Notaoverleg veteranen (ongecorrigeerd stenogram)
Stenogram
Nummer: 2022D25994, datum: 2022-06-20, bijgewerkt: 2024-02-19 10:56, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Onderdeel van activiteiten:- 2022-06-20 10:00: Notaoverleg veteranen (Notaoverleg), vaste commissie voor Defensie
Preview document (š origineel)
Tweede Kamer, Veteranen
VERSLAG VAN EEN NOTAOVERLEG
Concept
De vaste commissie voor Defensie heeft op 20 juni 2022 overleg gevoerd met mevrouw Ollongren, minister van Defensie, over:
de brief van de minister van Defensie d.d. 10 juni 2022 inzake Veteranennota 2021-2022 (30139, nr. 254);
de brief van de minister van Defensie d.d. 13 april 2022 inzake reactie op verzoek commissie inzake proefschrift "Nederland en zijn veteranen 1945-2015" (30139, nr. 250);
de brief van de minister voor Rechtsbescherming d.d. 26 april 2022 inzake afschrift van de reactie op het rapport "Toegang tot veteranenzorg achter slot en grendel" van de Veteranenombudsman (30139, nr. 251);
de brief van de minister van Defensie d.d. 23 mei 2022 inzake afschrift van de reactie aan de Veteranenombudsman over noodopvang voor veteranen (30139, nr. 253);
het jaarverslag van de Nationale ombudsman, de Kinderombudsman en de Veteranenombudsman over 2021 (36046).
Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.
De voorzitter van de vaste commissie voor Defensie,
De Roon
De griffier van de vaste commissie voor Defensie,
De Lange
Voorzitter: Valstar
Griffier: De Lange
Aanwezig zijn vijf leden der Kamer, te weten: Belhaj, Boswijk, Fritsma, Van Haga en Valstar,
en mevrouw Ollongren, minister van Defensie.
Aanvang 10.00 uur.
De voorzitter:
Ik open de vergadering. Ik heet u allen van harte welkom bij de vaste
commissie voor Defensie. Wij gaan vandaag met elkaar de Veteranennota
bespreken. Dit is het notaoverleg Veteranen. De spreektijden zijn vooraf
bekend, maar aangezien de groep nog vrij select is, zou ik willen
voorstellen dat u uw betoog afdraait. Ik ga dat doen op volgorde van
links naar rechts, niet van grootste fractie naar kleine fractie, als u
mij dat toestaat. Dan zou ik als VVD-woordvoerder trouwens gelijk aan de
beurt zijn, en dat moeten we ook niet hebben. Ik geef allereerst het
woord aan de heer Van Haga.
De heer Van Haga (Groep Van Haga):
Voorzitter. Nederland heeft meer dan 100.000 veteranen. Zij verdienen
onze erkenning, waardering en zorg. Om eerlijk te zijn: dat gaat steeds
beter. Afgelopen woensdag hadden we een rondetafelgesprek over onze
veteranen en ook daaruit bleek dat er meer aandacht is voor deze
bijzondere groep mensen. Aanstaande zaterdag, 25 juni, zullen we onze
veteranen opnieuw eren. Ik kijk daar zelf enorm naar uit, omdat ik dan
de chauffeur ben van mijn vader, die 86 jaar is en in Nieuw-Guinea en
Congo heeft gediend.
Voorzitter. Dan kom ik op de Veteranennota. Om eerlijk te zijn is deze
nota wel een compliment waard: buiten het feit dat die heel mooi
opgemaakt is, leest die ook goed. Er is aandacht en begrip in deze nota.
BVNL is enthousiast over de toezegging van de minister om in kaart te
brengen waar het veteranenbeleid verder kan worden verbeterd. Maar,
zoals de sprekers bij het rondetafelgesprek ook aangaven: het beleid op
papier strookt niet altijd met de werkelijkheid. De Veteranennota kent
veel algemene teksten zonder dat het beleid in uitvoering en uitkomsten
al concreet wordt gemaakt. Daarom zou ik toch de minister willen vragen
of zij een uitgebreidere reactie kan geven op het proefschrift
"Nederland en zijn veteranen 1945-2015" van dr. Van den Doel, die dit
ook al heeft aangekaart.
Voorzitter. Bovendien kunnen de erkenning en waardering van veteranen
beter. Ik zou graag van de minister willen weten wat zij hieraan gaat
doen. We spreken vaak over zorg voor veteranen, een belangrijk
onderwerp, maar we moeten ook aandacht hebben voor de veteranen die geen
zorg behoeven. Hoe staat de minister hier tegenover? We hebben het nu
vaak over de lijdende veteraan, maar de meeste veteranen lijden niet;
die zijn gewoon trots.
Daarnaast kunnen veteranen een rol spelen in het enthousiasmeren van
mensen voor Defensie, nu die met een personeelstekort kampt. Hoe gaat de
minister veteranen voor dit doel inzetten?
Voorzitter. Dan de nazorg. Nog steeds wordt er gewacht op de doorvoering
van de aanbevelingen van de evaluatie van het PTSS-protocol uit 2016.
Kan de minister aangeven waarom de aanbevelingen nog niet zijn
uitgevoerd en wanneer we dit wel kunnen verwachten?
Voorzitter. Er is een gebrek aan structurele opvang voor veteranen door
het woningtekort, het tekort aan plaatsen voor begeleid wonen en de
crisisopvang. Waarom is de minister niet van plan om de maximale duur
voor crisisopvang in de Veteranen Intensieve Behandel Unit, de VIBU, te
verhogen, zoals het rapport Noodopvang veteranen nu eenmaal
adviseert?
Voorzitter. Dan het Militair InvaliditeitsPensioen, het MIP. Het MIP is
al twaalf jaar niet geĆÆndexeerd, waardoor veteranen zo'n 20% indexatie
zijn misgelopen. Een indexatie staat op de rol per 1 januari 2023, maar
de inflatie is dit jaar al 10%, dus er zit een gat. Vindt de minister
niet dat er gecompenseerd moet worden voor de afgelopen twaalf jaar? Wat
gaat zij doen om de wachttijden voor het aanvragen van het MIP te
verkorten? Kan zij ervoor zorgen dat de houders van een MIP die willen
emigreren hun ziektekostenverzekering kunnen behouden? BVNL vindt het
niet uit te leggen dat de indexatie zo lang heeft moeten duren. Het MIP
moet op een niveau komen waardoor veteranen hier zonder zorgen van
kunnen leven.
Voorzitter. Onze veiligheid is bevochten door mannen en vrouwen die onze
erkenning, waardering en zorg verdienen. Dus laten we hier kosten noch
moeite voor sparen, in het belang van Nederland. Dank u wel,
voorzitter.
De voorzitter:
Dank. Dan geef ik het woord aan de heer Boswijk namens het CDA.
De heer Boswijk (CDA):
Dank u wel, voorzitter. Ik wil mijn inbreng beginnen met Srebrenica. De
VN-missie in Bosniƫ is de zwarte bladzijde in de geschiedenis van onze
krijgsmacht. Het is wat het CDA betreft zeer terecht dat het kabinet
excuses maakt voor de omstandigheden waaronder het Dutchbat III in 1995
naar Srebrenica heeft uitgezonden. Het was een onmogelijke missie. We
zijn vervolgens ernstig tekortgeschoten in het bieden van steun en
nazorg aan deze militairen en hun thuisfront. Dat heeft diepe sporen
achtergelaten. Laten we hopen dat de veteranen door deze manier van
erkenning en waardering een bladzijde kunnen omslaan.
Voorzitter. Dan het Veteranen Search Team. Drie weken geleden werd het
9-jarige Limburgse jongetje Gino gedood. Dat was een vreselijk drama.
Bij de vondst van Gino heeft het Veteranen Search Team belangrijke
puzzelstukken gevonden. Hierdoor kon relatief snel een verdachte worden
opgepakt. Het VST is een waanzinnig mooi initiatief. De stichting
bestaat uit 2.400 vrijwilligers, bestaande uit politieagenten,
brandweermannen en ambulancebroeders, maar voor 85% uit veteranen. Het
VST wordt jaarlijks gemiddeld voor 60 urgente vermissingen ingezet,
waarvan de helft succesvol is. Als het VST wordt ingezet, altijd via de
politie, gaat er een alarmmelding naar 2.400 vrijwilligers. Binnen twee
uur kunnen er 60 mensen op locatie zijn. Het VST is een goed voorbeeld
van de kennis en de kunde die veteranen in huis hebben, ervaringen die
je alleen kunt opdoen als je op missie bent geweest. Hiervoor moeten we
meer oog hebben. Ik heb een vraag aan de minister. Het VST is een
stichting, die voornamelijk afhankelijk is van donaties. Heeft de
minister weleens overleg gevoerd met hen om te vragen waar de overheid
hen eventueel nog bij kan ondersteunen?
Voorzitter. Dan de waardering. Het CDA is trots op de Nederlandse
veteranen. Er zijn ruim 100.000 veteranen in Nederland. Ze hebben zich
ingezet voor vrede en veiligheid overal in de wereld. Ze hebben gediend
in het belang van Nederland, voor onze veiligheid. Dat verdient
erkenning en waardering. Gelukkig is dit een breed gedragen gevoel. Ruim
80% van de Nederlanders zegt waardering te hebben voor onze veteranen.
Tegelijkertijd zegt slechts een derde van de veteranen die waardering
ook daadwerkelijk te voelen. Veel veteranen ervaren stereotypering,
desinteresse van de maatschappij. Dat blijkt uit een recent onderzoek
van antropoloog Yvon de Reuver. Veteranen hebben regelmatig de indruk
dat de samenleving niet weet wat de krijgsmacht doet, wat missies
inhouden en wat veteranen hebben moeten doorstaan op uitzending.
Veteranen delen hun ervaringen daarom vooral met elkaar en niet met de
samenleving, en dat is natuurlijk ontzettend zonde. De nadruk op de zorg
en erkenning in het veteranenbeleid levert risico's op van
stereotypering over lijdende mensen, terwijl de trotse militair en de
oud-militair naar de marge verdwijnen. Veel veteranen kijken namelijk
positief terug op hun uitzending en hebben ervaringen opgedaan die
binnen en buiten de krijgsmacht nuttig kunnen zijn. Meer dan de helft
van de veteranen ervaart een zeer positieve invloed van de
uitzendervaring op hun leven.
Dat roept ook een vraag op. Op wie focussen wij? Het veteranenbeleid
moet zich op beiden richten. Manschappen die trots zijn op hun militaire
prestaties verdienen meer aandacht, bijvoorbeeld ook in de media. Dat
doet meer recht aan de hele groep veteranen. Ik hoor graag hoe de
minister hiernaar kijkt.
Voorzitter. Met het overgrote deel van de veteranen gaat het goed.
Tegelijkertijd is er ook een grote groep veteranen die klachten
ondervindt vanwege de uitzending. De overheid heeft de wettelijke maar
bovenal de morele plicht om veteranen goede zorg te bieden wanneer zij
lichamelijke, psychologische of morele schade overhouden aan hun
uitzending. We hebben als commissie begin juni gesproken met de
Veteranenombudsman. Een belangrijk punt dat hij aanstipte, was de lange
behandelingsduur van letselschadeclaims door Defensie. Veteranen die
tijdens een uitzending psychische of lichamelijke letselschade hebben
opgelopen, kunnen een verzoek indienen voor volledige schadevergoeding
van eventuele restschade. Deze procedure bij het ministerie van Defensie
duurt vaak jaren. Dit zorgt voor veel stress en onzekerheid bij
veteranen. Sommige veteranen beschrijven het contact met Defensie als
een gevecht.
De ombudsman heeft een aantal concrete aanbevelingen gedaan. Zo moet
Defensie duidelijk en transparant met de veteranen communiceren over de
behandelingsduur en de noodzaak van de verschillende stappen in de
procedure. Daarnaast doet hij enkele aanbevelingen om de duur van het
traject te kunnen verkorten, waaronder het versterken van de rol van de
zorgcoƶrdinatie in het herziene voorzieningen- en uitkeringsstelsel. Ook
moet de mogelijkheid worden onderzocht om de medische dossiers digitaal
aan de belangenbehartiging te kunnen overdragen. Tot slot beveelt de
ombudsman aan om te onderzoeken of het juridisch mogelijk en uitvoerbaar
is om in de vaststellingsovereenkomst een voorbehoud op te nemen, zodat
er ruimte is om bij bepaalde gewijzigde omstandigheden terug te komen op
eerdere overeenkomsten ten aanzien van schadevergoeding.
Voorzitter. Het CDA vraagt ook al langer aandacht voor de ruim 30
inloophuizen die Nederland rijk is. Veteranen kunnen er terecht voor een
gesprek met lotgenoten, voor dagbesteding en met hulpvragen. Dat is
enorm belangrijk voor de vroegsignalering van problemen en voor de
verwerking en onderlinge ontmoeting. De financiering is per inloophuis
verschillend en afhankelijk van subsidies van onder andere gemeenten,
giften en donaties. Dat maakt het soms lastig om financieel rond te
komen en toekomstgericht te werken, zeker ook omdat gemeenten de laatste
jaren krap bij kas zitten. Dat zorgt voor onzekerheid. In 2018 riep de
Kamer, bij motie van mijn voorganger Bruins Slot en de heer Kerstens, de
regering unaniem op om werk te maken van de situatie rondom de
inloophuizen. De Veteranenombudsman schrijft dat er tot nu toe eigenlijk
weinig concreets op tafel ligt. Wat is hiervan de stand van zaken? Ik
lees hier namelijk niet zo heel veel over in de Veteranennota.
Dit jaar heb ik een aantal keren contact gehad ā¦
De voorzitter:
Meneer Boswijk?
De heer Boswijk (CDA):
Ja, ik sluit af. Een laatste alinea.
De voorzitter:
Nee, er is een interruptie van mevrouw Belhaj. Hoeveel heeft u nog? EƩn
blokje?
De heer Boswijk (CDA):
EƩn kort blokje.
De voorzitter:
Maakt u dat eerst af; dan doen we de interruptie.
De heer Boswijk (CDA):
Dit jaar heb ik een aantal keren contact gehad met verschillende
inloophuizen en ben ik ook bij een aantal inloophuizen op bezoek
geweest. Ik heb redelijk in kaart kunnen brengen wat een zinvolle
structurele bijdrage zou kunnen zijn. Dit valt eigenlijk reuze mee. De
grootste bijdrage wordt daarbij door de veteranen zelf georganiseerd.
Het zou mooi zijn als we hier ondersteuning aan kunnen bieden, zeker
omdat er nu ook meer geld voor Defensie is. Ik zie hier ook wel ruimte
voor in de begroting. Hoe kijkt de minister hiernaar?
De voorzitter:
Dank. Er is een interruptie van mevrouw Belhaj.
Mevrouw Belhaj (D66):
Soms is het juist fijner als je je interruptie niet aan het einde hebt,
want dan kun je het mooi afsluiten. Maar de heer Boswijk wilde het zo.
De heer Boswijk triggerde mij even toen het ging over die
vaststellingsovereenkomst. Wat is de achtergrond en wat is de bedoeling?
Wat hoopt de heer Boswijk te bereiken?
De heer Boswijk (CDA):
Wij begrepen uit het gesprek met de Veteranenombudsman in ieder geval
dat er weleens militairen zijn die op individuele basis een afspraak
hebben gemaakt met Defensie, wat vaak al een gevecht op zich is, en dat
er daarna bijvoorbeeld een structurele regeling komt die soms juist veel
beter en actueler is. Veteranen die al eerder een soort deal hebben
gesloten, vallen daar dan weer buiten. Ik ben heel benieuwd hoe de
minister daarnaar kijkt en of het ook mogelijk is om daar in de toekomst
een soort clausule in op te nemen.
De voorzitter:
Dan is er nog een interruptie van de heer Van Haga.
De heer Van Haga (Groep Van Haga):
De heer Boswijk had het over het Veteranen Search Team. Ik denk dat het
fantastisch is dat dat bestaat. Het is ook goed dat het zo mooi
functioneert. Hij vraagt de minister of zij daar weleens een gesprek mee
heeft gehad, maar ik weet eigenlijk helemaal niet hoe dat gefinancierd
wordt. Vraagt de heer Boswijk dan ook om geld, om budget, voor het
VST?
De heer Boswijk (CDA):
Het hoeft niet sec over geld te gaan, maar ik ben wel gewoon benieuwd
hoe het overleg tussen het ministerie en dat initiatief is. Ik vind het
echt een uithangbord voor de rest van de samenleving. Het zou zonde zijn
als zij tegen bepaalde dingen aanlopen die de duurzame inzet van dit
initiatief in gevaar zouden kunnen brengen. Het hoeft wat mij betreft
niet meteen geld te zijn, maar als daar behoefte aan is, zou mijn
pleidooi wel zijn om daar ook serieus naar te kijken, eerlijk
gezegd.
De heer Van Haga (Groep Van Haga):
Dat begrijp ik, maar de heer Boswijk heeft duidelijk met het Veteranen
Search Team gesproken. Dan ben ik wel benieuwd waar zij behoefte aan
hebben. Ik neem aan dat het ministerie deze organisatie zou kunnen
helpen. Dus wat moet dit gesprek voor hen opleveren?
De heer Boswijk (CDA):
Nou, dan gaat het bijvoorbeeld over voertuigen om zich mee te kunnen
verplaatsen en middelen om mee te zoeken, maar ook ruimte om die
voertuigen op te kunnen slaan en te kunnen stallen. Dat is nu nog
georganiseerd op een manier die werkt, maar toch een beetje
houtje-touwtje is. Het hangt heel erg af van een paar individuen die het
heel erg trekken. Eigenlijk wil je natuurlijk dat zo'n initiatief wat
breder gedragen en wat structureler is.
De voorzitter:
Dank. Er is ook gelijk een einde gekomen aan uw betoog. Dan geef ik het
woord aan mevrouw Belhaj namens D66.
Mevrouw Belhaj (D66):
Voorzitter. Veteranen zijn de leden van onze samenleving die er
vrijwillig voor hebben gekozen hun leven op het spel te zetten voor de
veiligheid en vrijheid van de Nederlandse bevolking en vele anderen in
de wereld. Het zijn moedige mensen aan wie alle lof hoort toe te komen
die ze verdienen. Ik zal tijdens de Veteranendag van dit jaar ā die kan
gelukkig weer groots en open gehouden worden ā mijn steun betuigen aan
de Nederlandse veteranen. Ook nu wil ik graag mijn dank uitspreken aan
alle veteranen die vandaag meekijken met ons debat. Grote dank voor
jullie werk. De samenleving is jullie eeuwige lof en dankbaarheid
verschuldigd.
Voorzitter. Dan naar de inhoud. Allereerst over Dutchbat. D66 is
verheugd met het nieuws dat de minister samen met de premier erkenning
en waardering heeft uitgesproken naar de Dutchbat III-veteranen. Het is
nooit te laat om fouten uit het verleden te erkennen en recht te zetten.
Dit is een goede zaak. Wil de minister wellicht hier in de Kamer
toelichten hoe het gesprek en de dag is verlopen?
Voorzitter. Dan heb ik nog een aansluitende vraag over het rapport Focus
op Dutchbat III, van de heer Borstlap. Mijn vraag is: hoe staat het met
de uitvoering van de overige aanbevelingen van de commissie-Borstlap?
Kunt u ingaan op de vierde aanbeveling en de proef van het NLVi om
veteranen proactief te benaderen? Hebben alle Dutchbatveteranen een
brief ontvangen, zoals stond in de vijfde aanbeveling?
