Schriftelijke antwoorden op vragen gesteld tijdens de eerste termijn van de begrotingsbehandeling van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hoofdstuk VII), het gemeentefonds en het provinciefonds op 27 oktober 2021
Brief regering
Nummer: 2021D40370, datum: 2021-10-28, bijgewerkt: 2024-02-19 10:56, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: K.H. Ollongren, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Onderdeel van zaak 2021Z18792:
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Binnenlandse Zaken
- Stemmingen en besluiten:
- 2021-11-16 15:00 ā Rondgezonden en gepubliceerd. (Besluit)
- 2021-11-10 13:40 ā Afgevoerd van de stand der werkzaamheden. (Besluit)
- 2021-11-04 11:30 ā Betrokken bij de begrotingsbehandeling van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (VII) voor het jaar 2022. (Besluit)
- 2021-10-28 20:35 ā Behandeld. (Besluit)
- 2021-10-28 20:35: Begroting Binnenlandse Zaken (VII) (voortzetting) (Plenair debat (wetgeving)), TK
- 2021-11-04 11:30: Procedurevergadering commissie Binnenlandse Zaken (videoverbinding) (Procedurevergadering), vaste commissie voor Binnenlandse Zaken
- 2021-11-10 13:40: Aanvang middagvergadering: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2021-11-16 15:00: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
Preview document (š origineel)
Vragen van het lid Bosma, M. (PVV)
Vraag:
Hoe staat het met de oorlog van de minister tegen het nepnieuws?
Antwoord:
Ik heb het onderwerp bij mijn aantreden geagendeerd omdat het
verspreiden van desinformatie het openbare debat, vrije verkiezingen en
daarmee de democratie, kan ondermijnen.
Sindsdien heeft het beleidsterrein zich sterk ontwikkeld.
De Europese Commissie, waar we nauwe contacten mee onderhouden, heeft
het Rapid Alert System opgezet zodat lidstaten informatie kunnen
delen.
Ook heeft de Europese Commissie onlangs het initiatief genomen tot het
vernieuwen van de gedragscode tegen desinformatie.
Hiermee worden verdere stappen gezet op het tegengaan van nepaccounts en
bots, en meer inzicht in de werking van algoritmen. Nederland steunt dit
actief.
Verder biedt het voorstel van de Commissie voor een Digital Services Act
een regulerend kader voor online platformen. Deze DSA verplicht zeer
grote platformen onder meer om maatregelen te nemen tegen systematische
risicoās van hun dienst. De verspreiding van desinformatie is hier
onderdeel van.
Ook op nationaal niveau hebben de acties van de afgelopen jaren geleid
tot een strategie met drie actielijnen: preventie, informatiepositie
verstevigen, en indien nodig, reactie.
Deze strategie voer ik samen met andere leden van het kabinet uit. Zo
werk ik samen met de minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en
Media aan het vergroten van mediawijsheid onder de actielijn
preventie.
Zelf onderneem ik actie om desinformatie rondom de verkiezingen tegen te
gaan. Zo heb ik richting de Tweede Kamer verkiezingen een gedragscode
over transparantie van politieke advertenties laten opstellen.
Gemeenten krijgen steeds vaker te maken met desinformatie. Daarom
ontwikkel ik, mede op verzoek van de VNG en gemeenten, een
handreiking.
Het doel van de handreiking is gemeenten bewust te maken van wat
desinformatie is, het kunnen herkennen en hen instrumenten te geven hoe
zij, binnen de kaders van de vrijheid van meningsuiting, hierop kunnen
reageren.
De handreiking zal begin 2022 klaar zijn zodat gemeenten deze richting
de gemeenteraadsverkiezingen kunnen gebruiken.
Vraag:
Onder deze minister is het lobbyverbod vervallen waarbij oud-ministers
niet actief kunnen worden op hun beleidsterrein.
Antwoord:
Het lobbyverbod geldt nog steeds als staand beleid. De beleidsnorm ligt
vast in een brief aan beide Kamers en deze brief is door het kabinet
niet ingetrokken (Kamerstukken II, 2016/17, 34376, nr. 15).
Voor bewindspersonen is dit beleid kenbaar via het Handboek
bewindspersonen en de brief die zij bij hun aftreden ontvangen. Daaraan
is niets veranderd. Wat wel is veranderd is de kenbaarheid voor
rijksambtenaren. Tot 1 januari 2020 was dit geregeld met een
rijkscirculaire en vormgegeven als een contactverbod naar hun gewezen
bewindspersonen. Door de inwerkingtreding van de Wet normalisering
rechtspositie ambtenaren is dit per 1 januari 2020 veranderd en moest de
circulaire worden ingetrokken. Daarmee is echter niet het lobbyverbod
als beleidsnorm ingetrokken. Voor de kenbaarheid van de beleidsnorm voor
rijksambtenaren kan worden teruggevallen op de Gedragscode Integriteit
Rijk, waarin het bestaande lobbyverbod in een bredere context is
opgenomen. Deze gedragscode is niet vrijblijvend. Ambtenaren kunnen op
hun gedrag worden aangesproken en er kunnen uiteindelijk ook
arbeidsrechtelijke sancties worden toegepast. Daarnaast zal ik de
kenbaarheid voor rijksambtenaren nog in een andere vorm laten
terugkeren, als het beleid op dit punt is geactualiseerd. Hiermee kan
het lobbyverbod naar de toekomst toe nog explicieter en steviger worden
verankerd.
Vragen van het lid Rajkowski, Q. (VVD)
Vraag:
Kan het kabinet opnieuw in kaart brengen wat de achterstanden zijn
m.b.t. informatieveiligheid? Graag ook overheidswebsites meenemen:
voldoen die aan veiligheidsstandaarden en protocollen?
Antwoord:
Tijdens het verantwoordingsdebat over het jaar 2019 heeft de
staatssecretaris uw Kamer toegezegd om u periodiek te informeren over de
voortgang rond informatiebeveiliging binnen de Rijksoverheid. Dit heeft
hij dit jaar gedaan via de voortgangsbrief Strategische I-agenda voor de
Rijksdienst 2019-2021 en aanpak onvolkomenheden (kst-26643-713) en hij
zal dit blijven doen. De volgende rapportage ontvangt u nog voor het
Kerstreces. Daarnaast wordt uw Kamer jaarlijks op de hoogte gebracht van
de adoptie van open standaarden bij de overheid, met inbegrip van de
veiligheidsstandaarden, waaronder die van overheidswebsites. Afgelopen
jaar is dit gebeurd in een bijlage bij de Kamerbrief over de voortgang
van informatieveiligheid bij de overheid (Kst- 26643-749).
Vraag:
Wanneer kan de Kamer het wetsvoorstel over het Adviescollege
ICT-toetsing verwachten?
Antwoord:
Omdat een wetstraject tijd kost, heeft de staatssecretaris vorig jaar
besloten om alvast een tijdelijke juridische grondslag voor het
Adviescollege ICT-toetsing te maken door middel van een
instellingsbesluit. Inmiddels is de internetconsultatie van het
wetsvoorstel afgerond en gaat het wetsvoorstel eind dit jaar naar de
Raad van State. Afhankelijk van zijn advies verwacht de staatssecretaris
het wetsvoorstel in het voorjaar van 2022 bij uw Kamer in te dienen.
Vraag:
Baliefunctie (fysiek) mag niet verdwijnen. Moet bereikbaar blijven voor
bepaalde groepen. Graag hier reactie op van de minister.
Antwoord:
Vanuit de aangekondigde maatregelen op het rapport van de Parlementaire
Ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag en de rapporten rondom Werk
aan uitvoering, zet het ministerie van BZK in op het waarborgen van
laagdrempelig en menselijk contact voor hulp bij
overheidsdienstverlening. Overheidsorganisaties dienen vanuit de Awb
passende ondersteuning te bieden bij overheidsdienstverlening. De
invulling daarvan wordt overgelaten aan het overheidsorgaan. In de
praktijk zal voor regelingen die zich richten op burgers altijd
laagdrempelig persoonlijk contact (balie, telefoon) mogelijk moeten
zijn. Een zorgplicht die dat voorschrijft, maakt deel uit van het
wetsvoorstel Wet modernisering elektronisch bestuurlijk verkeer dat in
uw Kamer ligt voor plenaire behandeling.
Het kabinet streeft naar een stevige structuur van fysieke loketten en
hulppunten voor mensen die hulp nodig hebben, bijvoorbeeld omdat zij
minder digitaal of taalvaardig zijn. Een van de maatregelen daarin is
het uitbreiden van de Informatiepunten Digitale Overheid in de
bibliotheken. Op dit moment zijn er 342 Informatiepunten, georganiseerd
vanuit verschillende overheidsorganisaties zoals UWV, CAK en de
Belastingdienst in samenwerking met de Koninklijke Bibliotheek. Bij de
Informatiepunten worden burgers persoonlijk op weg geholpen door een
getrainde bibliotheekmedewerker. Ook kunnen mensen worden doorverwezen
naar basisvaardigheidscursussen. In 2022 wordt een pilot gestart met
Informatiepunten op andere soorten locaties, zoals een wijkcentrum of
een mobiele voorziening. Zo hebben burgers een fysiek eerstelijns
hulploket in de buurt voor vragen over digitale
overheidsdienstverlening.
Door telefonisch contact te stimuleren, wordt ervoor gezorgd dat
persoonlijk contact met overheden laagdrempeliger wordt. Ook biedt dit
de mogelijkheid om snel fouten te herstellen en helpt hen lange bezwaar-
en beroepsprocedures te voorkomen. Ervaring uit de pilots van het BZK
programma Prettig Contact Met de Overheid ondersteunen dit.
De minister van SZW voert samen met de betrokken ministeries en uitvoeringsorganisaties de motie Grinwis/Leijten (TK 35510, nr. 73) uit. Deze motie gaat over een telefoonnummer op alle relevante brieven van overheidsinstanties en een ter zake kundige medewerker. Iedere uitvoeringsorganisatie heeft een telefoonnummer. Burgers kunnen daar terecht met vragen. Er moet worden voor gezorgd dat diegene die de burger te woord staat de beschikking heeft over alle kennis en informatie om te helpen. Hier wordt hard aan gewerkt. Er wordt hierbij ook bezien of vergroting van de bereikbaarheid kan bijdragen aan meer laagdrempelige geschilbeslechting. De minister van SZW zal in de Stand van de Uitvoering van december 2021 ingaan op de voortgang en meer in het bijzonder ingaan op het UWV en de SVB. Voor de andere overheidsorganisaties, zoals de Belastingdienst, zal de voortgang meelopen in het kader van programma Werk aan uitvoering en de daarbij behorende Werkagenda voor de publieke dienstverlening.
Vraag:
Wanneer krijgt de Kamer de nota van wijziging bevorderen integriteit en
functioneren decentraal bestuur? En hebben gemeenten voldoende tijd om
de risicoanalyse voor de volgende gemeenteraadverkiezingen uit te
voeren?
Antwoord:
De nota van wijziging op het wetsvoorstel Bevorderen integriteit en
functioneren decentraal bestuur, waarin de verplichte risicoanalyse
integriteit voor kandidaat-wethouders is opgenomen, ligt op dit moment
nog bij de Raad van State voor advies. Ik hoop en verwacht dit advies op
korte termijn te ontvangen. Zodra ik dit advies heb ontvangen, zal de
regering met spoed op dit advies reageren en uw Kamer hierover
informeren. Het tijdpad is gelet op het voorgaande dus niet precies te
geven. Wel wil ik benadrukken dat een risicoanalyse integriteit ook nu
al uitgevoerd kan worden en veel gemeenten doen dit ook al actief. Ik
stimuleer gemeenten, o.a. via voorlichtingssessies, om nu al aan de slag
te gaan met de voorbereidingen voor het uitvoeren van een risicoanalyse
integriteit. Gemeenten kunnen daarbij inspiratie putten uit de
Handleiding basisscan integriteit die ik heb opgesteld.
Vraag:
Gemeentegrensvraag over Langedijk en Heerhugowaard en Alkmaar. Kan de
minister aangeven hoe de uitvoering van de motie Snoeren over de
gemeentegrensvraag Langedijk, Heerhugowaard en Alkmaar vorm gaat geven
en hoe het kabinet zorgdraagt dat bewoners goed worden gehoord?
Antwoord:
De Kamer verzocht de regering met deze motie om, na voltooiing van het
herindelingsproces de provincie Noord-Holland te verzoeken een evaluatie
en verkenning uit te voeren en de Kamer binnen twee jaar over de
voortgang te informeren.
Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is in
gesprek met de betrokken gemeenten en de provincie Noord-Holland over de
opzet en het proces van deze evaluatie. Hoe de inwoners in dit proces
worden betrokken is daarbij een belangrijk aandachtspunt.
De besluitvorming over de exacte aanpak vindt echter plaats in
afstemming met het nieuwe gemeentebestuur van Dijk en Waard (dus pas
begin 2022). Op woensdag 24 november 2021 vinden er
herindelingsverkiezingen plaats in Heerhugowaard en Langedijk.
Eerder heb ik de Eerste Kamer toegezegd een plan van aanpak toe te
zullen zenden zodra het is vastgesteld. Ik zal dit plan van aanpak ook
aan uw Kamer toezenden. Dit zal naar verwachting in het tweede kwartaal
2022 zijn.
Vraag:
Welke onderdelen van methoden als TIBER kunnen in Nederland worden
ingezet?
Antwoord:
TIBER staat voor Threat Intell Based Ethical Red-teaming. De
Nederlandsche Bank heeft deze gerichte oefen- en testmethode ontwikkeld
en deze is geadopteerd door de Europese Centrale Bank om instellingen
beter cyber-weerbaar te maken. Het voorkomen van incidenten met
preventieve maatregelen is al lang niet meer voldoende en er is een meer
proactieve aanpak nodig. Red-teamingoefeningen worden al bij onderdelen
van de Rijksoverheid uitgevoerd, met goede resultaten, en het
TIBER-programma kan kennisuitwisseling hierover verbeteren. In de
I-Strategie Rijk heeft de staatssecretaris aangegeven dat onderdelen van
een red-teaming programma zoals het TIBER-programma interessante
inzichten in kwetsbaarheden kunnen geven en daarom zullen worden
onderzocht voor toepassing binnen de Rijksoverheid. Het gaat hierbij dan
ook om het versterken van de onderlinge uitwisseling van good practices
en oefenen binnen organisaties. Over de voortgang hiervan zal de
staatssecretaris uw Kamer in het voorjaar van 2022 informeren.
Vraag:
Uit een verkenning van BZK is naar voren gekomen dat er overheidsbreed
behoefte is aan een generiek kader voor vitale digitale
overheidsvoorzieningen en dit kader zou dit jaar ontwikkeld worden. Wat
is de stand van zaken van dit kader en wanneer kunnen we dit
verwachten?
Antwoord:
Het algemeen kader richt zich op een specifiek onderdeel van de digitale
overheid, namelijk op de vitale onderdelen van de digitale overheid.
