Schriftelijke antwoorden op vragen gesteld tijdens de eerste termijn van de begrotingsbehandeling Koninkrijksrelaties op 19 oktober 2022
Brief regering
Nummer: 2022D42747, datum: 2022-10-19, bijgewerkt: 2024-02-19 10:56, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: A.C. van Huffelen, staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
- Beslisnota bij Schriftelijke antwoorden op vragen gesteld tijdens de eerste termijn van de begrotingsbehandeling van Koninkrijksrelatie op 19 oktober 2022
- Aanbiedingsbrief
Onderdeel van zaak 2022Z19922:
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Koninkrijksrelaties
- Stemmingen en besluiten:
- 2023-01-19 13:25 ā Rondgezonden en gepubliceerd. (Besluit)
- 2022-12-15 13:05 ā Afgevoerd van de stand der werkzaamheden. (Besluit)
- 2022-11-09 13:00 ā Reeds betrokken bij begrotingsbehandeling Koninkrijksrelaties en BES-fonds 2023. (Besluit)
- 2022-10-20 10:16 ā Behandeld. (Besluit)
- 2022-10-20 10:16: Begroting Koninkrijksrelaties (36200-IV) (voortzetting) (Plenair debat (wetgeving)), TK
- 2022-11-09 13:00: Procedurevergadering (Procedurevergadering), vaste commissie voor Koninkrijksrelaties
- 2022-12-15 13:05: Aansluitend: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2023-01-19 13:25: Aanvang middagvergadering: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
Preview document (š origineel)
Vragen over koopkracht
De leden Kuiken (PvdA), Bouchallikh (GL) en Ceder (CU) hebben vragen gesteld over koopkrachtmaatregelen in Caribisch Nederland, in het bijzonder ten aanzien van de gestegen kosten van energie.
Het kabinet heeft diverse koopkrachtmaatregelen getroffen voor Caribisch Nederland, vanuit de rechtstreekse verantwoordelijkheid voor Caribisch Nederland, en in nauwe samenwerking tussen de betrokken ministeries en de openbare lichamen.
Bij Prinsjesdag heeft het kabinet voor 2023 bijna 16 miljoen euro
beschikbaar gesteld voor een verbetering van de koopkracht in Caribisch
Nederland. Hiermee wordt de energietoeslag voor lage inkomens en de
verlaging van de accijns op benzine verlengd naar 2023, komt er een
hoger basispensioen en kinderbijslag in 2023, en wordt de belastingvrije
som structureel verhoogd. Met deze maatregelen beoogt het kabinet een
gelijkwaardig effect ten opzichte van Europees Nederland te
bereiken.
Het koopkrachtpakket van Prinsjesdag komt bovenop de 30 miljoen euro
structureel die ter beschikking gesteld bij het Regeerakkoord. Het gaat
om de volgende maatregelen:
Het wettelijk minimumloon en de uitkeringen worden vanaf 2023 jaarlijks verhoogd, zodat het wettelijk minimumloon in 2025 op het sociaal minimum ligt (+28% op Bonaire, + 18% op Sint Eustatius, + 23% op Saba). (Nadien is op Prinsjesdag t.a.v. AOV besloten de beoogde verhoging in 2025 al in 2023 door te voeren; zie hiervoor.)
Het bedrag van een alleenstaande in de onderstand die zelfstandig woont gaat daarnaast stapsgewijs van 55% naar 70% in 2025.
Het bedrag van de kinderbijslag wordt per 1 juli 2022 verhoogd met $10 en per 1 januari 2023 met nog eens $ 10 per maand per kind. (NB De tweede verhoging per 2023 is verhoogd naar $ 20 per maand per kind bij koopkrachtmaatregelen Prinsjesdag, zie hiervoor.)
Er wordt een werkloosheidsregeling ingevoerd in Caribisch Nederland.
Er komen structurele subsidies voor drinkwater en elektriciteit.
Voor volkshuisvesting komen middelen beschikbaar, waardoor de bouw van 204 sociale huurwoningen op Bonaire kunnen worden versneld en een eerste tranche van 10 woningen op Sint Eustatius kunnen worden gerenoveerd.
Versterken van de arbeidsbemiddeling door onder andere budget beschikbaar te stellen voor opleidings- en ontwikkelingsprogrammaās en om- en bijscholingsprogrammaās.
Versterken van duurzame regionale samenwerking in beroepsonderwijs, onder andere door een stagefonds en het versterken van de samenwerking van de opleidingen in de toerismesector met CuraƧao en Sint Maarten.
Verhoging van de vrije uitkering: de eilandbesturen krijgen vanaf 2025 structureel ā¬15 miljoen extra (voor de drie eilanden samen, inclusief eigen bijdrage KR) voor eilandelijke taken. Daarnaast is voor de drie eilanden ā¬10 miljoen beschikbaar voor incidentele achterstanden.
Het realiseren van een versnelde overstap op duurzame elektriciteit in Caribisch Nederland (inclusief recent ter beschikking gestelde 33 miljoen euro).
Daarnaast loopt Caribisch Nederland mee in de energiecompensatiemaatregelen van het kabinet. Zo geldt de energietoeslag voor lagere inkomens ook voor Caribisch Nederland en heeft iedereen tot 130% van het wettelijk minimumloon recht op een energietoeslag van USD 1300 per jaar. Deze regeling wordt doorgetrokken naar 2023. Daarnaast wordt in 2023 het energieprijsplafond doorvertaald naar Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Vanwege uitvoerbaarheid is in overleg met de eilandbesturen en de elektriciteitsbedrijven een specifieke regeling getroffen. Het kabinet treft twee maatregelen. Ten eerste gaan de vaste kosten voor netbeheer, nu gemiddeld zo'n 390 dollar per jaar, in 2023 naar nul. Daarnaast betaalt het kabinet de helft van het variabele tarief voor elektriciteit als dat boven de 0,38 dollar per kWh komt. Deze maatregelen gelden niet alleen voor huishoudens, maar ook voor het midden- en kleinbedrijf en voor sport- en cultuurinstellingen. Het kabinet trekt hier 15 miljoen euro voor uit.
Het lid Ceder vroeg naar een vergelijking van de septemberpakketten aan koopkracht en energieplafond tussen Europees Nederland en Caribisch Nederland. Het maken van een vergelijking is lastig. Een aantal instrumenten is goed vergelijkbaar en is dus op dezelfde wijze toegepast (bijvoorbeeld de energietoeslag van 1300 euro / 1300 USD). Voor veel instrumenten kan toepassing niet op dezelfde wijze plaatsvinden, bijvoorbeeld door een afwijkend fiscaal stelsel of een andere context (gas is op Caribisch van minder belang). Het kabinet beoogt een gelijkwaardig effect en heeft bijvoorbeeld bij het energieplafond samen met de eilanden en nutsbedrijven gezocht naar een vergelijkbare regeling.
Bij een vergelijking moet ook worden bedacht dat de lastenverlichting in Europees Nederland deels wordt bekostigd uit lastenverzwaringen, zoals het verhogen van de vennootschapsbelasting, de overdrachtsbelasting en de belasting in box 2 en 3. In Caribisch Nederland zijn voor 2023 geen lastenverzwaringen aangekondigd, behoudens een aanpassing in de gebruikelijke loonregeling voor directeur grootaandeelhouders. Het koopkrachtpakket van Prinsjesdag komt daarbij bovenop de 30 miljoen euro structureel die ter beschikking gesteld bij het Regeerakkoord. Dit pakket behelst voor 2023 onder meer verhoging van het wettelijke minimumloon en de uitkeringen als ook de kinderbijslag.
Graag maak ik de koopkrachteffecten van het energieplafond inzichtelijker, als ook de vergelijking met Europees Nederland, aan de hand van onderstaand rekenvoorbeeld.
Rekenvoorbeeld energieplafond
Aannames: stel
gemiddeld gebruik huishouden = 4.500 kWh (inclusief airco)
huidig (en per 1-1-2023 verwacht) variabel tarief (cent/kWh): Bonaire 0,4253 Statia 0,4306
Saba 0,5196
Bonaire
Berekening kosten elektriciteit per jaar zonder subsidie: USD 2.304
Vaste kosten: USD 390
Variabele kosten: 4500 kWh x 0,4253 = USD 1.914
Berekening kosten elektriciteit per jaar met subsidie: USD 1.812
Vaste kosten: 0
Variabele kosten: 1.914 ā (0,4253-0,38) x 4500 kWh x 50% = USD 1.812
Besparing per huishouden: USD 390 + USD 102 = USD 492 per jaar
Sint Eustatius
Berekening kosten elektriciteit per jaar zonder subsidie: USD 2.328
Vaste kosten: USD 390
Variabele kosten: 4500 kWh x 0,4306 = USD 1.938
Berekening kosten elektriciteit per jaar met subsidie: USD 1.824
Vaste kosten: 0
Variabele kosten: 1.938 ā (0,4306-0,38) x 4500 kWh x 50% = USD 1.824
Besparing per huishouden: USD 390 + USD 114 = USD 504 per jaar
Saba
Berekening kosten elektriciteit per jaar zonder subsidie: USD 2.728
Vaste kosten: USD 390
Variabele kosten: 4500 kWh x 0,5196 = USD 2.338
Berekening kosten elektriciteit per jaar met subsidie: USD 2.024
Vaste kosten: 0
Variabele kosten: 2.338 ā (0,5196-0,38) x 4500 kWh x 50% = USD 2.024
Besparing per huishouden: USD 390 + USD 314 = USD 704 per jaar
Cumulatie energieprijsplafond en energietoeslag
Stel inkomen = lager dan 130% van het wettelijk minimum loon (WML)
Dan geldt: energietoeslag van USD 1.300 per jaar
Huishouden op Bonaire betaalt dan aan elektriciteit per jaar:
USD 1812 (zie hierboven) ā USD 1.300 (energietoeslag) = USD 512
Besparing voor lage inkomens op Bonaire:
USD 492 (energieprijsplafond) + USD 1300 (energietoeslag) = USD 1792
Uit dit rekenvoorbeeld volgt dat een vergelijking maken tussen Europees Nederland en Caribisch Nederland lastig is en afhangt o.a. van de elektriciteitstarieven in 2023. Voordeel van de CN-regeling is dat de subsidie onafhankelijk is van het verbruik, voor iedereen geldt en dat iedereen profiteert van het reduceren naar 0 van het vastrecht. Nadeel is dat bij een verder stijgende elektriciteitsprijs het plafond wel meestijgt (immers, de subsidie is 50%). Ook is de eenmalige uitkering van 190 euro in november en december niet uitvoerbaar in Caribisch Nederland.
Daarbij moet wel worden bedacht dat de energierekening in Europees Nederland een veelvoud is van hetgeen in Caribisch Nederland wordt betaald, vooral vanwege het gas. Gemiddeld betaalt een huishouden in Europees Nederland tussen de 3000 en 4000 euro per jaar aan energie (wel grote verschillen vanwege verschillende tarieven en verschillende situaties).
Alles afwegende heeft Caribisch Nederland een gunstige regeling (gunstiger dan die in Europees Nederland). Gebruikers in CN kunnen vooral nadeel ondervinden als de elektriciteitsprijzen fors verder stijgen. In Europees Nederland zit het risico in het verbruik boven de 2.900 kWh / 1.200 m3 waarvoor geen enkele regeling geldt. Voor minima in Bonaire, Sint Eustatius en Saba (tot 130% van het wettelijk minimum loon) geldt bovendien dat door de cumulatie van het energieplafond en de energietoeslag huishoudens maar een zeer beperkt bedrag aan energiekosten betalen in 2023 (in rekenvoorbeeld voor Bonaire: slechts USD 512 van de energiekosten van USD 2.304).
Tenslotte geldt vanzelfsprekend dat het kabinet de verschillende koopkrachtmaatregelen zal monitoren en nieuwe afwegingen zal maken, als dat nodig is.
Vragen over ijkpunt bestaanszekerheid
De leden Simons (BIJ1), Van Raan (PvdD), Bouchallikh en Kuiken stelden vragen over het realiseren van het sociaal minimum. De minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen heeft uitgesproken het sociaal minimum aan de inkomenskant nog in 2025 te willen realiseren. Waar mogelijk gebeurt dit al eerder, zoals voor het wettelijk ouderdomspensioen AOV dat op 1 januari 2023 naar het beoogde niveau gaat. Voor wat betreft de andere minimumuitkeringen (de onderstand en AWW) geldt dat verhogingen in samenhang dienen te worden bezien met de ontwikkeling van het wettelijk minimumloon, met het oog op activering van met name onderstandsgerechtigden. Met een forse verhoging van het wettelijk minimumloon dient prudent mee worden om te gaan wegens onvoorziene effecten voor economie en arbeidsmarkt. Daarom kiest het kabinet voor een stapsgewijze aanpak voor het verhogen van het minimumloon en de onderhavige uitkeringen ā in goed overleg met de sociale partners die eveneens het belang van een gefaseerde aanpak benadrukken. Vanwege de te hoge kosten heeft het vorige kabinet, naast het verhogen van de inkomens, bezien welke kostenposten met overheidsbeleid konden worden verlaagd.
De leden Wuite (D66) en Bouchallikh stelden vragen over de herijking van het sociaal minimum.
De minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen zal in 2023 Caribisch Nederland een onderzoek uit laten voeren.
De ambitie is om op basis van deze resultaten in 2024 een sociaal minimum voor Caribisch Nederland vast te stellen.
Het lid Bouchallikh vroeg of de staatssecretaris kan toezeggen dat het sociaal minimum voor de BES-eilanden wordt vastgesteld op basis van de normen die voort zullen vloeien uit de commissie sociaal minimum. Op de uitkomsten van een dergelijk onderzoek kan ik niet vooruitlopen, te meer omdat in dit onderzoek naast de hoogte van een sociaal minimum ook de systematiek onder de loep wordt genomen. Het kabinet zal een dergelijk onderzoek ten aanzien van Caribisch Nederland uiterst serieus behandelen om te komen tot een voor Caribisch Nederland toereikend niveau van het sociaal minimum.