Voorzitter. Dan de Veteranennota. Allereerst is het goed om te horen dat
de minister de pensioenen van invalide veteranen opnieuw laat berekenen.
Het is hoog tijd daarvoor en het is broodnodig. Mijn fractie steunde
vorig jaar een motie hiervoor en dringt er bij de regering op aan dat de
datum van 1 januari 2023 gehaald wordt. Ten tweede wil ik graag ingaan
op het landelijk zorgsysteem voor de veteranen. Het is goed om te horen
dat de veteranen zelf teruggeven dat men zeer positief is over de
contextspecifieke benadering en toegankelijkheid. Ik zou de minister
willen vragen een update te geven over het werk van het LZV en daarbij
in te gaan op het door de voorzitter van het LZV, kolonel-arts Berend
Berendsen, genoemde punt in het rondetafelgesprek, namelijk het gebrek
aan geschikt ggz-zorgpersoneel. Hoe gaat Defensie hiermee om?
Voorzitter. Dan het volgende punt. Gerelateerd aan het vorige punt vraag
ik graag aandacht voor de opvang van veteranen. Daarover kwam dit jaar
een alarmerend rapport van de Veteranenombudsman. Ook deze week viel
weer in de krant te lezen dat een Bosniƫveteraan dagen radeloos op zoek
was naar hulp voordat hij ergens terechtkon. Mijn fractie vindt het een
goed rapport met duidelijke aanbevelingen. Ik las dat de minister
inmiddels aan de slag is gegaan met de aanbevelingen. Daarbij heb ik een
vraag over de vierde aanbeveling. Daarover zegt de minister in gesprek
te gaan met de uitvoerders over meer maatwerk en een verdieping van de
samenwerking met het Leger des Heils. Kan zij daar een update over
verschaffen?
Voorzitter. Mijn collega de heer Boswijk gaf het ook al aan. Ik lees in
het verslag van de ombudsman dat sommige casussen met betrekking tot
letselschadeclaims wel vijf jaar kunnen duren. De ombudsman merkt op dat
deze procedures te lang zijn. Ik herken deze verhalen van een dame,
Stephanie genaamd, die mij er ook op wees. Zij werd eigenlijk bijna ziek
van het proces dat ze moest volgen en kon ook niet echt verder met het
leven. Daardoor loop je een soort dubbele schade op. Mijn vraag is dan
ook: is het niet mogelijk om deze procedures standaard te
verkorten?
Voorzitter. Dan kom ik bij mijn laatste punt, de Afghaanse tolken.
Afgelopen jaar zijn er natuurlijk velen naar Nederland gekomen. Vorig
jaar, ver voor de val van Kabul, drongen Afghanistanveteranen al aan op
evacuatie van de tolken die hen zo goed hadden geholpen. Ook hiervoor is
het moment van dank uitspreken gekomen voor de veteranen die zich
ingezet hebben om hun oud-collega's uit Afghanistan te helpen en in
veiligheid te laten komen.
Voorzitter, ik rond af. Ik wil nogmaals mijn waardering uitspreken voor
de veteranen, uiteraard ook namens mijn collega de heer Hammelburg, die
hier helaas vanwege privƩomstandigheden niet kon zijn. Ik kijk uit naar
de beantwoording van de vragen door de minister.
De voorzitter:
Dan dank ik u hartelijk en geef ik het woord aan de heer Fritsma namens
de fractie van de PVV.
De heer Fritsma (PVV):
Voorzitter, dank u wel. Gelukkig is iedereen het erover eens dat onze
veteranen respect, erkenning en waardering verdienen. Vervolgens gaat
het erom ervoor te zorgen dat dat geen holle termen blijven, maar dat
die woorden ook worden omgezet in daden. Op een paar zeer belangrijke
punten schort het daar helaas aan.
Ik begin met wellicht het allerbelangrijkste punt, het simpelweg opkomen
voor onze veteranen. Als je aan veteranen zelf vraagt ā iedereen heeft
gesprekken gevoerd met veteranen, neem ik aan ā wat ze in de eerste
plaats van Defensie of van de politiek verwachten, is vaak het antwoord:
voor ons opkomen, ons verdedigen als we oneerlijk bejegend worden, ons
op lastige momenten niet laten vallen. Juist op dat hele belangrijke
punt gaat het mis. Onze Srebrenicaveteranen kunnen daarover meepraten.
Voor hen is jarenlang juist veel te weinig opgekomen. Ze waren op een
mission impossible gestuurd en hadden de dramatische gebeurtenissen die
plaatsvonden nooit en te nimmer kunnen keren. Ze kregen een storm van
kritiek voor de kiezen en zijn jarenlang volledig ten onrechte weggezet
als lafaards, maar de steun die ze toen nodig hadden, in die moeilijke
jaren, is er niet gekomen. Het eerherstel van afgelopen zaterdag is
natuurlijk heel mooi, maar kwam toch wel degelijk te laat.
Voorzitter. Je zou dan ook verwachten dat de fout van het niet-opkomen
voor onze veteranen niet wƩƩr gemaakt wordt. Maar vrijwel tegelijkertijd
met het eerherstel van de Dutchbatveteranen laat het kabinet een andere
groep veteranen juist toch weer vallen. Dan praat ik over onze
Indiƫveteranen. De PVV vindt onze Indiƫveteranen helden, maar deze
helden zijn het slachtoffer geworden van pure geschiedvervalsing. Ze
kregen dit jaar een onderzoek om de oren dat te eenzijdig en te gekleurd
voor woorden is. De Indiƫveteranen voelen zich daardoor weggezet als een
soort oorlogsmisdadigers. Ze hebben gelijk dat ze die belediging
absoluut niet verdienen. Op zo'n moment moet je dus voor ze opkomen.
Juist dan komt het erop aan de waardering voor en erkenning van
veteranen om te zetten in concrete steun, maar dat gebeurt toch niet.
Sterker nog: in plaats van dat waardeloze onderzoek kritisch te
bekijken, was het kabinet er als de kippen bij om de valse kritiek te
omarmen en de onjuiste en eenzijdige conclusie dat Nederlandse soldaten
structureel excessief geweld hebben gebruikt, te omarmen en meteen met
diepe excuses richting de Indonesische bevolking te komen. Dat is een
miskleun en de PVV eist dat deze schofferingen van onze Indiƫveteranen
gecorrigeerd worden. Ik roep de minister dan ook op om vanwege de totaal
ongepaste reactie op dat genoemde onderzoek excuses aan te bieden aan de
Indiƫveteranen en, net zo belangrijk, om de betreffende kabinetsreactie
in te trekken en te herzien.
Van dit principiƫle punt ga ik over naar drie praktische punten, te
beginnen met de noodopvang voor veteranen.
De voorzitter:
Ik ga u even onderbreken. Er is een interruptie van de heer Van
Haga.
De heer Van Haga (Groep Van Haga):
De Indiƫveteranen hebben het ontzettend moeilijk met wat het kabinet
heeft gedaan en ontzettend moeilijk met dat rapport. Namens BVNL kan ik
het betoog van de PVV alleen maar steunen. Premier Rutte heeft deze
veteranen natuurlijk een enorme klap in het gezicht gegeven, maar we
weten allebei dat er geen excuses gaan komen. Dit is een bewuste actie
van dit kabinet. Ik vraag me af wat de PVV dan nog meer in petto heeft
dan hier om die excuses vragen, want uiteindelijk gaat het om een grote
groep mensen die tot op het bot gekrenkt is en voor wie we iets meer
moeten doen dan alleen maar hier iets vragen waarvan we zeker weten dat
het niet gaat gebeuren.
De heer Fritsma (PVV):
Toch is het belangrijk om voor ze op te komen en om wel degelijk om
herziening van die kabinetsreactie te vragen. Ik begin er niet voor
niets over, want we hebben het eerherstel van de Srebrenicaveteranen
gezien. Het steekt de fractie van de PVV dat er niet van geleerd wordt.
De Srebrenicaveteranen zijn op een mission impossible gestuurd en ten
onrechte aangemerkt als zondebok. Dat mag niet gebeuren en toch gebeurt
iets vergelijkbaars met de Indiƫveteranen. Ook zij zijn op een mission
impossible gestuurd en ook zij zijn nu, ingevolge dat onderzoek,
volkomen ten onrechte als zondebok gebrandmerkt. De PVV-fractie wil het
punt maken dat ze dat niet verdienen. Wij staan open voor alles wat dit
kan corrigeren, maar een stap is dan toch om die ongepaste
kabinetsreactie te herzien en om excuses te vragen. Dat is toch ook wel
waar je deze groep mensen mee helpt. We hebben het over mensen met een
gemiddelde leeftijd van ver in de 90. Zij verdienen deze behandeling
niet, dus ik breng dit punt met name op om dat duidelijk te maken.
De voorzitter:
Dank. Er is nog een korte vervolgvraag van de heer Van Haga.
De heer Van Haga (Groep Van Haga):
Dat is natuurlijk helemaal terecht, want het was inderdaad een mission
impossible. Veel dienstplichtige militairen wisten totaal niet waar ze
naartoe gingen of wat ze daar moesten doen. Zij hebben gewoon hun best
gedaan, zoals iedere veteraan dat heeft gedaan. Natuurlijk zijn er
dingen misgegaan, maar het is absurd dat het op deze manier wordt
gestigmatiseerd. Er wordt gezegd: okƩ, we gaan nu vragen om excuses.
Maar als die excuses er niet komen, moeten we misschien zelf wel een
motie indienen of namens de oppositie een excuus maken.
De heer Fritsma (PVV):
Dat kan altijd. Wellicht dien ik ook zelf een motie hierover in. De
PVV-fractie staat open voor alles wat kan helpen om deze Indiƫveteranen
te helpen. Het is dus mooi dat we op ƩƩn lijn zitten.
De heer Boswijk (CDA):
Ik denk dat we met elkaar delen dat de Indiƫveteraan niet de schuldige
is. Mijn opa heeft destijds moeten vluchten, omdat het niet meer veilig
was. Ik kan me herinneren dat deze minister meteen alle veteranen een
brief heeft gestuurd en heeft gezegd: jullie zijn op een onmogelijke
missie gestuurd; het is verschrikkelijk wat er is gebeurd; dat is jullie
niet aan te rekenen. Ik wil hier gezegd hebben dat het de militairen ook
niet aan te rekenen is. Er zijn vanuit allebei de kanten vreselijke
dingen gebeurd. Het helpt echter niet om elke keer het scenario op te
werpen dat het ze wel aangerekend wordt. Laten we helder zijn: niemand
neemt de veteranen iets kwalijk. Ik ga op mijn blote knieƫn voor die
mensen. Zij hebben vreselijke dingen meegemaakt. Als we dat weer
oprakelen, dan denk ik dat dat een tegengesteld effect zal hebben.
De heer Fritsma (PVV):
Ik rakel niks op. Ik zou willen zeggen tegen de heer Boswijk: luister
naar de Indiƫveteranen zelf. We hebben rondetafelgesprekken gehad over
dit thema. Ik citeer ook alle teksten van het Veteranen Platform. Men
voelt zich wel degelijk zwaar geschoffeerd, omdat het onderzoek gewoon
subjectief, niet-wetenschappelijk en supereenzijdig is. Sterker nog, de
onderzoekers hebben zich niet eens aan de onderzoeksopdracht gehouden.
Er moest namelijk ook gekeken worden naar het geweld vanuit de
Indonesische zijde. Dat is absoluut niet gebeurd. Als je met dat
onderzoek de indruk wekt dat het merendeel van de Indiƫveteranen zich
schuldig heeft gemaakt aan excessief geweld, dan is dat
geschiedvervalsing. Dat moet wel degelijk geadresseerd worden.
Nogmaals, ik verzin het niet. Ik zit hier niet om onzin op te rakelen.
Je moet luisteren naar de Indiƫveteranen zelf. Die voelen zich zwaar
tekortgedaan. Die voelen zich weggezet als een soort oorlogsmisdadigers.
Dat verdienen ze niet. Dit onderzoek klopt niet. Het kabinet heeft daar
een verkeerde reactie op gegeven, door dat onderzoek meteen te omarmen.
Dat steekt de veteranen ook. Het was nog niet uit of er kwam meteen een
tekst dat het schandalig was, dat er diepe excuses kwamen en dat de
conclusie dat er structureel, excessief geweld is gepleegd, werd omarmd.
Maar dat is gewoon niet zo.
Als je de conclusie leest, lijkt het alsof bijna iedereen zich schuldig
heeft gemaakt aan excessief geweld. Dat is precies wat de veteranen
steekt. Dat klopt niet. Natuurlijk, er waren misstanden. Dat ontkent de
PVV-fractie ook niet. Maar het is niet zo dat dat de regel was. Het was
eerder de uitzondering. Dat is in het onderzoek ten onrechte helemaal
omgedraaid. Daar is het Veteranen Platform boos over. Daar zijn de
veteranen zelf boos over. En ze hebben gelijk!
De voorzitter:
Er is nog een interruptie van mevrouw Belhaj.
Mevrouw Belhaj (D66):
De heer Fritsma gaf net aan te staan voor veteranen. Ik vind dat we ook
moeten staan voor onderzoekers. Het voelt namelijk een beetje
ongemakkelijk om dat allemaal te zeggen. Ik ben zelf ook aanwezig
geweest bij het rondetafelgesprek. Ik steun het onderzoek. Ik vind dat
het wƩl zorgvuldig is gedaan. Ik snap echter wel dat het pijnlijk is
voor heel veel mensen.
Tegelijkertijd wil ik zeggen dat ik van harte hoop dat er geen motie
over wordt ingediend. Het klinkt natuurlijk heel mooi, maar je bedrijft
dan politiek op iets wat ongelofelijk gevoelig en kwetsbaar is. Je dient
namelijk een motie in. Je laat de Kamer dan uitspreken: de ene groep
vindt wel dat het onderzoek klopt en de andere groep niet. Daar wordt
dan over gestemd. Dat is pijnlijk voor die veteranen. Ik zou een oproep
willen doen ā los van het feit dat we het niet met elkaar eens zijn ā om
dat niet te doen. Dan doe je het namelijk alleen voor jezelf. Het helpt
deze veteranen absoluut niet, denk ik.
De voorzitter:
Een korte reactie van de heer Fritsma.
De heer Fritsma (PVV):
Wat pijnlijk is voor de veteranen, is dat ze ten onrechte weggezet
worden als een soort oorlogsmisdadigers. Ze vragen hier zelf terecht
aandacht voor. Het Veteranen Platform vraagt hier terecht aandacht voor,
omdat dit gewoon een feit is waarmee veteranen zwaar tekort zijn gedaan.
Het is een supersubjectief onderzoek, dat eerder een politiek correcte
mening is dan een onderzoek gebaseerd op feiten, waarbij de
onderzoeksopdracht willens en wetens niet is uitgevoerd. Willens en
wetens hebben de onderzoekers ervoor gekozen een eenzijdig onderzoek te
verrichten. Ik vind dat we deze veteranen daartegen in bescherming
moeten nemen. We hebben het over een groep mensen van ver in de 90. Ik
krijg mails van kinderen, kleinkinderen van deze mensen die het gevoel
hebben dat hun overleden vader of grootvader tot in het graf wordt
nagetrapt. Die geluiden moeten ook gebracht worden. We hebben het de
halve dag over erkenning en waardering voor onze veteranen. Dan moeten
we het ook niet goed vinden dat we dat ten aanzien van onze oudste
veteranen volkomen laten varen. Dus ik vind het wel degelijk relevant om
dat hier, vandaag te brengen. We hebben het hier vandaag over hoe we
omgaan met veteranen. Dan is het relevant om ook te bespreken hoe we
omgaan met deze groep veteranen.
De voorzitter:
Dank. Dan geef ik als laatste nog het woord aan de heer Boswijk.
De heer Boswijk (CDA):
Om even het beeld te schetsen: ik heb thuis in mijn boekenkast de
biografie staan van kapitein Westerling, jullie allemaal wel bekend. Die
is van mijn opa geweest. Hij was een heel groot fan van deze man. Hij
zag dat hij juist werd beschermd tegen het geweld dat heel veel
Molukkers en de Nederlands-Indische gemeenschap werd aangedaan. Dus ik
weet heel goed van allebei de kanten van dit verhaal. Ik weet hoe
gevoelig het ligt. Tegelijkertijd sluit ik me volkomen aan bij het appel
van mevrouw Belhaj: een motie gaat echt niet bijdragen. Dan maken we de
discussie alleen nog maar veel politieker en rijten we wonden nog verder
open. Ik denk dat wij hier unaniem als Kamer, als commissie, zeggen: wij
nemen de individuele veteranen helemaal niks kwalijk, sterker nog, wij
hebben ze op een vreselijke missie gestuurd en we laten ze niet in de
kou staan. Ik denk dat dit heel belangrijk is: u agendeert hier het punt
en we omarmen dat allemaal, maar laten we het alsjeblieft niet politiek
maken.
De voorzitter:
Ik zou er nog aan willen toevoegen dat deze discussie natuurlijk in een
andere commissie hoofdzakelijk al gevoerd gaat worden, in verschillende
rondetafelgesprekken en debatten die daar nog over gevoerd gaan worden.
Nog een reactie van de heer Fritsma.
De heer Fritsma (PVV):
Dat laatste klopt, voorzitter. Dit speelt ook in de BuZa-commissie. Maar
ik vind dat de minister van Defensie hier ook een mening over hoort te
hebben. Die gaat ook over veteranenbeleid. Wat betreft de interruptie
van de heer Boswijk om het niet politiek te maken: ja, was het maar zo
dat dat kon. Want wie heeft het politiek gemaakt? Het kabinet. Het
kabinet heeft het politiek gemaakt door binnen een paar seconden met een
reactie te komen op een onderzoek waar vriend en vijand vraagtekens bij
zetten. Het is niet zo dat dat onderzoek totaal onomstreden is. Vriend
en vijand zetten vraagtekens bij dit onderzoek, omdat, nogmaals, de
onderzoeksopdracht niet eens ter harte is genomen. De onderzoeksopdracht
bevatte ook: kijk naar het geweld van Indonesische zijde. Dat is niet
gebeurd. Dus willens en wetens hebben de onderzoekers er zelf voor
gekozen om deze eenzijdigheid te betrachten. Dat is ook politiek. Maar
wat vervolgens nog meer politiek is, is de reactie van het kabinet, door
binnen een paar seconden het onderzoek te omarmen, binnen een paar
seconden de conclusie te omarmen die de indruk wekt dat bijna alle
Indiƫveteranen zich schuldig hebben gemaakt aan misstanden. Binnen een
paar seconden dat omarmen en met diepe excuses komen, dat heeft het
kabinet gedaan; daar kan ik niks aan doen. Als controleur van het
kabinetsbeleid moet ik dat natuurlijk wel controleren. In dat licht
vraag ik dus om een herziening van die reactie. Als ik dat niet zou
doen, zou ik mijn werk als Kamerlid niet goed uitvoeren. Het kabinet
heeft deze miskleun begaan. Dat adresseer ik.
De voorzitter:
U vervolgt uw betoog.
De heer Fritsma (PVV):
Ik was bezig met het punt van de noodopvang. Dat is belangrijk. Het is
ook al door vorige sprekers aangestipt. De noodopvang voor veteranen
schiet zwaar tekort. De minister schuift dat probleem in feite door naar
gemeenten. Dat is niet terecht, want de minister gaat daarmee voorbij
aan de zorgplicht die Defensie heeft. De zorgplicht ligt niet primair
bij gemeenten. Die kunnen natuurlijk wel een rol hebben in de opvang van
veteranen, maar als er problemen zijn en als het niet goed gaat, dan
moet de minister natuurlijk wel ingrijpen. Dan moet er een coƶrdinerende
rol zijn om de zaak weer op de rails te krijgen. Ook graag een reactie
op dat punt.