Vanwege de hoogte van de criteria (denk bij verstoring, aantasting of
uitval aan een schade van meer dan ā¬5 miljard, meer dan 1000 doden en/of
meer 10.000 mensen met sociaal-maatschappelijke schade) om een vitaal
proces te zijn, wordt onderzocht of er kenmerken zijn die
gemeenschappelijk zijn voor de belangrijkste informatieprocessen en
informatiesystemen van de overheid. Deze groep is breder dan alleen de
vitale onderdelen van de digitale overheid. Voor het opstellen van het
kader lopen op dit moment twee onderzoeken: een onderzoek ten aanzien
van de belangrijkste informatieprocessen en informatiesystemen en een
onderzoek naar uniform toezicht en uniforme verantwoording over
informatieveiligheid aan zowel het āeigenā controlerend orgaan als
interbestuurlijk. Deze onderzoeken lopen tot het eind van dit jaar;
nadien zullen de resultaten van beide onderzoeken met alle bestuurslagen
worden besproken. De Tweede Kamer zal aan het eind van het eerste
kwartaal 2022 hier verder over worden geĆÆnformeerd.
Vraag:
In het rapport ''klem tussen balie en beleid'' wordt het belang
onderstreept dat wet- en regelgeving ook uitvoerbaar moeten zijn voor
uitvoeringsorganisaties. Daarom is het van belang na te gaan of
wetsvoorstellen in samenhang met al bestaande wet- en regelgeving geen
ongewenst gevolg hebben voor burgers. De VVD vraagt een reactie op het
idee dat uitvoeringsorganisaties vaker actief met brieven komen waarin
zij aangeven wat wel en niet voor hen werkt en waar bij hen de
complexiteit in de uitvoering zit.
Antwoord:
Het kabinet onderschrijft het belang van het goed betrekken van
uitvoeringsorganisaties bij het versterken van de kwaliteit van beleid
en wetgeving. Bij de beleidsvoorbereiding moeten uitvoering, wetgeving
en de doelgroep in de samenleving nadrukkelijker vanaf het begin zijn
betrokken.
Er zijn de afgelopen maanden verschillende acties in gang gezet om
knelpunten in de cyclus van voorbereiding, totstandkoming en de
uitwerking van beleid en wetgeving die een goede kwaliteit belemmeren,
weg te nemen. In de brief van 25 juni 2021 over het
wetgevingskwaliteitsbeleid en de voortgangsbrief van 29 juni 2021 over
de uitvoering van de POK-acties is een aantal verbeteringen aangekondigd
in de verschillende fasen van het beleid- en wetgevingsproces,
zoals:
Het Integraal afwegingskader (IAK) wordt herzien, zodat departementen dit instrument beter toepassen. Bij de beleidsvoorbereiding moeten nadrukkelijk uitvoering, wetgeving en de doelgroep in de samenleving vanaf het begin zijn betrokken.
Voor de verdere versterking van kwaliteit van regelgeving zijn ook acties ingezet om de cyclus beleid-wetgeving-uitvoering ook daadwerkelijk een cyclus te laten worden. Belangrijke ingezette acties zijn het versterken van de feedbackloop, dus het sneller in het beleid- en wetgevingsproces kunnen oplossen van uitvoeringsproblemen en andere signalen. Uitvoeringsorganisaties die werk doen dat burgers en ondernemers persoonlijk raakt, gaan periodiek de knelpunten die zij ervaren, delen met de Tweede Kamer. Hiermee is recent een eerste start gemaakt.
Een invoeringstoets is in ontwikkeling. Samen met de doorontwikkeling van internetconsultatie zorgt dit ervoor dat burgers en bedrijven beter worden betrokken bij voorbereiding van voorstellen en het beoordelen van de impact. Ook zal een stevigere toets van wetsvoorstellen gaan plaatsvinden op de aspecten uitvoerbaarheid, menselijke maat en doenvermogen.
We bekijken ook hoe de huidige rol van het Adviescollege Toetsing regeldruk (ATR) kan worden doorontwikkeld om een bijdrage te leveren aan het proces tot verbetering van wetgeving- en beleidsvorming.
Bij de verdere uitwerking van deze acties zal ook aandacht worden besteed aan de inzet van wetgevingsbrieven door uitvoeringsinstanties.
Verder heeft het kabinet na de zomer van 2019 een MinisteriĆ«le Commissie Uitvoering (MCU) ingesteld. Via deze commissie en de bijbehorende werkagenda draagt het kabinet bij aan een samenhangende aanpak van urgente uitdagingen ten aanzien van wendbaarheid, continuĆÆteit en dienstverlening van de uitvoering. In deze Commissie zijn ook stoelen voor de uitvoering gereserveerd. Het kabinet heeft met het instellen van de Ministeriele Commissie Uitvoering (MCU) in 2019 een platform ingericht, speciaal gericht op themaās die rijksbreed in de uitvoering spelen. En met de uitvoering hierbij. Dit draagt bij aan een open informatieuitwisseling tussen kabinet en uitvoeringsorganisaties.
Vragen van het lid Leijten, R.M. (SP)
Vraag:
Wat vindt de minister ervan dat het memo Palmen nog niet boven tafel
is?
Antwoord:
Navraag bij het ministerie van Financiƫn leert dat de Kamercommissie
Financiƫn heeft besloten om vrijdag 29 oktober feitelijke vragen in te
dienen en daarna een debat te organiseren over het memo Palmen. De
hierboven gestelde vragen aan het kabinet zal ik doorgeleiden aan de
Staatssecretaris van Financiƫn - Toeslagen en Douane.
Vraag:
Wat heeft het onderzoek van PWC gekost? Hoe kijkt de minister er tegen
aan dat er nog 9 maanden een onderzoek van PWC nodig is?
Antwoord:
Navraag bij het ministerie van Financiƫn leert dat de Kamercommissie
Financiƫn heeft besloten om vrijdag 29 oktober feitelijke vragen in te
dienen en daarna een debat te organiseren over het memo Palmen. De
hierboven gestelde vragen aan het kabinet zal ik doorgeleiden aan de
Staatssecretaris van Financiƫn - Toeslagen en Douane.
Vraag:
Hoezo lukt het kabinet vorige week niet - toen duidelijk werd dat 1115
kinderen uit huis zijn geplaatst waarvoor dit voor 400 kleine kinderen
nog steeds geldt - om in relatie tot het toeslagenschandaal tot een
fatsoenlijke kabinetsreactie te komen?
Antwoord:
De hersteloperatie naar aanleiding van de Toeslagen affaire is zeer
complex. Dat geldt ook voor de nieuwe ontwikkelingen die mevrouw Leijten
noemt. Ik weet dat hier met man en macht aan wordt gewerkt. De minister
van Rechtsbescherming heeft hier mede namens de staatssecretarissen van
VWS en FIN recent op gereageerd en aangegeven u en de gedupeerden hier
zo spoedig mogelijk duidelijkheid over te geven.
Vraag:
Kamerlid Leijten vraagt hoe de bewindslieden aankijken tegen het gegeven
dat de overheid niet dicht bij de mensen staat en er geen menselijke
maat is?
Antwoord:
Wij snappen als bewindslieden heel goed dat de overheid dicht bij de
mensen moet staan. En ook ambtenaren zijn ervan doordrongen dat de
komende jaren veel moet worden ondernomen om het vertrouwen terug te
winnen.
Om dat vertrouwen terug te verdienen, is een andere aanpak van de
overheid nodig, waarbij het in de kern gaat om de menselijke maat. Dat
vraagt in ieder geval een investering in het ambtelijk vakmanschap.
Daarom heeft de staatssecretaris van BZK een Rijksbreed programma
opgezet voor ambtenaren waarin door middel van debat, opleidingen en
gerichte communicatie voortdurend aandacht is voor publieke waarden.
Ook andere initiatieven zorgen ervoor dat de menselijk maat een blijvend uitgangspunt blijft. Een mooi voorbeeld daarvan is de community Gebruiker Centraal, die overheden helpt bij het centraal stellen van mensen in hun dienstverlening en communicatie. Dit is onderdeel van de aanpak op Digitale Inclusie. Met digitale inclusie zet het kabinet er op in dat iedereen kan mee blijven doen in de (digitale) samenleving. Belangrijk onderdeel van deze aanpak is het verbeteren van de overheidsdienstverlening. Met de Direct Duidelijk Brigade zorgen we samen met overheidsorganisaties dat de overheid voor mensen begrijpelijk communiceert. De Informatiepunten Digitale Overheid bieden voor mensen dichtbij huis een fysiek loket waar ze binnen kunnen lopen met vragen over de dienstverlening van landelijke uitvoeringsorganisaties, zoals het UWV, Belastingdienst en SVB. Daarnaast willen we mensen graag helpen om digitaal vaardiger te worden. Hiervoor zijn cursussen ontwikkeld, zoals veilig online. Ook hebben we in 2020 de #DigiHulplijn gelanceerd, die mensen kunnen bellen met vragen over hun computer of tablet. Ook bieden de #DigiHulplijn en de Informatiepunten Digitale Overheid ondersteuning bij het gebruik van de CoronaCheck app.
Daarnaast zijn en worden maatregelen van organisatorische en juridische aard genomen. Er zijn en worden voorzieningen voor maatwerkdienstverlening georganiseerd bij specifieke uitvoeringsorganisaties (bv SVB) en ook wordt voorzien in een rijksbrede maatwerkplaats. Ook wordt gewerkt aan 1 loket voor burgers met multiproblematiek.
Vanuit de juridische kant wordt gewerkt aan het inventariseren van maatwerkstimulerende en maatwerkbelemmerende bepalingen in bijzondere wetgeving. Ook wordt gekeken naar mogelijkheden voor aanpassing van de algemene wet bestuursrecht ter versterking van de positie van de burger. Ook wordt steeds meer ingezet op het gebruik van een uitvoeringstoets waarin ook het perspectief van de burger kan worden betrokken.
Verder werkt het kabinet aan een uitgebreide inventarisatie van wetgeving die hardvochtig uitpakt voor mensen. Met die kennis kunnen bepaalde wetten waar nodig worden aangepast en kunnen onnodige hardheden in de toekomst worden vermeden.
Vraag:
Wat vindt de minister ervan dat twee hooggeplaatste politici een papier
hebben gehad met daarop āPieter Omtzigt, functie eldersā?
Antwoord:
Over het proces van de formatie heeft uw Kamer op verschillende momenten
gedebatteerd met de op dat moment door uw Kamer aangestelde verkenners
en/of informateurs. Ik verwijs naar deze debatten.
Vragen van het lid Sneller, J. (D66)
Vraag:
Zouden we het front van degene die ons van gefundeerde tegenspraak
voorzien niet verder moeten verbreden en versterken? Is de minister
bereid te onderzoeken welke mogelijkheden er zijn om Nederlandse ngoās
op gepaste afstand financieel te ondersteunen zodat zij beter toegerust
zijn om regering en parlement scherp te houden en te informeren?
Antwoord:
Met de fractie van D66 onderschrijf ik het belang van onafhankelijke en
gefundeerde tegenspraak in de democratie. Het lid Sneller vraagt of ik
bereid ben te onderzoeken welke mogelijkheden er zijn om Nederlandse
ngoās op gepaste afstand financieel te ondersteunen zodat zij beter
toegerust zijn om regering en parlement scherp te houden en te
informeren. Ik wil zoān onderzoek toezeggen, met de belangrijke
aanvulling dat ik het juist van belang vind om het vraagstuk van macht
en tegenmacht in breder perspectief te beschouwen. Dus: niet alleen een
focus op ngoās, maar juist zien of het nodig is en zo ja hoe we
tegenspraak in algemene zin zouden kunnen verbreden en versterken en
welke organisaties en instanties hier een rol in kunnen spelen.
Vraag:
Wat vindt de minister van een wettelijke verplichting om in principe
alle rechterlijke uitspraken te publiceren?
Antwoord:
Ik vind het een goed idee dat de rechtspraak voornemens is meer
uitspraken te publiceren, omdat rechterlijke uitspraken (naast wetgeving
en parlementaire informatie) behoren tot de basisinformatie van de
democratische rechtsstaat. De voorzitter van de Raad voor de Rechtspraak
heeft dit voorjaar ook het streven gemeld om 75% van de uitspraken te
gaan publiceren. Een verplichting lijkt mij daarom niet nodig. Overigens
zou het ook onwenselijk zijn, in zoverre een deel van de zaken achter
gesloten deuren plaatsvindt (bijvoorbeeld m.b.t. jeugdigen), zo heb ik
ook begrepen van de collegaās van het ministerie van Justitie en
Veiligheid.
Vraag:
De agendaās van bewindspersonen moeten toegankelijker worden gemaakt. De
premier heeft toegezegd dit bij het constituerend beraad aan de orde te
stellen of daarvoor te zorgen. Kamerlid Sneller verzoekt om met nadere
regels te komen zodat de vrijblijvendheid eraf gaat.
Antwoord:
Sinds 2017 bieden de bewindslieden via de website www.Rijksoverheid.nl
inzicht in hun publieke agenda-afspraken, met uitzondering van die zaken
die ook voor de Wob gelden (o.a. veiligheid van de staat). Dit staat in
de Uitvoeringsrichtlijn openbare agendaās bewindslieden, die openbaar
is. De bewindspersonen zijn zelf verantwoordelijk voor wat er op de
openbare agenda komt. De Kamer kan dus bewindspersonen hierop
aanspreken, en daarmee is het niet vrijblijvend.
De minister-president heeft toegezegd dat hij, voor zover het in zijn
macht ligt, zal bevorderen dat de formateur van het volgende kabinet in
het constituerend beraad deze afspraak aan de orde stelt. Het is
denkbaar dat de agenda-afspraken op te gaan nemen in een gedragscode
integriteit bewindspersonen. Dit is in lijn met de aanbevelingen van de
GRECO.
Vraag:
Bij de behandeling van de Wet open overheid (Woo) in de senaat werd door
fractie Nanninga een motie ingediend om een concrete kwantitatieve
doelstelling aan te verbinden. Die motie is ontraden vanwege de
specifieke meetlat die was gekozen. Heeft minister een alternatieve
uitwerking die wel werkbaar is om zoān kwantitatieve doelstelling te
formuleren?
Antwoord:
Tijdens de plenaire behandeling van de Woo in de Eerste Kamer (28 sept
jl) heb ik aangegeven dat ik het doel van een kwantitatieve maatstaf
onderschrijf. In dit geval is het doel het verkrijgen van inzicht in de
vraag hoe transparant we als overheid zijn. Het is belangrijk dat we
onszelf dat inzicht verschaffen, en helder krijgen of we als overheid
ook echt transparanter worden. Of dat kwantitatief zinvol kan, is echter
de vraag; dit zou ook op kwalitatieve wijze kunnen. Daarin zie ik een
belangrijke rol voor het Adviescollege Openbaarheid en
Informatiehuishouding. Dit college gaat adviseren over de stand van de
openbaarheid en informatiehuishouding in ons land, en de toegang tot
publieke informatie. Deze adviezen zouden een stijgende lijn moeten
laten zien. Daarnaast wordt een rechtsvergelijkend onderzoek uitgevoerd.
