Begrotingsonderdelen van BiZa, EZK en J&V die zien op digitalisering (ongecorrigeerd stenogram)
Stenogram
Nummer: 2022D47549, datum: 2022-11-14, bijgewerkt: 2024-02-19 10:56, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Onderdeel van activiteiten:- 2022-11-14 10:00: Begrotingsonderdelen van BiZa, EZK en J&V die zien op digitalisering (Wetgevingsoverleg), vaste commissie voor Digitale Zaken
Preview document (🔗 origineel)
Tweede Kamer, Onderdelen van de begrotingen van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, van Economische Zaken en Klimaat en van Justitie en Veiligheid 2023 die zien op digitalisering
VERSLAG VAN EEN WETGEVINGSOVERLEG
Concept
De vaste commissie voor Digitale Zaken, de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken, de vaste commissie voor Economische Zaken en Klimaat en de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid hebben op 14 november 2022 overleg gevoerd met mevrouw Adriaansens, minister van Economische Zaken en Klimaat, mevrouw Van Huffelen, staatssecretaris Koninkrijksrelaties en Digitalisering, en mevrouw Yeşilgöz-Zegerius, minister van Justitie en Veiligheid, over:
het wetsvoorstel Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (VII) voor het jaar 2023 (36200-VII);
het wetsvoorstel Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (XIII) voor het jaar 2023 (36200-XIII);
het wetsvoorstel Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Justitie en Veiligheid (VI) voor het jaar 2023 (36200-VI);
de brief van de staatssecretaris Koninkrijksrelaties en Digitalisering d.d. 7 juli 2022 inzake beantwoording vragen commissie over de Jaarrapportage Grote ICT-projecten 2021 (Kamerstuk 26643-850) (26643, nr. 893);
de brief van de staatssecretaris Koninkrijksrelaties en Digitalisering d.d. 14 juli 2022 inzake beleidsdoorlichting artikel 6.6 Hoofdstuk VII Rijksbegroting (30985, nr. 58);
de brief van de staatssecretaris Koninkrijksrelaties en Digitalisering d.d. 7 oktober 2022 inzake beantwoording vragen commissie over het rapport "Algoritmes getoetst: De inzet van 9 algoritmes bij de rijksoverheid" (Kamerstuk 26643-854) (26643, nr. 923);
de brief van de staatssecretaris Koninkrijksrelaties en Digitalisering d.d. 7 oktober 2022 inzake publieke controle op algoritmen (26643, nr. 924);
de brief van de staatssecretaris Koninkrijksrelaties en Digitalisering d.d. 7 oktober 2022 inzake reactie op het onderzoek "Algoritmes afwegen: Verkenning naar maatregelen ter bescherming van mensenrechten bij profilering in de uitvoering" van het Rathenau Instituut (26643, nr. 922);
de brief van de staatssecretaris Koninkrijksrelaties en Digitalisering d.d. 8 november 2022 inzake rijksbrede beschouwing bij meerjarige, departementale informatieplannen (26643, nr. 932);
de brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 8 november 2022 inzake verslag houdende een lijst van vragen en antwoorden (36200-VII, nr. 58);
de brief van de staatssecretaris Koninkrijksrelaties en Digitalisering d.d. 4 november 2022 inzake Werkagenda Waardengedreven Digitaliseren (2022Z21101).
Van dit overleg brengen de commissies bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.
De voorzitter van de vaste commissie voor Digitale Zaken,
Kamminga
De voorzitter van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken,
Hagen
De voorzitter van de vaste commissie voor Economische Zaken en
Klimaat,
Agnes Mulder
De voorzitter van de vaste commissie voor Justitie en
Veiligheid,
Van Meenen
De griffier van de vaste commissie voor Digitale Zaken,
Boeve
Voorzitter: Kamminga
Griffier: Boeve
Aanwezig zijn twaalf leden der Kamer, te weten: Bontenbal, Bouchallikh, Ceder, Dekker-Abdulaziz, Van Ginneken, Kamminga, Kathmann, Koekkoek, Leijten, Rajkowski, Sylvana Simons en Van Weerdenburg,
en mevrouw Adriaansens, minister van Economische Zaken en Klimaat, mevrouw Van Huffelen, staatssecretaris Koninkrijksrelaties en Digitalisering, en mevrouw Yeşilgöz-Zegerius, minister van Justitie en Veiligheid.
Aanvang 10.01 uur.
De voorzitter:
Goedemorgen, allemaal. Welkom bij dit wetgevingsoverleg van de commissie
voor Digitale Zaken. Het is een bijzondere gelegenheid. Het is eigenlijk
voor het eerst dat we op deze wijze met elkaar zitten. In dit WGO
behandelen we namelijk de begrotingen die de BZK-begroting overstijgen,
dus overkoepelend. Ik denk dat dat goed nieuws is. Fijn dat er ook een
grote opkomst is.
We hanteren de reguliere sprekersvolgorde bij begrotingen. Normaal
gesproken zou mevrouw Van Weerdenburg als eerste spreken, maar zij heeft
laten weten dat ze enigszins verlaat is. Zij zal dan daarna het woord
krijgen. Een andere bijzonderheid is dat mevrouw Simons van BIJ1 heeft
gevraagd of zij als eerste mocht spreken, omdat dat ze nog een ander
debat heeft. Maar aangezien ze er nog niet is, vervalt dat nu even. We
kijken even hoe dat straks gaat als zij binnenkomt. Is er bezwaar om
haar wat eerder het woord te geven? Dat is niet het geval.
Ik wil beginnen met het welkom heten van de bewindspersonen. Het zijn er
drie: onze staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties, mevrouw Van Huffelen, minister Adriaansens van
Economische Zaken en Klimaat en minister Yeşilgöz van Justitie en
Veiligheid. Van de zijde van de Kamer hebben we ook een goede opkomst.
Dat laat maar weer zien dat we het belangrijk vinden en dat we in deze
commissie voor Digitale Zaken, die relatief nieuw is, mooie stappen
gezet hebben. Ik ga maar even de volgorde aanhouden zoals ze hier
zitten: mevrouw Rajkowski van de VVD, mevrouw Leijten van de SP, mevrouw
Van Ginneken en mevrouw Dekker-Abdulaziz van D66, mevrouw Bouchallikh
van GroenLinks, de heer Bontenbal van het CDA, de heer Ceder van de
ChristenUnie, mevrouw Koekkoek van Volt en mevrouw Kathmann van de PvdA.
We verwachten ook nog mevrouw Simons.
Dan nog een paar puntjes van orde. Bij de orde hoort uiteraard dat we
een beetje het oog houden op de tijd. Iedereen heeft spreektijden
aangegeven. We hebben die geïnventariseerd. Die brengen best een
uitdaging met zich mee, omdat we tot 16.00 uur hebben. We hebben ook
geen uitloop, omdat daarna weer een ander WGO gepland staat, waarvoor
ook gelegenheid moet zijn. Daarom wilde ik voorstellen om voor beide
termijnen zes vragen af te spreken. U kunt dan zelf kiezen of u dat in
drie interrupties van twee vragen doet of het bij zes separate vragen
houdt. Ik wil u verzoeken om waar mogelijk niet al te lange inleidingen
te houden, want dat gaat allemaal af van de tijd die we hebben om de
bewindspersonen te bevragen. Het streven is om de eerste termijn van de
Kamer voor de lunch af te ronden, zodat we de tijd die de
bewindspersonen nodig hebben om de beantwoording voor te bereiden,
kunnen combineren met de lunch. Ik stel dit voor in het kader van de
efficiency. Dat was het wat betreft de dagplanning.
Als ik in het rond kijk, zie ik dat noch mevrouw Van Weerdenburg noch
mevrouw Simons aanwezig is. Dan beginnen we met mevrouw Rajkowski van de
VVD.
Mevrouw Rajkowski (VVD):
Dank, voorzitter. We hebben het hier vaak met elkaar over.
Digitalisering zit natuurlijk in alle facetten van ons leven. We staan
op met digitale middelen en we gaan ermee naar bed. Dat geldt voor
mensen thuis, maar ook voor ondernemers. 90% van het mkb gebruikt
digitale middelen, zit in de cloud en gebruikt dagelijks het internet.
De kansen die digitalisering voor de samenleving biedt, zijn enorm. Als
we digitalisering en technologie goed inzetten, bijvoorbeeld op de
arbeidsmarkt of in de zorg, dan kunnen die ons juist de ruimte geven om
minder achter de computer te zitten en meer mens te zijn, dus om meer te
doen waar wij goed in zijn. Wij gaan mede op verzoek van de VVD verder
debatteren over de kansen voor AI. In het debat van vandaag wil ik
ingaan op de volgende onderwerpen: deepfake, digitale veiligheid,
digitale soevereiniteit en decentrale overheden en de
kabinetsplannen.
Ik begin met deepfake, voorzitter. Een op hiphopmuziek dansende Hugo de
Jonge of het kerstliedje van vorig jaar van Mark Rutte kan best grappig
zijn. Die zijn knap gemaakt, al zullen mensen toch denken dat Hugo
misschien niet echt goed kan dansen of dat Mark niet echt goed kan
zingen. Dit soort filmpjes wordt deepfake genoemd. De mogelijkheden van
deze technologie zijn oneindig en soms heel handig, in de game-industrie
of de filmindustrie. Je kunt een scène bijvoorbeeld achteraf bewerken
zonder dat er nog een acteur aan te pas hoeft te komen. Maar we zien dat
deze technologie ook steeds meer door kwaadwillenden wordt ingezet. 96%
van alle deepfakefilmpjes die op het internet circuleren, zijn
wraakpornofilmpjes in de porno-industrie, met vaak kwalijke en
persoonlijke gevolgen. Zo zagen we afgelopen week in Welmoed en de
sexfakes hoe impactvol zo'n filmpje kan zijn, waarbij het hoofd van een
vrouw, vaak een bekend persoon, op een lichaam wordt geplakt. Vrouwen
die dit overkomt, schamen zich. Uit onderzoek blijkt dat het zo echt is
dat de vrouwen die zichzelf in zo'n filmpje zien zich ook aangerand
voelen. Dat zeg ik even om aan te geven hoe heftig dit is.
Naast op individueel niveau kan het ook op nationaal niveau verkiezingen
beïnvloeden of op internationaal niveau een oorlog ontketenen of
verergeren. Dat zijn genoeg redenen om er wat aan te doen. De VVD is
over het algemeen een tech-optimistische partij, zoals u vast wel zult
herkennen. We zien vaak de voordelen van innovatie en nieuwe technieken.
Bij deepfakes zijn die er zeker ook, zoals ik net zei. Maar we kijken
toch anders tegen deze innovatie aan. We zien dat de nadelen impactvol
zijn voor personen, voor landen en ook geopolitiek. Onze samenleving
moet worden beschermd tegen deze excessen. Daarom neemt de VVD haar
verantwoordelijkheid en willen we dat deepfaketechnologie zo gericht
mogelijk wordt ingeperkt en deels wordt verboden. We hebben hiervoor een
motie achter de hand. Graag een reactie van het kabinet.
Dan digitale veiligheid, het tweede onderwerp. Ik wil me dan vooral
richten op de ondernemers.
De voorzitter:
Voordat u uw betoog vervolgt, heeft u een interruptie van mevrouw
Leijten, SP.
Mevrouw Leijten (SP):
Ik ben het zeer eens met de VVD dat we niet naïef moeten zijn over
buitenlandse spelers en spionage via de digitale snelweg. De VVD en de
SP trekken hierin ook vaak samen op; dat gebeurt juist vaak in het kader
van Justitie. We zien eigenlijk twee dingen. De moties worden niet
uitgevoerd en de koers wordt eigenlijk niet bijgesteld, ondanks dat de
VVD en de SP daar samen aan trekken met een meerderheid achter zich. We
zien ook dat de visie die nu ontwikkeld is, met eindelijk een
staatssecretaris voor digitale zaken, in hoge mate naïef is over
buitenlandse actoren. Wat vindt de VVD daar precies van? Is zij het eens
met de observaties van de SP dat bijsturen vanuit de Kamer eigenlijk
niet lukt en dat de nieuwe visie niet de urgentie heeft die wij wel
voelen?
De voorzitter:
Voordat u overgaat tot uw beantwoording: wij zijn net geïnformeerd dat
er een technische storing is waardoor dit debat thuis niet te volgen is.
Ons is gevraagd om een paar minuutjes te schorsen om dit op te lossen.
Mevrouw Rajkowski kan dus even nadenken over de vraag. Mijn excuus
daarvoor.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.
De voorzitter:
Wederom goedemorgen. Ik hoor dat de technische storing is verholpen. Dat
is goed nieuws. Dank voor de snelle actie van de staf.
Wij waren gebleven bij de interruptie van mevrouw Leijten aan mevrouw
Rajkowski. Ik geef het woord aan mevrouw Rajkowski voor de
beantwoording.
Mevrouw Rajkowski (VVD):
Ik herken wat mevrouw Leijten net zei. Het is natuurlijk lastig dat
moties niet altijd worden uitgevoerd of niet op de manier waarop jij wil
of niet zo snel als je wil. In geopolitieke context hebben we het
natuurlijk vaak over landen als China en over de Chinese overheid, maar
ook over andere landen die kwaad willen doen in Nederland. Er wordt al
jaren geroepen dat we niet meer zo naïef moeten zijn en actie moeten
ondernemen. Daar ben ik het helemaal mee eens. Soms denk ik dat we
allemaal op één lijn zitten, maar dan komt er toch altijd weer ergens
een konijn uit een hoge hoed terwijl we al met elkaar hadden
geconstateerd dat we niet meer naïef kunnen zijn. Dat onderschrijf ik
zeker. Ik zie wel stap voor stap een soort kanteling, al dan niet
langzaam, maar we zijn er zelf bij om daar nog een duwtje aan te geven.
Desalniettemin zijn er nog geen moties ingediend over deepfake. De VVD
heeft een jaar geleden al gevraagd — dat heb ik gedaan — om met iets te
komen, omdat de wetgeving nog niet op orde is en nog niet klaar is voor
het digitale tijdperk waarin we leven. Toen werd er gezegd: er komt een
onderzoek. We hebben dat onderzoek afgewacht. Dat lag er in januari al,
maar toen was er nog geen beleidsreactie. Vorige week is het
maatschappelijk debat weer opgelaaid door die documentaire, dus toen
dacht ik: dit is een mooi moment om te zeggen dat we er klaar mee zijn.
Ik was eigenlijk bezig met een initiatiefvoorstel, samen met mijn
collega Ellian, die er vanuit juridisch oogpunt naar kijkt, maar het is
zodanig ingewikkeld en het gaat over zo veel verschillende wetsboeken,
dat het toch goed is als hier meer experts naar kijken dan alleen de
Tweede Kamer, dus wij gaan ervoor.
De voorzitter:
Mevrouw Leijten heeft een vervolgvraag.
Mevrouw Leijten (SP):
Ik vind het heel goed dat mijn collega mijn interruptie gebruikt om haar
eigen punt kracht bij te zetten, maar ik had natuurlijk een andere
vraag. Die ging vooral over het kabinetsbeleid. Ik denk dat wij als
Kamer in meerderheid, misschien soms wel unaniem, los van een paar
kleine fracties, het risico zien van buitenstatelijke actoren, van
camera's die toezicht houden op ons en die uit India, China of Israël
komen. Over cloudbeleid hebben we het laatst ook nog gehad. Ik maak me
er zorgen over, en daarover ging mijn vraag aan de VVD, dat het kabinet
dat wel zegt — bijvoorbeeld bij Buitenlandse Zaken of soms bij Justitie;
bij Economische Zaken en Binnenlandse Zaken is het toch vooral een
beetje heppiedepeppiebeleid: we kunnen er geld aan verdienen en we
regelen en managen wat dingen — maar dat een visie daarachter ontbreekt.
Is de VVD het met mij eens dat de visie niet stevig genoeg is?
Mevrouw Rajkowski (VVD):
Daar ben ik het eigenlijk wel mee eens. Daar mag echt wel een tandje
bij. Ik kom straks nog op digitale soevereiniteit. Daarbij moeten we
echt veel meer kijken naar landen als China, Iran, et cetera, maar ook
naar de big tech, de socialmediaplatformen uit Amerika. We moeten er
echt voor zorgen dat Europa wat steviger in zijn schoenen staat en wat
minder afhankelijk wordt van landen buiten Europa, of dat nou gaat over
gas of techniek. Ik denk dat we elkaar daar zeker in kunnen vinden. Ik
denk dat mevrouw Leijten en ik daar de komende maanden of jaren nog wat
mooie dingen op kunnen bereiken.
De voorzitter:
Kijk eens aan, ik zie iets moois ontstaan. Vervolgt u uw betoog.
Mevrouw Rajkowski (VVD):
Dan ga ik naar digitale veiligheid voor ondernemers. Aankomende vrijdag
is het de Dag van de Ondernemer. Dat is elk jaar, maar juist dit jaar is
het extra goed om hierbij stil te staan en ons ook als politiek af te
vragen wat wij voor ondernemers kunnen doen, want het zijn onrustige
tijden. Ook ondernemers hebben last van inflatie en stijgende
energieprijzen. Juist wanneer ondernemers het lastig hebben, probeert
cybertuig met nepmailtjes en phishing misbruik te maken van deze
onzekere situatie waarin ondernemers zitten. Harteloze acties. De
overheid kan nog meer doen om te voorkomen dat ondernemers slachtoffer
worden, zoals informatiedeling en het helpen van ondernemers hierbij,
want de dreiging van cybercriminaliteit wordt alsmaar groter en
gevaarlijker. Een rapport van de Nederlandse politie meldde dat vorig
jaar het aantal cyberaanvallen met 64% is gestegen. Een succesvolle
cyberaanval kan een ondernemer voor 21 weken laten platliggen. Weinig
ondernemers kunnen dat lijden.
Vanuit dit gebouw hebben wij nog niet alles gedaan om dat te voorkomen.
Daarom komt de VVD met twee voorstellen. Het eerste voorstel gaat over
certificering. Mkb'ers en met name het kleine mkb hebben vaak niet de
kennis, kunde of capaciteit in huis om hun informatiebeveiliging
zelfstandig op orde te krijgen. Ze krijgen om die reden ook vaak hulp
van externe IT-leveranciers die kunnen helpen bij hun
cybersecuritybeleid, maar de huidige wildgroei aan IT-leveranciers en
keurmerken kan het heel lastig maken om goed te kunnen inschatten of
iemand nou goed werk levert of dat je te maken hebt met een beunhaas. We
moeten ondernemers helpen om het kaf van het koren te scheiden. Daarom
wil de VVD dat er een cyberkeurmerk komt voor IT-leveranciers voor het
mkb, in samenwerking met het Digital Trust Center. 100% veiligheid
bestaat niet, dus dat willen we ook niet garanderen, maar we kunnen er
wel alles aan doen om ondernemers waar mogelijk zo veel mogelijk te
ondersteunen en te stimuleren om digitale deuren op slot te houden. Hoe
kijkt de minister naar het instellen van een keurmerk? Is zij bereid om
met brancheorganisaties in gesprek te gaan?
Voorzitter. Dan het tweede punt inzake veiligheid voor ondernemers. Een
van de beste manieren om echt weerbaar te worden is door te oefenen,
oefenen en nog eens oefenen. Bedrijven schreeuwen daar al jaren om. De
afgelopen jaren heeft de overheid op verschillende momenten
grootschalige cyberoefeningen georganiseerd. Dat waren alleen vooral
deelnemers uit de vitale sector, dus infra, telecom et cetera, terwijl
die grootschalige cyberoefeningen ook van grote waarde kunnen zijn voor
niet-vitale bedrijven. Die werken natuurlijk ook samen: het kabeltje
maakt geen onderscheid tussen of je vitaal bent of niet vitaal. De
grootschalige oefeningen kunnen er ook voor zorgen dat we onze nationale
veiligheid verhogen. Daarom wil de VVD dat er met het DTC en met
brancheorganisaties een structurele cyberoefenagenda wordt ontwikkeld
specifiek gericht op niet-vitale bedrijven, om de cyberweerbaarheid te
vergroten en Nederland digitaal veiliger te maken. Het mkb zou op deze
manier kunnen oefenen met eventuele cyberaanvallen en op deze manier
mogelijk schade van duizenden euro's kunnen voorkomen. Kan de minister
hierop reageren?
Voorzitter. Ik wil het ook nog met u hebben over vitale infrastructuur,
want nog steeds zit er Chinese technologie op vitale plekken in onze
samenleving en onze economie. We lopen daardoor het risico op spionage,
sabotage en zelfs volledige uitval. Na de Huawei-rel van een aantal
jaren geleden heeft het kabinet gelukkig een eerste stap gezet door
vijandelijke technologie te weren uit de kerninfrastructuur van bepaalde
sectoren. Op dit moment geldt er een ministeriële regeling voor de
telecomsector waarin staat dat zij hun infrastructuur op orde moeten
houden en veilig moeten houden. Hiermee houden we ongewensten buiten de
deur. Als VVD zien we natuurlijk dat niet alleen de telecomsector een
vitale plek in onze samenleving heeft, maar ook de energiesector en ons
betalingsverkeer. We moeten dan ook breder en kritischer kijken naar
waar deze technologie een gevaar vormt voor onze nationale veiligheid.
De VVD wil dat de ministeriële regeling voor alle vitale sectoren gaat
gelden. Kan de minister dat toezeggen?
Voorzitter. Ik ga over naar digitale soevereiniteit.
De voorzitter:
Voordat u verdergaat, is er een interruptie van de heer Bontenbal,
CDA.
De heer Bontenbal (CDA):
Ik vind dit sowieso een goede inbreng van mijn collega. Er wordt nu heel
veel gefocust op China, maar moeten we er niet voor uitkijken dat we
daar te eenzijdig in zijn? Andere landen zijn ons misschien ook wat
minder goedgezind. Zou je in dit opzicht niet het uitgangspunt van
strategische autonomie moeten hanteren en toch vooral naar Europese
leveranciers moeten kijken? Dat betekent dus ook dat we Amerikaanse en
andere leveranciers misschien ook wat kritischer gaan bejegenen dan we
nu doen.
Mevrouw Rajkowski (VVD):
Ja, zeker. Dat moeten we zeker, dus ik denk dat we elkaar daarin kunnen
vinden. Ik noem nu steeds China, of de Chinese overheid, omdat dat vaak
tot de verbeelding spreekt, maar er zijn natuurlijk veel meer landen
buiten Europa die graag invloed willen waardoor wij onze eigen autonomie
uithollen. Dat is om heel veel redenen gewoon niet wenselijk. Of dat nou
grote techbedrijven zijn of overheden die kwaad willen: in beide
gevallen moeten wij daar wat strategischer mee omgaan. Dus daar ben ik
het zeker mee eens.
De voorzitter:
Vervolgt u uw betoog.
Mevrouw Rajkowski (VVD):
Dank u wel. Dit was nog een mooi bruggetje naar een ander punt dat ik
wil maken over digitale soevereiniteit. Nederland is hét digitale
knooppunt van Europa en dat willen we ook graag blijven. Ons stabiele
internet, onze eigen zeekabels en onze sterke infrastructuur zorgen voor
een bloeiende economie en onze gewenste digitale soevereiniteit. Het
kabinet is op verzoek van de VVD bezig om dat digitale knooppunt te
verstevigen, door te kijken waar en hoe nieuwe zeekabels bij Nederland
aan land kunnen komen. Ik geloof dat we daar eind van het jaar of begin
volgend jaar over worden geïnformeerd. Maar de geopolitieke situatie
laat ook zien dat nieuwe kabels aanleggen niet genoeg is. We moeten de
kabels die we hebben ook beschermen. Bij een succesvolle sabotageaanval
lopen onze veiligheid en economie direct gevaar. Daarom het verzoek van
de VVD of de minister aan de slag kan gaan met het maken van een
noodplan in geval van sabotage, om ervoor te zorgen dat niet in één keer
alles platligt. Graag een toezegging hierop.
Voorzitter. Dan mijn allerlaatste punt. Dat gaat over de GDI, de
Generieke Digitale Infrastructuur. Die zorgt ervoor dat alle overheden
makkelijker digitaal met elkaar kunnen samenwerken en onderling kunnen
factureren. Zo staan gegevens van Nederlanders op één plek en hoeven
geen kopietjes meer rond te zwerven door allerlei ministeries en
gemeenten heen. Dit zou veiliger, efficiënter en privacyvriendelijker
zijn. Samen met D66 en een superondersteuning van de Griffie — bij dezen
dus ook dank daarvoor — hebben we namens de hele commissie een aantal
vragen opgesteld, waarvan we hopen dat de staatssecretaris deze straks
wil beantwoorden.
Dat was het, voorzitter. Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Rajkowski. Ik zie verder geen interrupties. Ik zie
ook dat mevrouw Van Weerdenburg inmiddels is aangeschoven, dus dan wil
ik haar als volgende spreker het woord geven. Mevrouw Van Weerdenburg
namens de PVV.
Mevrouw Van Weerdenburg (PVV):
Voorzitter, dank u wel. Excuses dat ik ietsje later binnen was. Het
verkeer zat tegen vandaag. Vandaag spreek ik namens de PVV en ook namens
BVNL, de Groep Van Haga, bij dit debat, dat eigenlijk hét
begrotingsdebat zou moeten zijn op het gebied van digitale zaken. Maar
een begroting is eigenlijk een overzicht van de plannen en het beleid
dat de komende jaren zal worden gevoerd, met de bijbehorende financiële
verantwoording ernaast, neergelegd in gedetailleerde kostenplaatjes.
Maar die kostenplaatjes zijn er niet of nauwelijks voor digitale zaken.
En dat overzicht van de plannen en het beleid voor de komende jaren
ontbreekt ook goeddeels.
Voorzitter. We zijn hier allemaal doordrongen van het belang van alle
onderwerpen die onze brede portefeuille digitale zaken rijk is. Maar
vaak is de spreektijd bij debatten beperkt en ieder van ons heeft zo
zijn focusonderwerp. Het is wel grappig om te zien dat dat eigenlijk
heel organisch is gegroeid. Zo is de collega van de VVD altijd heel
scherp op cybersecurity-aspecten en de collega's van D66 hebben immer de
privacy-implicaties van elk voorstel in het oog. SP en GroenLinks
blijven hameren op eerlijke algoritmes. Ik geloof dat mijn focus meestal
ligt op de nadere invulling van beleid en de daadwerkelijke uitvoering
daarvan. Ik sta erom bekend daar altijd om te zeuren. We hadden
natuurlijk de I-strategie. Daarbij heb ik eindeloos gevraagd naar de
routekaarten, die we uiteindelijk hebben gekregen. De hoofdlijnenbrief
over digitale zaken hebben we acht maanden geleden gehad. Sindsdien was
het wachten op de uitwerking en de concretisering daarvan. Het was dus
een beetje moeilijk om er iets over te zeggen, want het waren maar
hoofdlijnen. Maar goed, ons werd beloofd: de werkagenda komt. Elke keer
werd die ons in het vooruitzicht gesteld. Die zou hét fundament en dé
leidraad worden voor deze kabinetsperiode op het gebied van digitale
zaken. Nou, vol verwachting klopte ons hart, zal ik maar even
zeggen.
Tien dagen geleden kwam de langverwachte werkagenda dan eindelijk binnen
over de mail. Nou ja, de helft daarvan. Ik moet zeggen dat ik daar echt
verbaasd en teleurgesteld over was. Een groot deel van de werkagenda is
nog niet af. Die volgt later dit jaar, en een deel zelfs in 2023. Ik
verkeerde eigenlijk in de veronderstelling dat er maar één werkagenda
zou zijn, omdat er altijd over dé werkagenda werd gesproken. Er zou dus
één allesomvattende leidraad zijn van de coördinerend bewindspersoon,
mevrouw Van Huffelen, die zij dan zou bijhouden. Zij is natuurlijk voor
digitale zaken de coördinerend bewindspersoon. Als er dan delen zijn die
door andere ministers moeten worden gemaakt, leveren ze die bij haar in
en dan bundelt zij alles samen. Dat was een beetje hoe ik het voor ogen
had, maar ik hoor graag waar ik het dan mis heb in die
veronderstelling.
Nu blijkt dat er meerdere werkagenda's komen en dat een deel nog niet
binnen is bij dit debat, heb ik wel een beetje moeite om daar nog iets
over te zeggen. De beleidsvoornemens die wel in deze werkagenda staan,
zijn een stuk minder vaag dan de hoofdlijnenbrief, maar ze zijn verre
van concreet. Deze werkagenda is nou juist zo ontzettend belangrijk,
want er moet een solide fundament zijn, waar we de komende jaren op
kunnen voortbouwen en dat aangeeft wat we als eerste moeten doen om de
achterstand op digitaal vlak in te lopen.
Voorzitter. Ik was dus behoorlijk zoekende in de aanloop naar dit debat,
dat nu eigenlijk meer een hoofdlijnendebat versie 2.0 dreigt te worden.
Ga ik daarin mee, blijf ik weer op hoofdlijnen, schets ik dan wat voor
de PVV en BVNL belangrijk is voor de toekomst en niet-onderhandelbare
waarden zijn, alweer? Of ga ik toch een poging wagen om vandaag met de
staatssecretaris dat deel van de werkagenda die we wel hebben in te
duiken en een beetje te ontleden? Want ik zou het liefst die hele
werkagenda pagina voor pagina doorlopen met de staatssecretaris, maar
dan wordt het in plaats van een hoofdlijnendebat of een begrotingsdebat
meer een soort videoversie van een schriftelijk overleg of schriftelijke
vragen, en dat moet het nou ook weer niet worden. Ik heb maar besloten
om een beetje van beide te doen.
Allereerst zal ik aangeven wat voor de PVV en BVNL echt, echt heel erg
van belang is en wat de hoofdlijn is wat ons betreft: de vrijheid van
meningsuiting. Het vorige debat ging er al grotendeels over. We maken
ons ontzettend zorgen over die hele campagne om desinformatie tegen te
gaan en aan te pakken, omdat wij het gevoel hebben dat de omschrijving
van desinformatie gewoon heel erg dicht aanschuurt tegen censuur en ook
politieke censuur. Dat moet koste wat kost voorkomen worden, want het
vrije woord is essentieel en onmisbaar in onze democratie. Die
democratie is echt wel weerbaar en goed bestand tegen de incidentele
wappies of structurele ontregelaars, zeg ik dan maar even. Wij zien veel
meer in het informeren van gebruikers in plaats van censureren,
informatie weghalen. Zet er gewoon bij waar het vandaan komt, desnoods
een soort disclaimertje, of hoe mensen dit in hun tweettimeline of wat
dan ook krijgen. Laat de keuze gewoon aan de gebruiker. Dus niet
verbieden, hoogstens waarschuwen.
Digitale deelname, ook in het contact met de overheid, moet te allen
tijde vrijwillig zijn. Ik weet dat de staatssecretaris daar zelf ook
voorstander van is, maar ik wil toch nog maar even aangestipt hebben dat
dat absoluut een voorwaarde is voor de PVV en BVNL. Nooit mag iemand
gedwongen worden om de digitale weg te bewandelen als die persoon dat
niet kan of niet wil. Dan moet er altijd een analoog alternatief
zijn.
De voorzitter:
Voor u verdergaat: u heeft een interruptie van de heer Bontenbal,
CDA.
De heer Bontenbal (CDA):
In een vorig debat over digitale grondrechten en publieke waarden hadden
we ook al een soortgelijk debatje, namelijk over hoe absoluut die
vrijheid van meningsuiting dan is. U zegt net in uw betoog dat u het
geloof heeft dat onze democratie weerbaar genoeg is. Mijn vraag zou
zijn: waar baseert u dat op? Acht u het bijvoorbeeld ondenkbaar dat
zoiets als de bestorming van het Capitool in Nederland zou kunnen
gebeuren? Het was in de Verenigde Staten volgens mij kantje boord, dus
dat vrije woord kan wel degelijk hele nare effecten hebben. Waar baseert
u het geloof op dat onze democratie zo weerbaar is dat het vrije woord
wat u betreft absoluut zou moeten zijn?
Mevrouw Van Weerdenburg (PVV):
Ik word een beetje verleid om de wedervraag te stellen: waar baseert u
het op dat onze democratie daar niet tegen bestand zou zijn? Zoals ik
het zie, hebben wij een prima democratie. Mensen hebben het ook nodig,
het is ook een soort ventielfunctie. Als je op een goede dag
bijvoorbeeld op Twitter of Facebook gaat kijken, dan denk je: o, wauw,
Nederland is rijp voor de revolutie. Maar ik heb altijd zoiets van:
mensen mogen voor mijn part schelden en doen en alles kwijtraken op
social media. Dat helpt vaak ook, hè. Ze voelen zich gehoord. Ze kunnen
het kwijt. Dan heb je het uit je systeem. De heer Bontenbal kan ook niet
ontkennen dat tot nu toe in het stemhokje — ik vind het jammer; hij is
daar waarschijnlijk opgelucht over — toch blijkt dat mensen in ieder
geval de status quo in onze democratie … Ik denk wel dat we moeten
uitkijken dat we niet te veel mensen in het land verliezen, maar ik zie
geen enkele reden om me zorgen te maken.
Als de heer Bontenbal dan, mocht hij onverhoopt duiden op de opkomst van
partijen als de PVV, FVD, Belang van Nederland en BBB … Dat heeft u mooi
aan uzelf te danken door niet te luisteren naar de mensen. Dan gaan ze
toch een andere optie zoeken. Maar vooralsnog zie ik dat de meeste
mensen gewoon geweldloos protesteren en hun stem uitbrengen op
democratische partijen. Ik denk niet dat we die angstbeelden uit Amerika
hier moeten importeren.
De voorzitter:
Een vervolgvraag van de heer Bontenbal.
De heer Bontenbal (CDA):
Het eerste stuk van uw antwoord vond ik interessant. Ik vind het dan wel
jammer dat u dan toch weer een beetje om u heen begint te slaan, want
volgens mij wordt het debat beter als we dat gewoon op de inhoud voeren.
Ik heb ook bewust geen partijen genoemd, want dat zou het debat volgens
mij verzieken. Uw wedervraag was waarop ik mijn eigen terughoudendheid
baseer. Daar hadden wij het de vorige keer ook al over. De waarde van
het vrije woord is wat mij betreft niet absoluut en zal je altijd moeten
afwegen tegen een aantal andere publieke waarden. Ik denk dat de
democratie wel kwetsbaar is en dat je moet voorkomen dat je zoiets
kwetsbaars laat ontsporen. Ik denk dat de geschiedenis wel degelijk
heeft laten zien dat een democratie kwetsbaar is. Moeten we dus dat
risico willen lopen door het vrije woord zo absoluut te maken dat we dat
bijna uitproberen? Woorden zijn niet gratis en zetten wel degelijk tot
iets aan. Het onderscheid tussen gewelddadige woorden en daadwerkelijk
geweld is volgens mij helemaal niet zo groot.
Mevrouw Van Weerdenburg (PVV):
Ik denk wel dat ik weet waar het misverstand vandaan komt. Ik neem de
PVV even als voorbeeld, omdat ik daarover kan praten. Kijk naar de
opkomst van de PVV. Er bestaat bij een aantal partijen, en
waarschijnlijk ook bij de heer Bontenbal, het idee dat mensen gaan
stemmen op bepaalde partijen, omdat ze dat hebben gehoord of omdat ze
Wilders hebben horen spreken en denken: ja, goh, daar zit wel wat in.
Maar het is juist andersom. Mensen hebben een bepaald gevoel, een
overtuiging of onvrede en zoeken iemand die dat voor hen verwoordt. Die
onvrede leeft daar. Die wordt niet veroorzaakt door wat ze lezen op
Facebook of Twitter, of door wat ze Geert Wilders horen zeggen. Het is
niet zo dat dat daardoor ineens ontstaat bij mensen. Het is juist
andersom. We kunnen dus censureren wat we willen op social media, maar
de onvrede die nu bij een heel groot deel van de Nederlandse burgers
leeft, haal je daarmee niet weg. Dat is, denk ik, het misverstand. Het
is andersom. Mensen zoeken een manier om hun onvrede te uiten en die
hier vertegenwoordigd te krijgen. Ze stemmen op democratische partijen.
Daar moeten we juist blij om zijn. Het is niet zo dat dat gevoel weggaat
als je dat weghaalt en als je alle social media censureert of misschien
zelfs verbiedt. Dat is echt niet zo. Als de heer Bontenbal dat wel
denkt, dan hebben we een groter probleem in Nederland, denk ik.
De voorzitter:
De heer Bontenbal voor een vervolgvraag. Dan heb ik mevrouw Van Ginneken
en mevrouw Leijten nog.
De heer Bontenbal (CDA):
Laat ik het dan gewoon concreter maken. Stel dat bepaalde politieke
leiders haatdragende taal spreken over bepaalde ministers, bijvoorbeeld
door hen "heks" te noemen of wat dan ook, en dat het daadwerkelijk leidt
tot bedreigingen van die ministers. Taal doet toch iets? U zegt: mensen
hebben die onvrede al en dat kanaliseren ze door op zo'n politieke
partij te stemmen. Maar een taal creëert toch ook een werkelijkheid? Een
taal kan toch ook uiteindelijk leiden tot haat en geweld? Het is toch
juist ontzettend naïef om te denken: mensen hebben een ventiel en dan
zijn ze het kwijt? Want dat zegt u. U zegt: mensen zijn het dan kwijt en
dat is een soort hygiëne. Ik denk dat taal een werkelijkheid oproept en
dat het versterkt. Dat is een spectrum van taal, dat uiteindelijk ook
tot geweld en bedreiging kan leiden. Dat zien we nu gewoon gebeuren. Er
zijn ministers die beveiligd moeten worden.
De voorzitter:
En uw vraag is?
De heer Bontenbal (CDA):
Ik vind het ontzettend naïef dat u het vrije woord zo absoluut maakt.
Dat doen we sowieso niet op alle onderwerpen. Ik begrijp dat oprecht
niet.
Mevrouw Van Weerdenburg (PVV):
Absoluut. We hebben altijd gezegd dat je alles moet kunnen zeggen — dat
is de vrijheid van meningsuiting — maar je mag niet oproepen tot geweld
of wat dan ook. Dat hebben wij er altijd bij gezegd. Dat is zo
vanzelfsprekend. Die disclaimer is ingebakken. Ik ga hier niet bepaalde
woorden van bepaalde fractievoorzitters verdedigen of wat dan ook. Ik ga
ook niet nitpicken. Dan wordt het een welles-nietesspelletje. We kunnen
ook heel veel kwalificaties opnoemen die de heer Wilders de laatste
jaren voor zijn voeten heeft gekregen, maar dan komen we niet heel veel
verder. Ik begrijp wat de heer Bontenbal probeert te zeggen. Maar het
verbieden van woorden, of zeggen dat je het anders moet zeggen of netjes
moet zeggen, neemt niet het onderliggende gevoel weg. Nogmaals, ik zit
hier voor de kiezer. Ik ben gekozen. Ik behoor hier hun gevoel,
sentiment en belangen te verdedigen. Dat doe ik in zo scherp mogelijke
bewoordingen. Dat hoeft niet helemaal mijn keuze te zijn of wat dan ook.
Dat zegt ook niets over mijn karakter. Nee, dat is mijn taak en ook die
van de heer Wilders en van al die anderen die hier gekozen zijn. Ze
kiezen zelf hun bewoordingen. Ik denk dat het noodzakelijk is dat we dat
doen, zeker ook om te proberen de onvrede weg te nemen in de
samenleving. We kunnen afspreken dat we een iets zachtere bewoording
gebruiken in plaats van … Nou, noem eens een bewoording. Van links komt
altijd weer: we moeten het beestje anders noemen.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Van Weerdenburg. Volgens mij beginnen we in
herhaling te vallen.
Mevrouw Van Weerdenburg (PVV):
Ja oké, sorry. Dat bedoel ik. De heer Bontenbal begon ermee. We komen
hier niet uit.
De voorzitter:
Volgens mij wordt u het niet eens. Dan gaan we door naar mevrouw Van
Ginneken voor haar interruptie. Die trekt ze in. Dan is mevrouw
Leijten.
Mevrouw Leijten (SP):
Ik wilde hierover op voorhand geen interruptie plegen, maar als mevrouw
Van Weerdenburg zegt "wij zijn de stem van de onvrede, omdat we staan
voor vrijheid van meningsuiting", dan wordt het me toch te gortig. Er
zijn namelijk heel veel manieren waarop je de onvrede kan agenderen, kan
mobiliseren, zonder dat het de grenzen oprekt. Dat brengt mij bij de
vraag: vindt mevrouw Van Weerdenburg dat mensen die veroordeeld zijn
voor het verspreiden van desinformatie, dus als de rechter heeft
gesproken, aan banden mogen worden gelegd?
Mevrouw Van Weerdenburg (PVV):
Ik ben even zoekende. Ik heb niet eerder gehoord van iemand die is
veroordeeld voor het verspreiden van desinformatie. Ik weet ook niet
precies wat de definitie van desinformatie is die mevrouw Leijten voor
ogen heeft.
De voorzitter:
Ik geef mevrouw Leijten het woord om het even toe te lichten. Dat tellen
we dan niet als een extra interruptie. Het is meer een toelichting op de
eerdere interruptie.
Mevrouw Leijten (SP):
Er zijn heel wat verhalen van bewegingen die prat gaan op de vrijheid
van meningsuiting en het blootleggen van allerlei misstanden en die
bijvoorbeeld van de rechter gehoord hebben dat ze geen bedevaart meer
mogen maken naar begraafplaatsen en dat ze niet meer mogen zeggen dat
daar kinderen begraven liggen die slachtoffer zijn van satanisch
misbruik. Dat heeft een schandelijke impact op de ouders, op
begraafplaatsen en op gemeenschappen, maar ze gaan gewoon door. Weet je
wat die vaak zeggen? "Ons wordt de mond gesnoerd onder het motto van
desinformatie." Vrijheid van meningsuiting moeten we zo maximaal
mogelijk met elkaar beschermen, maar we moeten wel een grens trekken. Ik
zou graag willen dat de PVV dat ook doet.
Mevrouw Van Weerdenburg (PVV):
Maar dat doen we natuurlijk ook. Mevrouw Leijten zegt net in dit
voorbeeld: mensen zijn veroordeeld door de rechter. We hebben altijd
gezegd: vrijheid van meningsuiting tótdat je de tegen de wet aanloopt.
Je moet je wel aan de wet houden. Dat hebben wij altijd gezegd.
Natuurlijk wordt de wet af en toe opgerekt in de rechtszaal. Daar weten
wij alles van. Je moet alles kunnen zeggen. Ik denk ook niet dat het de
weg is om mensen te beschermen tegen boze woorden, informatie of wat dan
ook. Je moet ze niet leren wát ze moeten denken. Je moet ze juist leren,
ook op scholen en universiteiten, hóé ze zelf na moeten denken, hoe ze
zelf een bron kunnen checken, waar de informatie vandaan komt en hoe ze
die zelf op waarde moeten schatten. We maken nu sneeuwvlokjes op school!
We leren ze wat de absolute waarheid is, en op het moment dat er dan
iets anders …
De voorzitter:
Voordat we in een hele nieuwe discussie komen: u was er aan het begin
niet, maar we zitten krap in de tijd. Daarom roep ik iedereen op om
zowel de interrupties als de beantwoording kort te houden.
Mevrouw Van Weerdenburg (PVV):
Ja, oké, voorzitter, maar dit is …
De voorzitter:
Kunt u dit afronden? Mevrouw Leijten heeft namelijk ook nog een
vervolgvraag.
Mevrouw Van Weerdenburg (PVV):
Afrondend. Dit is niet zo simpel als mevrouw Leijten nu voorstelt. Het
zijn gewoon fundamentele verschillen van inzicht. Het is niet zo dat wij
daar helemaal tegenover staan. Wij zijn het eens, alleen de invulling is
gewoon anders.
