Deelrapport 2 - Feitenreconstructie 1959-2012
Parlementaire enquĂȘte aardgaswinning Groningen
Rapport
Nummer: 2023D04549, datum: 2023-02-24, bijgewerkt: 2024-02-19 10:56, versie: 3
Directe link naar document (.pdf), link naar pagina op de Tweede Kamer site, officiële HTML versie (kst-35561-7).
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: T.M.T. van der Lee, Tweede Kamerlid (GroenLinks-PvdA)
- Mede ondertekenaar: M.Y. Israel, griffier
Onderdeel van kamerstukdossier 35561 -7 Parlementaire enquĂȘte aardgaswinning Groningen.
Onderdeel van zaak 2023Z01935:
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Economische Zaken en Klimaat (2017-2024)
- Stemmingen en besluiten:
- 2023-06-15 14:19 â Afgevoerd van de stand der werkzaamheden. (Besluit)
- 2023-06-08 15:00 â Afgevoerd van de stand der werkzaamheden. (Besluit)
- 2023-06-07 11:00 â Behandeld. (Besluit)
- 2023-06-06 17:00 â Behandeling wordt voortgezet. (Besluit)
- 2023-04-13 14:00 â Behandeld. (Besluit)
- 2023-04-13 14:00 â Voortzetting debat. (Besluit)
- 2023-04-12 10:15 â Behandeling wordt voortgezet. (Besluit)
- 2023-03-23 14:00 â Inbreng geleverd. (Besluit)
- 2023-03-07 17:00 â Inbrengdatum voor het stellen van feitelijke vragen aan de parlementaire enquĂȘtecommissie aardgaswinning Groningen vastgesteld op 23 maart 2023 te 14.00 uur. (Besluit)
- 2023-03-07 15:30 â Rondgezonden en gepubliceerd. (Besluit)
- 2023-03-07 15:30: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2023-03-07 17:00: Procedurevergadering commissie EZK (Procedurevergadering), vaste commissie voor Economische Zaken en Klimaat (2017-2024)
- 2023-03-23 14:00: Rapport parlementaire enquĂȘte aardgaswinning Groningen "Groningers boven gas" - vragen aan de parlementaire enquĂȘtecommissie aardgaswinning Groningen (Inbreng feitelijke vragen), vaste commissie voor Economische Zaken en Klimaat (2017-2024)
- 2023-04-12 10:15: Debat met de parlementaire enquĂȘtecommissie aardgaswinning Groningen over het rapport âGroningers boven gas' (35561) (1e TK) (Plenair debat (overig)), TK
- 2023-04-13 14:00: Debat met de parlementaire enquĂȘtecommissie aardgaswinning Groningen over het rapport âGroningers boven gas' (35561) (Voortzetting) (Plenair debat (overig)), TK
- 2023-06-06 17:00: Debat over het rapport van de Parlementaire EnquĂȘtecommissie Aardgaswinning Groningen (1e termijn Kamer) (Plenair debat (overig)), TK
- 2023-06-07 11:00: Debat over het rapport van de Parlementaire EnquĂȘtecommissie Aardgaswinning Groningen (antwoord 1e termijn + rest) (Plenair debat (overig)), TK
- 2023-06-08 15:00: Aanvang middagvergadering: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2023-06-15 14:19: Aanvang middagvergadering: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
Preview document (đ origineel)
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2 |
| Vergaderjaar 2022-2023 |
35 561 Parlementaire enquĂȘte aardgaswinning in Groningen
Nr. 7 DEELRAPPORT 2 â FEITENRECONSTRUCTIE 1959â2012
1 Van Slochteren tot MiddelstumEen nieuwe bron van energie en inkomsten (1959â1994)
1.1 Inleiding
| Op 29 juni 1963 wijdt het Nieuwsblad van het Noorden een artikel aan de «gasbel van Slochteren». De verwachtingen over wat het Groningse gasveld de bevolking zal brengen zijn verschillend: |
| De droom over de gasbel is in de gemeente Slochteren verward. [...] Bij sommige mensen dreigt een lichte teleurstelling de hoop op een financieel betere toekomst te verdringen. Weer anderen denken dat Kolham nu eindelijk wel eens beroemd zal worden door de vondst van het aardgas. |
| [...] «Als gemeentebestuur weten we heel weinig van de gasbel af. De grote heren zeggen niet veel.» |
| [...] De heer G. Pepping in Froombosch wacht met belangstelling af welke industrieprijs voor het aardgas wordt bepaald. «Kijk, het moet ongeveer 6œ cent worden dan is het interessant. Zoveel kost de stookolie waarmee ik mijn kassen verwarm.» |
| Een paar ingezetenen van de gemeente Slochteren hebben in ieder geval wel een gevoel van tevredenheid over de gang van zaken. Dat zijn de boeren die een gedeelte van hun land in huur aan de NAM hebben afgestaan. Ze kregen een uitstekende vergoeding. De vrouw van een van hen verzuchtte: «We hadden het nooit gedacht dat hier gas in de grond zou zitten. We worden nog beroemd. Veel merken we niet van de werkzaamheden. Het is wel wat drukker geworden, door de vrachtautoâs. Vroeger zei men altijd: Kolham is niet veel. De boeren werken er maar wat. We worden nu welgesteld.» |
| «Ned. Aardolie Mij. zwijgt tegen gemeentebestuur», Nieuwsblad van het Noorden, 29 juni 1963. |
In 1959 bouwt de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM) een boortoren op de akker van boer Boon. Herman de Muinck kan beeldend vertellen hoe hij als jongetje van 10 jaar in de zomer van 1959 een van de eerste Groningers is die merken dat er gas gevonden is. Hij staat bijna letterlijk met zijn neus bovenop de vondst van de gasbel bij Slochteren. Als zoon van de bakker bezorgt hij namelijk brood bij het huisje dat de mensen van de NAM hebben gebouwd naast de schuur van boer Boon. De NAM is op zoek naar olie. Maar men vindt bij Slochteren gas. Veel gas.
Ik ben een bakkerszoon. [..] Een verre klant was een arbeiderswoning van boer Boon in Kolhalm. Boer Boon woonde zelf in Hoogezand, maar had een nieuwe schuur gezet op zijn land in Kolhalm, op de grens van Hoogezand/gemeente Slochteren. In het voorjaar van 1959 ... Ik fietste dus met die matten aan het stuur naar die arbeiderswoning en toen werd ik tegengehouden door mensen van de NAM.
Openbaar verhoor Herman de Muinck, 27 juni 2022
De vondst van de gasbel leidt bij betrokkenen tot blijdschap en optimisme. Tegelijkertijd is de vondst óók omgeven met onduidelijkheid en soms zelfs geheimzinnigheid. Deze gespletenheid is al vanaf het prille begin kenmerkend voor de gaswinning in Nederland, zoals ook uit het aangehaalde krantenartikel uit 1963 blijkt.