Ook de uitkomsten van dit onderzoek kunnen ons mogelijk nog inzicht
verschaffen in de instrumenten die -kwalitiatief dan wel kwantitatief-
ingezet kunnen worden om inzicht te krijgen in de mate van transparantie
van ons bestuur.
Vraag:
Kan de minister een reactie geven op de aanbevelingen van de Raad van
Europa, o.a. over het vergroten van het gemeentelijk belastinggebied en
over de trap op trap af systematiek?
Antwoord:
In het monitoringsrapport over de toepassing van het Europees Handvest
inzake Lokale Autonomie worden twee aanbevelingen gedaan die de context
van de financiƫle situatie van gemeenten betreffen.
De eerste aanbeveling was om de doorgevoerde decentralisaties naar
gemeenten te verbeteren door herberekening van de noodzakelijke
bekostiging voor gemeenten en door gerichte ondersteuning van gemeenten
in nood.
Het kabinet is zich ervan bewust dat de financiƫle positie van gemeenten
onder druk staat en in dit kader heeft het kabinet dan ook diverse
maatregelen genomen, zoals het schrappen van de oploop van de
opschalingskorting en extra middelen voor jeugdzorg.
De tweede aanbeveling betrof een wijziging in het systeem van
bekostiging, die rekening houdt met de aard van taken, het beginsel van
evenredige financiƫn respecteert en het aandeel van lokale middelen
vergroot.
Samen met de VNG en het IPO heb ik diverse onderzoeken laten doen, ik
noem: de herijking van het gemeentefonds, de normeringssystematiek en de
herziening van het gemeentelijk en provinciaal belastinggebied. De
besluitvorming hierover is aan een volgend kabinet.
Naast deze aanbevelingen inzake de financiƫle positie van gemeenten
bevat het rapport van de Raad van Europa nog enkele andere waardevolle
aanbevelingen voor verbeteringen in het lokaal en regionaal bestuur, die
doorgevoerd kunnen worden door een nieuw kabinet.
In de notitie āAanbevelingen verbeteringen in bestuur en financiĆ«n
medeoverhedenā ā die ik op 1 juli jl. aan de beide Kamers heb
toegestuurd ā is hiervoor een aantal suggesties gedaan.
Vraag:
De Code Interbestuurlijke Verhoudingen, artikel 7, zegt dat de ministers
van Algemene Zaken en Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de
informateurs zal verzoeken ook de decentrale overheden te consulteren.
Ik heb het in de pers nog niet langs zien komen, maar ik neem aan dat de
brief op de post is?
Antwoord:
De Code interbestuurlijke verhoudingen schrijft inderdaad voor dat
decentrale overheden geconsulteerd horen te worden door de
kabinets(in)formateur als het in de informatie gaat over de bestuurlijke
en financiƫle verhoudingen.
Bij brief van 1 juli heb ik uw Kamer de notitie "Aanbevelingen
verbeteringen in bestuur en financiƫn medeoverheden", toegestuurd. Dit
naar aanleiding van een motie van het lid Bromet (Kamerstukken II
2020/21, 35830 VII, nr. 10), waarin de regering wordt verzocht om ervoor
zorg te dragen dat er zo spoedig mogelijk een gezamenlijke
probleemanalyse over de interbestuurlijke verhoudingen en financiƫle
verhoudingen wordt opgesteld en de Kamer hierover te informeren. Deze
notitie is tevens voorbereid ter uitvoering van de motie van het
(toenmalige) lid Ćzütok (Kamerstukken II 2020/21, 35300 B, nr.
23).
Deze notitie is dus openbaar en ligt ook gereed voor het geval een
(in)formateur vraagt om een beschouwing op de interbestuurlijke en/of
financiƫle verhoudingen. Hier wordt tevens verwezen naar de genoemde
bepaling in de Code interbestuurlijke verhoudingen.
Vragen van het lid Arib, K. (PvdA)
Vraag:
Systeemverantwoordelijkheid met betrekking tot de uitvoering van de WOB.
De minister heeft toegezegd dit met ministers te bespreken en de PvdA is
benieuwd wat daar is uit gekomen?
Antwoord:
Dit is inderdaad besproken, waarbij ik heb aangegeven dat ik het
voortouw neem bij het gezamenlijk opstellen van maatregelen om de
situatie te verbeteren. Er is echter niet een snelle oplossing voor
handen, het probleem is complex. Zo rust de passieve
openbaarmakingsplicht op een intensieve belangenafweging. Alle betrokken
documenten moeten aan de Wob getoetst worden, en uitzonderingsgronden,
zoals privacygevoelige informatie, moeten gelakt worden. Vaak ook is een
zienswijze van derden nodig. Dit zijn tijdrovende processen. Daarnaast
ontbreekt het nog aan een goede informatiehuishouding. Ordening vindt
doorgaans alleen plaats in de documentmanagementsystemen, maar
informatie (met name mailverkeer) bevindt zich steeds vaker buiten
systemen. Een bijkomend probleem is dat we in de Wob-praktijk in
toenemende mate worden geconfronteerd met omvangrijke en weinig gerichte
verzoeken. Dit maakt de afhandeling complex en tijdrovend.
Om de situatie te verbeteren, werken we gezamenlijk langs verschillende
sporen aan maatregelen om de situatie te verbeteren. Allereerst is er de
inzet op de implementatie van de Woo, waaronder het
actief openbaar maken van documenten, het op orde brengen van de
informatiehuishouding, en inrichting van het Adviescollege Openbaarheid
en Informatiehuishouding. Dat college gaat adviseren hierover en een
bemiddelingsfunctie krijgen. Ten tweede bekijken we aanvullende
maatregelen specifiek op de verbetering van de uitvoering van de
passieve openbaarmaking; denk aan slimme oplossingen in de ICT
bijvoorbeeld, of een onderzoek naar best practices waar van geleerd kan
worden en waar we als rijk intensiever kunnen samenwerken. Ten derde
laat ik internationaal rechtsvergelijkend onderzoek uitvoeren, naar
wetgeving in andere landen, om lessen uit te trekken en mogelijk onze
eigen wetgeving te verbeteren, wanneer de informatiebasis op orde is.
Tot slot zal ik in overleg treden met de belangrijkste gebruikers van de
wet, journalisten en beroepsverenigingen. Dit om te bezien of er
mogelijkheden tot verbetering zijn die beter aansluiten bij de wensen
van verzoekers om informatie.
Vraag:
Ik maak me er zorgen over dat de overheid voortdurend procedeert en in
hoger beroep gaat. Dat kost veel geld. Hoeveel zaken lopen er nu
eigenlijk bij de verschillende departementen? Wat kosten al die
rechtszaken? En kunnen we daar een overzicht van krijgen? En gaat dit
straks ook veranderen met de Wet open overheid?
Antwoord:
Dergelijke gegevens staan in de Jaarrapportage juridische kwaliteit.
Gegevens over 2020 zijn nog niet integraal beschikbaar. Deze worden,
wanneer beschikbaar, gepubliceerd op Rijksoverheid.nl. De gegevens over
2019 zijn wel beschikbaar: toen werd er rijksbreed (binnen de
kerndepartementen) 129 keer beroep ingesteld in een wob-zaak en 501 keer
beroep ingesteld tegen andere besluiten (excl. personele zaken) en 154
keer hoger beroep ingesteld.
Voor wat betreft het tweede deel van de vraag: het behandelen van
beroepszaken behoort tot de reguliere werkzaamheden van de
beroepsjuristen op de departementen. Er is kortom geen overzicht
beschikbaar van de kosten die door het ambtelijke apparaat in deze zaken
gemaakt worden. Het is een recht van iedereen om tegen een besluit van
de overheid bezwaar en beroep in te stellen. Die rechtsbescherming in
het bestuursrecht is belangrijk. Rechterlijke controle is juist het
sluitstuk op goede naleving van de wet. Dit algemene bestuursrechtelijke
systeem van bezwaar en beroep verandert niet onder de Wet open
overheid.
Vraag:
Hoe gaat de Wet Open Overheid uitgevoerd worden? Dit heeft ook met de
bereidheid van de bestuurders te maken, die moeten de wet willen
uitvoeren.
Antwoord:
Tijdens de plenaire behandeling van de Woo in de Eerste Kamer (28
september jl.) is toegezegd uiterlijk begin 2022 een brief te zullen
sturen over de wijze waarop de Woo geĆÆmplementeerd en uitgevoerd wordt.
Deze brief zal ook naar de Tweede Kamer verstuurd worden. Dit punt wordt
in de brief ook betrokken.
Vraag:
Gaat de minister er ook op aandringen dat niet alleen journalisten en
burgers via actieve openbaarmaking informatie krijgen, maar dat ook de
Kamer dit krijgt op basis van een ruimhartige toepassing van de
Grondwet? Lid Den Haan heeft zich aangesloten bij deze vraag van het lid
Arib.
Vraag:
De Raad van Europa gaf aanbevelingen met betrekking tot artikel 68 van
de Grondwet. Het Kabinet legt het artikel te restrictief uit volgens de
aanbevelingen. Graag een reactie daarop van de minister. Lid Den Haan
heeft zich aangesloten bij deze vraag van het lid Arib.
Antwoord op de twee bovenstaande vragen:
Net als de Venetiƫ-commissie van de Raad van Europa onderschrijf ik het
belang van een goede informatievoorziening aan het parlement. Dat
betreft zowel het actief informeren van de Kamer als het reageren op
informatieverzoeken van ƩƩn of meer Kamerleden. De restrictieve uitleg
artikel 68 van de Grondwet waar de Venetiƫ-commissie naar verwijst, ziet
op het inmiddels gewijzigde beleid om in documenten die aan de Kamer
worden verstrekt persoonlijke beleidsopvattingen te lakken. Daarin is
ook echt het nodige veranderd doordat het kabinet op dit gebied een
aantal stappen heeft gezet.
Zo worden sinds 1 juli 2021 bij kamerstukken over wetgeving en bij
beleidsvormende brieven aan de Kamer de onderliggende beslisnotaās
meegestuurd. Het kabinet wil hiermee meer openheid geven over de
afwegingen die ten grondslag liggen aan het beleid. In die notaās worden
persoonlijke beleidsopvattingen niet langer gelakt. In het voorjaar van
2022 kunt u een voorstel verwachten voor een verdere uitbreiding van de
openbaarmaking van beslisnotaās.
Daarnaast heeft het kabinet toegezegd dat gerichte verzoeken om
specifieke documenten vanuit de Kamer zullen worden gehonoreerd. En ook
daarbij worden persoonlijke beleidsopvattingen niet meer gelakt.
Ik hecht eraan op dit punt met uw Kamer in dialoog te blijven om goed in
beeld te houden waar nog eventuele aanvullende informatiebehoefte ligt
en te bezien hoe daar vanuit het kabinet op kan worden ingespeeld.
Vragen van het lid Dijk, I. van (CDA)
Vraag:
Waarom is de opschalingskorting niet geschrapt voor provincies?
Antwoord:
Vanwege de onzekere financiƫle situatie van gemeenten, samenhangend met
de coronacrisis is de oploop van de opschalingskorting voor gemeenten
incidenteel geschrapt voor 2020 en 2021.
Aanvullend heeft het demissionair kabinet in de Miljoenennota 2022
bekend gemaakt die oploop ook voor 2022 incidenteel te schrappen. Voor
provincies is de oploop van de opschalingskorting niet eerder geschrapt.
Reden hiervoor is dat de financiƫle omstandigheden van gemeenten
verschilt van die van provincies. Zo wordt anno 2022 een beroep op
gemeenten gedaan voor het sociaal flankerend beleid als gevolg van de
coronacrisis en daarnaast wordt in 2022 extra inzet van gemeenten
gevraagd op dossiers als Herstel gedupeerden toeslagenaffaire en recent
de hogere asielinstroom. De oploop van de opschalingskorting voor
gemeenten is alleen incidenteel geschrapt voor 2022, omdat
besluitvorming over de opschalingskorting voor 2023 en verder voor
gemeenten en provincies aan een volgend kabinet is.
Vraag:
Heeft de minister het idee dat investeringen door gemeentes naar achter
geschoven worden i.v.m. financiƫle problematiek? Om welke bedragen gaat
het?
Antwoord:
Het kabinet is zich ervan bewust dat de financiƫle positie van gemeenten
onder druk staat.
Uit onderzoek dat BZK samen met de VNG heeft laten uitvoeren door
onderzoeksbureau Cebeon, bleek onder andere dat vooral uitgaven op
jeugdzorg de afgelopen jaren de gemeentelijke begrotingen en
voorzieningen onder druk hebben gezet en hiermee ook hebben geleid tot
het vooruitschuiven van investeringen.
Ook het Economisch Instituut voor de Bouw concludeerde afgelopen zomer
dat de gemeentelijke investeringen in infrastructuur onder druk staan
als het gevolg van de financiƫle positie van gemeenten.
Er is geen precies inzicht in de totale omvang van de uitgestelde
investeringen. Dit betreft uiteindelijk autonome keuzes van gemeenten
zelf, waarover in lokale begrotingen inzicht en verantwoording wordt
gegeven.
Een eventuele schatting hiervan hangt af van de gekozen aannames over
het gewenste niveau van investeringen, de afschrijvingstermijn en de
rentestand.
Cebeon heeft in haar onderzoek op basis van een steekproef een schatting
gemaakt van de globale omvang van āstille lastenā in de begrotingen van
gemeenten als gevolg van de uitgestelde investeringen. Dit zijn
bijvoorbeeld afschrijvingslasten en rentelasten die als gevolg van de
uitgestelde investeringen niet in de begroting tot uiting zijn gekomen.
Cebeon raamt de over meerdere jaren opgelopen achterstand op ā¬700
mln.
Vraag:
Wat is de stand van zaken m.b.t. het gesprek tussen het Ministerie van
Binnenlandse Zaken, de VNG en Kennisinstituten over het minimum
voorzieningsniveau voor gemeenten?
Antwoord:
Het gesprek over de ontwikkeling van het voorzieningenniveau bij
gemeenten maakt onderdeel uit van het reguliere gesprek dat ik met
gemeenten voer over hun financiƫle positie.
Wat het minimale of gewenste voorzieningenniveau bij gemeenten is, is
aan verandering onderhevig. Op sommige beleidsterreinen geldt dat
gemeenten beleidsvrijheid hebben en zelf het voorzieningenniveau kunnen
bepalen, bijvoorbeeld wat betreft zwembaden of bibliotheken. Op andere
terreinen gelden landelijke normen, bijvoorbeeld op basis van de
wet.
Onderzoeksbureau Cebeon concludeerde eerder dit jaar dat het vooralsnog
niet mogelijk is een kwantitatief en eenduidig beeld te geven van het
voorzieningenniveau van alle gemeenten. Dit komt onder meer vanwege
beperkte beschikbaarheid van landelijke data en het ontbreken van
eenduidige definities. Dit onderzoek is ook aan uw Kamer gestuurd.
