te noemen, maar ik ben het met u eens dat het niet zo heel veel
uitmaakt hoe je het noemt — is dat ik in heel veel gesprekken met ouders
hoor dat ze continu hun verhaal opnieuw moeten vertellen, dat ze steeds
weer door die pijn heen moeten, dat ze steeds weer die gegevens op tafel
moeten zien te krijgen en daar worden ze een beetje moe van, en dan druk
ik het nog zwak uit. Vandaar dat ik vroeg: zou je nou niet al die
gesprekken, laten we even uitgaan van de situatie van ouders die nog aan
het begin staan van die hele keten van hulp, vanaf het begin veel meer
samen kunnen voegen in één groot gesprek, met meerdere partijen aan
tafel, bijvoorbeeld iemand van de gemeente, een persoonlijke
zaakbehandelaar, iemand die wat van schade afweet, noem het maar op? Dan
hoef je niet al die processen waarin data, pure gegevens worden
verzameld, niet steeds na elkaar te doen. Dat levert heel veel pijn en
frustratie op.
Staatssecretaris Van Huffelen:
Ik heb het erover dat het slim is om te zorgen dat ouders niet heel vaak
het verhaal opnieuw moeten vertellen. Je wil dat zo veel mogelijk aan
elkaar verbinden. Of je dan ook letterlijk met zo'n hele grote groep
partijen aan tafel moet zitten, dat weet ik niet. Dat moeten we in de
herijking met elkaar toetsen, want heel veel ouders vinden het ook naar
als ze ineens tegenover een soort tribunaal moeten zitten. Het moeten
ook weer niet te veel partijen zijn. We willen er graag aan werken om te
zorgen dat je dat eerste gesprek verrijkt, om het maar zo te zeggen. Net
zo goed als we dus ook de samenwerking tussen partijen willen verbeteren
en tot een andere afronding willen komen.
Ik ga door naar de vragen die ook zijn gesteld door CDA, VVD en de
ChristenUnie over of organisaties zoals bijvoorbeeld gemeenten een
grotere rol zouden kunnen spelen in de hersteloperatie. De gemeenten
spelen op dit moment natuurlijk echt een belangrijke rol. Ze bieden
brede ondersteuning aan ouders en het is heel fijn en goed dat ze dat
doen. En we hebben natuurlijk ook geprobeerd hen daar zo goed mogelijk
in te faciliteren, door in ieder geval aan te geven dat daar voldoende
middelen voor ter beschikking staan. Het zou natuurlijk heel goed kunnen
zijn dat andere partijen ook een rol kunnen spelen in het herstel van
ouders. En we hebben natuurlijk ook een aantal van hen al in beeld.
Slachtofferhulp is een belangrijke partij. Ik ben daar gisteren op
werkbezoek geweest. Die helpen ouders ook verder, met name als er meer
psychische schade is of als ze behoefte hebben aan nog vaker een
gesprek. Nou, dat kan dan ook allemaal. Maar de vraag die u stelde, denk
ik, is meer concreet: kunnen gemeenten een grotere rol spelen in dat
hele traject dat een ouder doorloopt bij ons? Dat is ook iets waar we in
de herijking echt voor openstaan: in welke varianten kan de gemeente een
belangrijke rol spelen, bijvoorbeeld meer de lead nemen of meer een
partij zijn die daadwerkelijk ook naast de ouders staat in het herstel?
Daarbij geldt natuurlijk ook — en ik geloof dat de heer Van Raan dat ook
zei — dat die financiële kant wel door ons moet worden afgehandeld,
omdat nou eenmaal de data enzovoorts bij UHT zijn. Maar een grotere rol
voor de gemeenten is wat ons betreft zeker iets om goed naar te
kijken.
Dan is er de vraag van de ChristenUnie, VVD en CDA over of het zou
helpen om met forfaitaire bedragen te werken. Dat is een vraag die
eerder ook aan de orde is gekomen. Een deel van onze regelingen kent
natuurlijk al forfaits. Die €30.000 is natuurlijk eigenlijk een soort
forfait, en we hebben het bij de integrale beoordeling van of iemand het
geld terugkrijgt dat hij ten onrechte aan ons heeft moeten terugbetalen,
verhoogd met die 25% materiële en €500 per halfjaar immateriële schade.
Maar ik heb volgens mij over die forfaitaire aanpak twee richtingen
gehoord, en ik probeer over beide kort iets te zeggen. Enerzijds zou je
meer naar forfaitaire regelingen kunnen kijken voor die integrale
beoordeling, dus dat je daar meer met staffels werkt. Dat is een idee
dat door een aantal mensen is geopperd. Dat is best ingewikkeld, want er
zijn natuurlijk hele grote verschillen in wat mensen daadwerkelijk
hebben terugbetaald. En is iemand nou happy als hij dan — zeg maar —
toevallig net onder in de staffel zit enzovoort, enzovoort, enzovoort?
Nou, daar moeten we naar kijken, maar dat is wel één kant. De andere
kant is meer de schadevergoedingscomponent. Er is bijvoorbeeld al eens
eerder in de debatten gewisseld dat je eigenlijk iets meer zou willen
werken met een bepaald bedrag per geleden schade, om daarmee meer
helderheid te krijgen. Ik denk dat die eerste kant problematischer is.
Bij de tweede kant zouden we, denk ik, moeten bekijken of dat ons ook
kan helpen in de herijkingsaanpak, wellicht in combinatie met de
Commissie Werkelijke Schade. Nou, ik denk dat we daarbij met elkaar
moeten werken. Maar er is echt gewoon nog wel serieus werk voor nodig om
dit verder uit te werken, om te zien hoe dit dan ook daadwerkelijk helpt
in termen van snelheid, in termen van meer rechtvaardigheid. Ik denk dat
dat laatste voor veel ouders niet onbelangrijk is, want in die
ouderenquête hoor ik ouders ook steeds zeggen: ik vind snelheid wel heel
belangrijk, maar ik vind duidelijkheid over het proces en duidelijkheid
over de stappen, en dat mij echt recht wordt gedaan en ik begrijp hoe ik
gecompenseerd word, ook ongelooflijk belangrijk, of misschien zelfs wel
belangrijker. Dus dat even over die forfaitaire bedragen.
De voorzitter:
Voor u verdergaat, heeft de heer Grinwis een vraag.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Ja, voorzitter. Dank voor de reactie van de staatssecretaris. Het
scheelt volgens mij een motie zo meteen, dus ik ga nog even hierop door.
Dit sluit erg aan bij de gedachte achter de motie-"denktank" — zo noem
ik hem maar even — om vooral dat laatste deel van die operatie, die
schadeafhandeling, zo goed mogelijk vorm te geven. Kan ik het antwoord
van de staatssecretaris zo verstaan, dat bij die herijking inderdaad
verschillende varianten, ook bijvoorbeeld die die vandaag werden
ingebracht door de ouders die ik al noemde, Heiner en Woodrow, echt goed
worden bekeken, en dat dan dus straks, als er een advies ligt, op een
rijtje wordt gezet: waarom wel, waarom niet; wat is kansrijk, en waarom
dan wel?
Staatssecretaris Van Huffelen:
Ja.
Dan de vraag van DENK. Ik begreep de heer Azarkan zo dat hij vindt dat
er hogere bedragen voor materiële of immateriële schade moeten worden
uitgekeerd. Misschien heb ik hem niet goed begrepen, maar de kern is dat
in de huidige wet — de heer Azarkan sprak er ook over — staat dat je
terugkrijgt wat je onterecht hebt betaald en dat daarbovenop alle rente
en boetes enzovoort komen. Het gaat om 25% van de materiële schade en om
€500 per halfjaar als vergoeding voor immateriële schade. Begreep ik de
heer Azarkan goed — ik weet niet of ik daarmee aan uitlokking doe of dat
het een extra vraag wordt — dat hij de bedragen onvoldoende vindt of dat
we naar een andere systematiek toe moeten? Of heb ik hem dan niet goed
begrepen?
De voorzitter:
Heel kort; ja of nee bij wijze van spreken.
De heer Azarkan (DENK):
In antwoord op de staatssecretaris: ik vind dat de compensatiebedragen
voor immateriële schade echt flut zijn. Die zijn echt helemaal
niks.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Azarkan.
De heer Azarkan (DENK):
Die doen echt geen recht aan wat de mensen … Ook heb ik gezegd dat ik
hand in eigen boezem steek: ik had dit ook eerder moeten melden en daar
een voorstel voor kunnen doen. Dat even in alle eerlijkheid.
De voorzitter:
Gaat u verder, staatssecretaris. Lok niet meer uit.
Staatssecretaris Van Huffelen:
Het helpt voor het debat wel dat we elkaar goed verstaan, want dan kan
ik ook beter antwoord geven. Dan snap ik de vraag van de heer Azarkan
goed. Hij is op zoek naar hogere bedragen voor de vergoeding van
immateriële schade. Ik denk dat we dit onderwerp moeten meenemen in de
herijking. Dit punt is door meerdere mensen genoemd. Ik kan daar
helemaal geen toezeggingen over doen omdat ik helemaal niet weet waar we
dan op zouden uitkomen, maar ik denk dat het goed is om dat mee te
wegen.
Dan ga ik naar de vraag van de SP: wat heeft u nou eigenlijk geleerd van
de pilots? Zoals de heer Alkaya al zelf heeft aangegeven, hebben we op
basis van de aangenomen motie een aantal pilots uitgevoerd. We hebben
die op verschillende manieren uitgewerkt en op verschillende plekken in
het land gedaan. We hebben samen met de ouders gekeken of er de
mogelijkheid is om het herstel te versnellen, maar ook om het te
verbeteren. We hebben daar behoorlijk veel van geleerd. In totaal hebben
ongeveer 50 ouders meegedaan aan de pilots. Van nummer één hebben we
geleerd dat zo'n driegesprek op locatie — de heer Alkaya noemde dit al
in zijn bijdrage — tussen de ouder, de zaakbehandelaar en de gemeente
als enorm waardevol wordt gezien. Zowel wat betreft inzicht in het
proces als het gaat om meer emotioneel herstel geven ouders aan dat ze
dat heel erg prettig vinden en waarderen. We hebben ook geleerd dat we
voor een deel van de ouders direct op dezelfde dag duidelijkheid kunnen
geven over hun compensatie. Wel zijn nog steeds een voor- en natraject
nodig, want er moet wel voorwerk worden gedaan door ons, en soms ook
door de ouder. Ook moet nawerk worden gedaan. Desondanks heeft de ouder
na afloop van die dag inzicht. Maar voor een groter deel van de ouders
bleek dit toch nog niet te werken en blijken we meer tijd nodig te
hebben om met die ouder een stap verder te komen.
Die lessen zijn wel heel belangrijk voor het antwoord op de vraag die de
heer Alkaya stelde: kan de staatssecretaris ervoor zorgen dat we waar
dat kan, en waar dat ook voor de ouders een werkbare optie is, de
behandeling in één dag gaan doen? Ik vind dat echt een heel goed
voorstel, in de zin dat je dat ook zou willen als het kan. Het is immers
heel prettig voor ouders als ze in één dag geholpen kunnen worden.
Nogmaals, we hebben gezien dat de groep ouders voor wie dat kan, niet de
hele populatie ouders is. Sterker nog, het gaat om een beperkte groep
ouders. Een heleboel ouders hebben namelijk toch meer tijd nodig om zelf
nog input te leveren. Ook is het mogelijk dat wij nog werk nodig hebben.
Het kan immers heel veel uitmaken of iemand bijvoorbeeld hersteld moet
worden op basis van één jaar waarin het fout is gegaan of in sommige
gevallen wel tien jaar.
De heer Alkaya stelde nog een aantal vragen. Ik begin even met de vraag
of de PZB'er, de zaakbehandelaar die er dan bij is, de ruimte krijgt
voor meer beslissingsmacht, beslissingsruimte of discretionaire
bevoegdheid. Ik vind dat heel interessant. Ik wil dat ook meenemen. Ik
vind het wel belangrijk dat we opletten dat we het vierogenprincipe dat
we in onze aanpak hebben, niet zomaar loslaten. Maar ik denk dat je dat
ook op andere manieren kunt inbouwen dan door te zeggen dat anderen er
vele dagen of weken later naar moeten kijken. Het gaat dus over die
discretionaire bevoegdheden voor PZB'ers, die meer ruimte krijgen.
Bij het andere punt ben ik even op zoek naar wat u precies zei. U zei:
kan dat gesprek op locatie, dat gesprek waar de gemeente en de PZB'er
bij zijn en waarin de ouder komt met de stukken en al dan niet met wat
voorbereiding, door iemand anders worden georganiseerd? Toen vroeg ik me
het volgende af. Ik ben dan weer aan het uitlokken, maar ik heb even
hulp nodig. Over wat voor soort partij heeft u het dan? Er is de PZB'er
die namens de Belastingdienst iets moet zeggen en die het dossier moet
kennen. Er is de gemeente die kan helpen in termen van wat een gemeente
kan doen. Bedoelt u dan een partij die de logistiek van dat geheel
organiseert? Ik ben even op zoek naar meer inzicht.
De voorzitter:
Met "u" bedoelt de staatssecretaris meneer Alkaya. Meneer Alkaya, heel
kort, alsjeblieft.
De heer Alkaya (SP):
Het gaat om twee dingen. Eén ding geeft de staatssecretaris zelf al aan,
namelijk de beslisbevoegdheid. Ik bedoel dat de persoonlijke
zaakbehandelaar niet vervolgens bij de UHT en de Belastingdienst dat
hele beslisproces met alle parafen door moet gaan, om daarna misschien
nog een keer iets terug te krijgen en daar weer mee door te moeten gaan.
Dat zorgt allemaal voor vertraging. Dat is één element waarvan ik denk:
daar moeten de Belastingdienst en de UHT uit. De persoonlijke
zaakbehandelaar moet gewoon de bevoegdheid krijgen om op locatie knopen
door te hakken.
Zal ik het tweede aspect ook gelijk noemen? Het tweede aspect gaat over
wat de staatssecretaris zelf ook noemde. Als de regering dit breder gaat
uitrollen, wil je niet dat alle organisatie hiervan, het inhuren van de
zalen en het facilitaire regelen, op de Belastingdienst drukt. Ik bedoel
dat die organisatie ook weggaat bij de Belastingdienst en dat het
bijvoorbeeld door de gemeente wordt georganiseerd. Wat mij betreft wordt
het georganiseerd door congrescentra, of in ieder geval door plekken en
organisaties die daar verstand van hebben, die dat eerder hebben gedaan
en die dat efficiënt kunnen doen. Dat moet niet ten koste gaan van de
capaciteit bij de Belastingdienst. Dat waren de twee aspecten.
Staatssecretaris Van Huffelen:
Dan begrijp ik wat u bedoelt. Ik kan me voorstellen dat je dit, als je
het goed en slim wil organiseren, niet door de Belastingdienst hoeft te
laten doen. Dan gaat het meer over het logistieke proces. Daar heeft u
het dan over.
De heer Alkaya (SP):
En ik vroeg naar de beslissingen. Dat was het eerste deel.
Staatssecretaris Van Huffelen:
Volgens mij heb ik over dat eerste deel al iets gezegd. Het gaat over
het idee dat de PZB'er de ruimte krijgt om ter plekke een beslissing te
communiceren naar de ouder. Dat die PZB'er dan af en toe ook nog even
belt naar "thuis", om het zo maar te zeggen, is iets wat we er in zullen
moeten houden, omdat we ervoor willen zorgen dat er geen fouten kunnen
ontstaan. Het gebeurt ook regelmatig — niet heel vaak, maar het gebeurt
wel — dat een PZB'er dingen niet ziet die iemand anders wel ziet. Ik
vind het wel van belang dat we zeker weten dat de beslissing die de
ouder krijgt, de goede is. U zegt vooral: ik wil niet dat er dagen
overheen gaan, dat het drie keer heen en weer gaat enzovoorts. Dat is
natuurlijk zeker niet wat we willen.
De voorzitter:
Vervolgt u uw betoog. Het lijkt een gezellig gesprek zo, maar dat vind
ik gewoon niet handig.
Staatssecretaris Van Huffelen:
Sorry.
De voorzitter:
We hebben afspraken over en spelregels voor de manier waarop we met
elkaar een debat voeren. Gaat u verder. We zitten nu een uur in uw
eerste termijn. U had drie blokjes. Ik weet niet hoe groot die andere
blokjes zijn. Volgens mij is het goed om voort te gaan, zodat we nog
voldoende tijd hebben voor een tweede termijn. Voor een aantal dingen
die blijven hangen of niet duidelijk zijn, hebben we ook nog een tweede
termijn. Meneer Alkaya gaat zijn laatste interruptie gebruiken.
De heer Alkaya (SP):
Dit is mijn laatste interruptie. Ik heb ook maar één vraag gesteld, dus
in dat opzicht is het wel overzichtelijk. Mijn punt gaat erover dat we
het met een blik op de toekomst zo organiseren dat de ouders voor wie
het kan en die daar behoefte aan hebben, er snel vanaf zijn met een
integrale beoordeling en een integrale compensatie. Hoor ik de
staatssecretaris dan zeggen dat ze toezegt dat dit in de herijking de
norm wordt? Nu heeft ze eigenlijk alleen maar op intellectueel niveau
gezegd: het is interessant en we gaan ernaar kijken. Ik wil echt een
toezegging van de staatssecretaris dat dit ook de norm wordt. Het blijkt
namelijk te werken.
Staatssecretaris Van Huffelen:
Dat vind ik weer een beetje ingewikkeld. Het blijkt te werken voor een
bepaalde groep ouders. Dat is wat deze pilot zegt. Dat je graag een
proces zo inricht voor ouders die vergelijkbaar zijn, die bijvoorbeeld
gedupeerd zijn in één jaar waarin iets is misgegaan, of voor andere
soorten gevallen, is denk ik heel verstandig. Stel dat je tegelijkertijd
voor ouders waarbij meer mis is gegaan eenzelfde soort proces wil
hebben. Dat duurt misschien wel meerdere dagen. Meneer Omtzigt zei:
misschien duurt het een week. Je wil natuurlijk ook bekijken hoe je
andere ouders net zo goed op een heel efficiënte manier helpt. Ik kan
dus niet zeggen "dat is de norm", want dat geldt voor de ouders waar dat
kan. Maar we gaan natuurlijk alles op alles zetten om het net zo goed te
doen voor de ouders waarbij meer tijd nodig is, bijvoorbeeld omdat ze
zelf nog een keer willen nadenken, omdat ze meer willen opzoeken, omdat
ze willen overleggen met hun advocaat of anderszins. We willen dat zij
ook de mogelijkheid hebben om te werken op basis van een zo goed
mogelijk lopend proces. Maar ik vind het woord "norm" zo ingewikkeld,
want dan klinkt het net alsof we dat voor alle ouders kunnen doen,
terwijl dat niet voor alle ouders blijkt te werken. Dat zou ik een
verkeerd soort beeld vinden.
De voorzitter:
Gaat u verder.
Staatssecretaris Van Huffelen:
Hoe staat het met het ...
De voorzitter:
Sorry, meneer Idsinga heeft ook nog een vraag.
De heer Idsinga (VVD):
Ik wil even doorgaan op dit punt, want dit is ook mijn punt. Misschien
dat ik het iets anders aanvlieg. Ik vind het belangrijk dat er
mogelijkheden zijn voor differentiatie. Er zijn ouders die meer behoefte
hebben aan steun dan andere ouders. Er zijn ouders die zeggen: ik wil
dat traject zo snel mogelijk uit. Die zijn er gewoon. Is de
staatssecretaris bereid om in de herijking van deze operatie met
oplossingen te komen, zodat er een fast lane, een fast track, komt en
een integrale beoordeling voor mensen die het van a tot z willen
doorlopen? Gaat die ruimte uitgedacht worden?
Staatssecretaris Van Huffelen:
Die wordt in ieder geval uitgedacht, want een van de dingen die spelen,
is dat ouders zelf veel meer regie willen hebben. Zij zeggen: laat mij
zelf informatie verzamelen; geef mij — ik zeg het even in relatie tot de
Belastingdienst — de vooringevulde aangifte, zodat ik zelf alvast aan
het werk kan en het allemaal veel sneller kan. Dat is ook iets wat we
zouden moeten onderzoeken. Als dat kan, dan helpt dat om het traject
simpeler te maken en om meer mensen de mogelijkheid te geven om zelf de
regie te voeren. Het antwoord is dus simpel gezegd: ja, we gaan dat
doen.
De volgende vraag was van de heer Grinwis: hoe staat het met het
onafhankelijke advies van onze bestuurlijke adviescommissie? Onze
bestuurlijke adviesraad is aan het werk. Zij gaan een onafhankelijk
advies uitbrengen over de herijking. Daarin nemen ze, op verzoek van de
motie van de heer Grinwis, de massaschadeaanpak heel uitdrukkelijk mee.
Ze kijken daarnaast of vaststellingsovereenkomsten of andere vormen van
het settelen van de financiële schade van de ouders ook tot de
mogelijkheden zouden kunnen behoren. Volgens mij is dat ook een van de
punten die worden genoemd door de juristen. Ik heb het stuk niet
helemaal kunnen lezen, want het kwam net binnen toen het debat begon. Ik
verwacht op korte termijn het eerste deeladvies, met name over de
juridische kant van de zaak. Dan gaat het over de vraag: hoe kan je het
eventueel anders aanpakken en wat zijn de voor- en nadelen van deze
vormen van aanpak? Zij zullen een hele brede set van mensen interviewen
en consulteren om te horen wat de voor- en nadelen zijn van een
massaschadeclaimprocedure of van het werken met
vaststellingsovereenkomsten.
De vraag van de Partij voor de Dieren en de Partij van de Arbeid ging
over wat ik concreet doe aan emotioneel herstel. Dat thema speelt op dit
moment op verschillende vlakken in de hersteloperatie. Degene die
emotioneel herstel kan bieden, is niet in de laatste plaats de
zaakbehandelaar, degene bij wie de ouder terechtkomt nadat die door de
lichte toets is gegaan en voordat die voor de integrale beoordeling in
aanmerking komt. Ik merk zelf dat heel veel zaakbehandelaars daar een
belangrijke rol in spelen. Ze bieden niet alleen hulp en een luisterend
oor, maar ze verwijzen ook door naar de juiste organisaties en geven een
soort counseling. Ouders kunnen nu ook terecht bij Slachtofferhulp
Nederland en we hebben een eigen team voor brede hulp. We hebben daarmee
inmiddels al zo'n 2.000 ouders geholpen. Niet in de laatste plaats wordt
die hulp ook geboden door gemeentes.