Aan de ene kant is er profijt. Voor bijvoorbeeld boeren die pachtopbrengsten hebben van een boorlocatie op hun land, of door nieuwe bedrijvigheid die de vondst van Groningengas oplevert. Ook de lokale middenstand, waaronder bakkersfamilie De Muinck, heeft er voordeel van. Binnen een decennium profiteert zelfs heel Nederland van deze nieuwe bron van energie en schakelt men massaal over op aardgas voor koken en verwarmen. De energie-intensieve industrie krijgt een flinke impuls. Maar zeker ook de schatkist profiteert mee van deze nieuwe bron van inkomsten.
Aan de andere kant is de gaswinning vanaf de start al omgeven met geheimzinnigheid. «De grote heren zeggen niet veel», liet het gemeentebestuur van Slochteren in juni 1963 al optekenen in het Nieuwsblad van het Noorden. Ook de Minister van Economische Zaken is niet volledig open tegenover de Tweede Kamer over de afspraken die het kabinet maakt met de oliemaatschappijen rondom de Overeenkomst van Samenwerking die in 1963 wordt gesloten. Zo blijven de side letters bij de overeenkomst geheim. Het grote publiek krijgt verder geen inzage in de overeenkomst.
Dit hoofdstuk gaat in op een aantal vraagstukken uit de eerste decennia van de Groningse gaswinning. Allereerst wordt ingegaan op de risicoâs van de gaswinning en de kennis daarvan. Vanaf het begin van de gaswinning wordt al wel enige mate van bodemdaling als gevolg van gaswinning voorzien. Dat gaswinning iets doet met de bodem is bekend, maar er wordt geen gevaar voorzien. Veiligheid is dan ook nog geen thema. Aardbevingen doen zich in de periode 1963â1994 nog beperkt voor. Het geeft ongemak en soms schade, maar als een veiligheidsprobleem wordt het niet gezien en een verband met de gaswinning wordt lang ontkend.
Vervolgens wordt in dit hoofdstuk aandacht besteed aan de organisatorische en financiële aspecten van de gaswinning in Groningen. Waardemaximalisatie is het dominante publieke belang. In de eerste jaren van de Groningse gaswinning ligt de nadruk vooral op het stimuleren van het binnenlandse aardgasverbruik; een heuse energietransitie, waarbij de overheid burgers actief stimuleert om aan het aardgas te gaan.
Niemand vermoedt waarschijnlijk op dat moment dat een halve eeuw later de geschiedenis zich zal herhalen, maar dan in omgekeerde richting. Inmiddels is «Nederland moet van het gas af» het overheidsbeleid. Kon in de jaren â60 met subsidie een gasfornuis worden aangeschaft, anno 2023 is de boodschap van de Rijksoverheid dat «u vanaf 2050 in principe niet meer kunt koken of stoken op aardgas».1 Opnieuw is er subsidie beschikbaar, ditmaal voor installaties die gebruikmaken van weer een andere energievorm. Vanaf de start van de Groningse gaswinning gaat de discussie ook over de verdeling van de gasbaten: hoe wordt de koek verdeeld tussen enerzijds de Staat en anderzijds de NAM en haar aandeelhouders Shell en Esso? De complexe structuur die wordt uitgedacht voor het optimaliseren van de winning en de verkoop van het Groningse gas, het zogenoemde gasgebouw, functioneert algauw naar ieders tevredenheid. Hoe dit gasgebouw wordt opgezet en hoe vervolgens wordt omgegaan met de winning van het Groningse gas, komt aan bod in dit eerste hoofdstuk.
Door de wereldwijde oliecrises in de jaren â70 ontstaat een kentering in het denken over de rol van het Groningse gas. Tot dan staan twee publieke belangen centraal: waardemaximalisatie (zorgen dat we financieel maximaal profiteren van deze nationale bodemschat) en leveringszekerheid (zorgen dat â ook in strenge winters â de kachel dagelijks blijft branden). Nu komt daar een publiek belang bij: de voorzieningszekerheid (zorgen dat Nederland ook op de langere termijn altijd voldoende energiebronnen heeft). Het besef groeit dat Nederland zuinig moet zijn op het «eigen» Groningenveld, wanneer blijkt dat door geopolitieke factoren energieprijzen plotsklaps kunnen stijgen en de energieafhankelijkheid van andere landen duidelijk wordt. Het zijn de jaren van de televisietoespraak van premier Den Uyl waarin hij het Nederlandse volk oproept: «zet de verwarming wat lager en eerder af».2 Opnieuw een markante parallel met de geschiedenis die zich een halve eeuw later zal afspelen. Als gevolg van geopolitieke ontwikkelingen stijgen in 2022 de prijzen van olie en gas en adviseert het kabinet in april van dat jaar om de thermostaat op 19 graden Celsius te zetten.3
De commissie gaat in dit hoofdstuk bewust uitgebreid terug in de tijd en neemt de lezer mee naar hoe het in 1959 allemaal begon. Immers, om het gasdossier goed te kunnen begrijpen, is juist de ontstaansgeschiedenis ook van groot belang. Daarnaast is in de openbare verhoren deze periode amper belicht omdat veel hoofdrolspelers uit de beginfase van de bijzondere historie van de Groningse gaswinning niet meer leven.
Leeswijzer hoofdstuk 1 (1959â1994)
Dit hoofdstuk beschrijft de periode 1959â1994. Paragraaf 1.2 gaat in op de vondst van het Groningenveld bij Slochteren en de risicoâs die men voorziet. Risicoâs van gaswinning zijn in de deze beginperiode nog beperkt. Bodemdaling wordt al vroeg als een risico van gaswinning onderkend, maar aardbevingen komen nog sporadisch voor. Vanwege de grote rol die aardbevingen spelen in het gasdossier, wordt hierover in dit eerste hoofdstuk toch al enige tekst en uitleg gegeven. Paragraaf 1.3 neemt de lezer mee in de ontstaansgeschiedenis van het zogenoemde gasgebouw, het geheel van partijen en afspraken dat het winnen en verhandelen van het Groningengas regelt. In deze paragraaf wordt ook geschetst hoe de daarvoor benodigde infrastructuur van gasleidingen tot stand komt. Paragraaf 1.4 â die in alle hoofdstukken van de feitenreconstructie consequent «schade en versterking» heet â gaat voor deze periode in op schades. Versterking van huizen is nog niet aan de orde. Ook hier is het vooral nog bodemdaling die tot schade leidt. Paragraaf 1.5 beschrijft tot slot de vroege periode van de Groningse gaswinning vanuit het perspectief van de regio en de bewoners.
1.2 Risicoâs gaswinning en kennis: onduidelijkheid, bagatellisering en ontkenning
In deze paragraaf â de start van de feitenreconstructie â staan twee fenomenen centraal die een cruciale rol spelen in de rest van het rapport: bodemdaling en aardbevingen. De paragraaf start vanzelfsprekend met de vondst van de gasbel bij Slochteren (1.2.1) en de aanleg van een gasnetwerk om heel Nederland met het nieuwe Groningengas te laten koken en stoken (paragraaf 1.2.2). Na een technische uitleg van «bodemdaling» en «aardbevingen» in paragraaf 1.2.3, volgen verschillende subparagrafen die in chronologische volgorde schetsen hoe en wanneer deze fenomenen zich in de periode 1959â1994 manifesteerden. En hoe betrokken partijen (overheden, NAM, kennisinstituten) daar mee omgingen en kennis vergaarden om de risicoâs ervan te kunnen inschatten (paragrafen 1.2.4 t/m 1.2.12).