Om toch meer kwantitatieve beelden bij het niveau van voorzieningen te
ontwikkelen, wordt op verschillende terreinen samen met VNG, gemeenten
en kennisinstituten samengewerkt om voorzieningen in kaart te brengen.
Voorbeelden hiervan zijn de Hervormingsagenda Jeugdzorg en het dashboard
sociale impact Corona. Mijn ministerie neemt hieraan deel en trekt
lessen uit deze trajecten.
Vraag:
Wanneer komt de brief over het recht op persoonlijk contact met de
overheid, waarover vorig jaar een motie is aangenomen?
Antwoord:
Te vaak hebben burgers de afgelopen jaren het gevoel gekregen niet
terecht te kunnen bij de overheid, of klem te zitten tussen balie en
beleid. Dit is een van de belangrijke lessen uit de
kinderopvangtoeslagaffaire. De motie Van der Molen, die vraagt om het
recht op toegang als beginsel voor behoorlijk bestuur verder te
ontwikkelen, sneed dit probleem al aan, nog voordat het rapport Ongekend
Onrecht verscheen.
Algemene beginselen van behoorlijk bestuur worden echter geleidelijk ontwikkeld, in de rechtspraak, niet door het bestuur. Er is geen werkwijze voor het officieel instellen van een nieuw beginsel. Wel kan de overheid beleid ontwikkelen waarbij dit beginsel het uitgangspunt is en verder wordt bevorderd. Voor wat betreft het recht op toegang is dit opgepakt in de kabinetsreactie op Ongekend Onrecht (o.a. Kamerstukken II, 35510, nr. 60, 29 juni 2021), en de overheidsbrede aanpak vanuit het programma Werk aan Uitvoering (WaU), met het principe er is āgeen verkeerde deurā (Kamerstukken II, 29362, nr. 290, 5 maart 2021).
Burgers mogen van de overheid verwachten dat zij hen goed helpt. Als mensen aankloppen bij een loket van een uitvoeringsorganisatie of gemeente om geholpen te worden, mag dat er niet toe leiden dat ze aan hun lot worden overgelaten. Naast snelle en betrouwbare digitale overheidsdienstverlening moeten ook andere vormen van contact mogelijk zijn, bijvoorbeeld via een fysiek loket waar men terecht kan bij iemand van vlees en bloed.
Relevante ontwikkeling daarbij is dat dienstverlening vanuit de overheid steeds vaker digitaal plaatsvindt. Daarom is ook binnen het domein digitale toegang, waarover uw Kamer bij brief van 12 oktober jl. is geïnformeerd (Kamerstukken II, 26643 nr. 788), een belangrijk doel van het beleid gericht op het persoonlijk toegang verlenen tot een goede, efficiënte en inclusieve digitale dienstverlening voor burgers en bedrijven. Voor burgers die niet digitaal zaken kunnen of willen doen, blijft een analoge dienstverlening openstaan (via een balie of telefonisch), ook vanuit het principe recht op toegang. Daarnaast wordt gewerkt aan voorzieningen waarmee burgers een derde digitaal kunnen machtigen of zich kunnen laten vertegenwoordigen, waar dit wettelijk is vereist. De motie wordt dus uitgevoerd in deze context en in betreffende voortgangsrapportage hierover zal de Kamer verder worden geïnformeerd. Er zal geen afzonderlijke brief over de motie worden gestuurd.
Vragen van het lid Bromet, L. (GL)
Vraag:
Waarom heeft het kabinet de opschalingskorting bevroren voor 2022 en is
de opschalingskorting definitief van tafel?
Antwoord:
Zie het antwoord op de vraag van het lid Van Dijk (CDA).
Vraag:
Wat vind de minister van het verlagen van het kiesrecht naar 16
jaar?
Antwoord:
In de voortgangsbrief van 1 juli vorig jaar over de uitvoering van het
advies van de staatscommissie parlementair stelsel (Kamerstukken II
2019/2020, 34430, nr. 16) heb ik uw Kamer gemeld dat het kabinet het
niet opportuun acht om de kiesgerechtigde leeftijd voor de in de Grond-
en Kieswet geregelde verkiezingen te verlagen. Onder meer omdat het
empirisch bewijs over de effecten van een dergelijke verlaging niet
eenduidig is. Dat neemt niet weg dat ik wel een enorme betrokkenheid van
jongeren zie. Die uit zich op allerlei manieren. Ook zonder een
verlaging van de kiesgerechtigde leeftijd kan er heel veel om jongeren
te betrekken bij de democratie, en daar zet ik vol op in. Met jongeren,
gemeenten en organisaties heb ik verschillende pilots ontwikkeld om
ervaring op te doen hoe je jongereninspraak in de praktijk brengt.
Voorbeelden hiervan zijn een innovatiefonds voor initiatieven van
jongeren zelf en vernieuwende gemeentelijke inspraakpilots. Op basis van
deze ervaringen werken we aan een landelijke beleidsaanpak.
Ook heb ik in dit kader vorig jaar de Tweede Kamer de suggestie gedaan
om de leeftijd voor het kunnen indienen van een burgerinitiatief te
verlagen naar 16 jaar. Het kabinet heeft daarbij laten weten dat als de
Tweede Kamer dit nationaal zou willen regelen via het Reglement van Orde
van de Tweede Kamer, het kabinet dan ook de leeftijd voor het Europees
burgerinitiatief zou verlagen. Ik heb geconstateerd dat het amendement
van de leden Ćzütok en Van Meenen, dat met dit doel is ingediend bij de
herziening van het Reglement van Orde van de Tweede Kamer, niet is
aanvaard.
Kortom, mochten in de toekomst de inzichten over de effecten van het
verlagen van de kiesgerechtigde leeftijd bij verkiezingen wijzigen, dan
zou een heroverweging kunnen plaats vinden.
Vraag:
Hoe kijkt de minister naar het eenzijdig opzeggen van het
Trap-op-trap-af-systeem m.b.t. de financiering van lokale
overheden?
Antwoord:
Intensiveringen in de accresrelevante uitgaven (ARU) tellen in principe
mee in het accres. Nu en in de toekomst.
Gelet op het bijzondere karakter van het aanvullende pakket heeft het
kabinet besloten geen accres voor het gemeente- en provinciefonds toe te
kennen over de nieuwe maatregelen.
Aangezien de gemeenten geen accres ontvangen over het aanvullende
pakket, maar wel te maken krijgen met een toename van salarissen in hun
zorgdomein, wordt structureel 80 miljoen euro per jaar toegevoegd aan
het Gemeentefonds.
Daarnaast ontvangen gemeenten in het voorjaar bij de verwerking van
reguliere loon- en prijsbijstelling voor Beschermd Wonen 14 miljoen euro
additionele loon- en prijsbijstelling.
Vraag:
De boeren willen best biologisch worden, maar hebben een gebrek aan
afzet. Hoe mooi zou het zijn als het Rijk, dat toch ook een grote
inkoper is van voedsel, in haar aanbestedingen zou opnemen dat het
biologische producten moeten zijn. Wat vindt de staatssecretaris
hiervan?
Antwoord:
De staatssecretaris zet de inkoop van de Rijksoverheid graag in voor het
stimuleren van verduurzaming en het vergroten van de afzetmarkt voor
duurzame producten en diensten. Dat is een van de principes vanuit de
inkoopstrategie Inkopen met Impact. Voor de catering geldt dat de inkoop
gericht is op duurzaamheidskenmerken voor milieu, dierenwelzijn en mens
en werkomstandigheden, en niet specifiek op biologische producten.
Minimaal 50% procent van de voedingsproducten die de cateraars leveren
dienen te voldoen aan strenge eisen die verder gaan dan wat gangbaar is
in de betreffende branche. Dit kunnen biologische producten zijn, maar
de Rijksoverheid kiest dus voor een bredere benadering dan de gevraagde
focus op biologisch.
Dit is overigens niet het enige wat het Rijk doet. Het Rijk koopt voedingsproducten niet direct in, maar gaat een dienstverlening aan met een cateraar. Met de betreffende cateraars maken we nadere afspraken over hoe we de catering gedurende de looptijd van het contract verder verduurzamen, acteren we gezamenlijk op de mogelijkheden voor social return, realiseren we meer grip op arbeidsomstandigheden in de productieketen en werken we samen met de cateraars aan het tegengaan van verspilling.
Vragen van het lid Ceder, Don (CU)
Vraag:
De heer Ceder vroeg naar de mogelijkheden voor constitutionele toetsing
en mijn reflectie daarop. Aan welke varianten wordt gedacht?
Antwoord:
Het klopt dat een grondwetstraject met betrekking tot constitutionele
toetsing alvast technisch wordt voorbereid. Zoals ook de
minister-president heeft aangegeven tijdens de Algemene politieke
beschouwingen, ligt het namelijk niet in de rede om ā zoals in de
motie-Kuik wordt gevraagd ā eerst te volstaan met de indiening van een
wetsvoorstel om artikel 120 van de Grondwet te schrappen en pas op een
later moment de uitwerking van de grondwettelijke toetsing ter hand te
nemen.
Dit vergt een geïntegreerde afweging van principiële en praktische
gevolgen en het ligt in de rede dat een volgend kabinet dit in ƩƩn
grondwetgevingstraject ter hand zal nemen. Met de technische
voorbereiding ben ik momenteel bezig. Daar kan ik nu nog niet op vooruit
lopen. Wel kan ik alvast meegeven dat ik bezig ben met een overzicht van
de verschillende mogelijkheden tot toetsing, om zo de politieke
besluitvorming over de mogelijke invoering van een vorm van
grondwettelijke toetsing te faciliteren. Deze mogelijkheden hebben
betrekking op de materiƫle, organisatorische en procedurele aspecten van
constitutionele toetsing. Het gaat daarbij om kwesties zoals de vraag of
toetsing moet kunnen plaatsvinden door alle rechters of door een
constitutionele Hof, wat samenhangt met de vraag aan welke onderdelen
van de Grondwet toetsing mogelijk en wenselijk is. Zodra het overzicht
gereed is, zal ik dat met uw Kamer delen.
Vraag:
Zou de minister zich kunnen voorstellen dat naast het
gelijkheidsbeginsel ook het genadebeginsel, of recht voor genade zoals
het in Belgiƫ wordt genoemd, in de grondwet komt? Een ingekaderde ruimte
voor politieke bestuurders om uitzondering te maken zonder dat dit
vervolgens per definitie rechtsgevolgen heeft of precedentwerking voor
anderen op grond van gelijkheidsbeginsel, waarbij uiteraard
democratische controle op oneigenlijk gebruik kan plaatsvinden.
Antwoord:
De heer Ceder werpt een interessante gedachte op, maar ik kan mij weinig
voorstellen bij de verankering van het genadebeginsel, of recht voor
genade, in de Grondwet. Ik heb even snel de Belgische grondwet erop
nageslagen, omdat de heer Ceder daarnaar verwijst. Ik lees daarin wel
een bepaling over genade (artikel 110), maar in de zin van gratie. Nu
zal het de heer Ceder er niet om te doen zijn dat als zodanig te willen
verankeren, want dat is al gebeurd, namelijk in artikel 122, eerste lid,
van onze Grondwet. Zoals de heer Ceder het formuleert, stelt hij een
generieke discretionaire bevoegdheid voor. Dat lijkt me een te grofmazig
instrument.
In het bestuursrecht kennen we de algemene beginselen van behoorlijk
bestuur. Die komen nog het dichtst bij hetgeen waarop in de vraag wordt
gedoeld. Daarnaast moeten we meer dan in het verleden bezien hoe bij het
toedelen van bevoegdheden beleidsvrijheid kan worden geboden. Het ene
beleidsterrein leent zich daar meer voor dan het andere. Het kabinet
vindt dat bij de uitvoering van overheidsbeleid de algemene beginselen
van behoorlijk bestuur leidend moeten zijn. Sommige beginselen zijn
(gedeeltelijk) opgenomen in de Algemene wet bestuursrecht.
In januari 2021 is in het debat over de kabinetsreactie POK een motie
Jetten/Marijnissen aanvaard waarin is opgeroepen tot verdere verankering
van algemene beginselen van behoorlijk bestuur in de Awb. De ministeries
van BZK en Justitie en Veiligheid (J&V) werken aan de uitwerking van
die motie. Uw Kamer is daarover geĆÆnformeerd in het
standvanzakenoverzicht dat staatssecretaris Van Huffelen op 29 juni aan
de Kamer heeft gestuurd. De planning is dat in het voorjaar 2022 een
wetsvoorstel over de aanpassing van de Awb in consultatie gaat, waarin
de motie Jetten/Marijnissen wordt uitgewerkt, met name voor het
evenredigheidsbeginsel, dat inhoud dat iemand door een besluit niet
onevenredig mag worde getroffen in verhouding tot de met het besluit te
dienen doelen. Daarnaast wordt ook gekeken naar andere onderdelen in de
Awb die maatwerk kunnen stimuleren, zoals de hardheid van
bezwaartermijnen, Hierin wordt naast de uitwerking van de motie
Jetten/Marijnissen ook gekeken naar andere onderdelen die maatwerk
kunnen stimuleren, zoals de hardheid van bezwaartermijnen.
Vraag:
Ziet de staatssecretaris ruimte om gemeenten aan te sporen om, daar waar
het kan, onafhankelijke cliƫntondersteuning meer mogelijk te maken en
beter te faciliteren zodat mensen die meer moeite hebben om hun weg te
vinden naar de overheid daar zowel lokaal als landelijk ook steun voor
krijgen?
Antwoord:
Het is van groot belang dat de overheid eenvoudig toegankelijk is voor
alle inwoners. Er wordt dan ook āsamen met de VNG- gewerkt aan het
versterken van de dienstverlening bij gemeenten. Bij het organiseren van
de dienstverlening wordt rekening gehouden met de diversiteit van de
inwoners. Waar mensen digitaal hun vraag willen stellen, moet dat
eenvoudig kunnen. Voor mensen die digitaal niet vaardig zijn moet er een
fysieke ingang zijn. En voor inwoners die de weg naar het loket niet
zelf kunnen vinden, moet de overheid actief op zoek naar deze
inwoners.
Dit kan bijvoorbeeld via wijkteams en sociaal werkers. In de
doorontwikkeling van de Informatiepunten Digitale Overheid zal worden
gekeken of medewerkers van de informatiepunten hun expertise uit kunnen
breiden op het sociaal domein. Hiermee kunnen burgers ook bij de
informatiepunten beter op weg geholpen worden in complexe situaties. Bij
het versterken van de dienstverlening is er nauwe samenwerking tussen
het landelijk en lokale niveau, het rijk en de gemeenten.
Vraag:
In de toeslagenaffaire werden mensen geprofileerd op hun tweede
nationaliteit. Zijn er ook mensen met de Nederlandse nationaliteit in
dat risicoprofiel meegenomen die familiebanden hebben met een
niet-westerse achtergrond?
Antwoord:
Bij de kinderopvangtoeslagen heeft het risicoclassificatiemodel gebruik
gemaakt van de indicator āNederlander Ja/Neeā.