Dan PTSS. Ook daar is eerder over gesproken; dat is terecht. De omgang
met veteranen die te kampen hebben met problemen, zoals PTSS, laat
namelijk ook te wensen over. De procedures rond schadevergoedingen zijn
slepend en zijn voor veteranen een nachtmerrie. Het duurt vaak al jaren
om na medische keuringen en dergelijke de aard van het probleem vast te
stellen, en dan moet de hulpverlening en het schadevergoedingstraject
vaak nog beginnen. Dat is een gebed zonder einde dat zo snel mogelijk
doorbroken moet worden, temeer omdat de evaluatie van het PTSS-protocol
er al lag in 2016; de heer Van Haga had het er ook al over. De
aanbevelingen die hieruit voortvloeiden, zijn nog steeds niet
vormgegeven. Dat is niet goed.
Ten slotte, voorzitter. Het allerlaatste punt betreft het Militair
InvaliditeitsPensioen. Dat pensioen is twaalf jaar niet gestegen. Men is
tientallen procenten indexatie misgelopen. De minister heeft per brief
van 10 juni jongstleden aangegeven dat ze hier per uiterlijk 1 januari
2023 verandering in gaat brengen. Dat is aan de ene kant mooi, maar aan
de andere kant is dit te laat. De inflatie is immers nĆŗ schrikbarend. De
prijzen voor boodschappen, brandstof en energie rijzen de pan uit. Deze
groep moet eerder geholpen worden. Er valt niet in te zien waarom dat
niet binnen een paar maanden kan. Het is niet goed als dit pas volgend
jaar gebeurt. Het water staat deze groep veteranen tot aan de
lippen.
Daar kan ik mee afronden, voorzitter.
De voorzitter:
Dank. Dan ga ik het voorzitterschap tijdelijk overdragen aan mevrouw
Belhaj, zodat ik mijn betoog kan afdraaien.
Voorzitter: Belhaj
De voorzitter:
Dat moet dan nog maar blijken. Het woord is aan de heer Valstar.
De heer Valstar (VVD):
Dank, voorzitter. "Erkenning" en "waardering" zijn twee woorden die
voortkomen uit artikel 2 van de Veteranenwet, maar die eigenlijk dieper
geworteld zijn in de veteranen. Het zijn twee woorden die dan ook keer
op keer terugkomen, niet alleen op papier, maar juist ook in de
gesprekken met de veteranen. Neem afgelopen zaterdag bijvoorbeeld. 27
jaar na de missie in Srebrenica maakte de Nederlandse regering in
Schaarsbergen eindelijk excuses aan de ruim 400 Dutchbat III-veteranen.
Alice Schutte, een Dutchbatveteraan en destijds 19 jaar, reageerde na
afloop van de bijeenkomst als volgt. "De erkenning en waardering waar we
jarenlang voor hebben gestreden, zijn eindelijk uitgesproken. Het voelt
alsof er een last van me af is. Die onzichtbare rugzak kan ik eindelijk
naast me neerzetten." Dat woorden van de minister-president, de minister
van Defensie en de Commandant der Strijdkrachten dit teweeg kunnen
brengen, zegt veel over de zwaarte van die onzichtbare rugzak die
militairen soms mee moeten dragen.
De woorden "erkenning" en "waardering" kwamen vorige week ook in het
rondetafelgesprek terug met Sergeant der Mariniers Robin Imthorn
bijvoorbeeld, een van de initiatiefnemers achter KNAK. Hij zei: "Ik kon
mijn baret niet meer rijmen met de persoon die ik was. Ik was zelf ook
een lijdende veteraan, maar dat geldt niet voor het gros van de
veteranen. Wat als wij erkenning en waardering overhouden en leggen bij
de veteraan, en de zorg gaan baseren op inzet en niet op
veteranenstatus?" Dat is misschien wel de kernvraag waar wij de komende
tijd vaker voor zullen komen te staan en die wij uiteindelijk ook zullen
moeten beantwoorden. Waar het aantal veteranen en missies namelijk
afneemt, neemt de inzet toe ā het gaat vooral om de aard daarvan ā
terwijl het gevoel, of misschien beter gezegd "de vraag" naar erkenning
en waardering blijft. Zoals generaal buiten dienst Van Griensven in
datzelfde rondetafelgesprek vorige week ook aangaf, was het voorheen
misschien vrij overzichtelijk. Op het moment dat je op een vliegveldtrap
staat, ben je veteraan, maar hoe ziet dat er in de toekomst uit voor de
mannen en vrouwen die straks vanuit Leeuwaren de MQ-9 Reaper inzetten in
vijandelijk gebied? Laat ik een actueel voorbeeld aanhalen: de mannen en
de vrouwen van de Patrioteenheid die momenteel ingezet worden in
Slowakije, een NAVO-bondgenoot. Ze worden ingezet in het kader van de
oorlog in OekraĆÆne om eventueel afzwaaiende raketten af te vangen of er
te staan als doelgerichte raketten het NAVO-grondgebied bereiken.
Voorzitter. Het doet me denken aan een andere missie, die diezelfde
eenheid tien jaar geleden opgedragen kreeg in Turkije, in Adana, om
precies te zijn. Met het voortwoekeren van de Arabische Lente was er een
evenzo grote zorg bij de Turken dat raketten ook daar zouden inslaan.
Het werd uiteindelijk een artikel 100-missie. De militairen kregen dus
de veteranenstatus, met het recht op aanspraak op zorg en andere zaken.
Dat geldt dus vooralsnog niet voor de inzet in Slowakije. Ik ben
benieuwd hoe de minister daartegen aankijkt. In welke zin vindt zij dat
de missie in 2012 afwijkt van de inzet in 2022?
Ik geef een ander voorbeeld, niet van een inzet maar van een oefening.
De Zijner Majesteits Evertsen was vorig jaar maar liefst zeven maanden
van huis voor een oefening in de Zuid-Chinese Zee. De bemanning van de
Evertsen heeft 43.000 zeemijlen achter de rug. Dat is bijna 80.000
kilometer, twee keer de wereld rond. En dan die zeven maanden; een
gemiddelde rotatie in Mali tikt net aan de helft aan. Het lijkt
misschien niet te vergelijken, maar deze mensen zijn dik een halfjaar
ver van huis, zonder veteranenstatus en zonder bijzondere
zorgplicht.
Een 61-jarige veteraan laat in het veteranenblad Checkpoint het dilemma
zien: "Ik voel mij bezwaard ten opzichte van oud-militairen die moeten
knokken voor de officiƫle veteranenstatus, zoals de Koude
Oorlogveteranen, militairen die aan geheime missies deelnamen,
militairen die in Litouwen rotaties draaien en zo nog meer. Ik heb het
gevoel dat veteranen steeds meer bekendheid krijgen, maar het idee dat
anderen tekortkomen, vind ik vervelend." Oud-luitenant ter zee Paul
Joosten houdt in datzelfde blad ons politici een spiegel voor: "In
beschaafde landen zijn alle oud-militairen veteraan. Dat is een goed
gebruik, dat al dateert van voor onze jaartelling bij de Romeinen.
Waarom blijft Nederland hier zo halsstarrig van afwijken? Zijn politici
bang dat het ze te veel geld gaat kosten?" Mijn antwoord hierop zou zijn
nee. Sterker nog, ik denk dat het iets is wat het werkgeverschap van
Defensie nog beter en aantrekkelijker zou kunnen maken. Ook
luitenant-generaal buiten dienst Van Griensven gaf vorige week aan: "Het
gaat niet om het veranderen van de definitie van de veteranenstatus. Het
gaat om de criteria. Daar moet eenduidigheid over komen. We hebben
andere manieren van inzet gekregen."
Voor de goede orde: ook mij gaat het niet zozeer om het wel of niet
toekennen van de veteranenstatus, maar om de erkenning en waardering, de
strijd die sommige militairen moeten voeren om erkenning en waardering
te krijgen in de vorm van een onderscheiding, in de vorm van de
bijzondere zorgplicht die Defensie wat mij betreft tot in de eeuwigheid
heeft voor deze bijzondere groep Nederlanders. Ik zou de minister willen
uitdagen om haar gedachten hierover met ons te delen. We weten dat
instanties als het Veteraneninstituut bijvoorbeeld hebben geadviseerd om
bij een commando-overdracht naar SACEUR ook de veteranenstatus toe te
kennen aan de ingezette militairen. Waarom neemt Defensie dat niet over?
Hoe kijkt zij naar de toekomstige inzet van het 306de Reapersquadron?
Zou de minister deze criteria in aanloop naar de volgende Veteranennota,
indachtig de veranderde behoefte van inzet van de krijgsmacht, tegen het
licht willen houden en met ons willen delen?
Ik zou de minister ook willen meegeven gesprekken hierover te voeren met
de mannen en vrouwen die de afgelopen twintig jaar en nu worden ingezet.
Wat is hun behoefte? Op welke wijze kunnen wij hun de erkenning en
waardering geven die zij verlangen? Nogmaals, ik wil de minister vragen
om de criteria op basis daarvan opnieuw te bekijken, om dit samen met de
ingezette en vermoedelijk nog in te zetten militairen, niet alleen op
het Plein in Den Haag, nog eens tegen het licht te houden en voor de
volgende Veteranennota met ons te delen.
Dan vormt dit misschien een klein bruggetje naar de Veteranennota. Dat
is de nota waarin eigenlijk alles duidelijk zou moeten worden voor de
controleur, de Tweede Kamer, maar eerlijkheid gebiedt te zeggen dat de
nota eigenlijk meer vragen oproept dan beantwoordt. Laat ik een paar
voorbeelden aanhalen uit diezelfde nota. We lezen op pagina 16 dat er in
2021 646 keer een gastspreker is ingezet. Daarmee zijn 19.000 jongeren
bereikt. Dat is een prachtig initiatief natuurlijk, maar hoeveel
gastsprekers waren er de afgelopen jaren? Neemt dat aantal toe of neemt
dat af? En ja, ik ben bekend met bijlage drie uit de nota, maar ik vind
dat de minister zich een beetje makkelijk afmaakt van de uitvoering van
de motie-Van Wijngaarden door op deze manier beter inzicht te
bieden.
Een ander voorbeeld is de vragenlijst na de missie of inzet op pagina
27. Hoe groot is de groep ondervraagden? Wij lezen dat bijvoorbeeld 10%
aangeeft dat het wel gaat of dat het matig tot slecht gaat. Ik kan niet
zien hoe dit voorheen was en hoe groot die groep nu is. We zien een
kolom in het midden waar "redenen om contact op te nemen" staat. Daar
geeft bijna 20% aan dat er om psychische redenen behoefte is aan een
gesprek. Ook hier is de vraag: hoe groot is die groep? Over welke
veteranen hebben wij het? Welke missies vertonen bijvoorbeeld een
bovengemiddeld aantal?
Een derde voorbeeld is het aantal casussen bij het Veteraneninstituut op
pagina 28. Dat waren er het afgelopen jaar 2.391. Of liever gezegd, zo
veel waren er op 21 december 2021. Hoeveel erbij zijn gekomen, weet ik
dus niet. Er zijn er 989 afgehandeld met een doorlooptijd van gemiddeld
654 dagen; collega's refereerden er ook al aan. Buiten het feit dat dit
vrij aan de lange kant is, rijst ook daar de vraag hoeveel het
gemiddelde was de afgelopen jaren. Neemt het toe of neemt het af?
In het verlengde daarvan heb ik een vraag over de zorgcoƶrdinatoren,
misschien wel de allerbelangrijkste schakel in dit geheel. Hoe gaat het
met hen? Hoeveel zijn er? Hoe ervaren zij de werkdruk? Zij zijn de
regievoerder, de weg naar hulp. Zij zijn degenen die, zoals sergeant
Imthorn het zei, veteranen langs alle eilandjes loodsen zonder dat ze
hun verhaal telkens opnieuw zelf hoeven te vertellen. Zij zijn degenen
die moeten ontzorgen, maar ik heb geen idee hoe het met hen gaat en hoe
de werkdruk is. Laat ik het vooralsnog bij deze voorbeelden houden. Ik
heb er desgevraagd nog meer.
Voorzitter. Ik gaf deze voorbeelden omdat, hoewel je tussen de regels
door lijkt te lezen dat het met het gros van de veteranen goed gaat, ik
er slecht de vinger achter kan krijgen hoe het nu gaat met de kleinere
groep veteranen waarover we ons meer zorgen zouden moeten maken en hoe
die groep zich door de jaren heen ontwikkelt. Ik kom daar zo
bijvoorbeeld nog op terug bij de ISAF-veteranen. Ik wil de minister en
haar ambtenaren daarom meegeven om zelf de nota's van de afgelopen jaren
er nog eens bij te pakken. Pak bijvoorbeeld die van 2014 of 2016 er nog
eens bij en leg die eens naast de nota van vandaag. Het zag er allemaal
misschien iets minder flashy uit, maar het beeld van hoe het
daadwerkelijk met de veteraan ging, kon wel beter worden gevormd.
Daarbovenop zou ik de toezegging van de minister willen dat we de
Veteranennota voortaan uiterlijk 1 juni ontvangen. Dat geeft ons
namelijk de mogelijkheid om er nog een feitelijke vragenronde over te
organiseren en ons voor te bereiden op een debat, want we hebben 'm nu
krap een week geleden gehad. Laat ik de minister dan nog een beetje
helpen in het winnen van tijd, want ik weet hoeveel tijd er in de opmaak
gaat zitten en hoe hoog de druk en ook de kwaliteit bij het Mediacentrum
Defensie is. Er valt namelijk gewoon een hoop tijd te winnen door de
Veteranennota wat minder glossygedreven te maken en wat meer vanuit de
data en informatievoorziening te redeneren.
Voorzitter. Ik wil nog een ander punt uit de nota aanhalen. Ik verwees
er net al kort naar; een punt dat je regelrecht kunt doortrekken naar
een zwarte rand. Het afgelopen jaar moet wel zo gevoeld hebben voor vele
honderden, zo niet duizenden ISAF-veteranen. Zij gingen in de weken voor
en na de val van Kabul met het hoofd weer terug naar de tijd dat zij er
dienden. Dat zal ongetwijfeld bij een aantal opnieuw wonden hebben
opengehaald. Nederland kent 25.000 ISAF-veteranen. Op pagina 44 van de
Veteranennota staat een passage die we hier niet onvermeld kunnen laten.
Ik citeer: "10% van de deelnemers aan het onderzoek ervaart een
middelmatig tot laag welzijn (mede) door de ISAF-missie." Deze groep is
vaker werkloos en/of arbeidsongeschikt en zij beschikken over minder
goede sociale contacten en persoonlijke relaties. 10%, voorzitter; dat
zijn 25.000 Afghanistanveteranen. Ik wil de minister aanmoedigen om
extra aandacht te geven aan en nadruk te leggen op deze zeer grote groep
veteranen. Pakt u alstublieft het onderzoek uit 2022 er nog eens bij.
Mevrouw Belhaj refereerde al aan de aanbevelingen. Voer die alstublieft
uit, zeker na het voorval van afgelopen jaar. Niet om vervelend te doen,
maar dit is exact de reden waarom ik vind dat er beter gerapporteerd
moet worden: om ontwikkelingen als deze beter te kunnen monitoren,
natuurlijk in beginsel door Defensie zelf, maar ook zodat wij als Tweede
Kamer beter kunnen controleren of de wet voldoende wordt nageleefd en
hoe het gaat met onze veteranen.
Voorzitter. Ik begon mijn bijdrage met de woorden "erkenning en
waardering" en ik wil mijn bijdrage daar ook mee afsluiten. Na twee jaar
van corona-afwezigheid krijgen de Nederlanders weer de mogelijkheid om
op die ene bijzondere dag van het jaar de waardering te laten blijken
voor onze veteranen. Dat is aanstaande zaterdag, op Veteranendag. Vorige
week hebben wij als Tweede Kamer de veteranen en onszelf geen dienst
bewezen. Dat moeten we onszelf zwaar aantrekken, want terwijl we hier
alles willen doen om de veteranen erkenning en waardering van
Nederlanders te geven, hebben we zelf eigenlijk het slechtste voorbeeld
gegeven.
De voorzitter:
Ik dank de heer Valstar, die zijn inbreng deed namens de VVD-fractie,
voor zijn inbreng. Ik draag het voorzitterschap weer aan hem over.
Voorzitter: Valstar
De voorzitter:
Dank. Hiermee zijn we aan het einde gekomen van de eerste termijn van de
zijde van de Tweede Kamer. Ik vraag de minister hoelang zij eventueel
nodig heeft om haar eerste termijn voor te bereiden. Dan schors ik tot
11.15 uur.
De vergadering wordt van 10.46 uur tot 11.15 uur geschorst.
De voorzitter:
De minister is zover, dus dan ga ik haar gelijk het woord geven voor de
beantwoording van de vragen in eerste termijn.
Minister Ollongren:
Dank, voorzitter, en dank ook aan de aanwezige Kamerleden voor hun
vragen en opmerkingen. Net zoals zij zie ik uit naar de Veteranendag
aanstaande zaterdag. We hadden hier nog wat extra anjers meegenomen,
maar dat was helemaal niet nodig. Maar we laten ze gewoon voor u
achter.
Ik waardeer heel erg dat eigenlijk iedereen vandaag zijn of haar inbreng
is begonnen met het uitspreken van waardering voor onze veteranen. Het
is ontzettend belangrijk dat wij de ruim 100.000 veteranen die Nederland
rijk is danken en dat wij ons niet alleen op Veteranendag maar juist ook
de rest van het jaar realiseren dat zij belangrijk werk voor ons hebben
gedaan en Nederland hebben gediend. Wat ook goed is om op te merken, is
dat de groep veteranen heel divers is. Die verandert ook steeds. Dat is
ook logisch, want er zijn veteranen van de vroegere generaties, maar er
zijn ook heel jonge veteranen. De missies verschillen. Dus het is geen
homogene groep. Ook daar moeten we aandacht voor hebben. Het ministerie
van Defensie, maar bijvoorbeeld ook het Veteraneninstituut, doet daar
uitgebreid onderzoek naar, zodat we steeds weten wat de behoefte is van
de verschillende veteranen die Nederland rijk is.
Vanuit Defensie gaat het natuurlijk heel erg over het tonen van goed
werkgeverschap, door de veteranen te erkennen en te waarderen, en door
invulling te geven aan de bijzondere zorgplicht voor veteranen en niet
te vergeten voor het thuisfront van onze veteranen. Ik zie dat als ƩƩn
geheel. Het gaat om degene die zelf veteraan is, maar het heeft altijd
impact op een grotere groep dan dat individu, namelijk de mensen die hem
of haar na staan en die eigenlijk ook op missie gaan. Weliswaar op een
heel andere manier, maar ze ondervinden er net zo goed heel veel invloed
van.
Het is ook mooi dat we de Veteranenwet hebben. Die bestaat nu al tien
jaar. Het is echt een unieke wet, denk ik, waar we met elkaar trots op
kunnen zijn, zeker ook vanuit de Tweede Kamer. We weten allemaal dat een
aantal Kamerleden daar ontzettend veel en belangrijk werk voor heeft
gedaan.
Het is natuurlijk ook bijzonder om dit notaoverleg nu te hebben in de
context van de oorlog in OekraĆÆne. Dat grijpt iedereen aan. Het zet
mensen ook aan het denken over wat we als Nederland en als
internationale gemeenschap nodig hebben om onze veiligheid en onze
vrijheid te beschermen.