1.2.1 De vondst van een uniek gasveld bij Slochteren
Ontdekking van het Groningenveld
«Aardgas gevonden in Slochteren» kopt het Nieuwsblad van het Noorden op 4 augustus 1959 op de voorpagina.4 Het artikel bestaat uit drie zinnen en is een reactie op een vraag van een verslaggever uit Hoogezand-Sappemeer, die enkele dagen eerder «een zeer hoge vlam» uit een stalen toren heeft gezien langs de rijksweg Groningen-Nieuweschans. Sindsdien wordt er dag en nacht gewerkt door de Nederlandse Aardolie Maatschappij, een joint venture van oliemaatschappijen Shell en Standard Oil New Jersey (ook wel: Esso).5 «De N.V. Nederlandse Aardolie Maatschappij deelt ons op een desbetreffende vraag mee, dat in haar exploratie-boring onder de gemeente Slochteren aardgas werd aangetroffen en dat men besloten heeft hier produktieproeven te houden.» Omdat de NAM «een hekel heeft aan nieuwsgierige mensen, houdt er dag en nacht een man de wacht om alle belangstellenden op veilige afstand te houden», schrijft het Algemeen Dagblad.6
Op 25 september 1959 doet het Nieuwsblad van het Noorden opnieuw verslag van een «rijke aardgas-ader» in Slochteren.7 De proefboringen bij de Knijpsbrug in Slochteren blijken succesvol. «Volgens een gerucht zouden de boringen bij Slochteren de tot nu toe rijkste aardgasader hebben opgeleverd, maar van de zijde van de NAM kon hiervan geen bevestiging worden verkregen», meldt de krant. «Wel schijnt er sprake te zijn van proefboringen, die men nog wil verrichten in de buurt van Kolham, dat met de Knijpsbrug en Ten Boer op één lijn ligt. Het is waarschijnlijk, dat het aangetroffen aardgas in Slochteren zal worden geëxploiteerd.» De NAM voert ook proefboringen uit in Delfzijl, waar ook gas blijkt te zitten. In figuur 1.1 is een kaartje opgenomen dat de ligging van het huidige Groningenveld (zoals de gasbel van Slochteren is gaan heten) weergeeft.
Bron: Ministerie van Economische Zaken (2017).8
Het is niet de eerste keer dat ingenieurs gas vinden in Nederland. De Bataafse Petroleum Maatschappij â de oliemaatschappij die later onderdeel wordt van de grote multinational Shell â beschikt sinds 1933 over het exclusieve opsporingsrecht voor olie en gas in de provincies Groningen, Drenthe, Overijssel en Gelderland. De zoektocht levert in 1943 in Schoonebeek het eerste olieveld op. Dit veld is na de Tweede Wereldoorlog in productie genomen, met de NAM als operator. Daarna gaat het hard: in de periode tot 1953 slaat de NAM 66 exploratieputten. Het bedrijf gaat ook in het westen van Nederland op zoek naar olie en gas, bijvoorbeeld in Rijswijk. Zeven boorputten met olie en gas gaan uiteindelijk in productie.9
In oktober 1955 treft de NAM voor het eerst aardgas in Groningen aan.10 Omdat de veiligheidsafsluiter van de boorbeitel niet goed werkt, loopt de druk zo hoog op dat een uitbarsting dreigt. Omwonenden zien een steekvlam van zeven meter, «die zelfs in de stad Groningen te zien was», aldus het Algemeen Dagblad.11 Na twee weken dag en nacht werken is de put onder controle. De NAM kan geen mededelingen doen over de waarde van aangeboorde gasbel, maar zet de proefboringen in het gebied wel door.12
In de zomer van 1956 volgt nieuw onderzoek in Ten Boer en breidt de NAM de zoektocht naar aardgas uit in Delfzijl.13 In 1957 meldt het Nieuwsblad van het Noorden dat de hoeveelheid gas in Ten Boer «niet zo groot» is «dat een jarenlange voorziening» van de gemeente Groningen is gewaarborgd, maar dat de boorput het «een jaar of wat vol zal houden». Ook meldt de krant dat het gas «van iets mindere kwaliteit» is «dan elders in ons land».14 Tekstkader 1.1 bevat een korte uiteenzetting van wat er gebeurt nadat een gasveld is gevonden.
Tekstkader 1.1 Het proces van gaswinning
| Als er een gasveld gevonden is, worden er een of meer productieputten geboord. Via deze put(ten) wordt het aardgas naar boven gehaald. Aardgas stroomt door de natuurlijke drukverschil in een put vanzelf naar de oppervlakte. Gas wordt niet opgepompt. Als de druk in het gasreservoir als gevolg van de winning afneemt, wordt onderdruk gecreëerd bovenin de put om het resterende gas te kunnen winnen. Bij oliewinning wordt olie naar boven gepompt bij lage druk. Bij gaswinning worden andere methodes toegepast, zoals verkleining van de diameter van de tubing (stijgbuis) en/of het verlagen van de putmonddruk. Er worden vaak meerdere putten geboord naar één gasveld. Als de druk in een installatie te groot wordt, kan een onveilige situatie ontstaan. Dan worden de gassen die ontstaan bij het winnen van aardgas, via een fakkel veilig verbrand. Dit heet «affakkelen». |
| De winning van gas is sterk afhankelijk van de vraag naar gas. Dit houdt in dat de gaswinning in de winter (wanneer de vraag hoog is) hoog is en in de zomer laag. Men spreekt van vlakke winning in het geval dat men gedurende het jaar de productiesnelheid zoveel als mogelijk gelijk houdt. Zoals in latere hoofdstukken ook duidelijk wordt, vermindert zowel een lagere gaswinning als een vlakkere winning het aardbevingsrisico. |
| Zoals gezegd wordt aardgas niet opgepompt. Dat gebeurt alleen bij aardolie. Toch wordt in het dagelijks spraakgebruik nogal eens over het «(op)pompen van gas» gesproken. In dit rapport wordt een enkele keer ook bewust aangesloten bij het spraakgebruik en om die reden de term «pompen» in relatie tot aardgas gebruikt. |
Onthulling van een «goed bewaard geheim»
Na de vondst van de gasbel in Slochteren in augustus 1959 blijft het een lange tijd stil. Minister Jan de Pous van Economische Zaken bevestigt in mei 1960 in de Tweede Kamer dat de NAM in Slochteren gas heeft gevonden, maar concrete cijfers over de omvang van het gasveld blijven uit.15 Dit heeft een reden, legt NAM-directeur Jo Bongaerts later uit: «We hadden er geen enkele behoefte aan om Indianenverhalen de wereld in te bazuinen, we wilden zekerheid hebben over de reserves en die kregen we pas toen we een flink aantal boringen hadden verricht en de begrenzingen van het veld kenden en meer wisten over de dikte van het gashoudende zandgesteente en over de drukken in het veld.»16
