[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [šŸ§‘mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [šŸ” uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

Schriftelijke antwoorden op vragen gesteld tijdens de eerste termijn van de begrotingsbehandeling van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hoofdstuk VII), het gemeentefonds en het provinciefonds op 27 oktober 2021

Brief regering

Nummer: 2021D40370, datum: 2021-10-28, bijgewerkt: 2024-02-19 10:56, versie: 1

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen: Bijlagen:

Onderdeel van zaak 2021Z18792:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (šŸ”— origineel)


Vragen van het lid Bosma, M. (PVV)

Vraag:
Hoe staat het met de oorlog van de minister tegen het nepnieuws?

Antwoord:
Ik heb het onderwerp bij mijn aantreden geagendeerd omdat het verspreiden van desinformatie het openbare debat, vrije verkiezingen en daarmee de democratie, kan ondermijnen.
Sindsdien heeft het beleidsterrein zich sterk ontwikkeld.
De Europese Commissie, waar we nauwe contacten mee onderhouden, heeft het Rapid Alert System opgezet zodat lidstaten informatie kunnen delen.
Ook heeft de Europese Commissie onlangs het initiatief genomen tot het vernieuwen van de gedragscode tegen desinformatie.
Hiermee worden verdere stappen gezet op het tegengaan van nepaccounts en bots, en meer inzicht in de werking van algoritmen. Nederland steunt dit actief.
Verder biedt het voorstel van de Commissie voor een Digital Services Act een regulerend kader voor online platformen. Deze DSA verplicht zeer grote platformen onder meer om maatregelen te nemen tegen systematische risico’s van hun dienst. De verspreiding van desinformatie is hier onderdeel van.

Ook op nationaal niveau hebben de acties van de afgelopen jaren geleid tot een strategie met drie actielijnen: preventie, informatiepositie verstevigen, en indien nodig, reactie.
Deze strategie voer ik samen met andere leden van het kabinet uit. Zo werk ik samen met de minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media aan het vergroten van mediawijsheid onder de actielijn preventie.

Zelf onderneem ik actie om desinformatie rondom de verkiezingen tegen te gaan. Zo heb ik richting de Tweede Kamer verkiezingen een gedragscode over transparantie van politieke advertenties laten opstellen.
Gemeenten krijgen steeds vaker te maken met desinformatie. Daarom ontwikkel ik, mede op verzoek van de VNG en gemeenten, een handreiking.
Het doel van de handreiking is gemeenten bewust te maken van wat desinformatie is, het kunnen herkennen en hen instrumenten te geven hoe zij, binnen de kaders van de vrijheid van meningsuiting, hierop kunnen reageren.
De handreiking zal begin 2022 klaar zijn zodat gemeenten deze richting de gemeenteraadsverkiezingen kunnen gebruiken.

Vraag:
Onder deze minister is het lobbyverbod vervallen waarbij oud-ministers niet actief kunnen worden op hun beleidsterrein.

Antwoord:
Het lobbyverbod geldt nog steeds als staand beleid. De beleidsnorm ligt vast in een brief aan beide Kamers en deze brief is door het kabinet niet ingetrokken (Kamerstukken II, 2016/17, 34376, nr. 15).
Voor bewindspersonen is dit beleid kenbaar via het Handboek bewindspersonen en de brief die zij bij hun aftreden ontvangen. Daaraan is niets veranderd. Wat wel is veranderd is de kenbaarheid voor rijksambtenaren. Tot 1 januari 2020 was dit geregeld met een rijkscirculaire en vormgegeven als een contactverbod naar hun gewezen bewindspersonen. Door de inwerkingtreding van de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren is dit per 1 januari 2020 veranderd en moest de circulaire worden ingetrokken. Daarmee is echter niet het lobbyverbod als beleidsnorm ingetrokken. Voor de kenbaarheid van de beleidsnorm voor rijksambtenaren kan worden teruggevallen op de Gedragscode Integriteit Rijk, waarin het bestaande lobbyverbod in een bredere context is opgenomen. Deze gedragscode is niet vrijblijvend. Ambtenaren kunnen op hun gedrag worden aangesproken en er kunnen uiteindelijk ook arbeidsrechtelijke sancties worden toegepast. Daarnaast zal ik de kenbaarheid voor rijksambtenaren nog in een andere vorm laten terugkeren, als het beleid op dit punt is geactualiseerd. Hiermee kan het lobbyverbod naar de toekomst toe nog explicieter en steviger worden verankerd.

Vragen van het lid Rajkowski, Q. (VVD)

Vraag:
Kan het kabinet opnieuw in kaart brengen wat de achterstanden zijn m.b.t. informatieveiligheid? Graag ook overheidswebsites meenemen: voldoen die aan veiligheidsstandaarden en protocollen?

Antwoord:
Tijdens het verantwoordingsdebat over het jaar 2019 heeft de staatssecretaris uw Kamer toegezegd om u periodiek te informeren over de voortgang rond informatiebeveiliging binnen de Rijksoverheid. Dit heeft hij dit jaar gedaan via de voortgangsbrief Strategische I-agenda voor de Rijksdienst 2019-2021 en aanpak onvolkomenheden (kst-26643-713) en hij zal dit blijven doen. De volgende rapportage ontvangt u nog voor het Kerstreces. Daarnaast wordt uw Kamer jaarlijks op de hoogte gebracht van de adoptie van open standaarden bij de overheid, met inbegrip van de veiligheidsstandaarden, waaronder die van overheidswebsites. Afgelopen jaar is dit gebeurd in een bijlage bij de Kamerbrief over de voortgang van informatieveiligheid bij de overheid (Kst- 26643-749).

Vraag:
Wanneer kan de Kamer het wetsvoorstel over het Adviescollege ICT-toetsing verwachten?

Antwoord:
Omdat een wetstraject tijd kost, heeft de staatssecretaris vorig jaar besloten om alvast een tijdelijke juridische grondslag voor het Adviescollege ICT-toetsing te maken door middel van een instellingsbesluit. Inmiddels is de internetconsultatie van het wetsvoorstel afgerond en gaat het wetsvoorstel eind dit jaar naar de Raad van State. Afhankelijk van zijn advies verwacht de staatssecretaris het wetsvoorstel in het voorjaar van 2022 bij uw Kamer in te dienen.

Vraag:
Baliefunctie (fysiek) mag niet verdwijnen. Moet bereikbaar blijven voor bepaalde groepen. Graag hier reactie op van de minister.

Antwoord:
Vanuit de aangekondigde maatregelen op het rapport van de Parlementaire Ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag en de rapporten rondom Werk aan uitvoering, zet het ministerie van BZK in op het waarborgen van laagdrempelig en menselijk contact voor hulp bij overheidsdienstverlening. Overheidsorganisaties dienen vanuit de Awb passende ondersteuning te bieden bij overheidsdienstverlening. De invulling daarvan wordt overgelaten aan het overheidsorgaan. In de praktijk zal voor regelingen die zich richten op burgers altijd laagdrempelig persoonlijk contact (balie, telefoon) mogelijk moeten zijn. Een zorgplicht die dat voorschrijft, maakt deel uit van het wetsvoorstel Wet modernisering elektronisch bestuurlijk verkeer dat in uw Kamer ligt voor plenaire behandeling.

Het kabinet streeft naar een stevige structuur van fysieke loketten en hulppunten voor mensen die hulp nodig hebben, bijvoorbeeld omdat zij minder digitaal of taalvaardig zijn. Een van de maatregelen daarin is het uitbreiden van de Informatiepunten Digitale Overheid in de bibliotheken. Op dit moment zijn er 342 Informatiepunten, georganiseerd vanuit verschillende overheidsorganisaties zoals UWV, CAK en de Belastingdienst in samenwerking met de Koninklijke Bibliotheek. Bij de Informatiepunten worden burgers persoonlijk op weg geholpen door een getrainde bibliotheekmedewerker. Ook kunnen mensen worden doorverwezen naar basisvaardigheidscursussen. In 2022 wordt een pilot gestart met Informatiepunten op andere soorten locaties, zoals een wijkcentrum of een mobiele voorziening. Zo hebben burgers een fysiek eerstelijns hulploket in de buurt voor vragen over digitale overheidsdienstverlening.

Door telefonisch contact te stimuleren, wordt ervoor gezorgd dat persoonlijk contact met overheden laagdrempeliger wordt. Ook biedt dit de mogelijkheid om snel fouten te herstellen en helpt hen lange bezwaar- en beroepsprocedures te voorkomen. Ervaring uit de pilots van het BZK programma Prettig Contact Met de Overheid ondersteunen dit.

De minister van SZW voert samen met de betrokken ministeries en uitvoeringsorganisaties de motie Grinwis/Leijten (TK 35510, nr. 73) uit. Deze motie gaat over een telefoonnummer op alle relevante brieven van overheidsinstanties en een ter zake kundige medewerker. Iedere uitvoeringsorganisatie heeft een telefoonnummer. Burgers kunnen daar terecht met vragen. Er moet worden voor gezorgd dat diegene die de burger te woord staat de beschikking heeft over alle kennis en informatie om te helpen. Hier wordt hard aan gewerkt. Er wordt hierbij ook bezien of vergroting van de bereikbaarheid kan bijdragen aan meer laagdrempelige geschilbeslechting. De minister van SZW zal in de Stand van de Uitvoering van december 2021 ingaan op de voortgang en meer in het bijzonder ingaan op het UWV en de SVB. Voor de andere overheidsorganisaties, zoals de Belastingdienst, zal de voortgang meelopen in het kader van programma Werk aan uitvoering en de daarbij behorende Werkagenda voor de publieke dienstverlening.

Vraag:
Wanneer krijgt de Kamer de nota van wijziging bevorderen integriteit en functioneren decentraal bestuur? En hebben gemeenten voldoende tijd om de risicoanalyse voor de volgende gemeenteraadverkiezingen uit te voeren?

Antwoord:
De nota van wijziging op het wetsvoorstel Bevorderen integriteit en functioneren decentraal bestuur, waarin de verplichte risicoanalyse integriteit voor kandidaat-wethouders is opgenomen, ligt op dit moment nog bij de Raad van State voor advies. Ik hoop en verwacht dit advies op korte termijn te ontvangen. Zodra ik dit advies heb ontvangen, zal de regering met spoed op dit advies reageren en uw Kamer hierover informeren. Het tijdpad is gelet op het voorgaande dus niet precies te geven. Wel wil ik benadrukken dat een risicoanalyse integriteit ook nu al uitgevoerd kan worden en veel gemeenten doen dit ook al actief. Ik stimuleer gemeenten, o.a. via voorlichtingssessies, om nu al aan de slag te gaan met de voorbereidingen voor het uitvoeren van een risicoanalyse integriteit. Gemeenten kunnen daarbij inspiratie putten uit de Handleiding basisscan integriteit die ik heb opgesteld.

Vraag:
Gemeentegrensvraag over Langedijk en Heerhugowaard en Alkmaar. Kan de minister aangeven hoe de uitvoering van de motie Snoeren over de gemeentegrensvraag Langedijk, Heerhugowaard en Alkmaar vorm gaat geven en hoe het kabinet zorgdraagt dat bewoners goed worden gehoord?

Antwoord:
De Kamer verzocht de regering met deze motie om, na voltooiing van het herindelingsproces de provincie Noord-Holland te verzoeken een evaluatie en verkenning uit te voeren en de Kamer binnen twee jaar over de voortgang te informeren.
Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is in gesprek met de betrokken gemeenten en de provincie Noord-Holland over de opzet en het proces van deze evaluatie. Hoe de inwoners in dit proces worden betrokken is daarbij een belangrijk aandachtspunt.
De besluitvorming over de exacte aanpak vindt echter plaats in afstemming met het nieuwe gemeentebestuur van Dijk en Waard (dus pas begin 2022). Op woensdag 24 november 2021 vinden er herindelingsverkiezingen plaats in Heerhugowaard en Langedijk.
Eerder heb ik de Eerste Kamer toegezegd een plan van aanpak toe te zullen zenden zodra het is vastgesteld. Ik zal dit plan van aanpak ook aan uw Kamer toezenden. Dit zal naar verwachting in het tweede kwartaal 2022 zijn.

Vraag:
Welke onderdelen van methoden als TIBER kunnen in Nederland worden ingezet?

Antwoord:
TIBER staat voor Threat Intell Based Ethical Red-teaming. De Nederlandsche Bank heeft deze gerichte oefen- en testmethode ontwikkeld en deze is geadopteerd door de Europese Centrale Bank om instellingen beter cyber-weerbaar te maken. Het voorkomen van incidenten met preventieve maatregelen is al lang niet meer voldoende en er is een meer proactieve aanpak nodig. Red-teamingoefeningen worden al bij onderdelen van de Rijksoverheid uitgevoerd, met goede resultaten, en het TIBER-programma kan kennisuitwisseling hierover verbeteren. In de I-Strategie Rijk heeft de staatssecretaris aangegeven dat onderdelen van een red-teaming programma zoals het TIBER-programma interessante inzichten in kwetsbaarheden kunnen geven en daarom zullen worden onderzocht voor toepassing binnen de Rijksoverheid. Het gaat hierbij dan ook om het versterken van de onderlinge uitwisseling van good practices en oefenen binnen organisaties. Over de voortgang hiervan zal de staatssecretaris uw Kamer in het voorjaar van 2022 informeren.

Vraag:
Uit een verkenning van BZK is naar voren gekomen dat er overheidsbreed behoefte is aan een generiek kader voor vitale digitale overheidsvoorzieningen en dit kader zou dit jaar ontwikkeld worden. Wat is de stand van zaken van dit kader en wanneer kunnen we dit verwachten?

Antwoord:
Het algemeen kader richt zich op een specifiek onderdeel van de digitale overheid, namelijk op de vitale onderdelen van de digitale overheid. Vanwege de hoogte van de criteria (denk bij verstoring, aantasting of uitval aan een schade van meer dan €5 miljard, meer dan 1000 doden en/of meer 10.000 mensen met sociaal-maatschappelijke schade) om een vitaal proces te zijn, wordt onderzocht of er kenmerken zijn die gemeenschappelijk zijn voor de belangrijkste informatieprocessen en informatiesystemen van de overheid. Deze groep is breder dan alleen de vitale onderdelen van de digitale overheid. Voor het opstellen van het kader lopen op dit moment twee onderzoeken: een onderzoek ten aanzien van de belangrijkste informatieprocessen en informatiesystemen en een onderzoek naar uniform toezicht en uniforme verantwoording over informatieveiligheid aan zowel het ā€˜eigen’ controlerend orgaan als interbestuurlijk. Deze onderzoeken lopen tot het eind van dit jaar; nadien zullen de resultaten van beide onderzoeken met alle bestuurslagen worden besproken. De Tweede Kamer zal aan het eind van het eerste kwartaal 2022 hier verder over worden geĆÆnformeerd.