We hebben gezien dat we onszelf ook op dat punt kunnen verbeteren. Het
wordt waarschijnlijk heel belangrijk om het in dat eerste gesprek, waar
we het net over hadden, vooral ook met de ouders te hebben over de
behoefte aan emotioneel herstel. In heel veel gevallen gaat het dan
bijvoorbeeld om het eerst helpen van de kinderen of het helpen bij
huisvesting. Soms zeggen mensen: dat geld komt wel, maar ik wil eerst
even dit. Al dit soort vraagstukken zijn heel erg belangrijk om mee te
nemen. We hebben daar mogelijkheden voor binnen onze huidige
organisatie, maar het is van belang om goed te kijken naar hoe we dat
kunnen verbeteren. Daarin spelen twee thema's nog een rol. Gemeentes
lopen namelijk ook aan tegen de grenzen van de hulp die kan worden
geboden door de ggz of andere psychologische instellingen. Ook zien we
dat er sprake kan zijn van langduriger hulp of van hulp aan kinderen die
al uit huis zijn. Ik denk dat het goed is dat we verder kijken welke
mogelijkheden daarvoor zijn.
Dan ga ik naar de vraag van CDA en VVD over ouders die zich melden maar
niet tot de doelgroep van de hersteloperatie horen.
De voorzitter:
Voor u dat doet, is er een interruptie voor u van de heer Van
Raan.
De heer Van Raan (PvdD):
Dank aan de staatssecretaris voor de beantwoording. Het is goed om te
horen dat de rol van de eerstelijnshulpverlening kan worden uitgebreid.
Ik kan me voorstellen dat je juist aan het begin, als je dat gesprek
gaat voeren, dat het startpunt wilt laten zijn voor dat bredere proces
van heling. Ik heb hiernaar gevraagd in mijn bijdrage. Er zijn twee
dingen. Ik weet niet of de staatssecretaris nog terugkomt op de UHT,
want er zijn kritieke delen van de UHT, die daar misschien moeten
blijven, maar er zijn ook onderdelen van de UHT die daar misschien
kunnen worden weggehaald. Ik zie haar knikken, dus dan laat ik die vraag
nog even liggen voor dat blokje.
Nu gaat het even over de intensivering van de aanpak, misschien al in de
eerste ronde. Ik heb dat een "schaalsprong" genoemd. Kan de
staatssecretaris zich erin vinden dat je aan de ene kant dat UHT-proces
hebt, dat cruciaal is en blijft, maar dat er aan de andere kant juist
behoefte is aan hulp? Spreekt dat eigenlijk ook niet uit alle stukken?
Vindt de staatssecretaris ook dat daaromheen dus een heel weefsel van
hulpverlening en instanties moet zitten, dus de gemeentes, de MBO Raad,
de Sociaal Creatieve raad — daar hebben we het over gehad — en allerlei
andere hulptroepen die we kunnen mobiliseren om wat ik de "schaalsprong"
noem te maken, zonder dat dat bijvoorbeeld al heel veel extra geld hoeft
te kosten? Want die zijn er toch al. Ziet …
De voorzitter:
De staatsseretaris.
De heer Van Raan (PvdD):
… de staatssecretaris dat proces voor zich?
Staatssecretaris Van Huffelen:
Ik zie twee dingen. Emotioneel herstel is ongelofelijk belangrijk. We
hebben in de documentaire gezien dat ook ouders die geld hebben
gekregen, zeggen: dat is oké en dat is fijn, maar ik ben nog helemaal
niet echt geholpen; ik heb nog helemaal niet de tools om mijn leven weer
op de rit te krijgen, deze hele nare periode op de een of andere manier
te kunnen afsluiten en een verdere stap te zetten in mijn leven. Het is
dus heel helder dat daar meer moet gebeuren. Ik denk dat daar twee
kanten aan zitten. Het is heel nodig. Het is denk ik heel belangrijk dat
meerdere partijen daarover mee kunnen denken. Die moeten we hier dan ook
zo snel mogelijk over laten meedenken in ons proces, al was het alleen
maar om dat je hun hulp en ideeën wilt toevoegen. Tegelijkertijd — dat
is denk ik het punt dat de heer Idsinga wilde maken — wil je ook
proberen om het weer enigszins in elkaar te vlechten, om te voorkomen
dat zo'n ouder weer vijf keer opnieuw z'n verhaal moet doen bij allerlei
instanties, enzovoort, enzovoort, enzovoort. Dat helpt namelijk niet mee
om het herstel echt goed te doen. Een van de dingen die spelen — dat was
een van de redenen, van de uitkomsten; de heer Idsinga en mevrouw Van
Dijk zeiden dat al — is dat je, als je dat eerste gesprek goed doet,
hopelijk meer duidelijkheid kunt krijgen over wat er nodig is. Misschien
zijn er ook ouders die daar helemaal geen behoefte aan hebben en die
zeggen: ik vind het gewoon fijn als ik geholpen ben en dan is het voor
mij ook klaar.
De voorzitter:
Meneer Van Raan, een korte vervolgvraag. Ik wil ook de staatssecretaris
oproepen om het iets compacter te houden. Ik maak me enigszins zorgen
als ik kijk naar wat er nog beantwoord moet worden in de eerste termijn.
Meer woorden is niet altijd beter, zeg maar.
De heer Van Raan (PvdD):
Zeker, voorzitter. Naast die schaalsprong kan er nog iets in de aanpak
passen, zoals de heer Alkaya naar voren brengt: juist voor de groep
ouders die dat prima vinden, kun je het sneller afhandelen. In die zin
krijg je een hele gedifferentieerde aanpak. Maar dat vereist wel dat je
een intensivering of een schaalsprong maakt in die bredere aanpak. Is de
staatssecretaris het daarmee eens?
Staatssecretaris Van Huffelen:
Ik vind het moeilijk om een antwoord te geven op die vraag over een
schaalsprong. Maar we hebben gezegd: we willen ook anders kijken, we
willen ook gaan differentiëren, we willen dat het emotionele herstel
beter is. Als we ons daar met elkaar wat concreter over buigen, met de
partijen die u noemde, dan komen we volgens mij een stap verder.
In het kader van de tijd — de voorzitter heeft mij tot spoed gemaand —
kom ik op de vraag van het CDA en de VVD: wat kunnen jullie doen voor
ouders die zich melden bij de UHT maar die niet tot de doelgroep van de
hersteloperatie behoren? Het aantal mensen dat zich meldt, neemt
inderdaad toe. In eerste instantie had ongeveer 40% van de mensen er
geen recht op, maar inmiddels is dat percentage veel hoger geworden,
namelijk tot wel 80%. Wat wij ook heel graag willen doen, is meer
inzicht krijgen in wat er met deze groep aan de hand is. Waarom melden
mensen zich bij ons? Het zou kunnen zijn dat het nog iets met andere
toeslagen te maken heeft. Dan willen we ze natuurlijk wel helpen op het
moment dat we daar ook een regeling voor hebben. Maar het is helder dat
ook een deel van de mensen die zich bij ons melden weliswaar problemen
hebben, maar dat wij die niet kunnen helpen. Ik denk dat het heel
belangrijk is dat we in het kader van die herijking ook kijken naar hoe
we een goede overdracht kunnen verzorgen. We moeten er enerzijds voor
zorgen dat die mensen niet noodzakelijkerwijs in ons proces
terechtkomen, omdat dat voor niemand tot iets goeds leidt, niet voor hen
en ook niet voor andere ouders, omdat dat niet goed is voor de
doorlooptijden. Maar we moeten er vooral wel voor zorgen dat mensen op
een goede plek terechtkomen.
Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Iedereen heeft recht op een integrale beoordeling, dus ook die mensen.
Ik heb begrepen dat het er inmiddels al ruim 10.000 zijn. Dus ik ben
eigenlijk op zoek naar een manier waarop we die mensen een soort apart
proces kunnen aanbieden, zodat het proces voor de toeslagenouders niet
onnodig vertraagd wordt.
Staatssecretaris Van Huffelen:
Dat kunnen we ook doen. Als het helder is waarom iemand niet tot onze
doelgroep behoort, kunnen we op basis daarvan en op basis van een
gesprek dat afsluiten. Dan kunnen we iemand een beschikking sturen en
zeggen: u heeft nooit kinderopvangtoeslag aangevraagd, dus u kunt ook
niet in aanmerking komen voor deze regeling. We weten dat die groep er
ook is. Maar wat u zegt, is precies wat we willen: ervoor zorgen dat
deze mensen niet een hele uitgebreide integrale beoordeling krijgen die
uiteindelijk niet leidt tot iets.
Dan de vraag van de PvdA en de heer Omtzigt over een reactie op het
rapport van de Ombudsman. Ik heb u daar gisteren natuurlijk ook een
brief over gestuurd. Het is goed om te zien dat de Ombudsman onderzoek
doet naar onze klachtbehandeling en zegt dat het nodig is dat die
verbetert. Dat is ook zo. We hadden dat zelf ook al gezien. In de
afgelopen tijd werden klachten niet afgehandeld binnen de termijnen die
we daarvoor willen hanteren. Die termijnen zijn heel belangrijk voor
ouders. Er moet sprake zijn van een open een laagdrempelige
klachtbehandeling, er moet voortvarend worden gehandeld en er moet
sprake zijn van een goede registratie. We hebben daar in de afgelopen
tijd zwaar op ingezet, om ervoor te zorgen dat we de achterstanden
wegwerken. Het is de bedoeling dat dat binnen de komende twee weken gaat
gebeuren.
De Ombudsman heeft natuurlijk breder iets gezegd over de
hersteloperatie. Ik denk dat we daarover al veel met elkaar gewisseld
hebben. Zijn zorgen daarover zijn helder en maken ook de herijking heel
erg nodig.
Dan ga ik naar de heer Stoffer. Hij heeft gesproken over de
achterstanden bij de behandeling van klachten. Ik heb daar net iets over
gezegd. We hebben op dit moment nog een kleine achterstand bij de
behandeling daarvan. We gaan ervoor zorgen dat we die in de komende twee
weken inhalen. Hij had het ook over de bezwaren. We hebben de
Bezwaaradviescommissie inmiddels opgeschaald. We hopen dat zij zo snel
mogelijk kunnen komen tot het daadwerkelijk halen van de wettelijke
termijnen. Dat is wel een uitdaging, want daar hebben ze gewoon echt
heel veel werk. Maar ook daar is het belangrijk dat die termijnen zullen
worden waargemaakt. Ik kom in de volgende voortgangsrapportage graag
terug op hoe we dat voor elkaar gaan krijgen.
Ik ben toe aan de vragen van de PVV. Waarom heeft u geen snelle
crisisorganisatie? Ik wil voorkomen dat we een soort semantische
discussie krijgen. We hebben natuurlijk een organisatie nodig die ook
nog in de komende tijd en in de komende jaren in staat is om ouders te
helpen. Dat moet een organisatie zijn die goed is ingericht, waarin zo
weinig mogelijk fouten worden gemaakt en waarin we ook alles op alles
zetten om ouders te helpen. Dat wil niet zeggen dat er geen
crisismentaliteit moet zijn in de zin van: zo hard mogelijk werken om
ouders te helpen, om ook de doelstellingen te halen die we gesteld
hebben. In het derde kwartaal hebben we dat ook kunnen doen. Maar we
moeten ook op zoek naar een organisatie die niet alleen maar in de
komende drie maanden nog kan functioneren, maar die ook de komende
jaren, of zo lang als het nodig is, het werk kan doen, omdat we weten
dat mensen zich nog steeds kunnen melden voor herstel, ook over twee
jaar.
Ik ga dan naar de vragen …
De voorzitter:
Meneer Omtzigt heeft een interruptie.
De heer Omtzigt (Lid Omtzigt):
De Ombudsman wordt nu heel snel afgedaan alsof er een probleem is bij de
klachtenafhandeling. Dat is er, maar de kritiek van de Ombudsman is
behoorlijk diep. Hij zegt eigenlijk dat de hele hersteloperatie in de
soep loopt. Hij vraagt om ingrijpende maatregelen te nemen. Ingrijpende
maatregelen: dat staat niet bepaald gelijk aan nog een
herijkingsonderzoek, waar we er ongeveer twintig van gehad hebben.
Daarom stelde ik een heel specifieke vraag, omdat het me zelfs niet lukt
om er in acht vragen uit te komen. Ik zou graag binnen twee weken een
brief zien van de staatssecretaris en de Ombudsman samen over hoe die
ingrijpende maatregelen worden vormgegeven, op een manier waarvan hij
denkt dat we ergens komen met het oplossen van die problemen. Is de
staatssecretaris bereid om binnen twee weken samen met de Ombudsman een
brief te schrijven over hoe deze zaken goed opgelost worden?
Staatssecretaris Van Huffelen:
Het is terecht dat u erop wijst, want ik heb dat stuk overgeslagen. Ik
spreek heel regelmatig met de Ombudsman in het kader van het herstel in
brede zin, maar zeker ook over die klachtenbehandeling. We hebben aan de
Ombudsman en zijn medewerkers ook gevraagd om mee te denken over de
herijking. Maar het lijkt mij onverstandig om binnen twee weken iets met
de Ombudsman te doen, terwijl wij een proces hebben voor herijking. Ik
denk dat we dat gewoon daarin moeten betrekken. De Ombudsman heeft
aangegeven dat hij en zijn medewerkers wel degelijk willen kijken hoe
zij ons kunnen ondersteunen in het traject, maar dat het ook belangrijk
is dat hij zijn onafhankelijke rol kan behouden en dus niet onderdeel
wordt van het verder maken of bedenken van precieze oplossingen. Maar
het is wel goed om te weten dat ik veel met de Ombudsman spreek. Ik
betrek hem er zo veel mogelijk bij, als dat kan, gegeven zijn
onafhankelijke rol bij deze organisatie.
De voorzitter:
Dan was u aan het einde gekomen van het blokje aanpak en herijking, maar
we gaan niet door naar het volgende blok voordat meneer Snels een
interruptie heeft gepleegd.
De heer Snels (GroenLinks):
Ik heb heel veel belangrijke dingen gehoord in de antwoorden van de
staatssecretaris over de herijking: regie, meer samenwerking, gemeenten,
alle partijen. Ik hoorde ook de toezegging aan de heer Grinwis dat er,
als we de plannen van de herijking krijgen, ook verantwoording wordt
afgelegd over wat er wel en niet kan, bijvoorbeeld als het gaat over die
forfaitaire bedragen, omdat er met zo veel partijen wordt gesproken en
zo veel actoren hier een rol bij spelen. In de Kamer worden ook allerlei
suggesties gedaan voor hoe het beter kan. Als we die herijking krijgen,
zou ik het wel op prijs stellen als daarin ook een zekere weging wordt
gemaakt van welke ideeën wel of niet goed zijn. Ik denk bijvoorbeeld aan
die brief van de advocaat die we net voor het debat kregen. Daar lijken
mij nuttige suggesties in te staan. Maar het is wel aan de
staatssecretaris, inclusief de uitvoeringstoets, om aan te geven wat er
wel en niet kan, zodat de Kamer dat kan controleren. Anders gaat er weer
frustratie ontstaan, misschien bij partijen in het veld — mijn idee is
niet meegenomen; mijn idee wordt niet uitgevoerd — terwijl het zo
belangrijk is dat al die partijen er gezamenlijk vertrouwen in krijgen
dat die herijking op een goede manier gaat gebeuren.
Staatssecretaris Van Huffelen:
Ik vind het een heel goede suggestie om dat mee te nemen en om
tegelijkertijd te zeggen: dit lijkt ons wel verstandig, of dit kan wel
en dit kan niet. Misschien zijn ideeën ook tegenstrijdig met elkaar.
Ongetwijfeld zullen sommige dingen niet uitvoerbaar zijn, of misschien
zelfs leiden tot een verlenging van het proces. Want ja, sommige
suggesties die ik heb gezien, vragen nog meer tijd, dus het is heel goed
om dat mee te nemen. Dat doe ik graag.
De voorzitter:
Meneer Nijboer. O, sorry, meneer Snels, ik zag uw vinger niet snel
genoeg.
De heer Snels (GroenLinks):
Ik heb een tweede vraag over de herijking. De staatssecretaris had het
er heel kort over, namelijk de planning die ouders graag willen. In de
technische briefing was daar een toelichting op. Ik vind dat zelf wel
een heel belangrijk element in de herijking. Komt dat ook tegelijkertijd
met de plannen, zodat, hoe complex dit ook blijft … De complexiteit gaan
we echt niet met een gouden oplossing oplossen, maar ik denk dat het
vooral belangrijk is dat niet alleen wij zicht krijgen op hoe dit proces
versneld en verbeterd wordt, maar vooral die individuele gevallen. Die
individuele ouders moeten zicht krijgen op dit proces. Wordt dat straks
meegenomen in de plannen die wij in november krijgen? Dat zou ik wel op
prijs stellen.
Staatssecretaris Van Huffelen:
De uitkomst van de herijking zou moeten zijn dat we een proces maken dat
ouders ook daadwerkelijk inzicht gaat bieden in wanneer zij aan de beurt
zijn en wat er dan gaat gebeuren. Als u vraagt of we dan een-op-een die
planning hebben gemaakt, dan weet ik niet of dat in november al kan. Het
idee is wel dat de uitkomst van die herijking is dat we vrij snel daarna
in staat zullen zijn om dat ook aan ouders te laten weten. Overigens
hebben we aan de ouders die zich vorig jaar, in 2020 bij ons hebben
gemeld, al wel gezegd wanneer de integrale beoordeling van hun traject
begint. Maar goed, dat is nog op basis van een kwartaal enzovoorts,
enzovoorts. Ik denk dat een echt individuele een-op-een-planning heel
lastig wordt, maar dat er wel inzicht komt in wat de doorlooptijden
zullen zijn.
De heer Nijboer (PvdA):
Ik heb in mijn inbreng het begrip "tijd" centraal gesteld. Ouders hebben
niet alle tijd en de Belastingdienst heeft wel alle tijd van de wereld.
Ik heb de vrees uitgesproken dat deze aanpak eindeloos gaat duren, en
dat is eigenlijk door alle Kamerfracties naar voren gebracht. Ik heb de
staatssecretaris gevraagd wanneer zij het acceptabel vindt dat dit
uiteindelijk is opgelost voor de ouders. Is dat over een halfjaar, over
een jaar, over twee jaar, nog later? Daar wil ik graag een antwoord op,
voorzitter.
Staatssecretaris Van Huffelen:
Die vraag heeft de heer Nijboer mij vaker gesteld. Het eerste antwoord
daarop is dat ik dat niet kan zeggen, omdat ik niet weet wie zich nog in
de komende tijd zal melden. We hebben gezien dat iedere week nog 300
ouders zich bij ons melden. Al deze ouders willen ongetwijfeld ook heel
graag een serieuze beoordeling van hun casus en uitzoeken wat er aan de
hand is. Ik zei dat het aantal mensen dat zich bij ons meldt, dat recht
heeft op een compensatie, de afgelopen tijd wel afneemt, maar er zitten
nog 20% tot 40% van die ouders die daadwerkelijk gedupeerd zijn door de
kinderopvangtoeslag. Die vraag is dus ontzettend moeilijk te
beantwoorden.
Ik denk ook dat de vraag die veel ouders stellen, en die ik ook heel
goed begrijp, is: wanneer ben ik nou geholpen, wanneer is mijn zaak
afgerond, hoe zijn de stappen die daarin zitten, wat kan ik verwachten?
In lijn met wat de heer Van Raan heeft gezegd: voor sommige ouders is
een snel proces misschien wel fijn voor de financiële afwikkeling, maar
is er veel meer tijd nodig voor een emotioneel herstel.
Het antwoord op de vraag van de heer Nijboer is dus dat ik dat niet kan
zeggen. Maar natuurlijk wil ik heel graag dat er voor alle ouders zo
snel mogelijk duidelijkheid komt over wanneer zij aan de beurt zijn en
hoe het proces eruitziet, op een manier die past bij datgene wat zij ook
graag willen.
De heer Nijboer (PvdA):
De PvdA heeft al jaren grote zorgen over de aanpak van het kabinet. Ik
was tegen die commissie-Donner, omdat het tot vertraging zou leiden. Ik
was tegen zo'n grote uitvoeringsorganisatie, zo'n ingewikkelde
structuur, omdat dat helemaal vast zou lopen, en dat is precies wat er
nu aan de hand is. Ik probeer het nu langs de andere kant en dan moet de
staatssecretaris niet zeggen dat zich misschien volgende week nog iemand
meldt. Het gaat om iedereen die zich nu gemeld heeft, of de mensen die
zich twee jaar geleden gemeld hebben, misschien is dat nog wel beter.
Hoelang kunnen die nog wachten, voordat uiteindelijk aan hen recht is
gedaan? Als je je twee jaar geleden hebt gemeld, hoelang is het dan nog
redelijk? Ik vind dat de staatssecretaris daar moet beginnen, dan haar
organisatie moet inrichten en dan de politieke keuzes moet maken in
plaats van andersom, en niet moet zeggen: dat kan ik niet zeggen.
Staatssecretaris Van Huffelen:
Er zijn twee dingen die we in het verleden hebben gezegd en die ook nog
steeds staan. Het eerste is dat we bij iedere ouder die zich bij ons
meldt, binnen een halfjaar, op basis van die eerste toets kunnen zeggen
of iemand gedupeerd is of niet en dan al die dingen doen die erbij
horen, namelijk €30.000, de schuldenaanpak en de aanpak met de gemeente.
Het tweede is dat wij een planning op onze website hebben gezet voor
ouders die zich twee jaar geleden, tot en met 2020 gemeld hebben,
wanneer zij aan de beurt zijn wat betreft hun integrale beoordeling. Met
velen van deze Kamer en ook met de heer Nijboer, denk ik, vind ik het
belangrijk dat we die planning moeten verbeteren en dat we vooral moeten
kijken waar we kunnen versnellen. Dat is ook precies de opgave die in de
herijking zit.