De «stilte van Slochteren», zoals sommige experts het jaar na de vondst van Slochteren noemen, eindigt op zaterdag 15 oktober 1960.17 Om 18.19 uur meldt de radio op basis van een nieuwsbericht van ANP dat er een enorm gasveld is gevonden. «Een Belgisch lid van het Europese Parlement heeft in Straatsburg verklaard, dat onder Nederland een enorm veld aardgas is ontdekt. De inhoud ervan zou 300 miljard kubieke meter zijn. De Belgische senator, Leemans, zou met deze mededeling een tot nu toe goed bewaard geheim hebben onthuld. Het Ministerie van Economische Zaken heeft naar aanleiding hiervan, desgevraagd meegedeeld, dat vermoedelijk gedoeld wordt op boringen bij Slochteren in Groningen. De hoeveelheid aardgas die daar is gevonden, kan inderdaad van aanzienlijke omvang zijn. Hoe groot, is nog niet precies bekend. [...]»18
Op maandag 17 oktober volgen de kranten. Ook zij spreken over een «onthulling» van «een goed bewaard geheim».19 De omvang zou geheim zijn gehouden «met het oog op de onderhandelingen met particuliere maatschappijen over de exploitatie», aldus het Overijsselsch Dagblad.20
De Belgische senator waar journalisten naar verwijzen, is christendemocraat en Europarlementariër Victor Leemans, die op 14 oktober 1960 in Straatsburg deelneemt aan een debat over de Europese energiepolitiek. Leemans is net terug van een werkbezoek aan Algerije, waar de Fransen in de Sahara olie en gas hebben gevonden. Tijdens de bijeenkomst over de bevindingen doet hij een verrassende mededeling: «Welnu, dames en heren, inmiddels is ons een niet minder grote verrassing bekend geworden, met name het ontdekken in Nederland van aardgasreserves die geschat worden op 300 miljard kubieke meter. Indien deze gegevens juist zijn en indien het ook waar is dat samen met het Sahara-gas ook Nederlands gas op de markt wordt aangeboden, dan staan wij voor een nog dringender geworden noodzakelijkheid de ordening van de energiemarkt in de Gemeenschap nu eindelijk tot stand te brengen.»21 Waar Leemans zich op baseert, is op dat moment niet duidelijk.
De NAM en het Ministerie van Economische Zaken bevestigen op 17 oktober 1960 in de pers dat in Groningen aardgas is gevonden «van betekende omvang», maar hoeveel blijft onduidelijk.22 «De mededeling over 300 miljard kubieke meter laten wij geheel voor rekening van de heer Leemans», aldus de NAM tegen persbureau ANP. Burgemeester Tuin van de gemeente Slochteren is niet bekend met de omvang, maar benadrukt dat de vondst «tot nog toe niet zozeer geheim is gehouden, maar ook niet aan de grote klok is gehangen».23
Persbureau ANP meldt dat Europarlementariërs in Straatsburg vermoeden dat de «hoeveelheid aanwezig aardgas zó groot is, dat een herziening van de toekomstige energiepolitiek van West-Europa zal dienen te worden gemaakt».24 De 14.000 inwoners van Slochteren reageren volgens het Algemeen Dagblad «gelaten»: «Een bel vol met gas onder geheel Nederland, die hier is beginnen te spuiten? Nou, het is mooi, maar wat kopen we ervoor?» 25
NAM bevestigt gasvondst Slochteren aan Ministerie van Economische Zaken
Een dag na de onthulling, op 18 oktober 1960, bevestigt president-directeur Barend Scheffer van Shell Nederland namens de NAM in een brief aan Minister De Pous van Economische Zaken dat de NAM «in de provincie Groningen aanmerkelijk meer aardgas heeft aangetroffen dan oorspronkelijk was te voorzien». Door deze ontwikkeling is «een geheel nieuwe situatie [...] ontstaan», aldus Scheffer. De NAM overweegt «zo spoedig mogelijk een mijnconcessie» aan te vragen en wil met De Pous snel afspraken maken over de voorwaarden. «Wij zien het bericht van Uwe Excellentie met grote belangstelling tegemoet en verblijven, met gevoelens van de meest oprechte hoogachting, Uwer Excellentie dienstwillige dienaresse, N.V. Nederlandse Aardolie Maatschappij.»26
De brief van Shell Nederland en de NAM op 18 oktober 1960 is niet de eerste keer dat het Ministerie van Economische Zaken over de omvang van de hoge gasvondst hoort. Vrij snel na de vondst in Slochteren, op 22 september 1959, laat NAM-directeur Hendrik Stheeman in een brief aan het Ministerie van Economische Zaken weten dat het bedrijf een «hoeveelheid van 150.000 m3 aardgas per etmaal ter beschikking kan stellen voor afname door de Staat, zulks gedurende een tijd van 20 jaar en onder de aanname dat Uwe Excellentie goedgunstig zal beschikken op onze reeds gedane aanvrage voor een permis-de-vente». Stheeman sluit niet uit dat «de resultaten zullen leiden tot een verhoging van het bovenstaande aanbod.»27
De rekensom van Stheeman komt neer op een voorraad van 1 miljard kubieke meter gas. Het is illustratief voor hoe de schatting van de omvang van de gasbel bij Slochteren steeds hoger wordt. In haar eerste aanvraag bij het ministerie gaat de NAM nog uit van 1 miljard kubieke meter. De uitspraken van senator Leemans voeden de speculatie in de krant dat het gaat om 300 miljard kubieke meter. Uiteindelijk blijkt het Groningenveld ruim 2.800 miljard kubieke meter aardgas te bevatten. De door Stheeman gevraagde permis de vente betekent een tijdelijke vergunning om de delfstoffen te verkopen, totdat er een concessie is verleend.28 Omdat de Staat contractueel verplicht is om het gas te kopen, stelt De Pous in de zomer van 1960 een commissie van experts in om de «problemen met betrekking tot het grotere aanbod van aardgas» te bespreken. Achter gesloten deuren onderhandelen ambtenaren van het Ministerie van Economische Zaken samen met de oliemaatschappijen vervolgens over de verdeling van de kosten en opbrengsten van het aangetroffen aardgas in de Groningse bodem (zie verder paragraaf 1.3).
Inwoners tasten in het duister over omvang gasbel Slochteren
Voor het publiek blijft het lange tijd gissen naar de omvang en betekenis van de gasvondst in Slochteren. Het Zutphens Dagblad constateert op 27 oktober 1960 dat de NAM zich van «den domme» houdt en vindt dit niet «erg waarschijnlijk». Ook als de cijfers van Leemans niet helemaal kloppen, «dan nog mogen wij aannemen, dat zij nochtans van Europese betekenis zijn, gezien de plaats waar en het verband waarin hij zijn onthullingen heeft gedaan».29
Een dag later, op 28 oktober, zegt NAM-directeur Stheeman in Het Parool dat het bedrijf op bijna 3 kilometer diepte drie succesvolle boringen bij Slochteren en Delfzijl heeft gedaan.30 Vooral de twee putten bij Slochteren zijn veelbelovend. «Vermoedelijke hoeveelheden» liggen «ver beneden de ruim 300 miljard kubieke meter», aldus Stheeman. Desondanks zijn de boorresultaten «beter dan wij gewend zijn». Concrete cijfers blijven uit.