Verder stelde het lid Wuite een vraag over het meenemen van CN in de commissie sociaal minimum. Voor Caribisch Nederland geldt een wezenlijk ander uitgangspunt dan in Europees Nederland omdat er in Caribisch Nederland nog geen sociaal minimum is. In 2019 heeft het kabinet een ijkpunt voor het sociaal minimum vastgesteld om vervolgens te komen tot een sociaal minimum. Vanzelfsprekend is het kabinet van mening dat ook voor Caribisch Nederland iedere vier jaar het sociaal minimum moet worden herijkt, naast de jaarlijkse reguliere indexering op basis van de consumentenprijsindexcijfers. De minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen heeft eerder in de schriftelijke beantwoording van Kamervragen aangegeven dat voor Caribisch Nederland wordt gekozen voor een separaat traject, omdat het toewerken naar het in 2019 vastgestelde ijkpunt sociaal minimum in Caribisch Nederland momenteel nog loopt. Anders dan in Europees Nederland, wordt hierbij niet alleen gekeken naar de hoogte van de inkomens maar wordt er ook gewerkt aan structurele kostenverlagingen. De inkomens en kosten van levensonderhoud zijn tot 2025 nog volop in beweging als gevolg van de aangekondigde beleidsinzet om het ijkpunt te realiseren. De minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen heeft de ambitie om in 2024 een sociaal minimum vast te stellen. Onderzoek daartoe wordt in 2023 in gang gezet.
Voor de kosten van elektra, telecom en drinkwater zijn structurele verlagingen afgesproken, maar zijn er destijds geen concrete kostenreducties opgenomen in de hoogte van het ijkpunt. Overigens heeft het kabinet nadien met investeringen en subsidies (bijvoorbeeld de structurele subsidies op telecom en drinkwater in het Regeerakkoord) wel gezorgd voor kostenreductie van nutsvoorzieningen. Daarmee wordt in het huidige ijkpunt al uitgegaan van de werkelijke kosten. Voor de kosten van kinderopvang en wonen heeft het kabinet zich gecommitteerd aan concrete reductiedoelstellingen. Deze verlaagde bedragen zijn in het ijkpunt opgenomen, waarbij dus is afgeweken van de reƫle bedragen voor kosten van levensonderhoud, zoals in 2018 door Regioplan zijn waargenomen. Waar mogelijk werkt het kabinet met tijdelijke tussenoplossingen. Met de Tijdelijke Subsidieregeling Kinderopvang Caribisch Nederland is vooruitlopend op de Wet kinderopvang BES al een aanzienlijke kostenreductie gerealiseerd. Per 1 januari komt hier een extra verlaging bij van $ 25 per maand per kind bij volledige opvang. Voor ouders die het niet kunnen betalen mag het openbaar lichaam een kindplaatssubsidie uitkeren en is kinderopvang nagenoeg gratis. In die zin zijn de beoogde kostenreducties voor de ouders die het betreffen binnen handbereik. We zien wel dat nog niet alle ouders van deze mogelijkheid gebruikmaken. In de Wet kinderopvang BES zal ouderbijdrage vanaf 2025 gebaseerd zijn op 4% van de kostprijs en dan zelfs onder het huidige beleidsmatige niveau van de kostenpost kinderopvang in het ijkpunt komen te liggen. Het lid Simons stelde een vraag over het gratis maken van kinderopvang. Eerder heeft de minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen al met uw Kamer gewisseld dat het Wetsvoorstel Kinderopvang BES binnenkort aan de Tweede Kamer wordt aangeboden. Het ligt voor de hand om de discussie over de hoogte van de ouderbijdrage en dus ook gratis kinderopvang, te betrekken bij de behandeling van het wetsvoorstel in aanwezigheid van de minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen.
Voor wonen wordt binnen de sociale huursector op Bonaire een kostenreductie van $ 170 tot $ 190 gerealiseerd. Binnen de particuliere huursector laat een pilot zien dat het om circa $ 300 gaat. Dat voldoet nog niet aan de reductiedoelstelling van $ 240 tot $ 340 per huishouden per maand. Al met al geldt dat met deze kostenverlagingen we er nog niet helemaal zijn. Maar we zijn goed op streek, waardoor de kosten ten opzichte van de door Regioplan waargenomen reƫle bedragen voor wonen en kinderopvang nu lager zullen liggen. Wel geldt dat zolang deze kostenverlagingen niet helemaal zijn gerealiseerd, en de inkomens nog niet op het gewenste niveau zijn, daar nog een verschil in zal zitten met de reƫle kosten van levensonderhoud.
Verder stelde het lid Simons nog een vraag over versterking van de sociale zekerheid. De sociale zekerheid is onderdeel van de aanpak waar de Minister voor Armoede momenteel aan werkt. Concreet aangekondigde maatregelen zijn onder met het invoeren van dubbele kinderbijslag intensieve zorg en uitbreiding van het verlofstelsel met onder meer geboorteverlof. Daarnaast wordt er onder meer gewerkt aan het uitwerken van een WW-regeling voor Caribisch Nederland. Het moderniseren en versterken van de sociale zekerheid heeft dus de volle aandacht.
Vragen over klimaat en duurzaamheid
De leden Kamminga (VVD), Wuite, Kuiken, Simons, Bouchallikh en Ceder hebben vragen gesteld over klimaatverandering en duurzaamheid. De resultaten van het onderzoek van Vrije Universiteit in opdracht van Greenpeace zijn zeer zorgelijk, niet in de minste plaats voor de inwoners van Bonaire. Op korte termijn zal ik met de meest betrokken departementen om tafel gaan om de resultaten van het onderzoek te bespreken.
Het kabinet werkt samen met Caribisch Nederland aan klimaatdoelen en
verduurzaming. Alle drie de eilanden werken aan een stap van 25-40% naar
60-89% duurzame elektriciteit. Het kabinet draagt 33,6 miljoen euro bij
aan de plannen van de eilanden. Het TNO-rapport dat de minister voor
Klimaat en Energie op verzoek van de Kamer heeft laten opstellen,
beschrijft dat verduurzaming tot 80-90% met zon en wind goed mogelijk
is. Voor Bonaire is het richtdoel om dit in 2025 te behalen, voor Saba
is het richtdoel 2024. Voor Sint Eustatius wordt een zelfde soort
tijdspad gevolgd, waarbij de eerste fase van investeringen naar 60%
plaatsvindt in 2023. Naast verduurzaming is ook beoogd om hiermee de
kosten van de nutsvoorzieningen te verlagen. Het kabinet heeft daarbij
haalbare en uitvoerbare doelen geformuleerd.
De elektriciteitsbedrijven op Saba en Sint Eustatius worden gerund door
lokale medewerkers. Op Bonaire is dit een mix van lokaal en Europese,
dan wel internationale medewerkers. Het is aan de
elektriciteitsbedrijven zelf om te bepalen of ze bij de
verduurzamingsstappen lokale bedrijven betrekken. De ervaring leert dat
de specialistische kennis nodig voor dit soort verduurzamingsplannen erg
beperkt aanwezig is op de eilanden. Eerdere aanbestedingen voor
verduurzamingsplannen werden ingevuld door partijen buiten de eilanden
om deze reden.
In opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat werkt
het KNMI aan nationale klimaatscenarioās. Hierin worden zowel Bonaire,
als Saba en Sint Eustatius meegenomen. De minister van Infrastructuur en
Waterstaat heeft ook aangeboden om te verkennen, samen met Caribisch
Nederland hoe er ondersteuning kan worden geboden bij het thema
klimaatadaptatie. Ook worden deze drie eilanden meegenomen in de
beoordeling van de gevolgen van klimaatverandering die in 2023 in het
kader van het Natuur en Milieu Beleidsplan wordt uitgevoerd. Deze
beoordeling zal plaatsvinden op basis van bestaand en nieuw
onderzoek.
Bonaire is momenteel bezig met het oprichten van een klimaattafel; de minister voor Klimaat en Energie heeft toegezegd hiervoor een kwartiermaker aan te stellen die de start van deze tafel zal faciliteren en samen met Bonaire vorm zal geven. De klimaattafel zal zowel over mitigatie als adaptatie gaan, en inzet is om tot een gecoƶrdineerde aanpak te komen, waarbij het in de rede ligt dat deze zich tot heel Caribisch Nederland strekt en de getrokken lessen uiteraard ook ten dienste kunnen staan aan alle zes de (ei)landen. Hiermee moet een aanpak ontstaan, vergelijkbaar wellicht met een Caribisch Deltaplan.
Waar het gaat om duurzame vormen van energie en klimaatadaptatie het is in de eerste plaats een landsaangelegenheid van de Caribische landen. Uiteraard kan de beschikbare kennis die wordt opgedaan in Caribisch en Europees Nederland met de landen gedeeld worden. Daarnaast wordt door het ministerie van Economische Zaken en Klimaat met mijn departement gekeken naar de uitvoering van de afspraak in het coalitieakkoord om het Nationaal Groeifonds en SDE+++ toegankelijk te maken voor de landen. Daarmee hebben zij toegang tot middelen om te investeren voor deze doelen. De internationale klimaatverdragen zijn niet van toepassing op het Caribisch deel van het Koninkrijk. Dat komt doordat het Caribisch deel van het Koninkrijk geen medegelding heeft van de Overeenkomst van Parijs. Daarom vloeien er ook geen verplichtingen voort uit deze klimaatverdragen voor de Landen noch de openbare lichamen. De regeringen van de landen Aruba, CuraƧao en Sint Maarten bepalen dus zelf hun standpunt over medegelding van het VN Klimaatraamverdrag en de Overeenkomst van Parijs. Ook het initiatief voor een eventuele toepassing op Bonaire, Saba en Sint Eustatius ligt bij de openbare lichamen zelf. Voor medegelding is van belang dat de eilanden hun uitvoeringsregelgeving op orde hebben. Het is vervolgens ook aan deze landen om te bepalen hoe ze met de uit de Overeenkomst van Parijs voortvloeiende verplichtingen omgaan. Van belang is, tot slot, om helder te krijgen wat de consequenties zijn van medegelding onder meer qua uitvoeringslast, en wat hiervan de meerwaarde is voor de eilanden.
Zoals gezegd ga ik op korte termijn met de betrokken departementen om tafel om te bespreken hoe we Caribisch Nederland kunnen ondersteunen om de effecten van klimaatverandering te mitigeren. Wat de Landen betreft is klimaat een autonome aangelegenheid waar ze zelf verantwoordelijk voor zijn. Dat neemt niet weg dat wij kunnen kijken hoe we de Landen op hun verzoek kunnen ondersteunen.
Vragen van het lid Graaf, M. de (PVV)
Vraag:
Waarom speelt insulaire problematiek, waaronder corruptie en nepotisme,
binnen het Koninkrijk wel op de Caribische landen en bijvoorbeeld niet
op de Waddeneilanden, of IJsland?
Antwoord:
Het Caribisch deel van het Koninkrijk kent unieke uitdagingen die
logischerwijs niet te vergelijken zijn met bijvoorbeeld de
Waddeneilanden. Rapporten van de Adviesraad Internationale Vraagstukken
(AIV) en het Economisch Bureau Amsterdam bevestigen dit. De combinatie
van hun geografische ligging, bestuurlijke kleinschaligheid en
economische kwetsbaarheid bemoeilijken het Caribisch gebied in de aanpak
van grensoverschrijdende criminaliteit, schendingen van bestuurlijke
integriteit en een adequate uitvoering van rechtshandhavingstaken.
Ik zie op alle zes de eilanden de bereidheid en acties om deze
uitdagingen op te pakken. Zie bijvoorbeeld de extra middelen die ik
beschikbaar heb gesteld voor de uitbreiding van de ondermijningsaanpak
bij het Recherche Samenwerkingsteam (RST), het Openbaar Ministerie en
het Gemeenschappelijk Hof van Justitie. Daarnaast is in 2021 het
protocol inzake versterking grenstoezicht gesloten, waarin de vier
landen hebben afgesproken om intensief samen te werken op het gebied van
de bestrijding van ondermijnende grensoverschrijdende criminaliteit. Op
Caribisch Nederland is begonnen met een pilot voor de instelling van het
Regionaal Informatie- en Expertisecentrum (RIEC). Dit gebeurt samen met
de drie openbare lichamen, Korps politie Caribisch Nederland, het
Openbaar Ministerie, de douane en de Koninklijke Marechaussee.
Vraag:
Hoe kunnen we er nou voor zorgen dat er een andere samenwerking ofwel
een beƫindiging van de samenwerking kan komen? Kan het Statuut nog eens
nader worden bekeken omdat er een discriminerende bepaling in staat,
waarbij de eilanden, dus de andere Landen in het Koninkrijk, wel uit
kunnen stappen maar Nederland zelf niet? Hoe kan ervoor worden gezorgd
dat het Koninkrijk uit elkaar wordt gehaald, zodat iedereen helemaal
zelfstandig wordt?
Antwoord:
In het Statuut is de mogelijkheid om de samenwerking binnen het
Koninkrijk op te zeggen alleen expliciet geregeld voor Aruba. Op grond
van ongeschreven recht beschikken ook de andere Caribische eilanden
binnen het Koninkrijk over de mogelijkheid om eenzijdig te besluiten uit
het Koninkrijk te treden. Nederland beschikt als voormalige kolonisator
op grond van internationaal recht niet over deze mogelijkheid. Naar mijn
oordeel resulteert deze ongelijkheid niet in discriminatie.