Een einddatum is ongelofelijk moeilijk te geven, nogmaals, voor de
ouders die zich nu al gemeld hebben, omdat sommige ouders echt belang
hechten aan een proces waarin er meer tijd voor hen wordt genomen. Er
zijn ouders waarbij de integrale beoordeling al een tijdje geleden is
begonnen, maar die nog steeds samen met hun zaakbehandelaar aan het werk
zijn. Er zijn ouders die daar al snel doorheen zijn. We kunnen op dit
moment aangeven wanneer we met de ouders starten en wanneer de eerste
toets is gedaan.
De voorzitter:
In derde instantie, meneer Nijboer.
De heer Nijboer (PvdA):
Ik vraag hier zo op door omdat ik helemaal niet denk dat er heel veel
ouders zijn die zeggen: het gaat mij eigenlijk te snel; u mag de tijd
wel nemen. De enige ouders die ik tegenkom, zijn ouders die helemaal,
totaal, de vernieling ingaan, vastlopen en geen duidelijkheid krijgen.
Gister zei de Ombudsman nog dat er klachten zijn ingediend. In 5.700
gevallen is de wet door de Belastingdienst overtreden. En dit is nog
niet eens een wet. Dit is een ambitie om zo snel mogelijk recht te doen.
Dat is nou net mijn probleem. Ik vrees namelijk dat als we zo doorgaan,
we hier over drie jaar nog zitten met nog duizenden mensen. Ik weet dat
bijna zeker. Dan zeggen we ook dat we zo snel mogelijk een oplossing
willen, maar dat het steeds beter moet. Ik vind dat niet acceptabel.
Daarom probeer ik de staatssecretaris vast te pinnen op een datum om
vervolgens te controleren of ze die ook gaat halen.
Staatssecretaris Van Huffelen:
Ik deel de ambitie van de heer Nijboer in die zin dat ik wil dat ouders
zo snel en goed mogelijk worden geholpen. Die ambitie deelt volgens mij
de hele Kamer. Als de heer Nijboer vraagt of ik een einddatum kan geven
waarop ik alle ouders heb geholpen, dan vraagt hij iets aan mij wat ik
gewoon niet kan toezeggen, wat ik niet kan weten en wat ik niet kan
waarmaken. Ik weet namelijk niet hoeveel ouders zich nog gaan melden, ik
weet niet wat er precies gaat gebeuren en ik weet ook niet precies welke
uitkomst we gaan kiezen in de herijking. Dat proces zou er namelijk toe
moeten leiden dat we een verbetering voor de ouders realiseren, dat de
problemen die ouders nu kennen en waar ze tegen aanlopen, zo veel
mogelijk worden opgelost, voor zover we kunnen, om te zorgen dat we
ouders die zich bij ons melden, zo goed mogelijk helpen. Maar u vraagt
iets aan mij wat ik niet kan waarmaken en waar ik geen antwoord op kan
geven. Ik zou het voor ouders ook oneerlijk vinden als ik zeg "ja hoor,
over twee jaar zijn we klaar" als ik weet dat er over twee jaar ook nog
ouders zijn die zich kunnen melden en als ik niet kan zeggen of dat ook
zo is.
De voorzitter:
In laatste instantie, meneer Nijboer.
De heer Nijboer (PvdA):
Daar gaat mijn vraag natuurlijk helemaal niet over. Mijn vraag gaat niet
over ouders die zich over een halfjaar nog melden. Daar gaat het
helemaal niet over. Het gaat over die vele duizenden mensen die nu
zitten te wachten en steeds de ambitie horen van een welwillende
staatssecretaris. Daar gaat het mij om. De staatssecretaris en de
ambtenaren die hieraan werken, doen ontzettend hun best om recht te doen
en om deze ontstane bende op te lossen, maar daar gaat het mij helemaal
niet om. Mijn punt is dat het blijft vastlopen als je niet begint met
vast te stellen wat je een redelijke einddatum vindt om recht te doen en
dan de keuzes maakt. De staatssecretaris weigert dat te doen. Dat gaat
vastlopen.
Staatssecretaris Van Huffelen:
Laat ik aan de heer Nijboer in ieder geval toezeggen dat onze
activiteiten in het kader van de herijking heel duidelijk zijn gericht
op twee dingen: het verbeteren van het proces van ouders en het
versnellen van het proces van ouders. Dat zit in die herijking, en die
ambitie is er. Als we dat hebben en over een dikke maand of over twee
maanden bij elkaar zitten om dat te bespreken, laten we dan ook vooral
kijken of u vindt dat dit precies de ambitie is die we daadwerkelijk
zouden moeten hebben.
De voorzitter:
De heer Van Raan heeft ook nog een interruptie.
De heer Van Raan (PvdD):
Ik probeer even aan te vullen wat de heer Nijboer naar voren bracht,
want ik snap zijn vraag en zijn punt heel goed, namelijk dat tijd
belangrijk is. Tijd krijg je ook niet meer terug. De Belastingdienst
heeft alle tijd; ouders hebben geen tijd. Maar ik begrijp eigenlijk ook
wel dat de staatssecretaris niet kan zeggen hoelang zo'n proces
redelijkerwijs duurt omdat elk geval eigenlijk anders is. In die twee
werkelijkheden zit precies de spanning. Je kunt dus niet zeggen: in
geval a is het redelijk dat het een halfjaar duurt, in geval b kan het
in een dag — de heer Alkaya wees daarop — en in geval c duurt het
vijftien jaar. Ik snap de uitleg van de staatssecretaris waarom ze geen
tijdstip kan geven, maar ik begrijp het punt van de heer Nijboer ook
heel goed.
De voorzitter:
Dus wat is uw vraag aan de staatssecretaris?
De heer Van Raan (PvdD):
Het punt is: zit de sleutel er dan niet veel meer in dat als ouders
beginnen met het proces, ze dan zeker weten dat het goed komt, dat er
recht zal worden gedaan en dat er heling zal plaatsvinden? Want, zeg ik
in de richting van de heer Nijboer, het is misschien wat minder
belangrijk dat je weet dat het een halfjaar of een jaar duurt dan dat je
zeker weet dat de overheid jou niet loslaat voordat het goed is. Daar
zou ik graag een reactie op willen van de staatssecretaris. Als je er op
die manier naar kijkt en je dat aan de heer Nijboer kan bevestigen via
de band, dan is het klaar.
De voorzitter:
De staatssecretaris.
Staatssecretaris Van Huffelen:
Dat is precies wat je wil bereiken: je wil dat helder is voor een ouder
wanneer het proces begint, welke stappen daarin zitten, wat er gaat
gebeuren enzovoorts, enzovoorts. U zegt overigens "dat het dan allemaal
helemaal goed komt". Dat hopen we natuurlijk, maar soms zijn er dingen
gebeurd waardoor ik denk dat niemand meer kan zeggen dat het ooit goed
gaat komen. Ik denk dat de kern is dat voordat het proces start, helder
is: dit zijn de stappen, dit gaan we doen, deze partijen zijn erbij
betrokken, we helpen u daar waar u hulp nodig heeft, en daar waar u zelf
regie wil nemen, proberen we die ook zo veel mogelijk bij u in handen te
leggen om dit proces op een voor u zo prettig mogelijke manier vorm te
geven.
De voorzitter:
We zijn toegekomen aan het tweede deel: beleid, schulden en de
gemeenten. Inmiddels heeft ook mevrouw Van der Plas zich bij ons
gevoegd. De inbreng van mevrouw Van der Plas is in de eerste termijn
door de heer Grinwis verwoord. Als de Kamercommissie het goedvindt,
laten we mevrouw Van der Plas in de tweede termijn gewoon weer meedoen,
want ze zit hier natuurlijk wel om mee te doen. Dat kan dan in de tweede
termijn. De staatssecretaris.
Staatssecretaris Van Huffelen:
De vraag van mevrouw Kat was waarom niet alle gemeenten zijn begonnen
met het kwijtschelden van schulden. Een aantal gemeenten is aan de slag
gegaan met het kwijtschelden van de schulden die ouders bij hen hebben.
Dat was ook het nieuws vanochtend over Den Haag. Het gaat dus specifiek
over de schulden bij een gemeente. We hebben aan de gemeenten laten
weten dat alle kosten die zij maken om dat kwijtschelden voor elkaar te
krijgen, door ons worden vergoed. Wij hebben aan de gemeenten gevraagd
om hiermee vanaf 1 juli te starten. De gemeente moet zelf een besluit
nemen, een zogenaamd collegebesluit, om daarmee aan de slag te gaan,
maar een aantal gemeenten vond het toch nog oncomfortabel. Die zeiden:
we weten nog niet helemaal of dit wel goed komt, of de staatssecretaris
daadwerkelijk onze schulden gaat kwijtschelden en waar het dan precies
over gaat. Dat is precies iets wat ik samen met de VNG aan het uitwerken
ben, want onze zogenaamde SPUK — dat is de overeenkomst tussen ons en de
gemeenten — is er juist op gericht dat er helderheid voor gemeenten is:
als jullie dat doen, dan worden die kosten door ons vergoed. Ik hoop dus
dat veel gemeenten zo snel mogelijk aan de slag gaan om dat alvast te
doen, net zoals Den Haag en vele andere gemeenten. Ze hoeven niet
noodzakelijkerwijs te wachten tot alle regelingen aan onze kant klaar
zijn. Ze kunnen daar nu al mee starten.
Dan de vraag van het CDA over de regeling voor de uitvoering van
schulden en het moratorium. U vroeg: hoe gaat de staatssecretaris
iedereen die voor 1 januari geholpen is ... Sorry, dat was volgens mij
niet de vraag. De vraag die u had, was: hoe zit het met het verlopen van
het moratorium? Dat was volgens mij de vraag die u stelde.
Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Ik wil hem wel herhalen.
Staatssecretaris Van Huffelen:
Sorry, heel graag. Dat zou even helpen.
Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Ik had gezegd dat het voor het herstel belangrijk is dat de schulden van
ouders snel worden opgelost, maar we horen heel vaak terug: zolang die
schulden boven ons hoofd hangen, blokkeert dat ook op heel veel andere
onderdelen, waaronder het echt verder kunnen met ons leven.
Staatssecretaris Van Huffelen:
Ja.
Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Daarvoor ligt er nu een regeling. We hebben gisteren een reactie op de
praktische uitvoerbaarheid gehad. Dan zien we dus twee risico's,
namelijk dat de regeling na de test toch onvoldoende uitvoerbaar blijkt
te zijn.
Staatssecretaris Van Huffelen:
Ja.
Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
En we hebben natuurlijk ook het moratorium dat 1 januari afloopt. Stel
je voor dat het inderdaad moeilijk of niet goed uitvoerbaar is, dan
hebben we wel een probleem. Ik had de vraag hoe u dat denkt op te
lossen.
Staatssecretaris Van Huffelen:
Dank u wel voor het herhalen. Sorry dat het nodig was. De organisatie
die het uitvoert, heeft een uitvoeringstoets gedaan. Die hebben we ook
naar u opgestuurd. Die uitvoeringstoets zegt eigenlijk onomwonden: wij
kunnen dit doen. Wij denken niet alleen dat we het kunnen doen, maar wij
hebben dat getoetst, wij denken dat wij dat ook kunnen waarmaken en wij
gaan het ook waarmaken. Dat moratorium loopt overigens op 12 februari
af, en niet op 1 januari. Daarbij is het natuurlijk van belang dat
schulden voor die tijd worden opgelost voor de ouders waarbij dat aan de
orde is. Daarvoor leveren wij samen met hen een uiterste inspanning. Wij
werken samen met deurwaarders en alle partijen om ervoor te zorgen dat
ouders zo veel mogelijk gestimuleerd worden om hun schuldenlijst in te
dienen, zodat SBN ermee aan de slag kan. We gaan ook met die
gerechtelijke beslagen aan het werk — daar helpen de deurwaarders aan
mee — om ervoor te zorgen dat we de schulden van ouders inderdaad kunnen
kwijtschelden voordat het moratorium afloopt. Is er 100% garantie dat
dat gaat lukken? Nou, dat weten we niet. Dat ligt er ook aan of ouders
die schulden op tijd bij ons indienen. Maar we gaan er wel ons uiterste
best voor doen om ervoor te zorgen dat ze gestimuleerd worden om dat te
doen en dat het dan ook zo snel mogelijk wordt verwerkt.
De voorzitter:
Een vervolgvraag van mevrouw Van Dijk.
Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Dan heel even het negatieve scenario: we denken dat we het allemaal goed
geregeld hebben, en dan toch staat er in één keer weer een deurwaarder
bij een ouder voor de deur. Zou het mogelijk zijn dat er gewoon één
telefoonnummer komt dat zo'n ouder dan kan bellen, zodat het dan gewoon
geregeld wordt en die ouder rust krijgt? Je merkt gewoon dat dit
onderdeeltje van het proces heel veel onzekerheid met zich
meebrengt.
Staatssecretaris Van Huffelen:
We hebben sowieso geregeld dat ouders met SBN contact kunnen opnemen en
hun lijsten kunnen indienen. Ik moet even voor u kijken of dat ook de
ingang zou zijn waar ouders dan terechtkunnen om ervoor te zorgen dat
het niet fout gaat met het aflopen van het moratorium. Nogmaals, de
schulden die bij deurwaarders lopen, hebben deurwaarders in beeld. Zij
helpen ons om ervoor te zorgen dat juist die schulden, waar dus
beslagleggingen aan vastzitten, zo snel mogelijk en bij voorrang worden
ingediend. Een deurwaarder weet welke ouder gedupeerd is en kan aangeven
welke schulden daarbij horen, zodat die kunnen worden weggehaald. Ik zal
bekijken welk telefoonnummer daar dan een goede ingang voor is.
Dan is er nog de vraag van de heer Grinwis over Msnp en Wsnp. Kan een
ouder daarvan nog gebruikmaken als er sprake is van schulden die niet
meegaan in de privateschuldenaanpak? Het is misschien goed om daar een
paar dingen over te zeggen. In onze privateschuldenaanpak hebben we twee
dingen aangegeven. In principe worden alle private schulden van de ouder
kwijtgescholden, met uitzondering van twee. Dat zijn de hoofdsommen,
bijvoorbeeld de hoofdsom hypotheek. Maar het geldt wel voor
achterstanden die mogelijk zijn opgelopen bij de betaling van de
hypotheek. En dat zijn de informele schulden.
Waarom doen we dat niet? Daarbij spelen twee thema's een rol. We
proberen natuurlijk in onze regelingen, met name in die schuldenaanpak,
vooral goed te kijken naar hoe we ervoor kunnen zorgen dat we een
regeling hebben die zo fair mogelijk is voor alle ouders. Er zijn
namelijk ook ouders die er in de afgelopen jaren alles aan gedaan hebben
om alles af te betalen, met extra banen, met extra werk, in allerlei
vormen en maten. Die ouders komen natuurlijk niet in aanmerking voor een
schuldenaanpak, want die hebben op dit moment geen schulden meer. Ze
hebben soms ook geld van hun kinderen gebruikt, hun spaarpotten
enzovoorts, enzovoorts. Er zijn ook ouders die dat niet hebben gedaan en
die ervoor gekozen hebben geld te lenen van vrienden of familie. Dat is
een andere manier om ons af te kunnen betalen. Natuurlijk is het in onze
regeling zo dat als je ons betaald hebt, je het geld dat je onterecht
aan ons betaald hebt, ook weer terugkrijgt. Daarom hebben we ervoor
gekozen om die twee elementen, dus de informele schulden en de
hoofdsommen van de kredieten — hypotheek en consumptieve kredieten —
niet mee te nemen.
Dat is inderdaad anders dan in sommige van die Msnp- en Wsnp-trajecten.
Vaak worden die schulden wel meegenomen, maar dan wordt er ook aan de
ouder gevraagd om het goed dat daaronder ligt, te verkopen. Dus je kunt
vaak pas in een schuldregeling komen als je dan ook je huis eerst
verkoopt. En dat willen we deze ouders vooral niet aandoen. We willen
gewoon dat ze in hun huis kunnen blijven wonen en dat ze in staat zijn
om hun hypotheek te betalen. En als er achterstanden zijn, willen we die
vervolgens wel voor hen oplossen. Hetzelfde geldt voor een auto of wat
iemand dan ook op krediet heeft gekocht. We hebben in het verleden
onderzocht of we bijvoorbeeld bij consumptieve kredieten konden
onderscheiden of er sprake was van causaliteit. Maar dat bleek eigenlijk
niet goed mogelijk. Nogmaals, daarom zijn we gekomen tot de regeling die
er is. Als het aan de orde is en een ouder dat wil, is het altijd nog
mogelijk om in het schuldhulpverleningstraject te komen. Maar wat wij
nou juist willen, is dat onze schuldenaanpak werkt op de manier zoals in
de regeling staat. Dus wij nemen alles behalve die informele schulden en
de consumptieve kredieten over en zorgen dat het wordt opgelost. We
hebben ook eerder in de Kamer gewisseld dat als een ouder dan niets meer
van de compensatie overhoudt of alsnog in de problemen zit, we onze
hardheidsregeling van kracht willen laten gaan om te zorgen dat we dan
wel degelijk een ouder helpen.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Maar waarom laten we, juist vanwege het feit dat de hoofdsom in de ene
regeling niet wordt meegenomen en in de andere wel, niet gewoon aan
ouders de keuze over welke regeling ze willen gebruiken? Want als de
regeling inderdaad aantrekkelijker is, zoals voorgesteld door de
staatssecretaris en haar mensen, dan zullen de mensen daar toch voor
kiezen? En het andere … Nee, laat ik één vraag tegelijk stellen.
De voorzitter:
Precies, lekker kort. Dan kan er ook lekker kort worden
geantwoord.
Staatssecretaris Van Huffelen:
Mensen mogen altijd kiezen. Ik kan me alleen in theorie niet goed
voorstellen in welk geval het aantrekkelijker voor mensen zou zijn om de
Wsnp in te gaan en in trajecten waarin je drie jaar lang van weinig moet
leven om het te doen. Maar goed, het mag altijd. Punt.
De voorzitter:
Meneer Grinwis had nog een vervolgvraag.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Ik ga nog eens even goed studeren op de vraag of dat nu inderdaad
allemaal mag. Maar dat kan heel goed zo zijn, omdat sommige hoofdsommen
die worden uitgesloten in de regeling, onlosmakelijk te maken hebben met
de penarie waar gedupeerde ouders in zijn terechtgekomen. Ik gaf een
eenvoudig voorbeeld van de koelkast die kapot is gegaan en waar je een
krediet voor hebt aan moeten gaan. Dit is echt wel uit te breiden, dus
dat is wel even een zorgpunt.
Dan nog even over die familiaire schulden. Daar wordt als voorwaarde bij
gesteld: alleen als het notarieel is vastgelegd. Maar hoe vaak gebeurt
het dat je eventjes wat boodschappen notarieel laat vastleggen? Ik denk
niet zo vaak.
En een slotvraag, voorzitter, met permissie, is … Nee, hij ontschiet me.
Het is eventjes genoeg.
Staatssecretaris Van Huffelen:
Even over dat laatste: we hebben gezegd dat we informele schulden niet
kunnen en niet gaan kwijtschelden. Maar er is een uitzondering. Als je
geleend hebt van vrienden of familie en dat betekend is met een
notariële akte, dan is dat geen informele schuld meer. Dan is het een
formele schuld en dan wordt die ook gewoon meegenomen. Dat wil niet
zeggen dat we alleen maar informele schulden willen meenemen als iemand
een notariële akte heeft, maar we zeggen: dan is het geen informele
schuld meer. Het probleem van informele schulden is dat ze soms heel
lastig gedocumenteerd zijn. Dat punt speelt ook vaak een rol in de
normale schuldhulpverlening. Maar het punt van fairness is een ander
thema.
U had nog een andere vraag, maar die ben ik even vergeten. Die ging over
of iemand wel of niet in de schuldhulpverlening kan en of dat
aantrekkelijker is. Ik heb gezegd: dat lijkt me niet, maar …
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Voorzitter, de vraag die me ontschoten was …
De voorzitter:
Dit is uw laatste interruptie, meneer Grinwis.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
O, dit is gelijk de laatste. Dan moet ik die goed gebruiken!
De staatssecretaris repte over de hardheidsclausule, maar op dit moment
is nog niet duidelijk hoe die hardheidsclausule er precies uit gaat
zien. Of wel? Wat kan de staatssecretaris daar nu over zeggen? Wanneer
wordt die precies helder en gepubliceerd?
Staatssecretaris Van Huffelen:
Die hardheidsclausule heeft wel een hele duidelijke bedoeling. Er zijn
mensen die op basis van de schuldenaanpak die we nu hebben, nog niet
geholpen zijn, omdat er bijvoorbeeld nog een aantal schulden blijken te
zijn die ervoor zorgen dat de compensatie nog steeds niet voldoende is
om überhaupt te kunnen starten met het afbetalen van die schulden
enzovoorts. Daarvoor is die hardheidsclausule bedoeld. De kern van onze
regeling is steeds geweest: we willen dat iemands schulden zijn afgelost
en dat een zo groot mogelijk deel van de compensatie daadwerkelijk voor
iemand beschikbaar is. Als dat niet zo zou zijn, dan moeten we ervoor
zorgen dat het op een andere manier wordt ingevuld. Daar gaat die
hardheidsregeling over.
De voorzitter:
Gaat u verder.
Staatssecretaris Van Huffelen:
Dan was er de vraag van de heer Grinwis over opschalen. Dat ging over de
organisatie SBN. Die organisatie gaat aan het werk. Die gaat proberen zo
goed mogelijk op te schalen op basis van wat er aan hulp en steun nodig
is en heeft daar wat mij betreft ook de ruimte voor. Zij denken op basis
van de kennis die zij hebben over die processen met de huidige geplande
formatie uit de voeten te kunnen, want de banken doen dit werk al.