PvdA-Kamerlid en Europarlementariër Siep Posthumus dient op 19 oktober Kamervragen in. Posthumus is goed op de hoogte van de gas- en oliemarkt en heeft net als zijn Belgische collega Leemans deelgenomen aan het werkbezoek aan Algerije. Hij kan de schattingen van Leemans over het gasveld in Groningen niet plaatsen en vraagt De Pous of de bewering juist is.
De Pous antwoordt op 10 november 1960 dat Groningen inderdaad «belangrijke hoeveelheden aardgas» heeft.31 De gegevens over de omvang zijn volgens de Minister echter «nog niet volledig»: «De omvang van de reserves, die op grond van tot nu toe bekende gegevens wordt aangenomen, bedraagt ongeveer 1/5 van de door de heer Leemans genoemde aardgasreserves van 300 miljard m3 (dus 60 miljard kubieke meter gas, [red.]). Het is ondergetekende niet duidelijk waarop laatstgenoemde hoeveelheid gebaseerd zou kunnen zijn. De onderzoekingen, welke nog gaande zijn, zullen nog geruime tijd vorderen.»
Slochteren blijkt grootste gasveld van Europa
Ruim een jaar later, in januari 1962, meldt dagblad Het Vrije Volk naar aanleiding van een metershoge gasvlam in Annerveen in Drenthe dat de schatting van 60 miljard kubieke meter gas aan de «lage kant» is. «Een woordvoerder van Economische Zaken gaf later met zoveel woorden te verstaan dat de hoeveelheid gas onder de noordelijke landerijen het midden hield tussen de 150 en 300 miljard kubieke meter.»32 De Volkskrant schrijft dat er zelfs geruchten gaan «tot een kleine duizend miljard kubieke meter» en vindt dat Minister De Pous met zijn 60 miljard kubieke meter veel te «voorzichtig» is geweest.33
In februari 1962 stelt De Pous in een debat in de Eerste Kamer de schatting van 60 miljard bij naar 150 miljard kubieke meter. Dit staat gelijk aan 7,5 miljard kubieke meter gas gedurende twintig jaar, ongeveer 25% van het jaarlijkse energieverbruik in die tijd.34 Vijf maanden later bevestigt De Pous dit getal opnieuw maar merkt daarbij ook op dat de gasbel mogelijk veel groter is. «Zelfs is de mogelijkheid niet uitgesloten dat â indien ook de verdere boringen succesvol blijken â deze voorraad tot b.v. 400 mld m3 zou oplopen. Hoe groot uiteindelijk de exploitabele voorraad aardgas zal blijken te zijn kan echter eerst na uitvoering van het nog in gang zijnde boringsprogramma worden vastgesteld.»35 Een nog op te richten maatschappij met Esso, Shell en de Staatsmijnen (het staatsbedrijf dat de mijnen in Limburg exploiteert) als aandeelhouders, wordt verantwoordelijk voor de winning.
De schatting van De Pous blijkt slechts een startpunt. Eind 1962 maakt De Pous bekend dat het gaat om 475 miljard kubieke meter. In de zomer van 1963 komt de Belgische politicus Leemans opnieuw met een primeur naar buiten. Hij stelt dat de vondst nog veel groter is, namelijk 1.000 miljard kubieke meter. Hij baseert zich op dezelfde bron als bij zijn eerste onthulling (dit blijkt later onder anderen het KVP-Kamerlid en Europarlementariër Pieter Blaisse te zijn, die in nauw contact staat met experts en oliemaatschappijen). Het Ministerie van Economische Zaken laat weten dat er mogelijk meer aardgas in de grond zit, «maar zekerheid bestaat daarover niet». Shell Nederland ontkent.36
In oktober 1963, drie maanden na start van de gasproductie in Slochteren, maakt NAM-directeur Bongaerts tijdens een persconferentie in Schoonebeek bekend dat Leemans inderdaad in de buurt zit. De voorraad is «zeker 1100 miljard kubieke meter». Dit zou genoeg zijn voor «de gehele energiebehoefte op het huidige peil gedurende 30 à 35 jaar», meldt Het Parool.
In de jaren die volgen, blijven de cijfers over de voorraad van de gasbel in Groningen veranderen, zoals ook is te zien in tabel 1.1.
| Oktober 1960 | 60 miljard | antwoord op vragen Tweede Kamerlid Posthumus |
| Juli 1962 | 150 miljard | nota-De Pous |
| Oktober 1962 | 350 miljard | behandeling nota-De Pous in Tweede Kamer |
| Februari 1963 | 400 miljard | behandeling begroting Staatsgasbedrijf in Eerste Kamer |
| Juni 1963 | 475 miljard | Ministerie van Economische Zaken en NAM tegenover ANP |
| Juli 1963 | 470 miljard | antwoord op vragen Tweede Kamerlid Maenen |
Bron: Notulen College van Gedelegeerd Commissarissen en ANP, 196337
Volgens de Britse hoogleraar Peter Odell houdt Nederland de cijfers van de aardgasreserves bewust laag om de gasprijs kunstmatig hoog te houden, zo zegt hij tijdens zijn inauguratie als hoogleraar internationale energiestudies aan de Erasmus Universiteit in 1969.38
De winbare voorraad loopt uiteindelijk op tot 2.800 miljard kubieke meter aardgas, verspreid over een oppervlakte van ongeveer 297.000 hectare.39 Ter vergelijking: op basis van het totale gasverbruik van Nederland in 2021 â 40 miljard kubieke meter â staat dit gelijk aan 70 jaar gasverbruik.40 Slochteren is daarmee niet alleen het grootste gasveld van Europa, maar ook een van de grootse gasvelden ter wereld.41 Het gasveld in Groningen strekt zich uit van Oude Pekela tot in de Waddenzee bij de Eemshaven en van de stad Groningen tot voorbij Delfzijl.42
1.2.2 Een nieuw gasnetwerk: heel Nederland kookt en stookt op aardgas
De vondst van de enorme gasbel bij Slochteren leidt tot een nieuw landelijk netwerk voor het «nieuwe Groningse gas». Binnen een decennium kookt en stookt heel Nederland op Groningengas. Het is overigens niet zo dat er pas na de vondst van het gas in Groningen voor het eerst wordt nagedacht over centrale gasdistributie. Deze paragraaf (1.2.2) gaat daarom eerst even terug in de tijd.