Misschien mag ik ook het volgende noemen. Het was niet mijn doel dat de
Veteranennota meer glossy werd, zeg ik tegen de heer Valstar, maar ik
vind het toch mooi dat er een paar foto's in staan. Er staat ƩƩn foto in
van de Invictus Games. Ik weet dat velen van u de Invictus Games ook
hebben bezocht. Dat was echt een heel bijzonder moment. Ik vond het heel
mooi dat we dat hier in Nederland mochten organiseren en dat het ook
zo'n onvergetelijke bijeenkomst was, voor de veteranen zelf, voor de
deelnemers, voor hun familie, voor hun begeleiders en voor iedereen die
dankzij het feit dat ze hier in Nederland werden gehouden, kennis heeft
kunnen nemen van het fenomeen Invictus Games, maar ook van hoe
belangrijk bijvoorbeeld sport kan zijn om te zorgen dat mensen weer
verder kunnen. We zagen atleten die letterlijk een enorme weg hadden
afgelegd voordat ze überhaupt daar aan de start konden verschijnen. Het
ging niet om de winst; het ging om het meedoen en om weer verder te
kunnen. Ik vond het zelf ontzettend inspirerend en echt heel mooi om mee
te maken.
Het afgelopen jaar stond denk ik voor velen ā dan heb ik het even over
het ministerie en iedereen die werkt aan het veteranenbeleid ā ook in
het teken van het van start gaan van het NLVi. Dat is natuurlijk een
belangrijke stap geweest. Dat was ook een van de aanbevelingen van de
evaluatie van het veteranenbeleid. Nu is het er. Ik ben er uiteraard
geweest. Ik heb met de mensen daar gesproken over hun werk. Ze doen
ontzettend belangrijk werk. Ik ben blij dat dat nu meer gebundeld is. Ik
denk dat ze daarmee alles wat moet gebeuren voor de Nederlandse
veteranen veel doeltreffender en doelmatiger kunnen organiseren. Dat
zijn volgens mij allemaal belangrijke positieve ontwikkelingen, maar er
zijn natuurlijk zeker ook een aantal zaken die veel aandacht behoeven en
die ook nog beter kunnen. Over die onderwerpen hebt u eigenlijk allemaal
vragen gesteld.
Dus, voorzitter, ik wil nu doorgaan met het beantwoorden van ⦠Er zijn,
als ik het zo mag zeggen, niet heel veel Kamerleden, maar er toch zijn
wel heel veel vragen gesteld. Maar dat is alleen maar goed. Ik begin met
een vraag van de heer Valstar. Hij vroeg om de Veteranennota voortaan
eerder te mogen ontvangen. Dat was eigenlijk ook de bedoeling, maar het
is deze keer niet gelukt. Dat heeft ongetwijfeld ook te maken met het
aantreden van een nieuw kabinet en het feit dat ikzelf ook nog goed naar
de Veteranennota wilde kijken. Maar ik ga ervoor zorgen dat u hem
volgend jaar op tijd krijgt, in ieder geval op 1 juni. En ik begrijp
heel goed dat u wat meer tijd wilt hebben voor het stellen van vragen en
het voorbereiden van dit overleg. Mijn excuses dus voor de te korte tijd
dit jaar. Dat herstellen we volgend jaar sowieso.
Dan doe ik ook direct de vraag van de heer Valstar over de opbouw van de
Veteranennota. Er zit heel veel informatie in. U heeft ook gezien dat er
in de bijlage juist wel gegevens door de jaren heen staan, zodat u die
wel kunt vergelijken. De heer Valstar noemde een aantal punten waarop
dat misschien ook zou kunnen, terwijl daar nu alleen een momentopname te
zien is van hoe het nu is. Wij hebben daar goed naar geluisterd. Ook het
NLVi kijkt en luistert natuurlijk mee. Zij hebben het kennis- en
onderzoekscentrum waar veel van de gegevens vandaan komen. Zij monitoren
de cijfers en kijken ook hoe je dat zou kunnen verbeteren. Volgens mij
zijn in deze nota al belangrijke stappen gezet, maar we zijn altijd
bereid om te blijven werken aan verbetering. Dat zullen we naar
aanleiding van de opmerkingen van de heer Valstar ook doen.
Voorzitter. Dat over het verschijningsmoment en de opbouw van de nota.
Dan wil ik nu overgaan naar de meer inhoudelijke onderwerpen en vragen
die gesteld zijn. In verband met wat er afgelopen zaterdag plaatshad,
wil ik graag beginnen met Dutchbat III en de vragen die daarover gesteld
zijn. Het was een bijzondere dag, een dag waarop inderdaad erkenning en
waardering voor de Dutchbat-veteranen en hun thuisfront centraal stond,
inclusief de excuses die de minister-president heeft aangeboden namens
het Nederlandse kabinet.
Ik heb natuurlijk in aanloop naar zaterdag 18 juni gesproken met
Dutchbat-veteranen zelf en met anderen, maar na afloop deed ik dat ook
en dat was echt heel bijzonder. Na afloop van het formele deel was er
een informeel deel. Dat was ook heel belangrijk voor de
Dutchbat-veteranen. Ik heb met veel van hen gesproken, onder andere met
Alice. Zij werd met naam genoemd en stond ook in de krant. Ik kan haar
naam ook noemen. Zij zei inderdaad letterlijk: er is een last van mijn
schouders gevallen, ik heb een rugzak af kunnen zetten. Ik heb ook met
veteranen gesproken die eigenlijk door afgelopen zaterdag voor zichzelf,
en misschien ook voor hun omgeving, pas durven toegeven dat ze misschien
wel hulp en zorg nodig hebben.
Ook daar heb je veteranen in alle categorieƫn, variƫrend van mensen die
zeggen "Nu kan ik het achter me laten, nu kan ik deze bladzijde
omslaan", tot veteranen die nu pas durven te zeggen "Ik wil graag hulp
hebben". Die follow-up moet er komen. Het is ontzettend belangrijk dat
het niet blijft bij dat ene moment. Ik noem het niet voor niets "het
omslaan van een bladzijde", maar het boek is niet uit. Dat boek zal
nooit uit zijn. Ik denk dat dƔt wel het algemene gevoel is van iedereen
die er afgelopen zaterdag was en ook van de mensen die daar niet zelf
bij waren, maar die het wel hebben meegemaakt. Ik ben ontzettend blij
dat het gebeurd is. Ik ben blij met de reacties, die positief zijn. Ik
denk dat het echt een heel bijzondere dag is geweest. Maar het is niet
het einde. Nu moeten we doorgaan met wat er nodig is.
Er zijn overigens ook uit Dutchbat III veel veteranen naar mij toe
gekomen die zeiden dat het ook belangrijk is, in de richting van de
nabestaanden van Srebrenica maar ook in hun richting, om blijvend
aandacht te hebben. Ik heb toegezegd dat ik aanstaande 11 juli naar
Srebrenica toe ga, naar Potocari, waar de jaarlijkse herdenking aldaar
is. Ook daar willen we aandacht aan besteden en de verbondenheid tot
uitdrukking brengen die ontstaan is door onze aanwezigheid daar in juli
1995.
De basis voor afgelopen zaterdag lag natuurlijk in het rapport van Hans
Borstlap. Mevrouw Belhaj vroeg ook naar andere aanbevelingen en of daar
uitvoering aan wordt gegeven. Een groot aantal aanbevelingen was al in
uitvoering gebracht, ook door mijn voorgangers in het voorgaande
kabinet. Dat betrof bijvoorbeeld de ā¬5.000 en de terugkeerreizen die
inmiddels zijn gestart. Door corona is daar iets van een hiccup in
gekomen, maar het is nu wel gebeurd. Aanbeveling 4, waar mevrouw Belhaj
naar vroeg, is echt gericht aan het adres van het Nederlands
Veteraneninstituut. Het NLVi benadert proactief veteranen om de drempels
naar zorg te verlagen. Het organiseert ook activiteiten voor het
thuisfront. Ook naar aanleiding van afgelopen zaterdag zei ik al dat
voor de veteranen die naar mij, de CDS en de minister-president toe zijn
gekomen, de follow-up gewoon geregeld moet worden. Dat zullen we
doen.
Voorzitter. Dan een ander verleden dat aangehaald werd door de heer
Fritsma, namelijk het Indiƫonderzoek en de reactie daarop. Ik stel voor
dat ik hier nu niet heel uitvoerig op inga, maar ik ga natuurlijk wel
antwoord geven op de vragen. Het punt is dat het kabinet een eerste
reactie heeft gegeven op het onderzoek, toen het uitkwam. Het kabinet
heeft ook aangekondigd nog met een uitvoerige reactie te komen. We
hebben dus kennisgenomen van het onderzoek. Ik heb het gelezen. We
hebben de conclusies overgenomen. Het kabinet heeft daarvoor excuses
gemaakt aan meerdere groepen, waaronder ook aan de veteranen die zich
destijds als goed militair hebben gedragen. We hebben aangekondigd dat
er een uitvoerige kabinetsreactie zal worden voorbereid. Die komt er nog
aan. Dat is, denk ik, het moment om met de Kamer dieper in gesprek te
gaan over dit onderwerp.
De heer Fritsma (PVV):
Ik weet dat er een uitvoeriger reactie is aangekondigd door het kabinet.
De PVV vraagt om de reactie te herzien, omdat de eerste reactie gewoon
ondeugdelijk was. Wat dit onderwerp betreft is wachten ook een beetje
moeilijk, want we hebben het hier over mensen die ver in de 90 zijn. Ik
denk dat er echt een urgentie is om hier wat mee te doen. Misschien kan
de minister in ieder geval als eerste stap aangeven dat het gros van de
Indiƫveteranen zich niet schuldig heeft gemaakt aan de structurele
excessieve geweldsdelicten of misdaden of gebeurtenissen die in het
onderzoek worden aangehaald. Als dat als eerste stap wordt uitgesproken,
dan kan de rest hopelijk volgen, want nogmaals, het is belangrijk dat
erkend wordt dat het gros van de Indiƫveteranen zich niet schuldig heeft
gemaakt aan de benoemde feiten.
Minister Ollongren:
Ik was blij dat de heer Boswijk het aanhaalde, want ik heb inderdaad op
de dag dat het onderzoek uitkwam een brief gestuurd naar alle in
Nederland wonende Indiƫveteranen die wij kennen. Nee, sterker nog, het
was de dag daarvoor. We zijn hier echt heel zorgvuldig mee omgegaan. Een
dag voor de publicatie van het onderzoek is bij alle Indiƫveteranen een
brief bezorgd. In die brief heb ik heel nadrukkelijk voor hen allemaal
mijn waardering uitgesproken over het feit dat zij destijds onder zulke
moeilijke omstandigheden en met gevaar voor hun eigen leven uitgezonden
zijn geweest. Ik heb juist veel rekening gehouden met het feit dat bij
sommigen ā ook hier geldt weer dat het individueel allemaal verschillend
is ā alleen al het uitkomen van zo'n onderzoek en de publieke discussie
die daarover komt, weer allerlei herinneringen ophaalt. Daarom hebben
wij die brief ook gestuurd. Ik heb hen in de brief gewezen op de
mogelijkheid om deel te nemen aan informatiebijeenkomsten en om sowieso
een luisterend oor te krijgen bij het Veteranenloket. De reactie van de
Indiƫveteranen op die brief is eigenlijk heel positief geweest. Men
heeft het gewaardeerd dat er vanuit Defensie door de minister aan hen
persoonlijk aandacht werd besteed.
Er zijn informatiebijeenkomsten geweest. Die zijn ook relatief goed
bezocht als je bedenkt dat dit over het algemeen over hele oude heren
gaat. Er waren vijftig veteranen per informatiebijeenkomst. Er was
ruimte voor discussie. Er was ruimte voor emotie. Er zijn niet heel veel
extra hulpvragen binnengekomen bij het Veteranenloket. Ik vind het dus
ontzettend belangrijk om contact met hen te hebben en te houden, en om
heel duidelijk te zijn over de rol die Defensie heeft in hun richting.
Ik wil ook eigenlijk de heer Fritsma vragen om niet de woorden te
herhalen die hij steeds herhaalt, maar die in geen enkel onderzoek staan
en die door het kabinet totaal niet zijn gebezigd. Ik vind dat ook niet
getuigen van respect voor onze Indiƫveteranen. Verder verwijs ik naar de
tweede kabinetsreactie die er nog aankomt. Ik zie uit naar de discussie
die dan ongetwijfeld zal worden gevoerd, misschien niet alleen met mij,
maar hopelijk ook met mij.
De heer Fritsma (PVV):
Het getuigt juist niet van respect richting de Indiƫveteranen om het
verhaal met dit nietszeggende stukje tekst af te doen. De Indiƫveteranen
zelf voelen zich zwaar tekortgedaan. Ik verwijs alleen maar naar de
teksten van het Veteranen Platform die iedereen hopelijk heeft gehoord
tijdens het rondetafelgesprek. Als de minister nu niet eens zegt dat het
merendeel van de Indiƫveteranen zich niet schuldig heeft gemaakt aan de
misstanden zoals bedoeld en omschreven in het rapport, dan heb ik maar
ƩƩn vraag: "Waarom niet? Waarom niet?" Het is toch niet te geloven dat
het kabinet het beeld dat de meeste Indiƫveteranen zich wel schuldig
hebben gemaakt aan misstanden, nu in feite in stand houdt? Haal dat in
ieder geval van tafel.
De voorzitter:
De vraag is duidelijk: waarom niet?
De heer Fritsma (PVV):
Ja, de vraag is duidelijk. Voorzitter, ten slotte.
De voorzitter:
Iets korter. De interrupties zijn vrij lang.
De heer Fritsma (PVV):
Het pijnpunt is dat we met de Srebrenicaveteranen eerherstel hebben
gezien dat veel te laat kwam. Er is niet opgekomen voor die veteranen.
Maar we zitten nu nog steeds in het patroon dat niet wordt opgekomen
voor veteranen. Dat is wat steekt.
Minister Ollongren:
Wat mij een beetje steekt, is dat de heer Fritsma dit beeld schetst. Dit
beeld is niet gecreƫerd door het kabinet. Het is eigenlijk door niemand
gecreƫerd. De verantwoordelijkheid voor het structurele geweld, dat
geconstateerd is door een commissie die bestaat uit serieuze
onderzoekers van serieuze instituten, waaronder het eigen Instituut voor
Militaire Historie van Defensie, ligt bij de toenmalige politiek, bij de
juridische en militaire leiding. Daar ligt de verantwoordelijkheid, niet
bij de veteranen. Dat heb ik daags vóór het verschijnen van het rapport
aan de veteranen duidelijk gemaakt. Ik werp echt verre van mij dat het
kabinet of ik op wat voor manier dan ook aan het beeld zou bijdragen dat
de heer Fritsma hier nu keer op keer neerzet.
De heer Van Haga (Groep Van Haga):
Natuurlijk waarderen de veteranen zo'n eerste brief. Waar de pijn zit,
is dat de conclusies van dit rapport op stel en sprong, heel snel, in de
eerste reactie van het kabinet werden overgenomen. Die zijn ontzettend
pijnlijk voor die veteranen en die zijn ook niet terecht. Mijn vraag is:
vindt u niet dat de eerste reactie te snel en te ongenuanceerd is
geweest? Zou het misschien mogelijk zijn om de eerste reactie wat te
nuanceren? Als er een soort uiting komt van "misschien was dat wat te
snel; we komen nog met een uitgebreide reactie", zoals de minister net
zei, dan lost dat al een hoop leed op.
Minister Ollongren:
Ik dank de heer Van Haga voor zijn vraag. Ik denk dat hij nu wat meer
tot de kern komt, want er is inderdaad heel lang gewerkt aan dit
onderzoek. Het is ook een heel uitvoerig onderzoek. Degenen die het
hebben gelezen, weten dat er een behoorlijk dik boekwerk ligt. Ik kan
mij dus voorstellen, zoals de heer Van Haga zegt, dat mensen denken: "Er
ligt een heel uitvoerig onderzoek. Dat beslaat vele bladzijden en vele
jaren van de onderzoekers. Hoe kan het nou dat daar zo snel op kan
worden gereageerd?" De bedoeling was juist om snel te reageren zodat er
niet in eerste instantie vooral door anderen over het onderzoek werd
gesproken, maar dat het kabinet een eigen waardering kon geven aan
datgene wat er ligt. Maar daarbij hebben we steeds nadrukkelijk gesteld
dat het onze eerste reactie is. Dat vinden we belangrijk. We vinden het
belangrijk in de relatie met onze veteranen. We vinden het ook
belangrijk in onze internationale relatie met Indonesiƫ. Daarom hebben
we dat gedaan. Maar er komt nog een uitgebreid inhoudelijk diepgaandere
reactie van het kabinet aan. Dat is het moment waarop we met alle
nuance, die inderdaad bij dit onderwerp hoort, over deze bevindingen
kunnen spreken.
De heer Van Haga (Groep Van Haga):
Ik hoor heel in de verte dan toch een soort erkenning dat de snelheid
van de reactie misschien heeft geleid tot iets minder nuance. Die nuance
komt hopelijk wel in de uitgebreidere reactie. Ik hoop van harte dat de
Indiƫveteranen dan wel recht zal worden gedaan, zodat niet iedere
Indiƫveteraan zich als een soort oorlogsmisdadiger voelt worden
weggezet.
Minister Ollongren:
De reactie van het kabinet heeft geen enkele aanleiding gegeven tot dat
laatste.
De voorzitter:
De minister vervolgt haar betoog.
Minister Ollongren:
Dank. Er is een aantal punten genoemd rondom erkenning en waardering. Ik
geloof dat het de heer Van Haga was die zei dat veel veteranen geen
behoefte hebben aan zorg, maar wel aan erkenning en waardering.
Onderzoeken wijzen dat inderdaad ook uit. Ik ben dat helemaal met de
heer Van Haga eens. Daarom denk ik ook dat het goed is dat we op
verschillende momenten in het jaar, natuurlijk op Veteranendag maar ook
op andere momenten, ons realiseren dat de veteranen er zijn voor ons
allemaal. Ook vanuit gemeenten wordt er veel gedaan aan erkenning en
waardering. Er lopen verschillende initiatieven voor postactieve
militairen, waaronder veteranen, om juist daaraan te werken. Ik denk ook
dat zaken zoals afgelopen zaterdag met Dutchbat III en de discussies die
zo nu en dan worden gevoerd rondom regionale initiatieven, belangrijk
zijn. Ik vroeg er aan het begin al aandacht voor dat we steeds binnen de
veteranengemeenschappen ā ik zeg dat in meervoud, omdat ze verschillend
zijn ā moeten kijken welke gevolgen de veranderingen moeten hebben
binnen het veteranenbeleid. Ik wil zelf graag nog meer aandacht besteden
aan het thuisfront van de veteranen. Door de veranderende samenstelling
van de veteranenpopulatie verandert het thuisfront in feite mee. Daar
moeten we ook aandacht voor hebben. Dat is de discussie die ik voer met
het Veteraneninstituut. Dat moeten we ook bij het ministerie van
Defensie continu onder de aandacht hebben en verbeteren. Dan gaat het
bijvoorbeeld ā¦
De voorzitter:
Er is een interruptie van mevrouw Belhaj.
Mevrouw Belhaj (D66):
Ja, even op dit punt. Het doet me goed dat de minister dit aangeeft.
Jaren geleden vroeg ik ook al eens aandacht voor het feit dat heel veel
mensen alleenstaand zijn, dus geen gezin hebben, maar wel allerbeste
vrienden hebben die een hoop met ze meemaken. Mag ik dit zo
interpreteren dat de minister hiermee ook vrienden bedoelt of welke
moderne gezinsstructuren dan ook die men erop nahoudt?