Discriminatie duidt immers op een onderscheid waarvoor geen
rechtvaardiging bestaat. Een dergelijke rechtvaardiging is hier met het
internationale recht en in bredere zin de Nederlandse koloniale
geschiedenis echter ruim voorhanden. Ik wil mij overigens juist sterk
maken om de samenwerking tussen de Landen binnen het Statuut te
verdiepen, met respect voor ieders autonomie.
Vragen van het lid Kamminga, R. (VVD)
Vraag:
Er gebeurt veel op de wederopbouw Sint Maarten, maar de wederopbouw gaat
heel traag, zoals het vliegveld, de gevangenis en de afvalberg. Welke
mogelijkheden zijn er om de wederopbouw te versnellen en hoe ziet de
staatssecretaris dit?
Vraag:
Over welke punten van de trage wederopbouw op Sint-Maarten heeft de
staatssecretaris de meeste zorg? Welke oplossingen ziet de
staatssecretaris voor de trage wederopbouw van Sint-Maarten?
Antwoord op de bovenstaande twee vragen:
Ik kan u melden dat de wederopbouw van Sint Maarten volop in uitvoering
en op koers is. Volgens de Wereldbank is de uitbetaling van de
trustfonds portefeuille in Sint Maarten 22% sneller dan vergelijkbare
programma's voor kleine eiland staten in de Caribische regio.
Ieder project in het trustfonds Wederopbouw Sint Maarten (trustfonds),
dat door de Wereldbank gemanaged wordt, vergt een gedegen voorbereiding
om uiteindelijk succesvol te zijn. In de eerste jaren van het trustfonds
is hieraan veel tijd besteed. Ondertussen zijn veel projecten in
uitvoering gegaan en diverse (deel) resultaten opgeleverd. Steeds meer
resultaten worden zichtbaar (Kamerstukken 2021-22, 34 773, nr. 26). Ik
begrijp dat het voor de mensen die geraakt zijn altijd sneller kan Ʃn
moet. Gevoelsmatig begrijp ik dat ook. Daarom helpt waar mogelijk
Nederland met het oplossen van knelpunten die vertragend werken.
De belangrijkste knelpunten bij de uitvoering van de
wederopbouwprojecten zijn vanwege de kleinschaligheid van Sint Maarten
onvoldoende capaciteit en kennis, en ook de hoge wereldwijde inflatie-
en productieketencrisis.
Waar mogelijk ondersteunt Nederland daarom de overheid van Sint Maarten
met extra capaciteit en specifieke expertise. Een voorbeeld is de inzet
van de Royal Schiphol Group bij het herstel van de vliegveldterminal die
na een gedegen voorbereiding in oktober 2021 is gestart. Tevens is aan
Sint Maarten technische assistentie gegeven waardoor voortgang geboekt
kan worden op een duurzaam afvalbeleid. Op dit moment vinden op het
dossier van de afvalberg nog meer vorderingen plaats. Zo is in september
gestart met de herhuisvesting van de mensen die op of naast de afvalberg
wonen.
Tenslotte ga ik in op de gevolgen van de wereldwijde inflatie- en
productieketencrisis. Zoals ik in mijn brief aan uw Kamer van 10 juni
2022 heb aangegeven, werd in de eerste helft van 2022 duidelijk dat het
ziekenhuisproject, door de wereldwijde problemen in de productieketen,
te maken heeft met hogere kosten. Ook andere projecten kunnen hiervan
hinder ondervinden en met hoge kosten worden geconfronteerd. In principe
is het aan het trustfonds om deze risico's te mitigeren. Wel zal
hierover gesproken worden tijdens de aankomende stuurgroep-vergadering
van het trustfonds. Ik zal u hierover te zijner tijd informeren.
Tijdens de noodhulp-, early recovery-, en wederopbouwfase zijn
herstelwerkzaamheden uitgevoerd aan de gevangenis op Sint Maarten. Voor
het overige vallen de verbeteringen aan het gevangeniswezen niet onder
de activiteiten van het trustfonds. Voor de recente stand van zaken over
de rol van Nederland en het gevangeniswezen in Sint Maarten heb ik u op
18 oktober jl. geĆÆnformeerd.
Vraag:
Het valt de VVD wel op dat veel middelen en afspraken vooral zien op
subsidies en aanvullende uitkeringen en nauwelijks op het vergroten van
de economische weerbaarheid. Hier ligt nu de sleutel om toekomstige
schokken op te kunnen vangen, meer banen te creƫren en daarmee ook de
armoede echt structureel te gaan bestrijden. Kan de staatssecretaris
aangeven welke initiatieven op dit punt worden ondernomen?
Antwoord:
Het belangrijkste economisch fundament voor economische stabilisatie en
herstel tijdens de Coronacrisis is gelegd met de liquiditeitssteun.
Hierdoor is voorkomen dat de economieƫn van de landen geheel instortten
en konden buitenlandse kredietverstrekkers vertrouwen houden in de
Landen. Door de liquiditeitshulp werden bedrijven en burgers gesteund en
zijn veel faillissementen voorkomen en konden werknemers in dienst
blijven. Hierdoor konden de bedrijven beter profiteren van het herleefd
toerisme. Dit leidde tot sterk conjunctureel herstel.
Om het economisch groei-vermogen te versterken wordt sinds eind 2020 met
de Landen samengewerkt aan de implementatie van de zogenoemde
ālandspakkettenā. Deze landspakketten bestaan uit hervormingen op
belangrijke themaās als financieel beheer, belastingen, economie, zorg,
onderwijs en versterking van de rechtstaat. Dat zijn belangrijke
randvoorwaarden voor een duurzame economische ontwikkeling. De
landspakketten zijn er daarmee ook op gericht de financieel economische
weerbaarheid van de landen te vergroten, zodat zij beter in staat zullen
zijn een volgende crisis op te vangen.
De Tweede Kamer wordt elk kwartaal met de uitvoeringsagenda geĆÆnformeerd
over de voortgang van de implementatie van de landspakketten in het
afgelopen kwartaal en over de uitvoeringsagenda voor het komende
kwartaal.
Ook in kader van het totaalpakket uit 2020 heeft Nederland Aruba in 2021
en 2022 rentelastverlichting gegeven door in totaal voor ruim een half
miljard Arubaanse florins (ofwel bijna 260 miljoen euro) aan aflopende
buitenlandse kredieten goedkoop te herfinancieren. Ook is er 20 miljoen
euro beschikbaar gesteld voor de stimulering van de scheepsbouw op
CuraƧao.
Tot slot werk ik momenteel samen met mijn collegaās van EZK hard aan het
openstellen van garantieregelingen van de Rijksdienst voor Ondernemend
Nederland (RVO), het Nationaal Groeifonds en regelingen voor duurzame
energieproductie (SDE++) voor aanvragen uit het hele Koninkrijk. Het is
van belang om daar ook nieuwe vormen voor de landen voor economische
groei mee te nemen.
Voor Caribisch Nederland geldt dat zij als integraal onderdeel van
Nederland rechtstreeks profiteren van diverse investeringen vanuit de
Rijksoverheid in de sociaaleconomische structuur. Ook heeft dit kabinet
een extra impuls gegeven aan de vrije uitkering van het BES-fonds, zodat
openbare lichamen ook beschikken over extra middelen voor bijvoorbeeld
investeringen in de infrastructuur. Hierbij wordt direct en indirect
vanuit het kabinet bijgedragen aan de economische ontwikkeling van de
eilanden. Daarbij geldt voor Bonaire dat de economie over de afgelopen
jaren fors is gegroeid en het meer van belang is om meer inwoners van
Bonaire te laten profiteren van die groei. Daarom heeft dit kabinet bij
het Regeerakkoord ook middelen ter beschikking gesteld voor
arbeidsbemiddeling, om- en bijscholing en om de aansluiting van
onderwijs op de arbeidsmarkt te verbeteren (2 miljoen euro
structureel).
Vraag:
VVD zegt al langer dat er meer ingezet zou moeten worden op landbouw,
mooi voorbeeld op Saba maar schaal waarop dit plaatsvindt is nog te
klein. Welke mogelijkheden ziet de staatssecretaris om dit soort
initiatieven op de schalen? En wat is er gedaan met het rapport van de
universiteit Wageningen? Hierbij verwijs ik ook naar een motie van mijn
voorganger Aukje de Vries. Hoe is daar opvolging aangegeven? En op welke
wijze hebben de middelen die zijn vrijgemaakt voor landsbouw ook
daadwerkelijk gerendeerd? (Motie-Aukje de Vries 35420-356 en gewijzigde
motie-Aukje de Vries c.s. over een extra impuls aan de landbouw op de
BES 35420-341).
Antwoord:
De minister van LNV heeft de afgelopen jaren fors ingezet op een
verbetering van de lokale voedselproductie. Zo is er op Bonaire
veterinaire dienst opgezet en het slachthuis wordt gerenoveerd, is er op
Saba een groentekas bij een school geplaatst, en wordt er op Sint
Eustatius gewerkt aan de professionalisering van de geitenhouderij. Het
maakt ook onderdeel uit van het Natuur en Milieubeleidsplan Caribisch
Nederland 2020-2030 dat aan uw Kamer in april 2020 is aangeboden. In
2021 is uw Kamer ook geĆÆnformeerd over het rapport van Wageningen waarin
aangegeven is dat de adviezen van het rapport aansluiten bij
de uitvoering door de openbare lichamen van de eilanden als ook de inzet
om landbouw, visserij en natuurbeheer onderdeel te laten zijn van een
integrale voedselsysteem benadering. Praktisch gezien is er op het
terrein van regelgeving, uitvoering en organisatie, concrete land en
tuinbouwproductie, professionalisering van geitenhouderij,
watervoorziening, voedselveiligheid onderwijs en kennisontwikkeling
voortgang geboekt. De mogelijkheden om onderdelen op te schalen is sterk
afhankelijk van de lokale en regionale situatie. Knelpunt hierbij is de
kleinschaligheid, maar daar waar mogelijk vindt opschaling plaats. In
het kader van de uitvoering van het Natuur en Milieubeleidsplan
Caribisch Nederland 2020-2030 zijn middelen gereserveerd voor het
opzetten van een fonds voor landbouw en visserij waarvan ondernemers
gebruik kunnen maken voor investeringen in hun bedrijf, bijvoorbeeld op
het terrein van watervoorziening. Dit fonds is op dit moment in
ontwikkeling door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland in
samenwerking met de openbare lichamen Bonaire, Saba en Sint
Eustatius.
Vraag:
De staatssecretaris wil werk maken van basisvoorzieningen zoals de
notaris, de pinautomaat en het internet. Maar we zien vooral taskforces,
werkgroepen en extra overlegstructuren. De problemen zijn niet nieuw,
wat de VVD betreft tijd voor actie. Deelt de staatssecretaris dit?
Antwoord:
Op 14 september jl. is de Taskforce knelpunten Caribisch Nederland
gelanceerd. Dit is gebeurd in een startbijeenkomst die ik hield met
bestuurders en vertegenwoordigers van het openbaar lichaam Saba en
Sint-Eustatius. Deze gezamenlijke Taskforce zal zich richten op een
aantal lang bestaande knelpunten die verdere economische ontwikkeling in
de weg staan, zoals onder andere de bancaire dienstverlening, notariƫle
dienstverlening en het ontbreken van het BSN-systeem op Caribisch
Nederland. Deze knelpunten zijn niet nieuw en de eerlijkheid gebiedt te
zeggen dat als er makkelijke oplossingen voorhanden waren, die al zouden
zijn gerealiseerd. Dat neemt niet weg dat het kabinet vastberaden is om
samen met de openbare lichamen tot concrete oplossingen te komen. De
eerste stap is om nu met de eilanden de problemen goed te analyseren en
op basis daarvan voor elk van de deelonderwerpen met een plan van aanpak
te komen. De Taskforce rapporteert over voorgestelde maatregelen,
ingezette acties en geboekte resultaten. Waar nodig zal er bestuurlijk
overleg plaatsvinden tussen het kabinet en de openbare lichamen om tot
besluitvorming te komen en daadwerkelijk tot oplossingen te komen.
Vraag:
Na elk akkoord over liquiditeitssteun komen toch weer nieuwe
onderhandelingen over de voorwaarden, zo ook bij de
geschillenregelingen. Hoe staat het daarmee?
Antwoord:
Nadat het voorstel van rijkswet Koninkrijksgeschillen is ingetrokken in
de zomer van vorig jaar, is het initiatief tot het ontwerpen van een
nieuw voorstel door het IPKO bij de Caribische landen neergelegd. Het
was de bedoeling dat dit ontwerp tijdens het meest recente IPKO in
september in Nederland zou worden gepresenteerd. Naar ik heb begrepen is
dit doorgeschoven naar het eerstvolgende IPKO in 2023. Ik heb mij steeds
bereid verklaard om hierover mee te denken, juist omdat ik het enorm
belangrijk vind dat er na zoveel jaren eindelijk een geschillenregeling
tot stand komt waarin alle landen zich kunnen vinden. Hopelijk vormt het
ontwerp waarmee de landen komen een goede stap in deze richting.
Vraag:
Het kabinet heeft niet voor niets ingezet op een wetsverankering van het
toezicht op de hervormingsprojecten. Landen komen hierover met een
voorstel, maar het geduld van de VVD begint op te raken. Wanneer is voor
de staatssecretaris het punt bereikt dat haar geduld op raakt?
Antwoord:
Naar aanleiding van de verslagen van uw Kamer en de Staten van de landen
heb ik eind juni jl. met de ministers-presidenten gesproken. Vanwege de
kritische verslagen, heb ik met hen afgesproken dat zij met een gedeeld,
alternatief voorstel voor deze Rijkswet zouden komen. Dit voorstel
ontving ik op 1 september jl. Op mijn verduidelijkende vragen hierover
ontving ik vervolgens op 4 oktober jl. de antwoorden. Ik wil hier eerst
langer met de ministers-presidenten over spreken voordat ik er
inhoudelijk in uw Kamer op in kan gaan. Mijn voornemen is om dit eind
november te doen.