Een nationale gasvoorziening: eerdere pogingen
Al in 1950 verschijnt het rapport van de commissie-Iterson «tot bestudering van de centralisatie op het gebied der gasvoorziening». Voor de Tweede Wereldoorlog is er sprake geweest van lokale producenten, maar na de oorlog komt er een aanzienlijke schaalvergroting van de productie tot stand. Over de centralisatie van de productie van gas bestaat binnen de commissie overeenstemming, maar er ontstaat vertraging over een besluit over het organiseren van de distributie. «Dat zou in het gebied ten zuiden en westen van de lijn Den Helder-Deventer-Duitse grens het beste kunnen gebeuren door enkele grote bedrijven. Het noorden en een deel van het oosten van het land zouden van gas moeten worden voorzien door enkele grote fabrieken en het daar aangetroffen aardgas. Vanuit de productiecentra zou het gas via gedeeltelijk nieuw aan te leggen hogedrukleidingen naar het verzorgingsgebied kunnen worden vervoerd. Op termijn moesten de verschillende leidingen met elkaar worden verbonden tot een landelijk gastransportnet.»43
De eerste pogingen mislukken om een «nationale gasvoorziening» tot stand te brengen in de jaren â50. In Nederland worden in die tijd al wel regionale gasnetten tot stand gebracht. Eind jaren â50 is bijna 70% van de huishoudens aangesloten op gas, voornamelijk om te koken. Het gas is van een andere herkomst dan Groningen en wordt als stadsgas door lokale gasfabrieken gewonnen uit kolen. Het kan ook raffinaderijgas zijn uit Pernis in Zuid-Holland dan wel cokesovengas van Hoogovens in IJmuiden of gas afkomstig uit de Staatsmijnen in Limburg. Verder bestaat er al een regionaal gasnetwerk vanuit de eerdere concessies in Overijssel.44
Een gasnetwerk voor het Groningengas
De aanleg van het gasnetwerk na de vondst in Groningen start lokaal. Op woensdag 29 juni 1960 is het zover dat de eerste buizen van het aardgasnet tussen Appingedam en Loppersum aan elkaar verbonden worden: «De gemeente Loppersum is hiermee de eerste gemeente in het noordelijk deel van de provincie Groningen die kan profiteren van de aardgasvoorziening vanuit het centraal gelegen Appingedam».45 De overschakeling van het Gemeentelijke Gasbedrijf Groningen op het gebruik van aardgas is in 1965 voltooid. Hiermee komt een einde aan 112 jaar stadsgas uit de gasfabriek.
Om het noordelijke gas beschikbaar te maken voor heel Nederland wordt in 1963 begonnen met de aanleg van een hogedruktransportnet. De werkzaamheden vinden plaats tussen 1964 en 1968. Het transportnet verbindt Groningen met de leidingennetten die elders in Nederland al zijn aangelegd. In de steden sluit het transportnet aan op de bestaande gasnetwerken, die nu gebruikt worden om het «nieuwe» Groningse gas te distribueren. Het hogedruktransportnet legt de verbindingen en de regionale netten worden zo veel mogelijk in het nieuwe net ingepast. De andere vormen van gas worden daarmee algauw verdrongen door het Groningse gas.
Gronings aardgas komt in korte tijd in grote delen van het land beschikbaar. Het totale gasverbruik groeit explosief tussen 1965 en 1975, mede omdat het gebruik van gas voor verwarmingsdoeleinden groeit, een tot op dat moment vooral door kolen en olie beheerste markt. Koken op gas wordt met uitgebreide campagnes «aan de vrouw gebracht» als praktisch, eenvoudig en comfortabel. Iedere aansluiting van een dorp of stad op het gasnet wordt gevierd. Met voorlichtingscampagnes krijgen de mensen uitleg over wat er vervolgens staat te gebeuren. Om ze voor aardgas geschikt te maken, moeten alle bestaande gastoestellen worden omgebouwd. Dat gebeurt door de branders van de bestaande toestellen te vervangen. EnquĂȘteurs inventariseren vooraf welke apparatuur mensen in huis hebben. Alle kookfornuizen worden kosteloos omgebouwd, met een vervangend toestel voor de tussentijd of korting op een nieuw apparaat als het oude niet geschikt is voor ombouw. Vanwege de hoge inruilpremies kiest een op de drie huishoudens voor een nieuw toestel.46 De kosten voor het omschakelen per aansluiting worden gedragen door de distributiebedrijven. Er wordt bij de ombouwoperatie geprofiteerd van de ervaringen in Overijssel, waar een groot aantal huishoudens al eerder op aardgas uit een andere bron is aangesloten.47
Bron: Verbong & Schippers, 2000: p. 204
Na verloop van tijd blijkt dat het bestaande gasnetwerk niet overal meteen geschikt is voor het nieuwe gas. De koppelingen van de bestaande oude leidingen gaan lekken en dit leidt op de plek van de lekkage onder meer tot bomensterfte. Dit komt door de verschillen tussen de gassoorten. Het oude stadsgas is vochtig en wordt onder veel lagere druk verspreid. Bij de omschakeling naar veel droger gas en een hogere druk blijken de koppelingen (van hennep en lood) niet langer gasdicht. Dat dit probleem aanzienlijk is, blijkt wel uit de aantallen gestorven bomen. In Zwolle is een op de vijf straatbomen gestorven. Den Haag is er op tijd bij. Daar besluit men dat het oude gasnet zo snel mogelijk vervangen moet worden, waardoor van de 70.000 tot 80.000 straatbomen er «slechts» 760 bomen «sterven aan aardgas». Na de vervanging sterven er vrijwel geen bomen meer door gaslekkages. De kosten van vervanging van het oude netwerk (1 miljoen gulden) worden gedragen door het gasbedrijf. Een klus die ook later nog tot verrassingen leidt: «In 2012 gingen overigens nog wel twee lindes op het Lange Voorhout dood door oude gasleidingen; daar bleek nog een klein stukje gasleiding nooit vervangen te zijn.»48
1.2.3 Waarom gaswinning kan leiden tot bodemdaling en aardbevingen
Deze paragraaf gaat in op de unieke kenmerken van het Groningenveld en de reden waarom gaswinning kan leiden tot bodemdaling en aardbevingen, op basis van de huidige kennis. Het is daarmee een paragraaf met vooral tekst en uitleg over de technische kant van bodemdaling en aardbevingen, die nodig is om de discussie in de periode na de gasvondst in Groningen beter te begrijpen. De feitenreconstructie gaat hierna weer verder in paragraaf 1.2.4.
Waarom het Groningenveld en Gronings gas uniek zijn
Zoals eerder beschreven, is het Groningenveld uniek in de wereld. Dat komt niet alleen door de omvang, maar ook door de samenstelling van de bodem. Daarnaast is de ligging bijzonder: hoewel Groningen vanuit Nederlands perspectief dunbevolkt is, vindt de gaswinning vanuit internationaal perspectief in een relatief dichtbevolkt gebied plaats. Ook het gas is anders: door de relatief grote hoeveelheid stikstof in het gas (14%) is de verbrandingswaarde lager dan bij gas uit andere (kleine) gasvelden in Nederland of de meeste gasvelden in het buitenland.49 Dit maakt ook dat huishoudens en/of bedrijven die gas uit Groningen gebruiken niet zomaar kunnen overstappen op ander gas.
Het Groningenveld bevindt zich op ongeveer 3 kilometer diepte in een zandsteenreservoir, het Slochteren Zandsteen Reservoir in de Rotliegend formatie (zie ook figuur 1.3). Deze laag is 100 tot 300 meter dik.50 Het gas zit in de lege ruimte tussen de zandsteenkorrels, de poriën.51 Omdat boven het Slochteren Zandsteen een dikke laag zout ligt van 150 meter tot wel 1,5 kilometer dik, blijft het gas in de poriën zitten. Op plekken buiten het gasreservoir zitten de poriën van de zandsteenlaag vol met water.