Dan de vraag van de heer Mulder over de belastingheffing. Ik heb
aangegeven dat de compensatie die ouders ontvangen en de kwijtschelding
van de publieke schulden niet belast zijn. Ik heb uw Kamer in de recente
brief die ik heb gestuurd, gemeld dat dat anders is voor ouders die een
schuld hadden bij een derde die door een derde is kwijtgescholden. Die
derde is dan dus niet de Belastingdienst, maar iemand anders. Om de
helderheid helemaal goed te krijgen, nog het volgende. Er werd gezegd: u
zei in het commissiedebat iets anders dan in de brief. Wat in de brief
staat, is precies wat ik bedoelde en wat in ieder geval de lijn
is.
De voorzitter:
Meneer Mulder, ik hoor u. Nee, meneer Mulder. Aan het eind van uw blokje
geef ik u de gelegenheid om daar nog heel kort op te reageren. U kunt
nadenken over hoe u dat dan kort gaat doen. Maar de staatssecretaris
gaat nu even verder, want uw interrupties zijn op.
Staatssecretaris Van Huffelen:
Dan een opmerking van GroenLinks over de alimentatie en een hiaat in de
regelingen. Het klopt inderdaad dat die achterstallige alimentatie door
het moratorium niet betaald hoeft te worden. Het is ook zo dat niet alle
gedupeerden de kinderalimentatieschuld zullen aanmelden in het kader
hiervan. Dan blijft dat moratorium doorlopen en wordt dus ook
achterstallige alimentatie niet betaald. Wij willen natuurlijk niet dat
kinderen hiervan de dupe worden. Ik wil dat probleem dan ook oplossen.
Ik wil in overleg met de minister voor Rechtsbescherming een passage
opnemen in het beleidsbesluit voor private schulden om te zorgen dat dit
wordt hersteld en om dan ook te zorgen dat die achterstallige
alimentatie actief kan worden betaald.
Dan ga ik naar de vraag van ...
De voorzitter:
Meneer Snels heeft daarover een vraag.
De heer Snels (GroenLinks):
Dank voor deze toezegging. Eerst is er het overleg met de minister van
Justitie, of is het de minister voor Rechtsbescherming? Ja. Wanneer
krijgt de Kamer te horen of dat ook gaat lukken en of daar nog problemen
zitten? Het lijkt me wel handig om te weten wanneer we de opvolging van
deze toezegging krijgen.
Staatssecretaris Van Huffelen:
Ik zou zeggen: z.s.m. Want we willen dat beleidsbesluit graag snel
publiceren. Ik kom even terug op de termijn, maar dat zal z.s.m.
zijn.
De voorzitter:
Dat doen we aan het eind bij de toezeggingen.
Staatssecretaris Van Huffelen:
Ja. De heer Snels maar ook mevrouw Kat en de heer Nijboer hebben de
vraag gesteld hoe we ouders helpen die niet KOT-gedupeerd zijn maar wel
hulp van de overheid nodig hebben. Ik heb daar eerder al iets over
gezegd. Van belang is natuurlijk dat mensen in ieder geval ook bij hun
gemeente terechtkunnen. Maar wij moeten in het kader van die aanmelding
van mensen die niet bij ons horen op de een of andere manier nadenken
over de vraag hoe we die warme overdracht goed organiseren. Daarbij moet
goed duidelijk zijn dat die hulp niet door ons geboden kan worden maar
dat we wel heel graag willen — en dat is in lijn met de kabinetsreactie
op de POK — dat er geen verkeerde loketten moeten zijn. Dat zou dus ook
moeten betekenen dat ze er hier voor zorgen dat ouders zo goed mogelijk
worden doorgeleid naar waar ze wel terechtkunnen. De Ombudsman zegt
daarover dat dat best een gevaarlijk soort toezegging is. Dat is het
ook, maar ik denk wel dat het goed is dat we proberen om dat voor zoveel
mogelijk ouders, het liefst alle ouders, te realiseren.
Mevrouw Simons had een vraag over ouders in het buitenland en wanneer
daarvoor een plan van aanpak komt. Wij zijn dat aan het schrijven op
basis van de motie van de heer Azarkan. Onze bedoeling is dat dit in
december gereed is. Inmiddels zijn we natuurlijk wel aan het werk voor
de ouders die nu in het buitenland wonen, want er hebben zich nu ruim
2.000 gemeld, waarvan er 336 in de Caraïbische delen van het Koninkrijk
wonen en waarvan ongeveer de helft in België woont. Al deze ouders gaan
natuurlijk wel mee in onze eerste toets. De helft van deze ouders is
inmiddels ook getoetst. Ook de schuldenaanpak geldt voor deze ouders.
Maar als het gaat over de vraagstukken over terugkeer, enzovoort,
enzovoort, dan kom ik daar graag in december bij u op terug.
Dan was er de vraag van mevrouw Simons of ouders naast de
zaakbehandelaar ook rechtshulp kunnen krijgen. Ja, dat kan. We hebben
ook eerder een regeling gemaakt om ouders gratis rechtsbijstand te
geven. Die ouders kunnen zich melden bij de Raad voor Rechtsbijstand.
Zij krijgen dan de mogelijkheid om te kiezen uit een advocaat om hen bij
te staan, die bij hen in de buurt is of die naar hun keuze is. Samen met
de Nederlandse orde van advocaten en de Raad voor Rechtsbijstand ben ik
de regeling voor deze ouders verder aan het uitbreiden om ervoor te
zorgen dat ouders zo breed mogelijk hulp kunnen krijgen en dat advocaten
ook voldoende middelen hebben om de ouders goed bij te staan.
Dan was de vraag van de heer Azarkan hoe advocaten ouders goed bij
kunnen staan als zij niet over het dossier kunnen beschikken. Dat is een
vraag die eigenlijk twee kanten kent. Als ouders ons om het dossier
vragen, dan vragen ze vaak het hele dossier op en dan willen ze alle
gegevens die de Belastingdienst op het gebied van toeslagen over hen
heeft van ons krijgen. Maar we kijken — en dat doen we ook in overleg
met de advocaten — hoe we zo snel mogelijk het persoonlijke dossier dat
voor de herbeoordeling nodig is ook aan de advocaat ter beschikking
kunnen stellen. We hebben daar een team voor, dat we verder aan het
opschalen zijn. We werken daar heel hard aan. Ik heb begrepen dat dit
ook een van de punten was waarvan de advocaten aangaven dat ze daarmee
zitten te worstelen. Ik ga ook graag verder met hen in overleg, om
ervoor te zorgen hoe we dat nou zo goed mogelijk kunnen organiseren,
zodat zij daarmee ook aan het werk kunnen.
De heer Omtzigt (Lid Omtzigt):
De vorige staatssecretaris is hierop afgetreden: zwarte dossiers,
volledig zwartgelakt, na maanden. Nu zegt de staatssecretaris: u krijgt
het dossier na twee jaar en u krijgt alleen de informatie die u nodig
heeft. Een advocaat zit niet te wachten op de informatie waarvan de
Belastingdienst vindt dat hij die nodig heeft. Die advocaat zit te
wachten op het hele dossier en bepaalt zelf wel wat hij nodig heeft. Dat
is de essentie van hoe een advocaat zijn cliënt wilt bijstaan. En wis en
waarachtig, als je jarenlang toeslagen hebt moeten terugbetalen, dan wil
je het hele dossier over je toeslagen hebben. Dat lijkt me volstrekt
evident. Mijn vraag is dus wat is de doorlooptijd is. Kunnen we die niet
gewoon verkorten, zodat je na maximaal twee maanden je dossier kan
krijgen? Zonder dossier kan er toch helemaal niets afgehandeld worden?
Als er twee jaar gewacht moet worden, dan worden alle deadlines gemist.
Ik verwacht hier echt een harde toezegging!
Staatssecretaris Van Huffelen:
We hebben het team dat werkt aan de samenstelling van dossiers sterk
opgeschaald. We gaan daar ook mee verder, omdat we heel graag de ouders
dié informatie willen geven waar ze naar op zoek zijn. En als dat hun
hele dossier is, dan krijgen zij hun hele dossier. We hebben eerder met
elkaar gewisseld dat dat veel werk is en veel uren kost en dat betekent
dat we het team ook echt goed groot moeten maken.
Advocaten geven aan dat zij heel graag willen dat ze de informatie
krijgen die ze voor de zaak echt nodig hebben. We treden dus ook in
overleg met hen om ervoor te zorgen dat we die informatie zo snel
mogelijk kunnen geven. Datzelfde geldt overigens voor ouders. Lang niet
alle ouders willen een heel compleet dossier. Veel ouders zijn vooral op
zoek naar bepaalde jaren en die zoeken we dan ook zo snel mogelijk voor
hen uit. In veel gevallen doet dat de zaakbehandelaar.
Overigens wat het lakken betreft: we gebruik de minimale vorm van lakken
die nodig is. Soms is dat helaas nog wél nodig vanwege de privacy, omdat
er gegevens van andere ouders in zitten of van de
kinderopvangorganisatie die we niet aan de ouders kunnen meegeven. Alles
wat over de ouders zelf gaat, geven we ongelakt aan ouders mee.
De voorzitter:
Er is een punt van orde. Ik ben benieuwd wat het punt van orde is,
meneer Azarkan.
De heer Azarkan (DENK):
Ik vind het ingewikkeld om mijn taak te kunnen uitvoeren. Ik stelde
namelijk de vraag hoe de staatssecretaris ertegen aankijkt dat advocaten
die cliënten bijstaan, klagen over de wijze waarop ze bediend worden,
waardoor rechtsongelijkheid ontstaat. Daar wil ik een reflectie op en
ook wil ik weten wat ze daaraan gaat doen. Ik vind het ingewikkeld dat
we een soort procesantwoord krijgen, zo van: ik ga graag met hen in
gesprek en we gaan kijken welk deel van het dossier ze krijgen. Daar kan
ik gewoon niks mee en ik kan er ook niet op reageren. Het kan niet zijn
dat er aan de ene kant een brandbrief van 220 advocaten komt die zeggen
dat het op deze manier gewoon niet werkt en dat de staatssecretaris aan
de andere kant vrij ontspannen zegt dat ze er eens even naar gaat kijken
en dat ze een keer in gesprek gaan. Dat werkt toch niet? Dat kan niet
naast elkaar bestaan. Ofwel de staatssecretaris erkent dat de advocaten
inderdaad gewoon een punt hebben over de wijze waarop ze geïnformeerd
worden en ook over het feit dat ze hetzelfde nummer moeten bellen als
alle anderen om in contact te komen, wat ongehoord is, en ze gaat daar
iets aan doen, ofwel de staatssecretaris zegt: dit is nu eenmaal de
wijze waarop ik het georganiseerd heb.
De voorzitter:
Meneer Azarkan, dit is geen punt van orde. Dit is gewoon een
interruptie.
De heer Azarkan (DENK):
Echt?
De voorzitter:
Ik snap wat u zegt. U heeft daar waarschijnlijk gelijk in of in ieder
geval ervaart u dat zo, maar dat geldt misschien voor meer mensen. We
hebben gewoon spelregels met elkaar over hoe we een debat voeren. U gaat
over wat u zegt. De staatssecretaris gaat over wat zij zegt. U kunt het
niet met elkaar eens zijn. Daar hebben we nog een termijn voor. Daar
heeft u ook nog allerlei instrumenten voor.
De heer Azarkan (DENK):
Excuus, voorzitter. Ik zal het niet meer doen.
De voorzitter:
Dat zeg ik niet, maar ik probeer er ook voor te zorgen dat we enigszins
ergens toe komen met elkaar. Dit debat is niet alleen bedoeld om elkaars
standpunten aan te horen, maar ook om voortgang te maken en tot
besluitvorming te kunnen komen. We zijn met veertien woordvoerders. We
hebben er vijf uur voor uitgetrokken, als ik het wel heb. We hebben nog
een uur op de klok staan. We schieten niet op. Dat ligt aan ons
allemaal, maar laten we dan in ieder geval de spelregels respecteren.
Dat helpt ons volgens mij allemaal.
Ik zag dat meneer Omtzigt zijn volgende twee interrupties nog even wil
bewaren. Staatssecretaris, het is fijn als u voortgaat en probeert om zo
veel mogelijk tegemoet te komen aan de vragen en opmerkingen van de
Kamerleden uit de eerste termijn. Want dan kunnen we ook voort.
Staatssecretaris Van Huffelen:
Dat doe ik graag, voorzitter. Ik kom terug op het thema van die
dossiers. Er zijn twee onderwerpen. Ik kom dan ook terug op de
advocaten, het punt waar de heer Azarkan het over had. Wij hebben niet
een kant-en-klaar dossier van ouders in de kast staan. Dat hebben we
eerder met u besproken. Dat is ongelofelijk vervelend. Het samenstellen
van heel veel informatie kost dus heel erg veel tijd. Dat doen we graag
als ouders dat willen. Dat doen we met minimaal lakken. We proberen ook
te kijken hoe we advocaten zo goed mogelijk kunnen helpen. Want niet
alle advocaten hebben behoefte aan een heel dossier, waar elementen in
zitten die niet direct van toepassing zijn op de zaak, bijvoorbeeld
zorgtoeslag of huurtoeslag. Met de advocaten willen we juist heel graag
kijken hoe we ervoor kunnen zorgen dat zij een goede documentatie
krijgen. Zij hebben aangegeven dat zij vinden dat ze niet de volledige
en goede documentatie krijgen. Dan moeten we daar met hen over spreken.
Dat is wat mij betreft niet zomaar een gesprekje. We moeten een goed
gesprek voeren om te zorgen dat hier ook een oplossing voor komt. Er
zijn niet voor niets advocaten die ouders bijstaan. Die moeten goed
worden geholpen om hun taak uit te kunnen voeren. Wat mij betreft is dat
een belangrijk onderdeel. Nogmaals, net zoals u heb ik het stuk
nauwelijks kunnen lezen, omdat het ongeveer binnenkwam toen we aan dit
debat begonnen. Maar ik kijk daar natuurlijk heel graag en goed naar.
Niet in de laatste plaats zijn de advocaten en hun vertegenwoordigers,
de NOvA en de Raad voor Rechtsbijstand, ook onderdeel van onze
herijkingsoperatie en zijn zij ook uitgenodigd om met ons mee te
denken.
Dan ga ik naar de vragen van de heer Omtzigt.
De voorzitter:
De staatssecretaris was net nog bij een punt van u, meneer Omtzigt. Ik
laat de staatssecretaris daar dus even mee verdergaan. Dan geef ik u
daarna de gelegenheid om te interrumperen.
De heer Omtzigt (Lid Omtzigt):
Oké.
Staatssecretaris Van Huffelen:
Dat gaat over een ander onderwerp waar de heer Omtzigt naar vroeg,
namelijk de Commissie Werkelijke Schade en hoe het staat met de
uitspraken daarvan. We hebben de commissie in de afgelopen maanden
opgeschaald, om te zorgen dat er meer dossiers behandeld kunnen worden.
Wellicht weet de heer Omtzigt ook nog dat de commissie vorig jaar in het
voorjaar in het leven is geroepen toen we de wet vaststelden, met het
idee dat een klein aantal van onze ouders terecht zou kunnen komen bij
deze commissie op het moment dat de integrale beoordeling niet voldoende
recht zou doen aan hun schade. Wat blijkt is dat veel meer ouders
gebruik willen maken van deze commissie. Nu is dat ongeveer 7% van de
mensen die een integrale beoordeling hebben gehad. Dat betekent dat de
commissie, om te zorgen voor enigszins reële termijnen, ook echt verder
moet worden opgeschaald. Daar hebben ze aan gewerkt in de afgelopen
tijd. Ik ga met hen verder praten. Overigens hebben ze aangegeven dat
zij, zodra ze 50 representatieve dossiers hebben behandeld, ook meer
inzicht zullen geven in hoe die dossiers eruitzien, althans wat de
besliskaders zijn op basis waarvan ze zijn gekomen tot de uitspraken die
ze hebben gedaan. Ze hebben nu bijna 50 zaken behandeld. Ik hoop dat ze
ons dus ook zo snel mogelijk inzicht kunnen geven in wat dat gaat
worden. Het gaat bij die 50 dossiers om representatieve dossiers.
Wellicht moeten het er dus wel meer dan 50 zijn in totaal.
Ik ga naar de vragen van mevrouw Simons. Kunnen we ervoor zorgen dat
ouders zich niet zelf melden bij de CWS, maar dat ze automatisch worden
doorverwezen? Ouders die een integrale beoordeling hebben gehad, kunnen
dus terecht bij deze commissie als ze denken dat er meer schade is
geleden dan wat onderdeel was van de integrale beoordeling. In heel veel
gevallen is het inderdaad zo dat de persoonlijk zaakbehandelaar met de
ouder bespreekt of dat een goede of nuttige route is. Ik zie dat zelf
vaak in de gesprekken waar ik bij ben, waarin een zaakbehandelaar
bijvoorbeeld tegen een ouder die ergens in de afgelopen periode het huis
onder water heeft moeten verkopen, zegt: ik denk dat het verstandig is
dat je de stap maakt naar die commissie. Automatisch doorverwijzen is
denk ik niet verstandig, omdat dat in heel veel gevallen waarschijnlijk
niet nodig zal zijn. De zaakbehandelaar kijkt zeker met de ouder mee, en
een advocaat in het geval de ouder die heeft ook.
GroenLinks vroeg of ik bereid ben om de Commissie Werkelijke Schade en
de BAK nog veel radicaler op te schalen. Dat ben ik zeker bereid om te
doen. Ik heb met beide commissies indringende gesprekken gehad, waarin
ik twee dingen heb aangegeven. Ik wil ten eerste dat de BAK zijn werk
kan doen binnen de wettelijke termijnen; het liefst nog weer meer
daarbinnen, maar laten we er eerst mee beginnen dat de BAK binnen de
wettelijke termijnen kan werken. In het geval van de Commissie
Werkelijke Schade wil ik dat de verzoeken binnen tussen de drie en zes
maanden kunnen worden afgehandeld. Dat is ook waar zij nu een planning
op aan het maken zijn. Zij denken na over wat zij nodig hebben om
daarvoor te zorgen. Wat mij betreft is er geen enkel beletsel om dat te
doen. Sterker nog, ik moedig ze zeer aan om dat ook zo snel mogelijk te
doen.
Ik kom dan bij het laatste blokje.
De voorzitter:
Daarmee is het thema beleid, schulden en gemeente afgehandeld. Mevrouw
Van der Plas, u bent voor de tweede termijn neergezet. Ik had meneer
Mulder beloofd dat hij een korte vraag zou mogen stellen over iets
waarvoor hij daarnet zijn handen in de lucht gooide.
De heer Edgar Mulder (PVV):
Ik zal het kort maken. Ik nodig iedereen uit om te kijken naar de vorige
debatten om te zien wat ik gezegd en gevraagd heb, maar ik wil ingaan op
het antwoord dat we nu krijgen. Het is dus zo dat geld dat gedupeerde
ouders de afgelopen jaren hebben gekregen van ouders, buren of welke
derden dan ook, wordt gezien als een belaste schenking. Zij krijgen dus
te maken met schenkbelasting. Dat klopt, toch?
Staatssecretaris Van Huffelen:
Ik zeg het even met enige voorzichtigheid. Volgens mij heb ik in mijn
brief geschreven dat dit zo is, ja.
De heer Edgar Mulder (PVV):
Dat betekent dat die mensen, die vertrouwd hebben en geleund hebben op
hun sociale netwerk, straks naheffingen gaan krijgen. Ik wil het hier
alleen maar vaststellen.
Staatssecretaris Van Huffelen:
Dat zou zo zijn wanneer wij die schenkingen ook kunnen vaststellen. Daar
gaat het dan natuurlijk ook over.
De voorzitter:
Er is wat verwarring. Ik denk dat we hier in de tweede termijn even op
terug moeten komen.
We gaan door naar het laatste blokje: overige vragen. En dan gaan wij
voort.
Staatssecretaris Van Huffelen:
Dan begin ik met de vraag van GroenLinks, de PvdA en de heer Stoffer:
hoe gaan we een klimaat creëren waarbij inhoudelijke kritiek weer
mogelijk is en mensen zich veilig voelen? Dan gaat het over de
organisatie van de Belastingdienst en ook over Toeslagen en Douane. Dat
is een superbelangrijke vraag, want het rapport dat de raadslieden
hebben uitgebracht, dat vandaag ook door mij en mijn collega Hans
Vijlbrief naar u toe is gestuurd, laat zien dat het ongelofelijk
belangrijk is dat die raadslieden er zijn. Er is namelijk een grote
groep mensen die zich bij hen heeft gemeld met problemen die ze in dit
verband hebben gezien, namelijk het idee dat er toch niet genoeg ruimte
is voor tegenspraak en dat er niet goed naar hen geluisterd wordt,
terwijl we juist hebben aangegeven dat we dat zo ongelofelijk belangrijk
vinden. Ik denk dat dat ook zo is. De aanbevelingen die de
raadspersonen, wil ik dan ook heel graag heel serieus nemen. Daar moeten
we in de komende tijd dus echt veel meer aan doen. Het is namelijk
helder dat het probleem van signalen die niet binnenkwamen, niet van
buiten, of niet voldoende van buiten, of niet voldoende intern naar
boven kwamen, natuurlijk een van de belangrijkste oorzaken is waarom het
ook zo fout is gegaan bij de Belastingdienst.
We doen van alles. We hebben een programma daarvoor. We werken aan het
verbeteren van ons signaalmanagement, dus ook van buitenuit. We zorgen
ervoor dat de vertrouwenspersonen die we hebben een betere borging in de
organisatie krijgen. We proberen ook meer het gesprek tussen
leidinggevenden en medewerkers te voeren. We betrekken daar ook zeker de
ondernemingsraad en medezeggenschapsraad bij. We versterken de
vaktechnische lijn. En wat we ook doen, en dat is niet onbelangrijk, is
het oprichten van een inspectie die er ook voor moet waken dat dit
voldoende in de organisatie wordt ingebed. Maar wat hier natuurlijk
gewoon blijft bestaan, is dat het ongelofelijk belangrijk is dat mensen
die bij ons werken zich vrij voelen om die signalen door te geven, dat
ze zich vrij voelen om dat aan hun leidinggevenden door te geven, en dat
die leidinggevenden dat ook weer doorgeven aan anderen, zodat als er
dingen fout gaan, daar ook ruimte voor is. Uit het rapport blijkt dus
dat er op dat front veel te doen is. Het goede nieuws is dat die
raadspersonen gevonden worden en dat zij die rol ook zullen blijven
vervullen. Als het meer specifiek over het herstel van toeslagen gaat,
is het overigens heel erg belangrijk dat de organisatie de rust krijgt
om het werk te doen, want eindeloos in een soort crisismodus werken
helpt niet om een sfeer te creëren die mensen het gevoel geeft dat ze in
alle rust en ruimte het werk kunnen doen waarvan zij denken dat het
belangrijk is.