Deze indicator gaf een 'Ja' als ƩƩn van de nationaliteiten van de
aanvrager de Nederlandse was. Dus ongeacht of er sprake was van meerdere
nationaliteiten, iemand met alleen de Nederlandse nationaliteit werd
exact hetzelfde gescoord als iemand met een Nederlandse Ʃn andere
nationaliteit.
Zoals u weet geeft het kabinet naar aanleiding van deze casussen
uitvoering aan de moties Marijnissen c.s. (Kamerstukken II 2020/21,
35510, nr. 21) en Klaver c.s. (Kamerstukken II 2020/21, 35510, nr. 16).
Beide moties vragen het kabinet onderzoek te doen naar het onrechtmatig
gebruik van afkomstgerelateerde indicatoren (nationaliteit, etniciteit,
en geboorteplaatst) in risicomodellen/risicoprofilering en
gegevensverwerkingen.
Op 21 oktober jl. heeft de staatssecretaris van BZK per brief
(Kamerstukken II 2020/21, 26643, nr. 790) de eerste voortgangsrapportage
van alle ministeries met een laatste stand van zaken over de uitvoering
van beide moties gestuurd. Op basis van bevindingen van de (lopende)
onderzoeken, zoals bij het ministerie van Financiƫn, de Belastingdienst
en bij het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, is gekozen
om dit onderzoek niet te beperken tot deze drie indicatoren, maar juist
breder te kijken naar het gebruik van afkomstgerelateerde
indicatoren. Dit betekent dat oneigenlijk of onrechtmatig gebruik van de
familiebanden met een niet-westerse achtergrond zoals de heer Ceder
vraagt, tevens in het onderzoek zal worden betrokken.
Vraag:
Kamerlid Ceder vroeg aandacht voor kwetsbare wijken. Burgemeesters
roepen de landelijke politiek op om tot een gezamenlijke Deltaplan van
20 jaar te komen en vragen om coƶrdinatie van het Rijk. Ook hier is
regie, steun en hulp van het Rijk nodig. Hoe ziet de minister de rol van
het Rijk voor zich ten aanzien van die kwetsbare wijken die verspreid
zijn over het land? Deelt de minister de ambities van het Manifest
'Dicht de kloof' en hoe ziet de regierol voor de minister?
Antwoord:
Lid Ceder (CU) stelde de vraag welke rol ik zie voor de rijksoverheid
bij de aanpak in kwetsbare gebieden zoals in het manifest āDicht de
Kloofā.
Eind 2019 is het interbestuurlijk programma Leefbaarheid en Veiligheid
gestart. De rijksoverheid werkt samen met de vijftien gemeenten die het
manifest āDicht de kloofā hebben geschreven, in zestien stedelijke
vernieuwingsgebieden mee aan een domeinoverstijgende aanpak van
leefbaarheids- en veiligheidsproblemen. Met deze gemeenten,
maatschappelijke partners (zoals scholen, politie en woningcorporaties)
en bedrijven, is per gebied - onder leiding van burgemeesters - een
publiek-private samenwerkingstafel (Alliantie/Pact) ingericht, die zich
hard maakt voor de aanpak van de stapeling van opgaven in het
gebied.
De rijksoverheid is daar partner, die structureel aan tafel zit in de
genoemde publiek-private gebiedsallianties. Vanuit die rol brengen we
waar nodig ruimte in wet- en regelgeving in, en kennis en kunde.
Daarnaast heeft de rijksoverheid in de afgelopen jaren bijna ⬠700 mln.
in deze zestien gebieden geĆÆnvesteerd (via de regio-envelop,
Volkshuisvestingsfonds, Woningbouwimpuls, Programma aardgasvrije wijken,
huisvesting aandachtsgroepen, en preventieve aanpak ondermijning van
J&V), vaak vermeerderd met gemeentelijke cofinanciering.
Dit programma Leefbaarheid en Veiligheid wordt daarom voortgezet, de
mate waarin is afhankelijk van de prioriteit die het volgend kabinet
daar aan geeft.
Vraag:
Kan de minister reageren op het feit dat de circulaire twee dagen na
publicatie werd ingetrokken. Hoe kunnen wij dit voorkomen, zodat
gemeentes kunnen vertrouwen op een circulaire die ook klopt?
Antwoord:
Ik betreur het dat er een kleine technische fout is geslopen in de
septembercirculaire. Dit is hinderlijk is voor gemeenten, die de
informatie nodig hebben voor hun begroting. Daarom is de circulaire ook
zo snel als mogelijk herzien en binnen enkele dagen weer op de website
geplaatst. Het proces is nu al zo ingericht dat een groep van financiƫle
experts van gemeenten meelezen bij de totstandkoming van de circulaire.
Het kabinet zal er alles aan doen om dit soort fouten in de toekomst te
voorkomen.
Vragen van het lid Meijeren, G. van (FvD)
Vraag:
Hoe durft deze minister het woord democratie in de mond te nemen nadat
ze het referendum om zeep heeft geholpen?
Antwoord:
Over de afschaffing van het raadgevend referendum heb ik destijds
uitvoerig met uw Kamer en de Eerste Kamer gedebatteerd. Het voorstel is
door de beide Kamers aangenomen. Voor de gewisselde argumenten verwijs
ik u naar de wetsgeschiedenis. In de afgelopen periode is wel een eerste
lezing afgerond van een grondwetsvoorstel om het correctief bindend
referendum in te voeren. Inmiddels is de tweede lezing van dit
initiatiefwetsvoorstel in behandeling bij uw Kamer. Bij de plenaire
behandeling zal ik, als adviseur van uw Kamer, het standpunt van het
kabinet inbrengen.
Vragen van het lid Dassen, L. (Volt)
Vraag:
Het verdwijnen van publieke voorzieningen - met name buiten de
stedelijke gebieden - betekent het verdwijnen van de overheid voor een
aanzienlijke deel van Nederland. Het gesprek over de waarde van onze
publieke voorzieningen is principieel en fundamenteel. Hoe ziet de
minister dit en is zij bereid om actie te nemen om deze trend te
keren?
Antwoord:
In mijn Kamerbrief over de evaluatie van het Actieplan Bevolkingsdaling
en aandachtspunten voor regionaal beleid van 18 mei jl. (Kamerstukken II
2020/21, 31757 nr. 104) heb ik aangegeven dat aandacht vanuit het Rijk
voor specifieke situaties en opgaven in alle regioās noodzakelijk
blijft.
Hierbij moet oog zijn voor een sociale basisinfrastructuur waarop
iedereen in Nederland recht heeft.
In mijn brief doe ik onder meer de aanbeveling interbestuurlijk en
interdepartementaal te blijven samenwerken aan de regionale opgaven,
zoals bijvoorbeeld door de regiodeals en NOVI-gebieden.
Het is aan een nieuw kabinet om te bepalen hoe het beleid richting deze
gebieden de komende jaren zal worden vormgegeven.
Vraag:
Het kabinet schrijft dat zij de bevindingen van het Amnesty-rapport
herkent en er alles aan zou doen om dit nooit meer te laten gebeuren.
Hoe kunnen we hiervan uitgaan zonder duidelijke Kabinetslijn over het
gebruik van risicomodellen en algoritmes? Weet de minister op welke
andere plekken binnen de overheid gebruik wordt gemaakt van deze
discriminerende algoritmes? Welke maatregelen en waarborgen treft de
minister om de effecten van inbreuk op grondrechten nu al tegen te
gaan?
Antwoord:
Op 26 oktober jl. heeft de staatssecretaris van Financiƫn de reactie op
het rapport van Amnesty naar uw Kamer gestuurd. Het kabinet neemt acties
en maatregelen die erop toezien dat algoritmen op een verantwoorde wijze
worden ingezet. Op 10 juni 2021 is uw Kamer door minister van BZK, de
staatssecretaris van BZK, de minister voor Rechtsbescherming en de
staatssecretaris van EZK geĆÆnformeerd over de kabinetslijn inzake het
gebruik van AI en algoritmen (Kamerstukken II 2020/21, 26643, nr.
765).
Ingaand op de vraag of bekend is op welke andere plekken binnen de
overheid gebruik wordt gemaakt van algoritmes die oneigenlijk of
onrechtmatig gebruikmaken van afkomstgerelateerde persoonsgegevens,
geeft de staatssecretaris uitvoering aan de motie van het lid
Marijnissen c.s. (Kamerstukken II 2020/21, 35510, nr. 21) waarin wordt
gevraagd dat vervuilde data, risicomodellen en het gebruik van
nationaliteit binnen overheidsinstellingen worden opgeruimd. Uitvoering
van deze motie gebeurt met inachtneming van het verzoek van lid Klaver
c.s. (Kamerstukken II 2020/21, 35510, nr. 16) om hierbij niet alleen te
kijken naar nationaliteit, maar ook naar etniciteit en geboorteplaats.
Op 21 oktober jl. heeft de staatssecretaris een voortgangsbrief naar de
Kamer verzonden.
Ten aanzien van de vraag naar de maatregelen en waarborgen om de
effecten van inbreuk op grondrechten nu al tegen te gaan, verwijs ik
graag naar de beleidsagenda die is aangekondigd in bovengenoemde
Voortgangsbrief AI en algoritmen en de I-Strategie Rijk 2021-2025
(Kamerstukken II 2020/21, 26643, nr. 779). Het Impact Assessment
Mensenrechten en Algoritmen is in juni opgeleverd. In reactie op de
motie van het lid Klaver c.s. presenteer ik in januari 2022 een voorstel
ten aanzien van een algoritmeregister.
Vragen van het lid Eerdmans, J. (JA21)
Vraag:
Erkent de minister dat er bij ongewijzigd beleid (1 miljoen woningen) er
alleen gebouwd wordt om bevolkingstoename te faciliteren en niet om de
achterstand van 300.000 weg te werken?
Antwoord:
Nee dat erken ik niet. De woningbouwopgave voor de periode tot en met
2030 gaat uit van 900 duizend woningen. In die opgave zit 1) zowel het
accommoderen van de toename van de woningbehoefte (de demografische
groei) alsmede 2) het inlopen van het woningtekort naar 2% in 2035 en 3)
vervangende nieuwbouw in het kader van sloop. De groei van de
woningbehoefte is een gevolg van de toename van het aantal huishoudens.
Deze neemt toe door o.a. huishoudverdunning (toename aantal
alleenstaanden), vergrijzing en migratie.
Vraag:
Is het wijzen naar de gemeente voor de opvang van statushouders geen
afleidingsmanoeuvre van het kabinet? Is de minister het met JA21 eens
dat gemeenten niet de vrijheid zouden moeten hebben om voorrang te geven
aan statushouders bij huisvesting?
Antwoord:
Tijdige huisvesting van vluchtelingen met een verblijfsstatus is in het
belang van de gehele Nederlandse maatschappij; pas wanneer deze mensen
vanuit een asielzoekerscentrum doorstromen naar een woning kunnen zij
echt starten met integreren, participeren en bijdragen aan de
samenleving. Bovendien zorgt een snelle doorstroom naar huisvesting voor
minder maatschappelijke kosten.
De taakstelling is bedoeld om elke gemeente daar haar passende
verantwoordelijkheid in te laten nemen, en zorgt daarnaast voor een
evenwichtige spreiding over het land. Het is sinds 1 juli 2017 niet meer
verplicht om statushouders als urgentiecategorie aan te merken. Voor
verdere vragen verwijs ik u graag naar het WGO Wonen en Ruimte van 15
november.
Vraag:
Aardgasvrij maken bebouwde omgeving ā waarom willen we dit als je ziet
dat China in een klap al de Nederlandse inzet teniet doet met
ontwikkelingen als het bouwen van kolencentrales?
Antwoord:
Los van het feit wat er in China gebeurt, is het verstandig dat we
overschakelen op alternatieve energiebronnen om - nu we de gaswinning in
Groningen stoppen - niet alleen afhankelijk te zijn van bijv. Russisch
gas.
Daarnaast hebben we de laatste tijd gezien dat gasprijzen volatiel zijn:
door de gebouwde omgeving minder van gasafhankelijk te laten zijn,
beschermen we huishoudens tegen hoge gasrekeningen.
Maar belangrijker nog: we willen de uitstoot van CO2 verminderen om - ook via de gebouwde omgeving- een bijdrage te leveren aan het beperken van de opwarming van de aarde. Daarbij helpt iedere CO2 reductie.
Vraag:
Hoe kijkt de minister tegen het feit aan dat gemeente moeten fuseren
door financiƫle problematiek?
Antwoord:
Het Kabinet heeft, zoals vastgelegd in het beleidskader gemeentelijke
herindeling, een sterke voorkeur voor herindelingen van onderop, dus met
lokaal bestuurlijk en maatschappelijk draagvlak. Er zijn meerdere
redenen voor gemeenten die aanleiding geven om te fuseren, waaronder een
gebrek aan bestuurs- en uitvoeringskracht voor opgaven waar gemeenten
voor gesteld staan. Extra financiƫle middelen zullen echter nooit een
structureel gebrek aan bestuurs- en uitvoeringskracht compenseren.
Uitgangspunt moet uiteraard wel zijn dat gemeenten over de middelen
beschikken die nodig zijn om hun wettelijke taken naar behoren uit te
voeren. Dit betekent dat de verantwoordelijkheden die bij gemeenten zijn
belegd in balans moeten zijn met de middelen die zij daarvoor
beschikbaar hebben.
Vraag:
Gaan de gemeente aangesproken worden voor de financiƫle problematiek
voor het project aardgasvrij? Of gaat dit leiden tot een lastenverhoging
voor burgers?
Antwoord:
Met alle gemeenten die betrokken zijn bij het Programma Aardgasvrije
Wijken worden jaarlijkse monitoringsgesprekken gevoerd. De algehele
voortgang, ervaren knelpunten en geleerde lessen zijn hierbij onderwerp
van gesprek. Eventuele financiƫle problematiek komt hierbij dus aan de
orde. Bij proeftuinen uit de eerste ronde loopt de formele financiƫle
verantwoording via de gemeenteraad als gevolg van de keuze voor een
decentralisatie uitkering. Omdat de proeftuinen uit de tweede (en straks
derde) ronde middelen via een specifieke uitkering uitgekeerd hebben
gekregen, dienen zij zich bovendien jaarlijks financieel te
verantwoorden bij het Rijk. Via de rijksbijdrage kunnen gemeenten borgen
dat in de proeftuinen een betaalbaar aanbod wordt gedaan. In het geval
van Purmerend heeft de gemeenteraad besloten dat de bewoners in de
proeftuin kosteloos kunnen overstappen op het warmtenet.
Vraag:
Gaat de minister de kromme financiering van politieke partijen recht
trekken, waarin lokale partijen minder subsidie krijgen?
Antwoord:
Ik hecht er waarde aan dat decentrale politieke partijen worden
ondersteund in de uitvoering van hun taken.