Voor mij staat voorop dat de hervormingen uitgevoerd worden zodat de
economieƫn van de landen sterker en weerbaarder worden en de inwoners
van de landen verbeteringen ervaren in hun welzijn en welvaart. Ik vind
het belangrijk dat we daartoe afspraken met elkaar vastleggen over de
samenwerking en het toezicht waarbij alle betrokkenen zich comfortabel
voelen.
Ik ben voornemens eind november tijdens een bestuurlijk
vierlandenoverleg met de ministers-presidenten te spreken over hoe we de
komende jaren beter met elkaar op verschillende onderwerpen, waaronder
de noodzakelijke hervormingen, kunnen samenwerken. Ik realiseer mij dat
dit op korte termijn geen duidelijkheid geeft. Ik vind het echter van
groot belang dat we hier met elkaar uit komen, op een gelijkwaardige en
respectvolle manier. Dat kost tijd en ik wil daarvoor het nodige geduld
opbrengen.
Dat gesprek mag uiteraard niet ten koste gaan van de voortgang bij de
uitvoering van de hervormingen, waar nu juist goede stappen worden
gezet. Hieraan wordt ondertussen dan ook in samenwerking tussen de
Tijdelijke Werkorganisatie binnen mijn ministerie en de landen
doorgewerkt middels de werkwijze die wij de afgelopen twee jaar met
elkaar hebben opgebouwd. Ik zal uw Kamer op de hoogte blijven houden
over de vorderingen.
Vraag:
Toetsing van de plannen en stevig toezicht op de uitvoering is
randvoorwaardelijk, om te borgen dat de investeringen daadwerkelijk ten
goede komen aan de bewoners daar. In het verleden is gebleken dat dit
niet vanzelfsprekend is. Hoe is het toezicht in de tussentijd geborgd op
al de (hervormings)projecten. Zijn er lacunes? En hoe worden die
opgevangen? Ik neem aan dat het kabinet niet voor niets heeft ingezet op
een wettelijke verankering.
Antwoord:
De landen zijn - vooruitlopend op de wettelijke verankering van de
hervormingsprojecten ā twee jaar geleden reeds gestart met de uitvoering
van de hervormingen zoals opgenomen in de Landspakketten. Bij de
uitvoering hiervan wordt reeds langs de lijnen van de consensusrijkswet
COHO gewerkt, waarbij in plaats van het COHO wordt gewerkt met
ondersteuning en onder toezicht van een Tijdelijke Werkorganisatie (TWO)
binnen het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
De TWO rapporteert elk kwartaal aan de Rijksministerraad over de
voortgang van de hervormingen. Wanneer de TWO constateert dat er
onvoldoende voortgang wordt geboekt op het doorvoeren van de
hervormingen, gaan zij hierover met het betreffende land in gesprek en
kan de TWO ondersteuning bieden. Tevens is deze rapportage de afgelopen
twee jaar mede als grondslag gebruikt voor het al dan niet toekennen van
aanvullende liquiditeitssteun.
Naast het houden van toezicht ben ik ervan overtuigd dat hervormingen
pas echt kans van slagen hebben als de landen achter de hervormingen
staan en eigenaarschap nemen. De afgelopen twee jaar heb ik gezien dat
de landen al de nodige stappen hebben gezet om de hervormingen uit het
Landspakket te realiseren, zoals de oprichting van een
mededingingsautoriteit in Aruba, de hervormingen met betrekking tot het
grondbeleid in CuraƧao en het verbeteren van financiƫle processen in
Sint Maarten.
We blijven in gesprek met de landen om afspraken vast te leggen over
ondersteuning en toezicht. Tot die tijd zullen we blijven doorwerken op
de huidige wijze.
Vraag:
In de begrotingen zijn termijnen van de aflossingen gezet en de bedragen
ingeboekt. Hoe realistisch is dat?
Antwoord:
In dit verband is het goed onderscheid te maken tussen de
liquiditeitsleningen in het kader van de Covid-pandemie en de overige
leningen. Voor de overige leningen zijn langjarige afspraken gemaakt
over rente en aflossing die al sinds het aangaan van de leningen worden
nagekomen. Voor de liquiditeitsleningen gelden op dit moment kortlopende
afspraken. Zoals ik de Kamer in april van dit jaar heb laten weten, zijn
de eerste acht tranches liquiditeitssteun in april 2022 kortlopend
geherfinancierd met een looptijd tot oktober 2023. Daarbij heb ik
toegelicht dat de financieel-economische draagkracht van de landen op
dat moment nog onvoldoende bepaalbaar was om langjarige afspraken te
maken over looptijd, rente en aflossing. Door een wijziging in de
begrotingsmethodiek per 2023 worden ontvangsten op leningen ook in de
begroting opgenomen (voorheen werden alleen de rente-ontvangsten
geraamd). Omdat er nog geen vervolgafspraken vastliggen over de in 2023
aflopende kortlopend geherfinancierde liquiditeitsleningen, zijn
volledige aflossingen van die leningen als inkomsten geraamd in 2023. De
gesprekken met de landen over die leningen zullen tijdig worden gestart.
Daaruit zal volgen welke aflossingsverplichtingen er voor de landen in
2023 en verder zullen zijn. Wij streven ernaar tot realistische
afspraken te komen, die rekening houden met de financieel-economische
draagkracht van de landen.
Vraag:
De financiƫn van de landen moeten echt op orde komen. Zo heeft de VVD
nog vragen over de opvolging van Aruba van de aanbevelingen van het
CAft. Hoe ziet de staatssecretaris die weg vooruit? Komt er bijvoorbeeld
nog een aanwijzing en zo niet, wat gaat de staatssecretaris dan
doen?
Antwoord:
Het CAft heeft de RMR medio juli geadviseerd om Aruba een aanwijzing te
geven om de begroting voor 2022 op orde te brengen. De RMR spreekt
vrijdag over de begroting 2022 van Aruba. Ik zal uw Kamer hierover zo
spoedig mogelijk na de RMR informeren.
Vanaf 2023 moeten de landen weer voldoen aan de begrotingsnormen uit de
Rft voor CuraƧao en Sint Maarten en de combinatie LAft/Protocol voor
Aruba. Hierover heb ik u reeds per brief geĆÆnformeerd. Dat betekent voor
CuraƧao en Sint Maarten begrotingsevenwicht. Aruba dient jaarlijks een
financieringsoverschot van 1% BBP te presenteren omdat de schuldquote
van Aruba al jaren veel te hoog is. Momenteel is de staatschuld 90%
terwijl het Bruto Binnenlands Product (ofwel de stand van de economie)
nu hoger is dan voor de Covid-19 pandemie.
Om te voldoen aan die begrotingsnorm kan Aruba zijn begroting op orde
brengen door de adviezen van het CAft op te volgen, ofwel gericht
structureel verlagen van de uitgaven en verhogen van de
belasting-compliance en niet teveel te leunen op additionele
inkomstenverhogingen.
Daarnaast wordt middels de hervormingen van het landspakket ingezet op versterking van het economisch verdienvermogen van de landen (en dus op extra overheidsinkomsten). Om het begrotingsbeleid te versterken wordt in dat landspakket ook ingezet op versterking van het financieel beheer. Dit helpt de landen om meer dan nu āin controlā te komen.
Vraag:
Is ƩƩn miljoen euro voor de bestuurlijke aanpak van ondermijning
voldoende om de problemen op te lossen? Want naast preventie moeten ook
actieve vervolging en vergrote opsporingscapaciteit leiden tot het
minder aantrekkelijk maken van het Caribisch gedeelte van het
Koninkrijk.
Antwoord:
De aanpak van ondermijning van criminaliteit is een autonome
aangelegenheid en dus aan de landen zelf. Nederland ondersteunt de
landen hierbij.
De beschikbare ƩƩn miljoen voor de bestuurlijke aanpak is slechts een
onderdeel van de bijdrage die Nederland levert aan de aanpak van
ondermijning in de landen. Dit is bedoeld ter ondersteuning van de
ontwikkeling van bestuurlijke instrumentaria voor de aanpak van
ondermijning. Daarnaast levert Nederland een structurele bijdrage voor
het Recherche Samenwerkingsteam (RST), het Openbaar Ministerie en het
Gemeenschappelijk Hof die oplopen tot ongeveer jaarlijks 50 miljoen euro
in 2025. De landen vergroten hiermee hun opsporings- en
vervolgingscapaciteit.
Vraag:
Is de staatssecretaris het ermee eens dat de situatie omtrent de grenzen
zorgwekkend is, en kan zij aangeven op welke termijn de grenzen met
Venezuela weer geopend worden? Kan de opening van de grens met Venezuela
extra uitdagingen met zich meebrengen?
Antwoord:
Ik deel het belang van gedegen grenstoezicht om te voorkomen dat er een
zorgwekkende situatie aan de grenzen ontstaat. De heropening van de
grens met Venezuela leidt tot meer verplaatsingen via zee en lucht. Ook
kan een toename van vreemdelingen en invoer van contrabande niet worden
uitgesloten. Daarom ondersteunt mijn departement de komende jaren de
versterking van grenstoezicht met de uitzending van 71 VTE medewerkers
van de Koninklijke Marechaussee, 16 VTE van de Douane en de investering
van 16 miljoen euro in lokale diensten.
Het ministerie van Buitenlandse Zaken heeft namens het Koninkrijk bij
Venezuela verzocht om een technisch grensoverleg met als doel een
gefaseerde heropening van de grens. Om die reden kan er dus op dit
moment ook nog niet worden aangegeven wanneer de grens open zal
gaan.
Vraag:
Er is nog steeds sprake van drugscriminaliteit en mensenhandel. Daarom
is het goed dat kabinet inzet op extra ondersteuning door Marechaussee
en Douane. Maar vraag is hier of de 16 extra douanebeambten voldoende
slagkracht kunnen bieden? Hoe kijkt de staatssecretaris daarnaar?
Antwoord:
Onder het protocol versterking grenstoezicht stuurt de Nederlandse
douane 16 VTE naar de drie Caribische landen. Zij zijn nadrukkelijk geen
extra handen aan de grens, maar zijn daar om de lokale diensten te
versterken door middel van opleidingen en twinning. Deze inzet is op
basis van de plannen van aanpak voor de versterking van grenstoezicht,
die de landen zelf hebben opgesteld. Hiermee ondersteunen wij de lokale
diensten bij de duurzame versterking van het toezicht op de grenzen.
Vraag:
De VVD heeft grote zorg over de toenemende invloed van China op de
eilanden. Ziet de staatssecretaris dit ook en wat doet het kabinet om te
voorkomen dat er een te grote afhankelijk ontstaat van China?
Antwoord:
Waakzaamheid is altijd geboden als het gaat om een grote mate van
beĆÆnvloeding door andere staten. Het ministerie van Buitenlandse Zaken
heeft een adviserende rol richting de autonome Landen van het Koninkrijk
en kan eventuele risicoās signaleren en benoemen. Aruba, CuraƧao en Sint
Maarten kunnen bijvoorbeeld, conform artikel 29 van het Statuut, niet
zonder instemming van de Rijksministerraad leningen aangaan met partijen
buiten het Koninkrijk, dus ook niet met China. De Rijksministerraad
verleent geen instemming als dit in strijd is met de belangen van het
Koninkrijk. Dit is een waarborg om te voorkomen dat andere landen via
leningen invloed kunnen krijgen binnen het Koninkrijk of op het
buitenlands beleid.
Vragen van het lid Wuite, J. (D66)
Vraag:
Kan de staatssecretaris ons informeren wanneer het groeifonds en
financiering versneld met meer urgentie open wordt gesteld zodat er meer
werk van klimaatadaptie kan worden gemaakt?
Antwoord:
Het Nationaal Groeifonds staat al open voor Caribisch Nederland. De
departementen of bedrijven/kennisinstellingen kunnen in de derde ronde
aanvragen indienen. Indien de eilanden uit Caribisch Nederland hier geen
gebruik van maken zal het kabinet bezien welke mogelijkheden er liggen
in de vierde ronde. Over de toepassing van het Groeifonds, SDE++
regeling en de garantieregelingen van het RVO voor de CAS landen wordt u
later dit jaar geĆÆnformeerd, inclusief een passende nieuwe ondergrens
voor Caribisch Nederland.
Vraag:
Kan de staatssecretaris toezeggen om bijvoorbeeld een burgerraad te
organiseren met de Caribische studenten en diaspora hier in Nederland
(in context Koninkrijksconferentie) om de vlucht naar voren te
nemen?
Antwoord:
Sinds het begin van mijn aantreden als staatssecretaris van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties heb ik een aantal bijeenkomsten
georganiseerd bij mij op het ministerie met leden van de Caribische
diaspora, waaronder studenten, young professionals en Caribische experts
op verschillende onderwerpen. Wij hebben daar gesproken over diverse en
belangrijke maatschappelijke themaās. Ik vind het belangrijk om in
gesprek te blijven met de mensen waar ons werk om draait, en de
persoonlijke ervaringen en verhalen te horen. Deze bijeenkomsten zal ik
blijven organiseren, en ik blijf de banden met de diaspora te
versterken. Ik ben dan ook voornemens volgend jaar ƩƩn of meer college
tour bijeenkomsten te organiseren, waarbij ik in gesprek ga met een
grotere groep Caribische studenten.
Vraag:
Wat gaat de staatsecretaris concreet doen om meer prioriteit te geven
aan onderwijs en cultuur?
