Eindtekst
Wijziging van de Uitvoeringswet EG-bewijsverordening ter uitvoering van Verordening (EU) nr. 2020/1783 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2020 betreffende de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken (bewijsverkrijging) (herschikking) (PbEU 2020, L 405/1) (Uitvoeringswet Bewijsverkrijgingsverordening)
Eindtekst
Nummer: 2023D07385, datum: 2023-02-16, bijgewerkt: 2024-02-19 10:56, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Onderdeel van zaak 2022Z13596:
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Justitie en Veiligheid
- Stemmingen en besluiten:
- 2023-02-16 10:15 â Wetsvoorstel zonder stemming aangenomen. (Besluit)
- 2023-02-09 13:35 â Agenderen voor plenair debat. (Besluit)
- 2023-02-08 14:30 â Aanmelden voor plenaire behandeling als hamerstuk. (Besluit)
- 2022-09-15 14:00 â Inbreng geleverd. (Besluit)
- 2022-07-06 15:00 â Inbrengdatum voor het verslag vaststellen op 15 september 2022 te 14.00 uur. (Besluit)
- 2022-06-30 13:15 â Koninklijke boodschap, met de erbij behorende stukken, is al rondgezonden en gepubliceerd. (Besluit)
- 2022-06-30 13:15 â In handen gesteld van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid (Besluit)
- 2022-06-30 13:15: Aanvang middagvergadering: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2022-07-06 15:00: Procedures en brieven (Procedurevergadering), vaste commissie voor Justitie en Veiligheid
- 2022-09-15 14:00: Uitvoeringswet Bewijsverkrijgingsverordening (36153) (Inbreng verslag (wetsvoorstel)), vaste commissie voor Justitie en Veiligheid
- 2023-02-08 14:30: Procedurevergadering (Procedurevergadering), vaste commissie voor Justitie en Veiligheid
- 2023-02-09 13:35: Aansluitend: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2023-02-16 10:15: Hamerstuk: Wijziging van de Uitvoeringswet EG-bewijsverordening ter uitvoering van Verordening (EU) nr. 2020/1783 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2020 betreffende de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken (bewijsverkrijging) (herschikking) (PbEU 2020, L 405/1) (Uitvoeringswet Bewijsverkrijgingsverordening) (36153) (Hamerstukken), TK
Preview document (đ origineel)
De Tweede Kamer der Staten- Generaal zendt bijgaand door haar aangenomen wetsvoorstel aan de Eerste Kamer. De Voorzitter, 16 februari 2023 |
|
| Wijziging van de Uitvoeringswet EG-bewijsverordening ter uitvoering van Verordening (EU) nr. 2020/1783 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2020 betreffende de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken (bewijsverkrijging) (herschikking) (PbEU 2020, L 405/1) (Uitvoeringswet Bewijsverkrijgingsverordening) | |
| VOORSTEL VAN WET | |
Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is om de Uitvoeringswet EG-bewijsverordening te wijzigen ter uitvoering van de (herschikte) EU-bewijsverkrijgingsverordening (2020/ 1783);
Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
ARTIKEL I
De Uitvoeringswet EG-bewijsverordening wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:
1. Onderdeel a komt te luiden:
a. verordening: de verordening (EU) Nr. 2020/1783 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2020 betreffende de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken (bewijsverkrijging) (herschikking) (PbEU L 405/1);
2. In onderdeel b en c wordt âartikel 2â telkens vervangen door âartikel 3â.
3. In onderdeel d wordt âartikel 3â vervangen door âartikel 4â.
4. Onderdeel e vervalt.
B
Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt na âdie bevoegd zijn omâ ingevoegd âals aangezocht gerechtâ en wordt âartikel 2, tweede lidâ vervangen door âartikel 2, eerste lid en artikel 3â.
2. Aan het tweede lid wordt een zin toegevoegd, luidende: âIn zaken die tot de bijzondere competentie van een rechtbank behoren, wordt het verzoek aan die rechtbank gedaan.â
C
Artikel 3, wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt âde Raad voor de rechtspraakâ vervangen door âde rechtbank Den Haagâ en wordt een zin toegevoegd, luidende âHet centraal orgaan beslist over verzoeken ingediend op grond van artikel 19 van de verordening.â
2. Het tweede lid vervalt, onder vernummering van het derde lid tot tweede lid.
3. Het tweede lid (nieuw) komt te luiden:
2. Bij regeling van Onze Minister voor Rechtsbescherming kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop het centraal orgaan zijn taken, bedoeld in artikel 4, eerste en derde lid, van de verordening, uitvoert.