Dat geldt zowel voor de lokale afdelingen van landelijke partijen, als
voor lokale partijen. Daarom heb ik voor de periode 2020-2024 een
meerjarige subsidie van ⬠350.000 euro per jaar beschikbaar gesteld aan
het Kennispunt lokale politieke partijen. Dit Kennispunt biedt
ondersteuning aan politieke partijen in het decentraal bestuur, die geen
gebruik kunnen maken van de ondersteuning door een landelijke partij.
Dat beschouw ik als een eerste stap. Ik sta positief tegenover het
advies van de commissie-Veling om een subsidieregeling voor decentrale
partijen te introduceren. Het is aan het nieuwe kabinet om de vraag te
beantwoorden of er een structurele subsidieregeling voor decentrale
partijen moet komen en zo ja, hoeveel middelen hiervoor worden
gereserveerd en welke vorm deze regeling moet krijgen.
Vraag:
Proeftuin Programma Aardgasvrije Wijken (PAW) in Purmerend is een
onrealistisch groen prestigeproject, over de rug maar uit de portemonnee
van de belastingbetaler. Graag een reactie van de minister, is dit waar?
Wat vindt u daarvan, dat zoān bewierookt project in Purmerend toch een
speelbal lijkt van politieke belangen. Het lijkt mij onwaarschijnlijk
overigens dat er geen contact is geweest tussen departement en gemeente
Purmerend, is dat zo? Graag wat opheldering daarover, ook of u al bekend
was dat dit project al maandenlang als onhaalbaar werd gezien.
Antwoord:
Ik heb afgelopen dinsdag gelijksoortige vragen van lid Kops (#0009798)
over de proeftuin in Purmerend beantwoord. Ik verwijs daar graag naar.
In aanvulling hierop: Er is met regelmaat contact met alle proeftuinen,
dus ook met Purmerend. Uit die contacten is niet gebleken dat de
planning onhaalbaar, dat de kosten buitensporig hoog zouden zijn. De
gemeente heeft de planning met ruim vier maanden verschoven, dit is
gemeld aan de gemeenteraad. Uitgangspunt is en blijft dat er voor de
bewoners van deze proeftuin gekomen wordt tot een betaalbaar aanbod. De
gemeenteraad van Purmerend heeft besloten dat de bewoners in de
proeftuin kosteloos kunnen overstappen op het warmtenet. Voor overige
vragen hierover verwijs ik u graag naar het WGO Wonen en Ruimte van 15
november.
Vragen van het lid Baarle, S. van (DENK)
Vraag:
Deelt de minister de mening dat er gewoon meer geld nodig is om
discriminatie uit te bannen en er nog meer moeten gebeuren in de komende
periode?
Antwoord:
De aanpak van discriminatie is voor dit demissionaire kabinet een
belangrijk thema. Nog te vaak ervaren Nederlanders dat ze worden
uitgesloten op grond van geslacht, kleur, ras, leeftijd, geloof,
seksuele gerichtheid of beperking. Discriminatie, racisme en
onderdrukking is verboden en mag nooit geaccepteerd worden. Net als de
heer Van Baarle vind ik dat het een belangrijke opdracht is hier nog
harder tegen te strijden. Het is niet voor niets dat het kabinet in juni
een versterkte aanpak van discriminatie heeft aangekondigd en om die
reden heeft kabinet extra geld vrij gemaakt voor de aanpak van
discriminatie. Er is inmiddels een Nationaal Coƶrdinator tegen
Discriminatie en Racisme en voor het einde van het jaar zal ik u
informeren over de instelling van een Staatscommissie die onderzoek gaat
doen naar discriminatie in Nederland in het algemeen en naar etnisch
profileren bij de overheid. Het komend jaar zal de aangekondigde aanpak
verder uitgevoerd worden.
Verdere intensivering van het antidiscriminatiebeleid vergt ook keuzes
door het volgende kabinet. Alsdan zullen ook de financiƫle gevolgen
daarvan moeten worden bezien.
Vraag:
Kamerlid Van Baarle vraagt om een update te geven over de uitvoering van
de moties ingediend door DENK die toezien op de bestrijding van
discriminatie?
Antwoord:
De moties waar de heer van Baarle aan refereert zijn waarschijnlijk
onder meer een motie over het Integraal afwegingskader en een motie over
de discriminatietoets. Er wordt momenteel gewerkt aan aanpassing van het
IAK en de discriminatietoets. Hierover bent u in juni door de minister
van Rechtsbescherming geĆÆnformeerd. Zodra de aanpassingen zijn afgerond
zal u door het kabinet hierover geĆÆnformeerd worden. Over de motie om
een brede doorlichting uit te voeren op discriminatie en etnisch
profileren binnen de overheid heb ik u al geĆÆnformeerd dat dit
meegenomen wordt in de opdracht van de Staatscommissie. Ook hierover zal
ik u snel apart informeren. Dan zijn er nog enkele moties over
onderzoeken, namelijk een motie met het verzoek te onderzoeken hoe
discriminatie als gevolg van de coronacrisis kan worden bestreden, een
motie over de meldingsbereidheid en de motie over het
mysteryguestonderzoek op de woningmarkt. Dat laatste onderzoek wordt
binnenkort met uw Kamer gedeeld. Over uitvoering van de andere 2
onderzoeken wordt u nog geĆÆnformeerd. Ik ben bezig om de uitvoering van
deze moties mee te nemen in een breder perspectief, waarbij ik het
gehele meldingsproces tegen het licht wil houden, zodat we ook
daadwerkelijk de meldingsbereidheid kunnen verhogen en discriminatie
gerichter kunnen aanpakken. Een beter meldingsproces leidt mogelijk tot
meer meldingen en meer meldingen betekent dat we beter weten waar welke
soorten van discriminatie plaatsvinden. Zo kunnen we gerichter
discriminatie aanpakken. Ik zal bij de multi-agencyrapportage die ik uw
Kamer jaarlijks toestuur in juni wederom vragen of de onderzoekers
inzicht willen geven over meldingen die verband houden met corona.
En tot slot de motie over de NCDR om hem jaarlijks aan de Kamer te laten
rapporteren beschouw ik als afgedaan, aangezien er nu een Nationaal
Coƶrdinator is gestart, die nu hard aan de slag is gegaan met de
totstandkoming van een Nationaal Programma. De planning is dat er in het
voorjaar een eerste Programma is. Ik verwacht dat de Nationaal
Coƶrdinator tegen die tijd met uw Kamer in gesprek zal gaan over zijn
activiteiten en resultaten.
Vraag:
Klopt het dat de Nationale Coƶrdinator Discriminatiebestrijding geen rol
heeft in het onderzoeken van de eigen Rijksoverheid? Zou zoān
coƶrdinator niet ook een waakhond moeten zijn die ook iets over de
Rijksoverheid zegt?
Antwoord:
In zowel het onderzoek van ABD Topconsult als in het profiel van de NCDR
staat dat de NCDR de taak heeft om te komen tot een Nationaal Programma,
waarbij hij de inbreng vanuit de samenleving en maatschappelijke
organisaties samenbrengt en coƶrdineert. Wat precies de inhoud wordt van
het Nationaal Programma is nu nog niet bekend. De nieuwe coƶrdinator is
momenteel bezig met zijn kennismakingsronde. De NCDR verwacht in het
voorjaar het Nationaal Programma te kunnen presenteren. De NCDR zal nauw
samenwerken met het kabinet en met de nog in te stellen Staatscommissie.
De Staatscommissie krijgt de opdracht om onderzoek te doen naar de stand
van racisme in Nederland, voorstellen te doen en effecten van beleid te
monitoren, waaronder specifiek ook de taak om een brede doorlichting op
discriminatie en etnisch profileren uit te voeren van de werkwijze en
organisatiecultuur van (semi)overheidsinstanties en
uitvoeringsinstanties. De NCDR is juist aangesteld om te zorgen voor een
meer gecoƶrdineerde aanpak, zodat de verschillende maatregelen in
samenhang tot een beter resultaat kunnen leiden en om het beleid aan te
jagen. Burgers kunnen bij klachten over discriminatie door de
rijksoverheid terecht bij de Nationale ombudsman en het College voor de
Rechten van de Mens, die daar onderzoek naar kunnen doen.
Vraag:
Wat DENK betreft moeten de straffen voor beroepsmatige discriminatie
door overheidsambtenaren worden verzwaard, en moet er ook een meldpunt
komen voor discriminatiegedrag binnen de hele overheid. Graag een
reactie van de minister.
Antwoord:
Bij de Rijksoverheid wordt bekeken op welke wijze racisme en
discriminatie het beste kunnen worden gemeld. Uiteraard kunnen de al bij
het Rijk bestaande meldpunten hiervoor gebruikt worden, maar wellicht is
het goed om hiervoor een apart meldpunt op te richten. We doen onderzoek
om te bekijken hoe we het melden van racisme en discriminatie kunnen
inpassen in de integriteitsinfrastructuur van het Rijk.
Wat betreft de vraag naar strafverzwarende omstandigheden, wijs ik op
artikel 44 van het Wetboek van Strafrecht. Dat bepaalt dat indien een
ambtenaar door het begaan van een strafbaar feit een bijzondere
ambtsplicht schendt of bij het begaan van een strafbaar feit gebruik
maakt van macht, gelegenheid of middel hem door zijn ambt geschonken, de
op het feit gestelde straf, met uitzondering van geldboete, met een
derde kan worden verhoogd.
Vraag:
DENK wil dat de ambtseed wordt aangepast. Wat DENK betreft moeten
aspirant-ambtenaren zweren of beloven dat zij iedere Nederlander tijdens
hun ambtsperiode gelijkwaardig zullen behandelen. Deelt de minister
dit?
Antwoord:
Zoals ook in de Gedragscode Integriteit Rijk is opgenomen, staat voor
het werk van rijksambtenaren trouw aan de publieke taak voorop. Het is
daarom goed om dit expliciet tot uitdrukking te brengen in de ambtseed,
zoals in de motie Ellian is gevraagd. Ik ben bij de uitvoering van deze
motie voornemens om de tekst van de ambtseed voor rijksambtenaren in
zijn geheel nog eens kritisch te bezien. De suggestie van de heer Van
Baarle (Denk) zal ik daarbij in overweging nemen. Ik zeg erbij dat
wijziging van de ambtseed wel een traject is met een lange doorlooptijd.
Dit omdat de ambtseed en ābelofte voor alle overheidswerkgevers
afzonderlijk bij amvb zijn geregeld en dus ook bij amvb moeten worden
gewijzigd.
Vraag:
Wat gaat de regering precies doen om discriminerende algoritmes bij de
overheid uit te bannen?
Antwoord:
Er zijn in 2021 verschillende acties die door de regering ondernomen ter
voorkoming van discriminatie binnen algoritmes bij de overheid. Een
voorbeeld hiervan is een handreiking AI-systeemprincipes voor
non-discriminatie. Die helpt ontwikkelaars van AI-systemen om
discriminerende patronen in gegevens te identificeren, te voorkomen en
te bestrijden. Daarnaast is er de Impact Assessment Mensenrechten
Algoritmen (IAMA). Dit is een instrument voor discussie en
besluitvorming voor overheidsorganen. Het instrument maakt een
interdisciplinaire dialoog mogelijk door degenen die verantwoordelijk
zijn voor de ontwikkeling en/of inzet van algoritmesystemen.
Verder financiert BZK samen met de departementen OCW, EZK, Defensie en
J&V het NWA programma āMensgerichte AI voor een inclusieve
samenleving ā naar een ecosysteem van vertrouwenā. Dit
onderzoeksprogramma kent twee fasen. In de eerste fase worden de
aanvragen van maximaal vijf ELSA (ethical, legal, societal aspects) Labs
toegekend. Dat zijn labs waarin op basis van concrete use cases de
impact van algoritmen op de maatschappij en burgers wordt onderzocht.
Voor de tweede fase wordt een netwerkproject ingericht waarin
uitwisseling van projecten plaatsvindt en waarin wordt samengewerkt aan
overkoepelende resultaten en het ontwikkelen van een blauwdruk voor ELSA
Labs. Deze activiteiten zijn ook verbonden aan de samenwerking in de
Nederlandse AI Coalitie.
Voor verdere informatie over de aanpak betreffende discriminerende
algoritmes, verwijs ik naar de aan de Kamer gezonden brief van 10 juni
2021, āVoortgang AI en Algoritmenā (Kamerstukken II 2020/21, 26643 nr.
765) en naar de brief betreffende de I-strategie 2021-2025 (Kamerstukken
II 2020/21, 26643 nr. 779).
Vraag:
Is het huidige beleid tegen discriminatie wel effectief genoeg? Sociaal
Cultureel Planbureau laat zien dat de discriminatie cijfers op hetzelfde
niveau liggen.
Antwoord:
Discriminatie is een hardnekkig probleem in onze samenleving.
Discriminatie is verboden en mag nooit geaccepteerd worden. Uit de
cijfers van het SCP blijkt dat ongeveer een kwart van de Nederlanders
discriminatie ervaart. Met een versterking van de aanpak, waar onder
andere de Nationaal Coƶrdinator tegen Discriminatie en Racisme en de nog
in te stellen staatscommissie, samen met gemeenten, Nationale ombudsman,
College voor de Rechten van de Mens en maatschappelijke organisaties een
belangrijke rol in spelen, heeft dit kabinet een start gemaakt met het
aanpakken van dit hardnekkige probleem. Het effect van deze versterking
zal over een paar jaar zichtbaar moeten zijn. Daarbij past wel de
kanttekening dat het kabinet ook inzet op het verhogen van de
meldingsbereidheid, waarmee steeds meer nu nog verborgen discriminatie
zichtbaarder wordt. Daarmee wordt het probleem niet groter, maar wel
zichtbaarder. Hierdoor is het mogelijk om gerichter beleid te
ontwikkelen dat leidt tot het verkleinen van discriminatie in Nederland.
Vraag:
Wordt het huidige antidiscriminatiebeleid wel goed gemeten op
effectiviteit? Uit eerdere beantwoording van schriftelijke vragen bleek
dat de regering aangaf dat dit niet helemaal helder is welke indicatoren
gebruiken we hiervoor? Hoe zit dat?
Antwoord:
In antwoord op Kamervragen van DENK (in juni) over een vergelijkbare
vraag heb ik uw Kamer in algemene zin laten weten dat het bij de aanpak
van een hardnekkig probleem als discriminatie lastig is om het succes
van de inzet op preventie te meten. Discriminatie is namelijk niet
altijd even goed zichtbaar. Dat betekent niet dat het er niet is, maar
maakt het lastiger om te meten of het beleid effect heeft. Toch wordt op
diverse terreinen en gronden nadrukkelijk aandacht geschonken aan het
meten van de effecten van antidiscriminatiebeleid en het doen van
onderzoek. Zo zal ik onderzoek laten doen naar het meldingsproces en
laat ik jaarlijks het aantal meldingen over discriminatie onderzoeken.