Antwoord:
Het kabinet investeert in onderwijs en cultuur en onderschrijft het
belang van die onderwerpen. Vanwege het principe van comply-or-explain
geldt expliciet dat voor alle investeringen in het onderwijs ook wordt
gekeken naar de investeringen voor de scholen op Caribisch Nederland. Zo
lopen de scholen in Caribisch Nederland mee in de subsidieregeling
rondom het masterplan basisvaardigheden. Er wordt maatwerk toegepast bij
de inzet rondom het programma school en omgeving. Ook voor nieuwe inzet
wordt expliciet gekeken naar de uitwering op de scholen op Caribisch
Nederland, zoals bijvoorbeeld rondom de aanstaande inzet voor
schoolmaaltijden vanaf januari 2023 door het ministerie van Onderwijs,
Cultuur en Wetenschap (OCW). Tevens is het ministerie van OCW momenteel
in gesprek met de scholen en de openbare lichamen over de totstandkoming
van de Derde Onderwijsagenda Caribisch Nederland.
Om de concrete afspraken wat betreft cultuur vast te leggen heeft de
staatssecretaris voor Cultuur en Media op 27 september een
cultuurconvenant afgesloten met de bestuurders van de openbare lichamen.
Op basis van dit convenant wordt de komende tijd gewerkt aan een agenda
per eiland. Dit gaat gebeuren door samenwerking op het gebied van
cultuureducatie, -participatie, investeringen in bibliotheken en door de
toegankelijkheid van cultuurfondsen te verbeteren. Speciale aandacht is
er voor het gedeelde cultureel erfgoed en het slavernijverleden.
Daarnaast wordt gewerkt aan meer culturele samenwerking in het
Koninkrijk via het vierlandenoverleg en de werkgroepen die onderwerpen
voorbereiden en door inzet van de zes rijkscultuurfondsen voor alle zes
eilanden. Een pilot over het verbeteren van hun zichtbaarheid en
toegankelijkheid zal eind dit jaar worden afgerond en in januari volgen
conclusies en aanbevelingen daarover. Hierover onderhoudt het ministerie
van OCW nauw contact met de fondsen.
Vraag:
Wanneer wordt de Kamer door BZK geĆÆnformeerd over het opheffen van de
registratieverplichting voor de volgende Europese parlementsverkiezingen
en wanneer worden geĆÆnformeerd over het opheffen en minimaliseren van
het democratisch deficit?
Antwoord:
Het opheffen van het democratisch deficit en de toegankelijkheid van
verkiezingen voor het Europees Parlement in de Caribische landen zijn
twee onderwerpen uit het coalitieakkoord. Het democratisch deficit is
een onderwerp dat primair onder mijn politieke verantwoordelijkheid
valt, het onderwerp Europese parlementsverkiezingen wordt primair
getrokken door de minister van BZK, vanwege haar verantwoordelijkheid
voor het kiesrecht. Beide onderwerpen hebben voor ons prioriteit. Deze
week spreek ik met de minister-presidenten van de landen over de
planning van een bestuurlijk overleg, vermoedelijk eind november, over
onder andere het democratisch deficit. Over de uitkomsten dit
bestuurlijk overleg zal ik de Kamer zo spoedig mogelijk schriftelijk
informeren nadat dit heeft plaatsgevonden.
Zoals al aan uw Kamer is gemeld, is de minister van BZK voornemens om
over de toegankelijkheid in de Caribische landen van de Europese
Parlementsverkiezingen een hoofdlijnennotitie aan uw Kamer te sturen.
Tijdens het bestuurlijk overleg wil ik ook het eerste gevoelen van de
landen peilen over dit onderwerp. In de hoofdlijnennotitie zullen
verschillende mogelijkheden en hun voor-en nadelen worden uitgewerkt.
Ook het afschaffen van de registratieplicht en het standpunt van de
landen zullen in de hoofdlijnennotitie worden meegenomen. Er wordt
gestreefd om de hoofdlijnennotitie eind van dit jaar of het eerste
kwartaal van 2023 aan uw Kamer te zenden.
Vraag:
Wanneer wordt de Kamer geĆÆnformeerd door BZK over het opheffen en
minimaliseren van het democratisch deficit? Verschillende wetenschappers
hebben al veel werk verricht door verschillende modellen tegen het licht
te houden. We hoeven niet vanaf punt 0 te beginnen. Voor meer autonomie
en meer representatie in ons parlement lijkt het Deense of
Nieuw-Zeelandse model het beste te passen. Zijn minimaal 3 tot 5 zetels
in de Staten-Generaal en een Koninkrijkssecretariaat oplossingen voor
een betere representatie en kennisdeling?
Antwoord:
Het vraagstuk van democratische vertegenwoordiging in het Koninkrijk is
een belangrijk thema. Dat blijkt uit het feit dat het wordt benoemd in
het coalitieakkoord en ook het recent verschenen boek āOngemakā van de
wetenschappers Oostindie en Veenendaal gaat er uitgebreid op in. Er zijn
verschillende oplossingsrichtingen voor dit vraagstuk denkbaar. De
toekenning van kwaliteitszetels, zoals gebeurt in Denemarken en
Nieuw-Zeeland, is daar ƩƩn van. Net zoals wellicht de instelling van een
Koninkrijkssecretariaat. Of het ook de meest ideale
oplossingen zijn voor een betere representatie van de landen in het
Koninkrijk, kan ik op dit moment niet zeggen. Zoals mevrouw Wuite in
haar bijdrage zelf ook aangaf, zullen we daarover eerst op een
ordentelijke manier een debat moeten starten. En dat begint wat mij
betreft met een gesprek met de Caribische landen zelf. Daar zet ik nu op
in en daar wil ik voor het einde van dit jaar werk van maken. Zodra dat
gesprek is gestart, zal ik uw Kamer hierover informeren en kan ik met u
in debat over de merites van de verschillende oplossingsrichtingen.
Vraag:
Wat doen de staatssecretaris en haar collegaās van Buitenlandse Zaken en
voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking structureel om de
Landen te betrekken bij handelsmissies zodat buitenlandse handel ook
beter wordt ingebed in de lopende hervormingsagenda?
Antwoord:
In de brief van 14 oktober jl. heb ik u geĆÆnformeerd dat handelsmissies
en het economisch beleid een autonome bevoegdheid zijn van de Caribische
Landen. De Landen bezoeken zelf regelmatig ā al dan niet op
ministersniveau - landen in de regio en daarbuiten om contacten aan te
boren en kansen te benutten die er zijn op het gebied van handel en
economische samenwerking. Zij worden hierin bijgestaan en begeleid door
de ambassades. Voorts is het instrumentarium van Nederland voor
handelsbevordering in 2018 opengesteld voor alle ondernemers in het hele
Koninkrijk, hetgeen de mogelijkheid tot deelname van Caribische
ondernemers aan internationale handelsmissies betekent. Daar waar
relevant maken bewindspersonen en/of het bedrijfsleven van de Caribische
Landen ook deel uit van de officiƫle delegatie namens het Koninkrijk,
zoals recent bij de missie naar Californiƫ en Texas met Koningin MƔxima
naar de Verenigde Staten. De voorbereiding en begeleiding hiervan vindt
plaats onder verantwoordelijkheid van de Minister voor Buitenlandse
Handel en Ontwikkelingssamenwerking.
Vraag:
Is een associate lid van de CARICOM goed om bijvoorbeeld functionele
economische samenwerking in de regio, en dus met de landen, verder te
bevorderen?
Antwoord:
Aruba, CuraƧao en Sint Maarten kunnen als afzonderlijke landen binnen
het Koninkrijk geen volwaardig lidmaatschap van de Caricom verkrijgen.
Het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden kent de bevoegdheid tot
het sluiten van verdragen en volwaardige lidmaatschappen van
internationale organisaties uitsluitend toe aan het Koninkrijk.
Het is conform de toetredingsregels van Caricom voor de landen wel
mogelijk een geassocieerd lidmaatschap aan te gaan. Dit biedt een goed
alternatief om aangesloten te blijven bij de doelstelling van Caricom en
hiermee de functionele economische samenwerking te bevorderen. Het is
aan de landen zelf om dit te besluiten.
Vraag:
Kent de staatssecretaris de recent gepubliceerde rapporten over de
groeiende invloed van China in LA en Caribisch gebied en kan zij
toezeggen hierover in gesprek te gaan met haar collegaās en de Kamer te
informeren over de uitkomst omdat het gaat over Koninkrijk
aangelegenheden?
Antwoord:
De rapporten zijn mij bekend gelet op de raakvlakken met het Caribische
deel van het Koninkrijk. Het ministerie van Buitenlandse Zaken neemt de
bevindingen uit deze rapporten, net als andere ontwikkelingen, mee in
het algemene Chinabeleid. De Tweede Kamer wordt hierover geĆÆnformeerd in
de beleidsagenda bij de begroting van het ministerie van Buitenlandse
Zaken.
Vraag:
Wat vindt de staatssecretaris van de oproep van de Caribische KVKās om
de grens met Venezuela te heropenen en zijn financiƫle import- en
exportregels tussen de Caribische landen en Caribisch Nederland
opgeheven zodat voedselprijzen niet meer doorstijgen?
Antwoord:
Het signaal van de Kamers van Koophandel maakt duidelijk dat bij de
overwegingen over een eventuele heropening van de grens met Venezuela
ook het economische perspectief moet worden bezien. Het openen van de
grens met buurland Venezuela zal een gunstig effect hebben op de handel
in de regio en daarmee het aanbod op de markt en mogelijk de
voedselprijzen kunnen hebben, maar moet in breder perspectief met ook
veiligheid, politiek en migratie worden bezien. In het komende
technische overleg met Venezuela over o.a. een douaneverdrag zal het
ministerie van Buitenlandse Zaken vanzelfsprekend ook het economische
perspectief meewegen.
Vraag:
De inzet moet voor D66 zijn om conform artikel 1 van onze Grondwet te
stoppen met discriminatie en ongelijkheid, de zorgplicht serieus te
nemen en de drie eilanden volwaardig onderdeel te laten zijn van
Nederland. Kan de staatsecretaris toezeggen ook een wetgevingsagenda aan
te leveren met een toelichting op de rol die zie hierbij zal
spelen?
Antwoord:
In 2019 is een principebesluit genomen over de invoering van
comply-or-explain: het normatieve uitgangspunt dat nieuwe Europees
Nederlandse beleidsdoelenbeleidsintensiveringen, waaronder ook
bijbehorende nieuwe wetgeving, ook toepasselijk dienen te zijn in
Caribisch Nederland, tenzij er uitlegbare redenen zijn om dat niet te
doen. Er wordt dus bij alle wetgeving nagegaan of deze wetgeving ook
toepasbaar moet zijn voor Caribisch Nederland. Niet alleen worden
daartoe de Aanwijzingen voor de regelgeving en het Draaiboek voor de
regelgeving aangepast, tevens wordt geĆÆnvesteerd in het opnemen van dit
principe in de werkwijze rondom het opstellen van wetgeving. Dit houdt
hiermee in dat ook bij sociale wetgeving Caribisch Nederland wordt
gekeken of en op welke wijze Caribisch Nederland onderdeel moet zijn van
deze nieuwe wetgeving.
Binnen de kaders van comply or explain wordt daarnaast gewerkt aan een
overzicht van prioritaire wetgeving. Deze wet- en regelgeving vloeit
voort uit beleidsvoornemens en betreft niet alleen voorstellen die
specifiek CN betreffen maar ook voorstellen die mede of gedeeltelijk op
CN betrekking hebben. In dit overzicht van CN-wetgeving wordt ook de
wetgeving opgenomen die noodzakelijk is voor de uitvoering van verdragen
in CN. Dit overzicht zal eind van het jaar aan de Tweede Kamer worden
gezonden. Ik zal daarbij aangeven hoe ik mijn coƶrdinerende rol daarbij
zal invullen en wat de vervolgstappen zijn in de aanpak om de wetgeving
te actualiseren.
Het uitgangspunt van comply or explain heeft inmiddels geresulteerd in onder andere compensatiepakketten die ook voor CN beschikbaar zijn gesteld (bv. eenmalige energietoelage en pakket koopkrachtmaatregelen) en in extra middelen voor klimaatmitigatie.
Vragen van het lid Bouchallikh, Kauthar
(GroenLinks)
Vraag:
Er worden ook nog mensenrechten geschonden door Nederland. Al in 2016
tikte het College voor de Rechten van de Mens de Nederlandse regering op
de vingers. Eerder is aandacht hiervoor gevraagd tijdens een debat in
het voorjaar. De staatssecretaris zei toen gelukkig dat ze ermee bezig
was. Hoe staat het er nu voor?
Antwoord:
Het College van de Rechten voor de Mens wees het kabinet op zijn
verplichting tot spoedige invoering van mensenrechtenverdragen voor
Caribisch Nederland. De implementatie van de mensenrechtenverdragen is,
afhankelijk van het onderwerp van het verdrag, een gezamenlijke
verantwoordelijkheid van de ministers van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties; Justitie en Veiligheid; Sociale Zaken en
Werkgelegenheid; en Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
Vanuit mijn coƶrdinerende rol voor Caribisch Nederland, ben ik met mijn
collegaās van de betreffende departementen in gesprek over een passende
vorm van implementatie. Aan het eind van dit jaar, wordt in het kader
van ācomply or explainā een overzicht van prioritaire wetgeving aan uw
Kamer gezonden. In dit overzicht van CN-wetgeving wordt ook de wetgeving
opgenomen die noodzakelijk is voor de uitvoering van verdragen in CN.
Dit vraagt namelijk om maatwerk per eiland. Een goed voorbeeld hiervan
is de implementatie van het Verdrag van Istanbul, onder
verantwoordelijkheid van de staatssecretaris van VWS.