Het gasreservoir bevindt zich in de Rotliegend formatie. Boven het gasreservoir ligt een dikke laag zout (de Zechstein Groep).
Bron: NLOG.52
Waarom gaswinning leidt tot bodemdaling
Het winnen van gas leidt tot bodemdaling. Zoals hierboven is uitgelegd, is het gas opgeslagen in een zandsteenlaag op ongeveer drie kilometer onder de grond. Door de bovenliggende gesteentelagen blijft het gas in de zandsteenlaag. Het gas is opgeslagen onder druk: bij de start van de gaswinning was dit ongeveer 350 bar. Door het gas uit de zandsteenlaag te halen, daalt de druk in het gasreservoir. De bovenliggende grondlagen kunnen het poreuze zandgesteente daardoor samenpersen â oftewel compactie â wat uiteindelijk leidt tot bodemdaling aan de oppervlakte (zie ook tekstkader 1.2).
De prognoses van de bodemdaling door aardgaswinning in Groningen zijn sinds 1963 vaak aangepast: prognoses varieerden de afgelopen decennia van tussen de 30 centimeter tot 1 meter. Volgens de NAM, die elke vijf jaar een prognose van de bodemdaling publiceert, heeft de gaswinning in 2018 â het meest recente cijfer â geleid tot een bodemdaling van 37 centimeter in het centrum van het gasveld Groningen.53 De verwachting is dat de bodemdaling in de periode tot 2080 nog 9 centimeter oploopt naar ongeveer 46 centimeter.54
«Door het besluit de gaswinning in 2022 te beĂ«indigen zal de bodem minder dalen dan eerder geprognosticeerd», aldus de Commissie Bodemdaling. Deze commissie is in 1984 opgericht om vast te stellen welke maatregelen nodig zijn om schade door bodemdaling te voorkomen of te compenseren. Omdat de bodemdaling in totaal ruim 1.600 vierkante kilometer beslaat â in de vorm van een schotel â is de «maximale helling» van de schotel in het jaar 2080 met maximaal 3 centimeter per kilometer aan de rand van het gebied «beperkt», aldus de commissie.55
Bodemdaling door gaswinning komt boven op andere vormen van bodemdaling, een proces dat in Nederland al eeuwen gaande is en verschillende oorzaken heeft. Door de ligging van Nederland en de samenstelling van de bodem â veel veen en klei â is een deel van bodemdaling een natuurlijk proces. Ook menselijk handelen kan leiden tot bodemdaling. Naast de gaswinning kan het bijvoorbeeld gaan om zoutwinning, het winnen van grondwater of het verlagen van de waterstanden om de weilanden droog te houden. Door de optelsom van de verschillende soorten bodemdaling, inclusief de bodemdaling door gaswinning, zakt de bodem in Groningen meer dan in de meeste andere delen van Nederland.56
Bodemdaling kan verschillende gevolgen hebben, van stijgende waterstanden in sloten, meren en kanalen tot scheuren in leidingen, huizen en riolen en hogere grondwaterstanden.
Waarom gaswinning kan leiden tot aardbevingen
«Bodemdaling» en «aardbevingen» zijn weliswaar gangbare begrippen, maar achter deze fenomenen gaat een complexe en technische wereld schuil. Deze paragraaf beoogt op een begrijpelijke manier daarop nader in te gaan. In tekstkader 1.2 wordt daarom allereerst een aantal veelvoorkomende begrippen kort uitgelegd.
Tekstkader 1.2 Veelvoorkomende begrippen met betrekking tot bodemdaling en aardbevingen
Relatie gaswinning-bodemdaling Gaswinning zorgt voor een dalende druk in gasvelden. Daardoor moet het reservoirgesteente â de poreuze zandsteenlaag met gas â een steeds groter deel van het gewicht van de bovenliggende grondlagen dragen. Dit leidt tot het ineendrukken van het reservoirgesteente. Dat heet «compactie». Compactie leidt op den duur tot bodemdaling. In het debat over bodemdaling komt in dit verband ook de term «klink» of «inklinking» voor. «Klink» is het samendrukken van de ondergrond, maar dan onder invloed van het eigen gewicht en niet door het gewicht van bovenliggende lagen. Hoe meer gaswinning, hoe groter de drukverlaging, hoe meer compactie en hoe groter de bodemdaling. Lange tijd gold bodemdaling als enige nadelige effect van gaswinning: de schade als gevolg van bodemdaling zou beperkt blijven en zou goed te voorspellen zijn. |
Relatie gaswinning-aardbevingen Doordat het gasreservoir door de gaswinning wordt samengedrukt (compactie), kunnen er spanningen ontstaan langs bestaande breuken in het gasreservoir. De breuk is niet altijd sterk genoeg om deze spanning te weerstaan. Dit kan plaatselijk leiden tot tegengestelde bewegingen langs de breuk. Zoân plaatselijke beweging langs een breuk kan met een schok, oftewel een aardbeving, gepaard gaan. Doordat de bewegingen plotseling en ongelijkmatig plaatsvinden, is het onmogelijk om aardbevingen â waar, wanneer en hoe zwaar â te voorspellen.57 |
Schaal van Richter De sterkte van een aardbeving wordt gemeten met behulp van verschillende seismometers. Deze meters staan aan het aardoppervlak of op 200 meter diepte in een boorgat. Het KNMI geeft de sterkte van de aardbeving weer als een getal op de magnitudeschaal van Richter. Deze schaal is logaritmisch: bij een aardbeving met een magnitude 3,0 laat het seismogram â de kaart van de trillingen in de aardkorst â een tien keer grotere uitslag zien dan bij een aardbeving van magnitude 2,0. De energie die bij een aardbeving vrijkomt, gaat per magnitude zelfs 31,6 keer omhoog. De aardbeving in Huizinge in 2012 was met een magnitude van 3,6 bijvoorbeeld ongeveer 250 keer sterker dan een aardbeving met magnitude 2,0 en 1.500 keer sterker dan een aardbeving met magnitude 1,5 en 8.000 keer sterker dan een aardbeving met magnitude 1,0.58 |
Maximale magnitude De zwaarst mogelijke aardbeving die fysisch in een gebied mogelijk is, is de «maximale magnitude». De maximale magnitude is een schatting met een foutmarge. Volgens de laatste schattingen van internationale experts uit juni 2022 ligt de maximaal mogelijke magnitude in het Groningenveld tussen 4,0 en 6,5, met een magnitude van 4,6 als meest waarschijnlijke maximale magnitude. De kans dat een aardbeving met deze magnitude plaatsvindt, is zeer klein, maar niet uit te sluiten.59 De maximale sterkte van aardbevingen bij olie- en gasvelden in het buitenland varieert tussen de 4,2 en 4,8.60 |
Hypocentrum Het gebied in de ondergrond waar de aardbeving is ontstaan, is het «hypocentrum», ook wel «haard» genoemd. |
Epicentrum Het epicentrum is de plaats aan het aardoppervlak loodrecht boven het gebied waar de aardbeving is ontstaan.61 Hier is de aardbeving het beste voelbaar. |