Ook laat ik periodiek de monitor discriminatie bij woningverhuur
uitvoeren en informeer ik u binnen een maand over het vervolgonderzoek
over de inzet van mysterycalls. Ook op andere gronden wordt
evidence-based beleid gemaakt, waarbij onder andere gebruik gemaakt
wordt van het Kennisplatform Integratie en Samenleving (KIS). Binnen de
versterkte aanpak van discriminatie en racisme, waarin de NCDR en de
Staatscommissie een belangrijke rol zullen vervullen, zal nadrukkelijk
aandacht zijn voor het monitoren van de effecten van het
antidiscriminatiebeleid. Dat beleid is gericht op de volgende
doelen:
Het stimuleren van bewustwording en wederzijds begrip bij de overheid en in het bijzonder bij overheidsdiensten met direct contact met de burger.
Het vergroten van de meldingsbereidheid
Het in stand houden van een kwalitatief hoogstaand stelsel van organisaties waar gemeld kan worden
Het sanctioneren van bewezen discriminatie
Het ontwikkelen en stimuleren van nieuwe impulsen en innovatieve ideeƫn in de aanpak van discriminatie
Als overheid het goede voorbeeld geven.
Tot slot wil ik niet onvermeld laten dat het parlementaire onderzoek van de Eerste Kamer naar de effectiviteit van de anti-discriminatiewetgeving is gestart. De uitkomsten hiervan zullen naar verwachting belangrijke inzichten bieden op dit terrein.
Vraag:
Hoe zit het met het totale budget wat we uitgeven aan discriminatie
bestrijding? Het is niet helemaal duidelijk wat we als overheid precies
uitgeven aan discriminatiebestrijding. Uitgaven zijn versnipperd en niet
alles wordt gelabeld als discriminatiebestrijding. We willen dat dat
helderder wordt en dat er een apart overzicht in de begroting van BZK
komt met specifiek de uitgaven voor uitgaven aan discriminatie voor de
hele rijksoverheid.
Antwoord:
Ik zie de meerwaarde van de achterliggende gedachte bij deze vraag,
namelijk beter overzicht van de uitgaven van de aanpak van discriminatie
door de rijksoverheid, waarbij ik wel rekening zou willen houden met de
verantwoordelijkheden van de andere bewindspersonen op het gebied van de
aanpak van discriminatie. Een apart overzicht in de begroting van BZK
vind ik niet passen bij de gedeelde (financiƫle) verantwoordelijkheid.
Ik wil wel onderzoeken of en hoe het mogelijk is om u jaarlijks te
informeren over de gedane uitgaven. Dit overzicht zou bijvoorbeeld als
bijlage bij het Nationaal Programma met uw Kamer gedeeld kunnen
worden.
Vraag:
Waarom wordt er niet zoals in onafhankelijk onderzoek is aangegeven een
budget van 2 tot 5 mln. oplopend geĆÆnvesteerd in de Nationaal
Coƶrdinator?
Antwoord:
Zoals eerder met u gedeeld in eerdere debatten, heeft het kabinet voor
de NCDR structureel ā¬2 miljoen vrijgemaakt en is afgesproken dat hij
eerst moet starten. Dat budget is voor nu ook voldoende. De
Minister-President heeft tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen in
reactie op een (aangehouden) motie van DENK ook aangegeven dat het goed
is om de NCDR nu eerst te laten starten en als hij goed en wel op weg
is, het budget opnieuw tegen het licht te houden in relatie tot het
inhoudelijk programma.
Vraag:
Wanneer komt de doorlichting van de overheid op discriminatie die naar
aanleiding van de motie van DENK zou plaatsvinden?
Antwoord:
Ik heb uw Kamer hierover bericht. Bij brief van 24 juni jl. heb ik
aangegeven voornemens te zijn om de nog in te stellen staatscommissie de
taak te geven om op langjarige basis onderzoek te doen naar de stand van
racisme in Nederland, voorstellen te doen en effecten van beleid te
monitoren, waaronder specifiek ook de taak om een brede doorlichting op
discriminatie en etnisch profileren uit te voeren van de werkwijze en
organisatiecultuur van alle (semi)overheidsinstanties en
uitvoeringsinstanties. Ik informeer u voor het einde van het jaar over
de stand van zaken omtrent de Staatscommissie.
Vraag:
DENK wil dat de regering de verantwoordelijkheid neemt dat er meer
begraafplaatsen met eeuwigdurende grafrust worden gerealiseerd. Daarom
dient DENK een initiatiefnota in voor de realisatie van voldoende graven
met eeuwigdurende grafrust. DENK ziet uit naar een reactie van de
regering op deze initiatiefnota.
Antwoord:
Ik heb uw initiatiefnota met veel waardering ontvangen. Mijn ministerie
zal hier zorgvuldig naar kijken en hier ook op reageren.
Vragen van het lid Bisschop, R. (SGP)
Vraag:
Kamerlid Bisschop vindt het onbevredigend dat het ontslag van een
waarnemend burgemeester nauwelijks geregeld lijkt, terwijl het grote
impact heeft op betrokkene. Ziet de minister reden om dit te verbeteren
in lijn met de procedure voor benoeming? Is de Minister bijvoorbeeld
voorafgaand geĆÆnformeerd over het ontslag van waarnemend burgemeester
Scherpenzeel en zou de gemeenteraad hierbij ook eerst betrokken moeten
worden?
Antwoord:
Ik kan bevestigen dat de commissaris van de Koning mij heeft
geĆÆnformeerd over diens voornemen de waarnemend burgemeester te
ontslaan. Op basis van artikel 78 Gemeentewet is een Commissaris van de
Koning bevoegd om een waarnemend burgemeester te benoemen. Ik begrijp
dat betrokkene inmiddels juridische stappen heeft ondernomen tegen het
besluit van de commissaris van de Koning. Het is daarmee uiteindelijk
aan de rechter om een oordeel hierover te vellen.
Vraag:
De Rijksoverheid heeft extra banen gecreƫerd voor mensen met een
arbeidsbeperking in het kader van de banenafspraak. De heer Bisschop
heeft zorgen om de beperkte invulling van deze banen, dat zijn met name
praktische banen tegen lagere functies. Waarom is de verbreding zoals
bedoeld in de motie Stoffer bij de overdracht aan BZK weer verdwenen?
Ziet de staatssecretaris mogelijkheden om buiten de bestaande
arbeidspool meer kansen te bieden binnen hogere functies voor mensen met
een beperking?
Antwoord:
Dinsdag heeft de staatssecretaris een brief gestuurd over de wijze
waarop hij de motie Stoffer/Van Dijk uitvoer (Kamerstukken II 2020/21,
35570-XV, nr. 67). Hij merkt hierbij op dat dat de doelgroep voor de
Banenafspraak bestaat uit een groep zeer diverse mensen. Het plaatsen
van mensen is echt maatwerk.
De sector Rijk realiseert passende en duurzame banen voor mensen met een
arbeidsbeperking langs vier sporen. EƩn daarvan is de organisatie
Binnenwerk, dat zijn meer collectieve plaatsingen.
De andere sporen zijn individuele plaatsingen, banen in samenwerking met
leveranciers en dienstverleners in het inkoopdomein - dat wordt ook wel
social return genoemd - en
banen in samenwerking met andere werkgevers, al dan niet
regionaal.
Op al die vier sporen zal inzet nodig zijn om de doelstellingen voor de
rijksdienst te realiseren.
De expertise van Binnenwerk ligt op collectieve instroom van groepen
mensen die praktische werkzaamheden verrichten in teamverband onder
gespecialiseerde begeleiding, zoals archief-werkzaamheden, assisteren in
diverse rijkspanden, bosbeheer etc. Voor theoretisch opgeleide mensen is
het spoor āindividuele plaatsingenā meer geschikt, omdat zij ā soms met
aanpassingen en onder extra begeleiding ā werkzaamheden oppakken binnen
de reguliere teams in de rijksdienst.
De staatssecretaris zal altijd het doel nastreven dat voor iedere
medewerker met een arbeidsbeperking binnen de sector Rijk een passend
werkpakket wordt gevonden, of dat nou is via een collectieve of
individuele plaatsing.
Vraag:
Waarom wil regering het belang van het aantal leden relativeren v.w.b. het bepalen van de subsidie voor politieke jongerenpartijen? Waarom gaat de minister niet actief met de jongerenorganisaties het gesprek aan? Krijgen deze jongerenorganisaties tijdig inzicht in de veranderingen en gelegenheid om eventuele klappen fatsoenlijk op te vangen? Krijgen deze jongerenorganisaties tijdig inzicht in de veranderingen en gelegenheid om eventuele klappen fatsoenlijk op te vangen?
Antwoord:
De Evaluatie ā en Adviescommissie Wet financiering politieke partijen (commissie-Veling) heeft tijdens de evaluatie van de Wet financiering politieke partijen (Wfpp) geconstateerd dat de organisatievorm en taakstelling van de jongerenorganisaties in het verlengde liggen van die van de politieke partijen.
De commissie-Veling heeft daarom geadviseerd om de subsidie voor de politieke jongerenorganisaties op dezelfde wijze vorm te geven als voor de politieke partijen zelf. Dat wil zeggen: een basisbedrag, een bedrag per Kamerzetel en een bedrag per lid.
Het kabinet heeft dit advies overgenomen in het voorstel voor de Evaluatiewet Wet financiering politieke partijen.
Bij de voorbereiding van dit wetsvoorstel heb ik gesproken met vertegenwoordigers van vrijwel alle politieke partijen die destijds in het parlement waren vertegenwoordigd.
Ruim voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wetswijziging zal ik wederom met vertegenwoordigers van de politieke partijen in gesprek gaan. Ik zal de vertegenwoordigers van de politieke jongerenorganisaties hierbij betrekken.
Vraag:
Steeds meer burgers zijn aangewezen op digitale communicatie en
voorzieningen. Als we dan zien dat slechts 4% van de overheidswebsites
volledig toegankelijk zou zijn, welke sirenes en zwaailichten gaat de
minister dan aanzetten om met spoed tot forse verbeteringen te komen
inzake die bereikbaarheid?
Antwoord:
In september 2020 ging de wettelijke toegankelijkheidsverplichting in
voor alle overheidswebsites. Er zijn verschillende aanjaagactiviteiten
in gang gezet om overheden aan te sporen werk te maken van de
toegankelijkheid van websites en ondersteuning te bieden. Het
aanjaagteam bij VNG was specifiek gericht op gemeentebestuurders. Een
jaar later was het aantal websites waarover verantwoording is afgelegd
met 58 procent gestegen; van 1673 tot 2887. Het percentage volledig
toegankelijk websites is inmiddels gestegen van 4 naar 7 procent. Het
aantal websites dat op weg is om volledig toegankelijk te worden is
gestegen van 20 naar 33 procent. Dat zijn positieve ontwikkelingen, maar
geen reden om achterover te leunen. In 2022 worden de
aanjaagactiviteiten doorgezet, maar overheidsinstanties zijn en blijven
zelf verantwoordelijk voor de toegankelijkheid van hun websites en apps.
Bij overheden die geen vooruitgang kunnen laten zien worden interventies
niet uitgesloten.
Vraag:
Vindt de minister ook dat grafschennis door een paranormale groep
onacceptabel is? Wil zij met de VNG en burgemeesters overleggen over het
voorkomen van deze praktijken?
Antwoord:
Laat ik voorop stellen dat grafschennis strafbaar is. Maar of hier in
dit geval sprake van was, is nog in onderzoek bij het OM. Daarover kan
ik dus nog geen uitspraken doen. Ik verwijs verder graag naar de
beantwoording van de recent door het lid Van der Staaij gestelde
Kamervragen over de reikwijdte van de grafschennis in het Wetboek van
Strafrecht. Daarnaast heeft de betrokken gemeente, gemeente Amersfoort,
aan de Nationale Ombudsman gevraagd hier onderzoek naar te doen. Ik
wacht eerst de uitkomsten af en zal bezien of hier actie van mijn kant
aangewezen is.
Vraag:
Vorig jaar heeft kamerlid Bisschop aandacht gevraagd voor de rol van
gemeenten in de oorlog bij de roof van Joods vastgoed. Is de minister
bereid om met de VNG uit te zoeken hoe expertise kan worden gedeeld en
meer eenduidigheid kan worden bereikt, mogelijk samen met Joodse
organisaties?
Antwoord:
Ik onderschrijf dat het mooi is om te zien dat reeds 52 gemeenten zich
bereid hebben verklaard hun archieven te openen en onderzoek te doen
naar onteigend Joods vastgoed in en na de Tweede Wereldoorlog en hun rol
daarin.
Transacties van onroerende goederen tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn
reeds online in beeld gebracht door een samenwerking van het Nationaal
Archief en het Kadaster. Een volledig overzicht van door de gemeenten in
bezit genomen vastgoed is echter niet altijd beschikbaar. Dit vormt wel
vaak een onderdeel van het onderzoek dat gemeenten in dit kader
uitvoeren.
Ik ben bereid het gesprek met VNG te voeren om te bespreken hoe
expertise kan worden gedeeld en of gemeenten hierin ondersteuning
behoeven.
Vragen van het lid Haan, L. den (Den Haan)
Vraag:
Is de minister het met mij eens dat er meer kaders zouden moeten komen
voor basisvoorzieningen die in alle gemeenten aanwezig zouden moeten
zijn, zodat het niet per gemeente verschillend is of er bijvoorbeeld
dagbesteding voor ouderen met dementie is?
Antwoord:
Op dit moment hebben gemeenten de opdracht om wettelijke taken uit te
voeren zoals bijvoorbeeld in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015
(Wmo 2015). De kaders waarbinnen gemeenten kunnen opereren zijn
vastgelegd door de wetgever. Die gevallen waarin na onderzoek blijkt dat
iemand is aangewezen op ondersteuning en deze niet zelf kan organiseren,
is de gemeenten gehouden om een vorm van passende ondersteuning te
bieden. Tegelijkertijd is er bewust voor gekozen om gemeenten ruimte te
laten om het lokale beleid zo vorm te geven zodat dit het beste past bij
de lokale omstandigheden en de persoonlijke voorkeuren.
Vraag:
Is de minister bereid met deskundigen door te praten, samen met de VNG
en VWS, om naar een effectieve en efficiƫnte oplossingsrichting te
kijken om zo te komen tot een goedwerkende jeugdzorg?
Antwoord:
Ja, daartoe ben ik bereid en, samen met de staatssecretaris van VWS en
andere betrokken departementen, mee bezig. Een Commissie van Wijzen
(CvW) heeft zich over het vraagstuk van de (financiƫle) houdbaarheid van
de jeugdzorg gebogen. Op 28 mei jl. is hun oordeel aan de Tweede Kamer
gestuurd. Het oordeel is een zwaarwegende inbreng voor de
kabinetsformatie. Gezien de urgentie van dit vraagstuk, is vanuit het
Rijk samen met de VNG, professionals, aanbieders, cliƫnten en andere
betrokken partijen na de zomer gestart met het opstellen van een
hervormingsagenda jeugd. Hier worden de voorbereidingen getroffen voor
een structureel beter en een beter houdbaar jeugdstelsel. Het ministerie
van Binnenlandse zaken is vanuit de verantwoordelijkheid voor de
bestuurlijke en financiƫle verhoudingen nauw betrokken bij deze
hervormingsagenda. Het is aan een nieuw kabinet om te besluiten over de
structurele middelen en maatregelen.