De voorzitter:
Mevrouw Leijten voor een vervolgvraag.
Mevrouw Leijten (SP):
Het waren de VVD en de SP die samen opgingen. Het waren de huidige
minister van Justitie en Veiligheid met volgens mij Van Nispen of
misschien Peter Kwint die, toen de Europese Unie zei dat ze
desinformatie ging aanpakken, zeiden: dat is geen taak; het wordt te
veel opgerekt. Tegelijkertijd denk ik dat het strafrecht de grens is.
Mevrouw Van Weerdenburg wist net niet welke veroordelingen er zijn en
juist die mensen gaan prat op dezelfde redenering die mevrouw Van
Weerdenburg behelst. Dat vind ik zorgelijk.
Als het gaat om je weg vinden op internet, dan, zo weet mevrouw Van
Weerdenburg, juist mevrouw Van Weerdenburg, als geen ander hoe je ook in
een tunnel gezogen kan worden van het gelijk of het ongelijk. We zouden
ons daar gemeenschappelijk zorgen over moeten maken, want op het moment
dat je in een tunnel van het ongelijk zit, ben je daar ook slachtoffer
van. Dat heeft niet zo heel veel met onvrede over rijksbeleid te maken,
als wel met het misbruik maken van onvrede over rijksbeleid.
De voorzitter:
En wat is uw vraag?
Mevrouw Leijten (SP):
Laten wij ons nou richten op het opheffen van die onvrede, in plaats van
op het versterken van die onvrede.
Mevrouw Van Weerdenburg (PVV):
Eens. De probleemanalyse delen mevrouw Leijten en ik, alleen de
oplossing niet. De fabeltjesfuik is zeker een probleem. Alleen, wij zien
de oplossing daarvan veel meer in het informeren van mensen. Informeer
ze. We moeten niet censureren. Houd de mensen er niet van weg, maar maak
ze bestand tegen het meegezogen worden in de fabeltjesfuik. We moeten
mensen informeren, opvoeden, ze laten zien waar informatie vandaan komt
en hoe bronnen op waarde geschat kunnen worden. Dat is de oplossing en
niet wat mevrouw Leijten voorstelt.
De voorzitter:
U vervolgt uw betoog.
Mevrouw Van Weerdenburg (PVV):
Ik was bij de punten die de PVV en BVNL van belang vinden en de komende
jaren zouden willen zien. Daarbij willen we het ook eventjes hebben over
de antipathie die bestaat jegens grote techbedrijven, vooral als het
Amerikaanse bedrijven betreft. De meeste grote techbedrijven zijn
namelijk Amerikaans. We hebben het gevoel dat die heel vaak bij voorbaat
al slecht zouden zijn omdat Amerikaanse techbedrijven tot nu toe nou
eenmaal alles hebben bepaald omdat de overheid niet aan het reguleren
was. Wij zouden veel liever zien dat de overheid als motto zou hebben:
we gaan als Nederland zelf dingen doen waar dat kan, maar als het nodig
is, zullen we wel samenwerken met die grote techbedrijven. Eigenlijk is
dat een beetje zoals het rijksbrede cloudbeleid nu. We vinden dat een
goede route. Laten we dat meer doen. Burgers zijn namelijk enorm
verknocht aan die grote platformen, die hier zo veel macht hebben. Ze
zijn er enorm afhankelijk van. Ze zijn er blij mee. We moeten dat niet
zomaar wegschuiven. Respecteer die realiteit en deal ermee.
Vervolgens het heilige geloof in alles wat uit Brussel komt. Dat is ons
een doorn in het oog. De PVV is voorstander van Europese samenwerking,
en BVNL ook, maar de regelgeving die vanaf de EU-burelen in Brussel
komt, laat vaak heel lang op zich wachten en — laten we wel wezen — deze
blinkt meestal ook niet uit in leesbaarheid. Houd dus oog voor de
kansen, maar ook voor de beperkingen van dit soort regelgeving. Laten we
niet al te lang afwachten. Als iets geregeld moet worden, laten we dan
kijken of we dat hier in Nederland alvast kunnen doen. Staar je dus niet
blind op EU-regelgeving.
Dan de opkomst van toekomstige technologieën. Laten we goed in het oog
houden wat daar de kansen van zijn, maar ook de beperkingen. Ga dus niet
nu al beleid maken op basis van een toepassing die er nog niet is en er
misschien zelfs niet komt. Ik doel dan natuurlijk op de verordening voor
het tegengaan van onlinekindermisbruik.
Voorzitter, ik weet niet hoeveel spreektijd ik nog heb. O, twee minuten.
Zie je wel. Ik ga dan toch eventjes naar de werkagenda. Het liefst zou
ik die pagina voor pagina langsgaan, want er zijn zo veel losse eindjes
en nog niet-ingevulde dingen. Ik zal er heel snel een paar
langslopen.
In paragraaf 1.2 op pagina 12 staat: lancering van een digitale plek met
… Even kijken. Dan moet ik 'm er wel bij hebben, natuurlijk. Het wordt
een totale chaos, voorzitter. Excuses. Daar staat: lancering van een
digitale plek met overheidsbrede informatie over publieke producten en
diensten. Mijn vraag is: welke dan? Het uitwerken van proactieve
dienstverlening in één domein, staat er bij punt 2. Welk domein? Ze gaan
dat nog bepalen. Per jaar willen ze één domein uitbreiden. Is dat niet
een beetje weinig ambitieus? Kan dat sneller?
Op pagina 14 staat de conclusie dat ruim de helft van de Nederlanders
nieuws via grote onlineplatformen tot zich neemt. Facebook heeft alleen
al in Nederland 10 miljoen gebruikers. Een groot deel daarvan is een
dagelijkse gebruiker. Wat gaan we daarmee doen? Ik zei net: dat is de
realiteit; kunnen we daarmee dealen? Nieuwe toepassingen van platformen
krijgen bij lancering de indicator mee dat ze ten minste 10.000
gebruikers moeten hebben. Als je dat afzet tegen het aantal gebruikers
die de grote platformen nu hebben, zeker in Nederland, vraag ik me af of
dat niet veel te weinig is. Kunnen we een manier verzinnen om in
samenwerking met die grote platforms, door ze niet helemaal af te
danken, toch een groot deel van de Nederlanders te blijven
bereiken?
Voorzitter. In paragraaf 1.3 op pagina 15 van de werkagenda staat: in
2023 moeten de eerste debatten gevoerd worden op een alternatief
platform dat de publieke waarden ondersteunt. Welke, is wederom de
vraag. Er wordt ook een soort centraal meldpunt of kenniscentrum
ingericht waar burgers laagdrempelig onrechtmatig onlinemateriaal kunnen
melden, een soort "meld misinformatie anoniem" of zo.
Onlinecontenthandhaving; wat is dat? Hoe ziet de staatssecretaris dat
precies, want het klinkt eng, zal ik maar even heel kort zeggen.
De voorzitter:
Kunt u tot een "ten slotte" komen?
Mevrouw Van Weerdenburg (PVV):
En ten slotte — o, ik heb nog zo veel vragen, voorzitter — op pagina 20
gaat het over de digital commons. Welke zijn dat? Wat zijn dat? Wanneer
zijn ze er? En wie gaat dat doen?
Afrondend, voorzitter. Onze commissie werd geen plek gegund in de
plenaire zaal tussen de andere begrotingsdebatten. Achteraf gezien vind
ik dat niet zo erg, want voor de meeste mensen zijn onze debatten niet
echt interessant of goed te volgen — daar ben ik deze keer ook schuldig
aan — maar wat we hier bespreken, is wel voor iedereen ontzettend
belangrijk. En ja, wij willen dat mensen thuis het ook kunnen volgen,
maar we hebben ook te maken met minder toegankelijke technische
onderwerpen en begrippen, die meestal ook nog in het Engels zijn. Ik
denk dat we ons voordeel er maar mee moeten doen dat we de zaken nu een
beetje in de schaduw bespreken. Ons voornemen is om nu toch wat slagen
te kunnen maken, ondanks de verminderde kijkbaarheid.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Van Weerdenburg. Ik heb nog interrupties van mevrouw
Rajkowski en de heer Ceder. Eerst mevrouw Rajkowski namens de VVD.
Mevrouw Rajkowski (VVD):
Ik wil hier toch nog wat over zeggen. Mevrouw Van Weerdenburg heeft
eerder al desinformatie aangehaald en heeft het nu over misinformatie.
Dat zijn overigens twee hele verschillende dingen. Bij misinformatie
gaat het bijvoorbeeld om iemand die iets op Facebook zet wat niet klopt,
maar wat verder niet heel schadelijk of groot is. Desinformatie heeft
aan de andere kant niks met de vrijheid van meningsuiting te maken. Ik
hoorde het debatje net ontstaan. Het is veel breder. Desinformatie gaat
over landen die het niet goed op hebben met Nederland, die ervan
profiteren als het in Nederland onrustig is, niet alleen in de harten en
hoofden van mensen, maar ook op straat en in de Tweede Kamer. Daar
hebben we afgelopen weekend ook weer voorbeelden van gezien. Als
desinformatie stelselmatig wordt verspreid met als doel om in Nederland
een soort chaossituatie te creëren voor de openbare orde en veiligheid,
kan ik me niet voorstellen dat we de PVV niet aan onze zijde kunnen
vinden. Dat wil ik graag even checken.
Mevrouw Van Weerdenburg (PVV):
Dank voor die vraag. Mijn opmerking ging over dat centrale meldpunt of
kenniscentrum dat wordt ingericht, waar burgers laagdrempelig,
waarschijnlijk anoniem, onrechtmatig onlinemateriaal kunnen melden. Maar
een burger kan natuurlijk helemaal niet beoordelen of het onrechtmatig
is of niet, dus het wordt een soort kliklijn van: oho, dit mag je niet
zeggen. Dan wordt het dus misinformatie. De definitie die mevrouw
Rajkowski eraan hangt, kan ik volgen, maar het is een meldpunt voor
burgers. Die gaan gewoon alles melden wat zij misinformatie of
desinformatie vinden en wat in hun ogen niet kan. Dat moet dan allemaal
beoordeeld worden door die onlinecontenthandhaving. Dat is niet de
route. Wat ik bijvoorbeeld over klimaatverandering op social media zou
zetten, is voor een ander desinformatie of misinformatie en voor de
ergst verstokte klimaatwappie misschien als onrechtmatig te beoordelen.
Dat wordt dan allemaal naar die kliklijn gestuurd. Ik denk niet dat we
die kant op moeten.
De voorzitter:
Dank u wel. Er is een vervolgvraag van mevrouw Rajkowski.
Mevrouw Rajkowski (VVD):
Ik denk dat we elkaar daarin kunnen vinden. Als mensen graag hun tijd
willen verspillen aan het verklikken van meningen die hen niet bevallen
of aan het aanmelden van kunstwerken waar mannen op staan die sigaren
roken, be my guest; dat moeten ze vooral doen. Maar mevrouw Van
Weerdenburg vindt mij wel aan haar zijde als het gaat om datgene dat
strafbaar is en datgene dat niet mag. Als we desinformatie en
misinformatie uit elkaar houden, denk ik dat we een heel eind kunnen
komen.
De voorzitter:
Mevrouw Van Weerdenburg, kort.
Mevrouw Van Weerdenburg (PVV):
Ik denk dat PVV, BVNL en VVD er zeker samen in moeten optrekken om die
definitie zo scherp te krijgen dat politiek afwijkende meningen over
maatschappelijke onderwerpen of wat dan ook straks niet in het
desinformatieonderwerp te vinden zijn.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Twee punten. Allereerst heb ik mevrouw Van Weerdenburg erover horen
spreken dat we niet al te sceptisch zouden moeten zijn over Amerika en
big tech. Voor mij is gezonde kritiek of een bepaalde scepsis wel goed,
vooral als het om veiligheidsvraagstukken gaat. Ik denk ook dat het
voordelen met zich meebrengt. Alleen, ik maak mij er zorgen over — dat
heb ik afgelopen week ook gezegd — dat data niet alleen gaan om leuke
filmpjes en algoritmes. Het gaat over invloed, macht, geld,
beïnvloeding. Ik vroeg me af of zij ook vindt dat we er waakzaam voor
moeten zijn. Ze heeft het specifiek gehad over Amerikaanse bedrijven. Ik
heb het van de week ook gehad over Chinese bedrijven, net als mevrouw
Rajkowski. Vindt u niet dat we daar als overheid wel degelijk een rol in
hebben en, zo ja, hoe ziet u die? Ziet u een verschil tussen Amerikaanse
en niet-Amerikaanse techbedrijven?
Mevrouw Van Weerdenburg (PVV):
Ja, klopt. Daar moeten we op letten. De grootste techbedrijven zijn
Amerikaans. Dat is organisch zo gegroeid. Daar delen we grotendeels onze
normen en waarden mee. Met de Chinezen is dat misschien wat minder het
geval. Ik wilde hier zeggen dat we er als overheid goed op moeten letten
en het goed moeten monitoren. We moeten in gesprek gaan met die
bedrijven: goh, we zien dit en dat. Volgens mij zijn de meeste grote
bedrijven namelijk best geneigd om daarnaar te luisteren. Daar kun je
goed mee samenwerken. Ik wil dus voorkomen dat we, omdat dat misschien
moeilijker is en wat langer duurt, ze dan maar afdanken en zeggen: we
gaan ons eigen publieke platformpje beginnen en daar moeten dan alle
burgers maar naartoe. Dat is eigenlijk totaal onmogelijk, lijkt mij. En
de zorgen over de Chinezen en TikTok delen wij absoluut; wij hebben die
vragen mede ingediend. Maar laten we gewoon zorgvuldig kijken wat we
daaraan kunnen doen, hoe we dat kunnen bijsturen. Ik denk dat we daar
een heel eind mee komen. In een verbod op TikTok zie ik helemaal niks.
Dat is ook helemaal niet nodig, denk ik. Daar raak je gewoon gebruikers
mee en dat zou ik jammer vinden.
De voorzitter:
De heer Ceder voor een vervolgvraag.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Die gaat over een ander punt. Ik dacht: moet ik hem stellen? Maar dat
doe ik toch wel, want mevrouw Van Weerdenburg stelt zich op als een
grote voorvechter van de vrijheid van meningsuiting, ook online. Ik denk
dat dat ook een belangrijke waarde is, behoudens de wet. Maar ik ga de
vraag toch stellen, gewoon om het scherp te krijgen. De PVV zegt
bijvoorbeeld in haar verkiezingsprogramma dat de PVV als enige een visie
heeft ontwikkeld om Nederland te de-islamiseren, bijvoorbeeld door het
verbieden van het verspreiden van islamitische ideologie. Wat je er ook
van vindt — want daar wil ik niet op ingaan — mijn punt is wel: u kunt
toch niet consequent volhouden dat u voor vrijheid van meningsuiting
bent behoudens de wet en tegelijkertijd zeggen dat je alles moet kunnen
zeggen en vinden als het je niet bevalt en dat je je vooral moet
informeren en bronnen op waarde moet schatten? Dan kunt u toch niet
tegelijkertijd dit standpunt aanhouden? Ik ben even benieuwd hoe dat
zich tot elkaar verhoudt. Ik probeer daarop geen heel groot punt over de
islam te vinden, maar volgens mij is dit punt wel inconsequent. Ik vraag
of u dat duidelijker kunt maken.
De voorzitter:
Kunt u daarop reflecteren, mevrouw Van Weerdenburg? Ik ben het er
inderdaad wel mee eens dat we in dit debat geen discussie over het
inhoudelijke punt moeten starten, maar vooral moeten reflecteren op,
zoals de heer Ceder het al schetst, een inconsequentie die hij denkt te
zien.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ja, voorzitter, vooral ook omdat dit betrekking heeft op
online-informatie. Dus ik ben even benieuwd hoe de PVV daarin
staat.
De voorzitter:
Helder, dank u wel. Mevrouw Van Weerdenburg.
Mevrouw Van Weerdenburg (PVV):
Die inconsequentie ziet de PVV natuurlijk niet, anders hadden we dat
niet zo opgeschreven. We staan er allemaal nog steeds honderd procent,
hartstikke achter dat Nederland een stuk mooier zou worden als we minder
islam zouden importeren. Ik vind dat je dat ook moet kunnen zeggen.
Daarbij wil ik ook maar eventjes aangeven dat een heel groot deel van de
burgers in Nederland daar ook achter staat. Ik zou hier uren over kunnen
praten. Dat zal ik niet doen. Ik heb van dichtbij gezien en meegemaakt
hoe het is om in een politiek proces te zitten. Ik wens dat helemaal
niemand toe, zelfs mijn ergste politieke vijanden niet. Laten we daar
alsjeblieft met z'n allen in ieder geval één les uit trekken, namelijk
dat we zoiets, als we onszelf serieus nemen, nooit, nooit meer in
Nederland moeten doen.
De voorzitter:
Een slotvraag van de heer Ceder.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Voor de duidelijkheid: de PVV vindt dus dat online-informatie over de
islam als religie — je mag er ook alles van vinden, of je het er nou wel
of niet mee eens bent — zou moeten kunnen, uiteraard behoudens de
grenzen van de wet. Is dat wat de PVV zegt?
Mevrouw Van Weerdenburg (PVV):
Bedoelt de heer Ceder informatie vanuit de islam of islamitische
informatie, of wat wij daar als PVV over zeggen? Want ik snap ...
De voorzitter:
Kunt u uw vraag verduidelijken?
De heer Ceder (ChristenUnie):
In het PVV-programma staat dat zij voor het verbieden van het
verspreiden van islamitische ideologie zijn. Nou, dat is een breed punt.
Mij gaat het er specifiek om dat ik het volgende goed wil begrijpen.
Zegt de PVV vandaag dat onlineverspreiding van islamitische ideologie —
dat kunnen boeken zijn, dat kunnen verhalen zijn, dat kunnen historische
achtergronden zijn — zou moeten kunnen en je er ook alles van mag
vinden, mits dat allemaal binnen de grenzen van de wet blijft?
Mevrouw Van Weerdenburg (PVV):
Nu begrijp ik 'm wel, want dat is inderdaad de discussie die er jaren
geleden ook al was over het verbieden van de Koran en het verbieden van
boeken enzovoort, enzovoort. De PVV heeft altijd gezegd dat de Koran
naar analogie van Mein Kampf verboden zou moeten zijn volgens de
Nederlandse wet. Als je die analogie doortrekt, zou de Koran ook onder
dat wetsartikel moeten vallen. Dat is wat de PVV altijd heeft
gezegd.
Verder zijn we voor de vrijheid van meningsuiting. Fatwa's: natuurlijk,
maar dan ga je over de grens van de wet. Die moet je gewoon verbieden,
eraf halen enzovoort, maar ik denk dat er geen verschil is met het
verbieden van de Koran. Die zou al verboden moeten zijn als je de
Nederlandse wet zo beschouwt. Dat is wat de PVV daarover gezegd heeft.
Dat zou er ook onder moeten vallen. En verder denk ik niet dat ik nog
iets zinnigs weet te zeggen over opmerkingen over de Koran.
De voorzitter:
Ik zou hier niet een betoog willen gaan houden. Volgens mij is de
stelling van mevrouw Van Weerdenburg dat de Koran daaronder zou moeten
vallen. Volgens mij is dat niet het debat dat we hier moeten voeren en
is dat vooralsnog niet het geval. Ik zou het daarbij willen laten en bij
de opmerkingen die mevrouw Van Weerdenburg daar namens de PVV over
maakte. Ik wil doorgaan met de volgende spreker van de zijde van de
Kamer en dat is mevrouw Leijten namens de SP.
Mevrouw Leijten (SP):
Voorzitter. Sinds de vorige verkiezingen, in maart 2021, heeft de Tweede
Kamer een commissie voor Digitale Zaken. Dat heeft ermee te maken dat de
Tweede Kamer heeft bepaald dat alles wat er op digitale zaken gebeurt,
zo omvangrijk en fundamenteel is in onze samenleving dat daarvoor een
aparte commissie nodig is. De hoop was dat de regering dat zou volgen en
dat die ook zou komen met een aparte bewindspersoon daarvoor. En nu
hebben we een aparte bewindspersoon daarvoor: mevrouw Van Huffelen! Het
is trekken, sleuren en duwen om haar over iets te laten gaan en haar
daadwerkelijk mandaat te geven. Want volgens mij zou ze, wat onze
commissie betreft, meer mandaat moeten hebben. Nu hebben we tien dagen
geleden haar werkagenda gekregen. Ook daar hebben we flink aan moeten
duwen, trekken en sleuren. Maar laten we het kabinet het voordeel van de
twijfel geven. Het zit er nog geen jaar, hoewel de verkiezingen veel
langer geleden zijn. Maar het kabinet zit er nog geen jaar en we hebben
een werkagenda. Ik citeer: "Als coördinerend bewindspersoon
Digitalisering wil ik vooroplopen en inspireren." Ik denk dan: ja, oké,
maar dat is eigenlijk niet de reden waarom we bewindspersonen hebben.
Wat ons betreft is dat beleid maken, coherent beleid maken en niet
vooroplopen en inspireren. Het is namelijk toetsen, niet door ons, niet
door de buitenwacht en ook niet zelf, wat je nou bereikt hebt. Als je
lekker voorop hebt gelopen, ben je misschien iedereen wel verloren. Dat
kan ook zo zijn als je lekker geïnspireerd bent geweest, terwijl
iedereen iets anders is gaan doen. Wat heb je dan bereikt? Wanneer is
het geslaagd? Dat zou mijn eerste vraag zijn aan de staatssecretaris
voor Digitale Zaken: wanneer is het geslaagd? Wat is daarvoor
belangrijk?
Voorzitter. Ik zou graag willen beginnen met te zeggen dat
digitalisering als basis van onze samenleving overal is. Er is
digitalisering in de klas, in de zorg, op de snelweg, in al onze apps,
in onze werkprocessen: het is overal. Daarmee is digitalisering een
feit. Het is ook een basisbehoefte. Tegelijkertijd zien we dat
digitalisering ook heel vaak uitsluit. Er zijn 2,5 miljoen mensen die
niet meekomen, terwijl een overheid zegt: alles zal digitaal zijn en o
ja, we fixen ook nog iets voor de mensen die niet mee kunnen doen. Maar
als 2,5 miljoen mensen niet mee kunnen doen, zou je dan niet het "ja,
mits"- beleid dat er nu is, moeten omdraaien naar een "nee,
tenzij"-beleid: je kan altijd zaken doen met de overheid en als je dat
wilt, kan dat digitaal. Daarmee draaien we het om. Dat is wel subtieler.
De Kamer heeft dat laatste eigenlijk heel vaak aangegeven. Iedereen moet
altijd de mogelijkheid hebben om zaken te doen met de overheid via de
gewone weg. Wat staat er in alle brieven die we hebben gehad en wat
staat er ook weer in de werkagenda? Alles gaat digitaal en o ja, het
moet ook mogelijk blijven om het anders te doen. Dat is een subtiel,
maar een fundamenteel verschil.
Ik wil de staatssecretaris vragen of zij erkent dat zij grondrechten van
mensen schaadt op het moment dat de overheid zich helemaal in die
digitale trein vastbijt en of zij erkent dat zij toegang schaadt. Er
zijn hele landsgebieden waarin de toegang tot zoiets basaals als
internet niet goed geregeld is. Dat is misschien niet zo in de
gerieflijke Randstad, waar wij wonen en waar ook de andere controlerende
machten wonen. Mevrouw Kamminga kijkt mij aan en die woont inderdaad ver
weg. Af en toe moet ze haar paspoort verlengen. Nee, dat is een grapje.
Ik heb zelf ook in Groningen gewoond en toen merkte ik hoe ver mensen
dat vinden. Als je daar eenmaal woont, blijkt de Randstad helemaal niet
zo ver weg te zijn als andersom. Maar als het gaat over
basisvoorzieningen is dat gewoon ook een probleem. Dan kan je wel zeggen
dat je een digitale agenda en een werkagenda hebt, maar mensen hebben
een verschillende toegang. Dat is niet oké. We hebben het heel vaak over
de kloof tussen de Randstad en het platteland, maar dit is ook zo'n
kloof. Die digitalisering loopt daar ook. Ik zou graag willen weten
welke prioriteiten voor die toegang de regering stelt bij alles wat ze
ons heeft aangereikt en of het niet "nee, tenzij" in plaats van het "ja,
mits" dat nu net aan ons gepresenteerd is, moet zijn.
Ik vroeg het net in een interruptiedebat al een beetje vilein en een
beetje scherp aan mijn collega van de VVD. Vindt zij ook niet dat wat de
regering neerlegt ten aanzien van de route, de visie en de werkagenda in
hoge mate naïef en misschien ook wel visieloos is? Vindt zij ook dat het
toch nog te gefragmenteerd is, waardoor je er geen fundamentele basis
onder hebt? De SP vindt onze regering in hoge mate naïef wanneer het
gaat over die soevereiniteit en die veiligheid, over wat we kopen vanuit
welke landen en over welke regeringen daarin mee kunnen kijken. We
hebben net schriftelijk overleg gehad over het cloudbeleid dat is ons is
afgekondigd, waarover de Kamer geen enkele zeggenschap meer heeft. We
mogen nog een schriftelijke inbreng hebben, maar het is vanaf 1 januari
gewoon geregeld. De SP maakt zich daar grote zorgen over.
We maken ons ook grote zorgen over het tapsysteem van de politie dat is
gemaakt door Israëlische veiligheidsdiensten, over de camera's die door
de Chinezen zijn ontwikkeld, die gemeenten kopen om ons in de gaten te
houden, over de infrastructuur, ook in de energietransitie, waarvan we
weten dat daar heel slimme technologie bij zit die inzicht krijgt in
allerlei zaken in onze samenleving. Ik vind het zorgelijk dat daarop
niet één visie is. De economische visie is er namelijk eentje van hoop
en verdienen, van "ja, daar kunnen we veel mee". Artikel 1 van het
ministerie van Economische Zaken, het zorgen voor een florerende
economie en een florerende samenleving, is net geëvalueerd. Die
evaluatie komt pas in 2025 weer en dan wordt digitalisering meegenomen.
Ik zou minister Adriaansens willen aankijken op mijn allerliefste
manier, want de minister en ik kunnen nog weleens botsen. Ik zeg soms
weleens iets op mijn manier en dat vindt ze dan niet haar manier, maar
misschien kunnen we wel op de inhoud bij elkaar komen. Ik wil haar
vragen om dit eerder te analyseren. Zit bijvoorbeeld het waardenkader
dat de staatssecretaris probeert te ontwikkelen ook in die plannen van
Economische Zaken en Klimaat? Want als we het allemaal zien als
verdienmodel, verliezen we wellicht het zicht op bescherming. Als we het
allemaal zien als verdienmodel, verliezen we misschien wel het zicht op
de grondrechten. Als we het allemaal zien als verdienmodel, verliezen we
misschien wel het zicht op het feit dat het een basisvoorziening is voor
iedereen. Als we mensen uitsluiten in plaats van insluiten, doen we echt
het verkeerde als overheid.
Voorzitter. Als het dan gaat over de ethische commissie die zal worden
ingesteld, wordt advies gevraagd aan de SER. De SP begrijpt daar niks
van. Het Rathenau Instituut is hier voorliggend wat ons betreft en heeft
er al heel veel op ontwikkeld. We hoeven niet zo lang te wachten op een
advies van de SER. Ik roep de staatssecretaris op om, als het al
gevraagd is, de vraag naar het advies van de SER in te trekken en met
het Rathenau Instituut te overleggen hoeveel eerder het er kan komen.
Want we willen het allemaal, denk ik, die ethische commissie. Ik denk
dat daar redelijk wat consensus over is. Het moet er sneller komen dan
het geval is als je een advies vraagt aan de SER. Er ligt gewoon al veel
en genoeg.
Dan het waardenkader. In het hoofdlijnendebat had ik het over cookies:
wat is nou het waardenkader dat je daarbij hebt? Nou ja, toen ik dat
uitdiscussieerde met de minister van Economische Zaken was het:
gebruiksgemak gaat eigenlijk boven privacy. Dat mag. Dat mag je als
waardenkader hebben, maar als je dat waardenkader hebt, dan kunnen wij
daar wat van vinden. Daar heb ik een motie over ingediend, want dat is
er niet. En, echt, voorzitter, ik moet best wel lachen. Als ik in het
weekend vertel dat ik het ga hebben over een waardenkader
digitalisering, dan liggen mensen in mijn omgeving best in een deuk,
want mensen kennen mij natuurlijk toch een beetje als een
volksvertegenwoordiger die problemen op de agenda wil zetten en dingen
wil agenderen die iedereen begrijpt, maar een waardenkader is totaal
onbegrijpelijk. Maar op het moment dat wij dat hebben — welke waarden
weeg je tegen elkaar af of staan in rang — kunnen we ook met elkaar
kijken of we dat belangrijk genoeg vinden. Ik zei het net ook al in een
interruptiedebat met de VVD: de Kamer maakt vaak echt een andere
afweging dan de regering. Maar nou is dat waardenkader uitgewerkt met
een advies dat anderhalf jaar eerder is gegeven dan de motie is
ingediend. Eerlijk gezegd, vind ik dat onacceptabel. Dus ik zeg tegen de
staatssecretaris dat zij ons op deze manier niet met een kluitje in het
riet mag sturen. Ik wil dat zij daar zelf over nadenkt. Ik wil dat zij
daar zelf een visie over opstelt, en als zij dat zelf niet mag, dan met
de minister van Justitie en de minister van Economische Zaken erbij,
maar op deze manier kan zij ons niet met een kluitje in het riet
sturen.
Dan de datahonger en de algoritmes. Daarover hoorde ik de PVV net sneren
dat die niet belangrijk zouden zijn, maar die algoritmes hebben een
ontzettend schandaal veroorzaakt. Als het aan de PVV ligt, dan houden we
dat schandaal, want dan blijft geselecteerd worden op afkomst en waar je
woont. Dan blijft dat gewoon zo. Bij alle moties die daarover worden
ingediend, vinden zij het onbelangrijk om die te steunen. Het gaat om
basale mensenrechten. Wat de SP betreft, gaan we hier verder op door,
maar gaan we ook de datahonger van de overheid aan banden leggen.
De voorzitter:
Voordat u uw betoog vervolgt, is er een interruptie van mevrouw Van
Weerdenburg, die haar naam ongetwijfeld hoorde.
Mevrouw Van Weerdenburg (PVV):
Ja, sorry hoor, voorzitter, maar die is wel echt uitgelokt. Ik wil even
iets rechtzetten. Ik heb gezegd dat de SP en GroenLinks algoritmes en AI
vaak als focusonderwerp hebben en dat dat toevallig zo gegroeid is.
Daarmee wilde ik juist aangeven dat het niet zo is dat wij dat allemaal
niet belangrijk vinden. Maar ja, als je vier minuten spreektijd hebt,
dan moet je gewoon iets kiezen. Het is juist goed dat we allemaal een
ander focusonderwerp hebben.
Vervolgens: ja, we zijn voor algoritmes. De PVV vindt niet dat je
nationaliteit en zo moet weghalen uit een algoritme. Maar daarmee is het
niet zo dat wij allemaal prima vinden wat er vervolgens is gebeurd en
wat door de ambtenaren van de Belastingdienst met de resultaten van die
algoritmes is gedaan. Verre van. Ik wil mevrouw Leijten ook maar even
meegeven dat de PVV in de commissie-POK een zeer actieve rol heeft
gespeeld bij de poging om dit allemaal aan de oppervlakte te brengen.
Het is dus niet helemaal eerlijk wat zij de PVV nu aanwrijft.
De voorzitter:
Ik heb u iets meer ruimte gegeven, omdat u inderdaad voorkwam in het
betoog, maar ik wil voorkomen dat we bijna een omgekeerd
interruptiedebatje krijgen. Mevrouw Leijten, vervolgt u uw betoog.
Mevrouw Leijten (SP):
Nou, als ik kijk naar het stemgedrag, dan zie ik dat we de PVV niet aan
onze zijde hebben om de mensenrechtenschending die onder het
toeslagenschandaal ligt wat betreft de algoritmes die gebruikt zijn, op
te lossen.
Ik zou graag verder willen gaan met die mensenrechtentoets. Is die nou
verplicht en bindend? Die indruk krijg ik niet. Wat vindt de
staatssecretaris er nou van dat de Belastingdienst twee nieuwe systemen
heeft ontwikkeld, namelijk de tijdelijke nieuwe fraudelijst en een nieuw
algoritme om toeslagen te controleren, die beide niet door de toets
komen? Heeft zij het idee dat bij de overheid of bij delen van de
overheid is doorgedrongen hoe ernstig dit allemaal is? Heeft het gegeven
dat we zien dat de Belastingdienst twee nieuwe systemen maakt die beide
weer mensenrechten schenden, de staatssecretaris er niet juist in
gesterkt om die te verplichten en bindend te verklaren?
Voorzitter. Ik ga snel door naar de basisinfrastructuur van onze
digitale overheid, die zij is. Je kan ook wel spreken van een generieke
digitale infrastructuur. Je belandt in allerlei afkortingen, die ik
probeer te voorkomen, maar het eerste waar ik hierbij aan denk is dan
toch de Autoriteit Persoonsgegevens, die in ieder geval de wet over de
persoonsgegevens moet handhaven. De Autoriteit Persoonsgegevens wordt al
jaren ondergefinancierd. Zullen we ermee stoppen om dat wat de
basisinfrastructuur van de controle van de overheid is, onder te
financieren?
Dan ga ik verder met de Rijksdienst voor Identiteitsgegevens. Die ziet
toe op het gebruik van de BRP; de Basisregistratie Personen. Die is ook
ondergefinancierd. Tientallen miljoenen moet zij ophalen bij gemeenten
en gebruikers, om te zorgen dat onze basisgegevens goed worden gedeeld
en gebruikt. Ik vind dit echt flauwekul. Er worden honderden miljoenen
geïnvesteerd in allerlei ICT-systemen, waar we nauwelijks zicht en grip
op hebben en nauwelijks onze controlefunctie op kunnen uitoefenen. Maar
als je naar de basisinfrastructuur kijkt, zie je dat twee diensten
ondergefinancierd zijn. Zullen we daarmee stoppen? De SP gaat hier echt
een uitspraak over vragen van de Kamer. We hebben een amendement
ingediend voor de financiering van de Autoriteit Persoonsgegevens, maar
we vinden dat ook de Rijksdienst voor Identiteitsgegevens is
ondergefinancierd. Die behoren we niet te onderfinancieren.
Ik zou de staatssecretaris graag het volgende willen meegeven. De Kamer
is geen lastige hobbel met wie je af en toe ook een leuk gesprekje hebt
of met wie je even moet chitchatten over een inspirerende en voorlopende
functie. Je gaat niet in gesprek met de Kamer over hoe je verslag wil
doen. De Kamer is een partner in het toetsen van gemaakt beleid. De
Comptabiliteitswet is er om te zien of er gestructureerd plannen worden
gemaakt en of het geld dat daaronder hangt doelmatig en rechtmatig wordt
uitgegeven. Als zij zegt dat zij met de Kamer in gesprek wil gaan over
hoe dat werkt, is dat echt zwaar onvoldoende. We zijn misschien een
nieuwe commissie, maar dat maakt ons geen naïeve commissie. Wij weten
heus wel wat onze rechten zijn. Daarom zou ik de staatssecretaris willen
meegeven dat we volgend jaar gewoon een aparte begroting willen hebben.
Laat het maar een groeibegroting zijn, waarin steeds meer onderdelen
komen. Maar als we vragen om een visie en om waardes die daaronder
liggen, dan hebben we ook een aparte begroting nodig. Nu komt het van
allerlei delen van de overheid. Dat is voor ons en voor de
staatssecretaris nauwelijks controleerbaar. Het is niet eens haar
mandaat. Dat vindt de SP echt heel zorgelijk.
Voorzitter, tot slot. De Raad van State heeft ons, de Tweede Kamer als
medewetgever en de regering als wetgever, een advies gegeven over hoe we
om moeten gaan met digitalisering in het wetgevingsproces. Dit advies is
anderhalf jaar oud. Ik weet niet hoeveel debatten er zijn geweest.
Mevrouw Van Weerdenburg schampert dat wij het alleen maar over
algoritmen hebben, maar ik geloof dat ik in ieder debat ook heb gevraagd
wanneer de uitwerking van dat advies komt. Als het namelijk gaat over
wetten maken, keuzes maken en juridisch ervoor zorgen dat we rechtmatig
omgaan met bedrijven, met mensen die hier wonen en met mensen die hier
komen te wonen, dan hebben we nog heel wat te doen. Je mag zo'n
belangrijk advies dan niet laten liggen. Wanneer krijgen we daar
eindelijk een reactie op?
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Leijten. U heeft een interruptie van mevrouw
Dekker-Abdulaziz van D66.
Mevrouw Dekker-Abdulaziz (D66):
Ik wilde mijn collega eerst laten uitpraten voordat ik haar weer een
vraag stel. Het gaat mij om de digitale toegankelijkheid en de
basisvoorziening. Ik heb mevrouw Leijten horen zeggen dat niet iedereen
toegang heeft tot het internet. Wij hadden zelfs het idee dat het
internet eigenlijk onder de universele dienstverlening zou moeten
vallen. Wat vindt de SP daarvan?
Mevrouw Leijten (SP):
Voorafgaand aan dit debat dacht ik: misschien kan ik meneer Bontenbal
wel verleiden tot het nationaliseren van het internet. Hij vindt het
namelijk altijd heel leuk als ik daarover begin als het gaat om energie.
Maar zonder gekheid: ik denk dat we serieus moeten nadenken over de
vraag hoe je zaken kunt doen met de overheid, maar ook met school of je
werk. Zonder digitale toegang kom je er niet meer. We hebben het
allemaal gezien tijdens corona: op het moment dat je die toegang niet
hebt, is dat een probleem. Ik denk alleen wel dat we dan goed moeten
onderzoeken wat we er precies mee bedoelen. Ik zou zeggen: laten we een
internetaansluiting, bijvoorbeeld met een glasvezelnetwerk in het hele
land, zo snel mogelijk garanderen en ook aanjagen. Misschien moet je dat
wel een basisvoorziening noemen, waarbij je die infrastructuur ook echt
stuurt. Vervolgens zit je wel met vragen over toegang en over devices.
We moeten wel afbakenen wat dat precies is. Wat ons betreft ga je daar
best wel ver in. Ook bij leermiddelen op school zien we een kloof,
tussen kinderen in een gezin dat geen financiële problemen heeft om die
te regelen en gezinnen met misschien maar één keukentafel voor achter
personen, en die niet eens een device hebben. Wat ons betreft zou er een
debat moeten worden gevoerd over de vraag of er geld in zou moeten
worden gestoken om de ongelijkheid op te heffen tussen Randstad en
platteland en mensen met verschillende inkomens.
De voorzitter:
In algemene zin nog even een oproep. We hebben nu drie sprekers gehad,
maar zijn al een uur en een kwartier verder. We hebben nog een aantal
sprekers te gaan. Ik vraag dus om zowel de vragen als antwoorden kort te
houden.
Mevrouw Van Weerdenburg (PVV):
Ik zal het proberen, voorzitter. Mevrouw Leijten zegt dat die toegang en
devices misschien van overheidswege moeten worden gefaciliteerd, maar
heeft zij dan ook een soort verplichting in het vizier? Er zijn zat
mensen die wel een goede toegang hebben tot het internet en die wel
allemaal devices hebben, maar die nog steeds digitaal geen zaken willen
regelen of die anoniem willen blijven, om wat voor reden dan ook. We
zouden hen daartoe dan niet moeten verplichten.
Mevrouw Leijten (SP):
Daar begon ik mijn betoog mee. De overheid gaat uit van digitale
dienstverlening, terwijl het andersom zou moeten zijn: dus niet "ja,
mits" maar "nee, tenzij". Ik zie wel een groot probleem. Je kan dat
misschien als overheid instellen en garanderen, maar ik zie op scholen,
op werk en in de gezondheidszorg dat alles gewoon digitaal loopt.
Daarvoor is het dus wel belangrijk dat je die toegang in ieder geval
hebt. Je moet altijd nog de keuze kunnen maken, maar je moet ook die
toegang hebben. Er is dus eigenlijk een glijdende schaal naar de
verplichting van digitalisering. Daar maakt de SP zich al jaren zorgen
om. We mogen de blauwe envelop weer ontvangen, hoewel mensen die niet
graag krijgen, omdat wij in 2014 al aan de bel hebben getrokken en
hebben gezegd: die gaat er niet uit. Dat kreeg toen overigens volledige
steun van de Kamer. Maar dat gebeurt, los van het regelen van zaken met
de overheid, natuurlijk ook op andere vlakken. Daarom maak ik me zorgen
over de toegang die mensen hebben. Dus "garanderen" betekent niet
"verplichten".
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we door naar de volgende spreker. Dat is het eerste
en het enige duo dat we tijdens dit WGO hebben, van D66. Ik kijk even
wie er gaat beginnen. Dat is mevrouw Van Ginneken, namens D66.
Mevrouw Van Ginneken (D66):
Ja, voorzitter, dat heeft u goed gezien. Ik maakte aanstalten om te
starten, dus bij dezen. Het is eerder gezegd, maar ik wil het toch ook
nog even zeggen: vol verwachting klopte ook het hart van de D66-fractie.
Voor de duidelijkheid: dat was niet vanwege de aankomst van Sinterklaas
in Hellevoetsluis afgelopen zaterdag, wat best wel wat drama's
opleverde, kan ik u zeggen, maar vanwege de beloofde digitale begroting
die de Kamer vorige week van het kabinet zou ontvangen. Maar we hebben
niet de koek gekregen, maar de gard. Nu stop ik even met het
Sinterklaasliedje en duik ik de inhoud in.
We hebben een bundel gekregen met informatie over visies van
departementen, zonder bedragen en niet over de brede budgetten rondom
digitalisering, waar ook uitvoeringsorganisaties, toezichthouders en
stimuleringsprogramma's in opgenomen zijn. Dat is ver verwijderd van de
motie die ik hierover eerder met collega Leijten heb ingediend, laat
staan dat het maar enigszins in de buurt komt van de eisen van artikel
3.1 van de Comptabiliteitswet. Natuurlijk heb ik er begrip voor dat het
de eerste keer niet perfect is, maar ik was toch wel heel erg
teleurgesteld over wat we nu gekregen hebben. Daar ligt wat mij betreft
een taak voor alle ministers, want Digitale Zaken is natuurlijk een
onderwerp dat alle departementen aangaat. Wij willen van alle
departementen meer transparantie, zodat wij onze controlefunctie kunnen
uitvoeren als Kamer. Maar de ministers moeten het zelf ook willen, omdat
ze hun eigen effectiviteit ten aanzien van digitale ambities moeten
kunnen bewaken. Ik heb dus twee vragen aan het kabinet. Waarom is het
deze keer zo misgegaan? Hoe gaan de bewindspersonen ervoor zorgen dat ze
volgend jaar wel de gevraagde integrale begroting samenstellen?
Voorzitter. Dan cybersecurity. Ik maak me zorgen over de digitale
weerbaarheid van onze samenleving. Er wordt vaak gezegd "digitale
veiligheid is nationale veiligheid", en dat is hartstikke waar, maar het
is zo veel meer. Digitale veiligheid is ook onze toekomstige welvaart,
want digitale sabotage en spionage van buitenlandse actoren tasten onze
concurrentiepositie aan. Als we onze kennis laten stelen, dan helpen we
malafide buitenlandse concurrenten en laten we ook onze toekomstige
banen stelen. Toch zie ik dat de risico's van cybersecurity niet
structureel beheerst worden binnen en tussen organisaties. Dat las ik
ook in het cybersecurity dreigingsbeeld. Maar de helft van de bedrijven
met meer dan tien werknemers doet regelmatig een risicoanalyse, zegt het
CBS. Maar liefst een kwart van het kleine mkb doet niets om digitaal
veilig te zijn. Dat las ik in het cybersecurityonderzoek Alert Online.