Vraag:
In het rapport ''klem tussen balie en beleid'' wordt het belang onderstreept dat wet- en regelgeving ook uitvoerbaar moeten zijn voor uitvoeringsorganisaties. Daarom is het van belang na te gaan of wetsvoorstellen in samenhang met al bestaande wet- en regelgeving geen ongewenst gevolg hebben voor burgers. De VVD vraagt een reactie op het idee dat uitvoeringsorganisaties vaker actief met brieven komen waarin zij aangeven wat wel en niet voor hen werkt en waar bij hen de complexiteit in de uitvoering zit.

Antwoord:
Het kabinet onderschrijft het belang van het goed betrekken van uitvoeringsorganisaties bij het versterken van de kwaliteit van beleid en wetgeving. Bij de beleidsvoorbereiding moeten uitvoering, wetgeving en de doelgroep in de samenleving nadrukkelijker vanaf het begin zijn betrokken.
Er zijn de afgelopen maanden verschillende acties in gang gezet om knelpunten in de cyclus van voorbereiding, totstandkoming en de uitwerking van beleid en wetgeving die een goede kwaliteit belemmeren, weg te nemen. In de brief van 25 juni 2021 over het wetgevingskwaliteitsbeleid en de voortgangsbrief van 29 juni 2021 over de uitvoering van de POK-acties is een aantal verbeteringen aangekondigd in de verschillende fasen van het beleid- en wetgevingsproces, zoals:

  • Het Integraal afwegingskader (IAK) wordt herzien, zodat departementen dit instrument beter toepassen. Bij de beleidsvoorbereiding moeten nadrukkelijk uitvoering, wetgeving en de doelgroep in de samenleving vanaf het begin zijn betrokken.

  • Voor de verdere versterking van kwaliteit van regelgeving zijn ook acties ingezet om de cyclus beleid-wetgeving-uitvoering ook daadwerkelijk een cyclus te laten worden. Belangrijke ingezette acties zijn het versterken van de feedbackloop, dus het sneller in het beleid- en wetgevingsproces kunnen oplossen van uitvoeringsproblemen en andere signalen. Uitvoeringsorganisaties die werk doen dat burgers en ondernemers persoonlijk raakt, gaan periodiek de knelpunten die zij ervaren, delen met de Tweede Kamer. Hiermee is recent een eerste start gemaakt.

  • Een invoeringstoets is in ontwikkeling. Samen met de doorontwikkeling van internetconsultatie zorgt dit ervoor dat burgers en bedrijven beter worden betrokken bij voorbereiding van voorstellen en het beoordelen van de impact. Ook zal een stevigere toets van wetsvoorstellen gaan plaatsvinden op de aspecten uitvoerbaarheid, menselijke maat en doenvermogen.

  • We bekijken ook hoe de huidige rol van het Adviescollege Toetsing regeldruk (ATR) kan worden doorontwikkeld om een bijdrage te leveren aan het proces tot verbetering van wetgeving- en beleidsvorming.

Bij de verdere uitwerking van deze acties zal ook aandacht worden besteed aan de inzet van wetgevingsbrieven door uitvoeringsinstanties.

Verder heeft het kabinet na de zomer van 2019 een MinisteriĆ«le Commissie Uitvoering (MCU) ingesteld. Via deze commissie en de bijbehorende werkagenda draagt het kabinet bij aan een samenhangende aanpak van urgente uitdagingen ten aanzien van wendbaarheid, continuĆÆteit en dienstverlening van de uitvoering. In deze Commissie zijn ook stoelen voor de uitvoering gereserveerd. Het kabinet heeft met het instellen van de Ministeriele Commissie Uitvoering (MCU) in 2019 een platform ingericht, speciaal gericht op thema’s die rijksbreed in de uitvoering spelen. En met de uitvoering hierbij. Dit draagt bij aan een open informatieuitwisseling tussen kabinet en uitvoeringsorganisaties.

Vragen van het lid Leijten, R.M. (SP)

Vraag:
Wat vindt de minister ervan dat het memo Palmen nog niet boven tafel is?

Antwoord:
Navraag bij het ministerie van Financiƫn leert dat de Kamercommissie Financiƫn heeft besloten om vrijdag 29 oktober feitelijke vragen in te dienen en daarna een debat te organiseren over het memo Palmen. De hierboven gestelde vragen aan het kabinet zal ik doorgeleiden aan de Staatssecretaris van Financiƫn - Toeslagen en Douane.

Vraag:
Wat heeft het onderzoek van PWC gekost? Hoe kijkt de minister er tegen aan dat er nog 9 maanden een onderzoek van PWC nodig is?

Antwoord:
Navraag bij het ministerie van Financiƫn leert dat de Kamercommissie Financiƫn heeft besloten om vrijdag 29 oktober feitelijke vragen in te dienen en daarna een debat te organiseren over het memo Palmen. De hierboven gestelde vragen aan het kabinet zal ik doorgeleiden aan de Staatssecretaris van Financiƫn - Toeslagen en Douane.

Vraag:
Hoezo lukt het kabinet vorige week niet - toen duidelijk werd dat 1115 kinderen uit huis zijn geplaatst waarvoor dit voor 400 kleine kinderen nog steeds geldt - om in relatie tot het toeslagenschandaal tot een fatsoenlijke kabinetsreactie te komen?

Antwoord:
De hersteloperatie naar aanleiding van de Toeslagen affaire is zeer complex. Dat geldt ook voor de nieuwe ontwikkelingen die mevrouw Leijten noemt. Ik weet dat hier met man en macht aan wordt gewerkt. De minister van Rechtsbescherming heeft hier mede namens de staatssecretarissen van VWS en FIN recent op gereageerd en aangegeven u en de gedupeerden hier zo spoedig mogelijk duidelijkheid over te geven.

Vraag:
Kamerlid Leijten vraagt hoe de bewindslieden aankijken tegen het gegeven dat de overheid niet dicht bij de mensen staat en er geen menselijke maat is?

Antwoord:
Wij snappen als bewindslieden heel goed dat de overheid dicht bij de mensen moet staan. En ook ambtenaren zijn ervan doordrongen dat de komende jaren veel moet worden ondernomen om het vertrouwen terug te winnen.

Om dat vertrouwen terug te verdienen, is een andere aanpak van de overheid nodig, waarbij het in de kern gaat om de menselijke maat. Dat vraagt in ieder geval een investering in het ambtelijk vakmanschap. Daarom heeft de staatssecretaris van BZK een Rijksbreed programma opgezet voor ambtenaren waarin door middel van debat, opleidingen en gerichte communicatie voortdurend aandacht is voor publieke waarden.

Ook andere initiatieven zorgen ervoor dat de menselijk maat een blijvend uitgangspunt blijft. Een mooi voorbeeld daarvan is de community Gebruiker Centraal, die overheden helpt bij het centraal stellen van mensen in hun dienstverlening en communicatie. Dit is onderdeel van de aanpak op Digitale Inclusie. Met digitale inclusie zet het kabinet er op in dat iedereen kan mee blijven doen in de (digitale) samenleving. Belangrijk onderdeel van deze aanpak is het verbeteren van de overheidsdienstverlening. Met de Direct Duidelijk Brigade zorgen we samen met overheidsorganisaties dat de overheid voor mensen begrijpelijk communiceert. De Informatiepunten Digitale Overheid bieden voor mensen dichtbij huis een fysiek loket waar ze binnen kunnen lopen met vragen over de dienstverlening van landelijke uitvoeringsorganisaties, zoals het UWV, Belastingdienst en SVB. Daarnaast willen we mensen graag helpen om digitaal vaardiger te worden. Hiervoor zijn cursussen ontwikkeld, zoals veilig online. Ook hebben we in 2020 de #DigiHulplijn gelanceerd, die mensen kunnen bellen met vragen over hun computer of tablet. Ook bieden de #DigiHulplijn en de Informatiepunten Digitale Overheid ondersteuning bij het gebruik van de CoronaCheck app.

Daarnaast zijn en worden maatregelen van organisatorische en juridische aard genomen. Er zijn en worden voorzieningen voor maatwerkdienstverlening georganiseerd bij specifieke uitvoeringsorganisaties (bv SVB) en ook wordt voorzien in een rijksbrede maatwerkplaats. Ook wordt gewerkt aan 1 loket voor burgers met multiproblematiek.

Vanuit de juridische kant wordt gewerkt aan het inventariseren van maatwerkstimulerende en maatwerkbelemmerende bepalingen in bijzondere wetgeving. Ook wordt gekeken naar mogelijkheden voor aanpassing van de algemene wet bestuursrecht ter versterking van de positie van de burger. Ook wordt steeds meer ingezet op het gebruik van een uitvoeringstoets waarin ook het perspectief van de burger kan worden betrokken.

Verder werkt het kabinet aan een uitgebreide inventarisatie van wetgeving die hardvochtig uitpakt voor mensen. Met die kennis kunnen bepaalde wetten waar nodig worden aangepast en kunnen onnodige hardheden in de toekomst worden vermeden.

Vraag:
Wat vindt de minister ervan dat twee hooggeplaatste politici een papier hebben gehad met daarop ā€œPieter Omtzigt, functie eldersā€?

Antwoord:
Over het proces van de formatie heeft uw Kamer op verschillende momenten gedebatteerd met de op dat moment door uw Kamer aangestelde verkenners en/of informateurs. Ik verwijs naar deze debatten.

Vragen van het lid Sneller, J. (D66)

Vraag:
Zouden we het front van degene die ons van gefundeerde tegenspraak voorzien niet verder moeten verbreden en versterken? Is de minister bereid te onderzoeken welke mogelijkheden er zijn om Nederlandse ngo’s op gepaste afstand financieel te ondersteunen zodat zij beter toegerust zijn om regering en parlement scherp te houden en te informeren?

Antwoord:
Met de fractie van D66 onderschrijf ik het belang van onafhankelijke en gefundeerde tegenspraak in de democratie. Het lid Sneller vraagt of ik bereid ben te onderzoeken welke mogelijkheden er zijn om Nederlandse ngo’s op gepaste afstand financieel te ondersteunen zodat zij beter toegerust zijn om regering en parlement scherp te houden en te informeren. Ik wil zo’n onderzoek toezeggen, met de belangrijke aanvulling dat ik het juist van belang vind om het vraagstuk van macht en tegenmacht in breder perspectief te beschouwen. Dus: niet alleen een focus op ngo’s, maar juist zien of het nodig is en zo ja hoe we tegenspraak in algemene zin zouden kunnen verbreden en versterken en welke organisaties en instanties hier een rol in kunnen spelen.

Vraag:
Wat vindt de minister van een wettelijke verplichting om in principe alle rechterlijke uitspraken te publiceren?

Antwoord:
Ik vind het een goed idee dat de rechtspraak voornemens is meer uitspraken te publiceren, omdat rechterlijke uitspraken (naast wetgeving en parlementaire informatie) behoren tot de basisinformatie van de democratische rechtsstaat. De voorzitter van de Raad voor de Rechtspraak heeft dit voorjaar ook het streven gemeld om 75% van de uitspraken te gaan publiceren. Een verplichting lijkt mij daarom niet nodig. Overigens zou het ook onwenselijk zijn, in zoverre een deel van de zaken achter gesloten deuren plaatsvindt (bijvoorbeeld m.b.t. jeugdigen), zo heb ik ook begrepen van de collega’s van het ministerie van Justitie en Veiligheid.

Vraag:
De agenda’s van bewindspersonen moeten toegankelijker worden gemaakt. De premier heeft toegezegd dit bij het constituerend beraad aan de orde te stellen of daarvoor te zorgen. Kamerlid Sneller verzoekt om met nadere regels te komen zodat de vrijblijvendheid eraf gaat.

Antwoord:
Sinds 2017 bieden de bewindslieden via de website www.Rijksoverheid.nl inzicht in hun publieke agenda-afspraken, met uitzondering van die zaken die ook voor de Wob gelden (o.a. veiligheid van de staat). Dit staat in de Uitvoeringsrichtlijn openbare agenda’s bewindslieden, die openbaar is. De bewindspersonen zijn zelf verantwoordelijk voor wat er op de openbare agenda komt. De Kamer kan dus bewindspersonen hierop aanspreken, en daarmee is het niet vrijblijvend.
De minister-president heeft toegezegd dat hij, voor zover het in zijn macht ligt, zal bevorderen dat de formateur van het volgende kabinet in het constituerend beraad deze afspraak aan de orde stelt. Het is denkbaar dat de agenda-afspraken op te gaan nemen in een gedragscode integriteit bewindspersonen. Dit is in lijn met de aanbevelingen van de GRECO.

Vraag:
Bij de behandeling van de Wet open overheid (Woo) in de senaat werd door fractie Nanninga een motie ingediend om een concrete kwantitatieve doelstelling aan te verbinden. Die motie is ontraden vanwege de specifieke meetlat die was gekozen. Heeft minister een alternatieve uitwerking die wel werkbaar is om zo’n kwantitatieve doelstelling te formuleren?

Antwoord:
Tijdens de plenaire behandeling van de Woo in de Eerste Kamer (28 sept jl) heb ik aangegeven dat ik het doel van een kwantitatieve maatstaf onderschrijf. In dit geval is het doel het verkrijgen van inzicht in de vraag hoe transparant we als overheid zijn. Het is belangrijk dat we onszelf dat inzicht verschaffen, en helder krijgen of we als overheid ook echt transparanter worden. Of dat kwantitatief zinvol kan, is echter de vraag; dit zou ook op kwalitatieve wijze kunnen. Daarin zie ik een belangrijke rol voor het Adviescollege Openbaarheid en Informatiehuishouding. Dit college gaat adviseren over de stand van de openbaarheid en informatiehuishouding in ons land, en de toegang tot publieke informatie. Deze adviezen zouden een stijgende lijn moeten laten zien. Daarnaast wordt een rechtsvergelijkend onderzoek uitgevoerd. Ook de uitkomsten van dit onderzoek kunnen ons mogelijk nog inzicht verschaffen in de instrumenten die -kwalitiatief dan wel kwantitatief- ingezet kunnen worden om inzicht te krijgen in de mate van transparantie van ons bestuur.

Vraag:
Kan de minister een reactie geven op de aanbevelingen van de Raad van Europa, o.a. over het vergroten van het gemeentelijk belastinggebied en over de trap op trap af systematiek?