Vragen van het lid Plas, C. van der (BBB)
Vraag:
Wat vindt de minister een acceptabele doorlooptijd voor de afwikkeling
van schade van een huis door overheidshandelen?
Antwoord:
Fysieke schade wordt afgehandeld door het Instituut Mijnbouwschade
Groningen. Dit instituut is volledig onafhankelijk van de overheid en de
NAM. Het IMG streeft ernaar fysieke schademeldingen binnen een half jaar
af te handelen. Op dit moment lukt dit nog niet voor alle meldingen. De
gemiddelde doorlooptijd is nu 214 dagen.
Vanaf 1 november start een nieuwe werkwijze voor de afhandeling van
fysieke schade. Bewoners die nog niet eerder schade hebben gemeld,
kunnen vanaf dat moment kiezen voor een vaste vergoeding van 5.000 euro.
Voor bewoners met al ingediende aanvragen die nog in behandeling zijn,
is dat vanaf 8 december mogelijk.
Deze nieuwe werkwijze is bedoeld voor eenvoudige schades en biedt
bewoners die hiervan gebruik willen maken een snel en eenvoudig
alternatief voor de bestaande maatwerkprocedure. De verwachting is dat
de gemiddelde doorlooptijd voor de afhandeling van fysieke schades
hiermee wordt ingekort.
Vraag:
BBB wil graag een pop-up minister voor de aardbeving schade in
Groningen. Wat vindt de minister van dit idee?
Antwoord:
Ik wil benadrukken dat er ƩƩn minister voor de
aardbevingsschade in Groningen verantwoordelijk is endat is de minister
van EZK. De minister van BZK is sinds 2019 verantwoordelijk voor de
uitvoering van de versterkingsoperatie vanwege de verantwoordelijkheden
en de expertise van het ministerie van BZK op het gebied van
burgerparticipatie, bestuurskracht, bouwen, wonen en ruimtelijke
ordening.
Ook de Nationale Ombudsman heeft onlangs gesuggereerd een
eigenstandig bewindspersoon specifiek voor de aanpak van de
aardbevingsproblematiek in Groningen te benoemen in het nieuwe kabinet.
Ik onderschrijf de urgentie van de versterkingsoperatie en de
schadeafhandeling in Groningen. De verdeling van ministersposten en
portefeuilles en daarmee de weging van voor en nadelen is echter niet
aan mij als minister van BZK, maar aan de onderhandelaars aan de
formatietafel.
Vraag:
Lokale partijen krijgen niet de subsidie die landelijke
partijen krijgen. Waarom wordt dit niet gelijk getrokken? Waarom blijft
de minister dit uitstellen en wanneer kunnen we een oplossing
verwachten?
Antwoord:
Zie het antwoord op de vraag van het lid Eerdmans (JA21).
Vraag:
Kamerlid Van der Plas vroeg naar de stand van zaken ronde motie over
Friese taal en de wijze waarop deze wordt uitgevoerd.
Antwoord:
Ik ga ervan uit dat mevrouw Van der Plas doelt op de motie, naar
aanleiding van het VSO Bestuursovereenkomst Friese taal en cultuur
(Kamerstukken II 2020/21, 35300 VII, nr. 114), die oproept tot een
akkoord met de provincie Fryslân om de zichtbaarheid van het Fries en de
communicatie in het Fries te versterken.
Ik ben hierover in gesprek met de provincie Fryslân, maar het is mijn
streven om vóór het van eind 2021 tot een zichtbaarheidsakkoord te
komen. Vooruitlopend hierop is het vertaalbeleid van de rijksoverheid al
onlangs aangepast, waardoor inwoners van de provincie Fryslân nu worden
aangeduid als aparte doelgroep. Hierdoor is de Friese taal expliciet in
het vertaalbeleid van de rijksoverheid opgenomen. Dit betekent dat
ministeries bewuster een keuze kunnen maken over het al dan niet
vertalen naar de Friese taal.
Vraag:
Waarom is van de trap-op-trap-af systematiek afgeweken?
Antwoord:
Zie het antwoord op de vraag van het lid Bromet (GL).
Vragen van het lid Simons, Sylvana (BIJ1)
Vraag:
Eerder is een motie aangenomen om art. 120 GW te schrappen. Hoe gaan we
ervoor zorgen dat grondrechten en mensenrechten niet langer worden
geschonden door de overheid? Hoe zit het met het constitutioneel
hof?
Antwoord:
De heer Ceder (CU) stelde mij hierover een vergelijkbare vraag. Kortweg
komt het erop neer dat ik bezig ben met een technische voorbereiding
voor een grondwetsherziening. Dat wordt een overzicht van de
verschillende mogelijkheden tot toetsing, om zo de politieke
besluitvorming over de mogelijke invoering van een vorm van
grondwettelijke toetsing te faciliteren. Zodra dat overzicht gereed is,
zal ik dat ook met uw Kamer delen.
Vraag:
Heeft de Nationaal Coƶrdinator tegen Discriminatie en Racisme (NCDR)
voldoende doorzettingskracht? Kan discriminatie en racisme met dit
programma structureel worden tegengegaan in Europees en Caribisch
Nederland? Hoe moet dat met een budget van 2 mln euro, zoān uitgebreid
en structureel programma?
Antwoord:
De Nationaal Coƶrdinator tegen Discriminatie en Racisme heeft als taak
om de aanpak van discriminatie aan te jagen en te zorgen voor een
gecoƶrdineerde aanpak, zodat er in samenhang beleid gemaakt kan worden
dat gaat leiden tot concrete resultaten. Daartoe zal de NCDR een
voorstel doen voor een Nationaal Programma, dat bestaat uit een
meerjarig deel met scherpe doelen en een jaarlijks actieplan. Het
programma zal zorgen voor focus en prioritering. Het kost tijd en
blijvende inzet om tot resultaten te komen. Voor het opstellen van het
programma heeft NCDR op dit moment ā¬2 miljoen per jaar, maar de
uitvoering van het programma zal door de departementen, gemeenten,
antidiscriminatievoorzieningen, het College voor de Rechten van de Mens,
de Nationale ombudsman, Politie, OM, maatschappelijke organisaties samen
opgepakt moeten worden. De aanpak van discriminatie is namelijk niet een
taak van alleen het kabinet of alleen de NCDR, maar een opgave van de
gehele samenleving, zowel in Europees als in Caribisch Nederland.
Vraag:
Kan het kabinet afrekenen met huisjesmelkers? Waarom is er niet een
serieuze algemene overdraagbare woonplicht? Gaan we actief handhaven op
leegstand en speculatie?
Antwoord:
Het is onwenselijk dat huurders, zeker in de gereguleerde sector, een
veel te hoge huur betalen voor hun woning. Daarom werkt het kabinet aan
het wetsvoorstel āgoed verhuurderschapā waarmee het voor gemeenten
mogelijk wordt om onverbeterlijke en notoire huisjesmelkers beter aan te
pakken ā ook met boetes. Dit wetsvoorstel is deze zomer in consultatie
geweest en wordt op korte termijn ā uiterlijk vóór de kerst ā aan de
Raad van State gezonden voor advies. Daarnaast treedt per 1 januari 2022
de Wet opkoopbescherming in werking. Hiermee kunnen gemeenten gebieden
aanwijzen waar woningen die gekocht worden bewoond moeten worden door de
eigenaar.
Een gemeente kan een leegstandverordening instellen als zij vindt dat
dit noodzakelijk is. Op grond van die leegstandverordening kan zij een
meldplicht instellen als een pand langer dan zes maanden leegstaat. De
gemeente kan hier actief op handhaven en een boete opleggen als er niet
wordt gemeld. Voorts kan de gemeente zelf een gebruiker voordragen zodat
het leegstaande pand wordt gebruikt. Daarnaast gebruiken gemeenten tal
van andere instrumenten om leegstand actief te bestrijden. Het is
daarbij aan gemeenten om te bepalen voor welke doelgroepen het
leegstaande pand wordt gebruikt.
Vragen van het lid Haga, W. van (Groep Van
Haga)
Vraag:
Is de minister van BZK het met Belang Van Nederland eens dat het
aardgasvrij maken van huizen in elk geval op de korte termijn geen
positief effect heeft op het milieu? En natuurlijk is het goed om eerst
alle huizen fatsoenlijk te isoleren. Maar kunnen we niets beters
verzinnen dan 150 miljoen euro aan vouchers voor tochtstrips?
Antwoord:
Nee, daar ben ik het niet mee eens. Het aardgasvrij maken van woningen
bestaat uit een combinatie van besparen en een alternatief voor aardgas.
Dat levert direct al CO2-besparing op. Bij de verdere verduurzaming van
de bronnen loopt deze CO2-besparing nog verder op tot uiteindelijk
CO2-neutraal. Op wereldschaal is de bijdrage natuurlijk beperkt, maar
het is belangrijk dat wij onze bijdrage leveren en dat we beginnen met
de wijkaanpak, ook om onze doelen in 2050 te kunnen halen. Het nu
beginnen met aardgasvrij maken en het leren in de proeftuinen is daar
essentieel voor.
Voor de aanpak van de hoge energieprijzen is door het kabinet een breed
pakket gepresenteerd o.a. via aanpassing energiebelasting. De 150 mln.
is specifiek gericht op huishoudens die kwetsbaar zijn vanwege de hoge
energierekening. Dit gaat verder dan tochtstrips. Gemeenten gaan
proberen kwetsbare huishoudens actief te ondersteunen om de
energielasten omlaag te brengen (bijvoorbeeld via energiecoaches).
Vraag:
Is de minister het met mij eens dat mensen zelf prima in staat zijn om
te bepalen waar het hoogste rendement wordt gehaald voor hun eigen
woning?
Antwoord:
Veel huiseigenaren weten hoe zij energie kunnen besparen en nemen nu ook
al verduurzamingsmaatregelen aan hun woning. Dit varieert van het
toepassen van de isolatiemaatregelen tot kleinere energiebesparende
maatregelen zoals radiatorfolie. Daar ben ik blij mee. Echter ā blijkt
ook uit de monitor klimaatbeleid ā weet 1 op de 3 huiseigenaren niet
welke verduurzamingsmaatregelen zij zouden kunnen treffen in hun woning.
Dat vind ik nog te veel. Daarom vind ik het belangrijk om mij te blijven
inzetten om huiseigenaren en bewoners te voorzien van meer en betere
kennis en informatie via verschillende kanalen zoals de website
verbeterjehuis.nl, algemene isolatiecampagnes en lokale voorzieningen
zoals de energieloketten.
Vraag:
Er zijn prachtige technische mogelijkheden om op een verantwoorde manier
een monument te verduurzamen, maar gemeenten werken actief tegen, en
hierdoor stoken de eigenaren en bewoners van monumenten voor de
buitenlucht. Dus nogmaals, erkent de minister dit onnodige probleem en
wat gaat de minister hier aan doen?
Antwoord:
Ik ben het met u eens dat monumenten goed verduurzaamd kunnen worden,
maar dit moet wel heel zorgvuldig gebeuren. Monumentale waarden mogen
niet verloren gaan. Er zijn inderdaad ook oplossingen die daarvoor
speciaal zijn ontwikkeld, zoals speciaal dubbel glas voor monumenten.
Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de afweging wat wel en niet
mogelijk is. De monumentsector zelf wil monumenten verduurzamen en
heeft deze ambitie neergelegd in de routekaart verduurzaming monumenten.
(60% CO2-reductie in 2040). Deze routekaart is onderdeel van het
maatschappelijk vastgoed en opgenomen in het Klimaatakkoord. Overigens
stelt de sector hierbij expliciet dat de cultuurhistorische waarde
hierbij niet mag worden aangetast. Een tegemoetkoming voor de eigenaren
bij de verduurzaming van niet-woonhuis-rijksmonumenten, wordt meegenomen
in de uitwerking van de besteding van de middelen voor verduurzaming van
maatschappelijk vastgoed in 2022-2024. Voor het verduurzamen van
woonhuismonumenten, zal ik samen met het ministerie van OCW nader bezien
of, en zo ja hoe, bestaand en nieuw instrumentarium voor de bewoners
beter passend gemaakt kan worden om ook monumenteneigenaren beter
tegemoet te komen.
Vraag:
Is de minister het met Belang Van Nederland eens dat de verwachtingen
met betrekking tot het rendement van bijvoorbeeld warmtepompen moet
worden bijgesteld?
Antwoord:
Nee, daar ben ik het niet mee eens. Het rendement van een warmtepomp is
afhankelijk van de mate van isolatie en de huidige energierekening.
Bewoners kunnen onder andere op verbeterjehuis.nl informatie vinden over
de geschiktheid van de verschillende warmtepompen voor hun woning.
Vraag:
Zou het niet een idee zijn om corporaties sociale woningen te laten
bouwen maar gemeenten te verbieden om dit te eisen van private
ondernemingen?
Antwoord:
Er is een tekort aan sociale huurwoningen en voor het bouwen van deze
woningen hebben we ook de private sector nodig. Ik zie daarom niets in
het verbieden van private ondernemingen om sociale huurwoningen te
bouwen. Ik heb uw Kamer eerder al toegezegd vinger aan de pols te houden
op basis van signalen dat dit niet goed gaat.
Op het moment dat sociale huurwoningen gerealiseerd zijn vind ik het van
belang dat zij ook daadwerkelijk en langjarig verhuurd worden aan de
juiste doelgroep. Om dit te waarborgen hebben gemeenten reeds de
mogelijkheid om ook deze woningen in de lokale huisvestingsverordening
aan te wijzen om er op die manier voor te zorgen dat de juiste doelgroep
ook daadwerkelijk in de woning terecht komt.
Met een doelgroepenverordening op grond het Besluit ruimtelijke ordening
(Bro) kan een gemeente regelen dat nieuw te bouwen sociale en
middenhuurwoningen en sociale koopwoningen bestemd zijn voor een
bepaalde doelgroep gedurende een bepaald tijdvak
(instandhoudingstermijn). Een doelgroepenverordening geeft de wettelijke
vereiste basis om sociale huurwoningen in bestemmingsplannen (en
exploitatieplannen) op te nemen en geeft de gemeente een
publiekrechtelijk middel om deze woningen die voor deze doelgroepen op
de markt komen ook voor deze doelgroepen beschikbaar te houden.
Vraag:
Hoeveel huizen moeten er nog verstevigd worden en hoeveel huizen heeft
deze minister in het afgelopen jaar daadwerkelijk verstevigd?
Antwoord:
De totale omvang van de versterkingsopgave bedraagt bijna 27.000
adressen. Door middel van opname en beoordeling wordt beoordeeld hoeveel
van deze adressen daadwerkelijk versterkt moeten worden. De opnames en
beoordelingen zijn allemaal afgerond in 2023. De planning is om in 2021
ongeveer 1.500 adressen versterkt te hebben. Eind deze maand verschijnt
weer een actueel dashboard.