De voorzitter:
De minister gaat de moderne gezinsstructuren nu bespreken.
Minister Ollongren:
Zeker! Nee, laat ik volstaan met te zeggen: ja, verschillende
gezinsstructuren, verschillende omstandigheden, ook alleenstaanden. Wij
gebruiken eigenlijk het woord "relaties". Dat ziet dan bijvoorbeeld ook
op een alleenstaande voor wie een bepaalde vriendschappelijke relatie in
feite het thuisfront vormt. Het antwoord is dus ja.
De voorzitter:
De minister vervolgt haar betoog.
Minister Ollongren:
De heer Valstar stelde een aantal vragen over de veteranenstatus. U
heeft in de Veteranennota natuurlijk gezien dat wij daar inderdaad over
aan het nadenken zijn. Dat doen we niet in isolatie, maar met het NLVi.
Ik denk dat we ook daar op zoek moeten naar maatwerk. De Veteranenwet
biedt daar ook wel ruimte voor, bijvoorbeeld bij het aanwijzen van het
missiegebied. Ik zeg even voor alle duidelijkheid dat de zorgplicht
altijd van toepassing is. Die hangt niet samen met de veteranenstatus.
Ik denk dat de heer Valstar dat ook niet zo bedoelde, maar het is
natuurlijk wel heel belangrijk, want anders zou het een reden op
zichzelf zijn om nog eens heel specifiek naar de veteranenstatus te
kijken. Dat is dus niet zo. Iemand die in het werk voor Defensie wat dan
ook overkomt en behoefte heeft aan zorg, moet op die zorg kunnen
rekenen. Er zijn natuurlijk wel nieuwe omstandigheden die ook leiden tot
overweging en mogelijkerwijs zelfs heroverweging, maar zover is het nu
nog niet. Ik kom straks terug op de specifieke vragen over Slowakije, de
Patriots et cetera, maar inderdaad leiden de veranderende
omstandigheden, bijvoorbeeld het inzetten van semiautonome
wapensystemen, ertoe dat we ons die vraag moeten stellen en er ook een
antwoord op moeten formuleren. Dat hebben we nu nog niet gedaan. Het
denkwerk is nu eigenlijk nog gaande.
De voorzitter:
Mevrouw Belhaj heeft een interruptie.
Mevrouw Belhaj (D66):
Nee, sorry, ik dacht dat u een interruptie had, voorzitter.
De voorzitter:
Ja. Ik dacht: hoe ga ik het als voorzitter nou plooien dat ik weer eens
in het hoofd van de heer Valstar kan kijken. Ik geef het voorzitterschap
even aan mevrouw Belhaj, zodat ik een vraag kan stellen.
Voorzitter: Belhaj
De voorzitter:
Dat had ik non-verbaal al opgemerkt. Het woord is aan de heer
Valstar.
De heer Valstar (VVD):
Ik zou de minister dan wel willen uitdagen om daar iets van een
tijdsbestek aan te verbinden. Dat hoeft wat mij betreft niet voor het
einde van het jaar, maar ik zou daar toch wel iets van een stok achter
de deur willen hebben.
Minister Ollongren:
Ik vind het best lastig om daar nu een harde deadline voor te stellen.
Als u mij de gelegenheid geeft om er tussen de eerste en de tweede
termijn ruggespraak over te plegen, zal ik kijken of ik het in de tweede
termijn iets specifieker kan maken.
De heer Valstar (VVD):
Dank daarvoor. Ik kijk ook uit naar de overige beantwoording,
bijvoorbeeld de vergelijking met de Patriotmissie en de overige
inzetten.
De voorzitter:
Dan geef ik het woord weer aan de minister en draag ik het
voorzitterschap weer over aan de heer Valstar.
Voorzitter: Valstar
Minister Ollongren:
Voorzitter. Ik kom nog terug op de Patriots en de Reapers.
Ik kom op de onderzoeken, of beter gezegd, de promoties ā het zijn niet
zomaar onderzoeken ā die gepubliceerd zijn. De heer Boswijk haalde er
een aan. De heer Van Haga volgens mij ook. Het is natuurlijk heel mooi
dat dit is gebeurd, dat die er nu liggen en dat mensen zo diepgaand zich
hierin hebben verdiept. Deze onderzoeken worden door het NLVi ook
beschreven in een onderzoekswijzer. NLVi is eigenlijk de organisatie die
dat soort onderzoeken goed bekijkt, bundelt en bekijkt wat we kunnen met
de aanbevelingen en hoe we die verder kunnen gaan implementeren. Dat kan
dus ook leiden tot verbeteringen van datgene wat er gebeurt. Dus ik ben
heel blij dat ze er liggen. Dat geldt voor het proefschrift van doctor
Van den Doel over Nederland en zijn veteranen na 1945. Dat constateert
inderdaad ā de heer Van Haga zei het al ā dat er een verschil is tussen
beleid en uitvoering. Het laat overigens ook zien dat er al veel
verbeterd is. Daar begon de heer Van Haga trouwens zijn termijn zelf ook
mee. We hebben in de Veteranennota daar dus al het een en ander over
opgenomen. We proberen vanuit de veteranengemeenschappen zelf te
bekijken welke verbeteringen en aanpassingen er in het veteranenbeleid
nodig zijn. Daar kunnen we dit soort onderzoeken heel goed bij
gebruiken. Daar sluit het ook goed bij aan, omdat ik denk dat de
belangrijkste les van het promotieonderzoek van Van den Doel is dat we
steeds lering moeten trekken uit missies die er zijn geweest en dat er
soms een miskenning ā of misschien is "gebrek aan erkenning" nog een
betere term ā is van de veteranen door ons, door de overheid. Dat kan
een probleem in zichzelf worden. Dan is er misschien nog niet eens een
probleem ontstaan vanuit de missie, maar als je terugkomt en er weinig
waardering en erkenning is, kan dat op zichzelf wel weer leiden tot
vervelende bijeffecten bij veteranen. Dus dat is een ontzettend
belangrijke bevinding waar wij in ons beleid rekening mee kunnen
houden.
Een aantal andere vragen rondom zorg. De heer Valstar vroeg naar
aanleiding van de nota en de cijfers die daarin staan naar het aantal
casussen bij het Veteraneninstituut. Hij wilde zien: wat komt er nou
bij, hoe ontwikkelt zich dat? Ten opzichte van het jaar ervoor zien we
een lichte toename. Bij het bedrijfsmaatschappelijk werk van Defensie
zagen we weer een afname. Dat is een cijfer, maar ik zou dus aan die
toe- en afname niet te veel waarde hechten, want ik denk dat je over een
langere periode moet kijken. Je moet weer abstraheren van covid, wat
natuurlijk ook weer van invloed is geweest. Dus ik stel voor dat we in
de Veteranennota daar waar een nulmeting is geweest proberen te bekijken
"hoe verandert het?" en dat we daar waar geen nulmeting is geweest, over
een aantal jaren heen proberen conclusies te trekken. Dat kan ik op
basis van deze cijfers eigenlijk moeilijk doen.
Mevrouw Belhaj vroeg naar een bevinding van de ombudsman. Die zei dat de
letselschadeprocedure te lang is. De inzet is om de behandelingsduur te
verkorten naar twee jaar. Dat is een inspanningsverplichting. Dat lijkt
steeds beter te lukken. De Regeling volledige schadevergoeding is
geƫvalueerd, overigens ook op andere aspecten dan de doorlooptijd. Dat
zullen we meenemen in de herziening van het hele zorgstelsel.
Mevrouw Belhaj vroeg ook nog naar langdurige zorg. We hebben het dan
over de ggz, aan de kant van de militairen de mggz. Daar is inderdaad
wel een probleem. Dat komt ook voort uit de krappe arbeidsmarkt. Dat
mggz-personeel verdiende minder dan het civiele deel van de ggz.
Daardoor is er uitstroom geweest. Dankzij het feit dat we nu betere
arbeidsvoorwaarden kunnen bieden, kunnen we nu gaan werken aan het
aantrekken van basispsychologen, aan het zelf opleiden daarvan en aan
het bieden van een aantrekkelijk perspectief. We hebben in ieder geval
voor de korte termijn ervoor gezorgd dat er vier extra psychologen
kunnen worden aangesteld. Dus er wordt aan gewerkt. Er is een
capaciteitsprobleem en daar wordt aan gewerkt langs deze twee
routes.
Ik had het al even over de zorgcoƶrdinatoren. Daar geldt overigens ook ā
dat geldt natuurlijk op veel plekken ā dat er een heel hoge werkdruk is.
Maar in overleg met NLVi kijken we echt even naar die capaciteit. Als de
capaciteit moet worden opgehoogd, dan moet dat gewoon gebeuren.
Voorzitter. Ik wil nu toch even iets zeggen over de veteranenstatus. Ik
heb al gezegd dat de zorgplicht geldt, ongeacht de veteranenstatus. Er
wordt in de nota ook iets gezegd over de ISAF-veteranen. Daar had de
heer Valstar het over. De conclusies van de evaluatie en de opvolging
ervan worden erin beschreven. We zullen de resultaten van die
onderzoeken, ook over ISAF, meenemen in toekomstig beleid. Het is ook
zaak dat het LZV dit in het zorgaanbod verwerkt.
Mevrouw Belhaj (D66):
Minister, u heeft een interruptie van de heer ā¦
De voorzitter:
Sorry, ik moet eerst het voorzitterschap overdragen aan mevrouw
Belhaj.
Voorzitter: Belhaj
De voorzitter:
Dat had ik al genomen. Bij dezen: de heer Valstar.
De heer Valstar (VVD):
Ik vind dat de minister vrij soepeltjes en snel over die ISAF-veteranen
heen stapt, maar ik meldde ook dat 10% van de ISAF-veteranen wel iets
grotere problemen heeft dan dat die voortaan "aangestipt worden". Is de
minister zich daarvan bewust? Is zij zich ervan bewust dat die groep
door de val van Kabul vorig jaar misschien zelfs nog wel iets groter
gaat worden? Zijn die conclusies en aanbevelingen, die mevrouw Belhaj in
haar betoog ook aanhaalde, dan wel voldoende? Heeft de minister, zoals
ze dan zeggen, deze groep wel voldoende in het snotje?
Minister Ollongren:
Zeker. Daar is het antwoord een volmondig ja op. Ik vind het ook
belangrijk. Ik kan me ook heel goed voorstellen dat de uiteindelijke val
van Kabul en alles wat daar gebeurd is, rechtstreeks dat effect heeft
gehad. Ik weet niet of het zo is, maar het is heel goed voorstelbaar.
10% is sowieso hoog. Daarom zei ik ook dat het ontzettend belangrijk is
dat we dat nu weten, dat we er opvolging aan geven en dat het ook in het
zorgaanbod wordt verwerkt, ook omdat we weten dat we het niet langer
moeten laten duren dan noodzakelijk. Die zorg moet gewoon snel worden
gegeven.
De heer Valstar (VVD):
De minister heeft dat volgens mij bij andere punten in haar betoog ook
gedaan, maar ik zou haar toch willen vragen om ervoor te zorgen dat de
komende jaren nauwlettend gemonitord wordt hoe het met de desbetreffende
groep gaat en dat het niet de volgende keer weer in een klein kadertje
in de Veteranennota belandt. Kortom, we moeten gewoon meerjarige
ontwikkelingen hebben ten aanzien van deze specifieke groep veteranen,
maar eigenlijk ook door de hele Veteranennota heen.
Minister Ollongren:
Daar zijn we het denk ik helemaal over eens. In de Veteranennota krijgt
u ƩƩn keer per jaar een overzicht van het geheel. Ik zei al dat er toch
heel veel verschillende veteranen en ook heel verschillende missies
zijn. Dit is natuurlijk een hele grote en een heel langjarige. Er zijn
ongetwijfeld een heleboel dingen die wel vergelijkbaar zijn voor de
verschillende groepen, maar sommige dingen ook weer niet. Maar de zorg
moet niet wachten. De Veteranennota is alleen maar om een overzicht te
hebben, jaar op jaar, maar in de tussentijd moet er natuurlijk
ontzettend veel gebeuren, juist ook voor deze groep.
De voorzitter:
Ik verzoek de minister om haar beantwoording voort te zetten en ik draag
het voorzitterschap weer over aan de heer Valstar.
Voorzitter: Valstar
Minister Ollongren:
Ik wil nog even terugkomen op de Patriot-inzet en de Reaper. De heer
Valstar vergeleek de Patriot-inzet die we destijds hebben gehad in
Turkije met onze huidige Patriot-inzet in Slowakije. De heer Valstar
weet overigens heel goed hoe het zit, want hij schetste het zelf ook al.
Destijds was het, zoals de heer Valstar zelf al zei, een artikel
100-inzet, dus een inzet ter verdediging, vanwege de oorlogssituatie
daar. Dat geldt nu niet voor de Patriot-inzet in Slowakije. Het is
deterrence, afschrikking. Daar zit het verschil in. Iedere keer moet je
op de hand wegen of dit artikel 100 is. Is dit verbonden aan een missie
die gaande is zoals dat toen bij de Patriots het geval was, of is het
iets anders? Ook bij de Reaper kom je natuurlijk in zo'n discussie. Die
discussie is echt een nieuw domein. Daarin zijn we nog zoekende. Er is
dus ook nog geen uitsluitsel over. Ik denk dat je allerlei zaken moet
meewegen: technologie, zoals bij de Reaper, en de veranderende
geopolitieke situatie, zoals we die nu aan den lijve ondervinden. Daar
moeten we iedere keer een afweging in maken. Ik heb daar met de CDS ook
al over gesproken. Het is natuurlijk ook heel belangrijk voor mij wat
het advies van de CDS is in dit soort zaken, om inderdaad ā dat werd
hier ook genoemd ā zo veel mogelijk consistentie te bewaren naar het
verleden en om tegelijkertijd recht te doen aan de veranderende
omstandigheden, ofwel geopolitiek, ofwel qua ontwikkeling van de
technologie.
De voorzitter:
Dan ga ik het voorzitterschap nog ƩƩn keer overdragen aan mevrouw
Belhaj.
Voorzitter: Belhaj
De voorzitter:
Bij dezen is het voorzitterschap overgedragen en deze voorzitter geeft
aan dat het de volgende keer niet meer aangegeven hoeft te worden;
anders duurt het heel lang. De heer Valstar heeft een interruptie.
De heer Valstar (VVD):
Het gaat mij niet specifiek om Slowakije of Turkije. Ik snap dat het een
andere manier van inzet is, maar ziet de minister, met mij, dat het door
de desbetreffende militairen gewoon niet zo ervaren wordt? Je wordt met
een Patrioteenheid aan de buitengrenzen van het NAVO-bondgenootschap
ingezet. Dat was in 2012 ook het geval. Ik denk niet dat de mannen en
vrouwen die momenteel in Slowakije zitten, nu denken: we staan hier
alleen maar voor de deterrence. Ze staan daar namelijk ook om, als er
een keer een afzwaaiende raket overvliegt, dat ding uit de lucht te
halen. Snapt de minister dat dit eigenlijk een voorbeeld is van missies
uit het verleden en heden waartussen het soms een beetje scheef loopt?
Snapt zij dat er op basis daarvan misschien een discussie over die
criteria gevoerd moet worden? Ik heb in mijn tekst aangegeven dat ik
hier geen nieuwe discussie over een aanpassing van de Veteranenwet wil
voeren, maar soms is het gewoon een beetje krom geregeld in de
criteria.
De voorzitter:
En uw vraag is?
De heer Valstar (VVD):
Is de minister dat met mij eens?
Minister Ollongren:
Om te beginnen begrijp ik heel goed dat die vraag speelt bij de
militairen die daar zijn, in Slowakije, in Litouwen en straks in
Roemeniƫ. Dat geldt bijvoorbeeld ook voor onze schepen die worden
ingezet in NAVO-verband en in SNMG. Daarvoor speelt precies dezelfde
vraag. Natuurlijk zit er nu meer druk op, in de context van de oorlog in
OekraĆÆne en vanwege het feit dat wij nu allemaal zeggen, ook wij vanuit
de politiek, hoe belangrijk het is dat wij de oostflank van de NAVO in
voldoende mate versterken. Daarop is mijn antwoord volmondig "ja".
Iedere militair zal zich die vraag stellen, als hij daarnaartoe gaat. We
zitten al vijf jaar in Litouwen. Waarom? Omdat we willen laten zien dat
de grens van Litouwen ook onze grens is. Daarom zitten onze mensen
daar.
Voor de veteranenstatus is er tot nu toe gekozen ā je kunt er altijd
over discussiĆ«ren ā voor de grens of mensen ergens naartoe gestuurd zijn
omdat ze betrokken kunnen worden bij gevechtshandelingen. Dat is wat
uiteindelijk de doorslag geeft bij het toekennen van de veteranenstatus.
Ook dat kan dus aan verandering onderhevig zijn. Maar op dit moment is
de NAVO aan de oostflank niet verwikkeld in een oorlogssituatie; we
proberen er ook alles aan te doen om dat te voorkomen. Dat geldt voor de
mensen in Litouwen, dat geldt voor de mensen in Slowakije en dat geldt
straks ook voor de mensen in Roemeniƫ en op de Atlantische Oceaan en de
Baltische Zee.
De heer Valstar (VVD):
Ik denk niet dat de minister en ik het hierover nu eens gaan worden. Als
ik haar net goed begrepen heb, wordt er momenteel nog wel gediscussieerd
over deze punten en is het niet uitgesloten. Ze zei net bijvoorbeeld
over Turkije dat er daadwerkelijk sprake van kon zijn dat ze verwikkeld
zouden raken in een oorlog. Ja, nogal wiedes. Ik zou bijna zeggen dat
dat in Litouwen, Slowakije en Roemeniƫ nu ook het geval is. Begrijp ik
de minister dus goed dat hierover nog wel gesproken wordt in het
ministerie van Defensie, of is er nu eigenlijk al besloten dat het niet
gaat gebeuren?
Minister Ollongren:
Ik hoop dat de heer Valstar het met mij eens is ā dat is namelijk wel
het kabinetsbeleid ā dat de NAVO niet verwikkeld wil worden in een
oorlog met de Russische Federatie. We bereiden ons voor op het feit dat
er een dreiging van uitgaat, nu en straks, voor de oostgrens van het
NAVO-grondgebied. Die wordt nu hoger ingeschat dan voorheen. Dat is ook
logisch, vanwege de oorlog in OekraĆÆne. Maar we willen helemaal niet in
oorlog geraken, dus die gevechtshandelingen voorzien wij nu niet. Daarom
is het standpunt op dit moment dat de NAVO-inzet ā want daar heb ik het
nu even over ā niet leidt tot de veteranenstatus. Nogmaals, ik wil wel
benadrukken dat we natuurlijk alle waardering hebben voor de militairen
die op dit moment in Litouwen, Slowakije en andere plekken beschikbaar
zijn voor de NAVO, maar dat heeft nog niet geleid tot een verandering
van opvatting over de veteranenstatus. De andere kant op redenerend is
het natuurlijk ook belangrijk, vanuit de veteranen zelf, dat je
zorgvuldig omgaat met de veteranenstatus. "Zorgvuldig" wil niet zeggen
dat je altijd hetzelfde doet. Je moet het iedere keer goed blijven
wegen. Nogmaals, ik heb het nu nog niet eens gehad over de Reapers en
wat dat moet betekenen, want dat hele denkproces is nog volop
gaande.