Antwoord:
In het monitoringsrapport over de toepassing van het Europees Handvest inzake Lokale Autonomie worden twee aanbevelingen gedaan die de context van de financiƫle situatie van gemeenten betreffen.
De eerste aanbeveling was om de doorgevoerde decentralisaties naar gemeenten te verbeteren door herberekening van de noodzakelijke bekostiging voor gemeenten en door gerichte ondersteuning van gemeenten in nood.
Het kabinet is zich ervan bewust dat de financiƫle positie van gemeenten onder druk staat en in dit kader heeft het kabinet dan ook diverse maatregelen genomen, zoals het schrappen van de oploop van de opschalingskorting en extra middelen voor jeugdzorg.
De tweede aanbeveling betrof een wijziging in het systeem van bekostiging, die rekening houdt met de aard van taken, het beginsel van evenredige financiƫn respecteert en het aandeel van lokale middelen vergroot.
Samen met de VNG en het IPO heb ik diverse onderzoeken laten doen, ik noem: de herijking van het gemeentefonds, de normeringssystematiek en de herziening van het gemeentelijk en provinciaal belastinggebied. De besluitvorming hierover is aan een volgend kabinet.

Naast deze aanbevelingen inzake de financiƫle positie van gemeenten bevat het rapport van de Raad van Europa nog enkele andere waardevolle aanbevelingen voor verbeteringen in het lokaal en regionaal bestuur, die doorgevoerd kunnen worden door een nieuw kabinet.
In de notitie ā€œAanbevelingen verbeteringen in bestuur en financiĆ«n medeoverhedenā€ – die ik op 1 juli jl. aan de beide Kamers heb toegestuurd – is hiervoor een aantal suggesties gedaan.

Vraag:
De Code Interbestuurlijke Verhoudingen, artikel 7, zegt dat de ministers van Algemene Zaken en Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de informateurs zal verzoeken ook de decentrale overheden te consulteren. Ik heb het in de pers nog niet langs zien komen, maar ik neem aan dat de brief op de post is?

Antwoord:
De Code interbestuurlijke verhoudingen schrijft inderdaad voor dat decentrale overheden geconsulteerd horen te worden door de kabinets(in)formateur als het in de informatie gaat over de bestuurlijke en financiƫle verhoudingen.
Bij brief van 1 juli heb ik uw Kamer de notitie "Aanbevelingen verbeteringen in bestuur en financiĆ«n medeoverheden", toegestuurd. Dit naar aanleiding van een motie van het lid Bromet (Kamerstukken II 2020/21, 35830 VII, nr. 10), waarin de regering wordt verzocht om ervoor zorg te dragen dat er zo spoedig mogelijk een gezamenlijke probleemanalyse over de interbestuurlijke verhoudingen en financiĆ«le verhoudingen wordt opgesteld en de Kamer hierover te informeren. Deze notitie is tevens voorbereid ter uitvoering van de motie van het (toenmalige) lid Ɩzütok (Kamerstukken II 2020/21, 35300 B, nr. 23).
Deze notitie is dus openbaar en ligt ook gereed voor het geval een (in)formateur vraagt om een beschouwing op de interbestuurlijke en/of financiƫle verhoudingen. Hier wordt tevens verwezen naar de genoemde bepaling in de Code interbestuurlijke verhoudingen.

Vragen van het lid Arib, K. (PvdA)

Vraag:
Systeemverantwoordelijkheid met betrekking tot de uitvoering van de WOB. De minister heeft toegezegd dit met ministers te bespreken en de PvdA is benieuwd wat daar is uit gekomen?

Antwoord:
Dit is inderdaad besproken, waarbij ik heb aangegeven dat ik het voortouw neem bij het gezamenlijk opstellen van maatregelen om de situatie te verbeteren. Er is echter niet een snelle oplossing voor handen, het probleem is complex. Zo rust de passieve openbaarmakingsplicht op een intensieve belangenafweging. Alle betrokken documenten moeten aan de Wob getoetst worden, en uitzonderingsgronden, zoals privacygevoelige informatie, moeten gelakt worden. Vaak ook is een zienswijze van derden nodig. Dit zijn tijdrovende processen. Daarnaast ontbreekt het nog aan een goede informatiehuishouding. Ordening vindt doorgaans alleen plaats in de documentmanagementsystemen, maar informatie (met name mailverkeer) bevindt zich steeds vaker buiten systemen. Een bijkomend probleem is dat we in de Wob-praktijk in toenemende mate worden geconfronteerd met omvangrijke en weinig gerichte verzoeken. Dit maakt de afhandeling complex en tijdrovend.

Om de situatie te verbeteren, werken we gezamenlijk langs verschillende sporen aan maatregelen om de situatie te verbeteren. Allereerst is er de inzet op de implementatie van de Woo, waaronder het actief openbaar maken van documenten, het op orde brengen van de informatiehuishouding, en inrichting van het Adviescollege Openbaarheid en Informatiehuishouding. Dat college gaat adviseren hierover en een bemiddelingsfunctie krijgen. Ten tweede bekijken we aanvullende maatregelen specifiek op de verbetering van de uitvoering van de passieve openbaarmaking; denk aan slimme oplossingen in de ICT bijvoorbeeld, of een onderzoek naar best practices waar van geleerd kan worden en waar we als rijk intensiever kunnen samenwerken. Ten derde laat ik internationaal rechtsvergelijkend onderzoek uitvoeren, naar wetgeving in andere landen, om lessen uit te trekken en mogelijk onze eigen wetgeving te verbeteren, wanneer de informatiebasis op orde is. Tot slot zal ik in overleg treden met de belangrijkste gebruikers van de wet, journalisten en beroepsverenigingen. Dit om te bezien of er mogelijkheden tot verbetering zijn die beter aansluiten bij de wensen van verzoekers om informatie.

Vraag:
Ik maak me er zorgen over dat de overheid voortdurend procedeert en in hoger beroep gaat. Dat kost veel geld. Hoeveel zaken lopen er nu eigenlijk bij de verschillende departementen? Wat kosten al die rechtszaken? En kunnen we daar een overzicht van krijgen? En gaat dit straks ook veranderen met de Wet open overheid?

Antwoord:
Dergelijke gegevens staan in de Jaarrapportage juridische kwaliteit. Gegevens over 2020 zijn nog niet integraal beschikbaar. Deze worden, wanneer beschikbaar, gepubliceerd op Rijksoverheid.nl. De gegevens over 2019 zijn wel beschikbaar: toen werd er rijksbreed (binnen de kerndepartementen) 129 keer beroep ingesteld in een wob-zaak en 501 keer beroep ingesteld tegen andere besluiten (excl. personele zaken) en 154 keer hoger beroep ingesteld.
Voor wat betreft het tweede deel van de vraag: het behandelen van beroepszaken behoort tot de reguliere werkzaamheden van de beroepsjuristen op de departementen. Er is kortom geen overzicht beschikbaar van de kosten die door het ambtelijke apparaat in deze zaken gemaakt worden. Het is een recht van iedereen om tegen een besluit van de overheid bezwaar en beroep in te stellen. Die rechtsbescherming in het bestuursrecht is belangrijk. Rechterlijke controle is juist het sluitstuk op goede naleving van de wet. Dit algemene bestuursrechtelijke systeem van bezwaar en beroep verandert niet onder de Wet open overheid.

Vraag:
Hoe gaat de Wet Open Overheid uitgevoerd worden? Dit heeft ook met de bereidheid van de bestuurders te maken, die moeten de wet willen uitvoeren.

Antwoord:
Tijdens de plenaire behandeling van de Woo in de Eerste Kamer (28 september jl.) is toegezegd uiterlijk begin 2022 een brief te zullen sturen over de wijze waarop de Woo geĆÆmplementeerd en uitgevoerd wordt. Deze brief zal ook naar de Tweede Kamer verstuurd worden. Dit punt wordt in de brief ook betrokken.

Vraag:
Gaat de minister er ook op aandringen dat niet alleen journalisten en burgers via actieve openbaarmaking informatie krijgen, maar dat ook de Kamer dit krijgt op basis van een ruimhartige toepassing van de Grondwet? Lid Den Haan heeft zich aangesloten bij deze vraag van het lid Arib.

Vraag:
De Raad van Europa gaf aanbevelingen met betrekking tot artikel 68 van de Grondwet. Het Kabinet legt het artikel te restrictief uit volgens de aanbevelingen. Graag een reactie daarop van de minister. Lid Den Haan heeft zich aangesloten bij deze vraag van het lid Arib.

Antwoord op de twee bovenstaande vragen:
Net als de Venetiƫ-commissie van de Raad van Europa onderschrijf ik het belang van een goede informatievoorziening aan het parlement. Dat betreft zowel het actief informeren van de Kamer als het reageren op informatieverzoeken van ƩƩn of meer Kamerleden. De restrictieve uitleg artikel 68 van de Grondwet waar de Venetiƫ-commissie naar verwijst, ziet op het inmiddels gewijzigde beleid om in documenten die aan de Kamer worden verstrekt persoonlijke beleidsopvattingen te lakken. Daarin is ook echt het nodige veranderd doordat het kabinet op dit gebied een aantal stappen heeft gezet.
Zo worden sinds 1 juli 2021 bij kamerstukken over wetgeving en bij beleidsvormende brieven aan de Kamer de onderliggende beslisnota’s meegestuurd. Het kabinet wil hiermee meer openheid geven over de afwegingen die ten grondslag liggen aan het beleid. In die nota’s worden persoonlijke beleidsopvattingen niet langer gelakt. In het voorjaar van 2022 kunt u een voorstel verwachten voor een verdere uitbreiding van de openbaarmaking van beslisnota’s.
Daarnaast heeft het kabinet toegezegd dat gerichte verzoeken om specifieke documenten vanuit de Kamer zullen worden gehonoreerd. En ook daarbij worden persoonlijke beleidsopvattingen niet meer gelakt.
Ik hecht eraan op dit punt met uw Kamer in dialoog te blijven om goed in beeld te houden waar nog eventuele aanvullende informatiebehoefte ligt en te bezien hoe daar vanuit het kabinet op kan worden ingespeeld.

Vragen van het lid Dijk, I. van (CDA)

Vraag:
Waarom is de opschalingskorting niet geschrapt voor provincies?

Antwoord:
Vanwege de onzekere financiƫle situatie van gemeenten, samenhangend met de coronacrisis is de oploop van de opschalingskorting voor gemeenten incidenteel geschrapt voor 2020 en 2021.
Aanvullend heeft het demissionair kabinet in de Miljoenennota 2022 bekend gemaakt die oploop ook voor 2022 incidenteel te schrappen. Voor provincies is de oploop van de opschalingskorting niet eerder geschrapt. Reden hiervoor is dat de financiƫle omstandigheden van gemeenten verschilt van die van provincies. Zo wordt anno 2022 een beroep op gemeenten gedaan voor het sociaal flankerend beleid als gevolg van de coronacrisis en daarnaast wordt in 2022 extra inzet van gemeenten gevraagd op dossiers als Herstel gedupeerden toeslagenaffaire en recent de hogere asielinstroom. De oploop van de opschalingskorting voor gemeenten is alleen incidenteel geschrapt voor 2022, omdat besluitvorming over de opschalingskorting voor 2023 en verder voor gemeenten en provincies aan een volgend kabinet is.

Vraag:
Heeft de minister het idee dat investeringen door gemeentes naar achter geschoven worden i.v.m. financiƫle problematiek? Om welke bedragen gaat het?

Antwoord:
Het kabinet is zich ervan bewust dat de financiƫle positie van gemeenten onder druk staat.
Uit onderzoek dat BZK samen met de VNG heeft laten uitvoeren door onderzoeksbureau Cebeon, bleek onder andere dat vooral uitgaven op jeugdzorg de afgelopen jaren de gemeentelijke begrotingen en voorzieningen onder druk hebben gezet en hiermee ook hebben geleid tot het vooruitschuiven van investeringen.
Ook het Economisch Instituut voor de Bouw concludeerde afgelopen zomer dat de gemeentelijke investeringen in infrastructuur onder druk staan als het gevolg van de financiƫle positie van gemeenten.
Er is geen precies inzicht in de totale omvang van de uitgestelde investeringen. Dit betreft uiteindelijk autonome keuzes van gemeenten zelf, waarover in lokale begrotingen inzicht en verantwoording wordt gegeven.
Een eventuele schatting hiervan hangt af van de gekozen aannames over het gewenste niveau van investeringen, de afschrijvingstermijn en de rentestand.
Cebeon heeft in haar onderzoek op basis van een steekproef een schatting gemaakt van de globale omvang van ā€œstille lastenā€ in de begrotingen van gemeenten als gevolg van de uitgestelde investeringen. Dit zijn bijvoorbeeld afschrijvingslasten en rentelasten die als gevolg van de uitgestelde investeringen niet in de begroting tot uiting zijn gekomen. Cebeon raamt de over meerdere jaren opgelopen achterstand op €700 mln.

Vraag:
Wat is de stand van zaken m.b.t. het gesprek tussen het Ministerie van Binnenlandse Zaken, de VNG en Kennisinstituten over het minimum voorzieningsniveau voor gemeenten?

Antwoord:
Het gesprek over de ontwikkeling van het voorzieningenniveau bij gemeenten maakt onderdeel uit van het reguliere gesprek dat ik met gemeenten voer over hun financiƫle positie.
Wat het minimale of gewenste voorzieningenniveau bij gemeenten is, is aan verandering onderhevig. Op sommige beleidsterreinen geldt dat gemeenten beleidsvrijheid hebben en zelf het voorzieningenniveau kunnen bepalen, bijvoorbeeld wat betreft zwembaden of bibliotheken. Op andere terreinen gelden landelijke normen, bijvoorbeeld op basis van de wet.

Onderzoeksbureau Cebeon concludeerde eerder dit jaar dat het vooralsnog niet mogelijk is een kwantitatief en eenduidig beeld te geven van het voorzieningenniveau van alle gemeenten. Dit komt onder meer vanwege beperkte beschikbaarheid van landelijke data en het ontbreken van eenduidige definities. Dit onderzoek is ook aan uw Kamer gestuurd.

Om toch meer kwantitatieve beelden bij het niveau van voorzieningen te ontwikkelen, wordt op verschillende terreinen samen met VNG, gemeenten en kennisinstituten samengewerkt om voorzieningen in kaart te brengen. Voorbeelden hiervan zijn de Hervormingsagenda Jeugdzorg en het dashboard sociale impact Corona. Mijn ministerie neemt hieraan deel en trekt lessen uit deze trajecten.