Dat zijn zorgwekkende conclusies en daar maak ik me veel zorgen
om.
De kwetsbaarheid van het mkb voor cybercrime raakt onze hele economie,
want alle grote succesvolle internationale bedrijven staan op de
schouders van mkb-bedrijven, als toeleverancier, als innovatiepartner.
Neem bijvoorbeeld ASML in Veldhoven, waar ik twee maanden geleden was.
Dat is een wereldspeler in machines om chips te maken. Zij werken met
honderden mkb-bedrijven samen. Zij delen daarvoor ook
concurrentiegevoelige technische specificaties van hun machines. Die
moeten natuurlijk niet in verkeerde handen vallen. De cybersecurity van
ASML is dus zo sterk als de hele keten. Daarom neemt ASML ook een
actieve rol in de bescherming van heel Brainport Eindhoven.
Dat roept bij mij wel de vraag op of de minister van Justitie en
Veiligheid wel actief genoeg is. Laat ik vooropstellen dat ik blij ben
met de cybersecuritystrategie die de minister naar de Kamer heeft
gestuurd. Daarin wordt eindelijk de kunstmatige scheiding tussen
"vitaal" en "niet-vitaal" als het gaat om onze bescherming opgelost.
Daar vraagt de Kamer al heel lang om. Maar de vorming van een integraal,
eindelijk nationaal cybersecuritycentrum duurt nog jaren en
cybercriminelen werken inmiddels op professionele, industriële schaal
aan onze ondermijning. Wat mij betreft moet de minister veel meer
inzetten op preventie. Daarom heb ik vier vragen.
In een motie in april verzocht ik de minister om brancheorganisaties en
andere sectorkoepels te stimuleren om sectorale patchbrigades uit te
laten rukken. De minister heeft die motie overgenomen. Mijn vraag is dan
hoeveel van die patchbrigades er inmiddels zijn uitgerukt dankzij de
interventie van de minister en hoeveel bedrijven hiermee beter beschermd
zijn geworden.
De kwetsbaarhedeninformatie wordt door het Digital Trust Center
verspreid via onder andere samenwerkingsverbanden en
schakelorganisaties. Ik las de ambitie van het kabinet om voor eind
volgend jaar 50 van dat soort samenwerkingsverbanden te hebben, maar er
zijn er nu 48. Kan de minister van JenV uitleggen waarom de groeiambitie
zo laag is met maar twee samenwerkingsverbanden erbij?
Ethische hackers speuren actief naar digitale kwetsbaarheden bij
bedrijven en overheid. Ze zijn dus een ontzettend belangrijke schakel
naast alle securityprofessionals binnen bedrijven en overheden. Ethische
hackercollectieven zoals hwr DIVD of de Internet Cleanup Foundation
werken op vrijwillige basis. Het is fantastisch dat ze dat doen, maar
het is ook kwetsbaar. D66 vindt dan ook dat dit soort collectieven
structurele financiering verdienen, zodat ze continuïteit kunnen bieden
in hun eigen kennisontwikkeling en in hun samenwerking. Ik overweeg een
motie op dit punt. De vraag aan de minister van Justitie en Veiligheid
is of zij kan aangeven hoe ze aankijkt tegen een subsidieregeling voor
meerjarige financiering voor ethische hackercollectieven.
Mijn vierde vraag op dit punt betreft de versnippering. Het Nationaal
Cyber Security Centrum wordt eindelijk nationaal, al duurt dat nog even,
maar versnippering blijft op de loer liggen. Ik zag dat er binnen de
Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, de RVO, nu twee clubs zijn die
zich richten op het coördineren en bij elkaar brengen van de meer
fundamentele kennis over cybersecurity. Dan heb ik het over dcypher en
het nieuwe NCC. Kan de minister van Economische Zaken mij uitleggen
waarom het NCC, dat volgt uit Europese verplichtingen, niet gewoon als
taak is toegevoegd aan dcypher maar er weer een aparte club moet worden
opgericht met allerlei afstemming en extra overhead?
Voorzitter. Ik laat cybersecurity nu even los en ga naar het
Handelsregister. De Kamer van Koophandel is aan de slag gegaan met de
motie van D66 in april om het vestigingsadres af te schermen bij een
deel van de zzp'ers waarvan het evident is dat dat gewoon zou kunnen. Ik
ben blij dat de datavisie op het Handelsregister straks ook een
oplossing belooft voor alle zzp'ers. In de datavisie gaat de minister
ook in op het verdienmodel rondom het Handelsregister. Dat is
belangrijk, want persoonsgegevens zijn geen handelswaar. De overheid
moet wat mij betreft al helemaal geen dealer zijn. De minister heeft
daarvoor dekkingsvoorstellen beloofd, dit najaar. Ik heb ze nog niet
gezien. Kan de minister aangeven wanneer deze dekkingsvoorstellen naar
de Kamer komen? Klopt het dat in de EZK-begroting nu geen reservering is
opgenomen voor aanvullende financiering van de Kamer voor Koophandel?
Betekent dit dan inderdaad dat de verandering van het verdienmodel van
het Handelsregister niet eerder dan 1 januari 2024 mogelijk is?
Voorzitter. Nu we het toch over doxing hebben, is het belangrijk om te
zeggen dat het online delen van adresgegevens strafbaar gaat worden. Dat
beschermt journalisten, academici, politici en iedereen die deelneemt
aan het maatschappelijke debat tegen intimidatie en geweld. D66 is dan
ook blij met het wetsvoorstel van de minister van Justitie en
Veiligheid, maar ik heb wel de vraag waarom er geen extra capaciteit
voor opsporing en handhaving is gekoppeld aan dat wetsvoorstel. Het OM
heeft aangegeven op basis van deze nieuwe wet 1.500 nieuwe zaken per
jaar te verwachten, maar als die blijven liggen, is de bescherming tegen
doxing natuurlijk een lege huls. Mijn vraag aan de minister is dus hoe
zij dit gaat oplossen.
Dit was mijn deel van de inbreng van D66.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Van Ginneken. Ik kijk even rond, maar zie geen
interrupties. Dan gaan we door naar mevrouw Dekker-Abdulaziz namens
D66.
Mevrouw Dekker-Abdulaziz (D66):
Dank, voorzitter. Ik heb drie onderwerpen, datahonger, de
algoritmetoezichthouder en big tech, maar ik zou allereerst willen
beginnen met een positieve noot. Dat de staatssecretaris Digitale Zaken
hard aan het werk is, is zichtbaar voor ons en ook voor de buitenwereld,
dus complimenten. Voor nu herhaal ik wat mijn collega Van Ginneken zei:
het is zaak om alle bewindslieden bewuster te maken rondom
digitalisering. We komen nog dagelijks voorbeelden tegen van datahonger
en digi-optimisme vanuit de overheid. Wij vragen ons af hoe dat kan. Hoe
kan het dat verschillende overheden steeds vaker en meer gegevens van
ons verzamelen? Ik noem maar de WOZ-waardepilot, waarbij mensen naar hun
gemeente foto's moeten sturen van hun meubels en zelfs hun wc's. Die is
gestart in 80 gemeenten, met als voornaamste reden weer efficiëntie.
Waarom is dit bedacht? D66 vraagt de regering om hiermee te stoppen.
Graag een toezegging. Ik noem ook de gretigheid waarmee de politie
aanspoort om toch vooral de beeldcamera's, die vaak illegaal de openbare
ruimte filmen, te registreren. Het voelt op z'n minst
ongemakkelijk.
Voorzitter. D66 pleit dus voor het "beter voorkomen dan genezen"-beleid.
Als het niet per se nodig is om data van burgers te verzamelen, doe het
dan niet. Graag een toezegging dat de politie minder gretig wordt in
haar eigen datahonger.
Ik ga verder in op de vraag of overheidsinstanties eigenlijk geld mogen
verdienen met onze gegevens. Want het vraagstuk van het Handelsregister
speelt natuurlijk breder. Zowel het CBS als het Kadaster en andere
organisaties hebben voor hun primaire taak en werk onze gegevens nodig.
Ze publiceren gegevens en ze verkopen die soms ook. Wat D66 betreft is
dat natuurlijk prima voor onderzoek of voor eigen gebruik, maar het
lijkt ons niet de bedoeling dat datahandelaren deze gegevens gebruiken
om de onlineprofielen aan te vullen of te verrijken. Ergens klopt het
niet. We vinden vaak dat de overheid niet te veel gegevens van ons moet
kennen, maar dit vinden we dan prima. Wie koopt deze data eigenlijk?
Verzekeraars of woningbouwcorporaties? Deze data van datahandelaren zijn
vaak niet per se herleidbaar naar één persoon, maar dat betekent niet
dat een persoon daar geen last van heeft. Waarom is dit niet
gereguleerd? Is de minister van plan hier iets aan te doen? En zou het
niet wenselijk zijn dat de overheidsdata niet voor zulke doeleinden
gebruikt worden? Boetes van de AP zijn niet voldoende, want dan lijkt
het alsof dit incidenten zijn. We zouden dit structureler moeten
aanpakken. Kan de minister toezeggen de handel in data verder te
onderzoeken? Wil het kabinet ook voor het Kadaster een datavisie à la
die van het Handelsregister maken en wil de staatssecretaris vervolgens
toezeggen dat deze overheidsinstanties zo snel mogelijk, het liefst voor
1 januari 2024, stoppen met het delen of verkopen van onze data aan
datahandelaren? Overigens wordt vaak in voorwaarden genoemd dat je data
mag gebruiken, maar je mag er geen geld mee verdienen. Geldt dit ook
voor het CBS? Zo ja, waarom wordt hier niet op gehandhaafd?
Dan over het algoritmeregister en de toezichthouder daarop. Samengevat
is het prima en mooi dat er een algoritmeregister komt in 2023. Maar in
dit register zouden de algoritmes van het Rijk en de
uitvoeringsorganisaties moeten zitten. Ik noem dan bijvoorbeeld de
Belastingdienst en het UWV. Het is niet een verzamelbak van de
algoritmes die de gemeenten gebruiken. Dus wil de staatssecretaris
toezeggen dat alle ministeries op zijn minst een beschrijving aanleveren
van hun algoritmes in dit register en die dan later verder aanvullen?
Als voorbeeld kan de staatssecretaris kijken bij het
verwerkingsregister; dat bestaat namelijk al.
Dan de algoritmetoezichthouder. Wil de staatssecretaris of de minister
toezeggen dat de kaders van het toezicht hier in Nederland voor 1 juli
duidelijk zijn? En als de genoemde wet dan nog niet af is, kan het
kabinet dan een tipje van de sluier oplichten? Wil het kabinet toezeggen
dat deze toezichthouder allereerst bij de overheidsalgoritmes begint en
boetes mag uitdelen?
Dan big tech. De antwoorden op onze vragen over TikTok zijn binnen.
Allereerst: fijn dat ze op tijd binnen zijn gekomen. Dank daarvoor, maar
deze antwoorden roepen bij mij nog meer vragen op. Het kabinet
verschuilt zich achter de AP, terwijl we allemaal weten dat de
Autoriteit Persoonsgegevens structureel te weinig capaciteit heeft. Als
het aan D66 ligt, mag er vanuit de overheid ook een duidelijk signaal
komen dat de grenzen zijn bereikt. Wat ons betreft is verdere regulering
op dit gebied wenselijk. Allereerst wil ik de regering vragen: wil de
regering een klacht bij de AP indienen aangaande TikTok, voor het
schenden van de privacy van kinderen en het delen van onze gegevens met
derde landen? Graag een toezegging. Wil de regering onderzoeken hoeveel
kinderen precies gebruikmaken van videohoudende social media als YouTube
of TikTok? Wil de regering op nationale en Europese schaal
socialmediaplatformen dwing de algoritmes op hun platformen voor
kinderen uit te zetten of een aangepaste variant te maken, zoals in het
regeerakkoord staat?
De voorzitter:
Voor u verdergaat met uw volgende vraag aan de regering, hebt u een
interruptie van mevrouw Leijten, SP.
Mevrouw Leijten (SP):
D66 en de SP hebben veel samengewerkt als het gaat over voldoende
financiering voor de Autoriteit Persoonsgegevens. Dat is nog altijd niet
geregeld. In mijn termijn heb ik gezegd dat het toch wel gênant is dat
de basisinfrastructuur niet voldoende gefinancierd is, als het gaat om
belangrijke instituten, die juist gaan over onder andere die werkagenda.
Ik noem de Rijksdienst voor Identiteitsgegevens. Vindt D66 niet dat wat
wij hebben opgetuigd aan controle en noem maar op, gewoon basaal
gefinancierd moet worden en dat dit niet in de min moet staan? De
betrokken instanties moeten juist niet hun financiën krijgen van
gemeenten, zoals de Rijksdienst voor Identiteitsgegevens, want dat maakt
juist die handel in data mogelijk of wellicht aantrekkelijk.
Mevrouw Dekker-Abdulaziz (D66):
Dit is best wel een brede vraag. Over de financiering van de Autoriteit
Persoonsgegevens vindt de SP D66 aan haar zijde. Wij hebben ook altijd
gepleit voor meer structurele financiering. Er is ook het een en ander
in het regeerakkoord gekomen, wat langzaam maar zeker vorm begint te
krijgen in de verschillende begrotingen.
Over de financiering van de Rijksdienst voor Identiteitsgegevens: ik
moet eerlijk bekennen dat het volgens mij niet zo is dat de Rijksdienst
voor Identiteitsgegevens data van ons verkoopt. Als dat zo is, wil ik
dat graag horen van de regering. Ik heb mij daar niet verder in
verdiept. Ik zou zeggen: dat moet natuurlijk structureel beter
gefinancierd worden, maar de dekking moet altijd kloppen.
De voorzitter:
Dank u wel. U vervolgt uw betoog.
Mevrouw Dekker-Abdulaziz (D66):
Mijn laatste vraag gaat over big tech en de regering. De vraag of is of
de regering het maken van profielen van kinderen onder de 16 jaar door
socialmediaplatformen kan verbieden, bij voorkeur op Europese
schaal.
Tot slot, voorzitter. Het beschermen van onze kinderen in de digitale
wereld gaat verder dan alleen het aanpakken van TikTok en anderen. Het
ministerie heeft een code voor kinderrechten laten ontwikkelen. Dat zijn
goede beginselen als het gaat om digitale producten voor kinderen.
Hiervoor is echter geen financiering gereserveerd in de begroting. Een
inschatting is dat het verder ontwikkelen en levend houden van deze code
niet veel hoeft te kosten. Is de staatssecretaris bereid om uit te
zoeken of financiering mogelijk is vanuit artikel 6 van de begroting van
Binnenlandse Zaken?
Dank je wel.
De voorzitter:
Dank u wel. U heeft een interruptie van de heer Ceder,
ChristenUnie.
De heer Ceder (ChristenUnie):
D66 en de ChristenUnie zijn samen, met vele andere partijen, opgetrokken
na het bericht van vorige week rond TikTok. Ik heb daarover ook gezegd:
als de huidige versie zo blijft, dan denk ik dat een verbod of in ieder
geval toegang tot de markt ontzeggen op zijn plaats is. Dat heeft er met
name mee te maken dat er naast de algoritmes, waar ik me ook zorgen over
maak, volgens mij ook een veiligheidsvraagstuk is ontstaan. Dat is
waarom ik die stap zet. Ik hoor D66 wel aangeven dat er zorgen zijn.
Volgens mij heeft u ook een paar mooie moties aangekondigd, of ten
minste vragen gesteld. Daar kijk ik graag naar. Maar vindt u niet dat
het veiligheidsaspect of -vraagstuk, als er sprake van blijkt te zijn
dat de gegevens ook met landen gedeeld worden waar we juist minder
afhankelijk van proberen te worden, rechtvaardigt dat je in sommige
gevallen dus ook apps of big tech de toegang tot de markt zou moeten
ontzeggen?
Mevrouw Dekker-Abdulaziz (D66):
Dank voor deze vraag. Eerlijk gezegd heb ik ook over het verbieden
nagedacht, maar ik kon met mijn beperkte juridische kennis niet
een-twee-drie een artikel of een wet vinden op grond waarvan het
verbieden kan gebeuren, dus ik weet niet in hoeverre we dat zouden
kunnen doen, ook op Europees niveau. Verschillende bedrijven doen zaken
in Europa en wij kunnen dus als Nederland niet zeggen dat het hier niet
mag en in België wel. Maar ik ben wel geïnteresseerd in het antwoord
daarop, want ik ben wel benieuwd. Als er inderdaad sprake van zou zijn
dat de data van ons zomaar gedeeld worden met derde landen, dan moeten
we het misschien op z'n minst onderzoeken.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we door naar de volgende spreker, of spreekster in
dit geval, van de zijde van de Kamer. Dat is mevrouw Kathmann namens de
PvdA.
Mevrouw Kathmann (PvdA):
Dank u wel, voorzitter. Mevrouw Leijten heeft er volgens mij al
uitgebreid bij stilgestaan, maar ik vind het zo belangrijk dat ik het
toch nog een keer ga herhalen. We vergeten heel vaak met z'n allen dat
digitaal meedoen gewoon een mensenrecht is, een basisbehoefte. Als je
dat niet doet, dan heb je vaak ook problemen met je onderwijs, met werk,
met toegang tot zorg en ook gewoon met goed contact met je dierbaren.
Corona heeft dat natuurlijk heel pijnlijk blootgelegd, maar door de
koopkrachtcrisis staat die digitale toegang extra onder druk. Je ziet
ook dat veel ondernemers, maar ook sportclubs, scholen en gewoon heel
veel mensen … Ik heb begrepen dat bij veel gemeentes via het algemene
telefoonnummer steeds meer vragen binnenkomen van mensen die zich de
vraag moeten stellen: moet ik nou deze maand de verwarming betalen of
moet ik de wifi betalen? Daarom krijg ik graag van zowel de minister als
de staatssecretaris een inkijkje in de wijze waarop ze hier rekening mee
hebben gehouden bij al die voorstellen en koopkrachtmaatregelen van hun
collega's. Hebben ze die digitale component meegegeven en zijn daar ook
financiën voor uitgetrokken?
Maar ik zei het net al: ook vóór de koopkrachtcrisis zagen we die
problemen met internettoegang al. Dat was dus juist in wijken en buurten
waar mensen het financieel al zwaar hebben. Dit moet stoppen, omdat
daardoor het bestaansonzekerheidsvraagstuk van mensen dat we nu al
hebben alleen maar toeneemt, maar ook het verschil tussen arm en rijk
alleen maar toeneemt. Daarom zijn we van mening dat we hiervoor
voorstellen moeten indienen om wifi veel meer gratis te maken op
elementaire plekken, zoals in buurten en wijken. Dat kun je bijvoorbeeld
doen met government roaming, dat nu al bestaat. Ik vraag de
staatssecretaris wat haar visie daarop is, hoe zij hiertegen aankijkt.
Kan dat in ieder geval de noden van nu een beetje verzachten?
Ook al ben je wel verzekerd van die digitale toegang, dan nog is het
heel erg ingewikkeld om mee te doen. 2,6 miljoen Nederlanders vinden het
ongelofelijk ingewikkeld om digitaal mee te doen. 1,2 miljoen
Nederlanders zijn nagenoeg niet online. Dat zijn echt ongelofelijk
grote, gigantisch grote cijfers. Daarom vraag ik de staatssecretaris:
waar blijft de nationale campagne over digitale vaardigheden, zodat
iedereen die niet digitaal vaardig is, weet dat hij niet alleen is en
dat je daar hulp voor moet zoeken?
Ik hoor graag van de minister waar de budgetten voor het mkb blijven.
Mkb'ers hebben handreikingen nodig over hoe ze hun werknemers veel meer
digitaal weerbaar kunnen maken en hoe ze ervoor kunnen zorgen dat
werknemers digitaal vaardiger zijn. Daar heeft niet alleen die
werknemers iets aan maar het hele bedrijf. Dat helpt gewoon bij de
digitale weerbaarheid van ons mkb.
Dan de CO2-voetafdruk van de digitale economie. Het is niet
zichtbaar, want er komt geen rook uit onze iPadjes en er komt ook geen
vuurpluim uit datacenters, maar die voetafdruk is gigantisch. We praten
hier vaak over digitale honger, maar de digitale samenleving heeft
energiehonger. Daar moeten we heel snel iets mee. Ik zou dan ook graag
van de minister horen hoe het staat met de integrale aanpak voor
duurzame digitalisering en hoe het staat met de transitie naar duurzame
digitale infrastructuur, dus juist het verkleinen van de ecologische
footprint. Ik hoor ook graag hoeveel geld daarvoor is
uitgetrokken.
Dan de werkagenda van de staatssecretaris, of eigenlijk de werkagenda
digitalisering van dit kabinet. Ik ben ongelofelijk blij dat die er is,
want wij als commissie voor Digitale Zaken snakten ernaar. Het blijft
wel jammer dat het alleen een BZK-agenda is. Ik weet dat dat ook
aangekondigd is en er staat ook in het document dat die agenda nog
aangevuld moet worden en dat er van alles aan toegevoegd moet worden.
Maar eigenlijk duizelt het mij nog steeds, als je vraagt hoeveel geld we
nou uittrekken voor de digitalisering van Nederland. Ik bedoel daarmee
vooral voor de overheid, dus het faciliteren van die digitale
samenleving, het beschermen van onze burgers, het helpen van bedrijven,
noem maar op. Het is ongelofelijk moeilijk om op deze manier je werk te
doen als commissie voor Digitale Zaken.
Mevrouw Kathmann (PvdA):
Ik hoor graag van beide ministers en de staatssecretaris of zij dat met
ons eens zijn. Kunnen we misschien verbetervoorstellen tegemoetzien voor
de toekomst, voor hoe we bijvoorbeeld volgend jaar beter ons werk kunnen
doen en voor hoe we veel meer kunnen gaan naar een integrale aanpak van
digitalisering zoals we die voor ogen hadden bij Digitale Zaken? Daarom
heb ik een aantal concrete vragen. Ik hoor graag van de staatssecretaris
wanneer de actualisatie van de werkagenda naar de Kamer wordt gestuurd,
wanneer we de uitwerking van het digitaal fundament krijgen en wanneer
we de eerste voortgangsrapportage krijgen. Hoe worden we op de hoogte
gehouden over de nader te concretiseren indicatoren? En hoe maakt de
staatssecretaris inzichtelijk hoeveel geld er in totaal is voor de
werkagenda? Dat zijn vragen die bij mij als Kamerlid heel erg spelen. Ik
zou daar antwoord op willen hebben, om mijn werk goed te kunnen
doen.
Wat ook van belang is, zijn heel veel dingen die niet in de werkagenda
staan maar wel elementair zijn voor het succes van de werkagenda. Willen
we er echt goed werk van maken, dan moeten we anders inkopen en anders
aanbesteden. Onze digitale samenleving vraagt er echt om dat we een
aantal structuren zoals we die als overheid maar ook als Kamer hebben
ingericht, doorbreken en dat het op een heel andere manier gaat. Er moet
werk gemaakt worden van een Nederlands-Europese digitale
industriepolitiek, maar ook van een Nederlandse digitale maakindustrie.
Eigenlijk moet de hele ICT-cultuur van de overheid op de schop. Als we
dat niet doen, dan gaat deze agenda gewoon mislukken. Het gaat alleen
over hoe wij ICT-projecten financieren. Dat gaat nu vaak met een smak
geld. Dat vinden wij makkelijk in de Kamer. Dan weten we het. Maar zo
werken ICT-projecten niet. Vaak is het iets lopends. Je trekt eerst wat
geld uit om het op te zetten en vervolgens moet je geld blijven
uittrekken om het te monitoren, om het veilig te krijgen enzovoort. Het
vraagt gewoon om een heel andere manier van financieren.
Het vraagt ook om een aantal structurele wijzigingen in hoe we omgaan
met de publieke waarden in de wetgevende taak van de overheid. Kijk naar
zorg, veiligheid en onderwijs. Daar hebben we gewoon een
Nederlands-Europese maakindustrie voor nodig. Mijn kinderen noemen
computers niet meer "computers", maar "chromebooks". Om in Social
Schools te komen hebben ze een Google-account nodig. Mijn kinderen
denken dat internet hetzelfde is als Google en dat computers hetzelfde
zijn als chromebooks. We vinden dat allemaal volstrekt normaal. 80% van
het basisonderwijs — op dat punt zitten we nu — is gewoon compleet
afhankelijk van Google. Als dat met lesboekjes zou gebeuren, dus als
Microsoft nu schoolboeken ging uitgeven en die in klaslokalen zou
dumpen, dan zou de wereld op z'n kop staan. Daar hebben we een
onderliggende kijk op nodig vanuit de maakindustrie. De vraag is: hoe
zorgen we dat veel meer partijen waar de overheid grip op heeft,
nationale partijen of Europese partijen — dat is ook goed voor onze
veiligheid — een rol kunnen gaan spelen? Dat mis ik in deze werkagenda.
Die onderlegger hebben we gewoon nodig, wil dat een succes zijn.
Wat ook heel hard nodig is, is dat niet alleen de techniek centraal
staat — daarop focussen we ons hier — maar vooral mens en techniek. Er
is een mooie uitspraak, namelijk: "A fool with a tool, is still a fool."
Uiteindelijk kunnen we hier wel zeggen dat algoritmes in een register
moeten en dat we die allemaal moeten controleren en checken, maar als er
dan nog steeds iemand bij een balie zit die als er het woord "fraudeur"
uit komt, dat tegen een burger zegt, dan kan diegene nog steeds zeggen:
ja, maar is het allemaal gecheckt en gecertificeerd; het was allemaal
goed, ook de mensenrechtentoets. Wil het een succes zijn, dan moeten we
ons ook in deze werkagenda gaan focussen op het samenspel van mens én
techniek. Kunnen we nog een werkagenda verwachten van de minister en de
staatssecretaris die dit gaat regelen, die eigenlijk de onderlegger is,
met andere financiële structuren en een andere kijk op de bedrijven die
betrokken zijn bij onze publieke zaak? Dit zijn allemaal dingen in de
samenleving waar de overheid een wettelijke taak in heeft en dus ook op
grote voet in moet handelen. Ik ben daar gewoon ongelofelijk benieuwd
naar. Deze discussie moeten we beter met elkaar voeren. Ik zou dus ook
graag van de staatssecretaris willen horen of het bijvoorbeeld een goed
idee is om de SER uit te breiden met een digitale stoel. Dan kunnen we
namelijk ook beter in gesprek met het veld. Dat zou misschien al helpen
om de maatschappelijke discussie aan te zwengelen.
Ik kijk even naar de voorzitter. Ik heb nog maar één minuut? Ja, dat is
echt vreselijk.
Ik heb nog één afsluitende vraag, want ik sluit mij aan bij de vragen
over de AP en meer budget. Dat moet gewoon gebeuren. Ik hoor graag van
de stas hoe dit budget tot stand is gekomen en of de staatssecretaris
denkt dat dit toereikend is.
Fijn dat de minister van Justitie en Veiligheid hier is, want in
september had ze de HJ Schoo-lezing. Die zei, in de context van sociale
media, dat we afstevenen op een autoritaire coup. Ik ben heel erg
benieuwd wat de plannen van de minister zijn om dat tegen te gaan.
Dan een laatste ding. Ik kijk even of ik nog iets heb. Ja. Er zijn
steeds meer initiatieven die inspelen op dat grote gebrek aan digitale
vaardigheden, maar ook op het vullen van digitale vacatures, zoals
Techgrounds. Dat is hartstikke mooi. Heel veel jongeren die uitvallen of
mensen die al langere tijd langs de lijn staan, worden daar in twaalf
weken opgeleid tot bijvoorbeeld basisprogrammeur. Er is een uitstroom
van 100% en er is sprake van open hiring. Gelukkig schieten deze
initiatieven als paddenstoelen de grond uit. Ik hoor graag van de
minister of er extra budget voor kan worden uitgetrokken, want dat kan
ongelofelijk helpen om mensen met digitale skills op de arbeidsmarkt te
krijgen.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Kathmann. Ik kijk even rond om te zien of er nog
interrupties zijn. Er zijn geen interrupties. Dan is het woord aan de
heer Bontenbal namens het CDA.
De heer Bontenbal (CDA):
Dank, voorzitter. 60 jaar geleden, in 1962, publiceerde de Duitse
socioloog en politicoloog Jürgen Habermas zijn boek De
structuurverandering van het publieke domein. In dat boek schetste
Habermas het ontstaan van het zogenaamde publieke domein. Het publieke
domein omschrijft hij als: "Een domein dat vrij is van machten die het
beïnvloeden en manipuleren. Het is het terrein van de civiele
maatschappij van verenigingen, academies, onafhankelijke media,
vakbonden en burgerinitiatieven. Hier worden standpunten, meningen en
visies verwoord en bediscussieerd." Dat publieke domein is er niet
altijd geweest. Het publieke domein ontstond in Europa, zo beschrijft
Habermas, met de opkomst van het koffiehuis in Engeland in de achttiende
eeuw. Mensen uit verschillende klassen spraken daar met elkaar over
politiek en over zakendoen. In Frankrijk bloeiden de salons op, waar
allerlei mensen spraken over kunst, literatuur en politiek. En in
Duitsland ontstonden de zogenaamde tafelgezelschappen. Boeken,
tijdschriften en kranten namen vervolgens een deel van het publieke
debat over.
Maar volgens Habermas ging dit publieke debat langzaamaan teloor. Hij
wijt dat aan de macht van het bedrijfsleven over de persoonlijke en
publieke sfeer, en ook aan een bureaucratische overheid, die zich als
een bedrijf is gaan gedragen. Het publieke debat manifesteert zich
steeds meer als een vorm van consumptie volgens Habermas. Massamedia
verdienen geld met advertenties en discussie krijgt het karakter van
entertainment. Het publiek is dus onderdeel geworden van het
verdienmodel. Hoe blijft democratie mogelijk onder invloed van de markt,
machtige bedrijven en een bureaucratische overheid? Waar blijft de civil
society in dit geweld van markt en overheid?
Dat zijn de vragen waar Habermas zich 60 jaar geleden al mee bezighield
en die voor ons in de Tweede Kamer nog steeds heel actueel zijn. Voor
een gezonde democratie zijn een gezonde civil society en een gezond
publiek debat immers onmisbaar. Wellicht was Habermas te somber, maar de
vragen die hij stelt zijn juist nu relevanter dan ooit. De kernvraag is
deze: hoe houden we een samenleving in stand en een kwetsbare democratie
overeind in deze tijden van machtige socialmediaplatforms en
internationale techbedrijven? Anders geformuleerd: wat doen nieuwe
digitale technologieën met de manier waarop we met elkaar samenleven?
Hoe kunnen nieuwe technologieën bijdragen aan de integrale ontwikkeling
van de hele mens, in plaats van deze te ondermijnen?
We hebben twee weken geleden met elkaar gedebatteerd over digitale
grondrechten en publieke waarden. Het voorgaande zou ik graag omzetten
in een concrete vraag die voortborduurt op wat ik in dat debat ook heb
gezegd en gevraagd: is de staatssecretaris bereid om de WRR om een
advies te vragen, waarin wordt gereflecteerd op de vragen die ik zojuist
heb geformuleerd? Ik weet dat de WRR is gestart met een adviesproject
media en democratie en er lopen ook nog wel wat andere onderzoeken bij
andere gezaghebbende instituten. Dit zou daar dus goed in kunnen passen,
mits deze vraag expliciet aan bod komt. Op die manier kan de
staatssecretaris ook dit deel over publieke waarden, waarover zij ook in
haar werkagenda schrijft, verder concretiseren. Over welke publieke
waarden hebben we het dan? Is er een gemeenschappelijke basis te vinden
van ethische en politieke uitgangspunten die richting geven aan het
beschermen van deze publieke waarden?
Er zijn ook beloftevolle initiatieven die juist het democratisch
burgerschap kunnen versterken. In de werkagenda wordt het voorbeeld van
de PubHubs genoemd, waarmee publieke organisaties digitale platforms
kunnen gebruiken voor het gesprek met hun publiek. Hoe kunnen we dit
soort initiatieven inzetten om het publieke gesprek op een nieuwe manier
op gang te helpen?
Voorzitter. Met het voorgaande heb ik een van de drie vragen
geformuleerd waarmee ik steeds de onderwerpen die in de portefeuille
Digitale Zaken aan de orde komen, benader. De andere twee vragen zijn de
volgende.
De voorzitter:
Voor u doorgaat met uw andere twee vragen heeft u een interruptie van
mevrouw Van Weerdenburg, PVV.
Mevrouw Van Weerdenburg (PVV):
Ik hoor de heer Bontenbal zeggen dat we moeten zoeken naar een nieuwe
manier van het gesprek voeren met burgers. Hij vraagt eigenlijk aan de
bewindspersoon of dat PubHubs zouden moeten zijn. Maar bedoelt hij
"nieuw" als in: we moeten de huidige platvormen vervangen? Moeten we
eigenlijk van de huidige communicatiekanalen af?
De heer Bontenbal (CDA):
Nee, meer in de zin dat een aantal nieuwe technologieën gewoon kansen
biedt om het gesprek tussen overheid en burgers op een nieuwe, creatieve
manier vorm te geven. Ik vind die PubHubs een interessant initiatief om
dat te proberen.
De voorzitter:
Mevrouw Van Weerdenburg voor een vervolgvraag.
Mevrouw Van Weerdenburg (PVV):
Dat is absoluut interessant, maar het is niet echt een nieuwe
technologie.
De heer Bontenbal (CDA):
Dat klopt, maar het is ook niet zo dat dat nu massaal wordt ingezet. Ik
ben dus heel erg benieuwd op welke plekken dit succesvol wordt ingezet
en of de overheid dat vaker kan doen. Volgens mij hebben we het in dit
huis tegenwoordig ook vaak over burgerberaad en dat soort nieuwe
initiatieven. Volgens mij past dit hierbij en is dit
complementair.
De voorzitter:
U was gebleven bij twee vragen die u aan de regering wilde
stellen.
De heer Bontenbal (CDA):
Zoals gezegd, kijk ik steeds door drie brillen naar deze portefeuille.
Die vraag gaat u tot vermoeiens toe in elk debat terughoren. Die andere
twee vragen zijn de volgende. De tweede vraag is: hoe kunnen we met
digitalisering het verdienvermogen van Nederland versterken? De derde
vraag is: hoe kunnen we gezinnen helpen met het omgaan met digitale
technologieën? Dat zijn de drie lenzen waarmee ik steeds naar mijn
portefeuille digitale zaken kijk.
Nu wat meer over het tweede punt: het verdienvermogen van Nederland en
digitalisering. Ik merk dat we het de afgelopen debatten veel hebben
gehad over grondrechten als privacy, transparantie en eigenaarschap van
data. We hebben het nog weinig over bescherming van publieke waarden.
Daar heb ik zojuist ook iets over gezegd, maar we spreken ook nog te
weinig over de potentie van digitalisering voor het verdienvermogen van
Nederland. Want één ding is duidelijk: de maatschappelijke uitdagingen
die voor ons liggen en de enorme krapte op de arbeidsmarkt betekenen dat
digitalisering onmisbaar is om deze maatschappelijke vraagstukken aan te
pakken. In de gesprekken die ik heb gevoerd, heb ik vaak gehoord dat
Nederland achterloopt op andere landen in Europa. In Frankrijk is het
heel normaal dat je op afstand een contract online bespreekt met een
notaris en ondertekent met een digitale handtekening. Ook Finland wordt
vaak genoemd als land waar ze al veel verder zijn met
digitalisering.
Ik heb hier drie vragen over. In de eerste plaats: wat is er geworden
van de samenwerking van de coalition of the willing, waarin acht
Europese landen, waaronder Nederland, in 2020 zijn gestart om de
digitale transformatie van de diverse overheden te versnellen? Is hierin
voortgang geboekt? De tweede vraag is of de minister bereid is een
vergelijkend onderzoek te laten doen naar de manier waarop andere landen
inzetten op digitalisering, zodat we daarvan kunnen leren. Wat kunnen we
leren van Finland, Frankrijk, Duitsland, België en Denemarken? Waarin
lopen zij voor? Wat kunnen wij van hen leren? Is de minister bereid om
zo'n onderzoek te laten doen? Ik begreep dat er wel aanzetten zijn tot
dit soort vergelijkende overzichten, maar wellicht kunnen die iets
preciezer. Mijn derde vraag is of we het concept "industriepolitiek",
dat net al werd genoemd door een collega, ook niet op het thema
"digitalisering" moeten toepassen. We doen dat wel met fysieke
bedrijvigheid. Wordt het niet tijd dat Europa en Nederland nadenken over
het behouden, ontwikkelen en aantrekken van strategische bedrijven of
platforms op het gebied van digitalisering? We hebben in Europa een
Airbus om niet te afhankelijk te zijn van het Amerikaanse Boeing. Kunnen
we voor cruciale software en platforms Europese alternatieven ontwerpen,
koesteren en/of voorrang geven?
Dan iets over mijn derde punt: digitalisering in vitale gezinnen. Voor
de zomer heb ik met een groot aantal collega's een motie ingediend om
loot boxes te verbieden. Ik lees dat daar deze maand een reactie op
komt. In de brief wordt ook verwezen naar een rapport van het
Trimbos-instituut. In dat rapport kwam ik een mooie verwijzing naar het
rapport van UNICEF tegen, waarin mijns inziens nuttige aanbevelingen
werden gedaan aan de gamingindustrie over hoe zij spellen zo kunnen
ontwikkelen dat ze veilig en gezond zijn voor kinderen. Ik was verrast
door de concreetheid van die adviezen. Volgens mij kunnen ze heel nuttig
zijn. De aanbevelingen gaan bijvoorbeeld over het vermijden van
verslavende elementen in spellen, het beheersen van de speeltijd, het
creëren van een veilige omgeving, ouderlijk toezicht enzovoorts. Het
zijn nuttige aanbevelingen. Ik heb nog één minuut. Is het mogelijk om in
de reactie op het rapport van het Trimbos-instituut ook een reactie op
dit rapport mee te nemen? Dat vraag ik de staatssecretaris.
Ik heb natuurlijk nog veel meer punten dan in die ene minuut passen, dus
ik ga er wat uit pikken. Eerst overbodige dataopslag. Studies laten zien
dat in mailboxen, op schijven en in procesapplicaties 90% van de data
overbodig is. Dat noemen ze ROT-data: redundant, obsolete en trivial. Er
is groeiend dataverbruik in de wereld en groeiend energieverbruik. Maar
als 90%, 80% of misschien 50% van de data die we opslaan gewoon compleet
overbodig is — ik hoef maar naar mijn eigen Gmail-account te kijken —
dan zijn we dus ook heel veel dingen aan het opslaan die totaal
overbodig zijn. We kunnen datacenters zuiniger maken. Dat is goed. Dat
doen we ook. Volgens mij zit daarin veel ontwikkeling. Maar je zou
eigenlijk aan de voorkant moeten beginnen. Een bewustwordingscampagne
kan natuurlijk altijd — "met hetzelfde gemak gooi je je overbodige data
in de afvalbak" — maar wellicht is er veel meer mogelijk. We kunnen
bedrijven vragen een jaarlijkse check op hun data te doen. We kunnen in
allerlei programma's nog veel betere dataopschoningsprogramma's stoppen.
We kunnen termijnen waarop je data worden weggegooid, verkorten
enzovoorts.
De andere punten ga ik bewaren voor interrupties, of ik verzin een
andere slimme vorm om ze toch nog ergens kwijt te kunnen.
Voorzitter, dank u wel.
De voorzitter:
U heeft ook nog een tweede termijn. U bent niet uitgelopen. We hadden
allemaal uw slogan niet willen missen, denk ik! Dank in algemene zin aan
alle leden voor de discipline om binnen de spreektijd te blijven. Ik zie
geen interrupties. Dan gaan we door naar mevrouw Bouchallikh namens
GroenLinks.
Mevrouw Bouchallikh (GroenLinks):
Dank u wel, voorzitter. De zorgen over het algoritme worden in het
parlement breed gedragen, gelukkig niet alleen door de SP en GroenLinks.
Zo zijn meerdere goede moties aangenomen. Ik zou vandaag willen ingaan
op twee daarvan. Ik wil specifiek ingaan op de motie-Klaver c.s. over
het bouwen van een algoritmeregister en de
motie-Bouchallikh/Dekker-Abdulaziz over het verplichten van een
mensenrechtentoets voor algoritmen.
Voorzitter. Het probleem is dat deze aangenomen moties helaas niet
worden uitgevoerd zoals ze in principe zijn bedoeld. Zo is de motie over
het opzetten van een algoritmeregister inmiddels al bijna twee jaar oud,
maar er lijkt nauwelijks een begin te zijn gemaakt met de uitvoering.
Hetzelfde geldt voor de motie over de mensenrechtentoets. Ik zal hierop
blijven hameren, en de rest van de Kamer gelukkig ook. Het is namelijk
niet alleen rechtvaardig en nodig dat moties worden uitgevoerd, maar ook
kan een relatief kleine investering nu ervoor zorgen dat er geen
gigantische inspanningen moeten worden gedaan om achteraf fouten te
herstellen, zoals destijds bij het toeslagenschandaal. Kan de
staatssecretaris uitleggen waarom deze moties niet worden uitgevoerd?
Kan de minister van Economische Zaken vertellen hoe zij in de Europese
Unie met name de motie over de mensenrechtentoets uitvoert bij de
onderhandelingen over de AI-wet?
Voorzitter. Dan de Autoriteit Persoonsgegevens. We zijn blij dat het
budget van de autoriteit enigszins wordt verhoogd, maar het is bij lange
na nog niet genoeg om alle belangrijke toezichttaken goed uit te voeren.
Wat vindt de minister van Justitie en Veiligheid ervan om de inkomsten
van de toekomstige digitaks hiervoor in te zetten?
Voorzitter. Dan eerlijke verkiezingen. We vinden het ontzettend
belangrijk dat die worden gewaarborgd, maar de afgelopen jaren zijn er
steeds meer bedreigingen bij gekomen. Recentelijk zei de baas van
Russische huurlingenleger Wagner dat Rusland met chirurgische precisie
"verkiezingen kan beïnvloeden". Dat is ontzettend zorgelijk. Gelukkig
komt de Europese DSA eraan. Daarmee wordt een eerste stap gezet en meer
transparantie gecreëerd, maar die grijpt niet fundamenteel in en
vertrouwt nog te veel op de platforms zelf. Wat gaat het kabinet doen om
er verder voor te zorgen dat we in Europa, en specifiek in Nederland,
eerlijke verkiezingen hebben? Wat kan er op Europees gebied gebeuren om
vrijheden en rechten niet door onlinepolarisatie en desinformatie te
laten destabiliseren?
Voorzitter. Wat ons betreft kunnen we in Nederland ook wel aan de slag,
want er komen provinciale verkiezingen aan. Pas als we weten wat er
gebeurt en wat de bedreigingen zijn, kunnen we achteraf wat concreter
handelen. Ik heb in het verleden al eerder vragen gesteld over nationale
verkiezingen. Ik zou graag van tevoren bij de provinciale verkiezingen
willen kijken wat we goed kunnen monitoren om vervolgens achteraf te
zien wat eventueel goed is gegaan, en hopelijk zien we dan geen dingen
die minder goed zijn gegaan. We gaan hier graag alvast preventief mee
aan de slag. Wat kan het kabinet daarmee doen?