De voorzitter:
Tot slot de heer Valstar. Ik stel voor dat de minister na de
beantwoording van zijn vraag doorgaat met de overige vragen.
De heer Valstar (VVD):
Ik ga nog ƩƩn keer het vergelijk tussen Turkije en Slowakije maken. Het
is NAVO-grondgebied. Het is een inzet aan de buitengrenzen van de NAVO.
De dreiging kan in principe hetzelfde zijn. Ik wil hier helemaal geen
discussie voeren over het wel of niet wijzigen van de veteranenstatus,
maar is de minister het met mij eens dat er voor de mensen die momenteel
in Slowakije zijn, geen verschil gevoeld kan worden met degenen die tien
jaar geleden in Turkije zijn ingezet? Want met alleen het woordje
"deterrence", dat het een ander soort inzet is ⦠Ik kan me voorstellen
dat de militairen die daar ingezet worden, een compleet ander gevoel
hebben.
Minister Ollongren:
Er is wel een verschil, maar niet zozeer in de inzet en het belang van
het feit dat de Patriots er staan, want dat is in Slowakije net zo
belangrijk als het destijds in Turkije was. Ik ben op beide plekken
geweest, zowel destijds in Turkije als nu in Slowakije. Daar is geen
enkel verschil in. Maar de inzet destijds in Turkije was in het kader
van de bredere context van een artikel 100-missie in Irak, met de oorlog
in Syriƫ aan de grens, waar de raketten je inderdaad, bij wijze van
spreken, om de oren vlogen, terwijl de inzet in Slowakije nu plaatsvindt
in het kader van de versterking van de oostflank van het
NAVO-grondgebied, waarbij een aantal landen, waaronder Slowakije, zoals
u weet, ook materieel heeft geleverd aan OekraĆÆne. In die context was
het nodig om daar nu die Patriots neer te zetten. Het is ter
afschrikking en niet omdat we daar nu gevechtshandelingen verwachten.
Maar nogmaals, ik wil daarover eigenlijk helemaal geen vreselijk
fundamenteel verschil van mening hebben. Volgens mij hebben we dat
helemaal niet. We vinden het allebei juist heel belangrijk dat er
zorgvuldig naar wordt gekeken. Dat ben ik met de heer Valstar
eens.
Voorzitter: Valstar
Minister Ollongren:
Dan zal ik mijn beantwoording vervolgen. Via de Patriots kom ik dan bij
de MIP-indexatie. Ik kan daar geen enkel bruggetje voor bedenken,
behalve dan dat dat onderwerp ook belangrijk is.
Ik heb in de aanbiedingsbrief bij de Veteranennota gezegd dat ik
voornemens ben het MIP te indexeren volgens de indexatie van de WIA, de
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. Ik wil ook de huidige
MIP-uitkeringen in ƩƩn keer verhogen aan de hand van de WIA-indexatie
zoals die sinds 2010 is toegepast. Dat zijn voorstellen die onderwerp
van overleg zijn met de centrales van Defensie, van het
overheidspersoneel. Het doel is om de datum die naar ik meen mevrouw
Belhaj noemde, te halen. Dat is dus 1 januari aanstaande.
Er werd ook gevraagd naar de doorlooptijden van de medische keuringen.
Dat gaat niet goed genoeg. In 2020 leek het even opgelost ā er was een
capaciteitsprobleem bij de verzekeringsartsen ā maar het is toch nog
steeds niet goed. We hebben in ieder geval geconstateerd dat de
covidperiode en -maatregelen ook invloed hebben gehad op de
doorlooptijden. Dat is tot op zekere hoogte begrijpelijk, maar ik heb er
wel veel aandacht voor. Ik vind dat het heel belangrijk is dat we
proberen die te verkorten. Ik weet dat de afdeling Sociaal Medisch
Onderzoek van het ABP eraan werkt om het aantal beschikbare
spreekuurtijden te vergroten. Helaas is het nog niet goed genoeg, dus
daar moeten we echt hard aan doorwerken.
Tenzij u hier nog veel meer over wilt weten, wil ik graag overgaan naar
een aantal andere vragen, over PTSS.
De voorzitter:
Dat was uitlokking, minister. Maar ik zie geen handen, dus u kunt uw
betoog gewoon vervolgen.
Minister Ollongren:
Er is een verschil tussen crisisopvang en noodopvang. We hebben aan de
ene kant de intensive care unit, met de eigen civiele zorg. Daar zijn
gewoon protocollen voor, ook voor de tijd en de verblijfsduur. Die
moeten gewoon gehaald worden. Tegelijkertijd constateert de heer Van
Haga dat het nog niet goed genoeg gaat. We moeten daar inderdaad op
letten en kijken hoe we dat kunnen verbeteren.
Het PTSS-protocol is nog niet uitgevoerd. Daar heeft hij ook gelijk in.
Dat is gewoon een feit. Dat is onderwerp van overleg met de centrales
van overheidspersoneel. Het is lange tijd, ook doordat veel aandacht
uitging naar het arbeidsvoorwaardenakkoord, eigenlijk niet behandeld als
onderwerp in een formeel overleg. Ik hoop dat er, nu het
arbeidsvoorwaardenakkoord rond is, ruimte ontstaat om dit wel op de
agenda te zetten. Wat mij betreft staat het boven aan de agenda van het
overleg; dit moet echt met prioriteit worden opgepakt. Veel
verbeteringen zijn al doorgevoerd, maar het gaat om specifieke
aanbevelingen, waarover gewoon verschil van inzicht bestaat. Dan moet je
daar goed over spreken met de centrales. Dat gaan we doen.
De voorzitter:
Er is een interruptie van de heer Van Haga.
De heer Van Haga (Groep Van Haga):
Dank voor deze toezegging. Dat stemt natuurlijk hoopvol, maar is er
misschien een termijn aan te hangen? Voor welke datum is dit rond?
Minister Ollongren:
Ik vind het riskant om er van mijn kant een termijn aan te hangen, omdat
ik juist de centrales de gelegenheid wil geven om hun opvatting daarover
te geven. Ik zeg u wel toe dat het wat mij betreft niet alleen op de
agenda staat, maar ook hoog op de agenda staat, juist omdat ik graag zou
willen dat we daaruit komen. Er is ruimte voor, denk ik, nu we rond zijn
met de arbeidsvoorwaarden, maar ik wil ook weer niet de centrales
onnodig onder druk zetten door een deadline te noemen. Ik denk dat zij
het ook zo ervaren dat dit urgentie heeft.
De voorzitter:
Daarmee is het formeel gezien geen toezegging, omdat er geen termijn aan
verbonden is, maar ik denk dat het belangrijk genoeg is dat we hier met
een fiks aantal getuigen in de verslaglegging kunnen vastleggen dat de
minister hier wel in de toekomst op terug gaat komen. Meneer Van
Haga.
De heer Van Haga (Groep Van Haga):
Het hoeft natuurlijk geen hele strenge termijn te zijn, maar kunnen we
in ieder geval vastleggen dat het dit jaar is afgerond?
Minister Ollongren:
Laten we dan als compromis ā dan doe ik toch een toezegging, denk ik,
voorzitter ā zeggen dat ik na het zomerreces, ergens in september of
oktober, de Kamer informeer over waar we dan staan. Dat is iets anders
dan dat ik zeker weet dat het dan al afgerond is, maar die toezegging
heeft u dan.
De voorzitter:
Kijk eens aan, meneer Van Haga. U heeft toch een toezegging
binnengehaald vandaag. Dank. Dan geef ik de minister opnieuw het
woord.
Minister Ollongren:
Ik kom nog even terug op de noodopvang. De heer Fritsma had daar een
vraag over en mevrouw Belhaj ook, dacht ik. De suggestie werd een beetje
gewekt dat het probleem bij de gemeenten ligt en wij daar niks aan doen.
Soms is er vanuit de gemeente inderdaad een voorziening, ook in de vorm
van tijdelijke huisvesting, opvang et cetera. Dat kan een kwestie van
maatwerk zijn. Soms is er iets anders nodig, bijvoorbeeld omdat er een
situatie is waarin de spanningen thuis erg oplopen. Dan is er gewoon
iets van een time-out nodig, een moment om af te koelen. Daarvoor
bestaat onder andere de samenwerking met het Leger des Heils. Die werd
hier ook genoemd door sommige woordvoerders. Die is heel belangrijk,
want daarmee kun je een specifiek zorgaanbod voor de veteranen creƫren.
Het is dus volgens mij heel goed dat dat gebeurt.
Zowel bed-bad-broodachtige voorzieningen met de gemeenten als de
samenwerking met het Leger des Heils kunnen maatwerk opleveren voor de
gevallen waarvoor snel een oplossing moet komen. Daarvan weten we dat
het voor de korte termijn is. Het is er meteen, maar het kan ook weer
niet heel lang duren. Als je in die time-out niet alle problemen kunt
oplossen ā dat is natuurlijk vaak het geval ā dan moet het op een andere
manier worden vervolgd. Dan is het NLVi ook beschikbaar. Dat heeft een
specifiek zorgaanbod en echt aandacht voor het individu. Toen ik daar
een paar weken geleden was en de mensen sprak, was ik er echt van onder
de indruk hoe ze dat doen en met hoeveel zorg ze dat doen. Er is echt
een een-op-eenkoppeling met veteranen en maatschappelijk werk. Dat geldt
hier dan ook. Voor noodsituaties is er die samenwerking, maar de
structurele casusbehandeling door het NLVi moet daar een vervolg aan
geven.
De voorzitter:
Er is een interruptie van de heer Fritsma.
De heer Fritsma (PVV):
De systematiek die de minister schetst, is duidelijk. Het probleem is
alleen dat het toch vastloopt, zoals ook de Veteranenombudsman terecht
heeft opgemerkt. In de praktijk komen er gewoon veteranen op straat te
staan. Ergens in de systematiek die de minister schetst, gaat het mis.
De vraag van de PVV-fractie is dan ook hoe ervoor gezorgd wordt dat het
niet meer misgaat en dat er wellicht een betere coƶrdinatie komt om hier
invulling aan te geven.
Minister Ollongren:
Ik kan natuurlijk niet beloven dat het in ieder individueel geval altijd
lukt, maar het is wel de bedoeling. Ik weet niet of meer coƶrdinatie dan
de oplossing is. Ik denk dat juist meer maatwerk de oplossing is, meer
herkenning van welk probleem ergens aan ten grondslag ligt. Daarvoor ben
je ook afhankelijk van de mensen die dit in de uitvoering doen. Daarom
noemde ik net ook de gesprekken die ik voerde bij het NLVi. Nogmaals,
daar was ik zeer van onder de indruk, want je hebt het moment dat het
telefoontje binnenkomt tot en het moment dat ze zeggen "nu kunnen wij
het dossier sluiten", en zelfs dan sluiten ze het dossier niet en
blijven ze nog nabellen en contact houden met betrokkenen of hun
thuisfront. Dus het is ontzettend belangrijk dat bij zowel de gemeente
als het Leger des Heils en andere partijen en natuurlijk het
Veteraneninstituut die koppeling steeds gemaakt wordt en er in
individuele gevallen snel een oplossing is, maar er vanaf dat moment ook
een ander traject gaat lopen. En laten we eerlijk zijn: het duurt
natuurlijk nooit tien dagen; het duurt altijd langer. Dan is er gewoon
tijd, aandacht en capaciteit nodig. In die zin moeten we gewoon goed
luisteren naar wat het NLVi zegt daar nog extra voor nodig te hebben, en
daar dan ook voor zorgen.
De heer Fritsma (PVV):
Ik heb ƩƩn vervolgvraag. Die is misschien meer feitelijk van aard. Heeft
de minister zicht op hoe vaak het misgaat, dus hoe vaak veteranen
noodopvang mislopen terwijl die eigenlijk wel verstrekt had moeten
worden?
Minister Ollongren:
Ook daarover ga ik even ruggespraak houden. Ik zal bekijken of ik daar
in mijn tweede termijn nog iets meer over kan zeggen.
De voorzitter:
Mevrouw Belhaj heeft ook nog een interruptie.
Mevrouw Belhaj (D66):
Ja, een klein verzoek aan de minister. Dat hoeft niet voor de tweede
termijn, maar misschien kan de minister het nu wel zeggen. Hoe zit het
met mensen die er heel bewust voor kiezen om juist geen contact op te
nemen via de reguliere wegen? Sommige mensen willen niets meer te maken
hebben met Defensie. Elke vorm van een logo of associatie schrikt hen
af. In welke mate is er zicht op deze groep? Je kan inzetten wat je wil,
maar die groep zal nooit bij jou terecht willen komen, en misschien
juist wel bij het Leger des Heils.
Minister Ollongren:
Ja, bij het Leger des Heils, bij de gemeente of bij de meer reguliere
zorgkanalen. Ook daarvoor geldt: in Nederland willen we graag dat mensen
die in de problemen komen sowieso worden geholpen, zodat ze weer verder
kunnen. Maar zijn het veteranen of is er een connectie? Ook als mensen
het zelf niet zouden willen, leert de ervaring dat er uiteindelijk
misschien een moment komt dat het toch kan gebeuren, of omdat zijzelf
zich realiseren dat dat het beste is, of omdat mensen in hun omgeving
hen daarbij helpen. Dus er zijn toch wel voorbeelden, zoals ik heb
geleerd in de afgelopen maanden, waarbij door een verstandige,
professionele, maar ook menselijke benadering mensen toch kunnen worden
meegenomen en de zorg kunnen krijgen die ze wel degelijk nodig hebben.
Als dat echt niet kan, dan ben ik het met mevrouw Belhaj eens: dan is
het heel belangrijk dat het Leger des Heils en de gemeente en anderen er
toch zijn om de meest basale zorg te verlenen.
De voorzitter:
Dan geef ik het woord opnieuw aan de minister, die haar betoog
vervolgt.
Minister Ollongren:
Ik wil iets zeggen over de veteranenontmoetingscentra. Er is ooit een
motie van mevrouw Bruins Slot ā dacht ik ā over geweest. Ik weet dat de
Kamer daar aandacht voor heeft. Ze zijn er eigenlijk in allerlei soorten
en maten. Dat is ook het mooie aan dit concept: er is geen sprake van
one size fits all, maar het komt eigenlijk van onderop. Ze zijn er van
klein tot groot. Ze zijn er van heel professioneel en groots
georganiseerd tot meer spontaan, bijvoorbeeld gekoppeld aan buurthuizen,
dorpskroegen en dat soort zaken. Ik denk dat in die verschillen en het
gegeven dat het van onderop komt, juist ook wel de kracht zit, de kracht
van het eigen initiatief van veteranen die zelf met ideeƫn komen, die
contacten zoeken met het lokale bestuur, vaak met de gemeenten, over wat
er verder nog in gemeenten gebeurt met veteranen. Dat vind ik echt mooi.
Die verbinding met het lokale vind ik goed. Het initiatief dat erachter
zit, vind ik ook heel mooi.
De heer Boswijk vroeg of we toch nog wat meer kunnen doen. Hij vroeg of
er ook een financiƫle bijdrage mogelijk was. Tot nu toe is het
ministerie van Defensie terughoudend geweest met het toekennen van geld
voor deze initiatieven. Het heeft juist geprobeerd om op een andere
manier te ondersteunen, want de vraag is of daar het echte knelpunt zit.
We doen overigens wel aan financiering van activiteiten. Dus niet de
centra, want dat zijn de bakstenen, zal ik maar zeggen, maar voor de
activiteiten daarbinnen is er wel degelijk een financieringsmogelijkheid
via een subsidie van Defensie. Zo is er destijds door mijn voorgangster
dus invulling gegeven aan de motie. Dat is de betrokkenheid die er op
dit moment is van Defensie bij de voc's.
De heer Boswijk (CDA):
Het is inderdaad expliciet bedoeld als ⦠Het initiatief en de feitelijke
exploitatie van al die verschillende huizen liggen uiteindelijk
natuurlijk bij de veteranen zelf. Ik denk dat dat inderdaad ook zorgt
voor de charme en dat het daardoor ook functioneert. Maar het gaat
inderdaad puur over de financiƫle ondersteuning, die nu nog vrij
instabiel is. Of gemeenten bijdragen, is heel erg afhankelijk van
bijvoorbeeld burgemeesters die er wel of geen feeling mee hebben. Het
bedrijfsleven is in de ene gemeente georganiseerd en draagt bij en in de
andere gemeente niet. Ook hangt het soms af van de bijdrage van
veteranen zelf. Dat maakt het wel vrij instabiel. Het zou dus mooi zijn
als het ministerie daar een ondersteuning aan geeft, puur en alleen
financieel, dus niet in de exploitatie of in de bedrijfsvoering of door
sturend te zijn; dat vooral niet.
De voorzitter:
En uw vraag?
De heer Boswijk (CDA):
Voelt de minister daar ook wat voor?
Minister Ollongren:
Ik denk dat we moeten kijken of we niet eigenlijk hetzelfde zeggen. De
heer Boswijk en ik zeggen nu allebei dat we het juist mooi vinden dat
het particulier initiatief is en dat het lokaal is, want dat geeft ook
ruimte voor maatwerk. Ze zijn ook echt heel verschillend. Sommige, ook
de wat grotere, bedruipen zichzelf eigenlijk doordat ze er een bepaalde
activiteit, zoals een sportschool of iets dergelijks, aan hebben
gekoppeld. Maar dat hoeft dus niet; het kan ook anders zijn. De
activiteiten kunnen dus wel gefinancierd worden. Het budget daarvoor is
overigens ook nog helemaal niet uitgeput. Dat heeft waarschijnlijk ook
met corona te maken, zeg ik er meteen bij, omdat er gewoon weinig
activiteiten konden worden georganiseerd de afgelopen twee jaar. Maar
het budget is beschikbaar en we hebben ook de termijn verlengd, zodat
het geld niet ineens weer in de algemene middelen verdwijnt maar voor de
komende tijd ook weer beschikbaar kan worden gesteld. Dat doen we juist
om uit te lokken of er lokaal nog behoefte is aan iets extra's om de
activiteiten invulling te geven. Dan kan dat; ze kunnen dan bij Defensie
aankloppen.
De heer Boswijk (CDA):
Ik weet nog dat we vorig jaar dit gesprek ook hadden met uw voorganger.
De reden was toen: we moeten prioriteren; dit is voor ons een
kostenpost, dus wij zien daar geen ruimte voor. Drie weken geleden
hebben we met de ombudsman gesproken, die aangaf dat er meerdere huizen
financiƫn nodig hebben en daar niet aan kunnen komen. Het afgelopen jaar
heb ik meerdere huizen bezocht waar dat exact het punt is. Ergens gaat
er in de communicatie dan iets niet goed, want ik zie inderdaad ook in
de nota staan dat er nog ā¬200.000 over is. Zou ik de toezegging kunnen
krijgen dat de minister in contact treedt met die tehuizen, of in ieder
geval met de koepel van de tehuizen, om te kijken hoe wij invulling
kunnen geven aan de vraag die er blijkbaar wel is, terwijl het geld
blijft liggen? Kan zij ons ook informeren over hoe dit zit?