Vraag:
Wanneer komt de brief over het recht op persoonlijk contact met de overheid, waarover vorig jaar een motie is aangenomen?

Antwoord:
Te vaak hebben burgers de afgelopen jaren het gevoel gekregen niet terecht te kunnen bij de overheid, of klem te zitten tussen balie en beleid. Dit is een van de belangrijke lessen uit de kinderopvangtoeslagaffaire. De motie Van der Molen, die vraagt om het recht op toegang als beginsel voor behoorlijk bestuur verder te ontwikkelen, sneed dit probleem al aan, nog voordat het rapport Ongekend Onrecht verscheen.

Algemene beginselen van behoorlijk bestuur worden echter geleidelijk ontwikkeld, in de rechtspraak, niet door het bestuur. Er is geen werkwijze voor het officieel instellen van een nieuw beginsel. Wel kan de overheid beleid ontwikkelen waarbij dit beginsel het uitgangspunt is en verder wordt bevorderd. Voor wat betreft het recht op toegang is dit opgepakt in de kabinetsreactie op Ongekend Onrecht (o.a. Kamerstukken II, 35510, nr. 60, 29 juni 2021), en de overheidsbrede aanpak vanuit het programma Werk aan Uitvoering (WaU), met het principe er is ā€œgeen verkeerde deurā€ (Kamerstukken II, 29362, nr. 290, 5 maart 2021).

Burgers mogen van de overheid verwachten dat zij hen goed helpt. Als mensen aankloppen bij een loket van een uitvoeringsorganisatie of gemeente om geholpen te worden, mag dat er niet toe leiden dat ze aan hun lot worden overgelaten. Naast snelle en betrouwbare digitale overheidsdienstverlening moeten ook andere vormen van contact mogelijk zijn, bijvoorbeeld via een fysiek loket waar men terecht kan bij iemand van vlees en bloed.

Relevante ontwikkeling daarbij is dat dienstverlening vanuit de overheid steeds vaker digitaal plaatsvindt. Daarom is ook binnen het domein digitale toegang, waarover uw Kamer bij brief van 12 oktober jl. is geïnformeerd (Kamerstukken II, 26643 nr. 788), een belangrijk doel van het beleid gericht op het persoonlijk toegang verlenen tot een goede, efficiënte en inclusieve digitale dienstverlening voor burgers en bedrijven. Voor burgers die niet digitaal zaken kunnen of willen doen, blijft een analoge dienstverlening openstaan (via een balie of telefonisch), ook vanuit het principe recht op toegang. Daarnaast wordt gewerkt aan voorzieningen waarmee burgers een derde digitaal kunnen machtigen of zich kunnen laten vertegenwoordigen, waar dit wettelijk is vereist. De motie wordt dus uitgevoerd in deze context en in betreffende voortgangsrapportage hierover zal de Kamer verder worden geïnformeerd. Er zal geen afzonderlijke brief over de motie worden gestuurd.

Vragen van het lid Bromet, L. (GL)

Vraag:
Waarom heeft het kabinet de opschalingskorting bevroren voor 2022 en is de opschalingskorting definitief van tafel?

Antwoord:
Zie het antwoord op de vraag van het lid Van Dijk (CDA).

Vraag:
Wat vind de minister van het verlagen van het kiesrecht naar 16 jaar?

Antwoord:
In de voortgangsbrief van 1 juli vorig jaar over de uitvoering van het advies van de staatscommissie parlementair stelsel (Kamerstukken II 2019/2020, 34430, nr. 16) heb ik uw Kamer gemeld dat het kabinet het niet opportuun acht om de kiesgerechtigde leeftijd voor de in de Grond- en Kieswet geregelde verkiezingen te verlagen. Onder meer omdat het empirisch bewijs over de effecten van een dergelijke verlaging niet eenduidig is. Dat neemt niet weg dat ik wel een enorme betrokkenheid van jongeren zie. Die uit zich op allerlei manieren. Ook zonder een verlaging van de kiesgerechtigde leeftijd kan er heel veel om jongeren te betrekken bij de democratie, en daar zet ik vol op in. Met jongeren, gemeenten en organisaties heb ik verschillende pilots ontwikkeld om ervaring op te doen hoe je jongereninspraak in de praktijk brengt. Voorbeelden hiervan zijn een innovatiefonds voor initiatieven van jongeren zelf en vernieuwende gemeentelijke inspraakpilots. Op basis van deze ervaringen werken we aan een landelijke beleidsaanpak.
Ook heb ik in dit kader vorig jaar de Tweede Kamer de suggestie gedaan om de leeftijd voor het kunnen indienen van een burgerinitiatief te verlagen naar 16 jaar. Het kabinet heeft daarbij laten weten dat als de Tweede Kamer dit nationaal zou willen regelen via het Reglement van Orde van de Tweede Kamer, het kabinet dan ook de leeftijd voor het Europees burgerinitiatief zou verlagen. Ik heb geconstateerd dat het amendement van de leden Ɩzütok en Van Meenen, dat met dit doel is ingediend bij de herziening van het Reglement van Orde van de Tweede Kamer, niet is aanvaard.
Kortom, mochten in de toekomst de inzichten over de effecten van het verlagen van de kiesgerechtigde leeftijd bij verkiezingen wijzigen, dan zou een heroverweging kunnen plaats vinden.

Vraag:
Hoe kijkt de minister naar het eenzijdig opzeggen van het Trap-op-trap-af-systeem m.b.t. de financiering van lokale overheden?

Antwoord:
Intensiveringen in de accresrelevante uitgaven (ARU) tellen in principe mee in het accres. Nu en in de toekomst.
Gelet op het bijzondere karakter van het aanvullende pakket heeft het kabinet besloten geen accres voor het gemeente- en provinciefonds toe te kennen over de nieuwe maatregelen.
Aangezien de gemeenten geen accres ontvangen over het aanvullende pakket, maar wel te maken krijgen met een toename van salarissen in hun zorgdomein, wordt structureel 80 miljoen euro per jaar toegevoegd aan het Gemeentefonds.
Daarnaast ontvangen gemeenten in het voorjaar bij de verwerking van reguliere loon- en prijsbijstelling voor Beschermd Wonen 14 miljoen euro additionele loon- en prijsbijstelling.

Vraag:
De boeren willen best biologisch worden, maar hebben een gebrek aan afzet. Hoe mooi zou het zijn als het Rijk, dat toch ook een grote inkoper is van voedsel, in haar aanbestedingen zou opnemen dat het biologische producten moeten zijn. Wat vindt de staatssecretaris hiervan?

Antwoord:
De staatssecretaris zet de inkoop van de Rijksoverheid graag in voor het stimuleren van verduurzaming en het vergroten van de afzetmarkt voor duurzame producten en diensten. Dat is een van de principes vanuit de inkoopstrategie Inkopen met Impact. Voor de catering geldt dat de inkoop gericht is op duurzaamheidskenmerken voor milieu, dierenwelzijn en mens en werkomstandigheden, en niet specifiek op biologische producten. Minimaal 50% procent van de voedingsproducten die de cateraars leveren dienen te voldoen aan strenge eisen die verder gaan dan wat gangbaar is in de betreffende branche. Dit kunnen biologische producten zijn, maar de Rijksoverheid kiest dus voor een bredere benadering dan de gevraagde focus op biologisch.

Dit is overigens niet het enige wat het Rijk doet. Het Rijk koopt voedingsproducten niet direct in, maar gaat een dienstverlening aan met een cateraar. Met de betreffende cateraars maken we nadere afspraken over hoe we de catering gedurende de looptijd van het contract verder verduurzamen, acteren we gezamenlijk op de mogelijkheden voor social return, realiseren we meer grip op arbeidsomstandigheden in de productieketen en werken we samen met de cateraars aan het tegengaan van verspilling.

Vragen van het lid Ceder, Don (CU)

Vraag:
De heer Ceder vroeg naar de mogelijkheden voor constitutionele toetsing en mijn reflectie daarop. Aan welke varianten wordt gedacht?

Antwoord:
Het klopt dat een grondwetstraject met betrekking tot constitutionele toetsing alvast technisch wordt voorbereid. Zoals ook de minister-president heeft aangegeven tijdens de Algemene politieke beschouwingen, ligt het namelijk niet in de rede om – zoals in de motie-Kuik wordt gevraagd – eerst te volstaan met de indiening van een wetsvoorstel om artikel 120 van de Grondwet te schrappen en pas op een later moment de uitwerking van de grondwettelijke toetsing ter hand te nemen.
Dit vergt een geïntegreerde afweging van principiële en praktische gevolgen en het ligt in de rede dat een volgend kabinet dit in één grondwetgevingstraject ter hand zal nemen. Met de technische voorbereiding ben ik momenteel bezig. Daar kan ik nu nog niet op vooruit lopen. Wel kan ik alvast meegeven dat ik bezig ben met een overzicht van de verschillende mogelijkheden tot toetsing, om zo de politieke besluitvorming over de mogelijke invoering van een vorm van grondwettelijke toetsing te faciliteren. Deze mogelijkheden hebben betrekking op de materiële, organisatorische en procedurele aspecten van constitutionele toetsing. Het gaat daarbij om kwesties zoals de vraag of toetsing moet kunnen plaatsvinden door alle rechters of door een constitutionele Hof, wat samenhangt met de vraag aan welke onderdelen van de Grondwet toetsing mogelijk en wenselijk is. Zodra het overzicht gereed is, zal ik dat met uw Kamer delen.

Vraag:
Zou de minister zich kunnen voorstellen dat naast het gelijkheidsbeginsel ook het genadebeginsel, of recht voor genade zoals het in Belgiƫ wordt genoemd, in de grondwet komt? Een ingekaderde ruimte voor politieke bestuurders om uitzondering te maken zonder dat dit vervolgens per definitie rechtsgevolgen heeft of precedentwerking voor anderen op grond van gelijkheidsbeginsel, waarbij uiteraard democratische controle op oneigenlijk gebruik kan plaatsvinden.

Antwoord:
De heer Ceder werpt een interessante gedachte op, maar ik kan mij weinig voorstellen bij de verankering van het genadebeginsel, of recht voor genade, in de Grondwet. Ik heb even snel de Belgische grondwet erop nageslagen, omdat de heer Ceder daarnaar verwijst. Ik lees daarin wel een bepaling over genade (artikel 110), maar in de zin van gratie. Nu zal het de heer Ceder er niet om te doen zijn dat als zodanig te willen verankeren, want dat is al gebeurd, namelijk in artikel 122, eerste lid, van onze Grondwet. Zoals de heer Ceder het formuleert, stelt hij een generieke discretionaire bevoegdheid voor. Dat lijkt me een te grofmazig instrument.
In het bestuursrecht kennen we de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Die komen nog het dichtst bij hetgeen waarop in de vraag wordt gedoeld. Daarnaast moeten we meer dan in het verleden bezien hoe bij het toedelen van bevoegdheden beleidsvrijheid kan worden geboden. Het ene beleidsterrein leent zich daar meer voor dan het andere. Het kabinet vindt dat bij de uitvoering van overheidsbeleid de algemene beginselen van behoorlijk bestuur leidend moeten zijn. Sommige beginselen zijn (gedeeltelijk) opgenomen in de Algemene wet bestuursrecht.
In januari 2021 is in het debat over de kabinetsreactie POK een motie Jetten/Marijnissen aanvaard waarin is opgeroepen tot verdere verankering van algemene beginselen van behoorlijk bestuur in de Awb. De ministeries van BZK en Justitie en Veiligheid (J&V) werken aan de uitwerking van die motie. Uw Kamer is daarover geĆÆnformeerd in het standvanzakenoverzicht dat staatssecretaris Van Huffelen op 29 juni aan de Kamer heeft gestuurd. De planning is dat in het voorjaar 2022 een wetsvoorstel over de aanpassing van de Awb in consultatie gaat, waarin de motie Jetten/Marijnissen wordt uitgewerkt, met name voor het evenredigheidsbeginsel, dat inhoud dat iemand door een besluit niet onevenredig mag worde getroffen in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. Daarnaast wordt ook gekeken naar andere onderdelen in de Awb die maatwerk kunnen stimuleren, zoals de hardheid van bezwaartermijnen, Hierin wordt naast de uitwerking van de motie Jetten/Marijnissen ook gekeken naar andere onderdelen die maatwerk kunnen stimuleren, zoals de hardheid van bezwaartermijnen.

Vraag:
Ziet de staatssecretaris ruimte om gemeenten aan te sporen om, daar waar het kan, onafhankelijke cliƫntondersteuning meer mogelijk te maken en beter te faciliteren zodat mensen die meer moeite hebben om hun weg te vinden naar de overheid daar zowel lokaal als landelijk ook steun voor krijgen?

Antwoord:
Het is van groot belang dat de overheid eenvoudig toegankelijk is voor alle inwoners. Er wordt dan ook –samen met de VNG- gewerkt aan het versterken van de dienstverlening bij gemeenten. Bij het organiseren van de dienstverlening wordt rekening gehouden met de diversiteit van de inwoners. Waar mensen digitaal hun vraag willen stellen, moet dat eenvoudig kunnen. Voor mensen die digitaal niet vaardig zijn moet er een fysieke ingang zijn. En voor inwoners die de weg naar het loket niet zelf kunnen vinden, moet de overheid actief op zoek naar deze inwoners.
Dit kan bijvoorbeeld via wijkteams en sociaal werkers. In de doorontwikkeling van de Informatiepunten Digitale Overheid zal worden gekeken of medewerkers van de informatiepunten hun expertise uit kunnen breiden op het sociaal domein. Hiermee kunnen burgers ook bij de informatiepunten beter op weg geholpen worden in complexe situaties. Bij het versterken van de dienstverlening is er nauwe samenwerking tussen het landelijk en lokale niveau, het rijk en de gemeenten.

Vraag:
In de toeslagenaffaire werden mensen geprofileerd op hun tweede nationaliteit. Zijn er ook mensen met de Nederlandse nationaliteit in dat risicoprofiel meegenomen die familiebanden hebben met een niet-westerse achtergrond?

Antwoord:
Bij de kinderopvangtoeslagen heeft het risicoclassificatiemodel gebruik gemaakt van de indicator ā€˜Nederlander Ja/Nee’.
Deze indicator gaf een 'Ja' als ƩƩn van de nationaliteiten van de aanvrager de Nederlandse was. Dus ongeacht of er sprake was van meerdere nationaliteiten, iemand met alleen de Nederlandse nationaliteit werd exact hetzelfde gescoord als iemand met een Nederlandse Ʃn andere nationaliteit.