Vraag:
Alle inwoners van het Koninkrijk hebben recht op bescherming middels
internationale verdragen. We moeten ervoor zorgen dat de verdragen ook
voor Caribisch Nederland gelden en dat er voldoende middelen zijn om aan
de verplichtingen uit die verdragen te voldoen. Hoe ziet de
staatssecretaris dat?
Antwoord:
Ik ben met mevrouw Bouchallikh van mening dat alle inwoners van het
Koninkrijk gelijkelijk recht hebben op bescherming middels
internationale verdragen. Dat geldt met name voor Caribisch Nederland,
dat onderdeel is van de rechtsorde van het land Nederland. Een stap
richting deze gelijke bescherming is dat de Rijksministerraad in 2019 ā
naar aanleiding van een advies van de Adviesraad voor Internationale
Vraagstukken ā heeft besloten dat differentiatie in de gelding van
toekomstige mensenrechtenverdragen tussen beide delen van Nederland niet
langer is toegestaan. Wat reeds bestaande mensenrechtenverdragen
betreft, wordt eraan gewerkt zulke differentiatie, waar nog aanwezig, op
te heffen. Dit gebeurt momenteel bijvoorbeeld met het Verdrag van
Istanbul inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en
huiselijk geweld. De verantwoordelijkheid voor de implementatie van deze
verdragen ligt primair bij de vakdepartementen. In het geval van het
Verdrag van Istanbul is dat het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn
en Sport. Voor het ministerie van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties is in dit verband een coƶrdinerende rol weggelegd.
Deze rol wordt onder andere ingevuld aan de hand van deelname aan de
mensenrechtenverdragencommissie, waarin de vier landen van het
Koninkrijk samenwerken om de uitvoering van mensenrechtenverdragen in de
Caribische delen hiervan, dus inclusief Caribisch Nederland, te
bevorderen.
Vraag:
Voor de andere landen in het Koninkrijk geldt dat er voldoende inspraak
moet zijn in het proces. De RvS wijst hier nadrukkelijk op in haar
ongevraagd advies van vorig jaar. Kan de staatssecretaris aangeven wat
ze ondertussen met deze adviezen heeft gedaan?
Antwoord:
Op 19 september jl. heeft de Minister van Buitenlandse Zaken, mede
namens mij, een nader rapport op het ongevraagde advies van de Afdeling
advisering van de Raad van State van het Koninkrijk aan de Tweede Kamer
aangeboden. In dit nader rapport wordt ingegaan op de verschillende
aanbevelingen die door de Afdeling zijn gedaan om de verdragspraktijk in
het Koninkrijk te verbeteren. In de Rijksministerraad is besloten deze
aanbevelingen zoveel mogelijk op te volgen. Zo worden de Aanwijzingen
voor de regelgeving en het Draaiboek voor de regelgeving aangepast,
teneinde bij de verschillende vakdepartementen meer bewustzijn te
creƫren voor het zo vroeg mogelijk betrekken van de Caribische landen
bij het onderhandelen en goedkeuren van verdragen. Ook is bijvoorbeeld
afgesproken dat in het proces van verdragsonderhandeling en āgoedkeuring
voortaan meer acht wordt geslagen op de relatie met de waarborgfunctie
van het Koninkrijk. Voor een volledig overzicht van alle aanpassingen
aan de verdragspraktijk als gevolg van het ongevraagd advies verwijs ik
naar het bovengenoemde nader rapport.
Vraag:
De gelijke behandelingswetgeving is in de BES nog steeds niet ingevoerd
en wordt dus niet gelijkwaardig uitgevoerd. Wat is de reden dat dit zo
lang moet duren en wat is het tijdspad van de staatssecretaris hierin?
De nationaal coƶrdinator tegen racisme en discriminatie heeft afgelopen
september in het kader van gelijke behandeling opgeroepen tot een
meldpunt Caribisch Nederland. Wat is er met deze oproep gedaan?
Antwoord:
De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voert
momenteel een verkenning uit naar de toepassing van de algemene gelijke
behandelingswetgeving in Caribisch Nederland. Hierin wordt onderzocht
hoe de hier aan verbonden regels en instituties goed kunnen aansluiten
op de Caribische context. In het kader van deze verkenning reist de
komende maand een delegatie van het ministerie van BZK naar de eilanden.
De resultaten van deze verkenning worden aan het einde van 2022
opgeleverd en hierop volgend wordt het benodigde wetstraject vanaf begin
2023 gestart. De aanbevelingen van de Nationaal Coƶrdinator tegen
Discriminatie en Racisme, onder andere over het instellen van
anti-discriminatievoorzieningen worden vanzelfsprekend meegenomen in de
verkenning en het vervolgtraject.
Vraag:
De leden hebben overzicht van verdragen en de status daarvan. Wat gaat
de staatssecretaris doen om ervoor te zorgen dat elk ministerie ook de
verantwoordelijkheid voor de implementatie van de verdragen oppakt? Kan
de staatssecretaris een tijdspad geven waarin zij dit voor zich
ziet?
Antwoord:
Ik heb de Tweede Kamer een lijst gestuurd met mensenrechtenverdragen,
die in ƩƩn of meer Caribische delen van het Koninkrijk nog op
uitvoeringswetgeving en bekrachtiging wachten. De totstandkoming van
zulke uitvoeringswetgeving is in beginsel een verantwoordelijkheid van
elk van de vier landen in het Koninkrijk afzonderlijk. De Haagse
ministeries kunnen derhalve geen verantwoordelijkheid oppakken voor de
implementatie van verdragen in Aruba, CuraƧao en Sint Maarten. Deze
verantwoordelijkheid van de Haagse ministeries is er wel voor Caribisch
Nederland. De komende tijd wil ik mij inzetten voor het vergroten van
het bewustzijn hiervan bij deze ministeries. Hiervan kan weer
geprofiteerd worden door de Caribische landen, die kunnen aanhaken bij
implementatieplannen die voor Caribisch Nederland worden opgesteld. Dit
is een van de aanbevelingen van de Adviesraad voor Internationale
Vraagstukken, die in 2019 door de Rijksministerraad is
overgenomen.
Een algemeen tijdspad waarbinnen de ministeries toewerken naar de
implementatie in Caribisch Nederland van verdragen die daar nog niet
gelden, valt niet te geven. Dit is casus-specifiek. In de
mensenrechtenverdragencommissie wordt wel periodiek stilgestaan bij de
voortgang die op dit gebied door de vier landen, dus ook door Nederland,
wordt geboekt.
Binnen de kaders van ācomply or explainā wordt daarnaast gewerkt aan een
overzicht van prioritaire wetgeving. Deze wet- en regelgeving vloeit
voort uit beleidsvoornemens en betreft niet alleen voorstellen die
specifiek Caribisch Nederland betreffen maar ook voorstellen die mede of
gedeeltelijk op Caribisch Nederland betrekking hebben. In dit overzicht
van CN-wetgeving wordt ook de wetgeving opgenomen die noodzakelijk is
voor de uitvoering van verdragen in Caribisch Nederland.
Vraag:
Wat ons betreft worden de verplichtingen uit internationale
klimaatverdragen omgezet in een concreet actieprogramma voor de aanpak
van de klimaatcrisis in het gehele koninkrijk. Wat kan de
staatssecretaris daarin betekenen?
Antwoord:
De internationale klimaatverdragen zijn niet van toepassing op het
Caribisch deel van het Koninkrijk. Dat komt doordat het Caribisch deel
van het Koninkrijk geen medegelding heeft van de Overeenkomst van
Parijs. Daarom vloeien er ook geen verplichtingen voort uit deze
klimaatverdragen voor de Landen noch de openbare lichamen. De regeringen
van de landen Aruba, CuraƧao en Sint Maarten bepalen zelf hun standpunt
over medegelding van het VN Klimaatraamverdrag en de Overeenkomst van
Parijs. Ook het initiatief voor een eventuele toepassing op Bonaire,
Saba en Sint Eustatius ligt bij de openbare lichamen zelf. Voor
medegelding is van belang dat de eilanden hun uitvoeringsregelgeving op
orde hebben. Het is vervolgens ook aan deze landen om te bepalen hoe ze
met de uit de Overeenkomst van Parijs voortvloeiende verplichtingen
omgaan. Van belang is, tot slot, om helder te krijgen wat de
consequenties zijn van medegelding onder meer qua uitvoeringslast, en
wat hiervan de meerwaarde is voor de eilanden. Ik ga op korte termijn
met de betrokken departementen om tafel om te bespreken hoe we Caribisch
Nederland kunnen ondersteunen om de effecten van klimaatverandering te
mitigeren. Wat de Landen betreft is klimaat een autonome aangelegenheid
waar ze zelf verantwoordelijk voor zijn. Dat neemt niet weg dat wij
kunnen kijken hoe we de Landen kunnen ondersteuning op hun verzoek.
Vraag:
Net als in Nederland ziet men op de eilanden de gevolgen van de
vergrijzing. Door een aangenomen motie is er nu een staatscommissie
ingesteld die zich gaat bezig houden met de impact van de vergrijzing en
demografische ontwikkelingen op verschillende beleidsterreinen. Het is
belangrijk dat ook CN en de Landen daarin worden meegenomen. Is dat ook
zo? Kan de staatssecretaris daar iets over zeggen? Want de vergrijzing
zal ook daar een enorme impact hebben en nog meer krijgen op de
woningmarkt, zorg, onderwijs en arbeidsmarkt. Gezien de schaalgrootte
zal het daar misschien nog wel veel meer impact hebben dan in
Nederland.
Antwoord:
Het kabinet heeft aan de āStaatscommissie Demografische Ontwikkelingen
2050ā (hierna: de Staatscommissie) gevraagd om advies uit te brengen
over scenarioās, mogelijke beleidsopties en handelingsperspectieven van
de regering, met betrekking tot de maatschappelijke gevolgen van de
demografische ontwikkelingen, in het bijzonder van vergrijzing en
migratie.
De minister van SZW heeft hierbij een coƶrdinerende verantwoordelijkheid. Deze zomer heeft de Staatscommissie haar taakopdracht ontvangen, ook is inmiddels het instellingsbesluit in de Staatscourant gepubliceerd. De Staatscommissie heeft een zelfstandige rol waar het gaat over de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de taakopdracht. Daar kan ik niet in treden. Tegelijkertijd zullen demografische ontwikkelingen ook een impact hebben op de Caribische delen van ons Koninkrijk. Ik kan de vraag van het lid Den Haan daarom goed plaatsen, maar gelet op de zelfstandige rol van de Staatscommissie is het aan hen ā wanneer dit de wens van de Kamer is ā om te bezien hoe Caribisch Nederland een plek kan worden gegeven in haar werk en advisering. Alsook welke consequenties dit heeft ten aanzien van het tijdsbeslag op dit aparte onderwerp.
Vraag:
Jongeren hebben weinig vooruitzicht op hun eigen eiland. En zeker als je
kijkt naar Saba en Sint Eustatius is het lastig om toekomst perspectief
op je eigen eiland te hebben en dat is wel wat men graag wil. Het aantal
probleemgezinnen neemt toe en er is onvoldoende tijd om bijvoorbeeld
echt structureel naar oplossingen te zoeken. En je moet dit soort zaken,
zoals armoede, gebrek aan perspectief, natuurlijk in een vroeg stadium
onderkennen en ook kunnen begeleiden. Hoe kijkt de staatssecretaris
hiernaar?
Antwoord:
Het kabinet zet in op het versterken van de arbeidsmarkt en heeft
daarbij een speciale aandacht voor de positie van jongeren. Met de
middelen uit het coalitieakkoord wordt structureel ⬠1 miljoen per jaar
ingezet op arbeidsbemiddeling, waarbij onder meer kan worden gedacht aan
de inzet van jongerenconsulenten. Ook zet het kabinet in op versterking
van samenwerking in het beroepsonderwijs en de aansluiting op de
arbeidsmarkt. Dit moet het perspectief voor jongeren vergroten. Hiervoor
is uit de middelen van het coalitieakkoord ⬠0,5 miljoen voor het jaar
2022 uitgetrokken en ⬠1 miljoen structureel voor 2023 en verder. Goed
onderwijs draagt bij aan een beter perspectief op de toekomst. Daarom
zet het kabinet in op het verbeteren van het basisonderwijs via de derde
onderwijsagenda Caribisch Nederland. Tevens zet kabinet in op
versterking beroepsonderwijs op de eilanden.
Vraag:
Het is fijn dat er stappen worden gemaakt voor wat betreft de
ouderenzorg in Caribisch Nederland. Maar is dat voldoende? Hoe wordt dit
ervaren door de ouderen zelf? Is er bekend dat er voorzieningen zijn
zoals dagopvang, huishoudelijke hulp en maaltijdvoorzieningen om maar
wat te noemen? Hoeveel mensen maken hier gebruik van? En nogmaals, hoe
is de bekendheid onder ouderen van dit soort voorzieningen?
Antwoord:
Het kabinet is van oordeel dat er op alle drie de eilanden van Caribisch
Nederland voldoende maatschappelijke ondersteuning voor zelfstandig
wonende ouderen beschikbaar is, zoals dagopvang, vervoer en maaltijden.
De voorzieningen zijn goed bekend bij de doelgroep en hun mantelzorgers.
Dat neemt niet weg dat het ministerie van VWS kijkt wat nog beter kan.
Om de bekendheid nog verder te vergroten is er op Bonaire een loket
geopend waar ouderen geholpen bij de toeleiding naar deze voorzieningen.