Minister Ollongren:
In contact zijn is altijd goed. Dat zou ik via het ministerie kunnen
doen. Het kan natuurlijk ook via het Veteraneninstituut lopen of via
allebei. Dat vind ik uitstekend. Dat zeg ik heel graag toe. Ik zou ook
nog eens kunnen kijken ⦠We weten namelijk dat het heel erg verschilt
per gemeente, bij wijze van spreken inderdaad per burgemeester. Sommige
burgemeesters vinden het een mooi onderwerp en hebben er wat meer
aandacht voor. We zouden hier dus ook via de VNG nog aandacht voor
kunnen vragen. Als het gaat om de structurele financiering die nodig is,
denk ik dat het er meer om gaat dat gemeenten bijvoorbeeld
maatschappelijk vastgoed ter beschikking stellen. Of dat ze het koppelen
aan initiatieven die ze zelf hebben lopen. Ik zou via de VNG ook nog
eens willen proberen om iets meer aandacht te vragen voor het onderwerp,
ook in die gemeenten waar dat niet vanzelf gaat. Dat overleg wil ik de
heer Boswijk graag toezeggen. Dat zal er zijn, met het ministerie en met
het Veteraneninstituut.
De voorzitter:
Om het werkbaar te maken voor de druk meeschrijvende griffier naast mij:
is het ook mogelijk om daar een termijn aan te verbinden? Bijvoorbeeld
dat u hier in ieder geval iets van een terugkoppeling over wilt geven
bij de aankomende begroting? Of zeg ik dan iets geks?
Minister Ollongren:
Ik weet niet of de begroting ... Kijk, dat geld is er. Dat is die 200
miljoen. Ik dacht dat het zelfs iets meer was dan 200 miljoen: 270
miljoen. Ach, miljoen! 270.000 natuurlijk. Sorry, ik corrigeer even.
270.000 euro is wat er beschikbaar is. We zullen dat dus sowieso
hernemen in de volgende Veteranennota en misschien ook tussentijds, maar
laten we dat gewoon doen. Dan zeg ik niets toe wat ik niet kan
waarmaken.
De voorzitter:
Waarvan akte. Wij vervangen het woord "begroting" door "Veteranennota".
Dan is hiermee het punt Veteranenhuis afgerond. Dan heb ik nog een
spijtoptant aan mijn linkerzijde. U heeft de Kamer net uitgebreid
uitgedaagd op het punt MIP, maar er is toch nog een vraag van de heer
Van Haga.
De heer Van Haga (Groep Van Haga):
Blijkbaar heb ik iets gemist. Ik had nog de vraag gesteld of het niet
toch mogelijk is om naar die compensatie te kijken. We hadden toch
twaalf jaar niet geĆÆndexeerd. Misschien heeft de minister daar wel op
geantwoord, maar ik heb het niet gehoord.
Minister Ollongren:
Mijn antwoord was dus dat ik voornemens ben ā maar ik ben daar nog in
overleg over ā om het MIP te indexeren langs de lijn van de koppeling
aan de WIA. DƔt is het voorstel dat ik nu heb gedaan en dat is waar het
overleg over gaande is.
De heer Van Haga (Groep Van Haga):
Als ik het dan goed begrijp, is dat gewoon het starten van de indexatie
op 1 januari 2023. Daar zijn we allemaal heel blij mee. Maar het gaat
mij om die twaalf jaar waarin er niet geĆÆndexeerd was. En het gaat mij
erom of er nog gekeken gaat worden naar de 20% die de veteranen zijn
misgelopen.
Minister Ollongren:
Natuurlijk, daar moeten we dan naar kijken. Mijn doel is om het in te
laten gaan per 1 januari 2023. Daar gaat het overleg nu over. Maar het
is natuurlijk onderdeel van het gesprek hoe we dat dan koppelen, want
mijn voorstel zou zijn om diezelfde koppeling met de WIA dan ook eerder
in te laten gaan. Maar ik moet wel eerst het gesprek daarover met de
bonden afwachten.
De heer Van Haga (Groep Van Haga):
Misschien dat ik deze semantische discussie dan niet helemaal goed
begrijp. Wordt er dan daadwerkelijk gekeken naar een compensatie voor
die misgelopen 20% en die 10% inflatie van het afgelopen jaar? Betekent
dat dat we in die nieuwe indexatie per 1 januari 2023 een 30%-correctie
zullen zien?
Minister Ollongren:
Ik ga bewust even niet mee in de percentages die de heer Van Haga noemt.
Het klopt dat er geen indexatie is geweest. Het voorstel voor de
reparatie zit in de koppeling aan de WIA. Dan moet je natuurlijk ook
terugkijkend bezien wat het zou betekenen als je dat doet vanaf het
moment dat er eigenlijk geen indexatie meer is gedaan. Daar gaat het
overleg nu over. En wat daar precies uitkomt en tot welk percentage dat
leidt, daar zal ik de Kamer over informeren.
De voorzitter:
De heer Fritsma met een interruptie op hetzelfde punt.
De heer Fritsma (PVV):
Op hetzelfde punt, maar dan over de termijn. Van alle kanten wordt nu
gekeken wat we dit jaar kunnen doen voor mensen die financieel in de
problemen zitten. Die indexatie moet natuurlijk gebeuren. Is het nodig
om dat pas vanaf volgend jaar in te laten gaan? Er is immers nu gewoon
al financiƫle pijn, juist bij deze groep. Kan de termijn die de minister
heeft aangegeven, naar voren worden gehaald?
Minister Ollongren:
Ik moet zeggen dat ik de heer Fritsma wel snap. Ik vind het ook heel
goed dat hij dat vraagt, maar ik moet ook eerlijk zeggen dat het tot een
goed einde brengen van dit overleg met de centrales en tegelijkertijd
voor de implementatie en de uitvoering ervan vragen om een aanpassing
van regelgeving ⦠Ik denk dat we er nog heel hard aan moeten trekken om
dat überhaupt voor 1 januari volgend jaar rond te krijgen. Het zou mooi
zijn als het nog sneller kan, maar ik denk niet dat het realistisch is
om dat te verwachten.
De voorzitter:
Dan verzoek ik de minister haar beantwoording voort te zetten.
Minister Ollongren:
Voorzitter. Dan kom ik op het Veteranen Search Team. Het is mooi dat dat
genoemd is door de heer Boswijk en anderen. Het is inderdaad een heel
mooi ook weer particulier en overigens civiel initiatief. Het is er een
van velen, maar wel een hele zichtbare en echt heel bijzondere, vind ik.
Ze hebben een stichting opgericht. De stichting krijgt financiƫle steun
vanuit het vfonds en ook vanuit het NLVi, en daarmee indirect vanuit
Defensie, zou je kunnen zeggen. Ze kunnen ook gebruikmaken van een
Defensieterrein. Ook is er een afspraak gemaakt met de landmacht over de
inzet van een bestuurslid, dat hier ook in werktijd tijd aan kan
besteden. Er zijn dus veel connecties. Op dit soort manieren proberen we
dit inderdaad hele mooie initiatief echt voluit ruggensteun te
verlenen.
Voorzitter. Ik kom tot een afronding, met nog een paar slotpunten. Ik
hoop dat ik de vragenstellers dan recht heb gedaan door al hun vragen te
beantwoorden. Ik wil afronden met het enthousiasmeren van mensen voor
Defensie. Veteranen kunnen daarbij een rol spelen. Dat is natuurlijk
ongelofelijk belangrijk. Je ziet dat veteranen dat graag doen. Om ƩƩn
voorbeeld te noemen: het initiatief Veteraan in de Klas. Dat is
ontzettend sprekend, want het loopt van de basisschool tot en met de
middelbare school, dus over de hele linie qua leeftijden. Ik denk dat we
moeten leren van hoe dat tot nu toe gaat en hoeveel kinderen we daarmee
kunnen bereiken. Gaandeweg zullen we zien of het daadwerkelijk, behalve
dat het meer kennis en ook begrip oplevert, kinderen zal enthousiasmeren
en zal aanzetten tot de gedachte: misschien moet ik ook eens kijken wat
daarin voor mij te doen is.
De heer Valstar vroeg naar een aantal details. In de vorige
Veteranennota hadden we blijkbaar wat meer gespecificeerde gegevens
hierover. Daarin stond dat we toen 245 gastsprekers hadden en dat het er
nu ā dat staat in deze nota ā 646 zijn. Dan moet je wel de twee nota's
naast elkaar leggen, zeg ik meteen eerlijk tegen de heer Valstar, maar
het is inderdaad een flinke stijging. Daar moeten we natuurlijk gewoon
mee doorgaan.
De voorzitter:
Ik sta in nauw contact met de heer Valstar en ik kijk in zijn hoofd. Het
was meer ter illustratie dan dat hij het op dat moment heel exact wilde
weten. Het was dus meer een aanmoediging om daar in de komende
veteranennota's iets vollediger in te zijn.
Minister Ollongren:
Zeker, graag. Met die aanmoediging kan ik mijn eerste termijn afronden,
voorzitter.
De voorzitter:
Er is nog een interruptie van de heer Boswijk.
De heer Boswijk (CDA):
Ik heb antwoord op al mijn vragen, behalve op de laatste. Het antwoord
daarop heb ik misschien gemist. Dat was mijn vraag over het advies van
de ombudsman, die aangeeft dat je bij de vaststellingsovereenkomsten
eigenlijk een soort voorbehoud moeten opnemen voor het geval er in de
toekomst misschien andere omstandigheden zijn waardoor je misschien een
deel van de vaststellingsovereenkomst moet aanpassen of aanvullen. Hoe
staat de minister daartegenover?
Minister Ollongren:
De heer Boswijk heeft mijn antwoord niet gemist, maar ik heb wel zijn
vraag gemist in de eerste termijn. Als u het goedvindt, kom ik daar in
de tweede termijn even op terug.
De voorzitter:
Dan is er een einde gekomen aan de inbreng van de zijde van het kabinet.
Dan ga ik gelijk weer beginnen met de tweede termijn, als jullie dat
allemaal goedvinden. Dat is het geval.
Dan geef ik het woord aan de heer Van Haga.
De heer Van Haga (Groep Van Haga):
Dank u wel, voorzitter. Namens BVNL dank voor de beantwoording van alle
vragen. Het is allemaal helder. Nogmaals een compliment voor de
Veteranennota. Ik denk dat we 'm uitvoerig en goed hebben
behandeld.
Gelukkig hebben we wel even van gedachten gewisseld over het rapport
over Indiƫ. Daarover blijven we van mening verschillen. Dat zal ook een
splijtzwam blijven. Ik hoop dat de veteranen recht gedaan zal
worden.
Dan het MIP. Ik heb toch nog een motie daarover, in lijn met wat de
minister heeft geantwoord, om het vast te leggen.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het Militair InvaliditeitsPensioen (het MIP) al twaalf
jaar niet is geĆÆndexeerd;
verzoekt de regering om te onderzoeken of het mogelijk is om een
eenmalige herstelindexatie uit te voeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Haga en Fritsma.
Zij krijgt nr. 255 (30139) (#2).
De heer Van Haga (Groep Van Haga):
Ik dien deze motie in om vast te leggen dat deze herstelindexatie moet
worden meegenomen.
Dan heb ik nog een tweede motie.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het rapport Noodopvang veteranen adviseert om de
maximale duur van de crisisopvang in de Veteranen Intensieve Behandel
Unit (VIBU) te verhogen;
verzoekt de regering om te onderzoeken of de maximale duur van de
crisisopvang in de VIBU verhoogd kan worden,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Haga en Fritsma.
Zij krijgt nr. 256 (30139) (#3).
De heer Van Haga (Groep Van Haga):
Dat was mijn tweede termijn, voorzitter.
De voorzitter:
Dan gaan we uw termijn nog iets verlengen, want mevrouw Belhaj heeft nog
een interruptie.
Mevrouw Belhaj (D66):
Ik snap die eerste motie eigenlijk helemaal niet. Waar gaat dit over? De
hele Kamer is het erover eens dat het er moet komen. De minister is
ermee aan het werk. Waar slaat het dan op om zo'n motie te gaan
indienen? Ik snap het niet.
De heer Van Haga (Groep Van Haga):
Ik snap deze interruptie in het geheel niet. Er is twaalf jaar lang niet
geĆÆndexeerd. Het is echt een grote schande. De minister heeft toegezegd
dat ze ernaar gaat kijken. Door dat in deze motie vast te leggen, hoop
ik dat er nog een extra druk komt om in ieder geval bijvoorbeeld 30%
herstelindexatie toe te passen. Ik vind deze interruptie eigenlijk
beneden alle peil.
De voorzitter:
Mevrouw Belhaj. Ik verzoek u allen het netjes te houden richting
elkaar.
Mevrouw Belhaj (D66):
Ja, voorzitter, dat ga ik doen, maar ik maak van mijn hart geen
moordkuil. De hele Kamer heeft meerdere jaren supergefrustreerd
geprobeerd om hier wat aan te doen. Nu gaat er wat gebeuren. Dan vind ik
het gewoon heel lelijk om te zeggen "daar ga ik nog even mijn stempel op
drukken", terwijl het eigenlijk niet uitmaakt welke politieke partijen
hier echt keihard voor geknokt hebben. Daarom merk ik het op. Ik vind
dat gewoon lelijk en het is mijn recht om dat op die manier te benoemen.
Punt.
De voorzitter:
Geen vraag. Ik ga het woord aan de heer Boswijk geven.
De heer Boswijk (CDA):
Dank u wel, voorzitter. Dank aan de minister voor alle heldere
antwoorden, behalve dat ene antwoord. Ik ben dus nog even nieuwsgierig.
Ik had nog een motie, maar ik heb een toezegging gekregen over de
inloophuizen, dus daar ben ik blij mee.
Dank u wel.
De voorzitter:
Als de heer Boswijk blij is, zijn wij ook blij. Dan geef ik het woord
aan mevrouw Belhaj.
Mevrouw Belhaj (D66):
Voorzitter. Ik bedank de minister voor de beantwoording van de vragen.
Ze triggerde mij nog even met de opmerking dat militairen voor de klas
vertellen wat zij allemaal doen. Misschien interesseert het hen. Ik zeg
dat ik denk dat er nu een grotere noodzaak is. Laatst zat een
buurjongetje een beetje een volwassen gesprek te voeren. Toen zei hij:
"Het is toch niet zo dat de Russen nu ook hier komen? En wat doen we
dan?" Dat jongetje is 7. Ik vond het eigenlijk wel een hele goede vraag,
maar ik realiseer me dat heel veel kinderen het best wel spannend vinden
wat er in OekraĆÆne gebeurt en daar ook mee bezig zijn. Misschien kunnen
veteranen daarin ook juist iets moois doen. En ik kijk uit naar komende
zaterdag.
De voorzitter:
Dan geef ik het woord aan de heer Fritsma namens de fractie van de
PVV.
De heer Fritsma (PVV):
Voorzitter, dank. Het is belangrijk om op te komen voor onze veteranen.
Daar horen simpelweg ook onze Indiƫveteranen bij. Die zijn het
slachtoffer geworden van een ondeugdelijk onderzoek. Daarom de volgende
motie.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
verzoekt de regering om excuses aan te bieden aan onze Indiƫveteranen
vanwege het omarmen van een zeer eenzijdig en gekleurd onderzoek waarin
ten onrechte en op uiterst subjectieve wijze is gesteld dat Nederlandse
soldaten gedurende de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog structureel
excessief geweld hebben gebruikt, en de reactie op dit gebrekkige
onderzoek binnen de kortst mogelijke termijn te herzien,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Fritsma en Van Haga.
Zij krijgt nr. 257 (30139) (#4).
De heer Fritsma (PVV):
De PVV vraagt dus geen uitbreiding van de reactie, maar een herziene
reactie.
De voorzitter:
Ik zie dat er een interruptie is van de heer Boswijk op dit punt.
De heer Boswijk (CDA):
We hebben hier natuurlijk net al uitgebreid over gesproken. Ik vind het
jammer dat deze motie wordt ingediend. Ik heb vorig jaar ā ik heb net
mijn bijdrage even teruggelezen ā een heel uitgebreid punt gemaakt over
het toen nog lopende onderzoek, hoe wij erin zitten en de gevoelens die
er zijn. Het lijkt ons gewoon niet netjes om deze motie nu in te dienen,
juist omdat in een andere commissie de hele discussie ook nog
plaatsvindt. Jammer. Wij zullen tegenstemmen, niet omdat wij tegen de
Indiƫveteranen zijn. Integendeel, wij staan naast ze. Wij hebben diep,
diep respect voor deze mensen en voor hun emoties, die volledig terecht
zijn. Maar ik vind dit gewoon heel erg jammer.
De voorzitter:
Een korte reactie van de heer Fritsma, want het was geen vraag.
De heer Fritsma (PVV):
Ja, een korte reactie, voorzitter. Het is juist jammer dat deze
commissie niet voor de Indiƫveteranen opkomt. Dat onderzoek is
ondeugdelijk. Dat zeggen de veteranen zelf. Ze hebben daarin groot
gelijk. Dit is een eenzijdig, gekleurd onderzoek. Het heeft niks met
objectiviteit te maken. Ze verdienen onze steun, zodat ze niet het
slachtoffer worden van zo'n krom onderzoek en van een uiterst kromme
kabinetsreactie. Het kabinet had dat onderzoek kritisch moeten bekijken
en niet klakkeloos moeten omarmen. Dus wat de heer Boswijk zegt, dat het
niet netjes is, is natuurlijk niet goed. Het is juist niet netjes
richting de veteranen, hoe die behandeld worden. Vandaar de motie.
De voorzitter:
Er is nog een vervolgreactie van de heer Boswijk.
De heer Boswijk (CDA):
Er is op dit moment een andere commissie in dit huis bezig met dit
onderwerp. Dat is nog niet afgerond. Daar vindt nog een heel debat
plaats. Dan is het wel heel erg prematuur. Ik snap uw gevoelens en ik
denk dat die gevoelens voor een deel misschien ook wel terecht zijn,
maar het is gewoon niet netjes om dat nu op deze manier op dit moment te
doen als dat werk nog niet is afgerond.
De voorzitter:
Meneer Fritsma, ik ga het woord aan mevrouw Belhaj geven, want die heeft
ook nog een interruptie op dit punt, dus ik heb zomaar het vermoeden dat
u nog uitgebreid aan uw trekken komt.
Mevrouw Belhaj (D66):
Ik ben het helemaal eens met de heer Boswijk, maar ik ga het even op een
andere manier doen. Als de heer Fritsma weet dat deze motie het niet
haalt, zou de heer Fritsma het die mensen dan willen aandoen de
suggestie te wekken alsof de meerderheid in de Kamer geen rekening houdt
met hun gevoelens? Ik snap dat je er politiek gezien anders in kunt
zitten, maar je gaat deze mensen onnodig extra pijn doen. Ik zou de heer
Fritsma willen meegeven om dat mee te nemen in zijn afweging om deze
motie wel of niet in stemming te brengen.
De heer Fritsma (PVV):
Ik dien deze motie in omdat de PVV-fractie juist het signaal wil afgeven
dat de Kamer, of in ieder geval een deel van de Kamer, wƩl voor ze
opkomt. Nu zeggen dat deze motie het niet gaat halen is pas een
schoffering richting de Indiƫveteranen, want er wordt gewoon over ze
heen gewalst alsof het niks is. Dit onderzoek, om ook antwoord te geven
op de vraag van de heer Boswijk, wordt in een andere commissie
behandeld. Dat klopt. Dit wordt behandeld in de commissie BuZa, maar de
minister van Defensie moet hier natuurlijk ook een mening over hebben.
Die is verantwoordelijk voor veteranenbeleid en is dus ook
verantwoordelijk voor de omgang met deze veteranen. Om dan heel
procedureel te zeggen: die commissie ⦠Alsof de veteranen daarop zitten
te wachten!