Zoals u weet geeft het kabinet naar aanleiding van deze casussen uitvoering aan de moties Marijnissen c.s. (Kamerstukken II 2020/21, 35510, nr. 21) en Klaver c.s. (Kamerstukken II 2020/21, 35510, nr. 16). Beide moties vragen het kabinet onderzoek te doen naar het onrechtmatig gebruik van afkomstgerelateerde indicatoren (nationaliteit, etniciteit, en geboorteplaatst) in risicomodellen/risicoprofilering en gegevensverwerkingen.

Op 21 oktober jl. heeft de staatssecretaris van BZK per brief (Kamerstukken II 2020/21, 26643, nr. 790) de eerste voortgangsrapportage van alle ministeries met een laatste stand van zaken over de uitvoering van beide moties gestuurd. Op basis van bevindingen van de (lopende) onderzoeken, zoals bij het ministerie van Financiƫn, de Belastingdienst en bij het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, is gekozen om dit onderzoek niet te beperken tot deze drie indicatoren, maar juist breder te kijken naar het gebruik van afkomstgerelateerde indicatoren. Dit betekent dat oneigenlijk of onrechtmatig gebruik van de familiebanden met een niet-westerse achtergrond zoals de heer Ceder vraagt, tevens in het onderzoek zal worden betrokken.

Vraag:
Kamerlid Ceder vroeg aandacht voor kwetsbare wijken. Burgemeesters roepen de landelijke politiek op om tot een gezamenlijke Deltaplan van 20 jaar te komen en vragen om coƶrdinatie van het Rijk. Ook hier is regie, steun en hulp van het Rijk nodig. Hoe ziet de minister de rol van het Rijk voor zich ten aanzien van die kwetsbare wijken die verspreid zijn over het land? Deelt de minister de ambities van het Manifest 'Dicht de kloof' en hoe ziet de regierol voor de minister?

Antwoord:
Lid Ceder (CU) stelde de vraag welke rol ik zie voor de rijksoverheid bij de aanpak in kwetsbare gebieden zoals in het manifest ā€˜Dicht de Kloof’.
Eind 2019 is het interbestuurlijk programma Leefbaarheid en Veiligheid gestart. De rijksoverheid werkt samen met de vijftien gemeenten die het manifest ā€˜Dicht de kloof’ hebben geschreven, in zestien stedelijke vernieuwingsgebieden mee aan een domeinoverstijgende aanpak van leefbaarheids- en veiligheidsproblemen. Met deze gemeenten, maatschappelijke partners (zoals scholen, politie en woningcorporaties) en bedrijven, is per gebied - onder leiding van burgemeesters - een publiek-private samenwerkingstafel (Alliantie/Pact) ingericht, die zich hard maakt voor de aanpak van de stapeling van opgaven in het gebied.
De rijksoverheid is daar partner, die structureel aan tafel zit in de genoemde publiek-private gebiedsallianties. Vanuit die rol brengen we waar nodig ruimte in wet- en regelgeving in, en kennis en kunde.
Daarnaast heeft de rijksoverheid in de afgelopen jaren bijna € 700 mln. in deze zestien gebieden geĆÆnvesteerd (via de regio-envelop, Volkshuisvestingsfonds, Woningbouwimpuls, Programma aardgasvrije wijken, huisvesting aandachtsgroepen, en preventieve aanpak ondermijning van J&V), vaak vermeerderd met gemeentelijke cofinanciering.
Dit programma Leefbaarheid en Veiligheid wordt daarom voortgezet, de mate waarin is afhankelijk van de prioriteit die het volgend kabinet daar aan geeft.

Vraag:
Kan de minister reageren op het feit dat de circulaire twee dagen na publicatie werd ingetrokken. Hoe kunnen wij dit voorkomen, zodat gemeentes kunnen vertrouwen op een circulaire die ook klopt?

Antwoord:
Ik betreur het dat er een kleine technische fout is geslopen in de septembercirculaire. Dit is hinderlijk is voor gemeenten, die de informatie nodig hebben voor hun begroting. Daarom is de circulaire ook zo snel als mogelijk herzien en binnen enkele dagen weer op de website geplaatst. Het proces is nu al zo ingericht dat een groep van financiƫle experts van gemeenten meelezen bij de totstandkoming van de circulaire. Het kabinet zal er alles aan doen om dit soort fouten in de toekomst te voorkomen.

Vragen van het lid Meijeren, G. van (FvD)

Vraag:
Hoe durft deze minister het woord democratie in de mond te nemen nadat ze het referendum om zeep heeft geholpen?

Antwoord:
Over de afschaffing van het raadgevend referendum heb ik destijds uitvoerig met uw Kamer en de Eerste Kamer gedebatteerd. Het voorstel is door de beide Kamers aangenomen. Voor de gewisselde argumenten verwijs ik u naar de wetsgeschiedenis. In de afgelopen periode is wel een eerste lezing afgerond van een grondwetsvoorstel om het correctief bindend referendum in te voeren. Inmiddels is de tweede lezing van dit initiatiefwetsvoorstel in behandeling bij uw Kamer. Bij de plenaire behandeling zal ik, als adviseur van uw Kamer, het standpunt van het kabinet inbrengen.

Vragen van het lid Dassen, L. (Volt)

Vraag:
Het verdwijnen van publieke voorzieningen - met name buiten de stedelijke gebieden - betekent het verdwijnen van de overheid voor een aanzienlijke deel van Nederland. Het gesprek over de waarde van onze publieke voorzieningen is principieel en fundamenteel. Hoe ziet de minister dit en is zij bereid om actie te nemen om deze trend te keren?

Antwoord:
In mijn Kamerbrief over de evaluatie van het Actieplan Bevolkingsdaling en aandachtspunten voor regionaal beleid van 18 mei jl. (Kamerstukken II 2020/21, 31757 nr. 104) heb ik aangegeven dat aandacht vanuit het Rijk voor specifieke situaties en opgaven in alle regio’s noodzakelijk blijft.
Hierbij moet oog zijn voor een sociale basisinfrastructuur waarop iedereen in Nederland recht heeft.
In mijn brief doe ik onder meer de aanbeveling interbestuurlijk en interdepartementaal te blijven samenwerken aan de regionale opgaven, zoals bijvoorbeeld door de regiodeals en NOVI-gebieden.
Het is aan een nieuw kabinet om te bepalen hoe het beleid richting deze gebieden de komende jaren zal worden vormgegeven.

Vraag:
Het kabinet schrijft dat zij de bevindingen van het Amnesty-rapport herkent en er alles aan zou doen om dit nooit meer te laten gebeuren. Hoe kunnen we hiervan uitgaan zonder duidelijke Kabinetslijn over het gebruik van risicomodellen en algoritmes? Weet de minister op welke andere plekken binnen de overheid gebruik wordt gemaakt van deze discriminerende algoritmes? Welke maatregelen en waarborgen treft de minister om de effecten van inbreuk op grondrechten nu al tegen te gaan?

Antwoord:
Op 26 oktober jl. heeft de staatssecretaris van Financiën de reactie op het rapport van Amnesty naar uw Kamer gestuurd. Het kabinet neemt acties en maatregelen die erop toezien dat algoritmen op een verantwoorde wijze worden ingezet. Op 10 juni 2021 is uw Kamer door minister van BZK, de staatssecretaris van BZK, de minister voor Rechtsbescherming en de staatssecretaris van EZK geïnformeerd over de kabinetslijn inzake het gebruik van AI en algoritmen (Kamerstukken II 2020/21, 26643, nr. 765).

Ingaand op de vraag of bekend is op welke andere plekken binnen de overheid gebruik wordt gemaakt van algoritmes die oneigenlijk of onrechtmatig gebruikmaken van afkomstgerelateerde persoonsgegevens, geeft de staatssecretaris uitvoering aan de motie van het lid Marijnissen c.s. (Kamerstukken II 2020/21, 35510, nr. 21) waarin wordt gevraagd dat vervuilde data, risicomodellen en het gebruik van nationaliteit binnen overheidsinstellingen worden opgeruimd. Uitvoering van deze motie gebeurt met inachtneming van het verzoek van lid Klaver c.s. (Kamerstukken II 2020/21, 35510, nr. 16) om hierbij niet alleen te kijken naar nationaliteit, maar ook naar etniciteit en geboorteplaats. Op 21 oktober jl. heeft de staatssecretaris een voortgangsbrief naar de Kamer verzonden.

Ten aanzien van de vraag naar de maatregelen en waarborgen om de effecten van inbreuk op grondrechten nu al tegen te gaan, verwijs ik graag naar de beleidsagenda die is aangekondigd in bovengenoemde Voortgangsbrief AI en algoritmen en de I-Strategie Rijk 2021-2025 (Kamerstukken II 2020/21, 26643, nr. 779). Het Impact Assessment Mensenrechten en Algoritmen is in juni opgeleverd. In reactie op de motie van het lid Klaver c.s. presenteer ik in januari 2022 een voorstel ten aanzien van een algoritmeregister.

Vragen van het lid Eerdmans, J. (JA21)

Vraag:
Erkent de minister dat er bij ongewijzigd beleid (1 miljoen woningen) er alleen gebouwd wordt om bevolkingstoename te faciliteren en niet om de achterstand van 300.000 weg te werken?

Antwoord:
Nee dat erken ik niet. De woningbouwopgave voor de periode tot en met 2030 gaat uit van 900 duizend woningen. In die opgave zit 1) zowel het accommoderen van de toename van de woningbehoefte (de demografische groei) alsmede 2) het inlopen van het woningtekort naar 2% in 2035 en 3) vervangende nieuwbouw in het kader van sloop. De groei van de woningbehoefte is een gevolg van de toename van het aantal huishoudens. Deze neemt toe door o.a. huishoudverdunning (toename aantal alleenstaanden), vergrijzing en migratie.

Vraag:
Is het wijzen naar de gemeente voor de opvang van statushouders geen afleidingsmanoeuvre van het kabinet? Is de minister het met JA21 eens dat gemeenten niet de vrijheid zouden moeten hebben om voorrang te geven aan statushouders bij huisvesting?

Antwoord:
Tijdige huisvesting van vluchtelingen met een verblijfsstatus is in het belang van de gehele Nederlandse maatschappij; pas wanneer deze mensen vanuit een asielzoekerscentrum doorstromen naar een woning kunnen zij echt starten met integreren, participeren en bijdragen aan de samenleving. Bovendien zorgt een snelle doorstroom naar huisvesting voor minder maatschappelijke kosten.
De taakstelling is bedoeld om elke gemeente daar haar passende verantwoordelijkheid in te laten nemen, en zorgt daarnaast voor een evenwichtige spreiding over het land. Het is sinds 1 juli 2017 niet meer verplicht om statushouders als urgentiecategorie aan te merken. Voor verdere vragen verwijs ik u graag naar het WGO Wonen en Ruimte van 15 november.

Vraag:
Aardgasvrij maken bebouwde omgeving – waarom willen we dit als je ziet dat China in een klap al de Nederlandse inzet teniet doet met ontwikkelingen als het bouwen van kolencentrales?

Antwoord:
Los van het feit wat er in China gebeurt, is het verstandig dat we overschakelen op alternatieve energiebronnen om - nu we de gaswinning in Groningen stoppen - niet alleen afhankelijk te zijn van bijv. Russisch gas.
Daarnaast hebben we de laatste tijd gezien dat gasprijzen volatiel zijn: door de gebouwde omgeving minder van gasafhankelijk te laten zijn, beschermen we huishoudens tegen hoge gasrekeningen.

Maar belangrijker nog: we willen de uitstoot van CO2 verminderen om - ook via de gebouwde omgeving- een bijdrage te leveren aan het beperken van de opwarming van de aarde. Daarbij helpt iedere CO2 reductie.

Vraag:
Hoe kijkt de minister tegen het feit aan dat gemeente moeten fuseren door financiƫle problematiek?

Antwoord:
Het Kabinet heeft, zoals vastgelegd in het beleidskader gemeentelijke herindeling, een sterke voorkeur voor herindelingen van onderop, dus met lokaal bestuurlijk en maatschappelijk draagvlak. Er zijn meerdere redenen voor gemeenten die aanleiding geven om te fuseren, waaronder een gebrek aan bestuurs- en uitvoeringskracht voor opgaven waar gemeenten voor gesteld staan. Extra financiƫle middelen zullen echter nooit een structureel gebrek aan bestuurs- en uitvoeringskracht compenseren. Uitgangspunt moet uiteraard wel zijn dat gemeenten over de middelen beschikken die nodig zijn om hun wettelijke taken naar behoren uit te voeren. Dit betekent dat de verantwoordelijkheden die bij gemeenten zijn belegd in balans moeten zijn met de middelen die zij daarvoor beschikbaar hebben.

Vraag:
Gaan de gemeente aangesproken worden voor de financiƫle problematiek voor het project aardgasvrij? Of gaat dit leiden tot een lastenverhoging voor burgers?

Antwoord:
Met alle gemeenten die betrokken zijn bij het Programma Aardgasvrije Wijken worden jaarlijkse monitoringsgesprekken gevoerd. De algehele voortgang, ervaren knelpunten en geleerde lessen zijn hierbij onderwerp van gesprek. Eventuele financiƫle problematiek komt hierbij dus aan de orde. Bij proeftuinen uit de eerste ronde loopt de formele financiƫle verantwoording via de gemeenteraad als gevolg van de keuze voor een decentralisatie uitkering. Omdat de proeftuinen uit de tweede (en straks derde) ronde middelen via een specifieke uitkering uitgekeerd hebben gekregen, dienen zij zich bovendien jaarlijks financieel te verantwoorden bij het Rijk. Via de rijksbijdrage kunnen gemeenten borgen dat in de proeftuinen een betaalbaar aanbod wordt gedaan. In het geval van Purmerend heeft de gemeenteraad besloten dat de bewoners in de proeftuin kosteloos kunnen overstappen op het warmtenet.

Vraag:
Gaat de minister de kromme financiering van politieke partijen recht trekken, waarin lokale partijen minder subsidie krijgen?

Antwoord:
Ik hecht er waarde aan dat decentrale politieke partijen worden ondersteund in de uitvoering van hun taken.
Dat geldt zowel voor de lokale afdelingen van landelijke partijen, als voor lokale partijen. Daarom heb ik voor de periode 2020-2024 een meerjarige subsidie van € 350.000 euro per jaar beschikbaar gesteld aan het Kennispunt lokale politieke partijen. Dit Kennispunt biedt ondersteuning aan politieke partijen in het decentraal bestuur, die geen gebruik kunnen maken van de ondersteuning door een landelijke partij. Dat beschouw ik als een eerste stap. Ik sta positief tegenover het advies van de commissie-Veling om een subsidieregeling voor decentrale partijen te introduceren. Het is aan het nieuwe kabinet om de vraag te beantwoorden of er een structurele subsidieregeling voor decentrale partijen moet komen en zo ja, hoeveel middelen hiervoor worden gereserveerd en welke vorm deze regeling moet krijgen.