Zoals u in de brief van de staatssecretaris van VWS heeft kunnen lezen
is de verwachting dat op 1 januari 2024 het besluit over
maatschappelijke ondersteuning in werking treedt. Met het implementeren
van dit besluit verwachten we de behoeften van ouderen en mensen met een
beperking nog beter in beeld te krijgen. Wat betreft de verpleeghuiszorg
zijn er op Saba en Sint Eustatius geen wachtlijsten. Op Bonaire is er op
dit moment wel een wachtlijst. Het verpleeghuis werkt daarom aan een
uitbreiding van 10 plekken op korte termijn. Mede om voor te bereiden op
een toekomstig toenemende vraag wordt op Saba een nieuw verpleeghuis
gebouwd.
Vraag:
Duurzame overheidsfinanciƫn zijn belangrijk. Van CN heeft enkel Saba een
goedkeurende accountantsverklaring. Ik snap dat corona niet heeft
geholpen: - Wat doet de staatssecretaris om daarbij te ondersteunen? -
Wat is op dit moment de stand van zaken met betrekking tot het
herstel?
Antwoord:
Ik onderschrijf dat duurzaam houdbare overheidsfinanciƫn van cruciaal
belang zijn voor de openbare lichamen in het Caribische deel van het
Koninkrijk. Dit is ook onderdeel van de bestuurlijke akkoorden die dit
voorjaar zijn overeengekomen. Ik informeer uw Kamer naar aanleiding van
de motie van de leden Ćzütok (GroenLinks) en Diertens (D66) d.d. 20 juni
2019 jaarlijks over de ontwikkeling van het financieel beheer op de
eilanden. Alle drie de openbare lichamen werken actief met een
verbeterplan financieel beheer. Het kabinet heeft ter ondersteuning van
het financieel beheer van Bonaire en Sint Eustatius bijzondere
uitkeringen verstrekt. Het primaire doel van de verbeterplannen van
Bonaire en Sint Eustatius is om de administratieve organisatie, interne
controle en beheersing zo in te richten dat een goedkeurende
accountantsverklaring voor zowel getrouwheid als financiƫle
rechtmatigheid kan worden afgegeven. Uw kamer ontvangt voor het einde
van het jaar de volgende brief over de ontwikkeling van het financieel
beheer.
Vragen van het lid Berg, J.A.M.J. van den (CDA)
Vraag:
Na de coronacrisis heeft Nederland de eilanden met financiƫle steun
geholpen. Nederland heeft liquiditeitssteun verstrekt. Het CDA wil het
gedeeltelijk kwijtschelden van de schulden overwegen, mits er voldoende
stappen voor hervormingen gezet worden. Welke stappen voor hervormingen
zijn er gezet of gaan er gezet worden? Wat is daarvan de laatste stand
van zaken? Worden de hervormingen gerealiseerd en de
liquiditeitsleningen terugbetaald?
Antwoord:
De landen hebben tot op heden liquiditeitsleningen van in totaal circa ā¬
1 miljard ontvangen in de vorm van renteloze aflossingsvrije leningen.
Deze leningen zijn onlangs tegen dezelfde voorwaarden geherfinancierd
tot 10 oktober 2023.
De meest actuele informatie over de voortgang van de hervormingen is te
vinden in de derde uitvoeringsrapportage 2022, die aan de kamer is
aangeboden op 11 oktober jl.
In de landen wordt gewerkt aan meerjarige veranderstrategieƫn op de
diverse themaās uit de landspakketten. Tegelijkertijd worden op
verschillende themaās al concrete hervormingen doorgevoerd of staan deze
op het punt doorgevoerd te worden, zoals de voorbereidingen op de
oprichting van een mededingingsautoriteit (AFTA) in Aruba en de
hervormingen m.b.t. het grondbeleid in CuraƧao, waarbij onder meer 1
miljoen achterstallige facturen voor erfpacht zijn verstuurd. In Sint
Maarten ziet de concrete voortgang onder meer op de verbetering van
financiƫle processen, waardoor het financieel beheer wordt verbeterd,
als ook de ontwikkeling van een sociaal economische hervormingsagenda
vanaf 2023, gebaseerd op de doorlichtingen die nu plaatsvinden in Sint
Maarten.
Wel blijkt uit de meest recente rapportage dat de voortgang van meerdere
maatregelen achterblijft op de verwachting en/of (politieke) bijsturing
vereisen. Dit komt doordat over wordt gegaan van de onderzoeksfase naar
de implementatiefase, wat gepaard gaat met het nemen van ingrijpende en
ingewikkelde besluiten. Het nemen van deze besluiten kost meer tijd dan
voorzien. Daarnaast speelt beperkte capaciteit binnen
overheidsorganisaties een rol bij de vertraging. Daarom wordt de komende
periode ingezet op het inventariseren van de capaciteitsbehoefte en
wordt door de TWO ondersteuning geboden in de uitbreiding hiervan.
Vraag:
Wat vindt staatssecretaris van verzoek van Aruba, althans dat hoor ik
als ik met hen spreek, om hun leningen op de wereldmarkt die ze hebben
om te zetten naar leningen met Nederland?
Antwoord:
Nederland en Aruba hebben eind 2020 afspraken gemaakt over onder meer de
implementatie van het landspakket met hervormingen. Onderdeel van de
afspraken is dat NL de buitenlandse betalingsverplichtingen van Aruba
voor 2021 en 2022 herfinanciert. Nederland heeft in totaal ongeveer AWG
0,5 miljard geherfinancierd. Deze herfinanciering leverde Aruba een
rentevoordeel op van in totaal ongeveer AWG 80 mln. Op 10/10/23 lopen de
liquiditeitsleningen van Nederland aan Aruba af. Dat is ook het moment
voor Nederland om te bezien of - en zo ja - hoe het vraagstuk van de
gehele schuldpositie van Aruba moet worden bezien.
Vraag:
Recentelijk heeft de CDA-fractie schriftelijke vragen gesteld over
bankvoorzieningen op Saba. Kan de staatssecretaris ons over de Taskforce
de laatste stand van zaken geven?
Antwoord:
Op 14 september jl. is de Taskforce knelpunten Caribisch Nederland
gelanceerd. Dit is gebeurd in een startbijeenkomst die ik hield met
bestuurders en vertegenwoordigers van het openbaar lichaam Saba en
Sint-Eustatius. Deze gezamenlijke Taskforce zal zich richten op een
aantal lang bestaande knelpunten die verdere economische ontwikkeling in
de weg staan, zoals onder andere de bancaire dienstverlening, notariƫle
dienstverlening en het ontbreken van het BSN-systeem op Caribisch
Nederland. Deze knelpunten zijn niet nieuw en de eerlijkheid gebiedt te
zeggen dat als er makkelijke oplossingen voorhanden waren, die al zouden
zijn gerealiseerd. Dat neemt niet weg dat het kabinet vastberaden is om
samen met de openbare lichamen tot concrete oplossingen te komen. De
eerste stap is om nu met de eilanden de problemen goed te analyseren en
op basis daarvan voor elk van de deelonderwerpen met een plan van aanpak
te komen. De Taskforce rapporteert over voorgestelde maatregelen,
ingezette acties en geboekte resultaten. Waar nodig zal er bestuurlijk
overleg plaatsvinden tussen het kabinet en de openbare lichamen om tot
besluitvorming te komen en daadwerkelijk tot oplossingen te komen.
Vraag:
Meer zelfvoorzienendheid is belangrijk. Want de hoge kosten van
levensonderhoud en daarmee armoede worden onder andere veroorzaakt omdat
men groenten en fruit te veel moet importeren. Landbouw wordt onder
andere bemoeilijkt door geiten en ezels die op zoek zijn naar eten. Dit
moet toch oplosbaar zijn? Is de staatssecretaris bereid de Wageningen
University te vragen wat de stand van zaken is? Wat nu mogelijk is op
korte en op middellange termijn en ons dat voorjaar 2023
toesturen?
Antwoord:
Er vindt al samenwerking plaats met Wageningen Universiteit en er is
inzet van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. Het Rijk is nauw
betrokken bij lokale projecten en ondersteunt deze door inzet van
expertise en financiering.
Vraag:
Te vaak zien we dat bij nieuwe wetgeving niet wordt gecheckt wat het
betekent voor de BES-eilanden. Zoals het gebruik kunnen maken van het
groeifonds; wanneer is de wetgeving daarvoor gereed? En is er nu een
vaste procedure daarvoor binnen de ministerraad?
Antwoord:
Zie vraag van het lid Wuite over comply or explain.
Met betrekking tot de wet Nationaal Groeifonds is van toepassing op
Caribisch Nederland. De subsidieregeling Nationaal Groeifonds, waarmee
bedrijven en kennisinstellingen rechtstreeks aanvragen kunnen indienen
in de derde ronde staat ook open voor Caribisch Nederland. Het kabinet
zal bekijken of daar gebruik van wordt gemaakt door de eilanden en zal
zo nodig aanvullende actie ondernemen.
De minister van Economische Zaken en Klimaat heeft aangegeven u dit
najaar nader te informeren over de wijze waarop de openstelling van het
Nationaal Groeifonds voor het hele Koninkrijk vorm zou kunnen
krijgen.
Vraag :
Werkgelegenheid is essentieel om armoede tegen te gaan. De
staatssecretaris schrijft dat er voor 1 miljoen euro aan percelen zijn
gekocht van grote werkgever GTI. Kan de staatssecretaris iets vertellen
over de andere initiatieven om GTI Statia toekomstbestendig te maken? En
zijn de eilandsverordeningen strak genoeg om te vorkomen dat eventueel
grond wordt verkocht aan organisaties of mensen van wie we dat minder
wenselijk vinden?
Antwoord:
Zoals benoemd in de brief aan de Tweede Kamer van 14 oktober, heeft GTI
drie initiatieven voorgesteld om zichzelf toekomstbestendig te maken.
Het eerste voorstel, een lening van het OLE aan GTI, is door artikel 11
van de FinBES niet mogelijk. Over het tweede voorstel, het verlagen van
belastingen, kadegelden of havengelden, is het OLE nog met GTI in
gesprek. Voor het derde voorstel, het verkopen van grond, heeft mijn
ministerie 2 miljoen euro beschikbaar gesteld, zodat het OLE de aankoop
van twee percelen kan realiseren. Primaire doel daarvan is wat mij
betreft om belangrijke plannen van Sint Eustatius te realiseren,
bijvoorbeeld op het gebied van sociale woningbouw. Verder benoem ik
graag dat de verantwoordelijkheid van het toekomstbestendig maken van
GTI Statia ligt bij het moederbedrijf, Prostar Capital. Het is aan het
moederbedrijf om te investeren in GTI Statia.
Wanneer een investeerder grond wil kopen van GTI Statia zal diegene zich
aan de lokale wet- en regelgeving moeten houden. De exploitatie van de
grond dient in lijn te zijn met de bestemming die in het bestemmingsplan
aan deze grond toebedeeld. Investeerders horen daarnaast te beschikken
over de juiste vergunningen. Door deze regels te handhaven, zijn we
ervan verzekerd dat de juiste personen en bedrijven investeren in de
toekomst van Sint Eustatius. Wij blijven hierover met het OLE in gesprek
en houden de situatie nauwlettend in de gaten. Het OLE is voornemens om
de bestemming van de grond op natuur en (sociale) woningbouw te
zetten.
Vraag:
Wanneer komt de aanpassing van de krankzinnigenwet? Daar wacht men op
sinds 2021.
Antwoord:
De Staatssecretaris van VWS zal voor wat de Krankzinnigenwet betreft u
medio volgend jaar een brief sturen waarin hij aangeeft welke stappen er
moeten worden gezet om deze te moderniseren. Daarbij zal de vervanging
van de term ākrankzinnigeā in zowel de naam als de bepalingen van die
wet de nadrukkelijke aandacht hebben. Voorts zal hij daarbij ook bezien
of de binnenkort te verschijnen evaluatie van de Wvggz en Wzd nog
aanknopingspunten biedt voor de moderniseringsslag ten aanzien van die
wet.
Vragen van het lid Ceder, Don (CU)
Vraag:
Historie en verbinding: naast slavernij en zwarte bladzijden ervaren
inwoners van het Caribisch deel van het Koninkrijk weinig gedeelde
geschiedenis dat hen bindt met het Europese deel van het Koninkrijk. Wat
zijn de symbolische instituten en historische personen die ons in
Caribisch deel van het Koninkrijk en Europees Nederland verbinden? Daar
maak ik me zorgen over, deelt de staatssecretaris deze zorgen? Er lijkt
een gebrek aan gezamenlijke symbolen en instituten. Kunnen we deze met
elkaar vinden om de onderlinge verbondenheid in het koninkrijk te
versterken?
Antwoord:
Het is belangrijk om na te denken over hoe ons gedeeld verleden het
Caribisch deel van het Koninkrijk met Europees Nederland verbindt. Ik
denk hierbij terug aan de indrukwekkende verhalen die de minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en ik hebben gehoord tijdens
onze reis naar Sint Maarten, Sint Eustatius en CuraƧao afgelopen
september. Het is belangrijk om deze verbinding binnen het Koninkrijk te
zoeken en te versterken. Dit doen wij als kabinet tezamen, waarbij ook
de bewindspersonen van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap een wezenlijke
rol hebben.
De vorige week aangekondigde subsidieregelingen voor initiatieven
tijdens het Herdenkingsjaar Slavernijverleden, vormen hierbij een
belangrijke sleutel. Deze twee regelingen, uitgevoerd door het Mondriaan
Fonds en het Fonds Cultuurparticipatie, zijn beschikbaar voor zowel
instituties als musea en gemeenschappen in het hele Koninkrijk. Zo is er
vertaalbudget beschikbaar om aanvragen in het Papiamentu of Papiamento
in te kunnen dienen.
Daarnaast werken de Rijkscultuurfondsen momenteel aan een verbeterde
toegang tot hun regelingen op - en vóór - het Caribisch gebied.