Intensiteit van een beving Intensiteit is het effect van een aardbeving op mens, dier en bebouwing. Hoe hoger de intensiteit, hoe hoger de kans dat mensen de aardbeving kunnen voelen. De intensiteit is afhankelijk van drie factoren: de diepte van de aardbeving, de richting van de trillingen die door de aardbeving naar het aardoppervlak gaan en de samenstelling van de ondergrond. De intensiteit kan dus per plek en aardbeving verschillen en vertoont een grillig patroon.62 |
Ondiepe aardbeving De aardbevingen in Groningen ontstaan in of nabij het gasreservoir, op ongeveer 3 kilometer diepte. Dit wijkt af van natuurlijke aardbevingen in andere delen van Nederland en het buitenland, die meestal op 10 tot 100 kilometer diepte plaatsvinden. Doordat de afstand tussen de bron van de aardbeving (hypocentrum) en het oppervlak (het epicentrum) in Groningen relatief gering is, hebben dit soort aardbevingen een hogere intensiteit dan natuurlijke aardbevingen met dezelfde magnitude. |
Opslingering Ook de samenstelling van de ondergrond is bepalend voor het effect van de aardbeving. In Groningen heeft de zoutlaag boven het gasreservoir een dempende werking. De lagen klei en veen daarboven versterken het aardbevingssignaal juist, omdat het relatief slappe grond is. Wetenschappers noemen dit effect «opslingering». Bij zanderige bodems is dit effect veel minder.63 |
Grondversnelling De mate waarin een aardbeving schade veroorzaakt aan gebouwen, wordt vooral bepaald door de mate waarin de grond tijdens een aardbeving schudt. Deze zogeheten «grondversnellingen» zijn afhankelijk van de magnitude, de diepte van een aardbeving en de lokale bodemgesteldheid (zie opslingering). Hoe dichter de aardbeving tegen het oppervlak aan zit, hoe heviger de grond trilt. Een aardbeving met een magnitude 3,0 op 100 kilometer diepte (zoals bij een natuurlijke aardbeving) heeft dus een veel lagere grondversnelling dan dezelfde beving op 3 kilometer diepte (zoals bij gaswinning). |
Piekgrondversnelling De hoogste waarde van de grondversnelling tijdens een aardbeving heet de piekgrondversnelling (van het Engelse peak ground acceleration, of PGA).64 De piekgrondversnelling wordt vaak uitgedrukt in meter per seconde kwadraat (m/s2) of als fractie van zwaartekrachtversnelling g (g komt overeen met 9,81m/s2). Hoe hoger de PGA-waarde, hoe groter de kans op schade. |
Piekgrondsnelheid Een andere indicator die inzicht geeft in de trillingen van de bodem tijdens een aardbeving is de piekgrondsnelheid of maximale grondsnelheid (van het Engelse peak ground velocity, of PGV). Deze indicator geeft de hoogste grondsnelheid van het aardoppervlak tijdens een aardbeving weer. De piekgrondsnelheid wordt vaak weergegeven in millimeter of centimeter per seconde. |
Schaal van Mercalli of Europese Macroseismische Schaal De intensiteit van een aardbeving wordt vaak weergegeven met een Romeins cijfer op de schaal van Mercalli of de Europese Macroseismische Schaal (EMS). Deze schalen bestaan uit twaalf Romeinse cijfers. Een aardbeving in categorie II voelen sommige mensen thuis, en bij categorie III kunnen voorwerpen schudden, zoals een lamp die heen en weer zwaait. Een beving in de vierde categorie is door veel meer mensen thuis te voelen en kan beangstigend zijn, omdat ramen, deuren en serviesgoed rammelen. Vanaf categorie V worden mensen bang: gebouwen schudden, deuren en ramen zwaaien open of slaan dicht. De beving maakt veel mensen wakker en sommige mensen rennen naar buiten. Bij categorie VI rennen de meeste mensen naar buiten en ontstaan haarscheuren in de muren. Bij categorie VII vallen stukken schoorsteen om en storten niet-dragende muren in. Een aardbeving met intensiteit VIII richt zware schade aan, zoals grote scheuren in muren. Oudere gebouwen kunnen zelfs volledig instorten.65 |
Damage State De intensiteit van de aardbeving is bepalend voor de mogelijke schade aan gebouwen. De Europese Macroseismische Schaal maakt onderscheid tussen zes gradaties, oftewel de «damage state» (DS). Bij DS0 is geen schade. Bij DS1 gaat het om «verwaarloosbare tot lichte schade». DS2 is «matige schade», oftewel «lichte constructieve schade». Bij DS3 is sprake van «aanzienlijk to zware schade», oftewel «matige constructieve schade». Bij gradatie 4 (DS4) gaat het om «zeer zware schade», oftewel «zware constructieve schade». Indien gebouwen bezwijken, is sprake van DS5, oftewel «zeer zware constructieve schade». Tabel 1.2 hierna toont de EMS-schaal en de bijbehorende schadeniveaus. |
Bodembeweging «Bodembeweging» is een overkoepelend begrip en verwijst naar bodemdaling én aardbevingen. |
Bodemtrilling of aardtrilling «Bodemtrilling» of «aardtrilling» is een alternatieve term voor een aardbeving. Het woord bodemtrilling is vooral in de jaren â90 door de NAM gebruikt voor aardbevingen met een relatief kleine magnitude. De term «aardtrilling» is «zeer ongelukkig», aldus het KNMI in 2004, dat de voorkeur geeft aan «geĂŻnduceerde aardbevingen» of «geĂŻnduceerde aardschokken».66 |
Aardbevingen ontstaan door plotselinge bewegingen van aardlagen langs breuken in de diepe ondergrond.67 Dat werkt als volgt. Door de gaswinning daalt de druk in het gasreservoir, de poreuze zandsteenlaag op ongeveer drie kilometer diepte. Dit leidt tot compactie: het gasreservoir wordt samengedrukt door de bovenliggende lagen. Deze compactie kan leiden tot tegengestelde bewegingen langs een breuk. Daardoor komt er spanning op de breuk te staan. De breuk is niet altijd sterk genoeg om deze spanning te weerstaan. Hierdoor ontstaat een verschuiving, vaak schoksgewijs: een aardbeving (zie figuur 1.4). Omdat de aardbeving het gevolg is van menselijk handelen, de gaswinning, spreken wetenschappers van «geïnduceerde aardbevingen».
Bron: TU Delft, 201768
In de zandsteenlaag met gas in Groningen zijn meer dan 1.800 breuken die het gasveld doorsnijden, met verschillende lengtes, richtingen en dieptes.69 De zoutsteenlaag boven op het gasveld voorkomt dat de breuken naar de bovenliggende gesteenten doorlopen. De breuken in de zandsteenlaag delen het gasreservoir op in verschillende delen.70 Om toegang te krijgen tot het gas in Groningen, heeft de NAM meer dan 330 boorputten aangelegd. Doordat de hoeveelheid opgepompt gas per blok verschilt, ontstaan drukverschillen in het gasveld. De compactie (het samendrukken van de bodem) is daardoor niet overal hetzelfde.