Voorzitter. Dan big tech. Het nieuws over TikTok en de grillen van Elon
Musk onderstrepen nogmaals wat er mis is met deze bedrijven. Maar deze
nieuwsfeiten zijn slechts symptomen van een slechte ontwikkeling. Enkele
grote bedrijven hebben ontzettend veel macht. Nog steeds worden deze
bedrijven te veel gezien als goedwillend, in plaats van als bedrijven
die ongelofelijk veel macht en impact hebben op onze maatschappij,
terwijl ondertussen geen sprake is van een sterke democratische
controle. We moeten echt ingrijpen en niet naïef zijn wat dit betreft.
We hebben eerder met veel partijen inderdaad Kamervragen gesteld over
TikTok. We blijven vanuit de Kamer scherp.
De voorzitter:
U heeft een interruptie van de heer Ceder.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ook op dit onderdeel deelt de ChristenUnie de zorgen van mevrouw
Bouchallikh over social media en TikTok. Daar hebben wij ook samen met
een breed aantal partijen Kamervragen over gesteld. Ik merk wel dat de
oplossingen en het gevoel over het instrumentarium dat we daarvoor nodig
hebben uit elkaar lopen. Ik ben benieuwd of GroenLinks niet alleen de
zorgen deelt maar ook vindt dat we naar het instrumentarium moeten
kijken om te kunnen ingrijpen als dit zo blijft.
Mevrouw Bouchallikh (GroenLinks):
Ik ben blij dat we met z'n allen veel aandacht hebben voor dit fenomeen.
Ik zou zeker ook verder willen kijken naar juridische mogelijkheden. Het
baart mij bijvoorbeeld onder andere nog steeds zorgen dat TikTok heel
erg verwijst naar de leeftijdgrens, waarbij mensen zelf kunnen invullen
hoe oud ze zijn, en dat gegeven vervolgens als argument gebruikt om aan
te geven dat die wel geborgd is. Ik zou onder andere willen kijken of we
dat op een betere manier kunnen organiseren. Ik ben daarbij wel zoekende
naar wat we vanuit Nederland kunnen doen, wat we vanuit Europa kunnen
doen en hoe we ervoor kunnen zorgen dat we de middelen hebben om in te
grijpen. Dan specifiek over het verbod waartoe de ChristenUnie oproept:
ik zou eerst willen kijken wat er mogelijk is met de instrumenten die we
nu hebben.
De voorzitter:
Meneer Ceder, dan bent u als eerste bij uw laatste en zesde vraag. De
heer Ceder, ChristenUnie.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ja, voorzitter, ik stel 'm toch. Bij de Kamervragen die wij vorige week
samen hebben ingediend, stelde ik mezelf de vraag wat wij als fractie
eigenlijk op TikTok doen. Toen bleek dat wij een paar weken terug nog
een fractieaccount hadden. Dat hebben wij aangepast. Ik weet dat het
ministerie van Algemene Zaken de rijksoverheid ook heeft geadviseerd om
iets met TikTok te doen. Ik moest toevallig denken aan de geweldige
dansfilmpjes — dat moet ik erbij zeggen — van de heer Klaver. Volgens
mij zitten wij er als fracties allemaal voor een groot deel nog op. Ik
ben even benieuwd hoe u daarnaar kijkt, en ook naar het advies van het
ministerie van Algemene Zaken dat we eigenlijk zouden moeten kijken hoe
we daar niet alleen in de overheidscommunicatie maar misschien ook als
politiek, ook richting de Provinciale Statenverkiezingen, wat
voorzichtiger op moeten zijn. Hoe kijkt u daarnaar?
Mevrouw Bouchallikh (GroenLinks):
Dank voor deze interessante vraag. Ik ben zelf ook actief op TikTok,
niet alleen met dansfilmpjes, maar ook met politieke onderwerpen, want
vaak wordt onderschat hoeveel mensen hun nieuws daar vandaan halen. Dat
is aan de ene kant een probleem, want we hebben er inderdaad niet veel
zicht op wat daar gebeurt. Aan de andere kant is het ook een
mogelijkheid om mensen te betrekken bij de democratie en de politiek. Ik
heb ook het dossier mbo en ik spreek veel studenten die met name via
TikTok hun informatie krijgen. Ik ben zoekende — dus dat zeg ik hier dan
ook — hoe we ervoor kunnen zorgen dat we een middel al dan niet veilig
genoeg kunnen gebruiken om het ook in te zetten voor ons werk als
volksvertegenwoordigers. Tegelijkertijd herken ik ook de zorgen van de
ChristenUnie, want we willen niet door ons eigen handelen bijdragen aan
iets waar we in principe nog vragen bij hebben. Ook daar heb ik nog geen
antwoord op, maar ik merk wel dat ik het op dit moment nog wel waardevol
genoeg vind om, met alle zorgvuldigheid die nodig is, het medium te
gebruiken voor doelen die wij nodig achten.
De voorzitter:
Dank u wel. Vervolgt u uw betoog.
Mevrouw Bouchallikh (GroenLinks):
Even kijken waar ik was. O ja, bij de big tech en de werkagenda. Vanuit
de Kamer is daar vrij veel aandacht voor, maar het viel mij op dat big
tech niet als zodanig wordt genoemd in de werkagenda digitalisering. Ik
vroeg me af hoe dat komt. Welke stappen onderneemt de staatssecretaris
in het algemeen om de macht van big tech te beteugelen? Want ik hoop
niet dat we elke keer naar aanleiding van nieuwsberichten over Facebook,
TikTok of Instagram weer vragen moeten stellen. Ik hoop te horen wat het
kader is van waaruit de staatssecretaris zelf handelt.
Dan kom ik op datagebruik door de overheid. Over grondrechten hebben we
eerder vragen gesteld, waaronder ook in het eerdere debat. Ik zou toch
weer willen verwijzen naar het rapport "Sturen of gestuurd worden?" van
de Raad voor het Openbaar Bestuur, waar ik hier destijds ook een vraag
over heb gesteld. De staatssecretaris heeft toen toegezegd niet één
evaluatie te willen doen, maar een korte brief te willen sturen over de
voortgang per onderdeel. Toen ik dit debat aan het voorbereiden was,
dacht ik: eigenlijk vind ik dat toch te weinig. Ik vroeg me af wat de
staatssecretaris meer kan doen dan dat, want het is heel belangrijk dat
fouten worden voorkomen, omdat de gevolgen enorm kunnen zijn en het
rapport gewoon heel duidelijk is. Wat kan de staatssecretaris dus meer
doen dan alleen een korte brief sturen?
Dan etnisch profileren. Ik blijf hameren op het gebruik van data door de
overheid, omdat er op dit vlak ook te veel misgaat. Het is een pijnlijk
voorbeeld van onzorgvuldig gebruik van data. Er is nog steeds geen
verbod op het gebruik van etniciteit en nationaliteit als indicator bij
risicomodellen voor wetshandhaving. De Nationaal Coördinator tegen
Discriminatie en Racisme riep de overheid in 2022 om te stoppen met het
gebruik hiervan. Hij is daarin niet de enige. Ook Amnesty International
pleit voor een verbod op deze modellen. Ik zag dat het kabinet met
Amnesty International in gesprek is gegaan en een kabinetsreactie heeft
gestuurd, maar in de brief lees ik heel veel over gesprekken, roadmaps,
workshops, expertmeetings en meer van zulks. Bovendien wordt verwezen
naar moties over algoritmes die ik in het begin ook noemde, maar die
niet eens worden uitgevoerd. Wat ons betreft is het bij lange na niet
genoeg. Wanneer komt dit verbod er?
Voorzitter. Tot slot. Ik ben blij dat Caribisch Nederland wel in de
werkagenda staat. Onze punten gelden ook voor dit deel van ons
Koninkrijk. Ik vroeg me wel af wanneer dat specifieke deel van de
werkagenda nader wordt uitgewerkt.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Bouchallikh namens GroenLinks. Dan gaan we door naar
de volgende spreker van de zijde van de Kamer. Dat is de heer Ceder van
de ChristenUnie.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dank u wel, voorzitter. De overheid moet burgers beschermen door hun
persoonlijke levenssfeer te beschermen. Dat is voor de ChristenUnie een
centraal uitgangspunt waar het digitalisering betreft. Het is ook de
kern van mijn bijdrage vandaag, want die persoonlijke levenssfeer staat
onder druk van grote technologische bedrijven en statelijke actoren en
die kan ook door onze eigen overheid onder druk komen te staan. Data
zijn kostbaar, zeker persoonlijke data van burgers. We moeten niet naïef
zijn. Er is een strijd om data van burgers gaande. Die wordt zowel door
staten als door bedrijven gevoerd. Dit vraagt daarom om een overheid die
bescherming biedt, in het bijzonder aan kinderen, om het tegengaan van
dataconcentratie bij staten, supranationale overheden en bedrijven en om
het voorkomen van afhankelijkheid van mogelijk onvrije landen. Niet
alleen het ontvangen van data is namelijk van belang, ook het zenden van
data is een strategisch goed. Algoritmes kunnen informatie en meningen
pushen en daarmee opinies en zelfs verkiezingen beïnvloeden. De heer
Bontenbal had het net over Jürgen Habermas, van wie ik trouwens een
groot fan ben, die ervoor waarschuwde dat als wij naar een postnationale
federatie gaan — dat gebeurt mogelijk in EU-verband — wij er ook voor
moeten waken dat we het nationale niet uit het oog verliezen en dat wij
ook de mogelijkheid moeten hebben om bij te sturen. Ik denk dat als het
gaat om digitale waarden, om wie data krijgt en wie deze ontvangt, we
ook in Nederland goed moeten nadenken over wat wij willen, vooral als
het gaat om minderjarigen. Dat moeten we niet alleen in Europees
verband, maar ook in nationaal verband doen.
Voorzitter. Al deze vragen komen samen bij bijvoorbeeld TikTok. TikTok
speelt zeer waarschijnlijk gebruikersgegevens door naar medewerkers in
China. Er leven zorgen over de vraag of deze ook gedeeld kunnen worden
met de Chinese overheid. Dat zorgt voor ongekende datamacht.
Tegelijkertijd is TikTok razend populair onder jongeren, heeft het
miljoenen gebruikers en is het voor jongeren onder de 25 jaar een van de
grootste bronnen van nieuws. Terecht maken we ons zorgen over Chinese
politiebureaus in ons land en over verwevenheid van Huawei met onze
digitale infrastructuur. Er bestaan nu wel zorgen over of TikTok niet
ook zo'n strategisch middel is, dat is verstopt achter hele leuke
kattenfilmpjes, maar waarmee eigenlijk op grootschalige wijze gegevens
en data verzameld en bezorgd kunnen worden. Voorzitter. We zijn ook in
ander verband bezig om de afhankelijkheid van Chinese bedrijven te
voorkomen, met name als het gaat om vitale infrastructuur. Mijn collega
van de VVD heeft het daar net over gehad. Volgens ons is dat ook hier
het geval, dus moeten we kritisch zijn op samenwerking met landen met
een offensief cyberprogramma. Is de staatssecretaris het met me eens? In
lijn met de Kamervragen die beantwoord zijn — dank daarvoor — vraag ik
haar op welke termijn zij duidelijkheid denkt te krijgen over de
verwerking van gegevens, vooral richting China, en hoe dit zich verhoudt
tot ons programma richting landen met een offensief
cyberprogramma.
Voorzitter. De telecomwaakhond in de VS heeft eerder opgeroepen om
TikTok niet meer aan te bieden in appstores. India verbood al eerder
TikTok en andere applicaties. Wat ons betreft moeten we ook in Europa
bekijken of de markt ontzegd kan worden voor apps waarbij in de huidige
vorm — ik wil benadrukken: de huidige vorm — gegevens op deze wijze
gedeeld kunnen worden en die in strijd zijn privacywetgeving. Dat zou op
meerdere manieren kunnen, bijvoorbeeld via appstores of via servers.
Maar ik hoor graag van de staatssecretaris welke mogelijkheden zij ziet.
Mogelijk zou een verwerkingsverbod vanuit de AP daar ook een sanctie
voor kunnen zijn.
Voorzitter. De vraag is: deelt de staatssecretaris de conclusie van de
ChristenUnie dat de huidige vorm tot zorgen leidt en de overheid daarmee
aan zet is? Welke sturingsinstrumenten ziet zij? Ik vraag specifiek aan
de minister van Justitie en Veiligheid, die hier vandaag ook is: ziet
zij dat hier een veiligheidsvraagstuk onder ligt en welk gevolg geeft
zij hieraan?
De voorzitter:
Voor u uw betoog vervolgt, heeft u een interruptie van de heer
Bontenbal, CDA. Dat geeft u even de gelegenheid om een slokje water te
nemen.
De heer Bontenbal (CDA):
Volgens mij voelen we ons allemaal ongemakkelijk over dit soort
bedrijven en over wat ze doen met data. U heeft een voorstel gedaan om
het gewoon te verbieden. Ik probeer even af te pellen wat de reikwijdte
daarvan is. Het kan natuurlijk over heel verschillende data gaan. Hebben
we het over persoonsgegevens of echt over alle data? Moet je dan ook
niet naar heel veel andere platforms gaan kijken? Als er in China
medewerkers van TikTok zitten die bepaalde applicaties bouwen en daar
data voor nodig hebben, dan kan ik me voorstellen dat heel veel andere
techbedrijven ook medewerkers hebben zitten in China die net zo goed
allerlei analyses maken om apps te verbeteren. Dus als we dit consequent
willen, is de reikwijdte van wat u voorstelt natuurlijk wel heel groot.
Is dat een pad dat u echt uit wil lopen, ook voor andere
platforms?
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dat is een hele goede vraag. Wat ons betreft, zijn er drie zorgen.
Allereerst: wat is de invloed van sociale media op kinderen, en hebben
wij daar een voldoende volwassen gesprek over? Dat zit 'm niet in
wetgeving, maar wel in de vraag die de ChristenUnie al eerder heeft
gesteld. En dit gaat ook breder dan TikTok: ook Twitter, Instagram,
Facebook en noem maar op. Ik denk dat we moeten kijken naar de invloeden
van social media op met name minderjarigen. Dat heb ik ook bij andere
partijen gehoord. Het gesprek daarover en over wat de rol van de
overheid daarbij is, moeten wij voeren. Daarbij gaat het ook om de
mentale gezondheid. Wij zien dat zij voornamelijk bij jonge meisjes ook
nog eens daarop een negatieve invloed kunnen hebben. Dat is een
fundamenteel gesprek dat we moeten voeren. Dat doen wij al; dat gaat
over social media in het algemeen.
Bij TikTok zien wij twee dingen. De privacywetgeving van ons land wordt
geschonden. Er loopt nu ook een procedure waarin een massaclaim, een
miljardenclaim, is gedaan omdat men vindt dat TikTok zich niet aan de
privacywetgeving houdt. U bent het volgens mij met mij eens dat elk
bedrijf zich aan de wet moet houden, dus ook TikTok. Dat doet het nu
niet. Dat geldt misschien ook voor andere partijen. Nou, ook dan vind
ik: bedrijven, hou je aan de wet; die hebben we niet voor niets. Daar
zit een punt.
Sinds vorige week is daar nog een andere component bij gekomen, en dat
is het veiligheidsvraagstuk. Wat dat betreft, is voor ons wel de
fundamentele vraag wat de rol van de overheid is als gegevens verzonden
kunnen worden naar China, want de afhankelijkheden van dat land proberen
we juist af te bouwen. In het verleden hebben we gezien dat data ook
tegen burgers gebruikt kunnen worden. Zoals het nu is, zoals hoe het nu
gaat, vinden wij echt wel dat wij een veiligheidsvraagstuk hebben. En
dat maakt dat wij vinden dat we in dat geval, als het zo blijft,
maatregelen moeten nemen. Het gaat dus met name over de
veiligheidscomponent. Bij de andere punten doe ik de oproep die bij alle
apps geldt, namelijk dat wij ons minimaal aan de privacywetgeving moeten
houden en daarna een goed gesprek moeten voeren, over wat social media
en de impact daarvan doen met minderjarigen en over de rol van de
overheid daarbij.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Ceder. Er is een vervolgvraag van de heer
Bontenbal.
De heer Bontenbal (CDA):
Het gaat ook een beetje om het onderscheid tussen noodzakelijke
voorwaarden en voldoende voorwaarden. U noemt drie aspecten. Volgens mij
hoor ik u vooral zeggen dat het derde punt, het veiligheidsvraagstuk,
voor u het zwaarst weegt. Dan is mijn vraag de volgende. Stel dat aan de
andere twee beter wordt voldaan of niet wordt voldaan. Met het eerste
argument, over de mentale gezondheid van minderjaren, ben ik het
helemaal eens en met het tweede, over privacy, ben ik het ook helemaal
eens. Maar stel dat deze niet zouden spelen, zou het derde argument voor
u dan nog steeds genoeg zijn om TikTok te willen verbieden? Het zou
zelfs voor het eerste argument kunnen gelden. Misschien zegt u dat
bezien vanuit de mentale gezondheid van kinderen ook al: ook als de
veiligheid en de privacy wel goed zijn, dan nog vind ik het voldoende om
TikTok te verbieden als het met de mentale gezondheid van kinderen
slechte dingen doet.
De heer Ceder (ChristenUnie):
In deze commissie pleit ik er al eigenlijk vanaf de eerste keer dat ik
erbij zit voor dat wij goed moeten kijken naar de impact van social
media, maar ook naar het verwerken van datagegevens van kinderen. Dat
gesprek is breder en gaat over meer dan TikTok. Ik vind dat wij dat
gesprek ook met elkaar moeten voeren als het gaat om Facebook, Instagram
en noem maar op. Wij roepen dit sinds vorige week, omdat er vorige week
wel iets veranderd is. Daarom zijn ook Kamervragen gesteld. Wat gebeurt
er met de gegevens die naar een land gaan waar we het in andere
commissies juist over hebben? Ik ben ook woordvoerder buitenlandse
zaken. Daar hebben we het over China. Daar hebben we het over het
afbouwen van strategische afhankelijkheden. Zoals ik heb aangegeven,
zijn data strategische goederen. Dan kunnen we niet dat gesprek in deze
commissie niet voeren. Dat is mijn punt. Daarbij heb ik ook gezegd dat
het om de huidige vorm gaat. Als een social mediabedrijf — in dit geval
is dat TikTok, maar dat geldt ook voor andere — zich aan de wet houdt en
ervoor zorgt dat het voldoende waarborgen heeft en als er geen
veiligheidsvraagstuk is, dan is er volgens mij geen discussie. Alleen,
die is er nu wel, op drie punten. En, inderdaad, het laatste stuk, het
veiligheidsvraagstuk, maakt dat wij zeggen dat wij in een andere fase
komen. De staatssecretaris heeft TikTok hierop bevraagd. We hebben van
de staatssecretaris ook antwoorden gekregen op onze vragen. Op een
aantal vragen kon TikTok gewoon geen antwoord geven. Ja, dat baart mij
wel zorgen. Ik vind dat wij daar iets mee moeten doen.
De voorzitter:
Dank voor deze toelichting. Ik zie een interruptie van mevrouw
Rajkowski.
Mevrouw Rajkowski (VVD):
Ik hoor deze discussie aan en ik snap die ook. Aan de andere kant gaat
het er niet alleen om of TikTok zich aan de regels zegt te houden, maar
dat het zich ook daadwerkelijk aan de regels houdt. Ik begrijp de oproep
van mijn collega van de ChristenUnie om TikTok te verbieden. We hebben
het de afgelopen dagen, maar ook de weken daarvoor, bij de VVD intern
vaak gehad over wat wij daarvan vinden. Een verbod klinkt voor ons toch
iets te makkelijk. We zullen daar nu niet in meegaan, ook omdat er
weinig alternatieven zijn. Daarnaast gaan mensen het dan toch wel
gebruiken, misschien via nog onveiligere wegen. De VVD is nog steeds
bang dat er ooit alternatieve appstores gaan ontstaan, waarbij de
veiligheid helemaal niet meer gecontroleerd kan worden. We zullen de
ChristenUnie in ieder geval steunen tot die weg. Er is hier een aantal
keer gevraagd of de AP hiernaar kan kijken. Is de ChristenUnie het met
de VVD eens dat dit gewoon in Europees verband moet worden opgepakt? Dit
zijn volgens mij zaken waarvoor al die autoriteiten met elkaar samen
moeten werken. Ierland heeft al vaker onderzoek gedaan en daarmee Google
een keer op de knieën gekregen. Ik zou zeggen: laten we die route ook
bewandelen.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Die route sluit ik niet uit. Ik heb net aangegeven dat het in de huidige
vorm een veiligheidsvraagstuk is. Wij vinden dus dat je als overheid
stappen moet zetten tegen de mogelijkheden van TikTok om die gegevens te
kunnen verwerken. Ik heb ook aangegeven dat dat op meerdere manieren
kan. Via Europa loopt er iets. In Amerika is er voorgesteld om met Apple
en Samsung te kijken of je het via de stores kan doen. De AP kan, als er
sprake is van het overtreden van de wet, een zware sanctie opleggen,
bijvoorbeeld het verwerkingsverbod. Dat is al een keer ingevoerd bij de
discussie rondom de Belastingdienst. Het is de facto geen verbod, maar
je maakt in dit geval TikTok daarmee wel tandeloos. U dient mijn oproep
dus vooral als volgt te interpreteren: wat er nu plaatsvindt, kan
volgens ons niet. Misschien verschillen we daarover van mening met de
VVD, maar we moeten het aanpassen. Ik ga ervan uit dat TikTok ook
meekijkt, net als alle andere socialmediabedrijven. Mijn oproep is
simpel: hou je aan de wet, zorg dat je de minderjarigen beter beschermt
en geef de garantie dat er geen veiligheidsvraagstuk is. Maar op alle
drie de punten constateer ik dat dat nog niet het geval is. Daarom vind
ik dit een gerechtvaardigde oproep.
Mevrouw Dekker-Abdulaziz (D66):
Het antwoord op mijn vraag mag kort zijn. We hebben het al over het
verbod op TikTok gehad. Maar is de ChristenUnie het met D66 eens dat wij
het zouden moeten verbieden dat kinderen onder de 16 jaar profielen
kunnen maken op socialmediaplatformen, het liefst op Europese
schaal?
De heer Ceder (ChristenUnie):
Daar ben ik het honderd procent mee eens.
De voorzitter:
Kijk eens aan, kort maar krachtig. Ik kijk naar u, meneer Ceder, om uw
betoog te vervolgen.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dank u wel. Dan ga ik — het is een mooi bruggetje — naar de brede
bescherming van kinderen. Uiteraard houdt de bescherming van kinderen
niet op bij TikTok. De ChristenUnie maakt zich breder zorgen over de
online bescherming van kinderen, juist ook op social media. Ik zou
willen dat ieder gezin aan elke keukentafel het gesprek hierover voert
en dat ouders doordrongen zijn van de risico's qua schadelijke content
en dataprofielen. Zij zouden zich ervan bewust moeten zijn dat een kind
dat gratis social media gebruikt niet de klant is maar het product.
Welke mogelijkheden ziet de staatssecretaris om niet alleen in te zetten
op mediawijsheid voor kinderen, maar ook voor ouders? Dat kan gebeuren
via wijkcentra, bibliotheken en andere plekken waar ouders die geen
digital native zijn, geïnformeerd worden over kansen en gevaren van
social media voor kinderen en over hoe je hier op een zorgvuldige wijze
het gesprek over kunt voeren. Wil de staatssecretaris dit expliciet
onderdeel maken van de werkagenda? Ik overweeg een motie.
Een andere route is voor de ChristenUnie de code voor kinderrechten.
Collega Dekker-Abdulaziz sprak daar ook over. Wat de ChristenUnie
betreft vormt die de blauwdruk voor hoe het wél moet: kindvriendelijk,
transparant, zonder profileren en zonder schadelijke content. Moet dit
niet een juridische basis vormen voor de borging van kinderrechten in
digitale diensten? De staatssecretaris wil dit verkennen, maar moeten we
dit niet gewoon doen, of in ieder geval voor het
kinderrechtenimpactassessment? Wil de staatssecretaris zich daarvoor
hardmaken en zijn er genoeg middelen beschikbaar om de doorontwikkeling
van kinderrechten ook echt body te geven? Ik vraag in dit verband ook
naar de voortgang van mijn motie om kinderen beter te beschermen tegen
extreme content.
Heb ik nog spreektijd, voorzitter?
De voorzitter:
Nog één minuut.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dan tot slot de Europese digitale identiteit. Mijn fractie maakt zich
daar namelijk al langere tijd zorgen over. Die zou er wat ons betreft
alleen kunnen komen wanneer dataconcentratie bij overheden en bedrijven
wordt tegengegaan, er gebruik wordt gemaakt van opensourcetechnologie,
het nu en in de toekomst volledig vrijwillig blijft en er gelijkwaardige
alternatieven zijn voor de mensen die geen gebruik willen of kunnen
maken van de wallet. Die inzet is ook geformuleerd in de
motie-Ceder/Dekker-Abdulaziz. De staatssecretaris lijkt haast te
maken.
De ChristenUnie heeft nog een aantal vragen, met name om twee redenen.
De vrijwilligheid lijkt in het huidige voorstel nog steeds onder druk te
staan en kan niet worden gegarandeerd bij diensten van andere Europese
lidstaten en de private sector. Moet Nederland dan wel willen werken aan
een systeem dat gebruikt kan worden om mensen indirect uit te
sluiten?
Tot slot, voorzitter, dataconcentratie. Het is nog niet helder hoe
grootschalige dataconcentratie bij nationale of supranationale overheden
wordt voorkomen. Dat geldt ook voor bedrijven, bijvoorbeeld wanneer een
bedrijf voor meerdere landen de wallets ontwikkelt en er daarmee de
facto toch dataconcentratie optreedt. Ik ben benieuwd naar de mening van
de staatssecretaris over deze zorgen. Moeten we het niet wat rustiger
oppakken, om ervoor te zorgen dat deze waarborgen gegarandeerd kunnen
worden?
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Ceder. U heeft nog een interruptie van mevrouw Van
Weerdenburg, PVV.
Mevrouw Van Weerdenburg (PVV):
Ziet de ChristenUnie ook mogelijkheden om kinderen te beschermen op
socialemediaplatforms via de route van het onderwijs dat hun wordt
gegeven? We kunnen hun bijvoorbeeld vertellen hoe je privacy settings
kunt aanpassen en wat voor impact het heeft als je dingen deelt, om ze
digitaal weerbaar te maken.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Zeker. Ik geloof zeker in informatie, voor jong en oud, dus dat moeten
we zeker doen. Tegelijkertijd denk ik dat het onverstandig is om van
13-jarigen te verwachten dat ze zich kunnen verhouden tot het feit dat
hun gegevens mogelijk verwerkt worden in China en dat er dataprofielen
opgesteld kunnen worden die hun hele leven lang op verschillende
manieren bewaard blijven en in een bepaalde situatie mogelijk tegen hen
gebruikt zouden kunnen worden of hen in ieder geval kunnen bijsturen. Ik
denk niet dat we de impact en de implicaties van die weging volledig bij
een 13-jarige zouden moeten leggen. Volgens mij is het en-en: ja, we
moeten informatie geven, maar de overheid heeft ook een
verantwoordelijkheid om kinderen te beschermen en ervoor te zorgen dat
bedrijven zich aan de wet houden.
De voorzitter:
Dank u wel. Was u aan het einde van uw betoog?
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dat klopt, voorzitter.
De voorzitter:
Dan gaan we naar de laatste spreker van de zijde van de Kamer. Dat is
mevrouw Koekkoek, van Volt.
Mevrouw Koekkoek (Volt):
Dank, voorzitter. De afgelopen week is het heel onrustig geweest. Eerst
kwam de overname van Twitter door Elon Musk en daarna het nieuws dat
TikTok-gebruikersgegevens van Europeanen beschikbaar zijn bij de Chinese
overheid. Het maakt nog maar eens duidelijk wat er mis kan gaan als je
marktpartijen de vrije hand geeft om online de publieke sfeer vorm te
geven. Ik ben dan ook blij dat we vandaag de begroting van Digitale
Zaken bespreken, want dat is dit jaar belangrijker dan ooit. Er komt
namelijk een hoop op ons af, met name vanuit de EU: de DSA, de DMA, de
AI-verordening, cyberwetgeving en meer. Volt wil een wereld waarin we
kunnen vertrouwen op het gebruik van digitale technologie, die in de
eerste plaats uitgaat van de belangen van de burgers. Daar ligt een
verantwoordelijkheid voor Nederland en voor Europa. Er ligt ook een
grote kans om met dit pakket aan wet- en regelgeving eindelijk eens op
tijd na te gaan denken over hoe we onze online publieke ruimte willen
inrichten.
Voorzitter. Om dat doel te bereiken, hebben we een eenduidige visie en
een integrale aanpak nodig. De inzet van Volt is van het begin af aan
duidelijk geweest: wij willen een ministerie van digitale zaken, of ten
minste een minister van digitale zaken die zelfstandige bevoegdheden,
budget en personeel heeft. Dat maakt het werk overzichtelijker en
daadkrachtiger en zorgt er bovendien voor dat digitalisering een
prominentere rol krijgt in ons beleid, niet alleen op typische
techonderwerpen, zoals IT, infrastructuur, cybersecurity en cloudbeleid,
maar juist ook horizontaal, dwars door alle departementen heen.
Voorzitter. Een van de belangrijkste uitdagingen op het gebied van
digitalisering is het herstellen van de balans tussen burgers, overheid
en technologie. Daarom wil ik in het kader van dit WGO stilstaan bij de
volgende twee onderwerpen: het publiekewaardenkader en uitvoering en
toezicht. Ik begin met de publieke waarden. In dit gezelschap zijn we
het erover eens dat we de digitale wereld moeten inrichten naar publieke
waarden, maar welke waarden zijn dat? Dat vraag ik me af als ik de
begrotingen lees en de recente werkagenda van de staatssecretaris
bekijk. Tijdens het laatste commissiedebat deed de staatssecretaris al
een voorzet, maar ik hoor het, als het kan, graag nog iets concreter:
welk waardenkader heeft de staatssecretaris voor ogen en delen de andere
bewindspersonen dat kader? In de werkagenda schrijven de bewindspersonen
dat wordt ingezet op het ontwikkelen van een digitaal publiek sociaal
medium dat voldoet aan de hoogste normen van publieke waarden. Om dat te
bereiken stimuleren de ministeries van OCW en BZK het initiatief
PublicSpaces. Is het kabinet bereid om in dit kader lid te worden van de
PublicSpacescoalitie, zodat niet alleen OCW en BZK aangesloten zijn,
maar de hele Nederlandse rijksoverheid dat is? In bijvoorbeeld Amsterdam
is hierover al een motie aangenomen, waarin de stad wordt opgeroepen om
zich als partner aan te sluiten bij de PublicSpacescoalitie.
Een van de strategische doelstellingen van PublicSpaces is het smeden
van allianties in Europa, zoals via het pan-Europese collectief Shared
Digital European Public Sphere. Is het kabinet bereid om, naast het
steunen van PublicSpaces, ook in Europees verband een coalitie van
gelijkgestemde landen te vinden om het ontwikkelen van een digitaal
publiek sociaal medium te versnellen?
In aanvulling op het voorgaande zou ik de ministers ook willen vragen of
zij bereid zijn om in navolging van Duitsland en de Europese Commissie
een server aan te maken vanuit de rijksoverheid om aanwezigheid op
fediverse uit te proberen.
Voorzitter. Een ander onderwerp dat raakt aan publieke waarden is het
rijksbrede cloudbeleid. Daar is al het een en ander over gezegd. Er is
een schriftelijk overleg over gevoerd, maar ik zou de staatssecretaris
daar nog de volgende vraag over willen voorleggen: deelt zij de
opvatting dat het in het kader van digitale autonomie goed zou zijn om
toe te werken naar het gebruik van Europese alternatieven voor de
publieke cloud? En zo ja, welke stappen onderneemt zij om dat te
bereiken?
Dan het tweede onderwerp: toezicht en uitvoering. In de uitvoering van
beleid en regelgeving zien we nog vaak IT-problemen: systemen die niet
up-to-date zijn en uitvoeringsorganisaties die wetgeving moeten
uitvoeren zonder dat zij daar de juiste middelen toe hebben. Vanuit de
Kamer zijn we bezig met een digitale toets, zodat al in de ontwerpfase
van wet- en regelgeving rekening wordt gehouden met de impact van
regelgeving op IT. En er komt binnenkort ook een grote reeks aan
Europese regelgeving die impact gaat hebben op zowel publieke
instellingen als bedrijven en organisaties in Nederland. Kunnen de
ministers hierin aangeven welke maatregelen zij nu al treffen om ervoor
te zorgen dat de uitvoering van deze wetten voor iedereen soepel zal
verlopen? Het betreft bijvoorbeeld maatregelen om de toezichthouders in
staat te stellen om effectief toezicht te houden.
In aanvulling daarop zien we ook dat het toezichtlandschap steeds meer
versnipperd raakt. Daar is ook al het een en ander over gezegd. Alleen
hebben de digitaliserende bedrijven binnenkort te maken met de AP voor
gegevensbescherming, ENISA voor het melden van hacks, en voor het
toezicht op de DSA is het ook nog eens ergens anders belegd. En we zien
de werklast voor toezichthouders groter worden en het landschap
complexer voor marktpartijen. Mijn vraag hierover is: hoe gaan de
bewindspersonen ervoor zorgen dat toezichthouders tijdig worden
voorbereid op eventuele extra toezichttaken, en welke capaciteit is
nodig — in middelen, maar ook expertise — zodat de AP alle taken aankan
die op dit moment op haar afkomen? En hoe gaan de bewindspersonen ervoor
zorgen dat het voor de markt ook duidelijk blijft welke toezichthouders
voor hen gelden?
Voorzitter ...
De voorzitter:
Voor u uw betoog vervolgt, heeft u een interruptie van mevrouw
Rajkowski. En nogmaals, ook kijkend naar de klok, een oproep om het kort
te houden, willen we vandaag ook nog een tweede termijn hebben. Als we
een tweede termijn zouden moeten herplannen, dan gaat dat in ieder geval
niet op korte termijn zijn, als ik kijk naar het bij elkaar krijgen van
drie bewindspersonen. Dus het verzoek is om de interrupties echt kort te
maken, en ook zo te antwoorden. Mevrouw Rajkowski.
Mevrouw Rajkowski (VVD):
Dank. Ik durf bijna niks meer te zeggen, voorzitter. Maar het gaat goed
komen. Dus als het gaat om toezicht houden in de digitale wereld, is dat
inderdaad lastig. Op de toezichthouder komt veel last te liggen, ook bij
de AP als het gaat om kunstmatige intelligentie. Maar is Volt het dan
ook eens met de VVD dat juist die toezichtstructuren zich soms misschien
iets meer fluïde moeten gaan gedragen, dus dat een Autoriteit
Persoonsgegevens ook toezicht zou kunnen houden met de toezichthouder op
die sector? Ik bedoel, zij weten misschien veel van persoonsgegevens,
maar misschien niet alles van het gebruik van algoritmen bij de
bloemenveiling, bijvoorbeeld, en dan is het handig om met de
sectorspecifieke toezichthouder nauw samen te werken.
Mevrouw Koekkoek (Volt):
Ja, ik kan me daar wel iets bij voorstellen. Als je bijvoorbeeld kijkt
naar rechtszaken: een rechter vraagt ook weleens een expert om te vragen
hoe het werkt in een bepaalde sector. Dus mijn vraag over de AP ging
specifiek over juist die extra taken: hebben ze daar de expertise voor?
Maar het kan natuurlijk ook zijn dat je die expertise moet inhuren, of
dat er, zoals voorgesteld, wordt samengewerkt.
De voorzitter:
U vervolgt uw betoog.
Mevrouw Koekkoek (Volt):
Dat was vrij kort, voorzitter. Naast bedrijven en publieke instellingen
hebben ook mensen te maken met een steeds complexere digitale omgeving.
We zien dat een aanzienlijk deel van Nederland niet meer mee kan komen
in de sterk toenemende digitalisering. En daarnaast zien we een groot
tekort aan mensen met een technische achtergrond voor de banen van de
toekomst. Dat is een probleem, gelet op de ambities van dit kabinet om
sterk in te zetten op digitalisering. Daarom de volgende vragen. De
werkagenda geeft aan dat digitale geletterdheid moeten worden aangepakt.
Het is voor mij nog onduidelijk welke maatregelen concreet worden
genomen, en vooral ook welke doelen daarbij worden aangehouden. En wie
ziet toe op de naleving van die doelen, wanneer evalueren we dat en
wanneer zijn we daarin geslaagd?
En tot slot, wat ook al ter sprake is gekomen: TikTok. Daar is de
afgelopen weken veel om te doen geweest. Het wordt steeds duidelijker
dat dat bedrijf persoonsgegevens verwerkt op een manier die niet in lijn
is met hoe we het in Europa hebben afgesproken. En nu begrijp ik uit de
antwoorden dat het kabinet geen bevoegdheden heeft op grond van de AVG,
en dat de toezichthouder aan zet is. Dat begrijp ik, maar ik zou toch
nog willen vragen welke inzet van het gesprek met grote techbedrijven,
en in het bijzonder TikTok, er zou zijn. En heeft het kabinet buiten de
AVG andere mogelijkheden om in te grijpen, indien inderdaad blijkt dat
onrechtmatig gegevens worden doorgegeven? Wat betreft de rechtsmacht van
de toezichthouder is afgelopen zomer door de Europese toezichthouder, de
EDPB, de European Data Protection Board, de intentie uitgesproken om
vaker samen te werken in grensoverstijgende zaken. We zien dat de Ierse
toezichthouder hier aan zet is, maar het betreft naar alle
waarschijnlijkheid gegevens van Europese burgers in de hele Unie. Is de
minister bereid om de AP en de EDPB op te roepen om voor deze zaken in
Europees verband samen te werken? Het is wat ons betreft namelijk
simpel: we willen een wereld waarin we kunnen vertrouwen op het gebruik
van digitale technologie die in de eerste plaats uitgaat van de belangen
van burgers, in plaats van die van bedrijven. Als die mogelijkheden er
op dit moment niet zijn, dan moeten we die creëren, ook in Europees
verband.
Dank, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Koekkoek, voor uw inbreng. Dat brengt ons aan het
einde van deze termijn. Ik heb al even opzij gekeken en het verzoek is
om drie kwartier te schorsen, inclusief de lunch. Dus ik zou willen
voorstellen te schorsen tot 13.15 uur en dan weer te hervatten.
De vergadering wordt van 12.35 uur tot 13.15 uur geschorst.
De voorzitter:
Aan de orde is nog steeds het wetgevingsoverleg van de vaste commissie
voor Digitale Zaken. We hebben al met elkaar geconstateerd dat de
planning krap is, dus ik stel voor om snel van start te gaan. Ik wil
voorstellen — dan kijk ik ook even naar de bewindspersonen — om niet bij
ieder tussenkopje een lange inleiding te houden, maar waar mogelijk een
algemene inleiding te houden en daarin ook aan te geven welke kopjes er
komen. Aan de leden verzoek ik om interrupties pas te doen als het
onderwerp afgerond is. Ik denk dat dat het makkelijkste is voor de
volgordelijkheid. Wederom zes vragen; ik laat aan u of u dat dan met
drie interrupties en een vervolgvraag doet of dat u dat gewoon zes
individuele vragen laat zijn.
Dat gezegd hebbende stel ik voor dat we snel beginnen en ga ik over naar
de staatssecretaris Koninkrijksrelaties en Digitalisering.
Staatssecretaris Van Huffelen:
Dank u wel, voorzitter. Het nieuws van de afgelopen weken toont
eigenlijk aan dat de digitale wereld ontzettend in beweging is en dat er
ook veel discussie over te voeren is. Of het nu gaat over de
ontwikkelingen rondom Twitter of bijvoorbeeld rondom TikTok, er is veel
te doen en ook veel te bespreken, zeker als het gaat over de problemen
die wij daarbij zien. Maar natuurlijk brengt digitalisering ook
geweldige kansen mee en dit kabinet gaat er ook van uit dat we die volop
willen en gaan benutten. Maar de kansen gaan hand in hand met de
risico's, die afbreuk kunnen doen aan publieke waarden waar we in
Nederland zo enorm aan hechten: veiligheid, democratie, zelfbeschikking,
privacy en transparantie. Wij vinden het nu het moment om aan het werk
te gaan en regie en verantwoordelijkheid te nemen om die digitale
transitie verder vorm te geven, door goede spelregels te maken en het
bijbehorende toezicht te organiseren, vanuit het perspectief van de mens
en steeds vanuit het bewustzijn dat digitalisering en toezicht vrijwel
altijd internationale of Europese dimensies kennen.
Dat is ook de reden waarom we in maart een hoofdlijnenbrief hebben
uitgebracht en nu een werkagenda, waarin we verder ingaan op de
waardegedreven kant van digitalisering. Daarin hebben we vijf
belangrijke ambities opgeschreven. Ik wil die ambities gebruiken voor de
blokjes bij het beantwoorden van de vragen. Het gaat dan over de
volgende blokjes. Iedereen kan meedoen in de digitale samenleving.
Iedereen kan de digitale samenleving vertrouwen. Iedereen moet de regie
kunnen voeren over zijn digitale leven. De digitale overheid is het
vierde blokje en het vijfde is het Caribisch deel van het
Koninkrijk.
Ik ga beginnen met de algemene vragen over de werkagenda en loop dan de
blokjes een voor een af. Ik begin met de vraag van mevrouw Leijten. Zij
vroeg: als je die werkagenda hebt gerealiseerd, wanneer is het dan
geslaagd? Dat is natuurlijk als we de maatschappelijke opgaven, zoals
die in de werkagenda staan, hebben aangepakt en opgelost. Ik noem als
voorbeeld het vergroten van de digitale vaardigheden, het zorgen voor
een goede infrastructuur, brede en toegankelijke dienstverlening en het
tegengaan van misbruik van gegevens. Dat betekent dus ook dat we als
overheid aan het werk moeten, zeker op onderwerpen waarbij we vinden dat
er nu niet voldoende toezicht is of waarbij dingen misgaan. Dat kunnen
we niet alleen als kabinet; daarbij hebben we het nodig dat we een
beroep kunnen doen op onze medeoverheden, die ook betrokken waren bij
het maken van de werkagenda, en op maatschappelijke organisaties.
Natuurlijk moeten we vooral ook zelf het goede voorbeeld geven. Ik denk
dat het belangrijk is om de elementen van de werkagenda die we in eerste
instantie willen oppakken, nog een keer in dit perspectief te noemen. We
moeten ervoor zorgen dat we heel goed aan het werk gaan met het
versterken van de digitale vaardigheden, bijvoorbeeld van kinderen, als
het gaat over onderwijs. Voor mensen die verderop in hun carrière
zitten, gaat het om de samenwerking met werkgevers. Niet in de laatste
plaats noem ik mensen die aan de top van organisaties staan, van wie het
heel belangrijk is dat ze zich goed realiseren wat de pros en cons, de
voor- en nadelen zijn van een digitale transformatie.
We willen werken aan het reguleren van algoritmes. In de brieven die we
u gestuurd hebben, hebben we meer gezegd over hoe we kunnen zorgen voor
het inrichten van een goed algoritmeregister en het toezicht daarop,
maar ook hoe we ervoor zorgen dat we in Europees verband werken aan een
goed kader waarmee we vorm geven aan die algoritmes die we goed vinden,
maar vooral ook aangeven wat we niet willen.
We gaan ook vanuit de overheid werken aan de regie op gegevens door een
wallet te maken, een datakluis, op basis waarvan je op een veilige
manier je data kunt bewaren en delen. Natuurlijk gaan we ook aan het
werk met het onderwerp desinformatie.