Maar ook de ontwikkeling van het nationaal slavernijmuseum, waar de
gemeente Amsterdam en de staatssecretaris voor Cultuur en Media bij
betrokken zijn, vormt een belangrijke pijler in het vergroten van de
kennis over en aandacht voor ons slavernijverleden.
In de kabinetsreactie op het rapport van de dialooggroep
Slavernijverleden gaat het kabinet verder in op de wijze waarop het
kabinet om wil gaan met ons gedeelde verleden en vorm willen geven aan
een gezamenlijke toekomst, en de rol die historische figuren als
verzetsheld Tula en gezamenlijke instituties hierin hebben.
Vraag:
Comply or explain en sociaal beleid: De samenwerking staat ook onder
druk met de BES. Het is de CU daarbij een doorn in het oog dat bij veel
wet- en regelgeving, maar ook bij beleidsinzet, de BES vaak lijkt te
worden vergeten. Comply or explain mag steviger worden ingezet. Juist
bij wetgeving op sociaal gebied. Hoe kan de staatssecretaris haar rol in
het kabinet op dit punt nog steviger invullen?
Antwoord:
Zie vraag van het lid Wuite over comply or explain.
|
|
|---|---|
|
Vragen van het lid Raan, Lammert van (PvdD)
Vraag:
De eilanden Bonaire, Sint Eustatius en Saba zijn volwaardig en
gelijkwaardig onderdeel van het Nederlandse Koninkrijk. Waarom worden de
eilanden dan vanuit het Nederlandse deel van het Koninkrijk dan niet zo
behandeld?
Antwoord:
De eilanden zijn een gelijkwaardig onderdeel van Nederland. Ten opzichte
van de verbeterstappen die sinds de staatkundige transitie onder
voorgaande kabinetten al zijn gezet, gaat dit kabinet aanzienlijk
verder, zoals blijkt uit het coalitieakkoord en de daaropvolgende
uitwerking in de hoofdlijnenbrief. Het is dus nadrukkelijk de bedoeling
om de achterstand ten opzichte van Europees Nederland als het gaat om
bestaanszekerheid, in te lopen.
De sociaaleconomische, legislatieve en administratieve omstandigheden in
Caribisch Nederland wijken aanzienlijk af van die van Europees
Nederland. De economieƫn van Bonaire, Saba en Sint Eustatius zijn
onderling ook divers, en effecten van overheidsbeleid kunnen
verschillende effecten hebben op de individuele eilanden. Bovenstaande
maatregelen voor Caribisch Nederland zijn belangrijk, maar volstaan nog
niet. Het kabinet zet zich deze kabinetsperiode in voor een verdere
verbetering van de bestaanszekerheid van inwoners van Caribisch
Nederland door aanzienlijk te versnellen ten opzichte van voorgaande
jaren.
Op het terrein van het sociaal minimum streeft het kabinet naar een
gelijkwaardig niveau van bestaanszekerheid. Dat betekent dat het sociaal
minimum aan zowel Caribisch als Europees Nederland toereikend moet zijn
om in de kosten van levensonderhoud te kunnen voorzien.
Omdat de kosten van levensonderhoud aan beide kanten van de oceaan
verschillen, varieert weliswaar de hoogte van het sociaal minimum tussen
Caribisch en Europees Nederland. Daarbij geldt dat voor Caribisch
Nederland er nog geen sociaal minimum is en middels het ijkpunt een
groeitraject is vastgesteld om tot een sociaal minimum te komen.
Wat betreft drinkwater, maken de verschillen de fysieke kenmerken van de eilanden dat de drinkwatervoorziening anders is ingericht dan hier. Schoon en veilig drinkwater is echter net zoals in Europees Nederland prioriteit en dit is vastgelegd in de Wet elektriciteit en drinkwater BES.
Vraag:
Kan de staatssecretaris aangeven of het klopt dat voor het bouwen van
woningen op Plantage Bolivia wel degelijk een binnenplansewijziging dan
wel een bestemmingsplanwijziging nodig is?
Antwoord:
In het vigerende ontwikkelingsplan van Bonaire heeft de Plantage Bolivia
de bestemming āopen landschapā. Binnen deze bestemming is woningbouw
niet of zeer beperkt toegestaan en worden de in het gebied aanwezige
natuurwaarden afdoende beschermd. Op dit moment is er een
ontwikkelingsplan voor het gebied in voorbereiding. Zodra daarvan een
(voor)ontwerp beschikbaar is, zal dit door het Rijk worden beoordeeld en
zal daarop worden gereageerd. Als de natuurwaarden op Bolivia in het
plan onvoldoende worden beschermd, biedt de Wet grondslagen ruimtelijke
ontwikkelingsplanning BES de mogelijkheid om een zienswijze op het
ontwikkelingsplan in te dienen. Het Openbaar Lichaam Bonaire kent bij
het opstellen van ontwikkelingsplannen een behoorlijke mate van
beleidsvrijheid en ook bevoegd is bestemmingswijzigingen door te
voeren.
Vraag:
Is het niet wonderlijk dat bureau Metafoor werkt aan die herziening van
het ontwikkelingsplan voor Plantage Bolivia terwijl dit bureau voor 100%
in handen is van diezelfde projectontwikkelaar die een onverantwoord
aantal huizen wil bouwen op Plantage Bolivia? Ziet de staatssecretaris
ook deze tegenstrijdigheid?
Antwoord:
Het staat de eigenaar van Bolivia vrij om een ontwikkelingsplan op te
stellen dat de bouw van woningen mogelijk maakt. Het is vervolgens de
verantwoordelijkheid van het Openbaar Lichaam Bonaire om te beoordelen
of ze dit plan in procedure willen brengen of niet. Het
(voorontwerp)ontwikkelingsplan zal ook door het Rijk worden beoordeeld.
Indien de nationale belangen in het plan niet goed worden meegenomen,
biedt de Wet grondslagen ruimtelijke ontwikkelingsplanning BES de
mogelijkheid tot het geven van een reactieve aanwijzing, indien het
ontwikkelingsplan al is vastgesteld.
Vraag:
Als onderdeel van het rijke Koninkrijk de Nederlanden, kunnen de
eilanden geen aanspraak maken op bepaalde type van financiering, omdat
landen zoals Nederland dit juist moet bekostigen. Is de staatssecretaris
het eens dat de eilanden ook Nederlands klimaatgeld toegekend moeten
krijgen en hoe gaat ze dit bij minister van EZK bespreken?
Antwoord:
In het Coalitieakkoord is opgenomen dat Europees-Nederlandse regelingen
open worden gesteld voor aanvragen uit het gehele Koninkrijk. Momenteel
wordt door het ministerie van Economische Zaken en Klimaat met mijn
departement gewerkt aan een zinvolle maatwerk-invulling van deze
regelingen in Caribisch Nederland en de Caribische autonome landen van
het Koninkrijk. De uitdaging bij dergelijke generieke instrumenten van
het Rijk is echter dat deze op activiteiten is gericht die veelal de
schaal van het Caribisch deel van het Koninkrijk te boven gaan, net
zoals zo'n maatregel veelal de schaal van een kleine Europees
Nederlandse gemeente te boven gaat. Omdat de specifieke situatie vraagt
om maatwerk, levert het kabinet ook maatwerk. Zo heeft het kabinet op 28
september 2022 bekend gemaakt de verduurzaming van de
elektriciteitsproductie in Caribisch Nederland te steunen met 33,6
miljoen Euro. Hiermee wordt binnen enkele jaren een aandeel duurzaam
behaald van gemiddeld 75 Ć 80%.
Vraag:
Het CaraĆÆbisch deel van het Koninkrijk wordt regelmatig over het hoofd
gezien bij andere ministeries en debatten, kan de staatssecretaris zich
hardmaken voor een vorm van een toets waarbij het CaraĆÆbisch deel van
Koninkrijk altijd wordt meegenomen bij beleidsvorming?
Antwoord:
Zie vraag van het lid Wuite over comply or explain.
Vragen van het lid Eppink, DJ. (JA21)
Vraag:
Het College Financieel Toezicht heeft advies gegeven aan RMR om Aruba
een aanwijzing te geven in verband met een gebrek aan ombuigingen en
hervormingen. Het lijkt erop dat dit advies niet vrijdag door de RMR zal
worden overgenomen. Derhalve vraag ik de staatssecretaris: waarom verzet
Aruba zich tegen belangrijke hervormingen?
Antwoord:
Ik wil niet vooruitlopen op de besluitvorming in de Rijksministerraad
van vrijdag. Zoals eerder aan uw Kamer is toegezegd zal ik de Kamer
informeren over de uitkomsten van deze besluitvorming en dan ook ingaan
op de overwegingen voor dat besluit.
Vragen van het lid Simons, S. (BIJ1)
Vraag:
De drie landen hebben aangegeven dat de huidige samenstelling van de
rijkswet COHO (Caribisch Orgaan voor Hervorming en Ontwikkeling) voor
hen niet werkt. Wat is de huidige stand van zaken omtrent het COHO? Zet
het kabinet dit ondanks alle kritiek voort of wordt er gezocht naar
andere mogelijkheden van ondersteuning en facilitering? Hoe wordt de
daadwerkelijke gelijkwaardigheid tussen de vier landen in dit Koninkrijk
gewaarborgd in het komende proces? Wordt kwijtschelding van de
terugbetalingsplicht overwogen in de vervolgstappen?
Antwoord:
Ook ik heb geconstateerd dat de verslagen van uw Kamer en van de Staten
van de landen bij de Rijkswet COHO kritisch zijn. Zoals ik op de vraag
van de VVD-fractie heb laten weten, heb ik daarom tijdens een
bestuurlijk vierlandenoverleg eind juni jl. met de ministers-presidenten
afgesproken dat zij met een gedeeld, alternatief voorstel voor deze
Rijkswet zouden komen. Dit voorstel ontving ik op 1 september jl. Op
mijn verduidelijkende vragen hierover ontving ik vervolgens op 4 oktober
jl. de antwoorden. Ik wil hier eerst langer met de ministers-presidenten
over spreken voordat ik er inhoudelijk in uw Kamer op in kan gaan. Daar
heb ik nog niet de kans voor gehad.
Ik herhaal dat voor mij voorop staat dat de hervormingen uitgevoerd
worden, zodat de economieƫn van de landen sterker en weerbaarder worden
en de inwoners van de landen verbeteringen ervaren in hun welzijn en
welvaart. Ik vind het belangrijk dat we daartoe afspraken met elkaar
vastleggen, waarbij alle betrokkenen zich comfortabel voelen. Er zijn
verschillende manieren om dat te bereiken en ik wil voor een construct
kiezen dat werkt voor alle vier de landen in het Koninkrijk.
In aanvulling hierop informeer ik u dat ik voornemens ben eind november
tijdens een bestuurlijk vierlandenoverleg met de ministers-presidenten
te spreken over hoe we de komende jaren beter met elkaar kunnen
samenwerken. Ik vind het van groot belang dat we hier met elkaar uit
komen, op een gelijkwaardige en respectvolle manier.
Vraag:
Op grond van Statuut voor het Koninkrijk der Nederland behoort de
Nederlandse overheid zorg te dragen voor het waarborgen menselijke
rechten en vrijheden. Daar falen we kennelijk in in Nederland (zie ter
Apel) en op CuraƧao hebben we veel te lang weggekeken. En tegelijkertijd
zijn we wel bereid meer te investeren in de KMar en het versterken van
de kustwacht. Hoe kan de staatssecretaris in samenwerking met de
Minister van Justitie van Veiligheid CuraƧao faciliteren om de
beschermingsprocedure te laten voldoen aan internationale standaarden?
Waar ziet de staatssecretaris hiervoor de rol voor het maatschappelijk
middenveld en mensenrechtenorganisaties in het bijzonder en op welke
manier kan Nederland bijdragen aan het belangrijke werk dat zij
doen?
Antwoord:
Voorop staat dat een goed functionerend migratiebeleid een autonome
aangelegenheid betreft. Dat houdt in dat Landen zelf verantwoordelijk
zijn voor de verwezenlijking van onder meer fundamentele mensenrechten.
Het waarborgen ervan geschiedt door het Koninkrijk. Het kabinet heeft
naar aanleiding van een bijstandsverzoek van CuraƧao met de
voorjaarsnota 2019 middelen vrijgemaakt om CuraƧao onder andere
(technische) ondersteuning te bieden en zo bij te dragen aan een
menswaardige behandeling van en omstandigheden voor vreemdelingen. Dit
heeft destijds geleid tot een gezamenlijk bestedingsplan gericht op
onder andere de verdere versterking van en optimalisering van de
vreemdelingenketen en ā processen. Vanuit deze middelen zijn onder
andere projecten geĆÆnitieerd gericht op het versterken van de
internationale beschermingsprocedure van het Europees Verdrag voor de
Rechten van de Mens (EVRM), waaronder de behandeling van een beroep op
artikel 3 EVRM. De ondersteuning en projecten vanuit Nederland zijn
onder andere vanuit het ministerie van Justitie en Veiligheid met de
Immigratie en Naturalisatie Dienst, de Dienst Terugkeer en Vertrek en de
Koninklijke Marechaussee uitgevoerd. Alle projecten worden dit jaar
afgerond.
Een voortzetting van de ondersteuning gericht op de
beschermingsprocedure van artikel. 3 EVRM is aan CuraƧao.
Vanzelfsprekend sta ik in regulier contact met CuraƧao hierover. Ook het
maatschappelijk middenveld draagt bij aan de openheid van samenlevingen
en versterking van democratie en rechtsstaat. Zoals ik in mijn
gesprekken met hen aangeef vervullen zij ook hier een belangrijke rol.
Het is in eerste instantie aan het land CuraƧao om het maatschappelijk
middenveld te betrekken. Ik moedig CuraƧao en de maatschappelijke
organisaties aan elkaar te vinden.