Ik ga naar de vraag van de heer Omtzigt over de motie. Die gaat over het
overzicht van wetten en wetsartikelen die we hebben overtreden. U heeft
die vraag ook gesteld tijdens het debat over de Algemene Politieke
Beschouwingen van onlangs. De minister-president heeft verwezen naar de
Kamerbrief die wij gestuurd hebben op 12 maart van dit jaar. "Wij" zijn
in dit geval staatssecretaris Vijlbrief en ikzelf. Daarin hebben we een
overzicht gegeven van de wetten en regels die de Belastingdienst en
Toeslagen hebben overschreden. Voor wat betreft de problemen met de
kinderopvangtoeslag staat in die brief dat het gaat over verschillende
fouten die er gemaakt zijn bij de behandeling van aanvragen, controles
en bezwaren. Het is een hele set van dingen. We hebben eerder met elkaar
daarover het debat gevoerd. Er is niet echt een eenduidige opsomming of
een limitatieve opsomming te geven. In de brief staat dat Toeslagen
onder andere rondom de kwalificatie opzet/grove schuld, die u noemde, in
strijd heeft gehandeld met het zorgvuldigheidsbeginsel. Ook op andere
plekken, zoals in het rapport van de commissie-Donner en de POK, is erop
gewezen dat de werkwijze van Toeslagen in strijd is geweest met de
rechtsbeginselen. We hebben met de VGR ook een update van de
21-puntenlijst opgestuurd. Dat is een overzicht van alle kwesties die
hebben gespeeld in de uitvoering en van tegenstrijdigheden. Ik heb
aangegeven dat het niet goed mogelijk is om een compleet beeld te geven.
In mijn brief heb ik dat ook vermeld. Ik zal u in de volgende
voortgangsrapportages laten weten wat de stand is van al het werk dat we
aan het doen zijn om deze tekortkomingen op te lossen.
Dan ga ik naar de capaciteit van UHT. Daarover was een vraag van de heer
Mulder. We hebben veel mensen aangenomen. De Rekenkamer heeft eerder
geoordeeld dat er voldoende mensen zijn, zegt u. U vraag hoe het daarmee
zit. U verwijst naar het verantwoordingsonderzoek van het ministerie van
Financiën. Inmiddels hebben we natuurlijk veel meer aanmeldingen bij
UHT. Dat betekent ook dat meer mensen het werk moeten doen, dat er meer
commissies zijn en dat er meer capaciteit nodig is. Dat zijn we dan ook
aan het doen. Uiteindelijk zal de Rekenkamer daar ook weer
meekijken.
Dan de vraag van de heer Omtzigt over de status van het onderzoek van de
inspectie. Dat gaat ook over de dossiers die verdwenen zijn, die
vernietigd zijn. We hebben ten onrechte 9.000 dossiers vernietigd. Dat
is natuurlijk niet goed. Het gaat over de rechtbankdossiers van ouders,
dus niet zozeer hun originele dossiers maar de rechtbankdossiers. Met de
rechtbanken en de Raad van State zijn we aan de slag om al deze dossiers
ook weer terug te halen. Daarover rapporteren we bij iedere
voortgangsrapportage. In de afgelopen tijd zijn er in dit kader twee
onderzoeken geweest. Ten eerste was er een intern uitgezet onderzoek
naar de verloren stukken. Op 8 februari hebben we u daarover een verhaal
gestuurd. De Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed heeft op 22 april
jongstleden een stuk naar uw Kamer gestuurd met de resultaten van hún
onderzoek. Dat laat onverlet dat wij hard bezig zijn om daar waar
rechtbankdossiers verdwenen zijn, samen met de rechtbanken en de Raad
van State ervoor te zorgen dat die dossiers weer boven water komen. In
veel gevallen kan dat ook, omdat die nog bij de rechtbank of bij de Raad
van State zijn.
Dan was er een vraag van mevrouw Simons. Zij zei dat ouders
duidelijkheid willen over de risicoprofielen, en vroeg hoe we die kunnen
meenemen in de herijking. Dat gaat dan specifiek over het gebruik van
nationaliteit of tweede nationaliteit in de selectie van ouders. Laten
we daar helder over zijn. We hebben daar ook eerder over gesproken en de
AP heeft er een rapport over geschreven, dat klinkklaar zegt dat er in
dit dossier sprake is geweest van discriminatie. Dat had natuurlijk
nooit gemogen. In het verleden hebben we in onze risicoprofielen
verschillende variabelen gebruikt. We hebben gewerkt met
nationaliteitsgegevens. De AP heeft daar dus ook haar rapport op
gebaseerd en daar informatie over gegeven.
Wat wij kunnen doen — dat doen we ook voor zover we dat kunnen — is
ouders erover informeren of zij op de een of andere manier geselecteerd
zijn of door ons in de problemen zijn gekomen vanwege bijvoorbeeld een
tweede nationaliteit, als we weten of nationaliteitselecties een rol
hebben gespeeld. Dat speelt bijvoorbeeld in de CAF-dossiers. Ik heb daar
ook nog iets over gemeld. Maar we willen ouders natuurlijk heel graag
helderheid geven waar we dat kunnen. Dat is wat mij betreft niet nodig
in de herijking; dat doen we al en dat willen we ook blijven doen. We
hebben natuurlijk ook andere organisaties erbij betrokken, zoals het
College voor de Rechten van de Mens, om gehoor te geven aan ouders die
te maken hebben gehad met discriminatie.
Mevrouw Simons (BIJ1):
Ik heb eigenlijk nog wel een vraag over die verwijzing naar het College
voor de Rechten van de Mens. Het is namelijk een extra opdracht aan
ouders die op zoek zijn naar antwoorden. "Gaat u maar naar het College
voor de Rechten van de Mens." Dat is een college dat eigenlijk niet de
doorzettingsmacht heeft om een dergelijk traumatische problematiek
verder te brengen. Daarnaast vraag ik me af hoeveel ouders het
daadwerkelijk te horen hebben gekregen. Ik spreek ze niet, en ik spreek
veel ouders van kleur. Ik durf te zeggen — misschien jok ik onbewust —
dat geen van hen te horen heeft gekregen: "u bent geselecteerd omdat u
een tweede nationaliteit heeft", "u bent geselecteerd omdat uw naam
niet-westers klinkt" of "u bent geselecteerd omdat u daar en daar
woont". Op het moment dat ouders met deze problematiek te maken krijgen
en dan verwezen worden naar het College voor de Rechten van de Mens, ben
ik er heel erg benieuwd naar wat de staatssecretaris daarmee denkt te
doen voor deze ouders.
Staatssecretaris Van Huffelen:
Door goed te kijken naar de dossiers van ouders, proberen wij zelf zo
veel mogelijk te zien of wij kenmerken van discriminatie in die dossiers
vinden. Als we die vinden, delen we dat ook mee aan de ouders, hoe
pijnlijk dat ook is. Daarnaast hebben we het college gevraagd om ons te
helpen, omdat een aantal ouders heeft aangegeven dat ze het belangrijk
vinden om hun verhaal daar kwijt te kunnen — ze hoeven daar natuurlijk
geen gebruik van te maken — als het niet zo helder uit hun dossier
blijkt, maar zij wel het vermoeden hebben dat er sprake is van
discriminatie op basis van wat dan ook. Het college werkt daar hard aan
en doet onderzoek daarnaar om te zien hoe het ouders zo goed mogelijk
kan helpen. Is dat een traject dat zomaar voorbij is? Nou, dat is
natuurlijk niet zo. Is dat voor alle ouders een bevredigende oplossing?
Dat denk ik ook niet. Maar ik hoop wel dat het college een deel van de
ouders in ieder geval kan helpen door een beter beeld te schetsen van
wat er gebeurd zou kunnen zijn of van wat er in hun dossier heeft
gespeeld en door meer helderheid te geven over de vermoedens die het
heeft van discriminatie. Dat is natuurlijk het werk dat het college
doet. In sommige gevallen is het voor ons ook niet meer te achterhalen
of en waarom dit een rol heeft gespeeld. In sommige gevallen kan dat
wel. Dan willen we het graag aan de ouders laten weten.
De voorzitter:
Mevrouw Simons, in laatste instantie.
Mevrouw Simons (BIJ1):
Hierbij zit mij ook een beetje dwars dat ik van ouders begrepen heb dat
op het moment dat zij verwezen worden naar het College voor de Rechten
van de Mens, het college in eerste instantie heeft aangegeven: laten we
eens kijken wat er gebeurt met de uitspraak in een andere zaak waarbij
de aantijging is dat er sprake lijkt te zijn van institutioneel racisme.
Dat was de zaak die speelde rondom de marechaussee, een zeer recente
casus. Daarover is nu een uitspraak gedaan. Ik vraag de staatssecretaris
niet om daarover in detail te treden. Ik ben me ervan bewust dat er ook
nog een hoger beroep gaat dienen. Maar dat is wel een casus waarvan de
ouders hebben gehoord: daar hechten wij een precedentwaarde aan.
Dan is mijn vraag: is de staatssecretaris het met mij eens dat het hier
weliswaar gaat over dezelfde diensten, de Belastingdienst en de Douane,
maar dat het over twee totaal verschillende casussen gaat? Er is nu in
die zaak een uitspraak geweest waaruit blijkt dat deze rechter het in
dit specifieke geval blijkbaar prima vond om nationaliteit te koppelen
aan het hebben van een bepaalde kleur, zo van: als je zwart bent, is het
heel aannemelijk dat je geen Nederlander bent. Dat is een heel pijnlijke
uitspraak, zo is mijn persoonlijke kwalificatie. Wat moeten deze ouders
daar dan uit concluderen?
Staatssecretaris Van Huffelen:
Ik vind dat een heel moeilijke vergelijking. Het ging volgens mij
overigens over de marechaussee. Dat is weer niet een onderdeel van de
Douane. Maar dat is een andere kwestie. Voor deze ouders heeft gespeeld
dat wij op momenten in de tijd een selectie hebben gemaakt op basis van
nationaliteit en tweede nationaliteit, dus: Nederlander, ja of nee, en
hetzelfde op tweede nationaliteit. Dat gebeurde daar waar we dat niet
nodig hadden of mochten doen op basis van de privacywetgeving. Dat is
totaal niet oké. De Autoriteit Persoonsgegevens heeft dat ook beschreven
als "discriminerend" en "onrechtmatig". Dat is heel helder.
Ik weet natuurlijk niet welke conversaties de ouders met het College
voor de Rechten van de Mens hebben. Maar ik vind het heel belangrijk dat
het specifiek over dit dossier gaat. Het is ook om die reden dat het
college meer werk doet op dit dossier, om te kijken wat hier gebeurd zou
kunnen zijn en wat dat zou kunnen betekenen voor uitspraken die het kan
doen richting individuele ouders. Ik kan helaas niet zo veel zeggen over
die vergelijking. Ik vind het heel ingewikkeld om daar iets over te
zeggen.
De voorzitter:
Gaat u verder.
Staatssecretaris Van Huffelen:
Ik ga naar de vraag van de heer Mulder. Hij vroeg waarom de
motie-Wilders niet genoemd is in de achtste voortgangsrapportage. We
hebben het voor u opgezocht. Het staat in de zevende
voortgangsrapportage. Daarin staat namelijk dat de motie-Wilders als
afgerond is opgenomen, omdat wij inmiddels een aanpak voor de private
schulden hebben gemaakt. Het was al klaar.
De voorzitter:
Gaat u verder, staatssecretaris.
Staatssecretaris Van Huffelen:
Dan kom ik op de memo-Palmen. Er is een vraag over de stand van zaken
rondom het PwC-rapport. Dat heb ik natuurlijk naar uw Kamer gestuurd.
Over het onderzoek hebben we ook al wat gewisseld tijdens de Algemene
Financiële Beschouwingen. Ik weet dat er binnenkort een technische
briefing en een debat met de Kamer volgen. Ik denk dat het goed is dat
we dan op dat onderwerp terugkomen.
De voorzitter:
Voor u verdergaat: meneer Omtzigt heeft daar een vraag over.
De heer Omtzigt (Lid Omtzigt):
Het was een concrete vraag. In het PwC-rapport staat — en daarom wil ik
het nu vast voorleggen — dat staatssecretaris Snel op 4 en 5 juni
hiernaar gevraagd heeft. Het gaat om nummer 263, 264 en 265 van het
rapport. Bij de eerdere Kamervragen die ik gesteld heb, heeft de
staatssecretaris gezegd dat haar ambtsvoorganger, dat is dus
staatssecretaris Snel, geen kennis had genomen van dit memo. Ik vraag
dus of zij die antwoorden, gezien dit rapport, wil herzien, of dat zij
de oorspronkelijke antwoorden handhaaft.
Staatssecretaris Van Huffelen:
Ik heb alle informatie die ik heb, met u gedeeld, en ook de antwoorden
op de vragen. Vervolgens hebben we dit onderzoek laten uitvoeren. Ik
denk dat het goed is dat we het debat daarover voeren, maar ik heb op
dit moment geen andere informatie.
De heer Omtzigt (Lid Omtzigt):
Dit is een hele concrete vraag, die ik ook eerder gesteld had, dus ik
vraag om deze dan maar schriftelijk te beantwoorden, deze week. Dit
waren de eerste vragen over de memo-Palmen, die op 15 januari beantwoord
werden, vlak voor het debat over het aftreden van het kabinet. Dat waren
die fameuze vragen waarbij vraag 9, vraag 10, vraag 11, allemaal "zie
vraag 8" was. Daarin werd gesteld dat de ambtsvoorganger het memo niet
gezien had. In dit PwC-rapport staat net iets anders. Ik zou daar graag
nog deze week een schriftelijke uitleg over willen hebben, want daar zit
gewoon spanning tussen en die kan uitgelegd worden voordat wij met PwC
in gesprek gaan. Dat is waarom ik die vraag hier stel.
De voorzitter:
Heldere vraag.
Staatssecretaris Van Huffelen:
Ik vind het zo lastig dat de heer Omtzigt ervan uitgaat dat ik andere
informatie heb dan hij, of dat niet alle informatie naar boven is
gekomen over de antwoorden die ik kan geven, het rapport enzovoorts,
enzovoorts. Ik heb geen reden om de antwoorden op die vragen te
veranderen, maar nogmaals, het lijkt mij goed dat wij verder spreken
over dat rapport in het debat.
De heer Omtzigt (Lid Omtzigt):
Voorzitter, ik stel hier een hele precieze ...
De voorzitter:
Ja, meneer Omtzigt, ook u bent door uw interrupties heen. Volgens mij
bent u het niet eens met de antwoorden van de staatssecretaris. Daar
kunt u dan in tweede termijn op ingaan.
De heer Omtzigt (Lid Omtzigt):
Ik stel hier gewoon de vraag of ik hier een brief over mag hebben. Ik ga
morgen wel spoedvragen stellen, maar ik vraag gewoon een schriftelijke
uitleg. Ik snap dat dat nu niet gebeurt …
De voorzitter:
We hebben gehoord wat u heeft gevraagd en u krijgt niet het antwoord dat
u wil, dat hoor ik ook. Als u de microfoon weer uitzet, geef ik de
staatssecretaris de kans om te reageren, maar volgens mij is zij
toegekomen aan het laatste antwoord voor de eerste termijn.
Staatssecretaris Van Huffelen:
Dat was een vraag van de heer Van Raan, eigenlijk over hetzelfde
onderwerp, namelijk het rapport over de memo-Palmen. We hebben de
technische briefing en dat debat te gaan, dus ik zou eigenlijk willen
voorstellen dat we dat onderwerp dan ook verder bespreken, over wat en
hoe enzovoorts; welke lessen we daaruit trekken.
De heer Van Raan (PvdD):
Dat zullen we doen. Ik zal er in de tweede termijn ook nog iets over
zeggen. Ik had nog wel een vraag gesteld, bij mijn weten, over welke
onderdelen van de UHT die misschien niet cruciaal zijn, mogelijk in
aanmerking zouden komen, hetzij in de herijking of in noem maar op welk
proces, om misschien te worden afgestoten, omdat de meeste rapporten
erop wezen dat daar misschien verbeteringen te vinden zijn.
Staatssecretaris Van Huffelen:
Volgens mij heeft u het dan specifiek over bepaalde taken. Zou een deel
van het takenpakket van een PZB'er ook door iemand anders kunnen worden
gedaan? Dat is zeker iets wat we in de herijking willen bekijken,
ja.
De voorzitter:
Goed, dan zijn we aan het eind van de eerste termijn. Dan heb ik twee
vragen aan u … Nee, mevrouw Simons, u bent door uw interrupties
heen.
Mevrouw Simons (BIJ1):
Maar er zijn een aantal vragen niet beantwoord en het lijkt mij toch
vervelend dat ik mijn tweede termijn moet gebruiken om dezelfde vragen
te stellen als in de eerste termijn, voorzitter.
De voorzitter:
Dat begrijp ik en tegelijkertijd kijk ik ook naar de klok. Het is 22.20
uur. Ik wilde u net nog twee vragen gaan stellen, om ook weer voort te
kunnen met dit debat. Ik stel voor dat u dus niet de vragen gaat
herhalen, maar even de thema's noemt waarvan u vindt dat u daar geen
antwoord op hebt gekregen, dan kan de staatssecretaris daar voor de
tweede termijn op terugkomen.
Mevrouw Simons (BIJ1):
Ik heb zowel de ex-partners genoemd als het feit dat veel ouders op dit
moment te maken hebben met jeugdzorg, naar aanleiding van alle
perikelen. Ik zou daar de staatssecretaris graag over horen.
De voorzitter:
Goed. Dan ga ik de staatssecretaris erop wijzen dat er over ex-partners
en jeugdzorg nog vragen zijn. Dan kunnen de mensen in de achtervang
zorgen dat ze daar in tweede termijn op terugkomt.
Ik heb twee vragen aan u. De eerste is: kunnen we nu soepel door naar de
tweede termijn? Ja, ik zie geknik. Dat was de eerste. Ik ga zo twee
minuutjes schorsen, maar niet voordat ik de tweede vraag ook heb
gesteld. Ik heb zomaar even gezegd dat mevrouw Van der Plas in de tweede
termijn gewoon het woord mag voeren. Bent u dat met mij eens of heeft
iemand daar bezwaar tegen? Nee? Maar ik moet dat ook zo niet vragen.
Bent u dat met mij eens? Prima. Dan gaan wij over tweeënhalve minuut
verder met de tweede termijn. Ik zie u zo weer.
De vergadering wordt van 22.23 uur tot 22.31 uur geschorst.
De voorzitter:
Goedenavond. Voor iedereen die thuis zit te bingewatchen — zo zou ik het
bijna willen noemen — op dit notaoverleg: we zijn toegekomen aan de
tweede termijn van dit notaoverleg. Dat betekent dat de leden van de
Kamer 1 minuut 40 hebben om hun tweede termijn te doen. De
staatssecretaris heeft zich, als het goed is, voorbereid op een aantal
resterende vragen uit de eerste termijn. En we gaan de volgorde doen
zoals we die in de eerste termijn hadden. En mevrouw Van der Plas mag
ook meedoen, heeft uw Kamercommissie gezegd.
Mevrouw Kat is het eerste aan het woord. Mevrouw Kat, namens D66.
Mevrouw Kat (D66):
Dank u wel, voorzitter. Omwille van de tijd wil ik de staatssecretaris
bedanken voor de beantwoording van de vragen, maar ook voor het meer
context schetsen van de beantwoording van die belangrijke vragen. Ik
denk dat het ook daarom wel belangrijk is om af en toe iets meer de tijd
te nemen om met elkaar van gedachten te wisselen, want dat geeft
namelijk ook inzicht in waarom het voor bepaalde partijen belangrijk is
om ergens naartoe te werken, bijvoorbeeld als het gaat om de hoogte van
bedragen voor immateriële schade; dat is een goed voorbeeld van de
DENK-fractie.
Ik hoor een aantal inzichten over startgesprekken met meerdere partijen;
een snellere afronding voor niet-gedupeerden; meer afronding voor ouders
van die €30.000; maatwerk; een belangrijke rol voor gemeentes; en ook
inderdaad een forfaitaire regeling verder uitwerken. En wat ik zo
belangrijk zou vinden voor de volgende vergadering die we met elkaar
hebben, los van het PwC-rapport, is dat we eigenlijk ook een
scenarioschets hebben voor wat het dan teweegbrengt; dus niet alleen de
wat-vraag, maar ook de hoe-vraag. En bij de hoe-vraag is voor mij een
hele belangrijke dat wij bij de uitvoering van die keuzes en die
regelingen die volledig gemaakt moeten gaan worden, bekijken wie dat
gaat oppakken, en dat daarin ook ruimte is, zoals bij het voorbeeld van
die private schulden met kredietbanken, om dat ook ergens anders te
beleggen. Dat maatwerk is voor mij ook heel relevant voor die volgende
ronde, om die keuzes te maken.
Dank.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Kat. Ik was nog één huishoudelijke mededeling
vergeten te doen. Als u een motie heeft, dan kunt u die gewoon voor u op
de tafel leggen, en dan wordt het verder allemaal geregeld.
Mevrouw Van Dijk namens het CDA.
Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Dank u wel, voorzitter. Ook dank u wel voor de beantwoording. Wat ik een
beetje lastig vind, want er zijn natuurlijk enorm veel vragen gesteld
... Ik ben heel erg op zoek naar welke toezeggingen we nu hebben. Ik kan
wel vijf of zes moties indienen, maar ik wil de punten die ik graag
toegezegd zou willen hebben, graag nog een keer bevestigd hebben, zodat
ik ze nu nog even opnoem. Klopt het dat u heeft toegezegd dat de
onderstaande punten belangrijke uitgangspunten gaan worden in de
herijking? Een: dat ouders in principe maar één keer hun verhaal hoeven
te doen, dat de gemeenten meer in de lead gaan, en dat we gaan streven
naar een vaste contactpersoon, een gezicht en een telefoonnummer voor de
ouders? Dat we bij de schadeafhandeling gaan kijken of die forfaitair
ingericht kan worden, om zowel een integrale beoordeling als de
Commissie Werkelijke Schade sneller en efficiënter in te richten? Er was
discussie over één dag als norm; zouden we kunnen zeggen dat we mogelijk
één dag als uitgangspunt gaan hanteren in de herijking?
Dan de mensen die niet in het proces horen ... Ik ben wel blij dat ze
zich melden, overigens, want mensen melden zich niet zomaar; vaak hebben
ze wel degelijk een probleem. Maar laten we wel gaan kijken hoe we ze zo
snel mogelijk uit dit proces kunnen halen, zodat ze niet de volledige
integrale beoordeling krijgen, maar wel een antwoord en, indien nodig,
hulp. En met betrekking tot de schulden heb ik gehoord dat, op het
moment dat het met het moratorium toch niet goed gaat lopen en er toch
deurwaarders voor de deur staan, we gaan kijken of er een nummer komt
dat mensen kunnen gaan bellen, zodat ze niet de hele wereld af moeten
zoeken: hoe ga ik dit probleem nou weer oplossen?
Dan heb ik als laatste puntje het punt van mijn collega van de PVV. Ik
weet niet of ik het helemaal goed begrijp, maar ik voel wel dat er iets
zit. Daarbij heb ik de vraag of het wenselijk is dat we op die manier
door blijven gaan. Misschien kunnen we daar dadelijk nog heel even bij
stilstaan.
De voorzitter:
Ik kijk even of de meneer van de PVV, meneer Mulder, daar nog op wil
interrumperen, maar dat is niet zo. Dus gaan we voort naar meneer
Alkaya.
De heer Edgar Mulder (PVV):
Even heel serieus: zo gauw ik maar naar de microfoon keek, kreeg ik al
een tik van u. Mogen we nu wel weer gewoon vragen stellen?
De voorzitter:
Stelt u uw vraag, meneer Mulder. Overigens is die tik, zeg ik even voor
de mensen thuis, niet fysiek.
De heer Edgar Mulder (PVV):
Het punt is dat je ouders hebt die helaas schulden moesten maken. Die
schulden worden weggestreept. Maar er zijn ook mensen die vertrouwd
hebben op hun sociale netwerk en geld hebben gekregen van hun ouders,
van de buren of weet-ik-wat, van derden.
De voorzitter:
Dat was duidelijk, meneer Mulder.
De heer Edgar Mulder (PVV):
Ja, maar wij praten dus al een tijdje …
De voorzitter:
Dan weten we voor de Handelingen weer wat mevrouw Van Dijk
bedoelde.
De heer Edgar Mulder (PVV):
Nou ja, wij vragen het al een tijdje. Nu krijgen we het antwoord dat die
giften wel gezien worden als een schenking en dus belast kunnen worden.
Dat lijkt me niet handig, want …
De voorzitter:
Nee, meneer Mulder.
De heer Edgar Mulder (PVV):
… dan krijgen die ouders nog een naheffing. Daarop aanvullend: het
advies dat de staatssecretaris geeft, kan fiscaal helemaal niet. Je moet
gewoon niet vertellen dat je dat geld hebt gekregen. Dat is toch geen
antwoord van een staatssecretaris van Financiën?
De voorzitter:
Meneer Mulder, dank u wel. Dan weten we allemaal weer even waar het over
ging. Mevrouw Van Dijk, u had nog vijf seconden over.
Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Mijn punt was om met elkaar te toetsen of de stellingname klopt en of
het wenselijk is om op die manier door te gaan.
De voorzitter:
Dank u wel. Meneer Alkaya, dan is het nu aan u.
De heer Alkaya (SP):
Voorzitter, dank u wel. Ik zal één motie indienen. Als er nog tijd over
is — ik hoop van wel — heb ik nog twee vragen.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de hersteloperatie in het toeslagenschandaal te lang
duurt, dat nog geen 10% van de aangemelde gedupeerden een integrale
beoordeling heeft gehad en de rest nog in onzekerheid zit;
van mening dat ook de herijking van deze falende aanpak te lang
duurt;
overwegende dat de pilots "betekenisvol herstel" en "versneld herstel"
laten zien dat een gesprek op locatie tussen een ouder, persoonlijk
zaakbehandelaar en de gemeente, waarin excuses worden gemaakt en samen
aan een plan wordt gewerkt, blijkt bij te dragen aan emotioneel herstel
van ouders en dat het daarnaast mogelijk blijkt om het resultaat van
financieel herstel binnen één dag terug te koppelen aan bepaalde
ouders;
verzoekt de regering om de lessen uit deze pilots leidend te laten zijn
in de herijking van de hersteloperatie, die zo spoedig mogelijk afgerond
dient te worden;
verzoekt de regering voorts om in de nieuwe werkwijze persoonlijk
zaakbehandelaars meer bevoegdheden te geven en de organisatie niet te
laten verrichten door UHT of de Belastingdienst, opdat het contactmoment
voor zo veel mogelijk gedupeerde ouders die nog wachten op een integrale
beoordeling wordt beperkt tot één dag en één locatie,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Alkaya.
Zij krijgt nr. 887 (31066).
De heer Alkaya (SP):
Mijn vragen gaan vervolgens over de Catshuisregeling. Het was voor mij
nieuw en eigenlijk best wel schokkend dat de staatssecretaris toegeeft
dat die regeling ten koste is gegaan van de integrale beoordelingen en
dat dit tot verdere vertraging heeft geleid. Mijn vraag aan de
staatssecretaris is of die beslissing destijds genomen is onder
politieke druk, bijvoorbeeld van haar leidinggevende, de
minister-president. Heeft die politieke druk op haar uitgeoefend om met
de aankomende verkiezingen dan maar met zo'n regeling te komen? Is
daarmee prioriteit gegeven aan het oplossen van een politiek probleem,
in plaats van het probleem van tienduizenden ouders?
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Alkaya. Meneer Snels.
De heer Snels (GroenLinks):
Dank u wel, voorzitter. Dank aan de staatssecretaris voor het debat en
alle antwoorden op vragen. Ik heb geen motie. Ik denk dat het belangrijk
is dat de staatssecretaris nu snel doorgaat met de herijking en dat er
voorstellen naar de Kamer komen.
Ik heb daar twee belangrijke invalshoeken bij. De eerste is, zoals ik in
een interruptiedebat al vroeg, dat we daarbij ook echt een goede
verantwoording krijgen van alle ideeën en suggesties van de Kamer en
alle betrokken organen, zodat er vertrouwen kan zijn bij iedereen die
betrokken is bij de hersteloperatie — dat is volgens mij echt
belangrijk; dat zien we ook aan het onderzoek van de adviseurs op het
departement — en zodat we een goede weging kunnen maken van alle
voorstellen.
De tweede is: ik denk niet dat er een gouden oplossing is om uit het
fundamentele dilemma van snelheid en maatwerk te komen. Ik vind het heel
belangrijk dat we zo concreet mogelijk in kaart krijgen wat per individu
het stappenplan wordt. Dat zou wat mij betreft een hele mooie uitkomst
zijn.
Dank voor de toezegging over de alimentatie.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Snels. Meneer Idsinga.
De heer Idsinga (VVD):
Dank aan de staatssecretaris voor de beantwoording van de vragen. Het is
een stevig debat geweest en ook een goed debat. Het laat in ieder geval
zien hoe belangrijk onze gezamenlijke opdracht is om deze ouders en
kinderen recht te doen en hen te helpen bij een nieuwe start.
Ik dien ook geen motie in. Er zijn een aantal suggesties gedaan. Ik denk
dat ik de staatssecretaris goed verstaan heb in haar reactie op de
suggesties die ik gedaan heb. Ik denk dat het goed is dat daar een
verdere verkenning van komt. Voor de duidelijkheid herhaal ik ze. Ten
eerste moet er differentiatie in het proces komen. Voor de ouders die
dat willen moet het mogelijk zijn om versneld door dat traject heen te
gaan, zodat andere ouders meer ruimte hebben in het complexere deel van
het proces.
Dan het tweede punt. Ik denk dat het belangrijk is dat ouders niet
steeds opnieuw hun verhaal hoeven te vertellen, dus we moeten iets met
dat eerste gesprek. Dat zou wat verrijkt kunnen worden. Daar zouden
misschien wat meer partijen bij aan tafel kunnen zitten. Ik heb van de
staatssecretaris begrepen dat zij daar constructief over nadenkt.
Met betrekking tot de grotere rol van gemeenten vond ik het antwoord nog
een beetje voorzichtig, maar ik hoorde, dacht ik, wel dat daar naar
gekeken gaat worden.
Dan het punt dat de staatssecretaris maakte over het hele belangrijke
punt dat de heer Van Raan continu maakt en waar hij mij ook echt in mee
heeft gekregen: het punt van de heling voor ouders. Complimenten
overigens daarvoor voor de heer Van Raan en mevrouw Simons. Ik denk dat
dat een belangrijk punt is en dat het goed is dat de staatssecretaris
daar verder mee aan de slag gaat.
Dan het punt van de heer Mulder. Ik denk dat het belangrijk is dat we
dat inderdaad boven tafel krijgen. Het punt van de schenking voelt niet
goed; daar moeten we iets mee.
Het laatste punt dat ik wilde maken heeft betrekking op de grote groep
van mensen die zich melden bij de UHT maar daar eigenlijk niet aan het
goede loket zijn. De staatssecretaris zei dat er uiteindelijk wel een
beschikking komt — die indruk kreeg ik een beetje — maar dat vind ik te
laat. Eigenlijk vind ik het te laat als mensen een afwijzing krijgen
voor dat proces, want dat betekent dat er aan de voorkant iets niet goed
is gegaan. Ik zou dus tegen de staatssecretaris willen zeggen: daar moet
iets aan voorlichting gebeuren.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Idsinga. Meneer Nijboer.
De heer Nijboer (PvdA):
Dank u wel, voorzitter. De staatssecretaris heeft gezegd dat ze gaat
kijken naar de oproep van de advocaten die we net hebben gekregen. Ik
snap wel dat zij die ook net van tevoren heeft gekregen, maar ik zou die
toch nog eens nadrukkelijk onder haar aandacht willen brengen, want het
zijn wel mensen die jarenlang voor de kinderopvangtoeslagouders zijn
opgekomen. Die suggesties, die drie voorstellen, komen goed, serieus en
behulpzaam op mij over, dus ik nodig de staatssecretaris uit om daarnaar
te luisteren en ze vooral ook over te nemen.
Voorzitter. Het belangrijkste punt dat ik had, is het concept "tijd".
Daar moet mee begonnen worden: wanneer doe je nou eindelijk een keer
recht aan die ouders? Dat moet je als centraal vraagstuk nemen en dan
moet je kijken wat je gaat doen, in plaats van dat je allemaal dingen
gaat optuigen met beoordelingen, integraal, met dit en met dat. Ik heb
daar grote zorgen over, dus ik ga de staatssecretaris bij motie uitdagen
om zich daar toch toe te zetten, zodat wij en de ouders haar daaraan
kunnen houden.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat de overheid alle tijd heeft, maar dat in het leven de
tijd grote invloed heeft;
overwegende dat het recht doen aan ouders nu al te lang heeft
geduurd;
verzoekt de staatssecretaris realistische data als doelstelling te
formuleren voor diverse groepen ouders, zodat duidelijk is wanneer er
eindelijk recht wordt gedaan,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Nijboer.
Zij krijgt nr. 888 (31066).
De heer Nijboer (PvdA):
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Nijboer. Dan is het woord aan mevrouw Simons.
Mevrouw Simons (BIJ1):
Dank u wel, voorzitter. Ik herhaal graag dat ik ontzettend blij ben dat
er goed geluisterd wordt naar ouders, dat het eindelijk concrete vormen
begint aan te nemen, en dat hun input en ideeën leidend zijn geworden in
het proces. Nu we dat belang met elkaar erkennen, dien ik graag de
volgende motie in.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat institutioneel racisme een belangrijke doch
onderbelichte rol heeft gespeeld in het tot stand komen van het
toeslagenschandaal;
overwegende dat veel ouders met een migratieachtergrond dus niet alleen
kampen met trauma's als gevolg van de opgelopen schulden en vernieling,
maar ook met aanvullende trauma's als gevolg van institutioneel
racisme;
constaterende dat de emotionele gevolgen van institutioneel racisme in
het toeslagenschandaal nog geen plek lijken te hebben in de
hersteloperatie;
verzoekt de regering om in het proces van heling specifiek aandacht te
besteden aan de emotionele gevolgen van institutioneel racisme in het
toeslagenschandaal, de manier waarop de trauma's van het
toeslagenschandaal versterkt worden door verschillende vormen van
migratietrauma's, en het inbouwen van culturele sensitiviteit,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Simons en Van Raan.
Zij krijgt nr. 889 (31066).
Mevrouw Simons (BIJ1):
Dank u.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Simons. Dan is het woord aan de heer Grinwis.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Voorzitter, dank u wel. Dank aan de staatssecretaris voor haar
antwoorden en toezeggingen. Ik heb waardering voor hoe hard ze hieraan
werkt, ook al is het verschrikkelijk taai allemaal.
Ik dank de staatssecretaris voor de toezegging dat zij in gesprek gaat
met de minister voor Rechtsbescherming om het probleem van de
alimentatiegerechtigden op te lossen. Misschien kan het LBIO hier ook
bij betrokken worden.
Een andere toezegging is dat in de herijking gekeken gaat worden naar
varianten van getrapte forfaitaire regelingen. Ik kijk zeer uit naar het
hele denkproces, de uitkomsten daarvan en de mogelijkheden tot
versnelling en zorgvuldige afhandeling vanuit het perspectief van de
ouders.
Met collega Mulder heb ik de vorige keer de vinger gelegd bij de
schenkbelasting. Deze keer kwam hij daar weer op terug. Het zit mij toch
niet helemaal lekker. Ik ga er nog op kauwen.
Het mede namens collega Van der Plas spreken in eerste termijn heeft
erin geresulteerd dat wij samen één motie indienen. Die heeft te maken
met de discussie die we hadden over de privateschuldregeling. Die luidt
als volgt.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat het conceptbeleidsbesluit private schulden in veel
gevallen niet de hoofdsom van leningen, maar alleen de achterstanden
vergoedt;
overwegende dat ook het oplopen van (delen van) de hoofdsom in veel
gevallen een causaal verband heeft met het leed dat de ouders is
aangedaan in de kinderopvangtoeslagaffaire;
overwegende dat ouders die getroffen zijn door deze toeslagenaffaire de
vergoeding van €30.000 moeten kunnen besteden aan een nieuwe financiële
start en niet aan het afbetalen van oude opgelopen schulden;
verzoekt de regering ervoor zorg te dragen dat de ouders die dat willen
toegang krijgen tot een traject binnen de schuldhulpverlening of Wsnp,
zodanig dat het besluit compensatie schuldentrajecten integraal van
toepassing blijft, zodat ouders indien gewenst zelf vorm kunnen geven
aan een route naar een schuldenvrije toekomst,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Grinwis en Van der Plas.
Zij krijgt nr. 890 (31066).
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Eén motie, daar houd ik het bij, voorzitter.
Als de staatssecretaris helemaal goed zit met haar regeling en die veel
aantrekkelijker is voor ouders, dan zullen ze hier geen gebruik van gaan
maken. Maar als de signalen van bewindvoerders kloppen dat veel
informele schulden en andere hoofdsommen door de privateschuldenregeling
buiten beschouwing dreigen te worden gelaten, dan zou deze motie best
weleens soelaas kunnen beiden voor ouders. Maar wat mij betreft …
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Grinwis.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
… laten we ouders vooral zelf kiezen.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Grinwis. Meneer Azarkan.
De heer Azarkan (DENK):
Dank, voorzitter. Dank aan de staatssecretaris voor de beantwoording van
de vragen en aan de collega's voor de interrupties, het debat en de
uitwisseling van argumenten.
Voorzitter. Het herstelproces gaat niet goed genoeg. Dat kunnen we echt
niet maken. Ik vind het gewoon niet uit te leggen dat een Nationale
ombudsman moet constateren dat we in 5.700 van de gevallen de termijn
hebben overschreden en dat advocaten vandaag een brandbrief schrijven en
zeggen: we krijgen de dossiers niet, waardoor we ons werk niet goed
kunnen doen. Ik denk dat de mensen die gedupeerd zijn, echt daadkracht
nodig hebben. Ik heb de staatssecretaris veel goede wil zien tonen, maar
ik mis doortastendheid. De staatssecretaris moet niet zeggen: ik ga nog
eens in gesprek. Ze moet zeggen: ik ga dit voor elkaar krijgen; ik ga
zorgen dat we binnen een afzienbare termijn duidelijkheid kunnen geven.
Ik snap dat het een lastige opgave is. Dat is ook zo. Ik ben zelf ook
echt ontevreden over het herstelproces, dus ik heb een motie, die als
volgt luidt.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
spreekt zijn afkeuring uit over de voortgang van het
herstelproces,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Azarkan.
Zij krijgt nr. 891 (31066).
Dank u wel, meneer Azarkan. Meneer Mulder.
De heer Edgar Mulder (PVV):
We hebben weinig tijd. Wat niet aan de orde is geweest, is het wel of
niet opleggen van een dwangsom, ook gezien de constatering van de
Ombudsman. Nou, daar gaan we de volgende keer over verder.
Ik dank de collega's voor het verhaal over de schenkbelasting. Waarom is
het belangrijk dat de staatssecretaris dat ook goed formuleert? Omdat we
ook moeten kijken hoe de kwijtschelder hiermee in zijn eigen
belastingaangifte omgaat. Dus graag aandacht daarvoor. Wat moet die
beste man of vrouw vermelden bij vermogen?
Ja, de integrale beoordeling is belangrijk, maar vandaag werd ook weer
duidelijk dat alles staat, begint en eindigt met die €30.000, met die
lichte toets. De ouders krijgen die trouwens niet. Het is een begin van
terugbetaling van wat hun is afgenomen. Zonder die €30.000 gebeurt er
verder helemaal niks, en dan moeten er voor de kerst nog 16.000 ouders
getoetst worden. Ik heb een toezegging gekregen dat dat ook wettelijk
nagestreefd wordt. Maar om toch wat druk op de zaak te zetten, dien ik
de volgende motie in.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
verzoekt de regering te regelen dat vóór de kerst voor alle aangemelde
ouders de zogenoemde lichte toets uit de Catshuisregeling is
afgerond;
verzoekt de regering eveneens voor de kerst alle gerechtigden tot de
Catshuisregeling het compensatiebedrag van €30.000 over te maken,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Edgar Mulder.
Zij krijgt nr. 892 (31066).
De heer Edgar Mulder (PVV):
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik dacht dat ik een vinger van de heer Van Raan zag.
De heer Van Raan (PvdD):
Ik had even een procedurele vraag. We hebben een motie van afkeuring van
de heer Farid, eh, van de heer Azarkan. Hoe gaat dat met de stemmingen
in z'n werk?
De voorzitter:
Zullen we dat gewoon aan het eind doen? Ik dacht dat er een interruptie
kwam.
De heer Van Raan (PvdD):
Misschien moet ik nu mensen gaan ...
De heer Azarkan (DENK):
Nee, daar komt nu geen stemming over.
De voorzitter:
Nee, dat hoeft niet. Laten we dat aan het eind doen. Als er dan iets
moet, dan .... Dank u wel. Meneer Stoffer.
De heer Stoffer (SGP):
Dank, voorzitter. Ook dank aan de staatssecretaris voor de uitgebreide
beantwoording van de vele vragen. Misschien twee constateringen. Een. We
hebben met elkaar geconstateerd dat die snelheid er niet in zit maar ik
hoop dat we de volgende keer kunnen constateren dat dat niet was omdat
we trekken aan een dood paard, maar omdat het een diesel was die op gang
moest komen. Laten we hopen dat als die eenmaal op gang is, het dan ook
doorzet. Ik hoop dus voor de staatssecretaris en de medewerkers die daar
allemaal aan zitten te werken, maar vooral ook voor de ouders die
getroffen zijn, dat we de volgende keer echt op stoom zijn en zien dat
die snelheid er dan ook in zit.
Daarmee samenhangend heeft de staatssecretaris wat gezegd over de
cultuur binnen de Belastingdienst. Dat konden we natuurlijk lezen en we
konden daar vandaag in allerlei gremia van alles over horen. Ik denk dat
daar ook wel de crux zit. Dat is iets wat niet snel gaat maar gewoon
lang duurt. Ik hoop dat daarin de eerste stappen zijn gezet en dat dat
ook doorgaat en dat het vertrouwen weer terugkomt. Ik denk dat dat goed
is voor dit dossier maar ook echt goed voor onze Nederlandse
samenleving, want die Belastingdienst hebben we maar al te hard
nodig.
Voorzitter. Concluderend, ik wens de staatssecretaris en iedereen die
haar daarbij helpt, veel sterkte en wijsheid en inzicht toe.
Daar laat ik het bij. Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Mevrouw Van der Plas.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dank u wel. Dank aan de Kamerleden die mij toestemming geven, ondanks
dat ik wat later aanschoof, om toch een inbreng te doen. Mijn speciale
dank gaat uit naar de heer Grinwis voor zijn uitstekende inbreng. We
hebben ook samen de motie kunnen indienen.
Ik heb geen motie, maar ik heb nog wel wat vragen. Ik hoorde de
staatssecretaris volgens mij in eerste termijn zeggen dat ze nog niet
goed kon reageren op de brief van de advocaten, want ze had het stuk pas
net gekregen. Daar verbaas ik me heel erg over. Want die advocaten
praten over wachtlijsten van 24 maanden voor dossiers die ze niet
krijgen. Is dit dan nou echt de allereerste keer dat de staatssecretaris
hiervan hoort en moet zij daar nu dan nog op reageren? Als dat zo is,
vraag ik me af hoe de staatssecretaris eigenlijk geïnformeerd wordt door
haar eigen ambtenaren.