Er was ook een algemene vraag over de werkagenda. Mevrouw Kathmann vroeg
wanneer we inzicht krijgen in het digitale fundament. Dit is het
digitale fundament. De werkagenda gaat daarover en legt de basis voor de
gemeenschappelijke agenda's om vervolgens met het kabinet verder te
werken, of het nou gaat om de digitale economie, waar mijn collega van
Economische Zaken meer over gaat vertellen, of over cybersecurity, waar
de collega van JenV verder op ingaat. Maar het gaat natuurlijk ook over
het verder ontwikkelen van een heleboel verschillende agenda's van
verschillende departementen en ook van de lagere overheden. Denk
bijvoorbeeld aan digitalisering in het medische domein of digitalisering
bij de overheid.
Dan was er ook nog een vraag van mevrouw Kathmann die ook wat meer over
de algemene agenda gaat, namelijk over het idee om de SER uit te breiden
met een digitale stoel. Ik ben in contact geweest met de nieuwe
voorzitter van de SER om het te hebben over de vraag hoe zij een rol
kunnen spelen bij het vormgeven van de digitale transformatie.
Werkgevers, werknemers, onafhankelijke experts maar ook ngo's hebben een
belangrijke rol in het zorgen dat we met elkaar nadenken over de vraag
hoe we die digitale transformatie willen vormgeven en ook hoe we de soms
botsende waarden met elkaar in overeenstemming kunnen brengen of daarin
afwegingen kunnen maken. Samen met de SER gaan we dan ook daarover
verder spreken om te kijken wat hun rol in dit debat kan zijn. Er is in
ieder geval interesse voor om dat te doen, zeker omdat er vanuit die
verschillende perspectieven ook veel werk te doen is.
Een andere vraag van mevrouw Kathmann ging over de financiën: is er
voldoende budget voor de werkagenda? We dekken deze voor een groot deel
uit daarvoor bestemde budgetten op departementale begrotingen. Voor
versnellingen gaan we eerst kijken wat de uitvoeringskosten zijn en
zorgen we dan voor aanvullende middelen. We hebben natuurlijk voor een
heel groot deel te maken met EU-regelgeving die sowieso moet worden
geïmplementeerd en waarvan de financiële gevolgen ook moeten worden
ingepast volgens de regels die we in onze budgetdiscipline hebben. Als
het gaat over publiek-privaat werken, wil ik vooral ook een beroep gaan
doen op fondsen vanuit de EU en het Nationaal Groeifonds om te kijken
hoe we aan het werk kunnen gaan met bijvoorbeeld het versterken van
digitalisering in het Caribisch deel van het Koninkrijk.
De voorzitter:
Voor u verdergaat: omdat hier ook een reactie is gegeven op een aantal
specifieke vragen, wil ik mevrouw Kathmann in de gelegenheid stellen om
daar een interruptie op te doen.
Mevrouw Kathmann (PvdA):
Ja, even een vraag over het volgende. Dat gesprek met de SER is heel
fijn, maar ik denk dat er bij het creëren van een digitale polder — dat
bedoel ik heel positief — best veel haast is. Ik zou het dus heel fijn
vinden als de staatssecretaris iets van een toezegging kan doen over een
soort tijdlijn, van "ik hoop dan die gesprekken te hebben afgerond en
dan met een voorstel te komen", of wanneer ze dan kan laten weten of het
gaat om een uitbreiding van die stoel bij de SER, maar in ieder geval
hoe die digitale polder ingericht gaat worden.
Staatssecretaris Van Huffelen:
Ik ben daarbij natuurlijk ook afhankelijk van de SER zelf, maar ik hoop
toch in het begin van het volgend jaar daar iets over te kunnen zeggen.
Overigens werken we met veel meer partijen samen; dat hebben we ook in
de werkagenda aangegeven. Dat hebben we ook gedaan bij het tot stand
komen van deze agenda. We hebben gewerkt met allerlei ngo's, van Bits of
Freedom en Amnesty tot de Waag en een onderzoeksinstituut, het Rathenau
Instituut. We willen hen ook steeds blijven betrekken bij het verder
uitwerken van de agenda, dus dat gaan we sowieso doen, nog even los van
de community's die er zijn in dit domein. Ik hoop u daar begin volgend
jaar meer over te kunnen melden.
Er was ook nog een vraag van mevrouw Bouchallikh over de werkagenda in
het algemeen, namelijk waarom de woorden "big tech" niet in de
werkagenda staan. Het is een heel erg belangrijk onderwerp in onze
agenda. We hebben het ook genoemd in de hoofdlijnennota en we hebben het
natuurlijk in vele opzichten over de partijen die de
socialmediaplatforms, onze cloud, enzovoort enzovoort vormgeven.
Natuurlijk gaat het over de prioriteiten die we hebben over
desinformatie, over publieke waarde borgen, over anticiperen op nieuwe
technologie. Naar al die fronten wordt gekeken. Er zal straks vast nog
meer worden gezegd over de Europese regelgeving op dat gebied: de DSA en
de DMA. Waar het ons om gaat, is om niet alleen aan te geven welke
platforms er zijn — natuurlijk moeten we dat goed in kaart hebben — maar
vooral om steeds aan te geven aan welke regels wij vinden dat die
platforms moeten voldoen. Hoe moet er omgegaan worden met mensenrechten?
Hoe moet er omgegaan worden met informatie delen? Hoe moet er omgegaan
worden met marktmacht, democratie, mensenrechten, al dit soort thema's?
Als het gaat over onze eigen regels, maar zeker ook in de Europese
context, dan hebben wij het dus heel sterk over het reguleren van deze
wereld, van de digitale wereld. Dat is iets wat we een hele tijd niet
hebben gedaan, maar waarvan we hebben geconstateerd dat het heel
noodzakelijk is. Het reguleren van de big tech speelt daar natuurlijk
een belangrijke rol in, maar dat geldt ook voor andere spelers. Dat doen
we overigens op dit moment ook al. We voeren bijvoorbeeld DPIA's uit.
Maar we blijven dat dus ook in Europees verband doen.
Dan was er nog een vraag van mevrouw Kathmann over de werkagenda en de
mate waarin er sprake is van het centraal stellen van de mens in de
techniek, of eigenlijk de balans tussen mens en techniek. Dat is iets
waar deze agenda juist over gaat. Wij hebben gezegd: waardegedreven. Dat
betekent dat de mens centraal staat. Dat betekent dat het in alles wat
we doen, in alles wat we proberen te stimuleren, maar ook in alles wat
we proberen te reguleren, gaat om die balans. Dat betekent dat het
helder moet blijven voor mensen hoe zij gebruik kunnen maken van de
overheid, dat er altijd nog een alternatief is voor de digitale wereld
en dat we heel goed kijken naar de vraag hoe die digitale wereld wordt
vormgegeven. Je eigen regie is bijvoorbeeld een onderwerp daarin. Dat
zijn allemaal onderwerpen die wat mij betreft ongelofelijk belangrijk
zijn in deze werkagenda. Wij blijven daarover spreken met alle
partijen.
Mevrouw Kathmann (PvdA):
Dát heb ik ook gelezen in die werkagenda. Dat was inderdaad mooi: de
mens centraal. Maar dit gaat over de mens die met de techniek werkt, dus
over de ambtenaar. Ik zei eerder al: a fool with a tool is still a fool.
Je kunt wel een ambtenaar zijn die met gecertificeerde algoritmes werkt
met allemaal toetsen en noem het maar op, maar als je dan alsnog … Ik
heb een mooi voorbeeld. Iemand vergeleek het laatst met een vliegtuig
dat neerstort, waarbij de conclusie getrokken wordt dat het niet aan de
piloot lag, omdat er een gecertificeerde autopilot aanwezig was. Dat is
een beetje de vraag. Deze werkagenda kan alleen maar een succes zijn,
als de mensen die ermee werken zich niet alleen maar verschuilen achter
"dit is een gecertificeerd algoritme". Er is namelijk meer voor nodig.
De mens die met de techniek werkt, moet ook centraal staan in deze
werkagenda. Hoe borgen we dat? Dat was mijn vraag. Waar vinden we dat
dat gebeurt? Waar kan ik dat als Tweede Kamerlid zien? Dat is heel
belangrijk: willen we succesvol de algoritmeregisters implementeren en
noem maar op? Hoe gaan we dit goed doen? Waar kan ik zien dat dat
gebeurt, dat daarmee aan de slag gegaan wordt? Dat is eigenlijk een
onderligger voor de werkagenda.
Staatssecretaris Van Huffelen:
U heeft daar natuurlijk volstrekt gelijk in. Het gaat niet om de
vinkjes, om de toetsen of om wat je ook precies doet. Bij het maken van
beleid, bijvoorbeeld als het gaat om de overheid, of bij het opzetten
van een uitvoeringskader — denk aan het maken van een beslissing over of
iemand wel of niet in aanmerking komt voor een bepaalde uitkering — gaat
het niet alleen over het gebruikmaken van de techniek. Het gaat erom dat
je dat doet op basis van de waarden en de ethische normen die de
overheid daarbij centraal wil stellen. Dat kunnen we voor een deel
oplossen door ervoor te zorgen dat dit soort privacytoetsen worden
gedaan, doordat mensenrechtentoetsen worden uitgevoerd en doordat
kinderrechtentoetsen worden uitgevoerd. Maar uiteindelijk zul je dat
steeds opnieuw moeten bevragen. Je zult steeds opnieuw moeten kijken of
dat voldoende gedaan is. Dat kun je in de uitvoering meten, bijvoorbeeld
door te kijken wat de uitkomst ervan is. Ik bedoel dat je, als je een
algoritme gebruikt, het niet één keer toetst aan het begin, maar dat je
het blijvend doet. Dat is wat bijvoorbeeld staat in onze brief over de
algoritmes bij de overheid: je moet niet alleen maar één keertje kijken
of het voldoet aan mensenrechten, aan kinderrechten of aan wat je ook
maar relevant vindt — dat vinden wij in ieder geval ontzettend
belangrijk — maar je moet ook tijdens het gebruik blijven kijken of de
uitkomsten daarvan niet alsnog de verkeerde kant opgaan. Een algoritme —
dat is wat we er altijd bij zeggen — kan nooit over dit soort
belangrijke dingen beslissen. Er is altijd nog de menselijke factor die
een rol speelt bij de uitkomst ervan.
De voorzitter:
Een vervolgvraag van mevrouw Kathmann.
Mevrouw Kathmann (PvdA):
Ja, en de vraag is dan: waar is dit formeel vastgelegd? Dat is eigenlijk
waarnaar ik op zoek ben. Zo zijn we ook op zoek naar of een
mensenrechtentoets bindend moet zijn en of vooraf toetsen verplicht moet
zijn. Waar is nou vastgelegd dat dit gebeurt? Of moet dat nog
gebeuren?
Staatssecretaris Van Huffelen:
We hebben dat voor een deel vastgelegd in de brief die u gekregen heeft.
Wat betreft algoritmes bij de overheid hebben we, vooruitlopend op
Europese regelgeving, gezegd dat we een implementatiekader gaan maken.
Dat wordt een verplichtend kader. Iedereen die bij de overheid met
algoritmes werkt, of het nou gaat over een ministerie, een
uitvoeringsorganisatie of lagere overheden, zal er dus voor moeten
zorgen dat in het kader van het gebruik daarvan wordt getoetst of de
algoritmes nog doen waar ze voor bedoeld waren en of ze ook
daadwerkelijk niet leiden tot problemen, bijvoorbeeld de schending van
mensenrechten of iets in die orde. Dat moet dus niet alleen vooraf
gebeuren, maar ook tijdens het gebruik van de algoritmes. We hebben ook
aangegeven dat we dat implementatiekader in de loop van volgend jaar af
willen hebben; dat komt zo meteen nog terug, denk ik.
Dan wilde ik naar het eerste blokje na de algemene intro gaan. Dat gaat
erover dat iedereen kan meedoen in de digitale samenleving. Velen van u
hebben daar vragen over gesteld, omdat we steeds zeggen dat het, gegeven
het feit dat digitalisering niet meer te stoppen is, dat het er is en
dat het een rol speelt in ons dagelijks leven — van naar school gaan tot
boodschappen doen of zakendoen met de overheid — zo ontzettend
belangrijk is dat heel veel mensen mee kunnen doen en dat we moeten
blijven werken aan het feit dat dat nu nog niet zo is. Dat willen we
niet alleen maar doen voor kinderen op school door het vast te leggen in
een nieuw curriculum, zowel voor het basisonderwijs als het voortgezet
onderwijs, maar ook door het te organiseren voor iedereen die aan het
werk is, in welke functie dan ook. Ook willen we voor mensen die er
moeite mee hebben, de informatiepunten bij bibliotheken blijven
inrichten, niet alleen zodat daar vragen gesteld kunnen worden, maar ook
zodat daar cursussen gevolgd kunnen worden en er op die manier voor
gezorgd wordt dat we zo veel mogelijk van het gat dat er nu is ten
aanzien van digitale vaardigheden, gedicht wordt.
Ik denk dat het goed is om het er daarbij ook over te hebben dat
digitale vaardigheden niet alleen maar gaan over de vraag of je kunt
omgaan met de computer, maar ook over de vraag of je daadwerkelijk zaken
kunt doen; dat staat heel duidelijk in deze werkagenda. Heel veel mensen
kunnen prima omgaan met een computer, maar iets regelen bij de overheid
is soms nog veel complexer. Het gaat voor kinderen ook om leren
programmeren. Het gaat ook over mediawijsheid, dus het beter begrijpen
wat nou precies de informatie is die je toegediend krijgt, wat je wel en
niet kunt vertrouwen en hoe je daar beter inzicht en doorzicht in kunt
krijgen. Dat geldt in brede zin, zeker ook voor social media.
Ik ga in op de vragen die daarover gesteld zijn.
De voorzitter:
Voordat u daarop doorgaat, heeft u een interruptie van mevrouw Van
Weerdenburg, PVV.
Mevrouw Van Weerdenburg (PVV):
De staatssecretaris had het net over digitale vaardigheden en dat er op
dat gebied nog heel veel te winnen is. Dat blijkt ook uit de werkagenda.
Bij 1.1 onder het kopje "Maatschappelijke opgave" staan best wel
schrikbarende cijfers. Ruim 5 miljoen volwassen Nederlanders hebben
moeite om bewust, kritisch en actief om te gaan met sociale media en
dergelijke. Ik heb eens eventjes het CBS-onderzoek erbij gepakt. Dat
heet ICT, kennis en economie 2022. Daarin staan de meest actuele
gegevens over de Nederlandse kenniseconomie. Het CBS heeft gekeken naar
2021. Daar blijkt helemaal niet zo'n dramatisch beeld uit. Zo'n beetje
79% van de inwoners van Nederland heeft ten minste digitale
basisvaardigheden. Het EU-doel voor 2030 is 80%, dus daar zijn we al
bijna. Wat betreft onlinecommunicatie: 93% van de 16-jarigen tot
75-jarigen heeft meer dan digitale basisvaardigheden. Ik vraag mij dus
af waarom niet is verwezen naar dit onderzoek van het CBS, want dat
wijkt nogal af van de cijfers die hier worden genoemd. We staan er
eigenlijk rooskleuriger voor dan hier wordt geschetst.
Staatssecretaris Van Huffelen:
Het is misschien goed om die onderzoeken nog eens even naast elkaar te
leggen, maar de kern is dat er op zich wel mensen zijn die
basisvaardigheden hebben, maar dat in veel opzichten die
basisvaardigheden erg laag zijn en dat die onvoldoende zijn om
bijvoorbeeld zaken te kunnen doen met de overheid. Het feit dat je
misschien wel in staat bent om een whatsappje te sturen via je telefoon
of om een mail te sturen via je computer, wil nog niet zeggen dat je ook
in staat bent om datgene in het digitale leven te doen wat van belang
is, bijvoorbeeld iets online bestellen of ervoor zorgen dat je ook zaken
kunt doen met de overheid. 80% betekent dat nog steeds 20% van de mensen
het niet kan. Dat vinden we ook wel van belang. Wij zien dit dus toch
als een groter probleem, omdat die vaardigheden vaak niet voldoende zijn
om daadwerkelijk de dingen te kunnen regelen die in het leven geregeld
moeten worden. Ik denk dan bijvoorbeeld ook aan 18-jarigen. Als je 18
bent, moet je je eigen zorgverzekering regelen. Ik was bij de
bibliotheek in Rotterdam en daar zeiden ze dat veel van die 18-jarigen
daar langskomen, niet omdat ze niet in staat zijn om met een computer om
te gaan, maar wel om vervolgens de bijbehorende toeslag te kunnen
regelen, als ze daarvoor in aanmerking komen. Het gaat hier dus niet
alleen maar om de vraag of je in staat bent om met een computer om te
gaan, maar ook of je met die computer de dingen kunt doen die je zult
moeten doen als je wilt overleven in onze samenleving, of je voldoende
inzicht hebt in wat er gebeurt met alle informatie die je krijgt, en of
je daar ook voldoende kritisch consument van kunt zijn, zoals u ook zelf
in uw eigen inbreng heeft gezegd.
De voorzitter:
Een vervolgvraag van mevrouw Van Weerdenburg.
Mevrouw Van Weerdenburg (PVV):
Dat onderzoek van het CBS gaat ook in op een aantal dingen, zoals
online-aankopen en inderdaad zaken regelen met de overheid, maar,
nogmaals, daar komt niet het beeld uit naar voren dat we te maken hebben
met totaal hulpeloze burgers. Uiteraard is er nog een grote groep die
dat niet kan en die moeten we absoluut helpen met alles wat we kunnen,
maar bijvoorbeeld 89% van de mensen van 12 jaar en ouder hebben
maatregelen genomen om bij internetgebruik hun persoonlijke gegevens te
beschermen. Dat vind ik op zich best wel goed nieuws. 77% doet dat zelfs
door toegang tot locatiegegevens te beperken of te weigeren. Dat laat
toch wel zien dat we een hele grote groep hebben die daadwerkelijk goed
op weg is en met een heel klein beetje hulp nog veel meer techsavvy kan
worden. Ik ben dus eigenlijk een beetje op zoek naar of we in het aanbod
en het vergroten van die digivaardigheden misschien iets meer kunnen
differentiëren in niveaus. We gaan dan dus iedereen helpen om op een
hoger niveau te komen, niet alleen de mensen helemaal onderaan de
streep. Ik denk dat de middengroep, die al heel veel zelf kan, ook
gebaat is bij een treetje hoger.
Staatssecretaris Van Huffelen:
Dat is een zeer terecht punt. Dat is namelijk ook wat we willen doen.
Dat is ook een van de redenen — dat staat ook in de werkagenda — waarom
we dit heel goed willen monitoren. Want het is natuurlijk erg belangrijk
om inderdaad het juiste aanbod te leveren voor de juiste doelgroepen en
dat ook heel specifiek te doen. Je hoeft geen computerles te geven aan
iemand die al met een computer kan omgaan, maar misschien is er dan meer
behoefte aan les over mediawijsheid of over hoe je met de overheid zaken
kunt doen. Het is dus ook onze bedoeling om hier blijvend onderzoek naar
te doen, om te kijken wat er nodig is, maar ook om te kijken hoe we het
aanbod zo kunnen inrichten dat het voor iedereen gaat werken, in dit
geval echt van jong tot oud, omdat iedereen in zijn leven te maken heeft
met digitalisering, op welke manier dan ook. Het blijft overigens ook
belangrijk dat wij als overheid steeds willen zeggen dat er altijd een
alternatief moet zijn.
Mevrouw Van Weerdenburg had ook nog de vraag over welke producten en
diensten we het hebben als het gaat over die verschillende
levensgebeurtenissen. Het is natuurlijk heel wisselend per
levensgebeurtenis welke producten en diensten de overheid levert. Als je
18 wordt, staat er bijvoorbeeld in dat je een zorgverzekering moet
nemen. Als je gaat studeren, staat er wat je moet doen om de juiste
acties te ondernemen. Wij willen niet alleen die levensgebeurtenissen in
kaart brengen en aangeven wat je moet regelen of wat je moet doen bij
het overlijden van een familielid, bijvoorbeeld. We willen mensen vooral
helpen om de dingen die ze moeten regelen, zo goed mogelijk te regelen.
We willen het ook stap voor stap steeds simpeler maken, zodat we meer
proactief diensten kunnen verlenen aan mensen en het steeds makkelijk
voor hen is.
Een van de platformen die wij nu hebben voor Nederlanders die in het
buitenland wonen, is Nederland Wereldwijd. Daar brengen we een
gecombineerde set van dienstverlening. Daar staat bijvoorbeeld wat je
moet doen als je wilt stemmen bij de verkiezingen of als je een paspoort
wilt aanvragen. We proberen daar steeds meer zo praktisch mogelijk
informatie voor iedereen bij elkaar te brengen en daar zo concreet
mogelijke hulp bij te bieden, zowel online als via een telefoonnummer
dat je kunt bellen als je vragen hebt.
Mevrouw Van Weerdenburg vroeg ook: gaat u nu één ding per jaar doen?
Daar willen we in ieder geval mee beginnen. Het liefst beginnen we met
iets wat heel erg complex is in de dienstverlening bij de overheid. Dat
gaat over de schuldenproblematiek. Wat moet er dan gebeuren? Welke
stappen moet je dan zetten? Hoe kun je dan hulp krijgen? Dat willen we
goed en proactief inrichten. Dat is een van de eerste soorten
dienstverlening van de overheid waar we aan het werk mee willen, zeker
in deze tijd waarin mensen steeds meer geconfronteerd worden met hoge
kosten en wellicht eerder in de problemen komen met het betalen van alle
rekeningen.
Mevrouw Leijten vroeg of het beleid van de overheid niet zou moeten
worden omgedraaid: niet alles primair digitaal, maar "nee, tenzij". Wij
vinden het vooral belangrijk om ervan uit te gaan dat wij het voor de
grote groep mensen die het digitaal kunnen, ook digitaal moeten leveren.
Dat betekent niet dat het daarnaast niet mogelijk is voor iedereen om
via de telefoon of aan de balie zaken te doen. Dus we willen niet als
eerste het een of als eerste het ander. Het moet naast elkaar mogelijk
blijven, zowel digitaal als via de telefoon of via de balie, om alles te
regelen wat je met de overheid moet regelen, of het nou gaat over het
aanvragen van een subsidie, een uitkering of een paspoort.
Mevrouw Kathmann vroeg of wij rekening gehouden hebben met de
koopkrachtconsequenties van digitale toegang. Ik ben samen met de
minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen daarover in
gesprek, omdat ik het van belang vind om te kijken wat de consequenties
van toenemende kosten zijn voor dit beleid. Ik laat u daar graag meer
over weten als ik dat gesprek met haar heb gevoerd.
Dan de vraag van de heer Bontenbal en de heer Ceder, over hoe we
gezinnen kunnen helpen met het omgaan met digitale technologie. Hoe
kunnen we niet alleen inzetten op de mediawijsheid van kinderen maar ook
van ouders, zodat die het gesprek daarover thuis of in een andere
context kunnen voeren? Dat is een onderwerp dat bijzonder veel aandacht
vergt. Ik denk namelijk inderdaad dat, wat we ook reguleren en wat we
ook doen om te zorgen dat kinderen worden beschermd in het digitale
domein, er altijd een rol blijft voor hun ouders of opvoeders om te
zorgen dat zij hen beschermen. Dat je daarvoor als ouder voldoende
informatie moet krijgen, is van groot belang. Om die reden ga ik volgend
jaar een campagne starten om ouders en kinderen voor te lichten over de
kansen en risico's. Daarbij gaat het niet alleen om nieuwe
technologieën, maar ook over hoe je daarmee om kunt gaan. Er komt
voorlichting en een lesaanbod, ook via scholen en bibliotheken. Daarbij
is met name aandacht voor gaming en social media, omdat ik mij met u
veel zorgen maak over het verslavende aspect dat daarin een heel
belangrijke factor is. Dat staat nog even los van de andere thema's waar
we straks op terug zullen komen, zoals het weggeven van je gegevens of
het te veel delen van je gegevens.
Dan is er nog de vraag van mevrouw Kathmann over het verschil tussen
arme en rijke mensen in termen van internettoegang. Dat heeft te maken
met de vraag over de koopkracht. Het is natuurlijk mijn bedoeling om te
zorgen dat iedereen mee kan doen in de digitale wereld. Het is niet voor
niks dat het de eerste hoofdlijn van de werkagenda is dat iedereen mee
moet kunnen doen. Dat betekent niet alleen maar dat je op school of
ergens anders opgeleid wordt en meer informatie krijgt, maar ook dat je
beschikking hebt over apparatuur. In de komende drie jaar zullen we
zorgen dat zo'n 150.000 apparaten van de rijksoverheid voor hergebruik
worden gedoneerd aan kinderen van wie de ouders het niet kunnen betalen
om zo'n apparaat te kopen. We willen wel gaan werken met gratis
wifipunten, maar die zijn natuurlijk niet altijd veilig. Daarom gaan we
kijken of het mogelijk is om een soort sociaal internetpakket te maken,
waarbij gebruikers tegen een zeer laag tarief toegang kunnen krijgen tot
het internet. In het uiterste geval kan de minister van EZK ook een
universele dienstverplichting aan de markt opleggen, maar daar zal ze
ongetwijfeld zelf nog iets meer over willen zeggen. Wij willen het dus
mogelijk maken voor mensen met een kleine beurs dat zij zowel toegang
hebben tot apparatuur alsook dat zij internet kunnen hebben tegen zo
laag mogelijke kosten, en dan ook nog veilig.
Dan de vraag van mevrouw Koekkoek over digitale vaardigheden en
geletterdheid. Welke doelstellingen hebben we? De kern is eigenlijk dat
we willen zorgen dat iedereen mee kan doen. Dat betekent dus ook dat er
nog veel werk te doen is. Er zijn veel mensen die al meekunnen, zoals
mevrouw Van Weerdenburg ook zei, maar een heleboel mensen kunnen dat
niet. Het belangrijkste is om niet alleen structureel te gaan monitoren
hoe digitaal vaardig iedereen is, maar ook te zorgen dat we het gat
tussen 100% digitaal vaardig en wat het nu is, zo veel mogelijk dichten.
We willen ook zorgen dat we dat steeds blijven meten. Ik zal u
jaarlijks, als ik een update geef van de werkagenda, aangeven hoever we
zijn met de digitale geletterdheid en wat de stand op dat moment is.
Overigens is terecht opgemerkt dat dat opgedeeld moet worden in
verschillende doelgroepen, omdat de soort digitale geletterdheid die je
wil bereiken, per doelgroep anders kan zijn.
Dan wilde ik doorgaan naar de tweede hoofdlijn van de werkagenda. Die
heeft als titel gekregen: iedereen kan de digitale wereld vertrouwen.
Dat betekent natuurlijk transparantie en veiligheid. Dat dat op dit
moment niet vanzelfsprekend is, is helder. Niet voor niks hebben we
kabinetsplannen rondom cybersecurity gemaakt en is er een
cybersecuritystrategie opgesteld. Het is natuurlijk ook van belang om te
werken aan het thema desinformatie, omdat we weten dat dat een
ondermijnend effect kan hebben op bijvoorbeeld instituties, maar ook op
de posities van kinderen. Dan gaat het er bijvoorbeeld om dat ze
informatie krijgen die ertoe leidt dat ze steeds meer gaan gamen en
gokken of dat ze informatie krijgen die ertoe leidt dat zij gedrag
vertonen dat slecht is voor hun gezondheid. Wij willen er alles aan doen
om die digitale wereld zo te maken dat iedereen er met vertrouwen aan
kan deelnemen.
Dan ga ik naar de vragen die daarover gesteld zijn. Een daarvan was de
vraag van mevrouw Leijten over de ethische commissie en de relatie
daarvan tot de SER. Ik had het net al over de rol van de SER die we
samen met hen onderzoeken in het kader van het maatschappelijke debat
over publieke waarden en over de afweging die we daarbij willen maken.
Maar er zijn natuurlijk op allerlei plekken — en dat wordt misschien met
die ethische commissies bedoeld — ethische commissies waarbij
instellingen, bijvoorbeeld uitvoeringsorganisaties, kijken naar hoe
waardenspanningen die er zijn of die er zouden kunnen zijn in de
praktijk werken en welke keuzes er dan gemaakt moeten worden. Wij gaan
vooral een breed maatschappelijk debat entameren, bij voorkeur dus samen
met de SER, het Rathenau Instituut en andere instellingen, zodat we
steeds weer kijken naar welke waarden er aan de orde zijn en in welke
mate we ervoor kunnen zorgen dat publieke waarden centraal blijven staan
bij het gebruik van digitale oplossingen.
Er was ook een vraag van mevrouw Leijten, de heer Bontenbal en mevrouw
Koekkoek over het waardenkader dat we in de werkagenda noemen. Dat is
niet het waardenkader zoals we dat nu al hebben opgesteld, want we
hebben daar wel degelijk al onderzoek naar laten doen en we hebben al
een inventarisatie gemaakt van de publieke waarden die aan de orde zijn.
We hebben gezegd dat het van belang is om dat nog verder te ontwikkelen.
Dat waardenkader — daar is ook een motie over ingediend — gaan we
opstellen en willen we vertalen in concrete instrumenten die we kunnen
gebruiken. Dat zou de mensenrechtentoets die we doen kunnen zijn, de
handreiking non-discriminatie of de handleiding voor goed digitaal
openbaar bestuur, maar we willen daar in de komende tijd verder aan
werken en ervoor zorgen dat we een helder waardenkader behouden dat
iedereen kan gebruiken bij de inzet van digitalisering bij bijvoorbeeld
de overheid, maar net zo goed in de private sector. Overigens worden dit
soort waardenkaders ook in Europees verband ontwikkeld. Zo is er eentje
in het kader van de DSA, maar ook in de bredere context van de digitale
opgave van de Europese Unie.
Er was een vraag van mevrouw Dekker-Abdulaziz over ...
De voorzitter:
Voor u verdergaat heeft u een vraag van mevrouw Koekkoek en daarna van
mevrouw Leijten. Mevrouw Koekkoek.
Mevrouw Koekkoek (Volt):
Ik had nog gevraagd of dat waardenkader — ik denk dat dat een hele goede
ontwikkeling is — ook gedeeld wordt door andere departementen. Ik kan me
namelijk voorstellen dat er bijvoorbeeld in het kader van veiligheid
andere waarden en afwegingen spelen dan wanneer je het hebt over
digitalisering van de overheid. Dus ik vraag me af wie daarin het
voortouw neemt en of alle departementen zich tot dat kader gaan
verhouden.
Staatssecretaris Van Huffelen:
Het idee is wel dat we één instrument voor dat kader maken. We zien nu
dat er heel veel verschillende instrumenten naast elkaar zijn. Die
proberen we eigenlijk tot één instrument te maken. Maar dat wil niet
zeggen dat je altijd dezelfde uitkomsten krijgt. Dat is afhankelijk van
welk beleidsvraagstuk er voorligt. Het kan zijn dat we in het kader van
transparantie bijvoorbeeld juist willen dat het voor iemand heel
transparant is hoe het aanvragen van een DUO-lening werkt, welke
afwegingen er worden gemaakt en welke gegevens van iemand worden
gebruikt om die afweging te maken. In het veiligheidsdomein kun je
natuurlijk soms andere afwegingen maken, waarbij je er bewust voor kiest
om bepaalde data juist niet te publiceren. Dat kan natuurlijk de
uitkomst zijn van het waardenkader, maar we willen wel het liefst werken
met eentje, dus met één kader dat toepasselijk is op alle
beleidsterreinen. Natuurlijk gaat het er dan om dat we dat met z'n allen
bij de overheid gaan toepassen en dat het liefst een-op-een aansluiten
bij wat we in Europa willen bereiken.
Mevrouw Leijten (SP):
Het kabinet heeft gezegd dat het een verkenning vraagt aan de SER voor
een soort ethische commissie, omdat het nu allemaal te versnipperd is.
Wij zeggen daarvan: kijk nou gewoon naar wat het Rathenau heeft, want
dan weet je het eigenlijk al. De staatssecretaris zegt dat ze een brede
digitale dialoog gaat voeren met iedereen. Op basis waarvan dan? Want we
hebben het waardenkader. In de uitwerking van de motie verwijst de
staatssecretaris naar een plan van anderhalf jaar daarvoor of een vorm
van onderzoek van anderhalf jaar daarvoor. Ze zegt: iedereen heeft het
al. Ik denk dat dit waar is. En dan begint ze over een dialoog. Mij is
dan niet helder wat ze dan precies wil gaan voorleggen in die dialoog.
Hoe komen we tot een dialoog als iedereen iets anders bedoelt?
Staatssecretaris Van Huffelen:
Volgens mij is dat niet wat ik heb gezegd. Ik heb gezegd dat er nu
verschillende waardenkaders zijn die je in de digitale wereld kunt
gebruiken. Er is een mensenrechtentoets. Er is een kinderrechtencode. Er
zijn verschillende soorten kaders. We hebben een jaar of anderhalf
geleden inderdaad een onderzoek laten doen waarin ook de publieke
waarden nog een keertje naast elkaar staan. Wat ik belangrijk vind en
wat ik ook in het vorige debat heb gezegd, is dat we niet met allerlei
verschillende soorten codes en kaders moeten werken, maar het liefst met
eentje, want dat is helder. Dat moeten we opstellen. We gaan uiteraard
met u in gesprek over het toepassen daarvan, maar net zo goed ook met de
partijen in de wereld om ons heen of dat nou gaat om de SER of anderen.
Want het gaat natuurlijk om de vraag hoe je zo'n kader in de praktijk
toepast. Daar kun je ethische commissies voor gebruiken, als je dat
wilt. Wat ons betreft is het vooral belangrijk om dat kader eerst op te
stellen.
Mevrouw Leijten (SP):
Het wordt er niet duidelijker op. En het is toch wel degelijk de
uitwerking van wat in de brief staat over de stand van zaken van de
uitvoering van de motie die we hebben ingediend. Die motie vraagt om een
duidelijk waardenkader te maken met betrekking tot inzet, regulering en
toepassing van digitale technologie door de overheid, waarbij duidelijk
wordt aangegeven welke principes en waarden leidend zijn. Dat is dus
niet uitgewerkt. Dan wordt er in die stand-van-zakenbrief gezegd: er is
een onderzoek van het verleden; we gaan iets doen met … Ze noemt het
toetsingskader, het mensenrecht, maar dat is niet waar we naar vragen.
Als je alles door elkaar haalt, kom je natuurlijk nooit ergens. Dus wat
gaat ze nou doen? Gaat ze die motie uitvoeren of niet? Wanneer is die
dan uitgevoerd? Dan kunnen we dat misschien beter helder krijgen.
Staatssecretaris Van Huffelen:
Wat er in de werkagenda staat, is dat we dat gaan doen, dat we die motie
dus ook gaan uitvoeren en dat er een waardenkader komt voor afwegingen
in die digitale transformatie en bij de overheid. Dat gaan we dus ook
doen. Ik weet niet helemaal precies wanneer we daarmee klaar zijn, maar
ik hoop zo snel mogelijk. Daarnaast zei ik dat we daarbij gebruik gaan
maken van alles wat er al is, omdat er ook al werk gedaan is. Denk
bijvoorbeeld aan zo'n mensenrechtentoets, een kinderrechtencode
enzovoort enzovoort enzovoort.
De voorzitter:
Ik kijk even naar de staatssecretaris. We zijn inmiddels al drie
kwartier verder. Volgens mij zijn er nog wat kopjes. Als er ergens
ruimte is om te versnellen, dan gaarne.
De heer Bontenbal (CDA):
Ik begin een klein beetje gefrustreerd te raken. We hebben nu
verschillende debatten gehad en er worden best grote vragen gesteld. Ik
probeer dat zelf ook steeds te agenderen. Het is natuurlijk niet heel
moeilijk voor mij om hele gedetailleerde vragen te stellen over de KVK
en het afschermen en zo daarvan. Ik vind dat zelf wat minder
interessant, omdat deze commissie zich volgens mij juist heel erg leent
voor de wat grotere metavragen, maar elke keer wordt het procedureel
weggezet. Ik heb nu al een paar keer in een inbreng zo'n verhaal
gehouden. Ik begin me soms af te vragen of ik dat voor de kat z'n viool
zit te schrijven, want ik doe daar toch echt mijn best op. Moet ik
misschien gewoon een andere baan zoeken? Is dit blijkbaar in de Kamer
niet de plek waar we dit soort grote debatten met elkaar voeren? Volgens
mij is dit nou juist wel de plek hier en moeten we dit soort grote
vragen … Misschien komt het straks nog in een ander stukje, maar hoe
gaan we ervoor zorgen dat we in deze commissie ook dat soort grote
vragen met elkaar kunnen beantwoorden over hoe we het publieke domein
een beetje beschermen? Het wordt heel snel procedureel en ik heb
daardoor niet het idee dat ik echt een zinvolle bijdrage kan leveren aan
dit soort debatten.
De voorzitter:
Ik neem aan dat u vooral op dat laatste een oordeel van de
staatssecretaris wil, niet over de vraag of u een andere baan moet
zoeken.
De heer Bontenbal (CDA):
Misschien ook.
Staatssecretaris Van Huffelen:
Misschien is het goed om daar even iets over te zeggen. Ik probeer
natuurlijk ook de toch wel grote hoeveelheid vragen die u en uw
collega's gesteld hebben, te beantwoorden. Dan komt het misschien soms
wat instrumenteel over, maar de kern van waar we over spreken, namelijk
de werkagenda, gaat natuurlijk over die grote vragen waar u het over
heeft: hoe zorgen we ervoor dat we die digitale wereld, die nu voor een
groot deel niet gereguleerd is, kunnen reguleren? Dat doen we om daarmee
kinderen te beschermen, om te zorgen dat mensen mee kunnen doen, om te
zorgen dat je met vertrouwen eraan kunt deelnemen en om te zorgen dat er
goede kaders zijn als er beslissingen worden genomen over het wel of
niet inzetten van een algoritme. Dat is precies waar dit vraagstuk wat
mij betreft over gaat.
Als u dan aan mij vraagt "kun je dat nu allemaal 100% regelen?", dan is
het antwoord: nee, want we zijn bezig heel veel nog in te zetten. Denk
bijvoorbeeld aan die Europese regelgeving over algoritmes. Die is
superbelangrijk en wordt nu uitonderhandeld. Die zal wellicht pas in de
loop van volgend jaar, of eerder het jaar daarna, daadwerkelijk kunnen
worden toegepast. De Digital Services Act gaat over wat je nou precies
van socialmediaplatforms verwacht dat ze doen om te zorgen dat ze
transparant zijn, dat ze de rechten van kinderen beschermen, dat ze de
rechten beschermen enzovoort enzovoort. Dat staat in die Digital
Services Act, maar die gaat in op 1 januari 2024.
We zien dus wel dat we heel graag heel veel willen en dat het kabinet en
uw Kamer heel erg met elkaar delen dat er nog veel regulering nodig is,
maar dat die regulering er natuurlijk nog niet allemaal is.
Tegelijkertijd proberen we ook vanuit de Nederlandse overheid zo veel
mogelijk stappen al te zetten. De brieven die ik u heb gestuurd over het
reguleren van de algoritmes lopen vooruit op de Europese
algoritmeregelgeving. Het zorgen dat we de AP alvast klaarmaken om
toezicht te houden daarop, loopt daarop vooruit.
Dat wil echter niet zeggen dat we alles al hebben en dat wil ook niet
zeggen dat we daarmee dus klaar zijn. Het is een ongelofelijk groot en
belangrijk vraagstuk. Ik denk dat we met elkaar steeds moeten kijken of
we de juiste prioriteiten hebben. Nou, we hebben in de werkagenda de
prioriteiten die wij als kabinet hebben, opgeschreven. Dan gaat het er
natuurlijk ook om hoe we die daadwerkelijk gaan uitwerken en omzetten in
regelgeving enzovoort enzovoort. Maar je kunt niet zomaar ineens iets
verbieden, bijvoorbeeld omdat je nu vindt dat iets niet goed is, als je
daarvoor niet de onderliggende regelgeving hebt. Dat is misschien af en
toe superfrustrerend, zowel voor u als voor mij, maar de grote thema's
blijven wat mij betreft boven water staan.
Ik proberen om het iets sneller te doen, maar, nogmaals, ik zit ook een
beetje met het feit dat u heel veel vragen heeft gesteld, en volgens mij
wil uw commissie ook graag de antwoorden daarop krijgen. Dat staat er
nog los van dat mijn collega's ook nog aan de beurt komen.
De voorzitter:
Ja.
Staatssecretaris Van Huffelen:
Data en privacy. Dat gaat over het verkopen van data. Volgens mij is dat
een vraag voor mijn collega.
Mevrouw Dekker-Abdulaziz stelde een vraag over het stoppen met het
uitvragen van data door overheden, bijvoorbeeld rondom de WOZ, en een
toezegging daarover. Dat ging over de foto's die je moest maken om de
WOZ-waarde van je huis te bepalen. Ik vind het superzorgelijk dat
gemeentes dit doen. Ik vind ook echt dat het niet kan. Burgers moeten
daar niet mee akkoord gaan. Ik begreep dat het een proef is. Ik zal met
gemeenten hierover praten, want ik vind dat ze hiermee moeten
ophouden.
Dan het verplicht maken van de Code kinderrechten online. Dat is iets
wat ik heel graag wil doen. Dat hangt ook weer samen met alles wat op
dat gebied gebeurt in het programma Better Internet for Kids van de
Europese Commissie, om er zo voor te zorgen dat we die verplichtingen
ook daadwerkelijk hebben en dat kinderrechten online op een goede manier
worden gehanteerd. Het is niet zo heel snel eenvoudig om dat te doen.
Hoewel die code is gebaseerd op heel veel al bestaande regelgeving, die
we dus al kunnen gebruiken, is de samenhang nog niet zo dat we die code
overal in één keer kunnen inzetten. Maar ik ga eraan werken om dat zo
snel mogelijk waar te kunnen maken.
Dan ga ik naar een vraag van de heer Bontenbal over de prioriteiten voor
nieuwe technologie.
De voorzitter:
Voordat u verdergaat, wil mevrouw Dekker-Abdulaziz een vraag
stellen.
Mevrouw Dekker-Abdulaziz (D66):
Ik wil even door op die code voor kinderrechten. Volgens mij heb ik de
staatssecretaris gevraagd of zij wil ingaan op de vraag of geborgd kan
worden dat er voldoende middelen zijn om die in leven te houden. Dan
gaat het nog niet eens over het verplicht stellen.
Staatssecretaris Van Huffelen:
Naar de budgettaire consequenties daarvan moeten we nog kijken. Daar kan
ik nog geen antwoord op geven, maar daar wil ik graag op terugkomen.
Maar wat mij betreft geldt dat je die code sowieso moet invoeren, omdat
die van groot belang is voor het beschermen van kinderrechten.
Dan de vraag van de heer Bontenbal over nieuwe technologie. Hij zei dat
veel technologieën ons helpen en ons ten dienste staan; denk aan de
gezondheidszorg en het via algoritmes onderzoeken van ziektes. In onze
werkagenda hebben wij daarom een lijn uitgezet die gaat over anticiperen
op nieuwe technologie. Ik vind namelijk dat de overheid, vooruitlopend
op de introductie van nieuwe technologieën, eigenlijk al in een vrij
vroeg stadium moet kunnen inschatten — natuurlijk samen met partijen die
daar veel over kunnen weten, omdat zij zich daar ofwel vanuit een
wetenschappelijke rol of vanuit hun ngo-rol mee bezighouden — wat de
gevolgen van die technologieën zijn en of we die willen en kunnen laten
toepassen. Dat is best een ingewikkeld vraagstuk, want sommige
technologieën bevinden zich nog in een heel erg embryonaal stadium. Maar
zeker als het erop begint te lijken dat ze kunnen worden ingezet, ofwel
door de private sector ofwel door de overheid, is het belangrijk om in
kaart te hebben waar we het over hebben, wat we daarbij als kansen en
risico's zien en wat we ermee willen doen. Daar wil ik ook jaarlijks
over rapporteren: wat vinden wij dan dat die technologieën zijn, wat is
onze inschatting, hoe kunnen we die inzetten, als we dat zouden willen,
en vooral wanneer we die niet willen inzetten, als we zien dat er grote
risico's aan verbonden zijn?