Vraag:
Proeftuin Programma Aardgasvrije Wijken (PAW) in Purmerend is een onrealistisch groen prestigeproject, over de rug maar uit de portemonnee van de belastingbetaler. Graag een reactie van de minister, is dit waar? Wat vindt u daarvan, dat zo’n bewierookt project in Purmerend toch een speelbal lijkt van politieke belangen. Het lijkt mij onwaarschijnlijk overigens dat er geen contact is geweest tussen departement en gemeente Purmerend, is dat zo? Graag wat opheldering daarover, ook of u al bekend was dat dit project al maandenlang als onhaalbaar werd gezien.

Antwoord:
Ik heb afgelopen dinsdag gelijksoortige vragen van lid Kops (#0009798) over de proeftuin in Purmerend beantwoord. Ik verwijs daar graag naar. In aanvulling hierop: Er is met regelmaat contact met alle proeftuinen, dus ook met Purmerend. Uit die contacten is niet gebleken dat de planning onhaalbaar, dat de kosten buitensporig hoog zouden zijn. De gemeente heeft de planning met ruim vier maanden verschoven, dit is gemeld aan de gemeenteraad. Uitgangspunt is en blijft dat er voor de bewoners van deze proeftuin gekomen wordt tot een betaalbaar aanbod. De gemeenteraad van Purmerend heeft besloten dat de bewoners in de proeftuin kosteloos kunnen overstappen op het warmtenet. Voor overige vragen hierover verwijs ik u graag naar het WGO Wonen en Ruimte van 15 november.

Vragen van het lid Baarle, S. van (DENK)

Vraag:
Deelt de minister de mening dat er gewoon meer geld nodig is om discriminatie uit te bannen en er nog meer moeten gebeuren in de komende periode?

Antwoord:
De aanpak van discriminatie is voor dit demissionaire kabinet een belangrijk thema. Nog te vaak ervaren Nederlanders dat ze worden uitgesloten op grond van geslacht, kleur, ras, leeftijd, geloof, seksuele gerichtheid of beperking. Discriminatie, racisme en onderdrukking is verboden en mag nooit geaccepteerd worden. Net als de heer Van Baarle vind ik dat het een belangrijke opdracht is hier nog harder tegen te strijden. Het is niet voor niets dat het kabinet in juni een versterkte aanpak van discriminatie heeft aangekondigd en om die reden heeft kabinet extra geld vrij gemaakt voor de aanpak van discriminatie. Er is inmiddels een Nationaal Coƶrdinator tegen Discriminatie en Racisme en voor het einde van het jaar zal ik u informeren over de instelling van een Staatscommissie die onderzoek gaat doen naar discriminatie in Nederland in het algemeen en naar etnisch profileren bij de overheid. Het komend jaar zal de aangekondigde aanpak verder uitgevoerd worden.
Verdere intensivering van het antidiscriminatiebeleid vergt ook keuzes door het volgende kabinet. Alsdan zullen ook de financiƫle gevolgen daarvan moeten worden bezien.

Vraag:
Kamerlid Van Baarle vraagt om een update te geven over de uitvoering van de moties ingediend door DENK die toezien op de bestrijding van discriminatie?

Antwoord:
De moties waar de heer van Baarle aan refereert zijn waarschijnlijk onder meer een motie over het Integraal afwegingskader en een motie over de discriminatietoets. Er wordt momenteel gewerkt aan aanpassing van het IAK en de discriminatietoets. Hierover bent u in juni door de minister van Rechtsbescherming geĆÆnformeerd. Zodra de aanpassingen zijn afgerond zal u door het kabinet hierover geĆÆnformeerd worden. Over de motie om een brede doorlichting uit te voeren op discriminatie en etnisch profileren binnen de overheid heb ik u al geĆÆnformeerd dat dit meegenomen wordt in de opdracht van de Staatscommissie. Ook hierover zal ik u snel apart informeren. Dan zijn er nog enkele moties over onderzoeken, namelijk een motie met het verzoek te onderzoeken hoe discriminatie als gevolg van de coronacrisis kan worden bestreden, een motie over de meldingsbereidheid en de motie over het mysteryguestonderzoek op de woningmarkt. Dat laatste onderzoek wordt binnenkort met uw Kamer gedeeld. Over uitvoering van de andere 2 onderzoeken wordt u nog geĆÆnformeerd. Ik ben bezig om de uitvoering van deze moties mee te nemen in een breder perspectief, waarbij ik het gehele meldingsproces tegen het licht wil houden, zodat we ook daadwerkelijk de meldingsbereidheid kunnen verhogen en discriminatie gerichter kunnen aanpakken. Een beter meldingsproces leidt mogelijk tot meer meldingen en meer meldingen betekent dat we beter weten waar welke soorten van discriminatie plaatsvinden. Zo kunnen we gerichter discriminatie aanpakken. Ik zal bij de multi-agencyrapportage die ik uw Kamer jaarlijks toestuur in juni wederom vragen of de onderzoekers inzicht willen geven over meldingen die verband houden met corona.
En tot slot de motie over de NCDR om hem jaarlijks aan de Kamer te laten rapporteren beschouw ik als afgedaan, aangezien er nu een Nationaal Coƶrdinator is gestart, die nu hard aan de slag is gegaan met de totstandkoming van een Nationaal Programma. De planning is dat er in het voorjaar een eerste Programma is. Ik verwacht dat de Nationaal Coƶrdinator tegen die tijd met uw Kamer in gesprek zal gaan over zijn activiteiten en resultaten.

Vraag:
Klopt het dat de Nationale Coƶrdinator Discriminatiebestrijding geen rol heeft in het onderzoeken van de eigen Rijksoverheid? Zou zo’n coƶrdinator niet ook een waakhond moeten zijn die ook iets over de Rijksoverheid zegt?

Antwoord:
In zowel het onderzoek van ABD Topconsult als in het profiel van de NCDR staat dat de NCDR de taak heeft om te komen tot een Nationaal Programma, waarbij hij de inbreng vanuit de samenleving en maatschappelijke organisaties samenbrengt en coƶrdineert. Wat precies de inhoud wordt van het Nationaal Programma is nu nog niet bekend. De nieuwe coƶrdinator is momenteel bezig met zijn kennismakingsronde. De NCDR verwacht in het voorjaar het Nationaal Programma te kunnen presenteren. De NCDR zal nauw samenwerken met het kabinet en met de nog in te stellen Staatscommissie. De Staatscommissie krijgt de opdracht om onderzoek te doen naar de stand van racisme in Nederland, voorstellen te doen en effecten van beleid te monitoren, waaronder specifiek ook de taak om een brede doorlichting op discriminatie en etnisch profileren uit te voeren van de werkwijze en organisatiecultuur van (semi)overheidsinstanties en uitvoeringsinstanties. De NCDR is juist aangesteld om te zorgen voor een meer gecoƶrdineerde aanpak, zodat de verschillende maatregelen in samenhang tot een beter resultaat kunnen leiden en om het beleid aan te jagen. Burgers kunnen bij klachten over discriminatie door de rijksoverheid terecht bij de Nationale ombudsman en het College voor de Rechten van de Mens, die daar onderzoek naar kunnen doen.

Vraag:
Wat DENK betreft moeten de straffen voor beroepsmatige discriminatie door overheidsambtenaren worden verzwaard, en moet er ook een meldpunt komen voor discriminatiegedrag binnen de hele overheid. Graag een reactie van de minister.

Antwoord:
Bij de Rijksoverheid wordt bekeken op welke wijze racisme en discriminatie het beste kunnen worden gemeld. Uiteraard kunnen de al bij het Rijk bestaande meldpunten hiervoor gebruikt worden, maar wellicht is het goed om hiervoor een apart meldpunt op te richten. We doen onderzoek om te bekijken hoe we het melden van racisme en discriminatie kunnen inpassen in de integriteitsinfrastructuur van het Rijk.

Wat betreft de vraag naar strafverzwarende omstandigheden, wijs ik op artikel 44 van het Wetboek van Strafrecht. Dat bepaalt dat indien een ambtenaar door het begaan van een strafbaar feit een bijzondere ambtsplicht schendt of bij het begaan van een strafbaar feit gebruik maakt van macht, gelegenheid of middel hem door zijn ambt geschonken, de op het feit gestelde straf, met uitzondering van geldboete, met een derde kan worden verhoogd.

Vraag:
DENK wil dat de ambtseed wordt aangepast. Wat DENK betreft moeten aspirant-ambtenaren zweren of beloven dat zij iedere Nederlander tijdens hun ambtsperiode gelijkwaardig zullen behandelen. Deelt de minister dit?

Antwoord:
Zoals ook in de Gedragscode Integriteit Rijk is opgenomen, staat voor het werk van rijksambtenaren trouw aan de publieke taak voorop. Het is daarom goed om dit expliciet tot uitdrukking te brengen in de ambtseed, zoals in de motie Ellian is gevraagd. Ik ben bij de uitvoering van deze motie voornemens om de tekst van de ambtseed voor rijksambtenaren in zijn geheel nog eens kritisch te bezien. De suggestie van de heer Van Baarle (Denk) zal ik daarbij in overweging nemen. Ik zeg erbij dat wijziging van de ambtseed wel een traject is met een lange doorlooptijd. Dit omdat de ambtseed en –belofte voor alle overheidswerkgevers afzonderlijk bij amvb zijn geregeld en dus ook bij amvb moeten worden gewijzigd.

Vraag:
Wat gaat de regering precies doen om discriminerende algoritmes bij de overheid uit te bannen?

Antwoord:
Er zijn in 2021 verschillende acties die door de regering ondernomen ter voorkoming van discriminatie binnen algoritmes bij de overheid. Een voorbeeld hiervan is een handreiking AI-systeemprincipes voor non-discriminatie. Die helpt ontwikkelaars van AI-systemen om discriminerende patronen in gegevens te identificeren, te voorkomen en te bestrijden. Daarnaast is er de Impact Assessment Mensenrechten Algoritmen (IAMA). Dit is een instrument voor discussie en besluitvorming voor overheidsorganen. Het instrument maakt een interdisciplinaire dialoog mogelijk door degenen die verantwoordelijk zijn voor de ontwikkeling en/of inzet van algoritmesystemen.

Verder financiert BZK samen met de departementen OCW, EZK, Defensie en J&V het NWA programma ā€œMensgerichte AI voor een inclusieve samenleving – naar een ecosysteem van vertrouwenā€. Dit onderzoeksprogramma kent twee fasen. In de eerste fase worden de aanvragen van maximaal vijf ELSA (ethical, legal, societal aspects) Labs toegekend. Dat zijn labs waarin op basis van concrete use cases de impact van algoritmen op de maatschappij en burgers wordt onderzocht. Voor de tweede fase wordt een netwerkproject ingericht waarin uitwisseling van projecten plaatsvindt en waarin wordt samengewerkt aan overkoepelende resultaten en het ontwikkelen van een blauwdruk voor ELSA Labs. Deze activiteiten zijn ook verbonden aan de samenwerking in de Nederlandse AI Coalitie.

Voor verdere informatie over de aanpak betreffende discriminerende algoritmes, verwijs ik naar de aan de Kamer gezonden brief van 10 juni 2021, ā€œVoortgang AI en Algoritmenā€ (Kamerstukken II 2020/21, 26643 nr. 765) en naar de brief betreffende de I-strategie 2021-2025 (Kamerstukken II 2020/21, 26643 nr. 779).

Vraag:
Is het huidige beleid tegen discriminatie wel effectief genoeg? Sociaal Cultureel Planbureau laat zien dat de discriminatie cijfers op hetzelfde niveau liggen.

Antwoord:
Discriminatie is een hardnekkig probleem in onze samenleving. Discriminatie is verboden en mag nooit geaccepteerd worden. Uit de cijfers van het SCP blijkt dat ongeveer een kwart van de Nederlanders discriminatie ervaart. Met een versterking van de aanpak, waar onder andere de Nationaal Coƶrdinator tegen Discriminatie en Racisme en de nog in te stellen staatscommissie, samen met gemeenten, Nationale ombudsman, College voor de Rechten van de Mens en maatschappelijke organisaties een belangrijke rol in spelen, heeft dit kabinet een start gemaakt met het aanpakken van dit hardnekkige probleem. Het effect van deze versterking zal over een paar jaar zichtbaar moeten zijn. Daarbij past wel de kanttekening dat het kabinet ook inzet op het verhogen van de meldingsbereidheid, waarmee steeds meer nu nog verborgen discriminatie zichtbaarder wordt. Daarmee wordt het probleem niet groter, maar wel zichtbaarder. Hierdoor is het mogelijk om gerichter beleid te ontwikkelen dat leidt tot het verkleinen van discriminatie in Nederland.

Vraag:
Wordt het huidige antidiscriminatiebeleid wel goed gemeten op effectiviteit? Uit eerdere beantwoording van schriftelijke vragen bleek dat de regering aangaf dat dit niet helemaal helder is welke indicatoren gebruiken we hiervoor? Hoe zit dat?

Antwoord:
In antwoord op Kamervragen van DENK (in juni) over een vergelijkbare vraag heb ik uw Kamer in algemene zin laten weten dat het bij de aanpak van een hardnekkig probleem als discriminatie lastig is om het succes van de inzet op preventie te meten. Discriminatie is namelijk niet altijd even goed zichtbaar. Dat betekent niet dat het er niet is, maar maakt het lastiger om te meten of het beleid effect heeft. Toch wordt op diverse terreinen en gronden nadrukkelijk aandacht geschonken aan het meten van de effecten van antidiscriminatiebeleid en het doen van onderzoek. Zo zal ik onderzoek laten doen naar het meldingsproces en laat ik jaarlijks het aantal meldingen over discriminatie onderzoeken. Ook laat ik periodiek de monitor discriminatie bij woningverhuur uitvoeren en informeer ik u binnen een maand over het vervolgonderzoek over de inzet van mysterycalls. Ook op andere gronden wordt evidence-based beleid gemaakt, waarbij onder andere gebruik gemaakt wordt van het Kennisplatform Integratie en Samenleving (KIS). Binnen de versterkte aanpak van discriminatie en racisme, waarin de NCDR en de Staatscommissie een belangrijke rol zullen vervullen, zal nadrukkelijk aandacht zijn voor het monitoren van de effecten van het antidiscriminatiebeleid. Dat beleid is gericht op de volgende doelen:

  1. Het stimuleren van bewustwording en wederzijds begrip bij de overheid en in het bijzonder bij overheidsdiensten met direct contact met de burger.