De tweede vraag is hoe het zit met de bureaucratie waar gemeenten
tegenop lopen bij de hulp aan toeslagenslachtoffers. Wij horen van
gemeenten dat de regels buitenproportioneel zijn, met name om de
verantwoording die zij moeten afleggen of moeten gaan afleggen aan het
ministerie. Is het allemaal te behappen voor de gemeenten, ook gezien
alle taken die zij hebben sinds de coronatijd? Hoeveel extra capaciteit
vraagt dit van de gemeenten, en gaat dit niet ten koste van de kwaliteit
van de hulpverlening?
Vandaar ook een korte vraag aan de heer Alkaya om bij zijn motie ook te
denken aan de uitvoerbaarheid voor gemeenten.
Daar laat ik het even bij. Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Meneer Van Raan.
De heer Van Raan (PvdD):
Voorzitter, dank u wel. Mijn bijdrage begon met de vraag of de
gedupeerden geholpen zijn met wat we hier doen. Volgens mij hebben we
een hoop dingen gehoord waarmee ze geholpen gaan zijn, maar ook een
aantal dingen waarmee ze dat niet zijn.
Laat ik met het slechte nieuws beginnen. Ik had inderdaad graag gezien
dat de staatssecretaris hier met de vuist op tafel had geslagen over het
PwC-rapport, en zou hebben gezegd: ik neem er ook geen genoegen mee en
dan gaan we erover praten. Dat is helaas niet gebeurd. We gaan er nu
over praten.
Voor de rest is de beker best wel halfvol en helder. De staatssecretaris
zegt ook: we gaan kijken welke onderdelen van de UHT misschien niet
gedaan hoeven te worden. Daar blijft natuurlijk wel een onderdeel
bij.
We hebben ook een en ander gewisseld over die vijftal moties om heling
centraal te stellen. Dat is ook erkend. Dank overigens ook aan de heer
Idsinga om dat te bevestigen. We vroegen daarin om een schaalsprong. Ook
gezien wat de heer Farid zegt, namelijk wanneer precies wat gebeurt en
dat we aan de bak moeten, dien ik de volgende motie in.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de staatsecretaris ernaar streeft dat de eerste
resultaten van de herijking in december zichtbaar zijn in de uitvoering
van de hersteloperatie;
constaterende dat de Kamer een vijftal moties heeft aangenomen om heling
centraal te stellen in de hersteloperatie;
verzoekt de regering een schaalsprong te maken in het proces van heling
en hier meteen mee aan de slag te gaan,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Raan en Simons.
Zij krijgt nr. 893 (31066).
De heer Van Raan (PvdD):
Ik wil aan de staatssecretaris nog meegeven dat heel veel organisaties
klaarstaan om daarmee meteen en constructief aan de slag te gaan. Ze
staat daarin dus niet alleen.
Voorzitter, dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Meneer Omtzigt.
De heer Omtzigt (Lid Omtzigt):
Voorzitter. 100 seconden is wat weinig voor een tweede termijn over zo'n
belangrijk onderwerp, maar ik snap het gezien het aantal deelnemers. Als
ik dit debat zo bekijk, lijken we allemaal grip op dit proces volledig
te zijn kwijtgeraakt. We hebben geen termijnen meer. We hebben geen idee
wanneer deze mensen geholpen worden. Ze moeten 24 maanden wachten op hun
dossier. Wanneer ze dan aan de beurt komen, weten we niet. Hoeveel
mensen zich nog gaan melden, weten we ook niet. We hopen maar weer het
beste tot we de negende voortgangsrapportage krijgen. Ik heb geen enkele
harde termijn gehoord voor wat we hier nu precies gaan doen. Dat vind ik
pijnlijk.
Ik hoop dat ik wel antwoord krijg van de staatssecretaris en de
Ombudsman over hoe ze samen verdergaan. Ik vind het onbestaanbaar dat
advocaten niet kunnen beschikken over hun dossier. Ik had graag hier
antwoorden gehad over de memo-Palmen: heeft staatssecretaris Snels
kennisgenomen van de memo-Palmen op 4 en 5 juni 2019, of niet? Dat is
eerder ontkend door de staatssecretaris. In het PwC-rapport staat van
wel. Ik stel die vraag klip-en-klaar en verwacht een antwoord in de
tweede termijn.
Ik wil graag een lijst van wetten die overtreden zijn en van hoeveel
mensen last hebben gekregen van een onrechtmatige daad, want dan gaat
het niet om compensatie maar om schadevergoeding, en dat is echt wat
anders.
Voorzitter. Twee moties.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
verzoekt de regering zo spoedig mogelijk de geanonimiseerde adviezen van
de Commissie Werkelijke Schade te publiceren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Omtzigt.
Zij krijgt nr. 894 (31066).
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de Belastingdienst de dossiers van de aangemelde
toeslagenslachtoffers niet levert binnen de wettelijke termijnen;
verzoekt de regering de wettelijke termijnen voor de levering van de
gehele dossiers te respecteren en binnen vier weken aan de Kamer te
rapporteren op welke wijze de Belastingdienst de wet hier gaat
respecteren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Omtzigt.
Zij krijgt nr. 895 (31066).
Er is een vraag ...
De heer Omtzigt (Lid Omtzigt):
Overigens hoop ik gewoon echt een indicatie te hebben, want als die
informatie niet klopt, dan horen we het graag op 4 en 5 juni, maar als
hier dingen misgaan, heeft dit wel degelijk te maken met de vraag of we
vinden dat de afhandeling goed gaat en hoe we omgaan met de moties van
bijvoorbeeld de heer Azarkan. Ik hoop dus echt snel antwoord daarop te
krijgen.
De voorzitter:
Helder. Als u de microfoon even uitzet, dan geef ik meneer Grinwis de
gelegenheid om u een vraag te stellen.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Meer naar aanleiding van, maar op 9 juni is er met algemene stemmen een
motie aangenomen over het publiceren van de uitspraken van de Commissie
Werkelijke Schade. Ik ben het er van harte mee eens, maar de uitspraak
ligt er en de commissie moet die gewoon uitvoeren.
De voorzitter:
Dank u wel voor uw scherpte, meneer Grinwis. Zo hoog in mijn hoofd zat
die nog niet.
De heer Omtzigt (Lid Omtzigt):
Er zijn weken dat ik even losgekoppeld ben van deze commissie, dus dank
daarvoor. Dat klopt. Ik zal zo kijken of ik de motie aanhoud of niet,
maar ik wil wel heel graag weten wanneer die adviezen nu eindelijk
gepubliceerd gaan worden. Het zijn niet de uitspraken; het zijn de
adviezen, want formeel adviseren zij aan de Belastingdienst. Het zijn
dus geen uitspraken. Dit was aan het begin van de hele operatie al
toegezegd. Als we dat niet weten, hebben we geen idee wat het hele kader
is.
De voorzitter:
Helder. U bent het met elkaar eens, dus dat helpt. Ik kijk even hoeveel
tijd de staatssecretaris nodig heeft om de ingediende moties te
appreciëren en de laatste vragen te beantwoorden. Tien minuutjes? Ik
schors voor tien minuten.
De vergadering wordt van 23.00 uur tot 23.14 uur geschorst.
De voorzitter:
Welkom terug. U had misschien gedacht: het debat zal wel afgelopen zijn,
want het is al 23.00 uur geweest. Maar dat is niet het geval. Dit is
even voor de mensen thuis. We zijn toegekomen aan de tweede termijn van
de zijde van het kabinet. Ik geef het woord aan staatssecretaris Van
Huffelen om nog een aantal openstaande vragen te beantwoorden en de
moties van een appreciatie te voorzien.
Staatssecretaris Van Huffelen:
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
O, mevrouw Simons heeft nog een opmerking.
Mevrouw Simons (BIJ1):
Ik wil graag de naam van de heer Van Raan toevoegen aan de motie die ik
zojuist heb ingediend.
De voorzitter:
Dat is de motie op stuk nr. 889.
Mevrouw Simons (BIJ1):
Ja, voorzitter.
De voorzitter:
Wij kijken even naar meneer Van Raan, maar dat is in goed overleg
gebeurd.
Mevrouw Simons (BIJ1):
Daar kun je nooit van uitgaan, voorzitter.
De voorzitter:
Meneer Van Raan bevestigt dit. Dank u wel, mevrouw Simons, helder. Ik
geef het woord aan mevrouw Van Huffelen.
Staatssecretaris Van Huffelen:
Er waren een aantal openstaande vragen en er zijn nog vragen gesteld in
de tweede termijn. Ik probeer die zo goed mogelijk te beantwoorden. De
eerste vraag was van mevrouw Van Dijk van het CDA: kan er een
telefoonnummer komen voor mensen die zich willen melden, omdat ze zich
zorgen maken over het verlopen van het moratorium? Het is ook ons plan
om zo'n hulplijn te maken. Dat gaan we samen met SBN vormgeven, om zo'n
nummer in te stellen.
De vraag van de heer Snels was wanneer er duidelijkheid komt over de
alimentatieregeling. Die brief probeer ik in overleg met de minister
voor Rechtsbescherming nog deze week te sturen. Als het niet deze week
lukt, doen we het zo snel mogelijk daarna, dus echt op korte
termijn.
Dan had ik ten onrechte nog een vraag van mevrouw Simons laten liggen
over ex-partners. U vroeg hoe het zit met ex-partners en de
duidelijkheid die daarover moet zijn. Wij zijn bezig om een regeling te
ontwikkelen voor ex-partners. Die willen we ook op korte termijn naar de
Kamer sturen. Op dit moment geldt er inderdaad nog geen moratorium voor
ex-partners, wel voor de partners van toeslagouders maar niet voor de
ex-partners. Wij willen in oktober besluitvorming hebben over die
regeling en vervolgens de Kamer daar zo snel mogelijk over informeren.
Daarna willen we natuurlijk ook een uitvoeringstoets doen. Dus we zijn
ons zeer bewust van deze problematiek. We proberen daar ook zo snel
mogelijk een antwoord op te geven.
Dan de vraag van de heer Grinwis over hoe die hardheidsclausule
eruitziet. Dat gaat over de private schulden. We willen die
hardheidsclausule niet te veel beperken, omdat het ook belangrijk is dat
het ook voor hardheden geldt, dus voor situaties die de wet niet
voorziet, maar die volgens de interpretatie, de kern en de bedoeling van
de wet wel nodig zijn. Dan gaat het bijvoorbeeld over voorkomen dat
mensen onverhoopt na de schuldenaanpak in problematische schulden
blijven, maar er kunnen ook andere elementen van belang zijn. Die willen
we dan ook meewegen in die hardheidsclausule.
Dan nog over de vraag van de heer Mulder. Een aantal van u kwam daarop
terug. We hebben in onze brief aangegeven dat er standaardvrijstellingen
zijn waarbij je geen belasting hoeft te betalen, maar er bestaat
natuurlijk wel een schenkbelasting. Die zou ook gelden voor de groep
ouders die daadwerkelijk een schenking heeft gekregen. Zo werkt die
regeling op dit moment, zoals ik dat ook in de brief heb geformuleerd.
Om daar nog even heel helder over te zijn: ik deed geen pogingen om
mensen tot andere ideeën of slechte ideeën te brengen als het gaat over
de uitvoering van onze wetten.
Dan heb ik nog de vragen die in de tweede termijn zijn gesteld. Dat
begint met de vraag van mevrouw Van Dijk of het klopt dat zij een aantal
toezeggingen heeft gehoord van de staatssecretaris over een aantal
dingen. U noemde: het verhaal in één keer, de gemeenten, een vaste
contactpersoon, schadevergoeding, kijken naar staffels en het nummer van
het moratorium. Daar heb ik net antwoord op gegeven. Dat willen wij ook
meewegen in de herijking. U had het ook over die ene dag als
uitgangspunt. Dat vind ik lastiger, want wij willen het in de herijking
natuurlijk voor iedereen goed maken. Als het kan in één dag en voor een
bepaalde groep ouders, dan willen we dat ook mogelijk maken, maar het is
niet noodzakelijkerwijs altijd hetgeen ouders ook daadwerkelijk willen.
Daarom vind ik het ook belangrijk dat wij dat zeker meenemen in de
herijking, maar dat wij ook de mogelijkheid blijven bieden voor mensen
die meer tijd willen hebben om meer tijd te krijgen. Dat was de vraag
die mevrouw Van Dijk heeft gesteld. De heer Alkaya had nog een vraag
over de Catshuisregeling. Daar wil ik twee dingen over zeggen. De
planning die we voor het vierde kwartaal hebben, die ingewikkeld zal
zijn om te halen, is er nog steeds op gericht om te zorgen dat de
vertraging die is ontstaan doordat mensen vanuit de integrale
beoordeling hebben meegewerkt aan de Catshuisregeling, weer wordt
ingehaald. Uw vraag was vooral of er sprake was van politieke dwang. Die
is er helemaal niet. Aan het einde van vorig jaar was er veel druk
vanuit ouders, de maatschappij en uw Kamer om na te denken over een
oplossing voor de situatie dat zo veel meer ouders zich hadden gemeld,
waardoor het ernaar uitzag dat heel veel ouders nog lang in onzekerheid
zouden blijven en er met de schulden van de ouders niks zou kunnen
gebeuren. Het was eenzelfde soort situatie als we vandaag ook besproken
hebben. We zijn toen gekomen met deze oplossing.
De vragen van de heer Idsinga gingen over de suggesties die hij heeft
meegegeven. Overigens veel dank daarvoor. Uw Kamer heeft meerdere
suggesties gedaan over differentiatie, niet steeds hetzelfde verhaal,
een grote rol voor gemeenten, heling enzovoort. Ook zijn suggesties
gedaan over het melden bij het goede loket en hoe je dat kunt
organiseren. Die nemen we mee in de herijking. Die toezegging kan ik dus
bevestigen.
Dan ga ik naar de vragen van de heer Nijboer. Hij vroeg mij om serieus
te kijken naar de oproep die advocaten hebben gedaan. Ik heb begrepen
dat ze mij een brief hebben gestuurd, maar die heb ik niet kunnen lezen
omdat die is binnengekomen toen we hier in het debat zaten. Uiteraard ga
ik daar goed en serieus naar kijken.
Op de motie van mevrouw Simons kom ik zo meteen terug, maar zij noemde
ook nog jeugdzorg. Ik vroeg mij af wat haar vraag daarover was.
Mevrouw Simons (BIJ1):
Ik kan begrijpen dat de staatssecretaris deze vraag stelt. Ik heb
jeugdzorg inderdaad genoemd, maar heb het niet per se zodanig
geformuleerd dat je er een concrete vraag uit kunt halen. Het komt neer
op het gegeven dat veel ouders door deze toestand ook te maken hebben
gekregen met jeugdzorg. Dat leidt tot hele schrijnende situaties; daar
kunt u zich iets bij voorstellen. Mijn vraag is of deze problematiek in
beeld is en of er wordt gewerkt aan een oplossing. Is daar aandacht
voor?
Staatssecretaris Van Huffelen:
Die aandacht is er zeker. Ik heb u vandaag de beantwoording gestuurd van
een aantal vragen die verschillende leden daarover hebben gesteld. Die
gaan inderdaad over bijvoorbeeld uithuisplaatsing of kinderen die niet
meer thuiswonen. Vanuit de regering — dit werk doe ik samen met mijn
collega's van Justitie en VWS — hebben we gezegd die vragen sowieso
graag te willen beantwoorden, aandacht te willen geven aan dit probleem
en vooral ervoor te willen zorgen dat ouders die te maken hebben gehad
met problemen met de jeugdzorg op een goede plek terechtkunnen. In
principe is dat de gemeente, maar we willen ook dat de gemeenten goed
geëquipeerd zijn om ouders daarmee verder te helpen. We hebben daar
aandacht voor en komen erop terug hoe we dat precies zouden willen
doen.
De voorzitter:
Mevrouw Simons in laatste instantie.
Mevrouw Simons (BIJ1):
Ik zou daar toch graag een termijn voor horen. Net kreeg ik tijdens deze
vergadering een appje van een zeer bekende moeder uit het
toeslagenschandaal, Krisje, die mij echt op het hart drukt dat zij vecht
om haar kind. U kunt zich voorstellen dat het heel fijn is voor deze
ouders om er een beetje zicht op te hebben wanneer zij de relatie met
hun kind weer kunnen herstellen. Hoe langer dat duurt, hoe traumatischer
dat is, niet alleen voor de ouders, maar natuurlijk ook voor de
kinderen. Ik zeg dat niet omdat ik denk dat de staatssecretaris zich
daar niet van bewust is, maar ik zou heel graag een iets concreter
antwoord willen.
Staatssecretaris Van Huffelen:
Ik kan natuurlijk niets zeggen over individuele gevallen, maar ik
realiseer mij zeer goed dat voor ouders deze situatie met hun kinderen,
als gevolg van de problemen met de toeslagen of hoe zij dan ook in de
problemen zitten, ongelofelijk naar is. Dat geldt zeker wanneer die
situatie het gevolg is van de toeslagen. Ik heb gezegd dat wij aandacht
willen voor deze problematiek. We willen ook proberen om daar in ieder
geval een goede aanpak voor te maken. Ik zal mijn collega's vragen daar
zo snel mogelijk mee aan de slag te gaan, maar we willen daar in ieder
geval voor de volgende voortgangsrapportage antwoord op geven.
Dan ga ik naar de vragen die de heer Grinwis nog stelde. Die gingen over
de punten en de suggesties die hij had meegegeven. Hij wil heel graag
dat we die meenemen. Dat gaan we ook doen. Ik kom zo meteen terug op uw
motie.
De heer Azarkan heeft verder geen vragen gesteld. De heer Mulder heeft
een motie ingediend. Dat zijn geen vragen.
Dan kom ik bij mevrouw Van der Plas. Zij heeft gevraagd of ik nog nooit
iets van die advocaten had gehoord. Ik heb zeker wel vaker met de
advocaten gesproken over individuele of collectieve problemen waar zij
tegen aanliepen. Ik herken de punten die zij hier heel duidelijk hebben
aangegeven in deze brief, die ik dus ook net tijdens het overleg heb
ontvangen, maar ik wist niet dat dit voor hen zo'n grote urgentie heeft.
Ik ga gewoon met hen aan de slag om te kijken hoe we dit kunnen
oplossen. Ik vind het een belangrijk thema. De advocatuur is overigens
ook heel nadrukkelijk betrokken bij ons werkproces om ervoor te zorgen
dat we dat kunnen verbeteren.
U stelde ook een vraag over de gemeenten: is de verantwoordingsplicht
van gemeenten te zwaar? We hebben met gemeenten een aantal dingen
afgesproken. Ten eerste hebben we afgesproken dat zij alle hulp aan
gedupeerden geven die volgens hen nodig is en waar de gedupeerden om
vragen. Wij zorgen voor de financiering daarvan. Wij hebben samen met de
gemeenten afgesproken hoe we daar een terugkoppeling van krijgen, zodat
we ook weten welke kosten worden gemaakt. We werken verder aan nieuwe
samenwerkingsafspraken om het voor hen zo licht mogelijk te houden en
die publicatieplicht aan ons zo licht mogelijk te laten zijn. Voor ons
is het namelijk het allerbelangrijkste dat gemeenten de ruimte krijgen
om mensen te helpen. Weet dus ook dat zij gecompenseerd worden voor alle
extra capaciteit die ze daarvoor inzetten, zodat ze andere taken of
andere dingen niet hoeven te verzaken om deze ouders te helpen.
Dan de vraag van de heer Omtzigt. Zoals ik al aangaf, spreek ik heel
regelmatig met de Ombudsman, ook in het kader van de herijking. Ik wil
daar dus heel graag samen met hem over spreken. Nogmaals, het lijkt me
niet verstandig als we daarover apart een brief schrijven, maar ik zal
ervoor zorgen dat ik goed met hem spreek over zijn ideeën over de
herijking en de invulling daarvan. Dat wordt ook meegenomen in onze
rapportage daarover.
Dan had de heer Omtzigt nog een vraag over de dossiers. Er is geen
wettelijke termijn voor het verstrekken van de dossiers aan ouders, maar
dat laat onverlet dat als een ouder een vraag stelt, wij daar natuurlijk
zo snel mogelijk aan willen voldoen. We hebben het team dat dat doet, al
sterk opgeschaald. We hebben ook gekeken of we alvast voorleveringen
kunnen doen, zodat ouders verder kunnen komen. Daar hebben we ook al
eerder met elkaar over gesproken. Ik heb net gezegd dat ik ook samen met
de advocaten in gesprek wil gaan om te kijken hoe we hen beter kunnen
bedienen. Dat is dus eigenlijk mijn antwoord op deze vraag.
Dan heeft u aan mij gevraagd om te antwoorden op de vraag over mijn
beantwoording van eerdere vragen. Die vragen gingen erover of
staatssecretaris Snel, mijn voorganger, wel of niet wist van het
memo-Palmen. Het lijkt mij goed dat ik u daar een schriftelijk antwoord
op geef om heel scherp te zijn in de precieze bewoordingen daarvan. Ik
zeg u dus toe daar een brief over te sturen.
De voorzitter:
Voor u verdergaat met de appreciaties — tenminste, ik denk dat we
daarbij zijn aanbeland — wil meneer Alkaya interrumperen.
Staatssecretaris Van Huffelen:
Ja, volgens mij heb ik alle vragen beantwoord.
De heer Alkaya (SP):
Al eerder concludeerde de Algemene Rekenkamer dat de Catshuisregeling
onrechtmatig was door de manier waarop de Kamer is geïnformeerd. Vandaag
heeft u uitgebreid met de heer Azarkan besproken dat het, in plaats van
tot minder werk en verdere versnelling in de hersteloperatie, juist tot
vertraging heeft geleid. De staatssecretaris is voornemens om dat in te
halen. Het is nog maar de vraag of dat gaat lukken. De staatssecretaris
geeft aan dat ze dat niet onder politieke druk en met de beste
bedoelingen heeft gedaan. Ik zou daar een wat bredere reflectie op
willen. Dat hoeft niet nu, maar misschien moeten we op een gegeven
moment wel concluderen dat de Catshuisregeling helemaal niet zo goed
was, helemaal niet de mensen heeft geholpen, helemaal niet tot
versnelling heeft geleid. Ik kan die conclusie al bijna trekken, maar
misschien is het goed als we die conclusie ook daadwerkelijk trekken. Ik
denk dat goed terugblikken op de Catshuisregeling goede informatie
oplevert om verder te gaan met de herijking en de nieuwe aanpak.