Ik ben het er ook niet mee eens dat deze motie prematuur zou zijn, want
ik heb de minister gevraagd hoe ze hierin staat. De minister heeft
gezegd: die eerste reactie gaan we uitbreiden. Met andere woorden, die
eerste reactie wordt niet ingetrokken. De pijn van de veteranen zit nou
juist bij die eerste reactie, die het onderzoek en die rare conclusie
van het onderzoek heeft omarmd. Er is niks prematuurs aan als ik namens
de PVV-fractie vraag om die reactie te herzien. Dat wil de minister
niet. Dat wil het kabinet niet, dus het kabinet blijft bij die volkomen
onjuiste reactie. Dan is het natuurlijk de taak van mij als Kamerlid om
namens mijn fractie te proberen die reactie te herzien. Ook dat willen
heel veel veteranen. Iedereen hier heeft de mond vol van respect of
netjes zijn naar veteranen toe. Ik zou deze Kamercommissie willen
zeggen: luister naar wat de veteranen zelf hierover zeggen. Luister naar
wat ze zelf vinden van het onderzoek en de reactie erop. In die lijn
moet het worden aangevlogen en daar heb ik absoluut geen spijt van, dus
ik blijf bij die motie.
De voorzitter:
Het verzoek is om uw betoog voort te zetten, waar u eigenlijk al
ruimschoots aan was begonnen.
De heer Fritsma (PVV):
In het verlengde van de vorige motie heb ik nog een motie.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
spreekt uit dat onze Indiƫveteranen helden zijn,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Fritsma, Wilders en Van
Haga.
Zij krijgt nr. 258 (30139) (#5).
De heer Fritsma (PVV):
Waarbij ik opmerk dat er inderdaad misstanden waren, maar dat was de
uitzondering, niet de regel, dus vanuit de regel wil ik die motie
indienen.
Meneer de voorzitter. De volgende motie gaat over de ...
De voorzitter:
Er is nog een interruptie van mevrouw Belhaj.
Mevrouw Belhaj (D66):
Ik merk dat ik het heel ingewikkeld vind dat er moties ingediend worden
terwijl het onderwerp eigenlijk niet geagendeerd staat. Het staat niet
geagendeerd. Het gaat over de Veteranennota. We hebben een lijst met
alle stukken die behandeld worden. Je hoeft niet te accepteren dat
moties ingediend worden op momenten dat zaken niet behandeld worden. Ik
vind dit eigenlijk iets wat gewoon niet kan. Het wordt besproken in een
andere commissie. Het gaat hier over de veteranen. Ik ga hier nu aan u
als voorzitter vragen om te bezien in welke mate deze motie überhaupt
mag worden ingediend bij dit punt.
De heer Fritsma (PVV):
Daar kan ik u bij helpen.
De voorzitter:
Nee, dit is een verzoek aan de voorzitter, dus ik ga hier als voorzitter
een reactie op geven. Ik kan het betoog van mevrouw Belhaj een heel stuk
volgen. Ik heb als voorzitter in de eerste termijn ook al aangegeven dat
hier in de commissie voor Buitenlandse Zaken inderdaad uitgebreid over
wordt gesproken. Het hele Indiƫonderzoek is daar ook officieel onderdeel
van. Maar ik moet ook bekennen dat we het hier over veteranen hebben en
dat er in de Veteranennota gesproken wordt over 6.500 Indiƫveteranen.
Het staat de heer Fritsma dus vrij om deze moties in te dienen.
De heer Fritsma (PVV):
Dank, voorzitter. Dan ga ik daar niet verder op in. Ik wil wel de
correctie doen dat de vorige motie mede is ingediend namens mijn
collega's Wilders en Van Haga, waarvoor dank.
Meneer de voorzitter. De volgende motie gaat over noodopvang. De
minister heeft aangegeven dat het weer op de rails krijgen van de
noodopvang waarschijnlijk meer een kwestie is van maatwerk dan van
coƶrdinatie. Deze motie is bedoeld als steuntje in de rug.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
verzoekt de regering om zorg te dragen voor voldoende en direct
toegankelijke noodopvang voor veteranen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Fritsma en Van Haga.
Zij krijgt nr. 259 (30139) (#6).
De heer Fritsma (PVV):
Dat waren mijn moties, voorzitter.
Ik wilde nog ƩƩn woord zeggen over de PTSS-slachtoffers. Dat is ook een
belangrijk punt van dit overleg, maar omdat de minister heeft gezegd dat
daar na de zomer op terug wordt gekomen, dien ik daar geen moties over
in. Ik zal dat afwachten. Ik hoop dat die PTSS-slachtoffers snel
geholpen worden, want zes jaar lang wachten op de implementatie van
aanbevelingen is te lang.
Tot zover, voorzitter.
De voorzitter:
Dank. Dan ga ik het voorzitterschap tijdelijk overdragen aan mevrouw
Belhaj.
Voorzitter: Belhaj
De voorzitter:
Het woord is aan de heer Valstar.
De heer Valstar (VVD):
Dank, voorzitter. Ik wil toch nog even ingaan op het vorige punt, maar
nu als woordvoerder namens de VVD. De heer Boswijk en mevrouw Belhaj
hebben het ook al aangestipt. Ik zou de heer Fritsma toch echt op het
hart willen drukken om de eerste motie die hij indiende, gewoon aan te
houden. We hebben een heel groot onderzoek liggen. Daar worden
verschillende rondetafelgesprekken over gevoerd. Daar wordt in de
commissie voor Buitenlandse Zaken nog over gedebatteerd. Ik vind het dan
wel ingewikkeld dat wij nu dus met ƩƩn pennenstreek eigenlijk het werk
van onze collega-Kamerleden in deze commissie gaan doen. Ik zou de heer
Fritsma dus op het hart willen drukken om deze motie aan te houden. Dat
geeft mij ook de mogelijkheid om de commissiedebatten die er nog over
volgen, met mijn fractie te bespreken. Dan is het nog helemaal niet
gezegd dat die motie tegen die tijd verworpen zal worden, maar nu krijg
ik eigenlijk niet eens de mogelijkheid om daar een serieus oordeel over
te vormen. Dat wilde ik de heer Fritsma dus meegeven.
De heer Van Haga (Groep Van Haga):
Toch een kleine nuance. Dit gaat namelijk om de eerste of de snelle
reactie van het kabinet. Stel dat het kabinet zou zeggen: we komen nog
met een uitgebreide reactie en trekken nu even deze eerste reactie in of
nuanceren of veranderen of wijzigen die. Dan is het een andere situatie.
Maar die eerste reactie was zo exorbitant dat die de veteranen pijn
heeft gedaan. Dat is precies waar deze motie op ziet. Daarom heb ik die
mede-ingediend. Dat er uiteindelijk een andere, uitgebreide reactie
komt, is evident.
De heer Valstar (VVD):
Ik zou toch het kabinet, en ook de collega-Kamerleden, de ruimte en de
tijd willen geven om daar een serieus oordeel over te vormen in plaats
van dat we nu gaan zeggen of een reactie wel of niet te snel kwam. Laat
het kabinet dan tot dat inzicht komen. Die motie gaat daar niks aan
veranderen, of we die nu wel of niet aannemen. Ik doe dus nogmaals het
nadrukkelijke verzoek om deze motie alsjeblieft aan te houden, zodat we
er op een later moment over kunnen stemmen en er een oordeel over kunnen
vormen.
De voorzitter:
Er is geen interruptie meer voor u, dus u kunt doorgaan met uw
betoog.
De heer Valstar (VVD):
Dan ga ik nog even verder met een paar kleine andere punten, als u mij
dat toestaat, voorzitter.
Ik ben blij met de toezegging van de minister dat de Veteranennota de
volgende keer in ieder geval uiterlijk 1 juni bij ons in de Tweede Kamer
zal liggen. Ik zou er nog wel een extra toevoeging aan willen doen, die
we dan bij dezen ook voor de boeken kunnen registreren, namelijk dat er
ook wordt teruggekeken naar oudere Veteranennota's. Ik wil met name dat
er een jaarlijks inzicht komt, zodat we daar de juiste conclusies uit
kunnen trekken. Je zegt dan dus niet alleen hoeveel veteranen er elk
jaar waren, maar je gaat ook in op hoe de aantallen zich ontwikkelen.
Wij kunnen als Tweede Kamer alle rapporten van de afgelopen tien jaar er
wel bij pakken, maar het zou volgens mij een stuk inzichtelijker
kunnen.
Als laatste nog het MIP. Ik zou de minister er van harte toe willen
aanmoedigen om het sneller dan 1 januari 2023 te doen. Ik ben het op dat
punt namelijk wel eens met collega's Van Haga en Fritsma. Ik ga hier
geen percentages noemen, maar de nood is hoog bij een grote groep
veteranen. Ook als we kijken naar de rekeningen die nu op Nederlanders
afkomen, denk ik dat deze groep hard getroffen wordt. De urgentie is dus
ook heel hoog om dit zo snel mogelijk voor hen te regelen. Daar is wat
mij betreft ook geen motie voor nodig.
De voorzitter:
Ik dank de heer Valstar voor zijn inbreng. Hij is nu weer de
voorzitter.
Voorzitter: Valstar
De voorzitter:
Dank. Dan kijk ik even naar de minister. Ik vermoed zomaar dat zij enige
tijd nodig heeft.
Minister Ollongren:
Maar niet heel lang. Mag ik gewoon even vijf minuten hier met de
aanwezigen overleggen? Dan kan ik snel weer verder.
De voorzitter:
Dan ga ik daar tien minuten van maken, zodat we de bode ook nog wat
ruimte geven om de moties uit te delen. O, dat is al geregeld. Ik ga er
toch tien minuten van maken, want we zitten lekker ruim in de
tijd.
De vergadering wordt van 12.40 uur tot 12.50 uur geschorst.
De voorzitter:
Ik geef het woord aan de minister voor de beantwoording van de moties en
de aanvullende vragen.
Minister Ollongren:
Dank. Ik had nog twee punten die in eerste termijn waren blijven liggen,
althans, aan mijn kant natuurlijk. Ten eerste uw vraag, voorzitter,
wanneer we terug kunnen komen op die criteria voor de veteranenstatus,
waar we nu over praten en over nadenken. Die hebben zowel te maken met
vermeende verschillen in de inzet nu in het kader van NAVO-versterking
als met nieuwe vormen van oorlogsvoering. In dat licht bezien we dus het
veteranenbeleid. Ik stel voor om in ieder geval bij het volgende
notaoverleg over de Veteranennota het hier weer over te hebben. Dat
geeft mij de tijd om die discussie ⦠Die moet echt goed gevoerd worden,
ook intern. We komen daarop terug met een doorleefd en gedragen
voorstel. Dat is mijn voorstel, voorzitter.
De voorzitter:
Dat was een vraag van de heer Valstar, niet van de voorzitter. Maar ik
merk dat de heer Valstar daar zeer uitbundig op reageert. Dus u vervolgt
uw betoog.
Minister Ollongren:
En mevrouw Belhaj vindt het ook een goede manier van werken.
Voorzitter. Een ander punt uit de eerste termijn was de noodopvang en de
vraag van de heer Fritsma of we zicht hebben op hoe vaak er gebruik van
wordt gemaakt en ook hoe vaak er niet gebruik van wordt gemaakt. Dat
laatste is natuurlijk heel lastig. Dat is eigenlijk niet te
beantwoorden, want de mensen die we niet weten te bereiken en die bij
wijze van spreken die opvang mislopen, kennen we natuurlijk niet. Maar
over het eerste kunnen we wel iets zeggen. We weten dat in 2021
zeventien mensen zich gemeld hebben voor noodopvang. In dit jaar zijn
dat er tot nu toe negentien. Ze maken daar gemiddeld zo'n vier Ć vijf
dagen gebruik van. Ik zal er zo op terugkomen bij mijn appreciatie van
een motie die daarover gaat.
Voorzitter. Dan de tweede termijn. Ik kom zo nog op een punt van de heer
Boswijk. Nee, laat ik dat meteen even doen, want dat was ook een punt
uit de eerste termijn, over de aanbeveling van de Veteranenombudsman
over de vaststellingsovereenkomst. Die aanbeveling is overgenomen, kan
ik bevestigen. Hij vroeg dat aan het einde van mijn eerste termijn,
zonet.
Voorzitter. Dan de tweede termijn van de leden, te beginnen bij de heer
Van Haga. Ik wil eigenlijk alleen even ingaan op zijn moties. Dank voor
zijn waardering voor de Veteranennota. De eerste motie, op stuk nr. 255,
gaat over het MIP. Ik zie wel dat de motie tot op zekere hoogte een
aanmoediging is om aan het MIP te werken. Dat ben ik met de heer Van
Haga eens. Dat heb ik hem ook al toegezegd. Als een motie overbodig is
omdat we dit gewoon doen ā ik heb uitvoerig betoogd hoe wij nu hieraan
werken ā heb ik wel de gewoonte om die overbodig te verklaren en om die
reden te ontraden.
De tweede motie van de heer Van Haga, op stuk nr. 256, gaat over de
VIBU, de Veteranen Intensieve Behandel Unit. De motie gaat uit van de
veronderstelling dat de maximale duur verhoogd moet worden. Zoals u net
hoorde in mijn toelichting aan de heer Fritsma, in mijn antwoord op zijn
vraag, is de behandeltermijn niet echt het probleem. Overigens begrijp
ik wel dat de Kamer, misschien op basis van wat de Veteranenombudsman
rapporteerde, in de veronderstelling kon verkeren dat het wel een
probleem was. Het NLVi-Zorgloket heeft dit tijdens de rondetafel ook
toegelicht. De aantallen die ik net noemde en de gemiddelde termijn van
vier Ć vijf dagen zijn daar ook genoemd. Dus volgens mij kunnen we er
echt wel van uitgaan dat de duur niet zozeer het probleem is. Het maakt
onderdeel uit van een rijksprotocol van VWS, maar los daarvan denk ik,
hoewel ik altijd heel erg opensta voor onderzoeksmoties, dat we wel
weten dat dit hier niet het knelpunt is. Om die reden ontraad ik de
motie.
De vraag van de heer Boswijk heb ik met de toelichting van net al
beantwoord, denk ik. Dan de opmerking van mevrouw Belhaj over de
veteranen voor de klas en de terechte opmerking dat de oorlog in
OekraĆÆne bij kinderen natuurlijk ook binnenkomt. Die zien ook wat daar
gebeurt. Dat kan inderdaad leiden tot vragen en opmerkingen. Ik weet
zeker dat de veteranen voor de klas bij uitstek geschikt zijn om juist
dat soort gesprekken te voeren met kinderen. Ik vind het in dat licht
ook een heel mooi project.
Voorzitter. Dan ben ik bij de heer Fritsma.
Zijn motie op stuk nr. 257 is volgens mij gewoon ingediend, dus ik ga er
nu wel een appreciatie van geven.
De heer Valstar (VVD):
Zeker.
Minister Ollongren:
Ik wil echt wel opmerken dat ik me op geen enkele manier herken in de
kwalificaties van de motie. Ik heb in mijn termijn gewezen op de
onderbouwing van de eerste reactie van het kabinet en heb ook verwezen
naar de nog aanstaande uitvoerige tweede reactie van het kabinet op het
langjarige en uitvoerige onderzoek dat er ligt. Ik wil de motie echt
ontraden.
De voorzitter:
De heer Fritsma, kort alstublieft.
De heer Fritsma (PVV):
Ja, dat kan heel kort. Ik heb ƩƩn opmerking. Het is niet eens een vraag.
De minister hoeft zich niet te herkennen in mijn kwalificaties, als ze
zich maar herkent in de kwalificaties van de Indiƫveteranen, die luid en
duidelijk hebben gesproken over het onderzoek en over de reactie van het
kabinet daarop. Daar kan ik het bij laten, voorzitter.
De voorzitter:
Dat is geen vraag. Het is aan de minister om er eventueel op te reageren
en anders haar betoog voort te zetten.
Minister Ollongren:
Nee, want dan zou ik ook in herhaling vallen en dat lijkt me niet
nuttig. Ik ga dus verder.
De motie op stuk nr. 258 is een spreekt-uitmotie.
De motie op stuk nr. 259 van de heer Fritsma vraagt om zorg te dragen
voor voldoende en direct toegankelijke noodopvang voor veteranen. Ook
omdat de heer Fritsma zelf zei dat het eigenlijk een aanmoedigingsmotie
is, zie ik dit als een motie die ik bij wijze van spreken zou kunnen
overnemen, want we doen dit ook. Maar meestal stelt de Kamer daar niet
zo prijs op. Ik heb net ook begrepen uit een uitvoerig schrijven van uw
voorzitter dat het dan de bedoeling is dat ik een motie oordeel Kamer
geef, dus dat doe ik graag.
Voorzitter. Dan ben ik bij de opmerkingen van de heer Valstar. Ik heb
inderdaad gezegd dat ik de Veteranennota volgend jaar tijdig aan uw
Kamer ga sturen. Dat betekent dat hij er 1 juni moet liggen. Dat is een
toezegging. Ik vind het ook belangrijk dat hij inzichtelijk is ā ik denk
dat deze Veteranennota dat al is ā en ook trends signaleert. Uit de
inbreng van de heer Valstar en de vragen die hij heeft gesteld, begrijp
ik dat hij suggesties heeft voor hoe dat nog beter kan, dus ik wil ook
zorgen dat de nota volgend jaar op dat punt nog inzichtelijker is en dat
de trends goed herkenbaar zijn.
Voorzitter. Ik denk dat ik daarmee alle vragen heb beantwoord die nog
zijn gesteld en de moties van een appreciatie heb voorzien.
De voorzitter:
Dan dank ik u hartelijk. Ik ga dit debat bijna afronden, maar dat doe ik
niet voordat ik de toezeggingen nog eenmaal heb voorgelezen.
De eerste toezegging, gedaan aan ā kijk eens aan ā het lid Valstar, is dat de minister van Defensie toezegt dat de komende jaren de Veteranennota uiterlijk 1 juni van dat jaar en van trends voorzien, aan de Tweede Kamer zal worden aangeboden.
Ik zie geen verbaasde reacties.
De tweede toezegging is gedaan aan het lid Van Haga. De minister van Defensie zegt toe uiterlijk 1 november 2022 de Kamer te zullen informeren over de stand van zaken met betrekking tot de doorvoering van de aanbevelingen in de evaluatie van het PTSS-protocol uit 2016.
Ik zie opnieuw instemmend geknik. Dat is mooi.
De derde toezegging is gedaan aan het lid Boswijk. De minister van Defensie zegt toe dat in samenspraak met het NLVi in contact zal worden getreden met de VNG en eventueel andere instanties en hen te wijzen op de mogelijkheden van financiƫle ondersteuning van veteranenhuizen, en de Kamer hierover uiterlijk in de komende Veteranennota te informeren.
Ik zie opnieuw instemmend geknik.
De laatste toezegging is gedaan aan het lid Valstar. De minister van Defensie zegt toe voorafgaand aan het notaoverleg Veteranen 2023 de Kamer nader te zullen informeren over de criteria om de status van veteraan te verkrijgen.
Dat is ook akkoord bevonden. Dan dank ik bij dezen de minister en haar ondersteuning voor hun komst naar de Tweede Kamer. Datzelfde geldt voor mijn collega's van de Tweede Kamer. Ik wens u allen, zoals collega Bisschop dat dan zegt, een arbeidsvolle ⦠Nee, een vreugdevolle werkdag. Dat is het.
Sluiting 13.00 uur.
| ONGECORRIGEERD STENOGRAM Verslag OSV 49 (2021-2022) van 20 juni 2022 |
|---|
| Aan ongecorrigeerde verslagen kan geen enkel recht worden ontleend. Uit ongecorrigeerde verslagen mag niet letterlijk worden geciteerd. Inlichtingen: verslagdienst@tweedekamer.nl |