D
Na artikel 3 wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 3a
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld voor de verzending als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de verordening.
E
Het opschrift van paragraaf 2 komt te luiden:
§ 2 Verzoeken uit een andere lidstaat aan een gerecht of centraal orgaan in Nederland
F
In artikel 4 wordt na âVerzoeken en kennisgevingenâ ingevoegd âuit een andere lidstaatâ en wordt âeen aangezocht gerecht, het centrale orgaan of de bevoegde autoriteitâ vervangen door âeen aangezocht gerecht of het centraal orgaanâ.
G
Artikel 6 vervalt.
H
In artikel 7 wordt âartikel 7â vervangen door âartikel 9â.
I
Artikel 8 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd:
a. âartikel 11â wordt vervangen door âartikel 13â.
b. âartikel 12â wordt vervangen door âartikel 14â.
c. de zinsnede âdie het uit het oogpunt van een goede procesorde nuttig of noodzakelijk achtâ wordt vervangen door âuit het oogpunt van een goede procesorde. In het bijzonder kan het aangezochte gerecht bepalen dat partijen, hun vertegenwoordigers dan wel vertegenwoordigers van het verzoekende gerecht de bewijsverkrijging bijwonen door middel van een tweezijdige beeld- en geluidsverbindingâ.
2. Het tweede lid wordt als volgt gewijzigd:
a. âDe bevoegde autoriteitâ wordt vervangen door âHet centraal orgaanâ.
b. âartikel 17â wordt vervangen door âartikel 19â.
c. de zinsnede âdie zij uit het oogpunt van een goede procesorde nuttig of noodzakelijk achtâ wordt vervangen door âuit het oogpunt van een goede procesordeâ.
3. Er wordt een vierde lid toegevoegd, luidende:
4. Indien een gerecht als bedoeld in artikel 19, vierde lid, tweede zin, aan de rechtstreekse bewijsverkrijging deelneemt om te garanderen dat dit artikel correct wordt toegepast en de voorwaarden in acht worden genomen, maakt het deelnemende gerecht na afloop van de bewijsverkrijging een proces-verbaal van bevindingen op. In dit proces-verbaal wordt verslag gedaan van het verloop van de bewijsverkrijging en de naleving van de gestelde voorwaarden. Het deelnemende gerecht verzendt dit proces-verbaal na afloop van de bewijsverkrijging aan het centraal orgaan.
J
Artikel 9 wordt als volgt gewijzigd:
1. Aan het eerste lid wordt na âte verrichtenâ toegevoegd âop grond van artikel 12 van de verordeningâ.
2. In het tweede lid wordt na âOproepingenâ ingevoegd âuit hoofde van een verzoek om een bewijshandeling te verrichten op grond van artikel 12 van de verordeningâ en vervalt de tweede volzin.
K
In artikel 10 wordt na âbehoudens de kostenâ ingevoegd âvan de oproepingâ en wordt âartikel 18â vervangen door âartikel 22â.
L
In artikel 11 wordt âartikel 10â vervangen door âartikel 12â, âartikel 14â door âartikel 16â en âartikel 17, vijfde lidâ door âartikel 19, zevende lidâ.
M
Artikel 12 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd:
a. âartikel 12â wordt vervangen door âartikel 14â.
b. na âvan de verordening omâ wordt ingevoegd â, bij voorkeur door middel van een tweezijdige beeld- en geluidverbinding,â.
c. na âtot het verkrijgen van bewijsâ wordt ingevoegd âin een andere lidstaat zoals bedoeld in afdeling 3 van de verordeningâ.
2. Het tweede lid komt te luiden:
2. De rechtstreekse bewijsverkrijging in een andere lidstaat op grond van artikel 19 van de verordening wordt verricht door:
a. de enkelvoudige of meervoudige kamer die de zaak behandelt;
b. één van de rechterlijk ambtenaren uit voornoemde meervoudige kamer als rechter-commissaris; of
c. een andere persoon op de voet van artikel 19, derde lid, van de verordening die door de behandelend rechter is benoemd op grond van artikel 194 Rv.
N
In artikel 13, eerste, tweede en derde lid, wordt âartikel 18â telkens vervangen door âartikel 22â.
O
In artikel 15 wordt âartikel 10, vierde lid, van de verordeningâ vervangen door âartikel 12, vierde lid en artikel 20 van de verordening en artikel 8, eerste lid en 12 van deze wetâ.
P
In artikel 18 wordt âUitvoeringswet EG-bewijsverordeningâ vervangen door âUitvoeringswet Bewijsverkrijgingsverordeningâ.
ARTIKEL II
De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven
De Minister voor Rechtsbescherming,