De voorzitter:
U heeft een interruptie van de heer Bontenbal.
De heer Bontenbal (CDA):
Daar ben ik blij mee. Toen ik zelf nog studeerde, was ik een keer op
bezoek bij het LUMC. Ik heb daar gekeken op een afdeling die met
medische fysica bezig was. Dit is al een tijdje geleden, maar men was
toen al bezig met het verzinnen van allerlei algoritmes om op een slimme
manier tumoren op te kunnen sporen. Digitale technologie kan dus enorm
behulpzaam zijn. Ik denk dat dit meteen een goed voorbeeld is dat laat
zien dat allerlei digitale technologieën in de medische zorg ook weer
allerlei maatschappelijke effecten teweeg kunnen brengen. Mensen worden
zo gevolgd en zijn zo met gezondheid bezig dat dit misschien wel voor
een snelle opsporing van allerlei ziektes zorgt, maar mensen ook
helemaal doldraait, omdat ze constant heel gefocust zijn op gezondheid
zijn, op topfit zijn enzovoort. Ik ben naar dat soort dingen op zoek.
Elke technologie heeft een downside. Wat doen de nieuwe technologieën,
waarvan evident is dat ze ook voordelen hebben, met de mentale
gezondheid van mensen en van de samenleving als geheel? Daar ben ik naar
op zoek.
Staatssecretaris Van Huffelen:
De medische sector is hier een goed voorbeeld van. Daar spelen dit soort
ethische dilemma's namelijk altijd. Los van de technologie die je
gebruikt voor het opsporen van ziektes, spelen er altijd vraagstukken
als in hoeverre je mensen van tevoren wilt screenen en wat het effect
daarvan is. Die moeten wat mij betreft heel erg centraal staan. Dat
geldt ook voor toepassingen buiten het medisch domein. Denk bijvoorbeeld
aan de metaverse. Vinden we dat de overheid die moet stimuleren,
bijvoorbeeld om de dienstverlening te verbeteren? Helpt dat of helpt dat
niet? Welke dilemma's en risico's zitten daaraan vast? Voor meerdere
sectoren geldt dat je steeds de vraag moet stellen wat een nieuwe
technologie kan brengen en welke risico's daaraan vastzitten. Onlangs
had ik in Europa een discussie over emotieherkenning. Sommige mensen
zeggen dat die in de medische sector heel erg kan helpen om iemand te
diagnosticeren met bijvoorbeeld bepaalde soorten van epilepsie. Het zou
kunnen helpen, maar het zou er ook toe kunnen leiden dat een bepaalde
fabrikant van medicijnen wel heel erg enthousiast wordt met het pushen
van bepaalde medicamenten voor mensen die minder goed in hun vel zitten.
Die vraagstukken zijn er steeds weer. De afweging moet dus ook steeds
weer gemaakt worden.
Een andere vraag van de heer Bontenbal ging over het initiatief PubHubs,
om op een andere manier het publieke gesprek op gang te helpen. Dat is
echt wel iets waar we over aan het nadenken zijn. Het zou geweldig zijn
als u als Kamerleden nog eens nadenkt over de vraag wat u zou willen: de
standaard communicatiemiddelen en socialmediaplatforms gebruiken, zoals
Twitter, of ook iets anders? Ik denk dat wij dat als overheid ook gaan
doen, omdat we het liefst willen dat het publieke debat wordt gevoerd op
veilige plekken, waar je informatie met elkaar kunt delen. Dat kun je
vooral stimuleren door er zelf gebruik van te maken.
De heer Bontenbal had ook nog een vraag over verleidingstechnieken in
games, de loot boxes. U noemde een rapport gemaakt door het
Trimbos-instituut. Dat rapport ga ik meenemen in de reactie op uw vraag
of we die moeten verbieden of niet. We weten namelijk dat deze
verleidingstechnieken, zoals loot boxes, een enorm effect hebben. Ik
vind het belangrijk om u daar voor het kerstreces antwoord op te geven,
omdat ik denk dat dat om een snel antwoord vraagt.
De heer Bontenbal (CDA):
Ik hoop dat het niet van mijn interrupties afgaat: het ging mij
specifiek om het UNICEF-rapport.
Staatssecretaris Van Huffelen:
We nemen het Trimbos-instituut en UNICEF beide mee in onze
reactie.
Dan was er de vraag van mevrouw Bouchallikh over de Raad voor het
Openbaar Bestuur en het rapport "Sturen of gestuurd worden?" Dit
uitgebreide rapport doet verschillende aanbevelingen, waar ik heel graag
schriftelijk op wil terugkomen. Ik zal dat geen kort briefje maken, maar
serieus antwoord geven op de punten die daarin staan en op de acties die
het kabinet wil ondernemen op basis van dat rapport. Wat ons betreft
worden in het rapport veel behartenswaardige aanbevelingen gedaan.
Dan de vraag van de heer Ceder over de code kinderrechten online. Moet
dat niet de juridische basis worden? Ja, mijn idee is dat op basis van
de code juridisch wordt getoetst of kinderrechten goed beschermd zijn.
In het kader van de Europese ontwikkelingen wil ik de verplichting ervan
graag meenemen, bijvoorbeeld in de appropriate design code.
De voorzitter:
Voordat u verdergaat heeft u een interruptie van de heer Ceder.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Fijn dat de staatssecretaris dat ook wil. Ik ben nog even benieuwd naar
concretisering: wanneer dan? Ik denk dat de implementatie heel veel
discussies die we hier voeren oplost, of bedrijven in ieder geval een
handreiking geeft om na te denken over de discussies die we hier voeren.
Komt er dus een voorstel naar de Kamer? Zo ja, wanneer? Ik wil dit
dichttimmeren om de redenen die ik al eerder genoemd heb.
Staatssecretaris Van Huffelen:
Daar zitten we natuurlijk een beetje met een dilemma. Als wij het
dichttimmeren, vergt dat een wetgevingstraject aan onze kant. Er loopt
een wetgevingstraject in Europees verband. Ik denk dat we even goed
moeten kijken naar de timing van beide. We delen met elkaar dat we heel
graag willen dat die code voor kinderrechten wordt onderschreven. In de
DSA, dus de regelgeving voor socialmediaplatforms, is die code voor
kinderrechten overigens al meegenomen. We moeten even goed kijken wat
als eerste effect heeft: een wettelijke verplichting die we apart maken
of meelopen in Europees verband. Eerlijk gezegd denk ik dat dat laatste
tot het meeste tempo leidt. Ik vind het prima om daar nog even bij u op
terug te komen om dat goed toe te lichten. Laten we er helder over zijn:
u en ik delen deze ambitie. We willen graag dat die kinderrechten goed
en snel beschermd worden.
Dan ga ik naar ...
De voorzitter:
U heeft nog een vervolgvraag van de heer Ceder.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dat dilemma ken ik ook op andere thema's. Over de imvo-wetgeving is
bijvoorbeeld ook zo'n discussie gaande: wachten we op Europa of kunnen
we juist binnen het kader van Nederland iets neerzetten waar Europa
vervolgens iets aan heeft? Daardoor zouden we de weg voorwaarts wijzen.
Wanneer is deze weging klaar? Want als je daar te lang mee wacht, valt
het nationale kader automatisch weg. Ik ben dus wel benieuwd wanneer de
staatssecretaris denkt dat ze de definitieve keuze heeft gemaakt, zodat
we daarover als Kamer kunnen oordelen.
Staatssecretaris Van Huffelen:
Ik denk dat we als kabinet moeten proberen om dat uiterlijk begin
volgend jaar te doen, dus echt wel in de eerste maanden van volgend
jaar. Overigens is het goed om te weten dat wij bijvoorbeeld die code
hebben meegenomen naar Europa; die is daardoor ook onderdeel geworden
van Europese regelgeving. We doen er dus heel veel aan om ervoor te
zorgen dat die zo veel mogelijk in Europees verband wordt uitgewerkt en
ondersteund.
Dan was er nog een vraag van mevrouw Koekkoek. Zij vroeg of we misschien
samen met andere Europese landen kunnen komen tot een publiek sociaal
medium en of we dat idee kunnen ondersteunen. Wij ondersteunen dat ook.
Wij steunen dat idee. We hebben in het coalitieakkoord afgesproken dat
we op dit terrein een voortrekkersrol willen spelen in de EU. Ik weet
dat er in meerdere landen wordt nagedacht over de vraag of we meer
kunnen werken met PubHubs. Dat is een voorbeeld van wat we in Nederland
en de EU kunnen doen om een alternatief te creëren voor de huidige
socialemediaplatforms. Dat laat overigens onverlet dat ik hierin niet
naïef wil zijn, om dat woord maar eens te gebruiken; er zijn en blijven
ook andere socialemediaplatforms. Het is belangrijk om daarvoor goede
regulering in te zetten, om ervoor te zorgen dat zij worden aangepakt
wanneer zij niet voldoen aan de wensen, eisen en regels die wij in
Europa of binnen Nederland hebben vastgesteld.
Dan de digital comments. Daarover was ook een vraag van mevrouw Van
Weerdenburg. In het komende halfjaar gaan we hiermee aan de slag. We
willen kijken wat we kunnen doen om dat te stimuleren, samen met
organisaties als het SIDN fonds, de Waag en NLnet, om te kijken naar
bijvoorbeeld opensourcecomponenten in de basisinfrastructuur of om data
comments te gebruiken om een algoritme of desinformatie te herkennen.
Wij gaan hiermee dus aan de slag. Ik zeg u toe dat we hierop terug
zullen komen in de komende periode.
Dan ga ik naar blokje 3, over regie op het digitale leven. Daarover heb
ik al gezegd dat het van belang is dat Nederlanders regie kunnen houden
op hun eigen leven in de onlinewereld. Daarvoor hebben we allerlei
regelgeving in de maak, zoals de Digital Services Act, die vanaf 1
januari 2024 van kracht is. Maar het is ook nodig dat je beter weet,
bijvoorbeeld bij de overheid, wat voor soort gegevens van jou worden
bijgehouden. Die moet je kunnen inzien, ophalen en corrigeren. We willen
als overheid dan ook werken aan het maken van een publieke datakluis en
het reguleren van algoritmes. Vooruitlopend op de Europese regelgeving
hebben wij al wat uitgebreider gezegd wat wij als overheid op dat gebied
willen doen.
Dan ga ik naar de vragen die daarover zijn gesteld. Als eerste ga ik in
op de vraag van mevrouw Leijten of de mensenrechtentoets voor algoritmen
verplicht en bindend moet zijn. Het antwoord daarop is dus ja. In de
huidige compromistekst van de Europese AI-verordening staat dat
ontwikkelaars van hoogrisico-AI-systemen een mensenrechtentoets moeten
doen, een toets op fundamentele rechten, veiligheid en gezondheid. Dat
moet naast de toets op bijvoorbeeld privacy-impact worden gedaan. Ik
vind het ook belangrijk dat dat in de onderhandelingen overeind blijft
en dat we ervoor zorgen dat de AI-regels een mensenrechtentoets
verplicht stellen.
Dan ga ik naar …
De voorzitter:
Sorry, mevrouw Leijten heeft een interruptie.
Mevrouw Leijten (SP):
Ik ben eigenlijk niet zo geïnteresseerd in Europese onderhandelingen.
Het zou echt super zijn als dat eruit komt en als dat kan worden
afgesproken, maar er ligt gewoon een aangenomen motie dat wij dat willen
in Nederland. Ik wil dus graag dat de staatssecretaris toezegt dat ze
het in Nederland standaard invoert.
Staatssecretaris Van Huffelen:
Dat hebben we ook in ons implementatiekader staan voor algoritmes die
door de overheid worden gebruikt in Nederland. Dat staat ook in de
brieven die ik naar uw Kamer heb gestuurd. Het verder introduceren van
de verplichting, die we overigens allemaal willen — uw Kamer heeft die
motie inderdaad aangenomen — wordt geregeld in de Europese regelgeving.
Die combinatie zorgt ervoor dat het straks niet alleen geldt voor de
overheid, maar ook voor de private sector.
Mevrouw Bouchallikh had ook een vraag over de mensenrechtentoets. Daar
heb ik het net al over gehad.
Mevrouw Van Weerdenburg zei dat ruim de helft van de Nederlanders het
nieuws tot zich neemt via grote platforms. Zij vroeg of we een manier
kunnen verzinnen om met de eigen platforms die we gaan ontwikkelen, ook
voldoende Nederlanders te bereiken. Dat is natuurlijk van belang. Als er
alternatieven worden ontwikkeld, willen wij dat zo veel mogelijk mensen
daarvan gebruikmaken, zodat de platforms ook daadwerkelijk voldoende
omvang krijgen en daadwerkelijk een rol spelen.
Mevrouw Van Weerdenburg (PVV):
Natuurlijk. Alleen is de indicator die wordt genoemd voor de nieuwe
toepassingen, ten minste 10.000 gebruikers. Dat staat natuurlijk in geen
relatie tot de 10 miljoen gebruikers die Facebook dagelijks heeft in
Nederland. Ik vroeg eigenlijk meer naar een manier om wel nieuwe
toepassingen te ontwikkelen, maar niet gelijk alle bestaande platforms
bij het grofvuil te zetten.
Staatssecretaris Van Huffelen:
Volgens mij heb ik daar net al antwoord op gegeven. Ik hoop natuurlijk
dat de alternatieven meer dan 10.000 gebruikers krijgen, maar we blijven
werken op twee sporen: zelf alternatieven ontwikkelen, maar ook ervoor
zorgen dat de socialmediaplatforms die er nu zijn en die er wellicht nog
in de toekomst komen, voldoen aan de regels die wij daarvoor
stellen.
De voorzitter:
Voordat u verdergaat, is er een interruptie van mevrouw
Bouchallikh.
Mevrouw Bouchallikh (GroenLinks):
Het duurde even, want ik moest mijn papieren erbij pakken. Het is niet
voor het eerst dat ik vraag naar de uitvoering van de motie over de
mensenrechtentoets. Ik heb hier een rijtje van Kamerbrieven. In oktober
wordt genoemd dat het in de werkagenda staat, maar niet specifiek. In
mei hebben we het er ook over gehad. Ik begin er elke keer over omdat er
constant wordt verwezen naar beleid dat gaat komen, waarbij dan wordt
gezegd dat er in voorbereiding daarop het een en ander wordt gedaan,
maar ik het ondertussen niet in uitvoering gebracht zie worden. Wat kan
de staatssecretaris doen om de motie uit te voeren zoals zij is bedoeld,
namelijk binnen Nederland die verplichting opleggen? De motie was daarin
vrij duidelijk. Ik merk dat ik nu nog heel erg aan het zoeken ben naar
wanneer dit gaat gebeuren, als we constant moeten wachten op wat er in
Europa aan de gang is terwijl de motie heel expliciet zegt dat dit in
Nederland moet gebeuren.
Staatssecretaris Van Huffelen:
We hebben twee dingen gedaan. We willen allebei graag dat de
mensenrechtentoets een verplichting is. De vraag is alleen wat de
snelste route is om dat voor elkaar te krijgen. Als kabinet varen we nu
twee koersen. De ene is het voor de overheid als verplichting stellen.
Dat doen we in het implementatiekader voor algoritmes dat de overheid
maakt. Daarnaast werken we eraan dat het in de AI-regelgeving in Europa
terechtkomt. Overigens wordt de mensenrechtentoets al toegepast door
heel veel onderdelen van de overheid, want het is onderdeel van het IAK,
dat een toepassing is van het kader. Het wordt al toegepast. We gaan
ervoor zorgen dat we het verplicht stellen voor de overheid in
Nederland. We werken ook aan een toepassing in de AI-verordening die,
als het goed is, aan het eind van het jaar uiteindelijk wordt afgerond.
Dan kan het ook in Europees verband worden ingevoerd. We zijn dus heel
hard aan het werk om ervoor te zorgen dat dat ook zo is. Ik denk dat dit
de snelste manier is om de toepassing daarvan al te doen — want daar
zijn we via de huidige instrumentaria al mee aan het werk — maar vooral
ook de manier om ervoor te zorgen dat het zo snel mogelijk een verplicht
kader wordt.
De voorzitter:
Een vervolgvraag van mevrouw Bouchallikh.
Mevrouw Bouchallikh (GroenLinks):
Ja, een hele korte vraag. Eerder werd ook gezegd dat andere landen ook
naar ons aan het kijken zijn. Daarom vind ik het juist heel belangrijk
dat we dat voortvarend blijven doen. Ik geloof best dat dat gebeurt,
maar ik ben ook een beetje aan het zoeken wat het punt is waarop we
kunnen zeggen: dan moeten we het via Europa hebben geregeld en anders
doen we het zelf.
Staatssecretaris Van Huffelen:
Ik zou zeggen dat we dat in eerste instantie moeten laten afhangen van
de onderhandelingen, of de uitkomsten daarvan, in december, want dan
leggen we het vast binnen de landen en de Commissie. Daarna zijn de
trialogen. Ik heb met vele Europese fracties gesproken en ik heb nog
niet iemand gehoord die heeft gezegd dat hij zo'n mensenrechtentoets
niet wil, dus ik mag hopen dat die ook blijft bestaan. Maar ik denk dat
zodra we zouden merken dat die mensenrechtentoets geen onderdeel meer
zou zijn van het Europese kader, wijzelf snel aan het werk moeten. Even
los daarvan gaan we het dus voor de overheid ook al introduceren.
Dan ga ik naar de vraag van mevrouw Van Ginneken over de
algoritmetoezichthouder. Nee, de vraag was van mevrouw Dekker volgens
mij. Die ging erover of het toezicht van de algoritmetoezichthouder al
gereed zou kunnen zijn voor 1 juli. We zullen zeker een deel van de
kaders dan klaar kunnen hebben, omdat we hard aan het werk zijn om met
de AP die inrichting te doen. Op 1 januari starten we ook al; voor het
kerstreces krijgt u daar een brief over. Maar de AP kan natuurlijk als
toezichthouder pas ergens op gaan werken en ook boetes uitdelen wanneer
er ook daadwerkelijk een wet aan ten grondslag ligt. Nou, er is
natuurlijk de AVG; daar kan de AP al mee aan de slag. Maar de nieuwe
AI-verordening zal ook wel nieuwe kaders bieden voor de Autoriteit
Persoonsgegevens en die zullen dan in de loop van de tijd worden
geïntroduceerd. Maar wij zullen u over de inrichting van die
algoritmetoezichthouder zo snel mogelijk een brief sturen; die komt nog
dit jaar. Daarna kunnen we ervoor zorgen dat er ook verdergaande regels
komen waar de AP aan moet voldoen.
Dan ga ik door met de vraag van de heer Ceder of we de invoering van de
wallet niet on hold moeten zetten tot duidelijk is dat er sprake is van
vrijwilligheid in de hele Unie, en tot duidelijk is dat er geen
dataconcentratie kan plaatsvinden. Dit is natuurlijk precies wat we niet
willen: we willen vrijwilligheid en we willen dat er geen sprake is van
dataconcentratie. Wij zullen ervoor zorgen dat dat ook niet gebeurt. Wij
gaan met ons publieke voorbeeld aantonen dat het kan: dat je met
vrijwilligheid, dus alleen met mensen die het willen, maar ook zonder
dataconcentratie, een wallet kan maken waarmee je niet alleen binnen
Nederland maar ook daarbuiten de regie houdt over je gegevens. Overigens
wordt de verordening die hierover gaat, de eIDAS-verordening, als het
goed is ook in december afgerond, dus ik denk dat we al vrij snel zicht
kunnen hebben op hoe dat er daadwerkelijk in Europa uit komt te
zien.
D66 had een vraag over het algoritmeregister, namelijk of alle
ministeries alvast een beschrijving van hun algoritmes kunnen toevoegen
aan het register dat we eind dit jaar gaan opleveren. Ik ga me er heel
erg voor inzetten om daar zo veel mogelijk in te stoppen. Ik kan het
natuurlijk pas afdwingen als het allemaal in de basis goed geregeld is,
maar ik ga hard aan het werk en ik bericht u zo snel mogelijk over de
voortgang daarvan. Zoals u zei, is het niet alleen het register van de
AP dat ons helpt, maar zeker ook het feit dat we op basis van motie 21
een inventarisatie hebben gemaakt van risicoanalyses, die voor het
grootste deel ook op algoritmen zijn gebaseerd.
Dan de vraag van mevrouw Bouchallikh wanneer er een verbod komt op
discriminerende risicoprofielen. Die risicoprofielen kunnen natuurlijk
sowieso niet. Het mag al niet. We hebben daarvoor de regelgeving al
helder. De minister van Binnenlandse Zaken heeft er met Amnesty over
gesproken en er ook een brief over gestuurd. Het kan niet dat er sprake
is van discriminerende risicoprofielen. We brengen ze ook in kaart op
basis van motie 21. De staatscommissie tegen discriminatie en racisme
kijkt ook mee. Vervolgens gaan we ervoor zorgen dat we het register voor
de algoritmes vullen, zodat duidelijk is welke algoritmes er zijn en
welke eventuele niet goede algoritmes er zijn, waarop we dan kunnen
handhaven.
De voorzitter:
Voordat u vervolgt: mevrouw Bouchallikh.
Mevrouw Bouchallikh (GroenLinks):
Ik verwees in mijn bijdrage naar de brief met de kabinetsreactie, waarin
sprake is van samenwerking met het veld en met uitvoeringsorganisaties.
Mijn zorg ligt hem er juist in dat in de brief bijvoorbeeld staat dat er
onder andere behoefte is aan kennis en expertise. Dan vraag ik me af:
waarom zouden we dan risico lopen en allerlei trajecten in gang zetten,
terwijl we ook kunnen zeggen "dit willen we gewoon niet; het is een
schending van mensenrechten, dus we houden op met discriminerende
algoritmes en we verbieden het bij de wet"? Waarom neigt de
staatssecretaris toch naar het traject van expertmeetings en
workshops?
Staatssecretaris Van Huffelen:
Het is verboden. Je mag niet discrimineren. Ik zie niet hoe we een extra
wettelijk traject daarvoor moeten doen. Je mag niet discrimineren, niet
met algoritmes en niet op een andere manier. Ik weet niet naar welke
soort wettelijke middelen u dan op zoek bent.
De voorzitter:
Wellicht kan mevrouw Bouchallikh het verhelderen.
Mevrouw Bouchallikh (GroenLinks):
Ja. Goed dat we het erover eens zijn dat het niet mag, maar het gebeurt
toch. Een heel specifiek verbod op het gebruik van discriminerende
algoritmes zou kunnen helpen om dat tegen te gaan. Mijn vraag is, ook
omdat Amnesty International ons specifiek daartoe oproept en de
Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme dat ook zegt, om
het dan helemaal te verbieden. Dan kan er in ieder geval gehandhaafd
worden.
Staatssecretaris Van Huffelen:
Het is inderdaad zo dat die staatscommissie daarmee aan de slag is om te
kijken wat er precies aan de hand is. Misschien kunnen we op basis
daarvan verder kijken, maar ik zie nu geen concreet aangrijpingspunt om
dit zo wettelijk vast te leggen, omdat het al verboden is om te
discrimineren. Maar ik begreep uit de brief van de minister van
Binnenlandse Zaken dat zij de staatscommissie daar nog vragen over heeft
gesteld. Die komen in ieder geval met een antwoord hierop, dus die
kijken nog naar de vraag of zij denken dat er aanvullende wettelijke
verplichtingen nodig zijn. Ik denk dat het goed is dat we daarop
terugkomen wanneer zij hun antwoord hebben geformuleerd.
De voorzitter:
Dank u wel. Vervolgt u uw betoog.
Staatssecretaris Van Huffelen:
Er waren een paar punten die gingen over de socialmediaplatforms. Dat
ging ook over de vragen die in de afgelopen tijd hebben gespeeld in de
discussie: moet je nou zorgen dat je social media, althans bepaalde
platforms, gaat verbieden of niet, gegeven het feit dat ze niet voldoen
aan bepaalde soorten eisen, bijvoorbeeld over de manier waarop ze
gegevens delen of anderszins? Zoals ik in een aantal andere antwoorden
ook al heb aangegeven, denk ik dat we er niet zomaar voor kunnen zorgen
dat socialmediaplatforms worden verboden, niet omdat dat we in onze
rechtsstaat niet de tools daarvoor hebben, maar om dat we vooral grip
willen krijgen op wat social media doen in onze democratie, wat ze doen
met onze kinderen, enzovoort enzovoort enzovoort. We zijn natuurlijk al
bezig om daar in Europa regels voor te stellen. We hebben daar ook al
heel veel regels voor gesteld, denk bijvoorbeeld aan privacy, marktmacht
en de komst van AI. Hetzelfde geldt overigens voor de DSA.
Maar we willen er natuurlijk wel voor zorgen dat we dat goed in de gaten
houden en dat we, daar waar wij als overheid bijvoorbeeld zelf
gebruikmaken van platforms, DPIA's uitvoeren, zoals we dat bij Facebook
hebben gedaan. We willen ervoor zorgen dat we, daar waar we gebruikmaken
van socialmediaplatforms, mensenrechtentoetsen doen en dat de AP alle
ruimte krijgt om het werk te doen dat zij moeten doen als het gaat over
het bewaken van bijvoorbeeld de privacyverplichtingen waaraan moet
worden voldaan. Dat laat onverlet dat ik met u ook vind dat we aan het
werk moeten. We moeten zorgen dat we heel goed in de gaten houden hoe
het gaat met de socialmediaplatforms die in Nederland actief zijn en wat
ze doen, niet alleen maar om te zorgen dat ze onze kinderen beschermen,
maar omdat het ook gaat over veiligheid en over gegevensdeling die niet
gewenst zou zijn, bijvoorbeeld naar landen die we niet willen. Daar
moeten we ook in de komende tijd hard aan blijven werken. Mijn collega's
gaan daar zo meteen wat verder op in, maar ik denk dat het goed is om
ook in de komende tijd met u dit debat te blijven voeren. Dat is heel
belangrijk. Dan kijk ik vooral naar de heer Bontenbal, omdat het
namelijk zo is dat we niet zomaar kunnen uitgaan van een verbod. We
hebben niet de tools om zomaar dingen te kunnen verbieden. Dat willen we
noodzakelijkerwijs ook niet, of beter gezegd, dat willen we liever
eigenlijk niet, maar we willen er wel voor zorgen dat als er
socialmediaplatforms in Nederland actief zijn, ze dan voldoen aan de
wetten en regels die wij daarvoor stellen.
De voorzitter:
Ik zou heel even willen wachten, meneer Ceder, totdat de
staatssecretaris alle vragen beantwoord heeft, om dubbelingen te
voorkomen, ook gelet op de tijd. Als u de specifieke vragen van dit
blokje kunt beantwoorden, dan kijken we daarna even naar de
interrupties.
Staatssecretaris Van Huffelen:
Die heb ik klaar, want ik ben toe aan blokje vier. Dat is over de
overheid.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Twee korte vragen. Ja, wij moeten instrumentarium ontwikkelen en ja, wij
kunnen niet zomaar dingen doen die niet binnen de kaders van de wet
vallen. Maar bent u het met mij eens en kunt u hier hardop zeggen dat
veel van die socialmediabedrijven, waaronder TikTok maar zeker ook
andere, zich momenteel niet aan de privacywetgeving houden? Kunnen we
met elkaar vaststellen dat de wetten die we al hebben met elkaar,
overtreden worden?
Staatssecretaris Van Huffelen:
Ik heb dat op dit moment in onderzoek. Ik heb een onderzoek laten doen
naar het gebruik van Facebookpages door de overheid. Ik ben tot de
conclusie gekomen dat er een aantal risico's geconstateerd zijn. We zijn
met Facebook daarover in overleg. Ik hoop u deze week meer te kunnen
vertellen over wat daar aan de orde is. Ik wil dan vergelijkbare
onderzoeken doen voor TikTok en voor Twitter, en eventueel voor andere
socialmediaplatforms. Ik kan nu niet zeggen dat er sprake is van die
schendingen, want ik heb nu geen grond op basis waarvan ik dat
daadwerkelijk kan zeggen. Ik heb natuurlijk goed gelezen wat er in de
media staat. Ik heb goed gezien en gehoord wat er is. Daar maak ik mij
met u zorgen over. Maar ik vind het wel van belang dat wij eerst goed
uitzoeken wat er precies aan de hand is. We weten dat TikTok
bijvoorbeeld al een boete heeft gekregen van de AP. Dat ging dan vooral
over de manier waarop ze kinderen informeren. Wij weten ook dat er nog
twee onderzoeken lopen bij de Ierse autoriteit persoonsgegevens, omdat
de belangrijkste hoofdvestiging van TikTok in Europa daar zit. Dat
betekent dat de AP het onderzoek heeft moeten overdragen aan de Ierse
autoriteit. Ik zal aan de AP vragen om er nog een keer extra voor te
zorgen dat die autoriteit zo snel mogelijk komt met conclusies op basis
van dat onderzoek. Maar wij moeten natuurlijk eerst goed kijken wat er
precies aan de hand is, voordat we daadwerkelijk de volgende stappen
kunnen zetten. Daar ga ik ook graag en hard mee aan het werk. Daar waar
we dat kunnen, willen we in kaart brengen wat er aan de hand is en
willen we natuurlijk ook ingrijpen.
De voorzitter:
Dank u wel. Er is een vervolgvraag van de heer Ceder. Daarna heb ik
mevrouw Dekker-Abdulaziz en dan nog mevrouw Van Weerdenburg staan.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik heb een vraag over het advies van het ministerie van Algemene Zaken,
dat de Nederlandse overheid adviseert om het gebruik van TikTok op te
schorten, totdat het privacybeleid is aangepast. Strekt dat advies ook
tot lokaal bestuur? Ik heb daarover vragen gekregen. Strekt dat ook
richting politieke fracties?
Staatssecretaris Van Huffelen:
Dat advies gaat over het gebruik door de rijksoverheid van deze
pagina's. Dat is een advies. Ik zou zeggen: neem dat advies ter harte.
Ik denk dat het ook goed is voor anderen om daar ook over na te denken.
Het is nog onduidelijk wat er precies aan de hand is en of er inderdaad
gegevens worden verzameld of gedeeld op een onrechtmatige manier. Dat
maakt dat wij vanuit het ministerie van Algemene Zaken hebben gezegd:
het is belangrijk om op dit moment geen gebruik te maken van TikTok,
totdat we daar meer over weten. Dat geldt natuurlijk ook voor kinderen.
Daar heeft u natuurlijk al veel over gezegd in uw inbreng, en de heer
Bontenbal ook. Ik denk dat het ook goed en verstandig is voor ouders en
opvoeders om nog eens even goed mee te kijken met hun kinderen naar de
tools waarmee zij aan het werk zijn en om op basis daarvan een besluit
te nemen of zij het wel of niet wenselijk vinden dat die kinderen
daarvan gebruik blijven maken. Op dit moment weten we onvoldoende, maar
we maken ons wel zorgen. Dat heeft ertoe geleid dat dit advies is
gekomen.
Mevrouw Dekker-Abdulaziz (D66):
Ik kan het toch niet laten. Ik heb vijf vragen gesteld, maar ik heb niet
een-op-een antwoord gekregen op alle vragen. Het gaat mij voornamelijk
om het laatste antwoord. Ik hoor de staatssecretaris zeggen dat ouders
moeten meekijken in hoeverre hun kinderen wel of niet op social media
zitten. Alleen, het punt is dat de algoritmes van socialmediabedrijven,
zeker TikTok en andere, zo verslavend zijn dat je niet kunt zeggen: o,
het is de verantwoordelijkheid van de ouders. We zouden dan als overheid
sigaretten ook niet verbieden voor kinderen omdat ze verslavend zijn. Nu
doen we niks op social media. Ik heb specifiek gevraagd of de regering
bereid is om socialmediabedrijven op Europese schaal te dwingen hun
algoritmes uit te zetten voor kinderen en/of aan te passen. Daarop heb
ik geen antwoord gekregen.
Staatssecretaris Van Huffelen:
Daar ga ik graag op in, want dat is precies wat de DSA regelt. Die zorgt
ervoor dat dit soort algoritmes niet wordt meegenomen. Kinderen worden
daarvoor extra beschermd. Ik ben het met u eens dat dat zou moeten
gebeuren en dat de regelgeving die daarvoor wordt gemaakt, tot die
conclusie moet leiden.
De voorzitter:
Een vervolgvraag van mevrouw Dekker-Abdulaziz.
Mevrouw Dekker-Abdulaziz (D66):
Ik wil het even dubbelchecken. Kan de staatssecretaris aangeven waar in
de DSA dat staat? Dan kan ik het namelijk zoeken. Voor zover ik weet, is
het met die profielen wel geregeld bij de DSA, maar dit heb ik niet
kunnen vinden. Het mag schriftelijk.
Staatssecretaris Van Huffelen:
Dat doe ik dan graag schriftelijk, want ik kan op dit moment niet uit
mijn hoofd zeggen waar het is. Dat kunnen we wellicht in de tweede
termijn doen. We proberen het in de tweede termijn en anders doen we het
schriftelijk.
Mevrouw Van Weerdenburg (PVV):
In het kader van grip krijgen op grote socialmediaplatforms: moet ik
daar dan ook de digitale kliklijn tussen zien als maatregel? Je kunt
natuurlijk boos rapporteren bij het platform over de social media die in
jouw ogen over de grens gaan. Maar de onlinecontenthandhaving lijkt echt
iets te zijn wat buiten de grote platforms bestaat. Is dat bewust? Is
het echt de bedoeling om daarmee te checken of de platforms zich aan de
afspraken houden?
Staatssecretaris Van Huffelen:
Ik vind het altijd goed om na te denken over de vraag waar mensen zich
kunnen melden wanneer zij digitaal gezien in de problemen zijn gekomen.
Het kan bijvoorbeeld zo zijn dat je een appje hebt gekregen: hallo, ik
ben je zoon, kun je even geld overmaken? Ik vind het belangrijk dat
mensen die in de problemen komen, een plek hebben waar ze
terechtkunnen.
De socialmediaplatforms gaan zelf over de moderatie op deze platforms.
Natuurlijk kunnen mensen dingen melden, maar dat wil niet zeggen dat de
platforms het ook moeten aanpassen. Dat staat ook niet in de Europese
regelgeving. Maar er is wel een mogelijkheid om het te melden. De
platforms kunnen daar vervolgens op acteren.
Ik ga door naar het vierde blokje. Dat gaat over de digitale overheid.
We hebben aangegeven dat, los van het feit dat het belangrijk is dat
iedereen kan meedoen, dat je de digitale wereld kunt vertrouwen en dat
je regie hebt, de overheid een voorbeeldrol moet hebben. Dat betekent
dus dat de overheid waardegedreven werkt, open is voor iedereen en
ervoor zorgt dat je met vertrouwen en met regie zaken kunt doen. Daar
willen we aan werken door ervoor te zorgen dat alle informatie over de
overheid actief openbaar is en dat je ook kunt zien hoe je zaken moet
doen met de overheid, welke informatie de overheid van je verzamelt,
welke gegevens er zijn, hoe gegevens worden verwerkt enzovoort enzovoort
enzovoort. Ik zal daar verder niet nog meer algemeens over zeggen. Ik
zal zo snel mogelijk ingaan op de vragen die gesteld zijn.
Wanneer verwacht ik dat de GDI-meerjarenvisie en het programmeringsplan
naar de Kamer komen? Eind deze maand. Dan zorg ik ervoor dat het
programma waarin de gemeenschappelijke data-infrastructuur en alles wat
willen doen om daarin te investeren, in de komende tijd ook voor u
beschikbaar wordt.
Er was nog een vraag over de GDI, namelijk hoe we met elkaar in lijn met
het MIRT, het meerjaren investeringsfonds voor infrastructuur, met uw
Kamer in gesprek gaan. Ik denk dat het goed is om daarover in deze
commissie zo snel als u daar tijd voor kunt en wilt maken in gesprek te
gaan, want dan kunnen we er ook voor zorgen dat de GDI verder met u
wordt gedeeld en eventueel nog kan leiden tot wijzigingen.
Dan over de Rijksdienst voor Identiteitsgegevens, die toeziet op de BRP.
Mevrouw Leijten had een vraag over onderfinanciering. Ik kan haar
geruststellen, want er is geen sprake van onderfinanciering bij de RvIG,
ook niet voor het realiseren van de beleidsdoelen. In de begroting lijkt
te staan dat er een exploitatietekort is, maar dat wordt opgevangen met
een reservevoorziening die daar specifiek voor is bedoeld. Dat betekent
dat de werkzaamheden gewoon als afspraak kunnen worden gefinancierd,
namelijk door leges voor reisdocumenten, door bijdragen van de
gebruikers van de voorzieningen, zoals de BRP, en door het ministerie
van Binnenlandse Zaken, zoals de ontwikkeling van de toekomst van de
BRP.
Dan is er een vraag over …
De voorzitter:
Voordat u uw beantwoording vervolgt, is er een interruptie van mevrouw
Leijten van de SP.
Mevrouw Leijten (SP):
Doordat wij een doorkijkje van de digitale kant van de begroting hebben
laten maken, omdat we natuurlijk een digitale begroting willen, viel het
mij op dat er een openstaande schuld was van 30,1 miljoen aan het einde
van 2021. Er wordt inderdaad gezegd dat dat wordt opgevangen door
gebruikers van allerlei zaken. Maar vindt de staatssecretaris het in de
financiering handig dat deze rijksdienst allerlei facturen moet sturen
aan gebruikers met het risico dat data wellicht niet goed worden
opgevraagd of op een andere manier worden gebruikt, doordat het ook
handelswaar kan worden? Vindt ze dat in de financiering handig? Als ze
daar nu geen antwoord op heeft, dan mag het antwoord daarop ook later
komen, maar de SP vindt het totaal onhandig dat de overheid bij zichzelf
de hele tijd aan het factureren is voor een openstaande schuld van 30,1
miljoen en daarmee risico neemt.
Staatssecretaris Van Huffelen:
Dit is gelukkig niet aan de orde, want de RvIG wordt al heel lang op
deze manier gefinancierd. Dat betekent dus dat er gewoon betaald wordt
voor reisdocumenten. Dat doen u en ik als we een paspoort aanvragen. Er
zit een bijdrage in van mensen die gebruikmaken van de voorzieningen.
Een deel van de financiering vindt ook plaats door het ministerie. Maar
er is geen sprake van dat dit handelswaar is of dat die data handelswaar
zijn. Er wordt door de Belastingdienst of het UWV gewoon betaald voor
het gebruik van deze gegevens.
Dan ga ik naar de vraag van mevrouw Leijten en mevrouw Van Ginneken over
de begroting en de aparte begroting voor Digitale Zaken. Ik begrijp dat
u nog niet tevreden bent met het inzicht dat u nu heeft. We hebben
geprobeerd om al zo veel mogelijk in kaart te brengen hoe het zit met de
ICT-kosten, of de digitaliseringskosten, die we bij het Rijk maken. Zo
is er een dashboard waarop inzicht wordt geboden in de grote projecten
die er spelen, of het nou gaat over projecten bij Defensie of bij de
Belastingdienst. Dat is al een substantieel deel van het
vernieuwingstraject. Voor de rest hebben we op datzelfde dashboard ook
in kaart gebracht welke budgetten worden ingezet voor beheer en voor
onderhoud. Dat is een groot deel van de middelen die we hebben voor
digitalisering. In de komende tijd willen we daarop op basis van die
informatieplannen de daadwerkelijke financiële consequenties in kaart
brengen, ook op basis van vragen die u als commissie heeft gesteld,
namelijk om vanaf komend jaar, 1 januari, er een informatieparagraaf bij
te zetten als er nieuwe wets- en beleidsvoorstellen worden gedaan. Bij
nieuw beleid wordt in kaart gebracht wat de consequenties zijn in termen
van digitalisering en bijbehorende kosten.
Dat laat onverlet dat er ook nog meer werk te doen is. Ik ben samen met
het ministerie van Financiën hard aan het werk om onze
begrotingsinrichting zo te veranderen dat dat inzicht er ook komt. Naast
beheer en onderhoud, grote projecten en de informatieparagrafen van
nieuw beleid, krijgen we dan ook verder en verfijnder inzicht in hoeveel
er nou per departement wordt uitgegeven aan digitalisering. Ik ben daar
een plan van aanpak voor aan het maken, dat ik in de loop van volgend
jaar wil afronden. Ik besef dat dat nog niet ideaal is, maar we moeten
wel hard werken, en zijn ook hard aan het werk, om dat inzicht verder te
bieden in de komende tijd.
Mevrouw Van Ginneken (D66):
Ik heb een hele korte vraag. Ik hoor de staatssecretaris zeggen dat het
plan van aanpak zodat de Kamer krijgt waar ze om gevraagd heeft, in de
loop van volgend jaar klaar is. Betekent dat dan ook dat we bij de
begroting van volgend jaar wel de begroting krijgen zoals we die
gevraagd hebben, of komt dat plan van aanpak dan weer zo kort voor die
begroting dat we opnieuw een beetje in de mist varen?
Staatssecretaris Van Huffelen:
Dat plan van aanpak gaat dus over een stukje van de begroting, hè. Grote
delen hebben we dus daarvoor al gedaan. Samen met het ministerie van
Financiën hebben we de verwachting dat het ons wel lukt om dat plan te
maken, maar niet om dat ook al allemaal in de begroting voor het jaar
daarop te kunnen introduceren. We hebben dus echt nog wel een soort van
ingroeimodel nodig. Het zal dus niet zo zijn dat we in de begroting voor
2024, wat de eerstvolgende begroting is die wordt opgesteld, ook al
helemaal alle inzichten kunnen bieden. Het is niet wat ik graag zou
willen zeggen, maar wel wat realistisch is.
Dan was er nog een vraag over rijksbreed cloudbeleid, van mevrouw
Koekkoek, namelijk of we zouden willen dat we in het kader van de
digitale autonomie toewerken naar een Europese cloud. Dat is precies wat
we heel graag willen. Er zijn natuurlijk al ontwikkelingen op dat
gebied, bijvoorbeeld het project GAIA-X. Of die oplossing zal voldoen,
weten we nog niet. We gaan daar dus mee aan de slag.
Dan was er ook nog de vraag van mevrouw Koekkoek of we in navolging van
Duitsland bereid zouden zijn om gebruik te maken van fediverse. Dat
willen we ook heel graag doen. We zijn bezig met het opzetten van een
overheidsserver voor Mastodon. Ik zit zelf ook op Mastodon. Ik moet daar
nog wat actiever worden, maar ik heb me in ieder geval aangemeld.
Mevrouw Kathmann had een vraag over de ICT-cultuur van het Rijk en een
andere manier van financieren. Dat gaat wat meer over de maakindustrie.
Daar gaat mijn collega iets meer over zeggen.
Dan heb ik volgens mij de overheidsvragen beantwoord.
De voorzitter:
Voordat u verdergaat, zie ik een hand van mevrouw Kathmann, PvdA.
Mevrouw Kathmann (PvdA):
Nee, dat ging niet over de maakindustrie of over de
digitale-industriepolitiek, maar over hoe wij ICT-projecten bij de
overheid financieren. Nu reserveren we daar één groot bedrag voor, want
dat vinden we makkelijk. Zo werken we als kabinet en Kamer met elkaar,
maar bij grote ICT-projecten is het eigenlijk een soort levend bedrag.
Je moet iets uittrekken om het op te zetten en vervolgens moet je steeds
geld blijven uittrekken om het te updaten, om het misschien weer
veiliger te krijgen, om eraan te sleutelen. Noem het allemaal maar op.