  2. Het vergroten van de meldingsbereidheid

  3. Het in stand houden van een kwalitatief hoogstaand stelsel van organisaties waar gemeld kan worden

  4. Het sanctioneren van bewezen discriminatie

  5. Het ontwikkelen en stimuleren van nieuwe impulsen en innovatieve ideeƫn in de aanpak van discriminatie

  6. Als overheid het goede voorbeeld geven.

Tot slot wil ik niet onvermeld laten dat het parlementaire onderzoek van de Eerste Kamer naar de effectiviteit van de anti-discriminatiewetgeving is gestart. De uitkomsten hiervan zullen naar verwachting belangrijke inzichten bieden op dit terrein.

Vraag:
Hoe zit het met het totale budget wat we uitgeven aan discriminatie bestrijding? Het is niet helemaal duidelijk wat we als overheid precies uitgeven aan discriminatiebestrijding. Uitgaven zijn versnipperd en niet alles wordt gelabeld als discriminatiebestrijding. We willen dat dat helderder wordt en dat er een apart overzicht in de begroting van BZK komt met specifiek de uitgaven voor uitgaven aan discriminatie voor de hele rijksoverheid.

Antwoord:
Ik zie de meerwaarde van de achterliggende gedachte bij deze vraag, namelijk beter overzicht van de uitgaven van de aanpak van discriminatie door de rijksoverheid, waarbij ik wel rekening zou willen houden met de verantwoordelijkheden van de andere bewindspersonen op het gebied van de aanpak van discriminatie. Een apart overzicht in de begroting van BZK vind ik niet passen bij de gedeelde (financiƫle) verantwoordelijkheid. Ik wil wel onderzoeken of en hoe het mogelijk is om u jaarlijks te informeren over de gedane uitgaven. Dit overzicht zou bijvoorbeeld als bijlage bij het Nationaal Programma met uw Kamer gedeeld kunnen worden.

Vraag:
Waarom wordt er niet zoals in onafhankelijk onderzoek is aangegeven een budget van 2 tot 5 mln. oplopend geïnvesteerd in de Nationaal Coördinator?

Antwoord:
Zoals eerder met u gedeeld in eerdere debatten, heeft het kabinet voor de NCDR structureel €2 miljoen vrijgemaakt en is afgesproken dat hij eerst moet starten. Dat budget is voor nu ook voldoende. De Minister-President heeft tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen in reactie op een (aangehouden) motie van DENK ook aangegeven dat het goed is om de NCDR nu eerst te laten starten en als hij goed en wel op weg is, het budget opnieuw tegen het licht te houden in relatie tot het inhoudelijk programma.

Vraag:
Wanneer komt de doorlichting van de overheid op discriminatie die naar aanleiding van de motie van DENK zou plaatsvinden?

Antwoord:
Ik heb uw Kamer hierover bericht. Bij brief van 24 juni jl. heb ik aangegeven voornemens te zijn om de nog in te stellen staatscommissie de taak te geven om op langjarige basis onderzoek te doen naar de stand van racisme in Nederland, voorstellen te doen en effecten van beleid te monitoren, waaronder specifiek ook de taak om een brede doorlichting op discriminatie en etnisch profileren uit te voeren van de werkwijze en organisatiecultuur van alle (semi)overheidsinstanties en uitvoeringsinstanties. Ik informeer u voor het einde van het jaar over de stand van zaken omtrent de Staatscommissie.

Vraag:
DENK wil dat de regering de verantwoordelijkheid neemt dat er meer begraafplaatsen met eeuwigdurende grafrust worden gerealiseerd. Daarom dient DENK een initiatiefnota in voor de realisatie van voldoende graven met eeuwigdurende grafrust. DENK ziet uit naar een reactie van de regering op deze initiatiefnota.

Antwoord:
Ik heb uw initiatiefnota met veel waardering ontvangen. Mijn ministerie zal hier zorgvuldig naar kijken en hier ook op reageren.

Vragen van het lid Bisschop, R. (SGP)

Vraag:
Kamerlid Bisschop vindt het onbevredigend dat het ontslag van een waarnemend burgemeester nauwelijks geregeld lijkt, terwijl het grote impact heeft op betrokkene. Ziet de minister reden om dit te verbeteren in lijn met de procedure voor benoeming? Is de Minister bijvoorbeeld voorafgaand geĆÆnformeerd over het ontslag van waarnemend burgemeester Scherpenzeel en zou de gemeenteraad hierbij ook eerst betrokken moeten worden?

Antwoord:
Ik kan bevestigen dat de commissaris van de Koning mij heeft geĆÆnformeerd over diens voornemen de waarnemend burgemeester te ontslaan. Op basis van artikel 78 Gemeentewet is een Commissaris van de Koning bevoegd om een waarnemend burgemeester te benoemen. Ik begrijp dat betrokkene inmiddels juridische stappen heeft ondernomen tegen het besluit van de commissaris van de Koning. Het is daarmee uiteindelijk aan de rechter om een oordeel hierover te vellen.

Vraag:
De Rijksoverheid heeft extra banen gecreƫerd voor mensen met een arbeidsbeperking in het kader van de banenafspraak. De heer Bisschop heeft zorgen om de beperkte invulling van deze banen, dat zijn met name praktische banen tegen lagere functies. Waarom is de verbreding zoals bedoeld in de motie Stoffer bij de overdracht aan BZK weer verdwenen? Ziet de staatssecretaris mogelijkheden om buiten de bestaande arbeidspool meer kansen te bieden binnen hogere functies voor mensen met een beperking?

Antwoord:
Dinsdag heeft de staatssecretaris een brief gestuurd over de wijze waarop hij de motie Stoffer/Van Dijk uitvoer (Kamerstukken II 2020/21, 35570-XV, nr. 67). Hij merkt hierbij op dat dat de doelgroep voor de Banenafspraak bestaat uit een groep zeer diverse mensen. Het plaatsen van mensen is echt maatwerk.

De sector Rijk realiseert passende en duurzame banen voor mensen met een arbeidsbeperking langs vier sporen. EƩn daarvan is de organisatie Binnenwerk, dat zijn meer collectieve plaatsingen.
De andere sporen zijn individuele plaatsingen, banen in samenwerking met leveranciers en dienstverleners in het inkoopdomein - dat wordt ook wel social return genoemd - en
banen in samenwerking met andere werkgevers, al dan niet regionaal.
Op al die vier sporen zal inzet nodig zijn om de doelstellingen voor de rijksdienst te realiseren.

De expertise van Binnenwerk ligt op collectieve instroom van groepen mensen die praktische werkzaamheden verrichten in teamverband onder gespecialiseerde begeleiding, zoals archief-werkzaamheden, assisteren in diverse rijkspanden, bosbeheer etc. Voor theoretisch opgeleide mensen is het spoor ā€˜individuele plaatsingen’ meer geschikt, omdat zij – soms met aanpassingen en onder extra begeleiding – werkzaamheden oppakken binnen de reguliere teams in de rijksdienst.

De staatssecretaris zal altijd het doel nastreven dat voor iedere medewerker met een arbeidsbeperking binnen de sector Rijk een passend werkpakket wordt gevonden, of dat nou is via een collectieve of individuele plaatsing.

Vraag:

Waarom wil regering het belang van het aantal leden relativeren v.w.b. het bepalen van de subsidie voor politieke jongerenpartijen? Waarom gaat de minister niet actief met de jongerenorganisaties het gesprek aan? Krijgen deze jongerenorganisaties tijdig inzicht in de veranderingen en gelegenheid om eventuele klappen fatsoenlijk op te vangen? Krijgen deze jongerenorganisaties tijdig inzicht in de veranderingen en gelegenheid om eventuele klappen fatsoenlijk op te vangen?

Antwoord:

De Evaluatie – en Adviescommissie Wet financiering politieke partijen (commissie-Veling) heeft tijdens de evaluatie van de Wet financiering politieke partijen (Wfpp) geconstateerd dat de organisatievorm en taakstelling van de jongerenorganisaties in het verlengde liggen van die van de politieke partijen.

De commissie-Veling heeft daarom geadviseerd om de subsidie voor de politieke jongerenorganisaties op dezelfde wijze vorm te geven als voor de politieke partijen zelf. Dat wil zeggen: een basisbedrag, een bedrag per Kamerzetel en een bedrag per lid.

Het kabinet heeft dit advies overgenomen in het voorstel voor de Evaluatiewet Wet financiering politieke partijen.

Bij de voorbereiding van dit wetsvoorstel heb ik gesproken met vertegenwoordigers van vrijwel alle politieke partijen die destijds in het parlement waren vertegenwoordigd.

Ruim voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wetswijziging zal ik wederom met vertegenwoordigers van de politieke partijen in gesprek gaan. Ik zal de vertegenwoordigers van de politieke jongerenorganisaties hierbij betrekken.

Vraag:
Steeds meer burgers zijn aangewezen op digitale communicatie en voorzieningen. Als we dan zien dat slechts 4% van de overheidswebsites volledig toegankelijk zou zijn, welke sirenes en zwaailichten gaat de minister dan aanzetten om met spoed tot forse verbeteringen te komen inzake die bereikbaarheid?

Antwoord:
In september 2020 ging de wettelijke toegankelijkheidsverplichting in voor alle overheidswebsites. Er zijn verschillende aanjaagactiviteiten in gang gezet om overheden aan te sporen werk te maken van de toegankelijkheid van websites en ondersteuning te bieden. Het aanjaagteam bij VNG was specifiek gericht op gemeentebestuurders. Een jaar later was het aantal websites waarover verantwoording is afgelegd met 58 procent gestegen; van 1673 tot 2887. Het percentage volledig toegankelijk websites is inmiddels gestegen van 4 naar 7 procent. Het aantal websites dat op weg is om volledig toegankelijk te worden is gestegen van 20 naar 33 procent. Dat zijn positieve ontwikkelingen, maar geen reden om achterover te leunen. In 2022 worden de aanjaagactiviteiten doorgezet, maar overheidsinstanties zijn en blijven zelf verantwoordelijk voor de toegankelijkheid van hun websites en apps. Bij overheden die geen vooruitgang kunnen laten zien worden interventies niet uitgesloten.

Vraag:
Vindt de minister ook dat grafschennis door een paranormale groep onacceptabel is? Wil zij met de VNG en burgemeesters overleggen over het voorkomen van deze praktijken?

Antwoord:
Laat ik voorop stellen dat grafschennis strafbaar is. Maar of hier in dit geval sprake van was, is nog in onderzoek bij het OM. Daarover kan ik dus nog geen uitspraken doen. Ik verwijs verder graag naar de beantwoording van de recent door het lid Van der Staaij gestelde Kamervragen over de reikwijdte van de grafschennis in het Wetboek van Strafrecht. Daarnaast heeft de betrokken gemeente, gemeente Amersfoort, aan de Nationale Ombudsman gevraagd hier onderzoek naar te doen. Ik wacht eerst de uitkomsten af en zal bezien of hier actie van mijn kant aangewezen is.

Vraag:
Vorig jaar heeft kamerlid Bisschop aandacht gevraagd voor de rol van gemeenten in de oorlog bij de roof van Joods vastgoed. Is de minister bereid om met de VNG uit te zoeken hoe expertise kan worden gedeeld en meer eenduidigheid kan worden bereikt, mogelijk samen met Joodse organisaties?

Antwoord:
Ik onderschrijf dat het mooi is om te zien dat reeds 52 gemeenten zich bereid hebben verklaard hun archieven te openen en onderzoek te doen naar onteigend Joods vastgoed in en na de Tweede Wereldoorlog en hun rol daarin.
Transacties van onroerende goederen tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn reeds online in beeld gebracht door een samenwerking van het Nationaal Archief en het Kadaster. Een volledig overzicht van door de gemeenten in bezit genomen vastgoed is echter niet altijd beschikbaar. Dit vormt wel vaak een onderdeel van het onderzoek dat gemeenten in dit kader uitvoeren.
Ik ben bereid het gesprek met VNG te voeren om te bespreken hoe expertise kan worden gedeeld en of gemeenten hierin ondersteuning behoeven.

Vragen van het lid Haan, L. den (Den Haan)

Vraag:
Is de minister het met mij eens dat er meer kaders zouden moeten komen voor basisvoorzieningen die in alle gemeenten aanwezig zouden moeten zijn, zodat het niet per gemeente verschillend is of er bijvoorbeeld dagbesteding voor ouderen met dementie is?

Antwoord:
Op dit moment hebben gemeenten de opdracht om wettelijke taken uit te voeren zoals bijvoorbeeld in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). De kaders waarbinnen gemeenten kunnen opereren zijn vastgelegd door de wetgever. Die gevallen waarin na onderzoek blijkt dat iemand is aangewezen op ondersteuning en deze niet zelf kan organiseren, is de gemeenten gehouden om een vorm van passende ondersteuning te bieden. Tegelijkertijd is er bewust voor gekozen om gemeenten ruimte te laten om het lokale beleid zo vorm te geven zodat dit het beste past bij de lokale omstandigheden en de persoonlijke voorkeuren.

Vraag:
Is de minister bereid met deskundigen door te praten, samen met de VNG en VWS, om naar een effectieve en efficiƫnte oplossingsrichting te kijken om zo te komen tot een goedwerkende jeugdzorg?

Antwoord:
Ja, daartoe ben ik bereid en, samen met de staatssecretaris van VWS en andere betrokken departementen, mee bezig. Een Commissie van Wijzen (CvW) heeft zich over het vraagstuk van de (financiƫle) houdbaarheid van de jeugdzorg gebogen. Op 28 mei jl. is hun oordeel aan de Tweede Kamer gestuurd. Het oordeel is een zwaarwegende inbreng voor de kabinetsformatie. Gezien de urgentie van dit vraagstuk, is vanuit het Rijk samen met de VNG, professionals, aanbieders, cliƫnten en andere betrokken partijen na de zomer gestart met het opstellen van een hervormingsagenda jeugd. Hier worden de voorbereidingen getroffen voor een structureel beter en een beter houdbaar jeugdstelsel. Het ministerie van Binnenlandse zaken is vanuit de verantwoordelijkheid voor de bestuurlijke en financiƫle verhoudingen nauw betrokken bij deze hervormingsagenda. Het is aan een nieuw kabinet om te besluiten over de structurele middelen en maatregelen.