Staatssecretaris Van Huffelen:
Ik vind het altijd goed om op dingen terug te kijken, maar als er één
ding is waarvan ik denk dat het juist wel goed heeft gewerkt, is het de
Catshuisregeling. Die heeft er namelijk toe geleid dat een heleboel
mensen uit de problemen zijn gekomen. Daardoor hebben we meer dan 20.000
ouders kunnen helpen door ze een financieel compensatiebedrag te geven
en te erkennen dat ze gedupeerd zijn — dat vinden ouders heel belangrijk
— en kunnen we ook hun schuldenproblematiek oplossen. Ik ga daarover
altijd graag verder met u in gesprek, maar als er één ding is dat juist
heel erg heeft geholpen, is het denk ik dit. In het andere geval, als we
gewoon de planning hadden gevolgd die we hadden kunnen volgen, hadden we
veel minder mensen kunnen helpen en waren er nog veel meer mensen
geweest die nu nog onduidelijkheid zouden hebben, in de schulden zouden
zitten enzovoorts, enzovoorts, enzovoorts.
De voorzitter:
In laatste instantie, meneer Alkaya. Kort.
De heer Alkaya (SP):
Ja, in laatste instantie. Als dat de conclusie van de staatssecretaris
is, dan is dat haar conclusie. Mensen hebben €30.000 van hun eigen geld
teruggekregen. Er is een motie van afkeuring over de werkwijze zoals die
nu voorligt. Als de staatssecretaris zegt dat zij ervan overtuigd is dat
het alleen maar goed is geweest, dan is dat haar conclusie. Ik deel die
conclusie niet.
Staatssecretaris Van Huffelen:
Ik hoor duidelijk wat u zegt. Het is goed als we daar nog een keer met
elkaar op reflecteren. Overigens heb ik niet gezegd dat alles goed is.
Ik heb in dit debat volgens mij al heel vaak aangegeven dat we de
herijking niet voor niks doen. U heeft daar allemaal ook heel veel
suggesties voor gedaan. Maar het is goed om verder met elkaar van
gedachten te wisselen over de Catshuisregeling. Dat kan ook zeker op een
ander moment.
De voorzitter:
Zeker op een ander moment. Mevrouw Van der Plas heeft nog een
vraag.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ja, dat klopt. De overheid vraagt gemeenten om te helpen met het
opruimen van de puinhopen, omdat de Belastingdienst dit werk niet gewend
is en het wiel nog moet uitvinden. Gemeenten kunnen het wel, maar hebben
de capaciteit niet en krijgen met een hoop bureaucratie te maken.
De voorzitter:
Dus uw vraag is?
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Daar kom ik nu op. Mijn vraag aan de staatssecretaris is dus: kan de
staatssecretaris toezeggen in ieder geval met gemeenten in overleg te
gaan over de knelpunten waar ze tegen aanlopen en over de
capaciteitsproblemen die ze hebben, om zo de kwaliteit van de uitvoering
wel goed te houden? Dat kan eventueel via de VNG. Wij krijgen namelijk
wel geluiden binnen van medewerkers bij gemeenten dat ze hier dus tegen
aanlopen.
Staatssecretaris Van Huffelen:
Dat doe ik zeker en graag. Ik zou bijna zeggen dat wij dagelijks, en
ikzelf zeker wekelijks, met de VNG spreken over hoe we kunnen
samenwerken, hoe we samenwerken, hoe we dat kunnen verbeteren en hoe hun
inzet kan worden geoptimaliseerd. Nogmaals, de regeling en de afspraak
die we met de VNG hebben gemaakt, is om hun volledig de ruimte te geven
om op basis van hun professionaliteit ouders te helpen met wat nodig is
vanuit het perspectief van wonen, werk, jeugdzorg en alles wat we ons
daarbij kunnen voorstellen.
De heer Omtzigt (Lid Omtzigt):
Dank voor de toezegging om de brief te krijgen. Hopelijk komt die zo
snel mogelijk. Voor de notulen: het gaat om de antwoorden op Kamervraag
7, die op 15 januari gestuurd is. Mijn ambtsvoorganger heeft dit memo
nooit onder ogen gekregen. In het PwC-rapport, stukken nrs. 262, 263,
264, gaat het over 4 juni. Die vergelijking wil ik. Ik hoop dat binnen
een paar dagen te krijgen. Dan kan dat hopelijk nog voor de
stemmingen.
Over het feit dat er geen wettelijke termijnen zijn: ik heb dat rapport
waar de staatssecretaris naar verwees, nog even bekeken. Daarin zegt de
Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed gewoon dat het binnen een
redelijke termijn geleverd moet worden. Daar slaagt de regering niet in.
De AVG, die er ook op van toepassing verklaard kan worden, heeft een
termijn van één maand — en bij uitzondering kun je daar drie maanden van
maken — dat je inzage kunt krijgen in je hele dossier. Dus er zijn wel
wettelijke termijnen waarop de Belastingdienst een dossier moet
aanleveren. In een rechtszaak zal hij sowieso een dossier moeten
aanleveren. Het zou ook raar zijn als er geen termijn zou zijn.
De voorzitter:
Dat eerste deel stond al in de Handelingen, maar dank u wel. Op dat
tweede deel gaat de staatssecretaris nu in.
Staatssecretaris Van Huffelen:
Ik denk dat de heer Omtzigt, heel veel mensen en ik delen dat er een
redelijke termijn zou moeten gelden voor het leveren van stukken, van
dossiers, of dat nou het volledige dossier is of het deel van een
dossier dat de ouder wil of dat de advocaat zou willen inzetten en
gebruiken bij het helpen van de ouder. Voordat we in een hele precieze
discussie daarover belanden, wil ik zeggen dat er zeker sprake zou
moeten zijn van een redelijke termijn. Dat het nu lang duurt, daar zijn
we het ook over eens. Volgens mij hebben wij al eerder een debat gehad
over de AVG. Ik ga het nu een beetje uit mijn hoofd doen, dus ik zeg met
enige terughoudendheid dat de AVG met name gaat over specifieke
onderdelen en registraties van mensen, en ook weer niet over hele
dossiers. Maar dan belanden we in een soort semantische discussie, en ik
denk dat we het met elkaar eens zijn dat we willen dat mensen hun
informatie zo snel mogelijk kunnen krijgen. Daar zetten wij ook op
in.
De voorzitter:
De moties.
Staatssecretaris Van Huffelen:
Ja, ik wil doorgaan met de appreciatie van de moties. Ik begin met de
eerste motie van de heer Alkaya. Die motie op stuk nr. 887 brengt mij in
een lastig parket. De heer Alkaya vraagt mij om lessen uit de pilots te
trekken. Dat willen wij ook heel graag doen. Dat heb ik in het debat ook
gezegd. Het is belangrijk om de lessen uit pilots te trekken. Hij vraagt
ook om ervoor te zorgen dat persoonlijk zaakbehandelaars meer
bevoegdheden krijgen en dat de organisatie van bijeenkomsten niet door
de UHT wordt gedaan. Wat ik daar lastig aan vind, is het volgende. Ik
wil dat ook graag bekijken en onderzoeken en ik wil de uitvoering
daarvan laten toetsen, maar we hebben natuurlijk ook afgesproken dat we
een aantal dingen willen onderzoeken in het kader van deze herijking.
Dus of de uitkomst precies zo zal zijn, dat weten we natuurlijk niet. We
weten niet of het het handigst is dat iemand anders een zaaltje huurt —
ik denk het wel — maar het kan ook anders in elkaar zitten. Een gemeente
of iemand anders kan dat ook doen.
Ik onderschrijf dus volledig de bedoeling van de motie. Dat is het idee
dat de lessen uit de pilots leidend zijn en dat we zo veel mogelijk
proberen om voor die mensen die dat graag willen, de hersteloperatie zo
te organiseren dat die tot één dag kan worden beperkt, dus dat zo veel
mogelijk snelheid wordt betracht. Ik vind het ook heel goed en
belangrijk om echt te kijken naar de rol van de persoonlijk
zaakbehandelaars, want niet alleen zijzelf maar ook ouders hebben
aangegeven dat ze het fijn zouden vinden wanneer die af en toe meer
bevoegdheden zouden kunnen krijgen. Ik wil ook zeker kijken naar de
vraag hoeveel we kunnen uitbesteden vanuit de UHT, om ervoor te zorgen
dat de mensen bij de UHT zich kunnen concentreren op de taak die daar
ligt.
Maar nogmaals, ik kan niet helemaal toezeggen dat dit precies de
uitkomst van de herijking wordt. En dat is omdat we natuurlijk hebben
gezegd dat we heel veel dingen gaan bekijken en dat we het ook willen
toetsen op uitvoerbaarheid. Een motie daartoe is ook door uw Kamer
gesteund. We willen het ook toetsen op basis van de vraag: als we dit
doen voor een groep ouders, wat betekent dat dan weer voor andere
ouders?
De voorzitter:
Ik hoor een "ontraden" aankomen.
Staatssecretaris Van Huffelen:
Nou, dat wilde ik juist niet doen.
De voorzitter:
Kunt u een appreciatie geven?
Staatssecretaris Van Huffelen:
Ik wil met de omzichtigheid en de interpretatie die ik erbij geef,
zeggen dat we dit heel serieus willen bekijken, dat we dit ook serieus
willen onderzoeken. Ik wil zeggen dat we heel goed begrijpen wat de
bedoeling is, dat ik niet zomaar kan zeggen dat dit ook de daadwerkelijk
uitkomst is, maar dat we dit meenemen in ons herijkingsplan om dat aan
te pakken. Daarmee geef ik de motie op stuk nr. 887 oordeel Kamer.
Dan ga ik naar de motie van de heer Nijboer.
De voorzitter:
Meneer Alkaya, er is al heel veel over gezegd. Heel kort.
De heer Alkaya (SP):
Hoe sympathiek dat ook klinkt, de motie zegt niet: neem het mee in de
herijking. De motie vraagt om dit gewoon te doen. Ik vind het sympathiek
dat de staatssecretaris het wil meenemen in de herijking, maar als het
resultaat straks is dat nog steeds veel mensen niet in één dag klaar
zijn terwijl dat wel zou kunnen, dan heb ik niks in handen om tegen de
staatssecretaris te zeggen: maar u zou dit toch regelen? Ik heb hier een
motie ingediend en ik houd wel vast aan de tekst zoals die er
staat.
De voorzitter:
Dat is dan duidelijk.
Staatssecretaris Van Huffelen:
En ik houd mij aan die interpretatie, waarbij ik u heel helder kan
zeggen dat als ik het kan doen in één dag, ik dat ook zeker zou willen
realiseren voor de ouders voor wie dat wenselijk is.
De voorzitter:
En de Kamer kan zich hierover gewoon uitspreken. Gaat u verder met de
motie op stuk nr. 888.
De heer Edgar Mulder (PVV):
Waarover?
De voorzitter:
Over de motie van meneer Alkaya en wat de staatssecretaris daarover
gezegd heeft.
De heer Alkaya (SP):
De bedoeling van de indiener is natuurlijk leidend. De interpretatie van
de indiener is leidend, dus ik zal de regering houden aan de tekst zoals
die hier staat.
De voorzitter:
Helder.
Staatssecretaris Van Huffelen:
Ja, maar dan dwingt u mij toch tot iets anders. Want als u zegt: dit is
letterlijk wat het moet worden, dan kan ik niet anders zeggen dan dat we
de herijking serieus willen nemen; we willen het goed toetsen, we willen
de uitvoering doen en we weten niet wat de gevolgen hiervan zijn. Dat
vind ik een beetje gek in het kader dat we hebben besproken, met heel
veel input van heel veel mensen, wat er allemaal kan. Mijn intentie is
zeker om daar waar het kan die behandeling in één dag te doen, om ook
de…
De voorzitter:
Jongens, dit is heel veel gewisseld.
Staatssecretaris Van Huffelen:
Oké, dan zou ik willen vragen aan de heer Alkaya of hij met mijn
interpretatie van zijn motie kan leven, want dan kan ik die oordeel
Kamer geven. Anders wordt het ontraden.
De voorzitter:
De heer Alkaya heeft al gezegd dat dat niet zo is. Dat betekent dat de
staatssecretaris de motie ontraadt, zoals de heer Alkaya die letterlijk
heeft geformuleerd. Volgens mij is het handig als wij met elkaar gewoon
helder communiceren.
De heer Alkaya (SP):
Ik vind het wel heel aardig, maar ...
De voorzitter:
Dat heeft u gezegd. We gaan door naar de motie op stuk nr. 888.
Staatssecretaris Van Huffelen:
Ik probeer goed naar u te luisteren.
Dan de motie van de heer Nijboer op stuk nr. 888 over de realistische
data. Natuurlijk is het fijn om een realistische doelstelling te gaan
formuleren, wat we natuurlijk ook vooral willen. Ik denk dat dat ook in
lijn is met wat de heer Snels daarover zei, dat het helder is voor
mensen hoe het proces gaat lopen. Ik ben het dus eens met wat hier staat
en ik zou deze motie dan ook oordeel Kamer willen geven.
Heb ik er eentje overgeslagen? Sorry, ik kreeg even instructies, maar
dat ging goed, over hoe het pakket samengesteld is.
De motie op stuk nr. 889 van mevrouw Simons over institutioneel racisme.
Natuurlijk is het ongelooflijk belangrijk als onderdeel van emotioneel
herstel dat er ook aandacht voor dit thema is, en niet alleen aandacht
maar ook goede aandacht. U vraagt om dat mee te nemen in de herijking.
Ik wil dat ook zo veel mogelijk proberen en wil deze motie dan ook
oordeel Kamer geven.
Dan de motie op stuk nr. 890 van de heer Grinwis en mevrouw Van der Plas
over de Wsnp / MSNP. Uw vraag is eigenlijk: mogen ouders twee routes
kiezen als zij denken dat de route van de schuldhulpverlening hen meer
helpt dan de route van de schuldkwijtschelding door de Belastingdienst?
Ja, ik ben het ermee eens dat dat zou moeten kunnen. Ik hoop vooral dat
onze schuldhulproute er niet toe leidt dat mensen nog behoefte hebben
aan zo'n soort traject, want met onze huidige regelingen willen we dat
juist niet doen. Overigens zeg ik er nog even bij dat de toegang tot
deze schuldhulpregeling natuurlijk aan de rechter is en niet aan ons.
Dus oordeel Kamer.
De motie van de heer Azarkan op stuk nr. 891 zal ik niet van commentaar
voorzien.
Dan de motie op stuk nr. 892 van de heer Mulder. Zoals het hier staat,
kan het natuurlijk niet, want dat is ook niet wat ik heb gezegd dat we
doen. We hebben gezegd: binnen een halfjaar voeren wij voor mensen die
zich bij ons gemeld hebben die eerste toets uit, waarbij we dan ook als
iemand gedupeerd is €30.000 overmaken. Maar u zegt: iedereen die zich
gemeld heeft moet het hebben. Dat kan niet en daarom moet ik de motie in
deze vorm ontraden.
De motie op stuk nr. 893 van meneer Van Raan en mevrouw Simons gaat over
emotioneel herstel. U vraagt ons ernaar te streven dat de verschillende
moties die daarover zijn ingediend worden omgezet in een plan om
emotioneel herstel verder te brengen. U noemt dat "een schaalsprong".
Mijn intentie is zeker om het thema van het emotioneel herstel een grote
rol te laten spelen in de herijking. Ik zou deze motie dan ook oordeel
Kamer willen geven.
Dan de motie op stuk nr. 894 van de heer Omtzigt over de CWS. Zoals
terecht door de heer Grinwis is aangegeven, is die motie in een ietwat
andere vorm eerder ingediend. De Commissie Werkelijke Schade, die
uiteraard onafhankelijk is, heeft daarop gezegd dat zij, nadat ze 50
representatieve dossiers heeft bekeken, zal aangeven hoe zij hun
adviezen samenstellen, op basis waarvan en op welke manier ze hun
afwegingen maken. Dat komt dus. Ik weet niet of u uw motie dan wilt
aanhouden of dat u haar toch in stemming wilt laten brengen.
De heer Omtzigt (Lid Omtzigt):
Je kunt het aan de Commissie Werkelijke Schade vragen, maar adviezen
worden uitgebracht aan de Belastingdienst en de Belastingdienst kan ze
ook gewoon zelf publiceren. Dat is op zich geen enkele moeite. Ik vraag
gewoon aan de Belastingdienst om zo spoedig mogelijk te beginnen met het
publiceren. Wij geven namelijk geen opdrachten aan de Commissie
Werkelijke Schade, maar alleen aan de regering. Ik vraag of daar een
aanvang mee gemaakt kan worden op redelijk korte termijn.
Staatssecretaris Van Huffelen:
Dan moet ik individuele dossiers gaan publiceren en dat lijkt mij zeer
onwenselijk, eerlijk gezegd.
De heer Omtzigt (Lid Omtzigt):
Er staat "geanonimiseerd" en dat is natuurlijk niet per ongeluk.
Staatssecretaris Van Huffelen:
Ja, maar zelfs dan. Op basis van wat je daarin leest, kunnen mensen zich
daarin herkennen. Ik zou willen voorstellen om die motie aan te houden.
Laten we eerst kijken naar de uitvoering zoals de CWS die wil doen. Als
u dat onvoldoende vindt, kunnen we een stap verder nemen.
De voorzitter:
Ik kijk even naar de heer Omtzigt of hij de motie wil aanhouden.
De heer Omtzigt (Lid Omtzigt):
Ik denk er even over na en laat het nog weten.
Staatssecretaris Van Huffelen:
Anders zal ik de motie ontraden.
Dan gaan we naar de termijn van de levering van dossiers, de motie op
stuk nr. 895. Daarin vraagt de heer Omtzigt om de wettelijke termijnen
te hanteren. Ik heb net al iets gezegd over die termijnen, maar voor ons
is ook van belang dat we zorgen dat we dat zo snel mogelijk kunnen doen.
De motie vraagt om hierover binnen vier weken te rapporteren enzovoorts,
enzovoorts. Als het halen van de termijn het doel is, dan geef ik de
motie oordeel Kamer, maar als u zegt dat ik alles binnen vier of zes
weken moet doen: dat kan ik niet waarmaken. Dan zal ik de motie dus
moeten ontraden.
De voorzitter:
Meneer Omtzigt in laatste instantie.
De heer Omtzigt (Lid Omtzigt):
Het doel hiervan is binnen vier weken. Als de staatssecretaris zegt: ik
heb zes weken nodig, dan maken we daar zes weken van — dat is op zich
niet zo spannend — om te rapporteren welke termijnen gehandhaafd worden.
Ik neem aan dat die termijnen inderdaad wel drie maanden zullen zijn.
Het zullen inderdaad geen zes weken zijn, maar ze kunnen geen twee jaar
zijn. Dat is het doel van de motie.
Staatssecretaris Van Huffelen:
Ik stel voor dat wij dat in de voortgangsrapportage meenemen. In elke
voortgangsrapportage geven we ook de voortgang aan van het leveren van
dossiers. Het lijkt mij goed om dat in de voortgangsrapportage mee te
nemen. Dat is niet over vier of zes weken, maar over twee maanden.
Daarmee kan ik niet hard zeggen dat we alle termijnen precies weten,
omdat we vaak ook niet precies weten hoelang het duurt om de stukken
naar boven te krijgen. Maar ik kan u dan wel de voortgang melden.
De voorzitter:
Maar dan is de appreciatie van die laatste motie op stuk nr. 895 dus:
ontraden.
Staatssecretaris Van Huffelen:
Ja.
De voorzitter:
Goed. Dank aan iedereen voor deze lange zit en uw aandacht. Als u de
microfoon uitzet, dan ga ik even afronden, tenzij u nog iets wilt
zeggen.
Staatssecretaris Van Huffelen:
Ja, ik wil graag nog even iets zeggen. Ik wilde namelijk dankzeggen voor
het debat en voor alle suggesties die u heeft geleverd om na te denken
over hoe wij dit verschrikkelijk ingewikkelde dossier, dat zo veel
ouders zo veel leed heeft gebracht en nog steeds brengt, kunnen
oplossen. Ik heb uw suggesties als een grote stimulans gezien om ook
weer verder te gaan. Ik vind het een echt ingewikkelde klus, maar ik doe
dit met hart en ziel, samen met een heel groot team, iedere dag. Ik kijk
dan ook uit naar volgende debatten met u over dit onderwerp.
De voorzitter:
Dank aan de staatssecretaris en aan alle mensen die achter de schermen
hieraan hebben gewerkt, zowel van de zijde van het kabinet alsook
natuurlijk van de zijde van de Kamer. Dank aan de Kamerleden. Het was
een lange zit. Een compliment voor degenen die op elkaar voortbouwen,
maar hier en daar wordt ook nog veel herhaald. Maar dat is iets om op te
kauwen voor de volgende keer.
Over de moties wordt aanstaande donderdag gestemd. Daar is vanmiddag bij
de regeling van werkzaamheden een afspraak over gemaakt. Ik ga u nog de
huishoudelijke mededeling doen dat u het pand via de hoofdingang, die
dan vervolgens een "hoofduitgang" wordt genoemd, te verlaten, want daar
zit nog beveiliging. Ik wens u een plezierige en veilige thuiskomst.
Sluiting 23.48 uur.
ONGECORRIGEERD STENOGRAM Verslag OSV 9 (2021-2022) van 12 oktober 2021 |
---|
Aan ongecorrigeerde verslagen kan geen enkel recht worden ontleend. Uit ongecorrigeerde verslagen mag niet letterlijk worden geciteerd. Inlichtingen: verslagdienst@tweedekamer.nl |