Die manier van financieren en van financiering controleren passen niet
meer om succesvol tot grootschalige ICT-projecten te komen. Ik zei net
dat ook de manier van financieren invloed heeft op de vraag of die
werkagenda een succes wordt. Kunnen we daar nog een wijziging in
verwachten of beter inzicht in krijgen? Dat is mijn vraag.
Staatssecretaris Van Huffelen:
Ik kijk daar heel graag verder naar in het kader van de begroting, want
u heeft gelijk: het gaat niet alleen over eenmalige investeringen. Grote
IT-projecten hebben altijd weer kosten voor beheer, onderhoud,
aanpassing enzovoort, enzovoort. Het is belangrijk dat je daar al in een
vroegtijdig stadium zo veel mogelijk inzicht in hebt. Het is net zoals
met een gebouw: je maakt het en daarna ben je bezig met beheer en
onderhoud en uiteindelijk misschien ook vervanging. In het kader van
beter inzicht bieden in de begroting zal ik dat graag meenemen.
De voorzitter:
Dan zijn we bij het laatste blokje van de staatssecretaris.
Staatssecretaris Van Huffelen:
Ja, met één vraag van mevrouw Bouchallikh: wanneer gaan we de werkagenda
voor Caraïbisch Nederland uitwerken? Daar gaan we komend jaar mee aan de
slag. We hebben in ieder geval de komende tijd al meer inzicht in wat er
precies nodig is op de BES-eilanden voor het opzetten van een bsn-nummer
en het mogelijk maken dat je digitaal diensten kunt afnemen van de
overheid. Voor de rest gaan we aan het werk om in kaart te brengen en te
kijken of we het Groeifonds kunnen gebruiken voor het versterken van de
infrastructuur, niet alleen op de BES-eilanden, maar ook in de landen.
Ik zal zorgen dat daar de komende tijd verdere informatie over wordt
gedeeld, maar we werken er hard aan om te zorgen dat we daarin het been
bijtrekken. Dat is heel erg nodig.
Dan heb ik volgens mij alle vragen beantwoord.
De voorzitter:
Dan dank ik de staatssecretaris. We gaan snel door met de minister van
Economische Zaken en Klimaat voor de beantwoording van haar
vragen.
Minister Adriaansens:
Dank u, voorzitter. Met vliegende vaart zal ik proberen om op grondige
wijze de vragen te beantwoorden die aan mij gericht waren. Ik heb een
paar blokjes. Stelt u het op prijs als ik ze even noem? Het zijn er
volgens mij vijf.
De voorzitter:
Ja, dat is wel fijn.
Minister Adriaansens:
Eén blokje gaat over verdienvermogen en duurzaamheid, en alles wat
daarmee samenhangt. Dan over het mkb en het cyberveiligheidskeurmerk,
toezicht Europese regelgeving, veiligheid in relatie tot de digitale
infrastructuur en zeekabels, en wat overige vragen.
Allereerst de vraag van de heer Bontenbal. Hij is nu helaas even niet
aanwezig, maar ik begin er toch maar mee. Dan kan hij het later
terugkijken. Hoe kunnen we met digitalisering het verdienvermogen van
Nederland versterken? Dat is een heel belangrijk onderdeel van het
regeerakkoord en ons plan voor de manier waarop wij kunnen omgaan met de
veranderingen in de samenleving en hoe wij die uitdagingen kunnen
benutten om in Nederland ook in de toekomst een heel goed werk- en
leefklimaat te hebben. Digitalisering kan het verdienvermogen op
verschillende manieren versterken. Enerzijds kan dat door bijvoorbeeld
bij te dragen aan de efficiëntere productie van producten en diensten,
waardoor onze producten concurrerend zijn op de wereldmarkt. Maar het
kan natuurlijk ook met nieuwe businessmodellen. We denken bijvoorbeeld
aan platforms als bol.com, nieuwe betaalsystemen als Adyen, maar ook aan
nieuwe technologieën als artificial intelligence, waarmee je
bijvoorbeeld slimme inspecties bij de infrastructuur kunt doen. Om het
potentieel van digitalisering te benutten, zijn investeringen in
digitale technologie en in voldoende ICT-talent heel erg nodig. We
kunnen geld uitgeven om te zorgen dat we die technologieën net even dat
zetje geven, maar er zijn ook mensen nodig die dat kunnen doen.
Er zijn veel voorbeelden van investeringen die we op dit moment doen. We
hebben bijvoorbeeld een impuls vanuit het onderzoeks- en
wetenschapsfonds van wel 500 miljoen om gedurende tien jaar te
investeren in onderzoeksfaciliteiten en digitale onderzoeksmethoden voor
toegepast onderzoek. Dat kunnen bijvoorbeeld faciliteiten zijn voor de
ontwikkeling van digitale technologieën. Maar we doen ook specifieke
investeringen via het Nationaal Groeifonds, onder andere op het gebied
van sleuteltechnologie, kwantumtechnologie en AI. AiNed is een mooi
voorbeeld. Ten aanzien van het bevorderen van de arbeidsmarkt en het
zorgen dat er meer mensen met ICT-kennis aan de slag gaan of dat mensen
worden omgeschoold, werken we met het bedrijfsleven en
onderwijsinstellingen aan het stimuleren van om- en bijscholing. Dat is
weer een onderdeel van het Actieplan Groene en Digitale Banen, dat ik
binnenkort naar uw Kamer zal sturen.
Dat is even de korte versie, maar ik zal binnen een aantal weken een
brief aan uw Kamer sturen waarin ik in brede zin nader inga op de
ontwikkelingen van de digitale economie. U zult zien dat ik dat op
verschillende niveaus doe. Dit gaat echt over het investeren in
technologieën, het investeren in en het bevorderen van meer mensen op
deze banen. Het gaat natuurlijk ook over het bevorderen van de
vaardigheden. Daar heeft de staatssecretaris ook al over gesproken. Maar
ook in het bedrijfsleven zorgen we in brede zin dat mensen en bedrijven
in staat zijn om om te gaan met die uitdagingen. Het gaat natuurlijk
over cyber en veiligheid, en over regelgeving en infrastructuur. Daar
kom ik nog nader op terug.
Voorzitter. De heer Bontenbal vroeg ook of het kabinet onderzoek kon
doen naar hoe andere landen omgaan met digitalisering. Dat onderzoek
bestaat al. Ieder jaar publiceert de Europese Commissie de Digital
Economy and Society Index. In dat onderzoek worden de Europese lidstaten
gescoord op onderwerpen als digitale infrastructuur, digitale overheid,
digitale vaardigheden en de manier waarop ze omgaan met technologie. Er
is per land een rapport beschikbaar. Daarnaast houden we veel contact
met een aantal landen. We hebben bijvoorbeeld ook de D9. Dat is een
soort informeel samenwerkingsverband waarin we kennis over beleid en
ontwikkelingen delen. Maar ook buiten de EU werken we samen,
bijvoorbeeld in OESO-verband, en wisselen we ervaringen uit. Dat doen we
bijvoorbeeld ook over diverse onderzoeken. En, niet te vergeten, we
hebben ook gewoon het niet-digitale postennetwerk, waarin mensen vanuit
onze consulaten en ambassades in de landen contact houden met het
bedrijfsleven en informatie delen.
De heer Bontenbal vroeg verder of we het concept "industriepolitiek" ook
moeten toepassen op digitalisering. Volgens mij is het meer dan
duidelijk dat de adaptieve industrie heel belangrijk is, ook op het
gebied van digitalisering; dat heb ik net bij de aanvang ook al heel erg
benadrukt. Digitalisering is dus ook onderdeel van die strategische en
groene industrieagenda die ik in juli naar uw Kamer heb gestuurd. Ik heb
net een aantal onderdelen genoemd, hè? Het gaat dus echt over het
bevorderen van kennis en informatie. Het gaat daarnaast over het
aantrekken van hoogwaardige ICT-activiteiten in ons bedrijfsleven. Dat
doen we bijvoorbeeld met de NFIA, die een acquisitiestrategie heeft. En
we werven proactief cybersecurity- en AI-bedrijven voor Nederland. Een
ander aspect van die benadering is uiteraard dat we er met die wetgeving
voor zorgen dat we de Europese markt verstevigen. Daar ging de
staatssecretaris al op in.
Verduurzaming. Hoe staat het met de integrale aanpak voor verduurzaming?
Dat is heel belangrijk, want zoals een aantal van uw leden al hebben
aangegeven: het is een hele mooie ontwikkeling, maar het brengt ook heel
veel energieverbruik met zich mee. Aan de andere kant kan je met
digitalisering goed in de gaten houden hoeveel energie je verbruikt en
kan je ook weer beter sturen, dus er zitten verschillende kanten aan het
verhaal. Maar het is belangrijk dat we de ICT-sector duurzamer maken;
dat staat met stip bovenaan. Er gebeurt al het nodige, hoor. Veel
datacenters en andere bedrijven vallen al onder de verplichting om
energiebesparende maatregelen te treffen. Met de beoogde Wet collectieve
warmtevoorziening, die eraan komt, wordt een ophaalrecht voor restwarmte
opgenomen. Dat verplicht datacenters om hun restwarmte aan het warmtenet
te leveren. Daar kan het warmtebedrijf dus om vragen. Recent heb ik van
de Nationale Coalitie Duurzame Digitalisering een manifest in ontvangst
genomen waarin een aantal concrete maatregelen benoemd zijn die
bedrijven en de overheid kunnen nemen om hun energieverbruik terug te
brengen en duurzamer te worden. Wij zijn op dit moment aan het kijken
welke maatregelen dat precies betreft, hoe dat aansluit bij ons beleid
en wat we daarvan kunnen oppakken. Aan die coalitie zijn echt heel veel
partijen verbonden: KPN, Dell, Microsoft, maar bijvoorbeeld ook
Alliander uit de energiesector en kennisinstituten zoals TNO en TU
Eindhoven.
Daarnaast heb ik tijdens het debat over de hoofdlijnenbrief
Digitalisering toegezegd om onderzoek te doen naar de impact van
digitalisering op het klimaat en andersom, en dus ook naar de rol die
digitalisering kan spelen in het versnellen van de duurzaamheidsopgave.
Ik verwacht dat dat onderzoek rond de zomer van 2023 gereed is. Ik
verwacht ook wel dat daar dan weer vervolgacties uit zullen volgen. Aan
de hand van die vervolgacties zal ik dus moeten kijken wat dat voor
budgettaire gevolgen heeft.
Voorzitter. Nog een andere vraag in dit blokje. Die was ook van de heer
Bontenbal en ging over het verplichten van bedrijven om jaarlijks hun
data op te schonen. Nou, hoe sympathiek dit voorstel ook klinkt, het is
ook wel heel erg lastig, omdat het verstrekkende gevolgen lijkt te
hebben en ook hoge regeldrukkosten met zich mee lijkt te brengen. Het is
namelijk niet helemaal duidelijk wat voor data je dan moet verwijderen
en hoe je dat moet organiseren. De vraag is natuurlijk ook of zo'n
verplichting dan uitvoerbaar en handhaafbaar is. Er zit al een
vergelijkbare verplichting in de AVG als het gaat over persoonsgegevens.
Maar ik ben wel gevoelig voor de gedachte die erachter zit. Het lijkt me
dus heel goed om hier richting bedrijven en overheden wat actiever op te
acteren en ervoor te zorgen dat we iets meer informatie gaan verstrekken
over de gevolgen van dataopslag. Ik ben bereid om dat verder te
verkennen.
De heer Bontenbal (CDA):
Dat is goed om te horen. Mijn gok is dat ongeveer 50% van de data
wereldwijd er gewoon voor niks staan. Zou dat kunnen kloppen? Ik denk
het namelijk wel. Ik kijk even gewoon naar mezelf, naar mijn
whatsappaccount. In de standaardmodus zet die volgens mij al de
afbeeldingen die daarin staan, in mijn iCloud. Ik denk dat heel veel van
ons het heel snel merken, als die 5 gigabyte vol zitten. Je laat dat
gedachteloos gebeuren, totdat je denkt dat je ook gewoon een
ontkoppeling kunt maken, omdat niet elke foto uit whatsapp opgeslagen
hoeft te worden. Dat is iets dodelijk simpels, maar het voorkomt bij
heel veel mensen 5 gigabyte in de iCloud. Ik had het ook al even over
Gmail en vroeg daarbij: waarom moet iets een maand lang opgeslagen
worden als je het in de spam hebt gegooid; waarom is dat niet binnen
drie dagen weg? Ik denk dat we nog heel veel van dat soort maatregelen
kunnen nemen. Misschien kunnen we met gemak 20% tot 30% van de onze data
gewoon weggooien, omdat we die helemaal niet nodig hebben. Als je weet
dat een aantal procenten van het elektriciteitsverbruik wereldwijd
straks naar dataopslag gaat, dan is dat volgens mij een heel mooie kans
om meters te maken.
Minister Adriaansens:
Ik ben het volledig eens met meneer Bontenbal. Als ik naar mijzelf kijk,
denk ik dat het misschien nog wel meer dan 50% is. Als dat indicatief
is, denk ik dat we heel veel data onnodig vasthouden. Laat mij dit
meenemen. Er staat volgens mij ook wel zoiets in het manifest, maar ik
zal het heel concreet meenemen in de reactie die ik voor de zomer zal
sturen. Ik heb namelijk toegezegd om nader te kijken naar
duurzaamheid.
De voorzitter:
Dank u wel. Vervolgt u uw betoog? Zijn we dan toe aan een volgend
blokje?
Minister Adriaansens:
Ja, we zijn bij het blokje mkb en cyberveiligheid. Een paar vragen zijn
daarin samengevat. Allereerst de vraag van mevrouw Rajkowski van de VVD.
Zij vroeg hoe ik aankijk tegen een voorstel voor een cyberkeurmerk voor
IT-leveranciers, in samenwerking met het Digital Trust Center, en of ik
bereid zou zijn om met brancheorganisaties in gesprek te gaan. Ik ben
wel een fan van keurmerken. Ik denk dat duidelijkheid, zeker in dit
soort situaties, heel erg kan helpen. Het is van oudsher echter wel aan
het bedrijfsleven om marktinstrumenten zoals keurmerken, labels,
certificeringen en dergelijke te ontwikkelen. Maar goed, gezien de
economische en veiligheidsbelangen die hier wel degelijk spelen, wil het
kabinet ook zelf de ontwikkeling van dit instrumentarium stimuleren.
Daarbij geven we wel de voorkeur aan een Europese aanpak, om de
versnippering en de wildgroei in de lidstaten te reduceren. Het is ook
relevant omdat ondernemers, bedrijven, vaak ook producten en diensten
afnemen van internationale leveranciers. Dus gelijkheid op de markt en
duidelijkheid daar is gewenst.
Op grond van de Europese Cybersecurity Act worden op dit moment
certificeringsschema's ontwikkeld voor ICT-producten. Denk bijvoorbeeld
aan de clouddiensten en de 5G-apparatuur. Daarnaast is in september het
Europese wetsvoorstel voor de Cyber Resilience Act gepubliceerd. Die
verplicht fabrikanten, leveranciers en importeurs van digitale producten
om informatie op een duidelijke en eenvoudige manier te melden aan het
mkb, dus te delen. Ik ben uiteraard bereid om het gesprek aan te gaan
met brancheorganisaties. Op dit moment werkt het Digital Trust Center
overigens wel al samen met partners om het handvatten te geven. Een
voorbeeld daarvan is om aan ondernemers heel concreet een lijstje
cybersecuritymaatregelen te geven die ze met de leverancier van de ICT
zouden kunnen bespreken. Het is dus vaak ook heel praktisch. Al met al,
samenvattend, zou ik zeggen: ik ben positief over zo'n keurmerk, maar
zo'n eenduidig mkb-keurmerk zal wel in dat Europese cybersecuritykader
moeten passen.
Mevrouw Rajkowski (VVD):
Dat laatste lijkt me zeker zo, maar ik denk dat dat elkaar niet hoeft te
bijten. Kunt u hierop terugkomen in een brief, zodat wij 'm als
toezegging kunnen noteren?
Minister Adriaansens:
Ja, zeker. Ik zoek wel even welke brief. In de tweede termijn kom ik
terug op in welke brief ik dat zal doen en op welke termijn.
De voorzitter:
U vervolgt uw betoog.
Minister Adriaansens:
Mevrouw Rajkowski had vervolgens ook gevraagd of ik samen met het
Digital Trust Center, brancheorganisaties en andere partners een
structurele cyberoefenagenda kan ontwikkelen met cyberoefeningen die
specifiek gericht zijn op het niet-vitale bedrijfsleven, om de
cyberweerbaarheid te vergroten. Misschien is het goed om eerst even te
delen wat er al is. De markt voorziet reeds in het aanbieden van
oefeningen voor mkb-ondernemers. Aanvullend kan het Digital Trust Center
een adviserende rol spelen. Voorbeelden daarvan zijn dat bijvoorbeeld
het Digital Trust Center, het DTC, het cyberinitiatief Cyber Chain
Resilience Consortium ondersteunt. Dat consortium deelt kennis en voert
samen met deelnemers responsoefeningen al uit. Dat is vaak ketengewijs.
Daarnaast hebben we ook de publiek-private Cybersecurity Alliantie. Die
heeft een handreiking voor ondernemers waarin ze kunnen zien hoe ze zo'n
cybersecurityoefening moeten doen en hoe ze die moeten inrichten.
Jaarlijks hebben we ook de overheidsbrede cyberoefening. Daar kunnen
bedrijven ook aan meedoen. In het Actieplan Nederlandse
Cybersecuritystrategie is opgenomen om na de publicatie van de
rijksbrede risicoanalyse en de rijksbrede veiligheidsstrategie een
interdepartementale oefenagenda op te stellen met een planning van
oefeningen. Dat is dus wat we al doen. Ik meen dat we daarmee al
redelijk voorzien in de behoefte van mevrouw Rajkowski.
Voorzitter. Mevrouw Van Ginneken vroeg waarom we naast het nationale
coördinatiecentrum ook nog dcypher hebben. Deze twee organisaties zijn
van een andere orde. Het NCC voor cybersecurity is onderdeel van een
Europees netwerk van cybersecurity competence centra. Dat is echt op die
manier vormgegeven. Dcypher is een samenwerkingsverband van private en
publieke organisaties. Dat nationaal coördinatiecentrum, dat NCC,
verdeelt onder andere middelen uit de Europese onderzoeksfondsen in
Nederland. Dus vooral het verdelen van middelen is lastig te combineren
met andere taken. Het is dus van belang om dat te scheiden om die
belangenverstrengeling te voorkomen. Ik begreep de vraag wel, maar er is
dus een duidelijke reden voor. Je moet wel altijd kijken of het
efficiënter kan.
Vervolgens vroeg volgens mij de PvdA of er voldoende middelen zijn —
althans, dat was een beetje de achtergrond van die vraag — om werknemers
digitaal vaardig en weerbaar te maken. Wij hebben heel veel regelingen
om scholing mogelijk te maken voor mkb'ers, voor de ondernemers en dus
ook voor werknemers. Ik roep er een paar. Er is bijvoorbeeld 217 miljoen
euro beschikbaar via het STAP-budget. Daarmee kan iedereen met een
relatie tot de Nederlandse arbeidsmarkt €1.000 voor scholingskosten
krijgen; die scholing kan ook digitale vaardigheden betreffen. We hebben
verder een omscholingsregeling om bedrijven te stimuleren mensen uit
andere sectoren aan te nemen en om te scholen naar techniek en ICT.
Daarvoor is dit jaar ongeveer 10 miljoen beschikbaar. Via het Groeifonds
— van een heel andere orde — hebben we het gigantische bedrag van 210
miljoen euro geïnvesteerd in al die publiek-private
samenwerkingsverbanden die er zijn op het vlak van kennis en scholing,
de relatie met het werk en de behoefte om te digitaliseren. We willen de
goede voorbeelden opschalen, en daar is dat budget voor beschikbaar.
Specifiek voor digitale weerbaarheid kan het mkb bij het Digital Trust
Centre terecht voor tools en adviezen om weerbaarder te kunnen
worden.
Voorzitter. Ik kom gelijk even terug op de vraag van mevrouw Rajkowski
uit het vorige blokje, over de brief over het keurmerk. Zij vroeg of
daarop teruggekomen kan worden. Dat kan ik meenemen in de
voortgangsrapportage over NLCS, een Nederlandse cybersecuritystrategie,
na de zomer. Dat wordt dan september 2023.
Dat was het tweede blokje.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik zie verder geen leden die willen interrumperen, dus dan
vervolgt u uw betoog.
Minister Adriaansens:
Dan kom ik bij het blokje toezicht en Europese regelgeving. Mevrouw
Koekkoek van Volt had een aantal vragen daarover. Zij zei dat het
toezichtlandschap steeds complexer wordt. Dat is waar. Daar hebben we
het hier al eens eerder over gehad. Ik ben het helemaal met haar eens
dat we door de bomen het bos moeten blijven zien. We proberen daar het
nodige aan te doen. Bijvoorbeeld voor het implementeren van de
toezichtstaken die voortvloeien uit Europese regelgeving, voeren wij
heel intensief overleg met de departementen en de toezichthouders. We
kijken vooral met de toezichthouders wat er nu nodig is om dit te gaan
uitvoeren, en daar houden we dan rekening mee bij het opstellen van de
uitvoeringswetgeving. Indien meerdere toezichthouders in aanmerking
komen voor bepaalde toezichtstaken, gaan we dat met elkaar bespreken:
wat is nou de beste keuze, hoe kunnen we dat het beste beleggen? We
proberen dus heel erg te kijken naar kennis en ervaring en naar de
systemen die de desbetreffende toezichthouder heeft.
We hebben ook echt aandacht voor de coördinatie tussen de
toezichthouders: hoe kunnen we het nou het beste doen? De verordeningen
van de DSA en de DGA kennen bijvoorbeeld een coördinerende
toezichthouder, en die moet dat dan zowel nationaal als Europees doen.
Het is dus wel belangrijk dat dit goed is afgestemd, maar al met al is
dat best bewerkelijk. Onze doelstelling is om het zo overzichtelijk
mogelijk te doen.
Voorzitter. Mevrouw Koekkoek vroeg ook hoe we ervoor zorgen dat de
mensen het ook nog begrijpen. Dat was eigenlijk de vraag. Ja, dat is
belangrijk; daarover ben ik het helemaal met haar eens. Wij zullen
ervoor zorgen dat we daar door die gesprekken tijdig actieve
communicatie over hebben, zodat mensen weten waar ze moeten zijn. Dat is
onze ambitie. Dus laten we elkaar daar scherp op houden, opdat we dat
ook voldoende doen in dit bos.
Mevrouw Koekkoek zei nog vaak IT-problemen te zien bij de uitvoering van
beleid en wetgeving en vroeg hoe we een en ander effectief doen. Is men
voldoende in staat om het werk goed te doen? Dat was eigenlijk de
achtergrond van haar vraag. Ja, dat volgt ook weer uit dat overleg. Door
heel kritisch te bevragen en door van tevoren te signaleren welke
knelpunten men verwacht — het is inderdaad zo dat IT daarbij een
aandachtspunt kan zijn — proberen we dat snel naar voren te halen. Voor
de nieuwe verordeningen die recent in Europa zijn aangenomen, is in
samenspraak met de toezichthouders — overleg met hen over de vraag wat
zij nodig hebben — een budget beschikbaar gesteld voor 2023. We voeren
dus nog gesprekken voor de jaren daarna.
De voorzitter:
Vervolgt u uw betoog.
Minister Adriaansens:
Ik ga maar gewoon door. Iedereen denkt: o, we moeten nog wat doen
vandaag!
De voorzitter:
Ik denk dat iedereen hoopt dat er nog een tweede termijn in zit.
Minister Adriaansens:
Voorzitter. Ik kom bij het blokje veiligheid, dat vooral over de
zeekabels gaat. Mevrouw Rajkowski vroeg om een noodplan. Ik ben het er
helemaal mee eens dat het superbelangrijk is. Het kabinet maakt zich
daar ook hard voor, om ervoor te zorgen dat we alert zijn op de
dreigingen die er zijn ten aanzien van de vitale infrastructuur. We
kijken ook hoe we die kunnen versterken. De patrouilles van de kustwacht
zijn opgevoerd. Daar wordt ook iets in geïnvesteerd, om ervoor te zorgen
dat we daar alert zijn, gezien de huidige situatie. De NAVO heeft haar
maritieme aanwezigheid in de Noordzee en de Oostzee vergroot. De
minister van Buitenlandse Zaken heeft daar op 4 november een brief over
gestuurd, die met name ging over Nord Stream 1 en 2. Verder werken wij
onder coördinatie van het ministerie van IenW aan een verkenning voor de
actualisatie van de strategie om de infrastructuur op de Noordzee te
versterken. De zeekabels zijn daar een onderdeel van. In december willen
we u daar nader over informeren. Binnen die strategie werkt het
ministerie van EZK aan een versnelde vitaalbeoordeling van de zeekabels.
We onderzoeken ook hoe we de weerbaarheid kunnen verbeteren. Overigens
komt uit verschillende onderzoeken naar voren dat het onwaarschijnlijk
is dat de uitval van een enkele kabel tot grote internetuitval leidt.
Dat stelt u mogelijk iets meer gerust. Desalniettemin moeten we zeer
alert zijn. De aanleg van meer zeekabels kan de weerbaarheid robuuster
maken. We zijn dus aan het kijken wat we kunnen doen om dat te
stimuleren.
De voorzitter:
Er is een interruptie van mevrouw Rajkowski van de VVD.
Mevrouw Rajkowski (VVD):
Ja, voorzitter, dat scheelt straks misschien een motie. Volgens mij kwam
u net een stukje onze kant op. De vraag was niet alleen of ervoor
gezorgd kan worden dat zeekabels worden uitgeroepen tot vitale
infrastructuur, maar ook of er een noodplan kan komen. Over een noodplan
heb ik u niet gehoord. Ik vind het fijn dat de kustwacht de patrouilles
opschroeft, maar de kustwacht is natuurlijk niet altijd opgewassen tegen
wat daar gebeurt.
Minister Adriaansens:
We hebben er prioriteit aan gegeven om de capaciteit van de kustwacht
goed in te richten, zodat we alert zijn. Dat doen we op basis van
risicobeoordelingen. Dat bespreken we ook wekelijks met elkaar en indien
nodig vaker. Ik weet niet of de strategie die ik benoemde ook een
noodplan is, maar we moeten er wel mee aan de slag om ervoor te zorgen
dat die er komt. Het is maar net hoe je het noemt. In deze tijden is het
misschien niet zo handig om het een noodplan te noemen. Wij zeggen dat
we op basis van de risicodreigingen nu wat hebben opgevoerd en wij komen
met een strategie voor de komende tijd.
De voorzitter:
Dank u wel. U vervolgt uw betoog.
Minister Adriaansens:
Voorzitter, ik kom bij mijn laatste blokje. Mevrouw Van Ginneken vroeg
naar de Kamer van Koophandel en de dekkingsvoorstellen. Het nieuwe
Handelsregister krijgt vorm volgens de Datavisie Handelsregister, zoals
mevrouw Van Ginneken ook heel goed weet, want we hebben daar eerder over
gesproken. Dat brengt ook een nieuw financieringsmodel met zich mee. Dat
moet gelijke tred houden met de uitwerking van de beleidsvoorstellen. De
financiering moet natuurlijk ook passend zijn. Sommige voorstellen
kunnen al op korte termijn in de praktijk gebracht worden, zoals de
afscherming van bezoekadressen. Maar dat heeft nog relatief beperkte
financiële consequenties. Andere aanpassingen kosten meer tijd, zoals
het ingrijpend aanpassen van de levering van de Handelsregistergegevens
aan publieke en private afnemers, want er was een transactie voorzien
waar geld bij betrokken was. Dat brengt een nieuwe
financieringsstructuur met zich mee. Ik ben het eens met mevrouw Van
Ginneken, die zei: dat zal niet voor 2024 in werking kunnen treden. Dat
klopt. Maar ik zal een aanzet voor die nieuwe financieringsstructuur nog
voor het einde van dit jaar aan uw Kamer sturen.
Er was nog een vraag van mevrouw Leijten ...
De voorzitter:
Voordat u vervolgt, is het woord aan mevrouw Van Ginneken.
Mevrouw Van Ginneken (D66):
Ik ben half blij met dit antwoord, dus laten we daar dan optimistisch
over zijn. Ik begrijp het dus goed dat de maatregelen om zzp'ers te
beschermen wel volgend jaar geïmplementeerd worden en dat die wel gedekt
zijn?
Minister Adriaansens:
Dat is een juiste conclusie, ja.
De vraag van mevrouw Leijten was of, naar aanleiding van de
beleidsdoorlichting van artikel 1, het waardenkader ook in de plannen
van EZK zit. Misschien eerst iets over die beleidsdoorlichting, die we
vorig jaar aan de Kamer hebben gestuurd. Die vindt in principe elke vier
tot zeven jaar plaats. Dat gebeurt op basis van het huidige beleid.
Zoals ik net zei, zal ik een strategie voor de digitale economie aan u
sturen. Die moet dan weer in werking worden gezet. Je moet de onderdelen
binnen de gepaste tijdpaden evalueren. Even voor alle helderheid: naast
voor het verdienvermogen en voor een florerende economie is er heel veel
aandacht voor de borging van publieke belangen en waarden binnen de
digitale economie. Ik heb dat eerder bevestigd aan uw Kamer. Ik heb
benadrukt dat ik het belang van privacy en andere waarden heel hoog acht
en dat de AVG daarin een heel belangrijke rol speelt. Mevrouw Leijten
suggereerde iets anders, maar ik wil dat graag ontkrachten. Ik vind dat
die belangen gelijk opgaan en, sterker nog, dat je de publieke waarden
voorrang moet geven op het moment dat het echt schuurt. Dat hangt van de
situatie af waarover we het hebben. Er moet dus een zorgvuldige weging
plaatsvinden. De privacy is heel goed geregeld. Dat hebben we dus te
respecteren. Ik trek daarbij overigens nauw op met de
staatssecretaris.
Voorzitter. Mevrouw Kathmann zei dat er heel veel ...
De voorzitter:
Voor u vervolgt, heeft mevrouw Leijten een vraag.
Mevrouw Leijten (SP):
Ik vroeg natuurlijk iets anders. We kunnen het heel goed niet eens zijn.
Ik geloof dat we het ook niet snel eens zullen worden, maar wellicht is
de uitkomst iets waar we het allebei wel mee eens zijn; dat zou zomaar
kunnen. De beleidsdoorlichting, artikel 1, van verschillende
begrotingsartikelen op verschillende ministeries is belangrijk. Die is
net gepasseerd, met de beste bedoelingen, dus dat hoeft allemaal niet
over, maar de digitale component daarvan loopt door. Hoe ziet de
minister de evaluatie daarvan? Als dat pas over vijf jaar is, terwijl we
nu verschillende dingen gaan inzetten die echt wel anders zijn dan de
afgelopen vijf tot zeven jaar, hoe wil de minister dat dan inzichtelijk
houden, voor ons en voor zichzelf?
Minister Adriaansens:
Ik denk dat we daar met elkaar goed naar moeten kijken. Op dit moment
hebben we afgesproken dat we één keer in de vier tot zeven jaar
beleidsevaluaties doen. Dat is best wel wat. We moeten met elkaar goed
kijken wat we willen. Ik ben daar helemaal niet terughoudend over.
Mevrouw Leijten suggereert dat, maar ik denk nog steeds dat het best wel
meevalt. Ik ben het er volledig mee eens dat we, als we dingen
afspreken, ze moeten evalueren om te kijken of het werkt. Als de wereld
heel snel verandert, moet je dus opnieuw naar het tijdpad kijken. Ik wil
het volgende voorstellen. Misschien kan ik kijken of ik bij die
strategie digitale economie een gepast voorstel kan doen voor wanneer
die onderdelen geëvalueerd kunnen worden, of dat aansluit bij de
implementatie, zodat we kunnen kijken hoe het werkt.
De voorzitter:
Vervolgt u uw betoog.
Minister Adriaansens:
Mevrouw Kathmann zei: er zijn steeds meer initiatieven, zoals
Techgrounds, die inspelen op digitale vaardigheden en het invullen van
de digitale vacatures. Dat is een supergoed initiatief; daar zijn we
zeer enthousiast over. Ik zal aan het eind van dit jaar komen met een
actieplan voor groene en digitale banen. Daarin staan alle maatregelen
die wij de komende periode actief willen nemen. Dit soort initiatieven
ondersteunen we van harte. Ik vind overigens dat er ook hele goede
dingen gebeuren bij een initiatief als Codam; dat is zeer interessant.
Maar ik zie ook dat dit soort initiatieven niet zo'n duidelijke plek
hebben in ons hele onderwijsbestel, dus dat vind ik ook een belangrijk
aandachtspunt. Misschien kunnen we daar meer uit halen. We kijken dus op
dit moment hoe we die initiatieven beter kunnen ondersteunen, wat we
eraan moeten doen als overheid en wat we aan de markt over kunnen laten.
Recent hebben werkgevers een plan aangeboden aan het kabinet, waarin ze
zeggen: wij kunnen zelf ook een heleboel doen. Dit is daar zo'n
voorbeeld van. We moeten kijken wat we moeten versterken en wat zij zelf
kunnen oppakken. Als er nog middelen nodig zijn, zouden we in het
Nationaal Groeifonds kunnen kijken of we die nog ergens vandaan kunnen
halen, ter ondersteuning, want dit is voor de toekomst en het
verdienvermogen van Nederland en voor onze welvaart en ons welzijn heel
belangrijk.
Dan was er interruptie van mevrouw Leijten, naar aanleiding van een
interruptie van mevrouw Dekker-Abdulaziz. Ik twijfel even of het een
vraag was, maar ik denk dat ik het punt hier toch maar even behandel,
want anders komt het terug via de vragen. De vraag was of de toegang tot
snel internet niet een universele dienst moet zijn. Wij hebben in het
coalitieakkoord gezegd dat we de ambitie hebben om snel internet te
hebben voor iedereen in Nederland. In juni hebben we de Kamer
geïnformeerd over de buitengebieden. Toen hebben we geconstateerd dat
nog ongeveer 19.000 adressen dat niet hebben. Het waren er 70.000 en dat
is teruggebracht naar 19.000. Het is wel even zoeken hoe we dat kunnen
stimuleren, want een overheidsinterventie, als wij bijvoorbeeld de
onrendabele top zouden financieren — daar gaat het hier over — zou
staatssteun zijn. Daar moeten we dus echt zorgvuldig mee omgaan; dat
kunnen we niet zomaar doen.
As a last resort zou je natuurlijk kunnen overwegen of het een
universele dienst is, maar ik wil eerst kijken of ik dat stukje via de
marktprincipes toch nog kan overbruggen, en zo ja hoe. Daar zijn we hard
mee bezig. Het probleem daarbij is wel dat we daar niet echt een
financiële dekking voor hebben. Ik wil het bij de
voorjaarsbesluitvorming opnieuw bezien, want uiteindelijk is het
natuurlijk toch een financieel verhaal. Ik vind het echt wel een grote
stap om naar een universele dienst te gaan. Dan wil ik wel zeker weten
dat ik alle andere mogelijkheden heb onderzocht en voldoende heb benut.
Dat is dus de aanpak die ik voorsta.
Mevrouw Leijten (SP):
Als je een overheid hebt die zegt dat alles wat digitaal kan, ook
digitaal moet en als je ziet dat in het onderwijs, de zorg, de
kinderopvang, het werk en het gebruik van het openbaar vervoer alles
digitaal gaat, waarom kan je dan niet gewoon zeggen dat het een
universele dienst moet zijn?
De voorzitter:
We gaan naar de minister. Ik realiseer me dat het een hele legitieme en
brede vraag is, maar laten we toch kijken of er een niet al te
beschouwend en lang antwoord op kan komen, zodat ook de minister van
Justitie en Veiligheid vandaag nog haar beantwoording kan doen.
Minister Adriaansens:
Dit zou zomaar een punt zijn waarop mevrouw Leijten en ik qua tempo
misschien wel iets uit elkaar liggen. We delen het belang van snel
internet. Overigens doet Nederland het in Europa niet slecht; laat dat
ook gezegd zijn. Je moet maar even de grens over gaan naar Duitsland.
Dan ben je in Duitsland en heb je ineens toch wat minder bereik.
Desalniettemin delen we de ambitie. Het moet snel, want het heeft ook
echt te maken met mensen gelijke kansen en gelijke toegang geven. Dat is
een van de waarden waarvoor je je heel hard zou moeten maken. Ik wil
kijken of ik er bij de Voorjaarsnota middelen voor vrij kan maken. Stel
nou dat dat echt niet lukt, op geen enkele manier, en dat we zien dat er
niet op afzienbare termijn aan voldaan kan worden. Dan kom ik bij uw
Kamer terug om te kijken wat de mogelijkheden zijn.
De voorzitter:
Vervolgt u uw betoog.
Minister Adriaansens:
Voorzitter, volgens mij ben ik erdoorheen.
De voorzitter:
Kijk eens aan. Er is nog een interruptie van mevrouw
Dekker-Abdulaziz.
Mevrouw Dekker-Abdulaziz (D66):
Ik heb best wel veel vragen gesteld over het handelen in data. Ik dacht
dat dat bij EZK lag, maar misschien ligt dat aan mij.
Minister Adriaansens:
Ik heb de Kamer van Koophandel gepakt. Volgens mij heeft u iets gezegd
over het CBS. Dat andere stuk gaat over het gebruik van data bij andere
organisaties.
Mevrouw Dekker-Abdulaziz (D66):
Het ging mij om overheidsdata. Het CBS is gratis. Bij het Kadaster is
het meer KvK-achtig. Die worden gebruikt door datahandelaren om
profielen voor advertenties te maken. Is dat wenselijk, moeten we dat
niet regulieren et cetera?
Minister Adriaansens:
Dit is een coördinatievraag. Die pakken we op en we komen er in de
tweede termijn op terug.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik kijk naar de minister van Veiligheid en Justitie voor
haar beantwoording. Nee, de minister van Justitie en Veiligheid; ik leef
nog wat in vroegere tijden! Ter overweging van de leden meld ik dat zij
heeft aangegeven dat zij denkt dat zij, zonder interrupties, ongeveer
vijftien à twintig minuten nodig heeft. Een aantal van u heeft nog
interrupties. Ik zeg niet dat u die niet moet inzetten, want we hebben
niet voor niets dit debat, maar we weten dan zeker dat we in ieder geval
niet aan een tweede termijn toekomen. Ik ben slechts uw voorzitter. Ik
kan u deze procesinformatie geven, maar ik laat het aan u hoe u daarmee
omgaat. Mevrouw Leijten wil daar nog iets over zeggen.
Mevrouw Leijten (SP):
Ik heb geen recht van spreken, want ik heb geen interrupties meer, maar
begrijp ik het zo dat als we de minister van Justitie en Veiligheid full
speed laten gaan, we wél een tweede termijn hebben? Dan kunnen we
bijvoorbeeld op schrift reacties krijgen op de moties.
De voorzitter:
Dan zal ik het helemaal afmaken. Het zou een optie kunnen zijn om dat
kwartier of die twintig minuten te nemen, waarna we allemaal — maar dat
is ook aan u — twee minuten krijgen voor een tweede termijn voor het
indienen van moties. Ik realiseer me dat dat voor u een extra uitdaging
wordt, maar dan krijgen we de schriftelijke appreciaties hopelijk voor
de stemmingen. Dat zou de enige mogelijkheid zijn die ik nog zie om het
vandaag te kunnen afronden. Ik hoor hier naast mij zeggen dat geen
moties indienen ook nog een optie is!
Mevrouw Van Weerdenburg (PVV):
Omdat er geknikt wordt, voel ik mij wel geroepen te zeggen dat dat niet
mijn voorkeur heeft. Een debat haastig doen is nooit leuk en doormidden
hakken al helemaal niet, maar we moeten onszelf wel een beetje serieus
nemen. Anders is het geen debat; dan hadden we alles schriftelijk kunnen
doen. Wat mij betreft: liever nu rustig het einde van het debat met de
minister van Justitie en dan de tweede termijn een andere keer.
De voorzitter:
Ik zou hier ook niet een te lang debat van willen maken, want dan weten
we zeker dat het …
Mevrouw Rajkowski (VVD):
Voorzitter, ik ben voor uw voorstel. We moeten ook nadenken over het
stemmen over de begroting. Anders valt Digitale Zaken daarbuiten en is
het geen begrotingsbehandeling meer. Laten we dus voortspoedend
beginnen.
De voorzitter:
Laten we in ieder geval de minister verzoeken haar beantwoording te
doen. Dan kunnen we kijken of zij binnen de tijd blijft. Wellicht kan ze
iets sneller en is er nog ruimte voor een aantal zaken. Het woord is aan
de minister van Justitie en Veiligheid.
Minister Yeşilgöz-Zegerius:
Dank u wel, voorzitter. No pressure verder; ik begrijp het. Ik sla mijn
inleiding, die niet lang was en die ontzettend mooie en concrete
voorbeelden bevatte, maar over. U houdt die allen tegoed. Dat klonk
bijna dreigend, maar ik bedoel het vriendelijk. Ik begin met
cybersecurity. Daarna spreek ik over gegevensbescherming en toezicht,
daarna over politie/rechtshandhaving, en daarna over andere belangrijke
vragen.
Ik begin met cybersecurity, dus zonder inleiding, zonder vriendelijke
woorden, zonder te normeren en zonder context. U hoort het: dat vind ik
lastig. Ik ga direct door naar de eerste vraag van de VVD. De vraag was
of de ministeriële regeling veiligheid en integriteit kan gelden voor
alle vitale sectoren. Ik denk dat we hetzelfde eindbeeld daarbij hebben,
maar als ik de vraag zo mag interpreteren dat u verzoekt om nationale
veiligheid ook als zwaarwegend criterium op te nemen in de beoordeling
van bijvoorbeeld inkoopopdrachten en aanbestedingen van vitale
aanbieders — daar ging het volgens mij over — zodat we de risico's voor
de veiligheid en integriteit van de vitale infrastructuur beperken, dan
kan ik heel goed toezeggen dat mee te nemen in de versterkte aanpak
vitaal. Als ik de vraag moet horen als "nee, ik wens echt een specifieke
ministeriële regeling", dan denk ik dat die in dezen niet zo handig is
en niet het doel gaat bereiken, omdat maatwerk dan ook heel erg relevant
kan zijn. Ik stel dus een beetje een vraag terug richting de VVD. Als ik
de vraag zo mag interpreteren dat we het als zwaarwegend criterium
meenemen bij al die stappen, dan kunnen we dat goed doen. Mijn advies
zou niet zijn om dat per ministeriële regeling te doen, omdat je daarmee
die ruimte voor maatwerk weghaalt. Ik ga vooralsnog verder en dan hoor
ik straks of dat paste.
Dan ben ik bij D66 over de patchbrigades. Daar hebben we het in vorige
debatten veel over gehad. Mevrouw Van Ginneken vraagt dus terecht wat de
stand van zaken van haar motie is. Die motie hebben we meegenomen in het
actieplan bij de Nederlandse cybersecuritystrategie. Daarin is het
ingebed. De komende tijd zal ik samen met mijn collega van Economische
Zaken en Klimaat in gesprek gaan met brancheorganisaties, bijvoorbeeld
met het publiek-private platform Samen Digitaal Veilig, om dan ook
organisaties te stimuleren om die beveiligingsadviezen te implementeren
en dat te doen door het delen van handelingsperspectieven via
brancheorganisaties. Wij zijn het dus allemaal aan het oppakken en over
de voortgang van het actieplan verwachten wij de Kamer te informeren via
de jaarlijkse voortgangsrapportage van de NLCS.