Vragen van het lid Plas, C. van der (BBB)

Vraag:
Wat vindt de minister een acceptabele doorlooptijd voor de afwikkeling van schade van een huis door overheidshandelen?

Antwoord:
Fysieke schade wordt afgehandeld door het Instituut Mijnbouwschade Groningen. Dit instituut is volledig onafhankelijk van de overheid en de NAM. Het IMG streeft ernaar fysieke schademeldingen binnen een half jaar af te handelen. Op dit moment lukt dit nog niet voor alle meldingen. De gemiddelde doorlooptijd is nu 214 dagen.

Vanaf 1 november start een nieuwe werkwijze voor de afhandeling van fysieke schade. Bewoners die nog niet eerder schade hebben gemeld, kunnen vanaf dat moment kiezen voor een vaste vergoeding van 5.000 euro. Voor bewoners met al ingediende aanvragen die nog in behandeling zijn, is dat vanaf 8 december mogelijk.

Deze nieuwe werkwijze is bedoeld voor eenvoudige schades en biedt bewoners die hiervan gebruik willen maken een snel en eenvoudig alternatief voor de bestaande maatwerkprocedure. De verwachting is dat de gemiddelde doorlooptijd voor de afhandeling van fysieke schades hiermee wordt ingekort.

Vraag:
BBB wil graag een pop-up minister voor de aardbeving schade in Groningen. Wat vindt de minister van dit idee?

Antwoord:
Ik wil benadrukken dat er ƩƩn minister voor de aardbevingsschade in Groningen verantwoordelijk is endat is de minister van EZK. De minister van BZK is sinds 2019 verantwoordelijk voor de uitvoering van de versterkingsoperatie vanwege de verantwoordelijkheden en de expertise van het ministerie van BZK op het gebied van burgerparticipatie, bestuurskracht, bouwen, wonen en ruimtelijke ordening.

Ook de Nationale Ombudsman heeft onlangs gesuggereerd een eigenstandig bewindspersoon specifiek voor de aanpak van de aardbevingsproblematiek in Groningen te benoemen in het nieuwe kabinet. Ik onderschrijf de urgentie van de versterkingsoperatie en de schadeafhandeling in Groningen. De verdeling van ministersposten en portefeuilles en daarmee de weging van voor en nadelen is echter niet aan mij als minister van BZK, maar aan de onderhandelaars aan de formatietafel.

Vraag:
Lokale partijen krijgen niet de subsidie die landelijke partijen krijgen. Waarom wordt dit niet gelijk getrokken? Waarom blijft de minister dit uitstellen en wanneer kunnen we een oplossing verwachten?

Antwoord:
Zie het antwoord op de vraag van het lid Eerdmans (JA21).

Vraag:
Kamerlid Van der Plas vroeg naar de stand van zaken ronde motie over Friese taal en de wijze waarop deze wordt uitgevoerd.

Antwoord:
Ik ga ervan uit dat mevrouw Van der Plas doelt op de motie, naar aanleiding van het VSO Bestuursovereenkomst Friese taal en cultuur (Kamerstukken II 2020/21, 35300 VII, nr. 114), die oproept tot een akkoord met de provincie Fryslân om de zichtbaarheid van het Fries en de communicatie in het Fries te versterken.
Ik ben hierover in gesprek met de provincie Fryslân, maar het is mijn streven om vóór het van eind 2021 tot een zichtbaarheidsakkoord te komen. Vooruitlopend hierop is het vertaalbeleid van de rijksoverheid al onlangs aangepast, waardoor inwoners van de provincie Fryslân nu worden aangeduid als aparte doelgroep. Hierdoor is de Friese taal expliciet in het vertaalbeleid van de rijksoverheid opgenomen. Dit betekent dat ministeries bewuster een keuze kunnen maken over het al dan niet vertalen naar de Friese taal.

Vraag:
Waarom is van de trap-op-trap-af systematiek afgeweken?

Antwoord:
Zie het antwoord op de vraag van het lid Bromet (GL).

Vragen van het lid Simons, Sylvana (BIJ1)

Vraag:
Eerder is een motie aangenomen om art. 120 GW te schrappen. Hoe gaan we ervoor zorgen dat grondrechten en mensenrechten niet langer worden geschonden door de overheid? Hoe zit het met het constitutioneel hof?

Antwoord:
De heer Ceder (CU) stelde mij hierover een vergelijkbare vraag. Kortweg komt het erop neer dat ik bezig ben met een technische voorbereiding voor een grondwetsherziening. Dat wordt een overzicht van de verschillende mogelijkheden tot toetsing, om zo de politieke besluitvorming over de mogelijke invoering van een vorm van grondwettelijke toetsing te faciliteren. Zodra dat overzicht gereed is, zal ik dat ook met uw Kamer delen.

Vraag:
Heeft de Nationaal Coƶrdinator tegen Discriminatie en Racisme (NCDR) voldoende doorzettingskracht? Kan discriminatie en racisme met dit programma structureel worden tegengegaan in Europees en Caribisch Nederland? Hoe moet dat met een budget van 2 mln euro, zo’n uitgebreid en structureel programma?

Antwoord:
De Nationaal Coƶrdinator tegen Discriminatie en Racisme heeft als taak om de aanpak van discriminatie aan te jagen en te zorgen voor een gecoƶrdineerde aanpak, zodat er in samenhang beleid gemaakt kan worden dat gaat leiden tot concrete resultaten. Daartoe zal de NCDR een voorstel doen voor een Nationaal Programma, dat bestaat uit een meerjarig deel met scherpe doelen en een jaarlijks actieplan. Het programma zal zorgen voor focus en prioritering. Het kost tijd en blijvende inzet om tot resultaten te komen. Voor het opstellen van het programma heeft NCDR op dit moment €2 miljoen per jaar, maar de uitvoering van het programma zal door de departementen, gemeenten, antidiscriminatievoorzieningen, het College voor de Rechten van de Mens, de Nationale ombudsman, Politie, OM, maatschappelijke organisaties samen opgepakt moeten worden. De aanpak van discriminatie is namelijk niet een taak van alleen het kabinet of alleen de NCDR, maar een opgave van de gehele samenleving, zowel in Europees als in Caribisch Nederland.

Vraag:
Kan het kabinet afrekenen met huisjesmelkers? Waarom is er niet een serieuze algemene overdraagbare woonplicht? Gaan we actief handhaven op leegstand en speculatie?

Antwoord:
Het is onwenselijk dat huurders, zeker in de gereguleerde sector, een veel te hoge huur betalen voor hun woning. Daarom werkt het kabinet aan het wetsvoorstel ā€˜goed verhuurderschap’ waarmee het voor gemeenten mogelijk wordt om onverbeterlijke en notoire huisjesmelkers beter aan te pakken – ook met boetes. Dit wetsvoorstel is deze zomer in consultatie geweest en wordt op korte termijn – uiterlijk vóór de kerst – aan de Raad van State gezonden voor advies. Daarnaast treedt per 1 januari 2022 de Wet opkoopbescherming in werking. Hiermee kunnen gemeenten gebieden aanwijzen waar woningen die gekocht worden bewoond moeten worden door de eigenaar.
Een gemeente kan een leegstandverordening instellen als zij vindt dat dit noodzakelijk is. Op grond van die leegstandverordening kan zij een meldplicht instellen als een pand langer dan zes maanden leegstaat. De gemeente kan hier actief op handhaven en een boete opleggen als er niet wordt gemeld. Voorts kan de gemeente zelf een gebruiker voordragen zodat het leegstaande pand wordt gebruikt. Daarnaast gebruiken gemeenten tal van andere instrumenten om leegstand actief te bestrijden. Het is daarbij aan gemeenten om te bepalen voor welke doelgroepen het leegstaande pand wordt gebruikt.

Vragen van het lid Haga, W. van (Groep Van Haga)

Vraag:
Is de minister van BZK het met Belang Van Nederland eens dat het aardgasvrij maken van huizen in elk geval op de korte termijn geen positief effect heeft op het milieu? En natuurlijk is het goed om eerst alle huizen fatsoenlijk te isoleren. Maar kunnen we niets beters verzinnen dan 150 miljoen euro aan vouchers voor tochtstrips?

Antwoord:
Nee, daar ben ik het niet mee eens. Het aardgasvrij maken van woningen bestaat uit een combinatie van besparen en een alternatief voor aardgas. Dat levert direct al CO2-besparing op. Bij de verdere verduurzaming van de bronnen loopt deze CO2-besparing nog verder op tot uiteindelijk CO2-neutraal. Op wereldschaal is de bijdrage natuurlijk beperkt, maar het is belangrijk dat wij onze bijdrage leveren en dat we beginnen met de wijkaanpak, ook om onze doelen in 2050 te kunnen halen. Het nu beginnen met aardgasvrij maken en het leren in de proeftuinen is daar essentieel voor.

Voor de aanpak van de hoge energieprijzen is door het kabinet een breed pakket gepresenteerd o.a. via aanpassing energiebelasting. De 150 mln. is specifiek gericht op huishoudens die kwetsbaar zijn vanwege de hoge energierekening. Dit gaat verder dan tochtstrips. Gemeenten gaan proberen kwetsbare huishoudens actief te ondersteunen om de energielasten omlaag te brengen (bijvoorbeeld via energiecoaches).

Vraag:
Is de minister het met mij eens dat mensen zelf prima in staat zijn om te bepalen waar het hoogste rendement wordt gehaald voor hun eigen woning?

Antwoord:
Veel huiseigenaren weten hoe zij energie kunnen besparen en nemen nu ook al verduurzamingsmaatregelen aan hun woning. Dit varieert van het toepassen van de isolatiemaatregelen tot kleinere energiebesparende maatregelen zoals radiatorfolie. Daar ben ik blij mee. Echter – blijkt ook uit de monitor klimaatbeleid – weet 1 op de 3 huiseigenaren niet welke verduurzamingsmaatregelen zij zouden kunnen treffen in hun woning. Dat vind ik nog te veel. Daarom vind ik het belangrijk om mij te blijven inzetten om huiseigenaren en bewoners te voorzien van meer en betere kennis en informatie via verschillende kanalen zoals de website verbeterjehuis.nl, algemene isolatiecampagnes en lokale voorzieningen zoals de energieloketten.

Vraag:
Er zijn prachtige technische mogelijkheden om op een verantwoorde manier een monument te verduurzamen, maar gemeenten werken actief tegen, en hierdoor stoken de eigenaren en bewoners van monumenten voor de buitenlucht. Dus nogmaals, erkent de minister dit onnodige probleem en wat gaat de minister hier aan doen?

Antwoord:
Ik ben het met u eens dat monumenten goed verduurzaamd kunnen worden, maar dit moet wel heel zorgvuldig gebeuren. Monumentale waarden mogen niet verloren gaan. Er zijn inderdaad ook oplossingen die daarvoor speciaal zijn ontwikkeld, zoals speciaal dubbel glas voor monumenten. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de afweging wat wel en niet mogelijk is. De monumentsector zelf wil monumenten verduurzamen en heeft deze ambitie neergelegd in de routekaart verduurzaming monumenten. (60% CO2-reductie in 2040). Deze routekaart is onderdeel van het maatschappelijk vastgoed en opgenomen in het Klimaatakkoord. Overigens stelt de sector hierbij expliciet dat de cultuurhistorische waarde hierbij niet mag worden aangetast. Een tegemoetkoming voor de eigenaren bij de verduurzaming van niet-woonhuis-rijksmonumenten, wordt meegenomen in de uitwerking van de besteding van de middelen voor verduurzaming van maatschappelijk vastgoed in 2022-2024. Voor het verduurzamen van woonhuismonumenten, zal ik samen met het ministerie van OCW nader bezien of, en zo ja hoe, bestaand en nieuw instrumentarium voor de bewoners beter passend gemaakt kan worden om ook monumenteneigenaren beter tegemoet te komen.

Vraag:
Is de minister het met Belang Van Nederland eens dat de verwachtingen met betrekking tot het rendement van bijvoorbeeld warmtepompen moet worden bijgesteld?

Antwoord:
Nee, daar ben ik het niet mee eens. Het rendement van een warmtepomp is afhankelijk van de mate van isolatie en de huidige energierekening. Bewoners kunnen onder andere op verbeterjehuis.nl informatie vinden over de geschiktheid van de verschillende warmtepompen voor hun woning.

Vraag:
Zou het niet een idee zijn om corporaties sociale woningen te laten bouwen maar gemeenten te verbieden om dit te eisen van private ondernemingen?

Antwoord:
Er is een tekort aan sociale huurwoningen en voor het bouwen van deze woningen hebben we ook de private sector nodig. Ik zie daarom niets in het verbieden van private ondernemingen om sociale huurwoningen te bouwen. Ik heb uw Kamer eerder al toegezegd vinger aan de pols te houden op basis van signalen dat dit niet goed gaat.
Op het moment dat sociale huurwoningen gerealiseerd zijn vind ik het van belang dat zij ook daadwerkelijk en langjarig verhuurd worden aan de juiste doelgroep. Om dit te waarborgen hebben gemeenten reeds de mogelijkheid om ook deze woningen in de lokale huisvestingsverordening aan te wijzen om er op die manier voor te zorgen dat de juiste doelgroep ook daadwerkelijk in de woning terecht komt.
Met een doelgroepenverordening op grond het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) kan een gemeente regelen dat nieuw te bouwen sociale en middenhuurwoningen en sociale koopwoningen bestemd zijn voor een bepaalde doelgroep gedurende een bepaald tijdvak (instandhoudingstermijn). Een doelgroepenverordening geeft de wettelijke vereiste basis om sociale huurwoningen in bestemmingsplannen (en exploitatieplannen) op te nemen en geeft de gemeente een publiekrechtelijk middel om deze woningen die voor deze doelgroepen op de markt komen ook voor deze doelgroepen beschikbaar te houden.

Vraag:
Hoeveel huizen moeten er nog verstevigd worden en hoeveel huizen heeft deze minister in het afgelopen jaar daadwerkelijk verstevigd?

Antwoord:
De totale omvang van de versterkingsopgave bedraagt bijna 27.000 adressen. Door middel van opname en beoordeling wordt beoordeeld hoeveel van deze adressen daadwerkelijk versterkt moeten worden. De opnames en beoordelingen zijn allemaal afgerond in 2023. De planning is om in 2021 ongeveer 1.500 adressen versterkt te hebben. Eind deze maand verschijnt weer een actueel dashboard.