Dan de subsidie voor ethische hackers, ook een onderwerp waar mevrouw
Van Ginneken en ik, en naar ik meen ook mevrouw Rajkowski, eerder over
hebben gesproken. Wij zien absoluut meerwaarde in de structurele
samenwerking met de ethische hackers. De vraag is of dat via een aparte
subsidieregeling moet. In het actieplan van de Nederlandse
cybersecuritystrategie staat opgenomen dat er financieringsmodellen
worden ontwikkeld ter ondersteuning van schakelorganisaties. Het is
natuurlijk zo dat zij in staat worden gesteld om zelfstandig duurzame
financiering te borgen. Het lijkt mij heel goed om in dit proces de
groep ethischehackerscollectieven ook mee te laten doen als doelgroep in
deze actie. Zo hebben we het dus gezien, in plaats van iets heel aparts
op te zetten.
Dan vroeg mevrouw Van Ginneken: kan de minister van JenV uitleggen
waarom de ambitie van het kabinet voor de nieuwe samenwerkingsverbanden
van het Digital Trust Center zo laag is? De ambitie voor komend jaar
ligt met name op het bestendigen van de samenwerkingsverbanden die reeds
zijn ontstaan in de afgelopen tijd. Maar dat wil niet zeggen dat we
daarmee uitsluiten dat er nieuwe kunnen komen. Inmiddels is de laatste
verwachting dat de huidige subsidieregeling opnieuw zes
samenwerkingsverbanden zal doen ontstaan. Dus daar zit die beweging echt
wel in. Het is niet zo dat dit wat ons betreft het minimum is.
In principe ben ik dan bij gegevensbescherming en toezicht. Ik zit hier
natuurlijk ook mede namens mijn collega, de minister voor
Rechtsbescherming. Ik heb een vraag van GroenLinks over het budget van
de Autoriteit Persoonsgegevens. Er werd gesteld dat dit nog niet
voldoende is om taken uit te voeren. Wat vinden wij ervan om de
inkomsten van de digitaks hiervoor in te zetten? De digitaks is on hold,
gezien de ontwikkelingen in de herziening van het internationale
belastingsysteem. Onderdeel van dat akkoord is dat landen geen eigen
digitale belastingen invoeren, en de Europese Unie ook niet. Om die
reden staat dat on hold, of even stil. Medio volgend jaar, 2023, wordt
daarover de balans opgemaakt. Het lijkt me goed om dan hier bij dit
onderwerp stil te staan en niet op een en ander vooruit te lopen door
die inkomsten zogezegd nu al uit te gaan geven.
Vanuit de SP en Volt kreeg ik vragen over de capaciteit van de
Autoriteit Persoonsgegevens. Is er sprake van onderfinanciering en is er
extra geld nodig? De minister voor Rechtsbescherming heeft met het
bestuur van de Autoriteit Persoonsgegevens gesproken over de inrichting
en uitvoering van de evaluatie, over de algoritmetoezichthouder en alle
bijbehorende taken. Voor de Autoriteit Persoonsgegevens heeft KPMG in
2020 onderzocht hoeveel middelen nodig zijn voor een goede
taakuitvoering. Het toenmalige budget viel al binnen de becijferde
bandbreedte. In het coalitieakkoord hebben we extra middelen
vrijgemaakt. Op dit moment loopt dat wat ons betreft goed.
Dan de vraag van de ChristenUnie om binnen de EU op te roepen tot een
verwerkingsverbod. Wij hebben in de begroting van JenV aangekondigd om
te komen met een visie op internationale gegevensstromen. Daar wordt dit
vraagstuk in meegenomen. In deze visie wordt ingegaan op het effect van
grensoverschrijdende verwerking van persoonsgegevens. Dat is natuurlijk
omdat persoonsgegevens niet alleen in Nederland of alleen in de EU
worden opgeslagen, maar soms juist ook verdeeld over verschillende
landen en daarbuiten. De Algemene verordening gegevensbescherming regelt
dat de bescherming die wordt geboden, meegaat met die gegevens. Dat
betekent dat de regels ter bescherming van persoonsgegevens van
toepassing blijven, ongeacht waar de gegevens terechtkomen. Die
bescherming reist dus mee. Dat geldt ook wanneer gegevens worden
doorgegeven aan een derde land. Ik begrijp overigens de reden voor de
vraag wel, maar ik moet hier ook zeggen dat inzicht in dergelijke
gegevensstromen nog steeds beperkt is. Met behulp van de strategische
visie willen we natuurlijk meer grip op en inzicht in deze stromen
krijgen en bezien of de bescherming die geboden wordt wel adequaat is.
Het is dus niet zo dat we denken dat het daarmee volledig geregeld is,
maar we houden dat goed in de gaten.
Dan ben ik bij rechtshandhaving en politie. Er waren een aantal vragen,
om te beginnen de vraag van mevrouw Van Ginneken over doxing. Het blijft
een raar woord, maar het betekent inderdaad dat gegevens zoals foto en
naam van bijvoorbeeld politieagenten en journalisten online gezet worden
met het doel om te intimideren. Dat gaan we strafbaar stellen. Het
wetsvoorstel is naar de Kamers. D66 stelt de vraag waarom we hier dan
geen extra capaciteit en extra middelen voor vrijmaken. De verwachting
is dat de aangiftes van strafbare doxing in de praktijk gepaard zullen
gaan met de aangifte van andere strafbare feiten zoals bedreiging of
opruiing, dus dat er niet in die zin iets extra's bij komt maar er wel
extra ruimte is om daarnaar te handelen. Dat is de reden waarom we op
dit moment geen noodzaak zien om op voorhand extra middelen vrij te
maken voor het kunnen uitvoeren van het wetsvoorstel. Ik denk wel dat
het fair is om er het volgende bij te zeggen, want dat is ook mijn
gesprek met bijvoorbeeld politie en justitie. Mocht gaandeweg,
bijvoorbeeld bij de invoeringstoets, iets heel anders blijken, namelijk
dat er wel knelpunten in ontstaan, dan zullen we die natuurlijk meenemen
in de algemene afweging over de middelen voor de politie en het Openbaar
Ministerie.
Dan vroeg de SP, als ik mij niet vergis: wat vindt u van de datahonger
van de overheid en wat kan daartegen gedaan worden? Ik wil benadrukken
dat wat mij en het kabinet betreft het verzamelen van persoonsgegevens
door overheidsorganisaties uiteraard geen doel op zich is. Het is een
middel dat kan bijdragen aan slimmer of effectiever beleid en een betere
dienstverlening. Wij zijn van mening dat de overheid de Algemene
verordening gegevensbescherming moet naleven. Het ziet er ook naar uit
dat de resultaten van het onderzoek door het Wetenschappelijk Onderzoek-
en Documentatiecentrum — ik wil geen afkortingen gebruiken, vandaar dat
ik een kwartier nodig had voor deze vragen — waaruit blijkt hoe die
naleving beter kan, volgende maand verwacht worden, dus daar zullen we
het hopelijk nog beter mee kunnen borgen.
Dan was er van mevrouw Dekker-Abdulaziz van D66 een vraag over
datahonger bij de politie. Zij vroeg: kunt u toezeggen dat u zorgt dat
de politie haar datahonger beteugelt? Als ik mij niet vergis, was dat de
letterlijke tekst. Ik moet zeggen dat ik het beeld dat de politie
datahonger zou hebben echt niet deel. Dat beeld wil ik ook graag
rechtzetten, want dat doet wat mij betreft de politie echt te kort. De
politie verwerkt data voor haar wettelijke taak. Dat doen zij ten
dienste van ons, van het Nederlandse volk, om de samenleving veilig te
houden en criminelen te pakken. Dat is het doel van de politie. De
samenleving verwacht ook van de politie dat zij een goede
informatiepositie heeft, zodat ze ook criminaliteit snel kan aanpakken
en snel kan oplossen. Dat koester ik en dat waardeer ik, en dat probeer
ik ook te beschermen vanuit mijn rol. De politie vraagt mensen daarom
bijvoorbeeld om vrijwillig hun camera's te registreren; daar ging het
voorbeeld over. De mensen die dat dus vrijwillig doen — dat benadruk ik
nog maar eens — willen de politie graag helpen bij hun politietaak. Ik
denk dat dat heel erg mooi is. Daarmee weet de politie, als er een
misdrijf wordt gepleegd, of er mogelijk camerabeelden zijn gemaakt door
individuele burgers, die kunnen helpen het misdrijf snel op te lossen.
Die beelden worden pas opgevraagd door de politie nadat er sprake is van
een misdrijf.
Dan ben ik bij het laatste mapje: andere hele belangrijke vragen.
Deepfaketechnologie is een heel erg actueel punt. Het lijkt mij goed om
te benadrukken dat ik dit misbruik van deepfakes, of dat nou gaat over
de zogenaamde deepnudes of desinformatie, zeer, zeer zorgwekkend vind.
Daarom heb ik, mede op verzoek van de VVD, ook al veel eerder gevraagd
hier onderzoek naar te doen.
Voorzitter. Het onderzoek is eerder dit jaar aangeboden aan uw Kamer en
wij zorgen ervoor dat voor het einde van dit jaar de beleidsreactie
ontvangen wordt. In het onderzoek wordt ingegaan op de vraag of het
recht voldoende is toegerust om om te gaan met onwenselijke deepfakes,
waaronder de zogenaamde deepnudes. Ik denk dat mevrouw Rajkowski al heel
duidelijk maakte hoe ingrijpend en heftig het kan zijn, en is, voor een
heel aantal individuen. Het rapport doet onder meer de aanbeveling om
deepfaketechnologie in bepaalde gevallen te verbieden. In de
beleidsreactie kom ik graag terug op deze en andere aanbevelingen van
het onderzoek. Ik hoop dan met de Kamer daarover in gesprek te kunnen
gaan.
Dan had ik van mevrouw Van Weerdenburg een vraag over de laagdrempelige
voorziening. Zij vraagt: wat is dat precies? Wordt dat een kliklijn waar
je anoniem kunt melden? Die laagdrempelige voorziening was van de Kamer.
Als ik mij niet vergis, kwam die motie van de heer Van Nispen van de SP.
Daarmee wordt een meldpunt gecreëerd dat door overheid wordt
gesubsidieerd, net zoals het Meldpunt Kinderporno van het
Expertisebureau Online Kindermisbruik en het meldpunt internet
discriminatie. Waar het bij het Meldpunt Kinderporno en het meldpunt
internet discriminatie gaat om strafbare content, gaat het hier over
onrechtmatige content. Iemand wil dat er iets van het internet gehaald
wordt, omdat hij of zij daar schade van ondervindt, bijvoorbeeld als er
een naaktfoto is geplaatst zonder toestemming. Maar ook gevallen van
doxing, waar wij het zojuist over hadden, kunnen hier worden gemeld.
Zodra de melding binnenkomt, zullen medewerkers van het meldpunt de
melding beoordelen op rechtmatigheid, bijvoorbeeld door de melding te
toetsen aan de Algemene verordening gegevensbescherming of aan de
gebruiksvoorwaarden van een platform of een ander internetbedrijf.
Wij willen uiteraard wel goede afspraken maken met de internetsector
over de werkwijze, de reikwijdte en de wijze van beoordeling van het
meldpunt, zodat het echt vertrouwen heeft van de sector en iedereen
helpt waar dat moet. Het moet dan gaan over zelf ondervonden schade.
Mensen die anoniem willen blijven, kunnen advies krijgen over wat ze
kunnen doen, maar hoeven dan geen content te rapporteren als het henzelf
aangaat. Het is dus geen kliklijn. Ik denk dat ik die zorgen bij mevrouw
Van Weerdenburg weg kan nemen door deze context mee te geven.
Voorzitter. Dan heb ik mijn laatste vraag. Dat is de vraag van mevrouw
Kathmann. Zij refereerde aan de HJ Schoo-lezing. Dank ook voor het
kennisnemen daarvan, dat is altijd fijn. Zij legde de link met wat ik
daarin zeg over sociale media en de invloed die zij kunnen hebben. In de
lezing heb ik betoogd dat we in een tijd leven waarin sprake is van
bewegingen en actoren die stap voor stap knagen aan onze democratische
rechtsstaat. Het gebeurt bijna zo subtiel dat we het niet echt door
hebben of denken: geef het maar geen aandacht; sla dat maar over. Dat
zou een vorm van vrijheid zijn. Wat mij betreft zijn we daar de
afgelopen jaren iets te laconiek mee omgegaan. Je ziet dat alle
vrijheden waarvoor wij staan echt worden ondermijnd. Dat heb ik in die
lezing willen betogen. Ik heb ook de rol van de socialmediabedrijven
benoemd. Ik heb gezegd dat ik vind dat zij verantwoordelijkheid moeten
nemen. Daar hebben mijn collega's uitvoerig over gesproken. In Europees
verband zetten we daar ook stappen in. Maar als zij dat niet doen, dan
zullen wij hen daaraan moeten houden. Dat kan op verschillende
manieren.
Ik ga in ieder geval vanuit mijn rol de socialmediabedrijven uitnodigen
om te praten over alle onderwerpen waarover we het vanmiddag hebben, en
breder. Ik was laatst bij het Team Bedreigde Politici van de politie.
Zij hebben mij laten zien dat het soms lang duurt voordat ze een reactie
krijgen van een socialmediabedrijf over een bepaalde tweet of dreiging.
Daardoor duurt het lang voordat ze kunnen achterhalen wie erachter zit
en voordat ze kunnen handelen. Dat zou echt makkelijker en sneller
moeten. Dat klinkt als een open deur, maar zo werkt het nu in de
praktijk. Wij proberen vanuit dit verband, en breder, om op allerlei
manieren ook die partijen verantwoordelijk te houden. Het mag natuurlijk
nooit zo zijn dat er een parallel universum ontstaat dat niet gebonden
is aan onze regels, wetten en manier van met elkaar omgaan. Ik bedoel
dat daar alles zomaar mag en dat anderen bepalen hoe die wereld
eruitziet. Ook dat doen we met elkaar. Die balans probeer ik erin te
brengen, zowel vanuit rol die ik hier nu heb maar ook breder vanuit de
portefeuille.
Dat was 'm.
De voorzitter:
Dank u wel. We hebben nog twintig minuten. We hebben tien sprekers. Dat
is tien keer twee minuten. Dat zou net passen. Ik zie dat mevrouw Van
Weerdenburg nog een vraag heeft. Ik doe even een dubbelcheck: kan dit
niet in de tweede termijn meegenomen worden?
Mevrouw Van Weerdenburg (PVV):
Nou, nee.
De voorzitter:
Oké.
Mevrouw Van Weerdenburg (PVV):
Ik heb een vraag over deepfakes. Op pagina 14 van de werkagenda worden
deepfakes geschaard onder de definitie van desinformatie die aangepakt
moet worden. Er staat best wel wat in de steigers om desinformatie aan
te pakken. Ook de EU Code of Practice on Disinformation is ondertekend
door de grote platforms en wordt verplicht, ook om de negatieve impact
van deepfakes tegen te gaan. Mijn vraag was eigenlijk de volgende. Er
staat al wat in de steigers. Het valt hier al onder. Wat komt er dan
voor aparts in die brief? Wat komt daar nog meer in te staan over
deepfakes?
Minister Yeşilgöz-Zegerius:
We zijn nu aan het bekijken hoe de beleidsreactie er precies uit zou
moeten zien, ook met deze elementen. We weten al heel veel. Heel veel
kan al, is niet mogelijk of is al verboden. We zorgen dus voor
samenhang. We kijken ook naar dat rapport dat stelt of er wel of niet
meer nodig is. Ik zal ervoor zorgen dat we ook in de beleidsreactie
terugvallen op wat mevrouw Van Weerdenburg terecht voorleest. Er is dus
al een heleboel, maar de vraag is of er iets bij moet of niet. Dat
lichten we dan toe.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan bent u ook aan de beurt om als eerste uw tweede termijn
te beginnen, mevrouw Van Weerdenburg.
Mevrouw Van Weerdenburg (PVV):
Dank, voorzitter. Ik wil niet helemaal negatief beginnen, maar ik vond
dit debat om een aantal redenen wel heel onbevredigend. Ten eerste was
dit geen begrotingsbehandeling, want we hebben geen begroting, in ieder
geval geen volledige. Als ik de staatssecretaris goed begrijp, is het
ook onzeker of we volgend jaar rond deze tijd wel een volledige
DiZa-begroting hebben. Ik voel er weinig voor om dat maar gewoon af te
wachten en een jaar lang achterover te gaan zitten om te zien of het dan
wel is gelukt. Ik vraag mij dus af of wij als Kamer meer kunnen doen —
ik weet niet in welke vorm — om mee te helpen om ervoor te zorgen dat
die volgend jaar wel volledig is. Ik vraag iedereen in deze zaal om mee
te denken over hoe we er zelf ook iets aan kunnen doen om dat rond te
krijgen.
De tweede reden waarom dit een zeer onbevredigend debat is, is omdat er
weer louter in negatieve zin wordt gesproken over grote
socialmediaplatforms. Er wordt gesproken over allerlei drama's en
negatieve dingen, maar niemand staat echt goed stil bij wat het ons
allemaal heeft gebracht. Niet voor niks zijn zo veel mensen dagelijks
bezig op socialmediaplatforms. Ze hebben echt ook waarde voor onze
samenleving. Het gaat eenzaamheid tegen bijvoorbeeld. Denk ook aan
lotgenotencontact en aan ouderen die veel meer connected kunnen blijven
met familie. Het verbroedert, de vrije informatiedeling emancipeert en
noem maar op. Daar is nooit aandacht voor. Ik wil het hierbij toch
gezegd hebben. Natuurlijk zijn er ook risico's en minder mooie kanten,
maar de platforms doen ook echt wel heel erg hun uiterste best om
adequaat te modereren. Dat wil ik ook een keer gezegd hebben.
Tot slot, voorzitter. Ook over de gebruikers, de burgers, wordt
gesproken alsof het allemaal hulpeloze onwetenden zijn die beschermd
moeten worden tegen allerlei boze stemmen en kwaadaardige informatie. Ik
heb eerder al verwezen naar de ICT-monitor van het CBS. Lees die eens
door, zou ik tegen de collega's willen zeggen, want het zijn helemaal
geen hulpeloze wezentjes die totaal niet weten hoe internet werkt of wat
dan ook. In dat kader zou ik tot slot de staatssecretaris willen vragen
naar het volgende. Er wordt gesproken over het opstellen van een
jaarlijkse monitor. Is het niet veel sneller en handiger om aan te haken
bij de CBS-monitor die al uitgevoerd wordt, en om die misschien wat uit
te breiden met wat gespecificeerde digitale vaardigheden, zodat er iets
meer informatie uit komt? Dan kunnen we die gebruiken, want die is er
toch al.
Dank.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Van Weerdenburg. Ik ben bij u een beetje coulant
geweest, omdat u ook de enige was die enigszins bezwaar had tegen de
snelle route. Ik ga bij de anderen iets minder coulant zijn, want anders
komen we over het eindpunt heen. Ik ga snel door naar mevrouw Rajkowski,
VVD.
Mevrouw Rajkowski (VVD):
Dank, voorzitter. Ik ga het snel doen. Ik heb op sommige punten nog even
een korte vraag.
Voorzitter. Ik ga de motie over deepfakes toch indienen, omdat de Kamer
gewoon niet langer wil wachten. Dank voor de toezegging, maar we willen
wat snelheid.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
verzoekt de regering in 2023 in lijn met de reguleringsopties die zijn
beschreven in het WODC-rapport te kijken hoe bepaalde vormen van
deepfaketechnologie tegengegaan kunnen worden;
verzoekt de regering om in dit wetsvoorstel te bezien op welke manier
het beïnvloeden van verkiezingen of politieke besluitvorming middels het
creëren of verspreiden van desinformatie strafbaar kan worden
gesteld,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Rajkowski, Ellian, Koekkoek,
Bontenbal, Van Ginneken, Ceder en Bouchallikh.
Zij krijgt nr. 59 (36200-VII).
Mevrouw Rajkowski (VVD):
Dan over mkb'ers en het keurmerk. Die motie gaan we toch indienen, want
we willen niet op Europa wachten. Dat gaat namelijk lang duren.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
verzoekt de regering om in overleg te treden met het Digital Trust
Center en betrokken brancheorganisaties om te komen tot een eenduidig
mkb-keurmerk, om mkb'ers beter te ondersteunen bij het vormen van hun
securitybeleid,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Rajkowski, Van Ginneken,
Kathmann en Leijten.
Zij krijgt nr. 60 (36200-VII).
Mevrouw Rajkowski (VVD):
Voorzitter. Dan over het oefenen. We gaan de eerste termijn nog even
goed terugkijken, maar volgens mij is het toch niet goed genoeg
toegezegd. Maar we gaan daar nog naar kijken.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
verzoekt de regering om in samenwerking met het Digital Trust Center,
brancheorganisaties en regionale partners een structurele
cyberoefenagenda te ontwikkelen met daarin cyberoefeningen specifiek
gericht op niet-vitale bedrijven,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Rajkowski, Koekkoek, Van
Ginneken en Kathmann.
Zij krijgt nr. 61 (36200-VII).
Mevrouw Rajkowski (VVD):
Voorzitter. Dit laatste begrijpen we ook niet goed, dus misschien kan in
de tweede termijn of schriftelijk nog terug worden gekomen op de vraag
waarom het ook voor die vitale sectoren niet handig zou zijn. Ik hoorde
ook geen "ontraden", dus het was voor ons onduidelijk.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
verzoekt de regering een ministeriële regeling veiligheid en integriteit
te maken voor de volledige Nederlandse vitale infrastructuur om alle
kernen van vitale netwerken weerbaarder te maken tegen digitale
dreigingen om ernstige schade aan onze maatschappij en economie te
voorkomen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Rajkowski, Bontenbal, Koekkoek,
Dekker-Abdulaziz en Kathmann.
Zij krijgt nr. 62 (36200-VII).
Mevrouw Rajkowski (VVD):
Dat was 'm, voorzitter. Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Rajkowski. Dan gaan we door naar mevrouw Leijten
namens de SP.
Mevrouw Leijten (SP):
Het is toch wel wonderlijk om van negativiteit beticht te worden door
iemand die puur negatief is. Ik verwijs naar de eerste spreker van de
tweede termijn.
Ik heb drie moties, die ik snel in ga dienen.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het uitgangspunt volgens het werkprogramma
Waardengedreven Digitaliseren is dat overheidsprocessen digitaal moeten
waar dat kan;
overwegende dat digitalisering zowel grote voor- als nadelen kent en
menselijk contact een belangrijke bijdrage levert aan een menswaardige
overheid;
verzoekt de regering het uitgangspunt dat alles wat digitaal kan ook
digitaal moet kunnen, te wijzigen in "niet alles wat digitaal kan, moet
digitaal",
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Leijten.
Zij krijgt nr. 63 (36200-VII).
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de Generieke Digitale Infrastructuur (GDI) essentieel
is voor de wijze waarop mensen op een veilige en goede manier digitaal
met de overheid kunnen communiceren en dat hiervoor 300 miljoen
beschikbaar is;
constaterende dat onder deze GDI ook de Autoriteit Persoonsgegevens en
de Rijksdienst voor Identiteitsgegevens vallen, waarbij tekorten in
financiering van deze diensten grote gevolgen hebben voor het
functioneren van de infrastructuur;
verzoekt de regering de gehele GDI te financieren vanuit de algemene
rijksmiddelen en hierover de Kamer bij de begroting van 2024 te
informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Leijten.
Zij krijgt nr. 64 (36200-VII).
Mevrouw Leijten (SP):
En dan, tot slot.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de samenleving in hoog tempo is gedigitaliseerd en de
coronacrisis dit proces verder heeft versneld;
constaterende dat niet iedereen gelijke toegang heeft tot essentiële
digitale voorzieningen en middelen;
constaterende dat er naar schatting 2,5 miljoen Nederlanders zijn met
onvoldoende digitale basisvaardigheden, zoals het gebruik van
berichtendiensten en de basisomgang met een computer, en dat ongeveer 3
miljoen Nederlanders onvoldoende digitale en administratieve
vaardigheden hebben, en ruim 5 miljoen volwassen Nederlanders moeite
hebben om bewust, kritisch en actief om te gaan met de sociale digitale
media en dat ook bestuurders van overheden en bedrijven regelmatig
beschikken over onvoldoende vaardigheden;
overwegende dat digitale tweedeling dient te worden bestreden en niet
verder dient te worden vergroot;
verzoekt de regering om een onderzoek te doen in hoeverre de universele
dienstverlening van telefoniediensten verbreed kan worden tot
internetdiensten,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Leijten en
Dekker-Abdulaziz.
Zij krijgt nr. 65 (36200-VII).
Dank u wel, mevrouw Leijten. Dan kijk ik even naar de collega's van D66.
Hoe gaan zijn hun twee minuten verdelen? Gaat een van hen het doen?
Allebei één minuut. Oké. Mevrouw Van Ginneken.
Mevrouw Van Ginneken (D66):
Dank. Ik ben niet zo enthousiast over de wat matige beantwoording van de
minister van JenV over de preventieve aspecten van cybersecurity. Ik had
daar graag over willen door debatteren, maar dat kan nu even niet. Ik
dien wel deze motie in.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat ethischehackercollectieven een cruciale rol vervullen
in het signaleren van digitale kwetsbaarheden bij vitale organisaties en
andere bedrijven en daarmee onze samenleving en economie beschermen
tegen sabotage en spionage;
constaterende dat ethischehackercollectieven dit op vrijwillige basis
doen;
overwegende dat het van belang is dat zo'n collectief een duurzame
structuur heeft voor kennisborging en samenwerking;
verzoekt de regering in 2023 een meerjarige subsidieregeling te openen
voor duurzame financiering van ethischehackercollectieven en hiervoor in
de begroting een reservering op te nemen binnen de niet-gebonden ruimte
in beleidsartikel 36,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Ginneken, Koekkoek en
Kathmann.
Zij krijgt nr. 66 (36200-VII).
Mevrouw Van Ginneken (D66):
Over doxing wilde ik een motie indienen, maar ik heb de staatssecretaris
horen zeggen dat ze rondom de wetsimplementatie opnieuw naar die
uitvoeringsaspecten gaat kijken en eventueel alsnog met geld komt. Daar
ben ik vooralsnog tevreden mee.
De voorzitter:
Dank u wel. Dat was keurig binnen de minuut, dus dat is goed. Mevrouw
Dekker-Abdulaziz.
Mevrouw Dekker-Abdulaziz (D66):
Dank, voorzitter. Ik ga beginnen met een motie, want ik heb niet zo veel
tijd. Die gaat over de vraag of we algoritmes op sociale media willen
reguleren. Ik krijg nog een antwoord op de vraag of het binnen de DSA
valt, maar voor de zekerheid dien ik deze ook in.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het algoritme van socialmediaplatformen met veel
video's, zoals TikTok, Instagram, YouTube, et cetera, op zo'n manier
ontworpen is dat het de aandacht zo lang mogelijk vasthoudt;
constaterende dat het verslavende effect van deze algoritmes slechte
effecten heeft op mensen, maar vooral op kinderen;
overwegende dat niet alleen volwassenen gebruikmaken van sociale media,
maar ook veel kinderen;
verzoekt de regering om op nationale en Europese schaal
socialmediaplatformen te dwingen de algoritmes op hun platformen voor
kinderen uit te zetten of aangepaste varianten te maken,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Dekker-Abdulaziz en Ceder.
Zij krijgt nr. 67 (36200-VII).
Mevrouw Dekker-Abdulaziz (D66):
Ik wilde nog één vraag stellen over …
De voorzitter:
U heeft drie seconden.
Mevrouw Dekker-Abdulaziz (D66):
.... de datahandelaren. Die zou ik graag schriftelijk willen krijgen of
in tweede termijn.
Dank u wel.
De voorzitter:
Die noteren wij. Dank u wel daarvoor. Dan is de beurt aan mevrouw
Kathmann voor haar inbreng namens de PvdA. Zou u uw microfoon aan kunnen
zetten?
Mevrouw Kathmann (PvdA):
… dat had al tijd gescheeld.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat de regering een aantal richtinggevende beleidsdocumenten
heeft gepubliceerd, maar kennisinstellingen daar nog geen duidelijke rol
in hebben;
verzoekt de staatssecretaris de cyberweerbaarheid van de lagere
overheden in kaart te brengen, waar nodig ondersteuning aan te bieden,
en vraagt daarbij gebruik te maken van de expertise die is opgebouwd in
relevante organisaties, zoals het Centrum voor Veiligheid en
Digitalisering, Security Delta, Informatiebeveiligingsdienst en dcypher,
en aan de Kamer hierover te rapporteren via de voortgangsrapportage van
de NLCS,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Kathmann, Rajkowski en
Koekkoek.
Zij krijgt nr. 68 (36200-VII).
Mevrouw Kathmann (PvdA):
Het UWV heeft een belangrijke signaleringsfunctie.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
verzoekt de regering om digitale vaardigheden standaard mee te nemen in
de screening van het UWV,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Kathmann.
Zij krijgt nr. 69 (36200-VII).
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
verzoekt de regering vanaf 90 dagen voor de verkiezingen een verbod in
te stellen op microtargeting voor politieke doeleinden en gedurende die
periode slechts targeting op basis van taal en locatie toe te
staan,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Kathmann en Koekkoek.
Zij krijgt nr. 70 (36200-VII).
Mevrouw Kathmann (PvdA):
Dan toch de vraag om met een plan te komen voor duurzame digitalisering.
Uit de beantwoording van de minister bleek namelijk toch al dat het
sowieso geen integraal plan wordt, want het ging vooral over
datacenters.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
verzoekt de regering om met een integraal plan te komen voor duurzame
digitalisering,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Kathmann, Thijssen, Bouchallikh
en Kröger.
Zij krijgt nr. 71 (36200-VII).
Dank u wel. Mevrouw Leijten heeft een verduidelijkingsvraag.
Mevrouw Leijten (SP):
Ik zou graag aan mevrouw Kathmann de vraag willen stellen waarom de
motie over de verkiezingen bij dit debat wordt ingediend. Ik heb het
idee dat dat niet helemaal uitgediscussieerd is en dat het wellicht
beter is bij een ander debat. Misschien is het dan ook makkelijker voor
fracties om na de beraadslaging een oordeel te kunnen vellen.
Mevrouw Kathmann (PvdA):
Ik heb ervoor gekozen om die hier in te dienen, omdat we het eigenlijk
al meerdere malen uitgediscussieerd hebben. Ik zag dit WGO toch ook als
een kans om het wel te doen. We zijn er immers naar op zoek hoe je de
negatieve beïnvloeding, die onwenselijk is, zeker in een politieke tijd,
kunt terugdringen. Daar hebben we het heel vaak over gehad. Het
begrotingsdebat is een uitgelezen kans om toch nog een beetje mee te
sturen als Kamer. Er zijn ook al moties over ingediend. Deze is
afgezwakt, omdat we het inperken tot 90 dagen en qua actoren. Ik zag het
meer als een kans om het nu te doen, want hoe vaker, hoe beter. Ik heb
niet het idee dat we hier niet over gesproken hebben. U zag het: ik heb
de helft van mijn inbreng niet kunnen doen. Dat is het nadeel van deze
tijd. Ik heb steeds al zo veel dingen doorgeschoven, omdat wij krap in
de tijd zitten en we over alles praten. Ik heb dus toch dit moment
aangegrepen om deze motie in te dienen.
De voorzitter:
Mevrouw Leijten, tot slot.
Mevrouw Leijten (SP):
Ik wil niet vervelend doen tegen mevrouw Kathmann, want het had net zo
goed iemand anders kunnen zijn. Maar ik vind eigenlijk dat moties
onderdeel moeten zijn van de beraadslaging en dat we daarover gewisseld
moeten kunnen hebben. Als ze het in de eerste termijn had gezegd, had ik
haar daarop kunnen bevragen. Wellicht zijn we het eens. Misschien zijn
we het oneens. Ik denk dat er nog debatten aankomen over verkiezingen en
de regulering daarvan. Ik zou dus toch een beroep op u willen doen om de
motie daarbij in stemming te laten komen, zodat we het beter kunnen
afwegen.
Mevrouw Kathmann (PvdA):
Daar wil ik toch nog wel even op reageren, want het liefst zou ik dat
graag doen. Maar ik zei al: u zag dat ik ter plekke ik weet niet hoeveel
onderwerpen heb moeten laten liggen. Mijn vraag is alleen: wanneer
spreken we daar dan over? Want de verkiezingen van de Provinciale Staten
zijn al in maart. Dat is heel snel. Alles wat je daarvoor nog zou kunnen
doen of wat je aan gedachtes mee zou kunnen geven, doe ik sowieso
graag.
De voorzitter:
In algemene zin ben ik het, ook als voorzitter, met mevrouw Leijten eens
dat het niet gebruikelijk is om over iets wat niet in het debat aan de
orde is geweest, nu een motie in te dienen. Ik kijk even naar mevrouw
Leijten — zij zit ook in de commissie voor BZK — om te zien of daarin
misschien nog een gelegenheid is, of daarvoor nog een debat gepland
staat. Ik weet dat namelijk niet op dit moment. We zullen dan in ieder
geval een appreciatie vragen, maar wellicht is het goed om even in uw
achterhoofd te houden dat het ook een optie zou kunnen zijn om de motie
aan te houden en om even na te gaan of er een ander moment zou zijn. Het
is wel ingewikkeld voor partijen om ergens over te stemmen als er geen
nadere duiding van is.
Dan kijk ik naar mevrouw Kathmann. Was u aan het einde gekomen van uw
inbreng?
Mevrouw Kathmann (PvdA):
O, had ik nog tijd?
De voorzitter:
Volgens mij niet. Nee. Dan gaan we door naar de heer Bontenbal,
CDA.
De heer Bontenbal (CDA):
Voorzitter. Ik heb één motie en een stichtelijke uitleiding.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat digitale technologieën, waaronder sociale media, zowel
positieve als negatieve gevolgen hebben voor de persoonlijke
ontwikkeling van mensen en voor het functioneren van de samenleving als
geheel;
verzoekt de regering een adviesaanvraag uit te werken voor de WRR waarin
de vraag centraal staat wat de sociaal-maatschappelijke impact is van
nieuwe digitale technologieën op de samenleving op lange termijn, en
daarbij de aspecten van sociale cohesie, democratisch burgerschap,
persoonlijke ontwikkeling, mentale gezondheid en opvoeding te
betrekken,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Bontenbal, Ceder en
Rajkowski.
Zij krijgt nr. 72 (36200-VII).
De heer Bontenbal (CDA):
Tegen mevrouw Van Weerdenburg zou ik willen zeggen: we zijn misschien
geen hulpeloze wezentjes, maar we zijn volgens mij wel kwetsbaar.
Sommige mensen zijn iets kwetsbaarder, en op sommige leeftijden ben je
nog weer iets kwetsbaarder. We hebben volgens mij sterke gezinnen en
sterke gemeenschappen nodig, maar uiteindelijk ook een sterke overheid
die ingrijpt als dat nodig is. Volgens mij ging een deel van dit debat
daarover.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Bontenbal. Dan is het woord nu aan mevrouw
Bouchallikh namens GroenLinks.
Mevrouw Bouchallikh (GroenLinks):
Dank u wel, voorzitter. Ik heb drie moties, dus ik ga meteen beginnen.
Allereerst met de volgende.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het gebruik van etniciteit of nationaliteit in
risicoprofielen leidt tot etnisch profileren, wat een vorm van
discriminatie is;
overwegende dat ook de Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en
Racisme (NCDR) waarborgen en garanties vanuit het kabinet mist die nodig
zijn om institutioneel racisme tegen te gaan;
constaterende dat er momenteel veel onduidelijkheid is over het gebruik
van discriminerende risicoprofielen, waardoor overheden en
uitvoeringsorganisaties ruimte blijven zoeken om te kunnen selecteren op
etniciteit of nationaliteit bij controles of handhaving;
overwegende dat een verbod op etnisch profileren noodzakelijk is;
verzoekt de regering een verbod in te stellen op het gebruik van
etniciteit en gerelateerde gegevens als indicator in risicomodellen voor
wetshandhaving,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Bouchallikh, Kathmann en
Koekkoek.
Zij krijgt nr. 73 (36200-VII).
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat de Autoriteit Persoonsgegevens volgens experts nog
onvoldoende middelen heeft om haar nieuwe taken goed uit te
voeren;
constaterende dat er mogelijk door de EU een digitaks in de toekomst
wordt ingevoerd waarbij bigtechbedrijven extra belastingen moeten
betalen;
overwegende dat de Autoriteit Persoonsgegevens onder andere moet toezien
op de activiteiten van big tech;
verzoekt de regering, in ieder geval bij invoering van een digitaks, de
middelen van de Autoriteit Persoonsgegevens aanzienlijk te
verhogen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Bouchallikh, Van Ginneken en
Kathmann.
Zij krijgt nr. 74 (36200-VII).
Mevrouw Bouchallikh (GroenLinks):
Dan tot slot.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat desinformatie, online haatzaaiing en gepersonaliseerde
advertenties het democratische gehalte van verkiezingen kunnen
ondermijnen;
overwegende dat we hier zeer waakzaam voor moeten zijn, ook in
Nederland;
verzoekt de regering de komende Provinciale Statenverkiezingen grondig
te laten monitoren en evalueren op het gebied van online beïnvloeding,
waaronder desinformatie, microtargeting en buitenlandse inmenging, en de
resultaten van deze evaluatie te delen met de Kamer,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Bouchallikh en Kathmann.
Zij krijgt nr. 75 (36200-VII).
Dank u wel, mevrouw Bouchallikh. Dan is het woord aan de heer Ceder
namens de ChristenUnie.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dank, voorzitter. Ik heb drie moties.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat digitale apparaten, applicaties en platformen een
steeds belangrijkere rol spelen in de belevingswereld van
minderjarigen;
overwegende dat het voor opvoeders van kinderen, die over het algemeen
geen digital natives zijn, lastig is grip te hebben op en in gesprek te
gaan over digitale ontwikkelingen, de invloed daarvan op hun kinderen en
hoe kinderen zich veilig en verantwoord kunnen begeven in de digitale
wereld;
overwegende dat inzet op mediawijsheid nooit een reden kan zijn om niet
over te gaan tot regulering van bedrijven;
verzoekt de regering mediawijsheid voor opvoeders expliciet onderdeel te
maken van de werkagenda en daartoe in de uitwerking van de plannen onder
het Programma Digitale Samenleving met voorstellen te komen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Ceder en Bontenbal.
Zij krijgt nr. 76 (36200-VII).
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat Nederland in het inlichtingen- en veiligheidsbeleid
maatregelen neemt tegen landen met een offensief cyberprogramma, zoals
China, Rusland en Iran;
overwegende dat ook sociale media zoals TikTok en andere populaire
applicaties door dergelijke statelijke actoren kunnen worden ingezet in
hun offensieve programma om grootschalig gegevens te verzamelen, invloed
uit te oefenen en daarmee in potentie de samenleving kunnen
ondermijnen;
verzoekt de regering in kaart te brengen welke applicaties en
socialemediaplatformen van landen met een offensief cyberprogramma een
dreiging vormen of kunnen vormen voor de nationale veiligheid, hoe
dergelijke bedrijven nationaal dan wel Europees de toegang tot de markt
kan worden ontzegd, en indien het huidige instrumentarium niet
toereikend is, dit te ontwikkelen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Ceder.
Zij krijgt nr. 77 (36200-VII).
De heer Ceder (ChristenUnie):
Tot slot, voorzitter.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de Code voor Kinderrechten is ontwikkeld om bij
ontwerp en doorontwikkeling van technologieën expliciet aandacht te
hebben voor het belang van kinderen;
overwegende dat de code voorstellen bevat die onder meer toezien op
nadere regelgeving voor profileren van kinderen, een
kinderrechtenimpactassessment, economische exploitatie van kinderen en
voor kinderen begrijpelijke informatie over wat er met hun gegevens
gebeurt;
verzoekt de regering te komen met een wettelijke borging van de Code
voor Kinderrechten en ook in bredere zin te komen met een volledige
uitwerking en uitvoering van de code,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Ceder en Dekker-Abdulaziz.
Zij krijgt nr. 78 (36200-VII).
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Ceder. Dan zijn we bij de laatste spreker van de
zijde van de Kamer en dat is mevrouw Koekkoek namens Volt.
Mevrouw Koekkoek (Volt):
Dank u wel, voorzitter. Ik heb twee moties.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de departementen OCW en BZK de coalitie van publieke
organisaties, PublicSpaces, steunen in hun missie om publieke
organisaties gebruik te laten maken van digitale instrumenten in lijn
met publieke waarden;
overwegende dat dit de lijn van het kabinet om in te zetten op het
ontwikkelen van een digitaal publiek sociaal medium kan
versterken;
verzoekt de regering om te onderzoeken hoe zij de steun van BZK en OCW
aan het initiatief PublicSpaces uit kan breiden tot deelname van alle
departementen aan de PublicSpaces-coalitie;
verzoekt de regering om samen met gelijkgestemde Europese lidstaten een
coalitie te vormen om de ontwikkeling van een digitaal publiek sociaal
medium te accelereren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Koekkoek en Kathmann.
Zij krijgt nr. 79 (36200-VII).
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de afgelopen tijd meerdere gevallen aan het licht zijn
gekomen waarin persoonsgegevens van Europese burgers op onwenselijke en
mogelijk onrechtmatige wijze zijn verwerkt door onder andere
(sociale)mediabedrijven;
overwegende dat samenwerking op het gebied van grensoverschrijdende
zaken kan bijdragen aan het versterken van de positie van burgers met
betrekking tot de bescherming van hun persoonsgegevens;
overwegende dat de European Data Protection Board een procedure heeft
aangenomen voor strategische zaken met betrekking tot toezicht op de
verwerking van persoonsgegevens van Europese burgers;
verzoekt het kabinet om in gesprek te gaan met de Autoriteit
Persoonsgegevens en regeringen van andere EU-lidstaten om de
samenwerking op het gebied van strategische zaken met betrekking tot de
verwerking van persoonsgegevens in Europees verband te stimuleren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Koekkoek en Kathmann.
Zij krijgt nr. 80 (36200-VII).
Mevrouw Koekkoek (Volt):
Uiteraard ook dank aan de bewindspersonen en de ondersteuning.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Koekkoek. Hiermee zijn we aan het einde gekomen van
de tweede termijn van de Kamer. Wij hebben een halfuur tot drie kwartier
geleden met elkaar afgestemd dat we de appreciaties schriftelijk
krijgen. Ik wil de bewindspersonen wel verzoeken om de appreciaties nog
deze week te sturen, want de stemmingen zijn volgende week dinsdag. Dan
hebben de leden dit weekend nog even de gelegenheid om daar goed naar te
kijken en alles te overwegen. Ik hoorde een aantal leden ook zeggen dat
het snel moest, maar dat u daar niks aan kon doen. Dat ligt allemaal aan
de planning — excuus daarvoor — maar op die manier kan iedereen het goed
wegen en bekijken of een motie echt nodig is of dat er nog een wijziging
nodig is. Dan hoeft dat niet allemaal nog op maandag of dinsdagochtend
te gebeuren.
Dat gezegd hebbend, dank ik iedereen, ook voor de flexibiliteit, want ik
realiseer me dat dit niet optimaal is. We zullen dit terugkoppelen en
ook bekijken of het een volgende keer plenair kan zijn; hopelijk wel,
als het aan mij ligt. Maar goed, dat zullen we zien. Nogmaals dank aan
iedereen. Hiermee sluit ik dit wetgevingsoverleg.
Sluiting 16.04 uur.
ONGECORRIGEERD STENOGRAM Verslag OSV 16 (2022-2023) van 14 november 2022 |
---|
Aan ongecorrigeerde verslagen kan geen enkel recht worden ontleend. Uit ongecorrigeerde verslagen mag niet letterlijk worden geciteerd. Inlichtingen: verslagdienst@tweedekamer.nl |